# Ruth (רות, Rut) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Ruth 1 _Naomi keert terug uit Moab, met Ruth_ ### Hongersnood en verlies in Moab **1:1** Het was in de dagen dat de rechters rechtspraken. Er kwam een hongersnood in het land. Een man uit Betlehem in Juda ging in de velden van Moab wonen, als vreemdeling: hij, zijn vrouw en zijn twee zonen. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בִּימֵי֙ (bimei) = in de dagen van | שְׁפֹ֣ט (shefot) = rechtspreken | הַשֹּׁפְטִ֔ים (hashofetim) = de rechters | וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | רָעָ֖ב (raav) = hongersnood | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en ging | אִ֜ישׁ (ish) = een man | מִבֵּ֧ית (mibeit) = uit huis van | לֶ֣חֶם (lechem) = brood | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | לָגוּר֙ (lagur) = om als vreemdeling te wonen | בִּשְׂדֵ֣י (bisdei) = in de velden van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | ה֥וּא (hu) = hij | וְאִשְׁתּ֖וֹ (veishto) = en zijn vrouw | וּשְׁנֵ֥י (ushenei) = en twee van | בָנָֽיו (banav) = zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem in Juda ligt ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, in het huidige Palestijnse gebied (Westelijke Jordaanoever); zie ook Richt. 17:7. Moab ligt ten oosten van de Zoutzee (Dode Zee), in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: שָׁפַט (shafat), ‘rechtspreken’: de leiders uit het boek Richteren, die het volk redden en bestuurden. Het verhaal speelt dus in de tijd van de rechters, voordat Israël een koning had (Richt. 2:16–19; 21:25). Voetnoot : גּוּר (gur), ‘als vreemdeling wonen’: wonen in een land waar je geen eigen bezit of recht hebt. Zie ook Lev. 19:34 en Richt. 17:7. Zie ook: Gen 12:10; Gen 26:1; Lev 19:34; Lev 26:19; Deut 28:38; Re 2:16–19; Re 17:7; Re 21:25; Ezech 14:13 **1:2** De man heette Elimelech, zijn vrouw Naomi en zijn twee zonen Machlon en Kiljon. Zij waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Zij kwamen in de velden van Moab en bleven daar. Brontekst: וְשֵׁ֣ם (veshem) = en de naam van | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | אֱֽלִימֶ֡לֶךְ (elimelekh) = Elimelech | וְשֵׁם֩ (veshem) = en de naam van | אִשְׁתּ֨וֹ (ishto) = zijn vrouw | נָעֳמִ֜י (naomi) = Naomi | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | שְׁנֵֽי (shenei) = twee van | בָנָ֣יו (banav) = zijn zonen | מַחְל֤וֹן (machlon) = Machlon | וְכִלְיוֹן֙ (vekhilyon) = en Kiljon | אֶפְרָתִ֔ים (efratim) = Efratieten | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit huis van | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en zij kwamen | שְׂדֵי (sedei) = de velden van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | וַיִּֽהְיוּ (vayihyu) = en zij bleven | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: אֱלִימֶלֶךְ (Elimelech) betekent ‘mijn Elohim is koning’. נָעֳמִי (Naomi) betekent ‘mijn lieflijke’ of ‘mijn aangename’ (vergelijk vers 20). מַחְלוֹן (Machlon) en כִּלְיוֹן (Kiljon) klinken als ‘ziekte’ en ‘uitputting’; zij komen ook zo voor in 4:9. Voetnoot : אֶפְרָתִים (Efratim), ‘Efratieten’: mensen uit Efrata, de oude naam van de streek rond Betlehem (Gen. 35:19; 48:7; Micha 5:1). Zie ook: Gen 35:19; Gen 48:7; Ruth 1:20; 1 Sam 1:1; 1 Sam 17:21; Mi 5:1 **1:3** Elimelech, de man van Naomi, stierf. Zij bleef achter met haar twee zonen. Brontekst: וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | אֱלִימֶ֖לֶךְ (elimelekh) = Elimelech | אִ֣ישׁ (ish) = man van | נָעֳמִ֑י (naomi) = Naomi | וַתִּשָּׁאֵ֥ר (vatishaer) = en bleef over | הִ֖יא (hi) = zij | וּשְׁנֵ֥י (ushenei) = en twee van | בָנֶֽיהָ (baneiha) = haar zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 34:20; 2 Kon 4:1; Heb 12:6; Heb 12:10–11 **1:4** Zij namen Moabitische vrouwen tot vrouw. De ene heette Orpa en de tweede Ruth. Zij woonden daar ongeveer 10 jaar. Brontekst: וַיִּשְׂא֣וּ (vayisu) = en zij namen | לָהֶ֗ם (lahem) = voor zich | נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | מֹֽאֲבִיּ֔וֹת (moaviyot) = Moabitische | שֵׁ֤ם (shem) = de naam van | הָֽאַחַת֙ (haachat) = de ene | עָרְפָּ֔ה (arpa) = Orpa | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = de tweede | ר֑וּת (rut) = Ruth | וַיֵּ֥שְׁבוּ (vayeshevu) = en zij woonden | שָׁ֖ם (sham) = daar | כְּעֶ֥שֶׂר (keeser) = ongeveer tien | שָׁנִֽים (shanim) = jaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Moab was de zoon van Lot en zijn oudste dochter (Gen. 19:37). De Moabieten waren familie van Israël, maar de wet sloot hen uit van de vergadering van Yahweh tot in het tiende geslacht (Deut. 23:4). Het verhaal vertelt niet wat de zonen van Elimelech hiervan vonden. Zie ook: Gen 19:37; Deut 7:3; Deut 23:4; 1 Kon 11:1–2; Mat 1:5 **1:5** Ook die twee stierven, Machlon en Kiljon. De vrouw bleef achter zonder haar twee kinderen en zonder haar man. Brontekst: וַיָּמ֥וּתוּ (vayamutu) = en zij stierven | גַם (gam) = ook | שְׁנֵיהֶ֖ם (sheneihem) = beiden | מַחְל֣וֹן (machlon) = Machlon | וְכִלְי֑וֹן (vekhilyon) = en Kiljon | וַתִּשָּׁאֵר֙ (vatishaer) = en bleef over | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | מִשְּׁנֵ֥י (mishenei) = zonder twee van | יְלָדֶ֖יהָ (yeladeiha) = haar kinderen | וּמֵאִישָֽׁהּ (umeishah) = en zonder haar man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:39; Ps 89:31–33; Jes 49:21; Jer 2:19; Luc 7:12 ### Naomi besluit terug te keren **1:6** Zij stond op met haar schoondochters en wilde terugkeren uit de velden van Moab. Want zij had in de velden van Moab gehoord dat Yahweh Zijn volk had bezocht en hun brood had gegeven. Brontekst: וַתָּ֤קָם (vataqam) = en zij stond op | הִיא֙ (hi) = zij | וְכַלֹּתֶ֔יהָ (vekhaloteiha) = en haar schoondochters | וַתָּ֖שָׁב (vatashav) = en keerde terug | מִשְּׂדֵ֣י (misedei) = uit de velden van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | כִּ֤י (ki) = want | שָֽׁמְעָה֙ (shamea) = had gehoord | בִּשְׂדֵ֣ה (bisde) = in de velden van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | כִּֽי (ki) = dat | פָקַ֤ד (paqad) = had bezocht | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד (paqad), ‘bezoeken’: Yahweh komt zorgend of rechtsprekend bij mensen. Zo ook in Exod. 4:31 en Gen. 21:1. Zie ook: Gen 21:1; Ex 3:16; Ex 4:31; Ps 111:5; Ps 132:15; Mat 6:11 **1:7** Zij verliet de plaats waar zij was geweest, en haar twee schoondochters gingen met haar mee. Zij gingen op weg om terug te keren naar het land Juda. Brontekst: וַתֵּצֵ֗א (vatetse) = en zij ging uit | מִן (min) = van | הַמָּקוֹם֙ (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | הָיְתָה (hayeta) = zij was geweest | שָׁ֔מָּה (shama) = daar | וּשְׁתֵּ֥י (ushtei) = en twee van | כַלֹּתֶ֖יהָ (kaloteiha) = haar schoondochters | עִמָּ֑הּ (imah) = met haar | וַתֵּלַ֣כְנָה (vatelakhna) = en zij gingen | בַדֶּ֔רֶךְ (baderekh) = op de weg | לָשׁ֖וּב (lashuv) = om terug te keren | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:27; Ruth 1:10; Ruth 1:14; 2 Kon 8:3 ### Naomi stuurt haar schoondochters weg **1:8** Naomi zei tegen haar twee schoondochters: „Ga, keer terug, ieder naar het huis van haar moeder. Moge Yahweh trouw aan jullie bewijzen, zoals jullie aan de doden en aan mij hebben gedaan. Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | נָעֳמִי֙ (naomi) = Naomi | לִשְׁתֵּ֣י (lishtei) = tegen twee van | כַלֹּתֶ֔יהָ (kaloteiha) = haar schoondochters | לֵ֣כְנָה (lekhena) = ga | שֹּׁ֔בְנָה (shovena) = keer terug | אִשָּׁ֖ה (isha) = ieder | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אִמָּ֑הּ (imah) = haar moeder | יַ֣עַשׂ (yaas) = moge doen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶם֙ (imakhem) = met jullie | חֶ֔סֶד (chesed) = trouw | כַּאֲשֶׁ֧ר (kaasher) = zoals | עֲשִׂיתֶ֛ם (asitem) = jullie hebben gedaan | עִם (im) = met | הַמֵּתִ֖ים (hametim) = de doden | וְעִמָּדִֽי (veimadi) = en met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: trouw en liefde die iemand uit zichzelf bewijst aan wie bij hem hoort. Zie ook 2:20 en 3:10. Voetnoot : בֵּית אֵם (beit em), ‘het huis van haar moeder’: een zeldzame uitdrukking voor het huis van de moeder in plaats van het huis van de vader. Zij wordt ook gebruikt in Gen. 24:28 en Hoogl. 3:4. Zie ook: Gen 24:28; Ruth 1:5; Ruth 2:20; Hoogl 3:4; Ef 6:2–3; Kol 3:18; Kol 3:24 **1:9** Moge Yahweh jullie geven dat jullie rust vinden, ieder in het huis van haar man.” Zij kuste hen. Zij verhieven hun stem en huilden. Brontekst: יִתֵּ֤ן (yiten) = moge geven | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | וּמְצֶ֣אןָ (umetsena) = en vind | מְנוּחָ֔ה (menucha) = rust | אִשָּׁ֖ה (isha) = ieder | בֵּ֣ית (beit) = in het huis van | אִישָׁ֑הּ (ishah) = haar man | וַתִּשַּׁ֣ק (vatishaq) = en zij kuste | לָהֶ֔ן (lahen) = hen | וַתִּשֶּׂ֥אנָה (vatisena) = en zij verhieven | קוֹלָ֖ן (qolan) = hun stem | וַתִּבְכֶּֽינָה (vativkeina) = en zij huilden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְנוּחָה (menuchah), ‘rust’: een veilig thuis bij een man. Naomi bedoelt het huis van een nieuwe echtgenoot. Zie ook: Gen 27:27; Gen 29:11; Gen 45:15; Ruth 3:1; Hand 20:37 **1:10** Zij zeiden tegen haar: „Nee, wij gaan met jou terug naar jouw volk.” Brontekst: וַתֹּאמַ֖רְנָה (vatomarna) = en zij zeiden | לָּ֑הּ (lah) = tot haar | כִּי (ki) = nee | אִתָּ֥ךְ (itakh) = met jou | נָשׁ֖וּב (nashuv) = wij zullen terugkeren | לְעַמֵּֽךְ (leamekh) = naar jouw volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 16:3; Ps 119:63; Zach 8:23 **1:11** Naomi zei: „Keer terug, mijn dochters. Waarom zouden jullie met mij meegaan? Zijn er nog zonen in mijn schoot, die jullie tot man zouden kunnen worden? Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | נָעֳמִי֙ (naomi) = Naomi | שֹׁ֣בְנָה (shovena) = keer terug | בְנֹתַ֔י (benotay) = mijn dochters | לָ֥מָּה (lama) = waarom | תֵלַ֖כְנָה (telakhna) = zouden jullie gaan | עִמִּ֑י (imi) = met mij | הַֽעֽוֹד (haod) = is er nog | לִ֤י (li) = voor mij | בָנִים֙ (banim) = zonen | בְּֽמֵעַ֔י (bemeay) = in mijn schoot | וְהָי֥וּ (vehayu) = dat zij zouden worden | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לַאֲנָשִֽׁים (laanashim) = tot mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 38:11; Deut 25:5 **1:12** Keer terug, mijn dochters, ga. Want ik ben te oud om aan een man toe te behoren. Al zou ik zeggen: ‘Er is hoop voor mij’, ja, al zou ik vannacht aan een man toebehoren en zelfs zonen baren, Brontekst: שֹׁ֤בְנָה (shovena) = keer terug | בְנֹתַי֙ (benotay) = mijn dochters | לֵ֔כְןָ (lekhena) = ga | כִּ֥י (ki) = want | זָקַ֖נְתִּי (zaqanti) = ik ben oud | מִהְי֣וֹת (mihyot) = om te zijn | לְאִ֑ישׁ (leish) = aan een man | כִּ֤י (ki) = want | אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = ik zou zeggen | יֶשׁ (yesh) = er is | לִ֣י (li) = voor mij | תִקְוָ֔ה (tiqva) = hoop | גַּ֣ם (gam) = ook | הָיִ֤יתִי (hayiti) = ik was | הַלַּ֨יְלָה֙ (halayla) = vannacht | לְאִ֔ישׁ (leish) = aan een man | וְגַ֖ם (vegam) = en ook | יָלַ֥דְתִּי (yaladti) = ik baarde | בָנִֽים (banim) = zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Naomi kan geen zonen meer krijgen die met Ruth en Orpa kunnen trouwen. Zij verwijst naar het zwagerhuwelijk (Deut. 25:5–10): een broer van de gestorvene moest de weduwe nemen. Zie ook Gen. 38:8. Zie ook: Gen 17:17; Gen 38:8; Deut 25:5–10; 1 Tim 5:9 **1:13** zouden jullie daarom wachten tot zij groot zijn? Zouden jullie daarom jezelf afsluiten, zodat jullie niet aan een man toebehoren? Nee, mijn dochters. Want het is veel bitterder voor mij dan voor jullie, omdat de hand van Yahweh tegen mij is uitgegaan.” Brontekst: הֲלָהֵ֣ן (halahen) = zouden jullie daarom | תְּשַׂבֵּ֗רְנָה (tesaberena) = wachten | עַ֚ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יִגְדָּ֔לוּ (yigdalu) = zij groot worden | הֲלָהֵן֙ (halahen) = zouden jullie daarom | תֵּֽעָגֵ֔נָה (teagena) = jezelf afsluiten | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = om niet | הֱי֣וֹת (heyot) = te zijn | לְאִ֑ישׁ (leish) = aan een man | אַ֣ל (al) = nee | בְּנֹתַ֗י (benotay) = mijn dochters | כִּֽי (ki) = want | מַר (mar) = bitter | לִ֤י (li) = voor mij | מְאֹד֙ (meod) = zeer | מִכֶּ֔ם (mikem) = meer dan voor jullie | כִּֽי (ki) = want | יָצְאָ֥ה (yatsea) = is uitgegaan | בִ֖י (bi) = tegen mij | יַד (yad) = de hand van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָגַן (agan), ‘afsluiten’, komt alleen hier voor. Wij vertalen ‘jezelf afsluiten’: jezelf opsluiten, zonder man blijven. Voetnoot : יָד יהוה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: Yahweh die ingrijpt, hier tegen Naomi. Zie ook Exod. 9:3. Zie ook: Job 19:21; Ex 9:3; Re 2:15; Ps 32:4; Ps 38:3; Ps 39:10–11 ### Orpa gaat terug, Ruth blijft **1:14** Zij verhieven hun stem en huilden opnieuw. Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth hechtte zich aan haar. Brontekst: וַתִּשֶּׂ֣נָה (vatisena) = en zij verhieven | קוֹלָ֔ן (qolan) = hun stem | וַתִּבְכֶּ֖ינָה (vativkeina) = en zij huilden | ע֑וֹד (od) = opnieuw | וַתִּשַּׁ֤ק (vatishaq) = en kuste | עָרְפָּה֙ (arpa) = Orpa | לַחֲמוֹתָ֔הּ (lachamotah) = haar schoonmoeder | וְר֖וּת (verut) = en Ruth | דָּ֥בְקָה (daveqa) = hechtte zich | בָּֽהּ (bah) = aan haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּבַק (davaq), ‘zich hechten’: vastzitten aan iemand. Hetzelfde woord staat in Gen. 2:24 voor man en vrouw en in Deut. 10:20 voor wie zich aan Yahweh hecht. Zie ook 2:8, 2:21 en 2:23. Zie ook: Gen 2:24; Deut 10:20; Spr 18:24; Mat 10:37; Mat 16:24; Mat 19:22; Joh 6:66–69 **1:15** Naomi zei: „Zie, je schoonzus is teruggekeerd naar haar volk en naar haar goden. Keer terug, achter je schoonzus aan.” Brontekst: וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zei | הִנֵּה֙ (hine) = zie | שָׁ֣בָה (shava) = is teruggekeerd | יְבִמְתֵּ֔ךְ (yevimtekh) = je schoonzus | אֶל (el) = naar | עַמָּ֖הּ (amah) = haar volk | וְאֶל (veel) = en naar | אֱלֹהֶ֑יהָ (eloheiha) = haar goden | שׁ֖וּבִי (shuvi) = keer terug | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | יְבִמְתֵּֽךְ (yevimtekh) = je schoonzus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֶיהָ (elohehah), ‘haar goden’: Orpa keert terug naar de goden van Moab. De hoofdgod van Moab was Kemosj (Num. 21:29; 1 Kon. 11:33). Voetnoot : יְבִמְתֵּךְ (yevimtech), ‘je schoonzus’: de weduwe van de broer van je man. Het woord komt ook voor in Deut. 25:7. Zie ook: Num 21:29; Deut 25:7; Joz 24:15; Re 11:24; Ps 125:5; 1 Kon 11:33; 2 Kon 2:2; Sef 1:6 **1:16** Ruth zei: „Dring niet bij mij aan om je te verlaten en niet meer achter je aan te gaan. Want waarheen jij gaat, ga ik, en waar jij overnacht, overnacht ik. Jouw volk is mijn volk en jouw Elohim is mijn Elohim. Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | רוּת֙ (rut) = Ruth | אַל (al) = niet | תִּפְגְּעִי (tifgei) = dring aan | בִ֔י (bi) = bij mij | לְעָזְבֵ֖ךְ (leazevekh) = om je te verlaten | לָשׁ֣וּב (lashuv) = om terug te keren | מֵאַחֲרָ֑יִךְ (meacharayikh) = van achter je | כִּ֠י (ki) = want | אֶל (el) = naar | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | תֵּלְכִ֜י (telekhi) = jij gaat | אֵלֵ֗ךְ (elekh) = ga ik | וּבַאֲשֶׁ֤ר (uvaasher) = en waar | תָּלִ֨ינִי֙ (talini) = jij overnacht | אָלִ֔ין (alin) = overnacht ik | עַמֵּ֣ךְ (amekh) = met jou | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | וֵאלֹהַ֖יִךְ (velohayikh) = en jouw Elohim | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ruth kiest voor het volk en de Elohim van Naomi. Zij noemt Yahweh hier niet bij naam, maar zegt ‘jouw Elohim’. Voetnoot : אַל תִּפְגְּעִי בִי (al tifge’i vi), ‘dring niet bij mij aan’: letterlijk ‘val mij niet lastig’ of ‘druk mij niet’. Zie ook: Ruth 2:11–12; 2 Sam 15:21; Ps 45:11; 2 Kon 2:2–6; Mat 8:19 **1:17** Waar jij sterft, sterf ik, en daar word ik begraven. Zo moge Yahweh mij doen, en zo moge Hij daaraan toevoegen: alleen de dood zal ons scheiden.” Brontekst: בַּאֲשֶׁ֤ר (baasher) = waar | תָּמ֨וּתִי֙ (tamuti) = jij sterft | אָמ֔וּת (amut) = sterf ik | וְשָׁ֖ם (vesham) = en daar | אֶקָּבֵ֑ר (eqaver) = word ik begraven | כֹּה֩ (ko) = zo | יַעֲשֶׂ֨ה (yaase) = moge doen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לִי֙ (li) = aan mij | וְכֹ֣ה (vekho) = en zo | יֹסִ֔יף (yosif) = moge Hij toevoegen | כִּ֣י (ki) = want | הַמָּ֔וֶת (hamavet) = de dood | יַפְרִ֖יד (yafrid) = zal scheiden | בֵּינִ֥י (beini) = tussen mij | וּבֵינֵֽךְ (uveinekh) = en tussen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin ‘Zo moge Yahweh mij doen, en zo moge Hij daaraan toevoegen’ is een eed. Wie zweert, vraagt Yahweh om straf als hij zijn woord niet houdt. Zie ook 1 Sam. 3:17 en 1 Kon. 2:23. Zie ook: 1 Sam 3:17; 1 Sam 25:22; 2 Sam 19:14; 1 Kon 2:23; 2 Kon 6:31 **1:18** Naomi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan. Zij hield op met tegen haar te praten. Brontekst: וַתֵּ֕רֶא (vatere) = en zij zag | כִּֽי (ki) = dat | מִתְאַמֶּ֥צֶת (mitametset) = vastbesloten | הִ֖יא (hi) = zij | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | אִתָּ֑הּ (itah) = met haar | וַתֶּחְדַּ֖ל (vatechdal) = en zij hield op | לְדַבֵּ֥ר (ledaber) = te spreken | אֵלֶֽיהָ (eleiha) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft alleen ‘zij zag’. Wij noemen de namen Naomi en Ruth, omdat in de Nederlandse zin anders niet te zien is wie wat doet. Zie ook: Hand 2:42; Hand 21:14; Ef 6:10 ### Aankomst in Betlehem **1:19** Zo gingen die twee samen, tot zij in Betlehem aankwamen. Toen zij in Betlehem aankwamen, raakte heel de stad om hen in opschudding. De vrouwen zeiden: „Is dit Naomi?” Brontekst: וַתֵּלַ֣כְנָה (vatelakhna) = en zij gingen | שְׁתֵּיהֶ֔ם (sheteihem) = beiden | עַד (ad) = tot | בֹּאָ֖נָה (boana) = zij aankwamen | בֵּ֣ית (beit) = huis van | לָ֑חֶם (lachem) = brood | וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּבֹאָ֨נָה֙ (kevoana) = toen zij aankwamen | בֵּ֣ית (beit) = huis van | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | וַתֵּהֹ֤ם (vatehom) = en raakte in opschudding | כָּל (kal) = heel | הָעִיר֙ (hair) = de stad | עֲלֵיהֶ֔ן (aleihen) = om hen | וַתֹּאמַ֖רְנָה (vatomarna) = en zij zeiden | הֲזֹ֥את (hazot) = is dit | נָעֳמִֽי (naomi) = Naomi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem ligt ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘zij zeiden’ in de vrouwelijke vorm. Wij schrijven ‘de vrouwen’, omdat het gaat om de vrouwen van de stad. Zie ook: Jes 23:7; Klaagl 2:15; Mat 21:10 **1:20** Zij zei tegen hen: „Noem mij niet Naomi. Noem mij Mara, want Sjaddai heeft het mij zeer bitter gemaakt. Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אֲלֵיהֶ֔ן (aleihen) = tegen hen | אַל (al) = niet | תִּקְרֶ֥אנָה (tiqrena) = noem | לִ֖י (li) = mij | נָעֳמִ֑י (naomi) = Naomi | קְרֶ֤אןָ (qerena) = noem | לִי֙ (li) = mij | מָרָ֔א (mara) = Mara | כִּי (ki) = want | הֵמַ֥ר (hemar) = heeft bitter gemaakt | שַׁדַּ֛י (shaday) = Sjaddai | לִ֖י (li) = voor mij | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mara: Mara (‘bitter’) wordt van oudsher gezocht bij Ain Hawara, aan de oostkust van de Golf van Suez. Dit is een traditionele identificatie. Voetnoot Uitleg: מָרָא (Mara) betekent ‘bitter’; het is een Aramese vorm van het Hebreeuwse מָרָה (marah). Naomi zegt: noem mij naar wat ik heb meegemaakt. Voetnoot : שַׁדַּי (Sjaddai): naam van Elohim, bekend uit Gen. 17:1 en Exod. 6:3. Wij laten de naam staan zoals hij in Exodus staat. Zie ook: Gen 17:1; Job 6:4; Ex 6:3; Ps 73:14; Ps 88:16; Jes 38:13; Heb 12:11 **1:21** Vol ben ik weggegaan, maar leeg heeft Yahweh mij doen terugkeren. Waarom noemen jullie mij Naomi, terwijl Yahweh tegen mij heeft getuigd en Sjaddai mij kwaad heeft gedaan?” Brontekst: אֲנִי֙ (ani) = ik | מְלֵאָ֣ה (melea) = vol | הָלַ֔כְתִּי (halakhti) = ik ging weg | וְרֵיקָ֖ם (vereiqam) = en leeg | הֱשִׁיבַ֣נִי (heshivani) = deed terugkeren mij | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֣מָּה (lama) = waarom | תִקְרֶ֤אנָה (tiqrena) = noemen jullie | לִי֙ (li) = mij | נָעֳמִ֔י (naomi) = Naomi | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | עָ֣נָה (ana) = heeft getuigd | בִ֔י (bi) = tegen mij | וְשַׁדַּ֖י (veshaday) = en Sjaddai | הֵ֥רַֽע (hera) = heeft kwaad gedaan | לִֽי (li) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: עָנָה בִי (anah vi): met de klinkers van de Masoretische tekst betekent dit ‘Hij heeft tegen mij getuigd’ (anah, getuigen). Septuaginta en Vulgaat lezen ‘Hij heeft mij vernederd’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Job 1:21; Job 10:17; Job 13:26; Job 16:8; 1 Sam 2:7–8 **1:22** Zo keerde Naomi terug, en Ruth de Moabitische, haar schoondochter, met haar. Zij kwamen terug uit de velden van Moab en kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gerstoogst. Brontekst: וַתָּ֣שָׁב (vatashav) = en keerde terug | נָעֳמִ֗י (naomi) = Naomi | וְר֨וּת (verut) = en Ruth | הַמּוֹאֲבִיָּ֤ה (hamoaviya) = de Moabitische | כַלָּתָהּ֙ (kalatah) = haar schoondochter | עִמָּ֔הּ (imah) = met haar | הַשָּׁ֖בָה (hashava) = de terugkerende | מִשְּׂדֵ֣י (misedei) = uit de velden van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | וְהֵ֗מָּה (vehema) = en zij | בָּ֚אוּ (bau) = kwamen | בֵּ֣ית (beit) = huis van | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | בִּתְחִלַּ֖ת (bitchilat) = bij het begin van | קְצִ֥יר (qetsir) = oogst van | שְׂעֹרִֽים (seorim) = gerst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: De gerstoogst begint in april–mei, aan het einde van het regenseizoen. De tarweoogst volgt enkele weken later (2:23). Zo wordt de tijd van het verhaal aangegeven: het begin van de oogsttijd. Zie ook: Ex 9:31–32; Ruth 2:23; 2 Sam 21:9 ## Ruth 2 _Ruth leest aren op in het veld van Boaz_ ### Boaz, een verwant van Naomi **2:1** Naomi had een verwant van haar man, een bekwaam en sterk man uit de familie van Elimelech. Zijn naam was Boaz. Brontekst: וּֽלְנָעֳמִ֞י (ulenaomi) = en voor Naomi | מוֹדַ֣ע (moda) = een verwant | לְאִישָׁ֗הּ (leishah) = van haar man | אִ֚ישׁ (ish) = een man | גִּבּ֣וֹר (gibor) = sterk | חַ֔יִל (chayil) = bekwaam | מִמִּשְׁפַּ֖חַת (mimishpachat) = uit de familie van | אֱלִימֶ֑לֶךְ (elimelekh) = Elimelech | וּשְׁמ֖וֹ (ushemo) = en zijn naam | בֹּֽעַז (boaz) = Boaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘een bekwaam en sterk man’: iemand met kracht, bekwaamheid en aanzien. Hetzelfde woord חַיִל (chayil) staat bij de bekwame mannen in Exod. 18:21 en bij de bekwame vrouw in 3:11. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws schrijft hier מודע (moda), ‘verwant’, maar de overlevering leest מידע (meyuda), ‘bekende’. Beide betekenen dat Boaz familie of een goede bekende van Elimelech is. Wij vertalen ‘verwant’. Zie ook: Ex 18:21; Ruth 1:2; Ruth 3:2; Ruth 3:12; Ruth 4:21; Mat 1:5 ### Ruth gaat aren oplezen **2:2** Ruth de Moabitische zei tegen Naomi: „Laat mij toch naar het veld gaan en aren oplezen, achter iemand in wiens ogen ik gunst vind.” Zij zei tegen haar: „Ga, mijn dochter.” Brontekst: וַתֹּאמֶר֩ (vatomer) = en zei | ר֨וּת (rut) = Ruth | הַמּוֹאֲבִיָּ֜ה (hamoaviya) = de Moabitische | אֶֽל (el) = tot | נָעֳמִ֗י (naomi) = Naomi | אֵֽלְכָה (elekha) = laat mij gaan | נָּ֤א (na) = toch | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = naar het veld | וַאֲלַקֳטָּ֣ה (vaalaqota) = en laat mij aren oplezen | בַשִׁבֳּלִ֔ים (bashibolim) = onder de aren | אַחַ֕ר (achar) = achter | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wie | אֶמְצָא (emtsa) = ik zal vinden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | וַתֹּ֥אמֶר (vatomer) = en zei | לָ֖הּ (lah) = tot haar | לְכִ֥י (lekhi) = ga | בִתִּֽי (biti) = mijn dochter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie arm was, mocht na de oogst achterblijvende aren oplezen. De eigenaar mocht de rand van zijn veld niet volledig afmaaien en moest de nalezing laten liggen voor de arme, de vreemdeling, de wees en de weduwe (Lev. 19:9–10; 23:22; Deut. 24:19–21). Voetnoot : חֵן (chen), ‘gunst’: vriendelijkheid die iemand uit zichzelf bewijst. Zie ook 2:10 en 2:13. Zie ook: Lev 19:9; Lev 19:16; Lev 23:22; Deut 24:19–21; Ruth 2:7 **2:3** Zij ging, kwam in het veld en las aren op achter de maaiers. Het toeval wilde dat het stuk veld van Boaz was, die uit de familie van Elimelech was. Brontekst: וַתֵּ֤לֶךְ (vatelekh) = en zij ging | וַתָּבוֹא֙ (vatavo) = en zij kwam | וַתְּלַקֵּ֣ט (vatelaqet) = en zij las aren op | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | הַקֹּצְרִ֑ים (haqotserim) = de maaiers | וַיִּ֣קֶר (vayiqer) = en het trof | מִקְרֶ֔הָ (miqreha) = toeval | חֶלְקַ֤ת (chelqat) = het stuk van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | לְבֹ֔עַז (levoaz) = aan Boaz | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | מִמִּשְׁפַּ֥חַת (mimishpachat) = uit de familie van | אֱלִימֶֽלֶךְ (elimelekh) = Elimelech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּקֶר מִקְרֶהָ (wayyiqer miqrehah), ‘het trof zich dat’: letterlijk ‘haar toeval trof’. Voor Ruth is het toeval; voor wie het verhaal leest, is het Yahweh die haar leidt. De tekst zegt dat niet met zoveel woorden, wij laten het zoals het er staat. Zie ook: 2 Kon 8:5; Mat 10:29; Luc 10:31; 1 Tess 4:11–12; 2 Tess 3:12 ### Boaz komt naar het veld **2:4** En zie, Boaz kwam uit Betlehem. Hij zei tegen de maaiers: „Yahweh zij met jullie.” Zij zeiden tegen hem: „Yahweh zegene u.” Brontekst: וְהִנֵּה (vehine) = en zie | בֹ֗עַז (boaz) = Boaz | בָּ֚א (ba) = kwam | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit huis van | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | לַקּוֹצְרִ֖ים (laqotserim) = tot de maaiers | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶ֑ם (imakhem) = met jullie | וַיֹּ֥אמְרוּ (vayomru) = en zij zeiden | ל֖וֹ (lo) = tot hem | יְבָרֶכְךָ֥ (yevarekhkha) = moge zegenen u | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Boaz begroet de maaiers met een zegen die Yahweh noemt, en zij antwoorden met een zegen. Zo spreken mensen in dit verhaal vaak over Yahweh (1:8; 2:12; 2:20; 3:10; 4:11–14). Zie ook: Re 6:12; Ps 129:7–8; Luc 1:28; 2 Tess 3:16; 2 Tim 4:22 **2:5** Boaz zei tegen zijn jongen die over de maaiers was aangesteld: „Van wie is dit meisje?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | בֹּ֨עַז֙ (boaz) = Boaz | לְנַעֲר֔וֹ (lenaaro) = tot zijn jongen | הַנִּצָּ֖ב (hanitsav) = die aangesteld was | עַל (al) = over | הַקּֽוֹצְרִ֑ים (haqotserim) = de maaiers | לְמִ֖י (lemi) = van wie | הַנַּעֲרָ֥ה (hanaara) = het meisje | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ruth 4:21; 1 Kron 2:11–12 **2:6** De jongen die over de maaiers was aangesteld, antwoordde: „Het is een Moabitisch meisje. Zij is met Naomi teruggekeerd uit de velden van Moab. Brontekst: וַיַּ֗עַן (vayaan) = en antwoordde | הַנַּ֛עַר (hanaar) = de jongen | הַנִּצָּ֥ב (hanitsav) = die aangesteld was | עַל (al) = over | הַקּוֹצְרִ֖ים (haqotserim) = de maaiers | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | נַעֲרָ֤ה (naara) = meisje | מֽוֹאֲבִיָּה֙ (moaviya) = Moabitisch | הִ֔יא (hi) = zij | הַשָּׁ֥בָה (hashava) = de terugkerende | עִֽם (im) = met | נָעֳמִ֖י (naomi) = Naomi | מִשְּׂדֵ֥ה (misede) = uit de velden van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:2; Ruth 1:19; Ruth 1:22; Mat 20:8; Mat 24:45 **2:7** Zij zei: ‘Laat mij toch aren oplezen en tussen de schoven verzamelen, achter de maaiers.’ Zij is gekomen en blijft staan, van vanochtend tot nu toe. Alleen even heeft zij in het huis gezeten.” Brontekst: וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֲלַקֳטָה (alaqota) = laat mij aren oplezen | נָּא֙ (na) = toch | וְאָסַפְתִּ֣י (veasafti) = en ik zal verzamelen | בָֽעֳמָרִ֔ים (baomarim) = tussen de schoven | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | הַקּוֹצְרִ֑ים (haqotserim) = de maaiers | וַתָּב֣וֹא (vatavo) = en zij kwam | וַֽתַּעֲמ֗וֹד (vataamod) = en zij bleef staan | מֵאָ֤ז (meaz) = sinds | הַבֹּ֨קֶר֙ (haboqer) = de ochtend | וְעַד (vead) = en tot | עַ֔תָּה (ata) = nu | זֶ֛ה (ze) = dit | שִׁבְתָּ֥הּ (shivtah) = haar zitten | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | מְעָֽט (meat) = een weinig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De laatste zin van dit vers is in het Hebreeuws moeilijk. Letterlijk staat er: ‘dit, haar zitten het huis een weinig’. Wij lezen: alleen even heeft zij in het huis gezeten. Wat voor huis dat is, weten wij niet; waarschijnlijk is het een hut of schuilplaats bij het veld (onzeker). De Septuaginta heeft een andere lezing: zij heeft zich niet even uitgerust. Zie ook: Spr 15:33; Spr 18:23; Spr 22:29; Ef 5:21; 1 Petr 5:5–6 ### Boaz zorgt voor Ruth **2:8** Boaz zei tegen Ruth: „Heb je niet gehoord, mijn dochter? Ga niet naar een ander veld om aren op te lezen. Ga ook niet weg van hier. Hecht je zo aan mijn meisjes. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | בֹּ֨עַז (boaz) = Boaz | אֶל (el) = tot | ר֜וּת (rut) = Ruth | הֲל֧וֹא (halo) = niet | שָׁמַ֣עַתְּ (shamaat) = heb je gehoord | בִּתִּ֗י (biti) = mijn dochter | אַל (al) = niet | תֵּלְכִי֙ (telekhi) = ga | לִלְקֹט֙ (lilqot) = om aren op te lezen | בְּשָׂדֶ֣ה (besade) = in een veld | אַחֵ֔ר (acher) = ander | וְגַ֛ם (vegam) = en ook | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲבוּרִ֖י (taavuri) = ga weg | מִזֶּ֑ה (mize) = vanhier | וְכֹ֥ה (vekho) = en zo | תִדְבָּקִ֖ין (tidbaqin) = hecht je | עִם (im) = aan | נַעֲרֹתָֽי (naarotay) = mijn meisjes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּבַק (davaq), ‘zich hechten’: dicht bij iemand blijven. Zie ook 1:14, 2:21 en 2:23. Zie ook: 1 Sam 3:6; 1 Sam 3:16; Hoogl 1:7–8; 2 Kon 5:13; Mat 9:2 **2:9** Laat je ogen gericht zijn op het veld dat zij maaien, en ga achter hen aan. Heb ik de jongens niet bevolen je niet aan te raken? Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van wat de jongens hebben geput.” Brontekst: עֵינַ֜יִךְ (einayikh) = je ogen | בַּשָּׂדֶ֤ה (basade) = op het veld | אֲשֶׁר (asher) = dat | יִקְצֹרוּן֙ (yiqtsorun) = zij maaien | וְהָלַ֣כְתִּ (vehalakhti) = en ga | אַחֲרֵיהֶ֔ן (achareihen) = achter hen aan | הֲל֥וֹא (halo) = niet | צִוִּ֛יתִי (tsiviti) = heb ik bevolen | אֶת (et) = (obj.) | הַנְּעָרִ֖ים (hanearim) = de jongens | לְבִלְתִּ֣י (levilti) = om niet | נָגְעֵ֑ךְ (nageekh) = aan te raken jou | וְצָמִ֗ת (vetsamit) = en als je dorst hebt | וְהָלַכְתְּ֙ (vehalakht) = dan ga | אֶל (el) = naar | הַכֵּלִ֔ים (hakelim) = de kruiken | וְשָׁתִ֕ית (veshatit) = en drink | מֵאֲשֶׁ֥ר (measher) = van wat | יִשְׁאֲב֖וּן (yishavun) = zij putten | הַנְּעָרִֽים (hanearim) = de jongens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Boaz beschermt Ruth: de jongens mogen haar niet aanraken, en zij mag uit hun kruiken drinken. Zie ook 2:22. Zie ook: Gen 20:6; Ps 105:15; Mat 10:42; 1 Kor 7:1; 1 Joh 5:18 **2:10** Zij viel op haar gezicht en boog zich neer tot op de grond. Zij zei tegen hem: „Waarom heb ik gunst gevonden in uw ogen, zodat u mij opmerkt? Ik ben toch een buitenlandse.” Brontekst: וַתִּפֹּל֙ (vatipol) = en zij viel | עַל (al) = op | פָּנֶ֔יהָ (paneiha) = haar gezicht | וַתִּשְׁתַּ֖חוּ (vatishtachu) = en zij boog zich neer | אָ֑רְצָה (aretsa) = tot de grond | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | מַדּוּעַ֩ (madua) = waarom | מָצָ֨אתִי (matsati) = heb ik gevonden | חֵ֤ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֨יךָ֙ (beeineikha) = in uw ogen | לְהַכִּירֵ֔נִי (lehakireni) = om mij op te merken | וְאָּנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | נָכְרִיָּֽה (nakheriya) = een buitenlandse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws speelt met woorden: לְהַכִּירֵנִי (lehakireni), ‘om mij op te merken’, en נָכְרִיָּה (nokhriyyah), ‘een buitenlandse’. Beide komen van het grondwoord נכר (nakar), ‘herkennen, kennisnemen’. De buitenlandse vrouw wordt herkend. Vergelijk נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’, in Deut. 15:3. Zie ook: Deut 15:3; Ruth 2:13; 1 Sam 25:23; 2 Sam 19:29; Luc 1:43; Luc 17:16–18 **2:11** Boaz antwoordde en zei tegen haar: „Het is mij volledig verteld, alles wat je na de dood van je man voor je schoonmoeder hebt gedaan. Je hebt je vader en je moeder verlaten, en het land waar je geboren bent. Je bent gegaan naar een volk dat je gisteren en eergisteren niet kende. Brontekst: וַיַּ֤עַן (vayaan) = en antwoordde | בֹּ֨עַז֙ (boaz) = Boaz | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָ֔הּ (lah) = tot haar | הֻגֵּ֨ד (huged) = verteld is | הֻגַּ֜ד (hugad) = verteld | לִ֗י (li) = aan mij | כֹּ֤ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשִׂית֙ (asit) = je hebt gedaan | אֶת (et) = (obj.) | חֲמוֹתֵ֔ךְ (chamotekh) = je schoonmoeder | אַחֲרֵ֖י (acharei) = na | מ֣וֹת (mot) = de dood van | אִישֵׁ֑ךְ (ishekh) = je man | וַתַּֽעַזְבִ֞י (vataazvi) = en je hebt verlaten | אָּבִ֣יךְ (avikh) = je vader | וְאִמֵּ֗ךְ (veimekh) = en je moeder | וְאֶ֨רֶץ֙ (veerets) = en het land van | מֽוֹלַדְתֵּ֔ךְ (moladtekh) = je geboorte | וַתֵּ֣לְכִ֔י (vatelekhi) = en je bent gegaan | אֶל (el) = naar | עַ֕ם (am) = een volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יָדַ֖עַתְּ (yadaat) = je kende | תְּמ֥וֹל (temol) = gisteren | שִׁלְשֽׁוֹם (shilshom) = eergisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּמוֹל שִׁלְשׁוֹם (temol shilshom), ‘gisteren en eergisteren’: een uitdrukking voor ‘vroeger’, ‘tot voor kort’. Voetnoot : אֶרֶץ מוֹלַדְתֵּךְ (erets moladtech), ‘het land van je geboorte’: ook Abraham verliet zijn geboorteland (Gen. 12:1). Zie ook: Gen 12:1; Ruth 1:14–22; Ps 37:5–6; Luc 5:11; Luc 14:33; Luc 18:29–30 **2:12** Moge Yahweh je daad vergelden. Moge je loon volledig zijn van Yahweh, de Elohim van Israël, onder wiens vleugels je bent gekomen om te schuilen.” Brontekst: יְשַׁלֵּ֥ם (yeshalem) = moge vergelden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | פָּעֳלֵ֑ךְ (paolekh) = je daad | וּתְהִ֨י (utehi) = en moge zijn | מַשְׂכֻּרְתֵּ֜ךְ (maskurtekh) = je loon | שְׁלֵמָ֗ה (shelema) = volledig | מֵעִ֤ם (meim) = van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = onder wie | בָּ֖את (bat) = je bent gekomen | לַחֲס֥וֹת (lachasot) = om te schuilen | תַּֽחַת (tachat) = onder | כְּנָפָֽיו (kenafav) = zijn vleugels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחַת כְּנָפָיו (tachat kenafav), ‘onder Zijn vleugels’: beeld van veiligheid, zoals een vogel zijn jongen beschermt. Zie ook Deut. 32:11 en Ps. 91:4. Voetnoot : שִׁלֵּם (shillem), ‘vergelden’: de ander teruggeven wat hij verdient. Hier is het goed: Yahweh vergeldt wat Ruth heeft gedaan. Zie ook: Deut 32:11; Ps 17:8; Ps 36:8; Ps 61:5; Ps 63:8; Ps 91:4 **2:13** Zij zei: „Moge ik gunst vinden in uw ogen, mijn heer. U hebt mij getroost en u hebt tot het hart van uw dienares gesproken, terwijl ik niet eens ben zoals één van uw dienaressen.” Brontekst: וַ֠תֹּאמֶר (vatomer) = en zij zei | אֶמְצָא (emtsa) = moge ik vinden | חֵ֨ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֤יךָ (beeineikha) = in uw ogen | אֲדֹנִי֙ (adoni) = mijn heer | כִּ֣י (ki) = want | נִֽחַמְתָּ֔נִי (nichamtani) = u hebt getroost mij | וְכִ֥י (vekhi) = en want | דִבַּ֖רְתָּ (dibarta) = u hebt gesproken | עַל (al) = tot | לֵ֣ב (lev) = het hart van | שִׁפְחָתֶ֑ךָ (shifchatekha) = uw dienares | וְאָנֹכִי֙ (veanokhi) = en ik | לֹ֣א (lo) = niet | אֶֽהְיֶ֔ה (ehye) = ben | כְּאַחַ֖ת (keachat) = zoals één van | שִׁפְחֹתֶֽיךָ (shifchoteikha) = uw dienaressen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁפְחָה (shifchah), ‘dienares’: een vrouw die in dienst is. Later noemt Ruth zichzelf ook אָמָה (amah), ‘slavin’ (3:9). Zie ook: Gen 33:8; Gen 34:3; 1 Sam 1:18; 1 Sam 25:41; Fil 2:3 ### Het eten in het veld **2:14** Op het etensuur zei Boaz tegen haar: „Kom hierheen, eet van het brood en doop je stuk brood in de azijn.” Zij ging naast de maaiers zitten. Hij reikte haar geroosterd graan aan. Zij at, werd verzadigd en hield over. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | לָ֨ה (la) = tot haar | בֹ֜עַז (boaz) = Boaz | לְעֵ֣ת (leet) = op het tijdstip van | הָאֹ֗כֶל (haokhel) = het eten | גֹּ֤שִֽׁי (goshi) = kom | הֲלֹם֙ (halom) = hierheen | וְאָכַ֣לְתְּ (veakhalt) = en eet | מִן (min) = van | הַלֶּ֔חֶם (halechem) = het brood | וְטָבַ֥לְתְּ (vetavalt) = en doop | פִּתֵּ֖ךְ (pitekh) = je stuk | בַּחֹ֑מֶץ (bachomets) = in de azijn | וַתֵּ֨שֶׁב֙ (vateshev) = en zij zat | מִצַּ֣ד (mitsad) = naast | הַקּֽוֹצְרִ֔ים (haqotserim) = de maaiers | וַיִּצְבָּט (vayitsbat) = en hij reikte aan | לָ֣הּ (lah) = haar | קָלִ֔י (qali) = geroosterd graan | וַתֹּ֥אכַל (vatokhal) = en zij at | וַתִּשְׂבַּ֖ע (vatisba) = en zij werd verzadigd | וַתֹּתַֽר (vatotar) = en zij hield over Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹמֶץ (chomets), ‘azijn’: zure wijn, die je met brood eet. Zie Num. 6:3. Voetnoot : קָלִי (qali), ‘geroosterd graan’: aren die in het vuur zijn geroosterd, een gewoon maal in de oogsttijd. Zie ook Lev. 23:14. Zie ook: Lev 23:14; Num 6:3; Deut 8:10; Ruth 2:18; 2 Kon 4:43–44; Mat 14:20; Luc 14:12–14 **2:15** Zij stond op om aren op te lezen. Boaz gaf zijn jongens bevel: „Zij mag ook tussen de schoven aren oplezen. Beschaam haar niet. Brontekst: וַתָּ֖קָם (vataqam) = en zij stond op | לְלַקֵּ֑ט (lelaqet) = om aren op te lezen | וַיְצַו֩ (vaytsav) = en gebood | בֹּ֨עַז (boaz) = Boaz | אֶת (et) = (obj.) | נְעָרָ֜יו (nearav) = zijn jongens | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | גַּ֣ם (gam) = ook | בֵּ֧ין (bein) = tussen | הָֽעֳמָרִ֛ים (haomarim) = de schoven | תְּלַקֵּ֖ט (telaqet) = mag zij aren oplezen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַכְלִימֽוּהָ (takhlimuha) = beschaamt haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jak 1:5 **2:16** Trek ook zeker voor haar wat uit de bundels, en laat het liggen. Zij mag het oplezen. Berisp haar niet.” Brontekst: וְגַ֛ם (vegam) = en ook | שֹׁל (shol) = zeker uittrekken | תָּשֹׁ֥לּוּ (tasholu) = zullen jullie | לָ֖הּ (lah) = voor haar | מִן (min) = uit | הַצְּבָתִ֑ים (hatsevatim) = de bundels | וַעֲזַבְתֶּ֥ם (vaazavtem) = en laat achter | וְלִקְּטָ֖ה (veliqeta) = en zij zal oplezen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִגְעֲרוּ (tigaru) = berispen | בָֽהּ (bah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Boaz wil niet alleen dat Ruth vrij oplezen mag. Hij geeft de maaiers de opdracht om zelf iets voor haar achter te laten. Zie ook: Deut 24:19–21; Mat 25:40; Rom 12:13; Filem 1:7; 1 Joh 3:17–18 ### Ruth keert terug met de gerst **2:17** Zij las in het veld aren op tot de avond. Toen sloeg zij uit wat zij had opgelezen. Het was ongeveer een efa gerst. Brontekst: וַתְּלַקֵּ֥ט (vatelaqet) = en zij las aren op | בַּשָּׂדֶ֖ה (basade) = in het veld | עַד (ad) = tot | הָעָ֑רֶב (haarev) = de avond | וַתַּחְבֹּט֙ (vatachbot) = en zij sloeg uit | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | לִקֵּ֔טָה (liqeta) = zij had opgelezen | וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | כְּאֵיפָ֥ה (keeifa) = ongeveer een efa | שְׂעֹרִֽים (seorim) = gerst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵיפָה (efa): een inhoudsmaat. Een efa is ongeveer 22 liter. Zie ook: Ex 16:36; Spr 31:27; Ezech 45:11–12 **2:18** Zij nam het mee en ging de stad in. Haar schoonmoeder zag wat zij had opgelezen. Zij haalde tevoorschijn wat zij had overgehouden nadat zij verzadigd was, en gaf het haar. Brontekst: וַתִּשָּׂא֙ (vatisa) = en zij nam op | וַתָּב֣וֹא (vatavo) = en zij kwam | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַתֵּ֥רֶא (vatere) = en zag | חֲמוֹתָ֖הּ (chamotah) = haar schoonmoeder | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | לִקֵּ֑טָה (liqeta) = zij had opgelezen | וַתּוֹצֵא֙ (vatotse) = en zij haalde tevoorschijn | וַתִּתֶּן (vatiten) = en gaf | לָ֔הּ (lah) = haar | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | הוֹתִ֖רָה (hotira) = zij had overgehouden | מִשָּׂבְעָֽהּ (misaveah) = van haar verzadigd zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ruth 2:14; Joh 6:12–13; 1 Tim 5:4 **2:19** Haar schoonmoeder zei tegen haar: „Waar heb je vandaag aren opgelezen en waar heb je gewerkt? Gezegend zij wie jou heeft opgemerkt.” Zij vertelde haar schoonmoeder bij wie zij had gewerkt. Zij zei: „De naam van de man bij wie ik vandaag heb gewerkt, is Boaz.” Brontekst: וַתֹּאמֶר֩ (vatomer) = en zei | לָ֨הּ (lah) = tot haar | חֲמוֹתָ֜הּ (chamotah) = haar schoonmoeder | אֵיפֹ֨ה (eifo) = waar | לִקַּ֤טְתְּ (liqatt) = heb je opgelezen | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | וְאָ֣נָה (veana) = en waar | עָשִׂ֔ית (asit) = heb je gewerkt | יְהִ֥י (yehi) = moge zijn | מַכִּירֵ֖ךְ (makirekh) = wie jou opmerkt | בָּר֑וּךְ (barukh) = gezegend | וַתַּגֵּ֣ד (vataged) = en zij vertelde | לַחֲמוֹתָ֗הּ (lachamotah) = aan haar schoonmoeder | אֵ֤ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = bij wie | עָשְׂתָה֙ (aseta) = zij had gewerkt | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zij zei | שֵׁ֤ם (shem) = de naam van | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | אֲשֶׁ֨ר (asher) = bij wie | עָשִׂ֧יתִי (asiti) = ik heb gewerkt | עִמּ֛וֹ (imo) = met hem | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | בֹּֽעַז (boaz) = Boaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Naomi’s zegen geldt wie Ruth heeft opgemerkt. Zij weet nog niet wie het is. Pas als Ruth de naam noemt, begrijpt zij het (vers 20). Zie ook: Ruth 2:10; Ruth 2:20; Ps 41:2; 1 Kon 7:21; 2 Kor 9:13–15 ### Naomi herkent de losser **2:20** Naomi zei tegen haar schoondochter: „Gezegend zij hij door Yahweh, die zijn trouw aan de levenden en aan de doden niet heeft verlaten.” Naomi zei tegen haar: „De man is familie van ons. Hij is een van onze lossers.” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר (vatomer) = en zei | נָעֳמִ֜י (naomi) = Naomi | לְכַלָּתָ֗הּ (lekhalatah) = tot haar schoondochter | בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | הוּא֙ (hu) = hij | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = door Yahweh | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹא (lo) = niet | עָזַ֣ב (azav) = heeft verlaten | חַסְדּ֔וֹ (chasdo) = zijn trouw | אֶת (et) = met | הַחַיִּ֖ים (hachayim) = de levenden | וְאֶת (veet) = en met | הַמֵּתִ֑ים (hametim) = de doden | וַתֹּ֧אמֶר (vatomer) = en zei | לָ֣הּ (lah) = tot haar | נָעֳמִ֗י (naomi) = Naomi | קָר֥וֹב (qarov) = familie | לָ֨נוּ֙ (lanu) = van ons | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | מִֽגֹּאֲלֵ֖נוּ (migoalenu) = van onze lossers | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּאֵל (go’el), ‘losser’: de naaste verwant die voor een familielid opkomt. Hij koopt verkocht land terug (Lev. 25:25) en neemt volgens het verhaal ook de zorg voor de weduwe van een gestorven verwant op zich. Zie ook Lev. 25:47–49 en Deut. 25:5–10. Voetnoot : חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: zie 1:8 en 3:10. Voetnoot Lezing: ‘Gezegend zij hij door Yahweh, die zijn trouw niet heeft verlaten’: het Hebreeuws laat open of ‘die’ slaat op Boaz of op Yahweh. Wij nemen Boaz. De andere lezing is: ‘die Zijn trouw niet heeft verlaten’, dus Yahweh. Zie ook: Lev 25:25; Lev 25:47–49; Deut 25:5–7; Ruth 3:9–10; Ruth 4:14; 2 Sam 2:5 **2:21** Ruth de Moabitische zei: „Hij zei ook tegen mij: ‘Hecht je aan de jongens die van mij zijn, tot zij heel mijn oogst hebben voltooid.’” Brontekst: וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en zei | ר֣וּת (rut) = Ruth | הַמּוֹאֲבִיָּ֑ה (hamoaviya) = de Moabitische | גַּ֣ם (gam) = ook | כִּי (ki) = dat | אָמַ֣ר (amar) = hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | עִם (im) = met | הַנְּעָרִ֤ים (hanearim) = de jongens | אֲשֶׁר (asher) = die | לִי֙ (li) = van mij | תִּדְבָּקִ֔ין (tidbaqin) = hecht je | עַ֣ד (ad) = tot | אִם (im) = dat | כִּלּ֔וּ (kilu) = zij hebben voltooid | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַקָּצִ֖יר (haqatsir) = de oogst | אֲשֶׁר (asher) = die | לִֽי (li) = van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Hier staat in het Hebreeuws ‘de jongens’ (hanne’arim), maar Boaz zei in vers 8 ‘mijn meisjes’. De Septuaginta heeft hier ‘de meisjes’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ruth 2:7–8; Ruth 2:8; Ruth 2:22; Hoogl 1:7–8 **2:22** Naomi zei tegen Ruth, haar schoondochter: „Het is goed, mijn dochter, dat je met zijn meisjes uitgaat. Dan vallen ze je niet lastig in een ander veld.” Brontekst: וַתֹּ֥אמֶר (vatomer) = en zei | נָעֳמִ֖י (naomi) = Naomi | אֶל (el) = tot | ר֣וּת (rut) = Ruth | כַּלָּתָ֑הּ (kalatah) = haar schoondochter | ט֣וֹב (tov) = goed | בִּתִּ֗י (biti) = mijn dochter | כִּ֤י (ki) = dat | תֵֽצְאִי֙ (tetsei) = je uitgaat | עִם (im) = met | נַ֣עֲרוֹתָ֔יו (naarotav) = zijn meisjes | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִפְגְּעוּ (yifgeu) = zullen aanvallen | בָ֖ךְ (bakh) = je | בְּשָׂדֶ֥ה (besade) = in een veld | אַחֵֽר (acher) = ander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּגַע (paga), ‘aanvallen, lastigvallen’: iemand tegemoet komen met geweld of dwang. Het woord is hetzelfde als in 1:16 (‘dring niet aan’), maar daar gaat het om aandringen met woorden. Zie ook: Hoogl 1:8; Spr 27:10 **2:23** Zij hechtte zich aan de meisjes van Boaz om aren op te lezen, tot het einde van de gerstoogst en de tarweoogst. Zij woonde bij haar schoonmoeder. Brontekst: וַתִּדְבַּ֞ק (vatidbaq) = en zij hechtte zich | בְּנַעֲר֥וֹת (benaarot) = aan de meisjes van | בֹּ֨עַז֙ (boaz) = Boaz | לְלַקֵּ֔ט (lelaqet) = om aren op te lezen | עַד (ad) = tot | כְּל֥וֹת (kelot) = het einde van | קְצִֽיר (qetsir) = oogst van | הַשְּׂעֹרִ֖ים (haseorim) = de gerst | וּקְצִ֣יר (uqetsir) = en oogst van | הַֽחִטִּ֑ים (hachitim) = de tarwe | וַתֵּ֖שֶׁב (vateshev) = en zij woonde | אֶת (et) = met | חֲמוֹתָֽהּ (chamotah) = haar schoonmoeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De gerstoogst loopt van april tot mei, de tarweoogst van mei tot juni. Ruth bleef dus enkele weken bij de maaiers. Zie ook: Deut 16:9; Spr 13:1; Spr 13:20; 1 Kor 15:33; Ef 6:1–3 ## Ruth 3 _Ruth gaat ’s nachts naar Boaz op de dorsvloer_ ### Het plan van Naomi **3:1** Naomi, haar schoonmoeder, zei tegen haar: „Mijn dochter, moet ik niet rust voor je zoeken, zodat het goed met je gaat? Brontekst: וַתֹּ֥אמֶר (vatomer) = en zei | לָ֖הּ (lah) = tot haar | נָעֳמִ֣י (naomi) = Naomi | חֲמוֹתָ֑הּ (chamotah) = haar schoonmoeder | בִּתִּ֞י (biti) = mijn dochter | הֲלֹ֧א (halo) = zal ik niet | אֲבַקֶּשׁ (avaqesh) = zoeken | לָ֛ךְ (lakh) = voor jou | מָנ֖וֹחַ (manoach) = rust | אֲשֶׁ֥ר (asher) = opdat | יִֽיטַב (yitav) = het goed gaat | לָֽךְ (lakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָנוֹחַ (manoach), ‘rust’: een veilig thuis. Het is hetzelfde woord als מְנוּחָה (menuchah) in 1:9. Naomi wil voor Ruth doen wat zij haar in 1:9 toewenste. Zie ook: Ruth 1:9; Ps 128:2; 1 Kor 7:36; 1 Tim 5:8; 1 Tim 5:14 **3:2** Nu dan, Boaz is toch familie van ons? Je bent bij zijn meisjes geweest. Zie, hij is vannacht de gerst op de dorsvloer aan het wannen. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הֲלֹ֥א (halo) = niet | בֹ֨עַז֙ (boaz) = Boaz | מֹֽדַעְתָּ֔נוּ (modatanu) = onze verwant | אֲשֶׁ֥ר (asher) = bij wiens | הָיִ֖ית (hayit) = je was | אֶת (et) = met | נַעֲרוֹתָ֑יו (naarotav) = zijn meisjes | הִנֵּה (hine) = zie | ה֗וּא (hu) = hij | זֹרֶ֛ה (zore) = wan | אֶת (et) = (obj.) | גֹּ֥רֶן (goren) = dorsvloer van | הַשְּׂעֹרִ֖ים (haseorim) = de gerst | הַלָּֽיְלָה (halayela) = vannacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָרָה (zarah), ‘wannen’: het graan met de wind van het kaf scheiden door het in de lucht te gooien. Dat gebeurde ’s avonds, als de wind opstak, op de dorsvloer, een open plek met een harde vloer. Voetnoot : מֹדַעַת (moda’at), ‘verwant’: zoals in 2:1. Zie ook: Deut 25:5–10; Ruth 2:1; Ruth 2:8; Ruth 2:20–23; Heb 2:11–14 **3:3** Was je, zalf je en doe je kleren aan. Ga naar de dorsvloer. Maak je niet bekend aan de man, voordat hij klaar is met eten en drinken. Brontekst: וְרָחַ֣צְתְּ (verachatst) = en was je | וָסַ֗כְתְּ (vasakht) = en zalf je | וְשַׂ֧מְתְּ (vesamt) = en doe | שִׂמְלֹתַ֛יִךְ (simlotayikh) = je kleren | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = aan je | וְיָרַ֣דְתְּ (veyaradt) = en ga af | הַגֹּ֑רֶן (hagoren) = naar de dorsvloer | אַל (al) = niet | תִּוָּדְעִ֣י (tivadei) = maak je bekend | לָאִ֔ישׁ (laish) = aan de man | עַ֥ד (ad) = tot | כַּלֹּת֖וֹ (kaloto) = hij klaar is | לֶאֱכֹ֥ל (leekhol) = met eten | וְלִשְׁתּֽוֹת (velishtot) = en drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּרֶן (goren), ‘dorsvloer’: een open, harde plek buiten de stad waar het graan wordt gedorst en gewand. Boaz slaapt daar bij de graanhoop om de oogst te bewaken. Zie ook: 2 Sam 14:2; Pred 9:8; Est 5:1; Mat 6:17; 1 Tim 2:9–10 **3:4** Wanneer hij gaat liggen, let dan op de plaats waar hij ligt. Ga erheen, ontbloot de plaats bij zijn voeten en ga liggen. Dan zal hij je zeggen wat je moet doen.” Brontekst: וִיהִ֣י (vihi) = en het zal zijn | בְשָׁכְב֗וֹ (beshakhevo) = wanneer hij gaat liggen | וְיָדַ֨עַתְּ֙ (veyadaat) = en let op | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּקוֹם֙ (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | יִשְׁכַּב (yishkav) = hij zal liggen | שָׁ֔ם (sham) = daar | וּבָ֛את (uvat) = en kom | וְגִלִּ֥ית (vegilit) = en ontbloot | מַרְגְּלֹתָ֖יו (margelotav) = de plaats bij zijn voeten | וְשָׁכָ֑בְתְּ (veshakhavt) = en ga liggen | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | יַגִּ֣יד (yagid) = zal zeggen | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תַּעַשִֽׂין (taasin) = je moet doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְגְּלוֹת (margelot), ‘de plaats bij de voeten’: het deel van de slaapplaats bij zijn voeten. Wat Naomi hiermee precies bedoelt, legt de tekst niet uit. Wij vertalen letterlijk en voegen niets toe. Zie ook: 1 Tess 5:22 **3:5** Zij zei tegen haar: „Alles wat je zegt, zal ik doen.” Brontekst: וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֵלֶ֑יהָ (eleiha) = tot haar | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | תֹּאמְרִ֥י (tomri) = je zegt | אֶֽעֱשֶֽׂה (eese) = zal ik doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ef 6:1; Kol 3:20 ### Ruth op de dorsvloer **3:6** Zij ging naar de dorsvloer en deed alles wat haar schoonmoeder haar had geboden. Brontekst: וַתֵּ֖רֶד (vatered) = en zij ging af | הַגֹּ֑רֶן (hagoren) = naar de dorsvloer | וַתַּ֕עַשׂ (vataas) = en zij deed | כְּכֹ֥ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוַּ֖תָּה (tsivata) = had geboden | חֲמוֹתָֽהּ (chamotah) = haar schoonmoeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:12; Spr 1:8; Joh 2:5; Joh 15:14 **3:7** Boaz at en dronk, en zijn hart was vrolijk. Hij ging liggen aan het einde van de graanhoop. Zij kwam stilletjes, ontblootte de plaats bij zijn voeten en ging liggen. Brontekst: וַיֹּ֨אכַל (vayokhal) = en at | בֹּ֤עַז (boaz) = Boaz | וַיֵּשְׁתְּ֙ (vayesht) = en dronk | וַיִּיטַ֣ב (vayitav) = en was goed | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | וַיָּבֹ֕א (vayavo) = en hij kwam | לִשְׁכַּ֖ב (lishkav) = om te gaan liggen | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = aan het einde van | הָעֲרֵמָ֑ה (haarema) = de graanhoop | וַתָּבֹ֣א (vatavo) = en zij kwam | בַלָּ֔ט (balat) = stilletjes | וַתְּגַ֥ל (vategal) = en zij ontblootte | מַרְגְּלֹתָ֖יו (margelotav) = de plaats bij zijn voeten | וַתִּשְׁכָּֽב (vatishkav) = en zij ging liggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָט (lat), ‘stilletjes’: zachtjes, ongemerkt. Zie ook: Re 19:6; Re 19:9; 2 Sam 13:28; Ps 104:15; Est 1:10 ### Midden in de nacht **3:8** Midden in de nacht schrok de man op en draaide zich om. En zie, een vrouw lag bij zijn voeten. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בַּחֲצִ֣י (bachatsi) = in het midden van | הַלַּ֔יְלָה (halayla) = de nacht | וַיֶּחֱרַ֥ד (vayecherad) = en schrok op | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | וַיִּלָּפֵ֑ת (vayilafet) = en draaide zich om | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | שֹׁכֶ֖בֶת (shokhevet) = liggend | מַרְגְּלֹתָֽיו (margelotav) = bij zijn voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּלָּפֵת (wayyillafet), ‘hij draaide zich om’: dit werkwoord komt in de Bijbel nauwelijks voor, zodat de betekenis niet zeker is. Het kan ook ‘hij greep zich vast’ of ‘hij boog zich voorover’ betekenen. **3:9** Hij zei: „Wie ben jij?” Zij zei: „Ik ben Ruth, uw slavin. Spreid uw vleugel uit over uw slavin, want u bent een losser.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | מִי (mi) = wie | אָ֑תּ (at) = ben jij | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en zij zei | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | ר֣וּת (rut) = Ruth | אֲמָתֶ֔ךָ (amatekha) = uw slavin | וּפָרַשְׂתָּ֤ (ufarasta) = en spreid uit | כְנָפֶ֨ךָ֙ (kenafekha) = uw vleugel | עַל (al) = over | אֲמָ֣תְךָ֔ (amatekha) = uw slavin | כִּ֥י (ki) = want | גֹאֵ֖ל (goel) = losser | אָֽתָּה (ata) = u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָמָה (amah), ‘slavin’: het woord is sterker dan שִׁפְחָה (shifchah), ‘dienares’, in 2:13. Ruth maakt zich in de bewoording kleiner. Voetnoot : כָּנָף (kanaf), ‘vleugel’: ook de ‘rand van een kleed’. ‘Zijn vleugel uitspreiden over een vrouw’ betekent haar tot vrouw nemen en haar beschermen (Ezech. 16:8). Het sluit aan op 2:12, waar Boaz zegt dat Ruth schuilt ‘onder de vleugels’ van Yahweh. Zie ook Deut. 27:20. Voetnoot : גֹּאֵל (go’el), ‘losser’: zie 2:20 en 4:1–8. Zie ook: Deut 27:20; Ruth 2:10–13; Ruth 2:20; Ruth 3:12; Ezech 16:8; Luc 14:11 **3:10** Hij zei: „Gezegend ben jij door Yahweh, mijn dochter. Je laatste trouw is beter dan de eerste, doordat je niet achter de jonge mannen aan bent gegaan, of ze nu arm zijn of rijk. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | בְּרוּכָ֨ה (berukha) = gezegend | אַ֤תְּ (at) = ben jij | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = door Yahweh | בִּתִּ֔י (biti) = mijn dochter | הֵיטַ֛בְתְּ (heitavt) = je hebt goed gemaakt | חַסְדֵּ֥ךְ (chasdekh) = je trouw | הָאַחֲר֖וֹן (haacharon) = de laatste | מִן (min) = meer dan | הָרִאשׁ֑וֹן (harishon) = de eerste | לְבִלְתִּי (levilti) = om niet | לֶ֗כֶת (lekhet) = te gaan | אַחֲרֵי֙ (acharei) = achter | הַבַּ֣חוּרִ֔ים (habachurim) = de jonge mannen | אִם (im) = of | דַּ֖ל (dal) = arm | וְאִם (veim) = en of | עָשִֽׁיר (ashir) = rijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: zie 1:8 en 2:20. De eerste trouw was dat Ruth bij Naomi bleef. De laatste trouw is dat zij nu de losser zoekt, om de naam van de gestorven man in leven te houden (4:5, 4:10). Zie ook: Ruth 1:8; Ruth 2:4; Ruth 2:20; 1 Kor 13:4–5 **3:11** Nu dan, mijn dochter, wees niet bang. Alles wat je zegt, zal ik voor je doen. Want iedereen in de poort van mijn volk weet dat je een bekwame vrouw bent. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | בִּתִּי֙ (biti) = mijn dochter | אַל (al) = niet | תִּ֣ירְאִ֔י (tirei) = wees bang | כֹּ֥ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | תֹּאמְרִ֖י (tomri) = je zegt | אֶֽעֱשֶׂה (eese) = zal ik doen | לָּ֑ךְ (lakh) = voor jou | כִּ֤י (ki) = want | יוֹדֵ֨עַ֙ (yodea) = weet | כָּל (kal) = heel | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | כִּ֛י (ki) = dat | אֵ֥שֶׁת (eshet) = een vrouw van | חַ֖יִל (chayil) = bekwaamheid | אָֽתְּ (at) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר (sha’ar), ‘poort’: de stadspoort was de plaats waar de oudsten recht spraken en zaken regelden (zie 4:1–2 en Deut. 21:19). Voetnoot : אֵשֶׁת חַיִל (eshet chayil), ‘bekwame vrouw’: hetzelfde woord חַיִל (chayil) als bij Boaz in 2:1. Zie ook Spr. 31:10. Zie ook: Deut 21:19; Spr 12:4; Spr 31:10; Spr 31:29–31 **3:12** Nu, het is waar dat ik een losser ben. Maar er is ook een losser die dichterbij staat dan ik. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | כִּ֣י (ki) = dat | אָמְנָ֔ם (amenam) = voorwaar | כִּ֥י (ki) = dat | אם (em) = als | גֹאֵ֖ל (goel) = losser | אָנֹ֑כִי (anokhi) = ik | וְגַ֛ם (vegam) = en ook | יֵ֥שׁ (yesh) = er is | גֹּאֵ֖ל (goel) = losser | קָר֥וֹב (qarov) = dichterbij | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = dan ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een losser die dichterbij staat: de volgorde van de naaste verwanten wordt in Lev. 25:25 en 25:48–49 beschreven. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft in dit vers כִּי אִם (ki im, ‘als’), maar de overlevering leest het zonder אִם (im). Het verschil in betekenis is klein: Boaz zegt dat hij werkelijk een losser is. Wij vertalen volgens de Masoretische tekst. Zie ook: Lev 25:25; Lev 25:48; Ruth 4:1; Mat 7:12; 1 Tess 4:6 **3:13** Overnacht hier vannacht. Als hij je morgen wil lossen, goed, laat hij lossen. Maar als hij je niet wil lossen, dan zal ik je lossen, zo waar Yahweh leeft. Blijf liggen tot de morgen.” Brontekst: לִ֣ינִי (lini) = overnacht | הַלַּ֗יְלָה (halayla) = vannacht | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | בַבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = in de morgen | אִם (im) = als | יִגְאָלֵ֥ךְ (yigalekh) = hij je lost | טוֹב֙ (tov) = goed | יִגְאָ֔ל (yigal) = laat hij lossen | וְאִם (veim) = en als | לֹ֨א (lo) = niet | יַחְפֹּ֧ץ (yachpots) = hij wil | לְגָֽאֳלֵ֛ךְ (legaolekh) = je te lossen | וּגְאַלְתִּ֥יךְ (ugealtikh) = dan zal ik je lossen | אָנֹ֖כִי (anokhi) = ik | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | שִׁכְבִ֖י (shikhvi) = blijf liggen | עַד (ad) = tot | הַבֹּֽקֶר (haboqer) = de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי יהוה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed. Zie ook Richt. 8:19 en 1 Sam. 14:39. Voetnoot : לִינִי (lini), ‘overnacht’: hetzelfde werkwoord als in 1:16. Zie ook: Deut 25:5–9; Re 8:19; Ruth 2:20; Ruth 4:5; 1 Sam 14:39; Jer 4:2 ### De morgen erna **3:14** Zij bleef tot de morgen bij zijn voeten liggen. Zij stond op voordat de ene man de andere kon herkennen. Hij zei: „Laat niet bekend worden dat de vrouw op de dorsvloer is gekomen.” Brontekst: וַתִּשְׁכַּ֤ב (vatishkav) = en zij lag | מַרְגְּלוֹתָיוֹ֙ (margelotayo) = bij zijn voeten | עַד (ad) = tot | הַבֹּ֔קֶר (haboqer) = de morgen | וַתָּ֕קָם (vataqam) = en zij stond op | בְּטֶ֛רֶם (beterem) = voordat | יַכִּ֥יר (yakir) = zou herkennen | אִ֖ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אַל (al) = niet | יִוָּדַ֔ע (yivada) = laat bekend worden | כִּי (ki) = dat | בָ֥אָה (baa) = gekomen is | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | הַגֹּֽרֶן (hagoren) = de dorsvloer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Boaz zorgt dat niemand kan zeggen dat er een vrouw op de dorsvloer was. Zo beschermt hij Ruths naam. Zie ook: 1 Kor 10:32; 2 Kor 8:21; Rom 12:17; Rom 14:16; 1 Petr 2:12 **3:15** Hij zei: „Geef hier de mantel die je omhebt en houd hem vast.” Zij hield hem vast. Hij mat 6 maten gerst af en legde die op haar. Daarna ging hij de stad in. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | הָ֠בִי (havi) = geef hier | הַמִּטְפַּ֧חַת (hamitpachat) = de mantel | אֲשֶׁר (asher) = die | עָלַ֛יִךְ (alayikh) = over jou | וְאֶֽחֳזִי (veechozi) = en houd vast | בָ֖הּ (bah) = eraan | וַתֹּ֣אחֶז (vatochez) = en zij hield vast | בָּ֑הּ (bah) = eraan | וַיָּ֤מָד (vayamad) = en hij mat af | שֵׁשׁ (shesh) = zes | שְׂעֹרִים֙ (seorim) = maten gerst | וַיָּ֣שֶׁת (vayashet) = en legde | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = op haar | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij ging | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁשׁ שְׂעֹרִים (shesh se’orim), ‘6 maten gerst’: het Hebreeuws noemt de maat niet. Misschien is het zes sea (een sea is ongeveer 7 liter), maar dat is niet zeker. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat hier ‘hij ging de stad in’. Veel handschriften, de Peshitta en de Vulgaat lezen ‘zij ging de stad in’. Wij volgen de Masoretische tekst: Boaz gaat naar de stad, en Ruth komt in vers 16 bij Naomi. Zie ook: Ruth 3:16; Jes 32:8; Gal 6:10 **3:16** Zij kwam bij haar schoonmoeder. Die zei: „Wie ben jij, mijn dochter?” Zij vertelde haar alles wat de man voor haar had gedaan. Brontekst: וַתָּבוֹא֙ (vatavo) = en zij kwam | אֶל (el) = tot | חֲמוֹתָ֔הּ (chamotah) = haar schoonmoeder | וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en zij zei | מִי (mi) = wie | אַ֣תְּ (at) = ben jij | בִּתִּ֑י (biti) = mijn dochter | וַתַּ֨גֶּד (vataged) = en zij vertelde | לָ֔הּ (lah) = haar | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָֽשָׂה (asa) = had gedaan | לָ֖הּ (lah) = voor haar | הָאִֽישׁ (haish) = de man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִי אַתְּ (mi at), ‘wie ben jij?’: een vraag die ook betekent ‘hoe is het met je gegaan?’ of ‘in welke positie ben je nu?’. Naomi wil weten hoe het met Ruth is afgelopen. **3:17** Zij zei: „Deze 6 maten gerst heeft hij mij gegeven. Want hij zei: ‘Je mag niet met lege handen naar je schoonmoeder gaan.’” Brontekst: וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zij zei | שֵׁשׁ (shesh) = zes | הַשְּׂעֹרִ֥ים (haseorim) = de maten gerst | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | נָ֣תַן (natan) = heeft hij gegeven | לִ֑י (li) = aan mij | כִּ֚י (ki) = want | אָמַ֣ר (amar) = hij zei | אַל (al) = niet | תָּב֥וֹאִי (tavoi) = kom | רֵיקָ֖ם (reiqam) = leeg | אֶל (el) = tot | חֲמוֹתֵֽךְ (chamotekh) = je schoonmoeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:18** Zij zei: „Blijf zitten, mijn dochter, totdat je weet hoe de zaak afloopt. Want de man zal niet rusten, tenzij hij de zaak vandaag nog tot een einde brengt.” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zij zei | שְׁבִ֣י (shevi) = blijf zitten | בִתִּ֔י (biti) = mijn dochter | עַ֚ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תֵּֽדְעִ֔ין (tedein) = je weet | אֵ֖יךְ (eikh) = hoe | יִפֹּ֣ל (yipol) = zal vallen | דָּבָ֑ר (davar) = de zaak | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יִשְׁקֹט֙ (yishqot) = zal rusten | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | כִּֽי (ki) = want | אִם (im) = tenzij | כִּלָּ֥ה (kila) = hij brengt tot een einde | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵיךְ יִפֹּל דָּבָר (ech yippol davar), ‘hoe de zaak afloopt’: letterlijk ‘hoe het woord valt’. Zie ook: Ps 37:3–5; Jes 28:16; Jes 30:7 ## Ruth 4 _De losser in de poort: Boaz neemt Ruth, en Obed wordt geboren_ ### Boaz en de losser bij de poort **4:1** Boaz ging naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz had gesproken, kwam voorbij. Boaz zei: „Kom hier, ga zitten, Zus-en-Zo.” Hij kwam erheen en ging zitten. Brontekst: וּבֹ֨עַז (uvoaz) = en Boaz | עָלָ֣ה (ala) = ging omhoog | הַשַּׁעַר֮ (hashaar) = naar de poort | וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en ging zitten | שָׁם֒ (sham) = daar | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | הַגֹּאֵ֤ל (hagoel) = de losser | עֹבֵר֙ (over) = kwam voorbij | אֲשֶׁ֣ר (asher) = over wie | דִּבֶּר (diber) = had gesproken | בֹּ֔עַז (boaz) = Boaz | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en hij zei | ס֥וּרָה (sura) = kom | שְׁבָה (sheva) = ga zitten | פֹּ֖ה (po) = hier | פְּלֹנִ֣י (peloni) = Zus | אַלְמֹנִ֑י (almoni) = en Zo | וַיָּ֖סַר (vayasar) = en hij kwam erheen | וַיֵּשֵֽׁב (vayeshev) = en ging zitten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר (sha’ar), ‘poort’: de stadspoort was de plaats waar de oudsten recht spraken en zaken vastlegden. Zie ook 3:11 en Deut. 21:19. Voetnoot : פְּלֹנִי אַלְמֹנִי (peloni almoni), ‘Zus-en-Zo’: een uitdrukking voor iemand wiens naam niet genoemd wordt. De losser blijft zonder naam, terwijl Boaz, Ruth en Naomi hun naam in Israël houden. Voetnoot : גֹּאֵל (go’el), ‘losser’: de naaste verwant die voor een familielid opkomt. Hij koopt verkocht land terug (Lev. 25:25) en lost een verkochte verwant (Lev. 25:47–49). Zie ook 2:20 en 3:9. Zie ook: Job 31:21; Lev 25:25; Lev 25:47–49; Deut 16:18; Deut 21:19; Deut 25:7; Ruth 3:12; Amos 5:10–12 **4:2** Boaz nam 10 mannen van de oudsten van de stad en zei: „Ga hier zitten.” Zij gingen zitten. Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en hij nam | עֲשָׂרָ֧ה (asara) = tien | אֲנָשִׁ֛ים (anashim) = mannen | מִזִּקְנֵ֥י (miziqnei) = van de oudsten van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁבוּ (shevu) = ga zitten | פֹ֑ה (po) = hier | וַיֵּשֵֽׁבוּ (vayeshevu) = en zij gingen zitten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:8; Spr 31:23; 1 Kon 21:8; Klaagl 5:14; Hand 6:12 **4:3** Hij zei tegen de losser: „Het stuk veld dat van onze broer Elimelech was, verkoopt Naomi. Zij is teruggekeerd uit de velden van Moab. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לַגֹּאֵ֔ל (lagoel) = tegen de losser | חֶלְקַת֙ (chelqat) = het stuk van | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לְאָחִ֖ינוּ (leachinu) = van onze broer | לֶאֱלִימֶ֑לֶךְ (leelimelekh) = van Elimelech | מָכְרָ֣ה (makhera) = heeft verkocht | נָעֳמִ֔י (naomi) = Naomi | הַשָּׁ֖בָה (hashava) = die teruggekeerd is | מִשְּׂדֵ֥ה (misede) = uit de velden van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָח (ach), ‘broer’: hier ‘verwant’. Elimelech was een verwant van Boaz en van de losser. Voetnoot : Lev. 25:25 regelt dat de naaste verwant verkocht land terugkoopt. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier een voltooide tijd (‘heeft verkocht’). Omdat Boaz in vers 5 vraagt om het veld van Naomi te kopen, vertalen wij ‘verkoopt’: zij staat op het punt het te verkopen. Zie ook: Lev 25:25; Ruth 4:5; Ps 112:5; Spr 13:10 **4:4** Daarom dacht ik: ik zal het je laten horen. Ik zal zeggen: ‘Koop het in aanwezigheid van de mannen die hier zitten en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk.’ Als je wilt lossen, los dan. Maar als hij niet wil lossen, zeg het mij dan, zodat ik het weet. Want er is niemand om te lossen behalve jij, en ik kom na jou.” De losser zei: „Ik zal lossen.” Brontekst: וַאֲנִ֨י (vaani) = en ik | אָמַ֜רְתִּי (amarti) = ik zei | אֶגְלֶ֧ה (egle) = ik zal ontbloten | אָזְנְךָ֣ (azenekha) = je oor | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | קְ֠נֵה (qene) = koop | נֶ֥גֶד (neged) = in aanwezigheid van | הַֽיֹּשְׁבִים֮ (hayoshevim) = de zittenden | וְנֶ֣גֶד (veneged) = en in aanwezigheid van | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | עַמִּי֒ (ami) = mijn volk | אִם (im) = als | תִּגְאַל֙ (tigal) = je wilt lossen | גְּאָ֔ל (geal) = los | וְאִם (veim) = en als | לֹ֨א (lo) = niet | יִגְאַ֜ל (yigal) = hij wil lossen | הַגִּ֣ידָה (hagida) = zeg het | לִּ֗י (li) = mij | וְאֵֽדְעָה֙ (veedea) = en ik zal weten | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֤ין (ein) = er is niet | זוּלָֽתְךָ֙ (zulatekha) = behalve jij | לִגְא֔וֹל (ligol) = om te lossen | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | אַחֲרֶ֑יךָ (achareikha) = na jou | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | אֶגְאָֽל (egal) = ik zal lossen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶגְלֶה אָזְנְךָ (egleh oznecha), ‘ik zal je oor ontbloten’: ik zal het je vertellen. Zie ook 1 Sam. 20:2. Voetnoot Lezing: Hier gaat het Hebreeuws over van ‘jij’ (‘als je wilt lossen’) naar ‘hij’ (‘als hij niet wil lossen’). Wij vertalen letterlijk; de bedoeling blijft dezelfde. De woorden ‘De losser zei’ aan het eind van het vers staan er in het Hebreeuws niet; daar staat alleen ‘hij zei’. Wij noemen de losser, omdat anders niet te zien is wie spreekt. Zie ook: Lev 25:25–29; 1 Sam 20:2; Jer 32:7–12; Jer 32:25; 2 Kor 8:21; Fil 4:8 **4:5** Boaz zei: „Op de dag dat je het veld koopt van de hand van Naomi, koop je ook Ruth de Moabitische. Zij is de vrouw van de gestorvene. Zo richt je de naam van de gestorvene op, op zijn erfdeel.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | בֹּ֔עַז (boaz) = Boaz | בְּיוֹם (beyom) = op de dag | קְנוֹתְךָ֥ (qenotekha) = van je kopen | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | מִיַּ֣ד (miyad) = van de hand van | נָעֳמִ֑י (naomi) = Naomi | וּ֠מֵאֵת (umeet) = en van | ר֣וּת (rut) = Ruth | הַמּוֹאֲבִיָּ֤ה (hamoaviya) = de Moabitische | אֵֽשֶׁת (eshet) = de vrouw van | הַמֵּת֙ (hamet) = de gestorvene | קָנִ֔יתָה (qanita) = koop je | לְהָקִ֥ים (lehaqim) = om op te richten | שֵׁם (shem) = de naam van | הַמֵּ֖ת (hamet) = de gestorvene | עַל (al) = op | נַחֲלָתֽוֹ (nachalato) = zijn erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De naam van de gestorvene ‘oprichten’ op zijn erfdeel: de zoon van Ruth zou als erfgenaam van Machlon gelden. Dat lijkt op de gedachte van het zwagerhuwelijk in Deut. 25:5–6. Het is er geen in strikte zin: Boaz is geen broer van Machlon maar een verwant (vers 3), en Ruth was de weduwe van Machlon (vers 10). Voetnoot Lezing: De geschreven tekst heeft קניתי (qaniti), ‘ik koop’. De overlevering leest קָנִיתָ (qanita), ‘jij koopt’. Wij volgen de overlevering: wie het veld koopt, koopt ook Ruth. Vergelijk vers 10, waar Boaz zegt dat hij Ruth koopt. Zie ook: Gen 38:8; Deut 25:5–6; Ruth 3:12–13; Ruth 4:3; Ruth 4:10; Mat 22:24; Luc 20:28 **4:6** De losser zei: „Ik kan niet voor mezelf lossen, anders breng ik mijn erfdeel te gronde. Los jij wat ik te lossen heb, want ik kan niet lossen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | הַגֹּאֵ֗ל (hagoel) = de losser | לֹ֤א (lo) = niet | אוּכַל֙ (ukhal) = kan ik | לִגְאָל (ligal) = te lossen | לִ֔י (li) = voor mij | פֶּן (pen) = anders | אַשְׁחִ֖ית (ashchit) = ik zal te gronde richten | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלָתִ֑י (nachalati) = mijn erfdeel | גְּאַל (geal) = los | לְךָ֤ (lekha) = voor jou | אַתָּה֙ (ata) = jij | אֶת (et) = (obj.) | גְּאֻלָּתִ֔י (geulati) = mijn lossing | כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | אוּכַ֖ל (ukhal) = kan ik | לִגְאֹֽל (ligol) = te lossen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet waarom de losser zijn erfdeel zou bederven. Waarschijnlijk zou zijn eigen erfdeel kleiner worden: hij betaalt voor het veld, en de zoon van Ruth zou het land als erfdeel van Machlon krijgen, niet als zijn eigen erfdeel (onzeker). Zie ook: Lev 25:25; Ruth 3:13 ### De gewoonte van de sandaal **4:7** Zo ging het vroeger in Israël bij lossing en ruil, om elke zaak te bevestigen. De ene man trok zijn sandaal uit en gaf die aan de ander. Dit was het getuigenis in Israël. Brontekst: וְזֹאת֩ (vezot) = en dit | לְפָנִ֨ים (lefanim) = vroeger | בְּיִשְׂרָאֵ֜ל (beyisrael) = in Israël | עַל (al) = bij | הַגְּאוּלָּ֤ה (hageula) = de lossing | וְעַל (veal) = en bij | הַתְּמוּרָה֙ (hatemura) = de ruil | לְקַיֵּ֣ם (leqayem) = om te bevestigen | כָּל (kal) = elke | דָּבָ֔ר (davar) = zaak | שָׁלַ֥ף (shalaf) = trok uit | אִ֛ישׁ (ish) = een man | נַעֲל֖וֹ (naalo) = zijn sandaal | וְנָתַ֣ן (venatan) = en gaf | לְרֵעֵ֑הוּ (lereehu) = aan zijn naaste | וְזֹ֥את (vezot) = en dit | הַתְּעוּדָ֖ה (hateuda) = het getuigenis | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַעַל (na’al), ‘sandaal’: wij vertalen zo, zoals in Deut. 25:9–10. Het uittrekken van de sandaal betekent dat een zaak wordt overgedragen. Het verschilt van Deut. 25:7–10: daar trekt de weduwe de sandaal van de schoonbroer uit als hij weigert haar te nemen. Hier geeft de losser zijn eigen sandaal aan Boaz. Voetnoot : תְּמוּרָה (temurah), ‘ruil’: ook in Lev. 27:10 en 27:33. Voetnoot : תְּעוּדָה (te’udah), ‘getuigenis’: vergelijk עֵדוּת (edut), ‘getuigenis’. De schrijver legt dit uit voor lezers die de gewoonte niet meer kennen. Zie ook: Lev 27:10; Lev 27:33; Deut 25:7–10; Deut 25:9–10 **4:8** De losser zei tegen Boaz: „Koop het voor jezelf.” Hij trok zijn sandaal uit. Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | הַגֹּאֵ֛ל (hagoel) = de losser | לְבֹ֖עַז (levoaz) = tegen Boaz | קְנֵה (qene) = koop | לָ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | וַיִּשְׁלֹ֖ף (vayishlof) = en hij trok uit | נַעֲלֽוֹ (naalo) = zijn sandaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Boaz koopt het erfdeel en neemt Ruth **4:9** Boaz zei tegen de oudsten en heel het volk: „Jullie zijn vandaag getuigen. Ik heb van de hand van Naomi alles gekocht wat van Elimelech was, en alles wat van Kiljon en Machlon was. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | בֹּ֨עַז (boaz) = Boaz | לַזְּקֵנִ֜ים (lazeqenim) = tegen de oudsten | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | עֵדִ֤ים (edim) = getuigen | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | כִּ֤י (ki) = dat | קָנִ֨יתִי֙ (qaniti) = ik heb gekocht | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לֶֽאֱלִימֶ֔לֶךְ (leelimelekh) = van Elimelech | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לְכִלְי֖וֹן (lekhilyon) = van Kiljon | וּמַחְל֑וֹן (umachlon) = en Machlon | מִיַּ֖ד (miyad) = van de hand van | נָעֳמִֽי (naomi) = Naomi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 23:16–18; Jer 32:10–12 **4:10** Ook Ruth de Moabitische, de vrouw van Machlon, heb ik voor mij gekocht tot vrouw. Zo richt ik de naam van de gestorvene op, op zijn erfdeel. De naam van de gestorvene wordt niet afgesneden van zijn broeders en van de poort van zijn plaats. Jullie zijn vandaag getuigen.” Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | ר֣וּת (rut) = Ruth | הַמֹּאֲבִיָּה֩ (hamoaviya) = de Moabitische | אֵ֨שֶׁת (eshet) = de vrouw van | מַחְל֜וֹן (machlon) = Machlon | קָנִ֧יתִי (qaniti) = heb ik gekocht | לִ֣י (li) = voor mij | לְאִשָּׁ֗ה (leisha) = tot vrouw | לְהָקִ֤ים (lehaqim) = om op te richten | שֵׁם (shem) = de naam van | הַמֵּת֙ (hamet) = de gestorvene | עַל (al) = op | נַ֣חֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | וְלֹא (velo) = en niet | יִכָּרֵ֧ת (yikaret) = wordt afgesneden | שֵׁם (shem) = de naam van | הַמֵּ֛ת (hamet) = de gestorvene | מֵעִ֥ם (meim) = van bij | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broeders | וּמִשַּׁ֣עַר (umishaar) = en van de poort van | מְקוֹמ֑וֹ (meqomo) = zijn plaats | עֵדִ֥ים (edim) = getuigen | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Boaz koopt het veld en neemt Ruth, de weduwe van Machlon, tot vrouw. Zo blijft de naam van Machlon en van het geslacht van Elimelech in Israël bestaan (vergelijk Deut. 25:6). Zie ook: Deut 25:6; Spr 18:22; Zach 13:2; Ef 5:25; Heb 13:4 **4:11** Heel het volk dat in de poort was en de oudsten zeiden: „Getuigen zijn wij! Moge Yahweh de vrouw die in je huis komt, maken als Rachel en Lea, die samen het huis van Israël hebben gebouwd. Handel bekwaam in Efrata en maak een naam in Betlehem. Brontekst: וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zeiden | כָּל (kal) = heel | הָעָ֧ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | בַּשַּׁ֛עַר (bashaar) = in de poort | וְהַזְּקֵנִ֖ים (vehazeqenim) = en de oudsten | עֵדִ֑ים (edim) = getuigen | יִתֵּן֩ (yiten) = moge geven | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽת (et) = (obj.) | הָאִשָּׁ֜ה (haisha) = de vrouw | הַבָּאָ֣ה (habaa) = die komt | אֶל (el) = naar | בֵּיתֶ֗ךָ (beitekha) = je huis | כְּרָחֵ֤ל (kerachel) = als Rachel | וּכְלֵאָה֙ (ukhelea) = en als Lea | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | בָּנ֤וּ (banu) = hebben gebouwd | שְׁתֵּיהֶם֙ (sheteihem) = beiden | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַעֲשֵׂה (vaase) = en handel | חַ֣יִל (chayil) = bekwaam | בְּאֶפְרָ֔תָה (beefrata) = in Efrata | וּקְרָא (uqera) = en roep | שֵׁ֖ם (shem) = een naam | בְּבֵ֥ית (beveit) = in huis van | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Efrata is de streek rond Betlehem (Gen. 35:19; Micha 5:1). Betlehem ligt ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, in het huidige Palestijnse gebied (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: De zegen noemt Rachel en Lea, de twee vrouwen van Jakob die samen het huis van Israël hebben gebouwd (Gen. 29–30). Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘moge Yahweh de vrouw geven’ en vervolgt met ‘als Rachel en Lea’; wij vertalen ‘maken’. Voetnoot : עֲשֵׂה חַיִל (aseh chayil), ‘handel bekwaam’: laat zien dat je bekwaam bent. Hetzelfde woord חַיִל (chayil) staat bij Boaz in 2:1 en bij Ruth in 3:11. Zie ook: Gen 29:32–30:24; Gen 35:16–20; Gen 35:19; Ps 127:3–5; Mi 5:1; Mat 2:6 **4:12** Moge je huis worden als het huis van Peres, die Tamar aan Juda baarde. Moge het zo zijn door het nageslacht dat Yahweh je uit dit meisje zal geven.” Brontekst: וִיהִ֤י (vihi) = en moge worden | בֵֽיתְךָ֙ (beitekha) = je huis | כְּבֵ֣ית (keveit) = als het huis van | פֶּ֔רֶץ (perets) = Peres | אֲשֶׁר (asher) = die | יָלְדָ֥ה (yaleda) = baarde | תָמָ֖ר (tamar) = Tamar | לִֽיהוּדָ֑ה (lihuda) = aan Juda | מִן (min) = uit | הַזֶּ֗רַע (hazera) = het nageslacht | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יִתֵּ֤ן (yiten) = zal geven | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְךָ֔ (lekha) = aan jou | מִן (min) = uit | הַֽנַּעֲרָ֖ה (hanaara) = het meisje | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Peres was de zoon van Tamar en Juda (Gen. 38:27–30). Gen. 38 vertelt hoe Tamar, de weduwe van Er, zoon van Juda, via Juda zonen kreeg (vergelijk Gen. 38:8 en het zwagerhuwelijk in Deut. 25:5–10). Voetnoot : נַעֲרָה (na’arah), ‘meisje’: zie 2:5. Zie ook: Gen 38:8; Gen 38:27–30; Gen 38:29; Gen 46:12; Deut 25:5–10; 1 Sam 2:20; 1 Kron 2:4; Mat 1:3 ### Obed wordt geboren **4:13** Boaz nam Ruth, en zij werd zijn vrouw. Hij ging tot haar in, en Yahweh gaf haar zwangerschap. Zij beviel van een zoon. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | בֹּ֤עַז (boaz) = Boaz | אֶת (et) = (obj.) | רוּת֙ (rut) = Ruth | וַתְּהִי (vatehi) = en zij werd | ל֣וֹ (lo) = voor hem | לְאִשָּׁ֔ה (leisha) = tot vrouw | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij ging in | אֵלֶ֑יהָ (eleiha) = tot haar | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֛הּ (lah) = aan haar | הֵרָי֖וֹן (herayon) = zwangerschap | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en zij baarde | בֵּֽן (ben) = een zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵרָיוֹן (herayon), ‘zwangerschap’: een zeldzaam woord (vergelijk Hos. 9:11). Hier zegt de verteller zelf dat Yahweh haar de zwangerschap geeft. Zie ook: Gen 29:31; Gen 33:5; Ruth 3:11; Ps 113:9; Ps 127:3; Hos 9:11 **4:14** De vrouwen zeiden tegen Naomi: „Gezegend zij Yahweh, die het je vandaag niet aan een losser heeft laten ontbreken. Moge zijn naam in Israël worden uitgeroepen. Brontekst: וַתֹּאמַ֤רְנָה (vatomarna) = en zeiden | הַנָּשִׁים֙ (hanashim) = de vrouwen | אֶֽל (el) = tot | נָעֳמִ֔י (naomi) = Naomi | בָּר֣וּךְ (barukh) = gezegend | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | הִשְׁבִּ֥ית (hishbit) = heeft laten ontbreken | לָ֛ךְ (lakh) = voor jou | גֹּאֵ֖ל (goel) = een losser | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וְיִקָּרֵ֥א (veyiqare) = en moge worden uitgeroepen | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: ‘Zijn naam’ kan slaan op de naam van Yahweh, van de losser of van het kind. Wij laten het open en vertalen ‘zijn naam’; uit het vervolg blijkt dat het kind bedoeld is. Zie ook: Gen 12:2; Ruth 4:21–22; Jes 11:1–4; Mat 1:5–20; Luc 1:58 **4:15** Hij zal voor je zijn tot herstel van je ziel en tot verzorger van je grijze haren. Want je schoondochter, die van je houdt, heeft hem gebaard. Zij is beter voor je dan 7 zonen.” Brontekst: וְהָ֤יָה (vehaya) = en hij zal zijn | לָךְ֙ (lakh) = voor jou | לְמֵשִׁ֣יב (lemeshiv) = tot herstel van | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = ziel | וּלְכַלְכֵּ֖ל (ulekhalkel) = en tot verzorger van | אֶת (et) = (obj.) | שֵׂיבָתֵ֑ךְ (seivatekh) = je grijze haren | כִּ֣י (ki) = want | כַלָּתֵ֤ךְ (kalatekh) = je schoondochter | אֲֽשֶׁר (asher) = die | אֲהֵבַ֨תֶךְ֙ (ahevatekh) = van je houdt | יְלָדַ֔תּוּ (yeladatu) = heeft hem gebaard | אֲשֶׁר (asher) = die | הִיא֙ (hi) = zij | ט֣וֹבָה (tova) = beter | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | מִשִּׁבְעָ֖ה (mishiva) = dan zeven | בָּנִֽים (banim) = zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵשִׁיב נֶפֶשׁ (meshiv nefesh), ‘herstel van je ziel’: iemand die je levenskracht terugbrengt. Zie ook Ps. 23:3. Voetnoot : שֵׂיבָה (sevah), ‘grijze haren’: een uitdrukking voor ouderdom. Voetnoot : De vrouwen noemen Ruth ‘beter dan 7 zonen’. Zeven is het getal van volheid; een vrouw met zeven zonen was in Israël volop gezegend (vergelijk 1 Sam. 2:5). Zie ook: Gen 45:11; Gen 47:12; Ruth 2:11–12; 1 Sam 2:5; Ps 23:3; Ps 55:23; Jes 46:4 **4:16** Naomi nam het kind en legde het op haar schoot. Zij werd zijn verzorgster. Brontekst: וַתִּקַּ֨ח (vatiqach) = en nam | נָעֳמִ֤י (naomi) = Naomi | אֶת (et) = (obj.) | הַיֶּ֨לֶד֙ (hayeled) = het kind | וַתְּשִׁתֵ֣הוּ (vateshitehu) = en legde hem | בְחֵיקָ֔הּ (becheiqah) = op haar schoot | וַתְּהִי (vatehi) = en zij werd | ל֖וֹ (lo) = voor hem | לְאֹמֶֽנֶת (leomenet) = tot verzorgster Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹמֶנֶת (omenet), ‘verzorgster’: een vrouw die voor een kind zorgt, zoals een voedster of pleegmoeder. **4:17** De buurvrouwen gaven hem een naam. Zij zeiden: „Aan Naomi is een zoon geboren.” Zij noemden hem Obed. Hij is de vader van Isaï, de vader van David. Brontekst: וַתִּקְרֶאנָה֩ (vatiqrena) = en noemden | ל֨וֹ (lo) = hem | הַשְּׁכֵנ֥וֹת (hashekhenot) = de buurvrouwen | שֵׁם֙ (shem) = een naam | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יֻלַּד (yulad) = is geboren | בֵּ֖ן (ben) = een zoon | לְנָעֳמִ֑י (lenaomi) = aan Naomi | וַתִּקְרֶ֤אנָֽה (vatiqrena) = en zij noemden | שְׁמוֹ֙ (shemo) = zijn naam | עוֹבֵ֔ד (oved) = Obed | ה֥וּא (hu) = hij | אֲבִי (avi) = de vader van | יִשַׁ֖י (yishay) = Isaï | אֲבִ֥י (avi) = de vader van | דָוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹבֵד (Oved), ‘Obed’: ‘dienaar’ of ‘iemand die dient’. De vrouwen geven de naam, wat ongewoon is; meestal doen de ouders dat. Voetnoot : יִשַׁי (Yishai), ‘Isaï’: de vader van David (1 Sam. 16:1; 17:12). Zie ook: 1 Sam 16:1; 1 Sam 17:12; Luc 1:58–63 ### De geslachtslijst van Peres tot David **4:18** Dit is de geschiedenis van Peres: Peres werd de vader van Chezron. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit | תּוֹלְד֣וֹת (toledot) = de geschiedenis van | פָּ֔רֶץ (parets) = Peres | פֶּ֖רֶץ (perets) = Peres | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | חֶצְרֽוֹן (chetsron) = Chezron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹלְדוֹת (toledot), ‘geschiedenis’: de verhalen en de afstammelingen van iemand. Zo ook in Gen. 2:4 en 37:2; hier is het een geslachtslijst. Tien namen van Peres tot David. Voetnoot : הוֹלִיד (holid), ‘werd de vader van’: in Hebreeuwse geslachtslijsten kan dit ook ‘werd de voorvader van’ betekenen. Voetnoot : Zie voor dezelfde lijst Matt. 1:3–6 en 1 Kron. 2:5–15; Peres is de zoon van Juda en Tamar (Gen. 38:29). Zie ook: Gen 2:4; Gen 37:2; Gen 38:29; 1 Kron 2:4–8; 1 Kron 2:5–15; 1 Kron 4:1; Mat 1:3–6; Luc 3:33 **4:19** Chezron werd de vader van Ram, en Ram werd de vader van Amminadab. Brontekst: וְחֶצְרוֹן֙ (vechetsron) = en Chezron | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | רָ֔ם (ram) = Ram | וְרָ֖ם (veram) = en Ram | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּֽינָדָֽב (aminadav) = Amminadab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 2:9–10; Mat 1:4; Luc 3:33 **4:20** Amminadab werd de vader van Nachsjon, en Nachsjon werd de vader van Salmon. Brontekst: וְעַמִּֽינָדָב֙ (veaminadav) = en Amminadab | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | נַחְשׁ֔וֹן (nachshon) = Nachsjon | וְנַחְשׁ֖וֹן (venachshon) = en Nachsjon | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | שַׂלְמָֽה (salma) = Salmon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Hebreeuwse tekst heeft hier שַׂלְמָה (Salma), in vers 21 שַׂלְמוֹן (Salmon); het gaat om dezelfde man. Wij schrijven beide keren Salmon, zoals in Matt. 1:5. Zie ook: Num 1:7; Ruth 4:21; Mat 1:4; Mat 1:5; Luc 3:32 **4:21** Salmon werd de vader van Boaz, en Boaz werd de vader van Obed. Brontekst: וְשַׂלְמוֹן֙ (vesalmon) = en Salmon | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | בֹּ֔עַז (boaz) = Boaz | וּבֹ֖עַז (uvoaz) = en Boaz | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | עוֹבֵֽד (oved) = Obed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De geslachtslijst noemt de moeder van Boaz niet. Matt. 1:5 noemt Rachab als moeder van Boaz en Ruth als moeder van Obed. Zie ook: 1 Kron 2:11–12; Mat 1:5; Luc 3:32 **4:22** Obed werd de vader van Isaï, en Isaï werd de vader van David. Brontekst: וְעֹבֵד֙ (veoved) = en Obed | הוֹלִ֣יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | יִשָׁ֔י (yishay) = Isaï | וְיִשַׁ֖י (veyishay) = en Isaï | הוֹלִ֥יד (holid) = werd de vader van | אֶת (et) = (obj.) | דָּוִֽד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: David werd door Samuël tot koning gezalfd (1 Sam. 16:13). Het boek Ruth eindigt met zijn naam: de vrouw uit Moab is de overgrootmoeder van David. Matt. 1:5–6 neemt deze lijn over: Boaz, Obed, Isaï, David. Zie ook: 1 Sam 16:1; 1 Sam 16:13; 1 Kron 2:15; Jes 11:1; Mat 1:5–6; Mat 1:6; Luc 3:31