Elohim Bijbel

Jasher 40

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364656667686970717273747576777879808182838485868788899091

Bet-Choron en het verbond met de koningen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Bet-Choron

1De zonen van Jakob voerden alle buit van Gaäsj weg en trokken bij nacht de stad uit.
וינהגו
(vayinhagu)
en zij voerden weg
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
שלל
(shalal)
de buit van
געש
(ga'ash)
Gaäsj
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
מהעיר
(mehair)
uit de stad
לילה
(laylah)
bij nacht
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
2Zij trokken uit en gingen tot aan de klim van Bet-Choron; zij gingen de klim op, en de bewoners van Bet-Choron gingen de klim op, hun tegemoet. De zonen van Jakob streden in die nacht met de bewoners van Bet-Choron op de klim van Bet-Choron.
המה
(hemmah)
zij
יצאו
(yatse'u)
gingen uit
ויהלכו
(vayehalchu)
en zij gingen
עד
(ad)
tot
מעלת
(ma'alat)
de klim van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
המה
(hemmah)
zij
עלו
(alu)
gingen op
המעלה
(hama'ale)
de klim
ויושבי
(veyoshvei)
en de bewoners van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
עולים
(olim)
gingen op
המעלה
(hama'ale)
de klim
לקראתם
(liqratam)
op hen af
וילחמו
(vayillachamu)
en zij streden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
met
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
במעלת
(bema'alat)
op de klim van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
בלילה
(ballaylah)
in de nacht
ההוא
(hahu)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Joz. 10:10 (דרך מעלה בית חורון, ‘langs de weg van de klim van Bet-Choron’).

De Engelse vertaling heeft hier ‘burcht’; het Hebreeuws heeft מעלה, ‘klim’.

Zie ookJoz 10:10
3Alle bewoners van Bet-Choron waren helden, allen: niet één van hen zou vluchten voor duizend man. Zij streden in die nacht op de klim, omhoog in het donker, en alle mannen van Bet-Choron schreeuwden op de klim; hun geschreeuw werd in die nacht tot in de verte gehoord, en heel het land beefde van hun geschreeuw.
וכל
(vekhol)
en alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
גיבורים
(gibborim)
helden
כולם
(kullam)
allen
אחד
(echad)
één
מהם
(mehem)
van hen
לא
(lo)
niet
ינוס
(yanus)
zou vluchten
מפני
(mippenei)
voor
אלף
(elef)
duizend
אנשים
(anashim)
mannen
וילחמו
(vayillachamu)
en zij streden
בלילה
(ballaylah)
in de nacht
ההוא
(hahu)
die
על
(al)
op
המעלה
(hama'ale)
de klim
מעלה
(ma'ale)
omhoog
בחושך
(bachoshech)
in het donker
ויצעקו
(vayits'aqu)
en zij schreeuwden
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mannen van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
על
(al)
op
המעלה
(hama'ale)
de klim
ותשמע
(vattishma)
en werd gehoord
צעקתם
(tse'aqatam)
hun geschreeuw
בלילה
(ballaylah)
in de nacht
ההוא
(hahu)
die
למרחוק
(lemerachoq)
tot in de verte
ותרעש
(vatir'ash)
en beefde
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
het land
מצעקתם
(mitse'aqatam)
door hun geschreeuw
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
4Alle zonen van Jakob vreesden die mannen, want zij waren niet gewend in het donker te strijden, en zij werden zeer verward. De zonen van Jakob riepen tot Yahweh: „Verlos ons, Yahweh, en red ons, opdat wij niet sterven door de hand van deze onbesnedenen.”
וייראו
(vayyir'u)
en zij vreesden
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
מהאנשים
(me'ha'anashim)
voor de mannen
ההם
(hahem)
die
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
נסו
(nasu)
waren gewend
להלחם
(lehilachem)
om te strijden
בחושך
(bachoshech)
in het donker
ויבהלו
(vayibbahalu)
en zij werden verward
מאוד
(me'od)
zeer
ויצעקו
(vayits'aqu)
en zij riepen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אל
(el)
tot
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
לאמור
(lemor)
zeggende
הושיעה
(hoshi'ah)
verlos
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
לנו
(lanu)
ons
והצילנו
(vehatsilenu)
en red ons
ולא
(velo)
opdat niet
נמות
(namut)
wij sterven
ביד
(beyad)
door de hand van
הערלים
(ha'arelim)
de onbesnedenen
האלה
(ha'elleh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

נסו (‘zij vluchtten’) staat er; gelezen als ניסו, ‘zij hadden beproefd’, dus ‘waren gewend’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘not accustomed to fight in the dark’).

5Yahweh luisterde naar de stem van de zonen van Jakob, en Yahweh bracht over de mannen van Bet-Choron grote schrik en verwarring, en zij streden onder elkaar, de een tegen de ander, in de duisternis van de nacht, en velen sloegen elkaar neer.
וישמע
(vayishma)
en luisterde
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בקול
(bekol)
naar de stem van
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויביא
(vayavi)
en bracht
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
על
(al)
over
אנשי
(anshei)
mannen van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
חרדה
(charada)
schrik
גדולה
(gedolah)
grote
ובהלה
(uvehala)
en verwarring
וילחמו
(vayillachamu)
en zij streden
ביניהם
(beneihem)
onder elkaar
אלה
(elleh)
de een
באלה
(be'ele)
tegen de ander
במחשך
(bemachshach)
in de duisternis van
הלילה
(hallaylah)
de nacht
ויכו
(vayakku)
en zij sloegen
אלה
(elleh)
de een
באלה
(be'ele)
tegen de ander
רבים
(rabbim)
velen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
6De zonen van Jakob wisten dat Yahweh een geest van verwarring midden onder die mannen had gebracht en dat zij streden, ieder met zijn naaste. Zij trokken weg uit de schare van de mannen van Bet-Choron en gingen tot de afdaling van de klim van Bet-Choron en verder, en zij overnachtten daar met hun jonge mannen in die nacht, in veiligheid.
ובני
(uvnei)
en de zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ידעו
(yade'u)
wisten
כי
(ki)
dat
הביא
(hevi)
bracht
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בקרב
(beqerev)
te midden van
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
ההם
(hahem)
die
רוח
(ruach)
een geest van
עועים
(ivvim)
verwarring
וילחמו
(vayillachamu)
en zij streden
איש
(ish)
ieder
ברעהו
(bere'ehu)
met zijn naaste
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
מאגודת
(me'agudat)
uit de bende van
אנשי
(anshei)
mannen van
חורון
(choron)
Choron
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
עד
(ad)
tot
מורד
(Mored)
de afdaling van
מעלת
(ma'alat)
de klim van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
והלאה
(vehal'ah)
en verder
וילינו
(vayalinu)
en overnachtten
שם
(shem)
daar
עם
(im)
met
נעריהם
(na'areihem)
hun jonge mannen
בלילה
(ballaylah)
in de nacht
ההוא
(hahu)
die
לבטח
(lavetach)
in veiligheid
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Jes. 19:14 (רוח עועים, ‘een geest van verwarring’).

Zie ookJes 19:14
7Alle mannen van Bet-Choron streden heel de nacht, de een met zijn broer en de ander met zijn naaste, en zij schreeuwden van alle kanten op de klim; hun geschreeuw werd tot in de verte gehoord en heel het land beefde van hun stem, want zij waren zeer hoog boven heel het land.
וכל
(vekhol)
en alle
אנשי
(anshei)
mannen van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
נלחמים
(nilchamim)
strijdend
כל
(kol)
alle
הלילה
(hallaylah)
de nacht
איש
(ish)
een man
באחיו
(be'achiv)
met zijn broer
ואיש
(ve'ish)
en een man
ברעהו
(bere'ehu)
met zijn naaste
ויצעקו
(vayits'aqu)
en zij schreeuwden
מפה
(mippoh)
van deze kant
ומפה
(umippo)
en van die kant
על
(al)
op
המעלה
(hama'ale)
de klim
ותשמע
(vattishma)
en werd gehoord
צעקתם
(tse'aqatam)
hun geschreeuw
למרחוק
(lemerachoq)
tot in de verte
ותרגש
(vatirgash)
en beefde
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
het land
מקולם
(miqolam)
door hun stem
כי
(ki)
want
היו
(hayu)
zij waren
גבוהים
(gevohim)
hoog
מאוד
(me'od)
zeer
על
(al)
boven
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
het land
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Kanaän hoort het geschreeuw

8Alle bewoners van de steden van de Kanaänieten, de Hetieten, de Amorieten en de Chivieten, en alle koningen van Kanaän, en ook allen die aan de overzijde van de Jordaan waren, hoorden in die nacht het geluid van het geschreeuw.
וישמעו
(vayishme'u)
en zij hoorden
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
עיר
(ir)
de steden van
הכנעני
(hakkena'ani)
de Kanaänieten
החתי
(hachitti)
de Hetiet
והאמורי
(vehaemori)
en de Amoriet
והחוי
(vehachivvi)
en de Chiviet
וכל
(vekhol)
en alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
וגם
(vegam)
en ook
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
בעבר
(be'ever)
aan de overzijde van
הירדן
(hayyarden)
de Jordaan
את
(et)
(obj.)
קול
(qol)
stem van
הצעקה
(hatse'aqah)
het geschreeuw
בלילה
(ballaylah)
in de nacht
ההוא
(hahu)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Lezing

עיר (‘stad’) staat er; gelezen als ערי, ‘steden van’.

9Zij zeiden: „Voorwaar, zie, dit zijn de oorlogen van de Hebreeën, die strijden tegen de zeven steden die bij hen in de buurt liggen; en wie kan standhouden tegen die Hebreeën?”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אך
(akh)
voorwaar
הנה
(hinneh)
zie
מלחמות
(milchamot)
de oorlogen van
העברים
(ha'ivrim)
de Hebreeën
אשר
(asher)
die
הם
(hem)
zij
נלחמים
(nilchamim)
strijdend
בשבעת
(bishva'at)
tegen de zeven
הערים
(he'arim)
de steden
הנגשים
(hanigashim)
die dichtbij liggen
אליהם
(aleihem)
bij hen
ומי
(umei)
en wie
יוכל
(yukhal)
kan
לעמוד
(la'amod)
te staan
לפני
(lifnei)
voor
העברים
(ha'ivrim)
de Hebreeën
ההם
(hahem)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
10Alle bewoners van de steden van de Kanaänieten en allen die aan de overzijde van de Jordaan waren, vreesden zeer voor de zonen van Jakob, want zij zeiden: „Zie, zoals zij aan deze steden gedaan hebben, zo zullen zij ook aan ons doen, want wie kan standhouden voor hun sterke kracht?”
וייראו
(vayyir'u)
en zij vreesden
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
ערי
('eri)
steden van
הכנעני
(hakkena'ani)
de Kanaänieten
וכל
(vekhol)
en alle
אשר
(asher)
die
בעבר
(be'ever)
aan de overzijde van
הירדן
(hayyarden)
de Jordaan
מאוד
(me'od)
zeer
מפני
(mippenei)
vanwege
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
want
אמרו
(ameru)
zeiden
הנה
(hinneh)
zie
כאשר
(ka'asher)
zoals
עשו
(asu)
zij hadden gedaan
לערים
(la'arim)
aan de steden
האלה
(ha'elleh)
deze
יעשו
(ya'asu)
zullen zij doen
לנו
(lanu)
aan ons
גם
(gam)
ook
אנחנו
(anachnu)
wij
כי
(ki)
want
מי
(mi)
wie
יוכל
(yukhal)
kan
לעמוד
(la'amod)
te staan
בפני
(bifnei)
voor
גבורתם
(gevuratam)
hun kracht
החזקה
(hachazaqah)
sterke
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

11Het geschreeuw van de Choronieten was in die nacht zeer groot; zij bleven roepen en schreeuwen en sloegen elkaar neer tot het ochtendgloren, en velen van hen kwamen om.
והחורונים
(vehachoronim)
en de Choronieten
גדולה
(gedolah)
grote
צעקתם
(tse'aqatam)
hun geschreeuw
בלילה
(ballaylah)
in de nacht
ההוא
(hahu)
die
ויהיו
(vayihyu)
en zij bleven
הולכים
(holekhim)
voortgaand
וצועקים
(vetso'aqim)
en schreeuwend
ויכו
(vayakku)
en zij sloegen
איש
(ish)
ieder
את
(et)
(obj.)
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
עד
(ad)
tot
אור
(or)
licht van
הבקר
(habbaqar)
de ochtend
וימותו
(vayamutu)
en zij stierven
מהם
(mehem)
van hen
רבים
(rabbim)
vele
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

De verzen 11–23 en het eerste deel van v. 24 ontbreken in de Hebreeuwse tekst van Livorno 1870; daar volgt op v. 10 (‘…zoals zij aan deze steden gedaan hebben…’) direct ‘zoals zij aan Sichem… gedaan hebben’ (v. 24).

Mogelijk is het oog van de kopiist van het ene ‘zoals zij gedaan hebben’ naar het andere gesprongen.

Deze verzen zijn vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (deel Vajislach), waar ze wel staan; ook het slot van v. 35 en v. 36 komen daaruit.

12Toen de ochtend aanbrak bij het opkomen van de dageraad, stonden alle zonen van Jakob op en gingen de klim op. Zij sloegen de overgeblevenen van de Choronieten met een zeer zware slag en allen stierven op die klim.
ויאר
(vayya'ir)
en het werd licht
הבקר
(habbaqar)
de ochtend
בעלות
(be'alot)
bij het opstijgen van
השחר
(hashachar)
de dageraad
ויקומו
(vayaqumu)
en zij stonden op
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויעלו
(vaya'alu)
en zij trokken op
המעלה
(hama'ale)
de klim
ויכו
(vayakku)
en zij sloegen
הנותרים
(hannotarim)
de overgeblevenen
מהחורונים
(mehachoronim)
van de Choronieten
מכה
(makkah)
een slag
רבה
(rabbah)
zware
מאד
(me'od)
zeer
וימותו
(vayamutu)
en zij stierven
כלם
(kullam)
allen
במעלה
(bamma'alah)
op de klim
ההיא
(hahi)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
13Toen de dag aanbrak, op de zesde dag, zagen alle bewoners van Kanaän van verre alle mannen van Bet-Choron dood liggen, neergeworpen op de klim van Bet-Choron, dood als lammeren en bokken.
ויאר
(vayya'ir)
en het werd licht
היום
(hayyom)
de dag
ביום
(beyom)
op de dag
הששי
(hashishshi)
de zesde
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
מרחוק
(merachoq)
van ver
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mannen van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
מתים
(metim)
dood
ומושלכים
(umushlakhim)
en neergeworpen
במעלת
(bema'alat)
op de klim van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
ככבשים
(kikhvasim)
als lammeren
וכעתודים
(vekha'attudim)
en als bokken
מתים
(metim)
dood
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
14De zonen van Jakob voerden alle gevangenen mee die zij uit Gaäsj hadden weggevoerd en gingen naar Bet-Choron. Zij kwamen in Bet-Choron en vonden de stad vol mensen, als het zand; zij streden tegen hen en de zonen van Jakob sloegen hen tot het middaguur.
ובני
(uvnei)
en de zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
נהגו
(nahagu)
zij voerden
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
השביה
(hashvyah)
de gevangenen
אשר
(asher)
die
שבו
(shavu)
zij hadden weggevoerd
מגעש
(migga'ash)
van Gaäsj
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
ויבאו
(vayavo'u)
en zij kwamen
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
וימצאו
(vayimtse'u)
en zij vonden
העיר
(ha'ir)
de stad
מלאה
(meleah)
vol
אנשים
(anashim)
mannen
כחול
(kachol)
als zand
וילחמו
(vayillachamu)
en zij streden
בהם
(bahem)
tegen hen
ויכו
(vayakku)
en zij sloegen
בהם
(bahem)
hen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
עד
(ad)
tot
עת
(et)
tijd van
הצהרים
(hatsohorayim)
het middaguur
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

עד עת הצהרים (‘tot het middaguur’) staat er; Noah’s Engelse vertaling heeft ‘tot de avond’.

15De zonen van Jakob deden aan Bet-Choron zoals zij aan Gaäsj en aan Tappuach hadden gedaan, en zoals zij aan Chasor, aan Sartan en aan Silo hadden gedaan.
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אל
(el)
aan
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
כאשר
(ka'asher)
zoals
עשו
(asu)
zij hadden gedaan
לגעש
(lega'ash)
aan Gaäsj
ולתפוח
(ultapuach)
en aan Tappuach
וכאשר
(vekha'asher)
en zoals
עשו
(asu)
zij hadden gedaan
לחצור
(lechatsor)
aan Chasor
ולסרטן
(ulesartan)
en aan Sartan
ולשילה
(ulshilo)
en aan Silo
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor).

16De zonen van Jakob namen de gevangenen van Bet-Choron en alle buit van de steden met zich mee en gingen die dag naar Sichem, naar hun eigen plaats.
ויקחו
(vayyiqchu)
en zij namen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(obj.)
שבי
(shevi)
de gevangenen van
בית
(bet)
Bet
חורון
(choron)
Choron
וכל
(vekhol)
en alle
שלל
(shalal)
de buit van
הערים
(he'arim)
de steden
עמם
(immam)
met hen
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
שכמה
(shekhemah)
naar Sichem
אל
(el)
naar
מקומם
(meqomam)
hun plaats
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

17De zonen van Jakob kwamen op de zesde dag bij de stad Sichem, bij hun huis, en bleven buiten de stad; zij rustten daar uit van de strijd en overnachtten daar in die tijd.
ויבאו
(vayavo'u)
en zij kwamen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ביום
(beyom)
op de dag
הששי
(hashishshi)
de zesde
עיר
(ir)
de stad
שכם
(Shekhem)
Sichem
אל
(el)
bij
ביתם
(beytam)
hun huis
וישבו
(vayeshvu)
en zij bleven
מחוץ
(michuts)
buiten
לעיר
(la'ir)
de stad
וינוחו
(vayanuchu)
en zij rustten
שם
(shem)
daar
מהמלחמה
(mehammilchamah)
van de oorlog
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
וילינו
(vayalinu)
en overnachtten
שם
(shem)
daar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Lezing

ביום הששי (‘op de zesde dag’) staat er; Noah’s Engelse vertaling heeft dit niet.

18Ook al hun dienaren en alle buit die zij uit de steden genomen hadden, lieten zij buiten de stad; zij gingen niet in de stad binnen, want zij zeiden: „Misschien is er nog meer strijd tegen ons en komen zij ons in Sichem belegeren.”
וגם
(vegam)
en ook
כל
(kol)
alle
עבדיהם
(avdeyhem)
hun dienaren
וכל
(vekhol)
en alle
השלל
(hashalal)
de buit
אשר
(asher)
die
לקחו
(laqchu)
zij hadden genomen
מהערים
(mehe'arim)
uit de steden
הניחו
(hinnichu)
zij lieten achter
מחוץ
(michuts)
buiten
לעיר
(la'ir)
de stad
ולא
(velo)
en niet
באו
(ba'u)
kwamen
אל
(el)
tot
תוך
(tokh)
midden in
העיר
(ha'ir)
de stad
כי
(ki)
want
אמרו
(ameru)
zeiden
פן
(pen)
opdat niet
תהיה
(tihyeh)
er zal zijn
מלחמה
(milchamah)
oorlog
עוד
(od)
nog
עלינו
(aleinu)
tegen ons
ויבאו
(vayavo'u)
en zij kwamen
לצור
(latsur)
om te belegeren
עלינו
(aleinu)
tegen ons
בשכם
(bishkhem)
in Sichem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

19Jakob, zijn zonen en hun dienaren bleven die dag en de volgende dag in het stuk veld dat Jakob van Hamor voor vijf sjekel had gekocht, met al hun buit bij zich.
וישבו
(vayeshvu)
en zij bleven
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
ועבדיהם
(va'avdeihem)
en hun dienaren
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
ומחרתו
(umochorato)
en de volgende dag
בחלקת
(bechelqat)
in het stuk van
השדה
(hasadeh)
het veld
אשר
(asher)
die
קנה
(qoneh)
had gekocht
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
מאת
(me'et)
van
חמור
(chamor)
Hamor
בחמשת
(bachamishat)
voor vijf
שקלים
(sheqalim)
sjekel
וכל
(vekhol)
en alle
שביהם
(shevehem)
hun gevangenen
אתם
(ittam)
bij zich
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Een sjekel is ongeveer 11,4 gram zilver.

20Alle gevangenen en alle buit die de zonen van Jakob geroofd hadden, lagen in het stuk veld als het zand aan de oever van de zee, zonder getal.
ותהי
(vatehi)
en het was
כל
(kol)
alle
השביה
(hashvyah)
de gevangenen
וכל
(vekhol)
en alle
השלל
(hashalal)
de buit
אשר
(asher)
die
בזזו
(bazezu)
geroofd hadden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בחלקת
(bechelqat)
in het stuk van
השדה
(hasadeh)
het veld
כחול
(kachol)
als zand
אשר
(asher)
die
על
(al)
op
שפת
(sefat)
de oever van
הים
(hayyam)
de zee
אשר
(asher)
die
אין
(ein)
zonder
מספר
(mispar)
getal
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
21De bewoners van het land zagen het van verre, en alle bewoners van het land werden zeer bevreesd voor de zonen van Jakob, die dit hadden gedaan, want er was sinds oude tijden geen koning geweest die zoiets deed.
ויושבי
(veyoshvei)
en de bewoners van
הארץ
(ha'arets)
het land
רואים
(ro'im)
zagen
מרחוק
(merachoq)
van ver
וייראו
(vayyir'u)
en zij vreesden
מאד
(me'od)
zeer
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
הארץ
(ha'arets)
het land
מפני
(mippenei)
vanwege
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אשר
(asher)
die
עשו
(asu)
zij hadden gedaan
את
(et)
(obj.)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
כי
(ki)
want
אין
(ein)
er was niet
כל
(kol)
alle
מלך
(malakh)
koning van
מימי
(miyyemei)
vanaf de dagen van
קדם
(qedem)
vroeger
עושה
(oseh)
deed
כדבר
(kidvar)
zoals de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
22Alle zeven koningen van de Kanaänieten besloten vrede te sluiten met de zonen van Jakob, want zij vreesden zeer voor hun leven vanwege de zonen van Jakob.
ויועדו
(vayivvaadu)
en zij besloten
כל
(kol)
alle
שבעת
(sheva)
zeven
מלכי
(malkhei)
koningen van
הכנעני
(hakkena'ani)
de Kanaänieten
להשלים
(lehashlim)
vrede te sluiten
עם
(im)
met
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
want
יראו
(yare'u)
zij vreesden
לנפשותם
(lenafshotam)
voor hun leven
מאד
(me'od)
zeer
מפני
(mippenei)
vanwege
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
23Op die dag, de zevende dag, zond Jafia, de koning van Hebron, in het geheim naar de koning van Ai, naar de koning van Gibeon, naar de koning van Salem, naar de koning van Adullam, naar de koning van Lachisj, naar de koning van Chasor en naar alle koningen van de Kanaänieten die onder hun gezag stonden, met de woorden:
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
יום
(yom)
dag
השביעי
(hashevi'i)
de zevende
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
יפיע
(yafia)
Jafia
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
בסתר
(baseter)
in het geheim
אל
(el)
tot
מלך
(malakh)
koning van
העי
(ha'ay)
Ai
ואל
(ve'el)
en naar
מלך
(malakh)
koning van
גבעון
(giv'on)
Gibeon
ואל
(ve'el)
en naar
מלך
(malakh)
koning van
שלם
(shalem)
Salem
ואל
(ve'el)
en naar
מלך
(malakh)
koning van
עדולם
(adullam)
Adullam
ואל
(ve'el)
en naar
מלך
(malakh)
koning van
לכישה
(lakhishah)
Lachisj
ואל
(ve'el)
en naar
מלך
(malakh)
koning van
חצור
(chatsor)
Chasor
ואל
(ve'el)
en naar
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
הכנעני
(hakkena'ani)
de Kanaänieten
אשר
(asher)
die
תחת
(tachat)
onder
ידם
(yadam)
hun hand
לאמר
(lemor)
zeggende
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.

Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor).

Jafia roept de koningen

24„Kom naar mij toe, dan gaan wij naar de zonen van Jakob en sluiten vrede met hen en een verbond, opdat heel jullie land niet verwoest wordt door de zwaarden van de zonen van Jakob, zoals zij aan Sichem en aan de steden rondom haar hebben gedaan, zoals jullie hebben gehoord en gezien.
עלו
(alu)
trek op
אתי
(iti)
met mij
ובאו
(uva'u)
en kom
אלי
(elai)
tot mij
ונלכה
(venelkhah)
en laten wij gaan
אל
(el)
tot
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ונשלים
(venashlim)
en wij sluiten vrede
אתם
(ittam)
met hen
בשלום
(beshalom)
in vrede
ובברית
(uvvrit)
en met een verbond
פן
(pen)
opdat niet
תחרב
(techerav)
wordt verwoest
כל
(kol)
alle
ארצכם
(artsekhem)
jullie land
בחרבות
(becharavot)
met zwaarden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כאשר
(ka'asher)
zoals
עשו
(asu)
zij hadden gedaan
לשכם
(lishkhem)
aan Sichem
ולערים
(ula'arim)
en aan de steden
אשר
(asher)
die
סביבותיה
(svivoteha)
rondom haar
כאשר
(ka'asher)
zoals
שמעתם
(shema'tem)
jullie hebben gehoord
וראיתם
(ur'item)
en gezien
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

Het begin van dit vers (עלו אתי … בחרבות בני יעקב, ‘Trek met mij op … zwaarden van de zonen van Jakob’) ontbreekt in Livorno en is aangevuld uit de Jeruzalemse druk; zie de noot bij v. 11.

25En wanneer jullie bij mij komen, komt dan niet met veel mannen, maar iedere koning moet zijn drie grote aanvoerders met zich brengen, en iedere aanvoerder moet komen met drie mannen van zijn dienaren.
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
בבואכם
(bevo'akhem)
wanneer jullie komen
אלי
(elai)
tot mij
אל
(el)
niet
תבואו
(tavo'u)
komt
באנשים
(ba'anashim)
met mannen
רבים
(rabbim)
vele
רק
(raq)
maar
כל
(kol)
iedere
מלך
(malakh)
koning
יביא
(yavi)
moet brengen
איתו
(ito)
met hem
שלושת
(sheloshet)
drie
שריו
(saraiv)
zijn aanvoerders
הגדולים
(haggedolim)
grote
וכל
(vekhol)
en alle
שר
(sar)
aanvoerder
יבוא
(yavo)
moet komen
עם
(im)
met
שלושה
(shelosha)
drie
אנשים
(anashim)
mannen
משרתיו
(meshartav)
van zijn dienaren
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
26Jullie zullen allen bij mij komen, naar Hebron, en wij zullen allen samen naar de zonen van Jakob gaan en hen smeken dat zij met ons een vredesverbond sluiten.”
ובאתם
(uva'tem)
en jullie zullen komen
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
אלי
(elai)
bij mij
חברונה
(chevronah)
naar Hebron
ונבוא
(venavo)
en wij zullen gaan
כולנו
(kulanu)
wij allen
יחד
(yachad)
samen
אל
(el)
naar
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ונתחנן
(venitchanen)
en wij zullen smeken
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
ויכרתו
(vayikhretu)
dat zij sluiten
לנו
(lanu)
met ons
ברית
(berit)
een verbond van
שלום
(shalom)
vrede
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

27Al die koningen deden zoals de koning van Hebron hun had laten weten, want zij waren allen onder zijn raad en bevel, en alle koningen van Kanaän verzamelden zich om naar de zonen van Jakob te gaan en vrede met hen te sluiten. De zonen van Jakob keerden terug en gingen naar het stuk veld, want zij vertrouwden de koningen van het land niet.
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
כאשר
(ka'asher)
zoals
שלח
(Shelach)
had gezonden
אליהם
(aleihem)
tot hen
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
כי
(ki)
want
היו
(hayu)
zij waren
כולם
(kullam)
allen
תחת
(tachat)
onder
עצתו
(atsato)
zijn raad
ומאמרו
(uma'amaro)
en zijn bevel
ויתקבצו
(vayitqabtsu)
en zij verzamelden zich
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
ללכת
(lalekhet)
om te gaan
אל
(el)
tot
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
לעשות
(la'asot)
om te doen
עמהם
(immahem)
met hen
שלום
(shalom)
vrede
ובני
(uvnei)
en de zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
שבו
(shavu)
keerden terug
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
אל
(el)
tot
חלקת
(chelqat)
het stuk van
השדה
(hasadeh)
het veld
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
האמינו
(he'eminu)
vertrouwden
במלכי
(bemalkhei)
de koningen van
הארץ
(ha'arets)
het land
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

28De zonen van Jakob keerden terug en bleven tien dagen in het stuk veld, en niemand kwam tegen hen ten strijde.
וישובו
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וישבו
(vayeshvu)
en bleven
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בחלקת
(bechelqat)
in het stuk van
השדה
(hasadeh)
het veld
עשרה
(esreh)
tien
ימים
(yamim)
dagen
ואין
(veein)
en niemand
בא
(ba)
kwam
אליהם
(aleihem)
tot hen
למלחמה
(lammilchamah)
ten strijde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
29Toen de zonen van Jakob zagen dat er geen oorlog was, verzamelden zij zich allen en kwamen naar de stad Sichem, en de zonen van Jakob bleven in Sichem wonen.
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
הני
(hani)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
dat
אין
(ein)
er is niet
מלחמה
(milchamah)
oorlog
ויאספו
(vaye'esfu)
en zij verzamelden zich
כולם
(kullam)
allen
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
עיר
(ir)
stad
שכם
(Shekhem)
Sichem
וישבו
(vayeshvu)
en zij bleven wonen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בשכם
(bishkhem)
in Sichem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

De koningen in Hebron

30Na afloop van veertig dagen verzamelden alle koningen van de Amorieten zich van al hun plaatsen en kwamen allen naar Hebron, bij Jafia, de koning van Hebron.
ויתקבצו
(vayitqabtsu)
en zij verzamelden zich
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
האמורי
(ha'emori)
de Amorieten
מכל
(mikkol)
van elke
מקומותם
(meqomotam)
hun plaatsen
מקץ
(miqqets)
na afloop van
ארבעים
(arba'im)
veertig
יום
(yom)
dagen
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
כולם
(kullam)
allen
חברונה
(chevronah)
naar Hebron
אל
(el)
bij
יפיע
(yafia)
Jafia
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

יפיע (Jafia): in Joz. 10:3 is Jafia koning van Lachisj en heet de koning van Hebron Hoham.

Hier is Jafia koning van Hebron.

Zie ookJoz 10:3
31Het aantal koningen dat naar Hebron kwam om vrede te sluiten met de zonen van Jakob, was eenentwintig koningen; het aantal aanvoerders dat met hen kwam, was drieënzestig aanvoerders, en hun mannen waren honderdnegenentachtig man. Al deze koningen en hun mannen legerden zich op de berg van Hebron.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
מספר
(mispar)
aantal
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
אשר
(asher)
die
באו
(ba'u)
kwamen
חברונה
(chevronah)
naar Hebron
להשלים
(lehashlim)
om vrede te sluiten met
את
(et)
(obj.)
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
עשרים
(esrim)
twintig
ואחד
(ve'echad)
en één
מלכים
(melakhim)
koningen
ומספר
(umispar)
en het aantal
השרים
(hasarim)
de aanvoerders
אשר
(asher)
die
באו
(ba'u)
kwamen
איתם
(ittam)
bij hen
שישים
(shishim)
zestig
ושלושה
(ushloshah)
en drie
שרים
(sarim)
aanvoerders
ואנשיהם
(ve'anshehem)
en hun mannen
מאה
(me'ah)
honderd
ושמונים
(ushmonim)
en tachtig
ותשעה
(vetish'a)
en negen
איש
(ish)
een man
ויחנו
(vayachanu)
en zij legerden zich
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
ואנשיהם
(ve'anshehem)
en hun mannen
הר
(har)
op de berg
חברון
(Chevron)
Hebron
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Lezing

שישים ושלושה (‘drieënzestig’) staat er: eenentwintig koningen met elk drie vorsten, en die elk met drie man (189).

De Engelse vertaling heeft ‘negenenzestig’.

32De koning van Hebron ging naar hen uit met zijn drie aanvoerders en negen man, en deze koningen overlegden samen om in vrede naar de zonen van Jakob te gaan.
ויצא
(vayetse)
en hij ging uit
אליהם
(aleihem)
naar hen
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
עם
(im)
met
שלושה
(shelosha)
drie
שריו
(saraiv)
zijn aanvoerders
ותשעה
(vetish'a)
en negen
אנשיהם
(anshehem)
mannen
עמהם
(immahem)
met hen
ויתיעצו
(vayityatsu)
en zij beraadslaagden
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
יחד
(yachad)
samen
ללכת
(lalekhet)
om te gaan
אל
(el)
tot
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
לשלום
(leshalom)
in vrede
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

33Zij zeiden tot de koning van Hebron: „Ga jij voor ons uit met je mannen en spreek namens ons tot de zonen van Jakob, en daarna zullen wij achter je aan komen en je woorden bevestigen.” En de koning van Hebron deed zo.
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אל
(el)
tot
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
לך
(lekha)
ga
אתה
(attah)
jij
לפנינו
(lefanenu)
vóór ons
עם
(im)
met
אנשיך
(anashekha)
je mannen
ודיברת
(vedibbarta)
en spreek
אל
(el)
tot
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בעדינו
(ba'adenu)
namens ons
ואחר
(ve'achar)
en daarna
נבוא
(navo)
zullen wij komen
אחריך
(acharekha)
achter je aan
ומלאנו
(umille'anu)
en wij zullen bevestigen
את
(et)
(obj.)
דבריך
(devarekha)
je woorden
ויעש
(vayya'as)
en hij deed
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
כן
(ken)
zo
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

34De zonen van Jakob hoorden dat alle koningen van Kanaän zich hadden verzameld en zich in Hebron hadden gelegerd, en de zonen van Jakob zonden vier dienaren van hun dienaren als verspieders met de woorden: „Ga, bespied deze koningen, en onderzoek en doorzoek hun mannen, of zij weinig zijn of veel. En als jullie ze weinig in aantal zien, tel hen dan allen en kom terug.”
ובני
(uvnei)
en de zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
שמעו
(shame'u)
zij hoorden
כי
(ki)
dat
התקבצו
(hitqabbetsu)
kwamen samen
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
ויחנו
(vayachanu)
en zij legerden zich
בחברון
(bechevron)
in Hebron
וישלחו
(vayishlechu)
en zij stuurden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
מרגלים
(meraglim)
spionnen
ארבעה
(arba'ah)
vier
עבדים
(avadim)
dienaren
מעבדיהם
(me'avdeihem)
van hun dienaren
לאמור
(lemor)
zeggende
לכו
(lekhu)
ga
ורגלו
(veraglu)
en bespied
את
(et)
(obj.)
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
ודרשו
(udreshu)
en onderzoek
וחקרו
(vachiqru)
en doorzoek
את
(et)
(obj.)
אנשיהם
(anshehem)
hun mannen
ואם
(ve'im)
of
הם
(hem)
zij
מעט
(me'at)
weinig
או
(o)
of
הרבה
(harbeh)
veel
והיה
(vehayah)
en het zal zijn dat
אם
(em)
als
תראום
(tir'um)
jullie hen zien
במתי
(bimtei)
weinig in
מספר
(mispar)
aantal
וספרתם
(vesafartem)
en tel
את
(et)
(obj.)
כולם
(kullam)
allen
ובאתם
(uva'tem)
en jullie komen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

35De dienaren van Jakob gingen in het geheim naar deze koningen en deden zoals de zonen van Jakob hun geboden hadden. Zij kwamen die dag bij de zonen van Jakob terug en zeiden tegen hen: „Wij zijn bij die koningen geweest, en zie, zij zijn weinig in getal; wij hebben hen allen geteld, en zie: het waren er tweehonderdachtentachtig, koningen en hun mannen.”
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
עבדי
(avdei)
dienaren van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בסתר
(baseter)
in het geheim
אל
(el)
tot
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
כאשר
(ka'asher)
zoals
ציוום
(tsivvum)
hun geboden hadden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויבאו
(vayavo'u)
en zij kwamen
אל
(el)
tot
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליהם
(aleihem)
tot hen
באנו
(ba'nu)
wij zijn gekomen
אל
(el)
tot
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
והנה
(vehinneh)
en zie
הם
(hem)
zij
מתי
(matai)
weinig in
מספר
(mispar)
getal
ונספר
(venispor)
en wij telden
את
(et)
(obj.)
כלם
(kullam)
allen
והנה
(vehinneh)
en zie
שמונים
(shemonim)
tachtig
ושמונה
(ushmoneh)
en acht
מאתים
(matayim)
tweehonderd
איש
(ish)
een man
מלכים
(melakhim)
koningen
ואנשיהם
(ve'anshehem)
en hun mannen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

Het Hebreeuws van Livorno 1870 houdt hier op bij ‘zoals de zonen van Jakob hun geboden hadden’.

Het slot (ויבאו אל בני יעקב … מלכים ואנשיהם, ‘Zij kwamen bij de zonen van Jakob terug … koningen en hun mannen’) is aangevuld uit de Jeruzalemse druk; zie de noot bij v. 11.

36De zonen van Jakob zeiden: „Het zijn er maar weinig; wij zullen dus niet allen naar hen uitgaan.” De volgende ochtend stonden de zonen van Jakob op en kozen uit hun mannen tweeënzestig man, en tien van de zonen van Jakob gingen met hen mee. Zij omgordden zich ieder met zijn oorlogstuig, want zij zeiden: „Zij komen om tegen ons te strijden”; zij wisten niet dat die koningen in vrede naar hen toe kwamen.
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
מתי
(matai)
weinig in
מספר
(mispar)
getal
הם
(hem)
zij
ולא
(velo)
en niet
נצא
(netse)
zullen wij uitgaan
אליהם
(aleihem)
tot hen
כלנו
(kullanu)
wij allen
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בבקר
(babaqar)
in de ochtend
ויקומו
(vayaqumu)
en zij stonden op
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויבחרו
(vayivcharu)
en zij kozen
מאנשיהם
(me'anshehem)
van hun mannen
ששים
(shishim)
zestig
ושתים
(ushtayim)
en twee
איש
(ish)
een man
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
עמהם
(immahem)
met hen
עשרה
(esreh)
tien
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויחגרו
(vayachgeru)
en zij omgordden zich met
איש
(ish)
een man
כלי
(keli)
het oorlogstuig van
מלחמתו
(milchamto)
zijn strijd
כי
(ki)
want
אמרו
(ameru)
zeiden
למלחמה
(lammilchamah)
ten strijde
באים
(va'im)
komen
עלינו
(aleinu)
tegen ons
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
ידעו
(yade'u)
zij wisten
כי
(ki)
dat
לשלום
(leshalom)
in vrede
הם
(hem)
zij
באים
(va'im)
komen
אליהם
(aleihem)
tot hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

Dit vers ontbreekt in Livorno en is vertaald uit de Jeruzalemse druk; zie de noot bij v. 11.

Bij de poort van Sichem

37De zonen van Jakob gingen met hun dienaren naar de poort van Sichem, de koningen tegemoet, en hun vader Jakob was bij hen.
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
עם
(im)
met
עבדיהם
(avdeyhem)
hun dienaren
אל
(el)
naar
שער
(sha'ar)
poort van
שכם
(Shekhem)
Sichem
לקראת
(liqrat)
tegemoet
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
ויעקב
(veya'aqov)
en Jakob
אביהם
(avihem)
hun vader
איתם
(ittam)
bij hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
38Toen zij waren uitgetrokken, zie, de koning van Hebron en zijn drie aanvoerders en negen man met hem kwamen onderweg tegenover de zonen van Jakob. De zonen van Jakob sloegen hun ogen op, zagen van ver en herkenden Jafia, de koning van Hebron, met zijn aanvoerders, die hun tegemoet kwamen, en de zonen van Jakob bleven op hun plaats in de poort van Sichem staan en gingen niet verder.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בצאתם
(betsetam)
toen zij uitgetrokken waren
והנה
(vehinneh)
en zie
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
ושלושה
(ushloshah)
en drie
שריו
(saraiv)
zijn aanvoerders
ותשעה
(vetish'a)
en negen
אנשים
(anashim)
mannen
עמו
(immo)
bij hem
באים
(va'im)
kwamen
בדרך
(baderekh)
onderweg
מול
(mul)
tegenover
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
וישאו
(vayis'u)
en zij hieven
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(obj.)
עיניהם
(eineihem)
hun ogen op
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
מרחוק
(merachoq)
van ver
ויכירו
(vayakkiru)
en herkenden
את
(et)
(obj.)
יפיע
(yafia)
Jafia
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
ושריו
(vesarav)
en zijn aanvoerders
באים
(va'im)
komen
לקראתם
(liqratam)
op hen af
ויתיצבו
(vayityatsvu)
en zij bleven staan
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
במקומם
(bimqomam)
op hun plaats
בשער
(besha'ar)
in de poort van
שכם
(Shekhem)
Sichem
ולא
(velo)
en niet
הלכו
(halekhu)
zij gingen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

39De koning van Hebron kwam steeds dichterbij, hij en zijn aanvoerders, totdat hij bij de zonen van Jakob kwam, en hij boog zich met zijn aanvoerders ter aarde voor hen neer. De koning van Hebron zat met zijn aanvoerders voor de zonen van Jakob.
ומלך
(umelekh)
en de koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
הולך
(holekh)
kwam
הלוך
(halokh)
steeds
וקרב
(veqarev)
dichterbij
הוא
(hu)
hij
ושריו
(vesarav)
en zijn aanvoerders
עד
(ad)
totdat
הגעתו
(hagi'ato)
hij kwam
אל
(el)
bij
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
וישתחו
(vayishtachu)
en zij bogen zich neer
להם
(lahem)
voor hen
ארצה
(artsah)
naar de aarde
עם
(im)
met
שריו
(saraiv)
zijn aanvoerders
וישב
(vayyashev)
en zat
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
עם
(im)
met
שריו
(saraiv)
zijn aanvoerders
לפני
(lifnei)
voor
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

40De zonen van Jakob zeiden tot hem: „Wat is er met je, koning van Hebron? Waarom ben je vandaag bij ons gekomen? Wat zoek je van ons?” En de koning van Hebron zei tot Jakob: „Ach, mijn heer, alle koningen van de Kanaänieten komen vandaag allen naar u om vrede met u te sluiten.”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
לו
(lo)
voor hem
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
מה
(mah)
wat
לך
(lekha)
is er met je
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
למה
(lammah)
waarom
באת
(ba'ta)
ben je gekomen
אלינו
(elenu)
tot ons
היום
(hayyom)
vandaag
מה
(mah)
wat
תבקש
(tevaqesh)
zoek je
מאיתנו
(me'itanu)
van ons
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
אל
(el)
tot
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בי
(bi)
ach
אדוני
(adoni)
mijn heer
כי
(ki)
want
מלכי
(malkhei)
koningen van
הכנעני
(hakkena'ani)
de Kanaänieten
באים
(va'im)
komen
כולם
(kullam)
allen
אליכם
(aleikhem)
tot u
היום
(hayyom)
vandaag
לעשות
(la'asot)
om te doen
עמכם
(immakhem)
met u
שלום
(shalom)
vrede
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

41De zonen van Jakob hoorden de woorden van de koning van Hebron en wilden zijn woorden niet aannemen, want de zonen van Jakob geloofden hem niet; zij dachten dat de koning van Hebron met bedrog tot hen had gesproken.
וישמעו
(vayishme'u)
en zij hoorden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(obj.)
דברי
(divrei)
woorden van
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
ולא
(velo)
en niet
אבו
(avu)
wilden
לדבריו
(ledvarav)
zijn woorden
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
האמינו
(he'eminu)
geloofden
לו
(lo)
hem
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
want
חשבו
(chashvu)
dachten
במרמה
(bemirmah)
met bedrog
דיבר
(dibber)
had gesproken
אליהם
(aleihem)
tot hen
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

42De koning van Hebron merkte uit de woorden van de zonen van Jakob dat zij niets van zijn woorden geloofden. De koning van Hebron kwam opnieuw dichter bij Jakob en zei tot hem: „Ach, mijn heer, al deze koningen komen in vrede tot u, want zij zijn niet gekomen met al hun mannen, en ook geen enkel oorlogstuig hebben zij meegebracht, want om vrede te zoeken bij mijn heer en zijn zonen zijn zij gekomen.”
וידע
(vayyeda)
en wist
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
מדברי
(middivrei)
uit de woorden van
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
האמינו
(he'eminu)
geloofden
אל
(el)
tot
כל
(kol)
alle
דבריו
(devarav)
zijn woorden
ויגש
(vayyigash)
en kwam
עוד
(od)
opnieuw
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
לפני
(lifnei)
voor
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליו
(elav)
tot hem
בי
(bi)
ach
אדוני
(adoni)
mijn heer
כי
(ki)
want
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
לשלום
(leshalom)
in vrede
באים
(va'im)
komen
אליכם
(aleikhem)
tot u
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
באו
(ba'u)
kwamen
עם
(im)
met
כל
(kol)
alle
אנשיהם
(anshehem)
hun mannen
וגם
(vegam)
en ook
כל
(kol)
alle
כלי
(keli)
oorlogstuig van
מלחמות
(milchamot)
oorlog
לא
(lo)
niet
הביאו
(hevi'u)
zij brachten mee
לא
(lo)
niet
הביאו
(hevi'u)
(zij brachten mee)
עליהם
(aleihem)
bij zich
כי
(ki)
want
על
(al)
om
שלום
(shalom)
vrede
מאת
(me'et)
van
אדוני
(adoni)
mijn heer
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
באו
(ba'u)
kwamen
לבקש
(levaqesh)
te zoeken
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Lezing

לא הביאו לא הביאו (‘zij hebben niet meegebracht, zij hebben niet meegebracht’) staat er, dubbel; als één keer gelezen.

43De zonen van Jakob antwoordden de koning van Hebron en zeiden: „Zend toch jij naar al deze koningen, en laat hen alleen voor ons komen, als je ons de waarheid spreekt. En als zij tot ons komen zonder hun oorlogstuig, dan zullen wij weten dat zij vrede van ons zoeken.”
ויענו
(vaya'anu)
en zij antwoordden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(obj.)
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
לאמור
(lemor)
zeggende
שלח
(Shelach)
zend
נא
(na)
toch
אתה
(attah)
jij
ויבואו
(vayavo'u)
en laat komen
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
לבדם
(levaddam)
alleen
לפנינו
(lefanenu)
vóór ons
אם
(em)
als
באמת
(be'emet)
in waarheid
תדבר
(tedabber)
je spreekt
אלינו
(elenu)
tot ons
והיה
(vehayah)
en het zal zijn dat
אם
(em)
als
יבואו
(yavo'u)
zij komen
אלינו
(elenu)
tot ons
בלא
(bilo)
zonder
כלי
(keli)
oorlogstuig van
מלחמתם
(milchamtam)
hun oorlog
ונדעה
(venede'a)
dan zullen wij weten
כי
(ki)
want
שלום
(shalom)
vrede
יבקשו
(yevaqshu)
zij zoeken
ממנו
(mimmennu)
van ons
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Het vredesverbond

44Jafia, de koning van Hebron, zond een van zijn mannen naar de koningen, en zij kwamen allen voor de zonen van Jakob en bogen zich met het gezicht ter aarde voor hen neer. Die koningen zaten voor Jakob en zijn zonen en spraken tot hen:
וישלח
(vayishlach)
en zond
יפיע
(yafia)
Jafia
מלך
(malakh)
koning van
חברון
(Chevron)
Hebron
אחד
(echad)
één
מאנשיו
(me'anashav)
van zijn mannen
אל
(el)
tot
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
כולם
(kullam)
allen
לפני
(lifnei)
voor
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
וישתחו
(vayishtachu)
en zij bogen zich neer
להם
(lahem)
voor hen
אפיים
(appayim)
met het gezicht
ארצה
(artsah)
naar de aarde
וישבו
(vayeshvu)
en zaten
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
לפני
(lifnei)
voor
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ולפני
(velifnei)
en voor
בניו
(banav)
zijn zonen
וידברו
(vayedabberu)
en zij spraken
אליהם
(aleihem)
tot hen
לאמור
(lemor)
zeggende
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

45„Wij hebben alles gehoord wat u aan de koningen van de Amorieten gedaan hebt met uw harde zwaard en uw zeer grote arm, want niemand van hen hield stand voor u.
שמענו
(shamanu)
wij hebben gehoord
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
עשיתם
(asitem)
u hebt gedaan
למלכי
(lemalkhei)
aan de koningen van
האמורי
(ha'emori)
de Amorieten
בחרבכם
(becharbekhem)
met uw zwaard
הקשה
(haqasha)
harde
ובזרועכם
(uvizro'akhem)
en met uw arm
הגדולה
(haggedolah)
grote
מאוד
(me'od)
zeer
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
עמד
(amad)
hield stand
איש
(ish)
niemand
מהם
(mehem)
van hen
בפניכם
(bifneikhem)
voor u
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
46Wij vreesden zeer voor ons leven vanwege u, dat ons zou overkomen wat hen overkwam, en wij zijn naar u gekomen om een vredesverbond met ons te sluiten. En nu, sluit met ons een verbond en een ware vrede, dat u ons niet aanraakt, zoals wij u niet zullen aanraken.”
ונירא
(venira)
en wij vreesden
מאוד
(me'od)
zeer
לנפשותינו
(lenafshotenu)
voor ons leven
מכם
(mikkem)
van u
פן
(pen)
dat
יקראנו
(yiqra'enu)
ons zou overkomen
כמקריהם
(kemiqrehem)
wat hen overkwam
ונבוא
(venavo)
en laat ons komen
אליכם
(aleikhem)
tot u
לכרות
(likrot)
om te sluiten
לנו
(lanu)
voor ons
ברית
(berit)
een verbond
שלום
(shalom)
vrede
ועתה
(ve'attah)
en nu
כרתו
(kirtu)
sluit
לנו
(lanu)
voor ons
ברית
(berit)
een verbond
ושלום
(veshalom)
en vrede van
אמת
(emet)
waarheid
כאשר
(ka'asher)
zoals
לא
(lo)
niet
תגעו
(tig'u)
u aanraakt
בנו
(beno)
ons
ולא
(velo)
en niet
נגע
(nega)
wij aanraken
בכם
(bakhem)
u
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
47De zonen van Jakob wisten dat zij werkelijk gekomen waren om vrede van hen te zoeken, en alle zonen van Jakob luisterden naar hen en sloten met hen een vredesverbond.
וידעו
(vayede'u)
en wisten
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
dat
באמת
(be'emet)
waarlijk
באו
(ba'u)
kwamen
לבקש
(levaqesh)
om te zoeken
השלום
(hashalom)
de vrede
מאיתם
(me'itam)
bij hen vandaan
וישמעו
(vayishme'u)
en zij hoorden
להם
(lahem)
naar hen
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויכרתו
(vayikhretu)
en sloten
להם
(lahem)
hun
ברית
(berit)
een verbond
שלום
(shalom)
vrede
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
48De zonen van Jakob zwoeren hun dat zij hen niet zouden aanraken, en ook alle koningen van de Kanaänieten zwoeren, en de zonen van Jakob maakten hen cijnsplichtig vanaf die dag en verder.
וישבעו
(vayishava'u)
en zwoeren
אליהם
(aleihem)
hun
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אשר
(asher)
dat
לא
(lo)
niet
יגעו
(yigge'u)
zij zouden aanraken
בהם
(bahem)
hen
וגם
(vegam)
en ook
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
הכנעני
(hakkena'ani)
de Kanaänieten
נשבעו
(nishbe'u)
zwoeren ook
וישימום
(vayesimum)
en zij maakten hen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
למס
(lamas)
tot cijnsplichtigen
מהיום
(mehayyom)
vanaf de dag
ההוא
(hahu)
die
והלאה
(vehal'ah)
en verder
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

למס (‘tot cijnsplichtigen’): מס is dwangarbeid of schatting; zie Deut. 20:11 (‘zij zullen je cijnsplichtig zijn en je dienen’) en Gen. 49:15.

De Engelse vertaling heeft ‘tributary’.

49Daarna kwamen alle aanvoerders van deze koningen met al hun mannen voor de zonen van Jakob, met geschenken in hun handen voor Jakob en zijn zonen, en zij bogen zich met het gezicht ter aarde voor hen neer.
ואחרי
(ve'acharei)
en daarna
כן
(ken)
zo
באו
(ba'u)
kwamen
כל
(kol)
alle
שרי
(sarai)
aanvoerders van
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
עם
(im)
met
כל
(kol)
alle
אנשיהם
(anshehem)
hun mannen
לפני
(lifnei)
voor
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ומנחות
(umnachot)
met geschenken
בידיהם
(beyadehem)
in hun handen
אל
(el)
voor
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ואל
(ve'el)
en voor
בניו
(banav)
zijn zonen
וישתחו
(vayishtachu)
en zij bogen zich neer
להם
(lahem)
voor hen
אפיים
(appayim)
met het gezicht
ארצה
(artsah)
naar de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
50Deze koningen drongen bij de zonen van Jakob aan en smeekten hen alle gevangenen terug te geven die zij uit de zeven steden van de Amorieten hadden weggevoerd. De zonen van Jakob deden zo, en zij gaven alle gevangenen terug, de vrouwen, de kleine kinderen, al het vee en alle buit die zij genomen hadden, en zij lieten hen gaan, en ieder ging naar zijn stad.
ויפצרו
(vayiftsaru)
en zij drongen aan
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
בבני
(bivnei)
bij de zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויתחננו
(vayitchannenu)
en smeekten
אליהם
(aleihem)
tot hen
להשיב
(lehashiv)
terug te geven
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
השביה
(hashvyah)
de gevangenen
אשר
(asher)
die
שבו
(shavu)
zij hadden weggevoerd
משבעת
(mishiv'at)
uit de zeven
ערי
('eri)
steden van
האמורי
(ha'emori)
de Amorieten
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
כן
(ken)
zo
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
וישיבו
(vayashivu)
en zij brachten terug
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
השביה
(hashvyah)
de gevangenen
את
(et)
(obj.)
הנשים
(hannashim)
de vrouwen
ואת
(ve'et)
en (obj.)
הטף
(hattaf)
de kinderen
ואת
(ve'et)
en (obj.)
כל
(kol)
alle
בהמה
(behemah)
het vee
וכל
(vekhol)
en alle
השלל
(hashalal)
de buit
אשר
(asher)
die
לקחו
(laqchu)
zij hadden genomen
וישלחו
(vayishlechu)
en zij stuurden
אותם
(otam)
hen
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
איש
(ish)
ieder
לעירו
(le'iro)
naar zijn stad
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
51Al deze koningen bogen zich opnieuw voor de zonen van Jakob neer, en zij zonden en brachten hun in die dagen veel geschenken. De zonen van Jakob lieten deze koningen en hun mannen gaan, en zij gingen in vrede van hen weg naar hun steden, en ook de zonen van Jakob keerden terug naar hun plaats, naar Sichem.
וישתחוו
(vayishtachavu)
en zij bogen zich neer
כל
(kol)
alle
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
עוד
(od)
opnieuw
אל
(el)
tot
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
וישלחו
(vayishlechu)
en zij zonden
ויביאו
(vayavi'u)
en brachten
אליהם
(aleihem)
tot hen
מנחות
(minchot)
geschenken
רבות
(rabbot)
vele
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
וישלחו
(vayishlechu)
en lieten gaan
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(obj.)
המלכים
(hammelakhim)
de koningen
האלה
(ha'elleh)
deze
ואת
(ve'et)
en (obj.)
אנשיהם
(anshehem)
hun mannen
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
מאיתם
(me'itam)
bij hen vandaan
לשלום
(leshalom)
in vrede
אל
(el)
tot
עריהם
(arehem)
hun steden
וגם
(vegam)
en ook
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
שבו
(shavu)
keerden terug
אל
(el)
tot
מקומם
(meqomam)
hun plaats
שכמה
(shekhemah)
naar Sichem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

52Vanaf die dag was er vrede tussen de zonen van Jakob en de koningen van de Kanaänieten, tot de zonen van Israël kwamen om het land Kanaän te erven.
ויהי
(vayehi)
en er was
שלום
(shalom)
vrede
מהיום
(mehayyom)
vanaf de dag
ההוא
(hahu)
die
והלאה
(vehal'ah)
en verder
בין
(bein)
tussen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ובין
(uvein)
en tussen
מלכי
(malkhei)
koningen van
הכנעני
(hakkena'ani)
de Kanaänieten
עד
(ad)
tot
בא
(ba)
kwamen
בני
(bnei)
zonen van
ישראל
(yisra'el)
Israël
ארץ
(erets)
land van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
לנחלה
(lenachala)
als erfdeel
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.