Elohim Bijbel

Jasher 3

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364656667686970717273747576777879808182838485868788899091

Henoch wordt koning; Adams dood; de hemelvaart

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Henoch wandelt met Elohim

1Henoch leefde vijfenzestig jaar en kreeg Metuselach. Henoch wandelde met Elohim, nadat hij Metuselach had gekregen. Hij diende Yahweh, maar hij walgde van de slechte wegen van de mensen.
ויחי
(vayechi)
en hij leefde
חנוך
(Chanokh)
Henoch
חמש
(chamesh)
vijf
ושישים
(veshishim)
en zestig
שנה
(shanah)
jaar
ויולד
(vayyolid)
en kreeg
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מתושלח
(Metushelach)
Metuselach
ויתהלך
(vayyithallekh)
en hij wandelde
חנוך
(Chanokh)
Henoch
את
(et)
met
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
אחרי
(acharei)
na
הולידו
(holido)
zijn verwekken van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מתושלח
(Metushelach)
Metuselach
ויעבוד
(vaya'avod)
en hij diende
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
וימאס
(vayim'as)
en hij walgde
בדרכי
(bedarkhei)
van de wegen van
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
הרעים
(hara'im)
de slechte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 5:21–24 vertelt dat Henoch vijfenenzestig jaar leefde, Metuselach kreeg en met Elohim wandelde.

Het ‘diende Yahweh’ en de afkeer van de wegen van de mensen staan niet in Genesis.

2Henochs ziel hechtte zich aan onderricht, aan kennis en inzicht. Hij kende de wegen van Yahweh, en met zijn wijsheid scheidde hij zich af van de mensen. Vele dagen verborg hij zich voor hen.
ותדבק
(vattidbaq)
en zij hechtte zich
נפש
(nefesh)
ziel van
חנוך
(Chanokh)
Henoch
במוסר
(bamusar)
aan onderricht
ובדעת
(uvda'at)
en aan kennis
ובבינה
(uvvinah)
en aan inzicht
וידע
(vayyeda)
en hij kende
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דרכי
(darkhei)
wegen van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויפרד
(vayyifred)
en hij scheidde af
בחכמתו
(bechokhmato)
met zijn wijsheid
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשו
(nafsho)
zijn ziel
מבני
(mibbnei)
van de kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
ויסתר
(vayyaster)
en hij verborg
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשו
(nafsho)
zijn ziel
מהם
(mehem)
voor hen
ימים
(yamim)
dagen
רבים
(rabbim)
vele
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
3Na vele dagen en jaren gebeurde het dat hij Yahweh diende en voor Yahweh bad in zijn huis, in zijn kamer. Toen riep een boodschapper van Yahweh uit de hemel tot hem: „Henoch, Henoch!” En hij zei: „Hier ben ik.”
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
מקץ
(miqqets)
na verloop van
ימים
(yamim)
dagen
רבים
(rabbim)
vele
ושנים
(ushanim)
en jaren
בהיותו
(bihyoto)
terwijl hij was
עובד
(oved)
diende
לפני
(lifnei)
voor
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויהי
(vayehi)
en hij was
הוא
(hu)
hij
מתפלל
(mitpallel)
biddend
לפני
(lifnei)
voor
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בבית
(babbayit)
in het huis
ובחדר
(uvacheder)
en in de kamer
ויקרא
(vayikra)
en riep
אליו
(elav)
tot hem
מלאך
(mal'akh)
boodschapper van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
מן
(min)
uit
השמים
(hashamayim)
de hemel
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
חנוך
(Chanokh)
Henoch
חנוך
(Chanokh)
Henoch
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
הנני
(hinneni)
hier ben ik
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

מלאך יהוה (mal’ach Yahweh), ‘een boodschapper van Yahweh’.

De woorden van de boodschapper zijn niet rood gedrukt: het is geen directe spraak van Yahweh zelf.

4De boodschapper zei tegen hem: „Sta op, ga weg uit je huis en van de plaats waar je je verborgen hield. Wees koning over alle mensen, zodat je hun de weg leert waarop ze moeten gaan en het werk dat ze moeten doen, om te wandelen in de wegen van Yahweh.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליו
(elav)
tot hem
קום
(qum)
sta op
צא
(tse)
ga uit
מביתך
(mibbetekha)
uit je huis
וממקומך
(umimmeqomekha)
en van je plaats
אשר
(asher)
die
נחבאת
(nechbe'ta)
je je verborgen hield
שמה
(shemah)
daar
ומלכת
(umlokhet)
en wees koning
על
(al)
over
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
למען
(lema'an)
opdat
אשר
(asher)
(dat)
תלמדם
(telammedem)
je hun leert
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדרך
(haderekh)
de weg
אשר
(asher)
die
ילכו
(yelkhu)
zij moeten gaan
בה
(bah)
daarop
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
המעשה
(hamma'aseh)
het werk
אשר
(asher)
die
יעשו
(ya'asu)
zij moeten doen
ללכת
(lalekhet)
te wandelen
בדרכי
(bedarkhei)
in de wegen van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

ומלכת (umlokhet) kan ‘en wees koning’ zijn (van מלך, malach), of ‘en ga heen’ (van הלך, halach).

De vertaling volgt de eerste lezing, omdat Henoch in vers 10 koning wordt.

De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft ‘verschijn’.

Henoch koning

5Henoch stond op en ging weg uit zijn huis, van zijn plaats en uit de kamer waar hij was, volgens het woord van Yahweh. Hij ging naar de mensen en leerde hun de weg van Yahweh. In die tijd verzamelde hij de mensen en maakte hun het onderricht van Yahweh bekend.
ויקם
(vayyaqom)
en hij stond op
חנוך
(Chanokh)
Henoch
ויצא
(vayetse)
en hij ging weg
מביתו
(mibbeto)
uit zijn huis
וממקומו
(umimmeqomo)
en van zijn plaats
ומן
(umin)
en uit
החדר
(hacheder)
de kamer
אשר
(asher)
die
היה
(hayah)
hij was
שם
(shem)
daar
כדבר
(kidvar)
volgens het woord van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
וילך
(vayelekh)
en hij ging
את
(et)
naar
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
וילמדם
(vayelammedem)
en hij leerde hen
דרך
(derekh)
weg van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויאסוף
(vayesof)
en hij verzamelde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
ויודיעם
(vayodi'em)
en maakte hun bekend
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מוסר
(musar)
onderricht van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
6Hij gaf bevel, en men liet in alle plaatsen van de mensen uitroepen: „Wie wil de wegen van Yahweh kennen, en wie wil het goede werk kennen, laat die naar Henoch komen.”
ויצו
(vayetsav)
en hij gaf bevel
ויעבירו
(vaya'avirru)
en zij lieten voorbijgaan
קול
(qol)
een stem
בכל
(bekhol)
in alle
מקומות
(meqomot)
plaatsen van
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
לאמור
(lemor)
om te zeggen
מי
(mi)
wie
האיש
(ha'ish)
de man
אשר
(asher)
die
יחפוץ
(yachpots)
wil
לדעת
(lada'at)
kennen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דרכי
(darkhei)
wegen van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
המעשה
(hamma'aseh)
het werk
הטוב
(hattov)
het goede
יבוא
(yavo)
laat hij komen
אל
(el)
tot
חנוך
(Chanokh)
Henoch
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
7In die tijd verzamelden zich bij hem mensen uit alle volken, en iedereen die dit wilde, ging naar Henoch. Henoch heerste over de mensen naar het woord van Yahweh. Ze kwamen, bogen zich voor hem neer tot op de grond, en allen samen luisterden naar zijn woorden.
ויתאספו
(vayit'asfu)
en zij verzamelden zich
אליו
(elav)
bij hem
מכל
(mikkol)
uit alle
בני
(bnei)
kinderen van
אדם
(adam)
mens
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כל
(kol)
ieder
אשר
(asher)
die
יחפוץ
(yachpots)
wil
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
וילך
(vayelekh)
en hij ging
אל
(el)
naar
חנוך
(Chanokh)
Henoch
וימלוך
(vayemlokh)
en hij regeerde
חנוך
(Chanokh)
Henoch
על
(al)
op
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
בדבר
(bedabber)
naar het woord van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
וישתחוו
(vayishtachavu)
en zij bogen zich neer
לו
(lo)
voor hem
ארצה
(artsah)
naar de grond
וישמע
(vayishma)
en luisterde
כולם
(kullam)
allen
יחד
(yachad)
samen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דבריו
(devarav)
zijn woorden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
8De Geest van Elohim was over Henoch. Hij leerde al zijn mensen de wijsheid van Elohim en Zijn wegen, en de mensen dienden Yahweh alle dagen van Henoch. Ze kwamen om zijn wijsheid te horen.
ותהי
(vatehi)
en er was
רוח
(ruach)
Geest van
אלוקים
(Elohim)
Elohim
אל
(el)
over
חנוך
(Chanokh)
Henoch
וילמד
(vayelammed)
en hij leerde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אנשיו
(anashav)
zijn mensen
חכמת
(chokhmat)
wijsheid van
אלוקים
(Elohim)
Elohim
ודרכיו
(udrakhav)
en Zijn wegen
ויעבדו
(vaya'avdu)
en zij dienden
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
כל
(kol)
alle
ימי
(yemei)
dagen van
חנוך
(Chanokh)
Henoch
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
לשמוע
(lishmo'a)
te horen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חכמתו
(chokhmato)
zijn wijsheid
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
9Ook alle koningen van de mensen, de eersten en de laatsten, met hun vorsten en hun rechters, kwamen naar Henoch toen ze zijn wijsheid hoorden. Ze bogen zich voor hem neer met het gezicht tot op de grond, en ook zij vroegen Henoch om over hen te regeren. Hij stemde daarmee in.
וגם
(vegam)
en ook
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
הראשונים
(harishonim)
de eersten
והאחרונים
(veha'acharonim)
en de laatsten
ושריהם
(vesareihem)
en hun vorsten
ושופטיהם
(veshoftehem)
en hun rechters
באו
(ba'u)
kwamen
אל
(el)
tot
חנוך
(Chanokh)
Henoch
כשמעם
(kishmam)
toen zij hoorden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חכמתו
(chokhmato)
zijn wijsheid
וישתחוו
(vayishtachavu)
en zij bogen zich neer
לו
(lo)
voor hem
אפיים
(appayim)
met het gezicht
ארצה
(artsah)
naar de grond
ויבקשו
(vayevaqshu)
en zij vroegen
גם
(gam)
ook
הם
(hem)
zij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חנוך
(Chanokh)
Henoch
אשר
(asher)
(dat)
ימלוך
(yimlokh)
hij zou regeren
עליהם
(aleihem)
over hen
ויאבה
(vaye'eveh)
en hij stemde toe
להם
(lahem)
hun
לדבר
(laddavar)
in de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
10Ze verzamelden zich allen, ongeveer honderddertig koningen en vorsten, en ze maakten Henoch koning over zich. Zij stonden allen onder zijn hand en onder zijn woorden.
ויתקבצו
(vayitqabtsu)
en zij verzamelden zich
כולם
(kullam)
allen
כשלושים
(keshloshim)
ongeveer dertig
ומאה
(umeah)
en honderd
מלכים
(melakhim)
koningen
ושרים
(veSarim)
en vorsten
וימליכו
(vayamlikhu)
en zij maakten tot koning
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חנוך
(Chanokh)
Henoch
עליהם
(aleihem)
over hen
ויהיו
(vayihyu)
en zij waren
כולם
(kullam)
allen
תחת
(tachat)
onder
ידו
(yado)
zijn hand
ותחת
(vetachat)
en onder
דבריו
(devarav)
zijn woorden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

De tekst heeft ‘ongeveer honderddertig koningen en vorsten’ (כמאה ושלשים, kime’ah ushlosim).

11Henoch leerde hun wijsheid en kennis en de weg van Yahweh. Hij stichtte vrede tussen allen, en er was vrede op heel de aarde in de dagen van Henoch.
וילמד
(vayelammed)
en hij leerde
אותם
(otam)
hen
חנוך
(Chanokh)
Henoch
חוכמה
(chokhmah)
wijsheid
ודעת
(vada'at)
en kennis
ודרך
(vederekh)
en de weg van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
וישם
(vayasem)
en hij stelde
שלום
(shalom)
vrede
בין
(bein)
tussen
כולם
(kullam)
allen
ויהי
(vayehi)
en er was
שלום
(shalom)
vrede
בכל
(bekhol)
in heel
הארץ
(ha'arets)
de aarde
בימי
(bimei)
in de dagen van
חנוך
(Chanokh)
Henoch
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
12Henoch regeerde over alle mensen tweehonderddrieënveertig jaar. Hij deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk, en hij leidde hen in de wegen van Yahweh.
וימלוך
(vayemlokh)
en hij regeerde
חנוך
(Chanokh)
Henoch
על
(al)
over
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
מאתיים
(matayim)
tweehonderd
וארבעים
(ve'arba'im)
en veertig
שנה
(shanah)
jaar
ושלוש
(veshalosh)
en drie
שנים
(shanim)
jaren
ויהי
(vayehi)
en hij was
עושה
(oseh)
deed
משפט
(mishpat)
recht
וצדקה
(vetsedaqah)
en gerechtigheid
לכל
(lekhol)
aan heel
עמו
(immo)
zijn volk
וידריכם
(vayadrikhem)
en hij leidde hen
בדרכי
(bedarkhei)
in de wegen van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De nakomelingen van Henoch

13Dit is de geschiedenis van Henoch: Metuselach, Elisjoea en Elimelech, drie zonen, en hun zusters Malka en Naäma. Metuselach leefde honderdzevenentachtig jaar en kreeg Lemech.
ואלה
(ve'elleh)
en dit zijn
תולדות
(toledot)
geschiedenis van
חנוך
(Chanokh)
Henoch
מתושלח
(Metushelach)
Metuselach
ואלישוע
(ve'Elishua)
en Elisjoea
ואלימלך
(ve'Elimelekh)
en Elimelech
בנים
(banim)
zonen
שלושה
(shelosha)
drie
ואחיותיהם
(va'achyotehem)
en hun zusters
מלכה
(Malkah)
Malka
ונעמה
(veNa'amah)
en Naäma
ויחי
(vayechi)
en hij leefde
מתושלח
(Metushelach)
Metuselach
שבע
(sheva)
zeven
ושמונים
(ushmonim)
en tachtig
שנה
(shanah)
jaar
ומאת
(umeat)
en honderd
שנה
(shanah)
jaar
ויולד
(vayyolid)
en kreeg
את
(et)
(lijdend voorwerp)
למך
(Lemekh)
Lemech
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 5:25–26 noemt alleen Metuselach en Lemech.

De namen Elisjoea en Elimelech en de zusters Malka en Naäma staan niet in Genesis.

Adams dood

14In het zesenvijftigste jaar van het leven van Lemech gebeurde het dat Adam stierf. Hij was negenhonderddertig jaar oud toen hij stierf. Seth en zijn zonen begroeven hem, met Henoch en Metuselach, zijn zoon, met grote eer, zoals de begrafenis van koningen, in de grot waarover Yahweh tot hen had gesproken.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בשנת
(bishnat)
in het jaar
חמישים
(chamishim)
vijftig
ושש
(veshesh)
en zes
שנים
(shanim)
jaren
לחיי
(lechayyei)
van het leven van
למך
(Lemekh)
Lemech
וימת
(vayamot)
en hij stierf
אדם
(adam)
Adam
בן
(ben)
zoon van
תשע
(tesha)
negen
מאות
(me'ot)
honderd
ושלושים
(ushloshim)
en dertig
שנה
(shanah)
jaar
היה
(hayah)
hij was
במותו
(bemoto)
bij zijn dood
ויקברו
(vayiqberu)
en zij begroeven
אותו
(oto)
hem
שת
(Shet)
Seth
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
וחנוך
(vaChanokh)
en Henoch
ומתושלח
(uMetushelach)
en Metuselach
בנו
(beno)
zijn zoon
בכבוד
(bikhvod)
met eer
גדול
(gadol)
grote
בקבורת
(biqvurat)
zoals de begrafenis van
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
במערה
(bama'arah)
in de grot
אשר
(asher)
die
דיבר
(dibber)
Hij had gesproken
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
להם
(lahem)
aan hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 5:5 zegt dat Adam negenhonderddertig jaar leefde.

De begrafenis in de grot staat niet in Genesis.

Zie ookGen 5:5
15Alle mensen maakten daar grote rouwklacht en geween om Adam. Het is tot op deze dag een gebruik gebleven bij de mensen.
ויעשו
(vaya'asu)
en zij maakten
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
במקום
(bamaqom)
op de plaats
ההוא
(hahu)
die
מספד
(misped)
rouwklacht
ובכי
(uvekhi)
en geween
גדול
(gadol)
grote
על
(al)
om
אדם
(adam)
Adam
על
(al)
daarom
כן
(ken)
(samen: daarom)
היתה
(hayetah)
zij was
לחוק
(lechoq)
tot een gebruik
בבני
(bivnei)
bij de kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
עד
(ad)
tot
היום
(hayyom)
de dag
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
16Adam stierf omdat hij, en zijn zonen met hem, gegeten had van de boom van de kennis, zoals Yahweh tot hen had gesproken.
וימת
(vayamot)
en hij stierf
אדם
(adam)
Adam
על
(al)
omdat
אשר
(asher)
(dat)
אכל
(akhal)
hij at
מעץ
(me'ets)
van de boom
הדעת
(hadda'at)
van de kennis
הוא
(hu)
hij
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
כאשר
(ka'asher)
zoals
דיבר
(dibber)
Hij had gesproken
אליהם
(aleihem)
tot hen
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

עץ הדעת (ets hadda’at), ‘de boom van de kennis’: zie Gen. 2:17 en Gen. 3:6.

Henoch verbergt zich

17In het jaar van Adams dood, het tweehonderddrieënveertigste jaar van het koningschap van Henoch, legde Henoch het op zijn hart zich af te zonderen, zich van de mensen te scheiden en zich voor hen te verbergen, zoals hij eerst Yahweh had gediend.
ויהי
(vayehi)
en het was
בשנת
(bishnat)
in het jaar
מות
(mot)
dood van
אדם
(adam)
Adam
היא
(hi)
dit was
שנת
(shenat)
jaar van
מאתיים
(matayim)
tweehonderd
וארבעים
(ve'arba'im)
en veertig
שנה
(shanah)
jaar
ושלוש
(veshalosh)
en drie
שנים
(shanim)
jaren
למלכות
(lemalkhut)
van het koningschap van
חנוך
(Chanokh)
Henoch
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
וישם
(vayasem)
en hij legde
חנוך
(Chanokh)
Henoch
על
(al)
op
ליבו
(libbo)
zijn hart
להיפרד
(lehippared)
zich af te zonderen
ולהיבדל
(ulehibbadel)
en zich te scheiden
מבני
(mibbnei)
van de kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
ולהיסתר
(ulehissater)
en zich te verbergen
מהם
(mehem)
voor hen
כבראשונה
(kaRishonah)
zoals eerst
לעבוד
(la'avod)
te dienen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
18Henoch deed dat. Maar hij verborg zich niet voor hen al de dagen: drie dagen verborg hij zich voor de mensen en een dag liet hij zich aan hen zien.
ויעש
(vayya'as)
en hij deed
חנוך
(Chanokh)
Henoch
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
אך
(akh)
maar
לא
(lo)
niet
הסתיר
(histir)
hij verborg
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשו
(nafsho)
zijn ziel
מהם
(mehem)
voor hen
כל
(kol)
alle
הימים
(hayyamim)
de dagen
ויסתר
(vayyaster)
en hij verborg
מבני
(mibbnei)
van de kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
שלושת
(sheloshet)
drie
ימים
(yamim)
dagen
ויגלה
(vayegalleh)
en hij liet zich zien
להם
(lahem)
aan hen
יום
(yom)
dag
אחד
(echad)
één
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
19In alle drie de dagen bad hij in de kamer en loofde hij Yahweh, zijn Elohim. Op de dag dat hij naar zijn dienaren uitging om zich aan hen te tonen, leerde hij hun de weg van Yahweh en sprak hij tot hen over alles wat ze hem vroegen.
ובכל
(uvkhol)
en in alle
שלושת
(sheloshet)
drie
הימים
(hayyamim)
de dagen
אשר
(asher)
die
הוא
(hu)
hij
בחדר
(bacheder)
in de kamer
מתפלל
(mitpallel)
biddend
ומשבח
(umshabbeach)
en lovend
אל
(el)
tot
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אלוקיו
(Elohav)
zijn Elohim
וביום
(uvayyom)
en op de dag
אשר
(asher)
die
יצא
(yatsa)
hij uitging
אל
(el)
naar
עבדיו
(avadav)
zijn dienaren
להראות
(lehar'ot)
zich te tonen
להם
(lahem)
aan hen
לימד
(limmed)
hij leerde
להם
(lahem)
aan hen
דרך
(derekh)
de weg van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
וכל
(vekhol)
en alle
אשר
(asher)
wat
ישאלו
(yish'alu)
zij hem vroegen
ממנו
(mimmennu)
van hem
דובר
(dubbar)
sprekend
אליהם
(aleihem)
tot hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
20Zo deed hij dit werk vele dagen en jaren. Daarna verborg hij zich weer zes dagen en liet zich op de zevende dag aan zijn volk zien, daarna één dag per maand en één dag per jaar. Zo ver kwam het dat alle koningen, alle vorsten en alle mensen zijn aangezicht zochten. Ze verlangden er allen naar het gezicht van Henoch te zien en zijn woorden te horen, maar ze konden het niet, want alle mensen vreesden Henoch met grote vrees. Ze waren bang hem te naderen vanwege het ontzag voor Elohim dat op zijn gezicht lag. Daarom kon niemand zijn gezicht zien, uit vrees gestraft te worden en te sterven.
ויעש
(vayya'as)
en hij deed
כמעשה
(kemma'aseh)
zoals het werk
הזה
(hazzeh)
dit
ימים
(yamim)
dagen
רבים
(rabbim)
vele
ושנים
(ushanim)
en jaren
וישב
(vayyashev)
en hij keerde terug
אחרי
(acharei)
daarna
כן
(ken)
(samen: daarna)
ויסתר
(vayyaster)
en hij verborg
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשו
(nafsho)
zijn ziel
שישה
(shishah)
zes
ימים
(yamim)
dagen
ויגלה
(vayegalleh)
en hij liet zich zien
לעמו
(le'ammo)
aan zijn volk
יום
(yom)
dag van
אחד
(echad)
één
לשבעת
(leshiv'at)
per zeven
ימים
(yamim)
dagen
ואחרי
(ve'acharei)
en daarna
כן
(ken)
(samen: en daarna)
יום
(yom)
dag
אחד
(echad)
één
בחודש
(bachodesh)
per maand
ויום
(veyom)
en dag
אחד
(echad)
één
בשנה
(bashanah)
per jaar
עד
(ad)
tot
אשר
(asher)
(dat)
ביקשו
(biqshu)
zochten
פניו
(panav)
zijn aangezicht
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
וכל
(vekhol)
en alle
השרים
(hasarim)
de vorsten
וכל
(vekhol)
en alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
ויתאוו
(vayit'avvu)
en zij verlangden
כולם
(kullam)
allen
לראות
(lir'ot)
zien
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פני
(pnei)
aangezicht van
חנוך
(Chanokh)
Henoch
ולשמוע
(ulishmo'a)
en te horen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דבריו
(devarav)
zijn woorden
ולא
(velo)
en niet
יכולו
(yakholu)
zij konden
כי
(ki)
want
יראו
(yare'u)
zij vreesden
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
מחנוך
(miChanokh)
Henoch
יראה
(yir'ah)
vrees
גדולה
(gedolah)
grote
ויראו
(vayiru)
en zij waren bang
מגשת
(miggeshet)
te naderen
אליו
(elav)
tot hem
מיראת
(miyyir'at)
vanwege het ontzag voor
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
אשר
(asher)
die
על
(al)
op
פניו
(panav)
zijn aangezicht
על
(al)
daarom
כן
(ken)
(samen: daarom)
לא
(lo)
niet
יוכל
(yukhal)
kon
איש
(ish)
iemand
לראות
(lir'ot)
zien
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פניו
(panav)
zijn aangezicht
פן
(pen)
opdat niet
יוסר
(yussar)
hij gestraft zou worden
וימות
(vayamut)
en zou sterven
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

יוסר (yussar) kan ‘hij zou gestraft worden’ zijn, van יסר (yasar), of ‘hij zou weggenomen worden’.

De vertaling volgt de eerste lezing, omdat het ontzag voor Elohim op Henochs gezicht ligt.

21Alle koningen en alle vorsten beraadslaagden om alle mensen samen te brengen en naar Henoch, hun koning, te komen, om allen met hem te spreken op het moment dat hij naar hen uitging. Zo deden ze.
ויתיעצו
(vayityatsu)
en zij beraadslaagden
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
וכל
(vekhol)
en alle
השרים
(hasarim)
de vorsten
לאסוף
(le'esof)
te verzamelen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
יחד
(yachad)
samen
ולבוא
(ulavo)
en te komen
אל
(el)
naar
חנוך
(Chanokh)
Henoch
מלכם
(malkam)
hun koning
לדבר
(laddavar)
te spreken
כולם
(kullam)
allen
עמו
(immo)
met hem
בעת
(be'et)
in de tijd
אשר
(asher)
die
יצא
(yatsa)
hij uitging
אליהם
(aleihem)
tot hen
ויעש
(vayya'as)
en men deed
כן
(ken)
zo
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
22Op een dag gebeurde het dat Henoch naar hen toe ging. Ze verzamelden zich allen en kwamen bij hem samen, en Henoch sprak tot hen over al hun woorden. Hij leerde hun wijsheid en kennis en onderwees hen in de vreze van Yahweh. Alle mensen werden zeer onthutst, ze verbaasden zich over hem en over zijn wijsheid, en ze bogen zich allen voor hem neer tot op de grond en zeiden: „Leve de koning! Leve de koning!”
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
היום
(hayyom)
op een dag
ויצא
(vayetse)
en hij ging weg
חנוך
(Chanokh)
Henoch
אליהם
(aleihem)
tot hen
ויתקבצו
(vayitqabtsu)
en zij verzamelden zich
כולם
(kullam)
allen
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
יחד
(yachad)
samen
אליו
(elav)
tot hem
וידבר
(vayedabber)
en hij sprak
להם
(lahem)
aan hen
חנוך
(Chanokh)
Henoch
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
דבריהם
(divreihem)
hun woorden
וילמד
(vayelammed)
en hij leerde
להם
(lahem)
aan hen
חכמה
(chokhmah)
wijsheid
ודעת
(vada'at)
en kennis
ויורם
(vayorem)
en hij onderwees hen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יראת
(yirat)
vreze van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויתבהלו
(vayitbahalu)
en zij werden onthutst
מאוד
(me'od)
zeer
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
ויתמהו
(vayitmehu)
en zij verbaasden zich
ממנו
(mimmennu)
over hem
על
(al)
over
חכמתו
(chokhmato)
zijn wijsheid
וישתחוו
(vayishtachavu)
en zij bogen zich neer
לפניו
(lefanav)
voor hem
כולם
(kullam)
allen
ארצה
(artsah)
naar de grond
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
יחי
(yechi)
leve
המלך
(hammelekh)
de koning
יחי
(yechi)
leve
המלך
(hammelekh)
de koning
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De boodschapper roept Henoch

23Na enige tijd gebeurde het, terwijl alle koningen, alle vorsten en alle mensen met Henoch spraken en Henoch hun de wegen van Yahweh leerde, dat een boodschapper van Yahweh uit de hemel tot Henoch riep. Hij zei dat hij hem naar de hemel zou laten opstijgen om hem koning te maken over de zonen van Elohim in de hemel, zoals hij koning was over de mensen op de aarde.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
מימים
(miyyamim)
na enige tijd
בהיות
(bihyot)
terwijl het was
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
וכל
(vekhol)
en alle
השרים
(hasarim)
de vorsten
וכל
(vekhol)
en alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
מדברים
(medabberim)
spraken
עם
(im)
met
חנוך
(Chanokh)
Henoch
וחנוך
(vaChanokh)
en Henoch
מלמד
(melammed)
leerde
אותם
(otam)
hen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דרכי
(darkhei)
wegen van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויקרא
(vayikra)
en riep
מלאך
(mal'akh)
boodschapper van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אל
(el)
tot
חנוך
(Chanokh)
Henoch
מן
(min)
uit
השמים
(hashamayim)
de hemel
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
להעלותו
(lehaalotto)
om hem te laten opstijgen
השמים
(hashamayim)
de hemel
להמליכו
(lehamlikho)
om hem tot koning te maken
על
(al)
over
בני
(bnei)
zonen van
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
בשמים
(bashamayim)
in de hemel
כאשר
(ka'asher)
zoals
מלך
(malakh)
hij was koning
על
(al)
over
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
בארץ
(ba'arets)
op de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
24Toen Henoch dit hoorde, gaf hij bevel, en ze verzamelden alle bewoners van de aarde bij hem. Hij leerde hun wijsheid en kennis en het onderricht van Yahweh, en hij zei tot hen: „Ik ben gevraagd naar de hemel op te stijgen. Ik weet niet op welke dag ik zal heengaan.
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
כשמוע
(kishmo'a)
toen hij hoorde
חנוך
(Chanokh)
Henoch
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויצו
(vayetsav)
en hij gaf bevel
ויקבצו
(vayiqbetsu)
en zij verzamelden
לו
(lo)
bij hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
הארץ
(ha'arets)
de aarde
וילמד
(vayelammed)
en hij leerde
אותם
(otam)
hen
חכמה
(chokhmah)
wijsheid
ודעת
(vada'at)
en kennis
ומוסר
(umusar)
en onderricht
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
נשאול
(nish'ol)
gevraagd
נשאלתי
(nish'alti)
ben ik gevraagd
לעלות
(la'alot)
op te stijgen
השמים
(hashamayim)
de hemel
לא
(lo)
niet
ידעתי
(yada'ti)
ik weet
יום
(yom)
dag van
לכתי
(lekhti)
van mijn heengaan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
25Nu zal ik jullie wijsheid en onderricht leren, om te doen op de aarde waar jullie zijn, voordat ik van jullie wegga.” En zo deed hij.
ועתה
(ve'attah)
en nu
אלמד
(elammed)
ik zal leren
אתכם
(etkhem)
jullie
חכמה
(chokhmah)
wijsheid
ומוסר
(umusar)
en onderricht
לעשות
(la'asot)
om te doen
בארץ
(ba'arets)
op de aarde
אשר
(asher)
waar
תהיו
(tihyu)
jullie zijn
בה
(bah)
daarin
טרם
(terem)
voordat
אשר
(asher)
(dat)
אלך
(elekh)
ik wegga
מאיתכם
(me'itkhem)
van jullie
ויעש
(vayya'as)
en hij deed
כן
(ken)
zo
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
26Hij leerde hun wijsheid, kennis en onderricht en hij wees hen terecht. Hij stelde hun wetten en rechtsregels vast om ze op de aarde uit te voeren, en hij sloot vrede met hen. Hij onderwees hen over het eeuwige leven en bleef enkele dagen bij hen. Hij leerde en onderwees hun al deze dingen.
וילמד
(vayelammed)
en hij leerde
אותם
(otam)
hen
חכמה
(chokhmah)
wijsheid
ודעת
(vada'at)
en kennis
ומוסר
(umusar)
en onderricht
ויוכיח
(vayokhiach)
en hij berispte
אותם
(otam)
hen
וישם
(vayasem)
en hij stelde
להם
(lahem)
aan hen
חוקים
(chuqqim)
wetten
ומשפטים
(umishpatim)
en rechtsregels
לעשותם
(la'asotam)
om ze uit te voeren
בארץ
(ba'arets)
op de aarde
וישם
(vayasem)
en hij stelde
להם
(lahem)
aan hen
שלום
(shalom)
vrede
ויורה
(vayoreh)
en hij onderwees
אותם
(otam)
hen
חיי
(chayyei)
leven
עולם
(olam)
eeuwig
וישב
(vayyashev)
en hij bleef
איתם
(ittam)
bij hen
ימים
(yamim)
dagen
אחדים
(achadim)
enkele
וילמד
(vayelammed)
en hij leerde
ויורה
(vayoreh)
en hij onderwees
להם
(lahem)
aan hen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הדברים
(haddevarim)
de dingen
האלה
(ha'elleh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Het paard uit de hemel

27In die tijd gebeurde het dat de mensen bij Henoch zaten, terwijl Henoch tot hen sprak. Ze sloegen hun ogen op en zagen: er daalde een gedaante van een groot paard uit de hemel neer, en het paard ging over de wind van de aarde.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
ובני
(uvnei)
en de kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
יושבים
(yoshvim)
zaten
את
(et)
bij
חנוך
(Chanokh)
Henoch
וחנוך
(vaChanokh)
en Henoch
מדבר
(medabber)
sprekend
אליהם
(aleihem)
tot hen
וישאו
(vayis'u)
en zij sloegen op
עיניהם
(eineihem)
hun ogen
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
והנה
(vehinneh)
en zie
דמות
(demut)
gedaante van
סוס
(sus)
paard
גדול
(gadol)
grote
יורד
(yored)
neerdaalde
מן
(min)
uit
השמים
(hashamayim)
de hemel
וילך
(vayelekh)
en het ging
הסוס
(hassus)
het paard
ברוח
(beruach)
op de wind van
הארץ
(ha'arets)
de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

De tekst heeft דמות סוס גדול (demut sus gadol), ‘de gedaante van een groot paard’.

Een paard dat uit de hemel neerdaalt, staat niet in Genesis.

28Ze vertelden Henoch wat ze gezien hadden, en Henoch zei tegen hen: „Dat paard dat op de aarde is neergedaald, is om mijnentwil gekomen. De tijd en de dag zijn gekomen waarop ik van jullie wegga, en ik zal jullie niet opnieuw verschijnen.”
ויגידו
(vayaggidu)
en zij vertelden
לחנוך
(lechanokh)
Henoch
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
die
ראו
(ra'u)
zij hadden gezien
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
להם
(lahem)
aan hen
חנוך
(Chanokh)
Henoch
בעבורי
(ba'avuri)
om mijnentwil
הסוס
(hassus)
het paard
ההוא
(hahu)
die
יורד
(yored)
neerdaalde
לארץ
(la'arets)
naar de aarde
כי
(ki)
want
הגיע
(higgia)
is gekomen
העת
(ha'et)
de tijd
והיום
(vehayyom)
en de dag
אשר
(asher)
waarop
אלך
(elekh)
ik wegga
לי
(li)
voor mij
מאיתכם
(me'itkhem)
van jullie
ולא
(velo)
en niet
אראה
(er'eh)
zal ik verschijnen
עוד
(od)
opnieuw
אליכם
(aleikhem)
aan jullie
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
29Het paard daalde neer en bleef voor Henoch staan, terwijl alle mensen Henoch bij hem zagen.
וירד
(vayered)
en hij daalde neer
הסוס
(hassus)
het paard
ההוא
(hahu)
die
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
ויעמוד
(vaya'amod)
en hij bleef staan
לפני
(lifnei)
voor
חנוך
(Chanokh)
Henoch
וכל
(vekhol)
en alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
אשר
(asher)
die
את
(et)
met
חנוך
(Chanokh)
Henoch
רואים
(ro'im)
zagen
אותו
(oto)
hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
30Henoch gaf opnieuw bevel, en ze lieten uitroepen: „Wie wil de wegen van Yahweh, zijn Elohim, kennen, laat die vandaag naar Henoch komen, voordat hij van ons wordt weggenomen.”
ויצו
(vayetsav)
en hij gaf bevel
עוד
(od)
opnieuw
חנוך
(Chanokh)
Henoch
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
ויעבירו
(vaya'avirru)
en zij lieten omroepen
קול
(qol)
stem van
לאמור
(lemor)
zeggende
מי
(mi)
wie
האיש
(ha'ish)
de man
אשר
(asher)
die
יחפוץ
(yachpots)
wil
לדעת
(lada'at)
kennen
דרכי
(darkhei)
wegen van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אלוקיו
(Elohav)
zijn Elohim
יבוא
(yavo)
laat hij komen
ביום
(beyom)
op de dag
הזה
(hazzeh)
deze
אל
(el)
naar
חנוך
(Chanokh)
Henoch
טרם
(terem)
voordat
הילקחו
(hillaqcho)
hij weggenomen wordt
ממנו
(mimmennu)
van ons
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
31Alle mensen verzamelden zich en kwamen die dag naar Henoch. Ook alle koningen van de aarde, met hun vorsten en hun edelen, weken die dag niet van hem. Henoch leerde alle mensen wijsheid, kennis en het onderricht van Yahweh. Hij droeg hun op Yahweh nauwgezet te dienen en alle dagen van hun leven in Zijn wegen te wandelen, en hij stichtte opnieuw vrede tussen allen.
ויתקבצו
(vayitqabtsu)
en zij verzamelden zich
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
אל
(el)
naar
חנוך
(Chanokh)
Henoch
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
וגם
(vegam)
en ook
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ושריהם
(vesareihem)
en hun vorsten
ורוזניהם
(verozneihem)
en hun edelen
לא
(lo)
niet
סרו
(saru)
weken
מאיתו
(me'ito)
van hem
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
וילמד
(vayelammed)
en hij leerde
חנוך
(Chanokh)
Henoch
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
חכמה
(chokhmah)
wijsheid
ודעת
(vada'at)
en kennis
ומוסר
(umusar)
en onderricht
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
ויצום
(vayetsavvem)
en hij droeg hun op
מאוד
(me'od)
zeer
לעבוד
(la'avod)
te dienen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
וללכת
(velalekhet)
en te wandelen
בדרכיו
(bidrakhav)
in Zijn wegen
כל
(kol)
alle
ימי
(yemei)
dagen van
חייהם
(chayyehem)
hun leven
וישם
(vayasem)
en hij stelde
שלום
(shalom)
vrede
עוד
(od)
opnieuw
בין
(bein)
tussen
כולם
(kullam)
allen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De hemelvaart van Henoch

32Daarna stond hij op, besteeg het paard en ging weg. Alle mensen gingen uit en volgden hem, ongeveer achthonderdduizend man, en ze gingen één dagreis met hem mee.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
אחרי
(acharei)
daarna
כן
(ken)
(samen: daarna)
ויקום
(vayaqom)
en hij stond op
וירכב
(vayirkav)
en hij besteeg
על
(al)
op
הסוס
(hassus)
het paard
ויצא
(vayetse)
en hij ging weg
וילך
(vayelekh)
en hij ging
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
אחריו
(acharav)
achter hem
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
כשמונה
(keshemonah)
ongeveer acht
מאות
(me'ot)
honderd
אלף
(elef)
duizend
איש
(ish)
man
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
איתו
(ito)
met hem
מהלך
(mehalakh)
dagreis
יום
(yom)
dag van
אחד
(echad)
één
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
33Op de tweede dag zei hij tot hen: „Keer terug naar jullie tenten. Waarom zouden jullie meegaan? Jullie zouden kunnen sterven.” Een deel van hen keerde terug, maar de overigen gingen zes dagen met hem mee. Henoch zei elke dag tot hen: „Keer terug naar jullie tenten, anders sterven jullie.” Ze wilden niet luisteren en gingen met hem mee. Op de zesde dag sprak Henoch opnieuw tot hen: „Keer terug van mij naar jullie tenten, want morgen stijg ik op naar de hemel, en ieder van jullie die bij mij blijft, zal sterven.”
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
ביום
(beyom)
op de dag
השני
(hasheni)
de tweede
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
שובו
(shuvu)
keer terug
לכם
(lakhem)
(voor jullie)
לאהליכם
(le'oholeikhem)
naar jullie tenten
למה
(lammah)
waarom
תלכו
(telekhu)
zullen jullie gaan
פן
(pen)
opdat niet
תמותו
(tamutu)
jullie sterven
וישובו
(vayashuvu)
en zij keerden terug
מהם
(mehem)
van hen
מעליו
(me'alav)
van hem weg
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
איתו
(ito)
met hem
הנשארים
(hannish'arim)
de overgeblevenen
מהם
(mehem)
van hen
מהלך
(mehalakh)
dagreis
ששת
(shesheth)
zes
ימים
(yamim)
dagen
וחנוך
(vaChanokh)
en Henoch
דובר
(dubbar)
sprak
אליהם
(aleihem)
tot hen
בכל
(bekhol)
op elke
יום
(yom)
dag
שוב
(shuv)
keer terug
לאהליכם
(le'oholeikhem)
naar jullie tenten
פן
(pen)
opdat niet
תמותו
(tamutu)
jullie sterven
ולא
(velo)
en niet
אבו
(avu)
wilden
לשמוע
(lishmo'a)
te luisteren
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
איתו
(ito)
met hem
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
ביום
(beyom)
op de dag
השישי
(hashishi)
de zesde
וידבר
(vayedabber)
en hij sprak
עוד
(od)
opnieuw
חנוך
(Chanokh)
Henoch
אליהם
(aleihem)
tot hen
לאמור
(lemor)
zeggende
שובו
(shuvu)
keer terug
לכם
(lakhem)
naar jullie
לאהליכם
(le'oholeikhem)
naar jullie tenten
מאיתי
(me'iti)
van mij
כי
(ki)
want
מחר
(machar)
morgen
אעלה
(e'eleh)
stijg ik op
לי
(li)
voor mij
השמימה
(hashamaymah)
naar de hemel
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
כל
(kol)
ieder
הנשאר
(hannish'ar)
die overblijft
מכם
(mikkem)
van jullie
איתי
(itti)
bij mij
ימות
(yamut)
zal sterven
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Aanvullend

Het slot van dit vers (‘Op de zesde dag sprak Henoch opnieuw tot hen…’) staat in de Hebreeuwse tekst van Livorno 1870, maar niet in de vertaling van Noah (1840).

34Opnieuw keerden er van hen terug op de zesde dag, en er bleven nog mannen over die zich aan hem vastklampten en tegen hem zeiden: „Wij gaan met u naar de plaats waarheen u gaat. Zo waar Yahweh leeft: alleen de dood zal ons van u scheiden.”
וישובו
(vayashuvu)
en zij keerden terug
עוד
(od)
opnieuw
מהם
(mehem)
van hen
ביום
(beyom)
op de dag
השישי
(hashishi)
de zesde
ויותרו
(vayyivvateru)
en bleven over
עוד
(od)
nog
אנשים
(anashim)
mannen
וידבקו
(vayidbequ)
en zij klampten zich vast
עמו
(immo)
bij hem
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליו
(elav)
tot hem
עמך
(immekha)
met u
נלך
(nelekh)
gaan wij
אל
(el)
naar
המקום
(hammaqom)
de plaats
אשר
(asher)
die
תלך
(telekh)
u gaat
חי
(chai)
zo waar leeft
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
כי
(ki)
dat
המוות
(hammavet)
de dood
יפריד
(yafrid)
zal scheiden
בינינו
(beineinu)
tussen ons
ובינך
(uveinekha)
en tussen u
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
35Toen ze bleven aandringen met hem te gaan, hield hij op met tot hen te spreken. Ze gingen achter hem aan en keerden niet naar huis terug.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כי
(ki)
toen
מתאמצים
(mit'ammetsim)
aandringend
הם
(hem)
zij
ללכת
(lalekhet)
te gaan
איתו
(ito)
met hem
ויחדל
(vayachdal)
en hij hield op
לדבר
(laddavar)
te spreken
אליהם
(aleihem)
tot hen
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
אחריו
(acharav)
achter hem
ולא
(velo)
en niet
שבו
(shavu)
zij keerden terug
להם
(lahem)
naar huis
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
36Toen de koningen terugkeerden, lieten zij allen tellen, om het aantal te weten van de mannen die achter Henoch aan waren gegaan. Op de zevende dag steeg Henoch op in een storm naar de hemel, met paarden van vuur en wagens van vuur.
והמלכים
(vehammelakhim)
en de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
בשובם
(beshuvam)
bij hun terugkeer
ויפקדו
(vayifqedu)
en zij lieten tellen
כולם
(kullam)
allen
לדעת
(lada'at)
om te weten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מספר
(mispar)
aantal
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
הנשארים
(hannish'arim)
de overgeblevenen
אשר
(asher)
die
הלכו
(halekhu)
zij gingen
אחרי
(acharei)
achter
חנוך
(Chanokh)
Henoch
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
ביום
(beyom)
op de dag
השביעי
(hashevi'i)
de zevende
ויעל
(vayya'al)
en hij steeg op
חנוך
(Chanokh)
Henoch
בסערה
(bis'arah)
in een storm
השמיימה
(hashamayimah)
naar de hemel
בסוסי
(besusei)
met paarden van
אש
(esh)
vuur
ורכבי
(urkhavei)
en wagens van
אש
(esh)
vuur
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

בסערה (bassa’arah), ‘in een storm’, met ‘paarden van vuur en wagens van vuur’: zie 2 Kon. 2:11, waar Elia zo wordt opgenomen.

Gen. 5:24 zegt van Henoch: ‘hij was er niet meer, want Elohim nam hem weg’.

37Op de achtste dag stuurden alle koningen die bij Henoch waren geweest, mensen om het aantal te tellen van de mannen die bij Henoch waren achtergebleven, op de plaats vanwaar hij naar de hemel was opgestegen.
וישלחו
(vayishlechu)
en zij stuurden
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
אשר
(asher)
die
היו
(hayu)
waren
עם
(im)
met
חנוך
(Chanokh)
Henoch
ביום
(beyom)
op de dag
השמיני
(hashemini)
de achtste
לקחת
(laqachat)
om te nemen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מספר
(mispar)
aantal
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
אשר
(asher)
die
נשארו
(nish'aru)
overgebleven waren
עם
(im)
met
חנוך
(Chanokh)
Henoch
במקום
(bamaqom)
op de plaats
אשר
(asher)
die
עלה
(alah)
hij was opgestegen
משם
(misham)
vandaar
השמיימה
(hashamayimah)
naar de hemel
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
38De boodschappers van al deze koningen gingen naar die plaats en vonden heel de aarde daar vol sneeuw, en op de sneeuw grote stenen van sneeuw. Ze zeiden tegen elkaar: „Kom, laten we deze sneeuw doorbreken en kijken of de mannen die bij Henoch waren achtergebleven niet gestorven zijn onder deze sneeuw.” Ze deden dat en zochten in heel die sneeuw. Ze vonden het aantal mannen dat bij Henoch was geweest, dood onder de sneeuw. Ze zochten Henoch, maar vonden hem niet, want hij was naar de hemel opgestegen.
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
מלאכי
(mal'akhei)
boodschappers van
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
אל
(el)
naar
המקום
(hammaqom)
de plaats
ההוא
(hahu)
die
וימצאו
(vayimtse'u)
en zij vonden
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
de aarde
מלאה
(meleah)
vol
שלג
(sheleg)
sneeuw
במקום
(bamaqom)
op de plaats
ההוא
(hahu)
die
ועל
(ve'al)
en over
השלג
(hasheleg)
de sneeuw
אבנים
(avanim)
stenen
גדולות
(gedolot)
grote
מאבני
(me'avnei)
van stenen van
שלג
(sheleg)
sneeuw
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
איש
(ish)
een man
אל
(el)
tot
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
לכו
(lekhu)
kom
ונבקע
(nivqa)
laten we doorbreken
את
(et)
(lijdend voorwerp)
השלג
(hasheleg)
de sneeuw
הזה
(hazzeh)
deze
ונראה
(venire'eh)
en laten we zien
פן
(pen)
opdat niet
מתו
(metu)
zijn gestorven
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
אשר
(asher)
die
נשארו
(nish'aru)
overgebleven waren
עם
(im)
met
חנוך
(Chanokh)
Henoch
תחת
(tachat)
onder
השלג
(hasheleg)
de sneeuw
הזה
(hazzeh)
deze
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
כן
(ken)
zo
ויבקשו
(vayevaqshu)
en zij zochten
בכל
(bekhol)
in heel
השלג
(hasheleg)
de sneeuw
ההוא
(hahu)
die
וימצאו
(vayimtse'u)
en zij vonden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מספר
(mispar)
aantal
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
אשר
(asher)
die
היו
(hayu)
waren
עם
(im)
met
חנוך
(Chanokh)
Henoch
מתים
(metim)
dood
תחת
(tachat)
onder
השלג
(hasheleg)
de sneeuw
ויבקשו
(vayevaqshu)
en zij zochten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חנוך
(Chanokh)
Henoch
ולא
(velo)
en niet
מצאו
(ma'tsa'u)
zij vonden
כי
(ki)
want
עלה
(alah)
hij was opgestegen
השמיימה
(hashamayimah)
naar de hemel
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 5:24 zegt dat Henoch er niet meer was, want Elohim nam hem weg.

Zie ookGen 5:24