# Zacharia (זכריה, Zekharyah) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Zacharia 1 _De oproep tot terugkeer en het visioen van de ruiters tussen de mirtestruiken_ ### Het woord van Yahweh tot Zacharia **1:1** In de achtste maand van het tweede jaar van Darius kwam het woord van Yahweh tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet: Brontekst: בַּחֹ֨דֶשׁ֙ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁמִינִ֔י (hashemini) = de achtste | בִּשְׁנַ֥ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁתַּ֖יִם (shetayim) = twee | לְדָרְיָ֑וֶשׁ (ledareyavesh) = van Darius | הָיָ֣ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | זְכַרְיָה֙ (zekharya) = Zacharia | בֶּן (ben) = zoon van | בֶּ֣רֶכְיָ֔ה (berekhya) = Berechja | בֶּן (ben) = zoon van | עִדּ֥וֹ (ido) = Iddo | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּרְיָוֶשׁ (Daryavesh), Darius: Darius I, koning van Perzië. Zijn tweede jaar wordt gewoonlijk gerekend als 520 v.Chr. Zie ook Ezra 4:24. Voetnoot : זְכַרְיָה (Zekharyah), ‘Zacharia’: ‘Yahweh gedenkt’. בֶּרֶכְיָה (Berekhyah), ‘Berechja’: ‘Yahweh zegent’. עִדּוֹ (Iddo): een Iddo komt ook voor als stamvader van een priestergeslacht (Neh. 12:4, 12:16); Ezra 5:1 en 6:14 noemen Zacharia ‘de zoon van Iddo’. Voetnoot : De verteller is Zacharia zelf; ‘mij’ in de volgende verzen is hij. Zie ook: Ezra 4:24–5:1; Ezra 5:1; Ezra 6:14; Zach 1:7; Zach 7:1; Neh 12:4; Neh 12:16; Mat 23:35 **1:2** **„Yahweh was zeer toornig op jullie vaders.** Brontekst: קָצַ֧ף (qatsaf) = was toornig | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | אֲבֽוֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaders | קָֽצֶף (qatsef) = met toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָצַף יְהוָה עַל אֲבוֹתֵיכֶם קָצֶף (qatsaf Yahweh al avoteichem qatsef): het werkwoord en het zelfstandig naamwoord ‘toorn’ staan naast elkaar. Dat geeft nadruk: ‘Yahweh was zeer toornig’. Voetnoot : Vanaf hier tot en met vers 6 spreekt Yahweh; wat Zacharia moet zeggen en wat Yahweh over de vaders zegt, staat rood. Zie ook: Ps 79:5–6; Jer 44:6; Klaagl 5:7; Ezech 22:31; Zach 1:6; Hand 7:52 **1:3** **Zeg dan tegen hen: Zo zegt Yahweh van de legermachten: ‘Keer terug tot Mij, godsspraak van Yahweh van de legermachten, en Ik zal tot jullie terugkeren’, zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שׁ֣וּבוּ (shuvu) = keer terug | אֵלַ֔י (elay) = tot Mij | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְאָשׁ֣וּב (veashuv) = en Ik zal terugkeren | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = tot jullie | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’. Het is de meest gebruikte naam van Yahweh in dit boek. Zie ook Jes. 1:9. Voetnoot : נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: een vaste formule in de profeten (ne’um Yahweh, ‘godsspraak van Yahweh’). Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt. Wij zetten ze in rood als ze midden in Zijn woorden staat; zie de uitleg bij Jes. 1:24. Deze uitleg staat alleen hier, bij de eerste vermelding in dit boek. Voetnoot : שׁוּבוּ אֵלַי (shuvu elai), ‘keer terug tot Mij’: het werkwoord שׁוּב (shuv) is het hoofdwoord van de boodschap. Het staat ook in ‘Ik zal tot jullie terugkeren’ (vers 3) en in vers 4 en 6. Wij vertalen het steeds met ‘terugkeren’. Voetnoot : ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat hier rood, omdat het deel is van de opdracht ‘Zeg dan tegen hen’ (zoals Jes. 38:5). Waar de verteller of de engel de formule inleidt (1:14, 1:16, 1:17), staat ze zwart en volgt de rede rood. Zie ook: Deut 30:2–10; Joël 2:12; Jes 1:9; Jes 1:24; Jes 38:5; Jer 3:22; Jer 4:1; Zach 1:4; Zach 1:6; Mal 3:7 **1:4** **Wees niet zoals jullie vaders. Tot hen riepen de vroegere profeten: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Keer toch terug van jullie boze wegen en van jullie boze daden.’ Maar zij luisterden niet en schonken Mij geen aandacht, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּהְי֣וּ (tihyu) = wees | כַאֲבֹֽתֵיכֶ֡ם (kaavoteikhem) = zoals jullie vaders | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | קָרְאֽוּ (qareu) = riepen | אֲלֵיהֶם֩ (aleihem) = tot hen | הַנְּבִיאִ֨ים (haneviim) = de profeten | הָרִֽאשֹׁנִ֜ים (harishonim) = de vroegere | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שׁ֤וּבוּ (shuvu) = keer terug | נָא֙ (na) = toch | מִדַּרְכֵיכֶ֣ם (midarkheikhem) = van jullie wegen | הָרָעִ֔ים (haraim) = de boze | וּמַֽעֲלְלֵיכֶ֖ם (umaalleikhem) = en van jullie daden | הָֽרָעִ֑ים (haraim) = de boze | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | שָׁמְע֛וּ (shameu) = luisterden zij | וְלֹֽא (velo) = en niet | הִקְשִׁ֥יבוּ (hiqshivu) = schonken aandacht | אֵלַ֖י (elay) = aan Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּבִיאִים הָרִאשֹׁנִים (hannevi’im harishonim), ‘de vroegere profeten’: de profeten van vóór de ballingschap. Zie ook 7:7 en 7:12. Voetnoot : הָרָעִים (hara’im), ‘de boze’: van רַע (ra’), moreel ‘kwaad’, zoals in Jona 1:2. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is ומעליליכם (umaʻalilekhem). De te lezen vorm (qere) is וּמַעֲלְלֵיכֶם (umaʻalleikhem), ‘en van jullie daden’. Alleen de spelling verschilt; de betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 78:8; Ps 106:6–7; Jona 1:2; Jes 1:16–19; Jer 35:15; Ezech 33:11 **1:5** **Jullie vaders, waar zijn zij? En de profeten, leven die voor eeuwig?** Brontekst: אֲבֽוֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaders | אַיֵּה (aye) = waar | הֵ֑ם (hem) = zijn zij | וְהַ֨נְּבִאִ֔ים (vehaneviim) = en de profeten | הַלְעוֹלָ֖ם (halolam) = voor eeuwig | יִֽחְיֽוּ (yichyu) = leven zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַלְעוֹלָם יִחְיוּ (hale’olam yichyu), ‘leven zij voor eeuwig?’: de vraag is retorisch. De vaders zijn dood, en ook de profeten leven niet voor eeuwig. Wat blijft, zijn de woorden van Yahweh (vers 6). Zie ook: Ps 90:10; Pred 12:5; Pred 12:7; Zach 1:6; 2 Petr 3:2–4; Heb 9:27 **1:6** **Maar Mijn woorden en Mijn voorschriften, die Ik Mijn knechten, de profeten, gebood: hebben die jullie vaders niet ingehaald?”** Toen keerden zij terug en zeiden: „Yahweh van de legermachten had besloten met ons te doen naar onze wegen en naar onze daden. Zo heeft Hij met ons gedaan.” Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = maar | דְּבָרַ֣י (devaray) = Mijn woorden | וְחֻקַּ֗י (vechuqay) = en Mijn voorschriften | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | צִוִּ֨יתִי֙ (tsiviti) = Ik gebood | אֶת (et) = (obj.) | עֲבָדַ֣י (avaday) = Mijn knechten | הַנְּבִיאִ֔ים (haneviim) = de profeten | הֲל֥וֹא (halo) = niet | הִשִּׂ֖יגוּ (hisigu) = hebben zij ingehaald | אֲבֹתֵיכֶ֑ם (avoteikhem) = jullie vaders | וַיָּשׁ֣וּבוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zeiden | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | זָמַ֜ם (zamam) = had besloten | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = te doen | לָ֔נוּ (lanu) = met ons | כִּדְרָכֵ֨ינוּ֙ (kidrakheinu) = naar onze wegen | וּכְמַ֣עֲלָלֵ֔ינוּ (ukhemaalaleinu) = en naar onze daden | כֵּ֖ן (ken) = zo | עָשָׂ֥ה (asa) = heeft Hij gedaan | אִתָּֽנוּ (itanu) = met ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבָרַי וְחֻקַּי (devarai vechuqqai), ‘Mijn woorden en Mijn voorschriften’: de boodschap en de voorschriften die Yahweh door de profeten gaf. Het werkwoord הִשִּׂיגוּ (hissigu), ‘zij haalden in’, is het woord van Deut. 28:2, 15, 45: woorden, zegeningen en vloeken die iemand inhalen. Voetnoot : De toespraak van Yahweh eindigt hier met de vraag; de woorden vanaf ‘Toen keerden zij terug’ zijn van de verteller. Het Hebreeuws laat niet duidelijk zien of de laatste woorden van Yahweh of van Zacharia zijn. Wij beslissen voor Zacharia, de verteller; die woorden staan zwart. Voetnoot : זָמַם (zamam), ‘besluiten’: het werkwoord van een plan, hier ook 8:14–15. Zie ook: Deut 28:2; Deut 28:15; Jer 23:20; Klaagl 2:17; Ezech 12:25–28; Mat 24:35 ### Eerste visioen: de ruiters tussen de mirtestruiken **1:7** Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, dat is de maand Sjebat, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van Yahweh tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet: Brontekst: בְּיוֹם֩ (beyom) = op de dag | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֜ה (vearbaa) = en vier | לְעַשְׁתֵּֽי (leashtei) = van één | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | חֹ֨דֶשׁ֙ (chodesh) = maand | הוּא (hu) = dat is | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = maand | שְׁבָ֔ט (shevat) = Sjebat | בִּשְׁנַ֥ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁתַּ֖יִם (shetayim) = twee | לְדָרְיָ֑וֶשׁ (ledareyavesh) = van Darius | הָיָ֣ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | זְכַרְיָה֙ (zekharya) = Zacharia | בֶּן (ben) = zoon van | בֶּ֣רֶכְיָ֔הוּ (berekhyahu) = Berechja | בֶּן (ben) = zoon van | עִדּ֥וֹא (ido) = Iddo | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבָט (Shevat), Sjebat: de elfde maand van de joodse jaartelling, ongeveer januari–februari. Dit is de datum van de acht visioenen (1:7–6:8), ongeveer begin 519 v.Chr. volgens de gangbare berekening. Voetnoot : בֶּרֶכְיָהוּ (Berekhyahu), ‘Berechja’: een langere vorm van dezelfde naam als in vers 1. עִדּוֹא (Iddo) is een andere spelling van עִדּוֹ in vers 1. Wij schrijven de naam in beide verzen gelijk. Zie ook: Zach 1:1 **1:8** Ik zag in de nacht, en zie: een man die op een rood paard reed. Hij stond tussen de mirtestruiken in de diepte. Achter hem waren rode, rossige en witte paarden. Brontekst: רָאִ֣יתִי (raiti) = ik zag | הַלַּ֗יְלָה (halayla) = in de nacht | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | אִישׁ֙ (ish) = een man | רֹכֵב֙ (rokhev) = rijdend | עַל (al) = op | ס֣וּס (sus) = een paard | אָדֹ֔ם (adom) = rood | וְה֣וּא (vehu) = en hij | עֹמֵ֔ד (omed) = stond | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הַהֲדַסִּ֖ים (hahadasim) = de mirtestruiken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּמְּצֻלָ֑ה (bametsula) = in de diepte | וְאַחֲרָיו֙ (veacharav) = en achter hem | סוּסִ֣ים (susim) = paarden | אֲדֻמִּ֔ים (adumim) = rode | שְׂרֻקִּ֖ים (seruqim) = rossige | וּלְבָנִֽים (ulevanim) = en witte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאִישׁ (ha’ish), ‘de man’: in vers 10 en 11 blijkt dat het de engel van Yahweh is. Voetnoot : מְצֻלָה (metsulah), ‘diepte’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet helemaal zeker. Men denkt aan een diep dal, een ravijn of een schaduwrijke plek. Het is een aanname. Voetnoot : שְׂרֻקִּים (seruqqim), ‘rossige’: de kleur is onzeker; het woord staat alleen hier voor paarden. Het is een kleur tussen rood en bruin of geel. De mirtestruiken (הֲדַסִּים, hadassim) zijn de struiken waaraan Ester haar naam Hadassa dankt. Zie ook: Jes 41:19; Jes 55:13; Zach 1:10; Zach 1:11; Zach 13:7; Openb 2:1; Openb 6:4 **1:9** Ik zei: „Wat zijn dit, mijn heer?” De engel die met mij sprak, zei tegen mij: „Ik zal je laten zien wat dit zijn.” Brontekst: וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | מָה (ma) = wat | אֵ֣לֶּה (ele) = zijn dit | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | הַמַּלְאָךְ֙ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֣ר (hadover) = die sprak | בִּ֔י (bi) = met mij | אֲנִ֥י (ani) = ik | אַרְאֶ֖ךָּ (areka) = zal je laten zien | מָה (ma) = wat | הֵ֥מָּה (hema) = zijn zij | אֵֽלֶּה (ele) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: een beleefde aanspreking voor de engel, geen aanspreking van Yahweh. Daarom met kleine letter, ook in 4:4, 4:5, 4:13. Voetnoot : הַמַּלְאָךְ הַדֹּבֵר בִּי (hammal’akh haddover bi), ‘de engel die met mij sprak’: letterlijk ‘die in mij sprak’. Het is de engel die Zacharia door de visioenen leidt; hij komt terug in 2:2, 2:7, 4:1, 4:4, 5:5, 5:10, 6:4. Zie ook: Gen 31:11; Zach 2:2; Zach 4:4–5; Zach 5:5; Openb 7:13–14 **1:10** De man die tussen de mirtestruiken stond, antwoordde en zei: „Dit zijn zij die Yahweh heeft gezonden om over de aarde rond te gaan.” Brontekst: וַיַּ֗עַן (vayaan) = en antwoordde | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | הָעֹמֵ֥ד (haomed) = die stond | בֵּין (bein) = tussen | הַהַדַסִּ֖ים (hahadasim) = de mirtestruiken | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn zij | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׁלַ֣ח (shalach) = heeft gezonden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְהִתְהַלֵּ֖ךְ (lehithalekh) = om rond te gaan | בָּאָֽרֶץ (baarets) = over de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהִתְהַלֵּךְ בָּאָרֶץ (lehithalekh ba’arets), ‘om over de aarde rond te gaan’: ze zijn gezonden om de aarde te verkennen, zoals in Job 1:7 en 2:2. Zij zijn de ruiters van de paarden. Zie ook 6:7. Zie ook: Job 1:7; Job 2:2; Ps 103:20–21; Zach 1:11; Zach 6:5–8; Heb 1:14 **1:11** Zij antwoordden de engel van Yahweh die tussen de mirtestruiken stond. Zij zeiden: „Wij zijn over de aarde rondgegaan, en zie: heel de aarde zit stil en is rustig.” Brontekst: וַֽיַּעֲנ֞וּ (vayaanu) = en zij antwoordden | אֶת (et) = (obj.) | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הָֽעֹמֵד֙ (haomed) = die stond | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הַהֲדַסִּ֔ים (hahadasim) = de mirtestruiken | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zeiden | הִתְהַלַּ֣כְנוּ (hithalakhnu) = wij zijn rondgegaan | בָאָ֑רֶץ (baarets) = over de aarde | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | כָל (kal) = heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | יֹשֶׁ֥בֶת (yoshevet) = zit | וְשֹׁקָֽטֶת (veshoqatet) = en is rustig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘de engel van Yahweh’: dezelfde figuur als ‘de man’ in vers 8 en 10. Hij is de leider van de ruiters en pleit bij Yahweh voor Jeruzalem (vers 12). Voetnoot : יֹשֶׁבֶת וְשֹׁקָטֶת (yoshevet veshoqetet), ‘zit stil en is rustig’: de aarde is rustig, de volken zorgeloos (vers 15). Er is geen beweging die de herbouw van Jeruzalem aankondigt. Zie ook: Ps 103:20–21; Zach 1:8; Zach 1:10; Zach 1:12; Zach 1:15; Mat 24:30–31 ### Tot wanneer, Yahweh van de legermachten? **1:12** Toen antwoordde de engel van Yahweh en zei: „Yahweh van de legermachten, tot wanneer zult U Zich niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda? U bent nu al zeventig jaar verbolgen op hen.” Brontekst: וַיַּ֣עַן (vayaan) = en antwoordde | מַלְאַךְ (malakh) = de engel van | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַר֒ (vayomar) = en zei | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עַד (ad) = tot | מָתַ֗י (matay) = wanneer | אַתָּה֙ (ata) = U | לֹֽא (lo) = niet | תְרַחֵ֣ם (terachem) = zult U Zich ontfermen | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֣ר (asher) = op wie | זָעַ֔מְתָּה (zaamta) = U verbolgen bent | זֶ֖ה (ze) = dit | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: עַד מָתַי (ad matai), ‘tot wanneer’: de klacht van de psalmen, bijvoorbeeld Ps. 6:4 en Ps. 13:2–3. Voetnoot : זְעַמְתָּה (zaamta), ‘U bent verbolgen geweest’: het werkwoord van Yahweh’s verontwaardiging. Zie ook 1:2 (toorn). Voetnoot : שִׁבְעִים שָׁנָה (shiv’im shanah), ‘zeventig jaar’: de tijd van de ballingschap, zoals in Jer. 25:11–12 en 29:10. Vanaf de verwoesting van de tempel (586 v.Chr.) tot 520 v.Chr. zijn dat ongeveer zeventig jaar. Zie ook: Ps 6:4; Ps 13:2–3; Ps 74:10; Ps 102:14; Jer 25:11–12; Jer 29:10; Dan 9:2; Zach 7:5 **1:13** Yahweh antwoordde de engel die met mij sprak met goede woorden, met woorden van troost. Brontekst: וַיַּ֣עַן (vayaan) = en antwoordde | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּלְאָ֛ךְ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֥ר (hadover) = die sprak | בִּ֖י (bi) = met mij | דְּבָרִ֣ים (devarim) = woorden | טוֹבִ֑ים (tovim) = goede | דְּבָרִ֖ים (devarim) = woorden | נִחֻמִֽים (nichumim) = van troost Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבָרִים נִחֻמִים (devarim nichumim), ‘woorden van troost’: van het werkwoord נָחַם (nacham), ‘troosten’, zoals in vers 17. Zie ook: Jes 40:1–2; Sef 3:14–20; Jer 29:10; Jer 30:10–22; Zach 1:17; Zach 4:1 ### Yahweh antwoordt: ijver en ontferming **1:14** De engel die met mij sprak, zei tegen mij: „Roep uit en zeg: Zo zegt Yahweh van de legermachten: **‘Ik ben met grote ijver vervuld voor Jeruzalem en voor Sion.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | הַמַּלְאָךְ֙ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֣ר (hadover) = die sprak | בִּ֔י (bi) = met mij | קְרָ֣א (qera) = roep uit | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | קִנֵּ֧אתִי (qineti) = Ik ben vol ijver | לִירוּשָׁלִַ֛ם (lirushalaim) = voor Jeruzalem | וּלְצִיּ֖וֹן (uletsiyon) = en voor Sion | קִנְאָ֥ה (qina) = met ijver | גְדוֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קִנֵּאתִי (qinne’ti), ‘Ik ben vol ijver’: קִנְאָה (qin’ah) is de gloeiende toewijding van Yahweh voor wat van Hem is. Het woord kan ook ‘naijver’ of ‘jaloezie’ betekenen. Wij vertalen ‘ijver’; zie ook 8:2. Voetnoot : Vanaf hier tot vers 17 geeft de engel de woorden van Yahweh door. Het eerste woord van de engel (‘Roep uit en zeg’) en de formule ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staan zwart; de woorden van Yahweh zelf rood. Zie ook: Joël 2:18; Jes 40:1; Jes 40:6; Zach 1:9; Zach 1:17 **1:15** **Met grote toorn ben Ik toornig op de zorgeloze volken. Want Ik was maar een beetje toornig, maar zij hebben meegeholpen tot onheil.’** Brontekst: וְקֶ֤צֶף (veqetsef) = en met toorn | גָּדוֹל֙ (gadol) = grote | אֲנִ֣י (ani) = Ik | קֹצֵ֔ף (qotsef) = ben toornig | עַל (al) = over | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | הַשַּֽׁאֲנַנִּ֑ים (hashaananim) = de zorgeloze | אֲשֶׁ֤ר (asher) = want | אֲנִי֙ (ani) = Ik | קָצַ֣פְתִּי (qatsafti) = was toornig | מְּעָ֔ט (meat) = een beetje | וְהֵ֖מָּה (vehema) = maar zij | עָזְר֥וּ (azeru) = hielpen | לְרָעָֽה (leraa) = tot onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגּוֹיִם הַשַּׁאֲנַנִּים (haggoyim hashsha’ananim), ‘de zorgeloze volken’: de volken die zich veilig en tevreden voelen, zonder zorg voor Yahweh’s volk. Voetnoot : עָזְרוּ לְרָעָה (azru lera’ah), ‘zij hielpen ten kwade’: de volken gingen verder dan Yahweh bedoelde toen Hij Zijn volk strafte. Het woord רָעָה (ra’ah) betekent hier ‘onheil’, rampspoed. Het is hetzelfde woord als ‘kwaad’ in Jona 1:2, maar daar gaat het om moreel kwaad. Zie ook: Ps 83:3–6; Jona 1:2; Jes 47:6–9; Jes 54:8; Jer 51:24; Ezech 25:12–17 **1:16** Daarom, zo zegt Yahweh: **‘Ik keer terug naar Jeruzalem met ontferming. Mijn huis zal daarin gebouwd worden, godsspraak van Yahweh van de legermachten, en een meetsnoer zal over Jeruzalem worden uitgespannen.’** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | שַׁ֤בְתִּי (shavti) = Ik keer terug | לִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (lirushalaim) = naar Jeruzalem | בְּֽרַחֲמִ֔ים (berachamim) = met ontferming | בֵּיתִי֙ (beiti) = Mijn huis | יִבָּ֣נֶה (yibane) = zal gebouwd worden | בָּ֔הּ (bah) = daarin | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְקָ֥ו (veqav) = en een meetsnoer | יִנָּטֶ֖ה (yinate) = zal worden uitgespannen | עַל (al) = over | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שַׁבְתִּי (shavti), ‘Ik keer terug’: de Hebreeuwse werkwoordsvorm is een voltooide tijd (‘Ik ben teruggekeerd’). In profetische taal is de terugkeer al zeker. Wij vertalen het onvoltooid. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is וקוה (veqaveh). De te lezen vorm (qere) is וְקָו (veqav), ‘en een meetsnoer’. Alleen de spelling verschilt. Wij volgen de qere. Voetnoot : קָו (qav), ‘meetsnoer’: een snoer om de grenzen van de bouw uit te meten, zoals in Jes. 44:13 en Jer. 31:39 en vergelijk 2:5. Zie ook: Jes 44:13; Jer 31:39; Ezech 37:24–28; Ezra 6:14–15; Zach 2:14–15; Zach 4:9; Zach 8:3 **1:17** Roep nog eens uit en zeg: Zo zegt Yahweh van de legermachten: **‘Mijn steden zullen nog overvloeien van het goede. Yahweh zal Sion nog troosten en Jeruzalem nog kiezen.’**” Brontekst: ע֣וֹד (od) = nog | קְרָ֣א (qera) = roep uit | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | ע֛וֹד (od) = nog | תְּפוּצֶ֥ינָה (tefutseina) = zullen overvloeien | עָרַ֖י (aray) = Mijn steden | מִטּ֑וֹב (mitov) = van het goede | וְנִחַ֨ם (venicham) = en zal troosten | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | עוֹד֙ (od) = nog | אֶת (et) = (obj.) | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | וּבָחַ֥ר (uvachar) = en zal kiezen | ע֖וֹד (od) = nog | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וְנִחַם (venicham), ‘en zal troosten’: Piel van נָחַם (nacham), ‘troosten’. Het gaat om het troosten van Sion, zoals in Jes. 40:1 en 51:3. Voetnoot : וּבָחַר עוֹד בִּירוּשָׁלִַם (uvachar od bi-Yerushalaim), ‘en zal nog Jeruzalem kiezen’: Yahweh heeft Jeruzalem eerder gekozen (zie 1 Kon. 11:13, 11:32); hier kiest Hij het opnieuw. Zie ook 2:16 en 3:2. Zie ook: 1 Kon 11:13; 1 Kon 11:32; Jes 40:1; Jes 44:26; Jes 51:3; Jes 54:8; Jes 66:13; Zach 2:16 ## Zacharia 2 _De vier hoorns, de man met het meetsnoer en de belofte aan Sion_ ### Tweede visioen: vier hoorns en vier smeden **2:1** Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie: vier hoorns. Brontekst: וָאֶשָּׂ֥א (vaesa) = en ik sloeg op | אֶת (et) = (obj.) | עֵינַ֖י (einay) = mijn ogen | וָאֵ֑רֶא (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | קְרָנֽוֹת (qeranot) = hoorns Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws begint hier hoofdstuk 2. Hebr. 2:1–4 is in de Nederlandse telling Zach. 1:18–21, het slot van hoofdstuk 1. Wij volgen de Hebreeuwse telling. Voetnoot : קְרָנוֹת (qarnot), ‘hoorns’: in de bijbel een beeld van kracht en macht, ook van volken die geweld gebruiken (Dan. 7 en 8, Ps. 75:5–6). Zie ook: Joz 5:13; Ps 75:5–6; 2 Kon 17:1–6; 2 Kon 24:1–20; Dan 8:3–14; Zach 1:18–21; Zach 5:9; Heb 2:1–4 **2:2** Ik zei tegen de engel die met mij sprak: „Wat zijn dit?” Hij zei tegen mij: „Dit zijn de hoorns die Juda, Israël en Jeruzalem uiteen hebben gedreven.” Brontekst: וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | אֶל (el) = tot | הַמַּלְאָ֛ךְ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֥ר (hadover) = die sprak | בִּ֖י (bi) = met mij | מָה (ma) = wat | אֵ֑לֶּה (ele) = zijn dit | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | אֵ֤לֶּה (ele) = dit zijn | הַקְּרָנוֹת֙ (haqeranot) = de hoorns | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | זֵר֣וּ (zeru) = hebben uiteengedreven | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וִירוּשָׁלָֽם (virushalam) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: זֵרוּ (zeru), ‘uiteen hebben gedreven’: het werkwoord is het werk van een wanner die het koren in de wind gooit en zo scheidt. Het wordt ook gebruikt voor verstrooiing van volken; zie ook vers 4. Voetnoot : De hoorns noemen Juda, Israël en Jeruzalem. Het Hebreeuws zegt niet welke volken de hoorns zijn. Wij laten dat open. Zie ook: Jer 50:17–18; Ezra 4:4; Zach 2:4; Zach 2:6; Zach 8:14 **2:3** Daarna liet Yahweh mij vier smeden zien. Brontekst: וַיַּרְאֵ֣נִי (vayareni) = en liet mij zien | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אַרְבָּעָ֖ה (arbaa) = vier | חָרָשִֽׁים (charashim) = smeden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרָשִׁים (charashim), ‘smeden’: ambachtslieden die met hout, metaal of steen werken. Het woord kan ook ‘werkers’ in het algemeen betekenen. Wij vertalen ‘smeden’, omdat de hoorns van de volken moeten worden neergeworpen (vers 4). Zie ook: Re 11:16; Jes 54:15–17; Zach 2:4; Zach 9:12–16; Zach 10:3–5; Zach 12:2–6 **2:4** Ik zei: „Wat komen die doen?” Hij zei: „Dit zijn de hoorns die Juda zo uiteen hebben gedreven dat niemand zijn hoofd ophief. Deze smeden zijn gekomen om hen te doen sidderen. Zij zullen de hoorns van de volken neerwerpen, die een hoorn hebben opgeheven tegen het land van Juda om het uiteen te drijven.” Brontekst: וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | מָ֛ה (ma) = wat | אֵ֥לֶּה (ele) = zijn dezen | בָאִ֖ים (baim) = komend | לַֽעֲשׂ֑וֹת (laasot) = om te doen | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | הַקְּרָנ֞וֹת (haqeranot) = de hoorns | אֲשֶׁר (asher) = die | זֵ֣רוּ (zeru) = hebben uiteengedreven | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | כְּפִי (kefi) = zodat | אִישׁ֙ (ish) = een man | לֹא (lo) = niet | נָשָׂ֣א (nasa) = ophief | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיָּבֹ֤אוּ (vayavou) = en zij zijn gekomen | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = dezen | לְהַחֲרִ֣יד (lehacharid) = om te doen sidderen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | לְיַדּ֞וֹת (leyadot) = om neer te werpen | אֶת (et) = (obj.) | קַרְנ֣וֹת (qarnot) = de hoorns van | הַגּוֹיִ֗ם (hagoyim) = de volken | הַנֹּשְׂאִ֥ים (hanoseim) = die ophieven | קֶ֛רֶן (qeren) = een hoorn | אֶל (el) = tegen | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לְזָרוֹתָֽהּ (lezarotah) = om het uiteen te drijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: לְהַחֲרִיד (lehacharid), ‘te doen sidderen’: de smeden jagen de volken schrik aan. לְיַדּוֹת (leyaddot), ‘neer te werpen’: letterlijk ‘te werpen’, van יָדָה (yadah). De hoorns van de volken worden dus neergeworpen. Voetnoot : כְּפִי אִישׁ לֹא נָשָׂא רֹאשׁוֹ (kefi ish lo nasa rosho): letterlijk ‘zodat een man zijn hoofd niet ophief’. Wie zijn hoofd niet ophief, kon geen kracht tonen of wat dan ook ondernemen. Zie ook: Ps 75:5–6; Ps 75:11; Klaagl 2:17; Dan 12:7; Zach 2:2 ### Derde visioen: de man met het meetsnoer **2:5** Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie: een man met een meetsnoer in zijn hand. Brontekst: וָאֶשָּׂ֥א (vaesa) = en ik sloeg op | עֵינַ֛י (einay) = mijn ogen | וָאֵ֖רֶא (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וּבְיָד֖וֹ (uveyado) = en in zijn hand | חֶ֥בֶל (chevel) = een snoer van | מִדָּֽה (mida) = meting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶבֶל מִדָּה (chevel middah), ‘meetsnoer’: letterlijk ‘snoer van maat’. In 1:16 staat een ander woord, קָו (qav), voor hetzelfde gereedschap. Wij vertalen beide met ‘meetsnoer’. Vergelijk Ezech. 40:3 en Jer. 31:39. Voetnoot : Hier begint in de Nederlandse telling hoofdstuk 2: Hebr. 2:5–17 is Zach. 2:1–13. Zie ook: Jer 31:39; Ezech 40:3; Ezech 47:4; Zach 1:16; Zach 2:1–13; Heb 2:5–17; Openb 11:1; Openb 21:15 **2:6** Ik zei: „Waar ga je heen?” Hij zei tegen mij: „Om Jeruzalem te meten, om te zien hoe breed het is en hoe lang.” Brontekst: וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | אָ֖נָה (ana) = waarheen | אַתָּ֣ה (ata) = jij | הֹלֵ֑ךְ (holekh) = gaat | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | לָמֹד֙ (lamod) = om te meten | אֶת (et) = (obj.) | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לִרְא֥וֹת (lirot) = om te zien | כַּמָּֽה (kama) = hoeveel | רָחְבָּ֖הּ (rachbah) = haar breedte | וְכַמָּ֥ה (vekhama) = en hoeveel | אָרְכָּֽהּ (arkah) = haar lengte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לָמֹד (lamod), ‘meten’: de man wil weten hoe breed en hoe lang de stad is. Zijn bedoeling is de grenzen van de herbouw vast te stellen. Zie ook: Jer 31:39; Ezech 45:6; Ezech 48:15–17; Openb 11:1; Openb 21:15–17 **2:7** En zie: de engel die met mij sprak, ging naar voren, en een andere engel ging hem tegemoet. Brontekst: וְהִנֵּ֗ה (vehine) = en zie | הַמַּלְאָ֛ךְ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֥ר (hadover) = die sprak | בִּ֖י (bi) = met mij | יֹצֵ֑א (yotse) = ging uit | וּמַלְאָ֣ךְ (umalakh) = en een engel | אַחֵ֔ר (acher) = andere | יֹצֵ֖א (yotse) = ging uit | לִקְרָאתֽוֹ (liqrato) = hem tegemoet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמַלְאָךְ אַחֵר (umal’akh acher), ‘en een andere engel’: een tweede engel. De engel die met Zacharia sprak (zie 1:9) gaat naar voren; een tweede engel komt hem tegemoet en krijgt een opdracht (vers 8). Zie ook: Zach 1:8–11; Zach 1:13–14; Zach 2:2; Zach 2:8; Zach 4:5; Zach 5:5 ### Jeruzalem zonder muren **2:8** Hij zei tegen hem: „Ren, spreek tot die jongeman daar: ‘Jeruzalem zal bewoond worden als open dorpen, vanwege de menigte mensen en vee in haar midden. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֔ו (elav) = tegen hem | רֻ֗ץ (ruts) = ren | דַּבֵּ֛ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | הַנַּ֥עַר (hanaar) = de jongeman | הַלָּ֖ז (halaz) = die daar | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | פְּרָזוֹת֙ (perazot) = open dorpen | תֵּשֵׁ֣ב (teshev) = zal bewoond worden | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מֵרֹ֥ב (merov) = wegens de menigte van | אָדָ֛ם (adam) = mensen | וּבְהֵמָ֖ה (uvehema) = en vee | בְּתוֹכָֽהּ (betokhah) = in haar midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פְּרָזוֹת (perazot), ‘open dorpen’: plaatsen zonder muren. Zo zal Jeruzalem bewoond worden, groter dan een stad met muren zou kunnen houden. Yahweh zelf is straks de muur (vers 9). Voetnoot : הַנַּעַר הַלָּז (hanna’ar hallaz), ‘die jongeman daar’: waarschijnlijk de man met het meetsnoer (vers 5). Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Hij’ in ‘Hij zei tegen hem’ is; waarschijnlijk is het de engel die met Zacharia sprak. Voetnoot : De woorden van de engel staan zwart; in vers 9 begint Yahweh zelf te spreken, en dan staan ze rood. Zie ook: Mi 7:11; Jer 33:22; Ezech 38:11; Zach 1:17; Zach 2:5; Zach 2:9; Zach 12:6 **2:9** **En Ik zal voor haar zijn, godsspraak van Yahweh, een muur van vuur rondom. Tot heerlijkheid zal Ik in haar midden zijn.’”** Brontekst: וַאֲנִ֤י (vaani) = en Ik | אֶֽהְיֶה (ehye) = zal zijn | לָּהּ֙ (lah) = voor haar | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | ח֥וֹמַת (chomat) = een muur van | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וּלְכָב֖וֹד (ulekhavod) = en tot heerlijkheid | אֶֽהְיֶ֥ה (ehye) = zal Ik zijn | בְתוֹכָֽהּ (betokhah) = in haar midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוֹמַת אֵשׁ (chomat esh), ‘een muur van vuur’: Yahweh zelf is de bescherming van Jeruzalem. Vergelijk Exod. 13:21–22 (de vuurkolom). Voetnoot : וּלְכָבוֹד (ulekhavod), ‘en tot heerlijkheid’: Yahweh zal de heerlijkheid van Jeruzalem zijn, zoals Zijn heerlijkheid de tabernakel vulde (Exod. 40:34–35). Zie ook: Ex 13:21–22; Ex 40:34–35; Ps 3:4; Jes 4:5; Jes 60:18–19; Zach 9:8; Openb 21:23 ### Vlucht uit het noorden **2:10** **„Ho, ho! Vlucht uit het land van het noorden, godsspraak van Yahweh. Want Ik heb jullie uitgespreid als de vier winden van de hemel, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = ho | ה֗וֹי (hoy) = ho | וְנֻ֛סוּ (venusu) = en vlucht | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | צָפ֖וֹן (tsafon) = het noorden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֠י (ki) = want | כְּאַרְבַּ֞ע (kearba) = als de vier | רוּח֧וֹת (ruchot) = winden van | הַשָּׁמַ֛יִם (hashamayim) = de hemel | פֵּרַ֥שְׂתִּי (perasti) = heb Ik uitgespreid | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹי (hoy), ‘ho’: het woord staat elders in dit boek vaak voor ‘wee’ (bijvoorbeeld Jes. 5:8), maar hier is het een roep om aandacht en haast. Daarom ‘Ho, ho!’. Voetnoot : אֶרֶץ צָפוֹן (erets tsafon), ‘het land van het noorden’: Babel, van waar de ballingen kwamen. Babel lag in het oosten, maar wie van daar naar Juda trok, kwam langs de noordkant het land binnen. Voetnoot : כְּאַרְבַּע רוּחוֹת (ke’arba ruchot), ‘als de vier winden’: het woord רוּחַ (ruach) is ‘wind’ en ook ‘geest’. Wij vertalen ‘winden’. Het kan ook betekenen dat Yahweh het volk naar de vier windstreken uit elkaar heeft gedreven. Zie ook: Gen 19:17; Deut 28:64; Jes 5:8; Jes 48:20; Ezech 11:16; Ezech 17:21 **2:11** **Ho, Sion! Ontkom, jij die woont bij de Dochter van Babel.”** Brontekst: ה֥וֹי (hoy) = ho | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | הִמָּלְטִ֑י (himaleti) = ontkom | יוֹשֶׁ֖בֶת (yoshevet) = woonster | בַּת (bat) = dochter van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בַּת בָּבֶל (bat Bavel), ‘Dochter van Babel’: Babel als vrouw voorgesteld, zoals ‘Dochter Sion’ in vers 14. De oproep: wie bij Babel woont, moet ontkomen. Zie ook: Gen 19:17; Jes 48:20; Jes 52:11; Jer 51:6; Zach 2:14; Openb 18:4 **2:12** Want zo zegt Yahweh van de legermachten: Na de heerlijkheid heeft Hij mij gezonden naar de volken die jullie plunderen. Want wie jullie aanraakt, raakt de oogappel van Zijn oog aan. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֒ (tsevaot) = van de legermachten | אַחַ֣ר (achar) = na | כָּב֔וֹד (kavod) = heerlijkheid | שְׁלָחַ֕נִי (shelachani) = heeft Hij mij gezonden | אֶל (el) = naar | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | הַשֹּׁלְלִ֣ים (hasholelim) = die plunderen | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | כִּ֚י (ki) = want | הַנֹּגֵ֣עַ (hanogea) = wie aanraakt | בָּכֶ֔ם (bakhem) = jullie | נֹגֵ֖עַ (nogea) = raakt aan | בְּבָבַ֥ת (bevavat) = de oogappel van | עֵינֽוֹ (eino) = Zijn oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחַר כָּבוֹד שְׁלָחַנִי (achar kavod shelachani), ‘na heerlijkheid heeft Hij mij gezonden’: een moeilijke zin. Letterlijk staat er: ‘achter heerlijkheid heeft Hij mij gezonden naar de volken’. Men leest het onder meer als ‘om Zijn heerlijkheid te tonen’, ‘nadat Zijn heerlijkheid is getoond’ of ‘na de eer’. De betekenis is onzeker. Wij houden de woorden zo letterlijk mogelijk. Voetnoot : שְׁלָחַנִי (shelachani), ‘Hij heeft mij gezonden’: de spreker is hier niet Yahweh, maar degene die door Yahweh wordt gezonden. Dit kan de man met het meetsnoer zijn, de engel of de profeet; het Hebreeuws zegt het niet. Daarom staan de woorden van dit vers en de woorden ‘Yahweh van de legermachten heeft mij gezonden’ in de verzen 13 en 15 zwart. Dezelfde zin staat in 4:9 en 6:15. Voetnoot : בְּבָבַת עֵינוֹ (bevavat eino), ‘de oogappel van Zijn oog’: het zwarte middelste deel van het oog, dat men met zorg beschermt. Zie ook Deut. 32:10 en Ps. 17:8. ‘Zijn’ verwijst waarschijnlijk naar Yahweh; het Hebreeuws zegt het niet met zoveel woorden. Zie ook: Deut 32:10; Ps 17:8; Joh 14:26; Joh 15:21–23; 2 Tess 1:6 **2:13** **„Want zie, Ik zwaai Mijn hand over hen, en zij worden buit voor hun slaven.”** Dan zullen jullie weten dat Yahweh van de legermachten mij gezonden heeft. Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | מֵנִ֤יף (menif) = zwaai | אֶת (et) = (obj.) | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | שָׁלָ֖ל (shalal) = buit | לְעַבְדֵיהֶ֑ם (leavdeihem) = voor hun slaven | וִֽידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁלָחָֽנִי (shelachani) = heeft mij gezonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵנִיף אֶת יָדִי (menif et yadi), ‘Ik zwaai Mijn hand’: een beweging waarmee Yahweh de volken treft. Zie ook Jes. 11:15 en 19:16. Voetnoot : Het eerste deel van het vers is een woord van Yahweh in de eerste persoon en staat rood. Het tweede deel (‘Dan zullen jullie weten …’) spreekt over Yahweh in de derde persoon en over ‘mij’ als gezondene; het staat zwart (zie de uitleg bij vers 12). Zie ook: Jes 11:15; Jes 14:2; Jes 19:16; Ezech 39:10; Zach 2:12; Zach 4:9; Zach 6:15 ### Jubel, Dochter Sion **2:14** **„Jubel en verheug je, Dochter Sion, want zie, Ik kom en Ik zal in je midden wonen, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: רָנִּ֥י (rani) = jubel | וְשִׂמְחִ֖י (vesimchi) = en verheug je | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֑וֹן (tsiyon) = Sion | כִּ֧י (ki) = want | הִנְנִי (hinni) = zie Ik | בָ֛א (ba) = kom | וְשָׁכַנְתִּ֥י (veshakhanti) = en Ik zal wonen | בְתוֹכֵ֖ךְ (betokhekh) = in je midden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem en haar inwoners als een jonge vrouw voorgesteld. Wij houden ‘Dochter Sion’ als vaste naam. Zie ook Jes. 1:8. Voetnoot : וְשָׁכַנְתִּי בְּתוֹכֵךְ (veshakhanti betokhekh), ‘en Ik zal in je midden wonen’: het werkwoord שָׁכַן (shakan) hoort bij de ‘woning’ (mishkan, de tabernakel) en bij de aanwezigheid van Yahweh (Exod. 25:8, 29:45). Zie ook vers 15. Zie ook: Ex 25:8; Ex 29:45; Jes 1:8; Sef 3:14–15; Zach 2:15; Zach 8:3; Zach 9:9; Mat 28:20; Joh 1:14 **2:15** **Op die dag zullen vele volken zich voegen bij Yahweh en voor Mij tot een volk zijn. Ik zal in je midden wonen.”** Dan zul je weten dat Yahweh van de legermachten mij naar jou gezonden heeft. Brontekst: וְנִלְווּ֩ (venilvu) = en zullen zich voegen | גוֹיִ֨ם (goyim) = volken | רַבִּ֤ים (rabim) = vele | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַה֔וּא (hahu) = die | וְהָ֥יוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לִ֖י (li) = voor Mij | לְעָ֑ם (leam) = tot een volk | וְשָׁכַנְתִּ֣י (veshakhanti) = en Ik zal wonen | בְתוֹכֵ֔ךְ (betokhekh) = in je midden | וְיָדַ֕עַתְּ (veyadaat) = en je zult weten | כִּי (ki) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁלָחַ֥נִי (shelachani) = heeft mij gezonden | אֵלָֽיִךְ (elayikh) = tot jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִלְווּ גּוֹיִם רַבִּים אֶל יְהוָה (venilvu goyim rabbim el Yahweh), ‘vele volken zullen zich bij Yahweh voegen’: de volken worden deel van Yahweh’s volk. Vergelijk 8:20–23 en Jes. 56:6–8. Voetnoot : Yahweh spreekt hier over Zichzelf ook in de derde persoon (‘zich voegen bij Yahweh’); dat gebeurt vaker binnen Zijn eigen woorden, zie Jes. 6:12. Daarom blijft het vers tot en met ‘wonen’ rood. Zie ook: Jes 6:12; Jes 45:14; Jes 56:6–8; Luc 2:32; Hand 28:28; 1 Petr 2:9–10; Openb 11:15 **2:16** Yahweh zal Juda erven als Zijn deel, op heilige grond, en Hij zal Jeruzalem opnieuw kiezen. Brontekst: וְנָחַ֨ל (venachal) = en zal erven | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | חֶלְק֔וֹ (chelqo) = als zijn deel | עַ֖ל (al) = op | אַדְמַ֣ת (admat) = het land van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = heiligheid | וּבָחַ֥ר (uvachar) = en zal kiezen | ע֖וֹד (od) = nog | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וְנָחַל יְהוָה אֶת יְהוּדָה חֶלְקוֹ (venachal Yahweh et Yehudah chelqo), ‘Yahweh zal Juda erven als Zijn deel’: Yahweh neemt Juda in bezit als Zijn erfdeel. Het werkwoord betekent ‘in bezit nemen’ of ‘als erfdeel krijgen’. Voetnoot : אַדְמַת הַקֹּדֶשׁ (admat haqodesh), ‘heilige grond’: het land heet zo omdat Yahweh er woont. Vergelijk Exod. 3:5. Voetnoot : וּבָחַר עוֹד (uvachar od), ‘en Hij zal opnieuw kiezen’: zie de uitleg bij 1:17. Zie ook: Ex 3:5; Ex 19:5–6; Deut 32:9; Ps 33:12; Jer 10:16; Zach 1:17 **2:17** Wees stil, alle vlees, voor het aangezicht van Yahweh, want Hij is opgestaan uit Zijn heilige woning. Brontekst: הַ֥ס (has) = wees stil | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | נֵע֖וֹר (neor) = Hij is opgestaan | מִמְּע֥וֹן (mimeon) = uit de woning van | קָדְשֽׁוֹ (qadesho) = Zijn heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַס (has), ‘wees stil’: een korte roep tot stilte voor het ontzag van Yahweh. Zie ook Hab. 2:20 en Sef. 1:7. Voetnoot : כָּל בָּשָׂר (kol basar), ‘alle vlees’: alle mensen, de hele mensheid. Voetnoot : נֵעוֹר (ne’or), ‘Hij is opgestaan’: letterlijk ‘Hij is wakker geworden’ of ‘Hij heeft Zich opgericht’, alsof Yahweh na een tijd van rust ingrijpt. מְעוֹן קָדְשׁוֹ (me’on qodsho), ‘Zijn heilige woning’: de hemel, zoals in Deut. 26:15. Zie ook: Deut 26:15; Ps 46:11; Ps 68:6; Ps 78:65; Sef 1:7; Hab 2:20 ## Zacharia 3 _Jozua, de hogepriester, voor de engel van Yahweh_ ### Vierde visioen: Jozua en de satan **3:1** Hij liet mij Jozua, de hogepriester, zien. Hij stond voor de engel van Yahweh, en de satan stond aan zijn rechterhand om hem te beschuldigen. Brontekst: וַיַּרְאֵ֗נִי (vayareni) = en liet mij zien | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | עֹמֵ֕ד (omed) = staande | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהַשָּׂטָ֛ן (vehasatan) = en de satan | עֹמֵ֥ד (omed) = staande | עַל (al) = aan | יְמִינ֖וֹ (yemino) = zijn rechterhand | לְשִׂטְנֽוֹ (lesitno) = om hem te beschuldigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹשֻׁעַ (Yehoshua), ‘Jozua’: de hogepriester, de zoon van Jehozadak (Hag. 1:1; 1 Kron. 5:40–41). In Ezra en Nehemia heet hij Jesua, een kortere vorm van dezelfde naam. Wij schrijven hier ‘Jozua’, zoals de naam in het Hebreeuws staat. Voetnoot : הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakkohen haggadol), ‘de hogepriester’: letterlijk ‘de grote priester’, zoals in Lev. 21:10. Voetnoot : הַשָּׂטָן (hasatan), ‘de satan’: met het lidwoord; het woord betekent ‘tegenstander’ of ‘aanklager’. Zo staat het ook in Job 1:6, 2:1. In 1 Kron. 21:1 staat het zonder lidwoord, ‘een satan’. Hier staat de satan rechts van Jozua, de plaats van de aanklager voor de rechter (vergelijk Ps. 109:6). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Hij’ in ‘Hij liet mij zien’ is. Waarschijnlijk is het de engel die met Zacharia sprak (zie 1:9). Voetnoot : Het visioen is het vierde van de acht visioenen. Zie ook: Job 1:6; Job 2:1–8; Lev 21:10; 1 Kron 5:40–41; 1 Kron 21:1; Ps 109:6; Hag 1:1; Luc 22:31; 1 Petr 5:8; Openb 12:9–10 **3:2** Yahweh zei tegen de satan: **„Moge Yahweh je bestraffen, satan. Ja, moge Yahweh je bestraffen, Hij die Jeruzalem kiest. Is deze niet een brandhout, uit het vuur bevrijd?”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | הַשָּׂטָ֗ן (hasatan) = de satan | יִגְעַ֨ר (yigar) = moge bestraffen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | בְּךָ֙ (bekha) = jou | הַשָּׂטָ֔ן (hasatan) = satan | וְיִגְעַ֤ר (veyigar) = en moge bestraffen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּךָ֔ (bekha) = jou | הַבֹּחֵ֖ר (habocher) = die kiest | בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = Jeruzalem | הֲל֧וֹא (halo) = is niet | זֶ֦ה (ze) = deze | א֖וּד (ud) = een brandhout | מֻצָּ֥ל (mutsal) = bevrijd | מֵאֵֽשׁ (meesh) = uit het vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יִגְעַר יְהוָה בְּךָ (yig’ar Yahweh bekha), ‘Moge Yahweh je bestraffen’: een verwensing of bevel. De spreker is Yahweh volgens het Hebreeuws (‘Yahweh zei tegen de satan’), maar Hij spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon, zoals in Jes. 6:12. Daarom staat het vers rood. Het kan ook gelezen worden als woord van de engel van Yahweh (vers 1); dan staat het zwart. Voetnoot : הַבֹּחֵר בִּירוּשָׁלִַם (habbochér bi-Yerushalaim), ‘Hij die Jeruzalem kiest’: zie 1:17 en 2:16. Voetnoot : אוּד מֻצָּל מֵאֵשׁ (ud mutsal me’esh), ‘een brandhout, uit het vuur bevrijd’: een stuk hout dat uit de vlammen is getrokken voordat het geheel verbrandt. Vergelijk Amos 4:11. Het beeld is Jozua, en met hem het volk, dat uit de ballingschap is gered. Zie ook: Amos 4:11; Jes 6:12; Zach 3:1; Rom 8:33; Jud 1:9; Jud 1:23; 1 Joh 3:8 **3:3** Jozua was gekleed in vuile kleren en stond voor de engel. Brontekst: וִיהוֹשֻׁ֕עַ (vihoshua) = en Jozua | הָיָ֥ה (haya) = was | לָבֻ֖שׁ (lavush) = gekleed in | בְּגָדִ֣ים (begadim) = kleren | צוֹאִ֑ים (tsoim) = vuile | וְעֹמֵ֖ד (veomed) = en stond | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַמַּלְאָֽךְ (hamalakh) = de engel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צוֹאִים (tso’im), ‘vuile’: het woord komt van een zelfstandig naamwoord dat ‘uitwerpselen’ betekent. De kleren zijn dus zeer vuil. Het beeld is de schuld van Jozua en zijn volk (vers 4). Zie ook: Jes 64:5; Ezra 9:15; Zach 3:4; Mat 22:11–13; Openb 7:13–14; Openb 19:8 ### De vuile kleren worden weggenomen **3:4** Hij antwoordde en zei tegen hen die voor hem stonden: „Doe de vuile kleren van hem uit.” Tegen hem zei hij: **„Zie, Ik heb je schuld van je weggenomen. Ik kleed je in feestgewaden.”** Brontekst: וַיַּ֣עַן (vayaan) = en hij antwoordde | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tegen | הָעֹמְדִ֤ים (haomedim) = die stonden | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | הָסִ֛ירוּ (hasiru) = verwijder | הַבְּגָדִ֥ים (habegadim) = de kleren | הַצֹּאִ֖ים (hatsoim) = de vuile | מֵעָלָ֑יו (mealav) = van hem | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | רְאֵ֨ה (ree) = zie | הֶעֱבַ֤רְתִּי (heevarti) = ik heb weggenomen | מֵעָלֶ֨יךָ֙ (mealeikha) = van je | עֲוֺנֶ֔ךָ (avonekha) = je schuld | וְהַלְבֵּ֥שׁ (vehalbesh) = en kleden | אֹתְךָ֖ (otekha) = je | מַחֲלָצֽוֹת (machalatsot) = in feestgewaden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲוֺנֶךָ (avonekha), ‘je schuld’: zie ook 3:9. De vuile kleren zijn het teken van de schuld. Als de schuld wordt weggenomen, krijgt Jozua nieuwe kleren. Voetnoot : הֶעֱבַרְתִּי (he’evarti), ‘Ik heb weggenomen’: letterlijk ‘Ik heb laten voorbijgaan’. Hier spreekt de engel van Yahweh in de eerste persoon namens Yahweh; daarom staat dit deel rood. Het bevel ‘Doe de vuile kleren van hem uit’ is een gewoon bevel en staat zwart. Voetnoot : וְהַלְבֵּשׁ (vehalbesh), ‘en je te kleden’: een werkwoordsvorm zonder persoon, die hier als vervolg op ‘Ik heb weggenomen’ staat. Wij vertalen ‘Ik kleed je’. Voetnoot : מַחֲלָצוֹת (machalatsot), ‘feestgewaden’: kostbare kleren, zoals in Jes. 3:22. Zie ook: Jes 3:22; Jes 61:10; Ezech 36:25; Luc 15:22; Openb 7:14; Openb 19:7–8 **3:5** Ik zei: „Laat hen een reine tulband op zijn hoofd zetten.” Zij zetten de reine tulband op zijn hoofd en kleedden hem in kleren. De engel van Yahweh stond erbij. Brontekst: וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | יָשִׂ֛ימוּ (yasimu) = laten zij zetten | צָנִ֥יף (tsanif) = een tulband | טָה֖וֹר (tahor) = rein | עַל (al) = op | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיָּשִׂימוּ֩ (vayasimu) = en zij zetten | הַצָּנִ֨יף (hatsanif) = de tulband | הַטָּה֜וֹר (hatahor) = de reine | עַל (al) = op | רֹאשׁ֗וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיַּלְבִּשֻׁ֨הוּ֙ (vayalbishuhu) = en zij kleedden hem | בְּגָדִ֔ים (begadim) = in kleren | וּמַלְאַ֥ךְ (umalakh) = en de engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֹמֵֽד (omed) = stond erbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָאֹמַר (va’omar), ‘en ik zei’: Zacharia grijpt zelf in. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : הַצָּנִיף הַטָּהוֹר (hatstsanif hattahor), ‘de reine tulband’: het hoofdkleed van de hogepriester. Het hoofdkleed van de hogepriester heet elders מִצְנֶפֶת (mitsnefet), zie Exod. 28:4, 28:39 en Lev. 8:9. In Jes. 62:3 staat hetzelfde woord צָנִיף (tsanif) voor een ‘koninklijke tulband’. Zie ook: Job 29:14; Ex 28:4; Ex 28:39; Ex 29:6; Lev 8:6–9; Lev 8:9; Jes 62:3; Zach 6:11; Openb 5:8–14 ### De belofte aan Jozua **3:6** De engel van Yahweh betuigde plechtig tegen Jozua: Brontekst: וַיָּ֨עַד֙ (vayaad) = en betuigde plechtig | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בִּיהוֹשֻׁ֖עַ (bihoshua) = tegen Jozua | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּעַד (vaya’ad), ‘betuigde plechtig’: het werkwoord betekent ‘ernstig waarschuwen’ of ‘plechtig getuigen’, bijvoorbeeld in Gen. 43:3. De engel zegt de woorden van Yahweh plechtig aan Jozua. Zie ook: Gen 43:3; Ex 23:20–21; Hos 12:5; Jer 11:7; Zach 3:1; Hand 7:35–38 **3:7** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Als je op Mijn wegen gaat en Mijn opdracht bewaakt, dan zul jij over Mijn huis oordelen. Ook zul jij Mijn voorhoven bewaken. Dan geef Ik je toegang tussen hen die hier staan.** Brontekst: כֹּה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אִם (im) = als | בִּדְרָכַ֤י (bidrakhay) = op Mijn wegen | תֵּלֵךְ֙ (telekh) = je gaat | וְאִ֣ם (veim) = en als | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמַרְתִּ֣י (mishmarti) = Mijn opdracht | תִשְׁמֹ֔ר (tishmor) = je bewaakt | וְגַם (vegam) = en ook | אַתָּה֙ (ata) = jij | תָּדִ֣ין (tadin) = zult oordelen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּיתִ֔י (beiti) = Mijn huis | וְגַ֖ם (vegam) = en ook | תִּשְׁמֹ֣ר (tishmor) = zult bewaken | אֶת (et) = (obj.) | חֲצֵרָ֑י (chatseray) = Mijn voorhoven | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal geven | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | מַהְלְכִ֔ים (mahlekhim) = toegang | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָעֹמְדִ֖ים (haomedim) = die staan | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמַרְתִּי (mishmarti), ‘Mijn opdracht’: wat Yahweh te bewaken heeft opgedragen. Het is het woord van de dienst van de priesters (Num. 3:7–8, 18:5). Voetnoot : תָּדִין (tadin), ‘zult oordelen’: het werkwoord betekent recht spreken en besturen. Jozua krijgt gezag over het huis (de tempel). Voetnoot : מהלכים (mahlekhim), ‘toegang’: letterlijk ‘gangen’ of ‘wandelaars’. Het woord is zeldzaam; hier betekent het waarschijnlijk dat Jozua toegang krijgt tussen hen die voor Yahweh staan, de engelen (vers 4). De betekenis is een aanname. Voetnoot : ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat zwart; wat daarna komt rood, ook als de engel de woorden brengt. Zie ook: Gen 26:5; Num 3:7–8; Num 18:5; Ezech 44:15–16; Zach 3:4; Mat 19:28; 1 Tim 6:13–14; 2 Tim 4:1–2 ### Mijn knecht, de Spruit **3:8** **Luister toch, Jozua, hogepriester, jij en je metgezellen die voor je zitten: zij zijn mannen van een teken. Want zie, Ik laat Mijn knecht komen, de Spruit.** Brontekst: שְֽׁמַֽע (shema) = luister | נָ֞א (na) = toch | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֗וֹל (hagadol) = de grote | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְרֵעֶ֨יךָ֙ (vereeikha) = en je metgezellen | הַיֹּשְׁבִ֣ים (hayoshevim) = die zitten | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor jou | כִּֽי (ki) = want | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | מוֹפֵ֖ת (mofet) = een teken | הֵ֑מָּה (hema) = zij | כִּֽי (ki) = want | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Ik | מֵבִ֛יא (mevi) = breng | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדִּ֖י (avdi) = Mijn knecht | צֶֽמַח (tsemach) = Spruit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי מוֹפֵת (anshei mofet), ‘mannen van een teken’: mannen die een voorteken zijn van wat komt. Vergelijk Jes. 8:18 en Ezech. 12:11. Voetnoot : עַבְדִּי צֶמַח (avdi Tsemach), ‘Mijn knecht, de Spruit’: צֶמַח (tsemach) is wat uit de grond opkomt. Wie ermee bedoeld wordt, zegt het Hebreeuws niet. In 6:12 wordt een man met die naam genoemd, en vergelijk Jes. 4:2, Jer. 23:5 en 33:15. Wij schrijven ‘Spruit’ met hoofdletter, omdat het hier een naam of titel lijkt; in Jes. 4:2 en Jer. 23:5 staat ‘spruit’ met kleine letter. ‘Knecht’ (eved) staat met kleine letter, zoals bij ‘mijn knecht’ elders. Zie ook: Jes 4:2; Jes 8:18; Jes 11:1; Jes 53:2; Jer 23:5; Jer 33:15; Ezech 12:11; Zach 6:12 ### De steen met zeven ogen **3:9** **Want zie, de steen die Ik voor Jozua heb gelegd: op die ene steen zijn zeven ogen. Zie, Ik graveer zijn inscriptie, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Ik neem de schuld van dat land weg, op één dag.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | הָאֶ֗בֶן (haeven) = de steen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נָתַ֨תִּי֙ (natati) = Ik heb gelegd | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | עַל (al) = op | אֶ֥בֶן (even) = steen | אַחַ֖ת (achat) = één | שִׁבְעָ֣ה (shiva) = zeven | עֵינָ֑יִם (einayim) = ogen | הִנְנִ֧י (hinni) = zie Ik | מְפַתֵּ֣חַ (mefateach) = graveer | פִּתֻּחָ֗הּ (pituchah) = zijn inscriptie | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וּמַשְׁתִּ֛י (umashti) = en Ik zal wegnemen | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺ֥ן (avon) = de schuld van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land | הַהִ֖יא (hahi) = dat | בְּי֥וֹם (beyom) = op dag | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֶבֶן (ha’even), ‘de steen’: het Hebreeuws zegt niet welke steen het is. Men denkt aan een kostbare steen op het hoofdkleed van de hogepriester, een hoeksteen of de steen van 4:7 en 4:10. Wij laten het open. Voetnoot : שִׁבְעָה עֵינָיִם (shiv’ah einayim), ‘zeven ogen’: ‘ogen’ kan ook ‘bronnen’ of ‘facetten’ betekenen. In 4:10 zijn de zeven de ogen van Yahweh. Voetnoot : מְפַתֵּחַ פִּתֻּחָהּ (mefattéach pittuchah), ‘Ik graveer zijn inscriptie’: het werkwoord is hetzelfde als in Exod. 28:9, 28:11, 28:36, de graveringen op de stenen en de plaat van de hogepriester. Zie ook: Ex 28:9; Ex 28:11; Ex 28:36; Ps 118:22; Jes 28:16; Jer 50:20; Zach 4:10; Openb 5:6 **3:10** **Op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, zullen jullie ieder je naaste uitnodigen onder de wijnstok en onder de vijgenboom.”** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַה֗וּא (hahu) = die | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | תִּקְרְא֖וּ (tiqreu) = zullen jullie roepen | אִ֣ישׁ (ish) = een man | לְרֵעֵ֑הוּ (lereehu) = zijn naaste | אֶל (el) = naar | תַּ֥חַת (tachat) = onder | גֶּ֖פֶן (gefen) = een wijnstok | וְאֶל (veel) = en naar | תַּ֥חַת (tachat) = onder | תְּאֵנָֽה (teena) = een vijgenboom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּקְרְאוּ אִישׁ לְרֵעֵהוּ (tiqre’u ish lere’ehu), ‘jullie zullen ieder je naaste uitnodigen’: letterlijk ‘jullie zullen roepen, een man tot zijn naaste’. Voetnoot : תַּחַת גֶּפֶן וְאֶל תַּחַת תְּאֵנָה (tachat gefen ve’el tachat te’enah), ‘onder de wijnstok en onder de vijgenboom’: een beeld van vrede en veiligheid. Zie 1 Kon. 5:5 (Hebr.) en Micha 4:4. Zie ook: 1 Kon 5:5; Hos 2:20; Mi 4:4; Zach 2:15; Joh 1:45–48 ## Zacharia 4 _De gouden kandelaar en de twee olijfbomen_ ### Vijfde visioen: de gouden kandelaar **4:1** De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij, zoals iemand wordt gewekt uit zijn slaap. Brontekst: וַיָּ֕שָׁב (vayashav) = en kwam terug | הַמַּלְאָ֖ךְ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֣ר (hadover) = die sprak | בִּ֑י (bi) = met mij | וַיְעִירֵ֕נִי (vayireni) = en wekte mij | כְּאִ֖ישׁ (keish) = zoals een man | אֲשֶׁר (asher) = die | יֵע֥וֹר (yeor) = wordt gewekt | מִשְּׁנָתֽוֹ (mishenato) = uit zijn slaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְעִירֵנִי (vaye’irení), ‘en wekte mij’: De engel wekt Zacharia, alsof hij in slaap was gevallen, voor het volgende visioen. Het is het vijfde van de acht visioenen. Zie ook: Jer 31:26; Dan 8:18; Zach 1:9; Zach 2:2; Zach 2:7 **4:2** Hij zei tegen mij: „Wat zie je?” Ik zei: „Ik zie een kandelaar, helemaal van goud, met een schaal boven op zijn top. Zijn zeven lampen staan erop, en zeven en zeven gietbuizen zijn er voor de lampen die boven op zijn top staan. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | מָ֥ה (ma) = wat | אַתָּ֖ה (ata) = jij | רֹאֶ֑ה (roe) = ziet | וָאֹמַ֡ר (vaomar) = en ik zei | רָאִ֣יתִי (raiti) = ik heb gezien | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | מְנוֹרַת֩ (menorat) = een kandelaar van | זָהָ֨ב (zahav) = goud | כֻּלָּ֜הּ (kulah) = geheel | וְגֻלָּ֣הּ (vegulah) = en zijn schaal | עַל (al) = boven | רֹאשָׁ֗הּ (roshah) = zijn top | וְשִׁבְעָ֤ה (veshiva) = en zeven | נֵרֹתֶ֨יהָ֙ (neroteiha) = zijn lampen | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erop | שִׁבְעָ֤ה (shiva) = zeven | וְשִׁבְעָה֙ (veshiva) = en zeven | מֽוּצָק֔וֹת (mutsaqot) = gietbuizen | לַנֵּר֖וֹת (lanerot) = voor de lampen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עַל (al) = boven | רֹאשָֽׁהּ (roshah) = zijn top Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְנוֹרַת זָהָב (menorat zahav), ‘een kandelaar van goud’: de zevenarmige kandelaar van de tabernakel is beschreven in Exod. 25:31–40. De kandelaar die Zacharia ziet, heeft daarnaast een schaal en twee olijfbomen. Voetnoot : גֻּלָּה (gullah), ‘schaal’: een vat boven op de kandelaar, waaruit de olie naar de lampen vloeit. Voetnoot : שִׁבְעָה וְשִׁבְעָה מוּצָקוֹת (shiv’ah veshiv’ah mutsaqot), ‘zeven en zeven gietbuizen’: de uitdrukking kan betekenen dat elke lamp zeven gietbuizen had, of dat er in totaal veertien buizen waren. Wij houden de woorden letterlijk. מוּצָקוֹת (mutsaqot) komt van het werkwoord ‘gieten’; het zijn buisjes waardoor de olie loopt. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is ויאמר (vayyomer), ‘en hij zei’. De te lezen vorm (qere) is וָאֹמַר (va’omar), ‘en ik zei’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 25:31–38; Zach 5:2; Mat 5:14–16; Openb 1:12; Openb 4:5 **4:3** Daarbij twee olijfbomen: één rechts van de schaal en één aan de linkerkant ervan.” Brontekst: וּשְׁנַ֥יִם (ushenayim) = en twee | זֵיתִ֖ים (zeitim) = olijfbomen | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = erbij | אֶחָד֙ (echad) = één | מִימִ֣ין (mimin) = rechts van | הַגֻּלָּ֔ה (hagula) = de schaal | וְאֶחָ֖ד (veechad) = en één | עַל (al) = aan | שְׂמֹאלָֽהּ (semolah) = zijn linkerkant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁנַיִם זֵיתִים (shenayim zeitim), ‘twee olijfbomen’: olijfolie was de brandstof van de lampen. De bomen zijn de bron van de olie. Zie vers 11–14. Zie ook: Zach 4:11–12; Zach 4:14; Rom 11:17; Rom 11:24; Openb 11:4 **4:4** Ik antwoordde en zei tegen de engel die met mij sprak: „Wat zijn dit, mijn heer?” Brontekst: וָאַ֨עַן֙ (vaaan) = en ik antwoordde | וָֽאֹמַ֔ר (vaomar) = en zei | אֶל (el) = tot | הַמַּלְאָ֛ךְ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֥ר (hadover) = die sprak | בִּ֖י (bi) = met mij | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | מָה (ma) = wat | אֵ֖לֶּה (ele) = zijn dit | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: aanspreking van de engel, met kleine letter; zie de uitleg bij 1:9. Zie ook: Dan 12:8; Zach 1:9; Zach 5:6; Zach 6:4; Mat 13:36 **4:5** De engel die met mij sprak, antwoordde en zei tegen mij: „Weet je niet wat dit is?” Ik zei: „Nee, mijn heer.” Brontekst: וַ֠יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | הַמַּלְאָ֞ךְ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֥ר (hadover) = die sprak | בִּי֙ (bi) = met mij | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | הֲל֥וֹא (halo) = niet | יָדַ֖עְתָּ (yadata) = weet je | מָה (ma) = wat | הֵ֣מָּה (hema) = zijn zij | אֵ֑לֶּה (ele) = dit | וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | לֹ֥א (lo) = nee | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲלוֹא יָדַעְתָּ (halo yada’ta), ‘weet je niet’: de engel verwacht dat Zacharia het weet, of hij maakt hem nieuwsgierig. Hetzelfde staat in vers 13. Zie ook: Gen 41:16; Ps 139:6; Zach 4:13; Mar 4:13; 1 Kor 2:12–15 ### Niet door macht, maar door Mijn Geest **4:6** Hij antwoordde en zei tegen mij: „Dit is het woord van Yahweh aan Zerubbabel: **‘Niet door macht en niet door kracht, maar door Mijn Geest’, zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וַיַּ֜עַן (vayaan) = en hij antwoordde | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלַי֙ (elay) = tegen mij | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | זֶ֚ה (ze) = dit | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | זְרֻבָּבֶ֖ל (zerubavel) = Zerubbabel | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | לֹ֤א (lo) = niet | בְחַ֨יִל֙ (bechayil) = door macht | וְלֹ֣א (velo) = en niet | בְכֹ֔חַ (bekhoach) = door kracht | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | בְּרוּחִ֔י (beruchi) = door Mijn Geest | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶה דְּבַר יְהוָה אֶל זְרֻבָּבֶל (zeh devar Yahweh el Zerubbavel), ‘dit is het woord van Yahweh aan Zerubbabel’: Zerubbabel is de zoon van Sjealtiël (Ezra 3:2, Hag. 1:1), een afstammeling van David, landvoogd van Juda. Zie ook 1 Kron. 3:19 (waar hij een zoon van Pedaja heet). Voetnoot : לֹא בְחַיִל וְלֹא בְכֹחַ (lo vechayil velo vekhoach), ‘niet door macht en niet door kracht’: חַיִל (chayil) is macht, soms legermacht; כֹּחַ (koach) is kracht. De spreuk zegt dat de herbouw niet door menselijk vermogen, maar door de Geest van Yahweh gebeurt. Voetnoot : רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: wij schrijven de Geest van Yahweh met hoofdletter, zoals elders in de profeten. Voetnoot : De engel spreekt hier zwart; het woord van Yahweh aan Zerubbabel (‘Mijn Geest’, ‘zegt Yahweh van de legermachten’) staat rood. Zie ook: 1 Kron 3:19; Ps 33:16; 2 Kron 32:7–8; Jes 11:2–4; Ezra 3:2; Hag 1:1; 1 Kor 2:4–5; 2 Kor 10:4–5 **4:7** **‘Wie ben jij, grote berg? Voor Zerubbabel word je een vlakte. Hij zal de bovenste steen naar voren brengen onder gejuich: genade, genade voor haar!’**” Brontekst: מִֽי (mi) = wie | אַתָּ֧ה (ata) = jij | הַֽר (har) = berg | הַגָּד֛וֹל (hagadol) = de grote | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | זְרֻבָּבֶ֖ל (zerubavel) = Zerubbabel | לְמִישֹׁ֑ר (lemishor) = tot een vlakte | וְהוֹצִיא֙ (vehotsi) = en hij zal naar voren brengen | אֶת (et) = (obj.) | הָאֶ֣בֶן (haeven) = de steen | הָרֹאשָׁ֔ה (harosha) = de bovenste | תְּשֻׁא֕וֹת (teshuot) = gejuich van | חֵ֥ן (chen) = genade | חֵ֖ן (chen) = genade | לָֽהּ (lah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַר הַגָּדוֹל (har haggadol), ‘grote berg’: een beeld voor elke hindernis voor de herbouw. Voor Zerubbabel wordt de berg tot een vlakte (מִישׁוֹר, mishor), een egaal stuk land. Voetnoot : הָאֶבֶן הָרֹאשָׁה (ha’even harosha), ‘de bovenste steen’: de steen die de bouw afsluit, of de eerste steen. Het woord רֹאשָׁה (rosha) is zeldzaam; de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘de eerste steen’ betekenen. Voetnoot : תְּשֻׁאוֹת חֵן חֵן לָהּ (teshu’ot chen chen lah), ‘gejuich: genade, genade voor haar’: ‘haar’ is de steen of het huis. חֵן (chen) is ‘genade’ of ‘bevalligheid’. Voetnoot : Dit vers is een voortzetting van de woorden van Yahweh uit vers 6 en staat rood. Zie ook: Ps 114:4; Ps 118:22; Mi 4:1; Jer 51:25; Zach 4:6; Zach 4:9 ### Zerubbabel zal het huis voltooien **4:8** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:9** **„De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, en zijn handen zullen het voltooien.”** Dan zul je weten dat Yahweh van de legermachten mij naar jullie gezonden heeft. Brontekst: יְדֵ֣י (yedei) = de handen van | זְרֻבָּבֶ֗ל (zerubavel) = Zerubbabel | יִסְּד֛וּ (yisedu) = hebben gegrondvest | הַבַּ֥יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | וְיָדָ֣יו (veyadav) = en zijn handen | תְּבַצַּ֑עְנָה (tevatsana) = zullen voltooien | וְיָ֣דַעְתָּ֔ (veyadata) = en je zult weten | כִּֽי (ki) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁלָחַ֥נִי (shelachani) = heeft mij gezonden | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = tot jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְסָדוּ (yissedu), ‘hebben gegrondvest’: Zerubbabel begon met de bouw van het huis (Ezra 3:8–10). Zie ook Hag. 2:18. Dit huis is de tempel. Voetnoot : תְּבַצַּעְנָה (tevatsa’nah), ‘zullen voltooien’: het werkwoord בָּצַע (batsa) betekent hier ‘afmaken’. Voetnoot : Het eerste deel van het vers is het woord van Yahweh uit vers 8 (rood). Het tweede deel (‘Dan zul je weten …’) is de zin met ‘mij … gezonden’: de spreker is de gezondene, niet Yahweh zelf, daarom zwart. Zie de uitleg bij 2:12. Zie ook: Ezra 3:8–10; Ezra 5:16; Ezra 6:14–15; Hag 2:18; Zach 4:8; Zach 6:12–13; Zach 6:15; Heb 12:2 **4:10** Want wie heeft de dag van kleine dingen veracht? Zij zullen zich verheugen en de steen van tin in de hand van Zerubbabel zien. Deze zeven zijn de ogen van Yahweh, die over heel de aarde rondgaan. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מִ֣י (mi) = wie | בַז֮ (baz) = heeft veracht | לְי֣וֹם (leyom) = de dag van | קְטַנּוֹת֒ (qetanot) = kleine dingen | וְשָׂמְח֗וּ (vesamechu) = en zij zullen zich verheugen | וְרָא֞וּ (verau) = en zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאֶ֧בֶן (haeven) = de steen | הַבְּדִ֛יל (habedil) = het tin | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | זְרֻבָּבֶ֖ל (zerubavel) = Zerubbabel | שִׁבְעָה (shiva) = zeven | אֵ֑לֶּה (ele) = deze | עֵינֵ֣י (einei) = de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֵ֥מָּה (hema) = zij | מְשׁוֹטְטִ֖ים (meshotetim) = die rondgaan | בְּכָל (bekhal) = over heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם קְטַנּוֹת (yom qetannot), ‘de dag van kleine dingen’: de dag waarop de bouw nog klein en zwak lijkt. Wie dacht dat het niets zou worden, zal zich verheugen. Voetnoot : הָאֶבֶן הַבְּדִיל (ha’even habbedil), ‘de steen van tin’: letterlijk ‘de steen, het tin’. Men denkt aan een schietlood of een lood- of tingewicht van de bouwer; de betekenis is onzeker. Wij laten de woorden letterlijk staan. Voetnoot : שִׁבְעָה אֵלֶּה עֵינֵי יְהוָה (shiv’ah elleh einei Yahweh), ‘deze zeven zijn de ogen van Yahweh’: verwijst waarschijnlijk naar de zeven lampen of naar de zeven ogen van 3:9. Zij zien alles op aarde. Vergelijk 2 Kron. 16:9. Zie ook: Job 8:7; 2 Kron 16:9; Hag 2:3; Mat 13:31–33; 1 Kor 1:28–29 ### De twee olijfbomen **4:11** Ik antwoordde en zei tegen hem: „Wat zijn deze twee olijfbomen aan de rechterkant van de kandelaar en aan zijn linkerkant?” Brontekst: וָאַ֖עַן (vaaan) = en ik antwoordde | וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en zei | אֵלָ֑יו (elav) = tegen hem | מַה (ma) = wat | שְּׁנֵ֤י (shenei) = twee | הַזֵּיתִים֙ (hazeitim) = de olijfbomen | הָאֵ֔לֶה (haele) = deze | עַל (al) = aan | יְמִ֥ין (yemin) = de rechterkant van | הַמְּנוֹרָ֖ה (hamenora) = de kandelaar | וְעַל (veal) = en aan | שְׂמֹאולָֽהּ (semovlah) = zijn linkerkant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַזֵּיתִים (hazzeitim), ‘de olijfbomen’: zie vers 3. Zacharia vraagt hier naar de olijfbomen. Hij herhaalt de vraag in vers 12; het antwoord volgt in vers 14. Zie ook: Zach 4:3; Zach 4:12; Zach 4:14; Openb 11:4 **4:12** Ik antwoordde een tweede keer en zei tegen hem: „Wat zijn de twee olijftakken, die bij de twee gouden buizen zijn en het goud uit zich laten stromen?” Brontekst: וָאַ֣עַן (vaaan) = en ik antwoordde | שֵׁנִ֔ית (shenit) = een tweede keer | וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en zei | אֵלָ֑יו (elav) = tegen hem | מַה (ma) = wat | שְׁתֵּ֞י (shetei) = twee | שִׁבֲּלֵ֣י (shibalei) = de aren van | הַזֵּיתִ֗ים (hazeitim) = de olijfbomen | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּיַ֗ד (beyad) = bij | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | צַנְתְּר֣וֹת (tsanterot) = buizen van | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | הַֽמְרִיקִ֥ים (hamriqim) = die leeg laten stromen | מֵעֲלֵיהֶ֖ם (mealeihem) = uit zich | הַזָּהָֽב (hazahav) = het goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁבְּלֵי (shibbele), ‘de aren van’: שִׁבֹּלֶת (shibbolet) is een aar van graan of een tak met trossen. Hier zijn het olijftakken. Wij vertalen ‘olijftakken’. Voetnoot : צַנְתְּרוֹת (tsantérot), ‘buizen’: een zeldzaam woord, alleen hier. Het zijn buizen waardoor de olie loopt. Voetnoot : הַזָּהָב (hazzahav), ‘het goud’: letterlijk ‘het goud’. Bedoeld wordt de gouden, glanzende olie die uit de takken stroomt. Wij laten het woord letterlijk staan. Zie ook: Hag 1:1; Mat 20:23; Openb 11:4 **4:13** Hij zei tegen mij: „Weet je niet wat dit is?” Ik zei: „Nee, mijn heer.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַי֙ (elay) = tegen mij | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | הֲל֥וֹא (halo) = niet | יָדַ֖עְתָּ (yadata) = weet je | מָה (ma) = wat | אֵ֑לֶּה (ele) = zijn dit | וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | לֹ֥א (lo) = nee | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲלוֹא יָדַעְתָּ (halo yada’ta): zie de uitleg bij vers 5. De engel noemt de uitleg nog niet; hij geeft hem in vers 14. Zie ook: Zach 4:5; Zach 4:14; Heb 5:11–12 **4:14** Hij zei: „Dit zijn de twee zonen van de olie, die staan bij de Heer van heel de aarde.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | בְנֵֽי (benei) = zonen van | הַיִּצְהָ֑ר (hayitshar) = de olie | הָעֹמְדִ֖ים (haomedim) = die staan | עַל (al) = bij | אֲד֥וֹן (adon) = de Heer van | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הַיִּצְהָר (bene hayyitshar), ‘zonen van de olie’: יִצְהָר (yitshar) is verse olie. ‘Zonen van de olie’ zijn mensen die met olie gezalfd zijn: waarschijnlijk Zerubbabel en Jozua, de leider en de hogepriester. Het Hebreeuws zegt het niet; wij laten de woorden staan. Voetnoot : אֲדוֹן כָּל הָאָרֶץ (adon kol ha’arets), ‘de Heer van heel de aarde’: een titel van Yahweh, ook in Jozua 3:11, Ps. 97:5 en Micha 4:13. Het is het woord אָדוֹן (adon), niet אֲדֹנָי (Adonai). Wij schrijven ‘Heer’ met hoofdletter, omdat het om Yahweh gaat. Zie ook 6:5. Zie ook: Ex 40:15; Joz 3:11; Ps 97:5; Jes 61:1–3; Mi 4:13; Dan 9:24–26; Zach 3:1–7; Openb 11:4 ## Zacharia 5 _De vliegende rol en de efa met de vrouw_ ### De vliegende rol **5:1** Ik sloeg opnieuw mijn ogen op en zag, en zie, een vliegende rol. Brontekst: וָאָשׁ֕וּב (vaashuv) = en ik keerde terug | וָאֶשָּׂ֥א (vaesa) = en ik sloeg op | עֵינַ֖י (einay) = mijn ogen | וָֽאֶרְאֶ֑ה (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | מְגִלָּ֥ה (megila) = een rol | עָפָֽה (afa) = vliegende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מגלה (megillah), ‘rol’: een geschreven boekrol, zoals in Jer. 36:2. Dit is het zesde van de acht visioenen. Het volgende, de efa met de vrouw (vers 5), is het zevende. Voetnoot : עפה (afah), ‘vliegende’: de rol zweeft in de lucht. Zie ook: Jes 8:1; Jer 36:1–6; Jer 36:2; Ezech 2:9–10; Zach 5:2; Zach 5:5; Openb 10:8–11 **5:2** Hij zei tegen mij: „Wat zie je?” Ik zei: „Ik zie een vliegende rol. Haar lengte is twintig el en haar breedte tien el.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | מָ֥ה (ma) = wat | אַתָּ֖ה (ata) = jij | רֹאֶ֑ה (roe) = ziet | וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | אֲנִ֤י (ani) = ik | רֹאֶה֙ (roe) = zie | מְגִלָּ֣ה (megila) = een rol | עָפָ֔ה (afa) = vliegende | אָרְכָּהּ֙ (arkah) = haar lengte | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in el | וְרָחְבָּ֖הּ (verachbah) = en haar breedte | עֶ֥שֶׂר (eser) = tien | בָּאַמָּֽה (baama) = in el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: באמה (ba’ammah), ‘in el’: de el (ammah) is een lengtemaat van ongeveer 45 tot 52 cm. Tien bij twintig el zijn dezelfde maten als van het voorportaal van de tempel van Salomo (1 Kon. 6:3). Het woord ‘el’ blijft in dit boek zonder omrekening. Zie ook: Gen 6:11–13; 1 Kon 6:3; Amos 7:8; Sef 1:14; Jer 1:11–14; Zach 4:2 **5:3** Hij zei tegen mij: „Dit is de vloek die over heel het land uitgaat. Want iedere dief wordt aan deze kant, zoals zij zegt, weggevaagd. En iedere zwerende wordt aan de andere kant, zoals zij zegt, weggevaagd. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | זֹ֚את (zot) = dit | הָֽאָלָ֔ה (haala) = de vloek | הַיּוֹצֵ֖את (hayotset) = die uitgaat | עַל (al) = over | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | כָל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | כִּ֣י (ki) = want | כָל (kal) = ieder | הַגֹּנֵ֗ב (hagonev) = de dief | מִזֶּה֙ (mize) = van deze kant | כָּמ֣וֹהָ (kamoha) = zoals zij | נִקָּ֔ה (niqa) = wordt weggevaagd | וְכָל (vekhal) = en ieder | הַנִּ֨שְׁבָּ֔ע (hanishba) = de zwerende | מִזֶּ֖ה (mize) = van deze kant | כָּמ֥וֹהָ (kamoha) = zoals zij | נִקָּֽה (niqa) = wordt weggevaagd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: האלה (ha’alah), ‘de vloek’: het woord kan ook ‘eed’ betekenen, de eed waaraan een vloek verbonden is. Voetnoot : נקה (niqqah), ‘wordt weggevaagd’: het werkwoord betekent meestal ‘vrij uitgaan, ongestraft blijven’ (Exod. 21:19), maar ook ‘leeggemaakt worden’ (Jes. 3:26). In deze zin gaat het om het wegvegen van de schuldige. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : מזה (mizzeh), ‘van deze kant’: de rol is waarschijnlijk aan twee kanten beschreven, aan de ene kant over de dief en aan de andere over wie een valse eed zweert. Het Hebreeuws zegt alleen ‘van dit’ en ‘zoals zij’. Zie ook: Ex 20:15; Ex 21:19; Jes 3:26; Jes 24:6; Jes 43:28; Jes 48:1; Jak 5:12 **5:4** **‘Ik heb haar uitgezonden, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Zij zal komen in het huis van de dief en in het huis van wie bij Mijn naam een valse eed zweert. Zij zal midden in zijn huis overnachten en het verteren, zijn hout en zijn stenen.’**” Brontekst: הוֹצֵאתִ֗יהָ (hotsetiha) = Ik heb haar uitgezonden | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וּבָ֨אָה֙ (uvaa) = en zij zal komen | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַגַּנָּ֔ב (haganav) = de dief | וְאֶל (veel) = en naar | בֵּ֛ית (beit) = het huis van | הַנִּשְׁבָּ֥ע (hanishba) = wie zweert | בִּשְׁמִ֖י (bishmi) = bij Mijn naam | לַשָּׁ֑קֶר (lashaqer) = valselijk | וְלָ֨נֶה֙ (velane) = en zij zal overnachten | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | וְכִלַּ֖תּוּ (vekhilatu) = en zij zal het verteren | וְאֶת (veet) = en | עֵצָ֥יו (etsav) = zijn hout | וְאֶת (veet) = en | אֲבָנָֽיו (avanav) = zijn stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נאם יהוה צבאות (ne’um Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie de Uitleg bij de eerste vermelding van de formule in dit boek (Zach. 1:3). De woorden staan rood, omdat Yahweh hier in de eerste persoon spreekt. De engel brengt ze over. Voetnoot : בשׁמי לשׁקר (bishmi lashaqer), ‘bij Mijn naam valselijk’: een eed bij de naam van Yahweh die niet waar is. Zie Lev. 19:12. Voetnoot : וכלתו (vekhaltu), ‘en zij zal het verteren’: de vloek verteert het huis volledig, tot hout en stenen toe. Zie ook: Lev 14:34–45; Lev 19:12; Spr 3:33; Hab 2:9–11; Zach 1:3; Mal 3:5; Jak 5:2–3 ### De efa met de vrouw **5:5** De engel die met mij sprak, kwam naar voren. Hij zei tegen mij: „Sla toch je ogen op en zie wat dit is, dat naar voren komt.” Brontekst: וַיֵּצֵ֕א (vayetse) = en kwam naar voren | הַמַּלְאָ֖ךְ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֣ר (hadover) = die sprak | בִּ֑י (bi) = met mij | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | שָׂ֣א (sa) = sla op | נָ֤א (na) = toch | עֵינֶ֨יךָ֙ (eineikha) = je ogen | וּרְאֵ֔ה (uree) = en zie | מָ֖ה (ma) = wat | הַיּוֹצֵ֥את (hayotset) = dat naar voren komt | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: המלאך הדבר בי (hamal’akh haddover bi), ‘de engel die met mij sprak’: de uitlegger uit de eerdere visioenen (Zach. 1:9; 2:2). Zie ook: Zach 1:9; Zach 1:14; Zach 2:2; Zach 2:7; Zach 4:5 **5:6** Ik zei: „Wat is het?” Hij zei: „Dit is de efa die naar voren komt.” En hij zei: „Dit is hun aanblik in heel het land.” Brontekst: וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | מַה (ma) = wat | הִ֑יא (hi) = het is | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | זֹ֤את (zot) = dit | הָֽאֵיפָה֙ (haeifa) = de efa | הַיּוֹצֵ֔את (hayotset) = die naar voren komt | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | זֹ֥את (zot) = dit | עֵינָ֖ם (einam) = hun oog | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: האיפה (ha’efah), ‘de efa’: een inhoudsmaat van ongeveer 22 liter (zie Jes. 5:10). Hier is het een mand of ton met een deksel. Voetnoot : עינם (eynam), ‘hun aanblik’: letterlijk ‘hun oog’. Het kan bedoeld zijn als ‘hun uiterlijk’, hoe zij in heel het land te zien zijn. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Amos 8:5; Jes 5:10; Ezech 44:10–11 **5:7** En zie, een loden schijf werd opgetild, en zie, daar zat één vrouw midden in de efa. Brontekst: וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | כִּכַּ֥ר (kikar) = een schijf van | עֹפֶ֖רֶת (oferet) = lood | נִשֵּׂ֑את (niset) = werd opgetild | וְזֹאת֙ (vezot) = en dit | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | אַחַ֔ת (achat) = één | יוֹשֶׁ֖בֶת (yoshevet) = zittend | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | הָאֵיפָֽה (haeifa) = de efa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ככר עפרת (kikkar oferet), ‘een loden schijf’: kikkar is een rond gewicht of een schijf. Hier is het het deksel van de efa. Lood is zwaar en sluit goed af. Zie ook: Hos 1:1–3; Jes 22:11; Jer 3:1–2; Ezech 23:1–49; Openb 17:1–18 **5:8** Hij zei: „Dit is de goddeloosheid.” Hij wierp haar in de efa en wierp de loden steen op de opening ervan. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | זֹ֣את (zot) = dit | הָרִשְׁעָ֔ה (harisha) = de goddeloosheid | וַיַּשְׁלֵ֥ךְ (vayashlekh) = en hij wierp | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | אֶל (el) = naar | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | הָֽאֵיפָ֑ה (haeifa) = de efa | וַיַּשְׁלֵ֛ךְ (vayashlekh) = en hij wierp | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֥בֶן (even) = de steen van | הָעֹפֶ֖רֶת (haoferet) = het lood | אֶל (el) = naar | פִּֽיהָ (piha) = haar opening Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הרשׁעה (harish’ah), ‘de goddeloosheid’: het woord is vrouwelijk, zoals de efa en de vrouw. De vrouw verbeeldt de goddeloosheid in het land. Zij wordt in de efa teruggedrukt en afgesloten. Zie ook: Ps 38:5; Spr 5:22; Mi 6:11; Klaagl 1:14; Mat 23:32 **5:9** Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie, twee vrouwen kwamen naar voren. Wind was in hun vleugels, want zij hadden vleugels als de vleugels van een ooievaar. Zij tilden de efa op tussen de aarde en de hemel. Brontekst: וָאֶשָּׂ֨א (vaesa) = en ik sloeg op | עֵינַ֜י (einay) = mijn ogen | וָאֵ֗רֶא (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּה֩ (vehine) = en zie | שְׁתַּ֨יִם (shetayim) = twee | נָשִׁ֤ים (nashim) = vrouwen | יֽוֹצְאוֹת֙ (yotseot) = die naar voren kwamen | וְר֣וּחַ (veruach) = en wind | בְּכַנְפֵיהֶ֔ם (bekhanfeihem) = in hun vleugels | וְלָהֵ֥נָּה (velahena) = en zij hadden | כְנָפַ֖יִם (kenafayim) = vleugels | כְּכַנְפֵ֣י (kekhanfei) = als vleugels van | הַחֲסִידָ֑ה (hachasida) = de ooievaar | וַתִּשֶּׂ֨אנָה֙ (vatisena) = en zij tilden op | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֵיפָ֔ה (haeifa) = de efa | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: החסידה (hachasidah), ‘de ooievaar’: zie Lev. 11:19. De ooievaar is een grote trekvogel met brede vleugels. De twee vrouwen worden door de wind gedragen. Zie ook: Lev 11:19; Deut 28:49; Hos 8:1; Dan 9:26–27; Mat 24:28 **5:10** Ik zei tegen de engel die met mij sprak: „Waarheen brengen zij de efa?” Brontekst: וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | אֶל (el) = tot | הַמַּלְאָ֖ךְ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֣ר (hadover) = die sprak | בִּ֑י (bi) = met mij | אָ֛נָה (ana) = waarheen | הֵ֥מָּה (hema) = zij | מֽוֹלִכ֖וֹת (molikhot) = brengen | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵיפָֽה (haeifa) = de efa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:11** Hij zei tegen mij: „Om voor haar een huis te bouwen in het land Sinear. Wanneer het gereed is, wordt zij daar neergezet op haar voetstuk.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | לִבְנֽוֹת (livnot) = om te bouwen | לָ֥הֿ (la) = voor haar | בַ֖יִת (bayit) = een huis | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | שִׁנְעָ֑ר (shinar) = Sinear | וְהוּכַ֛ן (vehukhan) = en het zal gereed zijn | וְהֻנִּ֥יחָה (vehunicha) = en zij zal worden neergezet | שָּׁ֖ם (sham) = daar | עַל (al) = op | מְכֻנָתָֽהּ (mekhunatah) = haar voetstuk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. Voetnoot Uitleg: שׁנער (Shin’ar), ‘Sinear’: de oude naam van het land rond Babel (Gen. 10:10; 11:2). In Zach. 5:11 is het de plaats waar de goddeloosheid haar eigen huis krijgt. Voetnoot : מכנתה (mekhunatah), ‘haar voetstuk’: de plaats waar iets op rust. Het woord is verwant met het werkwoord ‘gereedmaken’ (kun) in het vers. Zie ook: Gen 10:10; Gen 11:2; Gen 14:1; Jes 11:11; Dan 1:2 ## Zacharia 6 _De vier wagens en de kronen voor Jozua_ ### De vier wagens **6:1** Ik sloeg opnieuw mijn ogen op en zag, en zie, vier wagens kwamen naar voren tussen twee bergen. De bergen waren bergen van brons. Brontekst: וָאָשֻׁ֗ב (vaashuv) = en ik keerde terug | וָאֶשָּׂ֤א (vaesa) = en ik sloeg op | עֵינַי֙ (einay) = mijn ogen | וָֽאֶרְאֶ֔ה (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | אַרְבַּ֤ע (arba) = vier | מַרְכָּבוֹת֙ (markavot) = wagens | יֹֽצְא֔וֹת (yotseot) = die naar voren kwamen | מִבֵּ֖ין (mibein) = van tussen | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | הֶֽהָרִ֑ים (heharim) = de bergen | וְהֶהָרִ֖ים (veheharim) = en de bergen | הָרֵ֥י (harei) = bergen van | נְחֹֽשֶׁת (nechoshet) = brons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מרכבות (merkavot), ‘wagens’: oorlogswagens, die door paarden worden getrokken. Dit is het achtste visioen. Het begint net als het eerste (Zach. 1:8) met gekleurde paarden. Voetnoot : הרי נחשׁת (harei nechoshet), ‘bergen van brons’: het woord נְחֹשֶׁת (nechoshet) betekent ‘brons’ of ‘koper’. De beelden van de twee bergen worden niet uitgelegd. Zie ook: Dan 8:22; Zach 1:8; Zach 2:1–2; Zach 6:5; Hand 4:28; Ef 1:11 **6:2** Bij de eerste wagen waren rode paarden en bij de tweede wagen zwarte paarden. Brontekst: בַּמֶּרְכָּבָ֥ה (bamerkava) = bij de wagen | הָרִֽאשֹׁנָ֖ה (harishona) = de eerste | סוּסִ֣ים (susim) = paarden | אֲדֻמִּ֑ים (adumim) = rode | וּבַמֶּרְכָּבָ֥ה (uvamerkava) = en bij de wagen | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = de tweede | סוּסִ֥ים (susim) = paarden | שְׁחֹרִֽים (shechorim) = zwarte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Zach 1:8; Zach 6:6; Openb 6:2–6; Openb 12:3; Openb 17:3 **6:3** Bij de derde wagen waren witte paarden en bij de vierde wagen gevlekte, sterke paarden. Brontekst: וּבַמֶּרְכָּבָ֥ה (uvamerkava) = en bij de wagen | הַשְּׁלִשִׁ֖ית (hashelishit) = de derde | סוּסִ֣ים (susim) = paarden | לְבָנִ֑ים (levanim) = witte | וּבַמֶּרְכָּבָה֙ (uvamerkava) = en bij de wagen | הָרְבִעִ֔ית (hareviit) = de vierde | סוּסִ֥ים (susim) = paarden | בְּרֻדִּ֖ים (berudim) = gevlekte | אֲמֻצִּֽים (amutsim) = sterke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ברדים (beruddim), ‘gevlekte’: hetzelfde woord als in Gen. 31:10 en 31:12, waar het geiten beschrijft. אמצים (amutsim), ‘sterke’: het woord komt in vers 7 terug. Sommigen verstaan het als een kleur; wij houden ‘sterke’. Zie ook: Gen 31:10; Gen 31:12; Dan 2:33; Zach 1:8; Zach 6:7; Openb 6:2; Openb 6:8; Openb 19:11 **6:4** Ik antwoordde en zei tegen de engel die met mij sprak: „Wat zijn dezen, mijn heer?” Brontekst: וָאַ֨עַן֙ (vaaan) = en ik antwoordde | וָֽאֹמַ֔ר (vaomar) = en ik zei | אֶל (el) = tot | הַמַּלְאָ֖ךְ (hamalakh) = de engel | הַדֹּבֵ֣ר (hadover) = die sprak | בִּ֑י (bi) = met mij | מָה (ma) = wat | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אדני (adoni), ‘mijn heer’: aanspreking van de engel, met kleine letter. Het is niet de naam Adonai voor Yahweh. Zie ook: Zach 1:9; Zach 2:2–4; Zach 5:5–6; Zach 5:10 **6:5** De engel antwoordde en zei tegen mij: „Dit zijn de vier winden van de hemel. Zij komen naar buiten nadat zij zich hebben opgesteld voor de Heer van heel de aarde. Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | הַמַּלְאָ֖ךְ (hamalakh) = de engel | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | אֵ֗לֶּה (ele) = dezen | אַרְבַּע֙ (arba) = vier | רֻח֣וֹת (ruchot) = winden van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | יוֹצְא֕וֹת (yotseot) = die naar buiten komen | מֵֽהִתְיַצֵּ֖ב (mehityatsev) = van het zich opstellen | עַל (al) = voor | אֲד֥וֹן (adon) = de Heer van | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רחות (ruchot), ‘winden’: het woord ruach betekent zowel ‘wind’ als ‘geest’. Wij kiezen hier ‘winden’, zoals in Dan. 7:2 (‘de vier winden van de hemel’). Voetnoot : אדון כל הארץ (adon kol ha’arets), ‘de Heer van heel de aarde’: een titel van Yahweh, zoals in Joz. 3:11 en 3:13. Wij schrijven ‘Heer’ met hoofdletter. Zie ook: Joz 3:11; Joz 3:13; Ps 104:3–4; Ezech 10:9–19; Ezech 37:9; Dan 7:2; Heb 1:7; Heb 1:14 **6:6** De wagen waarin de zwarte paarden zijn, gaat naar het land in het noorden. De witte gaan achter hen aan, en de gevlekte gaan naar het land in het zuiden.” Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = waarin | בָּ֞הּ (bah) = in haar | הַסּוּסִ֣ים (hasusim) = de paarden | הַשְּׁחֹרִ֗ים (hashechorim) = de zwarte | יֹֽצְאִים֙ (yotseim) = gaan uit | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | צָפ֔וֹן (tsafon) = het noorden | וְהַלְּבָנִ֔ים (vehalevanim) = en de witte | יָצְא֖וּ (yatseu) = gaan uit | אֶל (el) = naar | אַֽחֲרֵיהֶ֑ם (achareihem) = achter hen | וְהַ֨בְּרֻדִּ֔ים (vehaberudim) = en de gevlekte | יָצְא֖וּ (yatseu) = gaan uit | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | הַתֵּימָֽן (hateiman) = het zuiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: התימן (hateiman), ‘het zuiden’: letterlijk ‘Teman’, de zuidkant. Het is hier de richting en geen plaatsnaam. Voetnoot : De rode paarden van vers 2 worden in dit vers niet genoemd. Zie ook: Jer 4:6; Jer 6:1; Jer 51:48; Ezech 1:4; Dan 11:40; Zach 6:2 **6:7** De sterke paarden kwamen naar buiten en wilden gaan om de aarde te doorkruisen. Hij zei: „Ga, doorkruis de aarde.” Zij doorkruisten de aarde. Brontekst: וְהָאֲמֻצִּ֣ים (vehaamutsim) = en de sterke | יָצְא֗וּ (yatseu) = gingen uit | וַיְבַקְשׁוּ֙ (vayvaqshu) = en zij zochten | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = te gaan | לְהִתְהַלֵּ֣ך (lehithalekh) = om rond te trekken | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in de aarde | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְכ֖וּ (lekhu) = gaat | הִתְהַלְּכ֣וּ (hithalekhu) = trekt rond | בָאָ֑רֶץ (baarets) = in de aarde | וַתִּתְהַלַּ֖כְנָה (vatithalakhna) = en zij trokken rond | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: והאמצים (ha’amutsim), ‘de sterke’: zie de Uitleg bij vers 3. De rode paarden uit vers 2 worden niet genoemd. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Voetnoot : ללכת להתהלך (lalekhet lehithalekh), ‘gaan om rond te trekken’: het werkwoord halakh in de verlengde vorm betekent heen en weer lopen. Het is het woord van Zach. 1:10. Zie ook: Job 2:1–2; 2 Kron 16:9; Dan 7:19; Dan 7:24; Zach 1:10; Zach 6:2; Zach 6:3 **6:8** Hij riep mij toe en sprak tot mij. **„Zie, zij die naar het land in het noorden gaan, hebben Mijn Geest in het land in het noorden tot rust gebracht.”** Brontekst: וַיַּזְעֵ֣ק (vayazeq) = en hij riep | אֹתִ֔י (oti) = tot mij | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | רְאֵ֗ה (ree) = zie | הַיּֽוֹצְאִים֙ (hayotseim) = die uitgaan | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | צָפ֔וֹן (tsafon) = het noorden | הֵנִ֥יחוּ (henichu) = zij hebben laten rusten | אֶת (et) = (obj.) | רוּחִ֖י (ruchi) = Mijn geest | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | צָפֽוֹן (tsafon) = het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוחי (ruchi), ‘Mijn Geest’: de spreker wordt niet genoemd. Omdat ‘Mijn Geest’ in de eerste persoon staat, zetten wij het vers rood: Yahweh spreekt door de engel. Het woord ruach kan ook ‘gramschap’ betekenen: dan is bedoeld dat Zijn toorn in het noorden tot rust is gekomen. Voetnoot : הניחו (heniychu), ‘zij hebben laten rusten’: het werkwoord nuach, ‘tot rust brengen’, wordt ook van Yahweh gebruikt, bijvoorbeeld in Ezech. 5:13 (Zijn gramschap laten rusten). Zie ook: Pred 10:4; Jer 51:48–49; Ezech 5:13; Ezech 24:13; Zach 1:15 ### Kronen voor Jozua, de hogepriester **6:9** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Zach 1:1; Zach 7:1; Zach 8:1 **6:10** **„Neem iets aan van de ballingen, van Cheldai, van Tobia en van Jedaja. Ga jij zelf op die dag naar het huis van Josia, de zoon van Sefanja. Zij zijn uit Babel gekomen.** Brontekst: לָק֨וֹחַ֙ (laqoach) = neem | מֵאֵ֣ת (meet) = van | הַגּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingschap | מֵחֶלְדַּ֕י (mechelday) = van Cheldai | וּמֵאֵ֥ת (umeet) = en van | טוֹבִיָּ֖ה (toviya) = Tobia | וּמֵאֵ֣ת (umeet) = en van | יְדַֽעְיָ֑ה (yedaya) = Jedaja | וּבָאתָ֤ (uvata) = en kom | אַתָּה֙ (ata) = jij | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | וּבָ֗אתָ (uvata) = en kom | בֵּ֚ית (beit) = het huis van | יֹאשִׁיָּ֣ה (yoshiya) = Josia | בֶן (ben) = zoon van | צְפַנְיָ֔ה (tsefanya) = Sefanja | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֖אוּ (bau) = zijn gekomen | מִבָּבֶֽל (mibavel) = uit Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: מחלדי (Cheldai), טוביה (Toviyyah), ידעיה (Yeda’yah): drie mannen die uit de ballingschap in Babel zijn gekomen. Het Hebreeuws zegt niet wat ze moeten geven. Vers 11 noemt zilver en goud. Voetnoot : יאשׁיה בן צפניה (Yoshiyyah ben Tsefanyah), ‘Josia, de zoon van Sefanja’: niet de koning Josia. De naam is dezelfde. Voetnoot : Het Hebreeuws ‘zij zijn uit Babel gekomen’ staat in het meervoud en slaat op de ballingen. Zie ook: Jer 28:6; Ezra 7:14–16; Ezra 8:26–30; Zach 6:11; Hand 24:17; Rom 15:25–26 **6:11** **Neem zilver en goud, maak kronen en zet ze op het hoofd van Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֥ (velaqachta) = en neem | כֶֽסֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֖ב (vezahav) = en goud | וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en maak | עֲטָר֑וֹת (atarot) = kronen | וְשַׂמְתָּ֗ (vesamta) = en zet | בְּרֹ֛אשׁ (berosh) = op het hoofd van | יְהוֹשֻׁ֥עַ (yehoshua) = Jozua | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹצָדָ֖ק (yehotsadaq) = Jehozadak | הַכֹּהֵ֥ן (hakohen) = de priester | הַגָּדֽוֹל (hagadol) = de hoge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עטרות (atarot), ‘kronen’: een meervoud. Het kan één kroon van verscheidene ringen zijn. In vers 14 staat ook een meervoud. Voetnoot : יהושׁע בן יהוצדק (Yehoshua ben Yehotsadaq), ‘Jozua, de zoon van Jehozadak’: dezelfde als de hogepriester in Zach. 3 en Hag. 1:1. In Ezra heet hij Jesua. Wij volgen in elk boek de Hebreeuwse spelling. Zie ook: Ps 21:4; Hoogl 3:11; Hag 1:1; Zach 3:1; Zach 3:5; Zach 6:14 **6:12** **Zeg tegen hem: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Zie, een man, Spruit is zijn naam. Vanuit zijn eigen plaats zal hij opspruiten en hij zal de tempel van Yahweh bouwen.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֤ (veamarta) = en zeg | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּה (hine) = zie | אִ֞ישׁ (ish) = een man | צֶ֤מַח (tsemach) = Spruit | שְׁמוֹ֙ (shemo) = zijn naam | וּמִתַּחְתָּ֣יו (umitachtav) = en van onder hem | יִצְמָ֔ח (yitsmach) = zal hij opspruiten | וּבָנָ֖ה (uvana) = en hij zal bouwen | אֶת (et) = (obj.) | הֵיכַ֥ל (heikhal) = de tempel van | יְהוָֽהּ (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צמח (tsemach), ‘Spruit’: wat uit de grond opschiet, een scheut. Het wordt een eigennaam voor een toekomstige koning uit het huis van David (Jer. 23:5; 33:15; Zach. 3:8). Wij schrijven ‘Spruit’ hier met hoofdletter, omdat het hier als naam staat. Voetnoot : ומתחתיו יצמח (umittachtav yitsmach), ‘vanuit zijn eigen plaats zal hij opspruiten’: letterlijk ‘van onder hem’. Het werkwoord tsamach, ‘opspruiten’, is verwant met de naam Spruit. Voetnoot : Het Hebreeuws noemt de man niet verder bij naam. De tekst zet de kronen op het hoofd van Jozua (vers 11) en spreekt dan over deze man. Zie ook: Jes 4:2; Jes 11:1; Jer 23:5; Jer 33:15; Zach 3:8; Zach 6:11 **6:13** **Hij is het die de tempel van Yahweh zal bouwen. Hij is het die majesteit zal dragen. Hij zal op zijn troon zitten en heersen. Er zal een priester zijn op zijn troon, en een raad van vrede zal er zijn tussen die twee.** Brontekst: וְ֠הוּא (vehu) = en hij | יִבְנֶ֞ה (yivne) = zal bouwen | אֶת (et) = (obj.) | הֵיכַ֤ל (heikhal) = de tempel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְהֽוּא (vehu) = en hij | יִשָּׂ֣א (yisa) = zal dragen | ה֔וֹד (hod) = majesteit | וְיָשַׁ֥ב (veyashav) = en hij zal zitten | וּמָשַׁ֖ל (umashal) = en heersen | עַל (al) = op | כִּסְא֑וֹ (kiso) = zijn troon | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en er zal zijn | כֹהֵן֙ (kohen) = een priester | עַל (al) = op | כִּסְא֔וֹ (kiso) = zijn troon | וַעֲצַ֣ת (vaatsat) = en raad van | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | תִּהְיֶ֖ה (tihye) = zal zijn | בֵּ֥ין (bein) = tussen | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = die twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוד (hod), ‘majesteit’: schittering, glans, de waardigheid van een koning. Voetnoot : כהן על כסאו (kohen al kis’o), ‘een priester op zijn troon’: het voegwoord al kan ook ‘naast’ of ‘bij’ betekenen. Wij volgen het Hebreeuws letterlijk. Voetnoot : ועצת שׁלום תהיה בין שׁניהם (va’atsat shalom tihyeh beyn shneihem), ‘een raad van vrede zal er zijn tussen die twee’: de twee kunnen de koning en de priester zijn, of de twee ambten. Zie ook: Ps 21:6; Ps 110:4; Jes 11:10; Jes 49:5–6; Heb 3:1 **6:14** **De kronen zullen voor Chelem, Tobia, Jedaja en Chen, de zoon van Sefanja, zijn tot een gedachtenis in de tempel van Yahweh.** Brontekst: וְהָעֲטָרֹ֗ת (vehaatarot) = en de kronen | תִּֽהְיֶה֙ (tihye) = zullen zijn | לְחֵ֨לֶם֙ (lechelem) = voor Chelem | וּלְטוֹבִיָּ֣ה (uletoviya) = en voor Tobia | וְלִידַֽעְיָ֔ה (velidaya) = en voor Jedaja | וּלְחֵ֖ן (ulechen) = en voor Chen | בֶּן (ben) = zoon van | צְפַנְיָ֑ה (tsefanya) = Sefanja | לְזִכָּר֖וֹן (lezikaron) = tot gedachtenis | בְּהֵיכַ֥ל (beheikhal) = in de tempel van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לחלם (Chelem) en ולחן (Chen): waarschijnlijk andere namen van Cheldai en Josia uit vers 10. Dat is niet zeker. Het woord ‘Chen’ betekent ook ‘genade’. Voetnoot : לזכרון (lezikkaron), ‘tot gedachtenis’: de kronen blijven in de tempel als herinnering. Zie ook: Ex 12:14; Ex 28:12; Joz 4:7; Zach 6:10; Mat 26:13; Mar 14:9 **6:15** **Mensen van ver weg zullen komen en aan de tempel van Yahweh bouwen.** Dan zullen jullie weten dat Yahweh van de legermachten mij naar jullie gezonden heeft. **En het zal gebeuren, als jullie goed luisteren naar de stem van Yahweh, jullie Elohim…’”** Brontekst: וּרְחוֹקִ֣ים (urechoqim) = en verre mensen | יָבֹ֗אוּ (yavou) = zullen komen | וּבָנוּ֙ (uvanu) = en zullen bouwen | בְּהֵיכַ֣ל (beheikhal) = aan de tempel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וִידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = mij heeft gezonden | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = naar jullie | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | שָׁמ֣וֹעַ (shamoa) = luisteren | תִּשְׁמְע֔וּן (tishmeun) = jullie zullen luisteren | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ורחוקים (verechoqim), ‘mensen van ver weg’: dit kunnen ballingen zijn die nog moeten terugkeren, of mensen van de volken. Voetnoot : וידעתם כי יהוה צבאות שׁלחני אליכם (vida’tem ki Yahweh van de legermachten shelachani aleikhem), ‘dan zullen jullie weten dat Yahweh van de legermachten mij naar jullie gezonden heeft’: dezelfde woorden staan in Zach. 2:13, 2:15 (Hebr.) en 4:9. Wie hier ‘mij’ is, zegt het Hebreeuws niet. Wij zetten deze zin zwart, zoals in 2:13, 2:15 en 4:9: de spreker is de gezondene en niet Yahweh zelf. Voetnoot : והיה אם שׁמוע תשׁמעון בקול יהוה אלהיכם (vehayah im shamo’a tishme’un bekol Yahweh Eloheikhem), ‘en het zal gebeuren, als jullie goed luisteren naar de stem van Yahweh, jullie Elohim’: de zin breekt hier af. Het gevolg wordt niet genoemd. Zie ook: Jes 57:19; Jes 58:10–14; Jes 60:10; Zach 2:13; Zach 2:15; Zach 3:7; 1 Petr 2:4–5 ## Zacharia 7 _De vraag over het vasten en het antwoord van Yahweh_ ### Een vraag over het vasten **7:1** Het gebeurde in het vierde jaar van koning Darius dat het woord van Yahweh tot Zacharia kwam, op de vierde dag van de negende maand, in Kislev. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het gebeurde | בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar van | אַרְבַּ֔ע (arba) = vier | לְדָרְיָ֖וֶשׁ (ledareyavesh) = van Darius | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | הָיָ֨ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | זְכַרְיָ֗ה (zekharya) = Zacharia | בְּאַרְבָּעָ֛ה (bearbaa) = op de vierde | לַחֹ֥דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַתְּשִׁעִ֖י (hateshii) = de negende | בְּכִסְלֵֽו (bekhislev) = in Kislev Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בשׁנת ארבע לדריושׁ המלך (bishnat arba ledaryavesh hammelekh), ‘in het vierde jaar van koning Darius’: Darius I. Dit is ongeveer 518 v.Chr., twee jaar na Zach. 1:1. De gebeurtenissen van Zach. 1–6 liggen dus vóór dit hoofdstuk. Voetnoot : בכסלו (bekislev), ‘in Kislev’: de negende maand, ongeveer november–december. Zie ook: Ezra 6:14–15; Hag 2:10; Hag 2:20; Zach 1:1; Neh 1:1 **7:2** Betel stuurde Sarezer en Regem-Melech met zijn mannen om het aangezicht van Yahweh te smeken. Brontekst: וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en hij zond | בֵּֽית (beit) = huis van | אֵ֔ל (el) = El | שַׂר (sar) = Sar | אֶ֕צֶר (etser) = Ezer | וְרֶ֥גֶם (veregem) = en Regem | מֶ֖לֶךְ (melekh) = Melech | וַֽאֲנָשָׁ֑יו (vaanashav) = en zijn mannen | לְחַלּ֖וֹת (lechalot) = om te smeken | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: בית אל (Beit El), ‘Betel’: het Hebreeuws kan hier op twee manieren gelezen worden. Betel kan de stad zijn die de mannen stuurt. Het kan ook het begin van een naam zijn: Bet-El-Sarezer, een man die Regem-Melech stuurt. Wij houden ‘Betel’ als de zender. Voetnoot : שׂר אצר (Sar-Etser), ‘Sarezer’: een naam van Assyrische afkomst; zie ook Jes. 37:38. ורגם מלך (Regem-Melekh), ‘Regem-Melech’: letterlijk ‘vriend van de koning’; de betekenis is onzeker. Voetnoot : לחלות את פני (lechallot et penei Yahweh), ‘om het aangezicht van Yahweh te smeken’: het werkwoord chalah betekent letterlijk ‘zacht maken’. Het wordt gebruikt voor het gunstig stemmen van Yahweh, zoals in 1 Kon. 13:6. Zie ook: 1 Sam 13:12; 1 Kon 13:6; Jes 37:38; Jer 26:19; Zach 6:10; Zach 8:21 **7:3** Zij zeiden tegen de priesters die bij het huis van Yahweh van de legermachten hoorden, en tegen de profeten: „Moet ik in de vijfde maand wenen en mij afzonderen, zoals ik al zoveel jaren doe?” Brontekst: לֵאמֹ֗ר (lemor) = om te zeggen | אֶל (el) = tot | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לְבֵית (leveit) = bij het huis van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְאֶל (veel) = en tot | הַנְּבִיאִ֖ים (haneviim) = de profeten | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הַֽאֶבְכֶּה֙ (haevke) = zal ik wenen | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַחֲמִשִׁ֔י (hachamishi) = de vijfde | הִנָּזֵ֕ר (hinazer) = mij afzonderen | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = ik heb gedaan | זֶ֖ה (ze) = dit | כַּמֶּ֥ה (kame) = zoveel | שָׁנִֽים (shanim) = jaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: האבכה בחדשׁ (ha’evkeh bachodesh), ‘Moet ik wenen in de maand’: de vijfde maand is de maand waarin de tempel werd verbrand (2 Kon. 25:8–9). Er werd gerouwd en gevast. Voetnoot : הנזר (hinnazer), ‘mij afzonderen’: een werkwoord verwant met nazir (Num. 6). Het gaat hier om onthouding van eten en genot tijdens de rouw. Zie ook: 2 Kon 25:8–9; Hos 4:6; Zach 8:19; Mat 9:15; Jak 4:8–10; 1 Kor 7:5 ### Het antwoord van Yahweh **7:4** Het woord van Yahweh van de legermachten kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het kwam | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 10:16 **7:5** **„Zeg tegen heel het volk van het land en tegen de priesters: ‘Jullie hebben in de vijfde en in de zevende maand gevast en gerouwd, nu al zeventig jaar. Hebben jullie toen werkelijk gevast, voor Mij?** Brontekst: אֱמֹר֙ (emor) = zeg | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | עַ֣ם (am) = het volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְאֶל (veel) = en tot | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כִּֽי (ki) = wanneer | צַמְתֶּ֨ם (tsamtem) = jullie hebben gevast | וְסָפ֜וֹד (vesafod) = en rouwen | בַּחֲמִישִׁ֣י (bachamishi) = in de vijfde | וּבַשְּׁבִיעִ֗י (uvashevii) = en in de zevende | וְזֶה֙ (veze) = en dit | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | הֲצ֥וֹם (hatsom) = het vasten | צַמְתֻּ֖נִי (tsamtuni) = hebben jullie gevast voor Mij | אָֽנִי (ani) = Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הצום צמתני אני (hatsom tsamtuni ani), ‘hebben jullie werkelijk gevast, voor Mij?’: de vraag verwacht het antwoord ‘nee’. Zij vastten voor zichzelf en niet voor Yahweh. Voetnoot : וזה שׁבעים שׁנה (vezeh shiv’im shanah), ‘nu al zeventig jaar’: de zeventig jaar van de verwoesting en de ballingschap (Jer. 25:11–12; 29:10; Zach. 1:12). Voetnoot : בחמישׁי ובשׁביעי (bachamishi uvashvi’i), ‘in de vijfde en in de zevende’: de vijfde maand (verbranding van de tempel) en de zevende maand (de moord op Gedalja, 2 Kon. 25:25; Jer. 41:1–2). Zie ook: 2 Kon 25:25; Jes 58:4–6; Jer 25:11–12; Jer 29:10; Jer 41:1–2; Zach 1:12; Mat 5:16–18; Mat 6:2; 1 Kor 10:31 **7:6** **En toen jullie aten en toen jullie dronken, waren jullie het niet zelf die aten en jullie zelf die dronken?** Brontekst: וְכִ֥י (vekhi) = en wanneer | תֹאכְל֖וּ (tokhlu) = jullie eten | וְכִ֣י (vekhi) = en wanneer | תִשְׁתּ֑וּ (tishtu) = jullie drinken | הֲל֤וֹא (halo) = niet | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | הָאֹ֣כְלִ֔ים (haokhelim) = de etenden | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | הַשֹּׁתִֽים (hashotim) = de drinkenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 8:13; Hos 9:4; 1 Kor 11:20–21; 1 Kor 11:26–29; Kol 3:17 **7:7** **Zijn dit niet de woorden die Yahweh door de vroegere profeten heeft uitgeroepen? Toen was Jeruzalem bewoond en onbezorgd, met haar steden rondom haar, en ook de Negev en de Sefela waren bewoond.’”** Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = niet | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֗ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | קָרָ֤א (qara) = heeft geroepen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד֙ (beyad) = door de hand van | הַנְּבִיאִ֣ים (haneviim) = de profeten | הָרִֽאשֹׁנִ֔ים (harishonim) = de vroegere | בִּהְי֤וֹת (bihyot) = toen was | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushalaim) = Jeruzalem | יֹשֶׁ֣בֶת (yoshevet) = bewoond | וּשְׁלֵוָ֔ה (usheleva) = en onbezorgd | וְעָרֶ֖יהָ (veareiha) = en haar steden | סְבִיבֹתֶ֑יהָ (sevivoteiha) = rondom haar | וְהַנֶּ֥גֶב (vehanegev) = en de Negev | וְהַשְּׁפֵלָ֖ה (vehashefela) = en de Sefela | יֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Voetnoot Uitleg: הלוא את הדברים אשׁר קרא יהוה ביד הנביאים הראשׁנים (halo et haddevarim ...), ‘zijn dit niet de woorden’: het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord. De vraag wijst terug op de vroegere profeten. Voetnoot : והנגב והשׁפלה (vehannegev vehashshefelah), ‘de Negev en de Sefela’: het zuiden en het heuvelland ten westen van Juda. Zie ook: Jes 1:16–20; Jes 55:6–7; Jer 7:5; Jer 7:23; Jer 17:26 ### Wat de vroegere profeten zeiden **7:8** Het woord van Yahweh kwam tot Zacharia: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het kwam | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | זְכַרְיָ֖ה (zekharya) = Zacharia | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:9** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Spreek recht naar waarheid. Doe trouw en ontferming, ieder aan zijn broeder.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מִשְׁפַּ֤ט (mishpat) = recht | אֱמֶת֙ (emet) = waarheid | שְׁפֹ֔טוּ (shefotu) = spreekt | וְחֶ֣סֶד (vechesed) = en trouw | וְרַֽחֲמִ֔ים (verachamim) = en ontferming | עֲשׂ֖וּ (asu) = doet | אִ֥ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = aan | אָחִֽיו (achiv) = zijn broeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: משׁפט אמת (mishpat emet), ‘recht naar waarheid’: recht dat waar en betrouwbaar is. Het zijn de woorden van de vroegere profeten, ook te vinden in Zach. 8:16. Voetnoot : וחסד ורחמים (chesed verachamim), ‘trouw en ontferming’: chesed is trouw aan een verbond; rachamim is de ontferming van een moeder (verwant met rechem, ‘baarmoeder’). Zie ook: Ps 82:2–4; Spr 21:3; Mi 6:8; Jer 7:5; Zach 8:16; Luc 11:42 **7:10** **Onderdruk de weduwe niet, de wees, de vreemdeling en de arme. Bedenk in jullie hart geen kwaad tegen elkaar.”** Brontekst: וְאַלְמָנָ֧ה (vealmana) = en weduwe | וְיָת֛וֹם (veyatom) = en wees | גֵּ֥ר (ger) = vreemdeling | וְעָנִ֖י (veani) = en arme | אַֽל (al) = niet | תַּעֲשֹׁ֑קוּ (taashoqu) = onderdrukt | וְרָעַת֙ (veraat) = en het kwaad van | אִ֣ישׁ (ish) = man | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broeder | אַֽל (al) = niet | תַּחְשְׁב֖וּ (tachshevu) = bedenkt | בִּלְבַבְכֶֽם (bilvavkhem) = in jullie hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואלמנה ויתום גר ועני (almanah veyatom ger ve’ani), ‘de weduwe, de wees, de vreemdeling en de arme’: de vier groepen die Yahweh in de wet beschermt (Exod. 22:20–22; Deut. 24:17–21). Zie ook: Ex 22:20–22; Deut 24:17–21; Spr 22:22–23; Jes 1:23; Jer 5:28; Jak 5:4; 1 Joh 3:15 **7:11** Maar zij weigerden op te merken. Zij boden een weerspannige schouder en maakten hun oren zwaar, zodat zij niet konden horen. Brontekst: וַיְמָאֲנ֣וּ (vaymaanu) = en zij weigerden | לְהַקְשִׁ֔יב (lehaqshiv) = op te merken | וַיִּתְּנ֥וּ (vayitenu) = en zij gaven | כָתֵ֖ף (katef) = schouder | סֹרָ֑רֶת (soraret) = weerspannige | וְאָזְנֵיהֶ֖ם (veazeneihem) = en hun oren | הִכְבִּ֥ידוּ (hikhbidu) = maakten zij zwaar | מִשְּׁמֽוֹעַ (mishemoa) = om te horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כתף סררת (katef sorerret), ‘een weerspannige schouder’: een beeld van een rund dat zich aan het juk onttrekt, zoals in Hos. 4:16. Zie ook: Hos 4:16; Jer 8:5; Ezech 3:7; Zach 1:4; Neh 9:29 **7:12** Zij maakten hun hart zo hard als diamant. Zij wilden de wet niet horen, en ook niet de woorden die Yahweh van de legermachten door Zijn Geest had gestuurd door de vroegere profeten. Er kwam een grote toorn van Yahweh van de legermachten. Brontekst: וְלִבָּ֞ם (velibam) = en hun hart | שָׂ֣מוּ (samu) = maakten zij | שָׁמִ֗יר (shamir) = diamant | מִ֠שְּׁמוֹעַ (mishemoa) = om te horen | אֶת (et) = (obj.) | הַתּוֹרָ֤ה (hatora) = de wet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדְּבָרִים֙ (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | שָׁלַ֜ח (shalach) = zond | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | בְּרוּח֔וֹ (berucho) = door Zijn Geest | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | הַנְּבִיאִ֣ים (haneviim) = de profeten | הָרִֽאשֹׁנִ֑ים (harishonim) = de vroegere | וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en er was | קֶ֣צֶף (qetsef) = toorn | גָּד֔וֹל (gadol) = grote | מֵאֵ֖ת (meet) = van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁמיר (shamir), ‘diamant’: een zeer harde steen, zoals in Ezech. 3:9 en Jer. 17:1. Voetnoot : ברוחו (beruchô), ‘door Zijn Geest’: Yahweh stuurde Zijn woorden door de profeten, door Zijn Geest. Wij schrijven ‘Geest’ met hoofdletter. Voetnoot : קצף (qetsef), ‘toorn’: een grote toorn van Yahweh van de legermachten. Het is de oorzaak van de ballingschap. Zie ook: 2 Kron 36:16; Jer 17:1; Ezech 3:9; Ezech 11:19; Ezech 36:26; Neh 9:29–30; Hand 28:27 **7:13** Het gebeurde: zoals Hij riep en zij niet wilden horen, **„zo riepen zij en wilde Ik niet horen, zei Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het gebeurde | כַאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | קָרָ֖א (qara) = Hij riep | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שָׁמֵ֑עוּ (shameu) = zij hoorden | כֵּ֤ן (ken) = zo | יִקְרְאוּ֙ (yiqreu) = zij riepen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶשְׁמָ֔ע (eshma) = Ik hoorde | אָמַ֖ר (amar) = zei | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כן יקראו ולא אשׁמע (ken yiqre’u veló eshma), ‘zo riepen zij en wilde Ik niet horen’: de werkwoordsvormen in het Hebreeuws kunnen toekomst of herhaling betekenen. Wij lezen het als een terugblik: Yahweh herinnert aan wat in het verleden gebeurde. Vergelijk Jer. 11:11. Voetnoot : De woorden van Yahweh beginnen hier midden in de zin en staan rood. Het begin van het vers is van de profeet. Zie ook: Spr 1:24–28; Jes 1:15; Mi 3:4; Jer 11:11; Jer 14:12 **7:14** **Ik verstrooide hen met een storm onder alle volken die zij niet kenden. Het land bleef achter hen verwoest, zodat niemand erdoorheen trok of terugkeerde. Zo maakten zij het begeerlijke land tot een woestenij.”** Brontekst: וְאֵ֣סָעֲרֵ֗ם (veesaarem) = en Ik verstrooide hen met een storm | עַ֤ל (al) = onder | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְדָע֔וּם (yedaum) = zij kenden hen | וְהָאָ֨רֶץ֙ (vehaarets) = en het land | נָשַׁ֣מָּה (nashama) = werd verwoest | אַֽחֲרֵיהֶ֔ם (achareihem) = achter hen | מֵֽעֹבֵ֖ר (meover) = van doortrekken | וּמִשָּׁ֑ב (umishav) = en van terugkeren | וַיָּשִׂ֥ימוּ (vayasimu) = en zij maakten | אֶֽרֶץ (erets) = land van | חֶמְדָּ֖ה (chemda) = begeerte | לְשַׁמָּֽה (leshama) = tot woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואסערם (ve’esa’arem), ‘Ik verstrooide hen met een storm’: het werkwoord sa’ar, ‘stormen’. Het beeld is dat een stormwind het volk wegvoert. De vorm kan ook als toekomst worden gelezen. Wij lezen het als terugblik, zoals in vers 13. Voetnoot : מעבר ומשׁב (me’over umishshav), ‘van doortrekken en van terugkeren’: er was niemand meer die het land doorkruiste. Voetnoot : ארץ חמדה (erets chemdah), ‘het begeerlijke land’: een benaming voor het land Israël, zoals in Ps. 106:24 en Jer. 3:19. Zie ook: Deut 4:27; Deut 28:33; Deut 28:64; Ps 106:24; Jer 3:19; Jer 5:15; Jer 23:19; Zach 7:13 ## Zacharia 8 _Tien woorden van Yahweh van de legermachten over Sion, de vastendagen en de volken_ ### Yahweh keert terug naar Sion **8:1** Het woord van Yahweh van de legermachten kwam: Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het kwam | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:2** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Ik ben ijverig voor Sion met grote ijver. Met grote gramschap ben Ik ijverig voor haar.”** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | קִנֵּ֥אתִי (qineti) = Ik ben ijverig | לְצִיּ֖וֹן (letsiyon) = voor Sion | קִנְאָ֣ה (qina) = ijver | גְדוֹלָ֑ה (gedola) = grote | וְחֵמָ֥ה (vechema) = en gramschap | גְדוֹלָ֖ה (gedola) = grote | קִנֵּ֥אתִי (qineti) = Ik ben ijverig | לָֽהּ (lah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קנאתי לציון קנאה (qinneti letsiyyon qin’ah), ‘Ik ben ijverig voor Sion met ijver’: het werkwoord qinne betekent met hartstocht opkomen voor wat van Hem is. Het is dezelfde ijver als in Joël 2:18. Het woord kan ook ‘jaloers’ betekenen. Voetnoot : וחמה (vechemah), ‘en gramschap’: de gloed van Zijn toorn tegen wie Sion bedreigen. Zie ook: Ps 78:58–59; Joël 2:18; Jes 42:13–14; Nah 1:2; Zach 1:14–16 **8:3** Zo zegt Yahweh: **„Ik ben teruggekeerd naar Sion en zal midden in Jeruzalem wonen. Jeruzalem zal ‘Stad van de waarheid’ genoemd worden en de berg van Yahweh van de legermachten ‘de heilige berg’.”** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שַׁ֚בְתִּי (shavti) = Ik ben teruggekeerd | אֶל (el) = naar | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | וְשָׁכַנְתִּ֖י (veshakhanti) = en Ik zal wonen | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְנִקְרְאָ֤ה (veniqrea) = en zij zal genoemd worden | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushalaim) = Jeruzalem | עִ֣יר (ir) = stad van | הָֽאֱמֶ֔ת (haemet) = de waarheid | וְהַר (vehar) = en de berg van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הַ֥ר (har) = berg van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שׁבתי (shavti), ‘Ik ben teruggekeerd’: Yahweh keert terug naar Sion. Hij was weggegaan, zoals Ezechiël het ziet (Ezech. 10–11). De vorm is een voltooide tijd en kan ook als toekomst worden gelezen. Voetnoot : עיר האמת (ir ha’emet), ‘Stad van de waarheid’: een eernaam voor Jeruzalem, vergelijkbaar met ‘Stad van gerechtigheid’ in Jes. 1:26. Voetnoot : הר הקדשׁ (har haqodesh), ‘de heilige berg’: de tempelberg. Zie ook: Jes 1:26; Jer 30:10–11; Jer 33:16; Zach 1:16; Joh 1:14 **8:4** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Opnieuw zullen oude mannen en oude vrouwen op de pleinen van Jeruzalem zitten, ieder met zijn stok in de hand vanwege zijn hoge leeftijd.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עֹ֤ד (od) = nog | יֵֽשְׁבוּ֙ (yeshevu) = zullen zitten | זְקֵנִ֣ים (zeqenim) = oude mannen | וּזְקֵנ֔וֹת (uzeqenot) = en oude vrouwen | בִּרְחֹב֖וֹת (birchovot) = op de pleinen van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְאִ֧ישׁ (veish) = en ieder | מִשְׁעַנְתּ֛וֹ (mishanto) = zijn stok | בְּיָד֖וֹ (beyado) = in zijn hand | מֵרֹ֥ב (merov) = vanwege de menigte van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מרב ימים (merov yamim), ‘vanwege zijn hoge leeftijd’: letterlijk ‘vanwege de menigte van dagen’. Zie ook: Job 5:26; Job 42:17; 1 Sam 2:31; Jes 65:20–22; Klaagl 5:11–15 **8:5** **De pleinen van de stad zullen vol zijn van jongens en meisjes, die spelen op haar pleinen.”** Brontekst: וּרְחֹב֤וֹת (urechovot) = en de pleinen van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | יִמָּ֣לְא֔וּ (yimaleu) = zullen gevuld worden | יְלָדִ֖ים (yeladim) = jongens | וִֽילָד֑וֹת (viladot) = en meisjes | מְשַׂחֲקִ֖ים (mesachaqim) = spelend | בִּרְחֹֽבֹתֶֽיהָ (birchovoteiha) = op haar pleinen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 144:12–15; Jer 30:19–20; Jer 31:13; Jer 33:11; Zach 2:8 **8:6** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Als het te wonderlijk is in de ogen van de overgeblevenen van dit volk in die dagen, zou het dan ook in Mijn ogen te wonderlijk zijn? Godsspraak van Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | כִּ֣י (ki) = als | יִפָּלֵ֗א (yipale) = te wonderlijk is | בְּעֵינֵי֙ (beeinei) = in de ogen van | שְׁאֵרִית֙ (sheerit) = de overgeblevenen van | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | בַּיָּמִ֖ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֑ם (hahem) = die | גַּם (gam) = ook | בְּעֵינַי֙ (beeinay) = in Mijn ogen | יִפָּלֵ֔א (yipale) = te wonderlijk is | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יפלא (yippale), ‘te wonderlijk’: het werkwoord pala betekent ‘wonderlijk, buitengewoon, te moeilijk zijn’. Het is het werkwoord van Gen. 18:14 (‘Is er iets te wonderlijk voor Yahweh?’). Yahweh stelt een vraag: wat voor de overgeblevenen onmogelijk lijkt, is voor Hem dat niet. Voetnoot : נאם יהוה צבאות (ne’um Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie de Uitleg bij Zach. 1:3. De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood. Zie ook: Gen 18:14; Num 11:22–23; Jer 32:27; Zach 1:3; Luc 1:37; Luc 18:27; Rom 4:20–21 **8:7** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Zie, Ik ga Mijn volk redden uit het land van het oosten en uit het land waar de zon ondergaat.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | מוֹשִׁ֛יעַ (moshia) = die redt | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִזְרָ֑ח (mizrach) = het oosten | וּמֵאֶ֖רֶץ (umeerets) = en uit het land van | מְב֥וֹא (mevo) = de ondergang van | הַשָּֽׁמֶשׁ (hashamesh) = de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מושׁיע (moshia), ‘Ik ga redden’: een deelwoord, ‘Ik ben aan het redden’. Het werkwoord yasha, ‘redden’, is dat van Jes. 43:11. Zie ook: Amos 9:14–15; Jes 27:12–13; Jes 43:5–6; Jes 43:11; Jer 31:8; Mal 1:11 **8:8** **Ik zal hen laten komen, en zij zullen midden in Jeruzalem wonen. Zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun tot Elohim zijn, in waarheid en in gerechtigheid.”** Brontekst: וְהֵבֵאתִ֣י (veheveti) = en Ik zal laten komen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וְשָׁכְנ֖וּ (veshakhenu) = en zij zullen wonen | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְהָיוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לִ֣י (li) = Mij | לְעָ֗ם (leam) = tot volk | וַֽאֲנִי֙ (vaani) = en Ik | אֶהְיֶ֤ה (ehye) = zal zijn | לָהֶם֙ (lahem) = hun | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = tot Elohim | בֶּאֱמֶ֖ת (beemet) = in waarheid | וּבִצְדָקָֽה (uvitsdaqa) = en in gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jer 4:2; Jer 31:33; Ezech 11:20; Ezech 36:28; Openb 21:3 ### Van vloek tot zegen **8:9** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Laat jullie handen sterk zijn, jullie die in deze dagen deze woorden horen uit de mond van de profeten. Zij waren er op de dag dat de grondslag werd gelegd voor het huis van Yahweh van de legermachten, de tempel, om gebouwd te worden.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֒ (tsevaot) = van de legermachten | תֶּחֱזַ֣קְנָה (techezaqna) = laten sterk zijn | יְדֵיכֶ֔ם (yedeikhem) = jullie handen | הַשֹּֽׁמְעִים֙ (hashomeim) = die horen | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֵ֖ת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | מִפִּי֙ (mipi) = uit de mond van | הַנְּבִיאִ֔ים (haneviim) = de profeten | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | בְּי֞וֹם (beyom) = op de dag | יֻסַּ֨ד (yusad) = werd gegrondvest | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֛וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הַהֵיכָ֖ל (haheikhal) = de tempel | לְהִבָּנֽוֹת (lehibanot) = om gebouwd te worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אשׁר ביום יסד בית יהוה צבאות ההיכל להבנות (hannevi’im asher beyom yussad bayit ... lehibbanot), ‘de profeten. Zij waren er op de dag dat de grondslag werd gelegd ... om gebouwd te worden’: de profeten Haggai en Zacharia, en de profeten die het werk begeleidden. De dag van de grondlegging is die van Hag. 2:18. Zie ook Ezra 3:10 en 5:16. Zie ook: Jes 35:4; Ezra 3:10; Ezra 5:1–2; Ezra 5:16; Hag 2:18; Hag 2:21; Ef 6:10; 2 Tim 2:1 **8:10** **Want vóór die dagen was er voor de mens geen loon en voor het dier geen loon. Voor wie uitging en wie binnenkwam was er geen vrede vanwege de tegenstander. Ik zette alle mensen op elkaar af, ieder tegen zijn naaste.** Brontekst: כִּ֗י (ki) = want | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | הַיָּמִ֣ים (hayamim) = de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | שְׂכַ֤ר (sekhar) = het loon van | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mens | לֹ֣א (lo) = niet | נִֽהְיָ֔ה (nihya) = was | וּשְׂכַ֥ר (usekhar) = en het loon van | הַבְּהֵמָ֖ה (habehema) = het dier | אֵינֶ֑נָּה (einena) = er is niet | וְלַיּוֹצֵ֨א (velayotse) = en voor wie uitging | וְלַבָּ֤א (velaba) = en voor wie binnenkwam | אֵין (ein) = er is niet | שָׁלוֹם֙ (shalom) = vrede | מִן (min) = vanwege | הַצָּ֔ר (hatsar) = de tegenstander | וַאֲשַׁלַּ֥ח (vaashalach) = en Ik zond | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mensen | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | בְּרֵעֵֽהוּ (bereehu) = tegen zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הצר (hatsar), ‘de tegenstander’: een vijand of een benauwer. Het kan één vijand of een groep zijn. Voetnoot : ואשׁלח את כל האדם אישׁ ברעהו (va’ashallach et kol ha’adam ish bere’ehu), ‘Ik zond alle mensen op elkaar af’: Yahweh liet de vijandschap onder de mensen los. Zo kwam er geen vrede. Zie ook: Amos 3:6; Amos 9:4; Jes 19:2; Hag 1:6–11; Hag 2:16–18 **8:11** **Maar nu ben Ik voor de overgeblevenen van dit volk niet zoals in de vroegere dagen, godsspraak van Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | לֹ֣א (lo) = niet | כַיָּמִ֤ים (kayamim) = als de dagen | הָרִֽאשֹׁנִים֙ (harishonim) = de vroegere | אֲנִ֔י (ani) = Ik | לִשְׁאֵרִ֖ית (lisherit) = voor de overgeblevenen van | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 103:9; Jes 11:13; Jes 12:1; Hag 2:19; Zach 8:8–9 **8:12** **Want het zaad van de vrede: de wijnstok zal haar vrucht geven, het land zal zijn opbrengst geven en de hemel zal zijn dauw geven. Ik zal de overgeblevenen van dit volk dit alles laten erven.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | זֶ֣רַע (zera) = zaad van | הַשָּׁל֗וֹם (hashalom) = de vrede | הַגֶּ֜פֶן (hagefen) = de wijnstok | תִּתֵּ֤ן (titen) = zal geven | פִּרְיָהּ֙ (piryah) = haar vrucht | וְהָאָ֨רֶץ֙ (vehaarets) = en het land | תִּתֵּ֣ן (titen) = zal geven | אֶת (et) = (obj.) | יְבוּלָ֔הּ (yevulah) = haar opbrengst | וְהַשָּׁמַ֖יִם (vehashamayim) = en de hemel | יִתְּנ֣וּ (yitenu) = zullen geven | טַלָּ֑ם (talam) = hun dauw | וְהִנְחַלְתִּ֗י (vehinchalti) = en Ik zal laten erven | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאֵרִ֛ית (sheerit) = de overgeblevenen van | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֵֽלֶּה (ele) = deze dingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זרע השׁלום (zera hashalom), ‘het zaad van de vrede’: de zin is kort en moeilijk. Het kan bedoeld zijn als ‘het zaaien zal in vrede zijn’ of ‘er is een zaad van vrede’. Wij laten het Hebreeuws zoals het staat. Voetnoot : והנחלתי (vehinchalti), ‘Ik zal laten erven’: het werkwoord nachal, ‘in bezit geven als erfdeel’, zoals in Jes. 49:8. Zie ook: Gen 27:28; Lev 26:4–5; Deut 33:13; Jes 49:8; Hag 1:10; Mat 6:33 **8:13** **Zoals jullie een vloek waren onder de volken, huis van Juda en huis van Israël, zo zal Ik jullie redden. Jullie zullen een zegen zijn. Wees niet bang. Laat jullie handen sterk zijn.”** Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | הֱיִיתֶ֨ם (heyitem) = jullie waren | קְלָלָ֜ה (qelala) = een vloek | בַּגּוֹיִ֗ם (bagoyim) = onder de volken | בֵּ֤ית (beit) = huis van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבֵ֣ית (uveit) = en huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כֵּ֚ן (ken) = zo | אוֹשִׁ֣יעַ (oshia) = Ik zal redden | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וִהְיִיתֶ֖ם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | בְּרָכָ֑ה (berakha) = een zegen | אַל (al) = niet | תִּירָ֖אוּ (tirau) = wees bang | תֶּחֱזַ֥קְנָה (techezaqna) = laten sterk zijn | יְדֵיכֶֽם (yedeikhem) = jullie handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קללה (qelalah), ‘een vloek’: een voorbeeld van een vloek. Men zou zeggen: ‘Moge het jou vergaan zoals Juda.’ Zie Jer. 29:22. Zie ook: Gen 12:2–3; Ps 72:17; Sef 3:20; Jer 29:22; Zach 8:9; 1 Kor 16:13 ### Doe waarheid en wees niet bang **8:14** Want zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Zoals Ik Mij had voorgenomen jullie onheil aan te doen, toen jullie vaders Mij tot toorn bewogen, zei Yahweh van de legermachten, en Ik Mij niet liet rouwen,** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֒ (tsevaot) = van de legermachten | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | זָמַמְ֜תִּי (zamamti) = Ik had voorgenomen | לְהָרַ֣ע (lehara) = onheil aan te doen | לָכֶ֗ם (lakhem) = jullie | בְּהַקְצִ֤יף (behaqtsif) = toen tot toorn bewogen | אֲבֹֽתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaders | אֹתִ֔י (oti) = Mij | אָמַ֖ר (amar) = zei | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְלֹ֖א (velo) = en niet | נִחָֽמְתִּי (nichamti) = Ik liet Mij rouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: להרע לכם (lehare’a lakhem), ‘onheil aan te doen’: ra’ah is rampspoed, het onheil dat Yahweh over hen bracht. Het staat tegenover ‘goed te doen’ in vers 15. Voetnoot : בהקציף (behaqtsif), ‘toen jullie vaders Mij tot toorn bewogen’: het werkwoord qatsaf hoort bij het woord qetsef, ‘toorn’, in 7:12 (de grote toorn). Voetnoot : ולא נחמתי (velo nichamti), ‘en Ik Mij niet liet rouwen’: het werkwoord nacham in de Niphal, van Yahweh gezegd, zoals in Jer. 4:28. Hij liet Zich niet vermurwen. Dat staat tegenover de vroegere tijd; nu keert het. Zie ook: Ps 33:11; Jes 14:24; Jer 4:28; Jer 31:28; Ezech 24:14; Zach 8:15 **8:15** **zo heb Ik Mij in deze dagen opnieuw voorgenomen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda. Wees niet bang.** Brontekst: כֵּ֣ן (ken) = zo | שַׁ֤בְתִּי (shavti) = Ik ben teruggekeerd | זָמַ֨מְתִּי֙ (zamamti) = Ik heb voorgenomen | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | לְהֵיטִ֥יב (leheitiv) = goed te doen | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אַל (al) = niet | תִּירָֽאוּ (tirau) = wees bang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שׁבתי זממתי (shavti zammamti), ‘Ik heb Mij opnieuw voorgenomen’: het werkwoord ‘terugkeren’ (shuv) geeft aan dat Hij het plan van vers 14 omkeert. Het is hetzelfde werkwoord als in vers 3. Zie ook: Mi 4:10–13; Mi 7:18–20; Jer 29:11–14; Zach 8:3; Zach 8:13; Zach 8:14; Luc 12:32 **8:16** **Dit zijn de dingen die jullie moeten doen: spreek waarheid, ieder tot zijn naaste. Oordeel in jullie poorten met een oordeel van waarheid en vrede.** Brontekst: אֵ֥לֶּה (ele) = dit | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de dingen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תַּֽעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie moeten doen | דַּבְּר֤וּ (daberu) = spreekt | אֱמֶת֙ (emet) = waarheid | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = zijn naaste | אֱמֶת֙ (emet) = waarheid | וּמִשְׁפַּ֣ט (umishpat) = en oordeel van | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | שִׁפְט֖וּ (shiftu) = oordeelt | בְּשַׁעֲרֵיכֶֽם (beshaareikhem) = in jullie poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אמת ומשׁפט שׁלום (emet umishpat shalom), ‘waarheid en een oordeel van vrede’: recht dat tot vrede leidt. De poort van de stad is de plaats van de rechtspraak (Deut. 21:19; Amos 5:12). Zie ook: Deut 10:12–13; Deut 21:19; Ps 15:2; Amos 5:12; Zach 7:9; Luc 3:8–14; Ef 4:25 **8:17** **Bedenk in jullie hart geen kwaad tegen elkaar, en heb geen liefde voor een valse eed. Want dit alles haat Ik, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְאִ֣ישׁ (veish) = en ieder | אֶת (et) = (obj.) | רָעַ֣ת (raat) = het kwaad van | רֵעֵ֗הוּ (reehu) = zijn naaste | אַֽל (al) = niet | תַּחְשְׁבוּ֙ (tachshevu) = bedenkt | בִּלְבַבְכֶ֔ם (bilvavkhem) = in jullie hart | וּשְׁבֻ֥עַת (ushevuat) = en eed van | שֶׁ֖קֶר (sheqer) = valsheid | אַֽל (al) = niet | תֶּאֱהָ֑בוּ (teehavu) = hebt lief | כִּ֧י (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֵ֛לֶּה (ele) = deze dingen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׂנֵ֖אתִי (saneti) = Ik haat | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:29; Spr 6:16–19; Mi 2:1–3; Jer 44:4; Mal 3:5 ### De vastendagen worden feesten **8:18** Het woord van Yahweh van de legermachten kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het kwam | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:19** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„De vastendag van de vierde maand, de vastendag van de vijfde, de vastendag van de zevende en de vastendag van de tiende zullen voor het huis van Juda tot vreugde en blijdschap worden, tot goede feesttijden. Houd dan van de waarheid en de vrede.”** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | צ֣וֹם (tsom) = vasten van | הָרְבִיעִ֡י (harevii) = de vierde | וְצ֣וֹם (vetsom) = en vasten van | הַחֲמִישִׁי֩ (hachamishi) = de vijfde | וְצ֨וֹם (vetsom) = en vasten van | הַשְּׁבִיעִ֜י (hashevii) = de zevende | וְצ֣וֹם (vetsom) = en vasten van | הָעֲשִׂירִ֗י (haasiri) = de tiende | יִהְיֶ֤ה (yihye) = zal worden | לְבֵית (leveit) = voor het huis van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | לְשָׂשׂ֣וֹן (lesason) = tot vreugde | וּלְשִׂמְחָ֔ה (ulesimcha) = en tot blijdschap | וּֽלְמֹעֲדִ֖ים (ulemoadim) = en tot feesttijden | טוֹבִ֑ים (tovim) = goede | וְהָאֱמֶ֥ת (vehaemet) = en de waarheid | וְהַשָּׁל֖וֹם (vehashalom) = en de vrede | אֱהָֽבוּ (ehavu) = hebt lief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צום הרביעי וצום החמישׁי וצום השׁביעי וצום העשׂירי (tsom haravi’i ... tsom ha’asiri), ‘de vastendag van de vierde, de vijfde, de zevende en de tiende maand’: volgens de overlevering herinneren deze vier dagen aan het doorbreken van de muren van Jeruzalem (4e maand; Jer. 52:6–7), de verbranding van de tempel (5e maand; 2 Kon. 25:8–9), de moord op Gedalja (7e maand; 2 Kon. 25:25) en het begin van het beleg (10e maand; 2 Kon. 25:1). Dat is niet in de tekst zelf aangegeven. Voetnoot : ולמעדים טובים (lemo’adim tovim), ‘tot goede feesttijden’: de vastendagen worden bij de vaste feesten gerekend (vergelijk Lev. 23). Zie ook: 2 Kon 25:1; 2 Kon 25:8–9; 2 Kon 25:25; Jer 39:2; Jer 52:4; Jer 52:6–7; Zach 7:3; Zach 7:5; Zach 8:16 ### Volken zoeken Yahweh in Jeruzalem **8:20** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Nog zullen er volken komen en bewoners van vele steden.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עֹ֚ד (od) = nog | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יָבֹ֣אוּ (yavou) = zullen komen | עַמִּ֔ים (amim) = volken | וְיֹשְׁבֵ֖י (veyoshevei) = en bewoners van | עָרִ֥ים (arim) = steden | רַבּֽוֹת (rabot) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 2:2–3; Jes 60:3–12; Mi 4:1–2; Jer 16:19; Zach 2:15 **8:21** **De bewoners van de ene stad zullen naar de andere gaan. Zij zeggen: ‘Laten wij zeker gaan om het aangezicht van Yahweh te smeken en Yahweh van de legermachten te zoeken. Ook ik wil gaan.’** Brontekst: וְֽהָלְכ֡וּ (vehalekhu) = en zullen gaan | יֹשְׁבֵי֩ (yoshevei) = bewoners van | אַחַ֨ת (achat) = de ene | אֶל (el) = naar | אַחַ֜ת (achat) = de andere | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | נֵלְכָ֤ה (nelekha) = laten wij gaan | הָלוֹךְ֙ (halokh) = zeker gaan | לְחַלּוֹת֙ (lechalot) = om te smeken | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּלְבַקֵּ֖שׁ (ulevaqesh) = en om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֵלְכָ֖ה (elekha) = ik wil gaan | גַּם (gam) = ook | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נלכה הלוך (nelkhah halokh), ‘laten wij zeker gaan’: het werkwoord ‘gaan’ staat hier tweemaal, in de verlengde vorm. Dat benadrukt de vastberadenheid. Voetnoot : לחלות את פני יהוה (lechallot et penei Yahweh), ‘om het aangezicht van Yahweh te smeken’: zie de Uitleg bij 7:2. Zie ook: Ps 103:22; Ps 122:1–9; Ps 146:1–2; Hos 6:3; Zach 7:2 **8:22** **Veel volken en machtige volken zullen komen om Yahweh van de legermachten in Jeruzalem te zoeken en het aangezicht van Yahweh te smeken.”** Brontekst: וּבָ֨אוּ (uvau) = en zullen komen | עַמִּ֤ים (amim) = volken | רַבִּים֙ (rabim) = vele | וְגוֹיִ֣ם (vegoyim) = en natiën | עֲצוּמִ֔ים (atsumim) = machtige | לְבַקֵּ֛שׁ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וּלְחַלּ֖וֹת (ulechalot) = en om te smeken | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עמים רבים וגוים עצומים (ammim rabbim vegoyim atsumim), ‘veel volken en machtige volken’: het Hebreeuws gebruikt twee woorden voor ‘volken’, ammim en goyim. Wij vertalen beide als ‘volken’. Zie ook: Jes 25:7; Jes 60:3–22; Zach 8:21; Openb 15:4; Openb 21:24 **8:23** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„In die dagen zullen tien mannen uit alle talen van de volken zich vastgrijpen. Zij zullen zich vastgrijpen aan de slip van een Judeeër en zeggen: ‘Wij willen met jullie gaan, want wij hebben gehoord: Elohim is met jullie.’”** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֒ (tsevaot) = van de legermachten | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔מָּה (hahema) = die | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | יַחֲזִ֨יקוּ֙ (yachaziqu) = zullen vastgrijpen | עֲשָׂרָ֣ה (asara) = tien | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | מִכֹּ֖ל (mikol) = uit alle | לְשֹׁנ֣וֹת (leshonot) = talen van | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de natiën | וְֽהֶחֱזִ֡יקוּ (vehecheziqu) = en zij zullen vastgrijpen | בִּכְנַף֩ (bikhnaf) = aan de slip van | אִ֨ישׁ (ish) = een man | יְהוּדִ֜י (yehudi) = Judeeër | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | נֵֽלְכָה֙ (nelekha) = laten wij gaan | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = met jullie | כִּ֥י (ki) = want | שָׁמַ֖עְנוּ (shamanu) = wij hebben gehoord | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | עִמָּכֶֽם (imakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יהודי (Yehudi), ‘Judeeër’: iemand uit Juda, zoals in Jer. 34:9. In Ester staat voor hetzelfde Hebreeuwse woord ‘Jood’. Voetnoot : והחזיקו בכנף (vehechziqu bekhanaf), ‘zij zullen vastgrijpen aan de slip’: de slip of de zoom van een kleed, zoals in 1 Sam. 24:5 (NL 24:4). Voetnoot : אלהים עמכם (Elohim immakhem), ‘Elohim is met jullie’: de volken erkennen dat Elohim bij Juda is. Zie ook: 1 Sam 24:5; Jes 45:14; Jes 55:5; Jes 60:3; Jer 34:9; Hand 13:47–48; 1 Kor 14:25 ## Zacharia 9 _Oordeel over de steden rondom, en de koning op een ezel_ ### Een last over Chadrak, Tyrus en Filistea **9:1** Last van het woord van Yahweh in het land Chadrak, en Damascus is zijn rustplaats. Want voor Yahweh is het oog van de mens, en van alle stammen van Israël. Brontekst: מַשָּׂ֤א (masa) = last van | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | חַדְרָ֔ךְ (chadrakh) = Chadrak | וְדַמֶּ֖שֶׂק (vedameseq) = en Damascus | מְנֻחָת֑וֹ (menuchato) = zijn rustplaats | כִּ֤י (ki) = want | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | עֵ֣ין (ein) = oog van | אָדָ֔ם (adam) = de mens | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chadrak (Hatarikka?; ligging onzeker): Het land Chadrak is waarschijnlijk Hatarikka, in het noorden van Syrië, ten zuiden van Aleppo. Dit is niet helemaal zeker. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord. Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’. Wij vertalen massa in dit boek steeds met ‘last’. Het woord staat ook boven Zach. 12:1 en boven Jes. 13, Nah. 1, Hab. 1 en Mal. 1. Deze Uitleg staat alleen hier, bij de eerste vermelding in dit boek. Voetnoot : חַדְרָךְ (Chadrak): een land of gebied in het noorden van Syrië, ten noorden van Damascus. De ligging is niet zeker. Voetnoot : מְנֻחָתוֹ (menuchato), ‘zijn rustplaats’: het woord van Yahweh ‘rust’ op Damascus, het is er neergelaten. Voetnoot : לַיהוָה עֵין אָדָם וְכֹל שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל (ki laYahweh ein adam vekhol shivtei Yisra’el): het Hebreeuws is kort en kan op twee manieren gelezen worden. Of het oog van de mens en van alle stammen van Israël is gericht op Yahweh, of Yahweh heeft het oog op de mens en op alle stammen van Israël. Wij laten de zin letterlijk staan. Zie ook: Ps 25:15; Amos 1:3–5; Jes 9:7–20; Jes 52:10; Jer 49:23–27; Zach 12:1 **9:2** Ook Chamat, dat eraan grenst, Tyrus en Sidon, want zij is zeer wijs. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | חֲמָ֖ת (chamat) = Chamat | תִּגְבָּל (tigbal) = grenst | בָּ֑הּ (bah) = eraan | צֹ֣ר (tsor) = Tyrus | וְצִיד֔וֹן (vetsidon) = en Sidon | כִּ֥י (ki) = want | חָֽכְמָ֖ה (chakhema) = zij is wijs | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: חֲמָת (Chamat), ‘Chamat’: de stad Hama aan de Orontes in Syrië, noordelijk van Damascus. Voetnoot : תִּגְבָּל בָּהּ (tigbol bah), ‘dat eraan grenst’: Chamat grenst aan het land van vers 1. De zin is kort; wij vullen niets aan. Voetnoot : כִּי חָכְמָה מְאֹד (ki chakhemah me’od), ‘want zij is zeer wijs’: Tyrus en Sidon waren beroemd om hun wijsheid en handel. Vergelijk Ezech. 28:3–5. Zie ook: 2 Kon 23:33; Amos 6:14; Jer 49:23; Ezech 28:2–5; Ezech 28:3–5; Ezech 28:12; Zach 9:1 **9:3** Tyrus bouwde zich een bolwerk. Zij stapelde zilver op als stof en goud als modder van de straten. Brontekst: וַתִּ֥בֶן (vativen) = en bouwde | צֹ֛ר (tsor) = Tyrus | מָצ֖וֹר (matsor) = een bolwerk | לָ֑הּ (lah) = voor zich | וַתִּצְבָּר (vatitsbar) = en stapelde op | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | כֶּֽעָפָ֔ר (keafar) = als stof | וְחָר֖וּץ (vecharuts) = en goud | כְּטִ֥יט (ketit) = als modder van | חוּצֽוֹת (chutsot) = de straten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: מָצוֹר (matsor), ‘bolwerk’: een versterkte stad. Het klinkt als צֹר (Tsor), ‘Tyrus’: een woordspel. Tyrus lag op een eiland, vlak voor de kust. Voetnoot : וְחָרוּץ (charuts), ‘goud’: een woord voor edel of fijn goud, zoals in Spr. 3:14. Voetnoot : Zilver ‘als stof’ en goud ‘als modder’: zo overvloedig dat het niets meer waard lijkt. Zie ook: Job 27:16; Joz 19:29; Spr 3:14; Jes 23:8; Ezech 27:33; Ezech 28:4–5 **9:4** Zie, de Heer zal haar van haar bezit beroven. Hij slaat haar macht in de zee, en zijzelf wordt door vuur verteerd. Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אֲדֹנָי֙ (adonay) = de Heer | יֽוֹרִשֶׁ֔נָּה (yorishena) = zal haar bezit afnemen | וְהִכָּ֥ה (vehika) = en Hij slaat | בַיָּ֖ם (bayam) = in de zee | חֵילָ֑הּ (cheilah) = haar macht | וְהִ֖יא (vehi) = en zijzelf | בָּאֵ֥שׁ (baesh) = door vuur | תֵּאָכֵֽל (teakhel) = wordt verteerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: zonder het lidwoord, een titel voor Yahweh. Voor ‘Heer Yahweh’ zie de Uitleg bij vers 14. Voetnoot : יוֹרִשֶׁנָּה (yorishenah), ‘zal haar van haar bezit beroven’: het werkwoord יָרַשׁ (yarash) betekent ‘bezitten, erven’; in deze vorm ‘iemand uit zijn bezit zetten’. Het kan ook ‘haar in bezit nemen’ betekenen. Wij kiezen ‘van haar bezit beroven’. Voetnoot : חֵילָהּ (cheilah), ‘haar macht’: ook ‘haar rijkdom’ of ‘haar vesting’. De zee is het bolwerk van Tyrus (vers 3): de macht van Tyrus wordt in de zee geslagen. Zie ook: Amos 1:10; Jes 23:1–7; Ezech 26:17; Ezech 27:26–36; Ezech 28:18; Zach 9:3; Zach 9:14 **9:5** Askelon zal het zien en vrezen. Gaza ook, en zij zal zeer sidderen. Ekron ook, want haar hoop is beschaamd. De koning zal uit Gaza verdwijnen, en Askelon zal niet bewoond worden. Brontekst: תֵּרֶ֨א (tere) = zal zien | אַשְׁקְל֜וֹן (ashqelon) = Askelon | וְתִירָ֗א (vetira) = en zal vrezen | וְעַזָּה֙ (veaza) = en Gaza | וְתָחִ֣יל (vetachil) = en zal sidderen | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וְעֶקְר֖וֹן (veeqron) = en Ekron | כִּֽי (ki) = want | הֹבִ֣ישׁ (hovish) = is beschaamd | מֶבָּטָ֑הּ (mebatah) = haar hoop | וְאָ֤בַד (veavad) = en zal verdwijnen | מֶ֨לֶךְ֙ (melekh) = koning | מֵֽעַזָּ֔ה (meaza) = uit Gaza | וְאַשְׁקְל֖וֹן (veashqelon) = en Askelon | לֹ֥א (lo) = niet | תֵשֵֽׁב (teshev) = zal bewoond worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza. Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Voetnoot Uitleg: אַשְׁקְלוֹן (Ashqelon), ‘Askelon’; וְעַזָּה (Azzah), ‘Gaza’; וְעֶקְרוֹן (Ekron): drie van de vijf grote steden van de Filistijnen. Asdod volgt in vers 6; Gat wordt hier niet genoemd. Voetnoot : מֶבָּטָהּ (mabbatah), ‘haar hoop’: letterlijk ‘haar uitzien’, waar zij naar uitkeek. Zo ook in Jes. 20:5. Voetnoot : Het verdwijnen van de koning uit Gaza en het onbewoond raken van Askelon is een beeld van de ondergang van de stad. Zie ook: Jes 20:5; Sef 2:4–7; Jer 47:1; Jer 47:4–7; Zach 9:6; Hand 8:26; Openb 18:9–17 ### Yahweh neemt Zijn huis in bescherming **9:6** **„En een kind van een verboden verbintenis zal in Asdod wonen. Ik zal de trots van de Filistijnen uitroeien.** Brontekst: וְיָשַׁ֥ב (veyashav) = en zal wonen | מַמְזֵ֖ר (mamzer) = kind van een verboden verbintenis | בְּאַשְׁדּ֑וֹד (beashdod) = in Asdod | וְהִכְרַתִּ֖י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | גְּא֥וֹן (geon) = trots van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo. Voetnoot Uitleg: מַמְזֵר (mamzer), ‘kind van een verboden verbintenis’: zoals in Deut. 23:3 (NL 23:2). Het woord komt maar twee keer voor. Hier is de bedoeling: een vreemdeling zonder afkomst, een mengvolk, zal de stad bewonen. Voetnoot : גְּאוֹן פְּלִשְׁתִּים (ge’on Pelishtim), ‘de trots van de Filistijnen’: wat zij groot achten. Vanaf dit vers spreekt Yahweh zelf; vandaar rood. Zie ook: Deut 23:3; Pred 2:18–21; Pred 6:2; Amos 1:8; Sef 2:10; 1 Petr 5:5 **9:7** **Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegnemen en zijn gruwelen van tussen zijn tanden.”** Ook hij zal overblijven voor onze Elohim. Hij zal zijn als een stamhoofd in Juda, en Ekron als de Jebusiet. Brontekst: וַהֲסִרֹתִ֨י (vahasiroti) = en Ik zal wegnemen | דָמָ֜יו (damav) = zijn bloed | מִפִּ֗יו (mipiv) = uit zijn mond | וְשִׁקֻּצָיו֙ (veshiqutsav) = en zijn gruwelen | מִבֵּ֣ין (mibein) = van tussen | שִׁנָּ֔יו (shinav) = zijn tanden | וְנִשְׁאַ֥ר (venishar) = en zal overblijven | גַּם (gam) = ook | ה֖וּא (hu) = hij | לֵֽאלֹהֵ֑ינוּ (leloheinu) = voor onze Elohim | וְהָיָה֙ (vehaya) = en hij zal zijn | כְּאַלֻּ֣ף (kealuf) = als een stamhoofd | בִּֽיהוּדָ֔ה (bihuda) = in Juda | וְעֶקְר֖וֹן (veeqron) = en Ekron | כִּיבוּסִֽי (kivusi) = als de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Voetnoot Uitleg: דָמָיו מִפִּיו (damav mipiv), ‘zijn bloed uit zijn mond’, en וְשִׁקֻּצָיו (shiqqutsav), ‘zijn gruwelen’: waarschijnlijk vlees dat met bloed wordt gegeten (Lev. 17:10–14) en offervoedsel voor afgoden; het Hebreeuws zegt dat niet. Yahweh haalt de afgoderij weg uit de mond van de Filistijn. Voetnoot : וְנִשְׁאַר גַּם הוּא לֵאלֹהֵינוּ (venish’ar gam hu lelohenu), ‘ook hij zal overblijven voor onze Elohim’: hier spreekt niet Yahweh maar de profeet (‘onze’). Daarom staat dit stuk zwart. Voetnoot : כְּאַלֻּף (ke’alluf), ‘als een stamhoofd’: een aanvoerder van een geslacht, zoals de ‘stamhoofden’ van Edom in Gen. 36. Voetnoot : כִּיבוּסִי (keYevusi), ‘als de Jebusiet’: de Jebusieten woonden in Jeruzalem voordat David de stad nam (2 Sam. 5:6–9). Ekron wordt zo opgenomen in het volk, zoals de Jebusieten bij Juda werden opgenomen. Zie ook: Lev 17:10–14; 2 Sam 5:6–9; 2 Sam 24:16–23; Jes 19:23–25; Jes 49:22–23; Jes 60:14–16; Gal 3:28 **9:8** **„Ik zal Mij legeren bij Mijn huis als wachtpost, tegen wie voorbijtrekt en terugkeert. Geen onderdrukker zal nog over hen heen trekken, want nu heb Ik het met Mijn ogen gezien.”** Brontekst: וְחָנִ֨יתִי (vechaniti) = en Ik zal Mij legeren | לְבֵיתִ֤י (leveiti) = bij Mijn huis | מִצָּבָה֙ (mitsava) = als wachtpost | מֵעֹבֵ֣ר (meover) = tegen wie voorbijtrekt | וּמִשָּׁ֔ב (umishav) = en terugkeert | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַעֲבֹ֧ר (yaavor) = zal trekken | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | ע֖וֹד (od) = meer | נֹגֵ֑שׂ (noges) = een onderdrukker | כִּ֥י (ki) = want | עַתָּ֖ה (ata) = nu | רָאִ֥יתִי (raiti) = heb Ik gezien | בְעֵינָֽי (beeinay) = met Mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְחָנִיתִי (veChanitî), ‘Ik zal Mij legeren’: het werkwoord חָנָה (chanah) betekent ‘kamperen’. Yahweh legert Zich als bewaker rond Zijn huis. ‘Mijn huis’ is de tempel, of het land. Voetnoot : מִצָּבָה (matsevah), ‘wachtpost’: een bezetting of een post van wachters. Het woord is zeldzaam; sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : נֹגֵשׂ (noges), ‘onderdrukker’: letterlijk ‘drijver’, wie anderen tot arbeid dwingt, zoals in Exod. 3:7. In Zach. 10:4 staat hetzelfde woord, daar over een heerser. Zie ook: Ex 3:7; Joël 4:16–17; Jes 52:1; Jes 54:14; Jes 60:18; Jer 31:12; Zach 10:4 ### Zie, je koning komt **9:9** Jubel luid, Dochter Sion. Juich, Dochter Jeruzalem. Zie, je koning komt tot jou. Hij is rechtvaardig en gered, arm en rijdend op een ezel, op een jonge ezel, een jong van ezelinnen. Brontekst: גִּילִ֨י (gili) = jubel | מְאֹ֜ד (meod) = zeer | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֗וֹן (tsiyon) = Sion | הָרִ֨יעִי֙ (harii) = juich | בַּ֣ת (bat) = dochter van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | מַלְכֵּךְ֙ (malkekh) = je koning | יָ֣בוֹא (yavo) = komt | לָ֔ךְ (lakh) = tot jou | צַדִּ֥יק (tsadiq) = rechtvaardig | וְנוֹשָׁ֖ע (venosha) = en gered | ה֑וּא (hu) = hij | עָנִי֙ (ani) = arm | וְרֹכֵ֣ב (verokhev) = en rijdend | עַל (al) = op | חֲמ֔וֹר (chamor) = een ezel | וְעַל (veal) = en op | עַ֖יִר (ayir) = een jonge ezel | בֶּן (ben) = zoon van | אֲתֹנֽוֹת (atonot) = ezelinnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon) en בַּת יְרוּשָׁלִַם (bat Yerushalaim), ‘Dochter Sion’ en ‘Dochter Jeruzalem’: de stad en haar inwoners, zoals in Jes. 1:8. Voetnoot : צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’, en וְנוֹשָׁע (venosha), ‘gered’: de tweede vorm is lijdend of wederkerend; hij kan ook ‘overwinnaar’ of ‘iemand die hulp heeft ontvangen’ betekenen. Wij houden ‘gered’. Voetnoot : עָנִי (ani), ‘arm’: ook ‘nederig’. De koning komt zonder oorlogspaard, zie vers 10. Voetnoot : De koning wordt niet bij naam genoemd. De evangeliën halen dit vers aan bij de intocht in Jeruzalem: Matt. 21:5 en Joh. 12:15. Zie ook: Jes 1:8; Sef 3:14–15; Jer 23:5–6; Zach 2:14; Zach 9:10; Mat 21:4–7; Mat 21:5; Joh 12:13–16; Joh 12:15 **9:10** **„Ik zal de wagen uit Efraïm uitroeien en het paard uit Jeruzalem. De oorlogsboog zal worden uitgeroeid. Hij zal vrede spreken tot de volken. Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee en van de Rivier tot de uiteinden van de aarde.** Brontekst: וְהִכְרַתִּי (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | רֶ֣כֶב (rekhev) = de wagen | מֵאֶפְרַ֗יִם (meefrayim) = uit Efraïm | וְסוּס֙ (vesus) = en het paard | מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | וְנִכְרְתָה֙ (venikhreta) = en zal worden uitgeroeid | קֶ֣שֶׁת (qeshet) = boog van | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | וְדִבֶּ֥ר (vediber) = en hij zal spreken | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | לַגּוֹיִ֑ם (lagoyim) = tot de volken | וּמָשְׁלוֹ֙ (umashelo) = en zijn heerschappij | מִיָּ֣ם (miyam) = van zee | עַד (ad) = tot | יָ֔ם (yam) = zee | וּמִנָּהָ֖ר (uminahar) = en van de Rivier | עַד (ad) = tot | אַפְסֵי (afsei) = uiteinden van | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land. De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: רֶכֶב (rekhev), ‘de wagen’: het Hebreeuwse woord staat in het enkelvoud en bedoelt de strijdwagens in het algemeen. Voetnoot : קֶשֶׁת מִלְחָמָה (qeshet milchamah), ‘oorlogsboog’: zonder wapens, in vrede. Het vers beschrijft het einde van de oorlog. Voetnoot : וּמָשְׁלוֹ (umoshlo), ‘zijn heerschappij’, met מִיָּם עַד יָם (mi-yam ad yam), ‘van zee tot zee’, en ‘van de Rivier tot de uiteinden van de aarde’: precies dezelfde woorden als in Ps. 72:8. De Rivier is de Eufraat. Voetnoot : Vanaf hier is de tekst weer rood: Yahweh spreekt in de eerste persoon (‘Ik zal uitroeien’). Over de koning spreekt Hij in de derde persoon. Zie ook: Ps 72:7–11; Ps 72:8; Hos 1:7; Hos 2:20; 2 Kor 10:4–5; Kol 1:20–21 ### Gevangenen van de hoop **9:11** **Ook jij: door het bloed van je verbond heb Ik je gevangenen vrijgelaten uit de put, waarin geen water is.** Brontekst: גַּם (gam) = ook | אַ֣תְּ (at) = jij | בְּדַם (bedam) = door het bloed van | בְּרִיתֵ֗ךְ (beritekh) = je verbond | שִׁלַּ֤חְתִּי (shilachti) = heb Ik vrijgelaten | אֲסִירַ֨יִךְ֙ (asirayikh) = je gevangenen | מִבּ֔וֹר (mibor) = uit een put | אֵ֥ין (ein) = niet is | מַ֖יִם (mayim) = water | בּֽוֹ (bo) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּדַם בְּרִיתֵךְ (bedam beritekh), ‘door het bloed van je verbond’: het bloed van het verbond dat Yahweh met Israël sloot, zoals in Exod. 24:8. Het ‘jij’ is vrouwelijk: Sion. Voetnoot : מִבּוֹר (mibbor), ‘uit de put’: een droge put was een gevangenis, zoals in Gen. 37:24 en Jer. 38:6. De gevangenen zijn de ballingen. Zie ook: Gen 37:24; Ex 24:8; Ps 102:20–22; Jes 42:7; Jes 51:14; Jer 38:6; Mat 26:28 **9:12** **Keer terug naar de vesting, gevangenen van de hoop. Ook vandaag verkondig Ik: dubbel zal Ik je teruggeven.** Brontekst: שׁ֚וּבוּ (shuvu) = keert terug | לְבִצָּר֔וֹן (levitsaron) = naar de vesting | אֲסִירֵ֖י (asirei) = gevangenen van | הַתִּקְוָ֑ה (hatiqva) = de hoop | גַּם (gam) = ook | הַיּ֕וֹם (hayom) = vandaag | מַגִּ֥יד (magid) = verkondig Ik | מִשְׁנֶ֖ה (mishne) = dubbel | אָשִׁ֥יב (ashiv) = zal Ik teruggeven | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבִצָּרוֹן (levitsaron), ‘naar de vesting’: het woord בִּצָּרוֹן (bitstsaron) komt alleen hier voor en is verwant met ‘vesting’ (מִבְצָר, mivtsar). De vesting is wellicht Sion, de veilige plaats. Voetnoot : אֲסִירֵי הַתִּקְוָה (asirei hatiqvah), ‘gevangenen van de hoop’: gevangenen die nog hoop hebben. Voetnoot : מִשְׁנֶה (mishneh), ‘dubbel’: het dubbele van wat men verloor, zoals in Jes. 61:7. Zie ook: Job 42:10; Jes 61:7; Jer 31:17; Klaagl 3:21–22; Heb 6:18 **9:13** **Want Ik heb Juda voor Mij gespannen als een boog. Ik heb hem gevuld met Efraïm. Ik zal je zonen, Sion, opwekken tegen je zonen, Javan. Ik zal je maken als het zwaard van een held.”** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | דָרַ֨כְתִּי (darakhti) = Ik heb gespannen | לִ֜י (li) = voor Mij | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | קֶ֚שֶׁת (qeshet) = een boog | מִלֵּ֣אתִי (mileti) = Ik heb gevuld | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וְעוֹרַרְתִּ֤י (veorarti) = en Ik zal opwekken | בָנַ֨יִךְ֙ (banayikh) = je zonen | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | עַל (al) = tegen | בָּנַ֖יִךְ (banayikh) = je zonen | יָוָ֑ן (yavan) = Javan | וְשַׂמְתִּ֖יךְ (vesamtikh) = en Ik zal je maken | כְּחֶ֥רֶב (kecherev) = als het zwaard van | גִּבּֽוֹר (gibor) = een held Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’, en מִלֵּאתִי (mille’ti), ‘Ik heb gevuld’: Juda is de gespannen boog en Efraïm wordt als pijl in de boog gelegd. Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Ik heb Efraïm gevuld’. Voetnoot : יָוָן (Yavan), ‘Javan’: de Ionische Grieken, het gebied van Griekenland en de eilanden; vergelijk Gen. 10:2. De tekst zegt alleen ‘Javan’. Voetnoot : Efraïm en Juda staan hier samen: het ene volk van Israël, zie ook vers 10. Zie ook: Gen 10:2; Jes 49:2; Zach 2:4; Zach 9:10; Zach 10:3–7; Heb 4:12; Openb 17:14 ### Yahweh verschijnt boven hen **9:14** Yahweh zal boven hen verschijnen, en Zijn pijl zal uitgaan als de bliksem. Heer Yahweh zal op de ramshoorn blazen en gaan in de stormen van het zuiden. Brontekst: וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | עֲלֵיהֶ֣ם (aleihem) = boven hen | יֵֽרָאֶ֔ה (yerae) = zal verschijnen | וְיָצָ֥א (veyatsa) = en zal uitgaan | כַבָּרָ֖ק (kabaraq) = als de bliksem | חִצּ֑וֹ (chitso) = Zijn pijl | וַֽאדֹנָ֤י (vadonay) = en Heer | יְהֹוִה֙ (Yahweh) = Yahweh | בַּשּׁוֹפָ֣ר (bashofar) = op de ramshoorn | יִתְקָ֔ע (yitqa) = zal blazen | וְהָלַ֖ךְ (vehalakh) = en zal gaan | בְּסַעֲר֥וֹת (besaarot) = in stormen van | תֵּימָֽן (teiman) = het zuiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: אֲדֹנָי (Adonai) betekent ‘mijn Heer’. Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’. Deze naam komt in Zacharia alleen hier voor. Voetnoot : בַּשּׁוֹפָר (bashofar), ‘op de ramshoorn’: de שׁוֹפָר (shofar) is de hoorn van een ram. Hij kondigt de komst van Yahweh aan, zoals in Exod. 19:16. Voetnoot : תֵּימָן (Teiman), ‘het zuiden’: Teman is een streek in Edom en betekent ‘zuiden’. In oude teksten komt Yahweh uit het zuiden, zoals in Deut. 33:2 en Hab. 3:3. Voetnoot : Vanaf dit vers spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon; dus zwart. Zie ook: Ex 19:16; Deut 33:2; Ps 18:15; Ps 144:5–6; Jes 27:13; Jes 66:15; Hab 3:3; Zach 14:3 **9:15** Yahweh van de legermachten zal hen beschermen. Zij zullen verslinden en slingerstenen onderwerpen. Zij zullen drinken en razen als van wijn. Zij zullen vol zijn als de offerschaal, als de hoeken van het altaar. Brontekst: יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֮ (tsevaot) = van de legermachten | יָגֵ֣ן (yagen) = zal beschermen | עֲלֵיהֶם֒ (aleihem) = hen | וְאָכְל֗וּ (veakhelu) = en zij zullen eten | וְכָֽבְשׁוּ֙ (vekhaveshu) = en onderwerpen | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | קֶ֔לַע (qela) = slinger | וְשָׁת֥וּ (veshatu) = en zij zullen drinken | הָמ֖וּ (hamu) = razen | כְּמוֹ (kemo) = als | יָ֑יִן (yayin) = wijn | וּמָֽלְאוּ֙ (umaleu) = en zij zullen vol zijn | כַּמִּזְרָ֔ק (kamizraq) = als de offerschaal | כְּזָוִיּ֖וֹת (kezaviyot) = als de hoeken van | מִזְבֵּֽחַ (mizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie de Uitleg bij Zach. 1:3. יָגֵן (yagen), ‘zal beschermen’: ook ‘zal een schild zijn’. Voetnoot : וְאָכְלוּ וְכָבְשׁוּ (ve’akhelu vekhavshu), ‘zij zullen verslinden en onderwerpen’: het Hebreeuws is kort en heeft geen voorwerp bij ‘verslinden’. Het kan ook ‘zij zullen de slingerstenen eten’ betekenen, als beeld van een overwinning waarin wapens hun kracht verliezen. Wij laten het kort. Voetnoot : כַּמִּזְרָק (mizraq), ‘offerschaal’: de schaal waarin het offerbloed werd opgevangen, zoals in Num. 7:13. Het beeld is dat zij zo vol zijn als de schaal en als de hoeken van het altaar. Wat het beeld precies bedoelt, is niet zeker. Zie ook: Ex 27:2; Num 7:13; Ps 78:65; Zach 1:3; Zach 10:5; Zach 10:7; Zach 12:6 **9:16** Op die dag zal Yahweh, hun Elohim, hen redden als de kudde van Zijn volk. Want zij zijn stenen van een kroon, die glinsteren boven Zijn land. Brontekst: וְֽהוֹשִׁיעָ֞ם (vehoshiam) = en zal hen redden | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֛ם (eloheihem) = hun Elohim | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | כְּצֹ֣אן (ketson) = als een kudde | עַמּ֑וֹ (amo) = Zijn volk | כִּ֚י (ki) = want | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | נֵ֔זֶר (nezer) = een kroon | מִֽתְנוֹסְס֖וֹת (mitnosesot) = glinsterend | עַל (al) = boven | אַדְמָתֽוֹ (admato) = Zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִתְנוֹסְסוֹת (mitnosesot), ‘glinsterend’: dit werkwoord is zeldzaam; het staat ook in Ps. 60:6 (NL 60:4), van een banier die wordt opgeheven. De betekenis is hier onzeker; ‘stralen’, ‘schitteren’ en ‘omhoog geheven zijn’ zijn voorgesteld. Voetnoot : אַבְנֵי נֵזֶר (avnei nezer), ‘stenen van een kroon’: edelstenen in een koningskroon. Het volk is Yahwehs kostbare kroonjuweel. Zie ook: Ps 60:6; Jes 62:3; Ezech 34:31; Hag 2:23; Luc 12:32; Joh 10:27 **9:17** Want hoe groot is Zijn goedheid en hoe groot Zijn schoonheid! Koren laat jongemannen bloeien en most de maagden. Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | מַה (ma) = hoe | טּוּב֖וֹ (tuvo) = groot is Zijn goedheid | וּמַה (uma) = en hoe | יָפְי֑וֹ (yafeyo) = Zijn schoonheid | דָּגָן֙ (dagan) = koren | בַּֽחוּרִ֔ים (bachurim) = jongemannen | וְתִיר֖וֹשׁ (vetirosh) = en most | יְנוֹבֵ֥ב (yenovev) = laat bloeien | בְּתֻלֽוֹת (betulot) = maagden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טּוּבוֹ (tuvo), ‘Zijn goedheid’, en יָפְיוֹ (yofyo), ‘Zijn schoonheid’: het Hebreeuws laat open of ‘Zijn’ naar Yahweh of naar het volk verwijst. Wij hebben ‘Zijn’ met hoofdletter, op Yahweh. Voetnoot : יְנוֹבֵב (yenovev), ‘laat bloeien’: de vorm is zeldzaam; hij hoort bij het werkwoord נוב (nuv), ‘bloeien, vrucht dragen’. Zie ook: Jes 33:17; Jes 62:8–9; Tit 3:4–7; 1 Joh 4:8–11; Openb 5:12–14 ## Zacharia 10 _Yahweh verzamelt Zijn kudde en brengt hen terug_ ### Vraag Yahweh om regen **10:1** Vraag Yahweh om regen in de tijd van de late regen. Yahweh maakt de bliksemflitsen. Hij geeft hun een regenbui, aan ieder het gewas op het veld. Brontekst: שַׁאֲל֨וּ (shaalu) = vraagt | מֵיְהוָ֤ה (meYahweh) = van Yahweh | מָטָר֙ (matar) = regen | בְּעֵ֣ת (beet) = in de tijd van | מַלְק֔וֹשׁ (malqosh) = de late regen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֹשֶׂ֣ה (ose) = maakt | חֲזִיזִ֑ים (chazizim) = bliksemflitsen | וּמְטַר (umetar) = en regen van | גֶּ֨שֶׁם֙ (geshem) = regenbui | יִתֵּ֣ן (yiten) = Hij geeft | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | לְאִ֖ישׁ (leish) = aan ieder | עֵ֥שֶׂב (esev) = gewas | בַּשָּׂדֶֽה (basade) = op het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘de late regen’: de regen van het voorjaar, in maart en april, vlak voor de oogst. Hij is nodig om het graan te laten rijpen. Zie Deut. 11:14. Voetnoot : חֲזִיזִים (chazizim), ‘bliksemflitsen’: het woord komt alleen voor in Job 28:26, 38:25 en hier. Het is onzeker of het ‘bliksem’ of ‘stormwolken’ betekent. Voetnoot : Dit vers is een oproep van de profeet, in zwart. Yahweh wordt in de derde persoon genoemd. Zie ook: Job 28:26; Job 38:25; Deut 11:14; Ps 65:10; Jes 44:3; Mat 7:7–8; Jak 5:7; Jak 5:16–18 **10:2** Want de terafim spreken onrecht. De waarzeggers zien leugen. Zij spreken dromen van bedrog en troosten met ijdelheid. Daarom trekken zij rond als schapen. Zij lijden ellende, want er is geen herder. Brontekst: כִּ֧י (ki) = want | הַתְּרָפִ֣ים (haterafim) = de terafim | דִּבְּרוּ (diberu) = spreken | אָ֗וֶן (aven) = onrecht | וְהַקּֽוֹסְמִים֙ (vehaqosemim) = en de waarzeggers | חָ֣זוּ (chazu) = zien | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = leugen | וַֽחֲלֹמוֹת֙ (vachalomot) = en dromen van | הַשָּׁ֣וא (hashav) = bedrog | יְדַבֵּ֔רוּ (yedaberu) = zij spreken | הֶ֖בֶל (hevel) = ijdelheid | יְנַֽחֵמ֑וּן (yenachemun) = zij troosten | עַל (al) = om | כֵּן֙ (ken) = dit | נָסְע֣וּ (naseu) = zij trekken weg | כְמוֹ (kemo) = als | צֹ֔אן (tson) = schapen | יַעֲנ֖וּ (yaanu) = zij lijden ellende | כִּֽי (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = er is niet | רֹעֶֽה (roe) = een herder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתְּרָפִים (terafim): voorwerpen die als huisgoden werden gebruikt om de wil van de goden te vragen, zoals in Gen. 31:19 en Hos. 3:4. Ze spreken geen waarheid. Voetnoot : וְהַקּוֹסְמִים (haqqosemim), ‘de waarzeggers’: wie de toekomst voorzegt, zoals in Jes. 3:2. Voetnoot : אָוֶן (aven), ‘onrecht’: ook ‘onheil’ of ‘nietigheid’. Voetnoot : יְנַחֵמוּן (yenachamun), ‘zij troosten’: de troost is leeg (hevel, ‘ijdelheid’, letterlijk ‘damp’). Voetnoot : יַעֲנוּ (ya’anu), ‘zij lijden ellende’: het werkwoord is onzeker; het kan ook ‘zij antwoorden’ betekenen. Wij volgen ‘ellende lijden’, vanwege de volgende zin. Voetnoot : Het beeld van de herder en de kudde loopt door in de volgende verzen. Zie ook: Gen 31:19; Hos 3:4; Jes 3:2; Jer 27:9; Ezech 34:5; Mat 9:36 ### Yahweh ziet om naar Zijn kudde **10:3** **„Tegen de herders is Mijn toorn ontbrand, en de bokken zal Ik straffen. Want Yahweh van de legermachten ziet om naar Zijn kudde, het huis van Juda. Hij maakt hen tot Zijn prachtpaard in de strijd.** Brontekst: עַל (al) = tegen | הָֽרֹעִים֙ (haroim) = de herders | חָרָ֣ה (chara) = is ontbrand | אַפִּ֔י (api) = Mijn toorn | וְעַל (veal) = en tegen | הָעַתּוּדִ֖ים (haatudim) = de bokken | אֶפְק֑וֹד (efqod) = zal Ik straffen | כִּֽי (ki) = want | פָקַד֩ (paqad) = heeft omgezien naar | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֤וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֶת (et) = (obj.) | עֶדְרוֹ֙ (edro) = Zijn kudde | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְשָׂ֣ם (vesam) = en maakt | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | כְּס֥וּס (kesus) = tot een paard | הוֹד֖וֹ (hodo) = van Zijn pracht | בַּמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = in de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֹעִים (haro’im), ‘de herders’: de leiders van het volk; hier geen echte herders maar de rampzalige leiders. הָעַתּוּדִים (ha’attudim), ‘de bokken’: ook zij zijn leiders, de voorlopers van de kudde. Voetnoot : פָקַד (paqad), ‘omzien naar’: het werkwoord betekent zowel ‘straf’ (‘zal Ik straffen’, de bokken) als ‘omzien naar’, ‘zorgen voor’ (Zijn kudde). Hetzelfde woord, twee betekenissen. Voetnoot : כְּסוּס הוֹדוֹ (kesus hodo), ‘een paard van Zijn pracht’: een prachtig paard, een strijdros. Yahweh maakt de kudde tot een krijgsmacht. Voetnoot : De zin over Yahweh in de derde persoon blijft in dezelfde toespraak; daarom blijft het rood. Voetnoot : Yahweh van de legermachten: zie de Uitleg bij Zach. 1:3. Zie ook: Jer 23:1–2; Ezech 34:2; Ezech 34:7–10; Ezech 34:16–17; Ezech 34:20–21; Zach 1:3 **10:4** **Uit hem komt de hoeksteen, uit hem de tentpin, uit hem de oorlogsboog. Uit hem komt elke heerser, allen tezamen.** Brontekst: מִמֶּ֤נּוּ (mimenu) = uit hem | פִנָּה֙ (pina) = de hoeksteen | מִמֶּ֣נּוּ (mimenu) = uit hem | יָתֵ֔ד (yated) = de tentpin | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = uit hem | קֶ֣שֶׁת (qeshet) = de boog van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | מִמֶּ֛נּוּ (mimenu) = uit hem | יֵצֵ֥א (yetse) = komt | כָל (kal) = elke | נוֹגֵ֖שׂ (noges) = heerser | יַחְדָּֽו (yachdav) = tezamen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִמֶּנּוּ (mimmenu), ‘uit hem’: de verwijzing is naar Juda, het huis van vers 3. Uit Juda komen de leiders, de steunen en de wapens. Voetnoot : פִנָּה (pinnah), ‘hoeksteen’: het woord is ook ‘hoek’ of ‘hoofd’, en wordt beeldend gebruikt voor een leider (Richt. 20:2 spreekt over de ‘hoeken’ van het volk). Voetnoot : יָתֵד (yated), ‘tentpin’: de pin die de tent vasthoudt. Voetnoot : נוֹגֵשׂ (noges), ‘heerser’: hetzelfde woord als ‘onderdrukker’ in 9:8; hier bedoelt het een aanvoerder die gezag voert. Zie ook: Num 24:17; Re 20:2; Ezra 9:8; Zach 9:8; Zach 9:10; Zach 10:3; Openb 19:13–15 **10:5** **Zij zullen zijn als helden die in de strijd de modder van de straten vertrappen. Zij zullen strijden, want Yahweh is met hen. Zij zullen de ruiters op paarden beschamen.** Brontekst: וְהָי֨וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | כְגִבֹּרִ֜ים (kegiborim) = als helden | בּוֹסִ֨ים (bosim) = vertrappend | בְּטִ֤יט (betit) = in de modder van | חוּצוֹת֙ (chutsot) = de straten | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de strijd | וְנִ֨לְחֲמ֔וּ (venilchamu) = en zij zullen strijden | כִּ֥י (ki) = want | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּ֑ם (imam) = is met hen | וְהֹבִ֖ישׁוּ (vehovishu) = en zij zullen beschamen | רֹכְבֵ֥י (rokhevei) = ruiters van | סוּסִֽים (susim) = paarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּטִיט חוּצוֹת (batit chutsot), ‘in de modder van de straten’: de krijgers lopen over hun vijanden heen als over modder, zoals in Mi. 7:10. Voetnoot : רֹכְבֵי סוּסִים (rokhevei susim), ‘de ruiters op paarden’: de vijand met zijn ruiterij. Zij zullen beschaamd worden, omdat Yahweh met Zijn volk is. Zie ook: Ps 20:8; Mi 7:10; Hag 2:22; Zach 9:13; Zach 12:8; Rom 8:31–37 ### Ik zal hen sterk maken **10:6** **Ik zal het huis van Juda sterk maken en het huis van Jozef redden. Ik zal hen weer laten wonen, want Ik heb Mij over hen ontfermd. Zij zullen zijn alsof Ik hen nooit had verstoten, want Ik ben Yahweh, hun Elohim, en Ik zal hen antwoorden.** Brontekst: וְגִבַּרְתִּ֣י (vegibarti) = en Ik zal sterk maken | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אוֹשִׁ֔יעַ (oshia) = zal Ik redden | וְהֽוֹשְׁבוֹתִים֙ (vehoshevotim) = en Ik zal hen laten wonen | כִּ֣י (ki) = want | רִֽחַמְתִּ֔ים (richamtim) = Ik heb Mij ontfermd over hen | וְהָי֖וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = alsof | לֹֽא (lo) = niet | זְנַחְתִּ֑ים (zenachtim) = Ik hen had verstoten | כִּ֗י (ki) = want | אֲנִ֛י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun Elohim | וְאֶעֱנֵֽם (veeenem) = en Ik zal hen antwoorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית יְהוּדָה (bet Yehudah), ‘het huis van Juda’, en בֵּית יוֹסֵף (bet Yosef), ‘het huis van Jozef’: het zuidelijke en het noordelijke rijk. Jozef staat voor Efraïm en het noorden. Voetnoot : וְהוֹשְׁבוֹתִים (vehoshivotim), ‘Ik zal hen weer laten wonen’: dit komt van het werkwoord יָשַׁב (yashav), ‘wonen’. Sommige oude vertalingen lezen een vorm van שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’. Ook in vers 10 staat ‘terugbrengen’. Voetnoot : רִחַמְתִּים (rachamtim), ‘Ik heb Mij ontfermd over hen’: het werkwoord רִחַם (richam) hoort bij ‘ontferming’, zoals in Hos. 2:25 (NL 2:23; Lo-Ruchama). Voetnoot : זְנַחְתִּים (zenachtim), ‘Ik hen had verstoten’: verwerpen of afwijzen. Yahweh keert de verwerping om. Zie ook: Hos 2:25; Jes 41:10; Sef 3:19–20; Jer 3:18; Zach 10:10; Zach 10:12; Zach 13:9 **10:7** **Efraïm zal zijn als een held. Hun hart zal zich verheugen als van wijn. Hun zonen zullen het zien en zich verheugen. Hun hart zal juichen in Yahweh.** Brontekst: וְהָי֤וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | כְגִבּוֹר֙ (kegibor) = als een held | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וְשָׂמַ֥ח (vesamach) = en zal zich verheugen | לִבָּ֖ם (libam) = hun hart | כְּמוֹ (kemo) = als | יָ֑יִן (yayin) = wijn | וּבְנֵיהֶם֙ (uveneihem) = en hun zonen | יִרְא֣וּ (yiru) = zullen zien | וְשָׂמֵ֔חוּ (vesamechu) = en zich verheugen | יָגֵ֥ל (yagel) = zal juichen | לִבָּ֖ם (libam) = hun hart | בַּיהוָֽה (baYahweh) = in Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְגִבּוֹר אֶפְרַיִם (kigvor Efrayim), ‘als een held, Efraïm’: Efraïm, het noordelijke volk, wordt een held. וְשָׂמַח לִבָּם כְּמוֹ יָיִן (vesamach libbam kemo yayin), ‘hun hart zal zich verheugen als van wijn’: wijn staat hier voor blijdschap, niet voor dronkenschap. Voetnoot : בַּיהוָה (baYahweh), ‘in Yahweh’: ook ‘over Yahweh’. De blijdschap heeft Yahweh als grond. Zie ook: 1 Sam 2:1; Zach 9:15; Luc 1:47; Fil 4:4; 1 Petr 1:8 ### Ik zal hen verzamelen **10:8** **Ik zal naar hen fluiten en hen verzamelen, want Ik heb hen vrijgekocht. Zij zullen talrijk worden, zoals zij vroeger talrijk waren.** Brontekst: אֶשְׁרְקָ֥ה (eshreqa) = Ik zal fluiten | לָהֶ֛ם (lahem) = naar hen | וַאֲקַבְּצֵ֖ם (vaaqabetsem) = en Ik zal hen verzamelen | כִּ֣י (ki) = want | פְדִיתִ֑ים (peditim) = Ik heb hen vrijgekocht | וְרָב֖וּ (veravu) = en zij zullen talrijk worden | כְּמ֥וֹ (kemo) = zoals | רָבֽוּ (ravu) = zij talrijk waren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶשְׁרְקָה (ashreqah), ‘Ik zal fluiten’: een herder fluit zijn kudde bijeen. Het beeld past bij de kudde van vers 3. Voetnoot : פְדִיתִים (fediytim), ‘Ik heb hen vrijgekocht’: het werkwoord פָּדָה (padah) betekent ‘vrijkopen’, zoals in Deut. 7:8. De vrijkoping heeft al plaatsgevonden. Zie ook: Deut 7:8; Hos 2:1; Jes 5:26; Jes 7:18; Jer 33:22; Ezech 36:10–11; Zach 10:3 **10:9** **Ik zal hen zaaien onder de volken, en in verre landen zullen zij aan Mij denken. Zij zullen leven met hun zonen en terugkeren.** Brontekst: וְאֶזְרָעֵם֙ (veezraem) = en Ik zal hen zaaien | בָּֽעַמִּ֔ים (baamim) = onder de volken | וּבַמֶּרְחַקִּ֖ים (uvamerchaqim) = en in verre landen | יִזְכְּר֑וּנִי (yizkeruni) = zij zullen aan Mij denken | וְחָי֥וּ (vechayu) = en zij zullen leven | אֶת (et) = met | בְּנֵיהֶ֖ם (beneihem) = hun zonen | וָשָֽׁבוּ (vashavu) = en zij zullen terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאֶזְרָעֵם (ve’ezra’em), ‘Ik zal hen zaaien’: Yahweh verspreidt hen over de volken als zaad. Zaad komt later op: uit de verstrooiing groeit nieuw leven (‘zij zullen leven’). Voetnoot : יִזְכְּרוּנִי (yizkeruni), ‘zij zullen aan Mij denken’: in de verre landen blijven zij zich Yahweh herinneren. Voetnoot : אֶת בְּנֵיהֶם (et beneihem), ‘met hun zonen’: het Hebreeuws heeft hier het woordje et, dat ook ‘met’ kan betekenen. Zie ook: Hos 2:25; Jes 65:9; Jes 65:23; Ezech 6:9; Neh 1:9 **10:10** **Ik zal hen terugbrengen uit het land Egypte en hen verzamelen uit Assyrië. Ik zal hen brengen naar het land Gilead en naar Libanon, en er zal niet genoeg ruimte voor hen zijn.** Brontekst: וַהֲשִֽׁיבוֹתִים֙ (vahashivotim) = en Ik zal hen terugbrengen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וּמֵֽאַשּׁ֖וּר (umeashur) = en uit Assyrië | אֲקַבְּצֵ֑ם (aqabetsem) = zal Ik hen verzamelen | וְאֶל (veel) = en naar | אֶ֨רֶץ (erets) = het land van | גִּלְעָ֤ד (gilad) = Gilead | וּלְבָנוֹן֙ (ulevanon) = en Libanon | אֲבִיאֵ֔ם (aviem) = zal Ik hen brengen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִמָּצֵ֖א (yimatse) = zal worden gevonden | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם וּמֵאַשּׁוּר (me’erets Mitsrayim umeAshur), ‘uit het land Egypte en uit Assyrië’: de twee grote landen van de ballingschap. Egypte staat voor het zuiden, Assyrië voor het noorden en oosten. Voetnoot : וְאֶל אֶרֶץ גִּלְעָד וּלְבָנוֹן (erets Gil’ad uLevanon), ‘het land Gilead en Libanon’: de noordelijke en oostelijke grenzen van het oude land. Zo breed zal het land worden. Voetnoot : וְלֹא יִמָּצֵא לָהֶם (velo yimmatse lahem), ‘er zal niet genoeg ruimte voor hen zijn’: het Hebreeuws zegt letterlijk ‘en er zal niet gevonden worden voor hen’. ‘Ruimte’ is aangevuld uit de samenhang. Zie ook: Hos 11:11; Jes 49:19–21; Mi 7:14; Jer 50:19; Zach 8:7 **10:11** **Hij zal door de zee trekken, de benauwdheid, en de golven in de zee slaan. Alle diepten van de Nijl zullen opdrogen. De trots van Assyrië wordt neergehaald, en de scepter van Egypte zal wijken.** Brontekst: וְעָבַ֨ר (veavar) = en hij zal doorgaan | בַּיָּ֜ם (bayam) = door de zee | צָרָ֗ה (tsara) = benauwdheid | וְהִכָּ֤ה (vehika) = en zal slaan | בַיָּם֙ (bayam) = in de zee | גַּלִּ֔ים (galim) = golven | וְהֹבִ֕ישׁוּ (vehovishu) = en zullen opdrogen | כֹּ֖ל (kol) = alle | מְצוּל֣וֹת (metsulot) = diepten van | יְאֹ֑ר (yeor) = de Nijl | וְהוּרַד֙ (vehurad) = en zal worden neergehaald | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וְשֵׁ֥בֶט (veshevet) = en de scepter van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | יָסֽוּר (yasur) = zal wijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וְעָבַר בַּיָּם צָרָה וְהִכָּה בַיָּם גַּלִּים (ve’avar bayam tsarah), ‘Hij zal door de zee trekken, de benauwdheid’: het Hebreeuws is kort en moeilijk. ‘Benauwdheid’ kan het beeld van de Rode Zee zijn, waar het volk doorheen trok (Exod. 14). Wie ‘Hij’ is, zegt de tekst niet; in de samenhang is het Yahweh. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : יְאֹר (ye’or), ‘de Nijl’: het Hebreeuwse woord voor de Nijl. מְצוּלוֹת (metsulot), ‘diepten’. Voetnoot : וְהֹבִישׁוּ (vehivishu), ‘zullen opdrogen’: het werkwoord hoort bij ‘droog zijn’ (יָבֵשׁ, yavesh). In vers 5 betekent dezelfde schrijfwijze ‘beschamen’. De betekenis volgt de samenhang. Voetnoot : וְשֵׁבֶט (shevet), ‘scepter’: het teken van gezag. Zie ook: Jes 43:2; Mi 5:4–5; Sef 2:13; Ezech 30:13; Zach 10:5; Openb 16:12 **10:12** **Ik zal hen sterk maken in Yahweh, en in Zijn naam zullen zij wandelen, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְגִבַּרְתִּים֙ (vegibartim) = en Ik zal hen sterk maken | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = in Yahweh | וּבִשְׁמ֖וֹ (uvishmo) = en in Zijn naam | יִתְהַלָּ֑כוּ (yithalakhu) = zullen zij wandelen | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten, zie de Uitleg bij Zach. 1:3. Ze staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood. Voetnoot : וְגִבַּרְתִּים (vegibbartim), ‘Ik zal hen sterk maken’: hetzelfde werkwoord als in vers 6. Het hoofdstuk eindigt met de belofte dat zij ‘in Zijn naam’ zullen leven. Zie ook: Jes 2:5; Jes 41:10; Mi 4:5; Zach 1:3; Zach 10:6; 2 Tim 2:1 ## Zacharia 11 _De herder van de kudde die voor de slacht bestemd is_ ### Open je deuren, Libanon **11:1** Open je deuren, Libanon, en laat vuur je ceders verteren. Brontekst: פְּתַ֥ח (petach) = open | לְבָנ֖וֹן (levanon) = Libanon | דְּלָתֶ֑יךָ (delateikha) = je deuren | וְתֹאכַ֥ל (vetokhal) = en laat verteren | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | בַּאֲרָזֶֽיךָ (baarazeikha) = je ceders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבָנוֹן (Levanon), ‘Libanon’: hier de bergen met hun ceders. De deuren zijn de bergpassen of de poorten; het vuur zal het woud verteren. Het vers opent met een beeld van verwoesting, ceders en cipressen als trotse bomen. Voetnoot : De ‘deuren’ van Libanon en het ‘vuur’ zijn dichterlijke taal. De tekst noemt geen vijand. Zie ook: Jer 22:6–7; Jer 22:23; Hag 1:8; Zach 14:1–2; Luc 21:23–24 **11:2** Jammer, cipres, want de ceder is gevallen, omdat de machtigen verwoest zijn. Jammer, eiken van Basan, want het woud van de druivenoogst is neergestort. Brontekst: הֵילֵ֤ל (heilel) = jammer | בְּרוֹשׁ֙ (berosh) = cipres | כִּֽי (ki) = want | נָ֣פַל (nafal) = is gevallen | אֶ֔רֶז (erez) = de ceder | אֲשֶׁ֥ר (asher) = omdat | אַדִּרִ֖ים (adirim) = de machtigen | שֻׁדָּ֑דוּ (shudadu) = zijn verwoest | הֵילִ֨ילוּ֙ (heililu) = jammer | אַלּוֹנֵ֣י (alonei) = eiken van | בָשָׁ֔ן (bashan) = Basan | כִּ֥י (ki) = want | יָרַ֖ד (yarad) = is neergestort | יַ֥עַר (yaar) = het woud | הַבָּצִֽיר (habatsir) = de druivenoogst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרוֹשׁ (berosh), ‘cipres’: een naaldboom; de betekenis is niet helemaal zeker. אֶרֶז (erez), ‘ceder’: de bekende boom van de Libanon. אַלּוֹנֵי (alonei Bashan), ‘eiken van Basan’: zoals in Jes. 2:13. Voetnoot : De bomen staan hier voor de machtigen. אַדִּרִים (adirim), ‘de machtigen’: ook ‘de prachtigen’. Voetnoot : יַעַר הַבָּצִיר (hayaar habbatsir), ‘het woud van de druivenoogst’: zie de Lezing-voetnoot. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is הבצור (habbatsur), ‘het ondoordringbare’; het te lezen woord (qere) is הַבָּצִיר (habbatsir), ‘de druivenoogst’. Wij volgen de qere en vertalen ‘het woud van de druivenoogst’. Wie het ketiv volgt, of de qere als bijvorm van hetzelfde woord leest, vertaalt ‘het ondoordringbare woud’. Zie ook: Amos 6:1; Jes 2:13; Jes 32:15–19; Ezech 21:2; Ezech 31:17; Luc 23:31 **11:3** Hoor het gejammer van de herders, want hun pracht is verwoest. Hoor het gebrul van de jonge leeuwen, want de trots van de Jordaan is verwoest. Brontekst: ק֚וֹל (qol) = geluid van | יִֽלְלַ֣ת (yillat) = gejammer van | הָרֹעִ֔ים (haroim) = de herders | כִּ֥י (ki) = want | שֻׁדְּדָ֖ה (shudeda) = is verwoest | אַדַּרְתָּ֑ם (adartam) = hun pracht | ק֚וֹל (qol) = geluid van | שַׁאֲגַ֣ת (shaagat) = gebrul van | כְּפִירִ֔ים (kefirim) = jonge leeuwen | כִּ֥י (ki) = want | שֻׁדַּ֖ד (shudad) = is verwoest | גְּא֥וֹן (geon) = trots van | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִלְלַת הָרֹעִים (qol yelalat haro’im), ‘het gejammer van de herders’: hier herders van schapen, die hun weiland verliezen. Het kan ook leiders bedoelen, zoals in vers 4. Voetnoot : גְּאוֹן הַיַּרְדֵּן (ge’on haYarden), ‘de trots van de Jordaan’: het dichte struikgewas langs de rivier, waar leeuwen woonden (vergelijk Jer. 12:5). Voetnoot : כְּפִירִים (kefirim), ‘jonge leeuwen’: hun hol is verwoest. Zie ook: Ps 22:22; Jes 65:15; Jer 12:5; Jer 25:34–36; Jer 50:44; Zach 11:4; Zach 11:15–17 ### De kudde die voor de slacht bestemd is **11:4** Zo zegt Yahweh, mijn Elohim: **„Weid de kudde die voor de slacht bestemd is.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑י (elohay) = mijn Elohim | רְעֵ֖ה (ree) = weid | אֶת (et) = (obj.) | צֹ֥אן (tson) = kudde van | הַהֲרֵגָֽה (haharega) = de slacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה אֱלֹהָי (Yahweh Elohai), ‘Yahweh, mijn Elohim’: de profeet spreekt. Vanaf hier beschrijft hij een tekenhandeling: hij speelt de herder. De opdracht van Yahweh aan de profeet is rood. Voetnoot : רְעֵה אֶת צֹאן הַהֲרֵגָה (re’eh et tson haharegah), ‘weid de kudde die voor de slacht bestemd is’: het woord הֲרֵגָה (haregah) komt van ‘doden’, zoals in Jer. 12:3. De kudde is bestemd om geslacht te worden. Zie ook: Jer 12:3; Ezech 34:23–24; Zach 11:7; Zach 14:5; Mat 23:37; Rom 15:8 **11:5** **Hun kopers slachten hen en worden niet schuldig bevonden. Hun verkopers zeggen: ‘Gezegend is Yahweh, ik word rijk!’ En hun herders sparen hen niet.** Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | קֹנֵיהֶ֤ן (qoneihen) = hun kopers | יַֽהֲרְגֻן֙ (yahargun) = slachten hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֶאְשָׁ֔מוּ (yeshamu) = worden schuldig bevonden | וּמֹכְרֵיהֶ֣ן (umokhereihen) = en hun verkopers | יֹאמַ֔ר (yomar) = zeggen | בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַאעְשִׁ֑ר (vashir) = en ik word rijk | וְרֹ֣עֵיהֶ֔ם (veroeihem) = en hun herders | לֹ֥א (lo) = niet | יַחְמ֖וֹל (yachmol) = sparen | עֲלֵיהֶֽן (aleihen) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹנֵיהֶן יַהֲרְגֻן (qonehen), ‘hun kopers’, en וּמֹכְרֵיהֶן (mokhreihen), ‘hun verkopers’: wie de kudde koopt en verkoopt. Hier zijn het de machthebbers die het volk uitbuiten. Voetnoot : יֶאְשָׁמוּ (ye’shamu), ‘worden schuldig bevonden’: ook ‘schuld op zich laden’. Zij blijven vrij van straf. Voetnoot : בָּרוּךְ יְהוָה (barukh Yahweh), ‘gezegend is Yahweh’: dank aan Yahweh voor de winst; een vroom woord bij onrecht. Voetnoot : Vers 5 blijft in dezelfde rode toespraak (zie vers 4 en 6). Zie ook: Gen 37:26–28; 2 Kon 4:1; Hos 12:9; Jer 50:7; Zach 11:4; Zach 11:6; 1 Tim 6:5–10 **11:6** **Want Ik zal de bewoners van het land niet meer sparen, godsspraak van Yahweh. Zie, Ik lever de mensen uit, ieder in de hand van zijn naaste en in de hand van zijn koning. Zij zullen het land verbrijzelen, en Ik zal niemand uit hun hand bevrijden.”** Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | אֶחְמ֥וֹל (echmol) = zal Ik sparen | ע֛וֹד (od) = meer | עַל (al) = over | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = Ik | מַמְצִ֣יא (mamtsi) = lever uit | אֶת (et) = (obj.) | הָאָדָ֗ם (haadam) = de mensen | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | בְּיַד (beyad) = in de hand van | רֵעֵ֨הוּ֙ (reehu) = zijn naaste | וּבְיַ֣ד (uveyad) = en in de hand van | מַלְכּ֔וֹ (malko) = zijn koning | וְכִתְּתוּ֙ (vekhitetu) = en zij zullen verbrijzelen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אַצִּ֖יל (atsil) = zal Ik bevrijden | מִיָּדָֽם (miyadam) = uit hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Zach. 1:3. De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood. Voetnoot : מַמְצִיא (mamtsi), ‘Ik lever uit’: letterlijk ‘Ik laat vinden’, dus ‘Ik laat ieder in de hand vallen van’. Het werkwoord is zeldzaam. Voetnoot : וְכִתְּתוּ (vekhattetu), ‘zij zullen verbrijzelen’: zoals een vijand een land vertrapt en verbrijzelt. Voetnoot : אַצִּיל (atsil), ‘Ik zal bevrijden’: het werkwoord (hitsil) staat voor ‘bevrijden uit de hand van’. Zie ook: Jes 9:18–20; Mi 5:7; Jer 13:14; Zach 1:3; Mat 22:7; Heb 10:26–31 ### Twee staven: Gunst en Banden **11:7** Ik weidde de kudde die voor de slacht bestemd was, juist de ellendigen van de kudde. Ik nam twee staven. De ene noemde ik Gunst en de andere noemde ik Banden. Zo weidde ik de kudde. Brontekst: וָֽאֶרְעֶה֙ (vaere) = en ik weidde | אֶת (et) = (obj.) | צֹ֣אן (tson) = kudde van | הַֽהֲרֵגָ֔ה (haharega) = de slacht | לָכֵ֖ן (lakhen) = daarom | עֲנִיֵּ֣י (aniyei) = de ellendigen van | הַצֹּ֑אן (hatson) = de kudde | וָאֶקַּֽח (vaeqach) = en ik nam | לִ֞י (li) = voor mij | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | מַקְל֗וֹת (maqlot) = staven | לְאַחַ֞ד (leachad) = de ene | קָרָ֤אתִי (qarati) = noemde ik | נֹ֨עַם֙ (noam) = Gunst | וּלְאַחַד֙ (uleachad) = en de andere | קָרָ֣אתִי (qarati) = noemde ik | חֹֽבְלִ֔ים (chovelim) = Banden | וָאֶרְעֶ֖ה (vaere) = en ik weidde | אֶת (et) = (obj.) | הַצֹּֽאן (hatson) = de kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier vertelt de profeet in de ik-vorm; de woorden staan zwart. Voetnoot : לָכֵן (laken), ‘daarom’: dit woord betekent gewoonlijk ‘daarom’, maar past hier slecht. Het kan ook ‘juist’ betekenen. Sommige oude vertalingen lezen anders (‘de kooplieden’). Wij vertalen ‘juist’. Voetnoot : נֹעַם (Noam), ‘Gunst’: het woord betekent ‘gunst, bevalligheid, aangenaamheid’. חֹבְלִים (Chovelim), ‘Banden’: letterlijk ‘touwen’. De twee staven betekenen Gods gunst en de band tussen Juda en Israël (vers 14). Zie ook: Jes 11:4; Ezech 37:16–23; Zach 11:4; Zach 11:10–11; Zach 11:14 **11:8** In één maand roeide ik de drie herders uit. Mijn ziel verloor het geduld met hen, en ook hun ziel had een afkeer van mij. Brontekst: וָאַכְחִ֛ד (vaakhchid) = en ik roeide uit | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | הָרֹעִ֖ים (haroim) = de herders | בְּיֶ֣רַח (beyerach) = in een maand | אֶחָ֑ד (echad) = één | וַתִּקְצַ֤ר (vatiqtsar) = en verloor het geduld | נַפְשִׁי֙ (nafshi) = mijn ziel | בָּהֶ֔ם (bahem) = met hen | וְגַם (vegam) = en ook | נַפְשָׁ֖ם (nafsham) = hun ziel | בָּחֲלָ֥ה (bachala) = had een afkeer | בִֽי (bi) = van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלֹשֶׁת הָרֹעִים (sheloshet haro’im), ‘de drie herders’: wie zij zijn, is onbekend. Er zijn vele voorstellen gedaan. Wij noemen er geen. Voetnoot : וַתִּקְצַר נַפְשִׁי (vatiqtsar nafshi), ‘mijn ziel verloor het geduld’: letterlijk ‘mijn ziel werd kort’, met haar geduld aan het eind. Voetnoot : בָּחֲלָה (bachalah), ‘had een afkeer’: dit werkwoord komt alleen hier voor; de betekenis volgt de samenhang. Zie ook: Jes 49:7; Mat 23:34–36; Luc 19:14; Joh 7:7; Joh 15:18 **11:9** Toen zei ik: „Ik zal jullie niet weiden. Wat sterft, moet sterven. Wat uitgeroeid wordt, moet uitgeroeid worden. De overgeblevenen zullen elkaar verslinden, de een het vlees van de ander.” Brontekst: וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | לֹ֥א (lo) = niet | אֶרְעֶ֖ה (ere) = zal ik weiden | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | הַמֵּתָ֣ה (hameta) = wat sterft | תָמ֗וּת (tamut) = moet sterven | וְהַנִּכְחֶ֨דֶת֙ (vehanikhchedet) = en wat uitgeroeid wordt | תִּכָּחֵ֔ד (tikached) = moet uitgeroeid worden | וְהַ֨נִּשְׁאָר֔וֹת (vehanisharot) = en de overgeblevenen | תֹּאכַ֕לְנָה (tokhalna) = zullen verslinden | אִשָּׁ֖ה (isha) = de een | אֶת (et) = (obj.) | בְּשַׂ֥ר (besar) = vlees van | רְעוּתָֽהּ (reutah) = de ander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier laat de profeet het weiden varen. Het volk wordt aan zijn lot overgelaten: sterven, uitroeien, elkaar verslinden. Voetnoot : אִשָּׁה אֶת בְּשַׂר רְעוּתָהּ (ishah et besar re’utah), ‘de een het vlees van de ander’: letterlijk ‘een vrouw het vlees van haar vriendin’. De schapen zijn vrouwelijk. Zie ook: Ps 69:23–29; Jer 43:11; Mat 13:10–11; Joh 8:21; Openb 22:11 **11:10** Ik nam mijn staf Gunst en brak hem in stukken, om mijn verbond te verbreken dat ik met alle volken had gesloten. Brontekst: וָאֶקַּ֤ח (vaeqach) = en ik nam | אֶת (et) = (obj.) | מַקְלִי֙ (maqli) = mijn staf | אֶת (et) = (obj.) | נֹ֔עַם (noam) = Gunst | וָאֶגְדַּ֖ע (vaegda) = en ik brak | אֹת֑וֹ (oto) = hem | לְהָפֵיר֙ (lehafeir) = om te verbreken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֔י (beriti) = mijn verbond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | כָּרַ֖תִּי (karati) = ik had gesloten | אֶת (et) = met | כָּל (kal) = alle | הָעַמִּֽים (haamim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַקְלִי (maqli), ‘mijn staf’: de herdersstaf. Dit is de staf Gunst (vers 7). Voetnoot : לְהָפֵיר אֶת בְּרִיתִי אֲשֶׁר כָּרַתִּי אֶת כָּל הָעַמִּים (lehafer et beriti asher karatti et kol ha’ammim), ‘om mijn verbond te verbreken dat ik met alle volken had gesloten’: het verbond is niet nader beschreven. Mogelijk is het de bescherming die Yahweh de volken om Israël heen gaf. Zie ook: Ps 89:40; Jer 14:21; Jer 31:31–32; Zach 11:7; Heb 8:8–13 **11:11** Het werd verbroken op die dag. Zo wisten de ellendigen van de kudde die op mij letten, dat dit het woord van Yahweh was. Brontekst: וַתֻּפַ֖ר (vatufar) = en het werd verbroken | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וַיֵּדְע֨וּ (vayedeu) = en zij wisten | כֵ֜ן (ken) = zo | עֲנִיֵּ֤י (aniyei) = de ellendigen van | הַצֹּאן֙ (hatson) = de kudde | הַשֹּׁמְרִ֣ים (hashomerim) = die letten | אֹתִ֔י (oti) = op mij | כִּ֥י (ki) = dat | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתֻּפַר (vatuffar), ‘het werd verbroken’: het verbond van vers 10. Voetnoot : עֲנִיֵּי הַצֹּאן (aniyyei hatson), ‘de ellendigen van de kudde’: dezelfde mensen als in vers 7. Voetnoot : כִּי דְבַר יְהוָה הוּא (ki dvar Yahweh hu), ‘dat het het woord van Yahweh was’: de tekenhandeling blijkt een woord van Yahweh te zijn. Zie ook: Jes 40:31; Sef 3:12; Klaagl 3:25–26; Zach 11:7; Zach 11:10; Luc 7:22; Jak 2:5–6 ### De dertig stukken zilver **11:12** Ik zei tot hen: „Als het goed is in jullie ogen, geef mij mijn loon. Zo niet, laat het.” Toen wogen zij mijn loon af: dertig stukken zilver. Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en ik zei | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | אִם (im) = als | ט֧וֹב (tov) = goed is | בְּעֵינֵיכֶ֛ם (beeineikhem) = in jullie ogen | הָב֥וּ (havu) = geef | שְׂכָרִ֖י (sekhari) = mijn loon | וְאִם (veim) = en als | לֹ֣א (lo) = niet | חֲדָ֑לוּ (chadalu) = laat het | וַיִּשְׁקְל֥וּ (vayishqelu) = en zij wogen af | אֶת (et) = (obj.) | שְׂכָרִ֖י (sekhari) = mijn loon | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִם טוֹב בְּעֵינֵיכֶם (im tov be’eineikhem), ‘als het goed is in jullie ogen’: een beleefde vraag. Het loon is voor het werk van de herder. Voetnoot : שְׁלֹשִׁים כָּסֶף (sheloshim kesef), ‘dertig stukken zilver’: de prijs voor een slaaf die door een rund gedood is, volgens Exod. 21:32. Het was een laag bedrag. Matt. 27:9–10 verbindt dit met het verraad van Judas. Zie ook: Ex 21:32; Mat 26:15; Mat 27:9–10; Mar 14:10–11; Luc 22:3–6; Joh 13:27–30 **11:13** Yahweh zei tot mij: **„Werp het naar de pottenbakker, het prachtige bedrag waarop Ik door hen geschat ben.”** Ik nam de dertig stukken zilver en wierp ze in het huis van Yahweh naar de pottenbakker. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | הַשְׁלִיכֵ֨הוּ֙ (hashlikhehu) = werp hem | אֶל (el) = naar | הַיּוֹצֵ֔ר (hayotser) = de pottenbakker | אֶ֣דֶר (eder) = het prachtige | הַיְקָ֔ר (hayqar) = de waarde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarop | יָקַ֖רְתִּי (yaqarti) = ik ben geschat | מֵֽעֲלֵיהֶ֑ם (mealeihem) = door hen | וָֽאֶקְחָה֙ (vaeqcha) = en ik nam | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | הַכֶּ֔סֶף (hakesef) = de stukken zilver | וָאַשְׁלִ֥יךְ (vaashlikh) = en ik wierp | אֹת֛וֹ (oto) = hem | בֵּ֥ית (beit) = in het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | הַיּוֹצֵֽר (hayotser) = de pottenbakker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיּוֹצֵר (hayyotser), ‘de pottenbakker’: een ambachtsman in of bij de tempel. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘schatkamer’; wij volgen de Hebreeuwse tekst. In Jer. 18–19 is de pottenbakker een beeld. Voetnoot : אֶדֶר הַיְקָר (addir hayeqar), ‘het prachtige bedrag’: ironisch bedoeld, het is een lage prijs. Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘de pracht van de waarde’. Voetnoot : יָקַרְתִּי (yaqarti), ‘waarop Ik geschat ben’: Yahweh spreekt over Zichzelf, het loon geldt Hem. Voetnoot : De woorden van Yahweh zijn rood; het verhaal erna is zwart. Zie ook: Jes 53:2–3; Jes 54:7–10; Mat 27:3–10; Mat 27:12; Hand 1:18–19 **11:14** Daarna brak ik mijn tweede staf, Banden, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken. Brontekst: וָֽאֶגְדַּע֙ (vaegda) = en ik brak | אֶת (et) = (obj.) | מַקְלִ֣י (maqli) = mijn staf | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | אֵ֖ת (et) = (obj.) | הַחֹֽבְלִ֑ים (hachovelim) = Banden | לְהָפֵר֙ (lehafer) = om te verbreken | אֶת (et) = (obj.) | הָֽאַחֲוָ֔ה (haachava) = de broederschap | בֵּ֥ין (bein) = tussen | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאַחֲוָה (ha’achuvah), ‘de broederschap’: de eenheid tussen Juda en Israël (het noorden). Hun verbond met elkaar wordt verbroken. Voetnoot : הַחֹבְלִים (hachovelim), ‘Banden’: de tweede staf (vers 7). Zie ook: Jes 9:20; Zach 11:7; Zach 11:9; Jak 3:14; Jak 3:16; Jak 4:1–3 ### De dwaze herder **11:15** Yahweh zei tot mij: **„Neem nog eens het gereedschap van een dwaze herder.** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | ע֣וֹד (od) = nog | קַח (qach) = neem | לְךָ֔ (lekha) = voor jezelf | כְּלִ֖י (keli) = gereedschap van | רֹעֶ֥ה (roe) = een herder | אֱוִלִֽי (evili) = dwaas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלִי (kli), ‘gereedschap’: de uitrusting van de herder, zoals staf en tas. אֱוִלִי (evili), ‘dwaas’: een herder zonder verstand, die slecht voor de kudde zorgt (vers 16). Voetnoot : Hier begint een nieuwe toespraak van Yahweh. Zij loopt door tot en met vers 17. Zie ook: Jes 6:10–12; Jer 2:26–27; Klaagl 2:14; Ezech 13:3; Zach 11:16; Zach 11:17; Luc 11:40 **11:16** **Want zie, Ik laat in het land een herder opstaan. Naar wat verloren is, zal hij niet omzien. Het jonge dier zal hij niet zoeken. Het gebrokene zal hij niet genezen. Wat blijft staan, zal hij niet verzorgen. Hij zal het vlees van de vette dieren eten en hun hoeven afscheuren.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הִנֵּֽה (hine) = zie | אָנֹכִי֩ (anokhi) = Ik | מֵקִ֨ים (meqim) = laat opstaan | רֹעֶ֜ה (roe) = een herder | בָּאָ֗רֶץ (baarets) = in het land | הַנִּכְחָד֤וֹת (hanikhchadot) = wat verloren is | לֹֽא (lo) = niet | יִפְקֹד֙ (yifqod) = zal hij omzien naar | הַנַּ֣עַר (hanaar) = het jonge dier | לֹֽא (lo) = niet | יְבַקֵּ֔שׁ (yevaqesh) = zal hij zoeken | וְהַנִּשְׁבֶּ֖רֶת (vehanishberet) = en het gebrokene | לֹ֣א (lo) = niet | יְרַפֵּ֑א (yerape) = zal hij genezen | הַנִּצָּבָה֙ (hanitsava) = wat blijft staan | לֹ֣א (lo) = niet | יְכַלְכֵּ֔ל (yekhalkel) = zal hij verzorgen | וּבְשַׂ֤ר (uvesar) = en het vlees van | הַבְּרִיאָה֙ (haberia) = de vette dieren | יֹאכַ֔ל (yokhal) = zal hij eten | וּפַרְסֵיהֶ֖ן (ufarseihen) = en hun hoeven | יְפָרֵֽק (yefareq) = zal hij afscheuren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנִּכְחָדוֹת (hannikchadot), ‘wat verloren is’: letterlijk ‘de uitgeroeide’. Een vergelijkbare lijst staat in Ezech. 34:4. Voetnoot : הַנַּעַר (hanna’ar), ‘het jonge dier’: ook ‘het verstrooide’; de betekenis is onzeker. Voetnoot : הַנִּצָּבָה (hannetsabah), ‘wat blijft staan’: ook ‘het gezonde’ of ‘het sterke’; onzeker. Voetnoot : הַבְּרִיאָה (haberi’ah), ‘de vette’: het vette en gezonde dier. De slechte herder eet de beste dieren op en scheurt hun hoeven af, de hoeven die nog sterk zijn. Zie ook: Jer 23:2; Ezech 34:2–6; Ezech 34:4; Mat 23:13–29; Joh 10:1; Joh 10:12–13 **11:17** **Wee Mijn nietige herder, die de kudde verlaat! Het zwaard komt op zijn arm en op zijn rechteroog. Zijn arm zal volkomen verdorren, en zijn rechteroog zal volkomen verduisterd worden.”** Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = wee | רֹעִ֤י (roi) = Mijn herder | הָֽאֱלִיל֙ (haelil) = de nietige | עֹזְבִ֣י (ozevi) = die verlaat | הַצֹּ֔אן (hatson) = de kudde | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard | עַל (al) = op | זְרוֹע֖וֹ (zeroo) = zijn arm | וְעַל (veal) = en op | עֵ֣ין (ein) = oog van | יְמִינ֑וֹ (yemino) = zijn rechterhand | זְרֹעוֹ֙ (zeroo) = zijn arm | יָב֣וֹשׁ (yavosh) = volkomen | תִּיבָ֔שׁ (tivash) = zal verdorren | וְעֵ֥ין (veein) = en oog van | יְמִינ֖וֹ (yemino) = zijn rechterhand | כָּהֹ֥ה (kaho) = verduisterd | תִכְהֶֽה (tikhhe) = zal worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹעִי (ro’i), ‘Mijn herder’: Yahweh noemt deze herder de Zijne. Hij is een nietige herder. Voetnoot : הָאֱלִיל (ha’elil), ‘de nietige’: hetzelfde woord als in ‘nietige goden’ (elilim). Een herder die niets waard is. Voetnoot : עַל זְרוֹעוֹ וְעַל עֵין יְמִינוֹ (al zero’o ve’al ein yemino), ‘op zijn arm en op zijn rechteroog’: de arm van de herder die de kudde beschermt en het oog dat uitkijkt. Beide worden onbruikbaar. Zie ook: Jes 42:19–20; Jer 23:1; Ezech 13:3; Ezech 34:2; 1 Kor 8:4 ## Zacharia 12 _Yahweh maakt Jeruzalem tot een zware steen, giet een geest van genade uit en laat een grote rouwklacht opgaan_ ### Een last over Israël **12:1** Een last: het woord van Yahweh over Israël. Godsspraak van Yahweh, die de hemel uitspant, de aarde grondvest en de geest van de mens in zijn binnenste vormt: Brontekst: מַשָּׂ֥א (masa) = een last | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | נֹטֶ֤ה (note) = die uitspant | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = hemel | וְיֹסֵ֣ד (veyosed) = en die grondvest | אָ֔רֶץ (arets) = aarde | וְיֹצֵ֥ר (veyotser) = en die vormt | רֽוּחַ (ruach) = geest van | אָדָ֖ם (adam) = de mens | בְּקִרְבּֽוֹ (beqirbo) = in zijn binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: משׂא (massa), ‘last’: een woord van Yahweh dat als een last op iemand of iets rust. Zie de Uitleg bij Zach. 9:1. Voetnoot : נאם יהוה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Zach. 1:3. Hier is de formule de aanhef bij een lofprijzing van Yahweh in de derde persoon (‘die de hemel uitspant’), en daarom staat ze zwart. De toespraak van Yahweh zelf begint in vers 2 en loopt door tot en met 13:9. Voetnoot : נטה (noteh shamayim), ‘die de hemel uitspant’: zoals in Jes. 42:5 en 51:13. ויצר רוח אדם בקרבו (veyotser ruach adam beqirbo), ‘en die de geest van de mens in zijn binnenste vormt’: Yahweh geeft elk mens zijn geest, zoals Gen. 2:7 het leven van de mens beschrijft. Voetnoot : ישׂראל (Yisra’el), ‘Israël’: hier het hele volk. In de verzen hierna gaat het vooral om Jeruzalem en Juda. Zie ook: Gen 2:7; Ps 102:26–27; Jes 42:5; Jes 51:13; Jes 57:16; Jer 51:15; Zach 1:3; Zach 9:1; Zach 12:2; Heb 12:9 ### Jeruzalem, een schaal van duizeling voor de volken **12:2** **„Zie, Ik maak Jeruzalem tot een schaal van duizeling voor alle volken rondom. Ook Juda zal erbij zijn in het beleg tegen Jeruzalem.** Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אָ֠נֹכִי (anokhi) = Ik | שָׂ֣ם (sam) = maak | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֧ם (yerushalaim) = Jeruzalem | סַף (saf) = schaal van | רַ֛עַל (raal) = duizeling | לְכָל (lekhal) = voor alle | הָעַמִּ֖ים (haamim) = de volken | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְגַ֧ם (vegam) = en ook | עַל (al) = over | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | יִֽהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | בַמָּצ֖וֹר (bamatsor) = in het beleg | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: סף (saf), ‘schaal’: een kom of beker. Het woord kan ook ‘drempel’ betekenen. רעל (ra’al), ‘duizeling’: het waggelen van wie te veel gedronken heeft. De volken die Jeruzalem aanvallen, waggelen als wie uit zo’n schaal heeft gedronken. Voetnoot : Het tweede deel van het vers (וגם על יהודה יהיה במצור על ירושׁלם) is moeilijk. ‘Ook Juda zal erbij zijn in het beleg tegen Jeruzalem’ kan betekenen dat Juda wordt meegesleept in de belegering, of dat Juda zelf optrekt tegen Jeruzalem. Het Hebreeuws kiest niet. Zie ook vers 4–7 over Juda. Zie ook: Ps 75:9; Jes 51:17; Jes 51:22–23; Jer 25:15; Zach 12:4–7; Zach 14:14 **12:3** **Op die dag maak Ik Jeruzalem tot een zware steen voor alle volken. Allen die haar optillen, zullen zich diep verwonden. Alle volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַיּוֹם (bayom) = op de dag | הַ֠הוּא (hahu) = die | אָשִׂ֨ים (asim) = Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushalaim) = Jeruzalem | אֶ֤בֶן (even) = steen van | מַֽעֲמָסָה֙ (maamasa) = zware last | לְכָל (lekhal) = voor alle | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | כָּל (kal) = allen | עֹמְסֶ֖יהָ (omeseiha) = haar optillers | שָׂר֣וֹט (sarot) = diepe wonden | יִשָּׂרֵ֑טוּ (yisaretu) = zullen zich toebrengen | וְנֶאֶסְפ֣וּ (veneesfu) = en zullen zich verzamelen | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = tegen haar | כֹּ֖ל (kol) = alle | גּוֹיֵ֥י (goyei) = volken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אבן מעמסה (even ma’amasah), ‘zware steen’: letterlijk ‘steen van last’, een steen die men moet optillen. Voetnoot : שׂרוט ישׂרטו (sarot yissaretu), ‘zij zullen zich diep verwonden’: het werkwoord en het zelfstandig naamwoord staan naast elkaar, voor nadruk. Een sarat is een snijwond (Lev. 21:5). Zie ook: Lev 21:5; Dan 2:34–35; Zach 14:2–4; Zach 14:6; Mat 21:44; Luc 20:18 **12:4** **Op die dag, godsspraak van Yahweh, zal Ik elk paard slaan met verbijstering en zijn ruiter met waanzin. Over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, maar elk paard van de volken zal Ik slaan met blindheid.** Brontekst: בַּיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַכֶּ֤ה (ake) = Ik zal slaan | כָל (kal) = elk | סוּס֙ (sus) = paard | בַּתִּמָּה֔וֹן (batimahon) = met verbijstering | וְרֹכְב֖וֹ (verokhevo) = en zijn ruiter | בַּשִּׁגָּע֑וֹן (bashigaon) = met waanzin | וְעַל (veal) = en over | בֵּ֤ית (beit) = huis van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אֶפְקַ֣ח (efqach) = Ik zal openen | אֶת (et) = (obj.) | עֵינַ֔י (einay) = Mijn ogen | וְכֹל֙ (vekhol) = en elk | ס֣וּס (sus) = paard van | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אַכֶּ֖ה (ake) = Ik zal slaan | בַּֽעִוָּרֽוֹן (baivaron) = met blindheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בתמהון (battimmahon), ‘met verbijstering’, בשׁגעון (bashshiggaon), ‘met waanzin’, en בעורון (ba’ivvaron), ‘met blindheid’: dezelfde drie woorden als in Deut. 28:28. Yahweh slaat de paarden en hun ruiters met wat de vloek van het verbond aankondigde. Voetnoot : אפקח את עיני (efqach et einai), ‘Ik zal Mijn ogen openen’: Yahweh let met aandacht op Juda en beschermt het. Zie ook: Deut 28:28; Dan 9:18; Zach 12:3; Zach 12:6; Hand 17:30 **12:5** **De vorsten van Juda zullen in hun hart zeggen: ‘De inwoners van Jeruzalem zijn een sterkte voor mij in Yahweh van de legermachten, hun Elohim.’** Brontekst: וְאָֽמְר֛וּ (veameru) = en zullen zeggen | אַלֻּפֵ֥י (alufei) = vorsten van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | בְּלִבָּ֑ם (belibam) = in hun hart | אַמְצָ֥ה (amtsa) = sterkte | לִי֙ (li) = voor mij | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | בַּיהוָ֥ה (baYahweh) = in Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אלפי (allufei), ‘vorsten’: de aanvoerders van de families. Hetzelfde woord staat in Exod. 15:15 (‘de vorsten van Edom’). Voetnoot : אמצה (amtsah), ‘sterkte’: een zeldzame vorm, verwant met het werkwoord אמץ (amats), ‘sterk zijn’. Het woord komt maar hier voor. De vorsten van Juda zien in de inwoners van Jeruzalem een kracht omdat Yahweh van de legermachten hun Elohim is. Voetnoot : ביהוה צבאות אלהיהם (beYahweh Tsevaot Eloheihem), ‘in Yahweh van de legermachten, hun Elohim’: zie voor de naam de Uitleg bij Zach. 1:3. Zie ook: Ex 15:15; Ps 18:33; Ps 18:40; Ps 144:1; Joël 4:16; Zach 1:3; Zach 10:12 **12:6** **Op die dag maak Ik de vorsten van Juda tot een vuurpot tussen het hout en tot een brandende fakkel tussen de schoven. Rechts en links zullen zij alle volken rondom verslinden. En Jeruzalem zal weer op zijn plaats wonen, in Jeruzalem.** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֡וּא (hahu) = die | אָשִׂים֩ (asim) = Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | אַלֻּפֵ֨י (alufei) = vorsten van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | כְּֽכִיּ֧וֹר (kekhiyor) = als een pot van | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | בְּעֵצִ֗ים (beetsim) = tussen het hout | וּכְלַפִּ֥יד (ukhelapid) = en als een fakkel van | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | בְּעָמִ֔יר (beamir) = tussen de schoven | וְאָ֨כְל֜וּ (veakhelu) = en zij zullen verslinden | עַל (al) = aan | יָמִ֧ין (yamin) = rechts | וְעַל (veal) = en aan | שְׂמֹ֛אול (semovl) = links | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָעַמִּ֖ים (haamim) = de volken | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְיָשְׁבָ֨ה (veyasheva) = en zal wonen | יְרוּשָׁלִַ֥ם (yerushalaim) = Jeruzalem | ע֛וֹד (od) = nog | תַּחְתֶּ֖יהָ (tachteiha) = op haar plaats | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ככיור (kikhiyyor), ‘als een pot’: een kom of pan met vuur. בעמיר (be’amir), ‘tussen de schoven’: gemaaid graan dat gebonden is en snel vlam vat. Juda wordt door Yahweh een vuur dat de volken verteert. Voetnoot : תחתיה (tachteha), ‘op haar plaats’: letterlijk ‘onder haar’. Zie ook: Ps 149:6–9; Mi 5:4–7; Ob 1:18; Dan 2:44–45; Zach 2:8 ### Yahweh redt eerst de tenten van Juda **12:7** **Yahweh zal eerst de tenten van Juda redden. Zo wordt de luister van het huis van David en de luister van de inwoners van Jeruzalem niet groter dan die van Juda.** Brontekst: וְהוֹשִׁ֧יעַ (vehoshia) = en zal redden | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | אָהֳלֵ֥י (aholei) = tenten van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | בָּרִֽאשֹׁנָ֑ה (barishona) = eerst | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | לֹֽא (lo) = niet | תִגְדַּ֜ל (tigdal) = groot wordt | תִּפְאֶ֣רֶת (tiferet) = luister van | בֵּית (beit) = huis van | דָּוִ֗יד (david) = David | וְתִפְאֶ֛רֶת (vetiferet) = en luister van | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = bewoner van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | עַל (al) = boven | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אהלי יהודה (aholei Yehudah), ‘de tenten van Juda’: het platteland van Juda, buiten de ommuurde stad. Yahweh redt dit eerst, zodat Jeruzalem en het huis van David niet het meest verheerlijkt worden. Voetnoot : Dit vers en het volgende gaan over Yahweh in de derde persoon, binnen Zijn eigen toespraak. Ze staan rood, zoals ook Hos. 1:7. Zie ook: Ps 35:26; Ps 55:13; Amos 9:11; Hos 1:7; Jer 30:18; Rom 3:27 **12:8** **Op die dag beschermt Yahweh de inwoners van Jeruzalem. Wie van hen struikelt, zal op die dag zijn als David. En het huis van David zal zijn als Elohim, als de engel van Yahweh voor hen uit.** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יָגֵ֤ן (yagen) = zal beschermen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּעַד֙ (bead) = rondom | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = bewoner van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְהָיָ֞ה (vehaya) = en zal zijn | הַנִּכְשָׁ֥ל (hanikhshal) = de struikelende | בָּהֶ֛ם (bahem) = onder hen | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | כְּדָוִ֑יד (kedavid) = als David | וּבֵ֤ית (uveit) = en huis van | דָּוִיד֙ (david) = David | כֵּֽאלֹהִ֔ים (kelohim) = als Elohim | כְּמַלְאַ֥ךְ (kemalakh) = als engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כאלהים (ke’elohim), ‘als Elohim’: het woord kan Elohim zelf betekenen of een goddelijk wezen. Het staat naast ‘als de engel van Yahweh’. De zwakste onder hen zal sterk zijn als David, en het huis van David als iemand die de goddelijke macht uitstraalt. Voetnoot : הנכשׁל (hannikhshal), ‘wie struikelt’: de zwakke, wie valt of wankelt. Zie ook: Joël 4:16–17; Mi 5:1–3; Mi 7:16; Zach 2:9; Zach 9:8 **12:9** **Op die dag zal Ik erop uit zijn alle volken te vernietigen die tegen Jeruzalem optrekken.** Brontekst: וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | אֲבַקֵּ֗שׁ (avaqesh) = Ik zal zoeken | לְהַשְׁמִיד֙ (lehashmid) = te vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | הַבָּאִ֖ים (habaim) = die komen | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jes 54:17; Hag 2:22; Zach 12:2; Zach 14:2–3 ### Een geest van genade en smeking **12:10** **Over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik een geest van genade en smeking uitgieten. Zij zullen opzien naar Mij, naar hem die zij doorstoken hebben. Zij zullen over hem rouwklagen zoals men rouwklaagt over de enige zoon. En zij zullen bitter om hem treuren zoals men bitter treurt om de eerstgeborene.** Brontekst: וְשָׁפַכְתִּי֩ (veshafakhti) = en Ik zal uitgieten | עַל (al) = over | בֵּ֨ית (beit) = huis van | דָּוִ֜יד (david) = David | וְעַ֣ל (veal) = en over | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = bewoner van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | ר֤וּחַ (ruach) = geest van | חֵן֙ (chen) = genade | וְתַ֣חֲנוּנִ֔ים (vetachanunim) = en smeking | וְהִבִּ֥יטוּ (vehibitu) = en zij zullen opzien | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wie | דָּקָ֑רוּ (daqaru) = zij hebben doorstoken | וְסָפְד֣וּ (vesafedu) = en zij zullen rouwklagen | עָלָ֗יו (alav) = over hem | כְּמִסְפֵּד֙ (kemisped) = als de rouwklacht | עַל (al) = over | הַיָּחִ֔יד (hayachid) = de enige | וְהָמֵ֥ר (vehamer) = en zij zullen bitter treuren | עָלָ֖יו (alav) = over hem | כְּהָמֵ֥ר (kehamer) = als het bitter treuren | עַֽל (al) = over | הַבְּכֽוֹר (habekhor) = de eerstgeborene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רוח חן ותחנונים (ruach chen vetachanunim), ‘een geest van genade en smeking’: chen is genade of gunst, tachanunim zijn smeekbeden, van hetzelfde woord verwant met chanan, ‘genadig zijn’. Yahweh geeft de geest waardoor zij genade vragen en ontvangen. Voetnoot : והביטו אלי את אשׁר דקרו (vehibbitu elai et asher daqaru), ‘zij zullen opzien naar Mij, naar hem die zij doorstoken hebben’: het Hebreeuws springt van ‘Mij’ naar ‘hem’ (et asher kan ook ‘wie’ of ‘wat’ betekenen). Het zegt niet wie de doorstokene is; wel wordt hij beweend (vers 10–14). Het werkwoord דקרו (daqar), ‘doorsteken’, staat ook in 13:3. Zie ook Joh. 19:37 en Openb. 1:7. Voetnoot : היחיד (hayyachid), ‘de enige’: het woord ‘zoon’ staat er niet en is aangevuld; het kan ook ‘het enige kind’ zijn, zoals in Gen. 22:2. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘naar Mij’ en daarna ‘hem die zij doorstoken hebben’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 22:2; Joël 3:1–2; Jer 6:26; Ezech 39:29; Joh 19:34–37; Joh 19:37; Openb 1:7 **12:11** **Op die dag zal de rouwklacht in Jeruzalem groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadad-Rimmon in de vallei van Megiddo.** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִגְדַּ֤ל (yigdal) = zal groot zijn | הַמִּסְפֵּד֙ (hamisped) = de rouwklacht | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = in Jeruzalem | כְּמִסְפַּ֥ד (kemispad) = als de rouwklacht van | הֲדַדְ (hadad) = Hadad | רִמּ֖וֹן (rimon) = Rimmon | בְּבִקְעַ֥ת (beviqat) = in de vallei van | מְגִדּֽוֹן (megidon) = Megiddo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Megiddo: Megiddo (Tel Megiddo) lag aan de rand van de vlakte van Jizreël, aan de weg van de kust naar het noorden. Voetnoot Uitleg: הדד רמון (Hadad-Rimmon): een naam van een plaats of van een god (Hadad en Rimmon zijn namen van een stormgod). De ligging is niet zeker; mogelijk lag het bij Megiddo. Sommige uitleggers verbinden deze rouwklacht met de rouw om Josia, die bij Megiddo sneuvelde (2 Kon. 23:29; 2 Kron. 35:22–25). Anderen denken aan de rouw om een god van de vruchtbaarheid. Het blijft onzeker. Voetnoot : בבקעת מגדון (biqat Megiddon), ‘de vallei van Megiddo’: de vlakte van Jizreël bij Megiddo. Zie ook Richt. 5:19 en 2 Kron. 35:22. Zie ook: Re 5:19; 2 Kon 23:29; 2 Kron 35:22–25; 2 Kron 35:24 ### Het land rouwklaagt, familie na familie **12:12** **Het land zal rouwklagen, familie na familie afzonderlijk: de familie van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; de familie van het huis van Natan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk;** Brontekst: וְסָפְדָ֣ה (vesafeda) = en zal rouwklagen | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | מִשְׁפָּח֥וֹת (mishpachot) = families | מִשְׁפָּח֖וֹת (mishpachot) = families | לְבָ֑ד (levad) = afzonderlijk | מִשְׁפַּ֨חַת (mishpachat) = familie van | בֵּית (beit) = huis van | דָּוִ֤יד (david) = David | לְבָד֙ (levad) = afzonderlijk | וּנְשֵׁיהֶ֣ם (unesheihem) = en hun vrouwen | לְבָ֔ד (levad) = afzonderlijk | מִשְׁפַּ֤חַת (mishpachat) = familie van | בֵּית (beit) = huis van | נָתָן֙ (natan) = Natan | לְבָ֔ד (levad) = afzonderlijk | וּנְשֵׁיהֶ֖ם (unesheihem) = en hun vrouwen | לְבָֽד (levad) = afzonderlijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: משׁפחות משׁפחות (mishpachot mishpachot), ‘familie na familie’: de herhaling zegt dat elke familie voor zich rouwklaagt. לבד (levad), ‘afzonderlijk’: de rouwklacht is persoonlijk. De mannen en de vrouwen staan elk apart. Voetnoot : בית נתן (beit Natan), ‘het huis van Natan’: Natan, de zoon van David (2 Sam. 5:14; 1 Kron. 3:5), of de profeet Natan. De tekst zegt het niet. Het huis van David en het huis van Natan zijn de koninklijke lijn en een tak ervan; het is onzeker welke bedoeld is. Zie ook: Ex 12:30; 2 Sam 5:14; 1 Kron 3:5; Jer 31:18; Mat 24:30; Openb 1:7 **12:13** **de familie van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; de familie van de Simieten afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk;** Brontekst: מִשְׁפַּ֤חַת (mishpachat) = familie van | בֵּית (beit) = huis van | לֵוִי֙ (levi) = Levi | לְבָ֔ד (levad) = afzonderlijk | וּנְשֵׁיהֶ֖ם (unesheihem) = en hun vrouwen | לְבָ֑ד (levad) = afzonderlijk | מִשְׁפַּ֤חַת (mishpachat) = familie van | הַשִּׁמְעִי֙ (hashimi) = de Simiet | לְבָ֔ד (levad) = afzonderlijk | וּנְשֵׁיהֶ֖ם (unesheihem) = en hun vrouwen | לְבָֽד (levad) = afzonderlijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: משׁפחת בית לוי (mishpachat beit Levi), ‘de familie van het huis van Levi’: de priesterlijke stam. השׁמעי (hashShim’i), ‘de Simieten’: de nakomelingen van Simi, een zoon van Gersjon, de zoon van Levi (Exod. 6:17; Num. 3:18, 3:21). Het gaat dus om een levitische familie. Het huis van David en het huis van Levi staan hier voor de wereldlijke en de priesterlijke leiding. Zie ook: Ex 6:17; Num 3:18; Num 3:21; 2 Sam 16:5; 1 Kron 23:7; 1 Kron 23:10; 1 Kon 1:8; 2 Kron 29:14 **12:14** **alle overige families, elke familie afzonderlijk, en hun vrouwen afzonderlijk.** Brontekst: כֹּ֗ל (kol) = alle | הַמִּשְׁפָּחוֹת֙ (hamishpachot) = de families | הַנִּשְׁאָר֔וֹת (hanisharot) = die overblijven | מִשְׁפָּחֹ֥ת (mishpachot) = families | מִשְׁפָּחֹ֖ת (mishpachot) = families | לְבָ֑ד (levad) = afzonderlijk | וּנְשֵׁיהֶ֖ם (unesheihem) = en hun vrouwen | לְבָֽד (levad) = afzonderlijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 9:12 ## Zacharia 13 _Een bron tegen zonde, het einde van de valse profeten, de geslagen herder en het gezuiverde derde deel_ ### Een bron geopend tegen zonde en onreinheid **13:1** **Op die dag zal er een bron geopend zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem, voor zonde en onreinheid.** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | מָק֣וֹר (maqor) = bron | נִפְתָּ֔ח (niftach) = geopend | לְבֵ֥ית (leveit) = voor huis van | דָּוִ֖יד (david) = David | וּלְיֹשְׁבֵ֣י (uleyoshevei) = en voor bewoners van | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לְחַטַּ֖את (lechatat) = voor zonde | וּלְנִדָּֽה (ulenida) = en voor onreinheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מקור נפתח (maqor niftach), ‘een geopende bron’: een bron die open staat, zodat men eruit kan putten en zich kan reinigen. לחטאת (lechatta’t), ‘voor zonde’, en ולנדה (ulenniddah), ‘en voor onreinheid’: het Hebreeuws zegt alleen ‘voor’. De bron dient tot reiniging van beide. Voetnoot : נִדָּה (niddah) is de onreinheid van de maandelijkse bloeding (Lev. 15:19–24) en daarna iedere afschuwelijke onreinheid (Ezech. 36:17). Het ‘reinigingswater’ van Num. 19 draagt ditzelfde woord. Zie ook: Lev 15:19–24; Ps 51:4; Ezech 36:17; Ezech 36:25; Joh 1:29; 1 Kor 6:11; 1 Joh 1:7 ### Het einde van afgodsbeelden en valse profeten **13:2** **Op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, zal Ik de namen van de afgodsbeelden uit het land uitroeien. Ze zullen niet meer genoemd worden. Ook de profeten en de geest van onreinheid zal Ik uit het land wegdoen.** Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | נְאֻ֣ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אַכְרִ֞ית (akhrit) = Ik zal uitroeien | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֤וֹת (shemot) = namen van | הָֽעֲצַבִּים֙ (haatsabim) = de afgodsbeelden | מִן (min) = uit | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִזָּכְר֖וּ (yizakheru) = zullen genoemd worden | ע֑וֹד (od) = meer | וְגַ֧ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | הַנְּבִיאִ֛ים (haneviim) = de profeten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | ר֥וּחַ (ruach) = geest van | הַטֻּמְאָ֖ה (hatuma) = de onreinheid | אַעֲבִ֥יר (aavir) = Ik zal verwijderen | מִן (min) = uit | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: העצבים (ha’atsabbim), ‘de afgodsbeelden’: hetzelfde woord als in Hos. 4:17. Alleen hun namen worden uitgeroeid, zodat ze niet meer genoemd worden (Exod. 23:13; Hos. 2:19, NL 2:17). Voetnoot : רוח הטמאה (ruach hattum’ah), ‘geest van onreinheid’: een uitdrukking die alleen hier staat. Zij hoort bij de profeten van het begin van het vers. Zie ook: Ex 23:13; 1 Kon 22:22; Hos 2:19; Hos 4:17; Jer 23:14–15; Ezech 36:25 **13:3** **Als iemand nog profeteert, zullen zijn vader en zijn moeder, die hem gebaard hebben, tegen hem zeggen: ‘Je zult niet leven. Je hebt leugen gesproken in de naam van Yahweh.’ En zijn vader en zijn moeder, die hem gebaard hebben, zullen hem doorsteken als hij profeteert.** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = als | יִנָּבֵ֣א (yinave) = profeteert | אִישׁ֮ (ish) = man | עוֹד֒ (od) = nog | וְאָמְר֣וּ (veameru) = en zullen zeggen | אֵ֠לָיו (elav) = tegen hem | אָבִ֨יו (aviv) = zijn vader | וְאִמּ֤וֹ (veimo) = en zijn moeder | יֹֽלְדָיו֙ (yoledav) = zijn verwekkers | לֹ֣א (lo) = niet | תִֽחְיֶ֔ה (tichye) = zul je leven | כִּ֛י (ki) = want | שֶׁ֥קֶר (sheqer) = leugen | דִּבַּ֖רְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּדְקָרֻ֜הוּ (udeqaruhu) = en zullen hem doorsteken | אָבִ֧יהוּ (avihu) = zijn vader | וְאִמּ֛וֹ (veimo) = en zijn moeder | יֹלְדָ֖יו (yoledav) = zijn verwekkers | בְּהִנָּבְאֽוֹ (behinaveo) = als hij profeteert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ודקרהו (udqaruhu), ‘zij zullen hem doorsteken’: het werkwoord daqar staat ook in 12:10. Hier straffen de ouders zelf hun profeterende kind, naar het gebod van Deut. 13:6–11 (NL 13:5–10) en 18:20. Voetnoot : ילדיו (yoledav), ‘die hem gebaard hebben’: de ouders, letterlijk ‘zijn verwekkers’. Het hele vers is een voorspelling dat de liefde voor Yahweh zwaarder weegt dan de band tussen ouder en kind. Zie ook: Deut 13:6–11; Deut 13:7–12; Deut 18:20; Jer 23:34; Ezech 14:9; 2 Kor 5:16 **13:4** **Op die dag zullen de profeten zich schamen, ieder voor zijn visioen als hij profeteert. Zij zullen geen mantel van haar dragen om te misleiden.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יֵבֹ֧שׁוּ (yevoshu) = zullen zich schamen | הַנְּבִיאִ֛ים (haneviim) = de profeten | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | מֵחֶזְיֹנ֖וֹ (mechezyono) = voor zijn visioen | בְּהִנָּֽבְאֹת֑וֹ (behinaveoto) = als hij profeteert | וְלֹ֧א (velo) = en niet | יִלְבְּשׁ֛וּ (yilbeshu) = zullen zij dragen | אַדֶּ֥רֶת (aderet) = mantel van | שֵׂעָ֖ר (sear) = haar | לְמַ֥עַן (lemaan) = om | כַּחֵֽשׁ (kachesh) = te misleiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אדרת שׂער (adderet se’ar), ‘mantel van haar’: een ruige, harige mantel, zoals Elia die droeg (2 Kon. 1:8). Valse profeten zullen die niet meer dragen om mensen te misleiden. Zie ook: 2 Kon 1:8; Jes 20:2; Mi 3:6–7; Mat 3:4; Openb 11:3 **13:5** **Hij zal zeggen: ‘Ik ben geen profeet. Ik ben een man die het land bewerkt, want een mens heeft mij van jongs af gekocht.’** Brontekst: וְאָמַ֕ר (veamar) = en hij zal zeggen | לֹ֥א (lo) = niet | נָבִ֖יא (navi) = profeet | אָנֹ֑כִי (anokhi) = ik | אִישׁ (ish) = man | עֹבֵ֤ד (oved) = die bewerkt | אֲדָמָה֙ (adama) = grond | אָנֹ֔כִי (anokhi) = ik | כִּ֥י (ki) = want | אָדָ֖ם (adam) = mens | הִקְנַ֥נִי (hiqnani) = heeft mij verworven | מִנְּעוּרָֽי (mineuray) = van mijn jeugd af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אדם (adam), ‘mens’: ook ‘Adam’ of ‘de man van de adamah, de grond’. Er is een woordspeling met אדמה (adamah), ‘grond’. Voetnoot : הקנני (hiqnani), ‘heeft mij gekocht’: de vorm is zeldzaam en de betekenis is niet zeker; het kan ook ‘heeft mij als vee gehouden’ betekenen. De man zegt: ik werk voor een ander en ben geen profeet. Zie ook: Amos 7:14; Hand 19:17–20 **13:6** **Men zal tegen hem zeggen: ‘Wat zijn die wonden tussen je handen?’ En hij zal zeggen: ‘Ik ben geslagen in het huis van mijn vrienden.’** Brontekst: וְאָמַ֣ר (veamar) = en men zal zeggen | אֵלָ֔יו (elav) = tegen hem | מָ֧ה (ma) = wat | הַמַּכּ֛וֹת (hamakot) = de wonden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | בֵּ֣ין (bein) = tussen | יָדֶ֑יךָ (yadeikha) = je handen | וְאָמַ֕ר (veamar) = en hij zal zeggen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֻכֵּ֖יתִי (hukeiti) = ik ben geslagen | בֵּ֥ית (beit) = in het huis van | מְאַהֲבָֽי (meahavay) = mijn liefhebbers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ידיך (ben yadeikha), ‘tussen je handen’: tussen de armen, dus op de borst of op de rug. Het kan ook ‘tussen je ogen’ of ‘op je handpalmen’ bedoelen. Wonden bij profeten ziet men ook in 1 Kon. 20:35–41 en 18:28. Voetnoot : מאהבי (me’ahavai), ‘mijn vrienden’: letterlijk ‘mijn liefhebbers’. In Hos. 2 staat hetzelfde woord voor de minnaars van Israël; hier kan het gaan om vrienden die hem sloegen, of om wie hij volgde in een afgodisch gebruik. Zie ook: Ps 22:17; Spr 27:5–6; 1 Kon 18:28; 1 Kon 20:35–41; Joh 18:35; Joh 19:14–16; Openb 14:11 ### Het zwaard tegen de herder **13:7** **Zwaard, ontwaak tegen Mijn herder en tegen de man die Mijn naaste is, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Sla de herder, dan worden de schapen verstrooid. Ik zal Mijn hand keren tegen de kleinen.** Brontekst: חֶ֗רֶב (cherev) = zwaard | עוּרִ֤י (uri) = word wakker | עַל (al) = tegen | רֹעִי֙ (roi) = Mijn herder | וְעַל (veal) = en tegen | גֶּ֣בֶר (gever) = man | עֲמִיתִ֔י (amiti) = Mijn naaste | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הַ֤ךְ (hakh) = sla | אֶת (et) = (obj.) | הָֽרֹעֶה֙ (haroe) = de herder | וּתְפוּצֶ֣יןָ (utefutseina) = en worden verstrooid | הַצֹּ֔אן (hatson) = de schapen | וַהֲשִׁבֹתִ֥י (vahashivoti) = en Ik zal keren | יָדִ֖י (yadi) = Mijn hand | עַל (al) = tegen | הַצֹּעֲרִֽים (hatsoarim) = de kleinen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רעי (ro’i), ‘Mijn herder’: een leider van Yahweh’s volk; zie Zach. 11:4–17 en 10:2–3. עמיתי (amiti), ‘Mijn naaste’: amit is een metgezel of naaste (Lev. 5:21, NL 6:2; 18:20). De man staat Yahweh dichtbij. Voetnoot : הך את הרעה ותפוצין הצאן (hach et haro’eh utefutsena hatso’n), ‘sla de herder, dan worden de schapen verstrooid’: de vorm utefutsena is ongewoon. Zie ook Matt. 26:31 en Mark. 14:27. Voetnoot : הצערים (hatso’arim), ‘de kleinen’: de kleine schapen of de geringen. Het woord is zeldzaam en de betekenis is niet zeker. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft utefutsena, ‘dan worden de schapen verstrooid’. Sommige oude vertalingen lezen een gebod: ‘en verstrooi de schapen’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Lev 5:21; Jes 40:11; Zach 10:2; Zach 11:4–17; Mat 26:31; Mar 14:27; Mar 14:50; Joh 16:32 **13:8** **In heel het land, godsspraak van Yahweh, zullen twee delen worden uitgeroeid en omkomen. Het derde deel zal erin overblijven.** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | בְכָל (bekhal) = in heel | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | פִּֽי (pi) = deel van | שְׁנַ֣יִם (shenayim) = twee | בָּ֔הּ (bah) = daarin | יִכָּרְת֖וּ (yikaretu) = zullen uitgeroeid worden | יִגְוָ֑עוּ (yigvau) = zullen omkomen | וְהַשְּׁלִשִׁ֖ית (vehashelishit) = en het derde | יִוָּ֥תֶר (yivater) = zal overblijven | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פי שׁנים (pi shenayim), ‘twee delen’: letterlijk ‘een mond van twee’, een dubbel deel (Deut. 21:17). Samen met ‘het derde’ aan het slot gaat het om twee derde en een derde. Zie ook: Deut 21:17; Ezech 5:2–4; Ezech 5:12; Mal 3:19–21; Openb 8:7–12; Openb 16:19 ### Door het vuur gezuiverd **13:9** **Dat derde deel zal Ik door het vuur brengen. Ik zal hen zuiveren zoals zilver gezuiverd wordt en hen toetsen zoals goud getoetst wordt. Hij zal Mijn naam aanroepen en Ik zal hem antwoorden. Ik zal zeggen: ‘Mijn volk is hij.’ En hij zal zeggen: ‘Yahweh is mijn Elohim.’”** Brontekst: וְהֵבֵאתִ֤י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַשְּׁלִשִׁית֙ (hashelishit) = het derde | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = in het vuur | וּצְרַפְתִּים֙ (utseraftim) = en Ik zal hen zuiveren | כִּצְרֹ֣ף (kitsrof) = zoals het zuiveren van | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֔סֶף (hakesef) = het zilver | וּבְחַנְתִּ֖ים (uvechantim) = en Ik zal hen toetsen | כִּבְחֹ֣ן (kivchon) = zoals het toetsen van | אֶת (et) = (obj.) | הַזָּהָ֑ב (hazahav) = het goud | ה֣וּא (hu) = hij | יִקְרָ֣א (yiqra) = zal aanroepen | בִשְׁמִ֗י (bishmi) = in Mijn naam | וַֽאֲנִי֙ (vaani) = en Ik | אֶעֱנֶ֣ה (eene) = zal antwoorden | אֹת֔וֹ (oto) = hem | אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = Ik zeg | עַמִּ֣י (ami) = mijn volk | ה֔וּא (hu) = hij | וְה֥וּא (vehu) = en hij | יֹאמַ֖ר (yomar) = zal zeggen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וצרפתים (utseraftim), ‘Ik zal hen zuiveren’: tsaraf is zilver en goud smelten en zuiveren (Jes. 1:25; Ps. 66:10; Mal. 3:3). Het vuur zuivert wat blijft. Voetnoot : הוא יקרא בשׁמי (hu yiqra vishmi), ‘hij zal Mijn naam aanroepen’, en יהוה אלהי (Yahweh Elohai), ‘Yahweh is mijn Elohim’: het Hebreeuws staat in het enkelvoud (het derde deel als één persoon). Het is het verbondswoord: ‘Mijn volk’ en ‘mijn Elohim’, zoals Hos. 2:25 (NL 2:23). Voetnoot : Hier eindigt de toespraak van Yahweh die in 12:2 begon. Zie ook: Ps 50:15; Ps 66:10; Hos 2:25; Jes 1:25; Jes 48:10; Jes 65:23–24; Jer 29:11–12; Mal 3:3; Hand 2:21 ## Zacharia 14 _De dag van Yahweh: strijd om Jeruzalem, Yahweh als koning over heel de aarde en een heilig Jeruzalem_ ### Een dag voor Yahweh **14:1** Zie, er komt een dag voor Yahweh, en je buit wordt in je midden verdeeld. Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | יֽוֹם (yom) = dag | בָּ֖א (ba) = komt | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְחֻלַּ֥ק (vechulaq) = en wordt verdeeld | שְׁלָלֵ֖ךְ (shelalekh) = je buit | בְּקִרְבֵּֽךְ (beqirbekh) = in je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ליהוה (laYahweh), ‘voor Yahweh’: een dag die aan Yahweh toebehoort, zoals ‘de dag van Yahweh’ in Jes. 2:12 en Joël 2:1. Vanaf dit vers beschrijft de profeet de dag; hij is de spreker. Voetnoot : שׁללך (shelalekh), ‘je buit’: vrouwelijk enkelvoud. Jeruzalem wordt aangesproken: wat zij heeft buitgemaakt, wordt in haar midden verdeeld door de vijand. Zie ook: Joël 2:1; Jes 2:12; Jes 13:6; Jes 13:9; Hand 2:20; Openb 16:14 **14:2** **„Ik zal alle volken verzamelen tegen Jeruzalem, voor de oorlog. De stad zal worden ingenomen, de huizen worden geplunderd en de vrouwen verkracht. De helft van de stad zal in ballingschap gaan, maar de rest van het volk zal niet uit de stad worden uitgeroeid.”** Brontekst: וְאָסַפְתִּ֨י (veasafti) = en Ik zal verzamelen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = volken | אֶֽל (el) = naar | יְרוּשָׁלִַם֮ (yerushalaim) = Jeruzalem | לַמִּלְחָמָה֒ (lamilchama) = voor de oorlog | וְנִלְכְּדָ֣ה (venilkeda) = en zal ingenomen worden | הָעִ֗יר (hair) = de stad | וְנָשַׁ֨סּוּ֙ (venashasu) = en zullen geplunderd worden | הַבָּ֣תִּ֔ים (habatim) = de huizen | וְהַנָּשִׁ֖ים (vehanashim) = en de vrouwen | תִּשָּׁכַ֑בְנָה (tishakhavna) = zullen verkracht worden | וְיָצָ֞א (veyatsa) = en zal uittrekken | חֲצִ֤י (chatsi) = helft van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | בַּגּוֹלָ֔ה (bagola) = in ballingschap | וְיֶ֣תֶר (veyeter) = en de rest van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לֹ֥א (lo) = niet | יִכָּרֵ֖ת (yikaret) = zal uitgeroeid worden | מִן (min) = uit | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot het einde van het vers spreekt Yahweh in de eerste persoon (‘Ik zal verzamelen’). Dat staat rood. Vers 3 gaat weer over Hem in de derde persoon en staat zwart. Dat Yahweh alle volken verzamelt, komt ook voor in Joël 4:2 en 4:12 (NL 3:2 en 3:12; daar voor het gericht in het dal van Josafat). Voetnoot : ויצא חצי העיר בגולה (vayetsa chatsi ha’ir bagolah), ‘de helft van de stad zal in ballingschap gaan’: de stad wordt niet helemaal weggevoerd. Een rest blijft. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat תשגלנה (tishgalnah), een grof woord. De voorgelezen tekst (qere) is תִּשָּׁכַ֑בְנָה (tishkavnah), ‘zij worden beslapen’. Wij volgen de qere. Het werkwoord shakhav betekent ‘liggen met’; in dit oorlogsbeeld gaat het om geweld, daarom vertalen wij ‘verkracht’, zoals in Jes. 13:16. Zie ook: Joël 4:2; Joël 4:12; Jes 13:16; Zach 14:3; Mat 24:19–22; Mar 13:14; Luc 21:20–24; Rom 9:27–29 ### Yahweh strijdt tegen de volken **14:3** Dan zal Yahweh uittrekken en strijden tegen die volken, zoals Hij strijdt op een dag van strijd. Brontekst: וְיָצָ֣א (veyatsa) = en zal uittrekken | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנִלְחַ֖ם (venilcham) = en zal strijden | בַּגּוֹיִ֣ם (bagoyim) = tegen de volken | הָהֵ֑ם (hahem) = die | כְּי֥וֹם (keyom) = zoals de dag van | הִֽלָּחֲמ֖ו (hilachamv) = Zijn strijden | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | קְרָֽב (qerav) = strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כיום הלחמו ביום קרב (keyom hillachamo beyom qerav), ‘zoals Hij strijdt op een dag van strijd’: een verwijzing naar eerdere oorlogen van Yahweh voor Zijn volk, zoals bij de Rietzee (Exod. 14:14; 15:3). Zie ook: Ex 14:14; Ex 15:3; Joël 4:2; Joël 4:9–17; Sef 3:19; Zach 2:12–13; Zach 12:9 **14:4** Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die tegenover Jeruzalem ligt, in het oosten. De Olijfberg zal in tweeën splijten, van oost naar west: een zeer groot dal. De ene helft van de berg wijkt naar het noorden en de andere helft naar het zuiden. Brontekst: וְעָמְד֣וּ (veamedu) = en zullen staan | רַגְלָ֣יו (raglav) = Zijn voeten | בַּיּוֹם (bayom) = op de dag | הַ֠הוּא (hahu) = die | עַל (al) = op | הַ֨ר (har) = berg van | הַזֵּתִ֜ים (hazetim) = de olijven | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עַל (al) = tegenover | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | יְרוּשָׁלִַם֮ (yerushalaim) = Jeruzalem | מִקֶּדֶם֒ (miqedem) = in het oosten | וְנִבְקַע֩ (venivqa) = en zal splijten | הַ֨ר (har) = berg van | הַזֵּיתִ֤ים (hazeitim) = de olijven | מֵֽחֶצְיוֹ֙ (mechetsyo) = in zijn helft | מִזְרָ֣חָה (mizracha) = oostwaarts | וָיָ֔מָּה (vayama) = en westwaarts | גֵּ֖יא (gei) = dal | גְּדוֹלָ֣ה (gedola) = groot | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וּמָ֨שׁ (umash) = en zal wijken | חֲצִ֥י (chatsi) = helft van | הָהָ֛ר (hahar) = de berg | צָפ֖וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | וְחֶצְיוֹ (vechetsyo) = en zijn helft | נֶֽגְבָּה (negba) = zuidwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הר הזתים (har hazzetim), ‘de Olijfberg’: de berg ten oosten van Jeruzalem, aan de andere kant van het Kidrondal (2 Sam. 15:30). Dat Yahweh er met Zijn voeten staat, is een menselijk beeld: Hij komt op aarde, zoals in Ezech. 43:7. Voetnoot : וימה גיא גדולה מאד (yammah gai gedolah me’od), ‘westwaarts: een zeer groot dal’: de berg splijt in een oost-westrichting en vormt een dal waardoor men kan vluchten (vers 5). Zie ook: 2 Sam 15:30; Joël 4:12–14; Mi 1:3–4; Ezech 11:23; Ezech 43:7; Zach 14:5; Zach 14:10; Hand 1:11–12 **14:5** Jullie zullen vluchten naar het dal van mijn bergen, want het dal van de bergen reikt tot Atsal. Jullie zullen vluchten zoals jullie vluchtten voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, koning van Juda. Dan zal Yahweh, mijn Elohim, komen, alle heiligen met U. Brontekst: וְנַסְתֶּ֣ם (venastem) = en jullie zullen vluchten | גֵּֽיא (gei) = dal van | הָרַ֗י (haray) = mijn bergen | כִּֽי (ki) = want | יַגִּ֣יעַ (yagia) = reikt | גֵּי (gei) = dal van | הָרִים֮ (harim) = de bergen | אֶל (el) = tot | אָצַל֒ (atsal) = Atsal | וְנַסְתֶּ֗ם (venastem) = en jullie zullen vluchten | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | נַסְתֶּם֙ (nastem) = jullie vluchtten | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | הָרַ֔עַשׁ (haraash) = de aardbeving | בִּימֵ֖י (bimei) = in de dagen van | עֻזִּיָּ֣ה (uziya) = Uzzia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וּבָא֙ (uva) = en zal komen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהַ֔י (elohay) = mijn Elohim | כָּל (kal) = alle | קְדֹשִׁ֖ים (qedoshim) = heiligen | עִמָּֽךְ (imakh) = met U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ונסתם (venastem), ‘jullie zullen vluchten’: de medeklinkers laten ook ‘het dal zal afgesloten worden’ toe (van een ander werkwoord, ‘afsluiten’). De klinkers geven ‘vluchten’ (nus). Wij volgen de klinkers. Voetnoot : הרי (harai), ‘mijn bergen’: wie spreekt is niet zeker: Yahweh, zoals in 14:2, of de profeet. Het vers staat zwart. Sommige oude vertalingen lezen ‘de bergen’. Voetnoot : אצל (Atsal): een plaats of streek die we niet kunnen aanwijzen. Het dal van de bergen reikt tot daar. Voetnoot : הרעשׁ (haraash), ‘de aardbeving’: die in de dagen van Uzzia, die ook Amos 1:1 noemt (2 Kron. 26:1–23). Voetnoot : קדשׁים (qedoshim), ‘heiligen’: heilige wezens rondom Yahweh, vaak als engelen gezien (Deut. 33:2). עמך (immakh), ‘met U’: de profeet richt zich ineens tot Yahweh. Sommige oude vertalingen lezen ‘met Hem’. Zie ook: Deut 33:2; 2 Kron 26:1–23; Amos 1:1; Jes 66:15–16; Mat 16:27; Mat 25:31; Jud 1:14–15 ### Een dag zonder gewoon licht **14:6** Op die dag zal er geen licht zijn, maar kostbaarheden en stolling. Brontekst: וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | לֹֽא (lo) = niet | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | א֔וֹר (or) = licht | יְקָר֖וֹת (yeqarot) = kostbaarheden | וְקִפָּאֽוֹן (veqipaon) = en stolling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יקרות (yeqarot), ‘kostbaarheden’, en וקפאון (veqippa’on), ‘en stolling’: de betekenis is onzeker. Mogelijk ‘de glanzende lichten zullen stollen’, mogelijk ‘kou en vorst’. Er zal geen gewoon licht zijn. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יקפאון (yiqpa’un), ‘zij zullen stollen’. De te lezen vorm (qere) is וְקִפָּאֽוֹן (veqippa’on), ‘en stolling’. Wij volgen de qere. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ps 97:10–11; Ps 112:4; Spr 4:18–19; Joh 12:46; 2 Petr 1:19 **14:7** Het zal één dag zijn, die bij Yahweh bekend is: geen dag en geen nacht. Maar tegen de avond zal er licht zijn. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | יוֹם (yom) = dag | אֶחָ֗ד (echad) = een | ה֛וּא (hu) = die | יִוָּדַ֥ע (yivada) = bekend is | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = bij Yahweh | לֹא (lo) = niet | י֣וֹם (yom) = dag | וְלֹא (velo) = en niet | לָ֑יְלָה (layela) = nacht | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | לְעֵֽת (leet) = op de tijd van | עֶ֖רֶב (erev) = avond | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | אֽוֹר (or) = licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יודע ליהוה (yivvada laYahweh), ‘bekend bij Yahweh’: alleen Hij weet wat voor dag het is. Het is geen gewone dag en geen nacht. Het licht komt pas op het einde (‘tegen de avond’). Zie ook: Jes 30:26; Dan 12:4; 1 Tess 5:2; Openb 21:23; Openb 22:5 ### Levend water uit Jeruzalem **14:8** Op die dag zal levend water uit Jeruzalem stromen, de ene helft naar de oostelijke zee en de andere helft naar de westelijke zee. In de zomer en in de winter zal het zo zijn. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יֵצְא֤וּ (yetseu) = zullen uitgaan | מַֽיִם (mayim) = water | חַיִּים֙ (chayim) = levend | מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | חֶצְיָ֗ם (chetsyam) = de helft ervan | אֶל (el) = naar | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | הַקַּדְמוֹנִ֔י (haqadmoni) = oostelijke | וְחֶצְיָ֖ם (vechetsyam) = en de helft | אֶל (el) = naar | הַיָּ֣ם (hayam) = de zee | הָאַחֲר֑וֹן (haacharon) = westelijke | בַּקַּ֥יִץ (baqayits) = in de zomer | וּבָחֹ֖רֶף (uvachoref) = en in de winter | יִֽהְיֶֽה (yihye) = zal het zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מים חיים (mayim chayyim), ‘levend water’: stromend water, anders dan water uit een put of regenbak. Zie ook Ezech. 47:1–12 en Joël 4:18 (NL 3:18). Voetnoot : הים הקדמוני (hayyam haqadmoni), ‘de oostelijke zee’: de Zoutzee, zoals in Ezech. 47:18. הים האחרון (hayyam ha’acharon), ‘de westelijke zee’: de Middellandse Zee, zoals in Deut. 11:24. Zie ook: Deut 11:24; Joël 4:18; Ezech 47:1–12; Ezech 47:18; Joh 4:10; Joh 4:14; Joh 7:38; Openb 7:16–17; Openb 22:1–2 ### Yahweh koning over heel de aarde **14:9** Yahweh zal koning zijn over heel de aarde. Op die dag zal Yahweh één zijn en Zijn naam één. Brontekst: וְהָיָ֧ה (vehaya) = en zal zijn | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְמֶ֖לֶךְ (lemelekh) = tot koning | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִהְיֶ֧ה (yihye) = zal zijn | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶחָ֖ד (echad) = één | וּשְׁמ֥וֹ (ushemo) = en Zijn naam | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יהוה אחד ושׁמו אחד (Yahweh echad ushemo echad), ‘Yahweh zal één zijn en Zijn naam één’: een echo van Deut. 6:4. Als koning van heel de aarde wordt Hij als de enige Elohim erkend, en overal met één naam aangeroepen. Zie ook: Deut 6:4; Jes 2:2–4; Dan 7:27; Ef 4:5–6; Openb 11:15 **14:10** Heel het land zal veranderen in een vlakte zoals de Araba, van Geba tot Rimmon ten zuiden van Jeruzalem. Maar Jeruzalem zal verheven zijn en op zijn plaats wonen, van de Poort van Benjamin tot de plaats van de Eerste Poort, tot de Hoekpoort. En van de toren van Chananel tot de wijnpersen van de koning. Brontekst: יִסּ֨וֹב (yisov) = zal rondom lopen | כָּל (kal) = heel | הָאָ֤רֶץ (haarets) = het land | כָּעֲרָבָה֙ (kaarava) = als de Araba | מִגֶּ֣בַע (migeva) = van Geba | לְרִמּ֔וֹן (lerimon) = tot Rimmon | נֶ֖גֶב (negev) = zuiden van | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְֽרָאֲמָה֩ (veraama) = en zal verheven zijn | וְיָשְׁבָ֨ה (veyasheva) = en zal wonen | תַחְתֶּ֜יהָ (tachteiha) = op zijn plaats | לְמִשַּׁ֣עַר (lemishaar) = van de poort van | בִּנְיָמִ֗ן (binyamin) = Benjamin | עַד (ad) = tot | מְק֞וֹם (meqom) = de plaats van | שַׁ֤עַר (shaar) = poort | הָֽרִאשׁוֹן֙ (harishon) = de eerste | עַד (ad) = tot | שַׁ֣עַר (shaar) = poort | הַפִּנִּ֔ים (hapinim) = de hoeken | וּמִגְדַּ֣ל (umigdal) = en toren van | חֲנַנְאֵ֔ל (chananel) = Chananel | עַ֖ד (ad) = tot | יִקְבֵ֥י (yiqvei) = wijnpersen van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Poort van Benjamin (ligging onzeker): De Poort van Benjamin was een stadspoort aan de noordkant van Jeruzalem, op de weg naar het land Benjamin. De precieze plaats is niet zeker. Zie Hoekpoort (ligging onzeker): De Hoekpoort was een poort in de muur van Jeruzalem, waarschijnlijk in het noordwesten. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: כערבה (ka’aravah), ‘zoals de Araba’: de Araba is de diepe vlakte van de Jordaan tot de Zoutzee en verder naar het zuiden. Het land rond Jeruzalem zal vlak worden, zodat de stad hoog uitsteekt. Voetnoot : מגבע (miGeva), ‘van Geba’: Geba in Benjamin, aan de noordgrens van Juda (2 Kon. 23:8). לרמון (leRimmon), ‘tot Rimmon’: een plaats in het zuiden van Juda (Joz. 15:32; vergelijk En-Rimmon in Neh. 11:29); haar ligging is niet zeker. Voetnoot : De poorten en de toren markeren de uithoeken van de stad: de ‘Poort van Benjamin’ (Jer. 37:13), de ‘Hoekpoort’ (2 Kon. 14:13) en de ‘toren van Chananel’ (Jer. 31:38). De ‘Eerste Poort’ en de ‘wijnpersen van de koning’ komen elders niet voor. De ligging van deze plaatsen is niet zeker. Voetnoot : הפנים (happinnim), ‘de Hoeken’: het woord heeft een meervoudsvorm; wij houden ‘Hoekpoort’ zoals in 2 Kon. 14:13. Zie ook: Joz 15:32; 1 Kon 15:22; 2 Kon 14:13; 2 Kon 23:8; Jer 30:18; Jer 31:38; Jer 37:13; Zach 12:6; Neh 11:29 **14:11** Men zal erin wonen en er zal geen ban meer zijn. Jeruzalem zal in veiligheid wonen. Brontekst: וְיָ֣שְׁבוּ (veyashevu) = en zij zullen wonen | בָ֔הּ (bah) = daarin | וְחֵ֖רֶם (vecherem) = en ban | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | ע֑וֹד (od) = meer | וְיָשְׁבָ֥ה (veyasheva) = en zal wonen | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לָבֶֽטַח (lavetach) = in veiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וחרם (vecherem), ‘en ban’: de ban (cherem) is de overgave aan Yahweh, meestal door vernietiging (Joz. 6:17–18). Er zal geen ban meer zijn, dus geen vloek of verwoesting over Jeruzalem. Zie ook Deut. 33:28 voor ‘in veiligheid wonen’. Zie ook: Deut 33:28; Joz 6:17–18; Amos 9:15; Jer 23:5–6; Zach 8:8; Openb 21:4; Openb 22:3 ### De plaag over de volken **14:12** Dit zal de plaag zijn waarmee Yahweh alle volken slaat die tegen Jeruzalem te velde zijn getrokken. Hun vlees rot weg terwijl zij op hun voeten staan. Hun ogen rotten weg in hun kassen en hun tong rot weg in hun mond. Brontekst: וְזֹ֣את (vezot) = en dit | תִּֽהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | הַמַּגֵּפָ֗ה (hamagefa) = de plaag | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | יִגֹּ֤ף (yigof) = slaat | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צָבְא֖וּ (tsaveu) = te velde trokken | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הָמֵ֣ק (hameq) = wegrotten | בְּשָׂר֗וֹ (besaro) = zijn vlees | וְהוּא֙ (vehu) = terwijl hij | עֹמֵ֣ד (omed) = staat | עַל (al) = op | רַגְלָ֔יו (raglav) = zijn voeten | וְעֵינָיו֙ (veeinav) = en zijn ogen | תִּמַּ֣קְנָה (timaqna) = zullen wegrotten | בְחֹֽרֵיהֶ֔ן (bechoreihen) = in hun kassen | וּלְשׁוֹנ֖וֹ (uleshono) = en zijn tong | תִּמַּ֥ק (timaq) = zal wegrotten | בְּפִיהֶֽם (befihem) = in hun mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: המגפה (hammaggefah), ‘de plaag’: dezelfde plaag die Yahweh in het volgende vers ‘verwarring’ noemt. צבאו (tsav’u), ‘te velde getrokken’: een legerdienst of strijd. המק (hamaq), ‘wegrotten’: een werkwoord van verrotting dat ook in Lev. 26:39 en Ezech. 24:23 staat (daar vertaald met ‘wegkwijnen’). Zie ook: Lev 26:39; Ps 90:11; Ps 110:5–6; Jes 66:15–16; Mi 4:11–13; Ezech 24:23; Ezech 39:17–20 **14:13** Op die dag zal er een grote verwarring van Yahweh onder hen zijn. Ieder zal de hand van zijn naaste grijpen, en zijn hand zal zich opheffen tegen de hand van zijn naaste. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | תִּֽהְיֶ֧ה (tihye) = zal zijn | מְהֽוּמַת (mehumat) = verwarring van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | רַבָּ֖ה (raba) = grote | בָּהֶ֑ם (bahem) = onder hen | וְהֶחֱזִ֗יקוּ (vehecheziqu) = en zullen grijpen | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | יַ֣ד (yad) = hand van | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = zijn naaste | וְעָלְתָ֥ה (vealeta) = en zal opgaan | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | עַל (al) = tegen | יַ֥ד (yad) = hand van | רֵעֵֽהוּ (reehu) = zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מהומת (mehumat), ‘verwarring van’: de verwarring waarin de vijanden elkaar aanvallen, zoals in 1 Sam. 14:20 en Richt. 7:22. Zie ook: Re 7:22; 1 Sam 14:20; Ezech 38:21; Zach 11:6; Zach 12:4; Openb 17:12–17 **14:14** Ook Juda zal strijden in Jeruzalem. De rijkdom van alle volken rondom wordt bijeengebracht: goud, zilver en kleren in zeer grote hoeveelheid. Brontekst: וְגַ֨ם (vegam) = en ook | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | תִּלָּחֵ֖ם (tilachem) = zal strijden | בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְאֻסַּף֩ (veusaf) = en zal verzameld worden | חֵ֨יל (cheil) = rijkdom van | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֜ם (hagoyim) = de volken | סָבִ֗יב (saviv) = rondom | זָהָ֥ב (zahav) = goud | וָכֶ֛סֶף (vakhesef) = en zilver | וּבְגָדִ֖ים (uvegadim) = en kleren | לָרֹ֥ב (larov) = in overvloed | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בירושׁלם (biYerushalaim), ‘in Jeruzalem’: de letter be kan ‘in’ of ‘tegen’ betekenen. Juda strijdt dus in of tegen Jeruzalem. Wij houden ‘in’; de uitleg is niet zeker. Het verband met 12:2 en 12:5–7 is zichtbaar. Zie ook: 2 Kon 7:6–18; 2 Kron 14:12–14; Jes 23:18; Zach 12:2; Zach 12:5–7 **14:15** Zo zal ook de plaag zijn van het paard, de muilezel, de kameel en de ezel en van al het vee in die legerkampen: dezelfde plaag. Brontekst: וְכֵ֨ן (vekhen) = en zo | תִּֽהְיֶ֜ה (tihye) = zal zijn | מַגֵּפַ֣ת (magefat) = plaag van | הַסּ֗וּס (hasus) = het paard | הַפֶּ֨רֶד֙ (hapered) = de muilezel | הַגָּמָ֣ל (hagamal) = de kameel | וְהַחֲמ֔וֹר (vehachamor) = en de ezel | וְכָ֨ל (vekhal) = en alle | הַבְּהֵמָ֔ה (habehema) = het vee | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | בַּמַּחֲנ֣וֹת (bamachanot) = in de legerkampen | הָהֵ֑מָּה (hahema) = die | כַּמַּגֵּפָ֖ה (kamagefa) = als de plaag | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Zach 14:12 ### Het feest van de hutten **14:16** Allen die overblijven van alle volken die tegen Jeruzalem zijn opgetrokken, zullen van jaar tot jaar opgaan. Zij komen om zich neer te buigen voor de Koning, Yahweh van de legermachten, en om het feest van de hutten te vieren. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כָּל (kal) = ieder | הַנּוֹתָר֙ (hanotar) = die overblijft | מִכָּל (mikal) = uit alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | הַבָּאִ֖ים (habaim) = die kwamen | עַל (al) = tegen | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְעָל֞וּ (vealu) = en zij zullen opgaan | מִדֵּ֧י (midei) = van elk | שָׁנָ֣ה (shana) = jaar | בְשָׁנָ֗ה (beshana) = in het jaar | לְהִֽשְׁתַּחֲוֺת֙ (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | לְמֶ֨לֶךְ֙ (lemelekh) = voor de koning | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְלָחֹ֖ג (velachog) = en om te vieren | אֶת (et) = (obj.) | חַ֥ג (chag) = feest van | הַסֻּכּֽוֹת (hasukot) = de hutten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ולחג את חג הסכות (velachog et chag hassukkot), ‘en het feest van de hutten te vieren’: het feest van de oogst en de herinnering aan het verblijf in hutten (Lev. 23:33–43; Deut. 16:13–15). Dit feest heet ook wel Loofhuttenfeest. Wie nog van de volken overblijft, komt Yahweh als koning eren. Voetnoot : De titel ‘de Koning, Yahweh van de legermachten’ staat ook in Jes. 6:5. Zie ook: Lev 23:33–43; Deut 16:13–15; Joël 3:5; Jes 6:5; Jes 66:18–21; Jes 66:23; Zach 8:20–23; Zach 14:17–19 **14:17** Wie van de families van de aarde niet naar Jeruzalem opgaat om zich neer te buigen voor de Koning, Yahweh van de legermachten: over hen zal geen regen vallen. Brontekst: וְ֠הָיָה (vehaya) = en het zal zijn | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wie | לֹֽא (lo) = niet | יַעֲלֶ֜ה (yaale) = opgaat | מֵאֵ֨ת (meet) = van | מִשְׁפְּח֤וֹת (mishpechot) = families van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | אֶל (el) = naar | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֔ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | לְמֶ֖לֶךְ (lemelekh) = voor de koning | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | הַגָּֽשֶׁם (hagashem) = de regen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יהיה הגשׁם (yihyeh hagashem), ‘zal de regen zijn’: zonder regen geen oogst (Deut. 11:16–17). Voor wie niet opgaat, valt het zegenende water niet. Zie ook: Deut 11:16–17; Amos 4:7–8; Jes 60:12; Jer 14:4; Jak 5:17; Openb 11:6 **14:18** En als de familie van Egypte niet opgaat en niet komt, dan is er voor hen geen regen. Dan komt de plaag waarmee Yahweh de volken slaat die niet opgaan om het feest van de hutten te vieren. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מִשְׁפַּ֨חַת (mishpachat) = familie van | מִצְרַ֧יִם (mitsrayim) = Egypte | לֹֽא (lo) = niet | תַעֲלֶ֛ה (taale) = opgaat | וְלֹ֥א (velo) = en niet | בָאָ֖ה (baa) = komt | וְלֹ֣א (velo) = en niet | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = over hen | תִּֽהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | הַמַּגֵּפָ֗ה (hamagefa) = de plaag | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | יִגֹּ֤ף (yigof) = slaat | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | יַֽעֲל֔וּ (yaalu) = opgaan | לָחֹ֖ג (lachog) = om te vieren | אֶת (et) = (obj.) | חַ֥ג (chag) = feest van | הַסֻּכּֽוֹת (hasukot) = de hutten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ולא עליהם תהיה (velo aleihem tihyeh), ‘en niet over hen zal zijn’: het Hebreeuws zegt niet wat er niet is. Wij vullen ‘regen’ aan, naar vers 17. Egypte hangt voor zijn water af van de Nijl en niet van regen. Daarom wordt het hier met de plaag getroffen; zo wordt het vers vaak verklaard. Zie ook: Deut 11:10–11; Zach 14:12; Zach 14:15; Zach 14:17 **14:19** Dit zal de zonde van Egypte zijn en de zonde van alle volken die niet opgaan om het feest van de hutten te vieren. Brontekst: זֹ֥את (zot) = dit | תִּהְיֶ֖ה (tihye) = zal zijn | חַטַּ֣את (chatat) = zonde van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְחַטַּאת֙ (vechatat) = en zonde van | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | יַֽעֲל֔וּ (yaalu) = opgaan | לָחֹ֖ג (lachog) = om te vieren | אֶת (et) = (obj.) | חַ֥ג (chag) = feest van | הַסֻּכּֽוֹת (hasukot) = de hutten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חטאת (chatta’t), ‘zonde’: het woord kan ook ‘straf voor de zonde’ betekenen. Het vers brengt Egypte en de volken samen als wie niet komt. Zie ook: Joh 3:19 ### Heilig voor Yahweh **14:20** Op die dag zal op de bellen van de paarden staan: ‘Heilig voor Yahweh.’ De kookpotten in het huis van Yahweh zullen zijn als de sprengschalen voor het altaar. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | עַל (al) = op | מְצִלּ֣וֹת (metsilot) = bellen van | הַסּ֔וּס (hasus) = het paard | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zullen zijn | הַסִּירוֹת֙ (hasirot) = de kookpotten | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּמִּזְרָקִ֖ים (kamizraqim) = als de sprengschalen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מצלות (metsillot), ‘bellen’: een zeldzaam woord, misschien ‘bellen’, misschien een ander versiersel aan het paardentuig. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : קדשׁ ליהוה (qodesh laYahweh), ‘Heilig voor Yahweh’: het opschrift op de plaat van de hogepriester (Exod. 28:36). Dat opschrift staat nu ook op wat gewoon is: paardensieraad. Voetnoot : הסירות (hassirot), ‘de kookpotten’, en כמזרקים (kammizraqim), ‘als de sprengschalen’: pannen voor het gewone koken zijn even heilig als de schalen waarmee men bij het altaar het bloed sprengt (Exod. 27:3). Zie ook: Ex 27:3; Ex 28:36; Ex 39:30; Lev 8:9; Jes 23:18; 1 Kor 3:16–17; 1 Petr 2:5 **14:21** Elke kookpot in Jeruzalem en in Juda zal heilig zijn voor Yahweh van de legermachten. Allen die offeren, zullen komen, ervan nemen en erin koken. Op die dag zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van Yahweh van de legermachten. Brontekst: וְ֠הָיָה (vehaya) = en zal zijn | כָּל (kal) = elke | סִ֨יר (sir) = kookpot | בִּירוּשָׁלִַ֜ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וּבִֽיהוּדָ֗ה (uvihuda) = en in Juda | קֹ֚דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = voor Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וּבָ֨אוּ֙ (uvau) = en zullen komen | כָּל (kal) = alle | הַזֹּ֣בְחִ֔ים (hazovechim) = offeraars | וְלָקְח֥וּ (velaqechu) = en zullen nemen | מֵהֶ֖ם (mehem) = ervan | וּבִשְּׁל֣וּ (uvishelu) = en zullen koken | בָהֶ֑ם (bahem) = daarin | וְלֹא (velo) = en niet | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | כְנַעֲנִ֥י (kenaani) = Kanaäniet | ע֛וֹד (od) = meer | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כנעני (kena’ani), ‘Kanaäniet’: het woord kan ook ‘handelaar’ betekenen (Spr. 31:24; Job 40:30, NL 41:6). Dan zou het betekenen: er komen geen handelaars meer in de tempel. Het is niet zeker welke betekenis hier bedoeld is. Zie ook: Job 40:30; Spr 31:24; Joël 4:17; Ezech 44:9; 1 Kor 10:31; Rom 14:6–7; Openb 22:15