Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Mozes in Gosen
1Toen Mozes achttien jaar oud was, verlangde hij zijn vader en zijn moeder te zien, en hij ging naar hen toe, naar Gosen. Toen Mozes Gosen naderde, kwam hij op de plaats waar de zonen van Israël in de arbeid waren, en hij zag hun lasten, en hij zag een Egyptische man een Hebreeuwse man van zijn broers slaan.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בהיות
(bihyot)
toen hij was
משה
(moshe)
Mozes
בן
(ben)
was
שמונה
(shemonah)
achttien
עשרה
(esreh)
tien
שנה
(shanah)
jaar
ויתאו
(vayyit'u)
en hij verlangde
את
(et)
(obj.)
אביו
(aviv)
zijn vader
ואת
(ve'et)
en (obj.)
אמו
(immo)
zijn moeder
לראות
(lir'ot)
zien
אותם
(otam)
hen
וילך
(vayelekh)
en hij ging
אליהם
(aleihem)
tot hen
גושנה
(goshenah)
naar Gosen
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כאשר
(ka'asher)
toen
הקריב
(hiqriv)
naderde
משה
(moshe)
Mozes
אל
(el)
tot
גושן
(goshen)
Gosen
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
אל
(el)
tot
המקום
(hammaqom)
de plaats
אשר
(asher)
die
שם
(shem)
daar
בני
(bnei)
zonen van
ישראל
(yisra'el)
Israël
עושים
(osim)
werkten
בעבודה
(ba'avodah)
in de arbeid
וירא
(vayyera)
en hij zag
בסבלותם
(besivlotam)
in hun lasten
וירא
(vayyera)
en hij zag
איש
(ish)
een man
מצרי
(mitsri)
een Egyptenaar
מכה
(makkah)
sloeg
איש
(ish)
een man
עברי
(ivri)
Hebreeuwse
מאחיו
(me'achiv)
van zijn broers
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.
2Toen de geslagen man Mozes zag, liep hij naar hem toe om hulp, want de man Mozes was zeer geëerd en groot in het huis van de farao; en hij zei tot hem: „Ach, mijn heer, deze Egyptenaar kwam ’s nachts naar mijn huis en bond mij, en kwam voor mijn ogen tot mijn vrouw, en nu zoekt hij mijn leven te nemen.”
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כראות
(kir'ot)
toen hij zag
האיש
(ha'ish)
de man
המוכה
(hammukkeh)
de geslagene
את
(et)
(obj.)
משה
(moshe)
Mozes
וינס
(vayanos)
en liep
אליו
(elav)
naar hem
לעזרה
(le'ezrah)
om hulp
כי
(ki)
want
האיש
(ha'ish)
de man
משה
(moshe)
Mozes
נכבד
(nikhbad)
geëerd
מאוד
(me'od)
zeer
וגדול
(vegadol)
en groot
בבית
(babbayit)
in huis
פרעה
(par'oh)
Farao
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליו
(elav)
tegen hem
בי
(bi)
ach
אדוני
(adoni)
mijn heer
המצרי
(hamitsri)
de Egyptenaar
הזה
(hazzeh)
deze
בא
(ba)
kwam
אל
(el)
naar
ביתי
(beiti)
mijn huis
לילה
(laylah)
nacht
ויאסרני
(vaye'esereni)
en hij bond mij
ואל
(ve'el)
en tot
אשתי
(ishti)
mijn vrouw
בא
(ba)
kwam
לפניי
(lefanai)
voor mijn ogen
ועתה
(ve'attah)
en nu
מבקש
(mevaqesh)
zoekt
את
(et)
(obj.)
נפשי
(nafshi)
mijn leven
לקחתה
(laqachtah)
te nemen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Ex. 2:11 (Mozes zag een Egyptenaar een Hebreeër slaan).
Het verhaal van de man, zijn vrouw en de Egyptenaar staat niet in Exodus.
3Toen Mozes deze slechte zaak hoorde, ontbrandde zijn toorn zeer tegen de Egyptenaar; hij keerde zich hierheen en daarheen, en toen hij zag dat er niemand was, sloeg hij de Egyptenaar, verborg hem in het zand en redde de Hebreeër uit de hand van wie hem sloeg.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כשמוע
(kishmo'a)
toen hij hoorde
משה
(moshe)
Mozes
את
(et)
(obj.)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הרע
(hara)
wat slecht is
הזה
(hazzeh)
deze
ויחר
(vayyichar)
en ontbrandde
אפו
(appo)
zijn toorn
מאוד
(me'od)
zeer
על
(al)
tegen
המצרי
(hamitsri)
de Egyptenaar
ויפן
(vayyifen)
en hij keerde zich
כה
(koh)
hierheen
וכה
(vekho)
en daarheen
וירא
(vayyera)
en hij zag
כי
(ki)
dat
אין
(ein)
er was geen
איש
(ish)
een man
ויך
(vayyakh)
en hij sloeg
את
(et)
(obj.)
המצרי
(hamitsri)
de Egyptenaar
ויטמנהו
(vayitmenehu)
en hij verborg hem
בחול
(bakhol)
in het zand
ויצל
(vayatsel)
en hij redde
את
(et)
(obj.)
העברי
(ha'ivri)
de Hebreeër
מיד
(miyyad)
uit de hand van
מכהו
(makehu)
die hem sloeg
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Ex. 2:12 (‘hij keek hierheen en daarheen … sloeg de Egyptenaar … en verborg hem in het zand’).
4De Hebreeër ging naar zijn huis, en Mozes keerde terug op zijn weg, en hij ging en nam weer plaats in het huis van de koning.
וילך
(vayelekh)
en hij ging
העברי
(ha'ivri)
de Hebreeër
אל
(el)
tot
ביתו
(beito)
zijn huis
ומשה
(umosheh)
en Mozes
שב
(shav)
keerde terug
אל
(el)
op
דרכו
(darko)
zijn weg
וילך
(vayelekh)
en hij ging
וישב
(vayyashev)
en zat
בית
(bet)
in het huis van
המלך
(hammelekh)
de koning
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
5Toen de man naar huis terugkeerde, nam hij zich voor zijn vrouw te verstoten, want het is niet betamelijk voor het huis van Jakob dat een man tot zijn vrouw gaat nadat zij onrein is gemaakt.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בשוב
(beshuv)
bij het terugkeren
האיש
(ha'ish)
de man
הביתה
(habbaytah)
naar huis
ויאמר
(vayomer)
en nam zich voor
לגרש
(legaresh)
te verstoten
את
(et)
(obj.)
אישתו
(ishto)
zijn vrouw
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
נכון
(nakhon)
betamelijk
לבית
(levet)
voor het huis van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
לבוא
(lavo)
tot haar te gaan
איש
(ish)
een man
אל
(el)
tot
אישתו
(ishto)
zijn vrouw
אחרי
(acharei)
na
הוטמאה
(hutme'ah)
zij onrein was gemaakt
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
6De vrouw ging en vertelde het aan haar broers, en de broers van de vrouw zochten hem te doden; maar hij vluchtte naar zijn huis en ontkwam.
ותלך
(vattelekh)
en zij ging
האישה
(ha'ishah)
de vrouw
ותגד
(vatagged)
en vertelde
לאחיה
(le'akhiyah)
aan haar broers
ויבקש
(vayevaqqesh)
en hij zocht
אחי
(echi)
de broers van
האישה
(ha'ishah)
de vrouw
להורגו
(leharogo)
hem te doden
וינוס
(vayanos)
en vluchtte
אל
(el)
naar
ביתו
(beito)
zijn huis
וימלט
(vayimmalet)
en hij ontkwam
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
De twee twistende mannen
7Op de tweede dag ging Mozes uit naar zijn broers, en hij zag, en zie, twee mannen twistten; en hij zei tot de goddeloze: „Waarom sla je je naaste?”
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כיום
(keyom)
op de dag
השני
(hasheni)
de tweede
ויצא
(vayetse)
en hij ging weg
משה
(moshe)
Mozes
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
וירא
(vayyera)
en hij zag
והנה
(vehinneh)
en zie
שני
(shenei)
twee
אנשים
(anashim)
mannen
נצים
(nitsim)
twistend
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
לרשע
(larasha)
tot de goddeloze
למה
(lammah)
waarom
תכה
(takheh)
sla je
רעך
(re'akha)
je naaste
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
8Hij antwoordde hem en zei tot hem: „Wie heeft je tot man, overste en rechter over ons gesteld? Denk je mij te doden zoals je de Egyptenaar hebt gedood?” Toen vreesde Mozes en zei: „Zeker, de zaak is bekend geworden.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
אותו
(oto)
hem
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
לו
(lo)
voor hem
מי
(mi)
wie
שמך
(shemekha)
heeft je gesteld
לאיש
(le'ish)
tot man
שר
(sar)
overste
ושופט
(veshofet)
en rechter
עלינו
(aleinu)
over ons
הלהרגני
(halaharegeni)
wil je mij doden
אתה
(attah)
jij
אומר
(omer)
denkt
כאשר
(ka'asher)
zoals
הרגת
(haragta)
je hebt gedood
את
(et)
(obj.)
המצרי
(hamitsri)
de Egyptenaar
ויירא
(vayira)
en hij vreesde
משה
(moshe)
Mozes
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אכן
(akhen)
zeker
נודע
(noda)
was bekend
הדבר
(haddavar)
de zaak
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Ex. 2:13–14 (‘Wie heeft u tot overste en rechter over ons gesteld?
Denkt u mij te doden zoals u de Egyptenaar gedood hebt?’).
9Toen de farao deze zaak hoorde, gebood hij Mozes te doden; maar Elohim zond Zijn engel, en die nam voor de farao de gedaante aan van de bevelhebber van de lijfwacht.
וישמע
(vayishma)
en hoorde
פרעה
(par'oh)
Farao
את
(et)
(obj.)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויצו
(vayetsav)
en hij gebood
להרוג
(laharog)
om te doden
את
(et)
(obj.)
משה
(moshe)
Mozes
וישלח
(vayishlach)
en zond
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
את
(et)
(obj.)
מלאכו
(mal'akho)
Zijn engel
וידמה
(vayiddameh)
en nam de gedaante aan
לפרעה
(lefar'oh)
voor de farao
כדמות
(kidmut)
als de gedaante van
שר
(sar)
bevelhebber van
הטבחים
(hatabachim)
de lijfwacht
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
10De engel van Yahweh nam het zwaard uit de hand van de bevelhebber van de lijfwacht en hieuw daarmee zijn hoofd af, want de gedaante van de bevelhebber van de lijfwacht was veranderd in de gedaante van Mozes.
ויקח
(vayikkach)
en hij nam
מלאך
(mal'akh)
engel van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(obj.)
החרב
(hacherev)
het zwaard
מיד
(miyyad)
uit de hand van
שר
(sar)
bevelhebber van
הטבחים
(hatabachim)
de lijfwacht
ויסר
(vayyaser)
en hieuw af
בה
(bah)
daarmee
את
(et)
(obj.)
ראשו
(rosho)
zijn hoofd
כי
(ki)
want
נהפך
(nehpakh)
werd veranderd
דמות
(demut)
gedaante van
שר
(sar)
bevelhebber van
הטבחים
(hatabachim)
de lijfwacht
לדמות
(ledamot)
in de gedaante van
משה
(moshe)
Mozes
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg
שר הטבחים (‘overste van de slachters’, zoals in Gen. 37:36) is vertaald als ‘bevelhebber van de lijfwacht’.
De dood van deze man door een engel staat niet in Exodus.
11De engel van Yahweh greep Mozes bij de rechterhand en bracht hem uit Egypte, en zette hem buiten de grens van Egypte neer, op een tocht van veertig dagen.
ויחזק
(vayechazzeq)
en greep
מלאך
(mal'akh)
engel van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בימין
(beyamin)
bij de rechterhand van
משה
(moshe)
Mozes
ויוציאהו
(vayotsi'ehu)
en hij bracht hem uit
ממצרים
(mimmitsrayim)
uit Egypte
ויניחהו
(vayyanikhehu)
en zette hem neer
מחוץ
(michuts)
buiten
לגבול
(ligvul)
de grens van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
מהלך
(mehalakh)
op een tocht van
ארבעים
(arba'im)
veertig
יום
(yom)
dagen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Ex. 2:15 (Mozes vluchtte voor de farao naar het land Midian).
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
12Alleen Aäron, zijn broer, bleef in het land Egypte, en hij profeteerde tot de zonen van Israël:
וישאר
(vayyisha'er)
en bleef over
אך
(akh)
alleen
אהרון
(aharon)
Aäron
אחיו
(achiv)
zijn broer
בארץ
(ba'arets)
in het land
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ויתנבא
(vayyitnabe)
en hij profeteerde
אל
(el)
tot
בני
(bnei)
zonen van
ישראל
(yisra'el)
Israël
לאמור
(lemor)
zeggende
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
13„Zo zegt Yahweh, de Elohim van jullie vaderen: ‘Werp, ieder man, de gruwelen van zijn ogen weg, en maak jullie niet onrein met de afgoden van Egypte.’”
כה
(koh)
zo
אמר
(amar)
zegt
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אלוקי
(elohei)
Elohim van
אבותיכם
(avotekhem)
jullie vaderen
איש
(ish)
een man
שיקוצי
(shiqutsei)
gruwelen van
עיניו
(einav)
zijn ogen
השליכו
(hishlikhu)
werp
ובגילולי
(uvegilulei)
en met de afgoden van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
אל
(el)
niet
תטמאו
(tetamme'u)
maakt jullie onrein
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Ez. 20:7–8 (‘Werp, ieder, de gruwelen van zijn ogen weg … en maak jullie niet onrein met de afgoden van Egypte’).
14Maar het huis van Israël was weerspannig en wilde in die tijd niet naar Aäron luisteren.
וימרו
(vayyamru)
en zij waren weerspannig
בית
(bet)
het huis van
ישראל
(yisra'el)
Israël
ולא
(velo)
en niet
אבו
(avu)
wilden
לשמוע
(lishmo'a)
te luisteren
אל
(el)
naar
אהרון
(aharon)
Aäron
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
15Yahweh nam zich voor hen te verdelgen, maar Yahweh dacht aan Zijn verbond dat Hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten.
ויאמר
(vayomer)
nam zich voor
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
להשמידם
(lehashmidam)
om hen te verdelgen
לולי
(lule)
ware het niet
כי
(ki)
dat
זכר
(zakhar)
gedacht aan
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(obj.)
בריתו
(berito)
Zijn verbond
אשר
(asher)
dat
כרת
(karat)
had gesloten
את
(et)
met
אברהם
(avraham)
Abraham
את
(et)
met
יצחק
(Yitschaq)
Isaak
ואת
(ve'et)
en met
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Ez. 20:8 (‘Toen zei Ik dat Ik Mijn grimmigheid over hen zou uitstorten’) en Ex. 2:24 (Elohim dacht aan zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob).
16In die dagen werd de hand van de farao, de koning van Egypte, steeds zwaarder over de zonen van Israël, en hij onderdrukte hen en perste hen, tot de tijd dat Yahweh Zijn woord zond en hen opzocht.
ותלך
(vattelekh)
en zij ging
יד
(yad)
hand van
פרעה
(par'oh)
Farao
מלך
(malakh)
koning van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
הלוך
(halokh)
steeds
וקשה
(vaqasha)
en zwaar
על
(al)
over
בני
(bnei)
zonen van
ישראל
(yisra'el)
Israël
וילחצם
(vayilkhatsem)
en onderdrukte hen
וידחקם
(vayidkhaqem)
en perste hen
עד
(ad)
tot
עת
(et)
tijd van
שלח
(Shelach)
zond
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(obj.)
דברו
(dabberu)
Zijn woord
ויפקדם
(vayifqedem)
en zocht hen op
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats
Zie Ex. 3:16 en Ex. 4:31 (Yahweh heeft de zonen van Israël opgezocht, פקד).
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.