Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De tweede telling
1In die tijd, na de plaag, zei Yahweh tot Mozes en tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester:
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
אחרי
(acharei)
na
המגפה
(hammaggefah)
de plaag
ויאמר
(vayomer)
en zei
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אל
(el)
tot
משה
(moshe)
Mozes
ואל
(ve'el)
en tot
אלעזר
(el'azar)
Eleazar
בן
(ben)
zoon van
אהרון
(aharon)
Aäron
הכהן
(hakohen)
de priester
לאמור
(lemor)
zeggende
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
2„Neem de som op van heel de gemeenschap van de zonen van Israël, van twintig jaar en ouder, ieder die in het leger uittrekt.”
4En de getelden van de zonen van Levi, van een maand oud en ouder, waren drieëntwintigduizend; en onder dezen was er niet één man van de getelden van Mozes en Eleazar die zij in de woestijn Sinaï hadden geteld.
ופקודי
(ufeqode)
en de getelden van
בני
(bnei)
zonen van
לוי
(Levi)
Levi
מבן
(mibben)
van
חודש
(chodesh)
maand
ומעלה
(uma'ala)
en ouder
שלושה
(shelosha)
drie
ועשרים
(ve'esrim)
en twintig
אלף
(elef)
duizend
ובאלה
(uve'elleh)
en onder dezen
לא
(lo)
niet
היה
(hayah)
was
איש
(ish)
één man
מפקודי
(mippeqode)
van de getelden van
משה
(moshe)
Mozes
ואלעזר
(ve'el'azar)
en Eleazar
אשר
(asher)
die
פקדו
(paqedu)
zij hadden geteld
במדבר
(bammidbar)
in de woestijn
סיני
(Sini)
Sinaï
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.
Lezing
De tekst heeft de getelden van ‘Mozes en Eleazar’ in de woestijn Sinaï; de Engelse vertaling heeft ‘Moses and Aaron’ (zie Num. 26:63–64: Mozes en Aäron telden in de woestijn Sinaï).
5Want Yahweh had tegen hen gezegd dat zij zeker in de woestijn zouden sterven, en zij stierven allen, en er bleef niemand van hen over, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
6En het gebeurde daarna dat Yahweh tot Mozes zei: „Zeg tot de zonen van Israël dat zij op Midian de wraak voor hun broers, de zonen van Israël, nemen.”
8En de zonen van Israël trokken te velde tegen Midian en doodden elke man, en ook de vijf vorsten van Midian, en Bileam, de zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.
12En zij verdeelden heel de buit van Midian onder Israël; en de zonen van Israël namen van de buit van Midian, en de zonen van Israël wreekten zich op Midian, de wraak voor hun broers, de zonen van Israël.