# Hooglied (שיר השירים, Shir haShirim) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Hooglied 1 _Het lied van de liederen begint_ ### Opschrift **1:1** Het lied van de liederen, dat van Salomo is. Brontekst: שִׁ֥יר (shir) = het lied | הַשִּׁירִ֖ים (hashirim) = van de liederen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לִשְׁלֹמֹֽה (lishlomo) = van Salomo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁיר הַשִּׁירִים (shir hashirim), ‘lied van de liederen’: het hoogste of mooiste lied, zoals ‘heilige der heiligen’ het heiligste is. Voetnoot : לִשְׁלֹמֹה (lishlomo), ‘van Salomo’: het voorzetsel kan ook ‘voor’ of ‘over’ Salomo betekenen. Wij vertalen ‘van’. Zie ook 1 Kon. 5:12. Zie ook: Ps 14:1; 1 Kon 5:12; Jes 5:1 ### De bruid **1:2** Moge hij mij kussen met de kussen van zijn mond! Want je liefde is beter dan wijn. Brontekst: יִשָּׁקֵ֨נִי֙ (yishaqeni) = hij moge mij kussen | מִנְּשִׁיק֣וֹת (mineshiqot) = met kussen van | פִּ֔יהוּ (pihu) = zijn mond | כִּֽי (ki) = want | טוֹבִ֥ים (tovim) = beter | דֹּדֶ֖יךָ (dodeikha) = je liefde | מִיָּֽיִן (miyayin) = dan wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker is niet in de tekst aangegeven; de koppen volgen het grammaticale geslacht en zijn een leeshulp. Voetnoot : דֹּדֶיךָ (dodeka), ‘je liefde’: een meervoud, letterlijk ‘je liefdes’, dat liefkozingen en liefdesbetuigingen omvat. Wij vertalen dod en dodim steeds met ‘liefde’ en dodi met ‘mijn geliefde’. Voetnoot : Het Hebreeuws gaat in dit vers van ‘hij’ over op ‘je’. Dat gebeurt vaker in dit lied. Zie ook: Ps 36:8; Ps 63:4–6; Hoogl 1:4; Hoogl 4:10; Jes 55:1–2 **1:3** Je oliën zijn goed van geur. Uitgegoten olie is je naam. Daarom hebben de jonge vrouwen je lief. Brontekst: לְרֵ֨יחַ֙ (lereiach) = wat betreft de geur van | שְׁמָנֶ֣יךָ (shemaneikha) = je oliën | טוֹבִ֔ים (tovim) = goed | שֶׁ֖מֶן (shemen) = olie | תּוּרַ֣ק (turaq) = uitgegoten | שְׁמֶ֑ךָ (shemekha) = je naam | עַל (al) = op | כֵּ֖ן (ken) = zo | עֲלָמ֥וֹת (alamot) = jonge vrouwen | אֲהֵבֽוּךָ (ahevukha) = zij hebben je lief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁמֶן תּוּרַק שְׁמֶךָ (shemen turaq shemecha), ‘uitgegoten olie is je naam’: er is een woordspeling tussen shemen, ‘olie’, en shem, ‘naam’. Voetnoot : עֲלָמוֹת (alamot), ‘jonge vrouwen’: meisjes die nog niet getrouwd zijn. Zie ook Gen. 24:43. Zie ook: Gen 24:43; Ex 30:23–28; Hoogl 4:10; Pred 7:1; Joh 12:3; Fil 2:9–10 **1:4** Trek mij mee, achter je aan; laten wij rennen. De koning heeft mij in zijn kamers gebracht. Laten wij juichen en ons verheugen in jou. Laten wij je liefde gedenken, meer dan wijn. Met recht hebben zij je lief. Brontekst: מָשְׁכֵ֖נִי (mashekheni) = trek mij | אַחֲרֶ֣יךָ (achareikha) = achter je aan | נָּר֑וּצָה (narutsa) = laten wij rennen | הֱבִיאַ֨נִי (heviani) = heeft mij gebracht | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | חֲדָרָ֗יו (chadarav) = naar zijn kamers | נָגִ֤ילָה (nagila) = laten wij juichen | וְנִשְׂמְחָה֙ (venismecha) = en ons verheugen | בָּ֔ךְ (bakh) = in jou | נַזְכִּ֤ירָה (nazkira) = laten wij gedenken | דֹדֶ֨יךָ֙ (dodeikha) = je liefde | מִיַּ֔יִן (miyayin) = meer dan wijn | מֵישָׁרִ֖ים (meisharim) = met recht | אֲהֵבֽוּךָ (ahevukha) = zij hebben je lief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵישָׁרִים (mesharim), ‘met recht’: letterlijk ‘rechtheden, oprechtheden’. Het kan ook betekenen: ‘de oprechten hebben je lief’. Voetnoot : Het Hebreeuws wisselt in dit vers tussen ‘ik’, ‘wij’ en ‘zij’. Wie ‘wij’ en ‘zij’ zijn, staat niet in de tekst. Zie ook: Ps 45:15–16; Hos 11:4; Joh 6:44; Joh 12:32; Heb 12:1 **1:5** Zwart ben ik en bevallig, dochters van Jeruzalem, als de tenten van Kedar, als de tentdoeken van Salomo. Brontekst: שְׁחוֹרָ֤ה (shechora) = zwart | אֲנִי֙ (ani) = ik | וְֽנָאוָ֔ה (venava) = en bevallig | בְּנ֖וֹת (benot) = dochters van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | כְּאָהֳלֵ֣י (keaholei) = als tenten van | קֵדָ֔ר (qedar) = Kedar | כִּירִיע֖וֹת (kiriot) = als tentdoeken van | שְׁלֹמֹֽה (shelomo) = Salomo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedar was een Arabisch nomadenvolk in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän (Gen. 25:13). Hun tenten werden gemaakt van donker geitenhaar. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שְׁחוֹרָה (shechorah), ‘zwart’, en נָאוָה (na’avah), ‘bevallig’: het eerste woord noemt de kleur van de huid, het tweede woord haar bekoorlijkheid. Voetnoot : יְרִיעוֹת (yeri’ot), ‘tentdoeken’: de doeken waarvan een tent gemaakt wordt. Zie ook Exod. 26:1. Zie ook: Gen 25:13; Ex 26:1; Ps 120:5; Hoogl 2:7; Hoogl 2:14; Hoogl 5:8; Luc 15:22 **1:6** Kijk niet naar mij omdat ik zwartig ben, omdat de zon mij verschroeid heeft. De zonen van mijn moeder werden boos op mij. Zij maakten mij tot bewaakster van de wijngaarden. Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּרְא֨וּנִי֙ (tiruni) = kijk naar mij | שֶׁאֲנִ֣י (sheani) = omdat ik | שְׁחַרְחֹ֔רֶת (shecharchoret) = zwartig | שֶׁשֱּׁזָפַ֖תְנִי (sheshezafatni) = omdat heeft verschroeid mij | הַשָּׁ֑מֶשׁ (hashamesh) = de zon | בְּנֵ֧י (benei) = zonen van | אִמִּ֣י (imi) = mijn moeder | נִֽחֲרוּ (nicharu) = waren boos | בִ֗י (bi) = op mij | שָׂמֻ֨נִי֙ (samuni) = zij hebben mij gesteld | נֹטֵרָ֣ה (notera) = als bewaakster | אֶת (et) = (obj.) | הַכְּרָמִ֔ים (hakeramim) = van de wijngaarden | כַּרְמִ֥י (karmi) = mijn wijngaard | שֶׁלִּ֖י (sheli) = mijn eigen | לֹ֥א (lo) = niet | נָטָֽרְתִּי (natarti) = heb ik bewaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁחַרְחֹרֶת (shecharchoret), ‘zwartig’: een verkleinvorm, ‘enigszins zwart’. Voetnoot : שֶׁשְּׁזָפַתְנִי (shezafatni), ‘dat mij verschroeid heeft’: ook ‘dat mij bruin gebrand heeft’. Voetnoot : כַּרְמִי שֶׁלִּי (karmi shelli), ‘mijn eigen wijngaard’: het Hebreeuws laat open of dit letterlijk bedoeld is of als beeld voor haarzelf. Zie ook: Job 30:30; Ps 69:9; Hoogl 8:11–12; Jer 12:6; Luc 12:51–53 **1:7** Vertel mij, jij die mijn ziel liefheeft: waar weid je? Waar laat je neerliggen op het middaguur? Waarom zou ik zijn als een omhulde bij de kudden van je metgezellen? Brontekst: הַגִּ֣ידָה (hagida) = vertel | לִּ֗י (li) = mij | שֶׁ֤אָהֲבָה֙ (sheahava) = jij die liefhebt | נַפְשִׁ֔י (nafshi) = mijn ziel | אֵיכָ֣ה (eikha) = waar | תִרְעֶ֔ה (tire) = weid je | אֵיכָ֖ה (eikha) = waar | תַּרְבִּ֣יץ (tarbits) = laat je neerliggen | בַּֽצָּהֳרָ֑יִם (batsahorayim) = op het middaguur | שַׁלָּמָ֤ה (shalama) = waarom | אֶֽהְיֶה֙ (ehye) = zou ik zijn | כְּעֹ֣טְיָ֔ה (keoteya) = als een omhulde | עַ֖ל (al) = bij | עֶדְרֵ֥י (edrei) = de kudden van | חֲבֵרֶֽיךָ (chavereikha) = je metgezellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: nefesh is de hele persoon met zijn leven en zijn verlangen. ‘Hij die mijn ziel liefheeft’ is dus hij van wie ik met heel mijn wezen houd. Voetnoot : Het voorwerp van ‘waar weid je?’ en ‘waar laat je neerliggen?’ ontbreekt in het Hebreeuws. Het gaat om zijn kudde (vergelijk vers 8). Voetnoot : חֲבֵרֶיךָ (chaverecha), ‘je metgezellen’: chaver is ‘metgezel’; een ‘vriend’ is re’a (zie 5:16). Voetnoot : עֹטְיָה (otyah), ‘omhulde’: de betekenis is onzeker. Ook mogelijk: ‘een rondzwervende’. Zie ook: Gen 37:16; Ps 23:1–2; Ps 28:1; Hoogl 1:8; Hoogl 3:1–4; Jes 13:20 ### Een antwoord **1:8** Als je het zelf niet weet, mooiste onder de vrouwen, ga dan uit op de sporen van het kleinvee. Weid je geitjes bij de woningen van de herders. Brontekst: אִם (im) = als | לֹ֤א (lo) = niet | תֵדְעִי֙ (tedei) = je weet | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | הַיָּפָ֖ה (hayafa) = de mooie | בַּנָּשִׁ֑ים (banashim) = onder de vrouwen | צְֽאִי (tsei) = ga uit | לָ֞ךְ (lakh) = voor jou | בְּעִקְבֵ֣י (beiqvei) = op de sporen van | הַצֹּ֗אן (hatson) = het kleinvee | וּרְעִי֙ (urei) = en weid | אֶת (et) = (obj.) | גְּדִיֹּתַ֔יִךְ (gediyotayikh) = je geitjes | עַ֖ל (al) = bij | מִשְׁכְּנ֥וֹת (mishkenot) = de woningen van | הָרֹעִֽים (haroim) = de herders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker van dit vers is niet aangegeven. Het kan de bruidegom zijn, maar ook het koor van de dochters van Jeruzalem. Daarom staat er een neutrale kop. Voetnoot : הַיָּפָה בַּנָּשִׁים (hayafah bannashim), ‘de mooiste onder de vrouwen’: zo ook 5:9 en 6:1. Voetnoot : מִשְׁכְּנוֹת (mishkenot), ‘woningen’: verwant aan מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’ (Exod. 25:9): een plaats waar men verblijft. Zie ook: Ex 25:9; Hoogl 5:9; Hoogl 6:1; Jak 2:21; Jak 5:10; Heb 11:4–40 ### De bruidegom **1:9** Met mijn merrie voor de wagens van Farao vergelijk ik je, mijn vriendin. Brontekst: לְסֻסָתִי֙ (lesusati) = aan mijn merrie | בְּרִכְבֵ֣י (berikhvei) = bij de wagens van | פַרְעֹ֔ה (paro) = Farao | דִּמִּיתִ֖יךְ (dimitikh) = ik vergelijk je | רַעְיָתִֽי (rayati) = mijn vriendin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוּסָתִי (susati), ‘mijn merrie’: de vrouwelijke vorm van sus, ‘paard’. Voetnoot : רִכְבֵי (rikhvei), ‘wagens’: het woord kan ook de wagenspannen met hun paarden bedoelen. Zie ook Exod. 14:9. Zie ook: Ex 14:9; Hoogl 2:2; Hoogl 2:10; Hoogl 2:13; Jes 31:1; Joh 15:14–15 **1:10** Bevallig zijn je wangen met de sieraden, je hals met de kralensnoeren. Brontekst: נָאו֤וּ (navu) = bevallig zijn | לְחָיַ֨יִךְ֙ (lechayayikh) = je wangen | בַּתֹּרִ֔ים (batorim) = met de sieraden | צַוָּארֵ֖ךְ (tsavarekh) = je hals | בַּחֲרוּזִֽים (bacharuzim) = met de kralensnoeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּרִים (torim), ‘sieraden’: de betekenis is onzeker, vermoedelijk rijen van sieraden of kralen. Hetzelfde woord is in 2:12 ‘tortelduif’. Voetnoot : חֲרוּזִים (charuzim), ‘kralensnoeren’: kralen aan een draad. Zie ook: Gen 24:22; Gen 24:47; Hoogl 5:13; Ezech 16:11–13; 1 Petr 3:4 **1:11** Sieraden van goud zullen wij voor je maken, met stippen van zilver. Brontekst: תּוֹרֵ֤י (torei) = sieraden van | זָהָב֙ (zahav) = goud | נַעֲשֶׂה (naase) = wij zullen maken | לָּ֔ךְ (lakh) = voor jou | עִ֖ם (im) = met | נְקֻדּ֥וֹת (nequdot) = stippen van | הַכָּֽסֶף (hakasef) = het zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְקֻדּוֹת (nequddot), ‘stippen’: kleine bolletjes of stippen van zilver op het goud. Zie ook: Gen 1:26; Ps 149:4; Hoogl 8:9; Ef 5:25–27; Fil 3:21 ### De bruid **1:12** Terwijl de koning aan zijn tafel was, gaf mijn nardus zijn geur. Brontekst: עַד (ad) = tot | שֶׁ֤הַמֶּ֨לֶךְ֙ (shehamelekh) = dat de koning | בִּמְסִבּ֔וֹ (bimsibo) = aan zijn tafel | נִרְדִּ֖י (nirdi) = mijn nardus | נָתַ֥ן (natan) = gaf | רֵיחֽוֹ (reicho) = zijn geur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַד שֶׁ (ad she), ‘terwijl’: letterlijk ‘tot dat’. Hier bedoeld als ‘zolang’. Voetnoot : מִסַּבּוֹ (missabbo), ‘aan zijn tafel’: het woord betekent letterlijk ‘in zijn kring’, het gezelschap rond de koning aan tafel. De betekenis is onzeker. Voetnoot : נֵרְדִּי (nerdi), ‘mijn nardus’: een kostbare geurolie, gemaakt van een plant uit het Himalayagebied. Zie ook: Mat 22:11; Mat 25:34; Mar 14:3; Joh 12:3; Openb 3:20 **1:13** Een bundeltje mirre is mijn geliefde voor mij; tussen mijn borsten brengt hij de nacht door. Brontekst: צְר֨וֹר (tseror) = een bundeltje van | הַמֹּ֤ר (hamor) = de mirre | דּוֹדִי֙ (dodi) = mijn geliefde | לִ֔י (li) = voor mij | בֵּ֥ין (bein) = tussen | שָׁדַ֖י (shaday) = mijn borsten | יָלִֽין (yalin) = brengt de nacht door Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְרוֹר הַמֹּר (tseror hammor), ‘bundeltje mirre’: een zakje of bundel geurige hars. Voetnoot : שָׁדַי (shaday), ‘mijn borsten’: wij vertalen het zoals het staat. Voetnoot : יָלִין (yalin), ‘brengt de nacht door’: hij overnacht. Zie ook: Ps 45:9; Hoogl 2:7; Hoogl 5:5; Joh 19:39; Ef 3:17 **1:14** Een tros henna is mijn geliefde voor mij, in de wijngaarden van En-Gedi. Brontekst: אֶשְׁכֹּ֨ל (eshkol) = een tros van | הַכֹּ֤פֶר (hakofer) = de henna | דּוֹדִי֙ (dodi) = mijn geliefde | לִ֔י (li) = voor mij | בְּכַרְמֵ֖י (bekharmei) = in de wijngaarden van | עֵ֥ין (ein) = bron van | גֶּֽדִי (gedi) = Gedi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: En-Gedi is een oase aan de westkant van de Dode Zee, in het huidige Israël. Zie ook 1 Sam. 24:1. Voetnoot Uitleg: כֹּפֶר (kofer), ‘henna’: een heester met witte of gele bloemtrossen met een sterke geur. Zie ook: Joz 15:62; 1 Sam 24:1–2; Hoogl 1:13; Hoogl 2:3; Hoogl 4:13–14 ### De bruidegom **1:15** Zie, je bent mooi, mijn vriendin. Zie, je bent mooi. Je ogen zijn duiven. Brontekst: הִנָּ֤ךְ (hinakh) = zie jou | יָפָה֙ (yafa) = mooi | רַעְיָתִ֔י (rayati) = mijn vriendin | הִנָּ֥ךְ (hinakh) = zie jou | יָפָ֖ה (yafa) = mooi | עֵינַ֥יִךְ (einayikh) = je ogen | יוֹנִֽים (yonim) = duiven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹנִים (yonim), ‘duiven’: de ogen worden met duiven vergeleken. Zie ook 4:1 en 5:12. Zie ook: Hoogl 4:1; Hoogl 4:7; Hoogl 5:12; 2 Kor 11:2–3; Ef 1:17–18 ### De bruid **1:16** Zie, jij bent mooi, mijn geliefde, ja, lieflijk. Ja, ons bed is groen. Brontekst: הִנְּךָ֨ (hinekha) = zie jou | יָפֶ֤ה (yafe) = mooi | דוֹדִי֙ (dodi) = mijn geliefde | אַ֣ף (af) = ja | נָעִ֔ים (naim) = lieflijk | אַף (af) = ja | עַרְשֵׂ֖נוּ (arsenu) = ons bed | רַעֲנָנָֽה (raanana) = groen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַעֲנָנָה (ra’ananah), ‘groen’: vers, weelderig groen, zoals een boom met bladeren. Zie ook: Ps 45:3; Hoogl 2:3; Hoogl 5:10–16; Zach 9:17; Fil 3:8–9 **1:17** De balken van onze huizen zijn ceders, onze planken zijn cipressen. Brontekst: קֹר֤וֹת (qorot) = balken van | בָּתֵּ֨ינוּ֙ (bateinu) = onze huizen | אֲרָזִ֔ים (arazim) = ceders | רַהִיטֵ֖נוּ (rahitenu) = onze planken | בְּרוֹתִֽים (berotim) = cipressen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹרוֹת (qorot), ‘balken’, רָהִיט (rahit), ‘planken’, en בְּרוֹתִים (berotim), ‘cipressen’: het woord rahit komt maar één keer voor, de betekenis is onzeker (ook ‘lambrisering’ of ‘dakbalken’). Berot is een naaldboom, cipres of jeneverbes. Voetnoot Lezing: Geschreven (ketiv) staat רחיטנו (rechitenu). Gelezen (qere) wordt רַהִיטֵנוּ (rahitenu). Wij volgen de gelezen vorm. Zie ook: Ps 92:13; 2 Kron 2:7–8; Ezech 41:16; Ezech 42:3; Heb 11:10 ## Hooglied 2 _De lelie en de lente_ ### De bruid **2:1** Ik ben een bloem van de Saron, een lelie van de dalen. Brontekst: אֲנִי֙ (ani) = ik | חֲבַצֶּ֣לֶת (chavatselet) = bloem van | הַשָּׁר֔וֹן (hasharon) = de Saron | שֽׁוֹשַׁנַּ֖ת (shoshanat) = lelie van | הָעֲמָקִֽים (haamaqim) = de dalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Saron is de vruchtbare kustvlakte ten noorden van Jaffa, in het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: חֲבַצֶּלֶת (chavatselet), ‘bloem’: een bloem van het veld, misschien een krokus of narcis. De soort is onzeker. Voetnoot : שׁוֹשַׁנַּת (shoshannat), ‘lelie’: een bloem, misschien een lelie of lotus. De soort is onzeker. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft ‘de bloem van de Saron’. Wij vertalen ‘een bloem’, omdat het geen aanduiding van één bepaalde bloem lijkt. Zie ook: Hoogl 2:16; Hoogl 5:13; Hos 14:6; Jes 35:1–2; Jes 57:15 ### De bruidegom **2:2** Als een lelie tussen de doornen, zo is mijn vriendin tussen de dochters. Brontekst: כְּשֽׁוֹשַׁנָּה֙ (keshoshana) = als een lelie | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הַחוֹחִ֔ים (hachochim) = de doornen | כֵּ֥ן (ken) = zo | רַעְיָתִ֖י (rayati) = mijn vriendin | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הַבָּנֽוֹת (habanot) = de dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 55:13; Mat 6:28–29; Mat 10:16; Fil 2:15–16; 1 Petr 2:12 ### De bruid **2:3** Als een appelboom tussen de bomen van het woud, zo is mijn geliefde tussen de zonen. In zijn schaduw verlangde ik en ik zat; zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte. Brontekst: כְּתַפּ֨וּחַ֙ (ketapuach) = als een appelboom | בַּעֲצֵ֣י (baatsei) = tussen de bomen van | הַיַּ֔עַר (hayaar) = het woud | כֵּ֥ן (ken) = zo | דּוֹדִ֖י (dodi) = mijn geliefde | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הַבָּנִ֑ים (habanim) = de zonen | בְּצִלּוֹ֙ (betsilo) = in zijn schaduw | חִמַּ֣דְתִּי (chimadti) = ik verlangde | וְיָשַׁ֔בְתִּי (veyashavti) = en ik zat | וּפִרְי֖וֹ (ufiryo) = en zijn vrucht | מָת֥וֹק (matoq) = zoet | לְחִכִּֽי (lechiki) = voor mijn gehemelte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּפּוּחַ (tappuach), ‘appelboom’: de boom is onzeker; ook mogelijk ‘abrikoos’ of ‘citrusboom’. Voetnoot : בְּצִלּוֹ חִמַּדְתִּי (betsillo chimmadti), ‘in zijn schaduw verlangde ik’: chamad is ‘begeren, behagen scheppen in’. Zie ook: Hoogl 8:5; Jes 25:4; Jes 32:2; Heb 1:1–6; Heb 12:2 **2:4** Hij heeft mij gebracht naar het huis van de wijn, en zijn vaandel boven mij is liefde. Brontekst: הֱבִיאַ֨נִי֙ (heviani) = heeft mij gebracht | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הַיָּ֔יִן (hayayin) = de wijn | וְדִגְל֥וֹ (vediglo) = en zijn vaandel | עָלַ֖י (alay) = boven mij | אַהֲבָֽה (ahava) = liefde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּגֶל (degel), ‘vaandel’: een teken of banier. Hier staat het over haar: de liefde is zijn teken boven haar. Zie ook: Hoogl 1:4; Joh 15:9–15; Rom 5:8–10; Rom 8:28–39; Openb 3:20 **2:5** Steun mij met rozijnenkoeken, verkwik mij met appels, want ik ben ziek van liefde. Brontekst: סַמְּכ֨וּנִי֙ (samekhuni) = steun mij | בָּֽאֲשִׁישׁ֔וֹת (baashishot) = met rozijnenkoeken | רַפְּד֖וּנִי (rapeduni) = verkwik mij | בַּתַּפּוּחִ֑ים (batapuchim) = met appels | כִּי (ki) = want | חוֹלַ֥ת (cholat) = ziek van | אַהֲבָ֖ה (ahava) = liefde | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשִׁישׁוֹת (ashishot), ‘rozijnenkoeken’: samengeperste druiven. Zie ook 2 Sam. 6:19. Het woord kan ook ‘kruiken’ zijn. Voetnoot : רַפְּדוּנִי (rappeduni), ‘verkwik mij’: de betekenis is onzeker; ook ‘maak mijn bed op’ of ‘ondersteun mij’. Voetnoot : חוֹלַת אַהֲבָה (cholat ahavah), ‘ziek van liefde’: de liefde heeft haar krachteloos gemaakt. Zie ook: 2 Sam 6:19; Ps 63:2–4; Hoogl 5:8; Hos 3:1; Luc 24:32 **2:6** Zijn linkerhand is onder mijn hoofd en zijn rechterhand omhelst mij. Brontekst: שְׂמֹאלוֹ֙ (semolo) = zijn linker | תַּ֣חַת (tachat) = onder | לְרֹאשִׁ֔י (leroshi) = mijn hoofd | וִימִינ֖וֹ (vimino) = en zijn rechter | תְּחַבְּקֵֽנִי (techabeqeni) = omhelst mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat ‘zijn linker’ en ‘zijn rechter’; het woord ‘hand’ ontbreekt. Wij vullen ‘hand’ aan, omdat het Nederlands dat nodig heeft. Zie ook: Hoogl 8:3–5; Jes 54:5–10; Jes 62:4–5; Sef 3:17; Jer 32:41 **2:7** Ik laat jullie zweren, dochters van Jeruzalem, bij de gazellen of bij de hinden van het veld. Jullie mogen de liefde niet opwekken en niet wakker maken, totdat zij het wil. Brontekst: הִשְׁבַּ֨עְתִּי (hishbati) = ik laat zweren | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | בְּנ֤וֹת (benot) = dochters van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | בִּצְבָא֔וֹת (bitsvaot) = bij de gazellen | א֖וֹ (o) = of | בְּאַיְל֣וֹת (beaylot) = bij de hinden van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | אִם (im) = als | תָּעִ֧ירוּ (tairu) = jullie opwekken | וְֽאִם (veim) = en als | תְּעֽוֹרְר֛וּ (teoreru) = jullie wakker maken | אֶת (et) = (obj.) | הָאַהֲבָ֖ה (haahava) = de liefde | עַ֥ד (ad) = totdat | שֶׁתֶּחְפָּֽץ (shetechpats) = zij wil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אִם (im), ‘als’: in een eed betekent dit ‘nooit’. Wij vertalen daarom ‘jullie mogen niet’. Voetnoot : Dit vers komt terug in 3:5 en, zonder de eed bij de gazellen, in 8:4. Voetnoot : שֶׁתֶּחְפָּץ (shetechpats), ‘totdat zij het wil’: de liefde zelf bepaalt het moment. Zie ook: Hoogl 1:5; Hoogl 3:5; Hoogl 5:8–9; Hoogl 8:4; Spr 5:19 ### De komst van de geliefde **2:8** De stem van mijn geliefde! Zie, daar komt hij, springend over de bergen, huppelend over de heuvels. Brontekst: ק֣וֹל (qol) = de stem van | דּוֹדִ֔י (dodi) = mijn geliefde | הִנֵּה (hine) = zie | זֶ֖ה (ze) = deze | בָּ֑א (ba) = komt | מְדַלֵּג֙ (medaleg) = springend | עַל (al) = over | הֶ֣הָרִ֔ים (heharim) = de bergen | מְקַפֵּ֖ץ (meqapets) = huppelend | עַל (al) = over | הַגְּבָעֽוֹת (hagevaot) = de heuvels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers vertelt de bruid wat haar geliefde zegt. In vers 10–14 staan zijn woorden. Zie ook: Hoogl 2:10–14; Hoogl 2:17; Jes 52:7; Joh 3:29; Joh 10:27; Openb 3:20 **2:9** Mijn geliefde lijkt op een gazelle of op een hertenjong. Zie, daar staat hij achter onze muur, hij kijkt door de vensters, hij tuurt door de tralies. Brontekst: דּוֹמֶ֤ה (dome) = lijkt | דוֹדִי֙ (dodi) = mijn geliefde | לִצְבִ֔י (litsvi) = op een gazelle | א֖וֹ (o) = of | לְעֹ֣פֶר (leofer) = op een jong van | הָֽאַיָּלִ֑ים (haayalim) = de herten | הִנֵּה (hine) = zie | זֶ֤ה (ze) = deze | עוֹמֵד֙ (omed) = staat | אַחַ֣ר (achar) = achter | כָּתְלֵ֔נוּ (katelenu) = onze muur | מַשְׁגִּ֨יחַ֙ (mashgiach) = kijkend | מִן (min) = door | הַֽחֲלֹּנ֔וֹת (hachalonot) = de vensters | מֵצִ֖יץ (metsits) = turend | מִן (min) = door | הַֽחֲרַכִּֽים (hacharakim) = de tralies Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹפֶר הָאַיָּלִים (ofer ha’ayyalim), ‘hertenjong’: letterlijk ‘jong van de herten’. Voetnoot : חֲרַכִּים (charakkim), ‘tralies’: het woord komt maar één keer voor; de betekenis is onzeker, ook ‘traliewerk’. Zie ook: Hoogl 2:17; Hoogl 8:14; 2 Kor 3:13–18; Heb 10:19–20; Openb 19:10 **2:10** Mijn geliefde antwoordde en zei tegen mij: „Sta op, mijn vriendin, mijn mooie, en ga. Brontekst: עָנָ֥ה (ana) = antwoordde | דוֹדִ֖י (dodi) = mijn geliefde | וְאָ֣מַר (veamar) = en zei | לִ֑י (li) = tegen mij | ק֥וּמִי (qumi) = sta op | לָ֛ךְ (lakh) = voor jou | רַעְיָתִ֥י (rayati) = mijn vriendin | יָפָתִ֖י (yafati) = mijn mooie | וּלְכִי (ulekhi) = en ga | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָךְ (lakh), ‘voor jou’: dit woord versterkt het gebod ‘ga’, vergelijk Gen. 12:1 (‘Ga voor jezelf’). Wij laten het onvertaald. Zie ook: Gen 12:1; Hoogl 2:8; Hoogl 2:13; Hoogl 4:7–8; 2 Kor 6:17–18; Openb 22:17 **2:11** Want zie, de winter is voorbij, de regen is over, hij is weggegaan. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הַסְּתָ֖יו (hasetav) = de winter | עָבָ֑ר (avar) = is voorbij | הַגֶּ֕שֶׁם (hageshem) = de regen | חָלַ֖ף (chalaf) = is over | הָלַ֥ךְ (halakh) = is weggegaan | לֽוֹ (lo) = heen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַסְּתָו (hassetav), ‘de winter’: het woord komt maar één keer voor; het is het regenseizoen. Voetnoot Lezing: Geschreven (ketiv) staat הסתו (hassetav). Gelezen (qere) wordt הַסְּתָיו (hassetav). De betekenis is gelijk. Zie ook: Pred 3:11; Jes 54:6–8; Jes 60:1–2; Mat 5:4; Ef 5:8 **2:12** De bloemen zijn te zien in het land. De tijd van het zingen is gekomen. De stem van de tortelduif is te horen in ons land. Brontekst: הַנִּצָּנִים֙ (hanitsanim) = de bloemen | נִרְא֣וּ (niru) = zijn gezien | בָאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | עֵ֥ת (et) = tijd van | הַזָּמִ֖יר (hazamir) = het zingen | הִגִּ֑יעַ (higia) = is gekomen | וְק֥וֹל (veqol) = en de stem van | הַתּ֖וֹר (hator) = de tortelduif | נִשְׁמַ֥ע (nishma) = is gehoord | בְּאַרְצֵֽנוּ (beartsenu) = in ons land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵת הַזָּמִיר (et hazamir), ‘de tijd van het zingen’: zamir betekent ‘zang’, maar het kan ook van een ander woord komen en ‘snoeien’ betekenen. Het volgende deel van het vers noemt de stem van de tortelduif. Voetnoot : הַתּוֹר (hattor), ‘de tortelduif’: dezelfde letters als in 1:10, waar ‘sieraden’ staat. Zie ook: Ps 89:16; Ps 148:7–13; Jes 55:12; Jer 8:7; Kol 3:16 **2:13** De vijgenboom laat zijn onrijpe vruchten rijpen. De wijnstokken met bloesem geven geur. Sta op, mijn vriendin, mijn mooie, en ga. Brontekst: הַתְּאֵנָה֙ (hateena) = de vijgenboom | חָֽנְטָ֣ה (chaneta) = laat rijpen | פַגֶּ֔יהָ (pageiha) = zijn onrijpe vruchten | וְהַגְּפָנִ֥ים (vehagefanim) = en de wijnstokken | סְמָדַ֖ר (semadar) = bloesem | נָ֣תְנוּ (natenu) = zij geven | רֵ֑יחַ (reiach) = geur | ק֥וּמִי (qumi) = sta op | לָ֛ךְ (lakh) = voor jou | רַעְיָתִ֥י (rayati) = mijn vriendin | יָפָתִ֖י (yafati) = mijn mooie | וּלְכִי (ulekhi) = en ga | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָנְטָה פַגֶּיהָ (chanetah faggeiha), ‘laat zijn onrijpe vruchten rijpen’: de vroege groene vijgen worden zacht en geurig. Voetnoot : סְמָדַר (semadar), ‘bloesem’: het woord komt maar drie keer voor (vers 13, vers 15 en 7:13); de betekenis is onzeker, waarschijnlijk de bloesem van de wijnstok. Voetnoot Lezing: Geschreven (ketiv) staat לכי (lekhi). Gelezen (qere) wordt לָךְ (lakh). Wij volgen de gelezen vorm. Zie ook: Hoogl 2:10; Hoogl 2:15; Hoogl 7:12–14; Jes 55:10–11; Jes 61:11; 2 Kor 6:1–2 **2:14** Mijn duif, in de spleten van de rots, in de schuilplaats van de steile helling: laat mij je aanblik zien, laat mij je stem horen. Want je stem is zoet en je aanblik is bevallig.” Brontekst: יוֹנָתִ֞י (yonati) = mijn duif | בְּחַגְוֵ֣י (bechagvei) = in de spleten van | הַסֶּ֗לַע (hasela) = de rots | בְּסֵ֨תֶר֙ (beseter) = in de schuilplaats van | הַמַּדְרֵגָ֔ה (hamadrega) = de steile helling | הַרְאִ֨ינִי֙ (harini) = laat mij zien | אֶתּ (et) = (obj.) | מַרְאַ֔יִךְ (marayikh) = je aanblik | הַשְׁמִיעִ֖ינִי (hashmiini) = laat mij horen | אֶת (et) = (obj.) | קוֹלֵ֑ךְ (qolekh) = je stem | כִּי (ki) = want | קוֹלֵ֥ךְ (qolekh) = je stem | עָרֵ֖ב (arev) = zoet | וּמַרְאֵ֥יךְ (umareikh) = en je aanblik | נָאוֶֽה (nave) = bevallig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַדְרֵגָה (madregah), ‘steile helling’: letterlijk ‘trap’; een rotshelling met treden, zoals in Ezech. 38:20. De betekenis is onzeker. Voetnoot : מַרְאַיִךְ (mar’ayikh), ‘je aanblik’: hoe je eruitziet; ook ‘je gezicht’. Zie ook: Ex 3:6; Hoogl 1:5; Hoogl 5:2; Hoogl 8:13; Ezech 38:20; Ezra 9:5–6 **2:15** Vang voor ons de vossen, de kleine vossen, verwoesters van wijngaarden, en onze wijngaarden hebben bloesem. Brontekst: אֶֽחֱזוּ (echezu) = vang | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | שֽׁוּעָלִ֔ים (shualim) = vossen | שֽׁוּעָלִ֥ים (shualim) = vossen | קְטַנִּ֖ים (qetanim) = kleine | מְחַבְּלִ֣ים (mechabelim) = verwoesters van | כְּרָמִ֑ים (keramim) = wijngaarden | וּכְרָמֵ֖ינוּ (ukherameinu) = en onze wijngaarden | סְמָדַֽר (semadar) = bloesem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie dit zegt, is niet aangegeven. Het gebod is meervoud: het kan een woord van de geliefde zijn of van de bruid. Daarom staat er geen aparte kop. Voetnoot : שׁוּעָלִים (shu’alim), ‘vossen’: ook ‘jakhalzen’. Voetnoot : סְמָדַר (semadar), ‘bloesem’: zie vers 13. Zie ook: Ps 80:14; Hoogl 2:13; Hoogl 7:13; Ezech 13:4–16; Luc 13:32; 2 Petr 2:1–3 ### De bruid **2:16** Mijn geliefde is van mij en ik ben van hem, die weidt tussen de lelies. Brontekst: דּוֹדִ֥י (dodi) = mijn geliefde | לִי֙ (li) = voor mij | וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | ל֔וֹ (lo) = voor hem | הָרֹעֶ֖ה (haroe) = die weidt | בַּשּׁוֹשַׁנִּֽים (bashoshanim) = tussen de lelies Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֹעֶה בַּשּׁוֹשַׁנִּים (haro’eh bashoshannim), ‘die weidt tussen de lelies’: het is onzeker of dit zijn kudde bedoelt of zijn eigen verblijf tussen de bloemen. Zie ook 6:3. Zie ook: Ps 48:15; Ps 63:2; Hoogl 6:3; Hoogl 7:11; Jer 31:33 **2:17** Totdat de dag ademt en de schaduwen vluchten: keer terug! Wees gelijk, mijn geliefde, aan een gazelle of aan een hertenjong op de bergen van Beter. Brontekst: עַ֤ד (ad) = totdat | שֶׁיָּפ֨וּחַ֙ (sheyafuach) = de dag ademt | הַיּ֔וֹם (hayom) = het | וְנָ֖סוּ (venasu) = en vluchten | הַצְּלָלִ֑ים (hatselalim) = de schaduwen | סֹב֩ (sov) = keer terug | דְּמֵה (deme) = wees gelijk | לְךָ֨ (lekha) = voor jou | דוֹדִ֜י (dodi) = mijn geliefde | לִצְבִ֗י (litsvi) = aan een gazelle | א֛וֹ (o) = of | לְעֹ֥פֶר (leofer) = aan een jong van | הָאַיָּלִ֖ים (haayalim) = de herten | עַל (al) = op | הָ֥רֵי (harei) = de bergen van | בָֽתֶר (bater) = Beter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁיָּפוּחַ הַיּוֹם (sheyafuach hayyom), ‘dat de dag ademt’: de dag ‘blaast’, de koele wind komt op. Het kan de avond of de morgen zijn. Voetnoot : סֹב (sov), ‘keer terug’: letterlijk ‘draai om’. Voetnoot : הָרֵי בָתֶר (harei vater), ‘de bergen van Beter’: bater betekent ‘deling, kloof’. Het kan een plaatsnaam zijn of ‘bergen van kloven’. Wij laten het als naam staan; de ligging is onzeker. Zie ook: Hoogl 4:6; Hoogl 8:14; Rom 13:12; 2 Petr 1:19; Heb 8:5 ## Hooglied 3 _De zoektocht in de nacht en de draagstoel van Salomo_ ### De bruid zoekt haar geliefde **3:1** Op mijn bed, in de nachten, zocht ik hem die mijn ziel liefheeft. Ik zocht hem, maar ik vond hem niet. Brontekst: עַל (al) = op | מִשְׁכָּבִי֙ (mishkavi) = mijn bed | בַּלֵּיל֔וֹת (baleilot) = in de nachten | בִּקַּ֕שְׁתִּי (biqashti) = ik zocht | אֵ֥ת (et) = (obj.) | שֶׁאָהֲבָ֖ה (sheahava) = hem die liefheeft | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn ziel | בִּקַּשְׁתִּ֖יו (biqashtiv) = ik zocht hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מְצָאתִֽיו (metsativ) = ik vond hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit stuk (3:1–5) vertelt de bruid zelf, in de eerste persoon. Voetnoot : נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: de hele persoon met zijn verlangen; zie 1:7. Voetnoot : עַל מִשְׁכָּבִי (al mishkavi), ‘op mijn bed’: ook ‘op mijn leger’. De bruid zoekt hem in de nacht; of zij dit droomt of werkelijk doet, laat de tekst open. Zie ook: Hoogl 1:7; Hoogl 5:6; Jes 26:9; Jes 55:6; 1 Petr 1:8 **3:2** Ik wil toch opstaan en rondgaan in de stad, in de straten en op de pleinen. Ik wil hem zoeken die mijn ziel liefheeft. Ik zocht hem, maar ik vond hem niet. Brontekst: אָק֨וּמָה (aquma) = ik wil opstaan | נָּ֜א (na) = toch | וַאֲסוֹבְבָ֣ה (vaasoveva) = en rondgaan | בָעִ֗יר (bair) = in de stad | בַּשְּׁוָקִים֙ (bashevaqim) = in de straten | וּבָ֣רְחֹב֔וֹת (uvarechovot) = en op de pleinen | אֲבַקְשָׁ֕ה (avaqsha) = ik wil zoeken | אֵ֥ת (et) = (obj.) | שֶׁאָהֲבָ֖ה (sheahava) = hem die liefheeft | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn ziel | בִּקַּשְׁתִּ֖יו (biqashtiv) = ik zocht hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מְצָאתִֽיו (metsativ) = ik vond hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָקוּמָה נָּא (aqumah na), ‘ik wil toch opstaan’: de vorm drukt een wens of voornemen uit, versterkt met na, ‘toch’. Zie ook: Spr 8:2–3; Jer 5:1; Luc 14:21–23; Rom 13:11; Ef 5:14 **3:3** De wachters die rondgaan in de stad vonden mij. „Hebben jullie hem gezien die mijn ziel liefheeft?” Brontekst: מְצָא֨וּנִי֙ (metsauni) = zij vonden mij | הַשֹּׁ֣מְרִ֔ים (hashomerim) = de wachters | הַסֹּבְבִ֖ים (hasovevim) = die rondgaan | בָּעִ֑יר (bair) = in de stad | אֵ֛ת (et) = (obj.) | שֶׁאָהֲבָ֥ה (sheahava) = hem die liefheeft | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | רְאִיתֶֽם (reitem) = hebben jullie gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשֹּׁמְרִים (hashomerim), ‘de wachters’: de nachtwakers van de stad. Vergelijk 5:7. Zie ook: Hoogl 5:7; Jes 21:6–8; Jes 21:11–12; Ezech 33:2–9; Joh 20:15 **3:4** Nauwelijks was ik hen voorbij of ik vond hem die mijn ziel liefheeft. Ik greep hem vast en liet hem niet los, totdat ik hem bracht naar het huis van mijn moeder. Naar de kamer van haar die mij ontving. Brontekst: כִּמְעַט֙ (kimat) = nauwelijks | שֶׁעָבַ֣רְתִּי (sheavarti) = dat ik voorbijging | מֵהֶ֔ם (mehem) = van hen | עַ֣ד (ad) = totdat | שֶֽׁמָּצָ֔אתִי (shematsati) = ik vond | אֵ֥ת (et) = (obj.) | שֶׁאָהֲבָ֖ה (sheahava) = hem die liefheeft | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn ziel | אֲחַזְתִּיו֙ (achaztiv) = ik greep hem | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אַרְפֶּ֔נּוּ (arpenu) = ik liet hem los | עַד (ad) = totdat | שֶׁ֤הֲבֵיאתִיו֙ (shehaveitiv) = ik hem bracht | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אִמִּ֔י (imi) = mijn moeder | וְאֶל (veel) = en naar | חֶ֖דֶר (cheder) = de kamer van | הוֹרָתִֽי (horati) = haar die mij ontving Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹרָתִי (horati), ‘haar die mij ontving’: letterlijk ‘zij die mij ontving’ (van het werkwoord ‘zwanger worden’). Dit is mijn moeder, de vrouw uit het eerste deel van het vers. Zie ook: Hoogl 6:12; Hoogl 8:2; Spr 4:13; Spr 8:17; Mat 7:7 **3:5** Ik laat jullie zweren, dochters van Jeruzalem, bij de gazellen of bij de hinden van het veld. Jullie mogen de liefde niet opwekken en niet wakker maken, totdat zij het wil. Brontekst: הִשְׁבַּ֨עְתִּי (hishbati) = ik laat zweren | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | בְּנ֤וֹת (benot) = dochters van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | בִּצְבָא֔וֹת (bitsvaot) = bij de gazellen | א֖וֹ (o) = of | בְּאַיְל֣וֹת (beaylot) = bij de hinden van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | אִם (im) = als | תָּעִ֧ירוּ (tairu) = jullie opwekken | וְֽאִם (veim) = en als | תְּעֽוֹרְר֛וּ (teoreru) = jullie wakker maken | אֶת (et) = (obj.) | הָאַהֲבָ֖ה (haahava) = de liefde | עַ֥ד (ad) = totdat | שֶׁתֶּחְפָּֽץ (shetechpats) = zij wil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers is gelijk aan 2:7 en komt ook voor in 8:4, daar zonder de eed bij de gazellen. Zie de voetnoot bij 2:7. Zie ook: Hoogl 2:7; Hoogl 8:4; Mi 4:8 ### De draagstoel van Salomo **3:6** Wie is dit, die uit de woestijn omhoogkomt als zuilen van rook, geurig van mirre en wierook, van alle poeder van de koopman? Brontekst: מִ֣י (mi) = wie | זֹ֗את (zot) = is dit | עֹלָה֙ (ola) = omhoogkomend | מִן (min) = uit | הַמִּדְבָּ֔ר (hamidbar) = de woestijn | כְּתִֽימֲר֖וֹת (ketimarot) = als zuilen van | עָשָׁ֑ן (ashan) = rook | מְקֻטֶּ֤רֶת (mequteret) = geurig gemaakt | מוֹר֙ (mor) = mirre | וּלְבוֹנָ֔ה (ulevona) = en wierook | מִכֹּ֖ל (mikol) = van alle | אַבְקַ֥ת (avqat) = poeder van | רוֹכֵֽל (rokhel) = de koopman Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker van 3:6–11 is niet aangegeven; het kan de bruid zijn, maar ook het koor. Daarom staat er een neutrale kop. In vers 11 worden de dochters van Sion aangesproken. Voetnoot : תִּימֲרוֹת עָשָׁן (timarot ashan), ‘zuilen van rook’: opstijgende rook in de vorm van een zuil. Voetnoot : מְקֻטֶּרֶת (mequtteret), ‘geurig gemaakt’: gewierookt, doortrokken van rook van geurige stoffen. Voetnoot : אַבְקַת רוֹכֵל (avqat rokhel), ‘poeder van de koopman’: geurige poeders die een rondtrekkende koopman verkoopt. Zie ook: Deut 8:2; Hoogl 1:13; Hoogl 3:11; Hoogl 4:6; Hoogl 8:5; Openb 12:14 **3:7** Zie, het bed van Salomo! Zestig helden zijn eromheen, van de helden van Israël. Brontekst: הִנֵּ֗ה (hine) = zie | מִטָּתוֹ֙ (mitato) = zijn bed | שֶׁלִּשְׁלֹמֹ֔ה (shelishlomo) = dat van Salomo | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | גִּבֹּרִ֖ים (giborim) = helden | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | לָ֑הּ (lah) = het | מִגִּבֹּרֵ֖י (migiborei) = van de helden van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִטָּתוֹ (mittato), ‘zijn bed’: een rustbed of draagbed. In vers 9 volgt een ander woord, אַפִּרְיוֹן (apiryon), ‘draagstoel’. Voetnoot : שִׁשִּׁים גִּבֹּרִים (shishim gibborim), ‘zestig helden’: de lijfwacht van de koning. Zie ook: 1 Sam 8:16; Hoogl 1:16; Hoogl 3:9; 1 Kon 9:22; Heb 1:14 **3:8** Allen houden het zwaard vast, geoefend in de oorlog. Ieder heeft zijn zwaard aan zijn dij, vanwege de schrik in de nachten. Brontekst: כֻּלָּם֙ (kulam) = zij allen | אֲחֻ֣זֵי (achuzei) = houders van | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | מְלֻמְּדֵ֖י (melumedei) = geoefenden van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | חַרְבּוֹ֙ (charbo) = zijn zwaard | עַל (al) = aan | יְרֵכ֔וֹ (yerekho) = zijn dij | מִפַּ֖חַד (mipachad) = vanwege de schrik | בַּלֵּילּֽוֹת (baleilot) = in de nachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרֵךְ (yarekh), ‘dij’: het zwaard hangt aan de heup, aan de dij. Zie ook Exod. 32:27. Voetnoot : מִפַּחַד בַּלֵּילוֹת (mippachad ballelot), ‘vanwege de schrik in de nachten’: de wacht staat klaar tegen de gevaren van de nacht. Zie ook: Ex 32:27; Ps 45:4; Ps 91:5; Jes 27:3; 1 Tess 5:6–8; Ef 6:16–18 **3:9** De koning Salomo maakte voor zichzelf een draagstoel van het hout van de Libanon. Brontekst: אַפִּרְי֗וֹן (apiryon) = een draagstoel | עָ֤שָׂה (asa) = maakte | לוֹ֙ (lo) = voor zichzelf | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | מֵעֲצֵ֖י (meatsei) = van het hout van | הַלְּבָנֽוֹן (halevanon) = de Libanon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee, bekend om zijn cederen. Voetnoot Uitleg: אַפִּרְיוֹן (apiryon), ‘draagstoel’: het woord komt maar één keer voor; de betekenis is onzeker. Ook mogelijk: ‘draagbed’ of ‘rustbed met baldakijn’. Voetnoot : הַלְּבָנוֹן (hallevanon), ‘de Libanon’: het bergland waar het cederhout vandaan kwam. Zie ook 1 Kon. 5:20. Zie ook: 2 Sam 23:5; Hoogl 3:7; 1 Kon 5:20; Openb 14:6 **3:10** Zijn zuilen maakte hij van zilver, zijn rugsteun van goud, zijn zitting van purper. Zijn binnenste is ingelegd met liefde, door de dochters van Jeruzalem. Brontekst: עַמּוּדָיו֙ (amudav) = zijn zuilen | עָ֣שָׂה (asa) = hij maakte | כֶ֔סֶף (kesef) = zilver | רְפִידָת֣וֹ (refidato) = zijn rugsteun | זָהָ֔ב (zahav) = goud | מֶרְכָּב֖וֹ (merkavo) = zijn zitting | אַרְגָּמָ֑ן (argaman) = purper | תּוֹכוֹ֙ (tokho) = zijn binnenste | רָצ֣וּף (ratsuf) = ingelegd | אַהֲבָ֔ה (ahava) = liefde | מִבְּנ֖וֹת (mibenot) = door de dochters van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רְפִידָתוֹ (refidato), ‘zijn rugsteun’: het woord komt maar één keer voor; ook ‘zijn bekleding’ of ‘zijn bedekking’. Voetnoot : רָצוּף אַהֲבָה (ratsuf ahavah), ‘ingelegd met liefde’: de tekst is moeilijk. רצף betekent ‘bestraten, inleggen’. Het kan zijn dat de dochters van Jeruzalem het binnenste hebben ingelegd, of dat het binnenste ‘uit liefde’ is gemaakt. Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen zo letterlijk mogelijk. Zie ook: Ps 87:3; Hoogl 1:5; Rom 5:8; Ef 3:18–19; Openb 3:12 **3:11** Ga naar buiten en kijk, dochters van Sion, naar de koning Salomo, met de kroon. Zijn moeder heeft hem ermee gekroond op de dag van zijn bruiloft, op de dag van de vreugde van zijn hart. Brontekst: צְאֶ֧ינָה (tseeina) = gaat uit | וּֽרְאֶ֛ינָה (ureeina) = en kijkt | בְּנ֥וֹת (benot) = dochters van | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | בַּמֶּ֣לֶךְ (bamelekh) = naar de koning | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | בָּעֲטָרָ֗ה (baatara) = met de kroon | שֶׁעִטְּרָה (sheitera) = die kroonde | לּ֤וֹ (lo) = hem | אִמּוֹ֙ (imo) = zijn moeder | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | חֲתֻנָּת֔וֹ (chatunato) = zijn bruiloft | וּבְי֖וֹם (uveyom) = en op de dag van | שִׂמְחַ֥ת (simchat) = vreugde van | לִבּֽוֹ (libo) = zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בְּנוֹת צִיּוֹן (benot tsiyyon), ‘dochters van Sion’: de dochters van Jeruzalem uit 1:5. Sion is hier de stad Jeruzalem. Voetnoot : עֲטָרָה (atarah), ‘kroon’: een krans of diadeem, zoals een bruidegom die draagt. Voetnoot : בְּיוֹם חֲתֻנָּתוֹ (beyom chatunnato), ‘op de dag van zijn bruiloft’: het woord chatunnah komt maar één keer voor. Zie ook: Ps 9:15; Hos 2:21–22; Jes 62:5; Jer 2:2; Openb 1:7 ## Hooglied 4 _De bruidegom prijst de bruid; de tuin_ ### De bruidegom **4:1** Zie, je bent mooi, mijn vriendin. Zie, je bent mooi. Je ogen zijn duiven achter je sluier. Je haar is als een kudde geiten die van de berg Gilead afstromen. Brontekst: הִנָּ֨ךְ (hinakh) = zie | יָפָ֤ה (yafa) = je bent mooi | רַעְיָתִי֙ (rayati) = mijn vriendin | הִנָּ֣ךְ (hinakh) = zie | יָפָ֔ה (yafa) = je bent mooi | עֵינַ֣יִךְ (einayikh) = je ogen | יוֹנִ֔ים (yonim) = duiven | מִבַּ֖עַד (mibaad) = achter | לְצַמָּתֵ֑ךְ (letsamatekh) = je sluier | שַׂעְרֵךְ֙ (sarekh) = je haar | כְּעֵ֣דֶר (keeder) = als een kudde van | הָֽעִזִּ֔ים (haizim) = de geiten | שֶׁגָּלְשׁ֖וּ (shegaleshu) = die afstromen | מֵהַ֥ר (mehar) = van de berg | גִּלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: רַעְיָתִי (ra‘yati), ‘mijn vriendin’: vrouwelijke vorm van ‘vriend’ (רֵעַ, re‘a). Voetnoot : לְצַמָּתֵךְ (letsammatekh), ‘voor je sluier’: de betekenis is niet zeker; sommigen lezen ‘vlechten’ of ‘haarlokken’. Voetnoot : שֶׁגָּלְשׁוּ (shegalshu), ‘die afstromen’: de betekenis is niet zeker; ook ‘neerliggen’ of ‘golven’. Zie ook Hoogl. 6:5. De aanhef van dit vers staat ook in Hoogl. 1:15. Zie ook: Hoogl 1:15; Hoogl 2:14; Hoogl 6:5; Hoogl 6:7; Mi 7:14 **4:2** Je tanden zijn als een kudde geschoren schapen die uit de wasplaats opkomen. Allemaal dragen zij tweelingen, en geen enkele onder hen is kinderloos. Brontekst: שִׁנַּ֨יִךְ֙ (shinayikh) = je tanden | כְּעֵ֣דֶר (keeder) = als een kudde van | הַקְּצוּב֔וֹת (haqetsuvot) = de geschoren schapen | שֶׁעָל֖וּ (shealu) = die opkomen | מִן (min) = uit | הָרַחְצָ֑ה (harachtsa) = de wasplaats | שֶׁכֻּלָּם֙ (shekulam) = van wie allemaal | מַתְאִימ֔וֹת (matimot) = tweelingen dragen | וְשַׁכֻּלָ֖ה (veshakula) = en kinderloze | אֵ֥ין (ein) = niet | בָּהֶֽם (bahem) = onder hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקְּצוּבוֹת (haqtsuvot), ‘de geschoren’: een vrouwelijk meervoud. Het woord ‘schapen’ staat er niet; wij vullen het aan. Voetnoot : מַתְאִימוֹת (mat’imot), ‘zij dragen tweelingen’: letterlijk ‘zij zijn paarsgewijs’. Voetnoot : וְשַׁכֻּלָה (veshakkulah), ‘kinderloos’: een moeder die haar jongen kwijt is. Zie ook: Deut 7:13–14; Hoogl 6:6; Jer 15:16; 1 Tess 2:13; 2 Petr 1:5–8 **4:3** Je lippen zijn als een scharlaken draad, en je mond is bevallig. Je slapen zijn als een stuk granaatappel achter je sluier. Brontekst: כְּח֤וּט (kechut) = als een draad van | הַשָּׁנִי֙ (hashani) = de scharlaken kleur | שִׂפְתֹתַ֔יִךְ (siftotayikh) = je lippen | וּמִדְבָּרֵ֖יךְ (umidbareikh) = en je mond | נָאוֶ֑ה (nave) = is bevallig | כְּפֶ֤לַח (kefelach) = als een stuk van | הָֽרִמּוֹן֙ (harimon) = de granaatappel | רַקָּתֵ֔ךְ (raqatekh) = je slapen | מִבַּ֖עַד (mibaad) = achter | לְצַמָּתֵֽךְ (letsamatekh) = je sluier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּחוּט הַשָּׁנִי (kekhut hashani), ‘scharlaken draad’: zoals in Gen. 38:28. Voetnoot : רַקָּתֵךְ (raqqatekh), ‘je slapen’: in het Hebreeuws enkelvoud; ook ‘je wang’. Voetnoot : וּמִדְבָּרֵיךְ (umidbarekh), ‘en je mond’: letterlijk ‘en je spraak’. Het woord komt alleen hier voor. Zie ook: Gen 38:28; Joz 2:18; Hoogl 5:16; Hoogl 6:7; Ezech 16:63; 2 Kor 5:18–21 **4:4** Je hals is als de toren van David, gebouwd in lagen. Duizend schilden hangen eraan, allemaal schilden van de helden. Brontekst: כְּמִגְדַּ֤ל (kemigdal) = als een toren van | דָּוִיד֙ (david) = David | צַוָּארֵ֔ךְ (tsavarekh) = je hals | בָּנ֖וּי (banuy) = gebouwd | לְתַלְפִּיּ֑וֹת (letalpiyot) = in lagen | אֶ֤לֶף (elef) = duizend | הַמָּגֵן֙ (hamagen) = het schild | תָּל֣וּי (taluy) = hangend | עָלָ֔יו (alav) = eraan | כֹּ֖ל (kol) = alle | שִׁלְטֵ֥י (shiltei) = schilden van | הַגִּבּוֹרִֽים (hagiborim) = de helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְתַלְפִּיּוֹת (letalpiyyot), ‘in lagen’: het woord komt alleen hier voor en de betekenis is niet zeker. Sommigen vertalen ‘als wapenhuis’ of ‘in rijen’. Voetnoot : שִׁלְטֵי (shiltei), ‘schilden’: ook deze betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook 2 Sam. 8:7. Zie ook: 2 Sam 8:7; Hoogl 7:5; Ezech 27:10–11; Neh 3:19; Ef 4:15–16; 1 Petr 1:5 **4:5** Je twee borsten zijn als twee hertenjongen, tweelingen van een gazelle, die weiden tussen de lelies. Brontekst: שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | שָׁדַ֛יִךְ (shadayikh) = je borsten | כִּשְׁנֵ֥י (kishnei) = als twee | עֳפָרִ֖ים (ofarim) = hertenjongen van | תְּאוֹמֵ֣י (teomei) = tweelingen van | צְבִיָּ֑ה (tseviya) = een gazelle | הָרוֹעִ֖ים (haroim) = die weiden | בַּשּׁוֹשַׁנִּֽים (bashoshanim) = tussen de lelies Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֳפָרִים (‘ofarim), ‘hertenjongen’: de jongen van een hert. Dezelfde woorden staan in Hoogl. 7:4; zie ook 2:9 en 8:14. Voetnoot : בַּשּׁוֹשַׁנִּים (bashoshannim), ‘lelies’: een bloem met een geurige kelk; de soort is niet zeker. Zie ook Hoogl. 2:16 en 6:3. Zie ook: Hoogl 2:16; Hoogl 6:3; Hoogl 7:4; Hoogl 8:10; 1 Petr 2:2 **4:6** Totdat de dag ademt en de schaduwen vluchten, ga ik naar de berg van de mirre en naar de heuvel van de wierook. Brontekst: עַ֤ד (ad) = tot | שֶׁיָּפ֨וּחַ֙ (sheyafuach) = dat ademt | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | וְנָ֖סוּ (venasu) = en vluchten | הַצְּלָלִ֑ים (hatselalim) = de schaduwen | אֵ֤לֶךְ (elekh) = ik zal gaan | לִי֙ (li) = voor mij | אֶל (el) = naar | הַ֣ר (har) = de berg van | הַמּ֔וֹר (hamor) = de mirre | וְאֶל (veel) = en naar | גִּבְעַ֖ת (givat) = de heuvel van | הַלְּבוֹנָֽה (halevona) = de wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַד שֶׁיָּפוּחַ הַיּוֹם וְנָסוּ הַצְּלָלִים (‘ad sheyafuach hayyom venasu hatstsellalim), ‘totdat de dag ademt en de schaduwen vluchten’: dezelfde woorden als in Hoogl. 2:17. ‘De dag ademt’ gaat over de wind die opsteekt bij de avond of de morgen. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : ‘De berg van de mirre’ en ‘de heuvel van de wierook’ zijn beeldspraak. Wij vertalen zoals het er staat. Zie ook: Ex 30:8; Hoogl 2:17; Hoogl 4:14; Luc 1:78; Openb 22:16 **4:7** Helemaal mooi ben je, mijn vriendin, en er is geen gebrek in je. Brontekst: כֻּלָּ֤ךְ (kulakh) = helemaal jij | יָפָה֙ (yafa) = mooi | רַעְיָתִ֔י (rayati) = mijn vriendin | וּמ֖וּם (umum) = en gebrek | אֵ֥ין (ein) = niet | בָּֽךְ (bakh) = in jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hoogl 1:15; Hoogl 4:1; Ef 5:25–27; Kol 1:22; Jud 1:24 **4:8** Met mij van de Libanon, bruid, met mij van de Libanon zul je komen. Je zult neerzien van de top van Amana, van de top van Senir en Hermon, van de holen van leeuwen, van de bergen van luipaarden. Brontekst: אִתִּ֤י (iti) = met mij | מִלְּבָנוֹן֙ (milevanon) = van Libanon | כַּלָּ֔ה (kala) = bruid | אִתִּ֖י (iti) = met mij | מִלְּבָנ֣וֹן (milevanon) = van Libanon | תָּב֑וֹאִי (tavoi) = zul je komen | תָּשׁ֣וּרִי (tashuri) = zul je neerzien | מֵרֹ֣אשׁ (merosh) = van de top van | אֲמָנָ֗ה (amana) = Amana | מֵרֹ֤אשׁ (merosh) = van de top van | שְׂנִיר֙ (senir) = Senir | וְחֶרְמ֔וֹן (vechermon) = en Hermon | מִמְּעֹנ֣וֹת (mimeonot) = van de holen van | אֲרָי֔וֹת (arayot) = leeuwen | מֵֽהַרְרֵ֖י (meharrei) = van de bergen van | נְמֵרִֽים (nemerim) = luipaarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Libanon is het bergland ten noorden van Israël. Hermon is de hoge berg op de grens van Libanon en Syrië. Senir is de Amorietische naam van de Hermon (Deut. 3:9). Amana is een berg of bergtop in dezelfde streek, vermoedelijk in het Anti-Libanon; de ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: תָּשׁוּרִי (tashuri), ‘zul je neerzien’: van שׁוּר (shur), ‘kijken’. Sommigen vertalen ‘zul je afdalen’; de betekenis is niet zeker. Zie ook: Deut 3:9; 1 Kron 5:23; Ps 45:11; Hoogl 2:13; Jes 62:5 **4:9** Je hebt mijn hart veroverd, mijn zuster, bruid. Je hebt mijn hart veroverd met één van je ogen, met één halsketting van je hals. Brontekst: לִבַּבְתִּ֖נִי (libavtini) = je hebt mijn hart veroverd | אֲחֹתִ֣י (achoti) = mijn zuster | כַלָּ֑ה (kala) = bruid | לִבַּבְתִּ֨ינִי֙ (libavtini) = je hebt mijn hart veroverd | בְּאַחַ֣ת (beachat) = met één | מֵעֵינַ֔יִךְ (meeinayikh) = van je ogen | בְּאַחַ֥ד (beachad) = met één | עֲנָ֖ק (anaq) = halsketting | מִצַּוְּרֹנָֽיִךְ (mitsaveronayikh) = van je hals Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִבַּבְתִּנִי (libbavtini), ‘je hebt mijn hart veroverd’: een werkwoord van לֵב (lev), ‘hart’. Het komt alleen hier voor. Letterlijk: ‘je hebt mij hart gemaakt’; ook ‘je hebt mijn hart doen kloppen’. Voetnoot : אֲחֹתִי (achoti), ‘mijn zuster’: een woord van liefde; het Hebreeuws gebruikt het ook voor de geliefde. Voetnoot : עֲנָק (‘anaq), ‘halsketting’: een sieraad om de hals. Voetnoot Lezing: Geschreven (ketiv) staat bij het eerste ‘één’ בְּאַחַד (be’achad). Gelezen (qere) wordt בְּאַחַת (be’achat). Wij volgen de gelezen vorm. Zie ook: Hoogl 4:12; Hoogl 5:1–2; Hoogl 7:11; Spr 5:19–20; Hos 2:21–22 **4:10** Hoe mooi is je liefde, mijn zuster, bruid. Hoe veel beter is je liefde dan wijn, en de geur van je oliën dan alle specerijen. Brontekst: מַה (ma) = hoe | יָּפ֥וּ (yafu) = mooi zijn | דֹדַ֖יִךְ (dodayikh) = je liefde | אֲחֹתִ֣י (achoti) = mijn zuster | כַלָּ֑ה (kala) = bruid | מַה (ma) = hoe | טֹּ֤בוּ (tovu) = goed zijn | דֹדַ֨יִךְ֙ (dodayikh) = je liefde | מִיַּ֔יִן (miyayin) = dan wijn | וְרֵ֥יחַ (vereiach) = en de geur van | שְׁמָנַ֖יִךְ (shemanayikh) = je oliën | מִכָּל (mikal) = dan alle | בְּשָׂמִֽים (besamim) = specerijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹדַיִךְ (dodayikh), ‘je liefde’: meervoud van דּוֹד (dod), ‘liefde’, ook ‘liefkozingen’. Zie ook Hoogl. 1:2. Voetnoot : בְּשָׂמִים (besamim), ‘specerijen’: geurige planten en hun olie. Zie ook: Hoogl 1:2–4; Hoogl 3:6; Hoogl 7:7; Gal 5:22; Fil 4:18 **4:11** Honingraat druipt van je lippen, bruid. Honing en melk zijn onder je tong, en de geur van je kleren is als de geur van de Libanon. Brontekst: נֹ֛פֶת (nofet) = honingraat | תִּטֹּ֥פְנָה (titofena) = druipen | שִׂפְתוֹתַ֖יִךְ (siftotayikh) = je lippen | כַּלָּ֑ה (kala) = bruid | דְּבַ֤שׁ (devash) = honing | וְחָלָב֙ (vechalav) = en melk | תַּ֣חַת (tachat) = onder | לְשׁוֹנֵ֔ךְ (leshonekh) = je tong | וְרֵ֥יחַ (vereiach) = en de geur van | שַׂלְמֹתַ֖יִךְ (salmotayikh) = je kleren | כְּרֵ֥יחַ (kereiach) = als de geur van | לְבָנֽוֹן (levanon) = Libanon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹפֶת (nofet), ‘honingraat’: honing die uit de raat druipt. Zie ook 1 Sam. 14:27. Zie ook: Gen 27:27; 1 Sam 14:27; Hoogl 5:1; Hoogl 5:13; Hoogl 7:10; Hos 14:7–8 **4:12** Een gesloten tuin is mijn zuster, bruid, een gesloten springbron, een verzegelde bron. Brontekst: גַּ֥ן (gan) = een tuin | נָע֖וּל (naul) = gesloten | אֲחֹתִ֣י (achoti) = mijn zuster | כַלָּ֑ה (kala) = bruid | גַּ֥ל (gal) = een springbron | נָע֖וּל (naul) = gesloten | מַעְיָ֥ן (mayan) = een bron | חָתֽוּם (chatum) = verzegeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּל (gal), ‘springbron’: het woord betekent gewoonlijk ‘hoop’ of ‘golf’. Wij kiezen ‘springbron’, naar het woord ‘bron’ (מַעְיָן, ma‘yan) in de volgende regel. Voetnoot : De tuin is hier een beeld; zie ook 4:16 en 5:1. Zie ook: Spr 5:15–18; Jes 61:10–11; 1 Kor 6:13; Openb 7:3; Openb 21:27 **4:13** Je uitlopers zijn een park van granaatappels met kostbare vruchten, henna met nardus. Brontekst: שְׁלָחַ֨יִךְ֙ (shelachayikh) = je uitlopers | פַּרְדֵּ֣ס (pardes) = een park van | רִמּוֹנִ֔ים (rimonim) = granaatappels | עִ֖ם (im) = met | פְּרִ֣י (peri) = vruchten van | מְגָדִ֑ים (megadim) = kostbaarheden | כְּפָרִ֖ים (kefarim) = henna | עִם (im) = met | נְרָדִֽים (neradim) = nardus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלָחַיִךְ (shelachayikh), ‘je uitlopers’: van שָׁלַח (shalach), ‘zenden’. Sommigen vertalen ‘je scheuten’ of ‘je waterlopen’. Voetnoot : פַּרְדֵּס (pardes), ‘park’: een tuin met bomen, een leenwoord uit het Perzisch. Voetnoot : כְּפָרִים (kefarim), ‘henna’: een struik met geurige bloemen. Zie ook Hoogl. 1:14. Zie ook: Hoogl 1:12; Hoogl 1:14; Hoogl 6:11; Hoogl 7:13–14; Pred 2:5 **4:14** Nardus en saffraan, kalmoes en kaneel, met alle wierookbomen, mirre en aloë, met alle voornaamste specerijen. Brontekst: נֵ֣רְדְּ (nerd) = nardus | וְכַרְכֹּ֗ם (vekharkom) = en saffraan | קָנֶה֙ (qane) = kalmoes | וְקִנָּמ֔וֹן (veqinamon) = en kaneel | עִ֖ם (im) = met | כָּל (kal) = alle | עֲצֵ֣י (atsei) = bomen van | לְבוֹנָ֑ה (levona) = wierook | מֹ֚ר (mor) = mirre | וַאֲהָל֔וֹת (vaahalot) = en aloë | עִ֖ם (im) = met | כָּל (kal) = alle | רָאשֵׁ֥י (rashei) = voornaamste | בְשָׂמִֽים (besamim) = specerijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵרְדְּ (nerd), ‘nardus’: een kostbare, geurige olie. Voetnoot : וְכַרְכֹּם (vekharkom), ‘en saffraan’. Voetnoot : קָנֶה (qaneh), ‘kalmoes’, en וְקִנָּמוֹן (veqinnamon), ‘en kaneel’: zie ook Exod. 30:23. Voetnoot : וַאֲהָלוֹת (va’ahalot), ‘en aloë’: geurig hout. Zie ook: Ex 30:23; Hoogl 1:12; Hoogl 3:6; Hoogl 4:6; Hoogl 6:2 **4:15** Een bron van tuinen, een put van levend water, en stromende wateren van de Libanon. Brontekst: מַעְיַ֣ן (mayan) = een bron van | גַּנִּ֔ים (ganim) = tuinen | בְּאֵ֖ר (beer) = een put van | מַ֣יִם (mayim) = water | חַיִּ֑ים (chayim) = levend | וְנֹזְלִ֖ים (venozelim) = en stromende wateren | מִן (min) = van | לְבָנֽוֹן (levanon) = Libanon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee, bekend om zijn cederen. Voetnoot Uitleg: מַיִם חַיִּים (mayim chayyim), ‘levend water’: stromend bronwater. Zie ook Gen. 26:19. Zie ook: Gen 26:19; Jer 2:13; Jer 18:13–14; Joh 4:10; Joh 4:14; Joh 7:38 ### De bruid **4:16** Word wakker, noordenwind, en kom, zuidenwind. Blaas op mijn tuin, laat zijn specerijen stromen. Laat mijn geliefde in zijn tuin komen en de vrucht van zijn kostbaarheden eten. Brontekst: ע֤וּרִי (uri) = word wakker | צָפוֹן֙ (tsafon) = noordenwind | וּב֣וֹאִי (uvoi) = en kom | תֵימָ֔ן (teiman) = zuidenwind | הָפִ֥יחִי (hafichi) = blaas op | גַנִּ֖י (gani) = mijn tuin | יִזְּל֣וּ (yizelu) = laat stromen | בְשָׂמָ֑יו (besamav) = zijn specerijen | יָבֹ֤א (yavo) = laat komen | דוֹדִי֙ (dodi) = mijn geliefde | לְגַנּ֔וֹ (legano) = naar zijn tuin | וְיֹאכַ֖ל (veyokhal) = en laat eten | פְּרִ֥י (peri) = vrucht van | מְגָדָֽיו (megadav) = zijn kostbaarheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָפוֹן (tsafon), ‘noorden’, en תֵימָן (teman), ‘zuiden’: wij vullen ‘wind’ aan. De bruid spreekt hier tot de wind. Voetnoot : דוֹדִי (dodi), ‘mijn geliefde’: hetzelfde woord als דּוֹד (dod), ‘liefde’, in 4:10. Zie ook: Hoogl 5:1; Hoogl 6:2; Hoogl 7:13–14; Hand 2:1–2; 1 Petr 2:5 ## Hooglied 5 _De droom van de bruid; haar lof van de geliefde_ ### De bruidegom **5:1** Ik ben gekomen in mijn tuin, mijn zuster, bruid. Ik heb mijn mirre geplukt met mijn specerij. Ik heb mijn honingraat gegeten met mijn honing. Ik heb mijn wijn gedronken met mijn melk. Eet, vrienden. Drink en word dronken, geliefden. Brontekst: בָּ֣אתִי (bati) = ik ben gekomen | לְגַנִּי֮ (legani) = naar mijn tuin | אֲחֹתִ֣י (achoti) = mijn zuster | כַלָּה֒ (kala) = bruid | אָרִ֤יתִי (ariti) = ik heb geplukt | מוֹרִי֙ (mori) = mijn mirre | עִם (im) = met | בְּשָׂמִ֔י (besami) = mijn specerij | אָכַ֤לְתִּי (akhalti) = ik heb gegeten | יַעְרִי֙ (yari) = mijn honingraat | עִם (im) = met | דִּבְשִׁ֔י (divshi) = mijn honing | שָׁתִ֥יתִי (shatiti) = ik heb gedronken | יֵינִ֖י (yeini) = mijn wijn | עִם (im) = met | חֲלָבִ֑י (chalavi) = mijn melk | אִכְל֣וּ (ikhlu) = eet | רֵעִ֔ים (reim) = vrienden | שְׁת֥וּ (shetu) = drink | וְשִׁכְר֖וּ (veshikhru) = en word dronken | דּוֹדִֽים (dodim) = geliefden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָרִיתִי (ariti), ‘ik heb geplukt’: het oogsten van mirre en specerij. Voetnoot : יַעְרִי (ya‘ri), ‘mijn honingraat’: het woord betekent gewoonlijk ‘woud’, maar in 1 Sam. 14:27 is het ‘honingraat’. Voetnoot : דּוֹדִים (dodim), ‘geliefden’: zij die worden aangesproken. Het woord kan ook ‘liefde’ zijn (zie 1:2 en 4:10), dan: ‘word dronken van liefde’. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Eet, vrienden, drink’ spreekt. De kop ‘De bruidegom’ loopt daarom gewoon door; de spreker van dit deel is niet aangegeven. Zie ook: 1 Sam 14:27; Hoogl 4:9–14; Hoogl 4:16; Hoogl 6:2; Jes 51:3; Openb 22:17 ### De bruid **5:2** Ik slaap, maar mijn hart is wakker. Een stem! Mijn geliefde klopt: „Doe voor mij open, mijn zuster, mijn vriendin, mijn duif, mijn onberispelijke. Want mijn hoofd is vol dauw, mijn lokken met druppels van de nacht.” Brontekst: אֲנִ֥י (ani) = ik | יְשֵׁנָ֖ה (yeshena) = slaap | וְלִבִּ֣י (velibi) = maar mijn hart | עֵ֑ר (er) = is wakker | ק֣וֹל (qol) = stem van | דּוֹדִ֣י (dodi) = mijn geliefde | דוֹפֵ֗ק (dofeq) = klopt | פִּתְחִי (pitchi) = doe open | לִ֞י (li) = voor mij | אֲחֹתִ֤י (achoti) = mijn zuster | רַעְיָתִי֙ (rayati) = mijn vriendin | יוֹנָתִ֣י (yonati) = mijn duif | תַמָּתִ֔י (tamati) = mijn onberispelijke | שֶׁרֹּאשִׁי֙ (sheroshi) = want mijn hoofd | נִמְלָא (nimla) = is vol | טָ֔ל (tal) = dauw | קְוֻּצּוֹתַ֖י (qevutsotay) = mijn lokken | רְסִ֥יסֵי (resisei) = met druppels van | לָֽיְלָה (layela) = de nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier vertelt de bruid wat er gebeurde. De woorden van haar geliefde staan tussen aanhalingstekens. Voetnoot : תַמָּתִי (tammati), ‘mijn onberispelijke’: vrouwelijk van תָּם (tam), ‘onberispelijk’. Voetnoot : קְוֻּצּוֹתַי (qevutsotai), ‘mijn lokken’. Zie ook: Ps 119:1; Hoogl 2:14; Hoogl 6:9; Zach 4:1; Openb 3:20 **5:3** Ik heb mijn onderkleed uitgedaan; hoe zou ik het aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen; hoe zou ik ze bevuilen? Brontekst: פָּשַׁ֨טְתִּי֙ (pashatti) = ik heb uitgedaan | אֶת (et) = (obj.) | כֻּתָּנְתִּ֔י (kutanti) = mijn onderkleed | אֵיכָ֖כָה (eikhakha) = hoe | אֶלְבָּשֶׁ֑נָּה (elbashena) = zou ik het aantrekken | רָחַ֥צְתִּי (rachatsti) = ik heb gewassen | אֶת (et) = (obj.) | רַגְלַ֖י (raglay) = mijn voeten | אֵיכָ֥כָה (eikhakha) = hoe | אֲטַנְּפֵֽם (atanefem) = zou ik ze bevuilen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֻּתָּנְתִּי (kuttonti), ‘mijn onderkleed’: het kleed dat men direct op het lichaam draagt. Zie ook: Spr 3:28; Spr 13:4; Spr 22:13; Luc 11:7; Rom 7:22–23 **5:4** Mijn geliefde stak zijn hand door het gat, en mijn binnenste kwam in beroering om hem. Brontekst: דּוֹדִ֗י (dodi) = mijn geliefde | שָׁלַ֤ח (shalach) = stak uit | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | מִן (min) = door | הַחֹ֔ר (hachor) = het gat | וּמֵעַ֖י (umeay) = en mijn binnenste | הָמ֥וּ (hamu) = kwam in beroering | עָלָֽיו (alav) = om hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָדוֹ (yado), ‘zijn hand’, en הַחֹר (hachor), ‘het gat’: de opening in de deur. In het Hebreeuws kunnen deze woorden ook een bedekte betekenis hebben. Wij vertalen letterlijk. Voetnoot : וּמֵעַי (me‘ay), ‘mijn binnenste’: letterlijk ‘mijn ingewanden’, de plaats van diepe gevoelens. Zie ook: Ps 110:3; Hoogl 1:4; 1 Kon 3:26; 2 Kor 8:16; Fil 2:13 **5:5** Ik stond op om voor mijn geliefde open te doen. Mijn handen druipten van mirre, mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvatten van het slot. Brontekst: קַ֥מְתִּֽי (qamti) = ik stond op | אֲנִ֖י (ani) = ik | לִפְתֹּ֣חַ (liftoach) = om open te doen | לְדוֹדִ֑י (ledodi) = voor mijn geliefde | וְיָדַ֣י (veyaday) = en mijn handen | נָֽטְפוּ (natefu) = druipten | מ֗וֹר (mor) = van mirre | וְאֶצְבְּעֹתַי֙ (veetsbeotay) = en mijn vingers | מ֣וֹר (mor) = van mirre | עֹבֵ֔ר (over) = vloeiende | עַ֖ל (al) = op | כַּפּ֥וֹת (kapot) = de handvatten van | הַמַּנְעֽוּל (hamanul) = het slot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹר עֹבֵר (mor ‘over), ‘vloeiende mirre’: letterlijk ‘mirre die overgaat’. Zie ook Exod. 30:23. Voetnoot : כַּפּוֹת (kappot), ‘handvatten’: letterlijk ‘handpalmen’. Zie ook: Ex 30:23; Hoogl 5:13; 2 Kor 7:7; 2 Kor 7:9–11; Ef 3:17; Openb 3:20 **5:6** Ik deed open voor mijn geliefde, maar mijn geliefde had zich afgewend en was voorbijgegaan. Mijn ziel ging uit toen hij sprak. Ik zocht hem, maar ik vond hem niet. Ik riep hem, maar hij antwoordde mij niet. Brontekst: פָּתַ֤חְתִּֽי (patachti) = ik deed open | אֲנִי֙ (ani) = ik | לְדוֹדִ֔י (ledodi) = voor mijn geliefde | וְדוֹדִ֖י (vedodi) = maar mijn geliefde | חָמַ֣ק (chamaq) = had zich afgewend | עָבָ֑ר (avar) = was voorbijgegaan | נַפְשִׁי֙ (nafshi) = mijn ziel | יָֽצְאָ֣ה (yatsea) = ging uit | בְדַבְּר֔וֹ (bedabero) = toen hij sprak | בִּקַּשְׁתִּ֨יהוּ֙ (biqashtihu) = ik zocht hem | וְלֹ֣א (velo) = en niet | מְצָאתִ֔יהוּ (metsatihu) = ik vond hem | קְרָאתִ֖יו (qerativ) = ik riep hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָנָֽנִי (anani) = hij antwoordde mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: het leven, het hele wezen van een mens. Voetnoot : חָמַק (chamaq), ‘had zich afgewend’: of ‘was weggedraaid’. Voetnoot : בְדַבְּרוֹ (bedabbero), ‘toen hij sprak’: of ‘bij zijn woord’. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Hoogl 5:2; Hos 5:15; Jes 50:2; Zach 7:13; Openb 3:19 **5:7** De wachters die rondgaan in de stad vonden mij. Zij sloegen mij, zij verwondden mij. De wachters van de muren namen mijn omslagdoek van mij weg. Brontekst: מְצָאֻ֧נִי (metsauni) = vonden mij | הַשֹּׁמְרִ֛ים (hashomerim) = de wachters | הַסֹּבְבִ֥ים (hasovevim) = die rondgaan | בָּעִ֖יר (bair) = in de stad | הִכּ֣וּנִי (hikuni) = zij sloegen mij | פְצָע֑וּנִי (petsauni) = zij verwondden mij | נָשְׂא֤וּ (naseu) = namen weg | אֶת (et) = (obj.) | רְדִידִי֙ (redidi) = mijn omslagdoek | מֵֽעָלַ֔י (mealay) = van mij | שֹׁמְרֵ֖י (shomerei) = de wachters van | הַחֹמֽוֹת (hachomot) = de muren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְדִידִי (redidi), ‘mijn omslagdoek’: een doek die een vrouw om zich heen sloeg. Zie ook Jes. 3:23. Zie ook: Hoogl 3:3; Jes 3:23; Mat 21:33–41; Mat 23:2; Mat 23:29–36; Hand 20:29–30 **5:8** Ik laat jullie zweren, dochters van Jeruzalem: als jullie mijn geliefde vinden, wat zullen jullie tegen hem zeggen? Dat ik ziek ben van liefde. Brontekst: הִשְׁבַּ֥עְתִּי (hishbati) = ik laat zweren | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | אִֽם (im) = als | תִּמְצְאוּ֙ (timtseu) = jullie vinden | אֶת (et) = (obj.) | דּוֹדִ֔י (dodi) = mijn geliefde | מַה (ma) = wat | תַּגִּ֣ידוּ (tagidu) = zullen jullie zeggen | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | שֶׁחוֹלַ֥ת (shecholat) = dat ziek van | אַהֲבָ֖ה (ahava) = liefde | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הִשְׁבַּעְתִּי (hishba‘ti), ‘ik laat zweren’: hetzelfde werkwoord als in Hoogl. 2:7 en 3:5. Voetnoot : שֶׁחוֹלַת אַהֲבָה (shecholat ahavah), ‘dat ik ziek ben van liefde’: dezelfde woorden als in Hoogl. 2:5. Zie ook: Ps 42:2–4; Ps 63:2–4; Hoogl 2:5; Hoogl 2:7; Hoogl 3:5 ### Het koor van de dochters van Jeruzalem **5:9** Wat is jouw geliefde meer dan een geliefde, mooiste onder de vrouwen? Wat is jouw geliefde meer dan een geliefde, dat je ons zo bezweert? Brontekst: מַה (ma) = wat | דּוֹדֵ֣ךְ (dodekh) = is jouw geliefde | מִדּ֔וֹד (midod) = meer dan een geliefde | הַיָּפָ֖ה (hayafa) = de mooiste | בַּנָּשִׁ֑ים (banashim) = onder de vrouwen | מַה (ma) = wat | דּוֹדֵ֣ךְ (dodekh) = is jouw geliefde | מִדּ֔וֹד (midod) = meer dan een geliefde | שֶׁכָּ֖כָה (shekakha) = dat zo | הִשְׁבַּעְתָּֽנוּ (hishbatanu) = je ons bezweert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het koor van de dochters van Jeruzalem antwoordt. הַיָּפָה בַּנָּשִׁים (hayyafah bannashim), ‘de mooiste onder de vrouwen’: zie ook Hoogl. 1:8. Zie ook: Ps 45:14; Ps 87:3; Hoogl 1:8; Hoogl 6:1; Hoogl 6:9–10 ### De bruid **5:10** Mijn geliefde is stralend en rood, uitmuntend boven tienduizend. Brontekst: דּוֹדִ֥י (dodi) = mijn geliefde | צַח֙ (tsach) = stralend | וְאָד֔וֹם (veadom) = en rood | דָּג֖וּל (dagul) = uitmuntend | מֵרְבָבָֽה (merevava) = boven tienduizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַח (tsach), ‘stralend’, en וְאָדוֹם (ve’adom), ‘rood’. Voetnoot : דָּגוּל (dagul), ‘uitmuntend’: van דֶּגֶל (degel), ‘vaandel’; letterlijk ‘met een vaandel’, dus ‘opvallend’. Zie ook: Ps 45:3; Ps 45:18; Hoogl 2:1; Fil 2:9–11; Heb 7:26 **5:11** Zijn hoofd is goud, zuiver goud. Zijn lokken zijn krullen, zwart als de raaf. Brontekst: רֹאשׁ֖וֹ (rosho) = zijn hoofd | כֶּ֣תֶם (ketem) = goud | פָּ֑ז (paz) = zuiver goud | קְוּצּוֹתָיו֙ (qeutsotav) = zijn lokken | תַּלְתַּלִּ֔ים (taltalim) = krullen | שְׁחֹר֖וֹת (shechorot) = zwart | כָּעוֹרֵֽב (kaorev) = als de raaf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֶּתֶם פָּז (ketem paz), ‘goud, zuiver goud’: twee woorden voor edel goud. Voetnoot : תַּלְתַּלִּים (taltallim), ‘krullen’: het woord komt alleen hier voor; sommigen vertalen ‘palmtakken’. Zie ook: Hoogl 5:2; Hoogl 7:6; Dan 7:9; Ef 1:21–22; Openb 1:14 **5:12** Zijn ogen zijn als duiven bij waterstromen, badend in melk, zittend in hun vatting. Brontekst: עֵינָ֕יו (einav) = zijn ogen | כְּיוֹנִ֖ים (keyonim) = als duiven | עַל (al) = bij | אֲפִ֣יקֵי (afiqei) = stromen van | מָ֑יִם (mayim) = water | רֹֽחֲצוֹת֙ (rochatsot) = badend | בֶּֽחָלָ֔ב (bechalav) = in melk | יֹשְׁב֖וֹת (yoshevot) = zittend | עַל (al) = op | מִלֵּֽאת (milet) = een vatting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלֵּאת (mille’t), ‘vatting’: het woord komt alleen hier voor. Letterlijk ‘volheid’; de vatting waarin een edelsteen zit, is de meest gekozen betekenis. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Hoogl 1:15; Hoogl 4:1; Heb 4:13 **5:13** Zijn wangen zijn als een bed van specerij, torens van geurige zalven. Zijn lippen zijn lelies, druipend van vloeiende mirre. Brontekst: לְחָיָו֙ (lechayav) = zijn wangen | כַּעֲרוּגַ֣ת (kaarugat) = als een bed van | הַבֹּ֔שֶׂם (habosem) = de specerij | מִגְדְּל֖וֹת (migdelot) = torens van | מֶרְקָחִ֑ים (merqachim) = geurige zalven | שִׂפְתוֹתָיו֙ (siftotav) = zijn lippen | שֽׁוֹשַׁנִּ֔ים (shoshanim) = lelies | נֹטְפ֖וֹת (notefot) = druipend | מ֥וֹר (mor) = mirre | עֹבֵֽר (over) = vloeiende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּעֲרוּגַת (ka‘arugat), ‘als een bed’: een tuinbed. Voetnoot : מִגְדְּלוֹת (migdelot), ‘torens van’: sommige lezers verstaan ‘die laten groeien’. Voetnoot : מֶרְקָחִים (merqachim), ‘geurige zalven’: van dezelfde stam als ‘zalfbereider’ in Exod. 30:25. Zie ook: Ex 30:25; Hoogl 1:10; Hoogl 2:1; Hoogl 6:2; Jes 50:6; Luc 4:22 **5:14** Zijn handen zijn rollen van goud, bezet met chrysoliet. Zijn lichaam is een plaat van ivoor, bedekt met saffieren. Brontekst: יָדָיו֙ (yadav) = zijn handen | גְּלִילֵ֣י (gelilei) = rollen van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | מְמֻלָּאִ֖ים (memulaim) = bezet | בַּתַּרְשִׁ֑ישׁ (batarshish) = met chrysoliet | מֵעָיו֙ (meav) = zijn lichaam | עֶ֣שֶׁת (eshet) = een plaat van | שֵׁ֔ן (shen) = ivoor | מְעֻלֶּ֖פֶת (meulefet) = bedekt | סַפִּירִֽים (sapirim) = met saffieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּלִילֵי (gelilei), ‘rollen’: staven of ringen. Voetnoot : בַּתַּרְשִׁישׁ (battarshish), ‘met chrysoliet’: letterlijk ‘met een steen van Tarsis’; zie Exod. 28:20. Voetnoot : עֶשֶׁת (‘eshet), ‘plaat’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is niet zeker. Voetnoot : מֵעָיו (me‘av), ‘zijn lichaam’: letterlijk ‘zijn binnenste’. Zie ook: Ex 15:6; Ex 24:10; Ex 28:20; Hoogl 7:3; Jes 54:11; Ezech 1:26–28 **5:15** Zijn benen zijn pilaren van marmer, gegrondvest op voetstukken van zuiver goud. Zijn verschijning is als de Libanon, uitgelezen als de cederen. Brontekst: שׁוֹקָיו֙ (shoqav) = zijn benen | עַמּ֣וּדֵי (amudei) = pilaren van | שֵׁ֔שׁ (shesh) = marmer | מְיֻסָּדִ֖ים (meyusadim) = gegrondvest | עַל (al) = op | אַדְנֵי (adnei) = voetstukken van | פָ֑ז (paz) = zuiver goud | מַרְאֵ֨הוּ֙ (marehu) = zijn verschijning | כַּלְּבָנ֔וֹן (kalevanon) = als Libanon | בָּח֖וּר (bachur) = uitgelezen | כָּאֲרָזִֽים (kaarazim) = als de cederen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁשׁ (shesh), ‘marmer’: een lichte, harde steen. Het woord betekent anders ‘fijn linnen’; de betekenis is niet zeker. Voetnoot : שׁוֹקָיו (shoqav), ‘zijn benen’: de onderbenen of de dijen. Zie ook: Ex 26:19; 1 Kon 5:13; Hos 14:8; Hand 2:28; Openb 1:15–16 **5:16** Zijn gehemelte is zoetheid, en geheel is hij begeerlijk. Dit is mijn geliefde, en dit is mijn vriend, dochters van Jeruzalem. Brontekst: חִכּוֹ֙ (chiko) = zijn gehemelte | מַֽמְתַקִּ֔ים (mamtaqim) = zoetheid | וְכֻלּ֖וֹ (vekhulo) = en geheel hij | מַחֲּמַדִּ֑ים (machamadim) = begeerlijkheden | זֶ֤ה (ze) = dit | דוֹדִי֙ (dodi) = is mijn geliefde | וְזֶ֣ה (veze) = en dit | רֵעִ֔י (rei) = is mijn vriend | בְּנ֖וֹת (benot) = dochters van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חִכּוֹ (chikko), ‘zijn gehemelte’: ook ‘zijn mond’. Voetnoot : מַחֲּמַדִּים (machamaddim), ‘begeerlijkheden’: alles aan hem is te begeren. Zie ook: Ps 45:3; Ps 119:103; Ps 148:13; Hoogl 1:2; Hoogl 7:10 ## Hooglied 6 _Waar is mijn geliefde heen?_ ### Het koor van de dochters van Jeruzalem **6:1** Waarheen is je geliefde gegaan, mooiste onder de vrouwen? Waarheen heeft je geliefde zich gewend? Dan zoeken wij hem met je. Brontekst: אָ֚נָה (ana) = waarheen | הָלַ֣ךְ (halakh) = is gegaan | דּוֹדֵ֔ךְ (dodekh) = je geliefde | הַיָּפָ֖ה (hayafa) = mooiste | בַּנָּשִׁ֑ים (banashim) = onder de vrouwen | אָ֚נָה (ana) = waarheen | פָּנָ֣ה (pana) = heeft zich gewend | דוֹדֵ֔ךְ (dodekh) = je geliefde | וּנְבַקְשֶׁ֖נּוּ (unevaqshenu) = en wij zullen hem zoeken | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker is niet in de tekst aangegeven; de koppen volgen het grammaticale geslacht en zijn een leeshulp. Hier spreken de vrouwen die in 5:8 en 5:16 worden aangesproken. Voetnoot : דּוֹדֵךְ (dodekh), ‘je geliefde’: het woord dodi, ‘mijn geliefde’, staat in de volgende verzen. Zie ook: Ruth 2:12; Hoogl 1:4; Hoogl 1:8; Hoogl 5:9; Jer 14:8 ### De bruid **6:2** Mijn geliefde is afgedaald naar zijn tuin, naar de bedden van specerijen, om te weiden in de tuinen en lelies te plukken. Brontekst: דּוֹדִי֙ (dodi) = mijn geliefde | יָרַ֣ד (yarad) = is afgedaald | לְגַנּ֔וֹ (legano) = naar zijn tuin | לַעֲרוּג֖וֹת (laarugot) = naar de bedden van | הַבֹּ֑שֶׂם (habosem) = de specerijen | לִרְעוֹת֙ (lirot) = om te weiden | בַּגַּנִּ֔ים (baganim) = in de tuinen | וְלִלְקֹ֖ט (velilqot) = en om te plukken | שֽׁוֹשַׁנִּֽים (shoshanim) = lelies Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּשֶׂם (bosem), ‘specerij’: geurige kruiden of balsem. Voetnoot : שׁוֹשַׁנִּים (shoshannim), ‘lelies’: de bloem is niet met zekerheid vast te stellen; ook ‘lotus’ is mogelijk. Zie ook Hoogl. 2:1. Voetnoot : הָרֹעֶה (ha-ro’eh), ‘die weidt’: het beeld van een herder die zijn kudde laat grazen. Hetzelfde beeld staat in Hoogl. 2:16. Zie ook: Hoogl 2:1–2; Hoogl 2:16; Hoogl 5:13; Mat 28:20; Joh 17:24; Fil 1:21–23 **6:3** Ik ben van mijn geliefde en mijn geliefde is van mij, die weidt tussen de lelies. Brontekst: אֲנִ֤י (ani) = ik | לְדוֹדִי֙ (ledodi) = ben van mijn geliefde | וְדוֹדִ֣י (vedodi) = en mijn geliefde | לִ֔י (li) = is van mij | הָרֹעֶ֖ה (haroe) = die weidt | בַּשׁוֹשַׁנִּֽים (bashoshanim) = tussen de lelies Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hoogl 2:16; Hoogl 7:11; Heb 8:10; Openb 21:2–4 ### De bruidegom **6:4** Je bent mooi, mijn vriendin, als Tirza, bevallig als Jeruzalem, ontzagwekkend als de met vaandels getooiden. Brontekst: יָפָ֨ה (yafa) = mooi | אַ֤תְּ (at) = jij | רַעְיָתִי֙ (rayati) = mijn vriendin | כְּתִרְצָ֔ה (ketirtsa) = als Tirza | נָאוָ֖ה (nava) = bevallig | כִּירוּשָׁלִָ֑ם (kirushaliam) = als Jeruzalem | אֲיֻמָּ֖ה (ayuma) = ontzagwekkend | כַּנִּדְגָּלֽוֹת (kanidgalot) = als de met vaandels getooiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tirza lag in het noorden van het land, ten noordoosten van Sichem. Het was een mooie stad en later kort de hoofdstad van het noordelijke rijk (1 Kon. 14:17). De ligging is waarschijnlijk (Tell el-Farah, Westoever). Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כַּנִּדְגָּלוֹת (kanidgalot), ‘als de met vaandels getooiden’: een vrouwelijke meervoudsvorm van een werkwoord voor ‘een vaandel dragen’. Er staat niet wie bedoeld wordt; meestal wordt gedacht aan legerscharen met vaandels. Wij laten het open. Zo ook vers 10. Voetnoot : אֲיֻמָּה (ayummah), ‘ontzagwekkend’: ook ‘vreeswekkend’. Zie ook: Ps 48:3; Hoogl 2:14; Hoogl 6:10; 1 Kon 14:17; Openb 21:2 **6:5** Wend je ogen van mij af, want zij overweldigen mij. Je haar is als een kudde geiten die van Gilead afstromen. Brontekst: הָסֵ֤בִּי (hasebi) = wend af | עֵינַ֨יִךְ֙ (einayikh) = je ogen | מִנֶּגְדִּ֔י (minegdi) = van tegenover mij | שֶׁ֥הֵ֖ם (shehem) = want zij | הִרְהִיבֻ֑נִי (hirhivuni) = overweldigen mij | שַׂעְרֵךְ֙ (sarekh) = je haar | כְּעֵ֣דֶר (keeder) = als een kudde | הָֽעִזִּ֔ים (haizim) = de geiten | שֶׁגָּלְשׁ֖וּ (shegaleshu) = die afstromen | מִן (min) = van | הַגִּלְעָֽד (hagilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: הִרְהִיבֻנִי (hirhivuni), ‘zij overweldigen mij’: het woord betekent ‘onstuimig maken, overweldigen’. Zo ook Ps. 138:3. Voetnoot : שֶׁגָּלְשׁוּ (shegalshu), ‘die afstromen’: hetzelfde werkwoord als in Hoogl. 4:1; de betekenis ‘neerstromen’ of ‘golven’ is onzeker. Zie ook: Gen 32:26–28; Ex 32:10; Ps 138:3; Hoogl 4:1–3; Jer 15:1; Mat 15:27–28 **6:6** Je tanden zijn als een kudde ooien die uit de wasplaats opkomen. Allemaal dragen zij tweelingen, en geen enkele onder hen is kinderloos. Brontekst: שִׁנַּ֨יִךְ֙ (shinayikh) = je tanden | כְּעֵ֣דֶר (keeder) = als een kudde | הָֽרְחֵלִ֔ים (harechelim) = de ooien | שֶׁעָל֖וּ (shealu) = die opkomen | מִן (min) = van | הָרַחְצָ֑ה (harachtsa) = de wasplaats | שֶׁכֻּלָּם֙ (shekulam) = van wie allemaal | מַתְאִימ֔וֹת (matimot) = tweelingen dragen | וְשַׁכֻּלָ֖ה (veshakula) = en kinderloze | אֵ֥ין (ein) = niet | בָּהֶֽם (bahem) = onder hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַתְאִימוֹת (mat’imot), ‘zij dragen tweelingen’: de vorm betekent ‘paarsgewijs, in paren’. Het beeld is dat de tanden in twee rijen passen en geen enkele ontbreekt. Voetnoot : וְשַׁכֻּלָה (veshakkulah), ‘kinderloos’: een moeder die haar jongen kwijt is. Dit vers komt overeen met Hoogl. 4:2; daar staat ‘geschoren schapen’ (haqtsuvot), hier ‘ooien’ (rechelim). Zie ook: Hoogl 4:2; Mat 21:19; Mat 25:30 **6:7** Je slapen zijn als een stuk granaatappel achter je sluier. Brontekst: כְּפֶ֤לַח (kefelach) = als een stuk van | הָרִמּוֹן֙ (harimon) = de granaatappel | רַקָּתֵ֔ךְ (raqatekh) = je slapen | מִבַּ֖עַד (mibaad) = achter | לְצַמָּתֵֽךְ (letsamatekh) = je sluier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַקָּה (raqqah), ‘slapen’: in het Hebreeuws enkelvoud, de zijkant van het hoofd; ook ‘wang’ is mogelijk. Voetnoot : צַמָּה (tsammah), ‘sluier’: ook ‘vlecht’ of ‘haarlok’. Dit vers komt overeen met Hoogl. 4:3. Zie ook: Hoogl 4:3 **6:8** Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen, en jonge vrouwen zonder getal. Brontekst: שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | מְּלָכ֔וֹת (melakhot) = koninginnen | וּשְׁמֹנִ֖ים (ushemonim) = en tachtig | פִּֽילַגְשִׁ֑ים (pilagshim) = bijvrouwen | וַעֲלָמ֖וֹת (vaalamot) = en jonge vrouwen | אֵ֥ין (ein) = niet | מִסְפָּֽר (mispar) = getal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּילֶגֶשׁ (pilegesh), ‘bijvrouw’: een vrouw met een vaste plaats in het huis van de man, maar lager dan de echtgenote. Zie ook 1 Kon. 11:3. Zie ook: Ps 45:10; Ps 45:15; 1 Kon 11:1; 1 Kon 11:3; 2 Kron 11:21 **6:9** Eén is zij, mijn duif, mijn onberispelijke. Eén is zij voor haar moeder; zuiver is zij voor haar die haar baarde. Dochters zagen haar en noemden haar gelukkig; koninginnen en bijvrouwen, en zij prezen haar. Brontekst: אַחַ֥ת (achat) = één | הִיא֙ (hi) = zij | יוֹנָתִ֣י (yonati) = mijn duif | תַמָּתִ֔י (tamati) = mijn onberispelijke | אַחַ֥ת (achat) = één | הִיא֙ (hi) = zij | לְאִמָּ֔הּ (leimah) = voor haar moeder | בָּרָ֥ה (bara) = zuiver | הִ֖יא (hi) = zij | לְיֽוֹלַדְתָּ֑הּ (leyoladtah) = voor haar die haar baarde | רָא֤וּהָ (rauha) = zagen haar | בָנוֹת֙ (banot) = dochters | וַֽיְאַשְּׁר֔וּהָ (vayasheruha) = en noemden haar gelukkig | מְלָכ֥וֹת (melakhot) = koninginnen | וּפִֽילַגְשִׁ֖ים (ufilagshim) = en bijvrouwen | וַֽיְהַלְלֽוּהָ (vayhalluha) = en zij prezen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּמָּתִי (tammati), ‘mijn onberispelijke’: van het woord tam, ‘onberispelijk’. Zo ook Hoogl. 5:2. Voetnoot : בָּרָה (barah), ‘zuiver’: ook ‘helder’ of ‘uitverkoren’. Zo ook in vers 10. Zie ook: Gen 30:13; Ps 45:10; Hoogl 2:14; Hoogl 5:2; Hoogl 6:10; Openb 21:9–10 **6:10** Wie is zij die uitkijkt als de dageraad, mooi als de maan, zuiver als de zon, ontzagwekkend als de met vaandels getooiden? Brontekst: מִי (mi) = wie | זֹ֥את (zot) = is zij | הַנִּשְׁקָפָ֖ה (hanishqafa) = die uitkijkt | כְּמוֹ (kemo) = als | שָׁ֑חַר (shachar) = de dageraad | יָפָ֣ה (yafa) = mooi | כַלְּבָנָ֗ה (kalevana) = als de maan | בָּרָה֙ (bara) = zuiver | כַּֽחַמָּ֔ה (kachama) = als de zon | אֲיֻמָּ֖ה (ayuma) = ontzagwekkend | כַּנִּדְגָּלֽוֹת (kanidgalot) = als de met vaandels getooiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁחַר (shachar), ‘dageraad’; לְבָנָה (levanah), ‘maan’, letterlijk ‘de witte’; חַמָּה (chammah), ‘zon’, letterlijk ‘de gloeiende’. Het zijn drie hemellichten die opkomen en schijnen. Voetnoot : Het is onduidelijk of dit een woord van de bruidegom of een citaat van de vrouwen uit vers 9 is. Wij laten het bij de bruidegom. Zie ook: Job 31:26; 2 Sam 23:4; Hoogl 6:4; Hoogl 6:9; Mat 17:2; Openb 12:1 ### In de notentuin **6:11** Ik ben afgedaald naar de notentuin, om de groene scheuten van het beekdal te zien. Om te zien of de wijnstok bloeide en de granaatappels in bloei stonden. Brontekst: אֶל (el) = naar | גִּנַּ֤ת (ginat) = de tuin van | אֱגוֹז֙ (egoz) = noot | יָרַ֔דְתִּי (yaradti) = ik ben afgedaald | לִרְא֖וֹת (lirot) = om te zien | בְּאִבֵּ֣י (beibei) = de groene scheuten van | הַנָּ֑חַל (hanachal) = het beekdal | לִרְאוֹת֙ (lirot) = om te zien | הֲפָֽרְחָ֣ה (hafarecha) = of had gebloeid | הַגֶּ֔פֶן (hagefen) = de wijnstok | הֵנֵ֖צוּ (henetsu) = stonden in bloei | הָרִמֹּנִֽים (harimonim) = de granaatappels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker is niet met zekerheid vast te stellen. Het ‘ik’ kan de bruidegom zijn, die naar zijn tuin gaat (zie vers 2), maar ook de bruid. Wij geven daarom een neutrale kop. Voetnoot : גִּנַּת אֱגוֹז (ginnat egoz), ‘notentuin’: een tuin met notenbomen. Voetnoot : אִבֵּי (ibbei), ‘groene scheuten’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis volgt uit het verband. Voetnoot : נַחַל (nachal), ‘beekdal’: een wadi, die alleen in het regenseizoen water voert. Voetnoot : הֵנֵצוּ (henetsu), ‘in bloei stonden’: letterlijk ‘zijn uitgebot, hebben gebloeid’. Zie ook Hoogl. 7:13. Zie ook: Hoogl 5:1; Hoogl 6:2; Hoogl 7:13; Jes 5:2–4; Hand 15:36 **6:12** Ik wist het niet. Mijn ziel zette mij op de wagens van Amminadib. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik wist | נַפְשִׁ֣י (nafshi) = mijn ziel | שָׂמַ֔תְנִי (samatni) = zette mij | מַרְכְּב֖וֹת (markevot) = op de wagens van | עַמִּי (ami) = mijn volk | נָדִֽיב (nadiv) = edel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is een van de moeilijkste van het boek. Wij vertalen de woorden zoals ze er staan. Voetnoot : נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: mijn leven, mijn hele wezen; ook ‘mijn verlangen’. Voetnoot : עַמִּי נָדִיב (ammi nadiv) kan een eigennaam zijn: ‘Amminadib’. Het kan ook betekenen ‘mijn edele volk’ of ‘mijn bereidwillig volk’; dan staat er ‘de wagens van mijn edele volk’. Ook wordt wel gelezen dat mijn ziel ‘mij gezet heeft, wagens van mijn volk, bereidwillig’. Wij houden de eigennaam aan; de betekenis is onzeker. Voetnoot : In de Hebreeuwse telling is dit het laatste vers van hoofdstuk 6. Nederlandse bijbels tellen het volgende vers (Hebr. 7:1) nog als 6:13. Hebr. 7:2–14 is dus Nederlands 7:1–13. De app zet de kruisverwijzingen zelf om. Zie ook: Hos 11:8–9; Jer 31:18–20; Luc 15:20; Heb 7:1; Heb 7:2–14 ## Hooglied 7 _Hoe mooi ben je, liefde_ ### Het koor van de dochters van Jeruzalem **7:1** Keer terug, keer terug, Sulamitische! Keer terug, keer terug, zodat wij naar je kunnen kijken. Wat zien jullie in de Sulamitische, als in de dans van Machanajim? Brontekst: שׁ֤וּבִי (shuvi) = keer terug | שׁ֨וּבִי֙ (shuvi) = keer terug | הַשּׁ֣וּלַמִּ֔ית (hashulamit) = de Sulamitische | שׁ֥וּבִי (shuvi) = keer terug | שׁ֖וּבִי (shuvi) = keer terug | וְנֶחֱזֶה (venecheze) = zodat wij kijken | בָּ֑ךְ (bakh) = naar je | מַֽה (ma) = wat | תֶּחֱזוּ֙ (techezu) = zien jullie | בַּשּׁ֣וּלַמִּ֔ית (bashulamit) = in de Sulamitische | כִּמְחֹלַ֖ת (kimcholat) = als de dans van | הַֽמַּחֲנָֽיִם (hamachanayim) = Machanajim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: In de Hebreeuwse telling begint hoofdstuk 7 een vers eerder dan in Nederlandse bijbels: Hebr. 7:1 is Nederlands 6:13, en Hebr. 7:2–14 is Nederlands 7:1–13. Hebr. hoofdstuk 6 heeft 12 verzen, Nederlands 13. De app zet de kruisverwijzingen zelf om. Voetnoot : הַשּׁוּלַמִּית (hashulammit), ‘de Sulamitische’: een vrouw uit Sulem, dat vermoedelijk dezelfde plaats is als Sunem (Joz. 19:18; 1 Sam. 28:4). Het kan ook de vrouwelijke vorm zijn van de naam Salomo. De betekenis is onzeker. Voetnoot : De sprekers zijn niet aangegeven. De vier keer ‘keer terug’ zijn van het koor. Wie de vraag ‘Wat zien jullie in de Sulamitische?’ stelt, de bruid of de bruidegom, is onzeker; wij hebben daarom één kop voor het hele vers gezet. Voetnoot : מְחֹלַת הַמַּחֲנָיִם (mecholat hamachanayim), ‘de dans van Machanajim’: Machanajim is een plaatsnaam (Gen. 32:3; Joz. 13:26), letterlijk ‘twee kampen’. Het kan ook ‘de dans van de twee kampen’ betekenen. De bedoeling is onzeker. Zie ook: Gen 32:2; Gen 32:3; Joz 13:26; Joz 19:18; Re 21:21; 1 Sam 28:4; Hos 14:2–5; Luc 15:10; 2 Tess 1:10; Heb 7:1; Heb 7:2–14 ### De bruidegom **7:2** Hoe mooi zijn je voeten in de sandalen, dochter van een edele! De welvingen van je dijen zijn als sieraden, het werk van de handen van een kunstenaar. Brontekst: מַה (ma) = hoe | יָּפ֧וּ (yafu) = mooi zijn | פְעָמַ֛יִךְ (peamayikh) = je voeten | בַּנְּעָלִ֖ים (banealim) = in de sandalen | בַּת (bat) = dochter van | נָדִ֑יב (nadiv) = een edele | חַמּוּקֵ֣י (chamuqei) = de welvingen van | יְרֵכַ֔יִךְ (yerekhayikh) = je dijen | כְּמ֣וֹ (kemo) = als | חֲלָאִ֔ים (chalaim) = sieraden | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = het werk van | יְדֵ֥י (yedei) = de handen van | אָמָּֽן (aman) = een kunstenaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּת נָדִיב (bat nadiv), ‘dochter van een edele’: een vrouw van hoge afkomst; ook ‘dochter van een bereidwillige’. Vergelijk 6:12. Voetnoot : יְרֵכַיִךְ (yerekhayikh), ‘je dijen’: het woord noemt het bovenbeen. Het Hebreeuws gebruikt het ook voor het gebied van de lendenen en de geslachtsdelen. Wij vertalen letterlijk. Voetnoot : חַמּוּקֵי (chammuqei), ‘welvingen’: het woord komt alleen hier voor (en in het werkwoord in Jer. 31:21 (Hebreeuwse telling)). Voetnoot : חֲלָאִים (chala’im), ‘sieraden’: kostbare versiering. Zie ook Spr. 25:12. Zie ook: Ex 28:15; Ps 45:14; Spr 25:12; Jer 31:21; Luc 15:22; Fil 1:27; Kol 2:19 **7:3** Je navel is een ronde kom; moge de gemengde wijn niet ontbreken. Je buik is een hoop tarwe, omheind met lelies. Brontekst: שָׁרְרֵךְ֙ (sharerekh) = je navel | אַגַּ֣ן (agan) = een kom | הַסַּ֔הַר (hasahar) = de ronde | אַל (al) = niet | יֶחְסַ֖ר (yechsar) = moge ontbreken | הַמָּ֑זֶג (hamazeg) = de gemengde wijn | בִּטְנֵךְ֙ (bitnekh) = je buik | עֲרֵמַ֣ת (aremat) = een hoop | חִטִּ֔ים (chitim) = tarwe | סוּגָ֖ה (suga) = omheind | בַּשּׁוֹשַׁנִּֽים (bashoshanim) = met lelies Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁרְרֵךְ (sharrekh), ‘je navel’: het woord komt alleen hier voor; ook ‘je schoot’ is gesuggereerd. Wij volgen de gebruikelijke lezing. Voetnoot : אַגַּן הַסַּהַר (aggan hasahar), ‘een ronde kom’: aggan is een kom of schaal; het woord sahar komt alleen hier voor en is verwant aan het woord voor ‘rond’ of ‘maan’. De betekenis is onzeker. Voetnoot : אַל יֶחְסַר (al yechsar), ‘moge niet ontbreken’: een wens. De gemengde wijn is wijn met kruiden of water. Voetnoot : סוּגָה (suggah), ‘omheind’: omgeven met een afscheiding, hier van lelies. Zie ook: Ps 45:17; Hoogl 5:14; Spr 3:8; Jer 1:5; Rom 7:4 **7:4** Je twee borsten zijn als twee hertenjongen, tweelingen van een gazelle. Brontekst: שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | שָׁדַ֛יִךְ (shadayikh) = je borsten | כִּשְׁנֵ֥י (kishnei) = als twee | עֳפָרִ֖ים (ofarim) = hertenjongen | תָּאֳמֵ֥י (taomei) = tweelingen van | צְבִיָּֽה (tseviya) = een gazelle Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֳפָרִים (ofarim), ‘jonge herten’: de jongen van het hert. Dit vers komt overeen met Hoogl. 4:5; zie ook Hoogl. 8:14. Zie ook: Hoogl 4:5; Hoogl 6:6; Hoogl 8:14 **7:5** Je hals is als een toren van ivoor. Je ogen zijn vijvers in Chesbon, bij de poort van Bat-Rabbim. Je neus is als de toren van de Libanon, die uitkijkt naar Damascus. Brontekst: צַוָּארֵ֖ךְ (tsavarekh) = je hals | כְּמִגְדַּ֣ל (kemigdal) = als een toren van | הַשֵּׁ֑ן (hashen) = het ivoor | עֵינַ֜יִךְ (einayikh) = je ogen | בְּרֵכ֣וֹת (berekhot) = vijvers | בְּחֶשְׁבּ֗וֹן (becheshbon) = in Chesbon | עַל (al) = bij | שַׁ֨עַר֙ (shaar) = de poort van | בַּת (bat) = Bat | רַבִּ֔ים (rabim) = Rabbim | אַפֵּךְ֙ (apekh) = je neus | כְּמִגְדַּ֣ל (kemigdal) = als de toren van | הַלְּבָנ֔וֹן (halevanon) = de Libanon | צוֹפֶ֖ה (tsofe) = die uitkijkt | פְּנֵ֥י (penei) = naar | דַמָּֽשֶׂק (damaseq) = Damascus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chesbon is het huidige Tel Hesban in Jordanië (Num. 21:25–26). Bat-Rabbim is een poort van die stad; de ligging is onzeker. Damascus is de hoofdstad van het huidige Syrië. De Libanon is het gebergte in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: שֵׁן (shen), ‘tand’, hier ‘ivoor’. Zie ook Hoogl. 5:14. Voetnoot : בַּת רַבִּים (bat rabbim), ‘dochter van velen’: een naam of een bijnaam van de poort; de betekenis is onzeker. Voetnoot : אַפֵּךְ (appekh), ‘je neus’: het woord betekent ook ‘gezicht’. Wij vertalen letterlijk. Voetnoot : צוֹפֶה פְּנֵי דַמֶּשֶׂק (tsofeh penei dammesek), ‘die uitkijkt naar Damascus’: letterlijk ‘die het gezicht van Damascus bekijkt’. Zie ook: Num 21:25–26; Ps 144:12; Hoogl 4:4; Hoogl 4:8–9; Hoogl 5:14–15; 1 Kon 9:19 **7:6** Je hoofd boven je is als de Karmel, en de lokken van je hoofd zijn als purper. Een koning is gebonden in de goten. Brontekst: רֹאשֵׁ֤ךְ (roshekh) = je hoofd | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = boven je | כַּכַּרְמֶ֔ל (kakarmel) = als de Karmel | וְדַלַּ֥ת (vedalat) = en de lokken van | רֹאשֵׁ֖ךְ (roshekh) = je hoofd | כָּאַרְגָּמָ֑ן (kaargaman) = als purper | מֶ֖לֶךְ (melekh) = een koning | אָס֥וּר (asur) = gebonden | בָּרְהָטִֽים (barehatim) = in de goten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa. Voetnoot Uitleg: דַּלַּת (dallat), ‘lokken’: het woord betekent ‘afhangende draden’ (vgl. Jes. 38:12); hier wordt gedacht aan lang haar. Voetnoot : אַרְגָּמָן (argaman), ‘purper’: de kleur van de dure rode of paarse verf. Voetnoot : רְהָטִים (rehatim), ‘goten’: het woord betekent ‘bakken of goten’ waaruit dieren drinken (Gen. 30:38, 41). Het kan ook ‘lokken’ of ‘vlechten’ betekenen: een koning gebonden in de lokken. De betekenis is onzeker. Zie ook: Gen 30:38; Gen 32:26; Hoogl 1:17; Hoogl 4:1; Jes 35:2; Jes 38:12; Openb 1:14 **7:7** Hoe mooi ben je en hoe lieflijk, liefde, in de geneugten! Brontekst: מַה (ma) = hoe | יָּפִית֙ (yafit) = mooi ben je | וּמַה (uma) = en hoe | נָּעַ֔מְתְּ (naamt) = lieflijk | אַהֲבָ֖ה (ahava) = liefde | בַּתַּֽעֲנוּגִֽים (bataanugim) = in de geneugten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַהֲבָה בַּתַּעֲנוּגִים (ahavah bata’anugim), ‘liefde, in de geneugten’: het is onzeker of ‘liefde’ hier een aanspreking is (‘o liefde’) of bij het volgende hoort (‘liefde met geneugten’). Wij laten beide open. Zie ook: Ps 45:12; Hoogl 1:15–16; Hoogl 2:14; Hoogl 4:7; Hoogl 4:10 **7:8** Deze gestalte van je lijkt op een palm, en je borsten op trossen. Brontekst: זֹ֤את (zot) = deze | קֽוֹמָתֵךְ֙ (qomatekh) = je gestalte | דָּֽמְתָ֣ה (dameta) = lijkt | לְתָמָ֔ר (letamar) = op een palm | וְשָׁדַ֖יִךְ (veshadayikh) = en je borsten | לְאַשְׁכֹּלֽוֹת (leashkolot) = op trossen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 92:13; Hoogl 1:13; Hoogl 4:5; Ef 3:17; Ef 4:13 **7:9** Ik zei: „Ik zal in de palm klimmen, ik zal zijn takken vastgrijpen.” Mogen je borsten toch als trossen van de wijnstok zijn, en de geur van je neus als appels. Brontekst: אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = ik zei | אֶעֱלֶ֣ה (eele) = ik zal klimmen | בְתָמָ֔ר (betamar) = in de palm | אֹֽחֲזָ֖ה (ochaza) = ik zal grijpen | בְּסַנְסִנָּ֑יו (besansinav) = zijn takken | וְיִֽהְיוּ (veyihyu) = en mogen zijn | נָ֤א (na) = toch | שָׁדַ֨יִךְ֙ (shadayikh) = je borsten | כְּאֶשְׁכְּל֣וֹת (keeshkelot) = als trossen van | הַגֶּ֔פֶן (hagefen) = de wijnstok | וְרֵ֥יחַ (vereiach) = en de geur van | אַפֵּ֖ךְ (apekh) = je neus | כַּתַּפּוּחִֽים (katapuchim) = als appels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַנְסִנָּיו (sansinnav), ‘zijn takken’: het woord komt alleen hier voor. Voetnoot : תַּפּוּחִים (tappuchim), ‘appels’: de vrucht is niet met zekerheid vast te stellen; ook abrikoos of kweepeer is mogelijk. Zie ook Hoogl. 2:3. Zie ook: Hoogl 1:3; Hoogl 2:3; Hoogl 4:16–5:1; Jer 32:41; Joh 14:21–23; 2 Kor 2:14 **7:10** En je gehemelte is als de beste wijn, die recht naar mijn geliefde vloeit en de lippen van slapenden laat spreken. Brontekst: וְחִכֵּ֕ךְ (vechikekh) = en je gehemelte | כְּיֵ֥ין (keyein) = als wijn | הַטּ֛וֹב (hatov) = de beste | הוֹלֵ֥ךְ (holekh) = die vloeit | לְדוֹדִ֖י (ledodi) = naar mijn geliefde | לְמֵישָׁרִ֑ים (lemeisharim) = recht | דּוֹבֵ֖ב (dovev) = die laat spreken | שִׂפְתֵ֥י (siftei) = de lippen van | יְשֵׁנִֽים (yeshenim) = slapenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִכֵּךְ (chikkekh), ‘je gehemelte’: ook ‘je mond’ of ‘je kus’. Voetnoot : De woorden ‘die recht naar mijn geliefde vloeit’ worden meestal gelezen als een onderbreking door de bruid. De kop ‘De bruid’ staat daarom bij vers 11. Voetnoot : דּוֹבֵב (dovev), ‘laat spreken’: het woord komt alleen hier voor. Het kan ook ‘laat glijden’ of ‘laat mompelen’ betekenen. Sommige oude vertalingen hebben ‘de lippen en tanden’ in plaats van ‘de lippen van slapenden’. Zie ook: Hoogl 2:14; Hoogl 5:2; Hoogl 5:16; Hoogl 7:11; Zach 9:15–17; Kol 3:16–17 ### De bruid **7:11** Ik ben van mijn geliefde, en naar mij gaat zijn verlangen uit. Brontekst: אֲנִ֣י (ani) = ik | לְדוֹדִ֔י (ledodi) = ben van mijn geliefde | וְעָלַ֖י (vealay) = en naar mij | תְּשׁוּקָתֽוֹ (teshuqato) = gaat zijn verlangen uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּשׁוּקָה (teshuqah), ‘verlangen’: hetzelfde woord als in Gen. 3:16 en Gen. 4:7. Zie ook: Gen 3:16; Gen 4:7; Ps 45:12; Hoogl 2:16; Hoogl 6:3; Joh 17:24; Gal 2:20 **7:12** Kom, mijn geliefde, laten wij naar het veld gaan; laten wij overnachten in de dorpen. Brontekst: לְכָ֤ה (lekha) = kom | דוֹדִי֙ (dodi) = mijn geliefde | נֵצֵ֣א (netse) = laten wij uitgaan | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = naar het veld | נָלִ֖ינָה (nalina) = laten wij overnachten | בַּכְּפָרִֽים (bakefarim) = in de dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּכְּפָרִים (bakkefarim), ‘in de dorpen’: ook te lezen als ‘tussen de hennastruiken’ (vergelijk Hoogl. 1:14). Het Hebreeuws schrijft dezelfde letters. Zie ook: Hoogl 1:4; Hoogl 1:14; Hoogl 2:10–13; Hoogl 4:8 **7:13** Laten wij vroeg opstaan en naar de wijngaarden gaan. Laten wij zien of de wijnstok gebloeid heeft, de bloesem zich geopend heeft en de granaatappels in bloei staan. Daar geef ik je mijn liefde. Brontekst: נַשְׁכִּ֨ימָה֙ (nashkima) = laten wij vroeg opstaan | לַכְּרָמִ֔ים (lakeramim) = naar de wijngaarden | נִרְאֶ֞ה (nire) = laten wij zien | אִם (im) = of | פָּֽרְחָ֤ה (parecha) = gebloeid heeft | הַגֶּ֨פֶן֙ (hagefen) = de wijnstok | פִּתַּ֣ח (pitach) = geopend heeft | הַסְּמָדַ֔ר (hasemadar) = de bloesem | הֵנֵ֖צוּ (henetsu) = in bloei staan | הָרִמּוֹנִ֑ים (harimonim) = de granaatappels | שָׁ֛ם (sham) = daar | אֶתֵּ֥ן (eten) = geef ik | אֶת (et) = mijn | דֹּדַ֖י (doday) = liefde | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּדַי (dodai), ‘mijn liefde’: de meervoudsvorm van dod; wij vertalen zoals in 1:2 en 4:10 met ‘liefde’. Het kan ook ‘mijn liefkozingen’ betekenen. Voetnoot : הַסְּמָדַר (hasemadar), ‘de bloesem’: de eerste kleine druiven of bloemen van de wijnstok. Zie ook Hoogl. 2:13. Zie ook: Hoogl 2:13; Hoogl 6:11; Hoogl 7:7; 1 Tess 3:5–6; 2 Kor 13:5; Ef 6:24 **7:14** De dudaïm geven hun geur, en bij onze deuren is allerlei kostelijke vrucht, nieuwe en ook oude. Mijn geliefde, ik heb ze voor je bewaard. Brontekst: הַֽדּוּדָאִ֣ים (hadudaim) = de dudaïm | נָֽתְנוּ (natenu) = geven | רֵ֗יחַ (reiach) = geur | וְעַל (veal) = en bij | פְּתָחֵ֨ינוּ֙ (petacheinu) = onze deuren | כָּל (kal) = allerlei | מְגָדִ֔ים (megadim) = kostelijke vruchten | חֲדָשִׁ֖ים (chadashim) = nieuwe | גַּם (gam) = ook | יְשָׁנִ֑ים (yeshanim) = oude | דּוֹדִ֖י (dodi) = mijn geliefde | צָפַ֥נְתִּי (tsafanti) = ik heb bewaard | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דּוּדָאִים (duda’im), ‘dudaïm’: een plant met een sterke geur en vruchten, vaak gezien als de alruin. Zie ook Gen. 30:14–16. Voetnoot : מְגָדִים (megadim), ‘kostelijke vruchten’: het woord betekent ook ‘heerlijkheden’. Zie ook Hoogl. 4:13. Zie ook: Gen 30:14; Hoogl 4:13; Mat 13:52; Joh 15:8; Gal 5:22–23; Kol 3:17 ## Hooglied 8 _Sterk als de dood is de liefde_ ### De bruid **8:1** Wie geeft mij jou als een broer, die de borsten van mijn moeder gezogen heeft? Ik zou je buiten vinden en je kussen, en ook zou niemand mij verachten. Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | יִתֶּנְךָ֙ (yitenkha) = geeft jou | כְּאָ֣ח (keach) = als een broer | לִ֔י (li) = voor mij | יוֹנֵ֖ק (yoneq) = die zoog | שְׁדֵ֣י (shedei) = de borsten van | אִמִּ֑י (imi) = mijn moeder | אֶֽמְצָאֲךָ֤ (emtsaakha) = ik zou je vinden | בַחוּץ֙ (bachuts) = buiten | אֶשָׁ֣קְךָ֔ (eshaqekha) = ik zou je kussen | גַּ֖ם (gam) = ook | לֹא (lo) = niet | יָב֥וּזוּ (yavuzu) = zouden verachten | לִֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De bruid spreekt een wens uit. Een broer mag men in het openbaar kussen; bij een geliefde is dat niet vanzelfsprekend. Voetnoot : יוֹנֵק (yoneq), ‘die gezogen heeft’: een kind aan de borst van dezelfde moeder. Voetnoot : יָבוּזוּ (yavuzu), ‘zij zouden verachten’: het Hebreeuws heeft een onbepaald ‘zij’; wij vertalen ‘niemand’. Zie ook: Ps 45:11–12; Jes 7:14; Zach 9:9; Luc 2:38; Gal 4:26 **8:2** Ik zou je leiden en je brengen naar het huis van mijn moeder; jij zou mij onderwijzen. Ik zou je laten drinken van gekruide wijn, van het sap van mijn granaatappel. Brontekst: אֶנְהָֽגֲךָ֗ (enhagakha) = ik zou je leiden | אֲבִֽיאֲךָ֛ (aviakha) = ik zou je brengen | אֶל (el) = naar | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אִמִּ֖י (imi) = mijn moeder | תְּלַמְּדֵ֑נִי (telamedeni) = jij zou mij onderwijzen | אַשְׁקְךָ֙ (ashqekha) = ik zou je laten drinken | מִיַּ֣יִן (miyayin) = van wijn | הָרֶ֔קַח (hareqach) = de gekruide | מֵעֲסִ֖יס (measis) = van het sap van | רִמֹּנִֽי (rimoni) = mijn granaatappel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֶקַח (haraqach), ‘gekruide’: wijn met specerijen. Zie ook Hoogl. 5:1. Voetnoot : רִמֹּנִי (rimmoni), ‘mijn granaatappel’: het sap is het sap van de granaatappel. Voetnoot Lezing: תְּלַמְּדֵנִי (telammedeni), ‘jij zou mij onderwijzen’: zo staat het in de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen hebben ‘in het huis van haar die mij baarde’; wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Hoogl 3:4; Hoogl 4:10–5:1; Hoogl 5:1; Hoogl 7:10; Hoogl 7:13; Gal 4:26 **8:3** Zijn linkerhand is onder mijn hoofd en zijn rechterhand omhelst mij. Brontekst: שְׂמֹאלוֹ֙ (semolo) = zijn linker | תַּ֣חַת (tachat) = onder | רֹאשִׁ֔י (roshi) = mijn hoofd | וִֽימִינ֖וֹ (vimino) = en zijn rechter | תְּחַבְּקֵֽנִי (techabeqeni) = omhelst mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is gelijk aan Hoogl. 2:6. Het woord ‘hand’ staat er niet; wij vullen het aan, zoals daar. Zie ook: Deut 33:27; Hoogl 2:6; Jes 62:4–5; 2 Kor 12:9 **8:4** Ik laat jullie zweren, dochters van Jeruzalem: waarom zouden jullie de liefde opwekken en wakker maken, totdat zij het wil? Brontekst: הִשְׁבַּ֥עְתִּי (hishbati) = ik laat zweren | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | מַה (ma) = waarom | תָּעִ֧ירוּ (tairu) = zouden jullie opwekken | וּֽמַה (uma) = en waarom | תְּעֹֽרְר֛וּ (teoreru) = zouden jullie wakker maken | אֶת (et) = (obj.) | הָאַהֲבָ֖ה (haahava) = de liefde | עַ֥ד (ad) = totdat | שֶׁתֶּחְפָּֽץ (shetechpats) = zij het wil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: In Hoogl. 2:7 en 3:5 staat een eed ‘bij de gazellen of bij de hinden van het veld’. Hier ontbreekt die eed en staat het woord מַה (mah), ‘wat, waarom’. Wij vertalen de vraag zoals ze er staat. De betekenis is dat de liefde niet gewekt mag worden voordat zij zelf wil. Ook wordt wel gelezen: ‘dat jullie de liefde niet wekken’. Zie ook: Hoogl 2:7; Hoogl 3:5 ### Het koor van de dochters van Jeruzalem en de bruid **8:5** Wie is zij die uit de woestijn omhoogkomt, leunend op haar geliefde? Onder de appelboom wekte ik je. Daar kreeg je moeder weeën om jou; daar kreeg zij die jou baarde weeën. Brontekst: מִ֣י (mi) = wie | זֹ֗את (zot) = is zij | עֹלָה֙ (ola) = die omhoogkomt | מִן (min) = uit | הַמִּדְבָּ֔ר (hamidbar) = de woestijn | מִתְרַפֶּ֖קֶת (mitrapeqet) = leunend | עַל (al) = op | דּוֹדָ֑הּ (dodah) = haar geliefde | תַּ֤חַת (tachat) = onder | הַתַּפּ֨וּחַ֙ (hatapuach) = de appelboom | עֽוֹרַרְתִּ֔יךָ (orartikha) = wekte ik je | שָׁ֚מָּה (shama) = daar | חִבְּלַ֣תְךָ (chibelatkha) = kreeg weeën om jou | אִמֶּ֔ךָ (imekha) = je moeder | שָׁ֖מָּה (shama) = daar | חִבְּלָ֥ה (chibela) = kreeg weeën | יְלָדַֽתְךָ (yeladatkha) = die jou baarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De sprekers zijn niet aangegeven. De eerste zin is van het koor (vergelijk Hoogl. 3:6). Vanaf ‘Onder de appelboom’ spreekt de bruid, die haar geliefde (mannelijk, ‘je’) aanspreekt. Dit is een leeshulp. Voetnoot : מִתְרַפֶּקֶת (mitrappeqet), ‘leunend’: het woord komt alleen hier voor. Voetnoot : חִבְּלַתְךָ (chibbelatkha), ‘kreeg weeën om jou’: het werkwoord is verwant aan het woord voor ‘weeën’ of ‘touw’. De betekenis ‘in barensnood zijn’ past bij het tweede deel van het vers; ook ‘ontvangen’ is voorgesteld. De betekenis is onzeker. Voetnoot : תַּפּוּחַ (tappuach), ‘appelboom’: zie ook Hoogl. 2:3. Zie ook: Ps 63:9; Hoogl 2:3; Hoogl 3:6; Jes 40:3; Mi 3:11 **8:6** Zet mij als een zegel op je hart, als een zegel op je arm. Want de liefde is sterk als de dood, de naijver is hard als Sjeol. Haar vonken zijn vonken van vuur, een vlam van Jah. Brontekst: שִׂימֵ֨נִי (simeni) = zet mij | כַֽחוֹתָ֜ם (kachotam) = als een zegel | עַל (al) = op | לִבֶּ֗ךָ (libekha) = je hart | כַּֽחוֹתָם֙ (kachotam) = als een zegel | עַל (al) = op | זְרוֹעֶ֔ךָ (zeroekha) = je arm | כִּֽי (ki) = want | עַזָּ֤ה (aza) = sterk | כַמָּ֨וֶת֙ (kamavet) = als de dood | אַהֲבָ֔ה (ahava) = de liefde | קָשָׁ֥ה (qasha) = hard | כִשְׁא֖וֹל (kishol) = als Sjeol | קִנְאָ֑ה (qina) = de naijver | רְשָׁפֶ֕יהָ (reshafeiha) = haar vonken | רִשְׁפֵּ֕י (rishpei) = vonken van | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | שַׁלְהֶ֥בֶתְ (shalhevet) = een vlam van | יָֽה (ya) = Jah Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוֹתָם (chotam), ‘zegel’: een steen of ring met een afdruk, gebruikt als handtekening. Een zegel was kostbaar en werd op de borst of aan de arm gedragen. Zie ook Gen. 38:18. Voetnoot : קִנְאָה (qin’ah), ‘naijver’: een brandende, onverdeelde toewijding; het woord wordt ook voor Elohims ijver gebruikt. Het wordt vaak met ‘jaloezie’ of ‘hartstocht’ weergegeven. Voetnoot : שְׁאוֹל (she’ol), ‘Sjeol’: het rijk van de doden. Voetnoot : רְשָׁפֶיהָ (reshafeha), ‘haar vonken’: het woord betekent ook ‘pijlen van vuur’ of ‘vlammen’. Zie ook Ps. 76:4 en Ps. 78:48. Voetnoot : שַׁלְהֶבֶתְיָה (shalhevetyah), ‘een vlam van Jah’: Jah is de korte vorm van Yahweh. De woorden kunnen ook als versterking worden gelezen: ‘een geweldige vlam’. Wij laten ‘Jah’ staan. Zie ook: Gen 38:18; Ps 76:4; Ps 78:48; Jes 49:16; Hag 2:23; Joh 21:15–19; Fil 1:20–23; Openb 12:11 **8:7** Veel water kan de liefde niet blussen, en rivieren spoelen haar niet weg. Als een man al het bezit van zijn huis voor de liefde zou geven, men zou hem zeker verachten. Brontekst: מַ֣יִם (mayim) = wateren | רַבִּ֗ים (rabim) = veel | לֹ֤א (lo) = niet | יֽוּכְלוּ֙ (yukhelu) = kunnen | לְכַבּ֣וֹת (lekhabot) = blussen | אֶת (et) = (obj.) | הָֽאַהֲבָ֔ה (haahava) = de liefde | וּנְהָר֖וֹת (uneharot) = en rivieren | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁטְפ֑וּהָ (yishtefuha) = spoelen haar weg | אִם (im) = als | יִתֵּ֨ן (yiten) = geeft | אִ֜ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | ה֤וֹן (hon) = het bezit van | בֵּיתוֹ֙ (beito) = zijn huis | בָּאַהֲבָ֔ה (baahava) = voor de liefde | בּ֖וֹז (boz) = verachten | יָב֥וּזוּ (yavuzu) = zij zouden verachten | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בּוֹז יָבוּזוּ לוֹ (boz yavuzu lo), ‘men zou hem zeker verachten’: het werkwoord wordt versterkt door de herhaling. Het kan ook betekenen: ‘het zou alleen maar verachting opleveren’. Zie ook: Spr 6:31; Spr 6:35; Jes 43:2; Mat 7:24–25; Rom 13:8–10 ### Over de kleine zuster **8:8** Wij hebben een kleine zuster, en zij heeft nog geen borsten. Wat zullen wij doen met onze zuster op de dag dat er over haar gesproken wordt? Brontekst: אָח֥וֹת (achot) = een zuster | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | קְטַנָּ֔ה (qetana) = klein | וְשָׁדַ֖יִם (veshadayim) = en borsten | אֵ֣ין (ein) = niet | לָ֑הּ (lah) = heeft zij | מַֽה (ma) = wat | נַּעֲשֶׂה֙ (naase) = zullen wij doen | לַאֲחֹתֵ֔נוּ (laachotenu) = met onze zuster | בַּיּ֖וֹם (bayom) = op de dag dat | שֶׁיְּדֻבַּר (sheyedubar) = er gesproken wordt | בָּֽהּ (bah) = over haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De sprekers zijn niet aangegeven. Meestal worden de broers van de bruid gedacht (vergelijk Hoogl. 1:6); die kop is niet in de tekst genoemd. Daarom staat er een neutrale kop. Voetnoot : שֶׁיְּדֻבַּר בָּהּ (sheyedubbar bah), ‘dat er over haar gesproken wordt’: ook ‘dat er om haar gevraagd wordt’, dat wil zeggen: dat zij ten huwelijk wordt gevraagd. Zie ook: Ps 2:8; Hoogl 1:6; Ezech 16:55–56; Ezech 16:61; Hand 22:21; 1 Petr 2:12 **8:9** Als zij een muur is, bouwen wij op haar een zilveren kantelenrij. Als zij een deur is, sluiten wij haar in met een plank van ceder. Brontekst: אִם (im) = als | חוֹמָ֣ה (choma) = een muur | הִ֔יא (hi) = zij is | נִבְנֶ֥ה (nivne) = bouwen wij | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = op haar | טִ֣ירַת (tirat) = een kantelenrij van | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וְאִם (veim) = en als | דֶּ֣לֶת (delet) = een deur | הִ֔יא (hi) = zij is | נָצ֥וּר (natsur) = sluiten wij in | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = om haar | ל֥וּחַ (luach) = een plank van | אָֽרֶז (arez) = ceder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טִירַת כָּסֶף (tirat kesef), ‘een zilveren kantelenrij’: een tirah is een omheining of burcht van stenen. Zie ook Num. 31:10. Het beeld is een versiering of beveiliging in zilver. Voetnoot : נָצוּר (natsur), ‘wij sluiten in’: letterlijk ‘wij bewaken, wij omsluiten’. Zie ook: Num 31:10; 1 Kon 6:15; Jes 60:17; Zach 6:12–15; 1 Kor 3:10–12; Openb 21:12–19 ### De bruid **8:10** Ik ben een muur, en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in zijn ogen als een die vrede vindt. Brontekst: אֲנִ֣י (ani) = ik | חוֹמָ֔ה (choma) = een muur | וְשָׁדַ֖י (veshaday) = en mijn borsten | כַּמִּגְדָּל֑וֹת (kamigdalot) = als torens | אָ֛ז (az) = toen | הָיִ֥יתִי (hayiti) = was ik | בְעֵינָ֖יו (beeinav) = in zijn ogen | כְּמוֹצְאֵ֥ת (kemotseet) = als een die vindt | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit wordt vaak gelezen als antwoord van de bruid op vers 8–9. Voetnoot : שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: ook ‘welzijn, heelheid’. Het kan ook gelezen worden als ‘een die zich overgeeft’; de betekenis is onzeker. Zie ook: Hoogl 8:8–9; Spr 3:4; Jes 60:10; Ezech 16:7; Luc 1:30; Ef 1:6 **8:11** Salomo had een wijngaard in Baäl-Hamon. Hij gaf de wijngaard aan de bewakers. Ieder zou voor zijn vrucht duizend zilverstukken brengen. Brontekst: כֶּ֣רֶם (kerem) = een wijngaard | הָיָ֤ה (haya) = was | לִשְׁלֹמֹה֙ (lishlomo) = voor Salomo | בְּבַ֣עַל (bevaal) = in Baäl | הָמ֔וֹן (hamon) = Hamon | נָתַ֥ן (natan) = hij gaf | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֖רֶם (hakerem) = de wijngaard | לַנֹּטְרִ֑ים (lanoterim) = aan de bewakers | אִ֛ישׁ (ish) = ieder | יָבִ֥א (yavi) = zou brengen | בְּפִרְי֖וֹ (befiryo) = voor zijn vrucht | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | כָּֽסֶף (kasef) = zilverstukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baäl-Hamon is een plaatsnaam die nergens anders in de Bijbel voorkomt. De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: אֶלֶף כָּסֶף (elef kesef), ‘duizend zilver’: waarschijnlijk duizend sikkels, ongeveer 11 kilogram (een sikkel is ongeveer 11,4 gram). Het Hebreeuws noemt geen munt; wij vertalen ‘zilverstukken’. Voetnoot : נֹטְרִים (notrim), ‘bewakers’: wachters of verzorgers van de wijngaard; zie Hoogl. 1:6. Zie ook: Hoogl 1:6; Pred 2:4; Jes 5:1–7; Jes 7:23; Mar 12:1 **8:12** Mijn wijngaard, de mijne, staat voor mij. De duizend zijn voor jou, Salomo, en tweehonderd voor de bewakers van zijn vrucht. Brontekst: כָּרְמִ֥י (karemi) = mijn wijngaard | שֶׁלִּ֖י (sheli) = de mijne | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor mij | הָאֶ֤לֶף (haelef) = de duizend | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | שְׁלֹמֹ֔ה (shelomo) = Salomo | וּמָאתַ֖יִם (umatayim) = en tweehonderd | לְנֹטְרִ֥ים (lenoterim) = voor de bewakers | אֶת (et) = (obj.) | פִּרְיֽוֹ (piryo) = zijn vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּרְמִי שֶׁלִּי (karmi shelli), ‘mijn wijngaard, de mijne’: de wijngaard wordt hier vaak gelezen als beeld voor de bruid zelf (vergelijk Hoogl. 1:6). Zie ook: Ps 72:17–19; Hoogl 1:6; Spr 4:23; Hand 20:28; 1 Tim 5:17–18 ### De bruidegom **8:13** Jij die in de tuinen woont, metgezellen luisteren naar je stem. Laat het mij horen. Brontekst: הַיוֹשֶׁ֣בֶת (hayoshevet) = jij die woont | בַּגַּנִּ֗ים (baganim) = in de tuinen | חֲבֵרִ֛ים (chaverim) = metgezellen | מַקְשִׁיבִ֥ים (maqshivim) = luisteren | לְקוֹלֵ֖ךְ (leqolekh) = naar je stem | הַשְׁמִיעִֽינִי (hashmiini) = laat het mij horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De bruidegom spreekt de bruid aan (vrouwelijke vorm). De woorden ‘in de tuinen’ zijn een beeld voor haar plek van rust. Zie ook Hoogl. 4:12–15. Zie ook: Ps 45:15; Hoogl 1:7; Hoogl 4:12–15; Hoogl 4:16; Hoogl 6:2; Mat 18:20 ### De bruid **8:14** Ren weg, mijn geliefde, en wees gelijk aan een gazelle of aan een hertenjong op de bergen van specerijen. Brontekst: בְּרַ֣ח (berach) = ren weg | דּוֹדִ֗י (dodi) = mijn geliefde | וּֽדְמֵה (udeme) = en wees gelijk | לְךָ֤ (lekha) = voor jou | לִצְבִי֙ (litsvi) = aan een gazelle | א֚וֹ (o) = of | לְעֹ֣פֶר (leofer) = aan een jong van | הָֽאַיָּלִ֔ים (haayalim) = de herten | עַ֖ל (al) = op | הָרֵ֥י (harei) = de bergen van | בְשָׂמִֽים (besamim) = specerijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרַח (berach), ‘ren weg’: ook ‘vlucht’ of ‘haast je’. De bruid roept haar geliefde. De tweede helft van het vers is gelijk aan Hoogl. 2:17. Voetnoot : בְשָׂמִים (besamim), ‘specerijen’: zie ook Hoogl. 4:14. Zie ook: Hoogl 2:9; Hoogl 2:17; Hoogl 4:6; Hoogl 4:14; Openb 22:17; Openb 22:20