1 Tessalonicenzen 1
Aanhef en dank: het geloof van de Tessalonicenzen is een voorbeeld
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
Σιλουανός (Silouanos), ‘Silvanus’: in Handelingen heet hij Σίλας (Silas); het is dezelfde man, de metgezel van Paulus.
Wij houden in deze brief ‘Silvanus’ aan.
Timoteüs (Τιμόθεος, Timotheos) was een leerling uit Lystra die met Paulus meeging.
De brief spreekt verder steeds van ‘wij’: Paulus schrijft mede namens zijn twee metgezellen. ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: de bijeengeroepen groep. Θεσσαλονικέων (Thessalonikeon), ‘van de Tessalonicenzen’: de inwoners van Tessalonica, een stad in Macedonië. χάρις (charis), ‘genade’; εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: de groet.
De gemeente is ‘in Elohim, de Vader, en de Heer Yeshua de Messias’.
Zie ook Hand. 15:40; Hand. 16:1–3; Hand. 17:1–9; Hand. 18:5.
Dank voor de gemeente
ἀδιαλείπτως (adialeiptos), ‘onophoudelijk’: het Griekse woord kan bij vers 2 horen (‘wij noemen jullie onophoudelijk in onze gebeden’) of bij vers 3 (‘onophoudelijk denken wij aan …’).
Wij laten het aan het eind van vers 2 staan, zoals de SBLGNT de zinnen verdeelt. μνείαν ποιούμενοι (mneian poioumenoi), ‘noemen’: letterlijk ‘gedachtenis makend’, dus ‘iemand noemen, aan iemand denken’.
ἔργον (ergon), ‘werk’; κόπος (kopos), ‘moeite’: vermoeiende arbeid; ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’; ἐλπίς (elpis), ‘hoop’.
Geloof, liefde en hoop staan hier bij elkaar. τοῦ κυρίου ἡμῶν Ἰησοῦ Χριστοῦ hoort bij ‘hoop’: de hoop is gericht op de Heer Yeshua de Messias. τοῦ θεοῦ καὶ πατρὸς ἡμῶν (tou theou kai patros hemon): ‘onze Elohim en Vader’; ‘onze’ hoort bij beide woorden. ἔμπροσθεν (emprosthen), ‘voor’: in het bijzijn van.
Zie ook Gal. 5:6.
ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat in de gemeente ook de zusters, dus ‘broers en zusters’.
Wij houden ‘broers’ aan in de hele brief. ἐκλογή (ekloge), ‘uitverkiezing’: het uitkiezen, de keuze van Elohim. ἠγαπημένοι (egapemenoi), ‘geliefd’: van ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’.
ὅτι (hoti) kan ‘dat’ of ‘want, omdat’ betekenen; wij kiezen ‘want’: Paulus noemt wat hem van hun uitverkiezing overtuigt. εὐαγγέλιον (euangelion), ‘goede boodschap’. δύναμις (dynamis), ‘kracht’. πνεῦμα ἅγιον (pneuma hagion), ‘Heilige Geest’. πληροφορία (pleroforia), ‘overtuiging’: volle zekerheid. δι’ ὑμᾶς (di hymas), ‘om jullie wil’: ten bate van jullie.
Zie ook Hand. 17:1–4.
Navolgers en voorbeeld
μιμητής (mimetes), ‘navolger’: wie iemands voorbeeld volgt. θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’: druk, benauwdheid.
‘Vreugde van de Heilige Geest’: vreugde die de Heilige Geest geeft.
Zie ook Hand. 17:5–9.
Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Achaje (ongeveer): Achaje was de Romeinse provincie in het zuiden van Griekenland, met Korinte als hoofdstad en Athene als bekendste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
τύπος (typos), ‘voorbeeld’: letterlijk de afdruk of het patroon dat iets vormt.
Macedonië en Achaje zijn de twee Romeinse provincies van het huidige Griekenland.
Tessalonica ligt in Macedonië, Korinte in Achaje.
Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Achaje (ongeveer): Achaje was de Romeinse provincie in het zuiden van Griekenland, met Korinte als hoofdstad en Athene als bekendste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
ἐξηχέω (execheo), ‘weerklinken’: een geluid laten horen dat ver draagt. λόγος τοῦ κυρίου (logos tou kyriou), ‘het woord van de Heer’: de uitdrukking lijkt op ‘het woord van Yahweh’ uit de profeten; wij schrijven ‘de Heer’ en bedoelen Yeshua, omdat de boodschap over Hem gaat.
‘Zodat wij niets hoeven te zeggen’: de Griekse tekst heeft letterlijk ‘zodat wij geen behoefte hebben iets te zeggen’.
Gekeerd tot de levende Elohim
εἴσοδος (eisodos), ‘binnenkomst’: het binnengaan, de komst en het onthaal.
De Griekse zin heeft geen onderwerp bij ‘vertellen’; wij vullen niets aan en laten ‘zij’ staan zoals de tekst het heeft: de mensen elders, in Macedonië en Achaje. ἐπιστρέφω (epistrefo), ‘zich keren’: zich omwenden, terugkeren. εἴδωλον (eidolon), ‘afgod’. δουλεύω (douleuo), ‘als knecht dienen’: van δοῦλος (doulos), ‘knecht’.
Het Grieks heeft geen lidwoord bij ‘levende en ware Elohim’; wij schrijven ‘de levende en ware Elohim’.
Zie ook Hand. 14:15.
ἀναμένω (anameno), ‘verwachten’: wachten op. ἐκ τῶν οὐρανῶν (ek ton ouranon), ‘uit de hemelen’: het Grieks heeft het meervoud. ἐγείρω (egeiro), ‘opwekken’. ῥύομαι (rhyomai), ‘bevrijden’: redden uit gevaar; wij gebruiken ‘bevrijden’ voor dit woord. ὀργή (orge), ‘toorn’: de toorn van Elohim.
‘De komende toorn’: de toorn die komt.
Over de komst van de Heer uit de hemel, zie 4:16; over de toorn, zie 5:9.
Zie ook Hand. 17:31; Matt. 3:7.