# Sefanja (צפניה, Tsefanyah) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Sefanja 1 _Het oordeel over de aarde en over Juda: de dag van Yahweh is nabij_ ### Het woord van Yahweh aan Sefanja **1:1** Het woord van Yahweh dat tot Sefanja kwam, de zoon van Kushi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia, in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda. Brontekst: דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֗ה (haya) = kwam | אֶל (el) = tot | צְפַנְיָה֙ (tsefanya) = Sefanja | בֶּן (ben) = zoon van | כּוּשִׁ֣י (kushi) = Kushi | בֶן (ben) = zoon van | גְּדַלְיָ֔ה (gedalya) = Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲמַרְיָ֖ה (amarya) = Amarja | בֶּן (ben) = zoon van | חִזְקִיָּ֑ה (chizqiya) = Hizkia | בִּימֵ֛י (bimei) = in de dagen van | יֹאשִׁיָּ֥הוּ (yoshiyahu) = Josia | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֖וֹן (amon) = Amon | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְפַנְיָה (Tsefanyah), ‘Sefanja’: de naam betekent ‘Yahweh heeft verborgen’ of ‘Yahweh heeft beschermd’. Een andere man met deze naam was de tweede priester in Jeruzalem (2 Kon. 25:18). Voetnoot : כּוּשִׁי (Kushi), ‘Kushi’: de naam betekent ‘de Kushiet’, iemand uit Kush. Wat dat over zijn afkomst zegt, laat de tekst open. Voetnoot : Het Hebreeuws noemt Hizkia hier niet ‘koning’. Of hij de koning Hizkia is (2 Kon. 18:1), zegt de tekst niet. Voetnoot : Josia, de zoon van Amon: zie 2 Kon. 21:19 en 22:1; ook 2 Kron. 34:1. Zie ook: 2 Kon 18:1; 2 Kon 21:19; 2 Kon 22:1–20; 2 Kon 25:18; 2 Kron 34:1–33; Hos 1:1; Jer 1:2; 2 Petr 1:19 ### Alles wordt weggevaagd **1:2** **„Ik zal alles volledig wegvagen van het oppervlak van de grond, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: אָסֹ֨ף (asof) = wegvagen | אָסֵ֜ף (asef) = Ik zal wegvagen | כֹּ֗ל (kol) = alles | מֵעַ֛ל (meal) = van op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten. Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt. Wij zetten de formule in rood als ze midden in Zijn woorden staat. Voetnoot : אָסֹף אָסֵף (asof asef), ‘Ik zal alles volledig wegvagen’: letterlijk ‘wegvagend zal Ik wegvagen’. Het werkwoord אָסַף (asaf) betekent meestal ‘verzamelen’; hier betekent het ‘wegnemen’. De dubbele vorm maakt de zin sterk, zoals ‘sterven zul je sterven’. Voetnoot : הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’: de bodem waarop mens en dier leven. Zie ook: Gen 6:7; 2 Kon 22:16–17; Mi 7:13; Jer 36:29; Ezech 33:27–29 **1:3** **Ik zal mens en dier wegvagen. Ik zal de vogels van de hemel en de vissen van de zee wegvagen, en de struikelblokken met de goddelozen. Ik zal de mens uitroeien van het oppervlak van de grond, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: אָסֵ֨ף (asef) = Ik zal wegvagen | אָדָ֜ם (adam) = mens | וּבְהֵמָ֗ה (uvehema) = en dier | אָסֵ֤ף (asef) = Ik zal wegvagen | עוֹף (of) = de vogels van | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | וּדְגֵ֣י (udegei) = en de vissen van | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | וְהַמַּכְשֵׁל֖וֹת (vehamakhshelot) = en de struikelblokken | אֶת (et) = (obj.) | הָרְשָׁעִ֑ים (hareshaim) = de goddelozen | וְהִכְרַתִּ֣י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָדָ֗ם (haadam) = de mens | מֵעַ֛ל (meal) = van op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vers gaat van groot naar klein: mens, dier, vogels, vissen. Vergelijk Hos. 4:3. Voetnoot : הַמַּכְשֵׁלוֹת (hammakhshelot), ‘de struikelblokken’: wat mensen laat struikelen, hier waarschijnlijk afgoden en wat tot zonde verleidt. De zin ‘en de struikelblokken met de goddelozen’ is kort en moeilijk. Het werkwoord ‘Ik zal wegvagen’ nemen wij over uit het begin van het vers. Zie ook: Hos 4:3; Jes 27:9; Ezech 7:19; Ezech 14:13–21; Mat 23:39 ### Tegen Juda en Jeruzalem **1:4** **Ik strek Mijn hand uit tegen Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem. Ik roei van deze plaats uit wat overgebleven is van de Baäl, de naam van de afgodspriesters samen met de priesters.** Brontekst: וְנָטִ֤יתִי (venatiti) = en Ik zal uitstrekken | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עַל (al) = tegen | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | יוֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְהִכְרַתִּ֞י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | מִן (min) = uit | הַמָּק֤וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאָ֣ר (shear) = wat overgebleven is van | הַבַּ֔עַל (habaal) = de Baäl | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֥ם (shem) = de naam van | הַכְּמָרִ֖ים (hakemarim) = de afgodspriesters | עִם (im) = met | הַכֹּהֲנִֽים (hakohanim) = de priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וְנָטִיתִי יָדִי (venatiti yadi), ‘Ik strek Mijn hand uit’: een beeld voor ingrijpen. Voetnoot : הַבַּעַל (haBa’al), ‘de Baäl’: met lidwoord, de bekende god van het land. שְׁאָר (she’ar), ‘wat overgebleven is’: de overgeblevenen, de rest; de Baäl-dienst wordt tot op het laatste restje weggedaan. Vergelijk de hervorming van Josia in 2 Kon. 23:4–5. Voetnoot : כְּמָרִים (kemarim), ‘afgodspriesters’: een woord dat alleen voor priesters van andere goden wordt gebruikt; zie 2 Kon. 23:5 en Hos. 10:5. De ‘priesters’ (hakohanim) zijn de gewone priesters. Of zij priesters van Yahweh zijn die ook andere goden dienden, zegt de tekst niet. Zie ook: 2 Kon 21:13; 2 Kon 23:4–5; 2 Kon 23:5; Hos 10:5; Mi 5:12; Jer 6:12 **1:5** **Ik roei ook uit wie zich op de daken neerwerpen voor het leger van de hemel. Ik roei ook uit wie zich neerwerpen en zweren bij Yahweh, en wie zweren bij hun koning.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּשְׁתַּחֲוִ֥ים (hamishtachavim) = wie zich neerwerpen | עַל (al) = op | הַגַּגּ֖וֹת (hagagot) = de daken | לִצְבָ֣א (litsva) = voor het leger van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּֽשְׁתַּחֲוִים֙ (hamishtachavim) = wie zich neerwerpen | הַנִּשְׁבָּעִ֣ים (hanishbaim) = die zweren | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = bij Yahweh | וְהַנִּשְׁבָּעִ֖ים (vehanishbaim) = en die zweren | בְּמַלְכָּֽם (bemalkam) = bij hun koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord. ‘Ik roei ook uit’ nemen wij over uit vers 4, ook voor de tweede zin; zo ook in vers 6. Voetnoot : עַל הַגַּגּוֹת (al haggagot), ‘op de daken’: op de platte daken werden altaren gebouwd (2 Kon. 23:12). Voetnoot : צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: zon, maan en sterren, die als goden werden vereerd (2 Kon. 21:3; 23:5). Voetnoot Lezing: בְּמַלְכָּם (bemalkam): de klinkers geven ‘bij hun koning’. Met andere klinkers is het ‘bij Milkom’, de god van Ammon (1 Kon. 11:5). Wij vertalen ‘hun koning’, zoals ‘jullie koning’ in Amos 5:26. Zie ook: 1 Kon 11:5; 1 Kon 11:33; 1 Kon 18:21; 2 Kon 17:33; 2 Kon 21:3; 2 Kon 23:5; 2 Kon 23:12; Amos 5:26; Sef 1:4; Sef 1:6; Jer 19:13 **1:6** **Ik roei ook uit wie zich van Yahweh afkeren, en wie Yahweh niet hebben gezocht en Hem niet hebben geraadpleegd.”** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנְּסוֹגִ֖ים (hanesogim) = wie zich afkeren | מֵאַחֲרֵ֣י (meacharei) = van achter | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַאֲשֶׁ֛ר (vaasher) = en die | לֹֽא (lo) = niet | בִקְשׁ֥וּ (biqshu) = hebben gezocht | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | דְרָשֻֽׁהוּ (derashuhu) = hebben Hem geraadpleegd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּסוֹגִים מֵאַחֲרֵי יְהוָה (hannesogim me’acharei Yahweh), ‘wie zich van Yahweh afkeren’: letterlijk ‘die zich terugtrekken van achter Yahweh’. Voetnoot : בִּקֵּשׁ (biqqesh) en דָּרַשׁ (darash) staan hier naast elkaar. Wij vertalen biqqesh ‘zoeken’ en darash ‘raadplegen’, zodat het verschil zichtbaar blijft. In Amos 5:4 staat darash als ‘zoeken’. Zie ook: Amos 5:4; Jes 1:4; Jer 2:13; Jer 2:17; Jer 3:10; Jer 15:6 ### Wees stil: de dag van Yahweh is nabij **1:7** Wees stil voor Heer Yahweh, want de dag van Yahweh is nabij. Want Yahweh heeft een slachtoffer bereid; Hij heeft Zijn genodigden geheiligd. Brontekst: הַ֕ס (has) = wees stil | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = want | קָרוֹב֙ (qarov) = nabij | י֣וֹם (yom) = de dag van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | הֵכִ֧ין (hekhin) = heeft bereid | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | זֶ֖בַח (zevach) = een slachtoffer | הִקְדִּ֥ישׁ (hiqdish) = heeft geheiligd | קְרֻאָֽיו (qeruav) = Zijn genodigden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’. Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’ (zie Amos 1:8). Voetnoot : הַס (has), ‘wees stil’: een uitroep om uit ontzag te zwijgen. Vergelijk Amos 6:10. Voetnoot : יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh zichtbaar ingrijpt en oordeelt. Zie de Uitleg bij Joël 1:15 en Amos 5:18. Sefanja 1:14–18 beschrijft die dag uitvoerig. Voetnoot : זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: een dier dat geslacht wordt voor een offermaal. Het oordeel is hier het offermaal dat Yahweh zelf bereidt. De tekst zegt niet wie de genodigden (קְרֻאָיו, qeru’av) zijn en wie het slachtoffer is. Zie ook: Joël 1:15; Amos 1:8; Amos 5:18; Amos 6:10; Jes 34:6; Sef 1:14; Jer 46:10; Hab 2:20; Zach 2:17 ### Het slachtoffer van Yahweh **1:8** **„Het zal gebeuren op de dag van het slachtoffer van Yahweh. Ik straf de oversten en de zonen van de koning, en allen die vreemde kleding dragen.** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag van | זֶ֣בַח (zevach) = het slachtoffer van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּפָקַדְתִּ֥י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַל (al) = over | הַשָּׂרִ֖ים (hasarim) = de oversten | וְעַל (veal) = en over | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְעַ֥ל (veal) = en over | כָּל (kal) = allen | הַלֹּבְשִׁ֖ים (haloveshim) = die dragen | מַלְבּ֥וּשׁ (malbush) = kleding | נָכְרִֽי (nakheri) = vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken aan’; zie Hos. 1:4. Zo ook in vers 9 en 12. Voetnoot : שָׂרִים (sarim), ‘oversten’: de leiders van het land, zoals in Hos. 5:10. Voetnoot : מַלְבּוּשׁ נָכְרִי (malbush nokhri), ‘vreemde kleding’: kleding van vreemde volken of van vreemde godsdiensten. Wat precies bedoeld wordt, is onzeker. Zie ook: 2 Kon 25:19–21; Hos 1:4; Hos 5:10; Jes 3:18–24; Jes 24:21; Jes 39:7; Sef 1:9; Sef 1:12; Jer 22:24–30 **1:9** **Op die dag straf Ik ieder die over de drempel springt, en wie het huis van hun heren vullen met geweld en bedrog.** Brontekst: וּפָקַדְתִּ֗י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַ֧ל (al) = over | כָּל (kal) = ieder | הַדּוֹלֵ֛ג (hadoleg) = die springt | עַל (al) = over | הַמִּפְתָּ֖ן (hamiftan) = de drempel | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | הַֽמְמַלְאִ֛ים (hammalim) = die vullen | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֲדֹנֵיהֶ֖ם (adoneihem) = hun heren | חָמָ֥ס (chamas) = met geweld | וּמִרְמָֽה (umirma) = en bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַדּוֹלֵג עַל הַמִּפְתָּן (hadoleg al hammiftan), ‘die over de drempel springt’: waarschijnlijk een heidens gebruik; vergelijk 1 Sam. 5:5, waar de priesters van Dagon niet op de drempel treden. Voetnoot : בֵּית אֲדֹנֵיהֶם (bet adoneihem), ‘het huis van hun heren’: het huis van hun meesters of van hun goden. Wat bedoeld wordt, is onzeker. Voetnoot : חָמָס (chamas), ‘geweld’: zie ook Amos 3:10. Zie ook: 1 Sam 2:15–16; 1 Sam 5:5; Spr 29:12; 2 Kon 5:20–27; Amos 3:10 **1:10** **Het zal gebeuren op die dag, godsspraak van Yahweh. Een kreet klinkt vanaf de Vispoort, gejammer vanuit het tweede stadsdeel en een grote ineenstorting vanaf de heuvels.** Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | ק֤וֹל (qol) = het geluid van | צְעָקָה֙ (tseaqa) = een kreet | מִשַּׁ֣עַר (mishaar) = vanaf de poort van | הַדָּגִ֔ים (hadagim) = de vissen | וִֽילָלָ֖ה (vilala) = en gejammer | מִן (min) = vanuit | הַמִּשְׁנֶ֑ה (hamishne) = het tweede stadsdeel | וְשֶׁ֥בֶר (veshever) = en een instorting | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | מֵהַגְּבָעֽוֹת (mehagevaot) = vanaf de heuvels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Vispoort (ligging onzeker): De Vispoort lag in de noordmuur van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Zie Het tweede stadsdeel (Mishne; ligging onzeker): Het tweede stadsdeel (Mishne) was een later bijgebouwde wijk van Jeruzalem, waarschijnlijk in het noordwesten van de oude stad. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הַדָּגִים (Sha’ar haddagim), ‘Vispoort’: een poort in Jeruzalem; de ligging is onzeker (2 Kron. 33:14). Voetnoot : הַמִּשְׁנֶה (hammishneh), ‘het tweede stadsdeel’: een deel van de stad dat later is bijgebouwd (2 Kon. 22:14). Voetnoot : שֶׁבֶר גָּדוֹל (shever gadol), ‘een grote ineenstorting’: het geluid van instortende muren; zie ‘ineenstorting’ in Amos 6:6. Zie ook: 2 Kon 22:14; 2 Kron 33:14; Amos 6:6; Amos 8:3; Jer 4:19–21; Neh 3:3 **1:11** **Jammer, bewoners van de Maktes, want heel het volk van Kanaän is vernietigd. Allen die met zilver beladen zijn, zijn uitgeroeid.** Brontekst: הֵילִ֖ילוּ (heililu) = jammert | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | הַמַּכְתֵּ֑שׁ (hamakhtesh) = de Maktes | כִּ֤י (ki) = want | נִדְמָה֙ (nidma) = is vernietigd | כָּל (kal) = heel | עַ֣ם (am) = het volk van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | נִכְרְת֖וּ (nikhretu) = zijn uitgeroeid | כָּל (kal) = allen | נְטִ֥ילֵי (netilei) = die beladen zijn met | כָֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie De Maktes (Jeruzalem; ligging onzeker): De Maktes (‘vijzel’, ‘holte’) was een wijk van Jeruzalem, waarschijnlijk een laag gelegen deel van de stad, misschien het Tyropoeondal. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: הַמַּכְתֵּשׁ (hammakhtesh), ‘de Maktes’: letterlijk ‘de holte’ of ‘de vijzel’. Het is een wijk in Jeruzalem, waarschijnlijk in een laag gelegen deel. De ligging is onzeker. Voetnoot : כְּנַעַן (Kena’an), ‘Kanaän’: hier de handelaren van de stad; ‘Kanaän’ kan ook ‘koopman’ betekenen (vergelijk Hos. 12:8). Voetnoot : נְטִילֵי כֶסֶף (netilei khesef), ‘die met zilver beladen zijn’: het woord נָטִיל (natil) komt alleen hier voor. Sommigen denken aan ‘zilverwegers’. De betekenis is onzeker. Voetnoot : נִדְמָה (nidmah), ‘is vernietigd’: het kan ook ‘is tot zwijgen gebracht’ betekenen. Zie ook: Hos 12:8–9; Jer 25:34; Ezech 21:17; Zach 11:2–3; Jak 5:1 ### Yahweh doorzoekt Jeruzalem **1:12** **Het zal gebeuren in die tijd: Ik doorzoek Jeruzalem met lampen. Ik straf de mannen die op hun droesem zijn verstard, die in hun hart zeggen: ‘Yahweh doet geen goed en Hij doet geen kwaad.’** Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֔יא (hahi) = die | אֲחַפֵּ֥שׂ (achapes) = Ik zal doorzoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | בַּנֵּר֑וֹת (banerot) = met lampen | וּפָקַדְתִּ֣י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַל (al) = over | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | הַקֹּֽפְאִים֙ (haqofeim) = die verstard zijn | עַל (al) = op | שִׁמְרֵיהֶ֔ם (shimreihem) = hun droesem | הָאֹֽמְרִים֙ (haomerim) = die zeggen | בִּלְבָבָ֔ם (bilvavam) = in hun hart | לֹֽא (lo) = niet | יֵיטִ֥יב (yeitiv) = doet goed | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָרֵֽעַ (yarea) = doet kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּנֵּרוֹת (bannerot), ‘met lampen’: Yahweh doorzoekt de stad tot in de donkere hoeken. Voetnoot : הַקֹּפְאִים עַל שִׁמְרֵיהֶם (haqof’im al shimreihem), ‘die op hun droesem zijn verstard’: een beeld van wijn die ongeroerd op de droesem blijft staan. Het gaat om mensen die tevreden zijn gaan leunen op hun eigen rust. Voetnoot : Zij denken dat Yahweh niet ingrijpt: ‘Hij doet geen goed en Hij doet geen kwaad’. Zie ook: Amos 6:1; Jer 48:11; Ezech 8:12; Ezech 9:9; Mal 3:14–15 **1:13** **Hun rijkdom wordt plundering en hun huizen een woestenij. Zij bouwen huizen, maar zij zullen er niet in wonen. Zij planten wijngaarden, maar zij zullen de wijn ervan niet drinken.”** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal worden | חֵילָם֙ (cheilam) = hun rijkdom | לִמְשִׁסָּ֔ה (limshisa) = tot plundering | וּבָתֵּיהֶ֖ם (uvateihem) = en hun huizen | לִשְׁמָמָ֑ה (lishmama) = tot woestenij | וּבָנ֤וּ (uvanu) = en zij zullen bouwen | בָתִּים֙ (batim) = huizen | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | יֵשֵׁ֔בוּ (yeshevu) = zullen zij wonen | וְנָטְע֣וּ (venateu) = en zij zullen planten | כְרָמִ֔ים (keramim) = wijngaarden | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | יִשְׁתּ֖וּ (yishtu) = zullen zij drinken | אֶת (et) = (obj.) | יֵינָֽם (yeinam) = hun wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde dreiging staat in Amos 5:11 en Deut. 28:30. Zie ook: Deut 28:30; Amos 5:11; Mi 6:15; Jer 9:18; Ezech 7:21 ### De grote dag van Yahweh **1:14** De grote dag van Yahweh is nabij, nabij en zeer snel. Het geluid van de dag van Yahweh is bitter; daar schreeuwt de held. Brontekst: קָר֤וֹב (qarov) = nabij | יוֹם (yom) = de dag van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | קָר֖וֹב (qarov) = nabij | וּמַהֵ֣ר (umaher) = en snel | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | ק֚וֹל (qol) = het geluid van | י֣וֹם (yom) = de dag van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מַ֥ר (mar) = bitter | צֹרֵ֖חַ (tsoreach) = schreeuwt | שָׁ֥ם (sham) = daar | גִּבּֽוֹר (gibor) = de held Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁם גִּבּוֹר (sham gibbor), ‘daar schreeuwt de held’: ‘daar’ (sham) kan ook ‘zelfs’ of ‘dan’ lijken; wij nemen ‘daar’. Zelfs een held schreeuwt bitter op die dag. Zie ook: Jes 15:4; Sef 1:7; Ezech 30:3; Mal 3:23; 1 Tess 4:16 **1:15** Die dag is een dag van woede, een dag van benauwdheid en nood, een dag van verwoesting en vernietiging. Een dag van duisternis en donkerte; een dag van wolken en dikke nevel. Brontekst: י֥וֹם (yom) = dag van | עֶבְרָ֖ה (evra) = woede | הַיּ֣וֹם (hayom) = die dag | הַה֑וּא (hahu) = die | י֧וֹם (yom) = dag van | צָרָ֣ה (tsara) = benauwdheid | וּמְצוּקָ֗ה (umetsuqa) = en nood | י֤וֹם (yom) = dag van | שֹׁאָה֙ (shoa) = verwoesting | וּמְשׁוֹאָ֔ה (umeshoa) = en vernietiging | י֥וֹם (yom) = dag van | חֹ֨שֶׁךְ֙ (choshekh) = duisternis | וַאֲפֵלָ֔ה (vaafela) = en donkerte | י֥וֹם (yom) = dag van | עָנָ֖ן (anan) = wolken | וַעֲרָפֶֽל (vaarafel) = en dikke nevel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is bijna gelijk aan Joël 2:2: ‘een dag van duisternis en donkerte, een dag van wolken en dikke nevel’. Voetnoot : עֶבְרָה (evrah), ‘woede’: een uitbarsting van toorn. Zie ook: Joël 2:2; Amos 5:18–20; Jes 22:5; Jer 30:7; Openb 6:17 **1:16** Een dag van ramshoorn en alarmkreet tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoektorens. Brontekst: י֥וֹם (yom) = dag van | שׁוֹפָ֖ר (shofar) = ramshoorn | וּתְרוּעָ֑ה (uterua) = en alarmkreet | עַ֚ל (al) = tegen | הֶעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הַבְּצֻר֔וֹת (habetsurot) = de versterkte | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | הַפִּנּ֥וֹת (hapinot) = de hoektorens | הַגְּבֹהֽוֹת (hagevohot) = de hoge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’ en תְּרוּעָה (teru’ah), ‘alarmkreet’: zoals in Joël 2:1. Voetnoot : פִּנּוֹת (pinnot), ‘hoektorens’: torens of hoeken van de stadsmuur; vergelijk 2 Kron. 26:15. Zie ook: 2 Kron 26:15; Joël 2:1; Amos 3:6; Hos 5:8; Hos 8:1; Jes 2:12–15; Jes 32:14 **1:17** **„Ik breng de mens in nood, en zij zullen lopen als blinden, want zij hebben tegen Yahweh gezondigd. Hun bloed wordt uitgestort als stof en hun vlees als drek.”** Brontekst: וַהֲצֵרֹ֣תִי (vahatseroti) = en Ik zal in nood brengen | לָאָדָ֗ם (laadam) = de mens | וְהָֽלְכוּ֙ (vehalekhu) = en zij zullen lopen | כַּֽעִוְרִ֔ים (kaivrim) = als blinden | כִּ֥י (ki) = want | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = tegen Yahweh | חָטָ֑אוּ (chatau) = zij hebben gezondigd | וְשֻׁפַּ֤ךְ (veshupakh) = en zal worden uitgestort | דָּמָם֙ (damam) = hun bloed | כֶּֽעָפָ֔ר (keafar) = als stof | וּלְחֻמָ֖ם (ulechumam) = en hun vlees | כַּגְּלָלִֽים (kagelalim) = als drek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַהֲצֵרֹתִי (vahatserotti), ‘Ik breng in nood’: letterlijk ‘Ik maak het benauwd’. Voetnoot : כַּעִוְרִים (ka’ivrim), ‘als blinden’: vergelijk Deut. 28:29. Voetnoot : לְחֻמָם (lechumam), ‘hun vlees’: het woord komt zelden voor. Sommigen denken aan ‘ingewanden’. De betekenis is onzeker. Zie ook: Deut 28:29; Ps 83:11; Jer 2:17; Mat 15:14; 2 Petr 1:9; Openb 3:17 **1:18** Zelfs hun zilver, zelfs hun goud kan hen niet bevrijden op de dag van de woede van Yahweh. In het vuur van Zijn ijver wordt heel de aarde verteerd. Want een volledig einde, ja een schrikwekkend einde, maakt Hij van alle bewoners van de aarde. Brontekst: גַּם (gam) = zelfs | כַּסְפָּ֨ם (kaspam) = hun zilver | גַּם (gam) = zelfs | זְהָבָ֜ם (zehavam) = hun goud | לֹֽא (lo) = niet | יוּכַ֣ל (yukhal) = kan | לְהַצִּילָ֗ם (lehatsilam) = hen bevrijden | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag van | עֶבְרַ֣ת (evrat) = de woede van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּבְאֵשׁ֙ (uveesh) = en in het vuur van | קִנְאָת֔וֹ (qinato) = Zijn ijver | תֵּאָכֵ֖ל (teakhel) = wordt verteerd | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | כִּֽי (ki) = want | כָלָ֤ה (kala) = een volledig einde | אַךְ (akh) = ja | נִבְהָלָה֙ (nivhala) = een schrikwekkend einde | יַֽעֲשֶׂ֔ה (yaase) = maakt Hij | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = bewoners van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: de brandende inzet van Yahweh voor wat Hem toebehoort. Voetnoot : כָּלָה אַךְ נִבְהָלָה (kalah akh nivhalah), ‘een volledig einde, ja een schrikwekkend einde’: de woorden zijn kort en kunnen ook ‘een einde, ja een haastig einde’ betekenen. Voetnoot : Vers 18 eindigt met bijna dezelfde woorden als 3:8. Zie ook: Spr 11:4; Sef 1:2–3; Sef 1:15; Sef 3:8; Ezech 7:19 ## Sefanja 2 _Zoek Yahweh voordat de dag komt; het oordeel over de volken rondom_ ### Zoek Yahweh voordat de dag komt **2:1** Verzamel jullie en kom bijeen, volk dat zich niet schaamt. Brontekst: הִֽתְקוֹשְׁשׁ֖וּ (hitqosheshu) = verzamel jullie | וָק֑וֹשּׁוּ (vaqoshu) = en kom bijeen | הַגּ֖וֹי (hagoy) = volk | לֹ֥א (lo) = dat niet | נִכְסָֽף (nikhsaf) = zich schaamt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְקוֹשְׁשׁוּ וָקוֹשּׁוּ (hitqoshshu vaqoshu), ‘verzamel jullie en kom bijeen’: het werkwoord is verwant aan קַשׁ (qash), ‘stoppel’. Het kan betekenen: ‘zoals stoppels bij elkaar komen’ of ‘onderzoek jezelf’. Wij kiezen ‘verzamel jullie en kom bijeen’. Voetnoot : לֹא נִכְסָף (lo nikhsaf), ‘dat zich niet schaamt’: het werkwoord kasaf betekent ‘verlangen’; hier kan het ook ‘bleek worden van schaamte’ zijn. De betekenis is onzeker; andere mogelijkheden zijn ‘volk dat niet begeerd wordt’ en ‘volk zonder verlangen’. Zie ook: 2 Kron 20:4; Joël 1:14; Est 4:16; Neh 8:1; Neh 9:1 **2:2** Voordat het besluit geboren wordt, voordat de dag als kaf voorbijgaat. Voordat de gloeiende toorn van Yahweh over jullie komt, voordat de dag van de toorn van Yahweh over jullie komt. Brontekst: בְּטֶ֨רֶם֙ (beterem) = voordat | לֶ֣דֶת (ledet) = geboren wordt | חֹ֔ק (choq) = het besluit | כְּמֹ֖ץ (kemots) = als kaf | עָ֣בַר (avar) = gaat voorbij | י֑וֹם (yom) = de dag | בְּטֶ֣רֶם (beterem) = voordat | לֹא (lo) = (niet) | יָב֣וֹא (yavo) = komt | עֲלֵיכֶ֗ם (aleikhem) = over jullie | חֲרוֹן֙ (charon) = de gloeiende | אַף (af) = toorn van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּטֶ֨רֶם֙ (beterem) = voordat | לֹא (lo) = (niet) | יָב֣וֹא (yavo) = komt | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = over jullie | י֖וֹם (yom) = de dag van | אַף (af) = de toorn van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶדֶת חֹק (ledet choq), ‘geboren wordt het besluit’: letterlijk ‘bij het baren van een besluit’. Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk. Wij lezen: voordat het besluit van Yahweh tot leven komt, en voordat de dag als kaf voorbijgaat. Vergelijk ‘kaf’ in Ps. 1:4. Voetnoot : בְּטֶרֶם לֹא (beterem lo), ‘voordat … niet’: in het Hebreeuws staat bij ‘voordat’ vaak ook ‘niet’. Wij laten dat ‘niet’ weg, zoals in het Nederlands. Voetnoot : חֲרוֹן אַף (charon af), ‘gloeiende toorn’: letterlijk ‘gloed van de neus’; de neus is in het Hebreeuws de plaats van de toorn. Zie ook: Ps 1:4; Hos 13:3; Jes 17:13; Nah 1:6; Klaagl 4:11 **2:3** Zoek Yahweh, alle ootmoedigen van het land, die Zijn recht hebben gedaan. Zoek gerechtigheid, zoek ootmoed. Misschien worden jullie verborgen op de dag van de toorn van Yahweh. Brontekst: בַּקְּשׁ֤וּ (baqeshu) = zoekt | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = alle | עַנְוֵ֣י (anvei) = ootmoedigen van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מִשְׁפָּט֖וֹ (mishpato) = Zijn recht | פָּעָ֑לוּ (paalu) = hebben gedaan | בַּקְּשׁוּ (baqeshu) = zoekt | צֶ֨דֶק֙ (tsedeq) = gerechtigheid | בַּקְּשׁ֣וּ (baqeshu) = zoekt | עֲנָוָ֔ה (anava) = ootmoed | אוּלַי֙ (ulay) = misschien | תִּסָּ֣תְר֔וּ (tisateru) = worden jullie verborgen | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | אַף (af) = de toorn van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַנְוֵי הָאָרֶץ (anvei ha’arets), ‘ootmoedigen van het land’: mensen die Yahweh niet hooghartig tegemoet treden. Vergelijk de Lezing bij Amos 8:4, waar de geschreven tekst ook ‘ootmoedigen’ heeft. Voetnoot : אֲשֶׁר מִשְׁפָּטוֹ פָּעָלוּ (asher mishpato pa’alu), ‘die Zijn recht hebben gedaan’: die Zijn rechtsregels hebben uitgevoerd. Voetnoot : אוּלַי תִּסָּתְרוּ (ulai tissateru), ‘misschien worden jullie verborgen’: verborgen voor de toorn, dus beschermd. De tekst belooft het niet; er staat ‘misschien’. Zie ook: Ps 76:10; Jona 3:9; Amos 5:14–15; Amos 8:4; Jes 26:20–21; Jer 29:12–13 ### Oordeel over de Filistijnen **2:4** Want Gaza zal verlaten zijn en Askelon een woestenij. Asdod wordt op de middag verdreven en Ekron wordt ontworteld. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עַזָּה֙ (aza) = Gaza | עֲזוּבָ֣ה (azuva) = verlaten | תִֽהְיֶ֔ה (tihye) = zal zijn | וְאַשְׁקְל֖וֹן (veashqelon) = en Askelon | לִשְׁמָמָ֑ה (lishmama) = tot woestenij | אַשְׁדּ֗וֹד (ashdod) = Asdod | בַּֽצָּהֳרַ֨יִם֙ (batsahorayim) = op de middag | יְגָ֣רְשׁ֔וּהָ (yegareshuha) = men zal haar verdrijven | וְעֶקְר֖וֹן (veeqron) = en Ekron | תֵּעָקֵֽר (teaqer) = wordt ontworteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza. Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo. Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws speelt met de klank van de namen: עַזָּה עֲזוּבָה (Azzah azuvah), ‘Gaza zal verlaten zijn’, en עֶקְרוֹן תֵּעָקֵר (Eqron te’aqer), ‘Ekron wordt ontworteld’. Voetnoot : בַּצָּהֳרַיִם (batsohorayim), ‘op de middag’: midden op de dag, dus plotseling en zonder uitstel. Voetnoot : יְגָרְשׁוּהָ (yegarshuha), ‘men verdrijft haar’: letterlijk ‘zij zullen haar verdrijven’; wij schrijven de lijdende vorm. Voetnoot : Van de vijf steden van de Filistijnen (Joz. 13:3) noemt Sefanja Gaza, Askelon, Asdod en Ekron. Gat wordt niet genoemd; zo ook in Amos 1:6–8. Zie ook: Joz 13:3; Amos 1:6–8; Jer 25:20; Jer 47:1–7; Ezech 25:15–17; Zach 9:5–7 **2:5** Wee, bewoners van de kuststreek, volk van de Kerethieten! Het woord van Yahweh is tegen jullie. **„Kanaän, land van de Filistijnen, Ik zal je vernietigen, zodat er geen bewoner is.”** Brontekst: ה֗וֹי (hoy) = wee | יֹֽשְׁבֵ֛י (yoshevei) = bewoners van | חֶ֥בֶל (chevel) = de kuststreek van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | גּ֣וֹי (goy) = volk van | כְּרֵתִ֑ים (keretim) = de Kerethieten | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֗ם (aleikhem) = tegen jullie | כְּנַ֨עַן֙ (kenaan) = Kanaän | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וְהַאֲבַדְתִּ֖יךְ (vehaavadtikh) = en Ik zal je vernietigen | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יוֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: חֶבֶל הַיָּם (chevel hayam), ‘de kuststreek’: letterlijk ‘het touw van de zee’; een touw werd gebruikt om land af te meten. Het is de strook land langs de zee. Voetnoot : כְּרֵתִים (Keretim), ‘de Kerethieten’: een volk dat bij de Filistijnen hoort (1 Sam. 30:14; 2 Sam. 8:18). Voetnoot : כְּנַעַן (Kena’an), ‘Kanaän’: hier de kuststreek van de Filistijnen. Zie ook: Joz 13:3; 1 Sam 30:14; 2 Sam 8:18; Amos 3:1; Jes 14:30; Jer 47:7; Ezech 25:16 **2:6** De kuststreek wordt weidegrond: kuilen voor herders en omheiningen voor het kleinvee. Brontekst: וְֽהָיְתָ֞ה (vehayeta) = en zij zal worden | חֶ֣בֶל (chevel) = de kuststreek van | הַיָּ֗ם (hayam) = de zee | נְוֺ֛ת (nevot) = weidegrond | כְּרֹ֥ת (kerot) = kuilen | רֹעִ֖ים (roim) = voor herders | וְגִדְר֥וֹת (vegidrot) = en omheiningen van | צֹֽאן (tson) = het kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּרֹת (kerot), ‘kuilen’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; het kan ook ‘graven’, ‘putten’ of ‘hutten’ zijn. Voetnoot : גְּדֵרוֹת צֹאן (gederot tson), ‘omheiningen voor het kleinvee’: omheiningen voor schapen en geiten, zoals in Num. 32:16. Zie ook: Num 32:16; Jes 5:17; Jes 17:2; Sef 2:14–15; Ezech 25:5 **2:7** De kuststreek is voor de overgeblevenen van het huis van Juda. Zij zullen er weiden. In de huizen van Askelon zullen zij ’s avonds neerliggen. Want Yahweh, hun Elohim, zal naar hen omzien en hun lot keren. Brontekst: וְהָ֣יָה (vehaya) = en het zal zijn | חֶ֗בֶל (chevel) = de kuststreek | לִשְׁאֵרִ֛ית (lisherit) = voor de overgeblevenen van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | עֲלֵיהֶ֣ם (aleihem) = daarop | יִרְע֑וּן (yirun) = zullen zij weiden | בְּבָתֵּ֣י (bevatei) = in de huizen van | אַשְׁקְל֗וֹן (ashqelon) = Askelon | בָּעֶ֨רֶב֙ (baerev) = in de avond | יִרְבָּצ֔וּן (yirbatsun) = zullen zij neerliggen | כִּ֧י (ki) = want | יִפְקְדֵ֛ם (yifqedem) = zal naar hen omzien | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun Elohim | וְשָׁ֥ב (veshav) = en Hij zal keren | שְׁבִיתָֽם (shevitam) = hun lot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza. Voetnoot Uitleg: יִפְקְדֵם (yifqedem), ‘zal naar hen omzien’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’ en ‘aandacht schenken’. Hier is het een goede bezoeking. In 1:8 staat hetzelfde werkwoord met ‘straffen’. Voetnoot : שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: ‘het lot keren’ betekent herstel (vergelijk Joël 4:1). Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft שְׁבוּתָם (shevutam), ‘hun lot’. De voorgelezen tekst (qere) heeft שְׁבִיתָם (shevitam), ‘hun lot’. Het verschil is klein en de betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 4:31; Joël 4:1; Mi 5:2–7; Sef 3:20; Ezech 39:25; Luc 1:68 ### Oordeel over Moab en Ammon **2:8** **„Ik heb de smaad van Moab gehoord en de hoon van de zonen van Ammon. Zij hebben Mijn volk beschimpt en zich groot gemaakt over hun grens.** Brontekst: שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = Ik heb gehoord | חֶרְפַּ֣ת (cherpat) = de smaad van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וְגִדּוּפֵ֖י (vegidufei) = en de hoon van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarmee | חֵֽרְפוּ֙ (cherefu) = zij hebben beschimpt | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | וַיַּגְדִּ֖ילוּ (vayagdilu) = en zij hebben zich groot gemaakt | עַל (al) = over | גְּבוּלָֽם (gevulam) = hun grens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier een bijzin (‘waarmee zij …’). Wij maken er een eigen zin van. Voetnoot : חֶרְפַּת מוֹאָב וְגִדּוּפֵי בְנֵי עַמּוֹן (cherpat Moav vegiduphei bnei Ammon), ‘de smaad van Moab en de hoon van de zonen van Ammon’: Moab en Ammon spotten met Israël. Voetnoot : עַל גְּבוּלָם (al gevulam), ‘over hun grens’: het kan gaan om het gebied van Israël, waar Moab en Ammon zich groot over maakten, of om hun eigen gebied. De tekst zegt het niet. Zie ook: Ps 83:5–8; Amos 1:13; Jer 48:27–29; Jer 49:1; Ezech 25:3–11 **2:9** **Daarom, zo waar Ik leef, godsspraak van Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Moab zal worden als Sodom en de zonen van Ammon als Gomorra. Zij worden een plek vol netels, een zoutgroeve en een woestenij voor eeuwig. De overgeblevenen van Mijn volk zullen hen plunderen en de rest van Mijn volk zal hen beërven.”** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | חַי (chay) = levend is | אָ֡נִי (ani) = Ik | נְאֻם֩ (neum) = godsspraak van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כִּֽי (ki) = voorzeker | מוֹאָ֞ב (moav) = Moab | כִּסְדֹ֤ם (kisdom) = als Sodom | תִּֽהְיֶה֙ (tihye) = zal zijn | וּבְנֵ֤י (uvenei) = en de zonen van | עַמּוֹן֙ (amon) = Ammon | כַּֽעֲמֹרָ֔ה (kaamora) = als Gomorra | מִמְשַׁ֥ק (mimshaq) = een plek van | חָר֛וּל (charul) = netels | וּמִכְרֵה (umikhre) = en een groeve van | מֶ֥לַח (melach) = zout | וּשְׁמָמָ֖ה (ushemama) = en een woestenij | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | שְׁאֵרִ֤ית (sheerit) = de overgeblevenen van | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | יְבָזּ֔וּם (yevazum) = zullen hen plunderen | וְיֶ֥תֶר (veyeter) = en de rest van | גּוֹיִ֖י (goyi) = Mijn volk | יִנְחָלֽוּם (yinchalum) = zal hen beërven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh op Zichzelf. Voetnoot : צְבָאוֹת (Tsevaot), ‘legers’: ‘Yahweh van de legermachten’ is Yahweh als leider van de hemelse legers en van alle machten. Voetnoot : סְדֹם (Sedom) en עֲמֹרָה (Amorah), ‘Sodom’ en ‘Gomorra’: zie Gen. 19:24–25. Moab en Ammon stammen af van Lot, die uit Sodom werd gered (Gen. 19:30–38). Voetnoot : מִמְשַׁק חָרוּל (mimshaq charul), ‘een plek vol netels’: het Hebreeuws zet dit achter ‘Gomorra’ zonder werkwoord; ‘Zij worden’ vullen wij aan. het woord charul, ‘netels’, staat ook in Spr. 24:31. Voetnoot : מִכְרֵה מֶלַח (mikhreh melach), ‘een zoutgroeve’: een plek waar zout wordt gewonnen; er groeit niets. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft גוי (goy), ‘volk’. De voorgelezen tekst (qere) heeft גּוֹיִי (goyi), ‘mijn volk’. Wij volgen de qere. Zie ook: Gen 19:24–25; Gen 19:30–38; Deut 29:22; Spr 24:31; Jes 11:14; Jes 15:1–9; Jes 25:10; Jer 48:1–49:6 **2:10** Dit krijgen zij voor hun hoogmoed. Want zij hebben het volk van Yahweh van de legermachten beschimpt en zich tegen hen groot gemaakt. Brontekst: זֹ֥את (zot) = dit | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | גְּאוֹנָ֑ם (geonam) = hun hoogmoed | כִּ֤י (ki) = want | חֵֽרְפוּ֙ (cherefu) = zij hebben beschimpt | וַיַּגְדִּ֔לוּ (vayagdilu) = en zich groot gemaakt | עַל (al) = tegen | עַ֖ם (am) = het volk van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּאוֹן (ga’on), ‘hoogmoed’: trots die zich boven anderen verheft. Vergelijk het werkwoord ‘groot maken’ in vers 8. Zie ook: Jes 10:12–15; Jes 16:6; Jes 37:22–29; Sef 2:8; Jer 48:29 **2:11** Yahweh is vreeswekkend voor hen, want Hij laat alle goden van de aarde wegkwijnen. Zij zullen zich voor Hem neerwerpen, ieder vanuit zijn plaats, alle kustlanden van de volken. Brontekst: נוֹרָ֤א (nora) = vreeswekkend | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = voor hen | כִּ֣י (ki) = want | רָזָ֔ה (raza) = Hij laat wegkwijnen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = goden van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְיִשְׁתַּֽחֲווּ (veyishtachavu) = en zij zullen zich neerwerpen | לוֹ֙ (lo) = voor Hem | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | מִמְּקוֹמ֔וֹ (mimeqomo) = vanuit zijn plaats | כֹּ֖ל (kol) = alle | אִיֵּ֥י (iyei) = kustlanden van | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָזָה (razah), ‘wegkwijnen’: letterlijk ‘mager maken’. Yahweh laat de goden van de volken wegkwijnen: zij verliezen hun kracht. Voetnoot : אִיֵּי הַגּוֹיִם (iyyei hagoyim), ‘kustlanden van de volken’: het woord betekent ook ‘eilanden’: de verre kusten en landen aan de zee. Voetnoot : נוֹרָא (nora), ‘vreeswekkend’: zoals in Joël 2:11. Zie ook: Ps 72:8–11; Ps 117:1–2; Joël 2:11; Mi 4:1–3; Zach 13:2; Zach 14:9–21 ### Kush en Assyrië **2:12** **„Ook jullie, Kushieten: zij zijn verslagenen van Mijn zwaard.”** Brontekst: גַּם (gam) = ook | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | כּוּשִׁ֔ים (kushim) = Kushieten | חַֽלְלֵ֥י (challei) = verslagenen van | חַרְבִּ֖י (charbi) = Mijn zwaard | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כּוּשִׁים (Kushim), ‘Kushieten’: bewoners van Kush, ver in het zuiden, ten zuiden van Egypte. Vergelijk ‘de Kushieten’ in Amos 9:7. Het Hebreeuws wisselt van ‘jullie’ naar ‘zij’: ‘Ook jullie, Kushieten, zij zijn verslagenen van Mijn zwaard’. Zie ook: Amos 9:7; Jes 13:5; Jes 18:1–7; Jes 20:4–5; Jer 46:9–10; Ezech 30:4–9 **2:13** Hij zal Zijn hand uitstrekken tegen het noorden en Assyrië vernietigen. Hij zal Nineve tot een woestenij maken, dor als de woestijn. Brontekst: וְיֵ֤ט (veyet) = en Hij zal uitstrekken | יָדוֹ֙ (yado) = Zijn hand | עַל (al) = tegen | צָפ֔וֹן (tsafon) = het noorden | וִֽיאַבֵּ֖ד (viabed) = en Hij zal vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וְיָשֵׂ֤ם (veyasem) = en Hij zal maken | אֶת (et) = (obj.) | נִֽינְוֵה֙ (nineve) = Nineve | לִשְׁמָמָ֔ה (lishmama) = tot woestenij | צִיָּ֖ה (tsiya) = dor | כַּמִּדְבָּֽר (kamidbar) = als de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: צָפוֹן (tsafon), ‘het noorden’: Assyrië lag vanuit Juda gezien in het noorden en noordoosten. Voetnoot : Nineve: zie ook Jona 1:2 en 3:3. Zie ook: Jona 1:2; Jona 3:3; Jes 10:12; Jes 10:16; Nah 1:1; Nah 3:7; Nah 3:18–19 ### Nineve wordt een woestenij **2:14** In haar midden zullen kudden neerliggen, alle dieren van een volk. Zelfs de pelikaan, zelfs de egel overnachten op haar kapitelen. Een stem zingt in het venster, puin ligt op de drempel, want het cederhout heeft Hij blootgelegd. Brontekst: וְרָבְצ֨וּ (veravetsu) = en zullen neerliggen | בְתוֹכָ֤הּ (betokhah) = in haar midden | עֲדָרִים֙ (adarim) = kudden | כָּל (kal) = alle | חַיְתוֹ (chayto) = dieren van | ג֔וֹי (goy) = een volk | גַּם (gam) = zelfs | קָאַת֙ (qaat) = de pelikaan | גַּם (gam) = zelfs | קִפֹּ֔ד (qipod) = de egel | בְּכַפְתֹּרֶ֖יהָ (bekhaftoreiha) = op haar kapitelen | יָלִ֑ינוּ (yalinu) = overnachten zij | ק֠וֹל (qol) = een stem | יְשׁוֹרֵ֤ר (yeshorer) = zingt | בַּֽחַלּוֹן֙ (bachalon) = in het venster | חֹ֣רֶב (chorev) = puin | בַּסַּ֔ף (basaf) = op de drempel | כִּ֥י (ki) = want | אַרְזָ֖ה (arza) = het cederhout | עֵרָֽה (era) = Hij heeft blootgelegd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּל חַיְתוֹ גוֹי (kol chayto goy), ‘alle dieren van een volk’: letterlijk ‘alle dieren van een volk’. Het kan gaan om dieren van elke soort. Voetnoot : קָאַת (qa’at), ‘pelikaan’: zie Lev. 11:18. קִפֹּד (qippod), ‘egel’: de betekenis is onzeker; sommigen denken aan een ander dier. Voetnoot : כַּפְתֹּרֶיהָ (kaftoreiha), ‘haar kapitelen’: de bovenstukken van de zuilen; vergelijk Amos 9:1. Voetnoot : חֹרֶב (choreb), ‘puin’: letterlijk ‘verwoesting’. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘raaf’. Wij volgen de Hebreeuwse tekst. Voetnoot : אַרְזָה עֵרָה (arzah erah), ‘het cederhout heeft Hij blootgelegd’: cederhout was het houtwerk van gebouwen en paleizen. Wie het blootlegt, is niet genoemd; wij schrijven ‘Hij’. Zie ook: Lev 11:18; Amos 9:1; Jes 13:19–22; Jes 34:11–17; Jer 22:14; Openb 18:2 **2:15** Dit is de uitgelaten stad, die zorgeloos woonde en in haar hart zei: „Ik ben het, en niemand anders meer.” Hoe is zij een ontzetting geworden, een rustplaats voor wilde dieren! Ieder die langs haar komt, fluit en schudt zijn hand. Brontekst: זֹ֞֠את (zot) = dit | הָעִ֤יר (hair) = is de stad | הָעַלִּיזָה֙ (haaliza) = de uitgelaten | הַיּוֹשֶׁ֣בֶת (hayoshevet) = die woonde | לָבֶ֔טַח (lavetach) = zorgeloos | הָאֹֽמְרָה֙ (haomera) = die zei | בִּלְבָבָ֔הּ (bilvavah) = in haar hart | אֲנִ֖י (ani) = ik | וְאַפְסִ֣י (veafsi) = en niemand anders | ע֑וֹד (od) = meer | אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | הָיְתָ֣ה (hayeta) = is zij geworden | לְשַׁמָּ֗ה (leshama) = tot een ontzetting | מַרְבֵּץ֙ (marbets) = een rustplaats | לַֽחַיָּ֔ה (lachaya) = voor wilde dieren | כֹּ֚ל (kol) = ieder | עוֹבֵ֣ר (over) = die langskomt | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = bij haar | יִשְׁרֹ֖ק (yishroq) = fluit | יָנִ֥יעַ (yania) = schudt | יָדֽוֹ (yado) = zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנִי וְאַפְסִי עוֹד (ani ve’afsi od), ‘Ik ben het, en niemand anders meer’: zo spreekt de trotse stad over zichzelf. Dezelfde woorden spreekt Babel over zichzelf in Jes. 47:8 en 47:10. Voetnoot : שָׁרַק (sharaq), ‘fluiten’: een teken van spot en ontzetting; zie 1 Kon. 9:8. Zie ook: 1 Kon 9:8; Jes 22:2; Jes 47:7–8; Jes 47:8; Jes 47:10; Nah 3:19; Ezech 28:2; Ezech 28:9 ## Sefanja 3 _Wee de opstandige stad; Yahweh in haar midden en de overgeblevenen die Hij verzamelt_ ### Wee de opstandige stad **3:1** Wee de opstandige en bezoedelde, de onderdrukkende stad! Brontekst: ה֥וֹי (hoy) = wee | מֹרְאָ֖ה (morea) = de opstandige | וְנִגְאָלָ֑ה (venigala) = en bezoedelde | הָעִ֖יר (hair) = de stad | הַיּוֹנָֽה (hayona) = de onderdrukkende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֹרְאָה (mor’ah), ‘de opstandige’: van het werkwoord marah, ‘in opstand komen’. Voetnoot : נִגְאָלָה (nig’alah), ‘bezoedelde’: dit hoort bij een ander werkwoord ga’al, ‘bezoedelen’, en niet bij ga’al ‘verlossen’. Het is dus het tegenovergestelde van verlost. Voetnoot : הַיּוֹנָה (hayonah), ‘de onderdrukkende’: van het werkwoord yanah, ‘onderdrukken’. Hetzelfde woord kan ook ‘duif’ zijn; wij lezen hier ‘de onderdrukkende’. Welke stad bedoeld wordt, staat er niet; uit vers 14–16 blijkt dat het Jeruzalem is. Zie ook: Jes 30:12; Jes 59:13; Sef 3:14–16; Jer 6:6; Zach 7:10; Mal 3:5 **3:2** Zij heeft niet geluisterd naar een stem. Zij heeft geen tucht aangenomen. Op Yahweh heeft zij niet vertrouwd. Tot haar Elohim is zij niet genaderd. Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | שָֽׁמְעָה֙ (shamea) = heeft zij geluisterd | בְּק֔וֹל (beqol) = naar een stem | לֹ֥א (lo) = niet | לָקְחָ֖ה (laqecha) = heeft zij aangenomen | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | בַּֽיהוָה֙ (baYahweh) = op Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | בָטָ֔חָה (batacha) = heeft zij vertrouwd | אֶל (el) = tot | אֱלֹהֶ֖יהָ (eloheiha) = haar Elohim | לֹ֥א (lo) = niet | קָרֵֽבָה (qareva) = is zij genaderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: onderwijs en terechtwijzing. Zie ook Spr. 1:2. Zie ook: Ps 73:28; Ps 78:22; Spr 1:2; Jer 5:3; Jer 7:23–28; Jer 22:21 **3:3** Haar oversten in haar midden zijn brullende leeuwen. Haar rechters zijn avondwolven; zij laten voor de morgen niets over om aan te knagen. Brontekst: שָׂרֶ֣יהָ (sareiha) = haar oversten | בְקִרְבָּ֔הּ (beqirbah) = in haar midden | אֲרָי֖וֹת (arayot) = leeuwen | שֹֽׁאֲגִ֑ים (shoagim) = brullende | שֹׁפְטֶ֨יהָ֙ (shofeteiha) = haar rechters | זְאֵ֣בֵי (zeevei) = wolven van | עֶ֔רֶב (erev) = de avond | לֹ֥א (lo) = niet | גָרְמ֖וּ (garemu) = zij knagen | לַבֹּֽקֶר (laboqer) = tot de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרֶיהָ (sareiha), ‘haar oversten’ en שֹׁפְטֶיהָ (shoftehah), ‘haar rechters’: de leiders en de rechters van de stad. Voetnoot : לֹא גָרְמוּ לַבֹּקֶר (lo garmu laboqer), ‘zij laten voor de morgen niets over om aan te knagen’: letterlijk ‘zij knagen niet tot de morgen’. Het werkwoord garam betekent ‘de botten afknagen’. De wolven eten alles op, zodat er ’s morgens niets over is. Zie ook: Job 4:8–11; Ps 10:8–10; Jer 5:6; Hab 1:8; Ezech 22:25–27 **3:4** Haar profeten zijn roekeloos, mannen van trouweloosheid. Haar priesters ontheiligen het heilige en doen geweld aan de wet. Brontekst: נְבִיאֶ֨יהָ֙ (nevieiha) = haar profeten | פֹּֽחֲזִ֔ים (pochazim) = roekeloos | אַנְשֵׁ֖י (anshei) = mannen van | בֹּֽגְד֑וֹת (bogedot) = trouweloosheid | כֹּהֲנֶ֨יהָ֙ (kohaneiha) = haar priesters | חִלְּלוּ (chilelu) = hebben ontheiligd | קֹ֔דֶשׁ (qodesh) = het heilige | חָמְס֖וּ (chamesu) = hebben geweld aangedaan | תּוֹרָֽה (tora) = de wet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֹּחֲזִים (pochazim), ‘roekeloos’: het woord komt zelden voor en betekent iets als ‘lichtzinnig’ of ‘onbezonnen’. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : בֹּגְדוֹת (bogedot), ‘trouweloosheid’: ontrouw en verraad. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderwijs en richtlijn. De priesters hadden de taak de wet te onderwijzen. Voetnoot : חָמְסוּ תוֹרָה (chamsu torah), ‘zij doen geweld aan de wet’: zij verdraaien haar. Het werkwoord hangt samen met חָמָס (chamas), ‘geweld’ (1:9). Zie ook: Hos 9:7; Jer 5:31; Klaagl 2:14; Ezech 22:26; Mal 2:8 ### Yahweh is rechtvaardig in haar midden **3:5** Yahweh is rechtvaardig in haar midden. Hij doet geen onrecht. Morgen na morgen brengt Hij Zijn recht aan het licht; het ontbreekt niet. Maar de onrechtvaardige kent geen schaamte. Brontekst: יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צַדִּיק֙ (tsadiq) = rechtvaardig | בְּקִרְבָּ֔הּ (beqirbah) = in haar midden | לֹ֥א (lo) = niet | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = doet | עַוְלָ֑ה (avla) = onrecht | בַּבֹּ֨קֶר (baboqer) = morgen na | בַּבֹּ֜קֶר (baboqer) = morgen | מִשְׁפָּט֨וֹ (mishpato) = Zijn recht | יִתֵּ֤ן (yiten) = geeft Hij | לָאוֹר֙ (laor) = aan het licht | לֹ֣א (lo) = niet | נֶעְדָּ֔ר (nedar) = ontbreekt het | וְלֹֽא (velo) = maar niet | יוֹדֵ֥עַ (yodea) = kent | עַוָּ֖ל (aval) = de onrechtvaardige | בֹּֽשֶׁת (boshet) = schaamte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּבֹּקֶר בַּבֹּקֶר (baboqer baboqer), ‘morgen na morgen’: elke morgen opnieuw. Voetnoot : עַוָּל (avval), ‘de onrechtvaardige’: de man die onrecht doet. Het is verwant aan עַוְלָה (avlah), ‘onrecht’, eerder in dit vers. Zie ook: Deut 32:4; Ps 145:17; Jes 28:19; Sef 3:15; Klaagl 3:23 ### Ik heb volken uitgeroeid **3:6** **„Ik heb volken uitgeroeid; hun hoektorens liggen woest. Ik heb hun straten verwoest, zodat niemand er langs gaat. Hun steden zijn leeggemaakt, zonder iemand, zonder bewoner.** Brontekst: הִכְרַ֣תִּי (hikhrati) = Ik heb uitgeroeid | גוֹיִ֗ם (goyim) = volken | נָשַׁ֨מּוּ֙ (nashamu) = liggen woest | פִּנּוֹתָ֔ם (pinotam) = hun hoektorens | הֶחֱרַ֥בְתִּי (hecheravti) = Ik heb verwoest | חֽוּצוֹתָ֖ם (chutsotam) = hun straten | מִבְּלִ֣י (mibeli) = zodat zonder | עוֹבֵ֑ר (over) = voorbijganger | נִצְדּ֧וּ (nitsdu) = zijn leeggemaakt | עָרֵיהֶ֛ם (areihem) = hun steden | מִבְּלִי (mibeli) = zonder | אִ֖ישׁ (ish) = mens | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יוֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּנּוֹתָם (pinnotam), ‘hun hoektorens’: zoals in 1:16. Voetnoot : נִצְדּוּ (nitsdu), ‘zijn leeggemaakt’: het werkwoord is zeldzaam. De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook ‘zijn verwoest’ betekenen. Zie ook: Jes 37:24–26; Sef 2:5; Jer 25:9–11; 1 Kor 10:6; 1 Kor 10:11 **3:7** **Ik zei: ‘Voorzeker zul je Mij vrezen en tucht aannemen. Haar woonplaats wordt niet uitgeroeid, naar alles wat Ik over haar heb bepaald.’ Maar zij stonden vroeg op en maakten al hun daden verdorven.** Brontekst: אָמַ֜רְתִּי (amarti) = Ik zei | אַךְ (akh) = voorzeker | תִּירְאִ֤י (tirei) = zul je vrezen | אוֹתִי֙ (oti) = Mij | תִּקְחִ֣י (tiqchi) = zul je aannemen | מוּסָ֔ר (musar) = tucht | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִכָּרֵ֣ת (yikaret) = zal worden uitgeroeid | מְעוֹנָ֔הּ (meonah) = haar woonplaats | כֹּ֥ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | פָּקַ֖דְתִּי (paqadti) = Ik heb bepaald | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = over haar | אָכֵן֙ (akhen) = maar | הִשְׁכִּ֣ימוּ (hishkimu) = zij stonden vroeg op | הִשְׁחִ֔יתוּ (hishchitu) = zij maakten verdorven | כֹּ֖ל (kol) = al | עֲלִילוֹתָֽם (alilotam) = hun daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws wisselt tussen ‘je’ (de stad wordt direct aangesproken) en ‘haar’ (er wordt over haar gesproken). Wij laten dat zo. Voetnoot : פָּקַדְתִּי עָלֶיהָ (paqadti aleiha), ‘Ik heb over haar bepaald’: het werkwoord paqad al kan ‘straffen’ betekenen (zoals in 1:8) en ook ‘aanstellen’ of ‘opleggen’. De zin is moeilijk. Wij vertalen ‘bepaald’. Voetnoot : הִשְׁכִּימוּ (hishkimu), ‘zij stonden vroeg op’: een beeld voor ijver. Hier zetten zij zich met zorg in voor verdorven daden. Zie ook: Hos 9:9; Sef 3:2; Jer 7:7; Jer 25:5; Jer 36:3 ### Wacht op Mij **3:8** **Wacht daarom op Mij, godsspraak van Yahweh, tot de dag dat Ik opsta voor de prooi. Want Mijn recht is de volken te verzamelen en de koninkrijken bijeen te brengen. Mijn verontwaardiging stort Ik over hen uit, heel de gloed van Mijn toorn. Want in het vuur van Mijn ijver wordt heel de aarde verteerd.** Brontekst: לָכֵ֤ן (lakhen) = daarom | חַכּוּ (chaku) = wacht | לִי֙ (li) = op Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְי֖וֹם (leyom) = tot de dag | קוּמִ֣י (qumi) = dat Ik opsta | לְעַ֑ד (lead) = voor de prooi | כִּ֣י (ki) = want | מִשְׁפָּטִי֩ (mishpati) = Mijn recht | לֶאֱסֹ֨ף (leesof) = is om te verzamelen | גּוֹיִ֜ם (goyim) = volken | לְקָבְצִ֣י (leqavetsi) = om bijeen te brengen | מַמְלָכ֗וֹת (mamlakhot) = koninkrijken | לִשְׁפֹּ֨ךְ (lishpokh) = om uit te storten | עֲלֵיהֶ֤ם (aleihem) = over hen | זַעְמִי֙ (zami) = Mijn verontwaardiging | כֹּ֚ל (kol) = heel | חֲר֣וֹן (charon) = de gloed van | אַפִּ֔י (api) = Mijn toorn | כִּ֚י (ki) = want | בְּאֵ֣שׁ (beesh) = in het vuur van | קִנְאָתִ֔י (qinati) = Mijn ijver | תֵּאָכֵ֖ל (teakhel) = wordt verteerd | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het slot van dit vers lijkt op het slot van 1:18: ‘in het vuur van Mijn ijver wordt heel de aarde verteerd’. Voetnoot : מִשְׁפָּטִי (mishpati), ‘Mijn recht’: de uitspraak waarmee Yahweh de volken oordeelt. Voetnoot Lezing: לְעַד (le’ad): de klinkers geven עַד (ad), ‘prooi’ (zoals in Gen. 49:27). Dezelfde medeklinkers kunnen ook gelezen worden als לְעֵד (le’ed), ‘als getuige’. Sommige oude vertalingen lezen anders dan de Hebreeuwse klinkers. Wij volgen de klinkers: ‘voor de prooi’. Zie ook: Gen 49:27; Ps 27:14; Joël 4:2; Mi 7:7; Sef 1:18; 2 Petr 3:10 ### Een zuivere taal voor de volken **3:9** **Want dan geef Ik de volken een zuivere taal, zodat zij allen de naam van Yahweh aanroepen en Hem dienen met één schouder.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אָ֛ז (az) = dan | אֶהְפֹּ֥ךְ (ehpokh) = zal Ik geven | אֶל (el) = aan | עַמִּ֖ים (amim) = de volken | שָׂפָ֣ה (safa) = een lip | בְרוּרָ֑ה (berura) = zuivere | לִקְרֹ֤א (liqro) = om aan te roepen | כֻלָּם֙ (kulam) = allen | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = de naam van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְעָבְד֖וֹ (leavedo) = om Hem te dienen | שְׁכֶ֥ם (shekhem) = met een schouder | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂפָה בְרוּרָה (safah berurah), ‘een zuivere taal’: שָׂפָה (safah) betekent ‘lip’ en ‘taal’. Vergelijk Gen. 11:1, waar de mensen ‘één taal’ (שָׂפָה אֶחָת, safah echat) hebben. Het werkwoord הָפַךְ (hafakh) betekent ‘omkeren’ en ‘veranderen’; wij vertalen ‘geven’. Voetnoot : שְׁכֶם אֶחָד (shekhem echad), ‘met één schouder’: letterlijk. Het beeld is: allen dragen samen dezelfde last, dus eendrachtig. Zie ook: Gen 11:1; Ps 22:28; Jes 19:18; Zach 2:15; Hand 2:4–13 **3:10** **Van over de rivieren van Kush zullen Mijn aanbidders, de dochter van Mijn verstrooiden, Mijn graanoffer brengen.** Brontekst: מֵעֵ֖בֶר (meever) = van over | לְנַֽהֲרֵי (lenaharei) = de rivieren van | כ֑וּשׁ (kush) = Kush | עֲתָרַי֙ (ataray) = Mijn aanbidders | בַּת (bat) = de dochter van | פוּצַ֔י (putsay) = Mijn verstrooiden | יוֹבִל֖וּן (yovilun) = zullen brengen | מִנְחָתִֽי (minchati) = Mijn graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: עֲתָרַי (atarai), ‘Mijn aanbidders’: het woord hangt samen met een werkwoord dat ‘smeken’ en ‘bidden’ betekent. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : בַּת פּוּצַי (bat putsai), ‘de dochter van Mijn verstrooiden’: de verstrooide mensen van Yahweh, als één geheel genoemd. Het kan ook gaan om ‘Mijn aanbidders, Mijn verstrooiden’. Voetnoot : מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: ook een gave in het algemeen. Voetnoot : כּוּשׁ (Kush): een land ver in het zuiden, ten zuiden van Egypte. Zie ook 2:12. Zie ook: Ps 68:32; Jes 11:11; Jes 18:1; Rom 15:16; 1 Petr 1:1 **3:11** **Op die dag zul je je niet schamen voor al je daden waarmee je tegen Mij in opstand kwam. Want dan verwijder Ik uit je midden je trotse jubelaars. Je zult niet meer hoogmoedig zijn op Mijn heilige berg.** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | לֹ֤א (lo) = niet | תֵב֨וֹשִׁי֙ (tevoshi) = zul je je schamen | מִכֹּ֣ל (mikol) = vanwege alle | עֲלִילֹתַ֔יִךְ (alilotayikh) = je daden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | פָּשַׁ֖עַתְּ (pashaat) = je in opstand kwam | בִּ֑י (bi) = tegen Mij | כִּי (ki) = want | אָ֣ז (az) = dan | אָסִ֣יר (asir) = zal Ik verwijderen | מִקִּרְבֵּ֗ךְ (miqirbekh) = uit je midden | עַלִּיזֵי֙ (alizei) = de jubelaars van | גַּאֲוָתֵ֔ךְ (gaavatekh) = je trots | וְלֹֽא (velo) = en niet | תוֹסִ֧פִי (tosifi) = zul je opnieuw | לְגָבְהָ֛ה (legaveha) = hoogmoedig zijn | ע֖וֹד (od) = meer | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg van | קָדְשִֽׁי (qadeshi) = Mijn heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַר קָדְשִׁי (har qodshi), ‘Mijn heilige berg’: Sion, waar Yahweh woont (Joël 2:1). Voetnoot : עַלִּיזֵי גַּאֲוָתֵךְ (alizei ga’avatekh), ‘je trotse jubelaars’: letterlijk ‘de jubelaars van je trots’; mensen die zich in hun trots verheugen. Zie ook: Joël 2:1; Joël 2:26–27; Jes 11:9; Jes 54:4; Jes 61:7; Mat 3:9 **3:12** **Ik zal in je midden een ellendig en gering volk laten overblijven. Zij zullen hun toevlucht zoeken in de naam van Yahweh.** Brontekst: וְהִשְׁאַרְתִּ֣י (vehisharti) = en Ik zal laten overblijven | בְקִרְבֵּ֔ךְ (beqirbekh) = in je midden | עַ֥ם (am) = een volk | עָנִ֖י (ani) = ellendig | וָדָ֑ל (vadal) = en gering | וְחָס֖וּ (vechasu) = en zij zullen toevlucht zoeken | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = in de naam van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָנִי וָדָל (ani vadal), ‘ellendig en gering’: mensen die arm en weinig invloedrijk zijn. Voetnoot : וְחָסוּ (vechasu), ‘en zij zullen toevlucht zoeken’: schuilen in de naam van Yahweh, zoals je schuilt bij een beschermer. Zie ook: Jes 14:32; Jes 61:1–3; Nah 1:7; Zach 13:8–9; Mat 5:3 **3:13** **De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen en geen leugen spreken. In hun mond wordt geen tong van bedrog gevonden. Want zij zullen weiden en neerliggen, en niemand zal hen schrik aanjagen.”** Brontekst: שְׁאֵרִ֨ית (sheerit) = de overgeblevenen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | לֹֽא (lo) = niet | יַעֲשׂ֤וּ (yaasu) = zullen doen | עַוְלָה֙ (avla) = onrecht | וְלֹא (velo) = en niet | יְדַבְּר֣וּ (yedaberu) = zullen spreken | כָזָ֔ב (kazav) = leugen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִמָּצֵ֥א (yimatse) = zal worden gevonden | בְּפִיהֶ֖ם (befihem) = in hun mond | לְשׁ֣וֹן (leshon) = een tong van | תַּרְמִ֑ית (tarmit) = bedrog | כִּֽי (ki) = want | הֵ֛מָּה (hema) = zij | יִרְע֥וּ (yiru) = zullen weiden | וְרָבְצ֖וּ (veravetsu) = en neerliggen | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַחֲרִֽיד (macharid) = die schrik aanjaagt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De toespraak van Yahweh gaat hier door. Het vers beschrijft de overgeblevenen in de derde persoon, zoals ook in vers 12 gebeurt (‘de naam van Yahweh’). Voetnoot : לְשׁוֹן תַּרְמִית (leshon tarmit), ‘een tong van bedrog’: een tong die bedriegt. Zie ook: Jes 60:21; Mi 4:7; Sef 2:7; Sef 3:12; Ezech 34:13–15; Openb 14:5 ### Jubel, Dochter Sion **3:14** Jubel, Dochter Sion! Juich luid, Israël! Wees blij en verheug je met heel je hart, Dochter Jeruzalem. Brontekst: רָנִּי֙ (rani) = jubel | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | הָרִ֖יעוּ (hariu) = juich luid | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | שִׂמְחִ֤י (simchi) = wees blij | וְעָלְזִי֙ (vealezi) = en verheug je | בְּכָל (bekhal) = met heel | לֵ֔ב (lev) = het hart | בַּ֖ת (bat) = dochter van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: een beeld voor Jeruzalem en haar inwoners. Zo ook ‘Dochter Jeruzalem’. Voetnoot : רָנִּי (ronni), ‘jubel’ en הָרִיעוּ (hari’u), ‘juich luid’: kreten van vreugde, zoals bij een koning die de stad binnentrekt. Zie ook: Ps 95:1–2; Jes 12:6; Jes 65:18–19; Mi 4:8; Zach 2:14–15 **3:15** Yahweh heeft de vonnissen over jou weggenomen. Hij heeft je vijand verwijderd. De koning van Israël, Yahweh, is in je midden. Je zult geen kwaad meer vrezen. Brontekst: הֵסִ֤יר (hesir) = heeft weggenomen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִשְׁפָּטַ֔יִךְ (mishpatayikh) = de vonnissen over jou | פִּנָּ֖ה (pina) = heeft verwijderd | אֹֽיְבֵ֑ךְ (oyevekh) = je vijand | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּקִרְבֵּ֔ךְ (beqirbekh) = in je midden | לֹא (lo) = niet | תִֽירְאִ֥י (tirei) = zul je vrezen | רָ֖ע (ra) = kwaad | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּטַיִךְ (mishpatayikh), ‘de vonnissen over jou’: het woord mishpat, ‘recht’, betekent hier de uitspraken die tegen de stad waren gedaan. Voetnoot : פִּנָּה (pinnah), ‘Hij heeft verwijderd’: het werkwoord betekent letterlijk ‘opruimen’. Voetnoot : מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל (melekh Yisra’el), ‘de koning van Israël’: Yahweh is hier de koning. Zie ook: Amos 9:15; Jes 51:22; Jes 60:18; Sef 3:5; Ezech 39:29 **3:16** Op die dag zal tegen Jeruzalem worden gezegd: „Wees niet bang, Sion! Laat je handen niet verslappen.” Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יֵאָמֵ֥ר (yeamer) = zal worden gezegd | לִירֽוּשָׁלִַ֖ם (lirushalaim) = tegen Jeruzalem | אַל (al) = niet | תִּירָ֑אִי (tirai) = wees bang | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | אַל (al) = niet | יִרְפּ֥וּ (yirpu) = laat verslappen | יָדָֽיִךְ (yadayikh) = je handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אַל יִרְפּוּ יָדָיִךְ (al yirpu yadayikh), ‘laat je handen niet verslappen’: wees niet moedeloos. Zie ook: Jes 35:3–4; Jes 41:10; Gal 6:9; Ef 3:13; Heb 12:12 **3:17** Yahweh, je Elohim, is in je midden, een held die redt. Hij verheugt Zich over jou met blijdschap. Hij zwijgt in Zijn liefde. Hij jubelt over jou met gejuich. Brontekst: יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהַ֛יִךְ (elohayikh) = je Elohim | בְּקִרְבֵּ֖ך (beqirbekh) = in je midden | גִּבּ֣וֹר (gibor) = een held | יוֹשִׁ֑יעַ (yoshia) = die redt | יָשִׂ֨ישׂ (yasis) = Hij verheugt Zich | עָלַ֜יִךְ (alayikh) = over jou | בְּשִׂמְחָ֗ה (besimcha) = met blijdschap | יַחֲרִישׁ֙ (yacharish) = Hij zwijgt | בְּאַ֣הֲבָת֔וֹ (beahavato) = in Zijn liefde | יָגִ֥יל (yagil) = Hij jubelt | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = over jou | בְּרִנָּֽה (berina) = met gejuich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹר יוֹשִׁיעַ (gibbor yoshia), ‘een held die redt’: Yahweh is de redder. Voetnoot : יַחֲרִישׁ בְּאַהֲבָתוֹ (yacharish be’ahavato), ‘Hij zwijgt in Zijn liefde’: Hij is stil van liefde. Het Hebreeuws is hier kort. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier ‘Hij vernieuwt Zijn liefde’ (met een andere medeklinker). Wij volgen de Hebreeuwse tekst. Zie ook: Ps 147:11; Ps 149:4; Jes 62:4–5; Jer 32:41; Heb 7:25 ### Ik keer jullie lot **3:18** **„Hen die bedroefd zijn om de samenkomst, heb Ik verzameld. Zij waren van jou. Een last op haar was de smaad.** Brontekst: נוּגֵ֧י (nugei) = de bedroefden | מִמּוֹעֵ֛ד (mimoed) = om de samenkomst | אָסַ֖פְתִּי (asafti) = Ik heb verzameld | מִמֵּ֣ךְ (mimekh) = van jou | הָי֑וּ (hayu) = zij waren | מַשְׂאֵ֥ת (maset) = een last | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = op haar | חֶרְפָּֽה (cherpa) = smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is in het Hebreeuws kort en moeilijk. De woorden zijn: נוּגֵי מִמּוֹעֵד אָסַפְתִּי מִמֵּךְ הָיוּ מַשְׂאֵת עָלֶיהָ חֶרְפָּה (nugei mimmo’ed asafti mimmekh hayu masset aleiha cherpah). Voetnoot : נוּגֵי (nugei), ‘die bedroefd zijn’: mensen die om iets treuren. מוֹעֵד (mo’ed), ‘samenkomst’: een vastgestelde tijd, vooral een feest; zie Hos. 9:5. Voetnoot Lezing: Verschillende lezingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld: ‘Hen die bedroefd zijn, ver van de samenkomst, heb Ik van jou verzameld; zij waren een last en een smaad voor haar.’ Wij houden de volgorde van het Hebreeuws aan en vertalen ‘van jou’ als ‘zij waren van jou’. De betekenis is onzeker. Zie ook: Ps 42:3–5; Hos 9:5; Sef 3:20; Jer 23:3; Jer 31:8–9; Klaagl 2:6–7 **3:19** **Zie, in die tijd reken Ik af met allen die jou onderdrukken. Ik zal redden wie hinkt en verzamelen wie verdreven is. Ik maak hen tot lof en tot een naam in heel de aarde waar hun schaamte was.** Brontekst: הִנְנִ֥י (hinni) = zie Ik | עֹשֶׂ֛ה (ose) = reken af | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = met allen | מְעַנַּ֖יִךְ (meanayikh) = die jou onderdrukken | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֑יא (hahi) = die | וְהוֹשַׁעְתִּ֣י (vehoshati) = en Ik zal redden | אֶת (et) = (obj.) | הַצֹּלֵעָ֗ה (hatsolea) = wie hinkt | וְהַנִּדָּחָה֙ (vehanidacha) = en wie verdreven is | אֲקַבֵּ֔ץ (aqabets) = zal Ik verzamelen | וְשַׂמְתִּים֙ (vesamtim) = en Ik zal hen maken | לִתְהִלָּ֣ה (lithila) = tot lof | וּלְשֵׁ֔ם (uleshem) = en tot naam | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | בָּשְׁתָּֽם (bashtam) = hun schaamte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹשֶׂה אֶת (oseh et), ‘afrekenen met’: letterlijk ‘doen met’. Voetnoot : הַצֹּלֵעָה (hatsole’ah), ‘wie hinkt’: de lamme of kreupele. Dit beeld staat voor de zwakken van het volk. Voetnoot : בָּשְׁתָּם (boshtam), ‘hun schaamte’: de plaats van hun schaamte wordt de plaats van hun roem. Zie ook: Jes 49:25–26; Jes 60:14; Mi 7:10; Sef 3:15; Jer 30:16 **3:20** **In die tijd breng Ik jullie binnen, en in de tijd dat Ik jullie bijeenbreng. Want Ik maak jullie tot een naam en tot lof onder alle volken van de aarde, wanneer Ik voor jullie ogen jullie lot keer, zegt Yahweh.”** Brontekst: בָּעֵ֤ת (baet) = in de tijd | הַהִיא֙ (hahi) = die | אָבִ֣יא (avi) = Ik zal brengen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וּבָעֵ֖ת (uvaet) = en in de tijd | קַבְּצִ֣י (qabetsi) = dat Ik bijeenbreng | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | כִּֽי (ki) = want | אֶתֵּ֨ן (eten) = Ik zal maken | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | לְשֵׁ֣ם (leshem) = tot een naam | וְלִתְהִלָּ֗ה (velithila) = en tot lof | בְּכֹל֙ (bekhol) = onder alle | עַמֵּ֣י (amei) = volken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | בְּשׁוּבִ֧י (beshuvi) = wanneer Ik keer | אֶת (et) = (obj.) | שְׁבוּתֵיכֶ֛ם (shevuteikhem) = jullie lot | לְעֵינֵיכֶ֖ם (leeineikhem) = voor jullie ogen | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: ‘het lot keren’ betekent herstel (zie Joël 4:1 en Sef. 2:7). Voetnoot : אָמַר יְהוָה (amar Yahweh), ‘zegt Yahweh’: hier sluit de toespraak van Yahweh af. Zij begon in vers 18; eerder sprak Yahweh in de verzen 6–13. Zie ook: Joël 4:1; Amos 9:14; Jes 56:5; Jes 60:15; Sef 3:18; Jer 29:14; Mal 3:12