Elohim Bijbel

Jasher 7

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364656667686970717273747576777879808182838485868788899091

De volkeren; Nimrod; de geboorte van Abram

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zonen van Jafeth

1Dit zijn de namen van de zonen van Noach: Jafeth, Cham en Sem. Na de vloed werden hun zonen geboren, want ze hadden vrouwen genomen vóór de vloed.
ואלה
(ve'elleh)
en dit zijn
שמות
(shemot)
namen van
בני
(bnei)
kinderen van
נח
(Noach)
Noach
יפת
(Yefet)
Jafeth
חם
(Cham)
Cham
ושם
(veShem)
en Sem
ויולדו
(vayyivvaldu)
en werden geboren
להם
(lahem)
aan hen
בנים
(banim)
zonen
אחר
(acher)
na
המבול
(hammabbul)
de zondvloed
כי
(ki)
want
לקחו
(laqchu)
zij hadden genomen
להם
(lahem)
voor zich
נשים
(nashim)
vrouwen
לפני
(lifnei)
voor
המבול
(hammabbul)
de zondvloed
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Zie Gen. 10:1: ook daar worden de zonen na de vloed geboren.

Dat ze hun vrouwen al vóór de vloed hadden genomen, past bij Gen. 7:7.

2Dit zijn de zonen van Jafeth: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras, zeven zonen.
אלה
(elleh)
dit zijn
בני
(bnei)
kinderen van
יפת
(Yefet)
Jafeth
גומר
(Gomer)
Gomer
ומגוג
(umMagog)
en Magog
ומדי
(umMadai)
en Madai
ויון
(veYavan)
en Javan
ותובל
(vetuval)
en Tubal
ומשך
(umMeshekh)
en Mesech
ותירס
(veTiras)
en Tiras
בנים
(banim)
zonen
שבעה
(shiv'ah)
zeven
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 10:2
3De zonen van Gomer waren Askenaz, Rifat en Togarma.
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
בני
(bnei)
kinderen van
גומר
(Gomer)
Gomer
אשכנז
(Ashkenaz)
Askenaz
וריפת
(veRifat)
en Rifat
ותוגרמה
(veTogarmah)
en Togarma
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
4De zonen van Magog waren Elicharef en Lovev.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
מגוג
(Magog)
Magog
אליחרף
(Elicharef)
Elicharef
ולובב
(veLovev)
en Lovev
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
5De zonen van Madai waren Achon, Zila, Choni en Liti.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
מדי
(Madai)
Madai
אחון
(Achon)
Achon
זילא
(Zila)
Zila
חוני
(Choni)
Choni
ליטי
(Liti)
Liti
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
6De zonen van Javan waren Elisa, Tarsis, de Kittim en de Dodanim.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
יון
(Yavan)
Javan
אלישה
(Elishah)
Elisa
תרשיש
(Tarshish)
Tarsis
כתים
(Kittim)
de Kittim
דודנים
(Dodanim)
de Dodanim
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
7De zonen van Tubal waren Aripi, Kesed en Taäri.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
תובל
(Tuval)
Tubal
אריפי
(Aripi)
Aripi
כשד
(Kesed)
Kesed
תארי
(Ta'ari)
Taäri
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
8De zonen van Mesech waren Charon, Zadon en Sjivsjani.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
משך
(Meshekh)
Mesech
חרון
(charon)
Charon
זדון
(Zadon)
Zadon
שיבשני
(Shivshani)
Sjivsjani
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
9De zonen van Tiras waren Benijov, Gira, Kizon, Lofrijon en Gilak. Dit zijn de zonen van Jafeth, volgens hun families. Hun aantal was in die dagen ongeveer vierhonderdzestig man.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
תירס
(Tiras)
Tiras
בניוב
(Benivv)
Benijov
גירא
(Gira)
Gira
כיזון
(Kizon)
Kizon
לופריון
(Lofriyon)
Lofrijon
גילק
(Gilaq)
Gilak
אלה
(elleh)
dit zijn
הם
(hem)
zij
בני
(bnei)
kinderen van
יפת
(Yefet)
Jafeth
למשפחותיהם
(lemishpechotehem)
naar hun families
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
פקודיהם
(pequdehem)
hun getelden
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
כארבע
(ke'arba)
ongeveer vier
מאות
(me'ot)
honderd
ושישים
(veshishim)
en zestig
איש
(ish)
een man
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

De zonen van Magog, Madai, Tubal, Mesech en Tiras (vers 4–9) staan niet in Genesis: Gen. 10:3–4 noemt alleen de zonen van Gomer en Javan.

De aantallen mannen (hier ongeveer vierhonderdzestig) staan ook niet in Genesis.

De zonen van Cham

10Dit zijn de zonen van Cham: Kush, Misraïm, Put en Kanaän, vier zonen. De zonen van Kush waren Seba, Havila, Sabta, Raäma en Sabteka, en de zonen van Raäma waren Sjeba en Dedan.
ואלה
(ve'elleh)
en dit zijn
בני
(bnei)
kinderen van
חם
(Cham)
Cham
כוש
(Kush)
Kush
ומצרים
(umMitsrayim)
en Misraïm
פוט
(Put)
Put
וכנען
(vekhena'an)
en Kanaän
בנים
(banim)
zonen
ארבעה
(arba'ah)
vier
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
בני
(bnei)
kinderen van
כוש
(Kush)
Kush
סבא
(Seva)
Seba
חבילה
(Chavilah)
Havila
סבתה
(Savtah)
Sabta
רעמא
(Ra'ma)
Raäma
סבתכא
(Savteka)
Sabteka
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
רעמה
(Ra'mah)
Raäma
שבא
(Sheva)
Sjeba
ודדן
(veDedan)
en Dedan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 10:6–7 noemt dezelfde zonen van Cham en van Kush, en de zonen van Raäma, Sjeba en Dedan.

11De zonen van Misraïm waren Lud, Onom, Lahav, Naftoeach, Patros, Kasloeach en Kaftor.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
מצרים
(Mitsrayim)
Misraïm
לוד
(Lud)
Lud
עונם
(Onom)
Onom
להב
(Lahav)
Lahav
נפתוח
(Naftoach)
Naftoeach
פתרוס
(Patros)
Patros
כסלוח
(Kasloach)
Kasloeach
כפתור
(Kaftor)
Kaftor
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 10:13–14 noemt Lud, Anamim, Lehabim, Naftuchim, Patrusim, Kasluchim en Kaftorim als volken; hier staan de namen als zonen van Misraïm.

12De zonen van Put waren Gevul, Chadan, Bena en Adan.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
פוט
(Put)
Put
גבל
(Gevul)
Gevul
חדן
(Chadan)
Chadan
בנה
(Benah)
Bena
עדן
(Eden)
Adan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 10:6 noemt Put zonder zonen; hier heeft hij vier zonen.

Zie ookGen 10:6
13De zonen van Kanaän waren Sidon, Het, Amori, Girgasji, Chivi, Arki, Sini, Arodi, Zemar en Chamat.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
צידון
(Tsidon)
Sidon
חת
(Chet)
Het
אמרי
(Emori)
Amori
גרגשי
(Girgashi)
Girgasji
חוי
(Chivvi)
Chivi
ערקי
(Arqi)
Arki
סיני
(Sini)
Sini
ארודי
(Arodi)
Arodi
צמר
(Tsemar)
Zemar
חמת
(Chamat)
Chamat
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Uitleg

Gen. 10:15–18 noemt dezelfde volken van Kanaän, met Sidon en Het als de eerste twee.

14Dit zijn de zonen van Cham, volgens hun families. Hun aantal was in die dagen ongeveer zevenhonderddertig man.
אלה
(elleh)
dit zijn
הם
(hem)
zij
בני
(bnei)
kinderen van
חם
(Cham)
Cham
למשפחותיהם
(lemishpechotehem)
naar hun families
ופקודיהם
(ufequdehem)
en hun getelden
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
כשבע
(kheshev'a)
ongeveer zeven
מאות
(me'ot)
honderd
ושלושים
(ushloshim)
en dertig
איש
(ish)
een man
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De zonen van Sem

15Dit zijn de zonen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram, vijf zonen. De zonen van Elam waren Sjoesjan, Machol en Chermon.
ואלה
(ve'elleh)
en dit zijn
בני
(bnei)
kinderen van
שם
(shem)
Sem
עילם
(Elam)
Elam
אשור
(Ashur)
Assur
ארפכשד
(Arpakhshad)
Arpachsad
ולוד
(veLud)
en Lud
וארם
(ve'Aram)
en Aram
בנים
(banim)
zonen
חמישה
(chamishah)
vijf
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
בני
(bnei)
kinderen van
עילם
(Elam)
Elam
שושן
(Shushan)
Sjoesjan
מחול
(Machol)
Machol
חרמון
(Chermon)
Chermon
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 10:22
16De zonen van Assur waren Miris en Mokil, en de zonen van Arpachsad waren Selach, Anar en Asjkol.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
אשור
(Ashur)
Assur
מירס
(Miras)
Miris
מוקיל
(Moqil)
Mokil
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
ארפכשד
(Arpakhshad)
Arpachsad
שלח
(Shelach)
Selach
ענר
(Aner)
Anar
אשכול
(Eshkol)
Asjkol
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

De zonen van Elam, Assur en Lud (vers 15–17) staan niet in Genesis; ook niet Anar en Asjkol bij Arpachsad (Gen. 10:24 noemt alleen Selach).

Gen. 10:23 noemt de zonen van Aram: Us, Chul, Gether en Mas.

17De zonen van Lud waren Petor en Azijon, en de zonen van Aram waren Us, Chul, Gether en Mas.
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
לוד
(Lud)
Lud
פתור
(Petor)
Petor
עזיון
(Aziyon)
Azijon
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
ארם
(Aram)
Aram
עוץ
('uts)
Us
חול
(Chul)
Chul
גתר
(Geter)
Gether
מש
(Mash)
Mas
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
18Dit zijn de zonen van Sem, volgens hun families. Hun aantal was in die dagen ongeveer driehonderdzeventig man.
אלה
(elleh)
dit zijn
הם
(hem)
zij
בני
(bnei)
kinderen van
שם
(shem)
Sem
למשפחותם
(lemishpechotam)
naar hun families
ומספרם
(umispaream)
en hun aantal
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
כשלוש
(kheshalosh)
ongeveer drie
מאות
(me'ot)
honderd
ושבעים
(veshiv'im)
en zeventig
איש
(ish)
een man
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De geslachten van Sem

19Dit is de geschiedenis van Sem: Sem werd de vader van Arpachsad, Arpachsad van Selach, en Selach van Eber.
אלה
(elleh)
dit zijn
תולדות
(toledot)
geschiedenis van
שם
(shem)
Sem
שם
(shem)
Sem
הוליד
(holid)
werd vader van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ארפכשד
(Arpakhshad)
Arpachsad
וארפכשד
(ve'Arpakhshad)
en Arpachsad
הוליד
(holid)
werd vader van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שלח
(Shelach)
Selach
ושלח
(veShelach)
en Selach
הוליד
(holid)
werd vader van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עבר
(Ever)
Eber
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Zie Gen. 10:24 en Gen. 11:10–15: Arpachsad, Selach en Eber.

20Aan Eber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg, want in zijn leven werd het leven van de mensen verdeeld, en aan het einde van zijn dagen werd de aarde verdeeld. De naam van de tweede noemde hij Joktan, met de woorden: „In zijn dagen is het leven van de mensen verminderd en verkleind.”
ולעבר
(veLe'ever)
en aan Eber
יולד
(yivvaled)
werden geboren
שני
(shenei)
twee
בנים
(banim)
zonen
שם
(shem)
naam
האחד
(ha'echad)
de ene
פלג
(Peleg)
Peleg
כי
(ki)
want
בחייו
(bechayav)
in zijn leven
נפלגו
(niflegu)
werden verdeeld
חיי
(chayyei)
leven
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
ובאחרית
(uve'acharit)
en aan het einde van
ימיו
(yamav)
zijn dagen
הפלגה
(hiflegah)
werd verdeeld
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
שם
(shem)
naam
השני
(hasheni)
de tweede
קרא
(qara)
noemde
יקטן
(Yoqtan)
Joktan
לאמור
(lemor)
zeggende
המעטו
(hum'atu)
werden verminderd
והקטנו
(vehuqtanu)
en werden verkleind
חיי
(chayyei)
leven
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
בימיו
(bimav)
in zijn dagen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 10:25: ‘Aan Eber werden twee zonen geboren.

De naam van de ene was Peleg, want in zijn dagen werd de aarde verdeeld.’

Hier gebeurt dat in twee stappen: in zijn leven werd het leven van de mensen verdeeld, en aan het einde van zijn dagen de aarde.

De uitleg van de naam Joktan (יקטן, Yoqtan), ‘zijn verminderd en verkleind’ (המעטו והקטנו, hum’atu vehuqtanu), staat niet in Genesis.

Zie ookGen 10:25
21Dit zijn de zonen van Joktan: Almodad, Sjelef, Chazarmaveth, Jerach, Hadoram, Uzal, Dikla, Obal, Abimaël, Sjeba, Ofir, Havila en Jobab. Al deze zijn de zonen van Joktan.
אלה
(elleh)
dit zijn
בני
(bnei)
kinderen van
יקטן
(Yoqtan)
Joktan
אלמודד
(Almodad)
Almodad
שלף
(Shelef)
Sjelef
חצר
(Chatsar)
Chazar-
מות
(mot)
maveth
ירח
(Yerach)
Jerach
הדורם
(Hadoram)
Hadoram
אוזל
(Uzal)
Uzal
דקלה
(Diqlah)
Dikla
עובל
(Oval)
Obal
אבימאל
(Avima'el)
Abimaël
שבא
(Sheva)
Sjeba
אופיר
(Ofir)
Ofir
חוילה
(Chavilah)
Havila
יובב
(Yovav)
Jobab
כל
(kol)
alle
אלה
(elleh)
dit zijn
בני
(bnei)
kinderen van
יקטן
(Yoqtan)
Joktan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 10:26–29 noemt dezelfde dertien zonen van Joktan.

חצר מות (Chatsar Mavet) is Chazarmaveth, een naam uit Gen. 10:26.

22Peleg, zijn broer, werd de vader van Reü, Reü van Serug, Serug van Nachor, en Nachor van Terach. Terach leefde achtendertig jaar en werd de vader van Haran en Nachor.
ופלג
(uFeleg)
en Peleg
אחיו
(achiv)
zijn broer
הוליד
(holid)
werd vader van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
רעו
(Re'u)
Reü
ורעו
(veRe'u)
en Reü
הוליד
(holid)
werd vader van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שרוג
(Serug)
Serug
ושרוג
(veSerug)
en Serug
הוליד
(holid)
werd vader van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נחור
(Nachor)
Nachor
ונחור
(veNachor)
en Nachor
הוליד
(holid)
werd vader van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
תרח
(Terach)
Terach
ויחי
(vayechi)
en hij leefde
תרח
(Terach)
Terach
שלושים
(sheloshim)
dertig
ושמונה
(ushmoneh)
en acht
שנה
(shanah)
jaar
ויולד
(vayyolid)
en werd vader van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הרן
(Haran)
Haran
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
נחור
(Nachor)
Nachor
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 11:18–26: Peleg, Reü, Serug, Nachor en Terach.

Gen. 11:26 zegt dat Terach zeventig jaar was toen hij Abram, Nachor en Haran kreeg; hier worden Haran en Nachor geboren toen hij achtendertig was en Abram toen hij zeventig was (vers 51).

De geboorte van Nimrod

23Kush, de zoon van Cham, de zoon van Noach, nam in die dagen op zijn oude dag een vrouw. Ze beviel van een zoon, en ze noemden hem Nimrod, met de woorden: „In die tijd zijn de mensen opnieuw begonnen in opstand te komen en tegen Elohim te zondigen.” De jongen groeide op, en zijn vader had hem zeer lief, want hij was een zoon van zijn ouderdom.
וכוש
(veKush)
en Kush
בן
(ben)
zoon van
חם
(Cham)
Cham
בן
(ben)
zoon van
נח
(Noach)
Noach
לקח
(laqach)
nam
אישה
(ishah)
een vrouw
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
לעת
(le'et)
tegen de tijd van
זקנתו
(ziqnato)
zijn ouderdom
ותלד
(vatteled)
en zij beviel
בן
(ben)
een zoon
ויקראו
(vayiqre'u)
en zij noemden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שמו
(shemo)
zijn naam
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
לאמור
(lemor)
zeggende
בעת
(be'et)
in tijd
ההיא
(hahi)
die
החלו
(hechellu)
begonnen
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
למרוד
(limrod)
in opstand te komen
ולפשוע
(ulifsho'a)
en te zondigen
באלוקים
(be'Elohim)
tegen Elohim
עוד
(od)
opnieuw
ויגדל
(vayigdal)
en hij groeide op
הילד
(hayeled)
het kind
ואביו
(ve'aviv)
en zijn vader
אהבו
(ahavo)
had hem lief
מאוד
(me'od)
zeer
כי
(ki)
want
בן
(ben)
zoon van
זקונים
(zequnim)
ouderdom
הוא
(hu)
hij
לו
(lo)
voor hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

De naam נמרוד (Nimrod) wordt hier uitgelegd met למרוד (limrod), ‘in opstand te komen’.

Zie Gen. 10:8.

Zie ookGen 10:8

De kleren van Adam

24Kush gaf hem de kleren van huid die Elohim voor Adam en zijn vrouw had gemaakt, toen ze de tuin verlieten.
ויתן
(vayitten)
en gaf
לו
(lo)
aan hem
כוש
(Kush)
Kush
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כתנות
(kuttenot)
kleren van
העור
(ha'or)
de huid
אשר
(asher)
die
עשה
(asah)
had gemaakt
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
לאדם
(le'Adam)
aan Adam
ולאישתו
(ule'ishto)
en aan zijn vrouw
בצאתם
(betsetam)
bij hun uitgaan
מן
(min)
uit
הגן
(hagan)
van de tuin
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

כתנות עור (kuttenot or), ‘kleren van huid’: zie Gen. 3:21.

Lezing

ויתן לו כוש (vayiten lo Kush), ‘en Kush gaf hem’: wie ‘hem’ is, staat er niet bij.

Vers 29 zegt dat Kush de kleren aan Nimrod gaf.

De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft hier ‘werden gegeven aan Kush’.

Zie ookGen 3:21
25Na de dood van Adam en zijn vrouw gaven ze de kleren aan Henoch, de zoon van Jered. Toen Henoch tot Elohim werd opgenomen, gaf hij ze aan Metuselach, zijn zoon.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
אחרי
(acharei)
na
מות
(mot)
dood van
אדם
(adam)
Adam
ואשתו
(ve'ishto)
en zijn vrouw
ויתנו
(vayittenu)
en zij gaven
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הכתנות
(hakkuttanot)
de kleren
לחנוך
(lechanokh)
Henoch
בן
(ben)
zoon van
ירד
(Yered)
Jered
ובהלקח
(uvehillaqach)
en bij het weggenomen worden van
חנוך
(Chanokh)
Henoch
אל
(el)
tot
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
ויתנם
(vayittenem)
en hij gaf ze
אל
(el)
aan
מתושלח
(Metushelach)
Metuselach
בנו
(beno)
zijn zoon
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
26Bij de dood van Metuselach nam Noach ze en bracht ze mee de ark in, en ze waren bij hem tot ze uit de ark gingen.
ובמות
(uvemot)
en bij de dood van
מתושלח
(Metushelach)
Metuselach
לקח
(laqach)
nam
אותם
(otam)
hen
נח
(Noach)
Noach
ויביאם
(vayevi'em)
en hij bracht hen
איתו
(ito)
met hem
אל
(el)
tot
התיבה
(hattevah)
de ark
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
איתו
(ito)
met hem
עד
(ad)
tot
צאתם
(tsetam)
hun uitgaan
מן
(min)
uit
התיבה
(hattevah)
de ark
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Dat Noach de kleren van Metuselach erfde en in de ark meenam, staat niet in Genesis.

27Bij hun uitgaan stal Cham die kleren van Noach, zijn vader. Hij nam ze en verborg ze voor zijn broers.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בצאתם
(betsetam)
bij hun uitgaan
ויגנוב
(vayignov)
en hij stal
חם
(Cham)
Cham
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הכתנות
(hakkuttanot)
de kleren
ההם
(hahem)
die
מנח
(miNoach)
van Noach
אביו
(aviv)
zijn vader
ויקחם
(vayiqachem)
en hij nam hen
ויסתירם
(vayastirem)
en hij verborg hen
מאחיו
(me'achiv)
voor zijn broers
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Dat Cham de kleren van Noach stal, staat niet in Genesis.

28Toen Cham zijn eerstgeborene Kush verwekte, gaf hij hem de kleren in het geheim, en ze bleven vele dagen bij Kush.
ובלדת
(uveledet)
en bij het verwekken van
חם
(Cham)
Cham
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כוש
(Kush)
Kush
בכורו
(bekhoro)
zijn eerstgeborene
נתן
(natan)
hij gaf
לו
(lo)
aan hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הכתנות
(hakkuttanot)
de kleren
בסתר
(baseter)
in het geheim
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
עם
(im)
met
כוש
(Kush)
Kush
ימים
(yamim)
dagen
רבים
(rabbim)
vele
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
29Ook hij verborg ze voor zijn zonen en zijn broers. Toen Kush Nimrod verwekte, gaf hij hem die kleren uit liefde voor hem. Nimrod groeide op, en toen hij twintig jaar oud was, trok hij die kleren aan.
ויסתירם
(vayastirem)
en hij verborg hen
גם
(gam)
ook
הוא
(hu)
hij
מאת
(me'et)
van
בניו
(banav)
zijn zonen
ואחיו
(ve'achiv)
en zijn broers
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כאשר
(ka'asher)
zoals
ילד
(yalad)
werd vader van
כוש
(Kush)
Kush
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
ויתן
(vayitten)
en gaf
לו
(lo)
aan hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הבגדים
(habbegadim)
de kleren
ההם
(hahem)
die
באהבתו
(be'ahavato)
in zijn liefde voor
אותו
(oto)
hem
ויגדל
(vayigdal)
en hij groeide op
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
ויהי
(vayehi)
en hij was
בן
(ben)
zoon van
עשרים
(esrim)
twintig
שנה
(shanah)
jaar
וילבש
(vayilbash)
en hij trok aan
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הבגדים
(habbegadim)
de kleren
ההם
(hahem)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Nimrod, de jager

30Toen Nimrod de kleren aantrok, werd hij sterk, en Elohim gaf hem kracht en macht. Hij was een machtig jager op de aarde, hij was een machtig jager in het veld. Hij joeg op de wilde dieren, bouwde altaren en bracht de wilde dieren daarop als offer voor het aangezicht van Yahweh.
ויתחזק
(vayitchazzeq)
en hij werd sterk
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
כאשר
(ka'asher)
zoals
לבש
(lavash)
hij had aangetrokken
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הבגדים
(habbegadim)
de kleren
ויתן
(vayitten)
en gaf
לו
(lo)
aan hem
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
כח
(koach)
kracht
וגבורה
(ugevurah)
en macht
ויהי
(vayehi)
en hij werd
גיבור
(gibbor)
machtig
ציד
(tsayid)
jager
בארץ
(ba'arets)
op de aarde
הוא
(hu)
hij
היה
(hayah)
hij was
גיבור
(gibbor)
machtig
ציד
(tsayid)
jager
בשדה
(bassadeh)
in het veld
ויהי
(vayehi)
en hij was
צודה
(tsodeh)
jagend
את
(et)
(lijdend voorwerp)
החיות
(hachayyot)
de wilde dieren
ויבן
(vayiven)
en hij bouwde
מזבחות
(mizbechot)
altaren
ויקרב
(vayaqrev)
en hij bracht als offer
עליהן
(aleihen)
daarop
את
(et)
(lijdend voorwerp)
החיות
(hachayyot)
de wilde dieren
לפני
(lifnei)
voor
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

גיבור ציד (gibbor tsayid), ‘machtig jager’: zie Gen. 10:9.

‘Voor het aangezicht van Yahweh’ (לפני יהוה, lifnei Yahweh) staat hier bij het offeren; in Gen. 10:9 staat het bij het jagen.

Zie ookGen 10:9
31Nimrod versterkte zich, stond op uit zijn broers en streed de oorlogen van zijn broers tegen al hun vijanden rondom.
ויתחזק
(vayitchazzeq)
en hij werd sterk
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
ויקם
(vayyaqom)
en hij stond op
מאחיו
(me'achiv)
uit zijn broers
וילחם
(vayillachem)
en hij streed
מלחמות
(milchamot)
de oorlogen van
אחיו
(achiv)
zijn broers
מכל
(mikkol)
van alle
אויביהם
(oyeveihem)
hun vijanden
מסביב
(missaviv)
rondom
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
32Yahweh gaf alle vijanden van zijn broers in zijn hand. Yahweh liet hem slagen van keer tot keer in al zijn oorlogen, en hij werd koning over het land.
ויתן
(vayitten)
en Hij gaf
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אויבי
(oyevei)
de vijanden van
אחיו
(achiv)
zijn broers
בידו
(beyado)
in zijn hand
ויצליחהו
(vayatslichehu)
en hij liet hem slagen
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
כפעם
(kefa'am)
van keer tot keer
בפעם
(befa'am)
tot keer
בכל
(bekhol)
in heel
מלחמותיו
(milchamotav)
zijn oorlogen
וימלוך
(vayemlokh)
en hij werd koning
בארץ
(ba'arets)
over het land
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
33Daarom werd het in die dagen een spreekwoord. Wanneer iemand zijn getrainde mannen ten strijde liet uittrekken, zeiden ze tegen hem: „Zoals Nimrod, die een machtig jager was op de aarde en slaagde in zijn oorlogen, die machtiger was dan zijn broers en hen redde uit de hand van hun vijanden, zo moge Yahweh ons vandaag sterken en redden.”
על
(al)
daarom
כן
(ken)
(samen: daarom)
היה
(hayah)
het werd
למשל
(lemashal)
tot een spreekwoord
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
כאשר
(ka'asher)
wanneer
יריק
(yariq)
laat uittrekken
איש
(ish)
iemand
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חניכיו
(chanikhav)
zijn getrainden
להילחם
(lehillachem)
te strijden
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליו
(elav)
tegen hem
כנמרוד
(kheNimrod)
zoals Nimrod
אשר
(asher)
die
היה
(hayah)
hij was
גיבור
(gibbor)
machtig
ציד
(tsayid)
jager
בארץ
(ba'arets)
op de aarde
והצליח
(vehitslich)
en slaagde
במלחמותיו
(bemilchamotav)
in zijn oorlogen
אשר
(asher)
die
גבר
(gavar)
machtig was
מאחיו
(me'achiv)
boven zijn broers
ויצילם
(vayatsilem)
en hij redde hen
מכף
(mikkaf)
uit de hand van
אויביהם
(oyeveihem)
hun vijanden
כן
(ken)
zo
יחזקנו
(yechazzeqenu)
Hij zal ons sterken
ויצילנו
(veyatsilenu)
en Hij zal ons redden
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 10:9 geeft het gezegde: ‘Zoals Nimrod, een machtig jager voor het aangezicht van Yahweh.’

Hier is het gezegde uitgebreid.

Zie ookGen 10:9

Nimrods oorlogen

34Toen Nimrod veertig jaar oud was, was er in die tijd een oorlog tussen zijn broers en de zonen van Jafeth, en zijn broers kwamen onder de hand van hun vijanden.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בהיות
(bihyot)
toen was
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
בן
(ben)
zoon van
ארבעים
(arba'im)
veertig
שנה
(shanah)
jaar
ובעת
(uva'et)
en in de tijd
ההיא
(hahi)
die
היתה
(hayetah)
zij was
מלחמה
(milchamah)
oorlog
בין
(bein)
tussen
אחיו
(achiv)
zijn broers
ובין
(uvein)
en tussen
בני
(bnei)
kinderen van
יפת
(Yefet)
Jafeth
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
אחיו
(achiv)
zijn broers
תחת
(tachat)
onder
יד
(yad)
hand van
אויביהם
(oyeveihem)
hun vijanden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
35Nimrod versterkte zich in die tijd, ging en verzamelde alle zonen van Kush en alle families van Cham, ongeveer vierhonderdzestig man. Hij huurde ook al zijn vrienden en al zijn vroegere bekenden, ongeveer tachtig man, gaf hun hun loon en ging met hen ten strijde. Onderweg sterkte Nimrod het hart van heel het volk dat met hem meeging.
ויתחזק
(vayitchazzeq)
en hij werd sterk
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
בעת
(be'et)
in tijd
ההיא
(hahi)
die
וילך
(vayelekh)
en hij ging
ויקבוץ
(vayiqbots)
en hij verzamelde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
כוש
(Kush)
Kush
וכל
(vekhol)
en alle
משפחות
(mishpechot)
families van
חם
(Cham)
Cham
כארבע
(ke'arba)
ongeveer vier
מאות
(me'ot)
honderd
ושישים
(veshishim)
en zestig
איש
(ish)
een man
וישכור
(vayiskor)
en hij huurde
גם
(gam)
ook
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אוהביו
(ohavav)
zijn vrienden
וכל
(vekhol)
en alle
יודעיו
(yode'av)
zijn bekenden
לפנים
(lefanim)
van vroeger
כשמונים
(keshemonim)
ongeveer tachtig
איש
(ish)
een man
ויתן
(vayitten)
en gaf
שכרם
(skharam)
hun loon
וילך
(vayelekh)
en hij ging
עמהם
(immahem)
met hen
למלחמה
(lammilchamah)
ten strijde
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בדרך
(baderekh)
onderweg
ויחזק
(vayechazzeq)
en hij sterkte
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
את
(et)
(lijdend voorwerp)
לב
(lev)
het hart van
כל
(kol)
alle
העם
(ha'am)
het volk
אשר
(asher)
die
הלכו
(halekhu)
zij gingen
איתו
(ito)
met hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
36Hij zei tegen hen: „Wees niet bang en niet verschrikt, want al onze vijanden zullen in onze hand worden overgeleverd, en jullie zullen met hen doen wat goed is in jullie ogen.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
אל
(el)
niet
תיראו
(tire'u)
vrees
ואל
(ve'el)
en niet
תערצו
(ta'artsu)
wees verschrikt
כי
(ki)
want
נתון
(natun)
overgeleverd
ינתנו
(yinnatenu)
zullen worden
כל
(kol)
alle
אויבינו
(oyeveinu)
onze vijanden
בידינו
(beyadenu)
in onze hand
ועשיתם
(va'asitem)
en jullie zullen doen
להם
(lahem)
hun
כטוב
(ketov)
zoals goed is
בעיניכם
(be'eineikhem)
in jullie ogen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
37Al deze mannen die gingen, waren ongeveer vijfhonderdveertig man. Ze streden tegen hun vijanden, vernietigden hen en onderwierpen hen aan zich, en Nimrod stelde opzichters over hen aan op hun plaatsen.
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
כל
(kol)
alle
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
האלה
(ha'elleh)
deze
כחמש
(kechamesh)
ongeveer vijf
מאות
(me'ot)
honderd
וארבעים
(ve'arba'im)
en veertig
איש
(ish)
een man
וילחמו
(vayillachamu)
en zij streden
על
(al)
tegen
אויביהם
(oyeveihem)
hun vijanden
וישחיתום
(vayashchitum)
en zij vernietigden hen
ויכניעום
(vayakhni'um)
en zij onderwierpen hen
תחת
(tachat)
onder
ידם
(yadam)
hun hand
וישם
(vayasem)
en hij stelde
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
עליהם
(aleihem)
over hen
נציבים
(netsivim)
opzichters
במקומותם
(bimqomotam)
op hun plaatsen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
38Hij nam enkele van hun zonen als onderpand, en ze werden allen dienaren van Nimrod en zijn broers. Daarna keerden Nimrod en heel het volk dat bij hem was, terug naar hun woonplaatsen.
ויקח
(vayikkach)
en hij nam
מבניהם
(mibbeneihem)
van hun zonen
לערבון
(le'eravon)
als onderpand
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
כולם
(kullam)
allen
עבדים
(avadim)
dienaren
לנמרוד
(leNimrod)
voor Nimrod
ולאחיו
(ule'achiv)
en voor zijn broers
ויפנו
(vayifnu)
en zij keerden zich
וישובו
(vayashuvu)
en zij keerden terug
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
וכל
(vekhol)
en alle
העם
(ha'am)
het volk
אשר
(asher)
die
איתו
(ito)
met hem
למקומותם
(limqomotam)
naar hun plaatsen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Nimrod wordt koning

39Toen Nimrod met vreugde terugkeerde van de oorlog, omdat hij al zijn vijanden had overwonnen, kwamen al zijn broers en al zijn vroegere bekenden samen. Ze maakten hem koning over zich en zetten de kroon van het koningschap op zijn hoofd.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כאשר
(ka'asher)
zoals
שב
(shav)
keerde terug
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
מהמלחמה
(mehammilchamah)
van de oorlog
בשמחה
(besimchah)
met vreugde
כאשר
(ka'asher)
omdat
ניצח
(nitseach)
had overwonnen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אויביו
(oyevav)
zijn vijanden
ויועדו
(vayivvaadu)
en zij kwamen samen
כולם
(kullam)
allen
יחד
(yachad)
samen
כל
(kol)
alle
אחיו
(achiv)
zijn broer
וכל
(vekhol)
en alle
יודעיו
(yode'av)
zijn bekenden
לפנים
(lefanim)
van vroeger
וימליכוהו
(vayamlikhuhu)
en zij maakten hem koning
עליהם
(aleihem)
over hen
וישימו
(vayasimu)
en zij zetten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כתר
(keter)
kroon van
מלכות
(malkhut)
koningschap
בראשו
(berosho)
op zijn hoofd
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 10:10 noemt het begin van zijn koninkrijk: Babel, Erech, Akkad en Kalne, in het land Sinear.

Zie ookGen 10:10
40Hij stelde vorsten, rechters en leiders aan over zijn dienaren en heel zijn volk, volgens het recht van de koningen.
וישם
(vayasem)
en hij stelde aan
שרים
(sarim)
vorsten
ושופטים
(veshofetim)
en rechters
ומנהיגים
(umanhigim)
en leiders
על
(al)
over
עבדיו
(avadav)
zijn dienaren
ועל
(ve'al)
en over
כל
(kol)
alle
עמו
(immo)
zijn volk
כמשפט
(kemishpat)
volgens het recht van
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
41Hij stelde Terach, de zoon van Nachor, aan als bevelhebber van zijn leger. Hij maakte hem groot en verhief hem boven alle vorsten die hij had.
וישם
(vayasem)
en hij stelde
שר
(sar)
bevelhebber van
צבאו
(tsevao)
zijn leger
את
(et)
(lijdend voorwerp)
תרח
(Terach)
Terach
בן
(ben)
zoon van
נחור
(Nachor)
Nachor
ויגדלהו
(vayegaddelehu)
en hij maakte hem groot
וינשאהו
(vayenasseehu)
en hij verhief hem
מעל
(me'al)
boven
כל
(kol)
alle
השרים
(hasarim)
de vorsten
אשר
(asher)
die
לו
(lo)
die hij had
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
42Toen hij regeerde naar alle wens van zijn ziel, nadat hij al zijn vijanden rondom had overwonnen, overlegde hij met al zijn raadgevers om een stad voor zichzelf te bouwen. Zo deden ze.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כאשר
(ka'asher)
zoals
מלך
(malakh)
hij was koning
בכל
(bekhol)
in heel
אות
(avvat)
wens van
נפשו
(nafsho)
zijn ziel
וכאשר
(vekha'asher)
en toen
ניצח
(nitseach)
had overwonnen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אויביו
(oyevav)
zijn vijanden
מסביב
(missaviv)
rondom
ויתייעץ
(vayityaets)
en hij overlegde
עם
(im)
met
כל
(kol)
alle
יועציו
(yo'atsav)
zijn raadgevers
לבנות
(livnot)
te bouwen
לו
(lo)
voor hem
עיר
(ir)
nederzetting
ויעשו
(vaya'asu)
en zij maakten
כן
(ken)
zo
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Sinear

43Ze vonden een grote vallei tegenover het oosten van de zon, en ze bouwden daar voor hem een grote en zeer uitgestrekte stad. Nimrod noemde de stad die hij gebouwd had Sinear, omdat Yahweh zijn vijanden voor zijn aangezicht had geschud en hij hen had gevangen.
וימצאו
(vayimtse'u)
en zij vonden
בקעה
(biqah)
vallei
גדולה
(gedolah)
grote
מנגד
(minneged)
tegenover
למזרח
(lemizrach)
naar het oosten van
השמש
(hashemesh)
de zon
ויבנו
(vayivnu)
en zij bouwden
לו
(lo)
voor hem
שם
(shem)
daar
עיר
(ir)
nederzetting
גדולה
(gedolah)
grote
ורחבה
(urechavah)
en uitgestrekt
מאוד
(me'od)
zeer
ויקרא
(vayikra)
en hij noemde
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שם
(shem)
naam
העיר
(ha'ir)
de nederzetting
אשר
(asher)
die
בנה
(Benah)
hij bouwde
שנער
(Shin'ar)
Sinear
כי
(ki)
want
ניער
(ni'er)
had geschud
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אויביו
(oyevav)
zijn vijanden
מפניו
(mippanav)
voor zijn aangezicht
וילכדם
(vayilkhedem)
en hij had hen gevangen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië.

Uitleg

שנער (Shin’ar), ‘Sinear’, wordt hier uitgelegd met ניער (ni’er), ‘schudde’.

Die uitleg staat niet in Genesis.

Zie Gen. 10:10 en Gen. 11:2.

44Nimrod woonde in Sinear en regeerde in veiligheid. Hij streed met al zijn vijanden en onderwierp hen, slaagde in al zijn oorlogen, en zijn koninkrijk werd zeer groot.
וישב
(vayyashev)
en hij woonde
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
בשנער
(veShin'ar)
in Sinear
וימלוך
(vayemlokh)
en hij regeerde
לבטח
(lavetach)
in veiligheid
וילחם
(vayillachem)
en hij streed
עם
(im)
met
כל
(kol)
alle
אויביו
(oyevav)
zijn vijanden
ויכניעם
(vayakhni'em)
en hij onderwierp hen
ויצליח
(vayatslich)
en hij slaagde
בכל
(bekhol)
in heel
מלחמותיו
(milchamotav)
zijn oorlogen
ותגדל
(vattigdal)
en werd groot
מלכותו
(malkhuto)
zijn koninkrijk
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië.

45Alle volken en alle talen hoorden van zijn roem, en ze verzamelden zich allemaal bij hem. Ze brachten hem geschenken, bogen zich voor hem neer tot op de grond en erkenden hem als heer en koning over zich. Ze woonden allen bij hem in de stad Sinear. Nimrod regeerde over het land, over alle zonen van Noach, en ze stonden allen onder zijn hand en onder zijn raad.
וכל
(vekhol)
en alle
הגויים
(haggoyim)
de volken
וכל
(vekhol)
en alle
הלשונות
(halleshonot)
de talen
שמעו
(shame'u)
zij hoorden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שמעו
(shame'u)
zijn faam
ויתקבצו
(vayitqabtsu)
en zij verzamelden zich
כולם
(kullam)
allen
יחד
(yachad)
samen
אליו
(elav)
tot hem
ויביאו
(vayavi'u)
en zij brachten
לו
(lo)
aan hem
מנחות
(minchot)
geschenken
וישתחוו
(vayishtachavu)
en zij bogen zich neer
לו
(lo)
voor hem
ארצה
(artsah)
naar de grond
ויודו
(vayyodu)
en zij erkenden
לאדון
(le'adon)
als heer
ומלך
(umelekh)
en koning
עליהם
(aleihem)
over hen
וישבו
(vayeshvu)
en zij woonden
כולם
(kullam)
allen
איתו
(ito)
met hem
בעיר
(ba'ir)
in de stad
שנער
(Shin'ar)
Sinear
וימלוך
(vayemlokh)
en hij regeerde
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
בארץ
(ba'arets)
op de aarde
על
(al)
over
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
נח
(Noach)
Noach
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
כולם
(kullam)
allen
תחת
(tachat)
onder
ידו
(yado)
zijn hand
ותחת
(vetachat)
en onder
עצתו
(atsato)
zijn raad
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië.

Nimrod en de afgoden

46De hele aarde had één taal en dezelfde woorden. Maar Nimrod wandelde niet in de wegen van Yahweh, en hij was goddelozer dan alle mensen die vóór hem waren geweest, vanaf de dagen van de vloed tot die dagen.
ותהי
(vatehi)
en was
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
de aarde
שפה
(safah)
taal
אחת
(achat)
één
ודברים
(udevarim)
en woorden
אחדים
(achadim)
dezelfde
אך
(akh)
maar
לא
(lo)
niet
הלך
(halakh)
wandelde
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
בדרכי
(bedarkhei)
in de wegen van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
וירשיע
(vayarshia)
en hij was goddelozer
מכל
(mikkol)
van elke
האדם
(ha'adam)
de mens
אשר
(asher)
die
היו
(hayu)
zij waren
לפניו
(lefanav)
voor hem
מימי
(miyyemei)
vanaf de dagen van
המבול
(hammabbul)
de zondvloed
עד
(ad)
tot
הימים
(hayyamim)
de dagen
ההם
(hahem)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Dezelfde woorden als in Gen. 11:1: ‘één taal en dezelfde woorden’ (שפה אחת ודברים אחדים, safah achat udevarim achadim).

Zie ookGen 11:1
47Hij maakte goden van hout en steen, boog zich voor hen neer en kwam in opstand tegen Yahweh. Hij leerde al zijn dienaren en alle mensen van het land al zijn slechte wegen. Ook zijn zoon Mardon was veel goddelozer dan zijn vader.
ויעש
(vayya'as)
en hij maakte
אלוקי
(elohei)
goden van
עץ
(ets)
hout
ואבן
(va'even)
en steen
וישתחווה
(vayishtachaveh)
en hij boog zich neer
להם
(lahem)
voor hen
וימרוד
(vayimrod)
en hij kwam in opstand
ביהוה
(bYahweh)
tegen Yahweh
וילמד
(vayelammed)
en hij leerde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
עבדיו
(avadav)
zijn dienaren
וכל
(vekhol)
en alle
אנשי
(anshei)
mensen van
הארץ
(ha'arets)
de aarde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
דרכיו
(derakhav)
zijn wegen
הרעים
(hara'im)
de slechte
וגם
(vegam)
en ook
מרדון
(Mardon)
Mardon
בנו
(beno)
zijn zoon
הרשיע
(hirshia)
was goddelozer
מאוד
(me'od)
zeer
מאביו
(me'aviv)
dan zijn vader
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
48Ieder die de daden van Mardon, de zoon van Nimrod, hoorde, antwoordde en zei over hem: „Uit goddelozen komt goddeloosheid voort.” Daarom werd het een spreekwoord in heel de aarde: „Uit goddelozen komt goddeloosheid voort.” Het is een spreekwoord gebleven in de woorden van alle mensen, van die dag af tot op deze dag.
והיה
(vehayah)
en het gebeurde
כל
(kol)
ieder
אשר
(asher)
die
ישמע
(yishma)
hij hoorde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מעשה
(ma'aseh)
het doen van
מרדון
(Mardon)
Mardon
בן
(ben)
zoon van
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
וענה
(ve'anah)
en antwoordde
ואמר
(ve'amar)
en zei
עליו
(alav)
over hem
מרשעים
(mereshaim)
uit goddelozen
יצא
(yatsa)
komt voort
רשע
(resha)
goddeloosheid
על
(al)
daarom
כן
(ken)
(samen: daarom)
היה
(hayah)
het werd
למשל
(lemashal)
tot een spreekwoord
בכל
(bekhol)
in heel
הארץ
(ha'arets)
de aarde
לאמור
(lemor)
zeggende
מרשעים
(mereshaim)
uit goddelozen
יצא
(yatsa)
komt voort
רשע
(resha)
goddeloosheid
ויהי
(vayehi)
en het werd
למשל
(lemashal)
tot een spreekwoord
בדברי
(bedivrei)
in de woorden van
כל
(kol)
alle
האדם
(ha'adam)
de mens
מהיום
(mehayyom)
vanaf de dag
ההוא
(hahu)
die
והלאה
(vehal'ah)
en verder
עד
(ad)
tot
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

מרשעים יצא רשע (mereshaim yetse resha), ‘uit goddelozen komt goddeloosheid voort’: dezelfde woorden als in 1 Sam. 24:14.

Terach en de geboorte van Abram

49Terach, de zoon van Nachor, de bevelhebber van het leger van Nimrod, was in die dagen zeer groot in de ogen van de koning en in de ogen van al zijn dienaren. De koning en de vorsten hadden hem lief en verhieven hem zeer.
ותרח
(veTerach)
en Terach
בן
(ben)
zoon van
נחור
(Nachor)
Nachor
שר
(sar)
bevelhebber van
צבא
(tsava)
leger van
נמרוד
(Nimrod)
Nimrod
היה
(hayah)
hij was
גדול
(gadol)
grote
מאוד
(me'od)
zeer
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
בעיני
(be'einei)
in de ogen van
המלך
(hammelekh)
de koning
ובעיני
(uve'einei)
en in de ogen van
כל
(kol)
alle
עבדיו
(avadav)
zijn dienaren
ויאהבוהו
(vayye'ehavuhu)
en zij hadden hem lief
המלך
(hammelekh)
de koning
והשרים
(vehassarim)
en de vorsten
וינשאוהו
(vayenasseuhu)
en zij verhieven hem
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
50Terach nam een vrouw, en haar naam was Amtelai, de dochter van Karnebo. De vrouw van Terach werd zwanger en beviel in die dagen van een zoon.
ויקח
(vayikkach)
en hij nam
תרח
(Terach)
Terach
אישה
(ishah)
een vrouw
ושמה
(ushmah)
en haar naam
אמתלאי
(Amtelai)
Amtelai
בת
(bat)
dochter van
כרנבו
(Karnevo)
Karnebo
ותהר
(vattahar)
en zij werd zwanger
אשת
(eshet)
vrouw van
תרח
(Terach)
Terach
ותלד
(vatteled)
en zij beviel
בן
(ben)
een zoon
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 11:26
51Terach was zeventig jaar oud toen ze hem baarde. Terach noemde de naam van zijn zoon die hem geboren was Abram, omdat de koning hem in die dagen had verheven en boven alle vorsten die bij hem waren, had uitgetild.
בן
(ben)
zoon van
שבעים
(shiv'im)
zeventig
שנה
(shanah)
jaar
היה
(hayah)
hij was
תרח
(Terach)
Terach
בלדת
(biledet)
bij het baren van
אותו
(oto)
hem
ויקרא
(vayikra)
en hij noemde
תרח
(Terach)
Terach
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שם
(shem)
naam
בנו
(beno)
zijn zoon
הנולד
(hannolad)
die geboren was
לו
(lo)
voor hem
אברם
(Avram)
Abram
לאמור
(lemor)
zeggende
כי
(ki)
want
הרימו
(herimu)
had hem verheven
למלך
(lammelekh)
de koning
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
וינשאהו
(vayenasseehu)
en hij verhief hem
מעל
(me'al)
van op
כל
(kol)
alle
השרים
(hasarim)
de vorsten
אשר
(asher)
die
איתו
(ito)
met hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 11:26: Terach was zeventig jaar toen hij Abram, Nachor en Haran kreeg.

De naam אברם (Avram) wordt hier uitgelegd met הרימו (herimu), ‘zij verhieven’.

Lezing

כי הרימו למלך (ki herimu lammelekh) is letterlijk ‘want zij verhieven bij de koning’.

Wie ‘zij’ zijn, staat er niet bij; de vertaling volgt de rest van de zin: de koning verhief Terach.

Zie ookGen 11:26