# Spreuken (משלי, Mishlei) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Spreuken 1 _Opschrift, doel en de roep van de Wijsheid_ ### Opschrift en doel van de Spreuken **1:1** Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël. Brontekst: מִ֭שְׁלֵי (mishlei) = spreuken van | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | בֶן (ben) = zoon van | דָּוִ֑ד (david) = David | מֶ֝֗לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁלֵי (mishlei), ‘spreuken’: een mashal is een spreuk, een beeldspraak of een vergelijking. Het opschrift noemt Salomo; daarna volgen nog andere opschriften (Spr. 10:1; 25:1; 30:1; 31:1). Voetnoot : Het boek Spreuken heeft hier een lange inleiding (Spr. 1–9) in de vorm van onderwijs van een vader aan zijn zoon. Zie ook: 1 Kron 22:9; 1 Kron 28:5; Spr 10:1; Spr 25:1; Spr 30:1; Spr 31:1; Pred 1:1 **1:2** Om wijsheid en tucht te kennen; om woorden van inzicht te begrijpen; Brontekst: לָדַ֣עַת (ladaat) = om te kennen | חָכְמָ֣ה (chakhema) = wijsheid | וּמוּסָ֑ר (umusar) = en tucht | לְ֝הָבִ֗ין (lehavin) = om te begrijpen | אִמְרֵ֥י (imrei) = woorden van | בִינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכְמָה (chokmah), ‘wijsheid’: kunde en inzicht in hoe het leven werkt, ook in de omgang met Yahweh. Wij vertalen steeds ‘wijsheid’; wie die heeft, is een ‘wijze’ (chakam). Voetnoot : מוּסָר (musar), ‘tucht’: het woord betekent ook ‘onderricht’ en ‘vermaning’. Wij houden ‘tucht’ aan in het hele boek. Voetnoot : בִּינָה (binah), ‘inzicht’, en verderop תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’: twee verwante woorden die wij vast gescheiden houden. Zie ook: Deut 4:5–6; Spr 7:4; Spr 17:16; 1 Kon 3:9–12; 2 Tim 3:15–17 **1:3** om de tucht van doorzicht aan te nemen: gerechtigheid, recht en oprechtheid; Brontekst: לָ֭קַחַת (laqachat) = om aan te nemen | מוּסַ֣ר (musar) = tucht van | הַשְׂכֵּ֑ל (haskel) = doorzicht | צֶ֥דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וּ֝מִשְׁפָּ֗ט (umishpat) = en recht | וּמֵישָׁרִֽים (umeisharim) = en oprechtheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׂכֵּל (haskel), ‘doorzicht’: het inzicht dat tot verstandig handelen leidt. Wij vertalen ‘doorzicht’ om het te onderscheiden van binah (inzicht). Zie ook: Job 22:22; Spr 2:1–9; Spr 8:10–11; 1 Kon 3:28 **1:4** om de eenvoudigen slimheid te geven, de jongen kennis en doordachtheid. Brontekst: לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | לִפְתָאיִ֣ם (liftayim) = aan eenvoudigen | עָרְמָ֑ה (arema) = slimheid | לְ֝נַ֗עַר (lenaar) = aan de jongen | דַּ֣עַת (daat) = kennis | וּמְזִמָּֽה (umezima) = en doordachtheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּתָאִים (peta’im), ‘eenvoudigen’: mensen die nog niet gevormd zijn en gemakkelijk worden meegevoerd. Het woord is hier niet scheldend bedoeld. Voetnoot : עָרְמָה (ormah), ‘slimheid’: het woord is positief als het goed gebruikt wordt; elders (Spr. 12:23; 14:8) vertalen wij het als ‘sluwheid’ waar het om list gaat. Voetnoot : מְזִמָּה (mezimmah), ‘doordachtheid’: het vermogen om vooruit te denken en te plannen. Zie ook: Ps 119:9; Spr 8:5; Spr 8:12; Spr 8:17; Spr 8:32; Spr 12:23; Spr 14:8 **1:5** De wijze luistert en voegt lering toe; de verstandige verwerft leiding. Brontekst: יִשְׁמַ֣ע (yishma) = luistert | חָ֭כָם (chakham) = de wijze | וְי֣וֹסֶף (veyosef) = en voegt toe | לֶ֑קַח (leqach) = lering | וְ֝נָב֗וֹן (venavon) = en de verstandige | תַּחְבֻּל֥וֹת (tachbulot) = leiding | יִקְנֶֽה (yiqne) = verwerft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחְבֻּלוֹת (tachbulot), ‘leiding’: eigenlijk ‘stuurmanskunst’ (een schip sturen). De verstandige leert dus de goede weg te kiezen. Zie ook: Job 34:10; Job 34:16; Spr 9:9; Spr 12:1; 1 Kor 10:15 **1:6** Zo begrijpt men een spreuk en een raadselspreuk, de woorden van wijzen en hun raadsels. Brontekst: לְהָבִ֣ין (lehavin) = om te begrijpen | מָ֭שָׁל (mashal) = spreuk | וּמְלִיצָ֑ה (umelitsa) = en raadselspreuk | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | חֲ֝כָמִ֗ים (chakhamim) = wijzen | וְחִידֹתָֽם (vechidotam) = en hun raadsels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְלִיצָה (melitsah), ‘raadselspreuk’: de betekenis is onzeker. Het woord staat naast ‘spreuk’ (mashal) en kan ook ‘zinspreuk’ of ‘spotdicht’ betekenen. Wij houden ‘raadselspreuk’ aan; verderop in het vers staat het gewone woord voor raadsel (chidah, Ps. 78:2). Zie ook: Ps 49:5; Ps 78:2; Mar 4:11; Hand 8:30–31; Heb 5:14 **1:7** De vrees voor Yahweh is het begin van kennis. Wijsheid en tucht verachten de zotten. Brontekst: יִרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | רֵאשִׁ֣ית (reshit) = begin van | דָּ֑עַת (daat) = kennis | חָכְמָ֥ה (chakhema) = wijsheid | וּ֝מוּסָ֗ר (umusar) = en tucht | אֱוִילִ֥ים (evilim) = zotten | בָּֽזוּ (bazu) = verachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat hier ontzag en eerbied, niet alleen angst. Het werkwoord yare vertalen wij steeds met ‘vrezen’. Vergelijk Job 28:28 en Ps. 111:10. Voetnoot : רֵאשִׁית (reshit), ‘begin’: het woord kan ook ‘het beste’ of ‘het voornaamste’ betekenen. De vrees voor Yahweh is dus het begin én de kern van kennis. Voetnoot : אֱוִילִים (evilim), ‘zotten’: mensen die zich niets van wijsheid aantrekken. Wij vertalen evil steeds met ‘zot’ en kesil met ‘dwaas’. Zie ook: Job 28:28; Ps 111:10–112:1; Spr 9:10; Spr 15:33; Pred 12:13 ### Onderwijs van de vader aan zijn zoon **1:8** Luister, mijn zoon, naar de tucht van je vader en verlaat het onderwijs van je moeder niet. Brontekst: שְׁמַ֣ע (shema) = luister | בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | מוּסַ֣ר (musar) = naar de tucht van | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | וְאַל (veal) = en niet | תִּ֝טֹּ֗שׁ (titosh) = verlaat | תּוֹרַ֥ת (torat) = het onderwijs van | אִמֶּֽךָ (imekha) = je moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘onderwijs’: zo vertalen wij het woord waar de vader of de wijze het geeft. Waar het om de wet van Elohim gaat, vertalen wij ‘wet’ (bijvoorbeeld Spr. 28:4). Zie ook: Spr 5:1–2; Spr 6:20; Spr 28:4; Spr 30:17; Spr 31:1; 2 Tim 1:5 **1:9** Want zij zijn een krans van gunst voor je hoofd en kettingen voor je hals. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לִוְיַ֤ת (livyat) = een krans van | חֵ֓ן (chen) = gunst | הֵ֬ם (hem) = zij | לְרֹאשֶׁ֑ךָ (leroshekha) = voor je hoofd | וַ֝עֲנָקִ֗ים (vaanaqim) = en kettingen | לְגַרְגְּרֹתֶֽיךָ (legargeroteikha) = voor je hals Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵן (chen), ‘gunst’: ook ‘bevalligheid’ of ‘sierlijkheid’. Wij houden ‘gunst’ aan, zoals elders in de Bijbel. Zie ook: Gen 41:42; Spr 3:22; Spr 4:9; Spr 6:20–21; Dan 5:29 **1:10** Mijn zoon, als zondaars je verleiden, stem dan niet toe. Brontekst: בְּנִ֡י (beni) = mijn zoon | אִם (im) = als | יְפַתּ֥וּךָ (yefatukha) = verleiden je | חַ֝טָּאִ֗ים (chataim) = zondaars | אַל (al) = niet | תֹּבֵֽא (tove) = stem toe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַל תֹּבֵא (al tovo), ‘kom niet’: letterlijk ‘ga niet mee’, ‘geef niet toe’. Wij vertalen ‘stem niet toe’. Zie ook: Deut 13:9; Ps 1:1; Spr 13:20; Spr 16:29; Ef 5:11 **1:11** Als zij zeggen: „Ga met ons mee! Laten wij op de loer liggen op bloed; laten wij de onschuldige zonder reden opwachten. Brontekst: אִם (im) = als | יֹאמְרוּ֮ (yomru) = zij zeggen | לְכָ֪ה (lekha) = ga mee | אִ֫תָּ֥נוּ (itanu) = met ons | נֶאֶרְבָ֥ה (neerva) = laten wij op de loer liggen | לְדָ֑ם (ledam) = op bloed | נִצְפְּנָ֖ה (nitspena) = laten wij opwachten | לְנָקִ֣י (lenaqi) = de onschuldige | חִנָּֽם (chinam) = zonder reden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er begint een toespraak van de zondaars (tot en met vers 14). Het ‘bloed’ staat voor moord en roof. Zie ook: Spr 1:14; Spr 1:18; Spr 12:6; Jer 5:26; Jer 18:18–20; Hand 25:3 **1:12** Laten wij hen inslikken als Sjeol, levend, en onberispelijken als wie in de kuil neerdalen. Brontekst: נִ֭בְלָעֵם (nivlaem) = laten wij hen inslikken | כִּשְׁא֣וֹל (kishol) = als Sjeol | חַיִּ֑ים (chayim) = levend | וּ֝תְמִימִ֗ים (utemimim) = en onberispelijken | כְּי֣וֹרְדֵי (keyoredei) = als wie neerdalen in | בֽוֹר (bor) = de kuil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (sheol), ‘Sjeol’: het verblijf van de doden. Wij schrijven steeds ‘Sjeol’. De zondaars willen hun slachtoffers net zo plotseling verslinden als de Sjeol dat doet. Voetnoot : בּוֹר (bor), ‘kuil’: het graf, de plaats van de doden. Zie ook: Ps 28:1; Ps 124:3; Jer 51:34; Klaagl 2:5; Rom 3:13 **1:13** Wij vinden allerlei kostbaar vermogen; wij vullen onze huizen met buit. Brontekst: כָּל (kal) = allerlei | ה֣וֹן (hon) = vermogen | יָקָ֣ר (yaqar) = kostbaar | נִמְצָ֑א (nimtsa) = wij vinden | נְמַלֵּ֖א (nemale) = wij vullen | בָתֵּ֣ינוּ (bateinu) = onze huizen | שָׁלָֽל (shalal) = met buit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 24:2–3; Jer 22:16–17; Luc 12:15; 1 Tim 6:9–10; Openb 18:9–16 **1:14** Je zult je lot onder ons werpen. Er zal één beurs zijn voor ons allen.” Brontekst: גּ֭וֹרָ֣לְךָ (goralekha) = je lot | תַּפִּ֣יל (tapil) = zul je werpen | בְּתוֹכֵ֑נוּ (betokhenu) = onder ons | כִּ֥יס (kis) = beurs | אֶ֝חָ֗ד (echad) = één | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְכֻלָּֽנוּ (lekhulanu) = voor ons allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:15** Mijn zoon, ga niet met hen op weg. Houd je voet terug van hun pad. Brontekst: בְּנִ֗י (beni) = mijn zoon | אַל (al) = niet | תֵּלֵ֣ךְ (telekh) = ga | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op weg | אִתָּ֑ם (itam) = met hen | מְנַ֥ע (mena) = houd terug | רַ֝גְלְךָ֗ (raglekha) = je voet | מִנְּתִיבָתָֽם (minetivatam) = van hun pad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 1:1; Ps 26:4–5; Ps 119:101; Spr 4:14–15; Spr 4:27 **1:16** Want hun voeten rennen naar het kwaad en haasten zich om bloed te vergieten. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | רַ֭גְלֵיהֶם (ragleihem) = hun voeten | לָרַ֣ע (lara) = naar het kwaad | יָר֑וּצוּ (yarutsu) = rennen | וִֽ֝ימַהֲר֗וּ (vimaharu) = en haasten zich | לִשְׁפָּךְ (lishpakh) = om te vergieten | דָּֽם (dam) = bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers lijkt sterk op Jes. 59:7. Zie ook: Spr 4:16; Spr 6:18; Jes 59:7; Rom 3:5 **1:17** Want het net wordt tevergeefs uitgespreid voor de ogen van alles wat vleugels heeft. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | חִ֭נָּם (chinam) = tevergeefs | מְזֹרָ֣ה (mezora) = wordt uitgespreid | הָרָ֑שֶׁת (harashet) = het net | בְּ֝עֵינֵ֗י (beeinei) = voor de ogen van | כָל (kal) = alles | בַּ֥עַל (baal) = wat bezit | כָּנָֽף (kanaf) = vleugel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin is moeilijk. Wij lezen: wie een vogel wil vangen, spreidt het net tevergeefs uit als de vogel het ziet. Zo gaan de zondaars zelf in hun eigen net (vers 18). Voetnoot : בַּעַל כָּנָף (ba’al kanaf), ‘bezitter van een vleugel’: elk gevleugeld dier, een vogel. Voetnoot : חִנָּם (chinnam), ‘tevergeefs’: ook ‘zonder reden’ (vers 11). Wij kiezen per vers wat de zin eist. Zie ook: Job 35:11; Spr 1:11; Spr 1:18; Spr 7:23; Jes 1:3; Jer 8:7 **1:18** Maar zij liggen op de loer op hun eigen bloed; zij verbergen zich voor hun eigen leven. Brontekst: וְ֭הֵם (vehem) = maar zij | לְדָמָ֣ם (ledamam) = op hun eigen bloed | יֶאֱרֹ֑בוּ (yeerovu) = liggen op de loer | יִ֝צְפְּנ֗וּ (yitspenu) = verbergen zich | לְנַפְשֹׁתָֽם (lenafshotam) = voor hun eigen leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het woord betekent de mens als levend wezen, met zijn leven, zijn adem en zijn begeerte. Wij vertalen meestal ‘ziel’ en waar de zin het eist ‘leven’, ‘persoon’ of ‘begeerte’. Hier staat ‘leven’. Zie ook: Ps 7:15–17; Ps 9:17; Spr 5:22–23; Spr 28:17; Est 7:10 **1:19** Zo zijn de paden van ieder die winst najaagt: het neemt het leven weg van zijn bezitter. Brontekst: כֵּ֗ן (ken) = zo | אָ֭רְחוֹת (arechot) = paden van | כָּל (kal) = ieder | בֹּ֣צֵֽעַ (botsea) = die najaagt | בָּ֑צַע (batsa) = winst | אֶת (et) = (obj.) | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = leven van | בְּעָלָ֣יו (bealav) = zijn bezitter | יִקָּֽח (yiqach) = neemt het weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּצֵעַ בֶּצַע (botse’a betsa), ‘wie winst najaagt’: het woord betsa kan ook ‘roof’ of ‘oneerlijk gewin’ zijn. Het ‘het’ aan het slot kan op de winst slaan of op het pad; de Hebreeuwse vorm laat beide toe. Zie ook: Spr 15:27; Jer 22:17–19; Hab 2:9; Jak 5:1–4; 2 Petr 2:3 ### De Wijsheid roept **1:20** De Wijsheid roept luid op straat; zij laat haar stem horen op de pleinen. Brontekst: חָ֭כְמוֹת (chakhemot) = de Wijsheid | בַּח֣וּץ (bachuts) = op straat | תָּרֹ֑נָּה (tarona) = roept luid | בָּ֝רְחֹב֗וֹת (barechovot) = op de pleinen | תִּתֵּ֥ן (titen) = geeft | קוֹלָֽהּ (qolah) = haar stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכְמוֹת (chokmot), ‘Wijsheid’: een meervoudsvorm die de volheid van de wijsheid uitdrukt. Zij wordt hier als een persoon voorgesteld die roept; wij schrijven ‘de Wijsheid’ met ‘zij’. Zie ook Spr. 8 en 9. De spreker staat zwart gedrukt: de Wijsheid is niet Yahweh zelf. Zie ook: Spr 8:1–5; Spr 9:3; Luc 11:49; 1 Kor 1:24; Kol 2:3 **1:21** Aan het hoofd van de rumoerige straten roept zij. Bij de ingangen van de poorten, in de stad, zegt zij haar woorden: Brontekst: בְּרֹ֥אשׁ (berosh) = aan het hoofd van | הֹמִיּ֗וֹת (homiyot) = de rumoerige straten | תִּ֫קְרָ֥א (tiqra) = roept zij | בְּפִתְחֵ֖י (befitchei) = bij de ingangen van | שְׁעָרִ֥ים (shearim) = poorten | בָּעִ֗יר (bair) = in de stad | אֲמָרֶ֥יהָ (amareiha) = haar woorden | תֹאמֵֽר (tomer) = zegt zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 9:3; Mat 10:27; Mat 13:2; Joh 18:20; Hand 5:20 **1:22** „Hoelang nog, eenvoudigen, houden jullie van eenvoud? Spotters verlangen naar spot, en dwazen haten kennis. Brontekst: עַד (ad) = tot | מָתַ֣י (matay) = wanneer | פְּתָיִם֮ (petayim) = eenvoudigen | תְּֽאֵהֲב֫וּ (teehavu) = houden jullie van | פֶ֥תִי (peti) = eenvoud | וְלֵצִ֗ים (veletsim) = en spotters | לָ֭צוֹן (latson) = spot | חָמְד֣וּ (chamedu) = verlangen | לָהֶ֑ם (lahem) = naar zich | וּ֝כְסִילִ֗ים (ukhesilim) = en dwazen | יִשְׂנְאוּ (yisneu) = haten | דָֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 1:1; Spr 1:29; Spr 5:12; Joh 3:20; 2 Petr 3:3 **1:23** Keer terug bij mijn terechtwijzing! Zie, ik stort mijn geest over jullie uit; ik maak mijn woorden aan jullie bekend. Brontekst: תָּשׁ֗וּבוּ (tashuvu) = keer terug | לְֽת֫וֹכַחְתִּ֥י (letokhachti) = bij mijn terechtwijzing | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אַבִּ֣יעָה (abia) = ik stort uit | לָכֶ֣ם (lakhem) = over jullie | רוּחִ֑י (ruchi) = mijn geest | אוֹדִ֖יעָה (odia) = ik maak bekend | דְבָרַ֣י (devaray) = mijn woorden | אֶתְכֶֽם (etkhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּבוּ לְתוֹכַחְתִּי (shuvu letochachti), ‘keer terug bij mijn terechtwijzing’: het voorzetsel is moeilijk; het kan ook betekenen ‘keer terug door mijn terechtwijzing’ of ‘keer om op mijn terechtwijzing’. Voetnoot : רוּחִי (ruchi), ‘mijn geest’: hier wat de Wijsheid inwendig bezielt en wat zij nu overdraagt: haar gedachten en haar kracht. Het woord kan ook ‘adem’ of ‘wind’ zijn. Zie ook: Joël 3:1; Ezech 18:27–30; Ezech 33:11; Hand 2:36–38; Hand 3:19 **1:24** Omdat ik riep en jullie weigerden, omdat ik mijn hand uitstrekte en niemand luisterde, Brontekst: יַ֣עַן (yaan) = omdat | קָ֭רָאתִי (qarati) = ik riep | וַתְּמָאֵ֑נוּ (vatemaenu) = en jullie weigerden | נָטִ֥יתִי (natiti) = ik strekte uit | יָ֝דִ֗י (yadi) = mijn hand | וְאֵ֣ין (veein) = en niet was er | מַקְשִֽׁיב (maqshiv) = luisterende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 65:12; Jes 66:4; Jer 7:13; Rom 10:21; Heb 12:25–26 **1:25** omdat jullie al mijn raad lieten varen en mijn terechtwijzing niet wilden, Brontekst: וַתִּפְרְע֥וּ (vatifreu) = en jullie lieten varen | כָל (kal) = al | עֲצָתִ֑י (atsati) = mijn raad | וְ֝תוֹכַחְתִּ֗י (vetokhachti) = en mijn terechtwijzing | לֹ֣א (lo) = niet | אֲבִיתֶֽם (avitem) = jullie wilden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 81:12; Ps 107:11; Spr 1:30; Spr 12:1; Luc 7:30 **1:26** zal ook ik lachen om jullie ramp; ik zal spotten wanneer jullie schrik komt, Brontekst: גַּם (gam) = ook | אֲ֭נִי (ani) = ik | בְּאֵידְכֶ֣ם (beeidekhem) = om jullie ramp | אֶשְׂחָ֑ק (eschaq) = zal lachen | אֶ֝לְעַ֗ג (elag) = zal spotten | בְּבֹ֣א (bevo) = wanneer komt | פַחְדְּכֶֽם (pachdekhem) = jullie schrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 2:4; Ps 37:13; Spr 6:15; Spr 10:24; Luc 14:24 **1:27** wanneer jullie schrik komt als een storm en jullie ramp aankomt als een wervelwind, wanneer nood en benauwdheid over jullie komen. Brontekst: בְּבֹ֤א (bevo) = wanneer komt | כְשׁוֹאָ֨ה (keshoa) = als een storm | פַּחְדְּכֶ֗ם (pachdekhem) = jullie schrik | וְֽ֭אֵידְכֶם (veeidekhem) = en jullie ramp | כְּסוּפָ֣ה (kesufa) = als een wervelwind | יֶאֱתֶ֑ה (yeete) = komt aan | בְּבֹ֥א (bevo) = wanneer komen | עֲ֝לֵיכֶ֗ם (aleikhem) = over jullie | צָרָ֥ה (tsara) = nood | וְצוּקָֽה (vetsuqa) = en benauwdheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het woord כְּשׁוֹאָה (keshoah), ‘als een storm’, staat in de tekst met een ander schrijfbeeld (ketiv: כשאוה); de lezing (qere) is ‘als een storm’. Wij volgen de lezing. Voetnoot : סוּפָה (sufah), ‘wervelwind’: een storm die alles meesleurt. Zie ook: Spr 3:25–26; Spr 10:24–25; Jes 17:13; Nah 1:3; Rom 2:9 **1:28** Dan zullen zij mij aanroepen, maar ik antwoord niet; zij zullen mij zoeken, maar zij vinden mij niet. Brontekst: אָ֣ז (az) = dan | יִ֭קְרָאֻנְנִי (yiqraunni) = zullen zij mij aanroepen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶֽעֱנֶ֑ה (eene) = ik antwoord | יְ֝שַׁחֲרֻ֗נְנִי (yeshacharunni) = zij zullen mij zoeken | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִמְצָאֻֽנְנִי (yimtsaunni) = zij vinden mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:15; Mi 3:4; Jer 11:11; Zach 7:13; Jak 4:3 **1:29** Want zij haatten kennis en kozen de vrees voor Yahweh niet. Brontekst: תַּ֭חַת (tachat) = omdat | כִּי (ki) = dat | שָׂ֣נְאוּ (saneu) = zij haatten | דָ֑עַת (daat) = kennis | וְיִרְאַ֥ת (veyirat) = en vrees voor | יְ֝הֹוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | בָחָֽרוּ (bacharu) = zij kozen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:14–15; Spr 1:22; Spr 6:23; Jes 27:11; Heb 11:25 **1:30** Zij wilden mijn raad niet; zij verachtten al mijn terechtwijzing. Brontekst: לֹא (lo) = niet | אָב֥וּ (avu) = wilden | לַעֲצָתִ֑י (laatsati) = mijn raad | נָ֝אֲצ֗וּ (naatsu) = verachtten | כָּל (kal) = al | תּוֹכַחְתִּֽי (tokhachti) = mijn terechtwijzing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 81:12; Ps 119:173; Spr 1:25; Jer 8:9; Luc 14:18–20 **1:31** Zij zullen eten van de vrucht van hun weg en verzadigd worden van hun eigen plannen. Brontekst: וְֽ֭יֹאכְלוּ (veyokhlu) = en zij eten | מִפְּרִ֣י (miperi) = van de vrucht van | דַרְכָּ֑ם (darkam) = hun weg | וּֽמִמֹּעֲצֹ֖תֵיהֶ֣ם (umimoatsoteihem) = en van hun plannen | יִשְׂבָּֽעוּ (yisbau) = worden verzadigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:8; Spr 14:14; Spr 22:8; Jer 6:19; Gal 6:7–8 **1:32** Want de afkeer van de eenvoudigen doodt hen, en de zorgeloosheid van de dwazen richt hen te gronde. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מְשׁוּבַ֣ת (meshuvat) = afkeer van | פְּתָיִ֣ם (petayim) = eenvoudigen | תַּֽהַרְגֵ֑ם (tahargem) = doodt hen | וְשַׁלְוַ֖ת (veshalvat) = en zorgeloosheid van | כְּסִילִ֣ים (kesilim) = dwazen | תְּאַבְּדֵֽם (teabedem) = richt hen te gronde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשׁוּבַת (meshuvat), ‘afkeer’: letterlijk ‘het zich afkeren’. De eenvoudigen keren zich van de Wijsheid af en dat doodt hen. Voetnoot : שַׁלְוַת (shalvat), ‘zorgeloosheid’: de gerustheid van wie zich niets aantrekt van gevaar. Zie ook: Spr 8:36; Jer 2:19; Luc 16:19–25; Joh 3:36; Heb 12:25 **1:33** Maar wie naar mij luistert, zal veilig wonen en rustig zijn, zonder angst voor het kwaad.” Brontekst: וְשֹׁמֵ֣עַֽ (veshomea) = maar wie luistert | לִ֭י (li) = naar mij | יִשְׁכָּן (yishkan) = zal wonen | בֶּ֑טַח (betach) = veilig | וְ֝שַׁאֲנַ֗ן (veshaanan) = en rustig | מִפַּ֥חַד (mipachad) = zonder angst voor | רָעָֽה (raa) = het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 25:12–13; Ps 112:7–8; Spr 14:26; Jes 26:3; Joh 10:27–29 ## Spreuken 2 _De zoektocht naar wijsheid en haar bescherming_ ### Zoek de wijsheid **2:1** Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt en mijn geboden bij je bewaart, Brontekst: בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | אִם (im) = als | תִּקַּ֣ח (tiqach) = je aanneemt | אֲמָרָ֑י (amaray) = mijn woorden | וּ֝מִצְוֺתַ֗י (umitsvotay) = en mijn geboden | תִּצְפֹּ֥ן (titspon) = je bewaart | אִתָּֽךְ (itakh) = bij je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 1 tot en met 4 vormen één lange voorwaarde (‘als …’); de uitkomst staat in vers 5 (‘dan …’). Wij houden die zinsbouw vast. Zie ook: Deut 6:6–9; Spr 1:3; Spr 2:5; Spr 3:1; Spr 4:1; Joh 12:47–48 **2:2** als je je oor aandachtig maakt voor wijsheid en je hart neigt tot verstand; Brontekst: לְהַקְשִׁ֣יב (lehaqshiv) = door aandachtig te maken | לַֽחָכְמָ֣ה (lachakhema) = voor wijsheid | אָזְנֶ֑ךָ (azenekha) = je oor | תַּטֶּ֥ה (tate) = je neigt | לִ֝בְּךָ֗ (libekha) = je hart | לַתְּבוּנָֽה (latevuna) = tot verstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 90:12; Ps 119:111–112; Spr 18:1; Spr 23:12; Mat 13:9 **2:3** ja, als je om inzicht roept en je stem verheft voor verstand, Brontekst: כִּ֤י (ki) = ja | אִ֣ם (im) = als | לַבִּינָ֣ה (labina) = om inzicht | תִקְרָ֑א (tiqra) = je roept | לַ֝תְּבוּנָ֗ה (latevuna) = om verstand | תִּתֵּ֥ן (titen) = je geeft | קוֹלֶֽךָ (qolekha) = je stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 25:4–5; Spr 3:6; 1 Kon 3:9–12; Jak 1:5; Ef 1:17–18 **2:4** als je ernaar zoekt als naar zilver en ernaar speurt als naar verborgen schatten, Brontekst: אִם (im) = als | תְּבַקְשֶׁ֥נָּה (tevaqshena) = je zoekt ernaar | כַכָּ֑סֶף (kakasef) = als zilver | וְֽכַמַּטְמוֹנִ֥ים (vekhamatmonim) = en als verborgen schatten | תַּחְפְּשֶֽׂנָּה (tachpesena) = je speurt ernaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:12–20; Spr 8:18–19; Spr 16:16; Mat 13:44; Mat 19:29 **2:5** dan zul je de vrees voor Yahweh begrijpen en de kennis van Elohim vinden. Brontekst: אָ֗ז (az) = dan | תָּ֭בִין (tavin) = zul je begrijpen | יִרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְדַ֖עַת (vedaat) = en kennis van | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = Elohim | תִּמְצָֽא (timtsa) = zul je vinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag. Zie Spr. 1:7. Zie ook: Spr 1:7; Jer 24:7; Luc 10:22; Luc 11:9–13; 1 Joh 5:20 **2:6** Want Yahweh geeft wijsheid; uit Zijn mond komen kennis en verstand. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | יִתֵּ֣ן (yiten) = geeft | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | מִ֝פִּ֗יו (mipiv) = uit Zijn mond | דַּ֣עַת (daat) = kennis | וּתְבוּנָֽה (utevuna) = en verstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 32:8; Jes 54:13; Luc 21:15; Jak 1:5; Ef 1:17–18 **2:7** Hij bewaart degelijk beleid voor de oprechten; Hij is een schild voor wie in onberispelijkheid wandelen. Brontekst: יִצְפֹּ֣ן (yitspon) = Hij bewaart | לַ֭יְשָׁרִים (laysharim) = voor de oprechten | תּוּשִׁיָּ֑ה (tushiya) = degelijk beleid | מָ֝גֵ֗ן (magen) = schild | לְהֹ֣לְכֵי (leholekhei) = voor wie wandelen | תֹֽם (tom) = in onberispelijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוּשִׁיָּה (tushiyyah), ‘degelijk beleid’: de betekenis is niet zeker; het woord staat voor volhardend, bruikbaar inzicht dat tot succes leidt. Wij houden het in heel het boek gelijk. Voetnoot : תָּם (tam), ‘onberispelijke’: wie heel is, zonder gebrek. Voetnoot Lezing: In de tekst staat ‘en hij bewaart’ (ketiv: וְצָפַן); de lezing (qere) is ‘Hij bewaart’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ps 84:12; Spr 30:5; Jak 3:15–17; 1 Kor 1:19; 1 Kor 3:18–19 **2:8** Hij bewaakt de paden van het recht en beschermt de weg van Zijn getrouwen. Brontekst: לִ֭נְצֹר (lintsor) = om te bewaken | אָרְח֣וֹת (arechot) = paden van | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | וְדֶ֖רֶךְ (vederekh) = en de weg van | חֲסִידָ֣יו (chasidav) = Zijn getrouwen | יִשְׁמֹֽר (yishmor) = Hij beschermt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲסִידָיו (chasidav), ‘Zijn getrouwen’: wie Yahweh in trouw (chesed) toegedaan is. Voetnoot Lezing: De ketiv leest ‘zijn getrouwe’ (enkelvoud, חסידו); de lezing (qere) is meervoud. Wij volgen de lezing. Zie ook: 1 Sam 2:9; Ps 23:3; Ps 66:9; Ps 145:20; Joh 10:28–29 **2:9** Dan zul je gerechtigheid, recht en oprechtheid begrijpen, elk goed spoor. Brontekst: אָ֗ז (az) = dan | תָּ֭בִין (tavin) = zul je begrijpen | צֶ֣דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וּמִשְׁפָּ֑ט (umishpat) = en recht | וּ֝מֵישָׁרִ֗ים (umeisharim) = en oprechtheid | כָּל (kal) = elk | מַעְגַּל (magal) = spoor van | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעְגָּל (ma’gal), ‘spoor’: het spoor van een wagenwiel, een gebaande weg. Zie ook: Ps 143:8–10; Spr 1:2–6; Jes 48:17; Jer 6:16; Mat 7:13–14 **2:10** Want wijsheid zal in je hart komen, en kennis zal aangenaam zijn voor je ziel. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תָב֣וֹא (tavo) = zal komen | חָכְמָ֣ה (chakhema) = wijsheid | בְלִבֶּ֑ךָ (belibekha) = in je hart | וְ֝דַ֗עַת (vedaat) = en kennis | לְֽנַפְשְׁךָ֥ (lenafshekha) = voor je ziel | יִנְעָֽם (yinam) = zal aangenaam zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 23:12; Ps 19:11; Ps 104:34; Jer 15:16; Kol 3:16 **2:11** Doordachtheid zal over je waken; verstand zal je bewaken, Brontekst: מְ֭זִמָּה (mezima) = doordachtheid | תִּשְׁמֹ֥ר (tishmor) = zal waken | עָלֶ֗יךָ (aleikha) = over je | תְּבוּנָ֥ה (tevuna) = verstand | תִנְצְרֶֽכָּה (tintsereka) = zal je bewaken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 25:21; Ps 119:9–11; Spr 4:6; Pred 10:10; Ef 5:15 ### Bescherming tegen het kwaad en tegen de vreemde vrouw **2:12** om je te bevrijden van de weg van het kwaad, van de man die verdraaide dingen zegt, Brontekst: לְ֭הַצִּ֣ילְךָ (lehatsilekha) = om je te bevrijden | מִדֶּ֣רֶךְ (miderekh) = van de weg van | רָ֑ע (ra) = kwaad | מֵ֝אִ֗ישׁ (meish) = van de man | מְדַבֵּ֥ר (medaber) = die spreekt | תַּהְפֻּכֽוֹת (tahpukhot) = verdraaide dingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּהְפֻּכוֹת (tahpukhot), ‘verdraaide dingen’: leugens en listige praat waardoor het recht omgebogen wordt. Zie ook: Spr 8:13; Spr 13:20; Jes 59:3–5; 1 Kor 15:33; 2 Kor 6:17 **2:13** van hen die de paden van oprechtheid verlaten om op wegen van duisternis te gaan, Brontekst: הַ֭עֹ֣זְבִים (haozevim) = van hen die verlaten | אָרְח֣וֹת (arechot) = paden van | יֹ֑שֶׁר (yosher) = oprechtheid | לָ֝לֶ֗כֶת (lalekhet) = om te gaan | בְּדַרְכֵי (bedarkhei) = op wegen van | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 4:19; Spr 21:16; Joh 3:19–20; 2 Petr 2:20–22; 1 Joh 2:19 **2:14** die zich verheugen als zij kwaad doen en juichen over de verdraaidheden van het kwaad, Brontekst: הַ֭שְּׂמֵחִים (hasemechim) = die zich verheugen | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | רָ֑ע (ra) = kwaad | יָ֝גִ֗ילוּ (yagilu) = zij juichen | בְּֽתַהְפֻּכ֥וֹת (betahpukhot) = over verdraaidheden van | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 10:23; Jer 11:15; Luc 22:4–5; 1 Kor 13:6; Rom 1:32 **2:15** wier paden krom zijn en die afwijken in hun sporen; Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = wier | אָרְחֹתֵיהֶ֣ם (arechoteihem) = paden | עִקְּשִׁ֑ים (iqeshim) = krom | וּ֝נְלוֹזִ֗ים (unelozim) = en afwijkend | בְּמַעְגְּלוֹתָֽם (bemagelotam) = in hun sporen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:5; Ps 125:5; Spr 21:8; Jes 59:8; Fil 2:15 **2:16** om je te bevrijden van de vreemde vrouw, de vreemde die haar woorden glad maakt, Brontekst: לְ֭הַצִּ֣ילְךָ (lehatsilekha) = om je te bevrijden | מֵאִשָּׁ֣ה (meisha) = van een vrouw | זָרָ֑ה (zara) = vreemde | מִ֝נָּכְרִיָּ֗ה (minakheriya) = van een vreemde | אֲמָרֶ֥יהָ (amareiha) = haar woorden | הֶחֱלִֽיקָה (hecheliqa) = zij maakt glad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִשָּׁה זָרָה (ishah zarah), ‘vreemde vrouw’, en נָכְרִיָּה (nokriyah), ook ‘vreemde’: een vrouw die buiten het huwelijk en buiten de gemeenschap staat. Wij vertalen beide woorden met ‘vreemde vrouw’. Zij komt terug in Spr. 5; 6:24–35; 7. Zie ook: Spr 6:24; Spr 7:5–23; Spr 22:14; Spr 23:27; Pred 7:26 **2:17** zij die de vertrouweling van haar jeugd verlaat en het verbond van haar Elohim vergeet. Brontekst: הַ֭עֹזֶבֶת (haozevet) = die verlaat | אַלּ֣וּף (aluf) = de vertrouweling van | נְעוּרֶ֑יהָ (neureiha) = haar jeugd | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּרִ֖ית (berit) = het verbond van | אֱלֹהֶ֣יהָ (eloheiha) = haar Elohim | שָׁכֵֽחָה (shakhecha) = zij vergeet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַלּוּף (alluf), ‘vertrouweling’: een goede vriend, een leidsman; hier de man van haar jeugd. Het ‘verbond van haar Elohim’ kan het huwelijksverbond zijn of het verbond met Elohim; wij laten de tekst open. Zie ook: Spr 5:18; Jer 3:4; Ezech 16:8; Ezech 16:59–60; Mal 2:14–16 **2:18** Want haar huis zinkt weg naar de dood, en haar sporen naar de schimmen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | שָׁ֣חָה (shacha) = zinkt weg | אֶל (el) = naar | מָ֣וֶת (mavet) = de dood | בֵּיתָ֑הּ (beitah) = haar huis | וְאֶל (veel) = en naar | רְ֝פָאִ֗ים (refaim) = de schimmen | מַעְגְּלֹתֶֽיהָ (mageloteiha) = haar sporen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁחָה (shachah), ‘zinkt weg’: eigenlijk ‘buigt zich neer’. Haar huis helt over naar de dood. Voetnoot : רְפָאִים (refa’im), ‘schimmen’: de doden in de Sjeol. Zie ook Spr. 9:18 en Job 26:5. Zie ook: Job 26:5; Spr 5:4–14; Spr 9:18; Gal 5:19–21; 1 Kor 6:9–11; Openb 21:8 **2:19** Allen die bij haar binnengaan, keren niet terug en bereiken de paden van het leven niet. Brontekst: כָּל (kal) = allen | בָּ֭אֶיהָ (baeiha) = die bij haar binnengaan | לֹ֣א (lo) = niet | יְשׁוּב֑וּן (yeshuvun) = keren terug | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַ֝שִּׂ֗יגוּ (yasigu) = bereiken | אָרְח֥וֹת (arechot) = paden van | חַיִּֽים (chayim) = leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 81:13; Pred 7:26; Hos 4:14; Mat 19:24–26; Heb 6:18 ### Twee wegen **2:20** Zo ga je op de weg van goede mensen en houd je je aan de paden van rechtvaardigen. Brontekst: לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | תֵּ֭לֵךְ (telekh) = je gaat | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg van | טוֹבִ֑ים (tovim) = goede mensen | וְאָרְח֖וֹת (vearechot) = en paden van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | תִּשְׁמֹֽר (tishmor) = je houdt je aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 20 sluit aan op vers 12 en 16: de bescherming is bedoeld ‘opdat’ je op de goede weg blijft. Zie ook: Ps 119:63; Ps 119:115; Spr 2:12; Spr 13:20; Heb 6:12; 3 Joh 1:11 **2:21** Want oprechten zullen in het land wonen, en onberispelijken zullen erin overblijven. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יְשָׁרִ֥ים (yesharim) = oprechten | יִשְׁכְּנוּ (yishkenu) = zullen wonen | אָ֑רֶץ (arets) = in het land | וּ֝תְמִימִ֗ים (utemimim) = en onberispelijken | יִוָּ֥תְרוּ (yivateru) = zullen overblijven | בָֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:12; Ps 37:9; Ps 37:29; Ps 84:12; Spr 10:30 **2:22** Maar goddelozen worden uit het land afgesneden, en trouwelozen worden eruit weggerukt. Brontekst: וּ֭רְשָׁעִים (ureshaim) = en goddelozen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | יִכָּרֵ֑תוּ (yikaretu) = worden afgesneden | וּ֝בוֹגְדִ֗ים (uvogedim) = en trouwelozen | יִסְּח֥וּ (yisechu) = worden weggerukt | מִמֶּֽנָּה (mimena) = eruit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 7:22; Ps 37:28; Ps 52:7; Ps 145:20; Jes 3:10–11 ## Spreuken 3 _Vertrouw op Yahweh; de waarde van de wijsheid_ ### Vertrouw op Yahweh **3:1** Mijn zoon, vergeet mijn onderwijs niet, en laat je hart mijn geboden bewaren. Brontekst: בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | תּוֹרָתִ֣י (torati) = mijn onderwijs | אַל (al) = niet | תִּשְׁכָּ֑ח (tishkach) = vergeet | וּ֝מִצְוֺתַ֗י (umitsvotay) = en mijn geboden | יִצֹּ֥ר (yitsor) = laat bewaren | לִבֶּֽךָ (libekha) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘onderwijs’: zo vertalen wij het woord waar de vader het geeft. Waar het om de wet van Elohim gaat, schrijven wij ‘wet’. Zie ook: Deut 6:6–9; Ps 119:16; Spr 1:8; Spr 4:5; Joh 14:21–24 **3:2** Want lange dagen, jaren van leven en vrede voegen zij aan je toe. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | יָ֭מִים (yamim) = dagen | וּשְׁנ֣וֹת (ushenot) = en jaren van | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | וְ֝שָׁל֗וֹם (veshalom) = en vrede | יוֹסִ֥יפוּ (yosifu) = zij voegen toe | לָֽךְ (lakh) = aan je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 91:16; Ps 128:6; Spr 4:10; Rom 15:13; Ef 6:1–3 **3:3** Laat trouw en waarheid je niet verlaten. Bind ze om je hals; schrijf ze op de tafel van je hart. Brontekst: חֶ֥סֶד (chesed) = trouw | וֶאֱמֶ֗ת (veemet) = en waarheid | אַֽל (al) = niet | יַעַ֫זְבֻ֥ךָ (yaazvukha) = laat verlaten je | קָשְׁרֵ֥ם (qasherem) = bind ze | עַל (al) = om | גַּרְגְּרוֹתֶ֑יךָ (gargeroteikha) = je hals | כָּ֝תְבֵ֗ם (katevem) = schrijf ze | עַל (al) = op | ל֥וּחַ (luach) = de tafel van | לִבֶּֽךָ (libekha) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד וֶאֱמֶת (chesed ve’emet), ‘trouw en waarheid’: samen een vast paar in de Bijbel; vergelijk Ps. 25:10. Wij vertalen chesed steeds met ‘trouw’ en emet met ‘waarheid’. Voetnoot : Het binden om de hals en het schrijven op de ‘tafel van het hart’ staat in beeldspraak: het onderwijs moet aan je vastzitten en in je binnenste staan. Vergelijk Spr. 6:21; 7:3. Zie ook: Deut 11:18–21; Ps 25:10; Spr 6:21; Spr 7:3; Mal 2:6; 2 Kor 3:3; Heb 10:16 **3:4** Zo vind je gunst en goed doorzicht in de ogen van Elohim en van mensen. Brontekst: וּמְצָא (umetsa) = en vind | חֵ֖ן (chen) = gunst | וְשֵֽׂכֶל (vesekhel) = en doorzicht | ט֑וֹב (tov) = goed | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = Elohim | וְאָדָֽם (veadam) = en mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׂכֶל טוֹב (sekhel tov), ‘goed doorzicht’: zie Spr. 1:3. Zie ook: Gen 39:2–4; 1 Sam 2:26; Ps 111:10; Spr 1:3; Luc 2:52; Rom 14:18 **3:5** Vertrouw op Yahweh met heel je hart, en steun niet op je inzicht. Brontekst: בְּטַ֣ח (betach) = vertrouw | אֶל (el) = op | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | בְּכָל (bekhal) = met heel | לִבֶּ֑ךָ (libekha) = je hart | וְאֶל (veel) = en op | בִּֽ֝ינָתְךָ֗ (binatekha) = je inzicht | אַל (al) = niet | תִּשָּׁעֵֽן (tishaen) = steun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵב (lev), ‘hart’: in de Bijbel de zetel van denken en willen, niet alleen van gevoel. Wij vertalen steeds ‘hart’. Zie ook: Ps 37:3; Ps 37:5; Ps 62:9; Spr 28:26; Jer 17:7–8 **3:6** Ken Hem op al je wegen, en Hij zal je paden recht maken. Brontekst: בְּכָל (bekhal) = op al | דְּרָכֶ֥יךָ (derakheikha) = je wegen | דָעֵ֑הוּ (daehu) = ken Hem | וְ֝ה֗וּא (vehu) = en Hij | יְיַשֵּׁ֥ר (yeyasher) = zal recht maken | אֹֽרְחֹתֶֽיךָ (orechoteikha) = je paden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּעֵהוּ (da’ehu), ‘ken Hem’: ‘kennen’ is hier erkennen en met Hem rekenen in alles wat je doet. Zie ook: Ps 32:8; Spr 16:3; Spr 16:9; Jer 10:23; Fil 4:6 **3:7** Wees niet wijs in je eigen ogen. Vrees Yahweh en keer je af van het kwaad. Brontekst: אַל (al) = niet | תְּהִ֣י (tehi) = wees | חָכָ֣ם (chakham) = wijs | בְּעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = in je ogen | יְרָ֥א (yera) = vrees | אֶת (et) = (obj.) | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְס֣וּר (vesur) = en keer je af | מֵרָֽע (mera) = van het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:1; Job 28:28; Spr 16:6; Spr 26:12; Rom 12:16 **3:8** Het zal genezing zijn voor je navel en verkwikking voor je beenderen. Brontekst: רִ֭פְאוּת (rifut) = genezing | תְּהִ֣י (tehi) = zal zijn | לְשָׁרֶּ֑ךָ (lesharekha) = voor je navel | וְ֝שִׁקּ֗וּי (veshiquy) = en verkwikking | לְעַצְמוֹתֶֽיךָ (leatsmoteikha) = voor je beenderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁרֶּךָ (shorrekha), ‘je navel’: dit is de lezing van de tekst; een andere mogelijkheid is ‘je vlees’ of ‘je lichaam’. Wij houden ‘navel’ aan. Zie ook: Job 21:24; Ps 147:3; Spr 4:22; Spr 16:24; Ezech 16:4–5 **3:9** Eer Yahweh met je vermogen en met het eerste van al je opbrengst. Brontekst: כַּבֵּ֣ד (kabed) = eer | אֶת (et) = (obj.) | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | מֵהוֹנֶ֑ךָ (mehonekha) = met je vermogen | וּ֝מֵרֵאשִׁ֗ית (umereshit) = en met het eerste van | כָּל (kal) = al | תְּבוּאָתֶֽךָ (tevuatekha) = je opbrengst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: de eerstelingen van de oogst (vergelijk Exod. 23:19). Zie ook: Ex 23:19; Deut 26:2–15; Spr 14:31; 1 Kor 16:2; Fil 4:17–18 **3:10** Dan worden je voorraadschuren gevuld met overvloed, en je perskuipen lopen over van jonge wijn. Brontekst: וְיִמָּלְא֣וּ (veyimaleu) = en zullen gevuld worden | אֲסָמֶ֣יךָ (asameikha) = je voorraadschuren | שָׂבָ֑ע (sava) = met overvloed | וְ֝תִיר֗וֹשׁ (vetirosh) = en jonge wijn | יְקָבֶ֥יךָ (yeqaveikha) = je perskuipen | יִפְרֹֽצוּ (yifrotsu) = lopen over Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘jonge wijn’: de most, de wijn van het laatste seizoen. Zie ook: Deut 28:8; Spr 11:24–25; Spr 19:17; Spr 22:9; Joël 2:24 ### De tucht van Yahweh **3:11** Mijn zoon, verwerp de tucht van Yahweh niet en walg niet van Zijn terechtwijzing. Brontekst: מוּסַ֣ר (musar) = de tucht van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | בְּנִ֣י (beni) = mijn zoon | אַל (al) = niet | תִּמְאָ֑ס (timas) = verwerp | וְאַל (veal) = en niet | תָּ֝קֹ֗ץ (taqots) = walg | בְּתוֹכַחְתּֽוֹ (betokhachto) = van Zijn terechtwijzing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers en het volgende worden in Hebr. 12:5–6 aangehaald. Voetnoot : מוּסַר יְהוָה (musar Yahweh), ‘de tucht van Yahweh’: ook ‘onderricht’ of ‘vermaning’ van Yahweh; zie Spr. 1:2. Zie ook: Job 5:17; Ps 94:12; Spr 1:2; Jes 40:30–31; Heb 12:5–12; Openb 3:19 **3:12** Want Yahweh wijst terecht wie Hij liefheeft, zoals een vader de zoon in wie hij behagen heeft. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אֶ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wie | יֶאֱהַ֣ב (yeehav) = Hij liefheeft | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | יוֹכִ֑יחַ (yokhiach) = wijst terecht | וּ֝כְאָ֗ב (ukheav) = en zoals een vader | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ן (ben) = zoon | יִרְצֶֽה (yirtse) = hij behagen heeft in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּכְאָב (uch’av), ‘en zoals een vader’: het Hebreeuws zegt letterlijk ‘en als een vader (wijst Hij terecht) de zoon in wie hij behagen heeft’. Zie ook: Deut 8:5; Ps 103:13; Spr 13:24; Spr 29:17; Openb 3:19 ### De waarde van de wijsheid **3:13** Gelukkig de mens die wijsheid vindt, de mens die verstand verkrijgt. Brontekst: אַשְׁרֵ֣י (ashrei) = gelukkig | אָ֭דָם (adam) = de mens | מָצָ֣א (matsa) = die vindt | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְ֝אָדָ֗ם (veadam) = en de mens | יָפִ֥יק (yafiq) = die verkrijgt | תְּבוּנָֽה (tevuna) = verstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַשְׁרֵי (ashre), ‘gelukkig’: zie Ps. 1:1. Zie ook: Ps 1:1; Spr 2:4; Spr 4:5–9; Spr 8:32–35; Pred 9:15–18; 1 Kon 10:1–9 **3:14** Want haar handel is beter dan de handel in zilver, en haar opbrengst beter dan goud. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | ט֣וֹב (tov) = beter | סַ֭חְרָהּ (sachrah) = haar handel | מִסְּחַר (misechar) = dan de handel in | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וּ֝מֵחָר֗וּץ (umecharuts) = en dan goud | תְּבוּאָתָֽהּ (tevuatah) = haar opbrengst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:13–19; Spr 8:10–11; Spr 8:19; Spr 16:16; Openb 3:18 **3:15** Zij is kostbaarder dan parels; al wat je begeert, kan niet met haar wedijveren. Brontekst: יְקָ֣רָה (yeqara) = kostbaar | הִ֭יא (hi) = zij | מִפְּנִינִ֑ים (mipeninim) = dan parels | וְכָל (vekhal) = en al | חֲ֝פָצֶ֗יךָ (chafatseikha) = wat je begeert | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽשְׁווּ (yishvu) = kan wedijveren | בָֽהּ (bah) = met haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּנִינִים (peninim), ‘parels’: de betekenis is onzeker; het kan ook gaan om robijnen of koraal. Zie ook Spr. 8:11; 20:15; 31:10. Voetnoot Lezing: De ketiv (מפניים) is anders gespeld en betekent ‘dan het binnenste’; de lezing (qere) is מִפְּנִינִים, ‘dan parels’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Job 28:18; Ps 73:25–26; Spr 8:11; Spr 20:15; Spr 31:10; Rom 8:18 **3:16** Lange dagen zijn in haar rechterhand; in haar linkerhand zijn rijkdom en eer. Brontekst: אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | יָ֭מִים (yamim) = dagen | בִּֽימִינָ֑הּ (biminah) = in haar rechterhand | בִּ֝שְׂמֹאולָ֗הּ (bismovlah) = in haar linkerhand | עֹ֣שֶׁר (osher) = rijkdom | וְכָבֽוֹד (vekhavod) = en eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: bij een mens vertalen wij kavod met ‘eer’ en bij Elohim met ‘heerlijkheid’. Zie ook: Spr 3:2; Spr 22:4; 1 Kon 3:13; 2 Kor 6:10; 1 Tim 4:8 **3:17** Haar wegen zijn wegen van lieflijkheid, en al haar paden zijn vrede. Brontekst: דְּרָכֶ֥יהָ (derakheiha) = haar wegen | דַרְכֵי (darkhei) = wegen van | נֹ֑עַם (noam) = lieflijkheid | וְֽכָל (vekhal) = en al | נְתִ֖יבוֹתֶ֣יהָ (netivoteiha) = haar paden | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 119:165; Spr 2:10; Jes 26:3; Luc 1:79; Fil 4:8–9 **3:18** Zij is een boom van leven voor wie haar vastgrijpen, en wie haar vasthoudt, wordt gelukkig genoemd. Brontekst: עֵץ (ets) = boom van | חַיִּ֣ים (chayim) = leven | הִ֭יא (hi) = zij | לַמַּחֲזִיקִ֣ים (lamachaziqim) = voor wie vastgrijpen | בָּ֑הּ (bah) = haar | וְֽתֹמְכֶ֥יהָ (vetomekheiha) = en wie haar vasthouden | מְאֻשָּֽׁר (meushar) = wordt gelukkig genoemd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ חַיִּים (ets chayyim), ‘boom van leven’: vergelijk Gen. 2:9 en Spr. 11:30; 13:12; 15:4. Zie ook: Gen 2:9; Gen 3:22; Spr 11:30; Spr 13:12; Spr 15:4; Openb 2:7 **3:19** Yahweh legde met wijsheid het fundament van de aarde; Hij zette de hemel vast met verstand. Brontekst: יְֽהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּחָכְמָ֥ה (bechakhema) = met wijsheid | יָֽסַד (yasad) = legde het fundament van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | כּוֹנֵ֥ן (konen) = zette vast | שָׁ֝מַ֗יִם (shamayim) = de hemel | בִּתְבוּנָֽה (bitvuna) = met verstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 19 en 20 beschrijven hoe Yahweh de wereld met wijsheid maakte. Zie ook Spr. 8:22–31; Ps. 104:24; Jer. 10:12. Zie ook: Ps 104:24; Ps 136:5; Spr 3:20; Spr 8:22–31; Jer 10:12; Jer 51:15; Joh 1:3 **3:20** Door Zijn kennis braken de oerdiepten open, en de wolken laten dauw druipen. Brontekst: בְּ֭דַעְתּוֹ (bedato) = door Zijn kennis | תְּהוֹמ֣וֹת (tehomot) = oerdiepten | נִבְקָ֑עוּ (nivqau) = braken open | וּ֝שְׁחָקִ֗ים (ushechaqim) = en wolken | יִרְעֲפוּ (yirafu) = laten druipen | טָֽל (tal) = dauw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּהוֹמוֹת (tehomot), ‘oerdiepten’: de wateren onder de aarde (vergelijk Gen. 7:11 en Spr. 8:24). Voetnoot : שְׁחָקִים (shechakim), ‘wolken’: eigenlijk ‘het fijne stof van de hemel’, de wolken. Zie ook: Gen 7:11; Gen 27:28; Job 36:27–28; Job 38:26–28; Ps 65:10–13; Spr 8:24 ### Wijsheid in het dagelijks leven **3:21** Mijn zoon, laat ze niet van je ogen wijken. Bewaar degelijk beleid en doordachtheid. Brontekst: בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | אַל (al) = niet | יָלֻ֣זוּ (yaluzu) = laat wijken | מֵעֵינֶ֑יךָ (meeineikha) = van je ogen | נְצֹ֥ר (netsor) = bewaar | תֻּ֝שִׁיָּ֗ה (tushiya) = degelijk beleid | וּמְזִמָּֽה (umezima) = en doordachtheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:6–9; Deut 32:46–47; Joz 1:8; Spr 4:21; Heb 2:1–3 **3:22** Dan zijn zij leven voor je ziel en gunst voor je hals. Brontekst: וְיִֽהְי֣וּ (veyihyu) = en zij zijn | חַיִּ֣ים (chayim) = leven | לְנַפְשֶׁ֑ךָ (lenafshekha) = voor je ziel | וְ֝חֵ֗ן (vechen) = en gunst | לְגַרְגְּרֹתֶֽיךָ (legargeroteikha) = voor je hals Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de mens als levend wezen; hier staat ‘ziel’. Zie ook: Spr 1:9; Spr 4:22; Jes 38:16; Joh 12:49–50 **3:23** Dan ga je veilig je weg, en je voet stoot zich niet. Brontekst: אָ֤ז (az) = dan | תֵּלֵ֣ךְ (telekh) = ga je | לָבֶ֣טַח (lavetach) = veilig | דַּרְכֶּ֑ךָ (darkekha) = je weg | וְ֝רַגְלְךָ֗ (veraglekha) = en je voet | לֹ֣א (lo) = niet | תִגּֽוֹף (tigof) = stoot zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:23–24; Ps 91:11–12; Ps 121:3; Spr 4:12; Spr 10:9 **3:24** Als je gaat liggen, ben je niet bang. Je zult liggen, en je slaap is zoet. Brontekst: אִם (im) = als | תִּשְׁכַּ֥ב (tishkav) = je gaat liggen | לֹֽא (lo) = niet | תִפְחָ֑ד (tifchad) = ben je bang | וְ֝שָׁכַבְתָּ֗ (veshakhavta) = en je ligt | וְֽעָרְבָ֥ה (veareva) = en zoet is | שְׁנָתֶֽךָ (shenatekha) = je slaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:19; Ps 3:6; Ps 4:9; Ps 121:4–7; Spr 6:22 **3:25** Wees niet bang voor plotselinge schrik, noch voor de verwoesting van goddelozen wanneer die komt. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּ֭ירָא (tira) = wees bang | מִפַּ֣חַד (mipachad) = voor schrik | פִּתְאֹ֑ם (pitom) = plotselinge | וּמִשֹּׁאַ֥ת (umishoat) = en voor de verwoesting van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | כִּ֣י (ki) = wanneer | תָבֹֽא (tavo) = die komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 91:5; Ps 112:7; Jes 8:12–13; Jes 41:10–14; 1 Petr 3:14 **3:26** Want Yahweh zal je vertrouwen zijn, en Hij behoedt je voet ervoor in de val te raken. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | בְכִסְלֶ֑ךָ (bekhislekha) = je vertrouwen | וְשָׁמַ֖ר (veshamar) = en Hij behoedt | רַגְלְךָ֣ (raglekha) = je voet | מִלָּֽכֶד (milakhed) = ervoor in de val te raken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכִסְלֶךָ (bekhislekha), ‘je vertrouwen’: het woord kan ook ‘je zijde’ of ‘je lendenen’ zijn; wij houden ‘vertrouwen’ aan, zoals in Job 8:14; Ps. 78:7. Zie ook: Job 8:14; 1 Sam 2:9; Ps 78:7; Ps 91:3; Ps 91:9–10; Spr 14:26; Hab 3:17–18 **3:27** Onthoud het goede niet aan wie het toekomt, wanneer je het in je macht hebt het te doen. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּמְנַע (timna) = onthoud | ט֥וֹב (tov) = het goede | מִבְּעָלָ֑יו (mibealav) = aan wie het toekomt | בִּהְי֨וֹת (bihyot) = wanneer | לְאֵ֖ל (leel) = het is in de macht van | יָדְךָ֣ (yadekha) = je hand | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִבְּעָלָיו (mibbe’alav), ‘aan zijn bezitters’: aan wie er recht op heeft. Voetnoot Lezing: De ketiv heeft ‘je handen’ (meervoud); de lezing (qere) is ‘je hand’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Gen 31:29; Jak 2:15–16; Jak 5:4; Gal 6:10; Rom 13:7 **3:28** Zeg niet tegen je naaste: „Ga weg en kom terug, morgen zal ik het geven,” terwijl je het bij je hebt. Brontekst: אַל (al) = niet | תֹּ֘אמַ֤ר (tomar) = zeg | לְרֵֽעֲךָ֨ (lereakha) = tegen je naaste | לֵ֣ךְ (lekh) = ga weg | וָ֭שׁוּב (vashuv) = en kom terug | וּמָחָ֥ר (umachar) = en morgen | אֶתֵּ֗ן (eten) = zal ik geven | וְיֵ֣שׁ (veyesh) = terwijl er is | אִתָּֽךְ (itakh) = bij je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De ketiv (לרעיך) heeft meervoud, ‘tegen je naasten’; de lezing (qere) is לְרֵעֲךָ, ‘tegen je naaste’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Lev 19:13; Deut 24:12–15; Pred 9:10; 2 Kor 8:11; 1 Tim 6:18 **3:29** Beraam geen kwaad tegen je naaste, terwijl hij veilig bij je woont. Brontekst: אַל (al) = niet | תַּחֲרֹ֣שׁ (tacharosh) = beraam | עַל (al) = tegen | רֵעֲךָ֣ (reakha) = je naaste | רָעָ֑ה (raa) = kwaad | וְהֽוּא (vehu) = terwijl hij | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = woont | לָבֶ֣טַח (lavetach) = veilig | אִתָּֽךְ (itakh) = bij je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 35:20; Ps 55:21; Ps 59:4; Spr 6:14; Mi 2:1–2 **3:30** Twist niet zonder reden met een mens, als hij je geen kwaad heeft aangedaan. Brontekst: אַל (al) = niet | תָּרִ֣יב (tariv) = twist | עִם (im) = met | אָדָ֣ם (adam) = een mens | חִנָּ֑ם (chinam) = zonder reden | אִם (im) = als | לֹ֖א (lo) = niet | גְמָלְךָ֣ (gemalekha) = hij heeft aangedaan | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De ketiv is תרוב (tarov); de lezing (qere) is תָּרִיב (tariv), ‘twist’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Spr 18:6; Spr 25:8–9; Spr 29:22; Rom 12:18–21; 2 Tim 2:24 **3:31** Wees niet jaloers op een man van geweld, en kies geen van zijn wegen. Brontekst: אַל (al) = niet | תְּ֭קַנֵּא (teqane) = wees jaloers | בְּאִ֣ישׁ (beish) = op een man van | חָמָ֑ס (chamas) = geweld | וְאַל (veal) = en niet | תִּ֝בְחַ֗ר (tivchar) = kies | בְּכָל (bekhal) = van alle | דְּרָכָֽיו (derakhav) = zijn wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:1; Spr 23:17; Spr 24:1; Pred 5:7; Gal 5:21 **3:32** Want de verdraaide is een gruwel voor Yahweh, maar Zijn vertrouwelijke omgang is met de oprechten. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | תוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | נָל֑וֹז (naloz) = de verdraaide | וְֽאֶת (veet) = en met | יְשָׁרִ֥ים (yesharim) = oprechten | סוֹדֽוֹ (sodo) = Zijn vertrouwelijke omgang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוֹד (sod), ‘vertrouwelijke omgang’: de kring van vertrouwelingen, ook ‘geheime raad’ (vergelijk Job 29:4; Ps. 25:14). Yahweh schenkt Zijn vertrouwen aan de oprechten. Voetnoot : נָלוֹז (naloz), ‘verdraaide’: wie van de rechte weg afwijkt. Zie ook: Job 29:4; Ps 25:14; Spr 8:13; Spr 11:20; Spr 17:15; Joh 15:15 **3:33** De vloek van Yahweh is in het huis van de goddeloze, maar de woning van rechtvaardigen zegent Hij. Brontekst: מְאֵרַ֣ת (meerat) = vloek van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | רָשָׁ֑ע (rasha) = de goddeloze | וּנְוֵ֖ה (uneve) = en de woning van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יְבָרֵֽךְ (yevarekh) = zegent Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:6–7; Lev 26:14–46; Ps 37:22; Ps 91:10; Mal 2:2 **3:34** Spotters bespot Hij zelf, maar aan de nederigen geeft Hij gunst. Brontekst: אִם (im) = als | לַלֵּצִ֥ים (laletsim) = spotters | הֽוּא (hu) = Hij | יָלִ֑יץ (yalits) = bespot | וְ֝לַעֲנָוִ֗ים (velaanavim) = en aan de nederigen | יִתֶּן (yiten) = geeft Hij | חֵֽן (chen) = gunst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵצִים (letsim), ‘spotters’: wie met wijsheid en met Yahweh de spot drijft; het blijft hetzelfde woord in het hele boek. Voetnoot Lezing: De ketiv leest ‘ellendigen’ (עניים); de lezing (qere) is עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’. Wij volgen de lezing. Dit vers wordt in Jak. 4:6 en 1 Petr. 5:5 aangehaald. Zie ook: Ps 138:6; Spr 9:12; Jes 57:15; Jak 4:6; 1 Petr 5:5 **3:35** Wijzen erven eer, maar dwazen verheffen schande. Brontekst: כָּ֭בוֹד (kavod) = eer | חֲכָמִ֣ים (chakhamim) = wijzen | יִנְחָ֑לוּ (yinchalu) = erven | וּ֝כְסִילִ֗ים (ukhesilim) = en dwazen | מֵרִ֥ים (merim) = verheffen | קָלֽוֹן (qalon) = schande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵרִים (merim), ‘verheffen’: de betekenis is onzeker. Het woord kan ook betekenen ‘dragen’ of ‘opvoeren’: de dwazen verwerven niets dan schande. Wij laten het letterlijk. Zie ook: 1 Sam 2:30; Ps 73:24; Ps 132:18; Jes 65:13–15; Dan 12:2–3 ## Spreuken 4 _De vader onderwijst: verwerf wijsheid en bewaak je hart_ ### Een vader onderwijst zijn zonen **4:1** Luister, zonen, naar de tucht van een vader. Let goed op, om inzicht te kennen. Brontekst: שִׁמְע֣וּ (shimu) = luister | בָ֭נִים (banim) = zonen | מ֣וּסַר (musar) = naar de tucht van | אָ֑ב (av) = een vader | וְ֝הַקְשִׁ֗יבוּ (vehaqshivu) = en let goed op | לָדַ֥עַת (ladaat) = om te kennen | בִּינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: het woord betekent ook ‘onderricht’ en ‘vermaning’. Het gaat om opvoeding die een mens vormt, met zo nodig correctie. Voetnoot : בִּינָה (binah), ‘inzicht’: het vermogen om te onderscheiden en te begrijpen. Wij vertalen steeds ‘inzicht’. Zie ook: Ps 34:12; Spr 1:8; Spr 2:1–5; 1 Tess 2:11–12; Heb 2:1 **4:2** Want ik heb jullie goede lering gegeven. Verlaat mijn onderwijs niet. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֶ֣קַח (leqach) = lering | ט֭וֹב (tov) = goede | נָתַ֣תִּי (natati) = ik heb gegeven | לָכֶ֑ם (lakhem) = aan jullie | תּֽ֝וֹרָתִ֗י (torati) = mijn onderwijs | אַֽל (al) = niet | תַּעֲזֹֽבוּ (taazovu) = verlaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘onderwijs’: wat de vader zijn zoon leert. Het woord betekent ook ‘wet’; waar het om de wet van Elohim gaat, vertalen wij ‘wet’. Voetnoot : לֶקַח (leqach), ‘lering’: onderricht dat een leerling aanneemt. Zie ook: Job 33:3; Ps 89:31–33; Spr 8:6–9; 1 Tim 4:6; Tit 1:9 **4:3** Want ik was zelf een zoon van mijn vader, teer en enig kind voor mijn moeder. Brontekst: כִּי (ki) = want | בֵ֭ן (ben) = een zoon | הָיִ֣יתִי (hayiti) = ik was | לְאָבִ֑י (leavi) = van mijn vader | רַ֥ךְ (rakh) = teer | וְ֝יָחִ֗יד (veyachid) = en enig | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | אִמִּֽי (imi) = mijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf vers 3 vertelt de vader hoe hijzelf door zijn eigen vader werd onderwezen. De woorden van die oudere vader staan in vers 4 tot en met 9. Zie ook: 1 Kron 3:5; 1 Kron 22:5; 1 Kron 29:1; Spr 4:4; Zach 12:10; Rom 12:16 **4:4** Hij onderwees mij en zei tot mij: „Laat je hart mijn woorden vasthouden. Onderhoud mijn geboden en leef. Brontekst: וַיֹּרֵ֗נִי (vayoreni) = en hij onderwees mij | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | לִ֗י (li) = tot mij | יִֽתְמָךְ (yitmakh) = laat vasthouden | דְּבָרַ֥י (devaray) = mijn woorden | לִבֶּ֑ךָ (libekha) = je hart | שְׁמֹ֖ר (shemor) = onderhoud | מִצְוֺתַ֣י (mitsvotay) = mijn geboden | וֶֽחְיֵֽה (vechye) = en leef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 28:9; Spr 3:1; Spr 7:2; Joh 12:50; Ef 6:4 **4:5** Verwerf wijsheid, verwerf inzicht. Vergeet niet en wijk niet af van de woorden van mijn mond. Brontekst: קְנֵ֣ה (qene) = verwerf | חָ֭כְמָה (chakhema) = wijsheid | קְנֵ֣ה (qene) = verwerf | בִינָ֑ה (bina) = inzicht | אַל (al) = niet | תִּשְׁכַּ֥ח (tishkach) = vergeet | וְאַל (veal) = en niet | תֵּ֝֗ט (tet) = wijk af | מֵֽאִמְרֵי (meimrei) = van de woorden van | פִֽי (pi) = mijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְנֵה (qeneh), ‘verwerf’: het werkwoord betekent ‘kopen, verwerven, bezitten’. Het komt terug in vers 7 en in Spr. 8:22. Zie ook: Ps 44:19; Spr 1:22–23; Spr 3:13–18; Spr 4:7; Spr 8:22; 2 Kron 34:2; Jak 1:5 **4:6** Verlaat haar niet, en zij zal je bewaken. Heb haar lief, en zij zal je behoeden. Brontekst: אַל (al) = niet | תַּעַזְבֶ֥הָ (taazveha) = verlaat haar | וְתִשְׁמְרֶ֑ךָּ (vetishmereka) = en zij zal je bewaken | אֱהָבֶ֥הָ (ehaveha) = heb haar lief | וְתִצְּרֶֽךָּ (vetitsereka) = en zij zal je behoeden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 2:10–12; Spr 4:21–22; 2 Tess 2:10; Ef 3:17 **4:7** Het begin van wijsheid: verwerf wijsheid. Verwerf inzicht met alles wat je bezit. Brontekst: רֵאשִׁ֣ית (reshit) = het begin van | חָ֭כְמָה (chakhema) = wijsheid | קְנֵ֣ה (qene) = verwerf | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וּבְכָל (uvekhal) = en met alles van | קִ֝נְיָנְךָ֗ (qinyanekha) = je bezit | קְנֵ֣ה (qene) = verwerf | בִינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵאשִׁית חָכְמָה (reshit chokmah): wij lezen ‘het begin van wijsheid: verwerf wijsheid’. De zin kan ook zijn: ‘Het voornaamste is wijsheid; verwerf wijsheid.’ Zie ook: Spr 16:16; Spr 23:23; Pred 7:12; Pred 9:16–18; Fil 3:8 **4:8** Acht haar hoog, en zij zal je verheffen. Zij zal je eer geven wanneer je haar omarmt. Brontekst: סַלְסְלֶ֥הָ (salseleha) = acht haar hoog | וּֽתְרוֹמְמֶ֑ךָּ (uteromemeka) = en zij zal je verheffen | תְּ֝כַבֵּ֗דְךָ (tekhabedekha) = zij zal je eren | כִּ֣י (ki) = wanneer | תְחַבְּקֶֽנָּה (techabeqena) = je haar omarmt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַלְסְלֶהָ (salselah), ‘acht haar hoog’: dit woord komt maar één keer voor. De betekenis is onzeker; mogelijk ‘ophogen’ of ‘hoog schatten’. Zie ook: 1 Sam 2:30; Spr 3:35; Spr 22:4; 1 Kon 3:5–13; Dan 12:3 **4:9** Zij zal je hoofd een krans van gunst geven. Een kroon van pracht zal zij je schenken.” Brontekst: תִּתֵּ֣ן (titen) = zij zal geven | לְ֭רֹאשְׁךָ (leroshkha) = aan je hoofd | לִוְיַת (livyat) = een krans van | חֵ֑ן (chen) = gunst | עֲטֶ֖רֶת (ateret) = een kroon van | תִּפְאֶ֣רֶת (tiferet) = pracht | תְּמַגְּנֶֽךָּ (temageneka) = zij zal je schenken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּמַגֵּנֶךָּ (temaggenekka), ‘zal je schenken’: het werkwoord komt maar zelden voor. Het betekent ook ‘omhullen’ of ‘overhandigen’ (vergelijk Gen. 14:20). Zie ook: Gen 14:20; Spr 1:9; Spr 16:31; Jes 28:5; 1 Petr 5:4; Heb 2:7–9 ### Het pad van de wijsheid **4:10** Luister, mijn zoon, en neem mijn woorden aan, en de jaren van je leven worden talrijk. Brontekst: שְׁמַ֣ע (shema) = luister | בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | וְקַ֣ח (veqach) = en neem aan | אֲמָרָ֑י (amaray) = mijn woorden | וְיִרְבּ֥וּ (veyirbu) = en zullen talrijk worden | לְ֝ךָ֗ (lekha) = voor jou | שְׁנ֣וֹת (shenot) = jaren van | חַיִּֽים (chayim) = leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:2; Spr 3:2; Spr 3:16; Jer 9:19; 1 Tess 2:13 **4:11** Ik heb je onderwezen in de weg van de wijsheid. Ik heb je laten gaan op rechte paden. Brontekst: בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg van | חָ֭כְמָה (chakhema) = wijsheid | הֹרֵתִ֑יךָ (horetikha) = ik heb je onderwezen | הִ֝דְרַכְתִּ֗יךָ (hidrakhtikha) = ik heb je laten gaan | בְּמַעְגְּלֵי (bemagelei) = op de paden van | יֹֽשֶׁר (yosher) = rechtheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 12:23–24; Ps 25:4–5; Spr 8:6; Spr 8:9; Pred 12:9 **4:12** Als je gaat, wordt je pas niet belemmerd. En als je rent, struikel je niet. Brontekst: בְּֽ֭לֶכְתְּךָ (belekhtekha) = bij je gaan | לֹא (lo) = niet | יֵצַ֣ר (yetsar) = wordt belemmerd | צַעֲדֶ֑ךָ (tsaadekha) = je pas | וְאִם (veim) = en als | תָּ֝ר֗וּץ (taruts) = je rent | לֹ֣א (lo) = niet | תִכָּשֵֽׁל (tikashel) = struikel je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא יֵצַר (lo yetsar): letterlijk ‘wordt niet nauw’. Je pas heeft ruimte; niets houdt je tegen. Zie ook: 2 Sam 22:37; Ps 18:37; Spr 3:23; Joh 11:9–10; 1 Petr 2:8 **4:13** Houd vast aan de tucht en laat haar niet los. Bewaar haar, want zij is je leven. Brontekst: הַחֲזֵ֣ק (hachazeq) = houd vast | בַּמּוּסָ֣ר (bamusar) = aan de tucht | אַל (al) = niet | תֶּ֑רֶף (teref) = laat los | נִ֝צְּרֶ֗הָ (nitsereha) = bewaar haar | כִּי (ki) = want | הִ֥יא (hi) = zij | חַיֶּֽיךָ (chayeikha) = je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:47; Spr 3:18; Spr 23:23; Hand 11:23; Heb 2:1 ### Mijd de weg van de goddelozen **4:14** Ga het pad van goddelozen niet op en schrijd niet voort op de weg van slechte mensen. Brontekst: בְּאֹ֣רַח (beorach) = op het pad van | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | אַל (al) = niet | תָּבֹ֑א (tavo) = ga | וְאַל (veal) = en niet | תְּ֝אַשֵּׁ֗ר (teasher) = schrijd voort | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg van | רָעִֽים (raim) = slechte mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 1:1; Spr 1:10; Spr 1:15; Spr 9:6; 1 Kor 15:33 **4:15** Mijd het en loop er niet door. Wijk ervan af en ga voorbij. Brontekst: פְּרָעֵ֥הוּ (peraehu) = mijd het | אַל (al) = niet | תַּעֲבָר (taavar) = loop | בּ֑וֹ (bo) = erdoor | שְׂטֵ֖ה (sete) = wijk af | מֵעָלָ֣יו (mealav) = van het weg | וַעֲבֽוֹר (vaavor) = en ga voorbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:14; Job 22:23; Ex 23:7; 1 Tess 5:22; Ef 5:11 **4:16** Want zij kunnen niet slapen als zij geen kwaad hebben gedaan. Hun slaap wordt hun ontnomen als zij niemand hebben laten struikelen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽ֭שְׁנוּ (yishnu) = slapen zij | אִם (im) = als | לֹ֣א (lo) = niet | יָרֵ֑עוּ (yareu) = zij kwaad doen | וְֽנִגְזְלָ֥ה (venigzela) = en wordt ontnomen | שְׁ֝נָתָ֗ם (shenatam) = hun slaap | אִם (im) = als | לֹ֥א (lo) = niet | יַכְשִֽׁילוּ (yakhshilu) = zij laten struikelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יכשולו (yikshulu), ‘zij struikelen’. De gelezen vorm (qere) is יַכְשִׁילוּ (yakshilu), ‘zij laten struikelen’. Wij volgen de gelezen vorm. Zie ook: Ps 36:5; Spr 1:16; Jes 57:20; Mi 2:1; 2 Petr 2:14 **4:17** Want zij eten brood van goddeloosheid en drinken wijn van geweld. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לָ֭חֲמוּ (lachamu) = zij eten | לֶ֣חֶם (lechem) = brood van | רֶ֑שַׁע (resha) = goddeloosheid | וְיֵ֖ין (veyein) = en wijn van | חֲמָסִ֣ים (chamasim) = gewelddaden | יִשְׁתּֽוּ (yishtu) = zij drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 14:4; Spr 9:17; Spr 20:17; Mi 6:12; Jak 5:4–5 **4:18** Maar het pad van de rechtvaardigen is als het stralende licht: het wordt steeds helderder, tot het volle dag is. Brontekst: וְאֹ֣רַח (veorach) = en het pad van | צַ֭דִּיקִים (tsadiqim) = rechtvaardigen | כְּא֣וֹר (keor) = als licht van | נֹ֑גַהּ (nogah) = glans | הוֹלֵ֥ךְ (holekh) = gaande | וָ֝א֗וֹר (vaor) = en lichter wordend | עַד (ad) = tot | נְכ֥וֹן (nekhon) = vast staan van | הַיּֽוֹם (hayom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְכוֹן הַיּוֹם (nekon hayyom), ‘het vaststaan van de dag’: het moment waarop de dag op zijn hoogtepunt is, ongeveer het midden van de dag. Wij vertalen ‘tot het volle dag is’. Zie ook: Job 11:17; Dan 12:3; Joh 8:12; 2 Kor 3:18; Fil 2:15 **4:19** De weg van goddelozen is als diepe duisternis. Zij weten niet waarover zij struikelen. Brontekst: דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg van | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | כָּֽאֲפֵלָ֑ה (kaafela) = als diepe duisternis | לֹ֥א (lo) = niet | יָ֝דְע֗וּ (yadeu) = zij weten | בַּמֶּ֥ה (bame) = waarover | יִכָּשֵֽׁלוּ (yikashelu) = zij struikelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:5–6; 1 Sam 2:9; Jes 59:9–10; Jer 23:12; Joh 12:35 ### Let op mijn woorden en bewaak je hart **4:20** Mijn zoon, let op mijn woorden. Buig je oor naar mijn zeggingen. Brontekst: בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | לִדְבָרַ֣י (lidvaray) = op mijn woorden | הַקְשִׁ֑יבָה (haqshiva) = let op | לַ֝אֲמָרַ֗י (laamaray) = op mijn zeggingen | הַט (hat) = neig | אָזְנֶֽךָ (azenekha) = je oor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 78:1; Spr 5:1; Spr 6:20–21; Spr 7:1; Jes 55:3 **4:21** Laat ze niet uit je ogen verdwijnen. Bewaar ze in het midden van je hart. Brontekst: אַל (al) = niet | יַלִּ֥יזוּ (yalizu) = laat ze verdwijnen | מֵעֵינֶ֑יךָ (meeineikha) = uit je ogen | שָׁ֝מְרֵ֗ם (shamerem) = bewaar ze | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | לְבָבֶֽךָ (levavekha) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 40:9; Spr 2:1; Spr 3:3; Spr 3:21; Spr 7:1–2 **4:22** Want zij zijn leven voor wie ze vindt, en genezing voor heel zijn lichaam. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | חַיִּ֣ים (chayim) = leven | הֵ֭ם (hem) = zij | לְמֹצְאֵיהֶ֑ם (lemotseeihem) = voor wie ze vinden | וּֽלְכָל (ulekhal) = en voor heel | בְּשָׂר֥וֹ (besaro) = zijn lichaam | מַרְפֵּֽא (marpe) = genezing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּשָׂר (basar), ‘vlees’: hier het lichaam als geheel. Wij vertalen ‘lichaam’. Zie ook: Spr 3:8; Spr 4:4; Spr 4:10; Spr 12:18; Jer 33:6 **4:23** Bewaak je hart meer dan al het andere dat je bewaakt, want daaruit komt het leven voort. Brontekst: מִֽכָּל (mikal) = meer dan alles van | מִ֭שְׁמָר (mishmar) = wat bewaakt wordt | נְצֹ֣ר (netsor) = bewaak | לִבֶּ֑ךָ (libekha) = je hart | כִּֽי (ki) = want | מִ֝מֶּ֗נּוּ (mimenu) = daaruit | תּוֹצְא֥וֹת (totseot) = uitgangen van | חַיִּֽים (chayim) = leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵב (lev), ‘hart’: het hart is in het Hebreeuws de plaats van denken, willen en voelen. Voetnoot : מִשְׁמָר (mishmar), ‘wat bewaakt wordt’: de zin kan ook betekenen ‘met alle waakzaamheid’. Dan staat er: ‘Bewaak je hart met alle waakzaamheid.’ Voetnoot : תּוֹצְאוֹת (totsa’ot), ‘uitgangen’: de plaatsen waar iets uit voortkomt, zoals een bron. Zie ook: Ps 139:23–24; Spr 13:3; Mat 12:34–35; Mar 7:21–23; Luc 6:45 **4:24** Zet de verdraaidheid van de mond van je af en houd de kromme taal van de lippen ver van je. Brontekst: הָסֵ֣ר (haser) = verwijder | מִ֭מְּךָ (mimekha) = van je | עִקְּשׁ֣וּת (iqeshut) = verdraaidheid van | פֶּ֑ה (pe) = mond | וּלְז֥וּת (ulezut) = en kromheid van | שְׂ֝פָתַ֗יִם (sefatayim) = lippen | הַרְחֵ֥ק (harcheq) = houd ver | מִמֶּֽךָּ (mimeka) = van je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְזוּת (lezut), ‘kromme taal’: dit woord komt maar één keer voor. Het hoort bij het werkwoord ‘wegbuigen’ en staat naast ‘verdraaidheid’. Zie ook: Spr 8:8; Spr 8:13; Jak 1:26; Ef 4:25–31; 1 Petr 2:1 **4:25** Je ogen moeten recht vooruit kijken, en je oogleden recht voor je uit. Brontekst: עֵ֭ינֶיךָ (eineikha) = je ogen | לְנֹ֣כַח (lenokhach) = recht vooruit | יַבִּ֑יטוּ (yabitu) = laten kijken | וְ֝עַפְעַפֶּ֗יךָ (veafapeikha) = en je oogleden | יַיְשִׁ֥רוּ (yayshiru) = laten recht gaan | נֶגְדֶּֽךָ (negdekha) = tegenover je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:1; Ps 119:37; Spr 23:5; Spr 23:33; Mat 6:22 **4:26** Maak het pad van je voet effen, en al je wegen zullen vaststaan. Brontekst: פַּ֭לֵּס (pales) = maak effen | מַעְגַּ֣ל (magal) = het pad van | רַגְלֶ֑ךָ (raglekha) = je voet | וְֽכָל (vekhal) = en al | דְּרָכֶ֥יךָ (derakheikha) = je wegen | יִכֹּֽנוּ (yikonu) = zullen vaststaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּלֵּס (palles), ‘maak effen’: het werkwoord betekent ook ‘afwegen, overwegen’. Vergelijk Spr. 5:6 en 5:21. Zie ook: Ps 37:23; Ps 119:5; Spr 5:6; Spr 5:21; Hag 1:5; 2 Tess 3:3; Heb 12:13 **4:27** Wijk niet af naar rechts of naar links. Houd je voet weg van het kwaad. Brontekst: אַֽל (al) = niet | תֵּט (tet) = wijk af | יָמִ֥ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹ֑אול (usemovl) = en links | הָסֵ֖ר (haser) = verwijder | רַגְלְךָ֣ (raglekha) = je voet | מֵרָֽע (mera) = van kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 5:32; Deut 13:1; Deut 28:14; Joz 1:7; Spr 16:17 ## Spreuken 5 _Waarschuwing tegen de vreemde vrouw; trouw aan de vrouw van je jeugd_ ### Waarschuwing tegen de vreemde vrouw **5:1** Mijn zoon, let op mijn wijsheid. Buig je oor naar mijn verstand. Brontekst: בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | לְחָכְמָתִ֣י (lechakhemati) = op mijn wijsheid | הַקְשִׁ֑יבָה (haqshiva) = let op | לִ֝תְבוּנָתִ֗י (litvunati) = op mijn verstand | הַט (hat) = neig | אָזְנֶֽךָ (azenekha) = je oor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’: het vermogen om zaken uit elkaar te halen en goed te beoordelen. Het staat hier naast ‘wijsheid’ (chokmah). Zie ook: Spr 2:1; Spr 4:20; Spr 22:17; Mar 4:23; Openb 2:11 **5:2** Zo bewaar je doordachtheid, en je lippen zullen kennis bewaken. Brontekst: לִשְׁמֹ֥ר (lishmor) = om te bewaren | מְזִמּ֑וֹת (mezimot) = doordachtheid | וְ֝דַ֗עַת (vedaat) = en kennis | שְׂפָתֶ֥יךָ (sefateikha) = je lippen | יִנְצֹֽרוּ (yintsoru) = zullen bewaken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְזִמּוֹת (mezimmot), ‘doordachtheid’: weloverwogen plannen en bedachtzaamheid. In slechte zin zijn het ‘listige plannen’; hier is het goed bedoeld. Zie ook: Hoogl 4:11; Spr 10:21; Spr 15:7; Spr 16:23; Mal 2:6–7 **5:3** Want honing druipt van de lippen van een vreemde vrouw, en haar gehemelte is gladder dan olie. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | נֹ֣פֶת (nofet) = honing | תִּ֭טֹּפְנָה (titofena) = druipt | שִׂפְתֵ֣י (siftei) = lippen van | זָרָ֑ה (zara) = een vreemde | וְחָלָ֖ק (vechalaq) = en glad | מִשֶּׁ֣מֶן (mishemen) = dan olie | חִכָּֽהּ (chikah) = haar gehemelte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָרָה (zarah), ‘vreemde vrouw’: een vrouw die niet de eigen vrouw is. Het woord kan ook ‘buitenlandse vrouw’ betekenen. Zij wordt ook genoemd in Spr. 2:16, 6:24–35 en 7. Voetnoot : נֹפֶת (nofet), ‘honing’: honing die uit de raat druipt. Zie ook: Ps 55:22; Spr 2:16; Spr 6:24; Spr 7:5; Spr 7:21 **5:4** Maar haar einde is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. Brontekst: וְֽ֭אַחֲרִיתָהּ (veacharitah) = en haar einde | מָרָ֣ה (mara) = bitter | כַֽלַּעֲנָ֑ה (kalaana) = als alsem | חַ֝דָּ֗ה (chada) = scherp | כְּחֶ֣רֶב (kecherev) = als een zwaard van | פִּיּֽוֹת (piyot) = monden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּיּוֹת (piyyot), ‘monden’: letterlijk ‘zwaard van monden’. Het Hebreeuwse woord voor ‘mond’ wordt ook gebruikt voor de snijkant van een zwaard; het gaat om een zwaard met twee scherpe kanten. Zie ook: Ps 55:22; Ps 57:5; Spr 9:18; Pred 7:26; Heb 4:12 **5:5** Haar voeten dalen af naar de dood. Haar stappen houden Sjeol vast. Brontekst: רַ֭גְלֶיהָ (ragleiha) = haar voeten | יֹרְד֣וֹת (yoredot) = dalen af | מָ֑וֶת (mavet) = dood | שְׁ֝א֗וֹל (sheol) = Sjeol | צְעָדֶ֥יהָ (tseadeiha) = haar stappen | יִתְמֹֽכוּ (yitmokhu) = houden vast Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (sheol), ‘Sjeol’: het verblijf van de doden. Wij schrijven steeds ‘Sjeol’. Voetnoot : יִתְמֹכוּ (yitmokhu), ‘houden vast’: haar stappen grijpen Sjeol vast, dat wil zeggen: zij leiden er rechtstreeks heen. Zie ook: Spr 2:18–19; Spr 7:27 **5:6** Het pad van het leven overweegt zij niet. Haar sporen dwalen af, en zij weet het niet. Brontekst: אֹ֣רַח (orach) = het pad van | חַ֭יִּים (chayim) = leven | פֶּן (pen) = opdat niet | תְּפַלֵּ֑ס (tefales) = zij overweegt | נָע֥וּ (nau) = zijn dwalend | מַ֝עְגְּלֹתֶ֗יהָ (mageloteiha) = haar sporen | לֹ֣א (lo) = niet | תֵדָֽע (teda) = zij weet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּלֵּס (palles): ‘afwegen, overwegen, effen maken’. Vergelijk Spr. 4:26 en 5:21. Voetnoot Lezing: פֶּן תְּפַלֵּס (pen tefalles): het Hebreeuws is hier moeilijk. Het woord ‘pen’ betekent ‘opdat niet’. Het werkwoord is vrouwelijk of tweede persoon: ‘zij overweegt’ of ‘je overweegt’. Wij volgen ‘zij’, de vreemde vrouw: zij let niet op het pad van het leven, en zij weet niet dat haar sporen afdwalen. Een andere lezing is: ‘Opdat je het pad van het leven niet overweegt, dwalen haar sporen af, zonder dat je het weet.’ Zie ook: Ps 16:11; Ps 119:59; Spr 4:26; Spr 5:21; Spr 30:20 ### Blijf ver van haar huis **5:7** Nu dan, zonen, luister naar mij en wijk niet af van de woorden van mijn mond. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | בָ֭נִים (banim) = zonen | שִׁמְעוּ (shimu) = luister | לִ֑י (li) = naar mij | וְאַל (veal) = en niet | תָּ֝ס֗וּרוּ (tasuru) = wijk af | מֵאִמְרֵי (meimrei) = van de woorden van | פִֽי (pi) = mijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 4:1; Spr 4:21; Spr 7:24; Spr 22:17–21; Heb 12:25 **5:8** Houd je weg ver van haar vandaan. Kom niet dichtbij de ingang van haar huis. Brontekst: הַרְחֵ֣ק (harcheq) = houd ver | מֵעָלֶ֣יהָ (mealeiha) = van haar | דַרְכֶּ֑ךָ (darkekha) = je weg | וְאַל (veal) = en niet | תִּ֝קְרַ֗ב (tiqrav) = kom dichtbij | אֶל (el) = tot | פֶּ֥תַח (petach) = de ingang van | בֵּיתָֽהּ (beitah) = haar huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 4:15; Spr 6:27–28; Spr 7:25; Mat 6:13; Ef 5:11 **5:9** Anders geef je anderen je waardigheid en je jaren aan een wrede. Brontekst: פֶּן (pen) = opdat niet | תִּתֵּ֣ן (titen) = je geeft | לַאֲחֵרִ֣ים (laacherim) = aan anderen | הוֹדֶ֑ךָ (hodekha) = je waardigheid | וּ֝שְׁנֹתֶ֗יךָ (ushenoteikha) = en je jaren | לְאַכְזָרִֽי (leakhzari) = aan een wrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹד (hod), ‘waardigheid’: glans, luister, aanzien. Het gaat om wat een man waardevol en eervol maakt. Voetnoot : אַכְזָרִי (akhzari), ‘wrede’: iemand zonder medelijden. Zie ook: Gen 38:23–26; Re 16:19–21; Spr 6:29–35; Hos 4:13–14; Neh 13:26 **5:10** Anders worden vreemden verzadigd van je kracht, en je zwoegen gaat naar het huis van een vreemde. Brontekst: פֶּֽן (pen) = opdat niet | יִשְׂבְּע֣וּ (yisbeu) = worden verzadigd | זָרִ֣ים (zarim) = vreemden | כֹּחֶ֑ךָ (kochekha) = van je kracht | וַ֝עֲצָבֶ֗יךָ (vaatsaveikha) = en je zwoegen | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | נָכְרִֽי (nakheri) = een vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצָבֶיךָ (atsavekha), ‘je zwoegen’: moeizaam werk of wat je er met pijn voor verdiend hebt. In het Hebreeuws staat hier geen werkwoord. Wij vullen ‘gaat naar’ aan. Zie ook: Spr 6:35; Spr 31:3; Hos 7:9; Luc 15:30 **5:11** Dan zul je kreunen als het einde komt, wanneer je lichaam en je vlees verteerd zijn. Brontekst: וְנָהַמְתָּ֥ (venahamta) = en je zult kreunen | בְאַחֲרִיתֶ֑ךָ (beacharitekha) = bij je einde | בִּכְל֥וֹת (bikhlot) = bij het verteren van | בְּ֝שָׂרְךָ֗ (besarekha) = je lichaam | וּשְׁאֵרֶֽךָ (usheerekha) = en je vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּשָׂרְךָ וּשְׁאֵרֶךָ (besarekha ushe’erekha), ‘je lichaam en je vlees’: beide woorden betekenen ‘vlees’. Samen bedoelen ze heel je lijf. Zie ook: Num 5:27; 1 Kor 5:4–5; Rom 6:21; Heb 13:4; Openb 22:15 **5:12** Dan zul je zeggen: „Hoe heb ik de tucht gehaat, en heeft mijn hart de terechtwijzing veracht! Brontekst: וְֽאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = en je zult zeggen | אֵ֭יךְ (eikh) = hoe | שָׂנֵ֣אתִי (saneti) = ik heb gehaat | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | וְ֝תוֹכַ֗חַת (vetokhachat) = en terechtwijzing | נָאַ֥ץ (naats) = heeft veracht | לִבִּֽי (libi) = mijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 12 tot en met 14 zijn de woorden van de man die te laat inziet wat hij gedaan heeft. Voetnoot : תּוֹכַחַת (tokhachat), ‘terechtwijzing’: hoort bij het werkwoord ‘aanspreken, terechtwijzen’. Zie ook: Spr 1:7; Spr 1:22; Spr 1:25; Spr 12:1; Spr 15:5 **5:13** Ik heb niet geluisterd naar de stem van mijn leraren, en mijn oor niet geneigd naar mijn onderwijzers. Brontekst: וְֽלֹא (velo) = en niet | שָׁ֭מַעְתִּי (shamati) = ik heb geluisterd | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | מוֹרָ֑י (moray) = mijn leraren | וְ֝לִֽמְלַמְּדַ֗י (velimlameday) = en naar mijn onderwijzers | לֹא (lo) = niet | הִטִּ֥יתִי (hititi) = ik heb geneigd | אָזְנִֽי (azeni) = mijn oor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 15:18; 1 Tess 4:8; 1 Tess 5:12–13; Heb 13:7 **5:14** Bijna was ik in alle kwaad beland, midden in de vergadering en de gemeenschap.” Brontekst: כִּ֭מְעַט (kimat) = bijna | הָיִ֣יתִי (hayiti) = ik was | בְכָל (bekhal) = in alle | רָ֑ע (ra) = kwaad | בְּת֖וֹךְ (betokh) = in het midden van | קָהָ֣ל (qahal) = vergadering | וְעֵדָֽה (veeda) = en gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 25:1–6; Spr 13:20; Hos 4:11–14; 1 Kor 10:6–8; 2 Petr 2:10–18 ### Drink uit je eigen put **5:15** Drink water uit je eigen put en stromend water uit het midden van je eigen bron. Brontekst: שְׁתֵה (shete) = drink | מַ֥יִם (mayim) = water | מִבּוֹרֶ֑ךָ (miborekha) = uit je put | וְ֝נֹזְלִ֗ים (venozelim) = en stromend water | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בְּאֵרֶֽךָ (beerekha) = je bron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De beelden van put, bron en wel (vers 15–18) gaan over de eigen vrouw: zie vers 18, ‘de vrouw van je jeugd’. Voetnoot : בּוֹר (bor), ‘put’: een ondergrondse regenput. בְּאֵר (be’er), ‘bron’: een gegraven put met water. Zie ook: Spr 5:18–19; 1 Kor 7:2–5; Heb 13:4 **5:16** Zullen je wellen naar buiten uitstromen, waterbeken op de pleinen? Brontekst: יָפ֣וּצוּ (yafutsu) = zullen uitstromen | מַעְיְנֹתֶ֣יךָ (mayenoteikha) = je wellen | ח֑וּצָה (chutsa) = naar buiten | בָּ֝רְחֹב֗וֹת (barechovot) = op de pleinen | פַּלְגֵי (palgei) = beken van | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier geen vraagteken. Wij lezen het als vraag, passend bij vers 17: de bron is alleen voor jou. Het kan ook een uitspraak of wens zijn: ‘Je wellen zullen buiten overstromen’ of ‘mogen je wellen…’. Zie ook: Deut 33:28; Re 12:9; Ps 68:27; Ps 127:3; Ps 128:3; Spr 5:17 **5:17** Laat ze alleen voor jou zijn, en niet voor vreemden naast jou. Brontekst: יִֽהְיוּ (yihyu) = laten zijn | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | לְבַדֶּ֑ךָ (levadekha) = jou alleen | וְאֵ֖ין (veein) = en niet | לְזָרִ֣ים (lezarim) = voor vreemden | אִתָּֽךְ (itakh) = naast jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:18** Je springbron zij gezegend, en verheug je in de vrouw van je jeugd. Brontekst: יְהִֽי (yehi) = moge zijn | מְקוֹרְךָ֥ (meqorekha) = je springbron | בָר֑וּךְ (barukh) = gezegend | וּ֝שְׂמַ֗ח (usemach) = en verheug je | מֵאֵ֥שֶׁת (meeshet) = in de vrouw van | נְעוּרֶֽךָ (neurekha) = je jeugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְקוֹרְךָ (meqorkha), ‘je springbron’: het beeld voor de eigen vrouw en voor de gezinsband. De vrouw van je jeugd is de vrouw met wie je als jonge man trouwde. Zie ook: Hoogl 4:12; Hoogl 4:15; Pred 9:9; Mal 2:14–15 **5:19** Een hinde van liefde en een steenbokje van gunst: haar borsten laven je op elk moment. In haar liefde raak je voortdurend in vervoering. Brontekst: אַיֶּ֥לֶת (ayelet) = hinde van | אֲהָבִ֗ים (ahavim) = liefde | וְֽיַעֲלַ֫ת (veyaalat) = en steenbokje van | חֵ֥ן (chen) = gunst | דַּ֭דֶּיהָ (dadeiha) = haar borsten | יְרַוֻּ֣ךָ (yeravukha) = laven je | בְכָל (bekhal) = op elk | עֵ֑ת (et) = moment | בְּ֝אַהֲבָתָ֗הּ (beahavatah) = in haar liefde | תִּשְׁגֶּ֥ה (tishge) = raak je in vervoering | תָמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַיֶּלֶת אֲהָבִים (ayyelet ahavim), ‘hinde van liefde’, en יַעֲלַת חֵן (ya’alat chen), ‘steenbokje van gunst’: lieflijke, bevallige dieren, een beeld voor de geliefde vrouw. Voetnoot : תִּשְׁגֶּה (tishgeh), ‘raak je in vervoering’: het werkwoord שָׁגָה (shagah) betekent ‘dwalen’ of ‘rondzwalken’. Hier gaat het om een gelukkig verdwaald zijn in liefde. In vers 20 en 23 staat hetzelfde woord, maar in slechte zin: ‘dwalen’. Zie ook: Hoogl 2:9; Hoogl 4:5; Hoogl 7:4; Hoogl 8:14; Spr 5:15; Spr 5:20; Spr 5:23 **5:20** Waarom zou je in vervoering raken door een vreemde, mijn zoon, en de boezem van een vreemde vrouw omarmen? Brontekst: וְלָ֤מָּה (velama) = en waarom | תִשְׁגֶּ֣ה (tishge) = zou je in vervoering raken | בְנִ֣י (beni) = mijn zoon | בְזָרָ֑ה (bezara) = door een vreemde | וּ֝תְחַבֵּ֗ק (utechabeq) = en zou je omarmen | חֵ֣ק (cheq) = de boezem van | נָכְרִיָּֽה (nakheriya) = een vreemde vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָכְרִיָּה (nokhriyah) en זָרָה (zarah) betekenen beide ‘vreemde’. Zie Spr. 2:16. Zie ook: Spr 2:16; Spr 6:24; Spr 7:5; Spr 23:27–28; Spr 23:33; 1 Kon 11:1 ### Yahweh ziet alle wegen **5:21** Want recht voor de ogen van Yahweh liggen de wegen van een man, en al zijn sporen weegt Hij af. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | נֹ֨כַח (nokhach) = recht voor | עֵינֵ֣י (einei) = de ogen van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | דַּרְכֵי (darkhei) = de wegen van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וְֽכָל (vekhal) = en al | מַעְגְּלֹתָ֥יו (magelotav) = zijn sporen | מְפַלֵּֽס (mefales) = weegt Hij af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְפַלֵּס (mefalles), ‘weegt af’: Yahweh weegt elk pad van een man en maakt het vlak. Het is dezelfde stam als in Spr. 4:26. Zie ook: Job 34:21; Ps 11:4; Spr 4:26; Spr 15:3; Jer 32:19; Heb 4:13 **5:22** Zijn eigen ongerechtigheden vangen hem, de goddeloze, en in de touwen van zijn zonde wordt hij vastgehouden. Brontekst: עַֽווֹנוֹתָ֗יו (avonotav) = zijn ongerechtigheden | יִלְכְּדֻנ֥וֹ (yilkeduno) = vangen hem | אֶת (et) = (obj.) | הָרָשָׁ֑ע (harasha) = de goddeloze | וּבְחַבְלֵ֥י (uvechavlei) = en met de touwen van | חַ֝טָּאת֗וֹ (chatato) = zijn zonde | יִתָּמֵֽךְ (yitamekh) = wordt hij vastgehouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲוֺנוֹתָיו (avonotav), ‘ongerechtigheden’: het woord kan ook ‘schuld’ betekenen, omdat de straf bij de ongerechtigheid hoort. Zie ook: Spr 1:18; Spr 1:31–32; Spr 11:5; Hos 4:11–14; Ef 5:5–6 **5:23** Hij zal sterven door gebrek aan tucht, en door zijn grote zotheid dwalen. Brontekst: ה֗וּא (hu) = hij | יָ֭מוּת (yamut) = zal sterven | בְּאֵ֣ין (beein) = door gebrek aan | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | וּבְרֹ֖ב (uverov) = en door de grootte van | אִוַּלְתּ֣וֹ (ivalto) = zijn zotheid | יִשְׁגֶּֽה (yishge) = dwalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: hoort bij אֱוִיל (evil), ‘zot’. De zotheid is hier een gebrek aan tucht. Het werkwoord ‘dwalen’ (shagah) is hetzelfde als in vers 19 en 20. Zie ook: Job 4:21; Job 36:12; Spr 5:19; Spr 5:20; Spr 10:21; Spr 14:32; 2 Petr 2:15–22 ## Spreuken 6 _Borg staan, de luiaard, de man van Belial, zes dingen die Yahweh haat, overspel_ ### Borg staan **6:1** Mijn zoon, als je borg bent geworden voor je naaste, als je voor een vreemde een handslag hebt gegeven, Brontekst: בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | אִם (im) = als | עָרַ֣בְתָּ (aravta) = je borg bent geworden | לְרֵעֶ֑ךָ (lereekha) = voor je naaste | תָּקַ֖עְתָּ (taqata) = je hebt geslagen | לַזָּ֣ר (lazar) = voor een vreemde | כַּפֶּֽיךָ (kapeikha) = je handpalmen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרַבְתָּ (aravta), ‘je bent borg geworden’: je hebt je verplicht om de schuld van een ander te betalen. תָּקַעְתָּ כַּפֶּיךָ (taqa’ta kappekha), ‘je hebt je handen geslagen’: een handslag als teken van de afspraak. Vergelijk Spr. 11:15 en 17:18. Voetnoot : זָר (zar), ‘vreemde’: hier een ander, iemand buiten je eigen kring. Zie ook: Gen 43:9; Spr 11:15; Spr 17:18; Spr 20:16; Spr 22:26 **6:2** dan ben je verstrikt door de woorden van je mond, gevangen door de woorden van je mond. Brontekst: נוֹקַ֥שְׁתָּ (noqashta) = verstrikt | בְאִמְרֵי (beimrei) = door de woorden van | פִ֑יךָ (pikha) = je mond | נִ֝לְכַּ֗דְתָּ (nilkadta) = gevangen | בְּאִמְרֵי (beimrei) = door de woorden van | פִֽיךָ (pikha) = je mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 12:13; Spr 18:7 **6:3** Doe dan dit, mijn zoon, en red jezelf, want je bent in de hand van je naaste gekomen. Ga, buig diep neer en dring aan bij je naasten. Brontekst: עֲשֵׂ֨ה (ase) = doe | זֹ֥את (zot) = dit | אֵפ֪וֹא (efo) = dan | בְּנִ֡י (beni) = mijn zoon | וְֽהִנָּצֵ֗ל (vehinatsel) = en red jezelf | כִּ֘י (ki) = want | בָ֤אתָ (bata) = je bent gekomen | בְכַף (bekhaf) = in de hand van | רֵעֶ֑ךָ (reekha) = je naaste | לֵ֥ךְ (lekh) = ga | הִ֝תְרַפֵּ֗ס (hitrapes) = buig diep neer | וּרְהַ֥ב (urehav) = en dring aan | רֵעֶֽיךָ (reeikha) = bij je naasten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְרַפֵּס (hitrappes), ‘buig diep neer’: letterlijk ‘jezelf onderwerpen, vertrappen’. רְהַב (rehav), ‘dring aan’: het werkwoord betekent ‘bestormen, met aandrang bestoken’. Zie ook: Ex 10:3; 2 Sam 24:14; Ps 31:9; 2 Kron 36:12; Jak 4:10 **6:4** Geef je ogen geen slaap en je oogleden geen sluimer. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּתֵּ֣ן (titen) = geef | שֵׁנָ֣ה (shena) = slaap | לְעֵינֶ֑יךָ (leeineikha) = aan je ogen | וּ֝תְנוּמָ֗ה (utenuma) = en sluimer | לְעַפְעַפֶּֽיךָ (leafapeikha) = aan je oogleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 132:4; Spr 6:10–11; Pred 9:10; Mat 24:17–18; Mar 13:35–36 **6:5** Red jezelf als een gazelle uit de hand, en als een vogel uit de hand van een vogelaar. Brontekst: הִ֭נָּצֵל (hinatsel) = red jezelf | כִּצְבִ֣י (kitsvi) = als een gazelle | מִיָּ֑ד (miyad) = uit de hand | וּ֝כְצִפּ֗וֹר (ukhetsipor) = en als een vogel | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | יָקֽוּשׁ (yaqush) = een vogelaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft alleen ‘uit de hand’. Bij de gazelle wordt niet gezegd uit wiens hand. Wij laten dat zo staan. Het wordt vaak aangevuld met ‘de jager’. Zie ook: Ps 11:1; Ps 91:3; Ps 124:7; Spr 1:17 ### De luiaard en de mier **6:6** Ga naar de mier, luiaard. Kijk naar haar wegen en word wijs. Brontekst: לֵֽךְ (lekh) = ga | אֶל (el) = naar | נְמָלָ֥ה (nemala) = mier | עָצֵ֑ל (atsel) = luiaard | רְאֵ֖ה (ree) = zie | דְרָכֶ֣יהָ (derakheiha) = haar wegen | וַחֲכָֽם (vachakham) = en word wijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָצֵל (atsel), ‘luiaard’: iemand die niet wil werken. Het woord komt vaker voor in Spreuken (zie 6:9; 10:26; 13:4). Voetnoot : נְמָלָה (nemalah), ‘mier’: de mier is hier het voorbeeld van wijsheid zonder bevel van boven. Zie ook: Spr 6:9; Spr 13:4; Spr 18:9; Spr 20:4; Heb 6:12 **6:7** Zij heeft geen aanvoerder, geen opzichter en geen heerser. Brontekst: אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | אֵֽין (ein) = niet is | לָ֥הּ (lah) = voor haar | קָצִ֗ין (qatsin) = aanvoerder | שֹׁטֵ֥ר (shoter) = opzichter | וּמֹשֵֽׁל (umoshel) = en heerser Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָצִין (qatsin), ‘aanvoerder’; שֹׁטֵר (shoter), ‘opzichter’; מֹשֵׁל (moshel), ‘heerser’. Drie namen voor wie leiding geeft. Zie ook: Job 38:39–39:12; Job 39:26–30; Job 40:28–41:26; Spr 30:27 **6:8** Zij bereidt in de zomer haar brood. Zij verzamelt in de oogst haar voedsel. Brontekst: תָּכִ֣ין (takhin) = zij bereidt | בַּקַּ֣יִץ (baqayits) = in de zomer | לַחְמָ֑הּ (lachmah) = haar brood | אָגְרָ֥ה (agera) = zij verzamelt | בַ֝קָּצִ֗יר (baqatsir) = in de oogst | מַאֲכָלָֽהּ (maakhalah) = haar voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 10:5; Spr 30:25; 1 Tim 6:19 **6:9** Hoelang nog blijf je liggen, luiaard? Wanneer sta je op uit je slaap? Brontekst: עַד (ad) = tot | מָתַ֖י (matay) = wanneer | עָצֵ֥ל (atsel) = luiaard | תִּשְׁכָּ֑ב (tishkav) = zul je liggen | מָ֝תַ֗י (matay) = wanneer | תָּק֥וּם (taqum) = sta je op | מִשְּׁנָתֶֽךָ (mishenatekha) = uit je slaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 94:8; Spr 24:33–34; Jer 4:14; Rom 13:11; Ef 5:14 **6:10** Een beetje slaap, een beetje sluimer, een beetje de handen ineenslaan om te liggen. Brontekst: מְעַ֣ט (meat) = een beetje | שֵׁ֭נוֹת (shenot) = slaap | מְעַ֣ט (meat) = een beetje | תְּנוּמ֑וֹת (tenumot) = sluimer | מְעַ֓ט (meat) = een beetje | חִבֻּ֖ק (chibuq) = het ineenslaan van | יָדַ֣יִם (yadayim) = de handen | לִשְׁכָּֽב (lishkav) = om te liggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers heeft geen werkwoord: ‘een beetje slaap, een beetje sluimer, een beetje handen vouwen om te liggen’. Spr. 24:33 heeft dezelfde woorden. Zie ook: Spr 6:6; Spr 23:33–34; Spr 24:33–34 **6:11** En je armoede zal komen als een rondtrekker, en je gebrek als een man met een schild. Brontekst: וּבָֽא (uva) = en zij zal komen | כִמְהַלֵּ֥ךְ (kimhalekh) = als een rondtrekker | רֵאשֶׁ֑ךָ (reshekha) = je armoede | וּ֝מַחְסֹֽרְךָ֗ (umachsorekha) = en je gebrek | כְּאִ֣ישׁ (keish) = als een man met | מָגֵֽן (magen) = een schild Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵאשֶׁךָ (reshekha), ‘je armoede’: van het woord רֵישׁ (resh), ‘armoede’. Voetnoot : מְהַלֵּךְ (mehallekh), ‘zwerver’: iemand die rondtrekt. Dit beeld is meerduidig; het kan ook ‘rover’ bedoelen. Voetnoot : אִישׁ מָגֵן (ish magen), ‘gewapend man’: letterlijk ‘man van een schild’. Zie ook: Spr 10:4; Spr 13:4; Spr 20:4; Spr 24:34 ### De man van Belial **6:12** Een man van Belial, een man van onheil, gaat rond met een verdraaide mond. Brontekst: אָדָ֣ם (adam) = een mens van | בְּ֭לִיַּעַל (beliyaal) = Belial | אִ֣ישׁ (ish) = een man van | אָ֑וֶן (aven) = onheil | ה֝וֹלֵ֗ךְ (holekh) = gaat rond | עִקְּשׁ֥וּת (iqeshut) = met verdraaidheid van | פֶּֽה (pe) = mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: ‘nietswaardigheid, onheil’. Het woord staat hier voor een slecht mens. Vergelijk ‘zonen van Belial’ in 1 Sam. 2:12. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’. Zie ook: 1 Sam 2:12; Ps 59:8; Spr 4:24; Spr 16:27; Mat 12:34; 1 Tim 5:13 **6:13** Hij knipoogt met zijn oog, hij schraapt met zijn voet, hij wijst met zijn vingers. Brontekst: קֹרֵ֣ץ (qorets) = knipogend | בְּ֭עֵינָו (beeinav) = met zijn oog | מֹלֵ֣ל (molel) = schrapend | בְּרַגְלָ֑ו (beraglav) = met zijn voet | מֹ֝רֶ֗ה (more) = wijzend | בְּאֶצְבְּעֹתָֽיו (beetsbeotav) = met zijn vingers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹרֵץ (qorets) ‘knipoogt’, מֹלֵל (molel) ‘schraapt’ (of ‘maakt een gebaar’), מֹרֶה (moreh) ‘wijst’: drie heimelijke gebaren waarmee hij zijn slechte bedoelingen overbrengt zonder woorden. De betekenis van het middelste werkwoord is onzeker. Zie ook: Job 15:12; Ps 35:19; Spr 5:6; Spr 10:10 **6:14** Verdraaidheid is in zijn hart. Hij smeedt kwaad, op elk moment. Hij stuurt twisten uit. Brontekst: תַּֽהְפֻּכ֨וֹת (tahpukhot) = verdraaidheden | בְּלִבּ֗וֹ (belibo) = in zijn hart | חֹרֵ֣שׁ (choresh) = smeedt | רָ֣ע (ra) = kwaad | בְּכָל (bekhal) = op elk | עֵ֑ת (et) = moment | מִדְיָנִ֥ים (midyanim) = twisten | יְשַׁלֵּֽחַ (yeshaleach) = stuurt hij uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is מדנים (medanim), ‘twisten’. De gelezen vorm (qere) is מִדְיָנִים (midyanim), ook ‘twisten’. De betekenis blijft gelijk. Zie ook vers 19. Zie ook: Spr 2:14; Spr 6:18–19; Spr 6:19; Hos 8:7; Mi 2:1; Rom 16:17 **6:15** Daarom komt zijn ramp plotseling. In een oogwenk wordt hij gebroken, en er is geen genezing. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = (zo) | פִּ֭תְאֹם (pitom) = plotseling | יָב֣וֹא (yavo) = zal komen | אֵיד֑וֹ (eido) = zijn ramp | פֶּ֥תַע (peta) = in een oogwenk | יִ֝שָּׁבֵ֗ר (yishaver) = wordt hij gebroken | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | מַרְפֵּֽא (marpe) = genezing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 73:18–20; 2 Kron 36:16; Jes 30:13–14; Jer 19:11; 1 Tess 5:3 ### Zes dingen die Yahweh haat **6:16** Zes zijn het die Yahweh haat, en zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel: Brontekst: שֶׁשׁ (shesh) = zes | הֵ֭נָּה (hena) = zij zijn het | שָׂנֵ֣א (sane) = haat | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְ֝שֶׁ֗בַע (vesheva) = en zeven | תּוֹעֲבַ֥ת (toavat) = gruwel van | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = Zijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁשׁ… וְשֶׁבַע (shesh… veshevaʿ), ‘zes… en zeven’: een getalspreuk. Eerst een rond getal, daarna één erbij; de lijst loopt dus tot zeven. Vergelijk Job 5:19 en Spr. 30:15–31. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het woord betekent ook ‘leven’, ‘persoon’ of ‘begeerte’. Bij Yahweh bedoelt het Hemzelf, Zijn innerlijk. Voetnoot : תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: iets waar Yahweh een afkeer van heeft. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is תועבות (to’evot), ‘gruwelen’. De gelezen vorm (qere) is תּוֹעֲבַת (to’avat), ‘gruwel van’. Wij volgen de gelezen vorm. Zie ook: Job 5:19; Deut 25:16; Ps 11:5; Spr 8:13; Spr 11:20; Spr 17:15; Spr 30:15–31 **6:17** hoogmoedige ogen, een leugentong, en handen die onschuldig bloed vergieten; Brontekst: עֵינַ֣יִם (einayim) = ogen | רָ֭מוֹת (ramot) = hoge | לְשׁ֣וֹן (leshon) = tong van | שָׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | וְ֝יָדַ֗יִם (veyadayim) = en handen | שֹׁפְכ֥וֹת (shofekhot) = die vergieten | דָּם (dam) = bloed | נָקִֽי (naqi) = onschuldig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵינַיִם רָמוֹת (enayim ramot): letterlijk ‘hoge ogen’. Het gaat om hoogmoedige blikken. Zie ook: Ps 5:7; Ps 101:5; Ps 120:2–3; Spr 12:22; Jes 1:15 **6:18** een hart dat plannen van onheil smeedt, voeten die zich haasten om naar het kwade te rennen; Brontekst: לֵ֗ב (lev) = een hart | חֹ֭רֵשׁ (choresh) = dat smeedt | מַחְשְׁב֣וֹת (machshevot) = plannen van | אָ֑וֶן (aven) = onheil | רַגְלַ֥יִם (raglayim) = voeten | מְ֝מַהֲר֗וֹת (memaharot) = die zich haasten | לָר֥וּץ (laruts) = om te rennen | לָֽרָעָה (laraa) = naar het kwade Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:5; Ps 36:5; Spr 1:16; Jer 4:14; Rom 3:15 **6:19** een valse getuige die leugens uitblaast, en wie twisten tussen broers uitstuurt. Brontekst: יָפִ֣יחַ (yafiach) = hij blaast uit | כְּ֭זָבִים (kezavim) = leugens | עֵ֣ד (ed) = getuige van | שָׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | וּמְשַׁלֵּ֥חַ (umeshaleach) = en hij die uitstuurt | מְ֝דָנִ֗ים (medanim) = twisten | בֵּ֣ין (bein) = tussen | אַחִֽים (achim) = broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het geschreven woord (ketiv) מדנים (medanim) en de gelezen vorm zijn hier gelijk: ‘twisten’. Het werkwoord שָׁלַח (shalach), ‘uitsturen’, staat ook in vers 14. Zie ook: Ps 27:12; Spr 6:14; Spr 19:5; Spr 19:9; Jak 3:18 ### Het onderwijs van vader en moeder **6:20** Bewaar, mijn zoon, het gebod van je vader en verlaat het onderwijs van je moeder niet. Brontekst: נְצֹ֣ר (netsor) = bewaar | בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | מִצְוַ֣ת (mitsvat) = het gebod van | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | וְאַל (veal) = en niet | תִּ֝טֹּ֗שׁ (titosh) = verlaat | תּוֹרַ֥ת (torat) = het onderwijs van | אִמֶּֽךָ (imekha) = je moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers lijkt op Spr. 1:8, maar hier staat ‘gebod’ (mitsvah) voor de vader en ‘onderwijs’ (torah) voor de moeder. Zie ook: Deut 27:16; Spr 1:8–9; Spr 7:1–4; Spr 23:22; Ef 6:1 **6:21** Bind ze voortdurend op je hart. Doe ze om je hals. Brontekst: קָשְׁרֵ֣ם (qasherem) = bind ze | עַל (al) = op | לִבְּךָ֣ (libekha) = je hart | תָמִ֑יד (tamid) = voortdurend | עָ֝נְדֵ֗ם (anedem) = doe ze om | עַל (al) = op | גַּרְגְּרֹתֶֽךָ (gargerotekha) = je hals Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:8; Spr 3:3; Spr 4:6; Spr 7:3–4; 2 Kor 3:3 **6:22** Als je rondgaat, leidt het je. Als je ligt, waakt het over je. En als je wakker wordt, spreekt het met je. Brontekst: בְּהִתְהַלֶּכְךָ֨ (behithalekhkha) = bij je rondgaan | תַּנְחֶ֬ה (tanche) = zal het leiden | אֹתָ֗ךְ (otakh) = jou | בְּֽ֭שָׁכְבְּךָ (beshakhbekha) = bij je liggen | תִּשְׁמֹ֣ר (tishmor) = zal het waken | עָלֶ֑יךָ (aleikha) = over je | וַ֝הֲקִיצ֗וֹתָ (vahaqitsota) = en bij het wakker worden | הִ֣יא (hi) = het | תְשִׂיחֶֽךָ (tesichekha) = zal spreken met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat alles in het vrouwelijk enkelvoud: het gaat om het gebod en het onderwijs samen. Wij schrijven ‘het’. Zie ook: Ps 119:11; Ps 119:24; Ps 119:97; Spr 2:11; Spr 3:23–24 **6:23** Want een lamp is het gebod en licht het onderwijs, en een weg van het leven zijn de terechtwijzingen van de tucht, Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | נֵ֣ר (ner) = lamp | מִ֭צְוָה (mitsva) = gebod | וְת֣וֹרָה (vetora) = en onderwijs | א֑וֹר (or) = licht | וְדֶ֥רֶךְ (vederekh) = en weg van | חַ֝יִּ֗ים (chayim) = leven | תּוֹכְח֥וֹת (tokhechot) = terechtwijzingen van | מוּסָֽר (musar) = tucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 19:9; Ps 119:105; Spr 4:13; Spr 15:31; 2 Petr 1:19 ### Waarschuwing tegen overspel **6:24** om je te bewaren voor een slechte vrouw, voor de gladheid van de tong van een vreemde vrouw. Brontekst: לִ֭שְׁמָרְךָ (lishmarekha) = om je te bewaren | מֵאֵ֣שֶׁת (meeshet) = voor een vrouw van | רָ֑ע (ra) = kwaad | מֵֽ֝חֶלְקַ֗ת (mechelqat) = voor de gladheid van | לָשׁ֥וֹן (lashon) = tong van | נָכְרִיָּֽה (nakheriya) = een vreemde vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָכְרִיָּה (nokriyah), ‘vreemde vrouw’: zie Spr. 2:16 en 5:3. Voetnoot Lezing: אֵשֶׁת רָע (eshet ra), ‘slechte vrouw’: letterlijk ‘vrouw van het kwade’. De geschreven medeklinkers kunnen ook gelezen worden als ‘vrouw van een ander’ (reʿa). Sommige oude vertalingen lijken dat te lezen. Wij volgen de Masoretische lezing. Zie ook: Spr 2:16; Spr 5:3; Spr 7:5; Pred 7:26 **6:25** Begeer haar schoonheid niet in je hart. Laat haar je niet meenemen met haar oogleden. Brontekst: אַל (al) = niet | תַּחְמֹ֣ד (tachmod) = begeer | יָ֭פְיָהּ (yafeyah) = haar schoonheid | בִּלְבָבֶ֑ךָ (bilvavekha) = in je hart | וְאַל (veal) = en niet | תִּ֝קָּֽחֲךָ֗ (tiqachakha) = laat haar je meenemen | בְּעַפְעַפֶּֽיהָ (beafapeiha) = met haar oogleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 11:2–5; 2 Kon 9:30; Jes 3:16; Mat 5:28; Jak 1:14–15 **6:26** Want om een hoer gaat het tot een brood toe, maar de vrouw van een man jaagt op een kostbaar leven. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | בְעַד (bead) = om | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | זוֹנָ֗ה (zona) = hoer | עַֽד (ad) = tot | כִּכַּ֫ר (kikar) = een brood | לָ֥חֶם (lachem) = van brood | וְאֵ֥שֶׁת (veeshet) = en de vrouw van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = leven | יְקָרָ֣ה (yeqara) = kostbaar | תָצֽוּד (tatsud) = jaagt op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Het Hebreeuws heeft geen werkwoord in de eerste helft: ‘want om een hoer, tot aan een brood’. Er zijn twee lezingen: (1) een hoer kost hooguit een brood; (2) door een hoer kom je tot een brood, dat wil zeggen tot armoede. Wij laten de zin dicht bij het Hebreeuws. Voetnoot : נֶפֶשׁ יְקָרָה (nefesh yeqarah), ‘kostbaar leven’: letterlijk ‘kostbare ziel’. Zie ook: Gen 39:14; 1 Sam 2:36; Spr 29:3; Ezech 13:8; Luc 15:30 **6:27** Kan een man vuur in zijn boezem scheppen zonder dat zijn kleren verbranden? Brontekst: הֲיַחְתֶּ֤ה (hayachte) = zal scheppen | אִ֓ישׁ (ish) = een man | אֵ֬שׁ (esh) = vuur | בְּחֵיק֑וֹ (becheiqo) = in zijn boezem | וּ֝בְגָדָ֗יו (uvegadav) = en zijn kleren | לֹ֣א (lo) = niet | תִשָּׂרַֽפְנָה (tisarafna) = zullen verbranden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַחְתֶּה (yachteh), ‘scheppen’: vuur of gloeiende kolen met de hand oppakken. Zie ook: Job 31:9–12; Hos 7:4–7; Jak 3:5 **6:28** Of kan een man over gloeiende kolen lopen zonder dat zijn voeten verschroeid worden? Brontekst: אִם (im) = of | יְהַלֵּ֣ךְ (yehalekh) = zal lopen | אִ֭ישׁ (ish) = een man | עַל (al) = op | הַגֶּחָלִ֑ים (hagechalim) = de kolen | וְ֝רַגְלָ֗יו (veraglav) = en zijn voeten | לֹ֣א (lo) = niet | תִכָּוֶֽינָה (tikaveina) = zullen verschroeid worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:29** Zo is wie naar de vrouw van zijn naaste toe gaat: niemand die haar aanraakt, blijft ongestraft. Brontekst: כֵּ֗ן (ken) = zo | הַ֭בָּא (haba) = wie ingaat | אֶל (el) = tot | אֵ֣שֶׁת (eshet) = de vrouw van | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | לֹ֥א (lo) = niet | יִ֝נָּקֶ֗ה (yinaqe) = blijft ongestraft | כָּֽל (kal) = iedereen | הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = die aanraakt | בָּֽהּ (bah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבָּא אֶל (habba el), ‘wie binnengaat tot’: een omschrijving voor gemeenschap hebben met een vrouw. Wij vertalen ‘naar … toe gaat’. Zie ook: Lev 20:10; 2 Sam 12:9–10; Ezech 22:11; Mal 3:5; 1 Kor 7:1 **6:30** Men veracht een dief niet als hij steelt om zijn ziel te vullen, wanneer hij honger heeft. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יָב֣וּזוּ (yavuzu) = men veracht | לַ֭גַּנָּב (laganav) = de dief | כִּ֣י (ki) = wanneer | יִגְנ֑וֹב (yignov) = hij steelt | לְמַלֵּ֥א (lemale) = om te vullen | נַ֝פְשׁ֗וֹ (nafsho) = zijn ziel | כִּ֣י (ki) = wanneer | יִרְעָֽב (yirav) = hij honger heeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de begeerte, de honger die vervuld wil worden. Zie ook: Job 38:39 **6:31** Maar wordt hij gevonden, dan betaalt hij zevenvoudig. Hij geeft al het vermogen van zijn huis. Brontekst: וְ֭נִמְצָא (venimtsa) = en wordt gevonden | יְשַׁלֵּ֣ם (yeshalem) = hij zal betalen | שִׁבְעָתָ֑יִם (shivatayim) = zevenvoudig | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | ה֖וֹן (hon) = het vermogen van | בֵּית֣וֹ (beito) = zijn huis | יִתֵּֽן (yiten) = hij zal geven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:18; Ex 21:37–22:3; 2 Sam 12:6; Mat 18:25; Luc 19:8 **6:32** Wie overspel pleegt met een vrouw, is zonder hart. Wie zijn ziel verderft, die doet dit. Brontekst: נֹאֵ֣ף (noef) = pleger van overspel met | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | חֲסַר (chasar) = zonder | לֵ֑ב (lev) = hart | מַֽשְׁחִ֥ית (mashchit) = verderver van | נַ֝פְשׁ֗וֹ (nafsho) = zijn ziel | ה֣וּא (hu) = hij | יַעֲשֶֽׂנָּה (yaasena) = doet dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲסַר לֵב (chasar lev), ‘zonder hart’: iemand zonder verstand. Zo ook Spr. 7:7 en 9:4. Het hart is in het Hebreeuws de plaats van denken en oordelen. Zie ook: Spr 7:7; Spr 7:22–23; Spr 9:4; Pred 7:25–26; Rom 1:22–24; Heb 13:4 **6:33** Een slag en schande vindt hij, en zijn smaad wordt niet uitgewist. Brontekst: נֶֽגַע (nega) = slag | וְקָל֥וֹן (veqalon) = en schande | יִמְצָ֑א (yimtsa) = vindt hij | וְ֝חֶרְפָּת֗וֹ (vecherpato) = en zijn smaad | לֹ֣א (lo) = niet | תִמָּחֶֽה (timache) = wordt uitgewist Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶגַע (nega), ‘slag’: een klap of plaag. De man krijgt een slag en schande; zijn smaad blijft. Zie ook: Gen 49:4; Re 16:19–21; Ps 51:10; Spr 5:9–11; 1 Kon 15:5 **6:34** Want naijver is de woede van een man, en hij spaart niet op de dag van de wraak. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | קִנְאָ֥ה (qina) = naijver | חֲמַת (chamat) = woede van | גָּ֑בֶר (gaver) = een man | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַ֝חְמ֗וֹל (yachmol) = spaart hij | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | נָקָֽם (naqam) = wraak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִנְאָה (qin’ah), ‘naijver’: de felle ijver van een man voor zijn vrouw. נָקָם (naqam), ‘wraak’. Zie ook: Num 5:14; Num 25:11; Hoogl 8:6; Spr 27:4; 1 Kor 10:22 **6:35** Hij neemt geen enkel losgeld aan en stemt niet in, hoeveel steekpenning je ook aanbiedt. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִ֭שָּׂא (yisa) = neemt hij aan | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | כָל (kal) = elk | כֹּ֑פֶר (kofer) = losgeld | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֹ֝אבֶ֗ה (yove) = stemt hij in | כִּ֣י (ki) = wanneer | תַרְבֶּה (tarbe) = je vermenigvuldigt | שֹֽׁחַד (shochad) = steekpenning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא יִשָּׂא פְּנֵי (lo yissa penei), ‘hij neemt het gezicht niet aan’: hij kijkt niet naar het losgeld. Voetnoot : כֹּפֶר (kofer), ‘losgeld’: de betaling waarmee men zich vrijkoopt. Vergelijk Exod. 21:30. Voetnoot : שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: wat men aanbiedt om iemand om te kopen of om te bewegen toe te geven; zo ook Spr. 17:8 en 17:23. Zie ook: Ex 21:30; Spr 7:13; Spr 8:25; Spr 17:8; Spr 17:23; 2 Kon 5:1; Jes 2:9; Mal 2:9 ## Spreuken 7 _Waarschuwing tegen de vreemde vrouw_ ### Bewaar mijn woorden **7:1** Mijn zoon, bewaar mijn woorden. Berg mijn geboden bij je op. Brontekst: בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | שְׁמֹ֣ר (shemor) = bewaar | אֲמָרָ֑י (amaray) = mijn woorden | וּ֝מִצְוֺתַ֗י (umitsvotay) = en mijn geboden | תִּצְפֹּ֥ן (titspon) = berg op | אִתָּֽךְ (itakh) = bij je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנִי (beni), ‘mijn zoon’: de vader of de wijze spreekt tot zijn leerling. Zie ook Spr. 1:8. Voetnoot : תִּצְפֹּן (titspon), ‘berg op’: houd het als een schat bij je. Zie ook: Spr 1:8; Spr 2:1–7; Luc 11:28; Joh 14:23; Openb 1:3 **7:2** Bewaar mijn geboden en leef, en mijn onderwijs als de oogappel van je ogen. Brontekst: שְׁמֹ֣ר (shemor) = bewaar | מִצְוֺתַ֣י (mitsvotay) = mijn geboden | וֶחְיֵ֑ה (vechye) = en leef | וְ֝תוֹרָתִ֗י (vetorati) = en mijn onderwijs | כְּאִישׁ֥וֹן (keishon) = als de oogappel van | עֵינֶֽיךָ (eineikha) = je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘onderwijs’: het onderricht dat de vader of de wijze geeft. Waar het Gods wet is, vertalen wij ‘wet’. Voetnoot : אִישׁוֹן (ishon), ‘oogappel’: letterlijk ‘mannetje’, het kleine beeld in het oog. Zie ook Deut. 32:10 en Ps. 17:8. Zie ook: Lev 18:5; Deut 32:10; Ps 17:8; Spr 4:4; Joh 14:21; 1 Joh 2:3–4 **7:3** Bind ze om je vingers. Schrijf ze op de tafel van je hart. Brontekst: קָשְׁרֵ֥ם (qasherem) = bind ze | עַל (al) = om | אֶצְבְּעֹתֶ֑יךָ (etsbeoteikha) = je vingers | כָּ֝תְבֵ֗ם (katevem) = schrijf ze | עַל (al) = op | ל֥וּחַ (luach) = de tafel van | לִבֶּֽךָ (libekha) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:8–9; Deut 11:18–20; Spr 3:3; Jer 31:33; 2 Kor 3:3 **7:4** Zeg tegen de Wijsheid: „Jij bent mijn zuster”, en noem Inzicht je bekende. Brontekst: אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | לַֽ֭חָכְמָה (lachakhema) = tegen de Wijsheid | אֲחֹ֣תִי (achoti) = mijn zuster | אָ֑תְּ (at) = jij | וּ֝מֹדָ֗ע (umoda) = en bekende | לַבִּינָ֥ה (labina) = tegen Inzicht | תִקְרָֽא (tiqra) = noem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכְמָה (chokmah), ‘wijsheid’, en בִּינָה (binah), ‘inzicht’: beide woorden zijn vrouwelijk. De wijze spreekt over hen als over personen; daarom schrijven wij ze met een hoofdletter. Zie ook Spr. 8 en 9. Voetnoot : מֹדָע (moda), ‘bekende’: een naaste, een vertrouwde, een verwant. Zo ook Ruth 2:1. Zie ook: Job 17:14; Ruth 2:1; Hoogl 8:1; Spr 2:2–4; Spr 4:6–8; Luc 11:27–28 **7:5** Om je te bewaren voor een vreemde vrouw, voor de vreemde die haar woorden glad maakt. Brontekst: לִ֭שְׁמָרְךָ (lishmarekha) = om je te bewaren | מֵאִשָּׁ֣ה (meisha) = voor een vrouw | זָרָ֑ה (zara) = vreemde | מִ֝נָּכְרִיָּ֗ה (minakheriya) = voor een vreemde | אֲמָרֶ֥יהָ (amareiha) = haar woorden | הֶחֱלִֽיקָה (hecheliqa) = zij maakt glad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִשָּׁה זָרָה (ishah zarah), ‘vreemde vrouw’, en נָכְרִיָּה (nokriyah), ‘vreemde’ (ook ‘buitenlandse’): twee woorden voor dezelfde vrouw. Zij hoort niet bij de man en niet bij zijn verbond. Voetnoot : הֶחֱלִיקָה (hechelikah), ‘zij maakt glad’: zij vleit, zij maakt haar woorden zacht en misleidend. Zie ook: Spr 2:16; Spr 5:3; Spr 6:24 ### De jongeman zonder hart **7:6** Want door het venster van mijn huis, door mijn traliewerk, keek ik uit. Brontekst: כִּ֭י (ki) = want | בְּחַלּ֣וֹן (bechalon) = door het venster van | בֵּיתִ֑י (beiti) = mijn huis | בְּעַ֖ד (bead) = door | אֶשְׁנַבִּ֣י (eshnabi) = mijn traliewerk | נִשְׁקָֽפְתִּי (nishqafti) = keek ik uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 26:8; Re 5:28; 2 Sam 6:16 **7:7** Ik zag onder de eenvoudigen, ik onderscheidde onder de jongens een jongeman zonder hart. Brontekst: וָאֵ֤רֶא (vaere) = en ik zag | בַפְּתָאיִ֗ם (bapetayim) = onder de eenvoudigen | אָ֘בִ֤ינָה (avina) = ik onderscheidde | בַבָּנִ֗ים (babanim) = onder de zonen | נַ֣עַר (naar) = een jongeman | חֲסַר (chasar) = ontbrekend van | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּתָיִים (petayim), ‘eenvoudigen’: onervaren mensen, gemakkelijk te verleiden. Voetnoot : חֲסַר לֵב (chasar lev), ‘zonder hart’: het hart is de plaats van denken en willen. ‘Zonder hart’ betekent dus: zonder verstand en oordeel. Zo ook Spr. 9:4. Zie ook: Spr 1:4; Spr 1:22; Spr 6:32; Spr 8:5; Spr 9:4; Spr 9:16 **7:8** Hij ging over de markt, langs haar hoek, en liep de weg naar haar huis. Brontekst: עֹבֵ֣ר (over) = passerend | בַּ֭שּׁוּק (bashuq) = over de markt | אֵ֣צֶל (etsel) = naast | פִּנָּ֑הּ (pinah) = haar hoek | וְדֶ֖רֶךְ (vederekh) = en de weg naar | בֵּיתָ֣הּ (beitah) = haar huis | יִצְעָֽד (yitsad) = stapt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 16:1; Spr 4:14–15; Spr 7:12; 2 Tim 2:22; Jud 1:23 **7:9** Het was in de schemering, in de avond van de dag, in de oogappel van de nacht en in de duisternis. Brontekst: בְּנֶֽשֶׁף (beneshef) = in de schemering | בְּעֶ֥רֶב (beerev) = in de avond van | י֑וֹם (yom) = de dag | בְּאִישׁ֥וֹן (beishon) = in de oogappel van | לַ֝֗יְלָה (layla) = de nacht | וַאֲפֵלָֽה (vaafela) = en duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁוֹן לַיְלָה (ishon laylah), ‘oogappel van de nacht’: het donkerste, het midden van de nacht. Hetzelfde woord als in vers 2. Zie ook: Gen 39:11; Job 24:13–15; Ex 12:6; Spr 7:2; Rom 13:12–14; Ef 5:11 ### De vrouw komt hem tegemoet **7:10** En zie, een vrouw komt hem tegemoet, gekleed als een hoer en met een bewaakt hart. Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | אִ֭שָּׁה (isha) = een vrouw | לִקְרָאת֑וֹ (liqrato) = hem tegemoet | שִׁ֥ית (shit) = kleding van | ז֝וֹנָ֗ה (zona) = een hoer | וּנְצֻ֥רַת (unetsurat) = en bewaakt van | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְצֻרַת לֵב (netsurat lev), ‘bewaakt van hart’: een hart dat zijn bedoeling verborgen houdt. Het kan ook ‘sluw’ betekenen. Zie ook: 2 Kon 9:30; Jes 3:16–24; Jer 4:30; 2 Kor 11:2–3; 1 Tim 2:9 **7:11** Luidruchtig en weerspannig is zij. Haar voeten blijven niet in haar huis. Brontekst: הֹמִיָּ֣ה (homiya) = luidruchtig | הִ֣יא (hi) = zij | וְסֹרָ֑רֶת (vesoraret) = en weerspannig | בְּ֝בֵיתָ֗הּ (beveitah) = in haar huis | לֹא (lo) = niet | יִשְׁכְּנ֥וּ (yishkenu) = blijven wonen | רַגְלֶֽיהָ (ragleiha) = haar voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 9:13; Spr 27:14–15; Spr 31:10–31; 1 Tim 5:13–14; Tit 2:5 **7:12** Nu eens is zij buiten, dan weer op de pleinen, en bij elke hoek ligt zij op de loer. Brontekst: פַּ֤עַם (paam) = een keer | בַּח֗וּץ (bachuts) = buiten | פַּ֥עַם (paam) = een keer | בָּרְחֹב֑וֹת (barechovot) = op de pleinen | וְאֵ֖צֶל (veetsel) = en naast | כָּל (kal) = elke | פִּנָּ֣ה (pina) = hoek | תֶאֱרֹֽב (teerov) = ligt zij op de loer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 9:14; Spr 23:28; Jer 3:2; Ezech 16:24–25; Openb 18:3 **7:13** Zij grijpt hem vast en kust hem. Met een brutaal gezicht zegt zij tegen hem: Brontekst: וְהֶחֱזִ֣יקָה (vehecheziqa) = en zij grijpt vast | בּ֭וֹ (bo) = hem | וְנָ֣שְׁקָה (venasheqa) = en zij kust | לּ֑וֹ (lo) = hem | הֵעֵ֥זָה (heeza) = zij maakt brutaal | פָ֝נֶ֗יהָ (paneiha) = haar gezicht | וַתֹּ֣אמַר (vatomar) = en zij zegt | לֽוֹ (lo) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵעֵזָה פָנֶיהָ (he’ezah paneha), ‘zij maakte haar gezicht hard’: zij kijkt brutaal, zonder schaamte. Zie ook: Gen 39:12; Num 25:6–8; Ezech 2:6; Ezech 3:7–9; Ezech 16:33 ### Haar woorden **7:14** „Op mij rusten vredeoffers. Vandaag heb ik mijn geloften ingelost. Brontekst: זִבְחֵ֣י (zivchei) = offers van | שְׁלָמִ֣ים (shelamim) = vrede | עָלָ֑י (alay) = op mij | הַ֝יּ֗וֹם (hayom) = vandaag | שִׁלַּ֥מְתִּי (shilamti) = heb ik ingelost | נְדָרָֽי (nedaray) = mijn geloften Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffers’: een deel van het vlees werd door de brenger gegeten, op de dag van het offer of de dag erna (Lev. 7:15–16; 22:29–30). De vrouw wil zeggen dat er thuis vlees is. Voetnoot : עָלַי (alay), letterlijk ‘op mij’: de offers zijn aan haar, zij ‘rusten op haar’. Zie ook: Lev 7:11; Lev 7:15–16; Lev 22:29; Deut 12:6–7; Spr 15:8; Spr 17:1; Spr 21:27 **7:15** Daarom ben ik je tegemoet gegaan, om je gezicht te zoeken, en ik heb je gevonden. Brontekst: עַל (al) = op | כֵּ֭ן (ken) = zo | יָצָ֣אתִי (yatsati) = ben ik uitgegaan | לִקְרָאתֶ֑ךָ (liqratekha) = je tegemoet | לְשַׁחֵ֥ר (leshacher) = om te zoeken | פָּ֝נֶ֗יךָ (paneikha) = je gezicht | וָאֶמְצָאֶֽךָּ (vaemtsaeka) = en ik heb je gevonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁחֵר (shichar), ‘zoeken’: ernstig en vroeg zoeken. Zij zegt dat zij hem juist wilde vinden. **7:16** Met kleden heb ik mijn bed bedekt, met gestreept garen uit Egypte. Brontekst: מַ֭רְבַדִּים (marvadim) = met dekens | רָבַ֣דְתִּי (ravadti) = heb ik bedekt | עַרְשִׂ֑י (arsi) = mijn bed | חֲ֝טֻב֗וֹת (chatuvot) = met gestreepte | אֵט֥וּן (etun) = draden van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חֲטֻבוֹת (chatuvot), ‘gestreept’, en אֵטוּן (etun), ‘garen’: de betekenis is niet zeker. Het gaat om een kostbare stof uit Egypte. Zie ook: Hoogl 3:7–10; Spr 31:22; 1 Kon 10:28; Jes 19:9; Ezech 27:7 **7:17** Ik heb mijn leger besprenkeld met mirre, aloë en kaneel. Brontekst: נַ֥פְתִּי (nafti) = ik heb besprenkeld | מִשְׁכָּבִ֑י (mishkavi) = mijn leger | מֹ֥ר (mor) = mirre | אֲ֝הָלִ֗ים (ahalim) = aloë | וְקִנָּמֽוֹן (veqinamon) = en kaneel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mirre, aloë en kaneel zijn geurige specerijen. Zie ook Exod. 30:23 en Ps. 45:9. Zie ook: Ex 30:23; Ps 45:9; Hoogl 3:6; Hoogl 4:13–14; Jes 57:7–9 **7:18** Kom, laten wij ons tot de morgen verzadigen aan liefde. Laten wij ons vermaken in de liefdes. Brontekst: לְכָ֤ה (lekha) = kom | נִרְוֶ֣ה (nirve) = laten wij ons verzadigen aan | דֹ֭דִים (dodim) = liefde | עַד (ad) = tot | הַבֹּ֑קֶר (haboqer) = de morgen | נִ֝תְעַלְּסָ֗ה (nitalesa) = laten wij ons vermaken | בָּאֳהָבִֽים (baohavim) = in liefdes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּדִים (dodim), ‘liefde’, en אֲהָבִים (ahavim), ‘liefdes’: beide meervoud. Het zijn de uitingen van liefde. **7:19** Want de man is niet in zijn huis. Hij is op reis gegaan, ver weg. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אֵ֣ין (ein) = niet is | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | בְּבֵית֑וֹ (beveito) = in zijn huis | הָ֝לַ֗ךְ (halakh) = hij is gegaan | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op reis | מֵרָחֽוֹק (merachoq) = van ver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 20:11; Mat 24:43; Mar 13:34–36; Luc 12:39; Luc 12:45–46 **7:20** Een buidel met zilver heeft hij in zijn hand genomen. Op de dag van de volle maan komt hij thuis.” Brontekst: צְֽרוֹר (tseror) = buidel van | הַ֭כֶּסֶף (hakesef) = het zilver | לָקַ֣ח (laqach) = hij heeft genomen | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | לְי֥וֹם (leyom) = tot de dag van | הַ֝כֵּ֗סֶא (hakese) = de volle maan | יָבֹ֥א (yavo) = hij komt | בֵיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֶּסֶא (hakkese), ‘de volle maan’: de dag van de volle maan. Zo ook Ps. 81:4. Zie ook: Ps 81:4; 2 Kron 2:3 **7:21** Met haar vele overreding buigt zij hem af. Met de gladheid van haar lippen drijft zij hem weg. Brontekst: הִ֭טַּתּוּ (hitatu) = zij buigt hem af | בְּרֹ֣ב (berov) = met veel | לִקְחָ֑הּ (liqchah) = haar overreding | בְּחֵ֥לֶק (becheleq) = met gladheid van | שְׂ֝פָתֶ֗יהָ (sefateiha) = haar lippen | תַּדִּיחֶֽנּוּ (tadichenu) = zij drijft hem weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶקַח (leqach), ‘overreding’: het woord betekent ook ‘lering’ (zie Spr. 9:9). Hier is het de overredingskracht van haar woorden. Zie ook: Ps 12:3; Spr 5:3; Spr 7:5; Spr 9:9; 2 Kon 4:8; Luc 24:29 **7:22** Plotseling gaat hij haar achterna, als een stier die naar de slacht komt, en als een voetboei naar de tucht van een zot. Brontekst: ה֤וֹלֵ֥ךְ (holekh) = gaat | אַחֲרֶ֗יהָ (achareiha) = haar achterna | פִּ֫תְאֹ֥ם (pitom) = plotseling | כְּ֭שׁוֹר (keshor) = als een stier | אֶל (el) = naar | טָ֣בַח (tavach) = slacht | יָב֑וֹא (yavo) = komt hij | וּ֝כְעֶ֗כֶס (ukheekhes) = en als een voetboei | אֶל (el) = naar | מוּסַ֥ר (musar) = tucht van | אֱוִֽיל (evil) = een zot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht, vermaning’. אֱוִיל (evil), ‘zot’. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst is hier moeilijk. עֶכֶס (eches) is een voetboei of een voetring. Het beeld ‘als een voetboei naar de tucht van een zot’ is niet helder. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk. Zie ook: Job 13:27; Jer 20:2; Hand 14:13; Hand 16:24 **7:23** Totdat een pijl zijn lever doorboort, als een vogel die zich naar de strik haast, en hij weet niet dat het om zijn leven gaat. Brontekst: עַ֤ד (ad) = totdat | יְפַלַּ֪ח (yefalach) = doorboort | חֵ֡ץ (chets) = een pijl | כְּֽבֵד֗וֹ (kevedo) = zijn lever | כְּמַהֵ֣ר (kemaher) = als het haasten van | צִפּ֣וֹר (tsipor) = een vogel | אֶל (el) = naar | פָּ֑ח (pach) = strik | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָ֝דַ֗ע (yada) = hij weet | כִּֽי (ki) = dat | בְנַפְשׁ֥וֹ (benafsho) = om zijn leven | הֽוּא (hu) = het gaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבֵד (kaved), ‘lever’: de lever was voor de Hebreeën een zetel van het leven. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven en de hele persoon. Hier vertalen wij ‘leven’, omdat het om zijn leven gaat. Zie ook: Num 25:8–9; Spr 1:17; Spr 9:18; Pred 9:12 ### Luister naar mij **7:24** En nu, zonen, luister naar mij en let op de woorden van mijn mond. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | בָ֭נִים (banim) = zonen | שִׁמְעוּ (shimu) = luister | לִ֑י (li) = naar mij | וְ֝הַקְשִׁ֗יבוּ (vehaqshivu) = en let op | לְאִמְרֵי (leimrei) = de woorden van | פִֽי (pi) = mijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 4:1; Spr 5:7; Spr 8:32–33; Gal 4:19; 1 Joh 2:1 **7:25** Laat je hart niet afwijken naar haar wegen. Dwaal niet af op haar paden. Brontekst: אַל (al) = niet | יֵ֣שְׂטְ (yeset) = laat afwijken | אֶל (el) = naar | דְּרָכֶ֣יהָ (derakheiha) = haar wegen | לִבֶּ֑ךָ (libekha) = je hart | אַל (al) = niet | תֵּ֝תַע (teta) = dwaal | בִּנְתִיבוֹתֶֽיהָ (bintivoteiha) = op haar paden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 5:8; Spr 6:25; Spr 23:31–33; Jes 53:6; Mat 5:28 **7:26** Want vele verslagenen heeft zij neergeworpen, en machtig zijn al haar gedoden. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | רַבִּ֣ים (rabim) = vele | חֲלָלִ֣ים (chalalim) = verslagenen | הִפִּ֑ילָה (hipila) = heeft zij neergeworpen | וַ֝עֲצֻמִ֗ים (vaatsumim) = en machtig | כָּל (kal) = al | הֲרֻגֶֽיהָ (harugeiha) = haar gedoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצֻמִים (atsumim) kan ‘machtig’ of ‘talrijk’ betekenen. Wij vertalen ‘machtig’: ook sterke mannen zijn door haar gevallen. Zie ook: Spr 6:33; 1 Kon 11:1–2; Neh 13:26; 1 Kor 10:8; 1 Petr 2:11 **7:27** Haar huis zijn wegen naar de Sjeol, dalend naar de kamers van de dood. Brontekst: דַּרְכֵ֣י (darkhei) = wegen van | שְׁא֣וֹל (sheol) = Sjeol | בֵּיתָ֑הּ (beitah) = haar huis | יֹ֝רְד֗וֹת (yoredot) = dalend | אֶל (el) = naar | חַדְרֵי (chadrei) = kamers van | מָֽוֶת (mavet) = dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk. Haar huis is het begin van de weg naar beneden. Zie ook Ps. 16:10. Zie ook: Ps 16:10; Spr 2:18–19; Spr 5:5; Spr 9:18; Pred 7:26; Openb 22:15 ## Spreuken 8 _De Wijsheid roept_ ### De Wijsheid roept **8:1** Roept de Wijsheid niet? Geeft Verstand haar stem niet? Brontekst: הֲלֹֽא (halo) = niet | חָכְמָ֥ה (chakhema) = wijsheid | תִקְרָ֑א (tiqra) = roept zij | וּ֝תְבוּנָ֗ה (utevuna) = en verstand | תִּתֵּ֥ן (titen) = geeft zij | קוֹלָֽהּ (qolah) = haar stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכְמָה (chokmah), ‘wijsheid’, en תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’: beide woorden zijn vrouwelijk en worden als een vrouw voorgesteld. Daarom schrijven wij ‘de Wijsheid’ en ‘Verstand’ met een hoofdletter en ‘zij’ en ‘haar’. Voetnoot : Vanaf vers 4 spreekt de Wijsheid zelf, tot en met vers 36. Zie ook: Spr 1:20–21; Spr 8:4; Spr 8:36; Spr 9:1–3; Mat 3:3; Joh 7:37; Hand 1:8 **8:2** Op de top van de hoogten, aan de weg, waar de paden samenkomen, staat zij. Brontekst: בְּרֹאשׁ (berosh) = op de top van | מְרוֹמִ֥ים (meromim) = hoogten | עֲלֵי (alei) = aan | דָ֑רֶךְ (darekh) = weg | בֵּ֖ית (beit) = plaats van | נְתִיב֣וֹת (netivot) = paden | נִצָּֽבָה (nitsava) = staat zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית נְתִיבוֹת (beit netivot), letterlijk ‘huis van paden’: de plek waar paden samenkomen, een kruispunt. Zie ook: Spr 9:3; Spr 9:14 **8:3** Naast de poorten, aan de mond van de stad, bij de ingang van de toegangen roept zij luid. Brontekst: לְיַד (leyad) = naast | שְׁעָרִ֥ים (shearim) = poorten | לְפִי (lefi) = aan de mond van | קָ֑רֶת (qaret) = stad | מְב֖וֹא (mevo) = ingang van | פְתָחִ֣ים (petachim) = toegangen | תָּרֹֽנָּה (tarona) = roept zij luid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 29:7; Mat 22:9; Luc 14:21–23; Joh 18:20; Hand 5:20 ### Haar oproep **8:4** „Tot jullie, mannen, roep ik, en mijn stem is voor de mensenkinderen. Brontekst: אֲלֵיכֶ֣ם (aleikhem) = tot jullie | אִישִׁ֣ים (ishim) = mannen | אֶקְרָ֑א (eqra) = roep ik | וְ֝קוֹלִ֗י (veqoli) = en mijn stem | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = kinderen van | אָדָֽם (adam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישִׁים (ishim), ‘mannen’, en בְּנֵי אָדָם (bene adam), ‘mensenkinderen’: zij roept alle mensen. Zie ook: Ps 49:2–4; Ps 50:1; Mat 11:15; Joh 3:16; Openb 22:17 **8:5** Eenvoudigen, begrijp slimheid. En jullie dwazen, begrijp met het hart. Brontekst: הָבִ֣ינוּ (havinu) = begrijp | פְתָאיִ֣ם (petayim) = eenvoudigen | עָרְמָ֑ה (arema) = slimheid | וּ֝כְסִילִ֗ים (ukhesilim) = en dwazen | הָבִ֥ינוּ (havinu) = begrijp | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרְמָה (ormah), ‘sluwheid’: in goede zin vertalen wij ‘slimheid’, zoals hier en in Spr. 1:4. Voetnoot : הָבִינוּ לֵב (havinu lev), ‘begrijp met het hart’: letterlijk ‘begrijp een hart’, dat wil zeggen: kom tot inzicht. Zie ook: Spr 1:4; Spr 1:22; Spr 9:4; Hand 26:18; Openb 3:17–18 **8:6** Luister, want ik spreek edele dingen, en wat mijn lippen openen is oprecht. Brontekst: שִׁ֭מְעוּ (shimu) = luister | כִּֽי (ki) = want | נְגִידִ֣ים (negidim) = edele dingen | אֲדַבֵּ֑ר (adaber) = ik spreek | וּמִפְתַּ֥ח (umiftach) = en opening van | שְׂ֝פָתַ֗י (sefatay) = mijn lippen | מֵישָׁרִֽים (meisharim) = oprechte dingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְגִידִים (negidim), ‘edele dingen’: dingen van een leider of een edel mens, dus verheven en betrouwbaar. מֵישָׁרִים (mesharim), ‘oprecht’: van dezelfde stam als יָשָׁר (yashar), ‘oprechte’. Zie ook: Spr 4:2; Spr 23:16; Mat 7:28–29; Mat 13:35; Kol 1:26 **8:7** Want mijn gehemelte spreekt waarheid, en goddeloosheid is een gruwel voor mijn lippen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אֱ֭מֶת (emet) = waarheid | יֶהְגֶּ֣ה (yehge) = spreekt zacht | חִכִּ֑י (chiki) = mijn gehemelte | וְתוֹעֲבַ֖ת (vetoavat) = en gruwel van | שְׂפָתַ֣י (sefatay) = mijn lippen | רֶֽשַׁע (resha) = goddeloosheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶהְגֶּה (yehgeh), ‘spreekt zacht’: het woord betekent ‘mompelen’ of ‘overdenken’; het gehemelte brengt de waarheid voort. Zie ook: Ps 37:30; Spr 12:22; Joh 1:17; Joh 8:14; Joh 17:17 **8:8** In gerechtigheid zijn al de woorden van mijn mond. Daarin is niets kronkeligs of verdraaids. Brontekst: בְּצֶ֥דֶק (betsedeq) = in gerechtigheid | כָּל (kal) = alle | אִמְרֵי (imrei) = woorden van | פִ֑י (pi) = mijn mond | אֵ֥ין (ein) = niet is | בָּ֝הֶ֗ם (bahem) = daarin | נִפְתָּ֥ל (niftal) = kronkelig | וְעִקֵּֽשׁ (veiqesh) = en verdraaid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’: het woord is verwant met צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, en wordt zo vertaald. Zie ook: Deut 32:5; Ps 12:7; Spr 8:13; Jes 63:1; Joh 7:46 **8:9** Allemaal zijn ze rechtuit voor wie inzicht heeft, en oprecht voor wie kennis vindt. Brontekst: כֻּלָּ֣ם (kulam) = allen | נְ֭כֹחִים (nekhochim) = rechtuit | לַמֵּבִ֑ין (lamevin) = voor wie inzicht heeft | וִֽ֝ישָׁרִ֗ים (visharim) = en oprecht | לְמֹ֣צְאֵי (lemotseei) = voor wie vinden | דָֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 25:12–14; Spr 14:6; Joh 6:45; Joh 7:17; Jak 1:5 **8:10** Neem mijn tucht aan en niet zilver, en kennis boven uitgelezen goud. Brontekst: קְחֽוּ (qechu) = neem | מוּסָרִ֥י (musari) = mijn tucht | וְאַל (veal) = en niet | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וְ֝דַ֗עַת (vedaat) = en kennis | מֵחָר֥וּץ (mecharuts) = boven goud | נִבְחָֽר (nivchar) = uitgelezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht, vermaning’. דַּעַת (da’at), ‘kennis’. Zie ook: Ps 119:72; Ps 119:127; Spr 2:4–5; Spr 3:13–15; Spr 23:23 **8:11** Want wijsheid is beter dan parels, en alle kostbaarheden evenaren haar niet. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | טוֹבָ֣ה (tova) = goed | חָ֭כְמָה (chakhema) = wijsheid | מִפְּנִינִ֑ים (mipeninim) = dan parels | וְכָל (vekhal) = en alle | חֲ֝פָצִ֗ים (chafatsim) = kostbaarheden | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽשְׁווּ (yishvu) = evenaren | בָֽהּ (bah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּנִינִים (peninim), ‘parels’: het woord kan ook ‘robijnen’ betekenen. Zie ook Spr. 3:15 en Job 28:18. Zie ook: Job 28:18; Ps 19:11; Ps 119:127; Spr 3:14–15; Spr 3:15; Spr 4:5–7; Spr 16:16 ### Wat de Wijsheid geeft **8:12** Ik, de Wijsheid, woon bij slimheid, en kennis van doordachtheid vind ik. Brontekst: אֲֽנִי (ani) = ik | חָ֭כְמָה (chakhema) = wijsheid | שָׁכַ֣נְתִּי (shakhanti) = woon bij | עָרְמָ֑ה (arema) = slimheid | וְדַ֖עַת (vedaat) = en kennis van | מְזִמּ֣וֹת (mezimot) = doordachtheid | אֶמְצָֽא (emtsa) = vind ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרְמָה (ormah), ‘slimheid’: zie bij vers 5. מְזִמּוֹת (mezimmot), ‘doordachtheid’: het woord staat in het meervoud, doordachte plannen. Zie ook: Ex 31:3–6; Ex 35:30–36:4; Spr 1:4; Spr 8:5; Jes 28:26; Rom 11:33 **8:13** De vrees voor Yahweh is het haten van het kwaad. Hoogmoed en trots, de weg van het kwaad en een mond vol verdraaiingen haat ik. Brontekst: יִֽרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | שְֽׂנֹ֫את (senot) = haten van | רָ֥ע (ra) = kwaad | גֵּ֘אָ֤ה (gea) = hoogmoed | וְגָא֨וֹן (vegaon) = en trots | וְדֶ֣רֶךְ (vederekh) = en weg van | רָ֭ע (ra) = kwaad | וּפִ֨י (ufi) = en mond van | תַהְפֻּכ֬וֹת (tahpukhot) = verdraaiingen | שָׂנֵֽאתִי (saneti) = haat ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag. Zie ook Spr. 1:7 en 9:10. Voetnoot : גֵּאָה (ge’ah), ‘hoogmoed’, en גָּאוֹן (ga’on), ‘trots’: twee verwante woorden. תַּהְפֻּכוֹת (tahpukhot), ‘verdraaiingen’: wat omgekeerd en verdraaid wordt gezegd. Zie ook: 1 Sam 2:3; Ps 97:10; Spr 1:7; Spr 4:24; Spr 9:10; Spr 16:6; 1 Tess 5:22 **8:14** Van mij zijn raad en degelijk beleid. Ik ben inzicht, van mij is kracht. Brontekst: לִֽי (li) = bij mij | עֵ֭צָה (etsa) = raad | וְתוּשִׁיָּ֑ה (vetushiya) = en degelijk beleid | אֲנִ֥י (ani) = ik | בִ֝ינָ֗ה (bina) = inzicht | לִ֣י (li) = bij mij | גְבוּרָֽה (gevura) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוּשִׁיָּה (tushiyyah), ‘degelijk beleid’: de kunde om iets tot een goed einde te brengen; zie Spr. 2:7. בִּינָה (binah), ‘inzicht’: de Wijsheid zegt dat zij zelf het inzicht is. Zie ook: Spr 2:7; Pred 7:19; Jes 9:5; Jes 40:14; Rom 11:33–34; Kol 2:3 **8:15** Door mij regeren koningen, en vorsten stellen gerechtigheid vast. Brontekst: בִּ֭י (bi) = door mij | מְלָכִ֣ים (melakhim) = koningen | יִמְלֹ֑כוּ (yimlokhu) = regeren | וְ֝רוֹזְנִ֗ים (verozenim) = en vorsten | יְחֹ֣קְקוּ (yechoqequ) = stellen vast | צֶֽדֶק (tsedeq) = gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 27:5–7; Dan 2:21; Mat 28:18; Rom 13:1; Openb 19:16 **8:16** Door mij besturen leiders, edelen en alle rechters van gerechtigheid. Brontekst: בִּ֭י (bi) = door mij | שָׂרִ֣ים (sarim) = leiders | יָשֹׂ֑רוּ (yasoru) = besturen | וּ֝נְדִיבִ֗ים (unedivim) = en edelen | כָּל (kal) = alle | שֹׁ֥פְטֵי (shofetei) = rechters van | צֶֽדֶק (tsedeq) = gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:17** Ik heb wie mij liefhebben lief, en wie mij zoeken, zullen mij vinden. Brontekst: אֲ֭נִי (ani) = ik | אֹהֲבַ֣י (ohavay) = wie mij liefhebben | אֵהָ֑ב (ehav) = heb ik lief | וּ֝מְשַׁחֲרַ֗י (umeshacharay) = en wie mij zoeken | יִמְצָאֻֽנְנִי (yimtsaunni) = zullen mij vinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is אֹהֲבֶיהָ (ohaveiha), ‘wie haar liefhebben’. De lezing (qere), die wij volgen, is אֹהֲבַי (ohavai), ‘wie mij liefhebben’. De Wijsheid spreekt hier over zichzelf. Zie ook: Ps 91:14; Jes 55:6; Joh 14:21; Joh 14:23; 1 Joh 4:19 **8:18** Rijkdom en eer zijn bij mij, blijvend vermogen en gerechtigheid. Brontekst: עֹֽשֶׁר (osher) = rijkdom | וְכָב֥וֹד (vekhavod) = en eer | אִתִּ֑י (iti) = bij mij | ה֥וֹן (hon) = vermogen | עָ֝תֵ֗ק (ateq) = blijvend | וּצְדָקָֽה (utsedaqa) = en gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: ook ‘heerlijkheid’; zie Spr. 3:16. הוֹן עָתֵק (hon atek), ‘blijvend vermogen’: vermogen dat duurt en niet verloren gaat. Zie ook: Spr 3:16; Mat 6:33; Luc 10:42; Luc 16:11–12; Fil 4:19 **8:19** Mijn vrucht is beter dan goud, dan fijn goud, en mijn opbrengst dan uitgelezen zilver. Brontekst: ט֣וֹב (tov) = goed | פִּ֭רְיִי (piryi) = mijn vrucht | מֵחָר֣וּץ (mecharuts) = dan goud | וּמִפָּ֑ז (umipaz) = en dan fijn goud | וּ֝תְבוּאָתִ֗י (utevuati) = en mijn opbrengst | מִכֶּ֥סֶף (mikesef) = dan zilver | נִבְחָֽר (nivchar) = uitgelezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:14; Spr 8:10; Spr 10:20; Pred 7:12 **8:20** Ik wandel op het pad van gerechtigheid, midden op de paden van recht. Brontekst: בְּאֹֽרַח (beorach) = op het pad van | צְדָקָ֥ה (tsedaqa) = gerechtigheid | אֲהַלֵּ֑ך (ahalekh) = wandel ik | בְּ֝ת֗וֹךְ (betokh) = midden op | נְתִיב֥וֹת (netivot) = paden van | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 5:32; Ps 32:8; Spr 4:11–12; Jes 2:3; Joh 10:27–28 **8:21** Om wie mij liefhebben bezit te laten erven. Hun schatkamers vul ik. Brontekst: לְהַנְחִ֖יל (lehanchil) = om te laten erven | אֹהֲבַ֥י (ohavay) = wie mij liefhebben | יֵ֑שׁ (yesh) = bezit | וְאֹצְרֹ֖תֵיהֶ֣ם (veotseroteihem) = en hun schatkamers | אֲמַלֵּֽא (amale) = vul ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵשׁ (yesh), ‘bezit’: letterlijk ‘wat er is’, wat werkelijk bestaat. Zie ook: Gen 15:14; 1 Sam 2:8; Spr 24:4; Mat 25:46; 1 Petr 1:4 ### De Wijsheid bij de schepping **8:22** Yahweh heeft mij verworven als begin van Zijn weg, vóór Zijn werken, van oudsher. Brontekst: יְֽהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | קָ֭נָנִי (qanani) = heeft mij verworven | רֵאשִׁ֣ית (reshit) = begin van | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = Zijn weg | קֶ֖דֶם (qedem) = vóór | מִפְעָלָ֣יו (mifalav) = Zijn werken | מֵאָֽז (meaz) = van oudsher Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָנָנִי (qanani), ‘Yahweh heeft mij verworven’: het werkwoord kan ook ‘voortbrengen’ of ‘scheppen’ betekenen. Zie ook Gen. 4:1. In vers 24 en 25 staat een ander werkwoord, ‘voortgebracht’. Voetnoot : רֵאשִׁית דַּרְכּוֹ (reshit darko), ‘begin van Zijn weg’: de eerste van Zijn werken. Zie ook Job 28:23–27 en Job 38:4–11. Zie ook: Gen 4:1; Job 28:23–27; Job 28:26–28; Job 38:4–11; Ps 104:24; Spr 3:19; Spr 8:24; Spr 8:25; Joh 1:1–2; Kol 1:17 **8:23** Van eeuwigheid ben ik ingesteld, van het begin, van vóór de oertijden van de aarde. Brontekst: מֵ֭עוֹלָם (meolam) = van eeuwigheid | נִסַּ֥כְתִּי (nisakhti) = ben ik ingesteld | מֵרֹ֗אשׁ (merosh) = van het begin | מִקַּדְמֵי (miqadmei) = van de oertijden van | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִסַּכְתִּי (nissakti), ‘ben ik ingesteld’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘gieten’ en kan ook ‘vormen’ of ‘instellen’ betekenen. Zie ook Ps. 2:6. Voetnoot : מֵעוֹלָם (me’olam), ‘van eeuwigheid’. Zie ook: Gen 1:26; Ps 2:6; Mi 5:1; Joh 17:5; Joh 17:24 **8:24** Toen er geen oerdiepten waren, werd ik voortgebracht. Toen er geen bronnen waren, zwaar van water. Brontekst: בְּאֵין (beein) = toen niet waren | תְּהֹמ֥וֹת (tehomot) = oerdiepten | חוֹלָ֑לְתִּי (cholalti) = werd ik voortgebracht | בְּאֵ֥ין (beein) = toen niet waren | מַ֝עְיָנ֗וֹת (mayanot) = bronnen | נִכְבַּדֵּי (nikhbadei) = zwaar van | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוֹלָלְתִּי (cholalti), ‘ben ik voortgebracht’: letterlijk ‘ik ben met weeën geboren’. Zo ook vers 25. Voetnoot : תְּהוֹם (tehom), ‘oerdiepte’: de oerwateren, zoals in Gen. 1:2 en Ps. 104:6. Zie ook: Gen 1:2; Ps 104:6; Spr 3:20; Spr 8:25; Joh 5:20; Heb 1:5; 1 Joh 4:9 **8:25** Voordat de bergen waren neergezet, vóór de heuvels, werd ik voortgebracht. Brontekst: בְּטֶ֣רֶם (beterem) = voordat | הָרִ֣ים (harim) = bergen | הָטְבָּ֑עוּ (hatbau) = waren neergezet | לִפְנֵ֖י (lifnei) = vóór | גְבָע֣וֹת (gevaot) = heuvels | חוֹלָֽלְתִּי (cholalti) = werd ik voortgebracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָטְבָּעוּ (hotba’u), ‘waren neergezet’: letterlijk ‘waren ingezonken’, vastgezet in hun plaats. Zie ook: Job 15:7–8; Job 38:4–11; Ps 90:2; Ps 102:26–29; Heb 1:10 **8:26** Toen Hij de aarde en de velden nog niet had gemaakt, en het eerste stof van de wereld. Brontekst: עַד (ad) = totdat | לֹ֣א (lo) = niet | עָ֭שָׂה (asa) = Hij had gemaakt | אֶ֣רֶץ (erets) = aarde | וְחוּצ֑וֹת (vechutsot) = en velden | וְ֝רֹ֗אשׁ (verosh) = en begin van | עָפְר֥וֹת (aferot) = stof van | תֵּבֵֽל (tevel) = wereld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:1–31 **8:27** Toen Hij de hemel vaststelde, was ik daar. Toen Hij een cirkel afbakende over het oppervlak van de oerdiepte. Brontekst: בַּהֲכִינ֣וֹ (bahakhino) = toen Hij vaststelde | שָׁ֭מַיִם (shamayim) = hemel | שָׁ֣ם (sham) = daar | אָ֑נִי (ani) = ik | בְּח֥וּקוֹ (bechuqo) = toen Hij afbakende | ח֝֗וּג (chug) = cirkel | עַל (al) = over | פְּנֵ֥י (penei) = oppervlak van | תְהֽוֹם (tehom) = oerdiepte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוּג (chug), ‘cirkel’: de kring van de horizon of het gewelf boven de oerdiepte. Zie ook Job 26:10 en Job 22:14. Zie ook: Job 22:14; Job 26:10; Ps 136:5; Spr 3:19; Jes 40:22; Kol 1:16 **8:28** Toen Hij de wolken daarboven bevestigde. Toen de bronnen van de oerdiepte sterk werden. Brontekst: בְּאַמְּצ֣וֹ (beametso) = toen Hij bevestigde | שְׁחָקִ֣ים (shechaqim) = wolken | מִמָּ֑עַל (mimaal) = daarboven | בַּ֝עֲז֗וֹז (baazoz) = toen sterk werden | עִינ֥וֹת (inot) = bronnen van | תְּהוֹם (tehom) = oerdiepte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁחָקִים (shechaqim), ‘wolken’: letterlijk de ‘fijne’ lucht, de wolkenlucht. **8:29** Toen Hij de zee haar grens stelde, zodat de wateren Zijn bevel niet overschrijden. Toen Hij de grondvesten van de aarde afbakende. Brontekst: בְּשׂ֘וּמ֤וֹ (besumo) = toen Hij stelde | לַיָּ֨ם (layam) = aan de zee | חֻקּ֗וֹ (chuqo) = haar grens | וּ֭מַיִם (umayim) = en wateren | לֹ֣א (lo) = niet | יַֽעַבְרוּ (yaavru) = zullen overschrijden | פִ֑יו (piv) = Zijn mond | בְּ֝חוּק֗וֹ (bechuqo) = toen Hij afbakende | מ֣וֹסְדֵי (mosedei) = grondvesten van | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּיו (piv), ‘Zijn mond’: Zijn bevel. Zie ook Job 38:8–11. Zie ook: Gen 1:9–10; Job 38:8–11; Ps 33:7; Ps 104:5; Ps 104:9; Jer 5:22 **8:30** Ik was bij Hem als bouwmeester. Ik was dag aan dag een vreugde, spelend voor Zijn aangezicht te allen tijde. Brontekst: וָֽאֶהְיֶ֥ה (vaehye) = en ik was | אֶצְל֗וֹ (etslo) = naast Hem | אָ֫מ֥וֹן (amon) = bouwmeester | וָֽאֶהְיֶ֣ה (vaehye) = en ik was | שַׁ֭עֲשֻׁעִים (shaashuim) = vreugden | י֤וֹם (yom) = dag | י֑וֹם (yom) = dag | מְשַׂחֶ֖קֶת (mesacheqet) = spelend | לְפָנָ֣יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | בְּכָל (bekhal) = op elke | עֵֽת (et) = tijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָמוֹן (amon), ‘bouwmeester’: het woord is moeilijk. Het kan ook ‘pleegkind’ of ‘geliefde’ betekenen. Als bouwmeester werkt zij naast Hem; als pleegkind speelt zij voor Zijn aangezicht. Voetnoot : שַׁעֲשֻׁעִים (sha’ashu’im), ‘vreugden’: een vreugde, een lust. מְשַׂחֶקֶת (mesacheqet), ‘spelend’: ook ‘lachend’ of ‘dansend’. Zie ook: Mat 3:17; Joh 1:1–3; Joh 1:18; Joh 12:28; Joh 16:28 **8:31** Ik speelde in de wereld van Zijn aarde, en mijn vreugde was bij de mensenkinderen. Brontekst: מְ֭שַׂחֶקֶת (mesacheqet) = spelend | בְּתֵבֵ֣ל (betevel) = in de wereld van | אַרְצ֑וֹ (artso) = Zijn aarde | וְ֝שַׁעֲשֻׁעַ֗י (veshaashuay) = en mijn vreugden | אֶת (et) = bij | בְּנֵ֥י (benei) = kinderen van | אָדָֽם (adam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְשַׁעֲשֻׁעַי אֶת־בְּנֵי אָדָם (vesha’ashu’ai et bene adam): het woordje אֶת (et) kan ‘bij’ of ‘aan’ betekenen. Wij lezen: haar vreugde is bij de mensenkinderen. Zie ook: Ps 16:3; Ps 40:7–9; Joh 4:34; Joh 13:1; 2 Kor 8:9 ### Gelukkig wie naar haar luistert **8:32** En nu, zonen, luister naar mij. Gelukkig zijn zij die mijn wegen bewaren. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | בָ֭נִים (banim) = zonen | שִׁמְעוּ (shimu) = luister | לִ֑י (li) = naar mij | וְ֝אַשְׁרֵ֗י (veashrei) = en gelukkig | דְּרָכַ֥י (derakhay) = mijn wegen | יִשְׁמֹֽרוּ (yishmoru) = zij bewaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַשְׁרֵי (ashrei), ‘gelukkig’: wie op de weg is die zegen brengt. Zie ook: Ps 1:1–4; Ps 119:1–2; Ps 128:1; Spr 5:7; Luc 11:28 **8:33** Luister naar tucht en word wijs, en negeer het niet. Brontekst: שִׁמְע֖וּ (shimu) = luister naar | מוּסָ֥ר (musar) = tucht | וַחֲכָ֗מוּ (vachakhamu) = en word wijs | וְאַל (veal) = en niet | תִּפְרָֽעוּ (tifrau) = negeer het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפְרָעוּ (tifra’u), ‘negeer het’: het werkwoord betekent ‘loslaten’ of ‘laten gaan’. Er staat geen voorwerp bij. Zie ook: Ps 81:12–13; Spr 1:2–3; Spr 1:8; Spr 4:1; Spr 5:1 **8:34** Gelukkig de mens die naar mij luistert, die dag aan dag waakt bij mijn deuren, die de deurposten van mijn ingang bewaakt. Brontekst: אַ֥שְֽׁרֵי (ashrei) = gelukkig | אָדָם֮ (adam) = mens | שֹׁמֵ֪עַֽ֫ (shomea) = die luistert | לִ֥י (li) = naar mij | לִשְׁקֹ֣ד (lishqod) = om te waken | עַל (al) = bij | דַּ֭לְתֹתַי (daltotay) = mijn deuren | י֤וֹם (yom) = dag | י֑וֹם (yom) = dag | לִ֝שְׁמֹ֗ר (lishmor) = om te bewaken | מְזוּזֹ֥ת (mezuzot) = deurposten van | פְּתָחָֽי (petachay) = mijn ingang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 27:4; Spr 3:13; Mat 7:24; Luc 10:39; Luc 11:28 **8:35** Want wie mij vindt, vindt leven en verkrijgt het welbehagen van Yahweh. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מֹ֭צְאִי (motsei) = wie mij vindt | מָצָ֣א (matsa) = heeft gevonden | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | וַיָּ֥פֶק (vayafeq) = en verkrijgt | רָ֝צ֗וֹן (ratson) = welbehagen | מֵיְהוָֽה (meYahweh) = van Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’: het goede oog van Yahweh. Bij het tweede ‘vindt’ is de geschreven vorm (ketiv) מצאי, ‘mijn vinder’; wij volgen de lezing (qere) מָצָא, ‘heeft gevonden’. Zie ook: Spr 12:2; Joh 3:36; Joh 17:3; Fil 3:8; 1 Joh 5:11–12 **8:36** Maar wie mij mist, doet geweld aan zijn ziel. Allen die mij haten, houden van de dood.” Brontekst: וְֽ֭חֹטְאִי (vechotei) = en wie mij mist | חֹמֵ֣ס (chomes) = doet geweld aan | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn ziel | כָּל (kal) = allen | מְ֝שַׂנְאַ֗י (mesanay) = die mij haten | אָ֣הֲבוּ (ahavu) = houden van | מָֽוֶת (mavet) = dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹטְאִי (chote’i), ‘wie mij mist’: het werkwoord חָטָא (chata) betekent ‘missen’ en ook ‘zondigen’. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven en de hele persoon. Wie de Wijsheid mist, schaadt zijn eigen leven. Zie ook: Spr 1:31; Spr 12:1; Spr 15:32; Joh 15:23–24; 1 Kor 16:22 ## Spreuken 9 _De Wijsheid en de vrouw Dwaasheid_ ### Het huis van de Wijsheid **9:1** De Wijsheid heeft haar huis gebouwd. Zij heeft haar zeven pilaren uitgehouwen. Brontekst: חָ֭כְמוֹת (chakhemot) = wijsheden | בָּנְתָ֣ה (baneta) = heeft gebouwd | בֵיתָ֑הּ (beitah) = haar huis | חָצְבָ֖ה (chatseva) = heeft uitgehouwen | עַמּוּדֶ֣יהָ (amudeiha) = haar pilaren | שִׁבְעָֽה (shiva) = zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכְמוֹת (chokmot), ‘wijsheid’: het woord staat in het meervoud, zoals ook in Spr. 1:20 en 14:1. Het meervoud geeft de volheid van de Wijsheid aan; het werkwoord is enkelvoud. Wij schrijven ‘de Wijsheid’ met hoofdletter en ‘zij’. Voetnoot : שִׁבְעָה (shiv’ah), ‘zeven’: wij vertalen letterlijk ‘haar zeven pilaren’. Zie ook: Spr 1:20; Spr 14:1; Mat 16:18; Gal 2:9; 1 Kor 3:9–15; Ef 2:20–22; Openb 3:12 **9:2** Zij heeft haar slachtvee geslacht, haar wijn gemengd en ook haar tafel gedekt. Brontekst: טָבְחָ֣ה (tavecha) = heeft geslacht | טִ֭בְחָהּ (tivchah) = haar slachtvee | מָסְכָ֣ה (masekha) = heeft gemengd | יֵינָ֑הּ (yeinah) = haar wijn | אַ֝֗ף (af) = ook | עָֽרְכָ֥ה (arekha) = heeft gedekt | שֻׁלְחָנָֽהּ (shulchanah) = haar tafel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָסְכָה יֵינָהּ (masekhah yeinah), ‘haar wijn gemengd’: wijn die met water of kruiden is vermengd. Zo gaat zij haar gasten tegemoet. Zie ook: Spr 9:5; Spr 23:30; Jes 25:6; Mat 22:3–14; Luc 14:16–17 **9:3** Zij heeft haar meisjes gezonden. Zij roept op de hoogste plaatsen van de stad: Brontekst: שָֽׁלְחָ֣ה (shalecha) = heeft gezonden | נַעֲרֹתֶ֣יהָ (naaroteiha) = haar meisjes | תִקְרָ֑א (tiqra) = roept zij | עַל (al) = op | גַּ֝פֵּ֗י (gapei) = toppen van | מְרֹ֣מֵי (meromei) = hoogten van | קָֽרֶת (qaret) = stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 68:12; Spr 1:20–23; Spr 8:1–3; Spr 9:14; Mat 22:3–4 **9:4** „Wie eenvoudig is, laat hem hierheen komen.” Tot wie zonder hart is, zegt zij: Brontekst: מִי (mi) = wie | פֶ֭תִי (peti) = eenvoudig | יָסֻ֣ר (yasur) = laat hem komen | הֵ֑נָּה (hena) = hierheen | חֲסַר (chasar) = zonder | לֵ֝֗ב (lev) = hart | אָ֣מְרָה (amera) = zegt zij | לּֽוֹ (lo) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲסַר־לֵב (chasar lev), ‘zonder hart’: zonder verstand. Zie ook Spr. 7:7. Voetnoot : Vanaf vers 4 tot en met vers 6 spreekt de Wijsheid door haar meisjes; in vers 16–17 spreekt de vrouw Dwaasheid dezelfde woorden. Zie ook: Spr 6:32; Spr 7:7; Spr 8:5; Spr 9:6; Spr 9:16; Mat 11:25; Openb 3:17–18 **9:5** „Kom, eet van mijn brood en drink van de wijn die ik gemengd heb. Brontekst: לְ֭כוּ (lekhu) = kom | לַחֲמ֣וּ (lachamu) = eet | בְֽלַחֲמִ֑י (belachami) = van mijn brood | וּ֝שְׁת֗וּ (ushetu) = en drink | בְּיַ֣יִן (beyayin) = van de wijn | מָסָֽכְתִּי (masakhti) = die ik gemengd heb Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hoogl 5:1; Spr 9:17; Jer 31:12–14; Joh 6:27; Joh 6:49–58 **9:6** Verlaat de eenvoudigen en leef, en ga rechtuit op de weg van inzicht.” Brontekst: עִזְב֣וּ (izvu) = verlaat | פְתָאיִ֣ם (petayim) = eenvoudigen | וִֽחְי֑וּ (vichyu) = en leef | וְ֝אִשְׁר֗וּ (veishru) = en ga rechtuit | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg van | בִּינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּתָיִים (petayim), ‘de eenvoudigen’: het woord kan ook de eenvoudigheid zelf bedoelen: ‘laat de eenvoud achter’. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Ps 119:115; Spr 4:11; Spr 13:20; Luc 13:24; 2 Kor 6:17 ### De spotter en de wijze **9:7** Wie een spotter tuchtigt, haalt schande over zichzelf. Wie een goddeloze terechtwijst, krijgt zijn smet. Brontekst: יֹ֤סֵ֨ר (yoser) = wie tuchtigt | לֵ֗ץ (lets) = spotter | לֹקֵ֣חַֽ (loqeach) = haalt | ל֣וֹ (lo) = voor zich | קָל֑וֹן (qalon) = schande | וּמוֹכִ֖יחַ (umokhiach) = en wie terechtwijst | לְרָשָׁ֣ע (lerasha) = een goddeloze | מוּמֽוֹ (mumo) = zijn smet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֹסֵר (yoser), ‘tuchtigt’: van dezelfde stam als מוּסָר (musar), ‘tucht’. Voetnoot : מוּמוֹ (mumo), ‘zijn smet’: de smet van de goddeloze, of de smet die de terechtwijzer zelf krijgt. De zin is kort en niet eenduidig. Zie ook: Spr 15:12; Spr 23:9; 2 Kron 24:20–22; 2 Kron 25:15–16; 2 Kron 36:16 **9:8** Wijs een spotter niet terecht, anders gaat hij je haten. Wijs een wijze terecht, en hij zal van je houden. Brontekst: אַל (al) = niet | תּ֣וֹכַח (tokhach) = wijs terecht | לֵ֭ץ (lets) = spotter | פֶּן (pen) = anders | יִשְׂנָאֶ֑ךָּ (yisnaeka) = gaat hij je haten | הוֹכַ֥ח (hokhach) = wijs terecht | לְ֝חָכָ֗ם (lechakham) = een wijze | וְיֶאֱהָבֶֽךָּ (veyeehaveka) = en hij zal van je houden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 141:5; Spr 13:18; Spr 15:12; Spr 23:9; Spr 29:1 **9:9** Geef aan een wijze, en hij wordt nog wijzer. Maak het bekend aan een rechtvaardige, en hij vermeerdert zijn lering. Brontekst: תֵּ֣ן (ten) = geef | לְ֭חָכָם (lechakham) = aan een wijze | וְיֶחְכַּם (veyechkam) = en hij wordt wijs | ע֑וֹד (od) = nog | הוֹדַ֥ע (hoda) = maak bekend | לְ֝צַדִּ֗יק (letsadiq) = aan een rechtvaardige | וְי֣וֹסֶף (veyosef) = en hij voegt toe | לֶֽקַח (leqach) = lering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bij ‘geef’ staat geen voorwerp. Het gaat om onderricht. Voetnoot : לֶקַח (leqach), ‘lering’: wat men leert. Zie ook Spr. 7:21. Zie ook: Spr 1:5; Spr 7:21; Spr 25:12; Mat 13:11–12; 1 Joh 2:20–21; 1 Joh 5:13 **9:10** Het begin van wijsheid is de vrees voor Yahweh, en kennis van de Heiligen is inzicht. Brontekst: תְּחִלַּ֣ת (techilat) = begin van | חָ֭כְמָה (chakhema) = wijsheid | יִרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְדַ֖עַת (vedaat) = en kennis van | קְדֹשִׁ֣ים (qedoshim) = de Heiligen | בִּינָֽה (bina) = is inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag. Zie ook Spr. 1:7 en 8:13. Voetnoot : קְדֹשִׁים (qedoshim), ‘de Heiligen’: het woord staat in het meervoud. Het kan ook als meervoud van volheid ‘de Heilige’ betekenen (zie Joz. 24:19). Zo ook Spr. 30:3. Zie ook: Job 28:28; Joz 24:19; Ps 111:10; Spr 1:7; Spr 2:5; Spr 8:13; Spr 30:3; Pred 12:13 **9:11** Want door mij worden je dagen veel, en worden jaren van leven aan je toegevoegd. Brontekst: כִּי (ki) = want | בִ֭י (bi) = door mij | יִרְבּ֣וּ (yirbu) = worden veel | יָמֶ֑יךָ (yameikha) = je dagen | וְיוֹסִ֥יפוּ (veyosifu) = en worden toegevoegd | לְּ֝ךָ֗ (lekha) = aan jou | שְׁנ֣וֹת (shenot) = jaren van | חַיִּֽים (chayim) = leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker is hier de Wijsheid: ‘door mij’ zoals in Spr. 8:15–16. Zie ook: Deut 6:2; Spr 3:2; Spr 3:16; Spr 8:15–16; Spr 10:27 **9:12** Als je wijs bent, ben je wijs voor jezelf. Spot je, dan draag jij het alleen. Brontekst: אִם (im) = als | חָ֭כַמְתָּ (chakhamta) = je wijs bent | חָכַ֣מְתָּ (chakhamta) = je wijs bent | לָּ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | וְ֝לַ֗צְתָּ (velatsta) = en je spot | לְֽבַדְּךָ֥ (levadekha) = alleen jij | תִשָּֽׂא (tisa) = draagt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: de spotter draagt zelf de gevolgen. Zie ook: Job 22:2–3; Job 22:21; Spr 16:26; Ezech 18:20; 2 Petr 3:3–4 ### De vrouw Dwaasheid **9:13** De vrouw Dwaasheid is luidruchtig. Zij is eenvoudigheid en weet niets. Brontekst: אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | כְּ֭סִילוּת (kesilut) = dwaasheid | הֹֽמִיָּ֑ה (homiya) = luidruchtig | פְּ֝תַיּ֗וּת (petayut) = eenvoudigheid | וּבַל (uval) = en niet | יָ֥דְעָה (yadea) = weet zij | מָּֽה (ma) = iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵשֶׁת כְּסִילוּת (eshet kesilut), ‘de vrouw Dwaasheid’: de Dwaasheid wordt, tegenover de Wijsheid, als een vrouw voorgesteld. הֹמִיָּה (homiyyah), ‘luidruchtig’: hetzelfde woord als bij de vreemde vrouw in Spr. 7:11. Voetnoot : וּבַל־יָדְעָה מָּה (uval yade’ah mah), letterlijk ‘en zij weet niet wat’: het slot van de zin is kort en niet eenduidig. Wij vertalen ‘weet niets’. Zie ook: Spr 5:6; Spr 7:11; Spr 21:9; Spr 21:19; 1 Tim 6:4 **9:14** Zij zit bij de deur van haar huis, op een zetel op de hoogten van de stad. Brontekst: וְֽ֭יָשְׁבָה (veyasheva) = en zij zit | לְפֶ֣תַח (lefetach) = bij de deur van | בֵּיתָ֑הּ (beitah) = haar huis | עַל (al) = op | כִּ֝סֵּ֗א (kise) = een zetel | מְרֹ֣מֵי (meromei) = hoogten van | קָֽרֶת (qaret) = stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרֹמֵי קָרֶת (meromei qaret), ‘hoogten van de stad’: dezelfde plaats waar de Wijsheid roept (vers 3). Beide vrouwen nodigen vanaf dezelfde plek. Zie ook: Spr 7:10–12; Spr 9:3 **9:15** Zij roept naar wie voorbijkomen, naar wie hun paden rechtuit gaan: Brontekst: לִקְרֹ֥א (liqro) = om te roepen | לְעֹֽבְרֵי (leoverei) = naar wie voorbijkomen | דָ֑רֶךְ (darekh) = op de weg | הַֽ֝מְיַשְּׁרִ֗ים (hamyasherim) = die recht maken | אֹֽרְחוֹתָֽם (orechotam) = hun paden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 7:13–15; Spr 7:25–27; Spr 23:27–28 **9:16** „Wie eenvoudig is, laat hem hierheen komen.” En tot wie zonder hart is, zegt zij: Brontekst: מִי (mi) = wie | פֶ֭תִי (peti) = eenvoudig | יָסֻ֣ר (yasur) = laat hem komen | הֵ֑נָּה (hena) = hierheen | וַחֲסַר (vachasar) = en zonder | לֵ֝֗ב (lev) = hart | וְאָ֣מְרָה (veamera) = en zegt zij | לּֽוֹ (lo) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 9:4 **9:17** „Gestolen wateren zijn zoet, en brood in het geheim is aangenaam.” Brontekst: מַֽיִם (mayim) = wateren | גְּנוּבִ֥ים (genuvim) = gestolen | יִמְתָּ֑קוּ (yimtaqu) = zijn zoet | וְלֶ֖חֶם (velechem) = en brood van | סְתָרִ֣ים (setarim) = het verborgene | יִנְעָֽם (yinam) = is aangenaam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַיִם גְּנוּבִים (mayim genuvim), ‘gestolen wateren’: wat in het geheim en verboden wordt genomen, lijkt zoet. Zie ook: Spr 20:17; Spr 23:31–32; Spr 30:20; Jak 1:14–15; Rom 7:8 **9:18** Maar hij weet niet dat de schimmen daar zijn, dat haar genodigden in de diepten van de Sjeol zijn. Brontekst: וְֽלֹא (velo) = en niet | יָ֭דַע (yada) = hij weet | כִּֽי (ki) = dat | רְפָאִ֣ים (refaim) = schimmen | שָׁ֑ם (sham) = daar | בְּעִמְקֵ֖י (beimqei) = in de diepten van | שְׁא֣וֹל (sheol) = Sjeol | קְרֻאֶֽיהָ (qerueiha) = haar genodigden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְפָאִים (refa’im), ‘schimmen’: de doden in het dodenrijk. Zie ook Ps. 88:11. Voetnoot : שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk. קְרֻאֶיהָ (qeru’eha), ‘haar genodigden’: wie door haar zijn geroepen. Zie ook: Ps 82:5; Ps 88:11; Spr 1:7; Spr 2:18–19; Spr 5:5; Spr 7:27 ## Spreuken 10 _Spreuken van Salomo: de rechtvaardige en de goddeloze_ ### Spreuken van Salomo **10:1** Spreuken van Salomo. Een wijze zoon verblijdt zijn vader, maar een dwaze zoon is het verdriet van zijn moeder. Brontekst: מִשְׁלֵ֗י (mishlei) = spreuken van | שְׁלֹ֫מֹ֥ה (shelomo) = Salomo | בֵּ֣ן (ben) = een zoon | חָ֭כָם (chakham) = wijze | יְשַׂמַּח (yesamach) = verblijdt | אָ֑ב (av) = een vader | וּבֵ֥ן (uven) = maar een zoon | כְּ֝סִ֗יל (kesil) = dwaze | תּוּגַ֥ת (tugat) = verdriet van | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁלֵי (mishlei), ‘spreuken’: een mashal is een kort gezegde dat een waarheid in een beeld of vergelijking vastlegt. Hier begint de eerste verzameling korte, losse spreuken (10:1–22:16). Voetnoot : בֵּן חָכָם (ben chakham), ‘wijze zoon’, en בֵּן כְּסִיל (ben kesil), ‘dwaze zoon’: wij vertalen chakham steeds met ‘wijze’ en kesil met ‘dwaas’. Vergelijk Spr. 15:20. Zie ook: Spr 1:1; Spr 15:20; Spr 17:25; Spr 23:15–16; Spr 29:3; Spr 29:15 **10:2** Schatten van goddeloosheid baten niet, maar gerechtigheid bevrijdt van de dood. Brontekst: לֹא (lo) = niet | י֭וֹעִילוּ (yoilu) = baten | אוֹצְר֣וֹת (otserot) = schatten van | רֶ֑שַׁע (resha) = goddeloosheid | וּ֝צְדָקָ֗ה (utsedaqa) = maar gerechtigheid | תַּצִּ֥יל (tatsil) = bevrijdt | מִמָּֽוֶת (mimavet) = van de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’: leven zoals het volgens Yahweh recht is. Voetnoot : תַּצִּיל (tatsil), ‘bevrijdt’: het werkwoord hitsil. De tweede helft staat ook in Spr. 11:4. Zie ook: Ps 49:7–11; Spr 11:4; Spr 12:28; Spr 21:6; Rom 5:21 **10:3** Yahweh laat de ziel van de rechtvaardige niet hongeren, maar de begeerte van de goddelozen stoot Hij weg. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יַרְעִ֣יב (yariv) = laat hongeren | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = ziel van | צַדִּ֑יק (tsadiq) = rechtvaardige | וְהַוַּ֖ת (vehavat) = maar begeerte van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | יֶהְדֹּֽף (yehdof) = stoot Hij weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven en de hele persoon, ook de honger en de begeerte. Waar de zin het eist, vertalen wij ‘leven’, ‘persoon’ of ‘begeerte’. Voetnoot : הַוַּת (havvat), ‘begeerte’: het woord kan ook ‘verderf’ of ‘ondergang’ betekenen. Zo ook Spr. 11:6. Zie ook: Ps 34:10–11; Ps 37:3; Ps 37:19; Ps 37:25; Spr 11:6; Mat 6:30–33 **10:4** Berooid is wie werkt met een slappe hand, maar de hand van de ijverigen maakt rijk. Brontekst: רָ֗אשׁ (rash) = berooid | עֹשֶׂ֥ה (ose) = wie werkt | כַף (kaf) = een hand | רְמִיָּ֑ה (remiya) = slap | וְיַ֖ד (veyad) = maar hand van | חָרוּצִ֣ים (charutsim) = ijverigen | תַּעֲשִֽׁיר (taashir) = maakt rijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָשׁ (rash), ‘berooid’: de man die niets heeft overgehouden. Voetnoot : רְמִיָּה (remiyyah), ‘slap’: het woord kan ook ‘bedrieglijk’ betekenen. Zo ook Spr. 12:24. Zie ook: Spr 6:6–11; Spr 12:24; Spr 13:4; Spr 19:15; Spr 20:4; Spr 21:5 **10:5** Wie in de zomer verzamelt, is een zoon met doorzicht. Wie in de oogst diep slaapt, is een zoon die schande brengt. Brontekst: אֹגֵ֣ר (oger) = wie verzamelt | בַּ֭קַּיִץ (baqayits) = in de zomer | בֵּ֣ן (ben) = een zoon | מַשְׂכִּ֑יל (maskil) = met doorzicht | נִרְדָּ֥ם (nirdam) = wie diep slaapt | בַּ֝קָּצִ֗יר (baqatsir) = in de oogst | בֵּ֣ן (ben) = een zoon | מֵבִֽישׁ (mevish) = die schande brengt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 6:6; Spr 6:8; Spr 17:2; Spr 19:26; Spr 30:25 **10:6** Zegeningen komen op het hoofd van de rechtvaardige, maar de mond van de goddelozen bedekt geweld. Brontekst: בְּ֭רָכוֹת (berakhot) = zegeningen | לְרֹ֣אשׁ (lerosh) = op het hoofd van | צַדִּ֑יק (tsadiq) = rechtvaardige | וּפִ֥י (ufi) = maar mond van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | יְכַסֶּ֥ה (yekhase) = bedekt | חָמָֽס (chamas) = geweld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָמָס (chamas), ‘geweld’. Voetnoot : Het Hebreeuws laat twee lezingen toe: ‘de mond van de goddelozen bedekt geweld’ (zoals wij vertalen) of ‘geweld bedekt de mond van de goddelozen’. Zo ook vers 11. Zie ook: Job 29:13; Deut 28:2; Spr 10:11; Spr 24:25; Spr 28:20 **10:7** De herinnering aan de rechtvaardige is tot zegen, maar de naam van de goddelozen rot weg. Brontekst: זֵ֣כֶר (zekher) = herinnering aan | צַ֭דִּיק (tsadiq) = rechtvaardige | לִבְרָכָ֑ה (livrakha) = tot zegen | וְשֵׁ֖ם (veshem) = maar naam van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | יִרְקָֽב (yirqav) = rot weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 109:13; Ps 112:6; 2 Kron 24:16; Mar 14:9; Luc 1:48 **10:8** Wie wijs is van hart, neemt geboden aan, maar wie zot is met zijn lippen, komt ten val. Brontekst: חֲכַם (chakham) = wijze van | לֵ֭ב (lev) = hart | יִקַּ֣ח (yiqach) = neemt aan | מִצְוֺ֑ת (mitsvot) = geboden | וֶאֱוִ֥יל (veevil) = maar zot van | שְׂ֝פָתַ֗יִם (sefatayim) = lippen | יִלָּבֵֽט (yilavet) = komt ten val Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִלָּבֵט (yilavet), ‘komt ten val’: een zeldzaam werkwoord, ‘neergeworpen worden’. Zo ook vers 10. Zie ook: Ps 119:34; Spr 9:9; Spr 10:10; Spr 12:1; Mat 7:24–25; Jak 3:13 **10:9** Wie wandelt in onberispelijkheid, wandelt veilig, maar wie zijn wegen krom maakt, wordt ontdekt. Brontekst: הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = wie wandelt | בַּ֭תֹּם (batom) = in onberispelijkheid | יֵ֣לֶךְ (yelekh) = wandelt hij | בֶּ֑טַח (betach) = veilig | וּמְעַקֵּ֥שׁ (umeaqesh) = maar wie krom maakt | דְּ֝רָכָ֗יו (derakhav) = zijn wegen | יִוָּדֵֽעַ (yivadea) = wordt ontdekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 26:11–12; Spr 28:18; Jes 33:15–16; Mat 10:26; 1 Kor 4:5 **10:10** Wie met het oog knipoogt, bezorgt smart, en wie zot is met zijn lippen, komt ten val. Brontekst: קֹ֣רֵֽץ (qorets) = wie knipoogt | עַ֭יִן (ayin) = het oog | יִתֵּ֣ן (yiten) = bezorgt | עַצָּ֑בֶת (atsavet) = smart | וֶאֱוִ֥יל (veevil) = en zot van | שְׂ֝פָתַ֗יִם (sefatayim) = lippen | יִלָּבֵֽט (yilavet) = komt ten val Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De tweede helft is gelijk aan vers 8b. Sommige oude vertalingen hebben hier een andere tweede helft. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 35:19; Spr 6:13; Spr 10:8; Spr 18:6–7; 3 Joh 1:10 **10:11** De mond van de rechtvaardige is een bron van leven, maar de mond van de goddelozen bedekt geweld. Brontekst: מְק֣וֹר (meqor) = bron van | חַ֭יִּים (chayim) = leven | פִּ֣י (pi) = mond van | צַדִּ֑יק (tsadiq) = rechtvaardige | וּפִ֥י (ufi) = en mond van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | יְכַסֶּ֥ה (yekhase) = bedekt | חָמָֽס (chamas) = geweld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 10:6; Spr 10:20–21; Spr 13:14; Spr 18:4; Ef 4:29 **10:12** Haat wekt ruzies op, maar liefde bedekt alle overtredingen. Brontekst: שִׂ֭נְאָה (sina) = haat | תְּעוֹרֵ֣ר (teorer) = wekt op | מְדָנִ֑ים (medanim) = ruzies | וְעַ֥ל (veal) = maar over | כָּל (kal) = alle | פְּ֝שָׁעִ֗ים (peshaim) = overtredingen | תְּכַסֶּ֥ה (tekhase) = bedekt | אַהֲבָֽה (ahava) = liefde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַהֲבָה (ahavah), ‘liefde’. Zie ook 1 Petr. 4:8. Zie ook: Spr 15:18; Spr 17:9; Jak 5:20; 1 Kor 13:4–7; 1 Petr 4:8 **10:13** Op de lippen van de inzichtige wordt wijsheid gevonden, maar de stok is voor de rug van wie zonder hart is. Brontekst: בְּשִׂפְתֵ֣י (besiftei) = op de lippen van | נָ֭בוֹן (navon) = inzichtige | תִּמָּצֵ֣א (timatse) = wordt gevonden | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְ֝שֵׁ֗בֶט (veshevet) = maar stok | לְגֵ֣ו (legev) = voor de rug van | חֲסַר (chasar) = wie zonder | לֵֽב (lev) = hart is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָבוֹן (navon), ‘inzichtige’: wie bina, ‘inzicht’, heeft. Voetnoot : לֵב (lev), ‘hart’: de zetel van denken en willen. Wie ‘zonder hart’ is, heeft geen verstand. Zie ook: Spr 6:32; Spr 19:29; Spr 26:3; Spr 27:22; Jes 50:4 **10:14** Wijzen bewaren kennis, maar de mond van de zot is een ondergang die dichtbij is. Brontekst: חֲכָמִ֥ים (chakhamim) = wijzen | יִצְפְּנוּ (yitspenu) = bewaren | דָ֑עַת (daat) = kennis | וּפִֽי (ufi) = maar mond van | אֱ֝וִיל (evil) = zot | מְחִתָּ֥ה (mechita) = ondergang | קְרֹבָֽה (qerova) = nabij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 9:9; Spr 10:8; Spr 10:10; Spr 13:3; Spr 18:7 **10:15** Het vermogen van de rijke is zijn sterke stad. De ondergang van de geringen is hun armoede. Brontekst: ה֣וֹן (hon) = vermogen van | עָ֭שִׁיר (ashir) = rijke | קִרְיַ֣ת (qiryat) = stad van | עֻזּ֑וֹ (uzo) = zijn sterkte | מְחִתַּ֖ת (mechitat) = ondergang van | דַּלִּ֣ים (dalim) = geringen | רֵישָֽׁם (reisham) = hun armoede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹן (hon), ‘vermogen’. Voetnoot : דַּלִּים (dallim), ‘geringen’: de arme, zwakke mensen. Zie ook: Ps 52:9; Spr 14:20; Spr 18:11; Spr 19:7; Pred 7:12 **10:16** Het loon van de rechtvaardige is tot leven. De opbrengst van de goddeloze is tot zonde. Brontekst: פְּעֻלַּ֣ת (peulat) = loon van | צַדִּ֣יק (tsadiq) = rechtvaardige | לְחַיִּ֑ים (lechayim) = tot leven | תְּבוּאַ֖ת (tevuat) = opbrengst van | רָשָׁ֣ע (rasha) = goddeloze | לְחַטָּֽאת (lechatat) = tot zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 11:18–19; Jes 3:10–11; Joh 6:27; Rom 6:23; Heb 6:10 **10:17** Wie tucht bewaart, is op het pad naar leven, maar wie terechtwijzing verlaat, doet dwalen. Brontekst: אֹ֣רַח (orach) = pad | לְ֭חַיִּים (lechayim) = naar leven | שׁוֹמֵ֣ר (shomer) = wie bewaart | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | וְעוֹזֵ֖ב (veozev) = maar wie verlaat | תּוֹכַ֣חַת (tokhachat) = terechtwijzing | מַתְעֶֽה (mate) = doet dwalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht’ of ‘vermaning’. Voetnoot : מַתְעֶה (mat’eh), ‘doet dwalen’: het Hebreeuws zegt niet of hij zichzelf of anderen laat dwalen. Zie ook: Spr 5:12; Spr 6:23; Spr 15:10; Luc 11:28; 2 Petr 1:5–11 **10:18** Wie haat verbergt, heeft leugenlippen, en wie laster verspreidt, is een dwaas. Brontekst: מְכַסֶּ֣ה (mekhase) = wie verbergt | שִׂ֭נְאָה (sina) = haat | שִׂפְתֵי (siftei) = lippen van | שָׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | וּמוֹצִ֥א (umotsi) = en wie verspreidt | דִ֝בָּ֗ה (diba) = laster | ה֣וּא (hu) = hij | כְסִֽיל (kesil) = dwaas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 3:27; 2 Sam 13:23–29; Ps 15:3; Ps 55:22; Spr 26:24–26 **10:19** Bij veel woorden ontbreekt de overtreding niet, maar wie zijn lippen bedwingt, heeft doorzicht. Brontekst: בְּרֹ֣ב (berov) = bij veel | דְּ֭בָרִים (devarim) = woorden | לֹ֣א (lo) = niet | יֶחְדַּל (yechdal) = houdt op | פָּ֑שַׁע (pasha) = overtreding | וְחֹשֵׂ֖ךְ (vechosekh) = maar wie bedwingt | שְׂפָתָ֣יו (sefatav) = zijn lippen | מַשְׂכִּֽיל (maskil) = heeft doorzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 17:27–28; Pred 5:2; Pred 10:13–14; Jak 1:19; Jak 3:2 **10:20** De tong van de rechtvaardige is uitgelezen zilver. Het hart van de goddelozen is weinig waard. Brontekst: כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | נִ֭בְחָר (nivchar) = uitgelezen | לְשׁ֣וֹן (leshon) = tong van | צַדִּ֑יק (tsadiq) = rechtvaardige | לֵ֖ב (lev) = hart van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | כִּמְעָֽט (kimat) = als weinig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּמְעָט (kime’at), ‘als weinig’: zo goed als niets waard. Zie ook: Gen 6:5; Spr 12:18; Spr 15:4; Jer 17:9; Mat 12:34–35 **10:21** De lippen van de rechtvaardige weiden velen, maar zotten sterven door gebrek aan hart. Brontekst: שִׂפְתֵ֣י (siftei) = lippen van | צַ֭דִּיק (tsadiq) = rechtvaardige | יִרְע֣וּ (yiru) = weiden | רַבִּ֑ים (rabim) = velen | וֶֽ֝אֱוִילִ֗ים (veevilim) = en zotten | בַּחֲסַר (bachasar) = door gebrek aan | לֵ֥ב (lev) = hart | יָמֽוּתוּ (yamutu) = sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:3–4; Spr 1:29; Spr 17:16; Hos 4:6; Mat 13:19 **10:22** De zegen van Yahweh, die maakt rijk. Hij voegt er geen smart aan toe. Brontekst: בִּרְכַּ֣ת (birkat) = zegen van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | הִ֣יא (hi) = zij | תַעֲשִׁ֑יר (taashir) = maakt rijk | וְלֹֽא (velo) = en niet | יוֹסִ֖ף (yosif) = voegt toe | עֶ֣צֶב (etsev) = smart | עִמָּֽהּ (imah) = erbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶצֶב (etsev), ‘smart’: ook ‘moeite’ of ‘zwoegen’. Het Hebreeuws laat twee lezingen toe: ‘Hij voegt er geen smart aan toe’ (zoals wij vertalen) of ‘moeite voegt er niets aan toe’. Zie ook: Gen 12:2; Gen 24:35; Gen 26:12; 1 Sam 2:7–8; Ps 107:38 **10:23** Voor de dwaas is het als lachen om een schanddaad te doen, maar wijsheid is voor de man van verstand. Brontekst: כִּשְׂח֣וֹק (kischoq) = als lachen | לִ֭כְסִיל (likhsil) = voor de dwaas | עֲשׂ֣וֹת (asot) = het doen van | זִמָּ֑ה (zima) = schanddaad | וְ֝חָכְמָ֗ה (vechakhema) = en wijsheid | לְאִ֣ישׁ (leish) = voor de man | תְּבוּנָֽה (tevuna) = van verstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: een kwaad plan of een schandelijke daad. Zie ook: Spr 2:14; Spr 14:9; Spr 15:21; Spr 26:18–19; Pred 11:9 **10:24** Wat de goddeloze vreest, dat komt over hem, maar het verlangen van de rechtvaardigen wordt gegeven. Brontekst: מְגוֹרַ֣ת (megorat) = wat vreest | רָ֭שָׁע (rasha) = goddeloze | הִ֣יא (hi) = het | תְבוֹאֶ֑נּוּ (tevoenu) = komt over hem | וְתַאֲוַ֖ת (vetaavat) = en verlangen van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יִתֵּֽן (yiten) = wordt gegeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:21; Ps 145:19; Jes 66:4; Mat 5:6; 1 Joh 5:14–15 **10:25** Als de storm voorbijtrekt, is de goddeloze er niet meer, maar de rechtvaardige is een eeuwig fundament. Brontekst: כַּעֲב֣וֹר (kaavor) = als voorbijtrekt | ס֭וּפָה (sufa) = storm | וְאֵ֣ין (veein) = en niet meer is | רָשָׁ֑ע (rasha) = goddeloze | וְ֝צַדִּ֗יק (vetsadiq) = maar rechtvaardige | יְס֣וֹד (yesod) = fundament van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוּפָה (sufah), ‘storm’: een wervelwind die alles meesleurt. Voetnoot : יְסוֹד עוֹלָם (yesod olam), ‘eeuwig fundament’. Zie ook: Ps 15:5; Ps 58:10; Spr 1:27; Spr 12:3; Mat 7:24–27 **10:26** Zoals azijn voor de tanden en rook voor de ogen, zo is de luiaard voor wie hem sturen. Brontekst: כַּחֹ֤מֶץ (kachomets) = als azijn | לַשִּׁנַּ֗יִם (lashinayim) = voor de tanden | וְכֶעָשָׁ֥ן (vekheashan) = en als rook | לָעֵינָ֑יִם (laeinayim) = voor de ogen | כֵּ֥ן (ken) = zo | הֶ֝עָצֵ֗ל (heatsel) = de luiaard | לְשֹׁלְחָֽיו (lesholechav) = voor zijn zenders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 25:13; Spr 25:20; Spr 26:6; Mat 25:26; Rom 12:11 **10:27** De vrees voor Yahweh voegt dagen toe, maar de jaren van de goddelozen worden verkort. Brontekst: יִרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | תּוֹסִ֣יף (tosif) = voegt toe | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וּשְׁנ֖וֹת (ushenot) = en jaren van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | תִּקְצֹֽרְנָה (tiqtsorena) = worden verkort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag. Zie ook Spr. 1:7. Zie ook: Job 15:32–33; Ps 21:5; Ps 91:16; Spr 1:7; Spr 3:2; Spr 9:11 **10:28** Het verwachten van de rechtvaardigen is blijdschap, maar de hoop van de goddelozen gaat verloren. Brontekst: תּוֹחֶ֣לֶת (tochelet) = verwachting van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | שִׂמְחָ֑ה (simcha) = blijdschap | וְתִקְוַ֖ת (vetiqvat) = en hoop van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | תֹּאבֵֽד (toved) = gaat verloren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:13; Ps 73:24–26; Spr 11:7; Rom 12:12; Rom 15:13 **10:29** De weg van Yahweh is een toevlucht voor de onberispelijke, maar een ondergang voor wie onheil doen. Brontekst: מָע֣וֹז (maoz) = toevlucht | לַ֭תֹּם (latom) = voor de onberispelijke | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּ֝מְחִתָּ֗ה (umechita) = en ondergang | לְפֹ֣עֲלֵי (lefoalei) = voor wie doen | אָֽוֶן (aven) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָעוֹז (ma’oz), ‘toevlucht’: een sterke plek om te schuilen. Voetnoot : אָוֶן (aven), ‘onheil’: ook ‘ongerechtigheid’. Zie ook: Ps 36:13; Spr 21:15; Zach 10:12; Rom 2:8–9; Fil 4:13 **10:30** De rechtvaardige wankelt voor eeuwig niet, maar de goddelozen wonen niet in het land. Brontekst: צַדִּ֣יק (tsadiq) = rechtvaardige | לְעוֹלָ֣ם (leolam) = voor eeuwig | בַּל (bal) = niet | יִמּ֑וֹט (yimot) = wankelt | וּ֝רְשָׁעִ֗ים (ureshaim) = maar goddelozen | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁכְּנוּ (yishkenu) = wonen | אָֽרֶץ (arets) = land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:9–10; Ps 37:22; Ps 37:28–29; Ps 125:1; Spr 2:21–22 **10:31** De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid voort, maar de tong van de verdraaidheden wordt afgesneden. Brontekst: פִּֽי (pi) = mond van | צַ֭דִּיק (tsadiq) = rechtvaardige | יָנ֣וּב (yanuv) = brengt voort | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וּלְשׁ֥וֹן (uleshon) = en tong van | תַּ֝הְפֻּכ֗וֹת (tahpukhot) = verdraaidheden | תִּכָּרֵֽת (tikaret) = wordt afgesneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּהְפֻּכוֹת (tahpukhot), ‘verdraaidheden’: wat omgedraaid en verdraaid is, zoals leugen en bedrog. Zo ook vers 32. Zie ook: Ps 31:19; Ps 37:30; Ps 63:12; Spr 10:13; Spr 10:20–21; Spr 10:32 **10:32** De lippen van de rechtvaardige weten wat welgevallig is, maar de mond van de goddelozen is verdraaidheid. Brontekst: שִׂפְתֵ֣י (siftei) = lippen van | צַ֭דִּיק (tsadiq) = rechtvaardige | יֵדְע֣וּן (yedeun) = weten | רָצ֑וֹן (ratson) = welgevallen | וּפִ֥י (ufi) = en mond van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | תַּהְפֻּכֽוֹת (tahpukhot) = verdraaidheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 2:12; Spr 11:11; Spr 12:6; Spr 12:18; Spr 15:28 ## Spreuken 11 _Spreuken van Salomo: eerlijkheid, gerechtigheid en zegen_ **11:1** Een weegschaal van bedrog is een gruwel voor Yahweh, maar een volle steen is Zijn welbehagen. Brontekst: מֹאזְנֵ֣י (moznei) = weegschalen van | מִ֭רְמָה (mirma) = bedrog | תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶ֖בֶן (veeven) = en steen | שְׁלֵמָ֣ה (shelema) = volle | רְצוֹנֽוֹ (retsono) = Zijn welbehagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֲבַת (to’avat), ‘gruwel’: wat Yahweh afkeurt en verafschuwt. Voetnoot : אֶבֶן שְׁלֵמָה (even shelemah), ‘volle steen’: een gewichtssteen die precies het goede gewicht heeft. Zie ook Spr. 20:23; Lev. 19:35–36 en Deut. 25:13–16. Zie ook: Lev 19:35–36; Deut 25:13–16; Spr 16:11; Spr 20:10; Spr 20:23 **11:2** Komt overmoed, dan komt schande, maar bij de bescheidenen is wijsheid. Brontekst: בָּֽא (ba) = komt | זָ֭דוֹן (zadon) = overmoed | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = dan komt | קָל֑וֹן (qalon) = schande | וְֽאֶת (veet) = en bij | צְנוּעִ֥ים (tsenuim) = bescheidenen | חָכְמָֽה (chakhema) = wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְנוּעִים (tsenu’im), ‘bescheidenen’: een zeldzaam woord voor wie zich niet op de voorgrond zet. Zie ook: Spr 15:33; Spr 16:18–19; Spr 18:12; Spr 29:23; Luc 18:14 **11:3** De onberispelijkheid van de oprechten leidt hen, maar de verdraaidheid van de trouwelozen verwoest hen. Brontekst: תֻּמַּ֣ת (tumat) = onberispelijkheid van | יְשָׁרִ֣ים (yesharim) = oprechten | תַּנְחֵ֑ם (tanchem) = leidt hen | וְסֶ֖לֶף (veselef) = en verdraaidheid van | בּוֹגְדִ֣ים (bogedim) = trouwelozen | יְשָׁדֵּֽם (yeshadem) = verwoest hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Ketiv (wat er geschreven staat) is וְשָׁדָּם (veshaddam), ‘en hun verwoesting’. Qere (wat men leest) is יְשָׁדֵּם (yeshaddem), ‘Hij verwoest hen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 25:21; Ps 26:1; Spr 13:6; Spr 19:3; Spr 28:18 **11:4** Vermogen baat niet op de dag van de toorn, maar gerechtigheid bevrijdt van de dood. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יוֹעִ֣יל (yoil) = baat | ה֭וֹן (hon) = vermogen | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | עֶבְרָ֑ה (evra) = toorn | וּ֝צְדָקָ֗ה (utsedaqa) = maar gerechtigheid | תַּצִּ֥יל (tatsil) = bevrijdt | מִמָּֽוֶת (mimavet) = van de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹן (hon), ‘vermogen’. Voetnoot : De tweede helft is gelijk aan Spr. 10:2b. Zie ook: Gen 7:1; Spr 10:2; Sef 1:18; Ezech 7:19; 1 Tim 4:8 **11:5** De gerechtigheid van de onberispelijke maakt zijn weg recht, maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid. Brontekst: צִדְקַ֣ת (tsidqat) = gerechtigheid van | תָּ֭מִים (tamim) = onberispelijke | תְּיַשֵּׁ֣ר (teyasher) = maakt recht | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = zijn weg | וּ֝בְרִשְׁעָת֗וֹ (uverishato) = en door zijn goddeloosheid | יִפֹּ֥ל (yipol) = valt | רָשָֽׁע (rasha) = goddeloze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 9:16–17; Spr 5:22; Spr 11:3; Est 7:3–10; Mat 27:4–5 **11:6** De gerechtigheid van de oprechten bevrijdt hen, maar de trouwelozen worden gevangen in hun begeerte. Brontekst: צִדְקַ֣ת (tsidqat) = gerechtigheid van | יְ֭שָׁרִים (yesharim) = oprechten | תַּצִּילֵ֑ם (tatsilem) = bevrijdt hen | וּ֝בְהַוַּ֗ת (uvehavat) = en in begeerte | בֹּגְדִ֥ים (bogedim) = trouwelozen | יִלָּכֵֽדוּ (yilakhedu) = worden gevangen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַוַּת (havvat), ‘begeerte’: zie bij Spr. 10:3. Zie ook: 1 Sam 12:3–4; Ps 7:16–17; Spr 5:22; Spr 10:3; Pred 10:8; 1 Kon 2:44 **11:7** Wanneer een goddeloos mens sterft, gaat de hoop verloren, en de verwachting van de krachtigen is verloren. Brontekst: בְּמ֤וֹת (bemot) = bij het sterven van | אָדָ֣ם (adam) = mens | רָ֭שָׁע (rasha) = goddeloze | תֹּאבַ֣ד (tovad) = gaat verloren | תִּקְוָ֑ה (tiqva) = hoop | וְתוֹחֶ֖לֶת (vetochelet) = en verwachting van | אוֹנִ֣ים (onim) = krachtigen | אָבָֽדָה (avada) = is verloren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹנִים (onim), ‘krachtigen’: het woord betekent ‘kracht’ of ‘rijkdom’. Sommige lezers verstaan ‘onrecht’ (aven). Wij volgen het Hebreeuws zoals het er staat. Zie ook: Job 8:13–14; Job 11:20; Ps 146:4; Spr 10:28; Luc 12:19–20 **11:8** De rechtvaardige wordt uit de nood gehaald, en de goddeloze komt in zijn plaats. Brontekst: צַ֭דִּיק (tsadiq) = rechtvaardige | מִצָּרָ֣ה (mitsara) = uit nood | נֶחֱלָ֑ץ (nechelats) = wordt gehaald | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en komt | רָשָׁ֣ע (rasha) = goddeloze | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 21:18; Jes 43:3–4; Dan 6:24–25; Est 7:9–10 **11:9** Met zijn mond verderft de huichelaar zijn naaste, maar door kennis worden de rechtvaardigen gered. Brontekst: בְּפֶ֗ה (befe) = met de mond | חָ֭נֵף (chanef) = huichelaar | יַשְׁחִ֣ת (yashchit) = verderft | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וּ֝בְדַ֗עַת (uvedaat) = en door kennis | צַדִּיקִ֥ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יֵחָלֵֽצוּ (yechaletsu) = worden gered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָנֵף (chanef), ‘huichelaar’: iemand zonder eerbied voor Elohim, die vroom lijkt maar het niet is. Zie ook: Spr 2:10–16; Spr 4:5–6; 1 Tim 4:1–3; 2 Petr 2:1–3; 1 Joh 2:27 **11:10** Als het de rechtvaardigen goed gaat, juicht de stad. Als de goddelozen omkomen, is er gejubel. Brontekst: בְּט֣וּב (betuv) = bij het goede van | צַ֭דִּיקִים (tsadiqim) = rechtvaardigen | תַּעֲלֹ֣ץ (taalots) = juicht | קִרְיָ֑ה (qirya) = stad | וּבַאֲבֹ֖ד (uvaavod) = en bij het omkomen van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | רִנָּֽה (rina) = gejubel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 5:31; Ps 58:11–12; Spr 28:12; Spr 28:28; Est 8:15–16 **11:11** Door de zegen van de oprechten komt een stad omhoog, maar door de mond van de goddelozen wordt zij afgebroken. Brontekst: בְּבִרְכַּ֣ת (bevirkat) = door zegen van | יְ֭שָׁרִים (yesharim) = oprechten | תָּר֣וּם (tarum) = komt omhoog | קָ֑רֶת (qaret) = stad | וּבְפִ֥י (uvefi) = en door de mond van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | תֵּהָרֵֽס (tehares) = wordt afgebroken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:30; Spr 14:34; Spr 29:8; Pred 9:15; Jak 3:6 **11:12** Wie zijn naaste verachtelijk behandelt, is zonder hart, maar een man van verstand zwijgt. Brontekst: בָּז (baz) = verachter | לְרֵעֵ֥הוּ (lereehu) = van zijn naaste | חֲסַר (chasar) = is zonder | לֵ֑ב (lev) = hart | וְאִ֖ישׁ (veish) = maar man van | תְּבוּנ֣וֹת (tevunot) = verstand | יַחֲרִֽישׁ (yacharish) = zwijgt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 123:3–4; Spr 10:19; Luc 16:14; Luc 18:9; 1 Petr 2:23 **11:13** Wie rondgaat als lasteraar, onthult het geheim, maar wie betrouwbaar is van geest, bedekt een zaak. Brontekst: הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = wie gaat | רָ֭כִיל (rakhil) = lasteraar | מְגַלֶּה (megale) = onthult | סּ֑וֹד (sod) = geheim | וְנֶאֱמַן (veneeman) = en betrouwbare van | ר֝֗וּחַ (ruach) = geest | מְכַסֶּ֥ה (mekhase) = bedekt | דָבָֽר (davar) = zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָכִיל (rakhil), ‘lasteraar’: wie rondgaat met praatjes over anderen. Zie ook Spr. 20:19. Zie ook: Lev 19:16; Spr 20:19; Spr 25:9; Spr 26:20–22; 1 Tim 5:13 **11:14** Waar leiding ontbreekt, valt een volk, maar redding is er bij veel raadgevers. Brontekst: בְּאֵ֣ין (beein) = bij het ontbreken van | תַּ֭חְבֻּלוֹת (tachbulot) = leiding | יִפָּל (yipal) = valt | עָ֑ם (am) = volk | וּ֝תְשׁוּעָ֗ה (uteshua) = en redding | בְּרֹ֣ב (berov) = bij vele | יוֹעֵֽץ (yoets) = raadgever Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחְבֻּלוֹת (tachbulot), ‘leiding’: het stuurwerk van een schip, dus verstandig bestuur. Zie ook Spr. 24:6. Het woord komt ook voor in Spr. 12:5. Zie ook: Spr 12:5; Spr 15:22; Spr 16:22; Spr 20:18; Spr 24:6; 1 Kon 12:1–19 **11:15** Kwaad zal hij zeker ondervinden als hij borg staat voor een vreemde, maar wie handslagen haat, is veilig. Brontekst: רַע (ra) = kwaad | יֵ֭רוֹעַ (yeroa) = zal hij ondervinden | כִּי (ki) = want | עָ֣רַב (arav) = borg staat | זָ֑ר (zar) = voor een vreemde | וְשֹׂנֵ֖א (vesone) = en wie haat | תֹקְעִ֣ים (toqeim) = handslagen | בּוֹטֵֽחַ (boteach) = is veilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרַב (arav), ‘borg staan’: voor de schuld van een ander instaan. תֹּקְעִים (toq’im), ‘handslagen’: het gebaar waarmee men die belofte bevestigde. Zie ook Spr. 20:16 en 27:13. Zie ook: Spr 6:1–5; Spr 17:18; Spr 20:16; Spr 22:26–27; Spr 27:13 **11:16** Een vrouw van gunst verwerft eer, en geweldenaars verwerven rijkdom. Brontekst: אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | חֵ֭ן (chen) = gunst | תִּתְמֹ֣ךְ (titmokh) = verwerft | כָּב֑וֹד (kavod) = eer | וְ֝עָרִיצִ֗ים (vearitsim) = en geweldenaars | יִתְמְכוּ (yitmekhu) = verwerven | עֹֽשֶׁר (osher) = rijkdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵן (chen), ‘gunst’: ook ‘bevalligheid’. De tweede helft is kort: ‘geweldenaars verwerven rijkdom’. Zie ook: 1 Sam 25:32–33; Spr 31:30–31; Luc 10:42; Hand 9:39; Hand 16:14–15 **11:17** De man van trouw doet zijn eigen ziel goed, maar de wrede brengt zijn eigen vlees in ellende. Brontekst: גֹּמֵ֣ל (gomel) = doet goed | נַ֭פְשׁוֹ (nafsho) = zijn ziel | אִ֣ישׁ (ish) = man van | חָ֑סֶד (chased) = trouw | וְעֹכֵ֥ר (veokher) = maar brengt in ellende | שְׁ֝אֵר֗וֹ (sheero) = zijn vlees | אַכְזָרִֽי (akhzari) = wrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: in Spreuken ook ‘goedheid’ of ‘liefde’. Voetnoot : שְׁאֵר (she’er), ‘vlees’: het eigen lichaam, ook de naaste familie. Zie ook: Ps 41:2–5; Mat 5:7; Mat 6:14–15; Mat 25:34–40; Jak 2:13 **11:18** De goddeloze maakt een loon van bedrog, maar wie gerechtigheid zaait, heeft een loon van waarheid. Brontekst: רָשָׁ֗ע (rasha) = goddeloze | עֹשֶׂ֥ה (ose) = maakt | פְעֻלַּת (peulat) = loon van | שָׁ֑קֶר (shaqer) = bedrog | וְזֹרֵ֥עַ (vezorea) = en wie zaait | צְ֝דָקָ֗ה (tsedaqa) = gerechtigheid | שֶׂ֣כֶר (sekher) = loon van | אֱמֶֽת (emet) = waarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׂכֶר אֱמֶת (sekher emet), ‘loon van waarheid’: een loon dat zeker en betrouwbaar is, tegenover het loon van bedrog. Zie ook: Spr 22:8; Pred 10:8; Hos 10:12–13; Jak 3:18; Gal 6:8–9 **11:19** Zo is gerechtigheid tot leven, maar wie het kwaad najaagt, gaat naar zijn dood. Brontekst: כֵּן (ken) = zo | צְדָקָ֥ה (tsedaqa) = gerechtigheid | לְחַיִּ֑ים (lechayim) = tot leven | וּמְרַדֵּ֖ף (umeradef) = en wie najaagt | רָעָ֣ה (raa) = kwaad | לְמוֹתֽוֹ (lemoto) = tot zijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּן (ken), ‘zo’: het woord kan ook van een ander werkwoord komen en ‘standvastig’ betekenen (‘wie standvastig is in gerechtigheid, gaat naar leven’). Wij volgen de eerste lezing. Zie ook: Spr 8:36; Spr 10:16; Spr 12:28; Spr 19:23; Rom 2:8–9 **11:20** Een gruwel voor Yahweh zijn zij die krom zijn van hart, maar zij die onberispelijk zijn op hun weg, zijn Zijn welbehagen. Brontekst: תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | עִקְּשֵׁי (iqeshei) = kromme van | לֵ֑ב (lev) = hart | וּ֝רְצוֹנ֗וֹ (uretsono) = en Zijn welbehagen | תְּמִ֣ימֵי (temimei) = onberispelijken van | דָֽרֶךְ (darekh) = weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 29:17; Ps 18:26–27; Ps 119:1; Ps 140:14; Spr 21:29 **11:21** Hand in hand: de kwade blijft niet ongestraft, maar het nageslacht van de rechtvaardigen ontkomt. Brontekst: יָ֣ד (yad) = hand | לְ֭יָד (leyad) = in hand | לֹא (lo) = niet | יִנָּ֣קֶה (yinaqe) = blijft ongestraft | רָּ֑ע (ra) = kwade | וְזֶ֖רַע (vezera) = en nageslacht van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | נִמְלָֽט (nimlat) = ontkomt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָד לְיָד (yad leyad), ‘hand in hand’: een uitdrukking waarvan de betekenis onzeker is, waarschijnlijk ‘zeker’ of ‘hand erop’. Zie ook Spr. 16:5. Zie ook: Ps 37:26; Ps 112:1–2; Spr 16:5; Jer 32:39; Hand 2:39 **11:22** Een gouden ring in de neus van een zwijn: een mooie vrouw zonder oordeelsvermogen. Brontekst: נֶ֣זֶם (nezem) = ring van | זָ֭הָב (zahav) = goud | בְּאַ֣ף (beaf) = in de neus van | חֲזִ֑יר (chazir) = een zwijn | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | יָ֝פָ֗ה (yafa) = mooie | וְסָ֣רַת (vesarat) = en afgekeerd van | טָֽעַם (taam) = oordeelsvermogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַעַם (ta’am), ‘oordeelsvermogen’: letterlijk ‘smaak’, dus gevoel voor wat past. Zie ook: Spr 9:13; Spr 31:30; Nah 3:4–6; 1 Petr 3:3–4; 2 Petr 2:22 **11:23** Het verlangen van de rechtvaardigen is louter goed. De hoop van de goddelozen is toorn. Brontekst: תַּאֲוַ֣ת (taavat) = verlangen van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | אַךְ (akh) = louter | ט֑וֹב (tov) = goed | תִּקְוַ֖ת (tiqvat) = hoop van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | עֶבְרָֽה (evra) = toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:4; Ps 119:10; Jes 26:9; Mat 5:6; Rom 2:8–9 **11:24** Er is er die uitstrooit en toch meer krijgt, en er is er die terughoudt, meer dan recht is, maar het eindigt in gebrek. Brontekst: יֵ֣שׁ (yesh) = er is | מְ֭פַזֵּר (mefazer) = die uitstrooit | וְנוֹסָ֥ף (venosaf) = en erbij gevoegd wordt | ע֑וֹד (od) = meer | וְחוֹשֵׂ֥ךְ (vechosekh) = en die terughoudt | מִ֝יֹּ֗שֶׁר (miyosher) = meer dan recht is | אַךְ (akh) = slechts | לְמַחְסֽוֹר (lemachsor) = tot gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִיֹּשֶׁר (miyyosher), ‘meer dan recht is’: letterlijk ‘van recht’. Het kan ook betekenen ‘wat recht is’, dus wat hem toekomt te geven. Zie ook: Deut 15:10; Ps 112:9; Spr 19:17; Pred 11:6; Luc 6:38 **11:25** Een ziel van zegen wordt vet gemaakt, en wie laaft, wordt zelf ook gelaafd. Brontekst: נֶֽפֶשׁ (nefesh) = ziel van | בְּרָכָ֥ה (berakha) = zegen | תְדֻשָּׁ֑ן (tedushan) = wordt vet gemaakt | וּ֝מַרְוֶ֗ה (umarve) = en wie laaft | גַּם (gam) = ook | ה֥וּא (hu) = hij | יוֹרֶֽא (yore) = wordt gelaafd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ־בְּרָכָה (nefesh berakhah), ‘ziel van zegen’: een gul mens. Voetnoot : יוֹרָא (yora), ‘gelaafd’: letterlijk ‘van water voorzien’. Zie ook: Jes 32:8; Jes 58:7–11; Mat 5:7; Mat 25:34–35; 2 Kor 9:6–9 **11:26** Wie graan terughoudt, wordt door het volk vervloekt, maar zegen komt op het hoofd van wie het verkoopt. Brontekst: מֹ֣נֵֽעַ (monea) = wie terughoudt | בָּ֭ר (bar) = graan | יִקְּבֻ֣הוּ (yiqevuhu) = vervloeken hem | לְא֑וֹם (leom) = volk | וּ֝בְרָכָ֗ה (uverakha) = en zegen | לְרֹ֣אשׁ (lerosh) = op het hoofd van | מַשְׁבִּֽיר (mashbir) = wie verkoopt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:6; Job 29:13; Spr 24:24; Amos 8:4–6 **11:27** Wie het goede ijverig zoekt, zoekt welbehagen, maar wie het kwaad najaagt, over hem komt het. Brontekst: שֹׁ֣חֵֽר (shocher) = wie ijverig zoekt | ט֭וֹב (tov) = goed | יְבַקֵּ֣שׁ (yevaqesh) = zoekt | רָצ֑וֹן (ratson) = welbehagen | וְדֹרֵ֖שׁ (vedoresh) = en wie najaagt | רָעָ֣ה (raa) = kwaad | תְבוֹאֶֽנּוּ (tevoenu) = komt over hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 7:16–17; Ps 9:16–17; Ps 57:7; Spr 17:11; Est 7:10 **11:28** Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die valt, maar de rechtvaardigen bloeien als een blad. Brontekst: בּוֹטֵ֣חַ (boteach) = wie vertrouwt | בְּ֭עָשְׁרוֹ (beashero) = op zijn rijkdom | ה֣וּא (hu) = hij | יִפֹּ֑ל (yipol) = valt | וְ֝כֶעָלֶ֗ה (vekheale) = en als blad | צַדִּיקִ֥ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יִפְרָֽחוּ (yifrachu) = bloeien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 1:3; Ps 52:9–10; Ps 92:13–15; Jer 17:8; 1 Tim 6:17 **11:29** Wie zijn huis in ellende brengt, erft wind, en de zot wordt dienaar van wie wijs is van hart. Brontekst: עוֹכֵ֣ר (okher) = wie in ellende brengt | בֵּ֭יתוֹ (beito) = zijn huis | יִנְחַל (yinchal) = erft | ר֑וּחַ (ruach) = wind | וְעֶ֥בֶד (veeved) = en dienaar | אֱ֝וִ֗יל (evil) = zot | לַחֲכַם (lachakham) = van wie wijs is | לֵֽב (lev) = van hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 25:17; Spr 14:19; Spr 15:27; Pred 5:15; Hab 2:9–10 **11:30** De vrucht van de rechtvaardige is een boom van leven, en wie zielen wint, is wijs. Brontekst: פְּֽרִי (peri) = vrucht van | צַ֭דִּיק (tsadiq) = rechtvaardige | עֵ֣ץ (ets) = boom van | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | וְלֹקֵ֖חַ (veloqeach) = en wie wint | נְפָשׂ֣וֹת (nefasot) = zielen | חָכָֽם (chakham) = wijze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹקֵחַ נְפָשׁוֹת (loqeach nefashot), ‘wie zielen wint’: wie mensen voor zich wint. Het werkwoord laqach, ‘nemen’, kan ook ‘wegnemen’ betekenen; dan zou het gaan om ‘wie levens neemt’. Wij volgen de eerste lezing. Zie ook: Spr 3:18; Dan 12:3; Jak 5:20; 1 Tess 2:19; 1 Kor 9:19–23 **11:31** Zie, de rechtvaardige krijgt zijn vergelding op de aarde. Hoeveel te meer de goddeloze en de zondaar. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | צַ֭דִּיק (tsadiq) = rechtvaardige | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = op de aarde | יְשֻׁלָּ֑ם (yeshulam) = wordt vergolden | אַ֝֗ף (af) = hoeveel | כִּֽי (ki) = te meer | רָשָׁ֥ע (rasha) = goddeloze | וְחוֹטֵֽא (vechote) = en zondaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin vraagt: als de rechtvaardige al zijn vergelding krijgt, hoeveel te meer de goddeloze. Zie ook 1 Petr. 4:18. Zie ook: 2 Sam 12:9–12; Spr 13:21; Jer 25:29; 1 Kor 11:30–32; 1 Petr 4:17–18; 1 Petr 4:18 ## Spreuken 12 _Spreuken van Salomo: tucht, woorden en de weg van de rechtvaardige_ **12:1** Wie tucht liefheeft, heeft kennis lief, maar wie terechtwijzing haat, is dom. Brontekst: אֹהֵ֣ב (ohev) = wie liefheeft | מ֭וּסָר (musar) = tucht | אֹ֣הֵֽב (ohev) = heeft lief | דָּ֑עַת (daat) = kennis | וְשֹׂנֵ֖א (vesone) = en wie haat | תוֹכַ֣חַת (tokhachat) = terechtwijzing | בָּֽעַר (baar) = dom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht’ of ‘vermaning’. Voetnoot : בַּעַר (ba’ar), ‘dom’: dom als een dier, zonder inzicht. Zie ook: Ps 119:97–100; Spr 5:12–13; Spr 9:7–8; Spr 15:10; Spr 18:1 **12:2** De goede krijgt welbehagen van Yahweh, maar de man van listige plannen veroordeelt Hij. Brontekst: ט֗וֹב (tov) = goede | יָפִ֣יק (yafiq) = krijgt | רָ֭צוֹן (ratson) = welbehagen | מֵיְהוָ֑ה (meYahweh) = van Yahweh | וְאִ֖ישׁ (veish) = en man van | מְזִמּ֣וֹת (mezimot) = listige plannen | יַרְשִֽׁיעַ (yarshia) = veroordeelt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְזִמּוֹת (mezimmot), ‘listige plannen’: het enkelvoud מְזִמָּה (mezimmah) betekent ‘doordachtheid’ (Spr. 1:4). Het meervoud wordt in kwade zin gebruikt: de man die berekenend kwaad bedenkt. Zo ook Spr. 14:17. Voetnoot : יַרְשִׁיעַ (yarshia), ‘veroordeelt Hij’: Hij verklaart hem schuldig. Zie ook: Ps 112:5; Spr 1:4; Spr 1:31; Spr 8:35; Spr 14:17; Hand 11:24; Rom 5:7 **12:3** Een mens staat niet vast door goddeloosheid, maar de wortel van de rechtvaardigen wankelt niet. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִכּ֣וֹן (yikon) = staat vast | אָדָ֣ם (adam) = mens | בְּרֶ֑שַׁע (beresha) = door goddeloosheid | וְשֹׁ֥רֶשׁ (veshoresh) = en wortel van | צַ֝דִּיקִ֗ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | בַּל (bal) = niet | יִמּֽוֹט (yimot) = wankelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 125:1–2; Spr 10:25; Spr 12:12; Ef 3:17; Kol 2:7 **12:4** Een sterke vrouw is de kroon van haar man, maar een vrouw die schande brengt, is als verrotting in zijn beenderen. Brontekst: אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | חַ֭יִל (chayil) = kracht | עֲטֶ֣רֶת (ateret) = kroon van | בַּעְלָ֑הּ (balah) = haar man | וּכְרָקָ֖ב (ukheraqav) = en als verrotting | בְּעַצְמוֹתָ֣יו (beatsmotav) = in zijn beenderen | מְבִישָֽׁה (mevisha) = die schande brengt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵשֶׁת־חַיִל (eshet chayil), ‘sterke vrouw’: een vrouw van kracht en waarde. Zie ook Spr. 31:10. In Ruth 3:11 vertalen wij dezelfde woorden met ‘bekwame vrouw’. Zie ook: Ruth 3:11; Spr 14:1; Spr 14:30; Spr 19:13–14; Spr 21:9; Spr 31:10–25 **12:5** De gedachten van de rechtvaardigen zijn recht. De leiding van de goddelozen is bedrog. Brontekst: מַחְשְׁב֣וֹת (machshevot) = gedachten van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | תַּחְבֻּל֖וֹת (tachbulot) = leiding van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | מִרְמָֽה (mirma) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחְבֻּלוֹת (tachbulot), ‘leiding’: zie bij Spr. 11:14. Het woord kan hier ook ‘listen’ betekenen. Zie ook: Ps 41:7–8; Ps 139:23; Ps 140:2–4; Spr 11:14; Jes 55:7; Jer 4:14 **12:6** De woorden van de goddelozen liggen op de loer naar bloed, maar de mond van de oprechten bevrijdt hen. Brontekst: דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | אֱרָב (erav) = op de loer liggen | דָּ֑ם (dam) = bloed | וּפִ֥י (ufi) = en mond van | יְ֝שָׁרִ֗ים (yesharim) = oprechten | יַצִּילֵֽם (yatsilem) = bevrijdt hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרֹב־דָּם (arov dam), ‘op de loer liggen naar bloed’: de woorden zelf zijn een hinderlaag voor het leven van de onschuldige. Zie ook: Spr 1:11–19; Spr 14:3; Jes 59:7; Jer 5:26; Hand 23:15 **12:7** Keer de goddelozen om, en zij zijn er niet meer, maar het huis van de rechtvaardigen blijft staan. Brontekst: הָפ֣וֹךְ (hafokh) = omkeren | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | וְאֵינָ֑ם (veeinam) = en zij zijn niet | וּבֵ֖ית (uveit) = en huis van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יַעֲמֹֽד (yaamod) = blijft staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:15–20; Ps 37:10; Spr 10:25; Spr 11:21; Mat 7:24–27 **12:8** Een man wordt geprezen naar zijn doorzicht, maar wie verdraaid is van hart, wordt een voorwerp van minachting. Brontekst: לְֽפִי (lefi) = naar | שִׂ֭כְלוֹ (sikhlo) = zijn doorzicht | יְהֻלַּל (yehulal) = wordt geprezen | אִ֑ישׁ (ish) = man | וְנַעֲוֵה (venaave) = maar verdraaide van | לֵ֝֗ב (lev) = hart | יִהְיֶ֥ה (yihye) = wordt | לָבֽוּז (lavuz) = tot minachting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:35; Mal 2:8–9; Mat 27:4–5; 1 Kor 4:5; 2 Kor 10:18 **12:9** Beter gering geacht te zijn en een dienaar te hebben, dan zich te laten eren en brood te missen. Brontekst: ט֣וֹב (tov) = beter | נִ֭קְלֶה (niqle) = gering geacht | וְעֶ֣בֶד (veeved) = en een dienaar | ל֑וֹ (lo) = voor zich | מִ֝מְּתַכַּבֵּ֗ד (mimetakabed) = dan wie zich eert | וַחֲסַר (vachasar) = en mist | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִקְלֶה (niqleh), ‘gering geacht’: iemand die weinig aanzien heeft. מִתְכַּבֵּד (mitkabbed), ‘zich laat eren’: wie zich groot voordoet, maar geen brood heeft. Zie ook: Spr 13:7; Luc 14:11 **12:10** De rechtvaardige kent de ziel van zijn dier, maar de barmhartigheid van de goddelozen is wreed. Brontekst: יוֹדֵ֣עַ (yodea) = kent | צַ֭דִּיק (tsadiq) = rechtvaardige | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = ziel van | בְּהֶמְתּ֑וֹ (behemto) = zijn dier | וְֽרַחֲמֵ֥י (verachamei) = en barmhartigheid van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | אַכְזָרִֽי (akhzari) = wreed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het leven van het dier en wat het nodig heeft. Voetnoot : יוֹדֵעַ (yodea), ‘kent’: hij weet wat zijn dier nodig heeft en zorgt ervoor. Zie ook: Gen 33:13–14; Num 22:28–32; Deut 25:4; Jak 2:13–16; 1 Joh 3:17 **12:11** Wie zijn grond bewerkt, wordt verzadigd met brood, maar wie lege dingen najaagt, is zonder hart. Brontekst: עֹבֵ֣ד (oved) = wie bewerkt | אַ֭דְמָתוֹ (admato) = zijn grond | יִֽשְׂבַּֽע (yisba) = wordt verzadigd met | לָ֑חֶם (lachem) = brood | וּמְרַדֵּ֖ף (umeradef) = en wie najaagt | רֵיקִ֣ים (reiqim) = lege dingen | חֲסַר (chasar) = is zonder | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreuk is bijna gelijk aan Spr. 28:19. Zie ook: Ps 128:2; Spr 14:23; Spr 28:19; 1 Tess 4:11–12; Ef 4:28 **12:12** De goddeloze begeert het net van de kwaden, maar de wortel van de rechtvaardigen geeft. Brontekst: חָמַ֣ד (chamad) = begeert | רָ֭שָׁע (rasha) = goddeloze | מְצ֣וֹד (metsod) = net van | רָעִ֑ים (raim) = kwaden | וְשֹׁ֖רֶשׁ (veshoresh) = en wortel van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יִתֵּֽן (yiten) = geeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Moeilijke tekst. מְצוֹד (metsod) is ‘net’ of ‘vangst’. De tweede helft heeft geen voorwerp: ‘de wortel van de rechtvaardigen geeft’. Wij voegen niets toe. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ps 1:3; Spr 29:5–6; Jer 17:7–8; Luc 8:13–15; Joh 15:5 **12:13** In de overtreding van de lippen zit een kwade valstrik, maar de rechtvaardige komt uit de nood. Brontekst: בְּפֶ֣שַׁע (befesha) = door overtreding van | שְׂ֭פָתַיִם (sefatayim) = lippen | מוֹקֵ֣שׁ (moqesh) = valstrik van | רָ֑ע (ra) = kwaad | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = maar komt uit | מִצָּרָ֣ה (mitsara) = nood | צַדִּֽיק (tsadiq) = rechtvaardige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 64:9; Spr 6:2; Spr 11:8; Spr 21:23; Dan 6:25 **12:14** Van de vrucht van zijn mond wordt een man verzadigd met goed, en de daad van de handen van een mens wordt hem teruggegeven. Brontekst: מִפְּרִ֣י (miperi) = van vrucht van | פִי (pi) = mond van | אִ֭ישׁ (ish) = man | יִשְׂבַּע (yisba) = wordt verzadigd | ט֑וֹב (tov) = goed | וּגְמ֥וּל (ugemul) = en daad van | יְדֵי (yedei) = handen van | אָ֝דָ֗ם (adam) = mens | יָשִׁ֥יב (yashiv) = wordt teruggegeven | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Ketiv (wat er geschreven staat) is יָשׁוּב (yashuv), ‘keert terug’. Qere (wat men leest) is יָשִׁיב (yashiv), ‘men brengt terug’. Wij volgen de qere. Zie ook Spr. 13:2 en 18:20. Zie ook: Ps 63:6; Spr 13:2; Spr 15:23; Spr 18:20–21; Jes 3:10–11 **12:15** De weg van de zot is recht in zijn eigen ogen, maar wie naar raad luistert, is wijs. Brontekst: דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | אֱ֭וִיל (evil) = zot | יָשָׁ֣ר (yashar) = recht | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | וְשֹׁמֵ֖עַ (veshomea) = en wie luistert | לְעֵצָ֣ה (leetsa) = naar raad | חָכָֽם (chakham) = wijze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Spr. 21:2. Zie ook: Spr 3:7; Spr 14:16; Spr 16:2; Spr 19:20; Spr 21:2; Spr 26:12 **12:16** De ergernis van de zot wordt dezelfde dag bekend, maar wie schande bedekt, is slim. Brontekst: אֱוִ֗יל (evil) = zot | בַּ֭יּוֹם (bayom) = op de dag | יִוָּדַ֣ע (yivada) = wordt bekend | כַּעְס֑וֹ (kaso) = zijn ergernis | וְכֹסֶ֖ה (vekhose) = en wie bedekt | קָל֣וֹן (qalon) = schande | עָרֽוּם (arum) = slimme Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרוּם (arum), ‘slim’: in Spreuken meestal in goede zin, de slimheid die zich beheerst. Het hoort bij orma, ‘slimheid’ of ‘sluwheid’. Zie ook: Spr 10:12; Spr 17:9; Spr 25:28; Spr 29:11; Jak 1:19 **12:17** Wie betrouwbaarheid uitblaast, verkondigt gerechtigheid, maar een getuige van leugens is bedrog. Brontekst: יָפִ֣יחַ (yafiach) = blaast uit | אֱ֭מוּנָה (emuna) = betrouwbaarheid | יַגִּ֣יד (yagid) = verkondigt | צֶ֑דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וְעֵ֖ד (veed) = maar getuige van | שְׁקָרִ֣ים (sheqarim) = leugens | מִרְמָֽה (mirma) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 6:19; Spr 14:5; Spr 14:25; Spr 21:28; Spr 24:28 **12:18** Er is er die onbezonnen spreekt als zwaardsteken, maar de tong van de wijzen is genezing. Brontekst: יֵ֣שׁ (yesh) = er is | בּ֭וֹטֶה (bote) = die onbezonnen spreekt | כְּמַדְקְר֣וֹת (kemadqerot) = als steken van | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | וּלְשׁ֖וֹן (uleshon) = maar tong van | חֲכָמִ֣ים (chakhamim) = wijzen | מַרְפֵּֽא (marpe) = genezing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בּוֹטֶה (boteh), ‘onbezonnen spreekt’: wie zonder nadenken woorden zegt die steken als een zwaard. Zie ook: Ps 57:5; Spr 10:20–21; Spr 15:4; Spr 16:24; Jak 3:6–8 **12:19** De lip van de waarheid staat vast voor altijd, maar de tong van de leugen duurt slechts een ogenblik. Brontekst: שְֽׂפַת (sefat) = lip van | אֱ֭מֶת (emet) = waarheid | תִּכּ֣וֹן (tikon) = staat vast | לָעַ֑ד (laad) = voor altijd | וְעַד (vead) = maar tot | אַ֝רְגִּ֗יעָה (argia) = een ogenblik | לְשׁ֣וֹן (leshon) = tong van | שָֽׁקֶר (shaqer) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְגִּיעָה (argiah), ‘een ogenblik’: letterlijk ‘tot ik in een oogwenk’. Zie ook: Job 20:5; Ps 52:6–7; Spr 19:9; Zach 1:4–6; Hand 5:3–10 **12:20** Bedrog zit in het hart van wie kwaad smeden, maar voor wie vrede raden is er vreugde. Brontekst: מִ֭רְמָה (mirma) = bedrog | בְּלֶב (belev) = in het hart van | חֹ֣רְשֵׁי (choreshei) = smeden van | רָ֑ע (ra) = kwaad | וּֽלְיֹעֲצֵ֖י (uleyoatsei) = en voor raadgevers van | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | שִׂמְחָֽה (simcha) = vreugde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Zach 6:13; Mat 5:9; Mar 7:21–22; 1 Petr 3:8–13; Heb 12:14 **12:21** Geen onheil overkomt de rechtvaardige, maar de goddelozen zijn vol kwaad. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יְאֻנֶּ֣ה (yeune) = overkomt | לַצַּדִּ֣יק (latsadiq) = de rechtvaardige | כָּל (kal) = enig | אָ֑וֶן (aven) = onheil | וּ֝רְשָׁעִ֗ים (ureshaim) = maar goddelozen | מָ֣לְאוּ (maleu) = zijn vol | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְאֻנֶּה (ye’unneh), ‘overkomt’: een zeldzame vorm; ‘wordt toegestaan’ of ‘overkomt’. Zie ook: Ps 91:10; Spr 1:31; Jer 13:12–14; Rom 8:28; 1 Petr 3:13 **12:22** Leugenlippen zijn een gruwel voor Yahweh, maar wie betrouwbaarheid doen, zijn Zijn welbehagen. Brontekst: תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | שִׂפְתֵי (siftei) = lippen van | שָׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | וְעֹשֵׂ֖י (veosei) = en wie doen | אֱמוּנָ֣ה (emuna) = betrouwbaarheid | רְצוֹנֽוֹ (retsono) = Zijn welbehagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 5:7; Spr 6:16–17; Spr 11:20; Jer 9:23; Openb 22:15 **12:23** Een slimme mens bedekt kennis, maar het hart van de dwazen roept zotheid uit. Brontekst: אָדָ֣ם (adam) = mens | עָ֭רוּם (arum) = slimme | כֹּ֣סֶה (kose) = bedekt | דָּ֑עַת (daat) = kennis | וְלֵ֥ב (velev) = maar hart van | כְּ֝סִילִ֗ים (kesilim) = dwazen | יִקְרָ֥א (yiqra) = roept uit | אִוֶּֽלֶת (ivelet) = zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: wat de evil, ‘zot’, kenmerkt. Zie ook: Spr 10:14; Spr 10:19; Spr 11:13; Spr 13:16; Spr 15:2 **12:24** De hand van de ijverigen heerst, maar de slappe wordt tot dwangarbeid. Brontekst: יַד (yad) = hand van | חָרוּצִ֥ים (charutsim) = ijverigen | תִּמְשׁ֑וֹל (timshol) = heerst | ו֝רְמִיָּ֗ה (vrmiya) = en slappe | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = wordt | לָמַֽס (lamas) = tot dwangarbeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְמִיָּה (remiyyah), ‘slap’: zie bij Spr. 10:4. מַס (mas), ‘dwangarbeid’: arbeid die iemand moet verrichten voor een ander. Zie ook: Spr 10:4; Spr 12:27; Spr 13:4; Spr 21:25–26; Spr 22:29 **12:25** Zorg in het hart van een man buigt hem neer, maar een goed woord verblijdt hem. Brontekst: דְּאָגָ֣ה (deaga) = zorg | בְלֶב (belev) = in het hart van | אִ֣ישׁ (ish) = man | יַשְׁחֶ֑נָּה (yashchena) = buigt hem neer | וְדָבָ֖ר (vedavar) = en woord | ט֣וֹב (tov) = goed | יְשַׂמְּחֶֽנָּה (yesamechena) = verblijdt hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 15:13; Spr 15:23; Spr 16:24; Spr 17:22; Jes 50:4 **12:26** De rechtvaardige gaat zijn naaste voor, maar de weg van de goddelozen laat hen dwalen. Brontekst: יָתֵ֣ר (yater) = gaat voor | מֵרֵעֵ֣הוּ (mereehu) = van zijn naaste | צַדִּ֑יק (tsadiq) = rechtvaardige | וְדֶ֖רֶךְ (vederekh) = maar weg van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | תַּתְעֵֽם (tatem) = laat hen dwalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Moeilijke tekst. יָתֵר (yater) kan komen van tur, ‘verkennen’ (‘hij verkent het voor zijn naaste’), of betekenen ‘hij is voortreffelijker dan’. Wij vertalen ‘gaat voor’, wat beide lezingen dekt. Zie ook: Ps 18:13–14; Spr 17:27; Mat 5:46–48; Jak 1:13–14; 1 Joh 2:26 **12:27** De slappe braadt zijn wild niet, maar kostbaar vermogen van een mens is de ijverige. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יַחֲרֹ֣ךְ (yacharokh) = braadt | רְמִיָּ֣ה (remiya) = slappe | צֵיד֑וֹ (tseido) = zijn wild | וְהוֹן (vehon) = en vermogen van | אָדָ֖ם (adam) = mens | יָקָ֣ר (yaqar) = kostbaar | חָרֽוּץ (charuts) = ijverige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יַחֲרֹךְ (yacharokh), ‘braadt’: een woord dat maar één keer voorkomt. Het kan ook ‘opjagen’ betekenen. De tweede helft is kort en moeilijk: ‘kostbaar vermogen van een mens is de ijverige’. Zie ook: Ps 37:16; Spr 13:4; Spr 15:16; Spr 23:2; Spr 26:15 **12:28** Op het pad van gerechtigheid is leven, en op de weg van haar baan is geen dood. Brontekst: בְּאֹֽרַח (beorach) = op het pad van | צְדָקָ֥ה (tsedaqa) = gerechtigheid | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | וְדֶ֖רֶךְ (vederekh) = en weg van | נְתִיבָ֣ה (netiva) = haar baan | אַל (al) = geen | מָֽוֶת (mavet) = dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אַל־מָוֶת (al mavet), ‘geen dood’: de medeklinkers kunnen ook gelezen worden als ‘naar de dood’ (el mavet). Dat past slecht bij de tegenstelling, daarom volgen wij de Masoretische klinkers. Zie ook: Spr 11:19; Ezech 18:20–24; Rom 5:21; Tit 2:11–12; 3 Joh 1:11 ## Spreuken 13 _Spreuken over tucht, woorden, rijkdom en de weg van de wijze_ **13:1** Een wijze zoon luistert naar de tucht van een vader, maar een spotter hoort geen bestraffing. Brontekst: בֵּ֣ן (ben) = een zoon | חָ֭כָם (chakham) = wijze | מ֣וּסַר (musar) = tucht van | אָ֑ב (av) = een vader | וְ֝לֵ֗ץ (velets) = maar een spotter | לֹא (lo) = niet | שָׁמַ֥ע (shama) = heeft gehoord | גְּעָרָֽה (geara) = bestraffing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: het woord betekent ook ‘onderricht’ en ‘vermaning’. Voetnoot : גְּעָרָה (ge’arah), ‘bestraffing’. Wij gebruiken ‘terechtwijzing’ voor תּוֹכַחַת (tokhachat), zie vers 18. Voetnoot : לֵץ (letz), ‘spotter’: wie niets serieus neemt en wijsheid afwijst. Voetnoot Lezing: De eerste helft heeft in het Hebreeuws geen werkwoord: ‘een wijze zoon – tucht van een vader’. Wij vullen ‘luistert’ aan uit de tweede helft (שָׁמַע, shama). Zie ook Spr. 10:1. Zie ook: Spr 4:1–14; Spr 9:7–8; Spr 10:1; Spr 13:18; Spr 15:5; Spr 15:20 **13:2** Van de vrucht van zijn mond eet een man het goede, maar de begeerte van de trouwelozen is geweld. Brontekst: מִפְּרִ֣י (miperi) = van de vrucht van | פִי (pi) = de mond van | אִ֭ישׁ (ish) = een man | יֹ֣אכַל (yokhal) = eet hij | ט֑וֹב (tov) = het goede | וְנֶ֖פֶשׁ (venefesh) = en de begeerte van | בֹּגְדִ֣ים (bogedim) = trouwelozen | חָמָֽס (chamas) = geweld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het woord betekent ook ‘leven’, ‘persoon’ en ‘begeerte’. Wij vertalen steeds naar wat de zin vraagt: hier ‘begeerte’. Voetnoot : בֹּגְדִים (bogedim), ‘trouwelozen’: mensen die trouw breken en anderen bedriegen. Zie ook: Ps 140:12; Spr 1:31; Spr 10:11; Spr 12:14; Spr 18:20 **13:3** Wie zijn mond bewaakt, behoedt zijn leven. Wie zijn lippen wijd opent, krijgt ondergang. Brontekst: נֹצֵ֣ר (notser) = wie bewaakt | פִּ֭יו (piv) = zijn mond | שֹׁמֵ֣ר (shomer) = behoedt | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn leven | פֹּשֵׂ֥ק (poseq) = wie wijd opent | שְׂ֝פָתָ֗יו (sefatav) = zijn lippen | מְחִתָּה (mechita) = ondergang | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֹּשֵׂק (poseq), ‘wijd openen’: wie zijn lippen niet in bedwang houdt. Voetnoot : מְחִתָּה (mechittah), ‘ondergang’, ook ‘verschrikking’. Voetnoot : Hier betekent נֶפֶשׁ (nefesh) ‘leven’. Zie ook: Ps 39:2; Spr 18:7; Spr 18:21; Spr 21:23; Jak 3:2–12 **13:4** De luiaard verlangt, maar zijn begeerte krijgt niets. De begeerte van de ijverigen wordt verzadigd. Brontekst: מִתְאַוָּ֣ה (mitava) = verlangt | וָ֭אַיִן (vaayin) = en niets | נַפְשׁ֣וֹ (nafsho) = zijn begeerte | עָצֵ֑ל (atsel) = de luiaard | וְנֶ֖פֶשׁ (venefesh) = en de begeerte van | חָרֻצִ֣ים (charutsim) = ijverigen | תְּדֻשָּֽׁן (tedushan) = wordt verzadigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּדֻשָּׁן (tedushan), letterlijk ‘wordt vet gemaakt’: wordt rijkelijk verzadigd. Voetnoot : חָרוּצִים (charutsim), ‘ijverigen’: wie hard werkt. Zie ook: Spr 2:2–9; Spr 10:4; Spr 12:11; Spr 12:24; 2 Petr 1:5–11 **13:5** Een rechtvaardige haat een woord van leugen, maar een goddeloze stinkt en komt in schande. Brontekst: דְּבַר (devar) = een woord van | שֶׁ֭קֶר (sheqer) = leugen | יִשְׂנָ֣א (yisna) = haat | צַדִּ֑יק (tsadiq) = een rechtvaardige | וְ֝רָשָׁ֗ע (verasha) = en een goddeloze | יַבְאִ֥ישׁ (yavish) = stinkt | וְיַחְפִּֽיר (veyachpir) = en komt in schande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַבְאִישׁ (yav’ish), ‘stinkt’: hij wordt weerzinwekkend voor anderen. Voetnoot : יַחְפִּיר (yachpir), ‘komt in schande’: hij wordt beschaamd. Zie ook: Ps 119:163; Ezech 20:43; Ezech 36:31; Ef 4:25; Kol 3:9 **13:6** Gerechtigheid behoedt wie onberispelijk is op zijn weg, maar goddeloosheid brengt de zondaar ten val. Brontekst: צְ֭דָקָה (tsedaqa) = gerechtigheid | תִּצֹּ֣ר (titsor) = behoedt | תָּם (tam) = de onberispelijke van | דָּ֑רֶךְ (darekh) = weg | וְ֝רִשְׁעָ֗ה (verisha) = en goddeloosheid | תְּסַלֵּ֥ף (tesalef) = brengt ten val | חַטָּֽאת (chatat) = de zondaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: חַטָּאת (chatta’t) is letterlijk ‘zonde’ (ook ‘zondoffer’). Wij lezen het als wie zondigt: ‘de zondaar’. Letterlijk: ‘goddeloosheid brengt zonde ten val’. Zie ook: Ps 25:21; Ps 140:12; Spr 11:3; Spr 11:5–6; Spr 21:12 **13:7** Er is er een die zich rijk voordoet en niets heeft. Er is er een die zich arm voordoet en veel vermogen heeft. Brontekst: יֵ֣שׁ (yesh) = er is er een | מִ֭תְעַשֵּׁר (mitasher) = die zich rijk voordoet | וְאֵ֣ין (veein) = en niets | כֹּ֑ל (kol) = alles | מִ֝תְרוֹשֵׁ֗שׁ (mitroshesh) = die zich arm voordoet | וְה֣וֹן (vehon) = en vermogen | רָֽב (rav) = veel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִתְעַשֵּׁר (mit’asher) en מִתְרוֹשֵׁשׁ (mitroshesh): beide woorden kunnen ‘zich voordoen als’ en ‘zich maken’ betekenen. De spreuk gaat over de schijn en de werkelijkheid van rijkdom. Voetnoot : הוֹן (hon), ‘vermogen’. Zie ook: Spr 11:24; Spr 12:9; Luc 18:11–14; 2 Kor 6:10; Openb 3:17 **13:8** De losprijs voor het leven van een man is zijn rijkdom, maar een berooide hoort geen bestraffing. Brontekst: כֹּ֣פֶר (kofer) = losprijs voor | נֶֽפֶשׁ (nefesh) = het leven van | אִ֣ישׁ (ish) = een man | עָשְׁר֑וֹ (ashero) = zijn rijkdom | וְ֝רָ֗שׁ (verash) = maar een berooide | לֹא (lo) = niet | שָׁמַ֥ע (shama) = heeft gehoord | גְּעָרָֽה (geara) = bestraffing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּפֶר (kofer), ‘losprijs’: wat iemand betaalt om vrij te komen. Voetnoot : רָשׁ (rash), ‘berooide’: iemand die niets bezit. Zie ook: Ps 49:7–11; 2 Kon 24:14; Jer 39:10; Mat 16:26; 1 Petr 1:18–19 **13:9** Het licht van de rechtvaardigen verheugt zich, maar de lamp van de goddelozen dooft. Brontekst: אוֹר (or) = het licht van | צַדִּיקִ֥ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יִשְׂמָ֑ח (yismach) = verheugt zich | וְנֵ֖ר (vener) = en de lamp van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | יִדְעָֽךְ (yidakh) = dooft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִשְׂמָח (yismach), ‘verheugt zich’: het licht wordt als een levend wezen voorgesteld. Vergelijk Spr. 24:20. Zie ook: Ps 97:11; Ps 112:4; Spr 4:18; Spr 20:20; Spr 24:20 **13:10** Alleen door overmoed ontstaat strijd, maar bij wie zich laten raden is wijsheid. Brontekst: רַק (raq) = alleen | בְּ֭זָדוֹן (bezadon) = door overmoed | יִתֵּ֣ן (yiten) = ontstaat | מַצָּ֑ה (matsa) = strijd | וְאֶת (veet) = en bij | נ֖וֹעָצִ֣ים (noatsim) = wie zich laten raden | חָכְמָֽה (chakhema) = wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצָּה (matsah), ‘strijd’. Voetnoot : נוֹעָצִים (no’atsim), ‘wie zich laten raden’: wie raad vraagt en aanneemt. Voetnoot Lezing: Letterlijk: ‘alleen door overmoed geeft men strijd’. Het onderwerp van ‘geeft’ staat niet in het Hebreeuws; wij schrijven ‘ontstaat’. Zie ook: Spr 12:15–16; Spr 17:14; Spr 19:20; Jak 3:14–16; 1 Tim 6:4 **13:11** Vermogen uit damp wordt minder, maar wie met de hand verzamelt, vermeerdert het. Brontekst: ה֭וֹן (hon) = vermogen | מֵהֶ֣בֶל (mehevel) = uit damp | יִמְעָ֑ט (yimat) = wordt minder | וְקֹבֵ֖ץ (veqovets) = en wie verzamelt | עַל (al) = met | יָ֣ד (yad) = de hand | יַרְבֶּֽה (yarbe) = vermeerdert het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵהֶבֶל (mehevel), letterlijk ‘uit damp’: vermogen dat snel of oneerlijk is verkregen en daarom verdwijnt als damp. Voetnoot : עַל יָד (al yad), letterlijk ‘op de hand’: met eigen hand, beetje bij beetje. Zie ook: Spr 10:2; Spr 13:22–23; Spr 20:21; Spr 28:8; Jak 5:1–5 **13:12** Een verwachting die wordt uitgesteld, maakt het hart ziek, maar een wens die uitkomt is een boom van leven. Brontekst: תּוֹחֶ֣לֶת (tochelet) = verwachting | מְ֭מֻשָּׁכָה (memushakha) = uitgesteld | מַחֲלָה (machala) = maakt ziek | לֵ֑ב (lev) = het hart | וְעֵ֥ץ (veets) = en een boom van | חַ֝יִּ֗ים (chayim) = leven | תַּאֲוָ֥ה (taava) = een wens | בָאָֽה (baa) = die uitkomt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ חַיִּים (ets chayim), ‘boom van leven’: zie Gen. 2:9 en Spr. 3:18; 11:30; 15:4. Voetnoot : מְמֻשָּׁכָה (memushakah), ‘uitgesteld’: letterlijk ‘lang uitgerekt’. Zie ook: Gen 2:9; Ps 17:15; Ps 119:81–83; Spr 3:18; Spr 11:30; Spr 13:19; Spr 15:4; Joh 16:22 **13:13** Wie het woord veracht, richt zichzelf te gronde, maar wie het gebod vreest, wordt beloond. Brontekst: בָּ֣ז (baz) = wie veracht | לְ֭דָבָר (ledavar) = het woord | יֵחָ֣בֶל (yechavel) = richt te gronde | ל֑וֹ (lo) = zichzelf | וִירֵ֥א (vire) = en wie vreest | מִ֝צְוָ֗ה (mitsva) = het gebod | ה֣וּא (hu) = hij | יְשֻׁלָּֽם (yeshulam) = wordt beloond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְשֻׁלָּם (yeshullam), ‘wordt vergolden’: wie het gebod vreest, krijgt daarvoor een goede beloning. Voetnoot Lezing: יֵחָבֶל (yechavel) is moeilijk. Het kan komen van חָבַל (chaval), ‘verderven’ of ‘in pand nemen’. Wij lezen ‘wordt te gronde gericht’ en vertalen: ‘richt zichzelf te gronde’. Zie ook: Num 15:31; Ps 119:165; 2 Kron 36:16; Ezech 20:16; 2 Joh 1:8 **13:14** Het onderwijs van een wijze is een bron van leven, om weg te wijken van de strikken van de dood. Brontekst: תּוֹרַ֣ת (torat) = het onderwijs van | חָ֭כָם (chakham) = een wijze | מְק֣וֹר (meqor) = een bron van | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | לָ֝ס֗וּר (lasur) = om weg te wijken | מִמֹּ֥קְשֵׁי (mimoqeshei) = van de strikken van | מָֽוֶת (mavet) = de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘onderwijs’: wat een wijze zijn leerling leert. In Spr. 1:8 staat hetzelfde woord voor het onderwijs van de moeder. Voetnoot : מוֹקְשֵׁי (moqshe), ‘strikken’. De tweede helft staat bijna gelijk in Spr. 14:27. Zie ook: 2 Sam 22:6–7; Ps 18:6; Spr 1:8; Spr 10:11; Spr 14:27; Spr 16:6 **13:15** Goed doorzicht geeft gunst, maar de weg van de trouwelozen is hard. Brontekst: שֵֽׂכֶל (sekhel) = doorzicht | ט֭וֹב (tov) = goed | יִתֶּן (yiten) = geeft | חֵ֑ן (chen) = gunst | וְדֶ֖רֶךְ (vederekh) = en de weg van | בֹּגְדִ֣ים (bogedim) = trouwelozen | אֵיתָֽן (eitan) = hard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׂכֶל (sekhel), ‘doorzicht’: inzicht in hoe iets zit. Voetnoot : אֵיתָן (eitan), ‘hard’: ook ‘vast, blijvend’. De weg van de trouwelozen is moeilijk te gaan. Zie ook: Ps 111:10; Spr 4:19; Spr 15:10; Jer 2:19; Rom 6:21 **13:16** Elke slimme handelt met kennis, maar een dwaas spreidt zotheid uit. Brontekst: כָּל (kal) = elke | עָ֭רוּם (arum) = slimme | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = handelt | בְדָ֑עַת (bedaat) = met kennis | וּ֝כְסִ֗יל (ukhesil) = en een dwaas | יִפְרֹ֥שׂ (yifros) = spreidt uit | אִוֶּֽלֶת (ivelet) = zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרוּם (arum), ‘slimme’: hier in goede zin, wie vooruitdenkt. Hetzelfde woord kan ook ‘sluw’ zijn (Gen. 3:1). Zie ook: Gen 3:1; Spr 12:22–23; Spr 15:2; Pred 10:3; Jes 52:13; Ef 5:17 **13:17** Een goddeloze bode valt in het kwaad, maar een betrouwbare gezant is genezing. Brontekst: מַלְאָ֣ךְ (malakh) = een bode van | רָ֭שָׁע (rasha) = goddeloosheid | יִפֹּ֣ל (yipol) = valt | בְּרָ֑ע (bera) = in het kwaad | וְצִ֖יר (vetsir) = en een gezant van | אֱמוּנִ֣ים (emunim) = betrouwbaarheid | מַרְפֵּֽא (marpe) = genezing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאָךְ (mal’akh), ‘bode’: hetzelfde woord staat elders voor ‘engel’. Voetnoot : צִיר (tsir), ‘gezant’. Zie ook: Spr 25:13; Ezech 33:7–8; 1 Kor 4:2; 2 Kor 5:20; 1 Tim 1:12 **13:18** Armoede en schande komen bij wie tucht afwijst, maar wie terechtwijzing in acht neemt, wordt geëerd. Brontekst: רֵ֣ישׁ (reish) = armoede | וְ֭קָלוֹן (veqalon) = en schande | פּוֹרֵ֣עַ (porea) = voor wie afwijst | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | וְשׁוֹמֵ֖ר (veshomer) = en wie in acht neemt | תּוֹכַ֣חַת (tokhachat) = terechtwijzing | יְכֻבָּֽד (yekhubad) = wordt geëerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵישׁ (resh), ‘armoede’. Voetnoot : פּוֹרֵעַ (pore’a), ‘afwijst’: letterlijk ‘laat los’, zoals iemand een teugel loslaat. Voetnoot : תּוֹכַחַת (tokhachat), ‘terechtwijzing’. Zie ook: Spr 12:1; Spr 13:13; Spr 15:5; Spr 15:31–32; Spr 25:12 **13:19** Een wens die vervuld wordt, is zoet voor de ziel, maar afwijken van het kwaad is een gruwel voor dwazen. Brontekst: תַּאֲוָ֣ה (taava) = een wens | נִ֭הְיָה (nihya) = vervuld | תֶּעֱרַ֣ב (teerav) = is zoet | לְנָ֑פֶשׁ (lenafesh) = voor de ziel | וְתוֹעֲבַ֥ת (vetoavat) = en een gruwel voor | כְּ֝סִילִ֗ים (kesilim) = dwazen | ס֣וּר (sur) = afwijken | מֵרָֽע (mera) = van het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֶּעֱרַב (te’erav), ‘is zoet’: aangenaam. Voetnoot : De tweede helft is kort en heeft geen werkwoord: ‘een gruwel voor dwazen – afwijken van het kwaad’. Zie ook: Ps 34:15; Spr 13:12; Spr 29:27; 2 Tim 2:19; Openb 7:14–17 **13:20** Wie met wijzen meegaat, wordt wijs, maar wie omgaat met dwazen, lijdt schade. Brontekst: הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = wie gaat | אֶת (et) = met | חֲכָמִ֣ים (chakhamim) = wijzen | יֶחְכָּ֑ם (yechkam) = wordt wijs | וְרֹעֶ֖ה (veroe) = en wie omgaat met | כְסִילִ֣ים (kesilim) = dwazen | יֵרֽוֹעַ (yeroa) = lijdt schade Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹעֶה (ro’eh) komt van רָעָה (ra’ah), ‘omgaan met’. יֵרוֹעַ (yero’a) komt van רָעַע (ra’a), ‘gebroken worden, schade lijden’. Het is een woordspel. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is הלוך (haloekh), ‘ga’, en ויחכם (veyechkam), ‘en word wijs’: ‘ga met wijzen en word wijs’. De te lezen vorm (qere) is הוֹלֵךְ (holekh), ‘wie gaat’, en יֶחְכָּם (yechkam), ‘wordt wijs’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 119:63; Spr 9:6; Spr 15:31; 1 Kor 15:33–34; 2 Kor 6:14–18 **13:21** Zondaars achtervolgt het kwaad, maar rechtvaardigen vergeldt men met het goede. Brontekst: חַ֭טָּאִים (chataim) = zondaars | תְּרַדֵּ֣ף (teradef) = achtervolgt | רָעָ֑ה (raa) = het kwaad | וְאֶת (veet) = en | צַ֝דִּיקִ֗ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יְשַׁלֶּם (yeshalem) = vergeldt men | טֽוֹב (tov) = het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְשַׁלֶּם (yeshallem), ‘vergeldt men’: het Hebreeuws geeft geen onderwerp. Het goede komt de rechtvaardigen toe. Zie ook: Gen 4:7; Ps 32:10; Spr 13:13; Jes 3:10–11; Rom 2:7–10 **13:22** Wie goed is, laat zijn kleinkinderen erven, maar het bezit van de zondaar ligt opgeslagen voor de rechtvaardige. Brontekst: ט֗וֹב (tov) = wie goed is | יַנְחִ֥יל (yanchil) = laat erven | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | בָנִ֑ים (banim) = zonen | וְצָפ֥וּן (vetsafun) = en opgeslagen | לַ֝צַּדִּ֗יק (latsadiq) = voor de rechtvaardige | חֵ֣יל (cheil) = bezit van | חוֹטֵֽא (chote) = de zondaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי בָנִים (bene vanim), letterlijk ‘zonen van zonen’: kleinkinderen en verdere nakomelingen. Voetnoot : חֵיל (chayil), ‘bezit’: ook ‘kracht’. Vergelijk Spr. 28:8. Zie ook: Job 27:16–17; Ps 37:25; Ps 112:2; Spr 28:8; Pred 2:26 **13:23** Het ontgonnen land van de berooiden geeft veel voedsel, maar er is er een die wordt weggevaagd door gebrek aan recht. Brontekst: רָב (rav) = veel | אֹ֭כֶל (okhel) = voedsel | נִ֣יר (nir) = ontgonnen land van | רָאשִׁ֑ים (rashim) = berooiden | וְיֵ֥שׁ (veyesh) = en er is er een | נִ֝סְפֶּ֗ה (nispe) = die weggevaagd wordt | בְּלֹ֣א (belo) = zonder | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִיר (nir), ‘ontgonnen land’: vers geploegd, nog niet bewerkt of braakliggend land. Ook kleine akkers van arme mensen geven veel. Voetnoot : נִסְפֶּה (nispeh), ‘wordt weggevaagd’. Zie ook: Ps 112:5; Spr 12:11; Spr 28:19; Pred 5:8; Pred 8:5–6 **13:24** Wie zijn stok spaart, haat zijn zoon, maar wie hem liefheeft, is er vroeg bij met tucht. Brontekst: חוֹשֵׂ֣ךְ (chosekh) = wie spaart | שִׁ֭בְטוֹ (shivto) = zijn stok | שׂוֹנֵ֣א (sone) = haat | בְנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | וְ֝אֹהֲב֗וֹ (veohavo) = en wie hem liefheeft | שִֽׁחֲר֥וֹ (shicharo) = is er vroeg bij | מוּסָֽר (musar) = met tucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁבֶט (shevet), ‘stok’: de roede van de opvoeder. Voetnoot : שִׁחֲרוֹ (shicharo), letterlijk ‘zoekt hem vroeg’: wie liefheeft, is er op tijd bij. Vergelijk Spr. 19:18; 22:15; 23:13–14; 29:15. Zie ook: Spr 19:18; Spr 22:15; Spr 23:13–14; Spr 29:15; Spr 29:17; Heb 12:6–8 **13:25** De rechtvaardige eet om zijn begeerte te verzadigen, maar de buik van de goddelozen heeft gebrek. Brontekst: צַדִּ֗יק (tsadiq) = een rechtvaardige | אֹ֭כֵל (okhel) = eet | לְשֹׂ֣בַע (lesova) = om te verzadigen | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn begeerte | וּבֶ֖טֶן (uveten) = en de buik van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | תֶּחְסָֽר (techsar) = heeft gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier betekent נֶפֶשׁ (nefesh) ‘begeerte’: letterlijk ‘tot verzadiging van zijn begeerte’. Vergelijk Spr. 13:4. Zie ook: Deut 32:24; Ps 34:11; Spr 10:3; Spr 13:4; 1 Tim 4:8; Heb 13:5 ## Spreuken 14 _Spreuken over wijsheid en zotheid, de weg van de mens en de vrees voor Yahweh_ **14:1** De wijsheid van de vrouwen heeft haar huis gebouwd, maar de zotheid breekt het af met haar handen. Brontekst: חַכְמ֣וֹת (chakhmot) = wijsheid van | נָ֭שִׁים (nashim) = vrouwen | בָּנְתָ֣ה (baneta) = heeft gebouwd | בֵיתָ֑הּ (beitah) = haar huis | וְ֝אִוֶּ֗לֶת (veivelet) = en zotheid | בְּיָדֶ֥יהָ (beyadeiha) = met haar handen | תֶהֶרְסֶֽנּוּ (tehersenu) = breekt het af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַכְמוֹת (chakhmot), ‘wijsheid’: het woord staat in het meervoud, ook in Spr. 1:20 en 9:1. Letterlijk: ‘de wijsheden van vrouwen – zij heeft haar huis gebouwd’. Het werkwoord staat in het enkelvoud. De tegenhanger is אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’. Voetnoot : Vergelijk Spr. 9:1 en 9:13. Zie ook: Ruth 4:11; Spr 1:20; Spr 9:1; Spr 9:13; Spr 21:9; Spr 21:19; Spr 24:3–4; Spr 31:10–31 **14:2** Wie in zijn oprechtheid gaat, vreest Yahweh, maar wie bochtig is in zijn wegen, veracht Hem. Brontekst: הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = wie gaat | בְּ֭יָשְׁרוֹ (beyashero) = in zijn oprechtheid | יְרֵ֣א (yere) = vreest | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּנְל֖וֹז (uneloz) = en wie bochtig is in | דְּרָכָ֣יו (derakhav) = zijn wegen | בּוֹזֵֽהוּ (bozehu) = veracht Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְלוֹז (naloz), ‘bochtig’: wie op kromme wegen gaat. Voetnoot : בּוֹזֵהוּ (bozehu), ‘veracht Hem’: het achtervoegsel verwijst naar Yahweh uit de eerste helft. Zie ook: Ps 112:1; Spr 28:6; Hand 10:35; Rom 2:4–5; 2 Tim 3:2–3 **14:3** In de mond van een zot zit een roede van hoogmoed, maar de lippen van de wijzen bewaken hen. Brontekst: בְּֽפִי (befi) = in de mond van | אֱ֭וִיל (evil) = een zot | חֹ֣טֶר (choter) = een roede van | גַּאֲוָ֑ה (gaava) = hoogmoed | וְשִׂפְתֵ֥י (vesiftei) = en de lippen van | חֲ֝כָמִ֗ים (chakhamim) = wijzen | תִּשְׁמוּרֵֽם (tishmurem) = bewaken hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹטֶר (choter), ‘roede’: een dunne tak of loot. De hoogmoed van de zot slaat hemzelf, of hij groeit als een loot uit zijn mond. Voetnoot : אֱוִיל (evil), ‘zot’. Zie ook: Spr 12:6; Jak 3:5–6; Rom 10:9–10; Openb 3:10; Openb 12:11 **14:4** Waar geen runderen zijn, is de krib schoon, maar veel opbrengst komt door de kracht van een os. Brontekst: בְּאֵ֣ין (beein) = waar geen is | אֲ֭לָפִים (alafim) = runderen | אֵב֣וּס (evus) = krib | בָּ֑ר (bar) = schoon | וְרָב (verav) = en veel | תְּ֝בוּא֗וֹת (tevuot) = opbrengst | בְּכֹ֣חַ (bekhoach) = door de kracht van | שֽׁוֹר (shor) = een os Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲלָפִים (alafim), ‘runderen’: het woord kan ook ‘duizenden’ betekenen. Voetnoot : בָּר (bar), ‘schoon’: het kan ook ‘koren’ betekenen; de krib is dan leeg. Voetnoot : תְּבוּאוֹת (tevu’ot), ‘opbrengst’. Zie ook: Spr 13:23; Amos 4:6; 1 Kor 9:9–11 **14:5** Een betrouwbare getuige liegt niet, maar een leugengetuige blaast leugens uit. Brontekst: עֵ֣ד (ed) = een getuige | אֱ֭מוּנִים (emunim) = betrouwbare | לֹ֣א (lo) = niet | יְכַזֵּ֑ב (yekhazev) = liegt | וְיָפִ֥יחַ (veyafiach) = en blaast uit | כְּ֝זָבִ֗ים (kezavim) = leugens | עֵ֣ד (ed) = een getuige van | שָֽׁקֶר (shaqer) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָפִיחַ (yafiach), ‘blaast uit’: wie leugens blaast, gebruikt zijn adem om ze te verspreiden. Vergelijk Spr. 14:25; 6:19; 19:5; 19:9. Zie ook: Ex 23:1; Spr 6:19; Spr 12:17; Spr 14:25; Spr 19:5; Spr 19:9 **14:6** De spotter heeft wijsheid gezocht, en er is niets, maar voor de inzichtige is kennis gemakkelijk. Brontekst: בִּקֶּשׁ (biqesh) = heeft gezocht | לֵ֣ץ (lets) = een spotter | חָכְמָ֣ה (chakhema) = wijsheid | וָאָ֑יִן (vaayin) = en niets | וְדַ֖עַת (vedaat) = en kennis | לְנָב֣וֹן (lenavon) = voor een inzichtige | נָקָֽל (naqal) = is gemakkelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָקָל (naqal), ‘gemakkelijk’: letterlijk ‘licht’. De inzichtige neemt kennis snel op. Zie ook: Mat 11:25–27; Mat 13:11–12; Jak 1:5; 1 Kor 3:18–19; 1 Kor 8:2 **14:7** Ga weg bij een dwaze man, want je hebt bij hem geen lippen van kennis gevonden. Brontekst: לֵ֣ךְ (lekh) = ga | מִ֭נֶּגֶד (mineged) = van voor | לְאִ֣ישׁ (leish) = een man | כְּסִ֑יל (kesil) = dwaas | וּבַל (uval) = en niet | יָ֝דַ֗עְתָּ (yadata) = je hebt gevonden | שִׂפְתֵי (siftei) = lippen van | דָֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws is kort: ‘ga van voor een dwaze man, en niet heb je gekend lippen van kennis’. Wij lezen: bij hem vind je geen woorden van kennis. Een andere lezing is ‘anders leer je geen lippen van kennis kennen’. Zie ook: Spr 9:6; Spr 13:20; Spr 19:27; 1 Kor 5:11; Ef 5:11 **14:8** De wijsheid van de slimme is zijn weg te begrijpen, maar de zotheid van de dwazen is bedrog. Brontekst: חָכְמַ֣ת (chakhemat) = wijsheid van | עָ֭רוּם (arum) = de slimme | הָבִ֣ין (havin) = is te begrijpen | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = zijn weg | וְאִוֶּ֖לֶת (veivelet) = en zotheid van | כְּסִילִ֣ים (kesilim) = dwazen | מִרְמָֽה (mirma) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרוּם (arum), ‘slimme’: hier in goede zin. De ‘slimheid’ (ormah) is de gave om vooruit te zien. Voetnoot : מִרְמָה (mirmah), ‘bedrog’: ook zelfbedrog. Zie ook: Ps 111:10; Jak 3:13; Ef 5:17; Kol 1:9–10; 2 Tim 3:13 **14:9** Zotten spotten met schuld, maar tussen oprechten is welbehagen. Brontekst: אֱ֭וִלִים (evilim) = zotten | יָלִ֣יץ (yalits) = spotten met | אָשָׁ֑ם (asham) = schuld | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | יְשָׁרִ֣ים (yesharim) = oprechten | רָצֽוֹן (ratson) = welbehagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het vers is moeilijk. אָשָׁם (asham) is ‘schuld’ en ook ‘schuldoffer’. Het werkwoord יָלִיץ (yalitz) staat in het enkelvoud. Een andere lezing is: ‘de schuld spot met zotten’. Wij vertalen letterlijk: zotten spotten met schuld. Voetnoot : רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’: goede wil en aanvaarding. Zie ook: Spr 10:23; Spr 13:15; Spr 26:18–19; Spr 30:20; Rom 14:17–18 **14:10** Het hart kent de bitterheid van zijn ziel, en in zijn vreugde mengt een vreemde zich niet. Brontekst: לֵ֗ב (lev) = het hart | י֭וֹדֵעַ (yodea) = kent | מָרַּ֣ת (marat) = bitterheid van | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn ziel | וּ֝בְשִׂמְחָת֗וֹ (uvesimchato) = en in zijn vreugde | לֹא (lo) = niet | יִתְעָ֥רַב (yitarav) = mengt zich | זָֽר (zar) = een vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָרָּה (marrah), ‘bitterheid’: het verdriet dat alleen het hart kent. Voetnoot : זָר (zar), ‘vreemde’: iemand die er niet bij hoort. Zie ook: Spr 15:13; Spr 18:14; Joh 14:18; Fil 4:7; Openb 2:17 **14:11** Het huis van de goddelozen wordt verwoest, maar de tent van de oprechten bloeit. Brontekst: בֵּ֣ית (beit) = het huis van | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | יִשָּׁמֵ֑ד (yishamed) = wordt verwoest | וְאֹ֖הֶל (veohel) = en de tent van | יְשָׁרִ֣ים (yesharim) = oprechten | יַפְרִֽיחַ (yafriach) = bloeit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:28; Spr 3:33; Spr 12:7; Zach 5:4; Mat 7:26–27 **14:12** Er is een weg die recht is voor het gezicht van een man, maar het einde ervan zijn wegen van de dood. Brontekst: יֵ֤שׁ (yesh) = er is | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = een weg | יָ֭שָׁר (yashar) = recht | לִפְנֵי (lifnei) = voor het gezicht van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וְ֝אַחֲרִיתָ֗הּ (veacharitah) = en het einde ervan | דַּרְכֵי (darkhei) = wegen van | מָֽוֶת (mavet) = de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreuk staat bijna woordelijk ook in Spr. 16:25. Wij vertalen beide gelijk. Voetnoot : לִפְנֵי אִישׁ (lifne ish), letterlijk ‘voor het gezicht van een man’: naar zijn oordeel. Zie ook: Spr 12:15; Spr 16:25; Mat 7:13–14; Luc 13:24; Gal 6:3 **14:13** Zelfs bij het lachen heeft het hart pijn, en het einde van de vreugde is verdriet. Brontekst: גַּם (gam) = zelfs | בִּשְׂח֥וֹק (bischoq) = bij het lachen | יִכְאַב (yikhav) = heeft pijn | לֵ֑ב (lev) = het hart | וְאַחֲרִיתָ֖הּ (veacharitah) = en het einde ervan | שִׂמְחָ֣ה (simcha) = vreugde | תוּגָֽה (tuga) = verdriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוּגָה (tugah), ‘verdriet’. Voetnoot : אַחֲרִית (acharit), ‘einde’: wat er na komt. Zie ook: Spr 5:4; Pred 2:2; Pred 7:5–6; Pred 11:9; Jak 4:9 **14:14** De afvallige van hart wordt verzadigd van zijn eigen wegen, en de goede man wordt verzadigd van wat uit hemzelf komt. Brontekst: מִדְּרָכָ֣יו (miderakhav) = van zijn wegen | יִ֭שְׂבַּע (yisba) = wordt verzadigd | ס֣וּג (sug) = de afvallige van | לֵ֑ב (lev) = hart | וּ֝מֵעָלָ֗יו (umealav) = en van wat uit hemzelf komt | אִ֣ישׁ (ish) = een man | טֽוֹב (tov) = goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוּג לֵב (sug lev), ‘afvallige van hart’: iemand die zich van binnen heeft afgekeerd. Voetnoot : מֵעָלָיו (me’alav), letterlijk ‘van boven hem’: van zichzelf, uit wat hij zelf doet. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt in de tweede helft alleen: ‘en van zichzelf een goede man’. Het werkwoord ‘wordt verzadigd’ komt uit de eerste helft. Zie ook: Spr 12:14; Jer 2:19; Jer 8:5; Gal 6:8; Heb 3:12 **14:15** De eenvoudige gelooft elk woord, maar de slimme let op zijn schreden. Brontekst: פֶּ֭תִי (peti) = een eenvoudige | יַאֲמִ֣ין (yaamin) = gelooft | לְכָל (lekhal) = elk | דָּבָ֑ר (davar) = woord | וְ֝עָר֗וּם (vearum) = en een slimme | יָבִ֥ין (yavin) = let op | לַאֲשֻׁרֽוֹ (laashuro) = zijn schreden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּתִי (peti), ‘eenvoudige’: wie licht te beïnvloeden is. Voetnoot : אַשֻּׁר (ashur), ‘schrede’. Zie ook: Spr 4:26; Spr 14:8; Spr 27:12; Ef 5:17; 1 Joh 4:1 **14:16** De wijze is bevreesd en wijkt af van het kwaad, maar de dwaas wordt overmoedig en vertrouwt zichzelf. Brontekst: חָכָ֣ם (chakham) = een wijze | יָ֭רֵא (yare) = is bevreesd | וְסָ֣ר (vesar) = en wijkt af | מֵרָ֑ע (mera) = van het kwaad | וּ֝כְסִ֗יל (ukhesil) = en een dwaas | מִתְעַבֵּ֥ר (mitaber) = wordt overmoedig | וּבוֹטֵֽחַ (uvoteach) = en vertrouwt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרֵא (yare), ‘is bevreesd’: hier voor het kwaad, niet voor Yahweh. Voetnoot : מִתְעַבֵּר (mit’abber), ‘wordt overmoedig’: letterlijk ‘gaat te ver’. Zie ook: Gen 42:18; Spr 3:7; Spr 22:3; Spr 29:9; 1 Tess 5:22 **14:17** Wie snel kwaad wordt, bedrijft zotheid, en een man van listige plannen wordt gehaat. Brontekst: קְֽצַר (qetsar) = kort van | אַ֭פַּיִם (apayim) = woede | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = bedrijft | אִוֶּ֑לֶת (ivelet) = zotheid | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man van | מְ֝זִמּ֗וֹת (mezimot) = listige plannen | יִשָּׂנֵֽא (yisane) = wordt gehaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְצַר אַפַּיִם (qetsar apayim), letterlijk ‘kort van neus’: snel kwaad, het tegenovergestelde van ‘langzaam tot toorn’ (vers 29). Voetnoot : מְזִמּוֹת (mezimmot), ‘plannen’: het meervoud wijst hier op listige, kwade plannen, anders dan het enkelvoud מְזִמָּה (mezimmah), ‘doordachtheid’, in Spr. 1:4. Zo ook Spr. 12:2. Zie ook: Spr 1:4; Spr 12:2; Spr 14:29; Spr 15:18; Spr 29:22; Pred 7:9; Jak 1:19 **14:18** De eenvoudigen erven zotheid, maar de slimmen omkransen zich met kennis. Brontekst: נָחֲל֣וּ (nachalu) = erven | פְתָאיִ֣ם (petayim) = eenvoudigen | אִוֶּ֑לֶת (ivelet) = zotheid | וַֽ֝עֲרוּמִ֗ים (vaarumim) = en slimmen | יַכְתִּ֥רוּ (yakhtiru) = omkransen zich | דָֽעַת (daat) = met kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָחֲלוּ (nachalu), ‘erven’: zotheid is het enige wat zij bezitten. Voetnoot : יַכְתִּרוּ (yakhtiru), ‘omkransen zich’: kennis is hun kroon. Zie ook: Spr 4:7–9; Spr 11:29–30; Jer 16:19; 1 Petr 1:18; 1 Petr 5:4 **14:19** De slechten buigen zich neer voor de goeden, en de goddelozen bij de poorten van de rechtvaardige. Brontekst: שַׁח֣וּ (shachu) = buigen zich neer | רָ֭עִים (raim) = slechten | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | טוֹבִ֑ים (tovim) = goeden | וּ֝רְשָׁעִ֗ים (ureshaim) = en goddelozen | עַֽל (al) = bij | שַׁעֲרֵ֥י (shaarei) = poorten van | צַדִּֽיק (tsadiq) = een rechtvaardige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het werkwoord שַׁחוּ (shachu), ‘buigen zich neer’, staat alleen in de eerste helft. In de tweede helft wordt het herhaald. Zie ook: Gen 42:6; Ex 8:4; Ex 9:27–28; Jes 60:14; Mal 3:21 **14:20** Zelfs bij zijn naaste is de berooide gehaat, maar de vrienden van de rijke zijn velen. Brontekst: גַּם (gam) = zelfs | לְ֭רֵעֵהוּ (lereehu) = bij zijn naaste | יִשָּׂ֣נֵא (yisane) = wordt gehaat | רָ֑שׁ (rash) = een berooide | וְאֹהֲבֵ֖י (veohavei) = en vrienden van | עָשִׁ֣יר (ashir) = een rijke | רַבִּֽים (rabim) = velen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵעֵהוּ (re’ehu), ‘zijn naaste’. Voetnoot : רָשׁ (rash), ‘berooide’ en עָשִׁיר (ashir), ‘rijke’. Vergelijk Spr. 19:4, 7. Zie ook: Job 19:13–14; Job 30:10; Spr 10:15; Spr 19:4; Spr 19:6–7 **14:21** Wie zijn naaste veracht, zondigt, maar gelukkig is wie zich ontfermt over de nederigen. Brontekst: בָּז (baz) = wie veracht | לְרֵעֵ֥הוּ (lereehu) = zijn naaste | חוֹטֵ֑א (chote) = zondigt | וּמְחוֹנֵ֖ן (umechonen) = en wie zich ontfermt over | עֲנָוִ֣ים (anavim) = nederigen | אַשְׁרָֽיו (ashrav) = gelukkig is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַשְׁרָיו (ashrav), ‘gelukkig hij’: het woord uit Ps. 1:1. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is עניים (aniyyim), ‘ellendigen’. De te lezen vorm (qere) is עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 1:1; Spr 11:12; Spr 17:5; Spr 19:17; Spr 28:27; 1 Joh 3:17–22 **14:22** Dwalen zij niet die kwaad beramen? Maar trouw en waarheid zijn er voor hen die het goede beramen. Brontekst: הֲֽלוֹא (halo) = immers | יִ֭תְעוּ (yitu) = dwalen zij | חֹ֣רְשֵׁי (choreshei) = beramers van | רָ֑ע (ra) = kwaad | וְחֶ֥סֶד (vechesed) = en trouw | וֶ֝אֱמֶ֗ת (veemet) = en waarheid | חֹ֣רְשֵׁי (choreshei) = beramers van | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’ en אֱמֶת (emet), ‘waarheid’. Voetnoot Lezing: De tweede helft zegt letterlijk: ‘en trouw en waarheid – beramers van goed’. Wij lezen: trouw en waarheid zijn voor wie het goede beraamt. Zie ook: Ps 25:10; Spr 12:2; Spr 19:22; Mat 5:7; Joh 1:17 **14:23** Bij alle inspanning is er overschot, maar gepraat met de lippen leidt alleen tot gebrek. Brontekst: בְּכָל (bekhal) = bij alle | עֶ֭צֶב (etsev) = inspanning | יִהְיֶ֣ה (yihye) = is er | מוֹתָ֑ר (motar) = overschot | וּדְבַר (udevar) = en een woord van | שְׂ֝פָתַ֗יִם (sefatayim) = de lippen | אַךְ (akh) = slechts | לְמַחְסֽוֹר (lemachsor) = tot gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶצֶב (etsev), ‘inspanning’: zwaar werk, ook ‘moeite’. Voetnoot : מוֹתָר (motar), ‘overschot’: wat overblijft als voordeel. Zie ook: Spr 12:24; Spr 28:19; Pred 5:2; 2 Tess 3:10–12; Heb 6:10–11 **14:24** De kroon van de wijzen is hun rijkdom, maar de zotheid van de dwazen is zotheid. Brontekst: עֲטֶ֣רֶת (ateret) = kroon van | חֲכָמִ֣ים (chakhamim) = wijzen | עָשְׁרָ֑ם (asheram) = hun rijkdom | אִוֶּ֖לֶת (ivelet) = zotheid van | כְּסִילִ֣ים (kesilim) = dwazen | אִוֶּֽלֶת (ivelet) = zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen in de eerste helft ‘hun slimheid’ (עָרְמָתָם, ormatam) in plaats van ‘hun rijkdom’ (עָשְׁרָם, oshram). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 112:9; Pred 7:11–12; Luc 12:19–20; Luc 16:9; Luc 16:19–25 **14:25** Een getuige van waarheid bevrijdt levens, maar wie leugens uitblaast, is bedrog. Brontekst: מַצִּ֣יל (matsil) = bevrijdt | נְ֭פָשׁוֹת (nefashot) = levens | עֵ֣ד (ed) = een getuige van | אֱמֶ֑ת (emet) = waarheid | וְיָפִ֖חַ (veyafiach) = en wie uitblaast | כְּזָבִ֣ים (kezavim) = leugens | מִרְמָֽה (mirma) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצִּיל (matsil), ‘bevrijdt’: hier met נְפָשׁוֹת (nefashot), ‘levens’; het meervoud van נֶפֶשׁ (nefesh). Zie ook: Spr 14:5; Hand 20:26–27; Hand 26:16–20; 1 Tim 4:1–3; 2 Petr 3:3 **14:26** In de vrees voor Yahweh is een sterk vertrouwen, en voor zijn kinderen zal er een toevlucht zijn. Brontekst: בְּיִרְאַ֣ת (beyirat) = in de vrees voor | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | מִבְטַח (mivtach) = vertrouwen van | עֹ֑ז (oz) = kracht | וּ֝לְבָנָ֗יו (ulevanav) = en voor zijn kinderen | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | מַחְסֶֽה (machse) = een toevlucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag. Voetnoot : וּלְבָנָיו (ulevanav), ‘en voor zijn kinderen’: het gaat om de kinderen van wie Yahweh vreest. De toevlucht (מַחְסֶה, machseh) is voor zijn nageslacht. Zie ook: Ps 115:13–14; Spr 3:7–8; Spr 18:10; Spr 19:23; Jer 32:39–40 **14:27** De vrees voor Yahweh is een bron van leven, om weg te wijken van de strikken van de dood. Brontekst: יִרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | מְק֣וֹר (meqor) = een bron van | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | לָ֝ס֗וּר (lasur) = om weg te wijken | מִמֹּ֥קְשֵׁי (mimoqeshei) = van de strikken van | מָֽוֶת (mavet) = de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreuk staat bijna gelijk in Spr. 13:14; daar is het ‘onderwijs van een wijze’ de bron. Zie ook: Ps 18:6; Spr 2:10–18; Spr 13:14; Spr 22:5; Openb 21:6 **14:28** In een talrijk volk ligt de luister van een koning, maar bij gebrek aan volk is de ondergang van een vorst. Brontekst: בְּרָב (berav) = in de menigte van | עָ֥ם (am) = volk | הַדְרַת (hadrat) = luister van | מֶ֑לֶךְ (melekh) = een koning | וּבְאֶ֥פֶס (uveefes) = en bij gebrek aan | לְ֝אֹ֗ם (leom) = volk | מְחִתַּ֥ת (mechitat) = ondergang van | רָזֽוֹן (razon) = een vorst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַדְרַת (hadrat), ‘luister’. Voetnoot : מְחִתַּת (mechittat), ‘ondergang’, zoals in Spr. 13:3. Voetnoot : רָזוֹן (razon), ‘vorst’: een hoge heerser; het woord is zeldzaam. Zie ook: Ex 1:12; Ex 1:22; Spr 13:3; 1 Kon 4:20–5:1; 2 Kon 10:32–33; 2 Kon 13:7 **14:29** Wie langzaam is tot toorn, heeft veel verstand, maar wie kort van geest is, verheft zotheid. Brontekst: אֶ֣רֶךְ (erekh) = langzaam van | אַ֭פַּיִם (apayim) = toorn | רַב (rav) = veel | תְּבוּנָ֑ה (tevuna) = verstand | וּקְצַר (uqetsar) = en kort van | ר֝֗וּחַ (ruach) = geest | מֵרִ֥ים (merim) = verheft | אִוֶּֽלֶת (ivelet) = zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶרֶךְ אַפַּיִם (erekh apayim), ‘langzaam tot toorn’, zoals in Exod. 34:6. Voetnoot : קְצַר רוּחַ (qetsar ruach), ‘kort van geest’: ongeduldig. Zie ook: Ex 34:6; Spr 14:17; Spr 15:18; Spr 19:11; Pred 7:9; Jak 1:19 **14:30** Een gezond hart is het leven van het lichaam, maar naijver is rotting voor de beenderen. Brontekst: חַיֵּ֣י (chayei) = leven van | בְ֭שָׂרִים (besarim) = het lichaam | לֵ֣ב (lev) = een hart | מַרְפֵּ֑א (marpe) = dat gezond is | וּרְקַ֖ב (ureqav) = en rotting van | עֲצָמ֣וֹת (atsamot) = beenderen | קִנְאָֽה (qina) = naijver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְפֵּא (marpe), ‘gezond’: het woord betekent ‘genezing’ en ‘rust’. Voetnoot : רָקָב (raqav), ‘rotting’: de beenderen verteren van binnen. Zie ook: Job 5:2; Spr 3:8; Spr 4:23; Spr 12:4; Spr 17:22 **14:31** Wie de geringe onderdrukt, smaadt zijn Maker, maar wie Hem eert, ontfermt zich over de arme. Brontekst: עֹ֣שֵֽׁק (osheq) = wie onderdrukt | דָּ֭ל (dal) = een geringe | חֵרֵ֣ף (cheref) = smaadt | עֹשֵׂ֑הוּ (osehu) = zijn Maker | וּ֝מְכַבְּד֗וֹ (umekhabedo) = en wie Hem eert | חֹנֵ֥ן (chonen) = ontfermt zich over | אֶבְיֽוֹן (evyon) = een arme Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּל (dal), ‘geringe’: wie weinig bezit of weinig kan. Het woord betekent ook ‘arme’. Voetnoot : אֶבְיוֹן (evyon), ‘arme’. Voetnoot : עֹשֵׂהוּ (osehu), ‘zijn Maker’: de Maker van de geringe is Yahweh. Vergelijk Spr. 17:5 en 22:2. Zie ook: Spr 17:5; Spr 19:17; Spr 22:2; Spr 22:16; 1 Joh 4:21 **14:32** De goddeloze wordt door zijn kwaad neergestoten, maar de rechtvaardige vindt toevlucht in zijn dood. Brontekst: בְּֽ֭רָעָתוֹ (beraato) = door zijn kwaad | יִדָּחֶ֣ה (yidache) = wordt neergestoten | רָשָׁ֑ע (rasha) = een goddeloze | וְחֹסֶ֖ה (vechose) = en vindt toevlucht | בְמוֹת֣וֹ (bemoto) = in zijn dood | צַדִּֽיק (tsadiq) = een rechtvaardige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִדָּחֶה (yiddacheh), ‘wordt neergestoten’: omver geduwd. Voetnoot Lezing: בְמוֹתוֹ (vemoto), ‘in zijn dood’. Sommige oude vertalingen lezen ‘in zijn onberispelijkheid’ (בְּתֻמּוֹ, betummo). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 49:18; Job 19:25–27; Ps 23:4; 2 Kor 5:8; 2 Tim 4:18 **14:33** In het hart van de inzichtige rust de wijsheid, maar te midden van dwazen maakt zij zich bekend. Brontekst: בְּלֵ֣ב (belev) = in het hart van | נָ֭בוֹן (navon) = een inzichtige | תָּנ֣וּחַ (tanuach) = rust | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וּבְקֶ֥רֶב (uveqerev) = en te midden van | כְּ֝סִילִ֗ים (kesilim) = dwazen | תִּוָּדֵֽעַ (tivadea) = maakt zij zich bekend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּוָּדֵעַ (tivvade’a), ‘maakt zich bekend’: de wijsheid laat zich ook onder dwazen merken. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen hebben in de tweede helft een ontkenning: ‘wordt niet bekend’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Spr 12:16; Spr 12:23; Spr 13:16; Spr 15:28; Pred 10:3 **14:34** Gerechtigheid verheft een volk, maar de zonde is een schande voor de volken. Brontekst: צְדָקָ֥ה (tsedaqa) = gerechtigheid | תְרֽוֹמֵֽם (teromem) = verheft | גּ֑וֹי (goy) = een volk | וְחֶ֖סֶד (vechesed) = en schande | לְאֻמִּ֣ים (leumim) = voor volken | חַטָּֽאת (chatat) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: חֶסֶד (chesed) betekent meestal ‘trouw’, maar hier past ‘schande’, zoals in Lev. 20:17 en Spr. 25:10. Een andere lezing is: ‘trouw is voor de volken een zondoffer (חַטָּאת, chatta’t)’. Wij kiezen ‘schande’. Zie ook: Lev 20:17; Deut 4:6–8; Deut 28:1–68; Deut 29:17–27; Ps 107:34; Spr 25:10; Hos 13:1 **14:35** Het welbehagen van een koning is voor de dienaar die doorzicht heeft, maar zijn woede zal zijn voor wie schande brengt. Brontekst: רְֽצוֹן (retson) = welbehagen van | מֶ֭לֶךְ (melekh) = een koning | לְעֶ֣בֶד (leeved) = voor een dienaar | מַשְׂכִּ֑יל (maskil) = die doorzicht heeft | וְ֝עֶבְרָת֗וֹ (veevrato) = en zijn woede | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | מֵבִֽישׁ (mevish) = voor wie schande brengt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשְׂכִּיל (maskil), ‘die doorzicht heeft’. Voetnoot : מֵבִישׁ (mevish), ‘wie schande brengt’: hij maakt zijn heer beschaamd. Zie ook: Spr 22:11; Spr 29:12; Mat 24:45–51; Mat 25:23; Luc 12:42–48 ## Spreuken 15 _Spreuken over de tong, het hart, de vrees voor Yahweh en tucht_ **15:1** Een zacht antwoord keert woede af, maar een kwetsend woord doet de toorn opkomen. Brontekst: מַֽעֲנֶה (maane) = een antwoord | רַּ֭ךְ (rakh) = zacht | יָשִׁ֣יב (yashiv) = keert af | חֵמָ֑ה (chema) = woede | וּדְבַר (udevar) = en een woord van | עֶ֝֗צֶב (etsev) = kwetsing | יַעֲלֶה (yaale) = doet opkomen | אָֽף (af) = toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵמָה (chemah), ‘woede’: een hete, vlammende drift. אַף (af), ‘toorn’: letterlijk ‘neus’, het snuiven van de boze. Voetnoot : עֶצֶב (etsev), ‘kwetsing’: een woord dat pijn doet. Zie ook: Spr 10:12; Spr 15:18; Spr 25:15; Spr 28:25; Spr 29:22 **15:2** De tong van de wijzen maakt kennis goed, maar de mond van de dwazen laat zotheid uitstromen. Brontekst: לְשׁ֣וֹן (leshon) = de tong van | חֲ֭כָמִים (chakhamim) = wijzen | תֵּיטִ֣יב (teitiv) = maakt goed | דָּ֑עַת (daat) = kennis | וּפִ֥י (ufi) = en de mond van | כְ֝סִילִ֗ים (kesilim) = dwazen | יַבִּ֥יעַ (yabia) = laat uitstromen | אִוֶּֽלֶת (ivelet) = zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּיטִיב (teitiv), ‘maakt goed’: de wijzen brengen kennis goed en aantrekkelijk over. Voetnoot : יַבִּיעַ (yabia), ‘laat uitstromen’: letterlijk ‘laat opwellen’, zoals een bron. Hetzelfde woord staat in vers 28. Zie ook: Ps 45:2; Spr 12:23; Spr 13:16; Spr 15:28; Pred 10:12–13 **15:3** Op elke plaats zijn de ogen van Yahweh. Zij houden de slechten en de goeden in het oog. Brontekst: בְּֽכָל (bekhal) = op elke | מָ֭קוֹם (maqom) = plaats | עֵינֵ֣י (einei) = de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | צֹ֝פ֗וֹת (tsofot) = houden in het oog | רָעִ֥ים (raim) = slechten | וטוֹבִֽים (vtovim) = en goeden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹפוֹת (tsofot), ‘houden in het oog’: zoals een wachter uitkijkt. Vergelijk Job 34:21; Ps. 33:13–15 en Spr. 5:21. Zie ook: Job 34:21; Ps 33:13–15; Spr 5:21; 2 Kron 16:9; Jer 16:17; Jer 23:24; Heb 4:13 **15:4** Een heilzame tong is een boom van leven, maar verdraaidheid erin is een breuk in de geest. Brontekst: מַרְפֵּ֣א (marpe) = genezing van | לָ֭שׁוֹן (lashon) = de tong | עֵ֣ץ (ets) = een boom van | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | וְסֶ֥לֶף (veselef) = en verdraaidheid | בָּ֝֗הּ (bah) = daarin | שֶׁ֣בֶר (shever) = breuk | בְּרֽוּחַ (beruach) = in de geest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְפֵּא (marpe), ‘genezing’: een tong die heelt en rust geeft. Voetnoot : סֶלֶף (seleph), ‘verdraaidheid’: valsheid in wat iemand zegt. Voetnoot : עֵץ חַיִּים (ets chayim), ‘boom van leven’: zie Spr. 3:18; 11:30; 13:12. Zie ook: Spr 3:18; Spr 11:30; Spr 12:18; Spr 13:12; Spr 16:24; Spr 18:8; Mal 3:20 **15:5** Een zot minacht de tucht van zijn vader, maar wie terechtwijzing bewaart, wordt slim. Brontekst: אֱוִ֗יל (evil) = een zot | יִ֭נְאַץ (yinats) = minacht | מוּסַ֣ר (musar) = de tucht van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וְשֹׁמֵ֖ר (veshomer) = en wie bewaart | תּוֹכַ֣חַת (tokhachat) = terechtwijzing | יַעְרִֽם (yarim) = wordt slim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִנְאַץ (yin’ats), ‘minacht’. Voetnoot : יַעְרִם (ya’rim), ‘wordt slim’: het woord hoort bij עָרוּם (arum), ‘slim’, zoals in Spr. 13:16. Zie ook: Spr 13:1; Spr 13:16; Spr 13:18; Spr 15:31–32; Spr 19:20; Tit 2:15 **15:6** In het huis van de rechtvaardige is veel schat, maar de opbrengst van de goddeloze wordt in ongeluk gebracht. Brontekst: בֵּ֣ית (beit) = het huis van | צַ֭דִּיק (tsadiq) = een rechtvaardige | חֹ֣סֶן (chosen) = schat | רָ֑ב (rav) = veel | וּבִתְבוּאַ֖ת (uvitvuat) = en in de opbrengst van | רָשָׁ֣ע (rasha) = een goddeloze | נֶעְכָּֽרֶת (nekaret) = wordt in ongeluk gebracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹסֶן (chosen), ‘schat’: een voorraad, een rijkdom die men bewaart. Voetnoot : נֶעְכָּרֶת (ne’ekheret), ‘wordt in ongeluk gebracht’: van עָכַר (akhar), zoals in Joz. 7:25 en in vers 27. Zie ook: Joz 7:25; Ps 112:3; Spr 8:21; Spr 10:22; Spr 15:27; Spr 16:8; Spr 21:20 **15:7** De lippen van de wijzen strooien kennis uit, maar het hart van de dwazen is niet zo. Brontekst: שִׂפְתֵ֣י (siftei) = de lippen van | חֲ֭כָמִים (chakhamim) = wijzen | יְזָ֣רוּ (yezaru) = strooien uit | דָ֑עַת (daat) = kennis | וְלֵ֖ב (velev) = en het hart van | כְּסִילִ֣ים (kesilim) = dwazen | לֹא (lo) = niet | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא כֵן (lo khen), ‘niet zo’: het hart van de dwazen doet dat niet. Het kan ook ‘is niet standvastig’ betekenen. Zie ook: Spr 10:20–21; Mat 12:34; Jak 3:6; Rom 15:18–21; Ef 4:29 **15:8** Het slachtoffer van de goddelozen is een gruwel voor Yahweh, maar het gebed van de oprechten is Zijn welbehagen. Brontekst: זֶ֣בַח (zevach) = het slachtoffer van | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּתְפִלַּ֖ת (utefilat) = en het gebed van | יְשָׁרִ֣ים (yesharim) = oprechten | רְצוֹנֽוֹ (retsono) = Zijn welbehagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’. Voetnoot : תּוֹעֲבָה (to’avah), ‘gruwel’: wat Yahweh verafschuwt. Voetnoot : רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’. Voetnoot : Vergelijk Spr. 21:27 en 28:9. Zie ook: 1 Kron 29:17; Spr 15:29; Spr 21:27; Spr 28:9; Jes 1:10–15 **15:9** De weg van een goddeloze is een gruwel voor Yahweh, maar wie gerechtigheid najaagt, heeft Hij lief. Brontekst: תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | רָשָׁ֑ע (rasha) = een goddeloze | וּמְרַדֵּ֖ף (umeradef) = en wie najaagt | צְדָקָ֣ה (tsedaqa) = gerechtigheid | יֶאֱהָֽב (yeehav) = heeft Hij lief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרַדֵּף (merraddef), ‘najaagt’; יֶאֱהָב (ye’ehav), ‘heeft Hij lief’: het onderwerp is Yahweh uit de eerste helft. Zie ook: Spr 21:21; Hos 6:3; Jer 44:4; Hab 1:13; 1 Tim 6:11 **15:10** Zware tucht is er voor wie het pad verlaat. Wie terechtwijzing haat, zal sterven. Brontekst: מוּסָ֣ר (musar) = tucht | רָ֭ע (ra) = zwaar | לְעֹזֵ֣ב (leozev) = voor wie verlaat | אֹ֑רַח (orach) = het pad | שׂוֹנֵ֖א (sone) = wie haat | תוֹכַ֣חַת (tokhachat) = terechtwijzing | יָמֽוּת (yamut) = zal sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר רָע (musar ra), ‘zware tucht’: letterlijk ‘kwade tucht’, een harde, pijnlijke straf. Voetnoot : אֹרַח (orach), ‘pad’: het pad van het leven (vers 24). Zie ook: Spr 10:17; Spr 12:1; Spr 13:1; Spr 15:24; Joh 3:20; Joh 7:7 **15:11** Sjeol en de Afgrond zijn voor het oog van Yahweh. Hoeveel te meer de harten van de mensenkinderen! Brontekst: שְׁא֣וֹל (sheol) = Sjeol | וַ֭אֲבַדּוֹן (vaavadon) = en de Afgrond | נֶ֣גֶד (neged) = voor het oog van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אַ֝֗ף (af) = ook | כִּֽי (ki) = hoeveel te meer | לִבּ֥וֹת (libot) = harten van | בְּֽנֵי (benei) = kinderen van | אָדָֽם (adam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (Sjeol), het dodenrijk. אֲבַדּוֹן (Avaddon), ‘de Afgrond’: een andere naam voor het dodenrijk. Zie Job 26:6; 28:22; Ps. 88:12 en Spr. 27:20. Voetnoot : נֶגֶד (neged), ‘voor het oog van’. Zie ook: Job 26:6; Job 28:22; Ps 44:22; Ps 88:12; Ps 139:8; Spr 27:20; 2 Kron 6:30; Heb 4:13 **15:12** Een spotter houdt er niet van dat men hem terechtwijst. Naar de wijzen gaat hij niet. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | יֶאֱהַב (yeehav) = houdt van | לֵ֭ץ (lets) = een spotter | הוֹכֵ֣חַֽ (hokheach) = terechtwijzen | ל֑וֹ (lo) = hem | אֶל (el) = naar | חֲ֝כָמִ֗ים (chakhamim) = wijzen | לֹ֣א (lo) = niet | יֵלֵֽךְ (yelekh) = gaat hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵץ (letz), ‘spotter’. Voetnoot : הוֹכֵחַ לוֹ (hokhei’ach lo), letterlijk ‘terechtwijzen hem’: het feit dat men hem terechtwijst. Zie ook: Job 21:14; Spr 9:7–8; Amos 5:10; Joh 7:7; 2 Tim 4:3 **15:13** Een blij hart geeft een vrolijk gezicht, maar door verdriet van het hart is de geest terneergeslagen. Brontekst: לֵ֣ב (lev) = een hart | שָׂ֭מֵחַ (sameach) = blij | יֵיטִ֣ב (yeitiv) = maakt goed | פָּנִ֑ים (panim) = het gezicht | וּבְעַצְּבַת (uveatsevat) = en door verdriet van | לֵ֝ב (lev) = het hart | ר֣וּחַ (ruach) = de geest | נְכֵאָֽה (nekhea) = is terneergeslagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵיטִב פָּנִים (yetiv panim), letterlijk ‘maakt het gezicht goed’: het gezicht straalt. Voetnoot : עַצְּבַת (atsevet), ‘verdriet’. Voetnoot : נְכֵאָה (nekheah), ‘terneergeslagen’: gebroken. Zie ook: Spr 12:25; Spr 15:15; Spr 17:22; Spr 18:14; Joh 14:1 **15:14** Het hart van de inzichtige zoekt kennis, maar de mond van de dwazen voedt zich met zotheid. Brontekst: לֵ֣ב (lev) = een hart van | נָ֭בוֹן (navon) = een inzichtige | יְבַקֶּשׁ (yevaqesh) = zoekt | דָּ֑עַת (daat) = kennis | וּפִ֥י (ufi) = en de mond van | כְ֝סִילִ֗ים (kesilim) = dwazen | יִרְעֶ֥ה (yire) = voedt zich met | אִוֶּֽלֶת (ivelet) = zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְעֶה (yir’eh), ‘voedt zich met’: letterlijk ‘weidt’, zoals een kudde graast. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is ופני (ufnei), ‘en het gezicht van’. De te lezen vorm (qere) is וּפִי (ufi), ‘en de mond van’. Wij volgen de qere; vergelijk vers 2. Zie ook: Spr 9:9; Spr 15:2; Spr 18:15; Jes 30:10; Hand 17:11; 2 Petr 3:18 **15:15** Alle dagen van de ellendige zijn slecht, maar een goed hart is voortdurend een feestmaal. Brontekst: כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | עָנִ֣י (ani) = een ellendige | רָעִ֑ים (raim) = slecht | וְטֽוֹב (vetov) = en een goed | לֵ֝֗ב (lev) = hart | מִשְׁתֶּ֥ה (mishte) = feestmaal | תָמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָנִי (ani), ‘ellendige’. Voetnoot : טוֹב לֵב (tov lev), ‘goed hart’: een vrolijk, tevreden hart. Voetnoot : מִשְׁתֶּה (mishteh), ‘feestmaal’: letterlijk een drinkgelag. Zie ook: Spr 15:13; Spr 17:22; 2 Kor 6:10; Rom 5:11; Rom 12:12 **15:16** Beter weinig met de vrees voor Yahweh dan een grote schat en onrust daarbij. Brontekst: טוֹב (tov) = beter | מְ֭עַט (meat) = weinig | בְּיִרְאַ֣ת (beyirat) = met de vrees voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מֵאוֹצָ֥ר (meotsar) = dan een schat | רָ֝֗ב (rav) = grote | וּמְה֥וּמָה (umehuma) = en onrust | בֽוֹ (bo) = daarbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְהוּמָה (mehumah), ‘onrust’: verwarring en angst. Vergelijk Ps. 37:16. Zie ook: Ps 37:16; Spr 16:8; Spr 28:6; Pred 5:9–11; 1 Tim 6:6 **15:17** Beter een maaltijd van groenten, waar liefde is, dan een os uit de krib, met haat daarbij. Brontekst: ט֤וֹב (tov) = beter | אֲרֻחַ֣ת (aruchat) = een maaltijd van | יָ֭רָק (yaraq) = groenten | וְאַהֲבָה (veahava) = en liefde | שָׁ֑ם (sham) = daar | מִשּׁ֥וֹר (mishor) = dan een os | אָ֝ב֗וּס (avus) = uit de krib | וְשִׂנְאָה (vesina) = en haat | בֽוֹ (bo) = daarbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרֻחַת (aruchat), ‘maaltijd’: een vast rantsoen. Voetnoot : אָבוּס (avus), ‘krib’: een os uit de krib is een vette, gemeste os. Vergelijk Spr. 14:4 en 17:1. Zie ook: Ps 133:1–3; Spr 14:4; Spr 17:1; Spr 21:19; Mat 22:4; Fil 2:1 **15:18** Een driftig man wekt twist op, maar wie langzaam is tot toorn, brengt een geschil tot rust. Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = een man van | חֵ֭מָה (chema) = woede | יְגָרֶ֣ה (yegare) = wekt op | מָד֑וֹן (madon) = twist | וְאֶ֥רֶך (veerekh) = en langzaam van | אַ֝פַּ֗יִם (apayim) = toorn | יַשְׁקִ֥יט (yashqit) = brengt tot rust | רִֽיב (riv) = geschil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְגָרֶה (yegareh), ‘wekt op’: letterlijk ‘stookt’. Voetnoot : אֶרֶךְ אַפַּיִם (erekh apayim), ‘langzaam tot toorn’: zie Spr. 14:29. Voetnoot : מָדוֹן (madon), ‘twist’; רִיב (riv), ‘geschil’. Zie ook: Spr 14:29; Spr 15:1; Spr 26:21; Spr 29:22; Mat 5:9 **15:19** De weg van een luiaard is als een haag van doorns, maar het pad van de oprechten is gebaand. Brontekst: דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg van | עָ֭צֵל (atsel) = een luiaard | כִּמְשֻׂ֣כַת (kimsukhat) = als een haag van | חָ֑דֶק (chadeq) = doorns | וְאֹ֖רַח (veorach) = en het pad van | יְשָׁרִ֣ים (yesharim) = oprechten | סְלֻלָֽה (selula) = is gebaand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשֻׂכַת (mesukhat), ‘haag’: een afsluiting van doornen waar men niet doorheen kan. Voetnoot : סְלֻלָה (selulah), ‘gebaand’: opgehoogd en vrijgemaakt. Zie ook: Spr 22:5; Spr 22:13; Spr 26:13; Jes 30:21; Jes 35:8 **15:20** Een wijze zoon maakt een vader blij, maar een dwaas onder de mensen veracht zijn moeder. Brontekst: בֵּ֣ן (ben) = een zoon | חָ֭כָם (chakham) = wijze | יְשַׂמַּח (yesamach) = maakt blij | אָ֑ב (av) = een vader | וּכְסִ֥יל (ukhesil) = en een dwaas van | אָ֝דָ֗ם (adam) = een mens | בּוֹזֶ֥ה (boze) = veracht | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּסִיל אָדָם (kesil adam), ‘een dwaas onder de mensen’. Vergelijk Spr. 10:1. Zie ook: Lev 19:3; Spr 10:1; Spr 23:15–16; Spr 29:3; 1 Kon 1:48 **15:21** Zotheid is vreugde voor wie zonder hart is, maar een man van verstand houdt zijn gang recht. Brontekst: אִ֭וֶּלֶת (ivelet) = zotheid | שִׂמְחָ֣ה (simcha) = vreugde | לַחֲסַר (lachasar) = voor wie zonder | לֵ֑ב (lev) = hart is | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man van | תְּ֝בוּנָ֗ה (tevuna) = verstand | יְיַשֶׁר (yeyasher) = houdt recht | לָֽכֶת (lakhet) = het gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲסַר לֵב (chasar lev), ‘zonder hart’: wie geen verstand heeft. Voetnoot : יְיַשֶּׁר לָכֶת (yeyasher lakhet), ‘houdt zijn gang recht’: letterlijk ‘maakt het gaan recht’. Zie ook: Job 28:28; Ps 111:10; Spr 10:23; Spr 14:16; Ef 5:15 **15:22** Plannen worden verijdeld waar geen overleg is, maar bij veel raadgevers komen ze tot stand. Brontekst: הָפֵ֣ר (hafer) = verijdelen | מַ֭חֲשָׁבוֹת (machashavot) = plannen | בְּאֵ֣ין (beein) = zonder | ס֑וֹד (sod) = overleg | וּבְרֹ֖ב (uverov) = maar bij veel | יוֹעֲצִ֣ים (yoatsim) = raadgevers | תָּקֽוּם (taqum) = komen ze tot stand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוֹד (sod), ‘overleg’: een vertrouwelijk gesprek met anderen. Voetnoot : הָפֵר (hafer), ‘verijdelen’. Vergelijk Spr. 11:14 en 20:18. Zie ook: Spr 11:14; Spr 20:18; Pred 8:6 **15:23** Een man heeft vreugde in het antwoord van zijn mond, en een woord op zijn tijd, hoe goed is dat! Brontekst: שִׂמְחָ֣ה (simcha) = vreugde | לָ֭אִישׁ (laish) = voor een man | בְּמַעֲנֵה (bemaane) = in het antwoord van | פִ֑יו (piv) = zijn mond | וְדָבָ֖ר (vedavar) = en een woord | בְּעִתּ֣וֹ (beito) = op zijn tijd | מַה (ma) = hoe | טּֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 12:14; Spr 16:13; Spr 25:11–12; Jes 50:4; Ef 4:29 **15:24** Het pad van het leven voert omhoog voor wie doorzicht heeft, zodat hij afwijkt van Sjeol beneden. Brontekst: אֹ֣רַח (orach) = het pad van | חַ֭יִּים (chayim) = leven | לְמַ֣עְלָה (lemala) = omhoog | לְמַשְׂכִּ֑יל (lemaskil) = voor wie doorzicht heeft | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | ס֝֗וּר (sur) = hij afwijkt | מִשְּׁא֥וֹל (misheol) = van Sjeol | מָֽטָּה (mata) = beneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשְׂכִּיל (maskil), ‘wie doorzicht heeft’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt: ‘het pad van het leven – naar boven – voor de verstandige’. Wij vullen ‘voert’ aan. Zie ook: Ps 16:11; Jer 21:8; Mat 7:14; Fil 3:20; Kol 3:1–2 **15:25** Yahweh breekt het huis van de hoogmoedigen af, maar Hij zet de grens van de weduwe vast. Brontekst: בֵּ֣ית (beit) = het huis van | גֵּ֭אִים (geim) = hoogmoedigen | יִסַּ֥ח (yisach) = breekt af | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְ֝יַצֵּ֗ב (veyatsev) = en Hij zet vast | גְּב֣וּל (gevul) = de grens van | אַלְמָנָֽה (almana) = een weduwe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּבוּל (gevul), ‘grens’: de grens van het land van de weduwe, die Yahweh beschermt. Zie Deut. 19:14 en Spr. 22:28; 23:10. Voetnoot : גֵּאִים (ge’im), ‘hoogmoedigen’. Zie ook: Deut 10:17–18; Deut 19:14; Ps 68:6–7; Ps 146:9; Spr 14:11; Spr 22:28; Spr 23:10 **15:26** Kwade plannen zijn een gruwel voor Yahweh, maar rein zijn de woorden van vriendelijkheid. Brontekst: תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | מַחְשְׁב֣וֹת (machshevot) = plannen van | רָ֑ע (ra) = kwaad | וּ֝טְהֹרִ֗ים (utehorim) = en rein | אִמְרֵי (imrei) = woorden van | נֹֽעַם (noam) = vriendelijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹעַם (no’am), ‘vriendelijkheid’: lieflijkheid. Voetnoot : טְהֹרִים (tehorim), ‘rein’: de woorden zijn zuiver, zonder kwaad. Zie ook: Ps 19:15; Spr 6:16–19; Spr 15:23; Jer 4:14; Mat 12:34–37 **15:27** Wie winst afperst, brengt zijn huis in ongeluk, maar wie giften haat, zal leven. Brontekst: עֹכֵ֣ר (okher) = brengt in ongeluk | בֵּ֭יתוֹ (beito) = zijn huis | בּוֹצֵ֣עַ (botsea) = wie afperst | בָּ֑צַע (batsa) = winst | וְשׂוֹנֵ֖א (vesone) = en wie haat | מַתָּנֹ֣ת (matanot) = giften | יִחְיֶֽה (yichye) = zal leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹכֵר (okher), ‘brengt in ongeluk’: zoals in vers 6. Voetnoot : בּוֹצֵעַ בָּצַע (botsea batsa), ‘wie winst afperst’: winst die men door onrecht binnenhaalt. Voetnoot : מַתָּנֹת (mattanot), ‘giften’: hier gaven die als steekpenning dienen (shochad, ‘steekpenning’, is een ander woord). Vergelijk Exod. 23:8. Zie ook: Ex 23:8; Spr 1:19; Spr 11:29; Spr 15:6; Jes 33:15–16; Jer 17:11 **15:28** Het hart van de rechtvaardige overpeinst hoe hij moet antwoorden, maar de mond van de goddelozen laat kwaad uitstromen. Brontekst: לֵ֣ב (lev) = het hart van | צַ֭דִּיק (tsadiq) = een rechtvaardige | יֶהְגֶּ֣ה (yehge) = overpeinst | לַעֲנ֑וֹת (laanot) = om te antwoorden | וּפִ֥י (ufi) = en de mond van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | יַבִּ֥יעַ (yabia) = laat uitstromen | רָעֽוֹת (raot) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶהְגֶּה (yehgeh), ‘overpeinst’, zoals in Ps. 1:2. Voetnoot : רָעוֹת (ra’ot), ‘kwaad’. Zie ook: Ps 1:2; Spr 16:23; Spr 29:11; Pred 5:1; Jak 3:6–8; 1 Petr 3:15 **15:29** Yahweh is ver van de goddelozen, maar het gebed van de rechtvaardigen hoort Hij. Brontekst: רָח֣וֹק (rachoq) = ver | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | מֵרְשָׁעִ֑ים (mereshaim) = van goddelozen | וּתְפִלַּ֖ת (utefilat) = en het gebed van | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יִשְׁמָֽע (yishma) = hoort Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 34:16–18; Ps 145:18–19; Spr 15:8; Joh 9:31; 1 Petr 3:12 **15:30** Het licht van de ogen verblijdt het hart. Een goede tijding verkwikt het gebeente. Brontekst: מְֽאוֹר (meor) = het licht van | עֵ֭ינַיִם (einayim) = ogen | יְשַׂמַּֽח (yesamach) = verblijdt | לֵ֑ב (lev) = het hart | שְׁמוּעָ֥ה (shemua) = een tijding | ט֝וֹבָ֗ה (tova) = goede | תְּדַשֶּׁן (tedashen) = verkwikt | עָֽצֶם (atsem) = het gebeente Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְאוֹר עֵינַיִם (me’or einayim), ‘licht van de ogen’: een stralende blik, of wat de ogen aan licht zien. Voetnoot : תְּדַשֶּׁן (tedashen), ‘verkwikt’: letterlijk ‘maakt vet’, zoals in Spr. 13:4. Zie ook: Spr 13:4; Spr 25:25; Jes 58:11; Luc 2:10–19; Openb 21:23; Openb 22:5 **15:31** Het oor dat de terechtwijzing van het leven hoort, zal verblijven te midden van de wijzen. Brontekst: אֹ֗זֶן (ozen) = een oor | שֹׁ֭מַעַת (shomaat) = dat hoort | תּוֹכַ֣חַת (tokhachat) = terechtwijzing van | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | בְּקֶ֖רֶב (beqerev) = te midden van | חֲכָמִ֣ים (chakhamim) = wijzen | תָּלִֽין (talin) = zal verblijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹכַחַת חַיִּים (tokhachat chayim), ‘terechtwijzing van het leven’: terechtwijzing die tot leven leidt. Zie ook: Spr 9:8–9; Spr 15:5; Spr 19:20; Spr 25:12; Joh 15:3–4 **15:32** Wie tucht afwijst, verwerpt zichzelf, maar wie terechtwijzing hoort, verwerft een hart. Brontekst: פּוֹרֵ֣עַ (porea) = wie afwijst | מ֭וּסָר (musar) = tucht | מוֹאֵ֣ס (moes) = verwerpt | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zichzelf | וְשׁוֹמֵ֥עַ (veshomea) = en wie hoort | תּ֝וֹכַ֗חַת (tokhachat) = terechtwijzing | ק֣וֹנֶה (qone) = verwerft | לֵּֽב (lev) = een hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פּוֹרֵעַ (pore’a), ‘afwijst’, zoals in Spr. 13:18. Voetnoot : נַפְשׁוֹ (nafsho), ‘zichzelf’: letterlijk ‘zijn ziel’. Voetnoot : קוֹנֶה לֵב (qoneh lev), ‘verwerft een hart’: hij krijgt verstand. Zie ook: Spr 1:7; Spr 1:24–33; Spr 13:18; Jes 1:5; Jer 5:3; Openb 3:19 **15:33** De vrees voor Yahweh is een tucht tot wijsheid, en voor de eer gaat nederigheid. Brontekst: יִרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | מוּסַ֣ר (musar) = tucht van | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְלִפְנֵ֖י (velifnei) = en voor | כָב֣וֹד (kavod) = eer | עֲנָוָֽה (anava) = nederigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסַר חָכְמָה (musar chokhmah), ‘tucht tot wijsheid’: ook ‘onderricht in wijsheid’. De eerste helft staat ook in Spr. 1:7 en 9:10; de tweede in Spr. 18:12. Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: bij een mens vertalen wij ‘eer’, bij Yahweh ‘heerlijkheid’. Zie ook: Ps 34:12; Spr 1:7; Spr 9:10; Spr 18:12; Jak 4:10; 1 Petr 5:5 ## Spreuken 16 _Yahweh bepaalt de weg; koningen, hoogmoed en woorden_ **16:1** De overwegingen van het hart zijn voor de mens, maar het antwoord van de tong komt van Yahweh. Brontekst: לְאָדָ֥ם (leadam) = voor de mens | מַֽעַרְכֵי (maarkhei) = de overwegingen van | לֵ֑ב (lev) = het hart | וּ֝מֵיְהוָ֗ה (umeYahweh) = maar van Yahweh | מַעֲנֵ֥ה (maane) = het antwoord van | לָשֽׁוֹן (lashon) = de tong Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעַרְכֵי (ma'arkhe), ‘overwegingen’: wat het hart ordent en klaarlegt, de plannen die iemand overlegt. Voetnoot : De mens maakt plannen, maar wat hij uiteindelijk zegt of bereikt, wordt hem gegeven. Vergelijk Spr. 16:9. Zie ook: Spr 16:9; Spr 19:21; Spr 20:24; Luc 21:14–15; Fil 2:13 **16:2** Alle wegen van een man zijn zuiver in zijn eigen ogen, maar Yahweh weegt de geesten. Brontekst: כָּֽל (kal) = alle | דַּרְכֵי (darkhei) = wegen van | אִ֭ישׁ (ish) = een man | זַ֣ךְ (zakh) = zuiver | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | וְתֹכֵ֖ן (vetokhen) = maar weegt | רוּח֣וֹת (ruchot) = geesten | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹכֵן (tokhen), ‘weegt’: Yahweh stelt vast wat de geest van een mens waard is. Vergelijk Spr. 21:2 en 1 Sam. 16:7. Voetnoot : רוּחוֹת (ruchot), ‘geesten’: de innerlijke gezindheid, de drijfveren. Zie ook: 1 Sam 16:7; Spr 21:2; Spr 30:12; Jer 17:10; Luc 16:15 **16:3** Wentel je werken op Yahweh, dan zullen je plannen vaststaan. Brontekst: גֹּ֣ל (gol) = wentel | אֶל (el) = op | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | מַעֲשֶׂ֑יךָ (maaseikha) = je werken | וְ֝יִכֹּ֗נוּ (veyikonu) = dan staan vast | מַחְשְׁבֹתֶֽיךָ (machshevoteikha) = je plannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּל (gol), ‘wentel’: van גָּלַל (galal), ‘rollen’. De last van je werk leg je bij Yahweh neer. Vergelijk Ps. 22:9 en Ps. 37:5. Zie ook: Ps 22:9; Ps 37:4–5; Ps 37:5; Ps 55:23; Spr 3:6; Fil 4:6; 1 Petr 5:7 **16:4** Yahweh heeft alles gemaakt voor Zijn doel, ook de goddeloze voor de dag van rampspoed. Brontekst: כֹּ֤ל (kol) = alles | פָּעַ֣ל (paal) = heeft gemaakt | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | לַֽמַּעֲנֵ֑הוּ (lamaanehu) = voor Zijn doel | וְגַם (vegam) = en ook | רָ֝שָׁ֗ע (rasha) = de goddeloze | לְי֣וֹם (leyom) = voor de dag van | רָעָֽה (raa) = rampspoed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַֽמַּעֲנֵהוּ (lamma'anehu), ‘voor Zijn doel’: het woord kan ook betekenen ‘voor zijn antwoord’ (vergelijk 16:1) of ‘voor zichzelf’. Wij lezen: alles heeft in Yahweh's bedoeling zijn plaats. Voetnoot : יוֹם רָעָה (yom ra'ah), ‘dag van rampspoed’: de dag waarop het onheil komt. Zie ook: Jes 43:7; Jes 43:21; Rom 9:22; 1 Petr 2:8; 2 Petr 2:9 **16:5** Een gruwel voor Yahweh is ieder met een hooghartig hart. Hand in hand: hij blijft niet ongestraft. Brontekst: תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = een gruwel van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = is ieder | גְּבַהּ (gevah) = hooghartige van | לֵ֑ב (lev) = hart | יָ֥ד (yad) = hand | לְ֝יָ֗ד (leyad) = in hand | לֹ֣א (lo) = niet | יִנָּקֶֽה (yinaqe) = blijft ongestraft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (to'evah), ‘gruwel’: wat Yahweh verafschuwt. Voetnoot : יָד לְיָד (yad leyad), ‘hand in hand’: een uitdrukking die de zekerheid benadrukt, de betekenis is niet zeker: waarschijnlijk ‘zeker’ of ‘hand erop’. Dezelfde woorden staan in Spr. 11:21. Voetnoot : גְּבַהּ־לֵב (gevah-lev), ‘hooghartig’: letterlijk ‘hoog van hart’. Zie ook: Spr 6:16–17; Spr 8:13; Spr 11:21; Jak 4:6; Rom 2:8–9 **16:6** Door trouw en waarheid wordt schuld verzoend, en door de vrees voor Yahweh wijkt men af van het kwaad. Brontekst: בְּחֶ֣סֶד (bechesed) = door trouw | וֶ֭אֱמֶת (veemet) = en waarheid | יְכֻפַּ֣ר (yekhupar) = wordt verzoend | עָוֺ֑ן (avon) = schuld | וּבְיִרְאַ֥ת (uveyirat) = en door de vrees voor | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | ס֣וּר (sur) = afwijken | מֵרָֽע (mera) = van het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָוֺן (avon), ‘schuld’: ook ‘ongerechtigheid’. Voetnoot : יְכֻפַּר (yekhuppar), ‘wordt verzoend’: van כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet van wie de trouw en de waarheid zijn; wij laten dat open. Zie ook: Job 28:28; Spr 14:16; Dan 4:24; Luc 11:41; 2 Kor 7:1 **16:7** Als Yahweh behagen heeft in de wegen van een man, laat Hij zelfs zijn vijanden in vrede met hem zijn. Brontekst: בִּרְצ֣וֹת (birtsot) = als behagen heeft | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | דַּרְכֵי (darkhei) = in de wegen van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | גַּם (gam) = zelfs | א֝וֹיְבָ֗יו (oyevav) = zijn vijanden | יַשְׁלִ֥ם (yashlim) = laat Hij in vrede zijn | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַשְׁלִם (yashlim), ‘laat in vrede zijn’: van שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’. Hij laat zelfs zijn vijanden vrede met hem sluiten. Zie ook: 2 Kron 17:10; Jer 15:11; Rom 8:31; Kol 1:10; 1 Joh 3:22 **16:8** Beter weinig met gerechtigheid dan een grote opbrengst zonder recht. Brontekst: טוֹב (tov) = beter | מְ֭עַט (meat) = weinig | בִּצְדָקָ֑ה (bitsdaqa) = met gerechtigheid | מֵרֹ֥ב (merov) = dan een grote hoeveelheid van | תְּ֝בוּא֗וֹת (tevuot) = opbrengsten | בְּלֹ֣א (belo) = zonder | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:16; Spr 15:16; Spr 21:6–7; Jer 17:11; 1 Tim 6:6–9 **16:9** Het hart van een mens overdenkt zijn weg, maar Yahweh bepaalt zijn stappen. Brontekst: לֵ֣ב (lev) = het hart van | אָ֭דָם (adam) = een mens | יְחַשֵּׁ֣ב (yechashev) = overdenkt | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = zijn weg | וַֽ֝יהוָ֗ה (vaYahweh) = maar Yahweh | יָכִ֥ין (yakhin) = bepaalt | צַעֲדֽוֹ (tsaado) = zijn stappen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָכִין (yakhin), ‘bepaalt’: van כּוּן (kun), ‘vaststaan’; het woord staat ook in 16:3 en 16:12. Yahweh maakt de weg vast waar de mens het eerst bedacht. Zie ook: Ps 37:23; Spr 16:1; Spr 19:21; Spr 20:24; Jer 10:23 **16:10** Een godsspraak ligt op de lippen van een koning; zijn mond handelt niet ontrouw in het recht. Brontekst: קֶ֤סֶם (qesem) = een godsspraak | עַֽל (al) = op | שִׂפְתֵי (siftei) = de lippen van | מֶ֑לֶךְ (melekh) = een koning | בְּ֝מִשְׁפָּ֗ט (bemishpat) = in het recht | לֹ֣א (lo) = niet | יִמְעַל (yimal) = handelt ontrouw | פִּֽיו (piv) = zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶסֶם (qesem), ‘godsspraak’: elders betekent het woord ‘waarzeggerij’ en dat is verboden (Deut. 18:10). Hier gaat het om een uitspraak die gezag heeft, bijna als van Elohim. Het is een ander woord dan massa, ‘godsspraak’, in 30:1 en 31:1. Voetnoot : יִמְעַל (yim'al), ‘handelt ontrouw’: het woord wordt gebruikt voor trouwbreuk. Zie ook: Gen 44:5; Gen 44:15; Deut 18:10; Ps 45:7–8; Jes 32:1–2; Jer 23:5–6 **16:11** De weegschaal en de balans van het recht zijn van Yahweh; alle gewichtstenen in de zak zijn Zijn werk. Brontekst: פֶּ֤לֶס (peles) = de weegschaal | וּמֹאזְנֵ֣י (umoznei) = en de balans van | מִ֭שְׁפָּט (mishpat) = het recht | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = zijn van Yahweh | מַ֝עֲשֵׂ֗הוּ (maasehu) = Zijn werk | כָּל (kal) = alle | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | כִֽיס (kis) = de zak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּלֶס (peles), ‘weegschaal’; מֹאזְנֵי (mozne), ‘balans’. Een eerlijke maat is van Yahweh; vergelijk Spr. 11:1 en 20:23. Zie ook: Lev 19:35–36; Spr 11:1; Spr 20:10; Spr 20:23; Hos 12:8 **16:12** Het is een gruwel voor koningen om goddeloosheid te doen, want door gerechtigheid staat een troon vast. Brontekst: תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = een gruwel voor | מְ֭לָכִים (melakhim) = koningen | עֲשׂ֣וֹת (asot) = te doen | רֶ֑שַׁע (resha) = goddeloosheid | כִּ֥י (ki) = want | בִ֝צְדָקָ֗ה (bitsdaqa) = door gerechtigheid | יִכּ֥וֹן (yikon) = staat vast | כִּסֵּֽא (kise) = een troon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 99:4; Spr 25:5; Spr 28:9; Spr 29:14; Luc 12:48 **16:13** Lippen van gerechtigheid zijn het welbehagen van koningen, en wie oprechte dingen spreekt, heeft hij lief. Brontekst: רְצ֣וֹן (retson) = het welbehagen van | מְ֭לָכִים (melakhim) = koningen | שִׂפְתֵי (siftei) = lippen van | צֶ֑דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וְדֹבֵ֖ר (vedover) = en wie spreekt | יְשָׁרִ֣ים (yesharim) = oprechte dingen | יֶאֱהָֽב (yeehav) = heeft hij lief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶאֱהָב (ye'ehav): de koning heeft de oprechte spreker lief. Het woord kan ook als lijdende vorm gelezen worden: ‘wordt bemind’. De betekenis blijft dezelfde. Zie ook: Ps 101:5–7; Spr 14:35; Spr 22:11 **16:14** De woede van een koning is een boodschapper van de dood, maar een wijs man verzoent haar. Brontekst: חֲמַת (chamat) = de woede van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = een koning | מַלְאֲכֵי (malakhei) = boodschappers van | מָ֑וֶת (mavet) = de dood | וְאִ֖ישׁ (veish) = maar een man | חָכָ֣ם (chakham) = wijs | יְכַפְּרֶֽנָּה (yekhaperena) = verzoent haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְכַפְּרֶנָּה (yekhapperennah), ‘verzoent haar’: van כִּפֶּר (kipper). Hier gaat het om het bedaren van de woede, niet om offerverzoening. Zie ook: Spr 19:12; Spr 20:2; Pred 10:4; Dan 3:13–25; 2 Kor 5:20 **16:15** In het licht van het gezicht van een koning is leven, en zijn welbehagen is als een wolk van de voorjaarsregen. Brontekst: בְּאוֹר (beor) = in het licht van | פְּנֵי (penei) = het gezicht van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = een koning | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | וּ֝רְצוֹנ֗וֹ (uretsono) = en zijn welbehagen | כְּעָ֣ב (keav) = is als een wolk van | מַלְקֽוֹשׁ (malqosh) = de voorjaarsregen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘voorjaarsregen’: de late regen vóór de oogst. Die brengt het graan tot rijpheid, een beeld van de gunst van de koning. Zie ook: Job 29:23–24; Ps 72:6; Spr 19:12; Hos 6:3; Hand 2:28 **16:16** Wijsheid verwerven: hoeveel beter dan goud! En inzicht verwerven wordt verkozen boven zilver. Brontekst: קְֽנֹה (qeno) = verwerven | חָכְמָ֗ה (chakhema) = wijsheid | מַה (ma) = hoeveel | טּ֥וֹב (tov) = beter | מֵחָר֑וּץ (mecharuts) = dan goud | וּקְנ֥וֹת (uqenot) = en verwerven | בִּ֝ינָ֗ה (bina) = inzicht | נִבְחָ֥ר (nivchar) = wordt verkozen | מִכָּֽסֶף (mikasef) = boven zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְנֹה (qeno), ‘verwerven’: kopen, in bezit krijgen. Vergelijk Spr. 4:5 en 4:7. Zie ook: Spr 4:5; Spr 4:7; Spr 8:10–11; Spr 8:19; Mat 16:26; Luc 12:21 **16:17** De gebaande weg van de oprechten is: afwijken van het kwaad. Wie zijn ziel bewaakt, behoedt zijn weg. Brontekst: מְסִלַּ֣ת (mesilat) = de gebaande weg van | יְ֭שָׁרִים (yesharim) = oprechten | ס֣וּר (sur) = afwijken | מֵרָ֑ע (mera) = van het kwaad | שֹׁמֵ֥ר (shomer) = wie bewaakt | נַ֝פְשׁ֗וֹ (nafsho) = zijn ziel | נֹצֵ֥ר (notser) = behoedt | דַּרְכּֽוֹ (darko) = zijn weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven of de hele persoon. Voetnoot : מְסִלָּה (mesillah), ‘gebaande weg’: een opgehoogde en geëffende weg. Zie ook: Spr 10:9; Spr 19:16; Jes 35:8; Jud 1:21; Openb 3:10 **16:18** Voor de ondergang gaat hoogmoed, en voor de val een hooghartige geest. Brontekst: לִפְנֵי (lifnei) = voor | שֶׁ֥בֶר (shever) = de ondergang | גָּא֑וֹן (gaon) = hoogmoed | וְלִפְנֵ֥י (velifnei) = en voor | כִ֝שָּׁל֗וֹן (kishalon) = de val | גֹּ֣בַהּ (govah) = een hooghartige | רֽוּחַ (ruach) = geest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 11:2; Spr 18:12; Spr 29:23; Jes 2:11–12; Ob 1:3–4 **16:19** Beter nederig van geest te zijn met de nederigen dan de buit te verdelen met de hoogmoedigen. Brontekst: ט֣וֹב (tov) = beter | שְׁפַל (shefal) = nederig van | ר֭וּחַ (ruach) = geest | אֶת (et) = met | עֲנָוִ֑ים (anavim) = de nederigen | מֵֽחַלֵּ֥ק (mechaleq) = dan verdelen | שָׁ֝לָ֗ל (shalal) = buit | אֶת (et) = met | גֵּאִֽים (geim) = de hoogmoedigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’ is de lezing die wij volgen (qere). De geschreven tekst (ketiv) heeft עֲנִיִּים (aniyyim), ‘ellendigen’. Beide lezingen zijn oud en liggen dicht bij elkaar. Zie ook: Ex 15:9; Ps 34:19; Ps 138:6; Jes 57:15; Mat 5:3 **16:20** Wie met doorzicht handelt in een zaak, vindt het goede, en wie op Yahweh vertrouwt: gelukkig is hij! Brontekst: מַשְׂכִּ֣יל (maskil) = wie doorzicht heeft | עַל (al) = in | דָּ֭בָר (davar) = een zaak | יִמְצָא (yimtsa) = vindt | ט֑וֹב (tov) = het goede | וּבוֹטֵ֖חַ (uvoteach) = en wie vertrouwt | בַּיהוָ֣ה (baYahweh) = op Yahweh | אַשְׁרָֽיו (ashrav) = gelukkig is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשְׂכִּיל (maskil), ‘wie doorzicht heeft’: van שָׂכַל (sakal), ‘doorzicht hebben’. Wij vertalen deze woordfamilie met ‘doorzicht’ (zie Spr. 1:3; 16:22, 16:23; 17:2; 19:11). Voetnoot : דָּבָר (davar), ‘zaak’: ook ‘woord’. Dan staat er: ‘wie let op het woord’. Zie ook: Ps 2:12; Ps 34:9; Spr 1:3; Spr 16:22; Spr 16:23; Spr 17:2; Spr 19:11; Jes 26:3–4; Jes 30:18; Jer 17:7–8 **16:21** Wie wijs is van hart, wordt inzichtig genoemd, en zoetheid van de lippen vermeerdert de lering. Brontekst: לַחֲכַם (lachakham) = wie wijs is van | לֵ֭ב (lev) = hart | יִקָּרֵ֣א (yiqare) = wordt genoemd | נָב֑וֹן (navon) = inzichtig | וּמֶ֥תֶק (umeteq) = en de zoetheid van | שְׂ֝פָתַ֗יִם (sefatayim) = lippen | יֹסִ֥יף (yosif) = vermeerdert | לֶֽקַח (leqach) = lering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶקַח (leqach), ‘lering’: letterlijk ‘wat men aanneemt’. Het kan gaan om wat de spreker overbrengt, of om wat de hoorder opneemt. Wij laten dit open; zie ook 16:23. Zie ook: Spr 15:7; Spr 16:23–24; Spr 27:9; Jes 50:4; Jak 3:17 **16:22** Doorzicht is een bron van leven voor wie het bezit, maar de tucht van zotten is zotheid. Brontekst: מְק֣וֹר (meqor) = een bron van | חַ֭יִּים (chayim) = leven | שֵׂ֣כֶל (sekhel) = doorzicht | בְּעָלָ֑יו (bealav) = voor wie het bezit | וּמוּסַ֖ר (umusar) = maar de tucht van | אֱוִלִ֣ים (evilim) = zotten | אִוֶּֽלֶת (ivelet) = is zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱוִלִים (evilim), ‘zotten’ en אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: wij vertalen de woordfamilie van אֱוִיל (evil) met ‘zot’. De tucht die zotten krijgen of geven, brengt niets anders voort dan zotheid. Zie ook: Spr 10:11; Spr 13:14; Mat 15:14; Joh 5:24; Joh 6:63 **16:23** Het hart van de wijze geeft zijn mond doorzicht, en op zijn lippen vermeerdert het de lering. Brontekst: לֵ֣ב (lev) = het hart van | חָ֭כָם (chakham) = de wijze | יַשְׂכִּ֣יל (yaskil) = geeft doorzicht | פִּ֑יהוּ (pihu) = zijn mond | וְעַל (veal) = en op | שְׂ֝פָתָ֗יו (sefatav) = zijn lippen | יֹסִ֥יף (yosif) = vermeerdert het | לֶֽקַח (leqach) = lering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:30–31; Spr 15:28; Spr 22:17–18; Mat 12:34–35; Kol 3:16 **16:24** Een raat van honing zijn vriendelijke woorden: zoet voor de ziel en genezing voor het gebeente. Brontekst: צוּף (tsuf) = een raat van | דְּ֭בַשׁ (devash) = honing | אִמְרֵי (imrei) = woorden van | נֹ֑עַם (noam) = vriendelijkheid | מָת֥וֹק (matoq) = zoet | לַ֝נֶּפֶשׁ (lanefesh) = voor de ziel | וּמַרְפֵּ֥א (umarpe) = en genezing | לָעָֽצֶם (laatsem) = voor het gebeente Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de hele mens in zijn behoefte aan voedsel en rust. Voetnoot : עֶצֶם (etsem), ‘gebeente’: de botten, het hele lichaam. Zie ook: Spr 4:22; Spr 12:18; Spr 23:16; Spr 24:13–14; Spr 25:11–12 **16:25** Er is een weg die recht is voor het gezicht van een man, maar het einde ervan zijn wegen van de dood. Brontekst: יֵ֤שׁ (yesh) = er is | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = een weg | יָ֭שָׁר (yashar) = recht | לִפְנֵי (lifnei) = voor het gezicht van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וְ֝אַחֲרִיתָ֗הּ (veacharitah) = maar haar einde | דַּרְכֵי (darkhei) = wegen van | מָֽוֶת (mavet) = de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze spreuk staat ook in Spr. 14:12, in dezelfde woorden. Zie ook: Spr 12:15; Spr 12:26; Spr 14:12; Joh 7:47–49; 2 Kor 13:5 **16:26** De ziel van wie zwoegt, zwoegt voor hem, want zijn mond dringt bij hem aan. Brontekst: נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = de ziel van | עָ֭מֵל (amel) = wie zwoegt | עָ֣מְלָה (amela) = zwoegt | לּ֑וֹ (lo) = voor hem | כִּֽי (ki) = want | אָכַ֖ף (akhaf) = dringt aan | עָלָ֣יו (alav) = bij hem | פִּֽיהוּ (pihu) = zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ עָמֵל (nefesh amel), ‘de ziel van wie zwoegt’: het gaat om de honger of begeerte van de arbeider. Zijn eigen mond, zijn honger, drijft hem aan om te zwoegen. Voetnoot : אָכַף (akhaf), ‘dringt aan’: een zeldzaam werkwoord, ongeveer ‘voortdrijven’. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Spr 9:12; Spr 14:23; Pred 6:7; 1 Tess 4:11–12; 2 Tess 3:8–12 **16:27** Een man van Belial graaft naar kwaad, en op zijn lip is het als brandend vuur. Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = een man van | בְּ֭לִיַּעַל (beliyaal) = Belial | כֹּרֶ֣ה (kore) = graaft | רָעָ֑ה (raa) = kwaad | וְעַל (veal) = en op | שְׂ֝פָת֗וֹ (sefato) = zijn lip | כְּאֵ֣שׁ (keesh) = is als vuur | צָרָֽבֶת (tsaravet) = brandend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliyya'al), ‘Belial’: letterlijk ‘waardeloosheid’; een man van Belial is een nietsnut en kwaaddoener. Zoals in Ps. 18:5. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is שְׂפָתָיו (sefatav), ‘zijn lippen’. De gelezen vorm (qere) is שְׂפָתוֹ (sefato), ‘zijn lip’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 17:14–15; Ps 18:5; Ps 52:4–6; Ps 57:5; Spr 6:14; Jak 3:6 **16:28** Een man van verdraaidheid zendt twist uit, en een roddelaar scheidt een hechte vriend. Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = een man van | תַּ֭הְפֻּכוֹת (tahpukhot) = verdraaidheid | יְשַׁלַּ֣ח (yeshalach) = zendt uit | מָד֑וֹן (madon) = twist | וְ֝נִרְגָּ֗ן (venirgan) = en een roddelaar | מַפְרִ֥יד (mafrid) = scheidt | אַלּֽוּף (aluf) = een hechte vriend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִרְגָּן (nirgan), ‘roddelaar’: iemand die heimelijk kwaad spreekt. Zie ook 18:8 en 26:20 en 26:22. Voetnoot : אַלּוּף (alluf), ‘hechte vriend’: ook ‘leider, vertrouweling’. Zie ook 17:9. Zie ook: Spr 6:14; Spr 17:9; Spr 18:8; Jak 3:14–16; Rom 1:29 **16:29** Een man van geweld verleidt zijn naaste en laat hem gaan op een weg die niet goed is. Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = een man van | חָ֭מָס (chamas) = geweld | יְפַתֶּ֣ה (yefate) = verleidt | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וְ֝הוֹלִיכ֗וֹ (veholikho) = en laat hem gaan | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op een weg | לֹא (lo) = niet | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 1:10–14; Spr 2:12–15; Spr 3:31; Spr 12:26; 2 Petr 3:17 **16:30** Wie zijn ogen dichtknijpt om verdraaidheid te bedenken en zijn lippen samenperst, heeft kwaad voltooid. Brontekst: עֹצֶ֣ה (otse) = wie dichtknijpt | עֵ֭ינָיו (einav) = zijn ogen | לַחְשֹׁ֣ב (lachshov) = om te bedenken | תַּהְפֻּכ֑וֹת (tahpukhot) = verdraaidheid | קֹרֵ֥ץ (qorets) = wie samenperst | שְׂ֝פָתָ֗יו (sefatav) = zijn lippen | כִּלָּ֥ה (kila) = heeft voltooid | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹצֶה (otseh), ‘dichtknijpt’ en קֹרֵץ (qorets), ‘samenperst’: gebaren van iemand die in stilte kwaad beraamt. De betekenis van beide werkwoorden is niet helemaal zeker. Zie ook: Spr 6:12–14; Spr 10:10; Spr 16:27; Mat 13:15; Mat 14:7–8 **16:31** Grijs haar is een kroon van luister; op de weg van gerechtigheid wordt het gevonden. Brontekst: עֲטֶ֣רֶת (ateret) = een kroon van | תִּפְאֶ֣רֶת (tiferet) = luister | שֵׂיבָ֑ה (seiva) = grijs haar | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = op de weg van | צְ֝דָקָ֗ה (tsedaqa) = gerechtigheid | תִּמָּצֵֽא (timatse) = wordt gevonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׂיבָה (seivah), ‘grijs haar’: het teken van een lang leven. Het is alleen een kroon op de weg van gerechtigheid. Zie ook: Lev 19:32; 1 Sam 12:2–5; Spr 3:1–2; Spr 17:6; Spr 20:29 **16:32** Beter wie traag is tot toorn dan een held, en wie over zijn geest heerst dan wie een stad inneemt. Brontekst: ט֤וֹב (tov) = beter | אֶ֣רֶךְ (erekh) = lang van | אַ֭פַּיִם (apayim) = toorn | מִגִּבּ֑וֹר (migibor) = dan een held | וּמֹשֵׁ֥ל (umoshel) = en wie heerst | בְּ֝רוּח֗וֹ (berucho) = over zijn geest | מִלֹּכֵ֥ד (milokhed) = dan wie inneemt | עִֽיר (ir) = een stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶרֶךְ אַפַּיִם (erekh apayim), ‘traag tot toorn’: letterlijk ‘lang van neus’; de adem blijft lang, de woede komt laat. Zo wordt ook Yahweh beschreven (Exod. 34:6). Zie ook: Ex 34:6; Spr 14:29; Spr 15:18; Spr 19:11; Spr 25:28; Jak 1:19 **16:33** In de plooi van het kleed wordt het lot geworpen, maar elke uitspraak daarover komt van Yahweh. Brontekst: בַּ֭חֵיק (bacheiq) = in de plooi van het kleed | יוּטַ֣ל (yutal) = wordt geworpen | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹרָ֑ל (hagoral) = het lot | וּ֝מֵיְהוָ֗ה (umeYahweh) = maar van Yahweh | כָּל (kal) = komt alle | מִשְׁפָּטֽוֹ (mishpato) = zijn uitspraak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵיק (cheiq), ‘plooi van het kleed’: de schoot of boezem van het gewaad, waarin de lotstenen lagen. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat) betekent meestal ‘recht’. Hier gaat het om de uitspraak die het lot doet. Vergelijk Num. 26:55 en Joz. 18:6. Zie ook: Num 26:55; Joz 18:6; 1 Sam 14:41–42; Spr 18:18; Spr 29:26; Jona 1:7; Hand 1:26 ## Spreuken 17 _Vrede, ruzie, vriendschap en de dwaas_ **17:1** Beter een droge korst en rust daarbij dan een huis vol slachtoffers van ruzie. Brontekst: ט֤וֹב (tov) = beter | פַּ֣ת (pat) = een korst | חֲ֭רֵבָה (chareva) = droog | וְשַׁלְוָה (veshalva) = en rust | בָ֑הּ (bah) = daarbij | מִ֝בַּ֗יִת (mibayit) = dan een huis | מָלֵ֥א (male) = vol | זִבְחֵי (zivchei) = slachtoffers van | רִֽיב (riv) = ruzie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִבְחֵי (zivche), ‘slachtoffers’: het vlees van slachtoffers dat bij een feestmaal gegeten werd (vergelijk Ps. 4:6). Een huis vol feestvlees, maar vol ruzie. Voetnoot : רִיב (riv), ‘ruzie’: ook ‘geschil, rechtszaak’. Zie ook: Ps 4:6; Ps 37:16; Spr 7:14; Spr 15:17; Spr 21:9; Spr 21:19 **17:2** Een dienaar met doorzicht zal heersen over een zoon die schande brengt, en te midden van de broers zal hij een erfdeel verdelen. Brontekst: עֶֽבֶד (eved) = een dienaar | מַשְׂכִּ֗יל (maskil) = met doorzicht | יִ֭מְשֹׁל (yimshol) = zal heersen | בְּבֵ֣ן (beven) = over een zoon | מֵבִ֑ישׁ (mevish) = die schande brengt | וּבְת֥וֹךְ (uvetokh) = en te midden van | אַ֝חִ֗ים (achim) = broers | יַחֲלֹ֥ק (yachaloq) = zal hij verdelen | נַחֲלָֽה (nachala) = een erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבֶד (eved), ‘dienaar’: een dienaar die met doorzicht handelt, kan meer gezag krijgen dan een zoon die schande brengt. Zie 16:20 voor ‘doorzicht’. Zie ook: Spr 10:5; Spr 11:29; Spr 14:35; Spr 19:26; Pred 4:13 **17:3** De smeltkroes is voor het zilver en de oven voor het goud, maar Yahweh toetst de harten. Brontekst: מַצְרֵ֣ף (matsref) = de smeltkroes | לַ֭כֶּסֶף (lakesef) = is voor het zilver | וְכ֣וּר (vekhur) = en de oven | לַזָּהָ֑ב (lazahav) = voor het goud | וּבֹחֵ֖ן (uvochen) = maar wie toetst | לִבּ֣וֹת (libot) = harten | יְהוָֽה (Yahweh) = is Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden als in Spr. 27:21, maar met Yahweh als wie de harten toetst. Vergelijk Ps. 26:2 en Jer. 17:10. Zie ook: 1 Kron 29:17; Ps 26:2; Spr 27:21; Jes 48:10; Jer 17:10 **17:4** Een kwaaddoener let op lippen van onheil; een leugenaar luistert naar een tong van verwoesting. Brontekst: מֵ֭רַע (mera) = een kwaaddoener | מַקְשִׁ֣יב (maqshiv) = let op | עַל (al) = op | שְׂפַת (sefat) = de lippen van | אָ֑וֶן (aven) = onheil | שֶׁ֥קֶר (sheqer) = een leugenaar | מֵ֝זִין (mezin) = luistert | עַל (al) = naar | לְשׁ֥וֹן (leshon) = de tong van | הַוֺּֽת (havot) = verwoesting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָוֶן (aven), ‘onheil’; הַוּוֹת (havvot), ‘verwoesting’. De kwaaddoener en de leugenaar luisteren graag naar kwaadsprekers. Voetnoot : שֶׁקֶר (sheqer) is eigenlijk ‘leugen’; hier staat het voor de leugenaar zelf. Zie ook: Spr 28:4; Jes 30:10; Jer 5:31; 2 Tim 4:3–4; 1 Joh 4:5 **17:5** Wie een berooide bespot, smaadt zijn Maker. Wie zich verheugt over een ramp, blijft niet ongestraft. Brontekst: לֹעֵ֣ג (loeg) = wie bespot | לָ֭רָשׁ (larash) = de berooide | חֵרֵ֣ף (cheref) = smaadt | עֹשֵׂ֑הוּ (osehu) = zijn Maker | שָׂמֵ֥חַ (sameach) = wie zich verheugt | לְ֝אֵ֗יד (leeid) = over een ramp | לֹ֣א (lo) = niet | יִנָּקֶֽה (yinaqe) = blijft ongestraft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹשֵׂהוּ (osehu), ‘zijn Maker’: de berooide is door Elohim gemaakt; wie hem bespot, hoont dus Hem. Vergelijk Spr. 14:31 en Job 31:15. Voetnoot : רָשׁ (rash), ‘berooide’: wie niets bezit. Zie ook: Job 31:15; Job 31:29; Spr 14:31; Ob 1:11–13; Rom 12:15; 1 Joh 3:17 **17:6** De kroon van de ouden zijn de kleinkinderen, en de luister van de kinderen zijn hun vaders. Brontekst: עֲטֶ֣רֶת (ateret) = een kroon van | זְ֭קֵנִים (zeqenim) = ouden | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | בָנִ֑ים (banim) = zonen | וְתִפְאֶ֖רֶת (vetiferet) = en de luister van | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | אֲבוֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי בָנִים (bene vanim), ‘kleinkinderen’: letterlijk ‘zonen van zonen’. בָּנִים (banim), ‘kinderen’: ook ‘zonen’. Zie ook: Ex 3:14–15; Ps 127:3–5; Ps 128:3–6; Spr 13:22; Spr 16:31 **17:7** Voortreffelijke taal past niet bij een dwaze; hoeveel te minder past leugentaal bij een edele. Brontekst: לֹא (lo) = niet | נָאוָ֣ה (nava) = past | לְנָבָ֣ל (lenaval) = bij een dwaze | שְׂפַת (sefat) = taal van | יֶ֑תֶר (yeter) = voortreffelijkheid | אַ֝֗ף (af) = hoeveel te minder | כִּֽי (ki) = dat | לְנָדִ֥יב (lenadiv) = bij een edele | שְׂפַת (sefat) = taal van | שָֽׁקֶר (shaqer) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂפַת יֶתֶר (sefat yeter), ‘voortreffelijke taal’: letterlijk ‘lip van voortreffelijkheid’. Het woord yeter betekent ook ‘overvloed’; dan is het ‘overdreven taal’. Een dwaze past voortreffelijke taal niet; een edele past leugentaal nog minder. Voetnoot : נָבָל (naval), ‘dwaze’; נָדִיב (nadiv), ‘edele’: wie een edel karakter heeft. Zie ook: 2 Sam 23:3; Ps 50:16–17; Ps 101:3–5; Spr 16:10–13; Spr 29:12 **17:8** Een steen van gunst is de steekpenning in de ogen van wie hem bezit; waarheen hij zich ook wendt, hij handelt met doorzicht. Brontekst: אֶֽבֶן (even) = een steen van | חֵ֣ן (chen) = gunst | הַ֭שֹּׁחַד (hashochad) = de steekpenning | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | בְעָלָ֑יו (bealav) = wie hem bezit | אֶֽל (el) = naar | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֖ר (asher) = waarheen | יִפְנֶ֣ה (yifne) = hij zich wendt | יַשְׂכִּֽיל (yaskil) = handelt hij met doorzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: een geschenk dat het recht buigt (vergelijk Exod. 23:8). Hier wordt vastgesteld wat de bezitter ervan ziet: voor hem is het een kostbare steen. De spreuk keurt het niet goed. Voetnoot : יַשְׂכִּיל (yaskil), ‘handelt met doorzicht’: van שָׂכַל (sakal), ‘doorzicht hebben’; hier ook ‘slagen, succes hebben’. Zie ook: Ex 23:8; 1 Sam 25:35; Amos 5:12; Jes 1:23; Mi 7:3 **17:9** Wie een overtreding bedekt, zoekt liefde, maar wie een zaak blijft herhalen, scheidt een hechte vriend. Brontekst: מְֽכַסֶּה (mekhase) = wie bedekt | פֶּ֭שַׁע (pesha) = overtreding | מְבַקֵּ֣שׁ (mevaqesh) = zoekt | אַהֲבָ֑ה (ahava) = liefde | וְשֹׁנֶ֥ה (veshone) = maar wie herhaalt | בְ֝דָבָ֗ר (bedavar) = een zaak | מַפְרִ֥יד (mafrid) = scheidt | אַלּֽוּף (aluf) = een hechte vriend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁנֶה בְּדָבָר (shoneh bedavar), ‘een zaak herhalen’: een oude zaak blijven oprakelen. Vergelijk 16:28 voor ‘hechte vriend’. Zie ook: Ps 32:1; Spr 10:12; Spr 16:28; 1 Petr 4:8 **17:10** Een bestraffing dringt dieper in bij wie inzicht heeft dan honderd slagen bij een dwaas. Brontekst: תֵּ֣חַת (techat) = dringt in | גְּעָרָ֣ה (geara) = een bestraffing | בְמֵבִ֑ין (bemevin) = bij wie inzicht heeft | מֵהַכּ֖וֹת (mehakot) = meer dan het slaan van | כְּסִ֣יל (kesil) = een dwaas | מֵאָֽה (mea) = honderd keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּחַת (techat), ‘dringt in’: letterlijk ‘daalt neer’. De bestraffing daalt diep in iemand met inzicht; een dwaas voelt honderd slagen niet. Zie ook: Spr 9:8–9; Spr 15:5; Spr 19:25; Spr 27:22; Openb 3:19 **17:11** Slechts opstand zoekt een kwade, maar een wrede bode wordt tegen hem gezonden. Brontekst: אַךְ (akh) = slechts | מְרִ֥י (meri) = opstand | יְבַקֶּשׁ (yevaqesh) = zoekt | רָ֑ע (ra) = een kwade | וּמַלְאָ֥ךְ (umalakh) = en een boodschapper | אַ֝כְזָרִ֗י (akhzari) = wrede | יְשֻׁלַּח (yeshulach) = wordt gezonden | בּֽוֹ (bo) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָע (ra), ‘een kwade’: het Hebreeuws heeft hier alleen het woord ‘kwaad’; wij lezen het als een kwaad mens. De wrede bode is een straf of een vijand die hem treft; zijn naam wordt niet genoemd. Zie ook: 2 Sam 16:5–9; 2 Sam 18:15; 2 Sam 20:22; 1 Kon 2:46; Mat 22:7 **17:12** Laat een man een beer ontmoeten die van haar jongen beroofd is, maar niet een dwaas in zijn zotheid. Brontekst: פָּג֬וֹשׁ (pagosh) = laat ontmoeten | דֹּ֣ב (dov) = een beer | שַׁכּ֣וּל (shakul) = beroofd van jongen | בְּאִ֑ישׁ (beish) = een man | וְאַל (veal) = maar niet | כְּ֝סִ֗יל (kesil) = een dwaas | בְּאִוַּלְתּֽוֹ (beivalto) = in zijn zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁכּוּל (shakkul), ‘beroofd van jongen’: een berin die haar jongen kwijt is, is zeer gevaarlijk. Vergelijk 2 Sam. 17:8 en Hos. 13:8. Voetnoot : אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: zie 16:22. Zie ook: 2 Sam 17:8; Spr 27:3; Spr 28:15; 2 Kon 2:24; Hos 13:8 **17:13** Wie kwaad teruggeeft in plaats van goed: het kwaad zal niet wijken uit zijn huis. Brontekst: מֵשִׁ֣יב (meshiv) = wie teruggeeft | רָ֭עָה (raa) = kwaad | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | טוֹבָ֑ה (tova) = goed | לֹא (lo) = niet | תָמ֥וּשׁ (tamush) = zal wijken | רָ֝עָ֗ה (raa) = kwaad | מִבֵּיתֽוֹ (mibeito) = uit zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is תמיש (tamish), de gelezen vorm (qere) is תָמוּשׁ (tamush), ‘wijkt’. Het is een spellingsverschil; de betekenis is gelijk. Zie ook: Ps 35:12; Ps 55:13–16; Ps 109:4–13; Rom 12:17; 1 Petr 3:9 **17:14** Water laten uitstromen is het begin van twist; laat de ruzie dus varen voordat die losbarst. Brontekst: פּ֣וֹטֵֽר (poter) = het loslaten van | מַ֭יִם (mayim) = water | רֵאשִׁ֣ית (reshit) = het begin van | מָד֑וֹן (madon) = twist | וְלִפְנֵ֥י (velifnei) = dus voordat | הִ֝תְגַּלַּ֗ע (hitgala) = losbarst | הָרִ֥יב (hariv) = de ruzie | נְטֽוֹשׁ (netosh) = laat varen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פּוֹטֵר מַיִם (poter mayim), ‘water laten uitstromen’: een dijk doorsteken. Twist begint klein, maar is daarna niet meer te stoppen. Voetnoot : הִתְגַּלַּע (hitgalla), ‘losbarst’: het werkwoord wordt ook in 18:1 gebruikt. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Spr 20:3; Spr 25:8; Pred 7:8–9; 1 Tess 4:11; 2 Tim 2:23–24 **17:15** Wie de goddeloze rechtvaardig verklaart en de rechtvaardige schuldig verklaart: een gruwel voor Yahweh zijn zij beiden. Brontekst: מַצְדִּ֣יק (matsdiq) = wie rechtvaardig verklaart | רָ֭שָׁע (rasha) = de goddeloze | וּמַרְשִׁ֣יעַ (umarshia) = en wie schuldig verklaart | צַדִּ֑יק (tsadiq) = de rechtvaardige | תּוֹעֲבַ֥ת (toavat) = een gruwel van | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | גַּם (gam) = ook | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = beiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצְדִּיק (matsdiq), ‘rechtvaardig verklaart’; מַרְשִׁיעַ (marshia), ‘schuldig verklaart’: dit zijn rechterlijke uitspraken. Vergelijk Exod. 23:7 en Deut. 25:1. Zie ook: Ex 23:7; Deut 25:1; Spr 18:5; Spr 24:23–24; Amos 6:12; Jes 5:23 **17:16** Waartoe dient een prijs in de hand van een dwaas om wijsheid te kopen, als hij geen hart heeft? Brontekst: לָמָּה (lama) = waartoe | זֶּ֣ה (ze) = dit | מְחִ֣יר (mechir) = een prijs | בְּיַד (beyad) = in de hand van | כְּסִ֑יל (kesil) = een dwaas | לִקְנ֖וֹת (liqnot) = om te kopen | חָכְמָ֣ה (chakhema) = wijsheid | וְלֶב (velev) = als hart | אָֽיִן (ayin) = niet is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְלֶב אָיִן (velev ayin), ‘en geen hart’: lev (‘hart’) is in het Hebreeuws ook de plaats van het verstand. Wie geen hart heeft, mist inzicht. Zie ook: Deut 5:29; Spr 8:4–5; Spr 21:25–26; Spr 23:23; Hand 28:26–27 **17:17** Een naaste heeft op elk moment lief, en een broer wordt geboren voor de nood. Brontekst: בְּכָל (bekhal) = op elk | עֵ֭ת (et) = moment | אֹהֵ֣ב (ohev) = heeft lief | הָרֵ֑עַ (harea) = de naaste | וְאָ֥ח (veach) = en een broer | לְ֝צָרָ֗ה (letsara) = voor de nood | יִוָּלֵֽד (yivaled) = wordt geboren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֵעַ (hare'a), ‘de naaste’: ook ‘de vriend’. Het gaat om een naaste die op elk moment trouw blijft, tegenover een broer die in de nood zijn plaats inneemt. Zie ook: Ruth 1:16; 1 Sam 18:3; 1 Sam 20:17; Spr 18:24; Joh 15:13–14 **17:18** Een mens zonder hart slaat de hand en staat borg ten overstaan van zijn naaste. Brontekst: אָדָ֣ם (adam) = een mens | חֲסַר (chasar) = zonder | לֵ֭ב (lev) = hart | תּוֹקֵ֣עַ (toqea) = slaat | כָּ֑ף (kaf) = de hand | עֹרֵ֥ב (orev) = staat borg | עֲ֝רֻבָּ֗ה (aruba) = borgtocht | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het gezicht van | רֵעֵֽהוּ (reehu) = zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹקֵעַ כָּף (toqea kaf), ‘slaat de hand’: een handslag, waarmee men zich borg stelde. Vergelijk Spr. 6:1 en 11:15. Zie ook: Spr 6:1–5; Spr 11:15; Spr 20:16; Spr 22:16; Spr 22:26–27 **17:19** Wie overtreding liefheeft, heeft strijd lief; wie zijn poort hoog maakt, zoekt de ondergang. Brontekst: אֹ֣הֵֽב (ohev) = wie liefheeft | פֶּ֭שַׁע (pesha) = overtreding | אֹהֵ֣ב (ohev) = heeft lief | מַצָּ֑ה (matsa) = strijd | מַגְבִּ֥יהַּ (magbiha) = wie hoog maakt | פִּ֝תְח֗וֹ (pitcho) = zijn poort | מְבַקֶּשׁ (mevaqesh) = zoekt | שָֽׁבֶר (shaver) = ondergang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַגְבִּיהַּ פִּתְחוֹ (magbiah pitcho), ‘zijn poort hoog maakt’: zijn deur of mond groot maken, dus opscheppen of overdreven bouwen. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : מַצָּה (matsah), ‘strijd’. Zie ook: 1 Sam 25:36–38; Spr 16:18; Spr 18:12; Spr 29:9; Jak 3:14–16 **17:20** Wie krom is van hart, vindt het goede niet, en wie verdraaid is in zijn tong, valt in het kwaad. Brontekst: עִקֶּשׁ (iqesh) = krom van | לֵ֭ב (lev) = hart | לֹ֣א (lo) = niet | יִמְצָא (yimtsa) = vindt | ט֑וֹב (tov) = het goede | וְנֶהְפָּ֥ךְ (venehpakh) = en wie verdraaid is | בִּ֝לְשׁוֹנ֗וֹ (bilshono) = in zijn tong | יִפּ֥וֹל (yipol) = valt | בְּרָעָֽה (beraa) = in kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִקֶּשׁ (iqqesh), ‘krom’; נֶהְפָּךְ (nehpakh), ‘verdraaid’: vergelijk תַּהְפֻּכוֹת (tahpukhot), ‘verdraaidheid’ in 16:28 en 16:30. Zie ook: Spr 3:32; Spr 10:14; Spr 10:31; Pred 10:12; Jak 3:6–8 **17:21** Wie een dwaas verwekt, heeft er verdriet van, en de vader van een dwaze zal zich niet verheugen. Brontekst: יֹלֵ֣ד (yoled) = wie verwekt | כְּ֭סִיל (kesil) = een dwaas | לְת֣וּגָה (letuga) = tot verdriet | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִ֝שְׂמַ֗ח (yismach) = zal zich verheugen | אֲבִ֣י (avi) = de vader van | נָבָֽל (naval) = een dwaze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 10:1 en 15:20. נָבָל (naval), ‘dwaze’; כְּסִיל (kesil), ‘dwaas’. Zie ook: Gen 26:34; 1 Sam 2:32–35; Spr 10:1; Spr 15:20; Spr 19:13; Spr 23:15–16 **17:22** Een vrolijk hart werkt goed als genezing, maar een verslagen geest droogt het gebeente uit. Brontekst: לֵ֣ב (lev) = een hart | שָׂ֭מֵחַ (sameach) = vrolijk | יֵיטִ֣ב (yeitiv) = werkt goed | גֵּהָ֑ה (geha) = als genezing | וְר֥וּחַ (veruach) = maar een geest | נְ֝כֵאָ֗ה (nekhea) = verslagen | תְּיַבֶּשׁ (teyabesh) = droogt uit | גָּֽרֶם (garem) = het gebeente Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּהָה (gehah), ‘genezing’: een zeldzaam woord. Het kan ook ‘lichaam’ betekenen; dan zegt de spreuk dat een vrolijk hart het lichaam goed doet. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Gebeente is hier het hele lichaam. Vergelijk Spr. 15:13 en 15:30. Zie ook: Spr 12:25; Spr 15:13; Spr 15:30; Spr 18:14; 2 Kor 7:10; Rom 5:2–5 **17:23** Een goddeloze neemt een steekpenning uit zijn plooi om de paden van het recht te buigen. Brontekst: שֹׁ֣חַד (shochad) = een steekpenning | מֵ֭חֵיק (mecheiq) = uit de plooi van het kleed | רָשָׁ֣ע (rasha) = een goddeloze | יִקָּ֑ח (yiqach) = neemt | לְ֝הַטּ֗וֹת (lehatot) = om te buigen | אָרְח֥וֹת (arechot) = de paden van | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: zoals in 17:8. De plooi van het kleed is de plaats waar men het geld verborg. Zie ook: Ex 23:8; Deut 16:19; Spr 17:8; Jes 1:23; Mi 7:3 **17:24** Wijsheid is voor het gezicht van wie inzicht heeft, maar de ogen van een dwaas zijn aan het einde van de aarde. Brontekst: אֶת (et) = (bij) | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | מֵבִ֣ין (mevin) = wie inzicht heeft | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְעֵינֵ֥י (veeinei) = maar de ogen van | כְ֝סִ֗יל (kesil) = een dwaas | בִּקְצֵה (biqtse) = aan het einde van | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De dwaas zoekt wijsheid ver weg, aan het einde van de aarde, terwijl wie inzicht heeft haar voor zich ziet. Zie ook: Ps 119:37; Spr 14:6; Spr 15:14; Pred 2:14; Pred 8:1 **17:25** Een dwaze zoon is verdriet voor zijn vader en bitterheid voor wie hem baarde. Brontekst: כַּ֣עַס (kaas) = verdriet | לְ֭אָבִיו (leaviv) = voor zijn vader | בֵּ֣ן (ben) = een zoon | כְּסִ֑יל (kesil) = dwaas | וּ֝מֶ֗מֶר (umemer) = en bitterheid | לְיוֹלַדְתּֽוֹ (leyoladto) = voor wie hem baarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 13:1–22; Spr 10:1; Spr 15:20; Spr 19:13; Pred 2:18–19 **17:26** Ook een boete opleggen aan de rechtvaardige is niet goed, en edelen slaan om hun oprechtheid. Brontekst: גַּ֤ם (gam) = ook | עֲנ֣וֹשׁ (anosh) = een boete opleggen | לַצַּדִּ֣יק (latsadiq) = aan de rechtvaardige | לֹא (lo) = niet | ט֑וֹב (tov) = goed | לְהַכּ֖וֹת (lehakot) = slaan | נְדִיבִ֣ים (nedivim) = edelen | עַל (al) = om | יֹֽשֶׁר (yosher) = oprechtheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹנֶשׁ (onesh), ‘boete’: een straf in geld; ook ‘straf’. נְדִיבִים (nedivim), ‘edelen’: de leiders. Het slaan van edelen om hun oprechtheid is even onrecht als een boete aan de rechtvaardige. Zie ook: Job 34:18–19; 2 Sam 3:39; Spr 17:15; Spr 18:5; Joh 18:22 **17:27** Wie zijn woorden spaart, heeft kennis, en wie kostbaar is van geest, is een man van verstand. Brontekst: חוֹשֵׂ֣ךְ (chosekh) = wie spaart | אֲ֭מָרָיו (amarav) = zijn woorden | יוֹדֵ֣עַ (yodea) = heeft | דָּ֑עַת (daat) = kennis | יְקַר (yeqar) = kostbaar van | ר֝֗וּחַ (ruach) = geest | אִ֣ישׁ (ish) = een man van | תְּבוּנָֽה (tevuna) = verstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יְקַר (yeqar), ‘kostbaar van’ is de lezing die wij volgen (qere). De geschreven tekst (ketiv) heeft וְקַר (veqar), ‘en koel van’. Dan staat er: ‘een koele geest’, dus rustig en beheerst. Beide lezingen geven een goede betekenis. Zie ook: Spr 10:19; Spr 14:29; Spr 15:28; Jak 1:19; Jak 3:18 **17:28** Zelfs een zot die zwijgt, wordt voor wijs gehouden, en wie zijn lippen sluit, voor inzichtig. Brontekst: גַּ֤ם (gam) = zelfs | אֱוִ֣יל (evil) = een zot | מַ֭חֲרִישׁ (macharish) = die zwijgt | חָכָ֣ם (chakham) = wijs | יֵחָשֵׁ֑ב (yechashev) = wordt gerekend | אֹטֵ֖ם (otem) = wie sluit | שְׂפָתָ֣יו (sefatav) = zijn lippen | נָבֽוֹן (navon) = inzichtig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱוִיל (evil), ‘zot’; נָבוֹן (navon), ‘inzichtig’: wie inzicht heeft. Zwijgen laat een zot wijs lijken. Zie ook: Job 13:5; Spr 15:2; Pred 5:2; Pred 10:3; Pred 10:14 ## Spreuken 18 _Woorden, de dwaas en de toren van Yahweh's naam_ **18:1** Wie zich afzondert, zoekt zijn eigen begeerte; tegen elk degelijk beleid breekt hij los. Brontekst: לְֽ֭תַאֲוָה (letaava) = naar begeerte | יְבַקֵּ֣שׁ (yevaqesh) = zoekt | נִפְרָ֑ד (nifrad) = wie zich afzondert | בְּכָל (bekhal) = tegen alle | תּ֝וּשִׁיָּ֗ה (tushiya) = degelijk beleid | יִתְגַּלָּֽע (yitgala) = breekt hij los Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze spreuk is moeilijk. נִפְרָד (nifrad), ‘wie zich afzondert’, zoekt zijn eigen begeerte (תַּאֲוָה, ta'avah) en breekt los tegen elk degelijk beleid. Voetnoot : תּוּשִׁיָּה (tushiyyah), ‘degelijk beleid’: zoals in Spr. 2:7 en 8:14; bruikbaar inzicht dat werkt. Het woord is zeldzaam. Voetnoot : יִתְגַּלָּע (yitgalla), ‘breekt los’: hetzelfde werkwoord als in 17:14. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Spr 2:1–6; Spr 2:7; Spr 8:14; Spr 20:3; Spr 24:21; Jer 15:17; Ef 5:15–17 **18:2** Een dwaas heeft geen lust in verstand, maar alleen in het openbaren van zijn hart. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יַחְפֹּ֣ץ (yachpots) = heeft lust | כְּ֭סִיל (kesil) = een dwaas | בִּתְבוּנָ֑ה (bitvuna) = in verstand | כִּ֝֗י (ki) = maar | אִֽם (im) = alleen | בְּהִתְגַּלּ֥וֹת (behitgalot) = in het openbaren van | לִבּֽוֹ (libo) = zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’; בְּהִתְגַּלּוֹת לִבּוֹ (behitgallot libbo), ‘in het openbaren van zijn hart’: de dwaas wil zijn eigen mening kwijt, niet leren. Zie ook: Ps 1:1–2; Spr 1:7; Spr 12:23; Spr 13:16; Spr 17:16 **18:3** Als een goddeloze komt, komt ook minachting, en met schande komt hoon. Brontekst: בְּֽבוֹא (bevo) = bij het komen van | רָ֭שָׁע (rasha) = een goddeloze | בָּ֣א (ba) = komt | גַם (gam) = ook | בּ֑וּז (buz) = minachting | וְֽעִם (veim) = en met | קָל֥וֹן (qalon) = schande | חֶרְפָּֽה (cherpa) = hoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בּוּז (buz), ‘minachting’; קָלוֹן (qalon), ‘schande’; חֶרְפָּה (cherpah), ‘hoon’: de goddeloze brengt deze drie met zich mee. Zie ook: Spr 11:2; Spr 22:10; Spr 29:16; 1 Petr 4:4; 1 Petr 4:14 **18:4** Diepe wateren zijn de woorden uit de mond van een man; een opwellende beek is de bron van wijsheid. Brontekst: מַ֣יִם (mayim) = wateren | עֲ֭מֻקִּים (amuqim) = diep | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | פִי (pi) = de mond van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | נַ֥חַל (nachal) = een beek | נֹ֝בֵ֗עַ (novea) = opwellend | מְק֣וֹר (meqor) = een bron van | חָכְמָֽה (chakhema) = wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 10:11; Spr 13:14; Spr 20:5; Joh 4:14; Kol 4:6 **18:5** Het gezicht van een goddeloze opheffen is niet goed, om de rechtvaardige in het recht te buigen. Brontekst: שְׂאֵ֣ת (seet) = opheffen | פְּנֵי (penei) = het gezicht van | רָשָׁ֣ע (rasha) = een goddeloze | לֹא (lo) = niet | ט֑וֹב (tov) = goed | לְהַטּ֥וֹת (lehatot) = om te buigen | צַ֝דִּ֗יק (tsadiq) = de rechtvaardige | בַּמִּשְׁפָּֽט (bamishpat) = in het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂאֵת פְּנֵי (se'et pene), ‘het gezicht opheffen’: partijdig zijn en iemand ontzien om zijn persoon. Vergelijk Lev. 19:15. Voetnoot : לְהַטּוֹת (lehattot), ‘buigen’: het recht verdraaien of de rechtvaardige zijn recht ontnemen. Zie ook 17:23. Zie ook: Lev 19:15; Deut 16:19; Ps 82:2; Spr 24:23; Spr 28:21 **18:6** De lippen van een dwaas komen in ruzie, en zijn mond roept om slagen. Brontekst: שִׂפְתֵ֣י (siftei) = de lippen van | כְ֭סִיל (kesil) = een dwaas | יָבֹ֣אֽוּ (yavou) = komen | בְרִ֑יב (beriv) = in ruzie | וּ֝פִ֗יו (ufiv) = en zijn mond | לְֽמַהֲלֻמ֥וֹת (lemahalumot) = om slagen | יִקְרָֽא (yiqra) = roept Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַהֲלֻמוֹת (mahalumot), ‘slagen’: een zeldzaam woord; de dwaas lokt door zijn gepraat slagen uit. Zie ook: Spr 14:3; Spr 16:27–28; Spr 22:24–25; Spr 25:24; Spr 27:3 **18:7** De mond van een dwaas is zijn verderf, en zijn lippen zijn een strik voor zijn ziel. Brontekst: פִּֽי (pi) = de mond van | כְ֭סִיל (kesil) = een dwaas | מְחִתָּה (mechita) = verderf | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וּ֝שְׂפָתָ֗יו (usefatav) = en zijn lippen | מוֹקֵ֥שׁ (moqesh) = een strik voor | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְחִתָּה (mechittah), ‘verderf’: ook ‘schrik, instorting’. נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het leven. Zie ook: Ps 64:9; Ps 140:10; Spr 10:14; Spr 12:13; Spr 13:3 **18:8** De woorden van een roddelaar zijn als lekkernijen, en zij dalen af in de kamers van de buik. Brontekst: דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | נִ֭רְגָּן (nirgan) = een roddelaar | כְּמִֽתְלַהֲמִ֑ים (kemitlahamim) = zijn als lekkernijen | וְ֝הֵ֗ם (vehem) = en zij | יָרְד֥וּ (yaredu) = dalen af | חַדְרֵי (chadrei) = in de kamers van | בָֽטֶן (baten) = de buik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּמִתְלַהֲמִים (kemitlahamim), ‘als lekkernijen’: een zeldzaam woord. Het kan ook ‘gretig geslikt’ betekenen. De spreuk staat ook in Spr. 26:22, in dezelfde woorden. Voetnoot : נִרְגָּן (nirgan), ‘roddelaar’: zie 16:28. Zie ook: Lev 19:16; Ps 52:4; Spr 12:18; Spr 16:28; Spr 26:20–22; Spr 26:22 **18:9** Ook wie slap is in zijn werk, is een broer van een verwoester. Brontekst: גַּ֭ם (gam) = ook | מִתְרַפֶּ֣ה (mitrape) = wie slap is | בִמְלַאכְתּ֑וֹ (bimlakhto) = in zijn werk | אָ֥ח (ach) = een broer | ה֝֗וּא (hu) = is hij | לְבַ֣עַל (levaal) = van een heer van | מַשְׁחִֽית (mashchit) = verwoesting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעַל מַשְׁחִית (ba'al mashchit), ‘verwoester’: letterlijk ‘heer van verderf’. Nalatigheid verwoest net zo goed als vernieling; de luiaard is de broer van de verwoester. Vergelijk Spr. 12:24 en 19:15. Zie ook: Spr 10:4; Spr 12:24; Spr 19:15; Spr 23:20–21; Spr 24:30–34; Rom 12:11; Heb 6:12 **18:10** De naam van Yahweh is een toren van kracht; de rechtvaardige rent erheen en is veilig. Brontekst: מִגְדַּל (migdal) = een toren van | עֹ֭ז (oz) = kracht | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בּֽוֹ (bo) = daarheen | יָר֖וּץ (yaruts) = rent | צַדִּ֣יק (tsadiq) = de rechtvaardige | וְנִשְׂגָּֽב (venisgav) = en is veilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁם יְהוָה (shem Yahweh), ‘de naam van Yahweh’: Yahweh zelf, zoals Hij Zich bekend maakt. Vergelijk Ps. 20:2 en Ps. 124:8. Voetnoot : נִשְׂגָּב (nisgav), ‘is veilig’: letterlijk ‘wordt te hoog gesteld’, onbereikbaar voor wie hem wil raken. Hetzelfde werkwoord staat in 18:11. Zie ook: 2 Sam 22:3; Ps 20:2; Ps 61:4–5; Ps 91:2; Ps 124:8; Ps 144:2; Jes 26:4 **18:11** Het vermogen van de rijke is zijn sterke stad, en in zijn verbeelding is het als een hoge muur. Brontekst: ה֣וֹן (hon) = het vermogen van | עָ֭שִׁיר (ashir) = de rijke | קִרְיַ֣ת (qiryat) = de stad van | עֻזּ֑וֹ (uzo) = zijn kracht | וּכְחוֹמָ֥ה (ukhechoma) = en als een muur | נִ֝שְׂגָּבָ֗ה (nisgava) = hoge | בְּמַשְׂכִּיתֽוֹ (bemaskito) = in zijn verbeelding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde eerste helft staat in Spr. 10:15. בְּמַשְׂכִּיתוֹ (bemaskito), ‘in zijn verbeelding’: een zeldzaam woord, ook ‘afbeelding’ of ‘voorstelling’ (Lev. 26:1). De rijke denkt dat zijn bezit hem beschermt. Hier staat het tegenover de naam van Yahweh in 18:10. Zie ook: Lev 26:1; Deut 32:31; Ps 52:7–9; Spr 10:15; Pred 7:12; Luc 12:19–21 **18:12** Voor de ondergang verheft zich het hart van een man, en voor de eer gaat nederigheid. Brontekst: לִפְנֵי (lifnei) = voor | שֶׁ֭בֶר (shever) = de ondergang | יִגְבַּ֣הּ (yigbah) = verheft zich | לֵב (lev) = het hart van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וְלִפְנֵ֖י (velifnei) = en voor | כָב֣וֹד (kavod) = eer | עֲנָוָֽה (anava) = nederigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tweede helft is gelijk aan Spr. 15:33b. Vergelijk Spr. 16:18 voor ‘voor de ondergang’. Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: bij een mens ‘eer’; bij Yahweh ‘heerlijkheid’. Zie ook: Spr 11:2; Spr 15:33; Spr 16:18; Ezech 28:2; 1 Petr 5:5 **18:13** Wie antwoordt voordat hij hoort: zotheid is dat voor hem, en schande. Brontekst: מֵשִׁ֣יב (meshiv) = wie antwoordt | דָּ֭בָר (davar) = een woord | בְּטֶ֣רֶם (beterem) = voordat | יִשְׁמָ֑ע (yishma) = hij hoort | אִוֶּ֥לֶת (ivelet) = zotheid | הִיא (hi) = is het | ל֝֗וֹ (lo) = voor hem | וּכְלִמָּֽה (ukhelima) = en schande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: zie 16:22. Zie ook: Job 29:16; Deut 13:15; Spr 20:25; Est 8:5–17; Joh 7:51 **18:14** De geest van een man houdt zijn ziekte overeind, maar een verslagen geest, wie kan die dragen? Brontekst: רֽוּחַ (ruach) = de geest van | אִ֭ישׁ (ish) = een man | יְכַלְכֵּ֣ל (yekhalkel) = houdt overeind | מַחֲלֵ֑הוּ (machalehu) = zijn ziekte | וְר֥וּחַ (veruach) = maar een geest | נְ֝כֵאָ֗ה (nekhea) = verslagen | מִ֣י (mi) = wie | יִשָּׂאֶֽנָּה (yisaena) = kan haar dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘geest’: de innerlijke kracht die een mens door ziekte heen draagt. Zonder die kracht, met een verslagen geest, is niets te dragen. Vergelijk 17:22. Zie ook: Ps 147:3; Spr 15:13; Spr 17:22; 2 Kor 12:9–10; 1 Petr 1:6 **18:15** Het hart van een inzichtige verwerft kennis, en het oor van de wijzen zoekt kennis. Brontekst: לֵ֣ב (lev) = het hart van | נָ֭בוֹן (navon) = een inzichtige | יִקְנֶה (yiqne) = verwerft | דָּ֑עַת (daat) = kennis | וְאֹ֥זֶן (veozen) = en het oor van | חֲ֝כָמִ֗ים (chakhamim) = wijzen | תְּבַקֶּשׁ (tevaqesh) = zoekt | דָּֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 1:5; Spr 9:9; Spr 15:14; Luc 10:39; Jak 1:5 **18:16** De gift van een mens maakt ruimte voor hem en leidt hem voor het gezicht van grote mannen. Brontekst: מַתָּ֣ן (matan) = de gift van | אָ֭דָם (adam) = een mens | יַרְחִ֣יב (yarchiv) = maakt ruim | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וְלִפְנֵ֖י (velifnei) = en voor het gezicht van | גְדֹלִ֣ים (gedolim) = grote mannen | יַנְחֶֽנּוּ (yanchenu) = leidt zij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַתָּן (mattan), ‘gift’: een gift opent deuren. De spreuk zegt niet dat dit goed of fout is. Zie ook: Gen 33:10; Gen 43:11; 1 Sam 25:27; Spr 17:8; Spr 19:6 **18:17** De eerste in zijn zaak is rechtvaardig; dan komt zijn naaste en onderzoekt hem. Brontekst: צַדִּ֣יק (tsadiq) = rechtvaardig | הָרִאשׁ֣וֹן (harishon) = de eerste | בְּרִיב֑וֹ (berivo) = in zijn zaak | וּבָֽא (uva) = dan komt | רֵ֝עֵ֗הוּ (reehu) = zijn naaste | וַחֲקָרֽוֹ (vachaqaro) = en onderzoekt hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִיבוֹ (verivo), ‘in zijn zaak’: riv betekent ‘ruzie’ en ook ‘rechtszaak’; hier gaat het om een zaak voor de rechter. Wie het eerst spreekt, lijkt gelijk te hebben, totdat de ander hem ondervraagt. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יָבֹא (yavo), ‘komt’. De gelezen vorm (qere) is וּבָא (uva), ‘en komt’. Wij volgen het qere; de betekenis blijft gelijk. Zie ook: 2 Sam 16:1–3; 2 Sam 19:25–28; Spr 18:13; Hand 24:5–6; Hand 24:12–13 **18:18** Het lot doet twisten ophouden en scheidt tussen machtigen. Brontekst: מִ֭דְיָנִים (midyanim) = twisten | יַשְׁבִּ֣ית (yashbit) = doet ophouden | הַגּוֹרָ֑ל (hagoral) = het lot | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | עֲצוּמִ֣ים (atsumim) = machtigen | יַפְרִֽיד (yafrid) = scheidt het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגּוֹרָל (hagoral), ‘het lot’: bij een twist werd soms door het lot beslist, zoals in 16:33. Het lot beslist tussen sterke partijen. Voetnoot : מִדְיָנִים (midyanim), ‘twisten’: zo ook in 18:19. Zie ook: 1 Sam 14:42; 1 Kron 6:48; 1 Kron 24:31; Spr 16:33; Neh 11:1 **18:19** Een gekrenkte broer is sterker dan een sterke stad, en twisten zijn als de grendel van een burcht. Brontekst: אָ֗ח (ach) = een broer | נִפְשָׁ֥ע (nifsha) = gekrenkt | מִקִּרְיַת (miqiryat) = meer dan een stad van | עֹ֑ז (oz) = kracht | וּ֝מִדְיָנִ֗ים (umidyanim) = en twisten | כִּבְרִ֥יחַ (kivriach) = zijn als een grendel van | אַרְמֽוֹן (armon) = een burcht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is kort: ‘een gekrenkte broer, [meer] dan een sterke stad’. Wij vullen niets aan buiten ‘sterker dan’. Veel vertalers lezen: ‘een gekrenkte broer is moeilijker te winnen dan een sterke stad’. Voetnoot : נִפְשָׁע (nifsha): een broer tegen wie een overtreding (פֶּשַׁע, pesha) is begaan. Voetnoot : מִדְיָנִים (midyanim), ‘twisten’: ketiv (de geschreven tekst) heeft מדונים (madonim), een ander woord voor ‘twisten’. Het verschil is klein. Voetnoot : אַרְמוֹן (armon), ‘burcht’: de versterkte toren van een paleis. Zie ook: Gen 37:3–5; Spr 6:19; Spr 16:32; 1 Kon 12:16; Hand 15:39 **18:20** Van de vrucht van de mond van een man wordt zijn buik verzadigd; van de opbrengst van zijn lippen wordt hij verzadigd. Brontekst: מִפְּרִ֣י (miperi) = van de vrucht van | פִי (pi) = de mond van | אִ֭ישׁ (ish) = een man | תִּשְׂבַּ֣ע (tisba) = wordt verzadigd | בִּטְנ֑וֹ (bitno) = zijn buik | תְּבוּאַ֖ת (tevuat) = van de opbrengst van | שְׂפָתָ֣יו (sefatav) = zijn lippen | יִשְׂבָּֽע (yisba) = wordt hij verzadigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 12:13–14; Spr 13:2; Spr 22:18; Spr 22:21; Spr 25:11–12 **18:21** Dood en leven zijn in de hand van de tong, en wie haar liefheeft, eet haar vrucht. Brontekst: מָ֣וֶת (mavet) = dood | וְ֭חַיִּים (vechayim) = en leven | בְּיַד (beyad) = in de hand van | לָשׁ֑וֹן (lashon) = de tong | וְ֝אֹהֲבֶ֗יהָ (veohaveiha) = en wie haar liefheeft | יֹאכַ֥ל (yokhal) = eet | פִּרְיָֽהּ (piryah) = haar vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּיַד־לָשׁוֹן (beyad-lashon), ‘in de hand van de tong’: de tong heeft de macht over leven en dood. Wie veel spreekt, krijgt de gevolgen. Vergelijk Spr. 12:14 en 13:3. Zie ook: Spr 10:19–21; Spr 12:14; Spr 13:3; Mat 12:35–37; Jak 3:6–9; Ef 4:29; Kol 4:6 **18:22** Wie een vrouw vindt, vindt iets goeds en verkrijgt welbehagen van Yahweh. Brontekst: מָצָ֣א (matsa) = wie vindt | אִ֭שָּׁה (isha) = een vrouw | מָ֣צָא (matsa) = vindt | ט֑וֹב (tov) = iets goeds | וַיָּ֥פֶק (vayafeq) = en verkrijgt | רָ֝צ֗וֹן (ratson) = welbehagen | מֵיְהוָֽה (meYahweh) = van Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִשָּׁה (ishah), ‘vrouw’: ook ‘echtgenote’. Vergelijk Spr. 12:4 en 19:14. Voetnoot : רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’: zoals in 16:13 en 16:15. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen hebben ‘een goede vrouw’. Wij volgen de Hebreeuwse tekst. Zie ook: Spr 12:4; Spr 19:14; Spr 31:10–31; Pred 9:9; 1 Kor 7:2 **18:23** De berooide spreekt smeekbeden, maar de rijke antwoordt hard. Brontekst: תַּחֲנוּנִ֥ים (tachanunim) = smeekbeden | יְדַבֶּר (yedaber) = spreekt | רָ֑שׁ (rash) = de berooide | וְ֝עָשִׁ֗יר (veashir) = maar de rijke | יַעֲנֶ֥ה (yaane) = antwoordt | עַזּֽוֹת (azot) = hard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָשׁ (rash), ‘berooide’: zie 17:5. עַזּוֹת (azzot), ‘hard’: letterlijk ‘hardheden’. Zie ook: Ex 5:2; 2 Kon 4:1–2; Jak 1:9–11; Jak 2:3; Jak 2:6 **18:24** Een man met naasten kan zichzelf te gronde richten, maar er is er een die liefheeft en nauwer aanhangt dan een broer. Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = een man van | רֵ֭עִים (reim) = naasten | לְהִתְרֹעֵ֑עַ (lehitroea) = om zich te gronde te richten | וְיֵ֥שׁ (veyesh) = maar er is | אֹ֝הֵ֗ב (ohev) = een die liefheeft | דָּבֵ֥ק (daveq) = aanhangend | מֵאָֽח (meach) = meer dan een broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: לְהִתְרֹעֵעַ (lehitro'ea), ‘om zich te gronde te richten’: de klinkers van de Masoretische tekst lezen een zeldzame vorm van רָעַע (ra'a), ‘breken, verwoesten’. Een andere lezing is לְהִתְרֵעַ (lehitre'a), ‘om zich als naaste te gedragen’, van רֵעַ (re'a), ‘naaste’ (ook ‘vriend’). Dan zegt de spreuk: ‘Een man met naasten moet zelf een naaste zijn’. De betekenis is onzeker. Wij volgen de klinkers. Voetnoot : אֹהֵב (ohev), ‘die liefheeft’: een liefhebbende vriend, die trouwer is dan een broer. Zie ook 17:17. Zie ook: 1 Sam 19:4–5; 2 Sam 1:26; Spr 17:17; Spr 27:9; Joh 15:13–15 ## Spreuken 19 _Armoede en rijkdom, tucht en de raad van Yahweh_ **19:1** Beter is een berooide die in zijn onberispelijkheid wandelt dan iemand met verdraaide lippen, die een dwaas is. Brontekst: טֽוֹב (tov) = beter | רָ֭שׁ (rash) = een berooide | הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = die wandelt | בְּתֻמּ֑וֹ (betumo) = in zijn onberispelijkheid | מֵעִקֵּ֥שׁ (meiqesh) = dan een verdraaide van | שְׂ֝פָתָ֗יו (sefatav) = zijn lippen | וְה֣וּא (vehu) = en hij | כְסִֽיל (kesil) = een dwaas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָשׁ (rash), ‘berooide’: iemand die niets bezit. בְּתֻמּוֹ (tummo) is ‘zijn onberispelijkheid’: leven zonder fout of bedrog. Voetnoot : Zie ook Spr. 28:6, waar dezelfde spreuk een iets andere tweede helft heeft. Zie ook: Spr 16:8; Spr 19:22; Spr 20:7; Spr 28:6; Mat 16:26 **19:2** Ook een ziel zonder kennis is niet goed, en wie haastig is met zijn voeten, zondigt. Brontekst: גַּ֤ם (gam) = ook | בְּלֹא (belo) = zonder | דַ֣עַת (daat) = kennis | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = de ziel | לֹא (lo) = niet | ט֑וֹב (tov) = goed | וְאָ֖ץ (veats) = en haastig | בְּרַגְלַ֣יִם (beraglayim) = met de voeten | חוֹטֵֽא (chote) = zondigt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: zie Spr. 1:18; hier de hele persoon. Voetnoot : חוֹטֵא (chote), ‘zondigt’: het werkwoord betekent letterlijk ‘het doel missen’. Wie haastig loopt, mist zijn weg. Zie ook: Spr 1:18; Spr 21:5; Spr 29:20; Pred 7:9; Jes 28:16; Fil 1:9 **19:3** De zotheid van een mens verdraait zijn weg, en zijn hart raast tegen Yahweh. Brontekst: אִוֶּ֣לֶת (ivelet) = zotheid van | אָ֭דָם (adam) = een mens | תְּסַלֵּ֣ף (tesalef) = verdraait | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = zijn weg | וְעַל (veal) = en tegen | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יִזְעַ֥ף (yizaf) = raast | לִבּֽוֹ (libo) = zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: het verwante woord (evil) vertalen wij met ‘zot’. יִזְעַף (yiz’af), ‘raast’: kookt van boosheid. De mens verdraait zelf zijn weg en geeft dan Yahweh de schuld. Zie ook: 1 Sam 22:13–23; Ps 37:7; Spr 11:3; 2 Kron 16:9–10; Openb 16:9–11 **19:4** Vermogen voegt veel naasten toe, maar een geringe wordt van zijn naaste gescheiden. Brontekst: ה֗וֹן (hon) = vermogen | יֹ֭סִיף (yosif) = voegt toe | רֵעִ֣ים (reim) = naasten | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | וְ֝דָ֗ל (vedal) = maar een geringe | מֵרֵ֥עהוּ (merehu) = van zijn naaste | יִפָּרֵֽד (yipared) = wordt gescheiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:13–17; Spr 10:15; Spr 14:20; Spr 19:6–7; Luc 15:13–15 **19:5** Een getuige van leugens blijft niet ongestraft, en wie leugens uitblaast, ontkomt niet. Brontekst: עֵ֣ד (ed) = een getuige van | שְׁ֭קָרִים (sheqarim) = leugens | לֹ֣א (lo) = niet | יִנָּקֶ֑ה (yinaqe) = blijft ongestraft | וְיָפִ֥יחַ (veyafiach) = en wie uitblaast | כְּ֝זָבִ֗ים (kezavim) = leugens | לֹ֣א (lo) = niet | יִמָּלֵֽט (yimalet) = ontkomt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:1; Deut 5:11; Spr 6:19; Spr 19:9; Spr 21:28 **19:6** Velen zoeken de gunst van een edele, en ieder is een naaste van wie giften geeft. Brontekst: רַ֭בִּים (rabim) = velen | יְחַלּ֣וּ (yechalu) = zoeken de gunst van | פְנֵֽי (penei) = het gelaat van | נָדִ֑יב (nadiv) = een edele | וְכָל (vekhal) = en ieder | הָ֝רֵ֗עַ (harea) = de naaste | לְאִ֣ישׁ (leish) = van de man van | מַתָּֽן (matan) = giften Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵעַ (re'a), ‘naaste’: ook ‘vriend’. מַתָּן (mattan), ‘gift’: zoals in 18:16. Voetnoot : יְחַלּוּ (yechalu), letterlijk ‘zij strelen/verzachten’, met ‘het gelaat van’: iemand proberen gunstig te stemmen. Zie ook: Gen 42:6; Spr 17:8; Spr 18:16; Spr 29:26; Rom 6:23 **19:7** Alle broers van een berooide haten hem. Hoeveel te meer houden zijn naasten zich ver van hem. Hij jaagt woorden na; zij zijn van hem. Brontekst: כָּ֥ל (kal) = alle | אֲחֵי (achei) = broers van | רָ֨שׁ (rash) = een berooide | שְֽׂנֵאֻ֗הוּ (seneuhu) = haten hem | אַ֤ף (af) = hoeveel | כִּ֣י (ki) = te meer | מְ֭רֵעֵהוּ (mereehu) = zijn naasten | רָחֲק֣וּ (rachaqu) = houden zich ver | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = van hem | מְרַדֵּ֖ף (meradef) = hij die najaagt | אֲמָרִ֣ים (amarim) = woorden | לוֹ (lo) = van hem | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲמָרִים (amarim), ‘woorden’: beloften en praatjes waarmee de berooide hulp zoekt. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is לֹא (lo), ‘niet’: ‘hij jaagt woorden na, maar zij zijn er niet’. De gelezen vorm (qere) is לוֹ (lo), ‘voor hem’. Wij volgen het qere; de zin is moeilijk. Zie ook: Ps 38:12; Ps 88:9; Spr 19:4; Jak 2:15–16; 1 Joh 3:17–18 **19:8** Wie een hart verwerft, bemint zijn eigen ziel; wie verstand bewaart, vindt het goede. Brontekst: קֹֽנֶה (qone) = wie verwerft | לֵּ֭ב (lev) = een hart | אֹהֵ֣ב (ohev) = bemint | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn ziel | שֹׁמֵ֥ר (shomer) = wie bewaart | תְּ֝בוּנָ֗ה (tevuna) = verstand | לִמְצֹא (limtso) = om te vinden | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵּב (lev), ‘hart’: in Spreuken is het hart de plaats van denken en willen; ‘een hart verwerven’ is verstand krijgen. Voetnoot : תְּבוּנָה (tevuna), ‘verstand’. Letterlijk staat er: ‘om het goede te vinden’. Zie ook: Spr 3:18; Spr 4:6; Spr 8:35–36; Spr 16:20; 1 Petr 3:10 **19:9** Een getuige van leugens blijft niet ongestraft, en wie leugens uitblaast, komt om. Brontekst: עֵ֣ד (ed) = een getuige van | שְׁ֭קָרִים (sheqarim) = leugens | לֹ֣א (lo) = niet | יִנָּקֶ֑ה (yinaqe) = blijft ongestraft | וְיָפִ֖יחַ (veyafiach) = en wie uitblaast | כְּזָבִ֣ים (kezavim) = leugens | יֹאבֵֽד (yoved) = komt om Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde spreuk als Spr. 19:5; alleen het slot verschilt (‘komt om’ in plaats van ‘ontkomt niet’). Zie ook: Spr 19:5; Jer 28:15–17; Openb 19:20; Openb 21:8; Openb 22:15 **19:10** Genot past een dwaas niet. Hoeveel te minder past het een dienaar over vorsten te heersen. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | נָאוֶ֣ה (nave) = past | לִכְסִ֣יל (likhsil) = een dwaas | תַּעֲנ֑וּג (taanug) = genot | אַ֝֗ף (af) = hoeveel | כִּֽי (ki) = te minder | לְעֶ֤בֶד (leeved) = een dienaar | מְשֹׁ֬ל (meshol) = te heersen | בְּשָׂרִֽים (besarim) = over vorsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעֶבֶד (eved), ‘dienaar’: iemand in dienst, die geen recht heeft om te heersen. Zie ook Spr. 30:22. Zie ook: Spr 26:1; Spr 30:21–22; Spr 30:22; Pred 10:5–7; Luc 16:19; Luc 16:23 **19:11** Het doorzicht van een mens stelt zijn toorn uit, en het is zijn sieraad voorbij te gaan aan een overtreding. Brontekst: שֵׂ֣כֶל (sekhel) = doorzicht van | אָ֭דָם (adam) = een mens | הֶאֱרִ֣יךְ (heerikh) = stelt uit | אַפּ֑וֹ (apo) = zijn toorn | וְ֝תִפאַרְתּ֗וֹ (vetifarto) = en zijn sieraad | עֲבֹ֣ר (avor) = voorbij te gaan | עַל (al) = aan | פָּֽשַׁע (pasha) = overtreding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׂכֶל (sechel), ‘doorzicht’: de gave om dingen goed te overzien. הֶאֱרִיךְ (he’erich), letterlijk ‘maakt lang’: de toorn laat lang op zich wachten. Zie ook: Spr 14:29; Spr 15:18; Spr 16:32; Jak 1:19; Kol 3:12–13 **19:12** Het gebrul van een jonge leeuw is de gramschap van een koning, maar zijn welbehagen is als dauw op het gras. Brontekst: נַ֣הַם (naham) = gebrul | כַּ֭כְּפִיר (kakefir) = als van een jonge leeuw | זַ֣עַף (zaaf) = gramschap van | מֶ֑לֶךְ (melekh) = een koning | וּכְטַ֖ל (ukhetal) = en als dauw | עַל (al) = op | עֵ֣שֶׂב (esev) = gras | רְצוֹנֽוֹ (retsono) = zijn welbehagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 16:14–15; Spr 20:2; Spr 28:15; Hos 14:6; Luc 12:4–5 **19:13** Een dwaze zoon is een ramp voor zijn vader, en de twisten van een vrouw zijn een voortdurend druipend dak. Brontekst: הַוֺּ֣ת (havot) = ramp | לְ֭אָבִיו (leaviv) = voor zijn vader | בֵּ֣ן (ben) = een zoon | כְּסִ֑יל (kesil) = dwaze | וְדֶ֥לֶף (vedelef) = en een druipen van | טֹ֝רֵ֗ד (tored) = voortdurend | מִדְיְנֵ֥י (midyenei) = twisten van | אִשָּֽׁה (isha) = een vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַוֺּת (havot), ‘ramp’: ook ‘verderf’. De druipende dakgoot staat ook in Spr. 27:15. Voetnoot : מִדְיְנֵי (midyenei), ‘twisten van’: de vrouw die steeds twist. Zie ook: Spr 10:1; Spr 17:21; Spr 21:9; Spr 25:24; Spr 27:15 **19:14** Huis en vermogen zijn een erfdeel van vaders, maar een vrouw met doorzicht komt van Yahweh. Brontekst: בַּ֣יִת (bayit) = huis | וָ֭הוֹן (vahon) = en vermogen | נַחֲלַ֣ת (nachalat) = erfdeel van | אָב֑וֹת (avot) = vaders | וּ֝מֵיְהוָ֗ה (umeYahweh) = maar van Yahweh | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | מַשְׂכָּֽלֶת (maskalet) = met doorzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשְׂכָּלֶת (maskelet), ‘met doorzicht’: een vrouw die oordeelt en handelt met inzicht. Zij is een gave van Yahweh, anders dan huis en geld, die van vaders komen. Zie ook: Spr 3:6; Spr 13:22; Spr 18:22; Spr 31:10–31; Jak 1:17 **19:15** Luiheid laat diepe slaap vallen, en een slap mens lijdt honger. Brontekst: עַ֭צְלָה (atsla) = luiheid | תַּפִּ֣יל (tapil) = laat vallen | תַּרְדֵּמָ֑ה (tardema) = diepe slaap | וְנֶ֖פֶשׁ (venefesh) = en een mens | רְמִיָּ֣ה (remiya) = slap | תִרְעָֽב (tirav) = lijdt honger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְמִיָּה (remiyah), ‘slap’: het woord kan ook ‘bedrieglijk’ betekenen. Het gaat om de houding van wie niet wil werken. Zie ook: Spr 6:9–10; Spr 20:13; Spr 23:21; 2 Tess 3:10; Rom 13:11–12 **19:16** Wie het gebod bewaart, bewaart zijn leven; wie zijn wegen veracht, zal sterven. Brontekst: שֹׁמֵ֣ר (shomer) = wie bewaart | מִ֭צְוָה (mitsva) = het gebod | שֹׁמֵ֣ר (shomer) = bewaart | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn leven | בּוֹזֵ֖ה (boze) = wie veracht | דְרָכָ֣יו (derakhav) = zijn wegen | יָמֽוּת (yamut) = zal sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יוּמַת (yumat), ‘wordt ter dood gebracht’. De gelezen vorm (qere) is יָמוּת (yamut), ‘zal sterven’. Wij volgen het qere. Zie ook: Spr 13:13; Luc 10:28; Luc 11:28; 1 Joh 3:22; 1 Joh 5:3 **19:17** Wie zich ontfermt over een geringe, leent aan Yahweh. Zijn daad zal Hij hem vergelden. Brontekst: מַלְוֵ֣ה (malve) = wie leent aan | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | ח֣וֹנֵֽן (chonen) = wie zich ontfermt over | דָּ֑ל (dal) = een geringe | וּ֝גְמֻל֗וֹ (ugemulo) = en zijn daad | יְשַׁלֶּם (yeshalem) = zal Hij vergelden | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּגְמֻלוֹ (gemulo), ‘zijn daad’: ook ‘wat hij verdient’. Yahweh vergeldt wat een mens de geringe heeft gedaan. Zie ook: Spr 28:27; Mat 25:40; Luc 6:38; 2 Kor 9:6–8; Heb 6:10 **19:18** Tuchtig je zoon, want er is hoop, maar richt je ziel niet op zijn dood. Brontekst: יַסֵּ֣ר (yaser) = tuchtig | בִּ֭נְךָ (binkha) = je zoon | כִּי (ki) = want | יֵ֣שׁ (yesh) = er is | תִּקְוָ֑ה (tiqva) = hoop | וְאֶל (veel) = en naar | הֲ֝מִית֗וֹ (hamito) = zijn doden | אַל (al) = niet | תִּשָּׂ֥א (tisa) = richt | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַסֵּר (yasser), ‘tuchtig’, hoort bij מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht, vermaning’. Voetnoot : Het slot van de spreuk is moeilijk. Letterlijk: ‘richt je ziel niet op zijn doden’. Dit kan ook zijn: ‘laat je door zijn geschreeuw niet tot zijn dood brengen’. Zie ook: Spr 13:24; Spr 22:15; Spr 23:13–14; Spr 29:15; Heb 12:7–10 **19:19** Een man met grote woede draagt de straf. Want als je hem redt, moet je het nog eens doen. Brontekst: גְּֽדָל (gedal) = groot van | חֵ֭מָה (chema) = woede | נֹ֣שֵׂא (nose) = draagt | עֹ֑נֶשׁ (onesh) = straf | כִּ֥י (ki) = want | אִם (im) = als | תַּ֝צִּ֗יל (tatsil) = je redt | וְע֣וֹד (veod) = en nog | תּוֹסִֽף (tosif) = je voegt toe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreuk is moeilijk. Letterlijk staat er: ‘een groot van woede draagt straf; want als je redt, dan voeg je nog toe’. Wij nemen het zo: wie zijn woede niet leert beheersen, wordt steeds weer gered en valt steeds weer terug. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is גרל (gerol); de gelezen vorm (qere) is גְּדָל (gedal), ‘groot’. Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Sam 24:18–23; 1 Sam 26:21–25; 2 Sam 16:5–6; Spr 25:28; Spr 29:22 **19:20** Luister naar raad en aanvaard tucht, zodat je wijs wordt in je toekomst. Brontekst: שְׁמַ֣ע (shema) = luister | עֵ֭צָה (etsa) = naar raad | וְקַבֵּ֣ל (veqabel) = en aanvaard | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | לְ֝מַ֗עַן (lemaan) = zodat | תֶּחְכַּ֥ם (techkam) = je wijs wordt | בְּאַחֲרִיתֶֽךָ (beacharitekha) = in je toekomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאַחֲרִיתֶךָ (be’acharitekha), ‘in je toekomst’: ook ‘aan je einde’ of ‘in je laatste tijd’. Zie ook: Spr 1:8; Spr 2:1–9; Spr 4:1; Spr 8:34–35; Spr 12:15 **19:21** Veel plannen zijn er in het hart van een man, maar de raad van Yahweh, die houdt stand. Brontekst: רַבּ֣וֹת (rabot) = veel | מַחֲשָׁב֣וֹת (machashavot) = plannen | בְּלֶב (belev) = in het hart van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וַעֲצַ֥ת (vaatsat) = maar de raad van | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִ֣יא (hi) = die | תָקֽוּם (taqum) = houdt stand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 33:10–11, waar ook de raad van Yahweh standhoudt. Zie ook: Ps 33:10–11; Spr 16:1; Spr 16:9; Jes 14:24; Jes 46:10 **19:22** De begeerte van een mens is zijn trouw, en een berooide is beter dan een man van leugen. Brontekst: תַּאֲוַ֣ת (taavat) = begeerte van | אָדָ֣ם (adam) = een mens | חַסְדּ֑וֹ (chasdo) = zijn trouw | וְטֽוֹב (vetov) = en beter | רָ֝שׁ (rash) = een berooide | מֵאִ֥ישׁ (meish) = dan een man van | כָּזָֽב (kazav) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreuk is moeilijk. חַסְדּוֹ (chasdo), ‘zijn trouw’: dit kan ook ‘zijn schande’ betekenen. Wij nemen het zo: wat een mens aantrekkelijk maakt, is zijn trouw; daarom is een berooide trouwe beter dan een leugenaar. Zie ook: 2 Kron 6:8; Mar 12:41–44; Mar 14:6–8; 2 Kor 8:12; Tit 1:2 **19:23** De vrees voor Yahweh is tot leven. Verzadigd overnacht hij, zonder dat kwaad hem bezoekt. Brontekst: יִרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | לְחַיִּ֑ים (lechayim) = tot leven | וְשָׂבֵ֥עַ (vesavea) = en verzadigd | יָ֝לִ֗ין (yalin) = overnacht hij | בַּל (bal) = niet | יִפָּ֥קֶד (yipaqed) = wordt bezocht | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְאַת (yirat), ‘vrees’: de vrees voor Yahweh omvat ontzag en eerbied. Zie ook: Spr 12:21; Spr 14:26–27; Jes 58:10–11; Mat 5:6; 1 Tim 4:8 **19:24** De luiaard steekt zijn hand in de schotel; zelfs naar zijn mond brengt hij haar niet terug. Brontekst: טָ֘מַ֤ן (taman) = verbergt | עָצֵ֣ל (atsel) = een luiaard | יָ֭דוֹ (yado) = zijn hand | בַּצַּלָּ֑חַת (batsalachat) = in de schotel | גַּם (gam) = zelfs | אֶל (el) = naar | פִּ֝֗יהוּ (pihu) = zijn mond | לֹ֣א (lo) = niet | יְשִׁיבֶֽנָּה (yeshivena) = brengt haar terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bijna dezelfde spreuk staat in Spr. 26:15. Zie ook: Spr 6:9–10; Spr 12:27; Spr 15:19; Spr 24:30–34; Spr 26:13–16; Spr 26:15 **19:25** Sla een spotter, en de eenvoudige wordt slim. Bestraf een inzichtige, en hij begrijpt kennis. Brontekst: לֵ֣ץ (lets) = een spotter | תַּ֭כֶּה (take) = sla | וּפֶ֣תִי (ufeti) = en de eenvoudige | יַעְרִ֑ם (yarim) = wordt slim | וְהוֹכִ֥יחַ (vehokhiach) = en bestraf | לְ֝נָב֗וֹן (lenavon) = een inzichtige | יָבִ֥ין (yavin) = hij begrijpt | דָּֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַעְרִם (ya’arim), ‘wordt slim’: het woord komt van ‘sluwheid, slimheid’ (orma) en is hier positief: de eenvoudige leert door het voorbeeld van de straf. Zie ook: Spr 9:8–10; Spr 15:5; Spr 17:10; Spr 21:11; Openb 3:19 **19:26** Wie zijn vader geweld aandoet en zijn moeder wegjaagt, is een zoon die schande en smaad brengt. Brontekst: מְֽשַׁדֶּד (meshaded) = wie geweld aandoet | אָ֭ב (av) = zijn vader | יַבְרִ֣יחַ (yavriach) = jaagt weg | אֵ֑ם (em) = de moeder | בֵּ֝֗ן (ben) = een zoon | מֵבִ֥ישׁ (mevish) = die schande brengt | וּמַחְפִּֽיר (umachpir) = en smaad brengt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 10:1; Spr 10:5; Spr 17:2; Spr 28:24; Spr 30:17 **19:27** Als je ophoudt te luisteren naar tucht, mijn zoon, dwaal je af van de woorden van kennis. Brontekst: חַֽדַל (chadal) = houd op | בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | לִשְׁמֹ֣עַ (lishmoa) = te luisteren naar | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | לִ֝שְׁג֗וֹת (lishgot) = om te dwalen | מֵֽאִמְרֵי (meimrei) = van de woorden van | דָֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Letterlijk staat er: ‘Houd op, mijn zoon, te luisteren naar tucht, om te dwalen van de woorden van kennis.’ Dat kan een waarschuwing zijn (zoals wij vertalen) of een ironisch bevel. Zie ook: Spr 14:7; Mat 7:15; Mar 4:24; 1 Tim 6:3–5; 1 Joh 4:1 **19:28** Een getuige van Belial bespot het recht, en de mond van goddelozen slokt onheil op. Brontekst: עֵ֣ד (ed) = een getuige | בְּ֭לִיַּעַל (beliyaal) = van Belial | יָלִ֣יץ (yalits) = bespot | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | וּפִ֥י (ufi) = en de mond van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | יְבַלַּע (yevala) = slokt op | אָֽוֶן (aven) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliya’al), ‘Belial’: letterlijk ‘waardeloosheid’; een getuige van Belial is een waardeloze, slechte getuige. Wij laten het woord onvertaald, zoals in Spr. 6:12 en 16:27. אָוֶן (aven), ‘onheil’: kwaad en de gevolgen ervan. Zie ook: Job 15:16; Job 34:7; Spr 6:12; Spr 16:27; 1 Kon 21:13; Luc 18:2–4; Hand 6:11–13 **19:29** Voor spotters zijn oordelen vastgesteld, en slagen voor de rug van dwazen. Brontekst: נָכ֣וֹנוּ (nakhonu) = vastgesteld zijn | לַלֵּצִ֣ים (laletsim) = voor spotters | שְׁפָטִ֑ים (shefatim) = oordelen | וּ֝מַהֲלֻמ֗וֹת (umahalumot) = en slagen | לְגֵ֣ו (legev) = voor de rug van | כְּסִילִֽים (kesilim) = dwazen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 9:12; Spr 10:13; Spr 26:3; Hand 13:40–41; 2 Petr 3:3–7 ## Spreuken 20 _Wijn, koningen, maat en gewicht en de schreden van de mens_ **20:1** Wijn is een spotter en sterke drank een lawaaimaker. Ieder die erdoor dwaalt, wordt niet wijs. Brontekst: לֵ֣ץ (lets) = een spotter | הַ֭יַּין (hayayn) = de wijn | הֹמֶ֣ה (home) = luidruchtig | שֵׁכָ֑ר (shekhar) = sterke drank | וְכָל (vekhal) = en ieder | שֹׁ֥גֶה (shoge) = die dwaalt | בּ֝֗וֹ (bo) = erdoor | לֹ֣א (lo) = niet | יֶחְכָּֽם (yechkam) = wordt wijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵץ (letz), ‘spotter’, en הֹמֶה (homeh), ‘luidruchtig’: wijn en sterke drank worden hier voorgesteld als personen die de drinker bespotten en tot rumoer brengen. שֹׁגֶה (shoge), ‘dwaalt’: raakt op een dwaalspoor. Zie ook: Spr 31:4; Hos 4:11; Jes 28:7; 1 Kor 6:10; Ef 5:18 **20:2** Het gebrul van een jonge leeuw is de schrik van een koning; wie hem tot toorn prikkelt, zondigt tegen zijn eigen leven. Brontekst: נַ֣הַם (naham) = gebrul | כַּ֭כְּפִיר (kakefir) = als van een jonge leeuw | אֵ֣ימַת (eimat) = schrik van | מֶ֑לֶךְ (melekh) = een koning | מִ֝תְעַבְּר֗וֹ (mitabero) = wie hem tot toorn prikkelt | חוֹטֵ֥א (chote) = zondigt tegen | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 19:12. מִתְעַבְּרוֹ (mit’abbero), ‘wie hem tot toorn prikkelt’: wie de koning kwaad maakt, brengt zijn eigen leven in gevaar. Zie ook: Spr 8:36; Spr 19:12; Pred 10:4; 1 Kon 2:23; Hos 11:10 **20:3** Het is een eer voor een man van twist af te blijven, maar elke zot barst los. Brontekst: כָּב֣וֹד (kavod) = eer | לָ֭אִישׁ (laish) = voor een man | שֶׁ֣בֶת (shevet) = het ophouden | מֵרִ֑יב (meriv) = van twist | וְכָל (vekhal) = en elke | אֱ֝וִ֗יל (evil) = zot | יִתְגַּלָּֽע (yitgala) = barst los Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), hier ‘eer’, omdat het om een mens gaat. אֱוִיל (evil), ‘zot’. Zie ook: Spr 14:29; Spr 16:32; Spr 17:14; Spr 18:6; Spr 19:11 **20:4** Vanwege de herfst ploegt de luiaard niet. In de oogst vraagt hij, maar er is niets. Brontekst: מֵ֭חֹרֶף (mechoref) = vanwege de herfst | עָצֵ֣ל (atsel) = een luiaard | לֹא (lo) = niet | יַחֲרֹ֑שׁ (yacharosh) = ploegt | וְשָׁאַ֖ל (veshaal) = en hij vraagt | בַּקָּצִ֣יר (baqatsir) = in de oogst | וָאָֽיִן (vaayin) = en niets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵחֹרֶף (mecheref), ‘vanwege de herfst’: het ploegseizoen na de eerste regens. Het woord kan ook ‘vanwege de kou’ of ‘uit schande’ betekenen. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יִשְׁאַל (yish’al), ‘hij zal vragen’. De gelezen vorm (qere) is וְשָׁאַל (vesha’al), ‘en hij vraagt’. Wij volgen het qere. Zie ook: Spr 10:4; Spr 13:4; Spr 19:15; Mat 25:3–10; Mat 25:24–28 **20:5** Raad in het hart van een man is diep water, maar een man van verstand put het op. Brontekst: מַ֣יִם (mayim) = water | עֲ֭מֻקִּים (amuqim) = diepe | עֵצָ֣ה (etsa) = raad | בְלֶב (belev) = in het hart van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וְאִ֖ישׁ (veish) = maar een man van | תְּבוּנָ֣ה (tevuna) = verstand | יִדְלֶֽנָּה (yidlena) = put het op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּבוּנָה (tevuna), ‘verstand’. Wie verstand heeft, haalt de raad uit het hart van een ander omhoog. Zie ook: Ps 64:7; Spr 18:4; 1 Kor 2:11 **20:6** De meeste mensen roepen ieder hun eigen trouw uit, maar een man van betrouwbaarheid, wie vindt hem? Brontekst: רָב (rav) = velen | אָדָ֗ם (adam) = van de mensen | יִ֭קְרָא (yiqra) = roepen uit | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | חַסְדּ֑וֹ (chasdo) = zijn trouw | וְאִ֥ישׁ (veish) = maar een man van | אֱ֝מוּנִ֗ים (emunim) = betrouwbaarheid | מִ֣י (mi) = wie | יִמְצָֽא (yimtsa) = vindt hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַסְדּוֹ (chasdo), ‘zijn trouw’: de meeste mensen beweren dat zij trouw zijn. אֱמוּנִים (emunim), ‘betrouwbaarheid’: wie werkelijk betrouwbaar is, is zeldzaam. Zie ook: Ps 12:2; Spr 27:2; Mat 6:2; Luc 18:8; Luc 22:33 **20:7** Een rechtvaardige die onberispelijk leeft: gelukkig zijn zonen na hem. Brontekst: מִתְהַלֵּ֣ךְ (mithalekh) = wie wandelt | בְּתֻמּ֣וֹ (betumo) = in zijn onberispelijkheid | צַדִּ֑יק (tsadiq) = een rechtvaardige | אַשְׁרֵ֖י (ashrei) = gelukkig | בָנָ֣יו (banav) = zijn zonen | אַחֲרָֽיו (acharav) = na hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּתֻמּוֹ (betummo), ‘in zijn onberispelijkheid’; zie Spr. 19:1. Zie ook: Ps 37:26; Ps 112:2; Spr 19:1; Jer 32:39; Hand 2:39; 2 Kor 1:12 **20:8** Een koning die op de troon van het oordeel zit, drijft met zijn ogen al het kwaad uiteen. Brontekst: מֶ֗לֶךְ (melekh) = een koning | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = die zit | עַל (al) = op | כִּסֵּא (kise) = de troon van | דִ֑ין (din) = het oordeel | מְזָרֶ֖ה (mezare) = die uiteendrijft | בְעֵינָ֣יו (beeinav) = met zijn ogen | כָּל (kal) = al | רָֽע (ra) = het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְזָרֶה (mezareh), ‘drijft uiteen’: het beeld is dat van het wannen van graan, waarbij het kaf wordt weggeblazen. Zie ook Spr. 20:26. Zie ook: Ps 92:10; Ps 99:4; Spr 20:26; Spr 25:5; Spr 29:14 **20:9** Wie kan zeggen: „Ik heb mijn hart zuiver gemaakt; ik ben rein van mijn zonde”? Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יֹ֭אמַר (yomar) = kan zeggen | זִכִּ֣יתִי (zikiti) = ik heb zuiver gemaakt | לִבִּ֑י (libi) = mijn hart | טָ֝הַ֗רְתִּי (taharti) = ik ben rein | מֵחַטָּאתִֽי (mechatati) = van mijn zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִכִּיתִי (zikkiti), ‘ik heb zuiver gemaakt’: de vraag is retorisch. Niemand kan dat van zichzelf zeggen. Zie ook 1 Kon. 8:46. Zie ook: Job 14:4; Job 15:14; Pred 7:20; 1 Kon 8:46; 1 Joh 1:8–10 **20:10** Een steen en een steen, een efa en een efa: een gruwel voor Yahweh zijn zij, allebei. Brontekst: אֶ֣בֶן (even) = een steen | וָ֭אֶבֶן (vaeven) = en een steen | אֵיפָ֣ה (eifa) = een efa | וְאֵיפָ֑ה (veeifa) = en een efa | תּוֹעֲבַ֥ת (toavat) = gruwel van | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | גַּם (gam) = ook | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = beide Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶבֶן (even), ‘steen’: de gewichtsstenen waarmee men zilver woog. ‘Een steen en een steen’ en ‘een efa en een efa’ zijn ongelijke gewichten en maten: een lichte om te verkopen, een zware om te kopen. Een efa is ongeveer 22 liter. Voetnoot : Vergelijk Spr. 20:23, waar de steen en de steen ook een gruwel voor Yahweh zijn; zie ook Deut. 25:13–16. Zie ook: Lev 19:35; Deut 25:13–15; Spr 11:1; Spr 20:23; Mi 6:10–11 **20:11** Zelfs een jongen maakt zich door zijn daden kenbaar: of zijn werk zuiver is en of het oprecht is. Brontekst: גַּ֣ם (gam) = zelfs | בְּ֭מַעֲלָלָיו (bemaalalav) = door zijn daden | יִתְנַכֶּר (yitnaker) = maakt zich kenbaar | נָ֑עַר (naar) = een jongen | אִם (im) = of | זַ֖ךְ (zakh) = zuiver is | וְאִם (veim) = en of | יָשָׁ֣ר (yashar) = oprecht is | פָּעֳלֽוֹ (paolo) = zijn werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִתְנַכֶּר (yitnakker), ‘maakt zich kenbaar’: een kind laat door zijn daden zien wat voor mens het is. Zie ook: Ps 51:7; Spr 21:8; Mat 7:16; Luc 2:46–47; Luc 6:43–44 **20:12** Een horend oor en een ziend oog: Yahweh heeft ze allebei gemaakt. Brontekst: אֹ֣זֶן (ozen) = een oor | שֹׁ֭מַעַת (shomaat) = horend | וְעַ֣יִן (veayin) = en een oog | רֹאָ֑ה (roa) = ziend | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עָשָׂ֥ה (asa) = heeft gemaakt | גַם (gam) = ook | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = beide Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 94:9, waar hetzelfde gezegd wordt. Zie ook: Ex 4:11; Ps 94:9; Ps 119:18; Mat 13:13–16; Ef 1:17–18 **20:13** Heb de slaap niet lief, anders word je arm. Open je ogen, wees verzadigd van brood. Brontekst: אַל (al) = niet | תֶּֽאֱהַ֣ב (teehav) = heb lief | שֵׁ֭נָה (shena) = slaap | פֶּן (pen) = anders | תִּוָּרֵ֑שׁ (tivaresh) = word je arm | פְּקַ֖ח (peqach) = open | עֵינֶ֣יךָ (eineikha) = je ogen | שְֽׂבַֽע (seva) = wees verzadigd | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּוָּרֵשׁ (turash), ‘word je arm’: letterlijk ‘word je beroofd van bezit’. Zie ook: Spr 10:4; Spr 12:11; Spr 19:15; Rom 12:11; Rom 13:11 **20:14** „Slecht, slecht,” zegt de koper; maar als hij weggaat, dan roemt hij zich. Brontekst: רַ֣ע (ra) = slecht | רַ֭ע (ra) = slecht | יֹאמַ֣ר (yomar) = zegt | הַקּוֹנֶ֑ה (haqone) = de koper | וְאֹזֵ֥ל (veozel) = en hij gaat weg | ל֝֗וֹ (lo) = voor zich | אָ֣ז (az) = dan | יִתְהַלָּֽל (yithalal) = roemt hij zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַע (ra), ‘slecht’: de koper zegt dat de waar slecht is om de prijs te drukken; daarna roemt hij zijn koop. Zie ook: Pred 1:10; Hos 12:8–9; 1 Tess 4:6 **20:15** Er is goud en een overvloed aan parels, maar een kostbaar kleinood zijn lippen van kennis. Brontekst: יֵ֣שׁ (yesh) = er is | זָ֭הָב (zahav) = goud | וְרָב (verav) = en overvloed van | פְּנִינִ֑ים (peninim) = parels | וּכְלִ֥י (ukheli) = en een kleinood | יְ֝קָ֗ר (yeqar) = kostbaar | שִׂפְתֵי (siftei) = lippen van | דָֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּכְלִי יְקָר (keli yaqar), ‘een kostbaar kleinood’: lippen die kennis spreken zijn kostbaarder dan goud en parels. Zie ook: Spr 8:11; Spr 15:7; Spr 16:16; Spr 16:24; Spr 25:12 **20:16** Neem zijn kleed, want hij heeft borg gestaan voor een vreemde. Neem hem in pand ter wille van een vreemde vrouw. Brontekst: לְֽקַח (leqach) = neem | בִּ֭גְדוֹ (bigdo) = zijn kleed | כִּי (ki) = want | עָ֣רַב (arav) = hij stond borg | זָ֑ר (zar) = een vreemde | וּבְעַ֖ד (uvead) = en voor | נָכְרִיָּ֣ה (nakheriya) = een vreemde vrouw | חַבְלֵֽהוּ (chavlehu) = neem hem in pand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie borg is geworden voor een vreemde, verliest zijn kleed als onderpand. Dezelfde spreuk staat in Spr. 27:13; zie ook Spr. 11:15. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is נכרים (nokrim), ‘vreemden’. De gelezen vorm (qere) is נָכְרִיָּה (nokriyah), ‘vreemde vrouw’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ex 22:25–26; Spr 2:16; Spr 11:15; Spr 22:26–27; Spr 27:13 **20:17** Brood van bedrog is zoet voor een man, maar daarna wordt zijn mond met kiezel gevuld. Brontekst: עָרֵ֣ב (arev) = zoet | לָ֭אִישׁ (laish) = voor een man | לֶ֣חֶם (lechem) = brood van | שָׁ֑קֶר (shaqer) = bedrog | וְ֝אַחַ֗ר (veachar) = en daarna | יִמָּֽלֵא (yimale) = wordt gevuld | פִ֥יהוּ (pihu) = zijn mond | חָצָֽץ (chatsats) = met kiezel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרֵב (arev), ‘zoet’. Het voordeel van bedrog smaakt eerst zoet, maar daarna is het als kiezel in de mond. Zie ook: Job 20:12–20; Spr 9:17–18; Pred 11:9; Klaagl 3:15–16; Heb 11:25 **20:18** Plannen komen tot stand door raad, en met bekwaam beleid voer je oorlog. Brontekst: מַ֭חֲשָׁבוֹת (machashavot) = plannen | בְּעֵצָ֣ה (beetsa) = door raad | תִכּ֑וֹן (tikon) = worden bevestigd | וּ֝בְתַחְבֻּל֗וֹת (uvetachbulot) = en met bekwaam beleid | עֲשֵׂ֣ה (ase) = voer | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּבְתַחְבֻּלוֹת (uvetachbulot), ‘bekwaam beleid’: het woord komt van het touwwerk waarmee een schip wordt bestuurd. Wijze leiding is nodig, ook in oorlog. Zie ook: Re 1:1–2; Spr 11:14; Spr 15:22; Spr 24:6; Luc 14:31 **20:19** Een lasteraar die rondgaat, onthult het geheim. Meng je niet met wie zijn lippen wijd openzet. Brontekst: גּֽוֹלֶה (gole) = onthult | סּ֭וֹד (sod) = geheim | הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = rondgaand | רָכִ֑יל (rakhil) = als lasteraar | וּלְפֹתֶ֥ה (ulefote) = en met wie wijd opent | שְׂ֝פָתָ֗יו (sefatav) = zijn lippen | לֹ֣א (lo) = niet | תִתְעָרָֽב (titarav) = meng je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָכִיל (rakil), ‘lasteraar’: iemand die rondloopt en geheimen verspreidt, zoals in Spr. 11:13. Wij vertalen de laatste regel: ‘Meng je niet met wie zijn lippen wijd openzet’. Letterlijk: ‘met wie zijn lippen verleidt/openzet’. Zie ook: Lev 19:16; Spr 11:13; Spr 13:3; Spr 18:8; Rom 16:18 **20:20** Wie zijn vader en zijn moeder vervloekt, zijn lamp wordt gedoofd in de diepste duisternis. Brontekst: מְ֭קַלֵּל (meqalel) = wie vervloekt | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | וְאִמּ֑וֹ (veimo) = en zijn moeder | יִֽדְעַ֥ךְ (yidakh) = wordt gedoofd | נֵ֝ר֗וֹ (nero) = zijn lamp | בֶּאֱשׁ֥וּן (beeshun) = in het midden van | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 21:17 en Lev. 20:9. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is באישון (be’ishon), de gelezen vorm (qere) is בֶּאֱשׁוּן (be’eshun); beide betekenen ‘in het midden’ (letterlijk ‘in de pupil’) van de duisternis. Wij vertalen ‘in de diepste duisternis’. Zie ook: Ex 21:17; Lev 20:9; Deut 27:16; Spr 30:11; Spr 30:17 **20:21** Een erfdeel dat in het begin haastig verkregen is, wordt aan het einde niet gezegend. Brontekst: נַ֭חֲלָה (nachala) = een erfdeel | מְבֹהֶ֣לֶת (mevohelet) = haastig verkregen | בָּרִאשֹׁנָ֑ה (barishona) = in het begin | וְ֝אַחֲרִיתָ֗הּ (veacharitah) = en haar einde | לֹ֣א (lo) = niet | תְבֹרָֽךְ (tevorakh) = wordt gezegend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is מבחלת (mevochelet), ‘verafschuwd’ of ‘met afkeer gekregen’. De gelezen vorm (qere) is מְבֹהֶלֶת (mevohelet), ‘haastig verkregen’. Wij volgen het qere. Zie ook: Spr 13:22; Spr 28:8; Spr 28:22; Hab 2:6; 1 Tim 6:9 **20:22** Zeg niet: „Ik zal kwaad vergelden.” Wacht op Yahweh, en Hij zal je redden. Brontekst: אַל (al) = niet | תֹּאמַ֥ר (tomar) = zeg | אֲשַׁלְּמָה (ashalema) = ik zal vergelden | רָ֑ע (ra) = kwaad | קַוֵּ֥ה (qave) = wacht | לַֽ֝יהוָ֗ה (laYahweh) = op Yahweh | וְיֹ֣שַֽׁע (veyosha) = en Hij zal redden | לָֽךְ (lakh) = je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 24:29 en Deut. 32:35. Zie ook: Deut 32:35; Spr 17:13; Spr 24:29; 1 Tess 5:15; Rom 12:17–19; 1 Petr 3:9 **20:23** Een gruwel voor Yahweh zijn een steen en een steen, en een weegschaal van bedrog is niet goed. Brontekst: תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | אֶ֣בֶן (even) = een steen | וָאָ֑בֶן (vaaven) = en een steen | וּמֹאזְנֵ֖י (umoznei) = en weegschalen van | מִרְמָ֣ה (mirma) = bedrog | לֹא (lo) = niet | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Spr. 20:10 en Deut. 25:13–16. Zie ook: Deut 25:13–16; Spr 11:1; Spr 20:10; Amos 8:5; Hos 12:8; Ezech 45:10 **20:24** Van Yahweh zijn de schreden van een man; hoe zou een mens zijn eigen weg begrijpen? Brontekst: מֵיהוָ֥ה (meYahweh) = van Yahweh | מִצְעֲדֵי (mitsadei) = de schreden van | גָ֑בֶר (gaver) = een man | וְ֝אָדָ֗ם (veadam) = en een mens | מַה (ma) = hoe | יָּבִ֥ין (yavin) = begrijpt hij | דַּרְכּֽוֹ (darko) = zijn weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִצְעֲדֵי (mitsade), ‘de schreden van’: de stappen die iemand zet. גָבֶר (gaver), ‘man’: een sterke man; וְאָדָם (adam), ‘mens’. Zelfs een sterke man ziet zijn eigen weg niet. Zie ook: Ps 25:4; Ps 25:12; Ps 37:23; Spr 16:9; Jer 10:23 **20:25** Het is een valstrik voor een mens overhaast uit te roepen: „Heilig!” en pas na de geloften te onderzoeken. Brontekst: מוֹקֵ֣שׁ (moqesh) = valstrik | אָ֭דָם (adam) = een mens | יָ֣לַע (yala) = overhaast uit te roepen | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heilig | וְאַחַ֖ר (veachar) = en daarna | נְדָרִ֣ים (nedarim) = geloften | לְבַקֵּֽר (levaqer) = om te onderzoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָלַע (yala), ‘overhaast uitroepen’: het werkwoord betekent ook ‘slikken’ en ‘onbezonnen spreken’. Wie iets ‘heilig’ verklaart, belooft het aan Yahweh en hoort daarna niet te zoeken naar een uitweg. Zie Lev. 27 en Deut. 23:22–24. Zie ook: Lev 22:10–15; Lev 27:9–10; Num 30:3–17; Deut 23:22–24; Pred 5:3–5; Mat 5:33 **20:26** Een wijze koning drijft goddelozen uiteen en laat het dorswiel over hen heen gaan. Brontekst: מְזָרֶ֣ה (mezare) = die uiteendrijft | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | מֶ֣לֶךְ (melekh) = een koning | חָכָ֑ם (chakham) = wijs | וַיָּ֖שֶׁב (vayashev) = en laat terugkeren | עֲלֵיהֶ֣ם (aleihem) = over hen | אוֹפָֽן (ofan) = het wiel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹפָן (ofan), ‘het wiel’: het dorswiel waarmee het graan wordt gedorst. Zie ook Spr. 20:8. Zie ook: 2 Sam 4:9–12; 2 Sam 12:31; Ps 101:5–8; Spr 20:8; Jes 28:27–28 **20:27** De adem van een mens is een lamp van Yahweh; zij doorzoekt alle kamers van het binnenste. Brontekst: נֵ֣ר (ner) = lamp van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | נִשְׁמַ֣ת (nishmat) = adem van | אָדָ֑ם (adam) = een mens | חֹ֝פֵ֗שׂ (chofes) = doorzoekt | כָּל (kal) = alle | חַדְרֵי (chadrei) = kamers van | בָֽטֶן (baten) = het binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁמַת (nishmat), ‘adem’: de levensadem die Yahweh de mens gaf (Gen. 2:7). חַדְרֵי בָטֶן (chadre baten), ‘kamers van het binnenste’: het diepste innerlijk, ook de gedachten. Zie ook: Gen 2:7; Job 32:8; 1 Kor 2:11; Rom 2:15; Heb 4:12–13; 1 Joh 3:19–21 **20:28** Trouw en waarheid behoeden de koning, en door trouw ondersteunt hij zijn troon. Brontekst: חֶ֣סֶד (chesed) = trouw | וֶ֭אֱמֶת (veemet) = en waarheid | יִצְּרוּ (yitseru) = behoeden | מֶ֑לֶךְ (melekh) = de koning | וְסָעַ֖ד (vesaad) = en ondersteunt | בַּחֶ֣סֶד (bachesed) = door trouw | כִּסְאֽוֹ (kiso) = zijn troon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, en וֶאֱמֶת (emet), ‘waarheid’: dit paar komt ook voor in Ps. 25:10 en Ps. 85:11. Zie ook: Ps 25:10; Ps 26:1; Ps 61:8; Ps 85:11; Ps 101:1; Spr 16:12; Spr 29:14 **20:29** Het sieraad van jongemannen is hun kracht, en de luister van oude mannen is grijs haar. Brontekst: תִּפְאֶ֣רֶת (tiferet) = sieraad van | בַּחוּרִ֣ים (bachurim) = jongemannen | כֹּחָ֑ם (kocham) = hun kracht | וַהֲדַ֖ר (vahadar) = en luister van | זְקֵנִ֣ים (zeqenim) = oude mannen | שֵׂיבָֽה (seiva) = grijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:32; Spr 16:31; Jer 9:22–23; 1 Joh 2:14 **20:30** Striemen van wonden zijn een zuivering voor het kwaad, en slagen dringen door tot de kamers van het binnenste. Brontekst: חַבֻּר֣וֹת (chaburot) = striemen van | פֶּ֭צַע (petsa) = wond | תַּמְר֣וּק (tamruq) = zuivering | בְּרָ֑ע (bera) = voor het kwaad | וּ֝מַכּ֗וֹת (umakot) = en slagen | חַדְרֵי (chadrei) = kamers van | בָֽטֶן (baten) = het binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreuk is moeilijk. תַּמְרוּק (tamruq), ‘zuivering’ (het geschreven woord, ketiv, is תַּמְרִיק, tamriq): schoonmaken, poetsen. Pijnlijke straf kan het kwaad uit iemand wegnemen. Zie ook: Spr 19:25; Spr 22:15; Jes 27:9; Jes 53:5; Heb 12:10 ## Spreuken 21 _Yahweh weegt de harten_ **21:1** Het hart van een koning is in de hand van Yahweh als waterlopen; Hij buigt het, waarheen Hij maar wil. Brontekst: פַּלְגֵי (palgei) = waterlopen van | מַ֣יִם (mayim) = water | לֶב (lev) = hart van | מֶ֭לֶךְ (melekh) = een koning | בְּיַד (beyad) = in de hand van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַֽל (al) = naar | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֖ר (asher) = wat | יַחְפֹּ֣ץ (yachpots) = Hij wil | יַטֶּֽנּוּ (yatenu) = buigt Hij het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּלְגֵי (palge mayim), ‘waterlopen’: kanalen die de boer naar believen richt. Zo richt Yahweh het hart van de koning. יַטֶּנּוּ (yatennu), ‘Hij buigt het’: Hij laat het neigen. Zie ook: Spr 16:1; Spr 16:9; Spr 20:24; Ezra 6:22; Hand 7:10 **21:2** Elke weg van een man is recht in zijn eigen ogen, maar Yahweh weegt de harten. Brontekst: כָּֽל (kal) = elke | דֶּרֶךְ (derekh) = weg van | אִ֭ישׁ (ish) = een man | יָשָׁ֣ר (yashar) = recht | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | וְתֹכֵ֖ן (vetokhen) = en weegt | לִבּ֣וֹת (libot) = harten | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְתֹכֵן (vetochen), ‘en weegt’: Yahweh onderzoekt wat er werkelijk in het hart is. Vergelijk Spr. 16:2. Zie ook: Spr 16:2; Spr 16:25; Spr 30:12; Jer 17:10; Luc 16:15 **21:3** Gerechtigheid en recht doen is voor Yahweh verkieslijker dan een offer. Brontekst: עֲ֭שֹׂה (aso) = doen | צְדָקָ֣ה (tsedaqa) = gerechtigheid | וּמִשְׁפָּ֑ט (umishpat) = en recht | נִבְחָ֖ר (nivchar) = verkozen | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = door Yahweh | מִזָּֽבַח (mizavach) = boven een offer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, en וּמִשְׁפָּט (umishpat), ‘recht’. Vergelijk 1 Sam. 15:22 en Ps. 51:18–19. Zie ook: 1 Sam 15:22; Ps 51:18–19; Spr 15:8; Hos 6:6; Mi 6:6–8; Mar 12:33 **21:4** Hooghartige ogen en een verwaand hart: de lamp van de goddelozen is zonde. Brontekst: רוּם (rum) = hoogte van | עֵ֭ינַיִם (einayim) = ogen | וּרְחַב (urechav) = en wijdte van | לֵ֑ב (lev) = hart | נִ֖ר (nir) = lamp van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | חַטָּֽאת (chatat) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִר (ner), ‘lamp’: dezelfde medeklinkers kunnen ook ‘ploegland’ (nir) lezen. Wij volgen ‘lamp’. De lamp van de goddelozen is hun levenswijze; die is zonde. Zie ook: Spr 6:17; Spr 8:13; Jes 2:17; Luc 18:14; 1 Petr 5:5 **21:5** De plannen van de ijverige leiden alleen tot overvloed, maar ieder die haast heeft, komt alleen tot gebrek. Brontekst: מַחְשְׁב֣וֹת (machshevot) = plannen van | חָ֭רוּץ (charuts) = de ijverige | אַךְ (akh) = zeker | לְמוֹתָ֑ר (lemotar) = tot overvloed | וְכָל (vekhal) = en ieder | אָ֝֗ץ (ats) = haastige | אַךְ (akh) = zeker | לְמַחְסֽוֹר (lemachsor) = tot gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרוּץ (charuts), ‘ijverig’: iemand die vlijtig en scherp van geest is; tegenover אָץ (ats), ‘haastig’. Zie ook: Spr 10:4; Spr 13:4; Spr 27:23–27; 1 Tess 4:11–12; Ef 4:28 **21:6** Schatten verwerven met een tong van leugen is een weggedreven damp, van mensen die de dood zoeken. Brontekst: פֹּ֣עַל (poal) = werk van | א֭וֹצָרוֹת (otsarot) = schatten | בִּלְשׁ֣וֹן (bilshon) = met een tong van | שָׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | הֶ֥בֶל (hevel) = damp | נִ֝דָּ֗ף (nidaf) = weggedreven | מְבַקְשֵׁי (mevaqshei) = zoekers van | מָֽוֶת (mavet) = dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreuk is moeilijk. הֶבֶל (hevel), ‘damp’: iets dat verdwijnt. נִדָּף (niddaf), ‘weggedreven’. Het slot is letterlijk ‘zoekers van de dood’. Met andere klinkers (moqeshe) kan het ‘valstrikken van de dood’ zijn. Zie ook: Spr 8:36; Spr 10:2; Spr 13:11; Spr 20:21; Jer 17:11 **21:7** Het geweld van de goddelozen sleept hen weg, want zij weigeren recht te doen. Brontekst: שֹׁד (shod) = geweld van | רְשָׁעִ֥ים (reshaim) = goddelozen | יְגוֹרֵ֑ם (yegorem) = sleept hen weg | כִּ֥י (ki) = want | מֵ֝אֲנ֗וּ (meanu) = zij weigeren | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = te doen | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁד (shod), ‘geweld’: ook ‘verwoesting’. Zij worden meegesleept door hun eigen geweld. Zie ook: Ps 7:17; Spr 21:21; Spr 22:22–23; Mi 3:9–12; Ef 5:6 **21:8** Kronkelig is de weg van een man, en vreemd; maar wie zuiver is, zijn werk is oprecht. Brontekst: הֲפַכְפַּ֬ךְ (hafakhpakh) = kronkelig | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg van | אִ֣ישׁ (ish) = een man | וָזָ֑ר (vazar) = en vreemd | וְ֝זַ֗ךְ (vezakh) = maar zuiver | יָשָׁ֥ר (yashar) = oprecht | פָּעֳלֽוֹ (paolo) = zijn werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָזָר (vazar), ‘en vreemd’: het woord kan ook ‘schuldig’ betekenen. Wij vertalen ‘vreemd’, zoals elders in dit boek bij de ‘vreemde’. Zie ook: Ps 14:2–3; Spr 2:15; Dan 12:10; 1 Joh 2:29; 1 Joh 3:3 **21:9** Het is beter te wonen op een hoek van het dak dan met een twistzieke vrouw in een gedeeld huis. Brontekst: ט֗וֹב (tov) = goed | לָשֶׁ֥בֶת (lashevet) = om te wonen | עַל (al) = op | פִּנַּת (pinat) = de hoek van | גָּ֑ג (gag) = dak | מֵאֵ֥שֶׁת (meeshet) = dan een vrouw van | מִ֝דְיָנִ֗ים (midyanim) = twisten | וּבֵ֥ית (uveit) = en een huis van | חָֽבֶר (chaver) = gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde spreuk als Spr. 25:24. מִדְיָנִים (midyanim), ‘twisten’, is de gelezen vorm (qere); het geschreven woord (ketiv) is מדונים (midonim). Voetnoot : חָבֶר (chaver), ‘gemeenschap’: een huis dat men met anderen deelt. Zie ook: Spr 12:4; Spr 19:13; Spr 21:19; Spr 25:24; Spr 27:15–16 **21:10** De ziel van een goddeloze verlangt naar het kwaad. Zijn naaste vindt geen gunst in zijn ogen. Brontekst: נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = ziel van | רָ֭שָׁע (rasha) = een goddeloze | אִוְּתָה (iveta) = verlangt naar | רָ֑ע (ra) = kwaad | לֹא (lo) = niet | יֻחַ֖ן (yuchan) = vindt gunst | בְּעֵינָ֣יו (beeinav) = in zijn ogen | רֵעֵֽהוּ (reehu) = zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’. יֻחַן (yuchan), ‘vindt gunst’: letterlijk ‘wordt begunstigd’. Hij heeft geen medelijden met zijn naaste. Zie ook: Ps 36:5; Spr 3:29; Mi 3:2–3; Mar 7:21–22; 1 Joh 2:16 **21:11** Als een spotter gestraft wordt, wordt de eenvoudige wijs. En als men een wijze doorzicht geeft, ontvangt hij kennis. Brontekst: בַּעְנָשׁ (banash) = als wordt gestraft | לֵ֭ץ (lets) = een spotter | יֶחְכַּם (yechkam) = wordt wijs | פֶּ֑תִי (peti) = de eenvoudige | וּבְהַשְׂכִּ֥יל (uvehaskil) = en als doorzicht krijgt | לְ֝חָכָ֗ם (lechakham) = een wijze | יִקַּח (yiqach) = ontvangt hij | דָּֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 19:25. וּבְהַשְׂכִּיל (uvehaskil), ‘en als men doorzicht geeft’: de wijze neemt kennis aan wanneer men hem iets leert. Zie ook: Spr 9:9; Spr 18:1; Spr 18:15; Spr 19:25; Hand 5:5 **21:12** Een rechtvaardige let met doorzicht op het huis van een goddeloze; hij stort goddelozen in het kwaad. Brontekst: מַשְׂכִּ֣יל (maskil) = let met doorzicht op | צַ֭דִּיק (tsadiq) = rechtvaardige | לְבֵ֣ית (leveit) = het huis van | רָשָׁ֑ע (rasha) = goddeloze | מְסַלֵּ֖ף (mesalef) = stort neer | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | לָרָֽע (lara) = in het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשְׂכִּיל צַדִּיק (maskil tsaddiq), ‘een rechtvaardige let met doorzicht op’. Dit kan ook gelezen worden als de Rechtvaardige, dat is Yahweh, die het huis van de goddeloze doorziet en de goddelozen ten val brengt. Zie ook: Ps 37:35–36; Ps 107:43; Spr 14:11; Spr 14:32; 2 Petr 3:6–7 **21:13** Wie zijn oor sluit voor de noodkreet van een geringe, ook hij zal roepen en niet verhoord worden. Brontekst: אֹטֵ֣ם (otem) = sluit | אָ֭זְנוֹ (azeno) = zijn oor | מִזַּעֲקַת (mizaaqat) = voor de noodkreet van | דָּ֑ל (dal) = een geringe | גַּֽם (gam) = ook | ה֥וּא (hu) = hij | יִ֝קְרָ֗א (yiqra) = zal roepen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֵעָנֶֽה (yeane) = zal verhoord worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזַּעֲקַת (mize’aqat), ‘noodkreet’: de schreeuw van wie in nood zit. Zie ook Exod. 22:21–22. Zie ook: Ex 22:21–22; Spr 1:28; Spr 28:27; Jer 34:16–17; Mat 6:14; Jak 2:13–16 **21:14** Een gift in het verborgene dooft toorn, en een steekpenning in de boezem een hevige woede. Brontekst: מַתָּ֣ן (matan) = gift | בַּ֭סֵּתֶר (baseter) = in het verborgene | יִכְפֶּה (yikhpe) = dooft | אָ֑ף (af) = toorn | וְשֹׁ֥חַד (veshochad) = en een steekpenning | בַּ֝חֵ֗ק (bacheq) = in de boezem | חֵמָ֥ה (chema) = woede | עַזָּֽה (aza) = hevige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְשֹׁחַד (veshochad), ‘en een steekpenning’: zoals in Spr. 17:8 en 17:23. Het eerste woord, מַתָּן (mattan), is ‘gift’, zoals in 18:16 en 19:6. בַּחֵק (bachek), ‘in de boezem’: in de plooi van het kleed, waar men het geschenk verbergt. Zie ook: 1 Sam 25:35; Spr 17:8; Spr 17:23; Spr 18:16; Spr 19:6; Mat 6:3–4 **21:15** Recht doen is vreugde voor een rechtvaardige, maar een verschrikking voor wie onheil bedrijven. Brontekst: שִׂמְחָ֣ה (simcha) = vreugde | לַ֭צַּדִּיק (latsadiq) = voor een rechtvaardige | עֲשׂ֣וֹת (asot) = te doen | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | וּ֝מְחִתָּ֗ה (umechita) = en verschrikking | לְפֹ֣עֲלֵי (lefoalei) = voor de werkers van | אָֽוֶן (aven) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 29:12–17; Spr 10:29; Pred 3:12; Jes 64:4; Mat 7:23 **21:16** Een mens die van de weg van het doorzicht dwaalt, rust in de vergadering van de schimmen. Brontekst: אָדָ֗ם (adam) = een mens | תּ֭וֹעֶה (toe) = die dwaalt | מִדֶּ֣רֶךְ (miderekh) = van de weg van | הַשְׂכֵּ֑ל (haskel) = doorzicht | בִּקְהַ֖ל (biqhal) = in de vergadering van | רְפָאִ֣ים (refaim) = schimmen | יָנֽוּחַ (yanuach) = rust Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְפָאִים (refa’im), ‘schimmen’: de doden in het dodenrijk. Zie ook Job 26:5 en Ps. 88:11. Wie van de weg van doorzicht afdwaalt, komt bij de doden terecht. Zie ook: Job 26:5; Ps 49:15; Ps 88:11; Ps 125:5; Sef 1:6; Heb 10:26–27; Heb 10:38 **21:17** Wie vreugde liefheeft, is een man van gebrek. Wie wijn en olie liefheeft, wordt niet rijk. Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = een man van | מַ֭חְסוֹר (machsor) = gebrek | אֹהֵ֣ב (ohev) = wie liefheeft | שִׂמְחָ֑ה (simcha) = vreugde | אֹהֵ֥ב (ohev) = wie liefheeft | יַֽיִן (yayin) = wijn | וָ֝שֶׁ֗מֶן (vashemen) = en olie | לֹ֣א (lo) = niet | יַעֲשִֽׁיר (yaashir) = wordt rijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׂמְחָה (simchah), ‘vreugde’: hier het genot van feesten en vermaak. Zie ook: Spr 5:10–11; Spr 21:20; Spr 23:21; 1 Tim 5:6; 2 Tim 3:4 **21:18** De goddeloze is een losgeld voor de rechtvaardige, en de trouweloze komt in de plaats van de oprechten. Brontekst: כֹּ֣פֶר (kofer) = losgeld | לַצַּדִּ֣יק (latsadiq) = voor de rechtvaardige | רָשָׁ֑ע (rasha) = de goddeloze | וְתַ֖חַת (vetachat) = en in de plaats van | יְשָׁרִ֣ים (yesharim) = de oprechten | בּוֹגֵֽד (boged) = de trouweloze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּפֶר (kofer), ‘losgeld’: de prijs waarmee een leven vrijgekocht wordt. De goddeloze neemt de plaats in van de rechtvaardige. Zie ook Spr. 11:8. Zie ook: Spr 11:8; Jes 43:3–4; Jes 53:4–5; Jes 55:8–9; 1 Petr 3:18 **21:19** Het is beter te wonen in een woestijnland dan met een twistzieke vrouw en ergernis. Brontekst: ט֗וֹב (tov) = goed | שֶׁ֥בֶת (shevet) = wonen | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in een land van | מִדְבָּ֑ר (midbar) = woestijn | מֵאֵ֖שֶׁת (meeshet) = dan een vrouw van | מִדְיָנִ֣ים (midyanim) = twisten | וָכָֽעַס (vakhaas) = en ergernis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 21:9. מִדְיָנִים (midyanim), ‘twisten’; het geschreven woord (ketiv) is מדונים (midonim). Zie ook: Ps 55:7–8; Ps 120:5–6; Spr 21:9; Jer 9:1 **21:20** Een kostbare schat en olie zijn er in de woning van een wijze, maar een dwaze mens verslindt ze. Brontekst: אוֹצָ֤ר (otsar) = schat | נֶחְמָ֣ד (nechmad) = kostbare | וָ֭שֶׁמֶן (vashemen) = en olie | בִּנְוֵ֣ה (binve) = in de woning van | חָכָ֑ם (chakham) = een wijze | וּכְסִ֖יל (ukhesil) = en een dwaas van | אָדָ֣ם (adam) = een mens | יְבַלְּעֶֽנּוּ (yevaleenu) = verslindt het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 112:3; Spr 15:6; Pred 5:18; Pred 7:11; Mat 25:3–4 **21:21** Wie gerechtigheid en trouw najaagt, vindt leven, gerechtigheid en eer. Brontekst: רֹ֭דֵף (rodef) = wie najaagt | צְדָקָ֣ה (tsedaqa) = gerechtigheid | וָחָ֑סֶד (vachased) = en trouw | יִמְצָ֥א (yimtsa) = vindt | חַ֝יִּ֗ים (chayim) = leven | צְדָקָ֥ה (tsedaqa) = gerechtigheid | וְכָבֽוֹד (vekhavod) = en eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, en וָחָסֶד (vachesed), ‘en trouw’. וְכָבוֹד (vechavod), ‘en eer’: de eer van een mens. Zie ook: Spr 22:4; Mat 5:6; 1 Kor 15:58; 1 Tim 6:11; Heb 12:14 **21:22** Een wijze beklimt de stad van helden en haalt de sterkte neer waarop zij vertrouwt. Brontekst: עִ֣יר (ir) = stad van | גִּ֭בֹּרִים (giborim) = helden | עָלָ֣ה (ala) = beklimt | חָכָ֑ם (chakham) = een wijze | וַ֝יֹּ֗רֶד (vayored) = en haalt neer | עֹ֣ז (oz) = sterkte van | מִבְטֶחָֽה (mivtecha) = haar vertrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבֹּרִים (gibborim), ‘helden’: sterke krijgers. De wijze wint door verstand wat de krijgers met kracht niet winnen. Zie ook Spr. 24:5. Zie ook: 2 Sam 5:6–9; 2 Sam 20:16–22; Spr 24:5; Pred 7:19; Pred 9:13–18 **21:23** Wie zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn leven voor benauwdheden. Brontekst: שֹׁמֵ֣ר (shomer) = wie bewaart | פִּ֭יו (piv) = zijn mond | וּלְשׁוֹנ֑וֹ (uleshono) = en zijn tong | שֹׁמֵ֖ר (shomer) = bewaart | מִצָּר֣וֹת (mitsarot) = voor benauwdheden | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 12:13; Spr 13:3; Spr 17:27–28; Spr 18:21; Jak 1:26 **21:24** De overmoedige, de aanmatigende: spotter is zijn naam. Hij handelt in de razernij van overmoed. Brontekst: זֵ֣ד (zed) = overmoedige | יָ֭הִיר (yahir) = aanmatigende | לֵ֣ץ (lets) = spotter | שְׁמ֑וֹ (shemo) = zijn naam | ע֝וֹשֶׂ֗ה (ose) = die handelt | בְּעֶבְרַ֥ת (beevrat) = in de razernij van | זָדֽוֹן (zadon) = overmoed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֵד (zed), ‘overmoedige’; יָהִיר (yahir), ‘aanmatigende’; לֵץ (letz), ‘spotter’. Wie zo leeft, noemt men een spotter. Zie ook: Ps 1:1; Spr 1:22; Spr 18:12; Pred 7:8–9; Mat 2:16 **21:25** Het verlangen van een luiaard doodt hem, want zijn handen weigeren te werken. Brontekst: תַּאֲוַ֣ת (taavat) = verlangen van | עָצֵ֣ל (atsel) = een luiaard | תְּמִיתֶ֑נּוּ (temitenu) = doodt hem | כִּֽי (ki) = want | מֵאֲנ֖וּ (meanu) = weigeren | יָדָ֣יו (yadav) = zijn handen | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = te werken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 12:24; Spr 12:27; Spr 13:4; Spr 19:24; Mat 25:26 **21:26** De hele dag begeert hij gretig, maar een rechtvaardige geeft en houdt niet terug. Brontekst: כָּל (kal) = heel | הַ֭יּוֹם (hayom) = de dag | הִתְאַוָּ֣ה (hitava) = hij begeert | תַאֲוָ֑ה (taava) = begeerte | וְצַדִּ֥יק (vetsadiq) = en een rechtvaardige | יִ֝תֵּ֗ן (yiten) = geeft | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַחְשֹֽׂךְ (yachsokh) = houdt terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreuk is kort en moeilijk. הִתְאַוָּה (hit’avvah), ‘hij begeert’, kan ook ‘de gretige’ betekenen. Wij nemen het zo: de luiaard (vers 25) begeert de hele dag; de rechtvaardige geeft en houdt niet terug. Zie ook: Ps 37:26; Ps 112:9; Spr 21:25; Luc 6:30–36; Hand 20:33–35; Ef 4:28 **21:27** Het offer van de goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer als hij het brengt met een schandelijk plan. Brontekst: זֶ֣בַח (zevach) = offer van | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | תּוֹעֵבָ֑ה (toeva) = gruwel | אַ֝֗ף (af) = hoeveel | כִּֽי (ki) = te meer | בְזִמָּ֥ה (bezima) = met een schandelijk plan | יְבִיאֶֽנּוּ (yevienu) = brengt hij het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 15:8. בְזִמָּה (bezimmah), ‘met een schandelijk plan’ (zimmah, zie Spr. 10:23): met een slecht plan, bijvoorbeeld om zijn onrecht goed te maken. Zie ook: Spr 10:23; Spr 15:8; Amos 5:21–22; Jes 66:3; Jer 6:20; Mat 23:13 **21:28** Een getuige van leugens komt om, maar een man die luistert, zal blijvend spreken. Brontekst: עֵד (ed) = een getuige van | כְּזָבִ֥ים (kezavim) = leugens | יֹאבֵ֑ד (yoved) = komt om | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man | שׁ֝וֹמֵ֗עַ (shomea) = die luistert | לָנֶ֥צַח (lanetsach) = blijvend | יְדַבֵּֽר (yedaber) = zal spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tweede helft is moeilijk. לָנֶצַח (lanetsach), ‘blijvend’: ook ‘voor altijd’ of ‘met succes’. Wij nemen het zo: wat een luisteraar zegt, blijft bestaan, tegenover de leugenaar die omkomt. Zie ook Spr. 19:5 en 19:9. Zie ook: Ex 23:1; Spr 12:19; Spr 19:5; Spr 19:9; 2 Kor 4:13 **21:29** Een goddeloze man maakt zijn gezicht hard, maar een oprechte begrijpt zijn weg. Brontekst: הֵעֵ֬ז (heez) = maakt hard | אִ֣ישׁ (ish) = een man | רָשָׁ֣ע (rasha) = goddeloze | בְּפָנָ֑יו (befanav) = zijn gezicht | וְ֝יָשָׁ֗ר (veyashar) = maar een oprechte | ה֤וּא (hu) = hij | יָבִ֬ין (yavin) = begrijpt | דַּרְכּֽוֹ (darko) = zijn weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יָכִין (yachin), ‘hij maakt vast’, en דְּרָכָיו (derakhav), ‘zijn wegen’. De gelezen vorm (qere) is יָבִין (yavin), ‘hij begrijpt’, en דַּרְכּוֹ (darko), ‘zijn weg’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 119:5; Spr 11:5; Jer 8:12; Hag 1:7; 1 Tess 3:11 **21:30** Er is geen wijsheid, er is geen verstand en er is geen raad tegenover Yahweh. Brontekst: אֵ֣ין (ein) = er is niet | חָ֭כְמָה (chakhema) = wijsheid | וְאֵ֣ין (veein) = en er is niet | תְּבוּנָ֑ה (tevuna) = verstand | וְאֵ֥ין (veein) = en er is niet | עֵ֝צָ֗ה (etsa) = raad | לְנֶ֣גֶד (leneged) = tegenover | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכְמָה (chokhmah), ‘wijsheid’; תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’; עֵצָה (etsah), ‘raad’. Tegenover Yahweh houdt geen menselijk plan stand. Zie ook: Spr 19:21; Jes 14:27; Jer 9:22; Hand 5:39; 1 Kor 3:19–20 **21:31** Het paard wordt gereedgemaakt voor de dag van de oorlog, maar de redding is van Yahweh. Brontekst: ס֗וּס (sus) = een paard | מ֭וּכָן (mukhan) = gereedgemaakt | לְי֣וֹם (leyom) = voor de dag van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | וְ֝לַֽיהוָ֗ה (velaYahweh) = maar van Yahweh | הַתְּשׁוּעָֽה (hateshua) = de redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתְּשׁוּעָה (hateshu’ah), ‘de redding’. Vergelijk Ps. 33:16–17 en Ps. 20:8. Zie ook: Ps 3:4; Ps 20:8; Ps 33:16–17; Ps 33:17–18; Ps 147:10; Jes 31:1 ## Spreuken 22 _Slotspreuken van Salomo en het begin van de woorden van de wijzen_ **22:1** Een naam is te verkiezen boven grote rijkdom; gunst is beter dan zilver en goud. Brontekst: נִבְחָ֣ר (nivchar) = is te kiezen | שֵׁ֭ם (shem) = een naam | מֵעֹ֣שֶׁר (meosher) = boven rijkdom | רָ֑ב (rav) = grote | מִכֶּ֥סֶף (mikesef) = boven zilver | וּ֝מִזָּהָ֗ב (umizahav) = en boven goud | חֵ֣ן (chen) = gunst | טֽוֹב (tov) = is goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁם (shem), ‘naam’: hier de goede naam, de goede reputatie. Voetnoot : חֵן (chen), ‘gunst’: de welwillendheid die iemand van anderen krijgt. Zie ook: Pred 7:1; 1 Kon 1:47; Luc 10:20; Hand 7:10; Fil 4:3 **22:2** Rijke en berooide ontmoeten elkaar; Yahweh is de Maker van hen allen. Brontekst: עָשִׁ֣יר (ashir) = rijke | וָרָ֣שׁ (varash) = en berooide | נִפְגָּ֑שׁוּ (nifgashu) = ontmoeten elkaar | עֹשֵׂ֖ה (ose) = Maker | כֻלָּ֣ם (kulam) = van hen allen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹשֵׂה (oseh), ‘Maker’: Yahweh heeft rijk en berooid gemaakt. Vergelijk Job 34:19 en Spr. 29:13. Zie ook: Job 31:15; Job 34:19; 1 Sam 2:7; Spr 14:31; Spr 29:13 **22:3** De slimme ziet het kwaad en verbergt zich; maar de eenvoudigen gaan door en worden gestraft. Brontekst: עָר֤וּם (arum) = slimme | רָאָ֣ה (raa) = ziet | רָעָ֣ה (raa) = het kwaad | וְנִסְתָּ֑ר (venistar) = en verbergt zich | וּ֝פְתָיִ֗ים (ufetayim) = en eenvoudigen | עָבְר֥וּ (averu) = gaan door | וְֽנֶעֱנָֽשׁוּ (veneenashu) = en worden gestraft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרוּם (arum), ‘slimme’: slim in de goede zin, dus bedachtzaam en voorzichtig. Verwant aan ‘slimheid’ (ערמה, orma). פְּתָיִים (petayim), ‘eenvoudigen’: wie licht te beïnvloeden is. Voetnoot : Deze spreuk komt bijna woordelijk terug in Spr. 27:12. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft וְיִסָּתֵר (‘en hij verbergt zich’); het gelezen woord (qere) heeft וְנִסְתָּר (‘en verbergt zich’). Wij volgen de lezing; de betekenis is gelijk. Zie ook: Spr 14:16; Spr 27:12; Spr 29:1; 1 Tess 5:2–6; Heb 11:7 **22:4** Het loon van nederigheid, van de vrees voor Yahweh, is rijkdom, eer en leven. Brontekst: עֵ֣קֶב (eqev) = het loon van | עֲ֭נָוָה (anava) = nederigheid | יִרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עֹ֖שֶׁר (osher) = rijkdom | וְכָב֣וֹד (vekhavod) = en eer | וְחַיִּֽים (vechayim) = en leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵקֶב (eqev), ‘loon’: eigenlijk ‘wat erop volgt’, het gevolg. Het Hebreeuws heeft hier geen voegwoord: ‘Het loon van nederigheid, vrees voor Yahweh, rijkdom, eer en leven.’ Wij lezen ‘vrees voor Yahweh’ als nadere uitleg van ‘nederigheid’. Het kan ook zijn: nederigheid en vrees voor Yahweh brengen rijkdom, eer en leven. Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: hier de eer van een persoon. Zie ook: Ps 34:10–11; Ps 112:1–3; Spr 21:21; Mat 6:33; Jak 4:10 **22:5** Doornen en strikken liggen op de weg van de verdraaide; wie zijn ziel bewaart, blijft ver van hen. Brontekst: צִנִּ֣ים (tsinim) = doornen | פַּ֭חִים (pachim) = strikken | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg van | עִקֵּ֑שׁ (iqesh) = de verdraaide | שׁוֹמֵ֥ר (shomer) = wie bewaart | נַ֝פְשׁ֗וֹ (nafsho) = zijn ziel | יִרְחַ֥ק (yirchaq) = blijft ver | מֵהֶֽם (mehem) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:8; Spr 15:19; Spr 16:17; Jud 1:20–21; 1 Joh 5:18 **22:6** Leid de jongen op volgens zijn weg; zelfs als hij oud wordt, wijkt hij er niet van af. Brontekst: חֲנֹ֣ךְ (chanokh) = leid op | לַ֭נַּעַר (lanaar) = de jongen | עַל (al) = volgens | פִּ֣י (pi) = de mond van | דַרְכּ֑וֹ (darko) = zijn weg | גַּ֥ם (gam) = ook | כִּֽי (ki) = als | יַ֝זְקִ֗ין (yazqin) = hij oud wordt | לֹֽא (lo) = niet | יָס֥וּר (yasur) = wijkt hij af | מִמֶּֽנָּה (mimena) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲנֹךְ (chanokh), ‘leid op’: eigenlijk ‘inwijden’, ‘beginnen te onderwijzen’ (zo ook Deut. 20:5 voor het in gebruik nemen van een huis). Voetnoot : עַל פִּי דַרְכּוֹ (al pi darko), letterlijk ‘naar de mond van zijn weg’: naar de weg die voor hem bestemd is of die bij hem past. Beide uitleggingen zijn mogelijk. Zie ook: Gen 18:19; Deut 4:9; Deut 6:7; Deut 20:5; Ef 6:4; 2 Tim 3:15 **22:7** De rijke heerst over berooiden, en de lener is een dienaar van de man die uitleent. Brontekst: עָ֭שִׁיר (ashir) = de rijke | בְּרָשִׁ֣ים (berashim) = over berooiden | יִמְשׁ֑וֹל (yimshol) = heerst | וְעֶ֥בֶד (veeved) = en een dienaar is | לֹ֝וֶ֗ה (love) = de lener | לְאִ֣ישׁ (leish) = van de man | מַלְוֶֽה (malve) = die uitleent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָשִׁים (rashim), ‘berooiden’: wie niets bezit. Zie ook: Spr 14:31; Spr 18:23; Spr 22:16; 2 Kon 4:1; Mat 18:25 **22:8** Wie onrecht zaait, oogst onheil; en de stok van zijn woede houdt op. Brontekst: זוֹרֵ֣עַ (zorea) = wie zaait | עַ֭וְלָה (avla) = onrecht | יִקְצָר (yiqtsar) = oogst | אָ֑וֶן (aven) = onheil | וְשֵׁ֖בֶט (veshevet) = en de stok van | עֶבְרָת֣וֹ (evrato) = zijn woede | יִכְלֶֽה (yikhle) = houdt op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁבֶט עֶבְרָתוֹ (shevet evrato), ‘de stok van zijn woede’: het middel waarmee de onderdrukker slaat; zijn macht komt tot een einde. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft יקצור en het gelezen woord (qere) יִקְצָר; beide betekenen ‘hij oogst’. Voetnoot : Sommige oude vertalingen hebben na deze spreuk een extra regel over een blijmoedige gever die Elohim zegent. De Masoretische tekst heeft die regel niet; wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Job 4:8; Ps 125:3; Hos 10:13; Jes 30:31; Gal 6:7–8 **22:9** Wie goed van oog is, wordt gezegend, want hij geeft van zijn brood aan de geringe. Brontekst: טֽוֹב (tov) = goed van | עַ֭יִן (ayin) = oog | ה֣וּא (hu) = hij | יְבֹרָ֑ךְ (yevorakh) = wordt gezegend | כִּֽי (ki) = want | נָתַ֖ן (natan) = hij geeft | מִלַּחְמ֣וֹ (milachmo) = van zijn brood | לַדָּֽל (ladal) = aan de geringe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טוֹב־עַיִן (tov ayin), ‘goed van oog’: gul, iemand die met welwillende blik naar de behoeftige kijkt. Het tegengestelde is ‘een boos oog’ (Spr. 23:6). Voetnoot : דַּל (dal), ‘geringe’: de arme. Zie ook: Spr 19:17; Spr 23:6; Hand 20:35; 1 Tim 6:18–19; 1 Petr 4:9; Heb 6:10 **22:10** Verjaag de spotter, dan gaat de twist weg; geschil en smaad houden op. Brontekst: גָּ֣רֵֽשׁ (garesh) = verjaag | לֵ֭ץ (lets) = de spotter | וְיֵצֵ֣א (veyetse) = dan gaat weg | מָד֑וֹן (madon) = twist | וְ֝יִשְׁבֹּ֗ת (veyishbot) = en houdt op | דִּ֣ין (din) = geschil | וְקָלֽוֹן (veqalon) = en smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּין (din), ‘geschil’: een rechtszaak of twist. קָלוֹן (qalon), ‘smaad’: schande. Zie ook: Spr 18:6; Spr 26:20–21; Neh 13:28; 1 Kor 5:5–6; 1 Kor 5:13 **22:11** Wie zuiverheid van hart liefheeft, heeft gunst op zijn lippen; de koning is zijn vriend. Brontekst: אֹהֵ֥ב (ohev) = wie liefheeft | טְהָר (tehar) = zuiverheid van | לֵ֑ב (lev) = hart | חֵ֥ן (chen) = gunst van | שְׂ֝פָתָ֗יו (sefatav) = zijn lippen | רֵעֵ֥הוּ (reehu) = zijn vriend | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin is in het Hebreeuws kort en onvolledig: ‘Wie zuiverheid van hart liefheeft, gunst van zijn lippen, zijn vriend is de koning.’ Wij vullen alleen ‘heeft’ aan. Het kan ook zijn: wie zuiverheid van hart en gunst van de lippen liefheeft. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft טהור (‘zuiver’), het gelezen woord (qere) טְהָר-. De betekenis is gelijk. Zie ook: Ps 45:3; Ps 101:6; Spr 14:35; Spr 16:13; Mat 5:8 **22:12** De ogen van Yahweh bewaken kennis, maar Hij werpt de woorden van de trouweloze omver. Brontekst: עֵינֵ֣י (einei) = de ogen van | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | נָ֣צְרוּ (natseru) = bewaken | דָ֑עַת (daat) = kennis | וַ֝יְסַלֵּ֗ף (vaysalef) = maar Hij werpt omver | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | בֹגֵֽד (boged) = de trouweloze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָצְרוּ דָעַת (natsru da’at), ‘zij bewaken kennis’: Yahweh waakt over wie kennis heeft en houdt die in stand. Voetnoot : בֹּגֵד (boged), ‘trouweloze’: wie trouw verbreekt. Zie ook: Job 5:12–13; 2 Kron 16:9; Hand 12:23–24; Hand 13:8–12; 2 Tim 3:8–9 **22:13** De luiaard zegt: „Er is een leeuw buiten! Midden op de pleinen word ik vermoord!” Brontekst: אָמַ֣ר (amar) = zegt | עָ֭צֵל (atsel) = de luiaard | אֲרִ֣י (ari) = een leeuw | בַח֑וּץ (bachuts) = buiten | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden op | רְ֝חֹב֗וֹת (rechovot) = de pleinen | אֵֽרָצֵֽחַ (eratseach) = word ik vermoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָצֵל (atsel), ‘luiaard’: wie een smoes zoekt om niet te hoeven werken. Een verwante spreuk staat in Spr. 26:13. Zie ook: Num 13:32–33; Spr 15:19; Spr 26:13–16 **22:14** De mond van vreemde vrouwen is een diepe kuil; wie door Yahweh verwenst is, valt daarin. Brontekst: שׁוּחָ֣ה (shucha) = een kuil | עֲ֭מֻקָּה (amuqa) = diep | פִּ֣י (pi) = de mond van | זָר֑וֹת (zarot) = vreemde vrouwen | זְע֥וּם (zeum) = wie verwenst is door | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יִפָּל (yipal) = valt | שָֽׁם (sham) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָרוֹת (zarot), ‘vreemde vrouwen’: vrouwen buiten het huwelijk. Zie ook Spr. 2:16, 5:3 en 7:5. Voetnoot : זְעוּם יְהוָה (zeum Yahweh), ‘door Yahweh verwenst’: wie Yahweh heeft opgegeven, valt in die kuil. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft יפול en het gelezen woord (qere) יִפָּל; beide betekenen ‘valt’. Zie ook: Spr 2:16; Spr 5:3; Spr 6:24–29; Spr 7:5–27; Spr 23:27; Pred 7:26; Neh 13:26 **22:15** Zotheid zit gebonden in het hart van de jongen; de stok van de tucht verwijdert haar van hem. Brontekst: אִ֭וֶּלֶת (ivelet) = zotheid | קְשׁוּרָ֣ה (qeshura) = gebonden | בְלֶב (belev) = in het hart van | נָ֑עַר (naar) = de jongen | שֵׁ֥בֶט (shevet) = de stok van | מ֝וּסָ֗ר (musar) = tucht | יַרְחִיקֶ֥נָּה (yarchiqena) = verwijdert haar | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: wat de zot (אֱוִיל, evil) kenmerkt. Voetnoot : מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht’ of ‘vermaning’. Zie ook Spr. 13:24 en 23:13–14. Zie ook: Spr 13:24; Spr 19:18; Spr 23:13–14; Spr 29:15; Spr 29:17 **22:16** Wie de geringe onderdrukt om voor zichzelf te vermeerderen, en wie aan een rijke geeft: het leidt slechts tot gebrek. Brontekst: עֹ֣שֵֽׁק (osheq) = wie onderdrukt | דָּ֭ל (dal) = de geringe | לְהַרְבּ֣וֹת (leharbot) = om te vermeerderen | ל֑וֹ (lo) = voor zichzelf | נֹתֵ֥ן (noten) = wie geeft | לְ֝עָשִׁ֗יר (leashir) = aan een rijke | אַךְ (akh) = slechts | לְמַחְסֽוֹר (lemachsor) = tot gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het tweede deel is kort: ‘wie geeft aan een rijke, slechts tot gebrek’. Beide handelingen, de geringe onderdrukken en de rijke geven, leiden tot gebrek. Wij laten de zin zoals hij staat. Voetnoot : לוֹ (lo), ‘voor zichzelf’: hij wil er zelf rijker van worden. Zie ook: Ps 12:6; Spr 22:22–23; Luc 14:12–14; Jak 2:13; Jak 5:1–5 ### Woorden van de wijzen **22:17** Neig je oor en hoor de woorden van de wijzen, en richt je hart op mijn kennis. Brontekst: הַ֥ט (hat) = neig | אָזְנְךָ֗ (azenekha) = je oor | וּ֭שְׁמַע (ushema) = en hoor | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | חֲכָמִ֑ים (chakhamim) = wijzen | וְ֝לִבְּךָ֗ (velibekha) = en je hart | תָּשִׁ֥ית (tashit) = richt | לְדַעְתִּֽי (ledati) = op mijn kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot Spr. 24:22 loopt een reeks leerstukken die ‘woorden van de wijzen’ heet. De reeks vertoont overeenkomst met het Egyptische geschrift ‘De leer van Amenemope’; de verhouding tussen beide teksten is niet zeker. Voetnoot : דִּבְרֵי חֲכָמִים (divre chakhamim), ‘woorden van de wijzen’: het opschrift van deze verzameling. Zie ook Spr. 24:23. Voetnoot : De spreker is hier de leraar; hij spreekt zijn leerling, zijn ‘zoon’, aan. Zie ook: Ps 90:12; Spr 2:2–5; Spr 3:1; Spr 23:12; Spr 24:22; Spr 24:23; Pred 7:25 **22:18** Want het is aangenaam als je ze bewaart in je binnenste; laat ze samen vaststaan op je lippen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | נָ֭עִים (naim) = aangenaam | כִּֽי (ki) = als | תִשְׁמְרֵ֣ם (tishmerem) = je ze bewaart | בְּבִטְנֶ֑ךָ (bevitnekha) = in je binnenste | יִכֹּ֥נוּ (yikonu) = zijn vastgesteld | יַ֝חְדָּ֗ו (yachdav) = samen | עַל (al) = op | שְׂפָתֶֽיךָ (sefateikha) = je lippen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִכֹּנוּ (yikkonu), ‘zij zijn vastgesteld’: de woorden staan gereed op de lippen om uitgesproken te worden. Zie ook: Ps 119:103; Spr 2:10; Spr 8:6; Jer 15:16; Joh 7:38 **22:19** Opdat je vertrouwen op Yahweh is, maak ik het je vandaag bekend, ja, jou. Brontekst: לִהְי֣וֹת (lihyot) = opdat | בַּ֭יהוָה (baYahweh) = op Yahweh zij | מִבְטַחֶ֑ךָ (mivtachekha) = je vertrouwen | הוֹדַעְתִּ֖יךָ (hodatikha) = maak ik je bekend | הַיּ֣וֹם (hayom) = vandaag | אַף (af) = ook | אָֽתָּה (ata) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹדַעְתִּיךָ (hoda’tikha), ‘ik maak je bekend’: de leraar verklaart nadrukkelijk dat het hem om het vertrouwen op Yahweh gaat. Zie ook: Ps 62:9; Spr 3:5; Jes 12:2; Jes 26:4; 1 Petr 1:21 **22:20** Heb ik niet voortreffelijke dingen voor je opgeschreven, in raadgevingen en kennis? Brontekst: הֲלֹ֤א (halo) = is het niet | כָתַ֣בְתִּי (katavti) = heb ik geschreven | לְ֭ךָ (lekha) = voor jou | שָׁלִישִׁ֑ים (shalishim) = voortreffelijke dingen | בְּמ֖וֹעֵצֹ֣ת (bemoetsot) = in raadgevingen | וָדָֽעַת (vadaat) = en kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלִישִׁים (shalishim): de betekenis is onzeker. Het woord kan ‘voortreffelijke dingen’ betekenen (van ‘drie’, dus ‘de derde man’, de beste), ‘drievoudig’ of ‘dertig’. Het laatste past bij de ‘dertig’ leerstukken in Spr. 22:17–24:22. Wij vertalen ‘voortreffelijke dingen’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft שִׁלְשׁוֹם (shilshom), ‘eergisteren’, ‘al eerder’; het gelezen woord (qere) heeft שָׁלִישִׁים. Wij volgen het gelezen woord. Zie ook: Ps 12:7; Spr 8:6; Spr 22:17–24:22; Hos 8:12; 2 Tim 3:15–17; 2 Petr 1:19–21 **22:21** Om je de juistheid van woorden van waarheid te laten kennen, zodat je woorden van waarheid terugbrengt aan wie je zendt. Brontekst: לְהוֹדִֽיעֲךָ֗ (lehodiakha) = om je te laten kennen | קֹ֭שְׁטְ (qoshet) = de juistheid van | אִמְרֵ֣י (imrei) = woorden van | אֱמֶ֑ת (emet) = waarheid | לְהָשִׁ֥יב (lehashiv) = om terug te brengen | אֲמָרִ֥ים (amarim) = woorden van | אֱ֝מֶ֗ת (emet) = waarheid | לְשֹׁלְחֶֽיךָ (lesholecheikha) = aan wie je zendt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹשְׁטְ (qoshet), ‘juistheid’, ‘betrouwbaarheid’: de zekerheid van wat waar is. Voetnoot : אֱמֶת (emet), ‘waarheid’. Voetnoot : לְשֹׁלְחֶיךָ (leshol’chekha), ‘aan wie je zendt’: aan degene die je een opdracht geeft of een vraag stelt. Zie ook: Luc 1:3–4; Joh 20:31; 1 Petr 3:15; 1 Joh 5:13 **22:22** Beroof de geringe niet, omdat hij gering is, en onderdruk de ellendige niet in de poort. Brontekst: אַֽל (al) = niet | תִּגְזָל (tigzal) = beroof | דָּ֭ל (dal) = de geringe | כִּ֣י (ki) = want | דַל (dal) = gering | ה֑וּא (hu) = hij is | וְאַל (veal) = en niet | תְּדַכֵּ֖א (tedake) = onderdruk | עָנִ֣י (ani) = de ellendige | בַשָּֽׁעַר (bashaar) = in de poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּל (dal), ‘geringe’: de arme. עָנִי (ani), ‘ellendige’: wie klein gemaakt is. Voetnoot : בַּשָּׁעַר (basha’ar), ‘in de poort’: de poort van de stad was de plaats waar recht werd gesproken. Zie ook: Job 31:16; Ex 23:6; Spr 22:16; Zach 7:10; Mal 3:5 **22:23** Want Yahweh voert hun rechtszaak, en Hij berooft hun berovers van het leven. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | יָרִ֣יב (yariv) = voert | רִיבָ֑ם (rivam) = hun rechtszaak | וְקָבַ֖ע (veqava) = en Hij berooft | אֶת (et) = (obj.) | קֹבְעֵיהֶ֣ם (qoveeihem) = hun berovers | נָֽפֶשׁ (nafesh) = van het leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרִיב רִיבָם (yarib rivam), ‘Hij voert hun rechtszaak’: Yahweh treedt voor hen op als pleitbezorger. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh): hier ‘leven’. Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘Hij berooft het leven van hun berovers’: Yahweh neemt hun het leven. Zie ook: 1 Sam 25:39; Ps 12:6; Ps 140:13; Spr 23:11; Jer 51:36 **22:24** Wees niet bevriend met een heer van toorn, en ga niet om met een man van woede. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּ֭תְרַע (titra) = wees bevriend | אֶת (et) = met | בַּ֣עַל (baal) = een heer van | אָ֑ף (af) = toorn | וְאֶת (veet) = en met | אִ֥ישׁ (ish) = een man van | חֵ֝מוֹת (chemot) = woede | לֹ֣א (lo) = niet | תָבֽוֹא (tavo) = kom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעַל אַף (baal af), ‘heer van toorn’: iemand die door zijn toorn wordt beheerst. Zie ook: Spr 21:24; Spr 29:22; 2 Kor 6:14–17 **22:25** Anders leer je zijn paden, en haal je een strik over je ziel. Brontekst: פֶּן (pen) = anders | תֶּאֱלַ֥ף (teelaf) = leer je | אֹֽרְחֹתָ֑יו (orechotav) = zijn paden | וְלָקַחְתָּ֖ (velaqachta) = en haal je | מוֹקֵ֣שׁ (moqesh) = een strik | לְנַפְשֶֽׁךָ (lenafshekha) = voor je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹרְחֹתָיו (orchotav), ‘zijn paden’: zijn manier van leven. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft het enkelvoud (‘zijn pad’); het gelezen woord (qere) het meervoud. Wij volgen het gelezen woord. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het leven, de hele persoon. Zie ook: Ps 106:35; Spr 13:20; 1 Kor 15:33 **22:26** Wees niet onder wie een handslag geven, onder wie borg staan voor schulden. Brontekst: אַל (al) = niet | תְּהִ֥י (tehi) = wees | בְתֹֽקְעֵי (betoqeei) = onder wie geven | כָ֑ף (kaf) = een handslag | בַּ֝עֹרְבִ֗ים (baorevim) = onder wie borg staan | מַשָּׁאֽוֹת (mashaot) = voor schulden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹקְעֵי כָף (toqe kaf), ‘die een handslag geven’: wie met een handslag een belofte bezegelt. Zie ook Spr. 6:1 en 17:18. Voetnoot : מַשָּׁאוֹת (mashsha’ot), ‘schulden’: wat iemand aan een ander verschuldigd is. Zie ook: Spr 6:1–5; Spr 11:15; Spr 17:18; Spr 27:13 **22:27** Als je niets hebt om te betalen, waarom zou men dan je bed onder je weghalen? Brontekst: אִם (im) = als | אֵֽין (ein) = er niet is | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | לְשַׁלֵּ֑ם (leshalem) = om te betalen | לָ֥מָּה (lama) = waarom | יִקַּ֥ח (yiqach) = zou men nemen | מִ֝שְׁכָּבְךָ֗ (mishkavekha) = je bed | מִתַּחְתֶּֽיךָ (mitachteikha) = onder je weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een arme gaf zijn deken of zijn bed in onderpand. Vergelijk Exod. 22:25–26 en Deut. 24:12–13. Zie ook: Ex 22:25–26; Deut 24:12–13; Spr 20:16; 2 Kon 4:1 **22:28** Verschuif de eeuwenoude grens niet, die je vaders hebben gemaakt. Brontekst: אַל (al) = niet | תַּ֭סֵּג (taseg) = verschuif | גְּב֣וּל (gevul) = de grens van | עוֹלָ֑ם (olam) = altijd | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עָשׂ֣וּ (asu) = hebben gemaakt | אֲבוֹתֶֽיךָ (avoteikha) = je vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּבוּל עוֹלָם (gevul olam), ‘eeuwenoude grens’: de grens die al sinds lang bestaat. Zie ook Spr. 23:10, Deut. 19:14 en Deut. 27:17. Zie ook: Job 24:2; Deut 19:14; Deut 27:17; Spr 23:10 **22:29** Heb je een man gezien die vaardig is in zijn werk? Hij zal voor koningen staan; hij zal niet voor onbekenden staan. Brontekst: חָזִ֡יתָ (chazita) = heb je gezien | אִ֤ישׁ (ish) = een man | מָ֘הִ֤יר (mahir) = vaardig | בִּמְלַאכְתּ֗וֹ (bimlakhto) = in zijn werk | לִֽפְנֵֽי (lifnei) = voor | מְלָכִ֥ים (melakhim) = koningen | יִתְיַצָּ֑ב (yityatsav) = zal hij staan | בַּל (bal) = niet | יִ֝תְיַצֵּב (yityatsev) = zal hij staan | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | חֲשֻׁכִּֽים (chashukim) = onbekenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲשֻׁכִּים (chashukkim), ‘onbekenden’: eigenlijk ‘donkeren’, mensen zonder naam of aanzien. Het woord komt alleen hier voor. Zie ook: Spr 10:4; Spr 12:24; Pred 9:10; 1 Kon 11:28; Mat 25:21 ## Spreuken 23 _Woorden van de wijzen: de maaltijd, de tucht, de vreemde vrouw en de wijn_ ### Aan tafel bij een heerser **23:1** Wanneer je gaat zitten om te eten met een heerser, let dan goed op wat voor je is. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | תֵ֭שֵׁב (teshev) = je gaat zitten | לִלְח֣וֹם (lilchom) = om te eten | אֶת (et) = met | מוֹשֵׁ֑ל (moshel) = een heerser | בִּ֥ין (bin) = goed | תָּ֝בִ֗ין (tavin) = let op | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לְפָנֶֽיךָ (lefaneikha) = voor je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹשֵׁל (moshel), ‘heerser’: iemand met gezag, een machthebber. Voetnoot : אֶת־אֲשֶׁר לְפָנֶיךָ (et asher lefanekha), ‘wat voor je is’: de spijzen op tafel, of de persoon die tegenover je zit. Beide uitleggingen zijn mogelijk; wij laten de zin zoals hij staat. Zie ook: Gen 43:32–34; Jud 1:12 **23:2** Zet een mes aan je keel, als je iemand bent met een grote begeerte. Brontekst: וְשַׂמְתָּ֣ (vesamta) = en zet | שַׂכִּ֣ין (sakin) = een mes | בְּלֹעֶ֑ךָ (beloekha) = aan je keel | אִם (im) = als | בַּ֖עַל (baal) = bezitter van | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = begeerte | אָֽתָּה (ata) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעַל נֶפֶשׁ (baal nefesh), ‘bezitter van begeerte’: iemand die zijn eetlust niet in bedwang heeft. נֶפֶשׁ (nefesh) betekent hier ‘begeerte’, ‘eetlust’. De spreuk is beeldspraak: beheers jezelf. Zie ook: Mat 18:8–9; 1 Kor 9:27; Fil 3:19 **23:3** Verlang niet naar zijn lekkernijen, want het is brood van bedrog. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּ֭תְאָו (titav) = verlang | לְמַטְעַמּוֹתָ֑יו (lematamotav) = naar zijn lekkernijen | וְ֝ה֗וּא (vehu) = want het is | לֶ֣חֶם (lechem) = brood van | כְּזָבִֽים (kezavim) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶחֶם כְּזָבִים (lechem kezavim), ‘brood van bedrog’: eigenlijk ‘brood van leugens’. De gastheer lijkt gul, maar zijn bedoeling is een andere. Zie vers 7. Zie ook: Ps 141:4; Spr 23:6; Spr 23:7; Dan 1:8; Luc 21:34; Ef 4:22 ### Rijkdom vliegt weg **23:4** Moei je niet af om rijk te worden; houd op, uit je eigen inzicht. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּיגַ֥ע (tiga) = moei je af | לְֽהַעֲשִׁ֑יר (lehaashir) = om rijk te worden | מִֽבִּינָתְךָ֥ (mibinatekha) = uit je inzicht | חֲדָֽל (chadal) = houd op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּיגַע (tiga), ‘moei je af’: werken tot je moe bent. Voetnoot : מִבִּינָתְךָ (mibinatekha), ‘uit je inzicht’: omdat je inzicht hebt. Ook mogelijk: ‘houd op met je inzicht’, dus wees er niet te slim mee. Zie ook: Spr 3:5; Spr 28:20; Mat 6:19; 1 Tim 6:8–10; Heb 13:5 **23:5** Laat je ogen erop vliegen, en het is er niet meer? Want zeker maakt het zich vleugels; als een arend vliegt het naar de hemel. Brontekst: הֲתָ֤עִיף (hataif) = laat je vliegen | עֵינֶ֥יךָ (eineikha) = je ogen | בּ֗וֹ (bo) = erop | וְֽאֵ֫ינֶ֥נּוּ (veeinenu) = en het is er niet | כִּ֤י (ki) = want | עָשֹׂ֣ה (aso) = zeker | יַעֲשֶׂה (yaase) = maakt het | לּ֣וֹ (lo) = zich | כְנָפַ֑יִם (kenafayim) = vleugels | כְּ֝נֶ֗שֶׁר (kenesher) = als een arend | יָע֥וּף (yauf) = vliegt het | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = naar de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָשֹׂה יַעֲשֶׂה (asoh yaaseh), ‘zeker maakt het’: de rijkdom groeit als het ware vleugels en vliegt weg. נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’: het kan ook een gier zijn. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft op twee plaatsen een andere spelling dan het gelezen woord (qere): הֲתָעִיף (‘laat je vliegen’) en יָעוּף (‘vliegt’). Beide komen van het werkwoord ‘vliegen’. Een andere uitleg is: ‘Moet je je ogen op rijkdom richten? Hij is er niet.’ Wij volgen het gelezen woord. Zie ook: Spr 27:24; Mat 6:19; Jak 5:1–2; 1 Tim 6:17; 1 Joh 2:16 ### Het brood van een nijdige **23:6** Eet niet het brood van iemand met een boos oog, en verlang niet naar zijn lekkernijen. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּלְחַ֗ם (tilcham) = eet | אֶת (et) = (obj.) | לֶ֭חֶם (lechem) = brood van | רַ֣ע (ra) = iemand met een boos | עָ֑יִן (ayin) = oog | וְאַל (veal) = en niet | תִּ֝תְאָ֗יו (titav) = verlang | לְמַטְעַמֹּתָֽיו (lematamotav) = naar zijn lekkernijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַע עָיִן (ra ayin), ‘boos oog’: iemand die afgunstig of gierig is. Het tegendeel is ‘goed van oog’ (Spr. 22:9). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft תתאו en het gelezen woord (qere) תִּתְאָיו; beide betekenen ‘verlang’. Voetnoot : תִּלְחַם (tilcham), ‘eet’: van לָחַם (lacham) ‘eten’; het woord klinkt als ‘vechten’ maar hoort bij ‘brood’ (לֶחֶם, lechem). Zie ook: Deut 15:9; Ps 141:4; Spr 22:9; Spr 23:3; Dan 1:8–10; Mat 20:15 **23:7** Want zoals hij in zijn ziel berekent, zo is hij. „Eet en drink!”, zegt hij tegen je, maar zijn hart is niet met je. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | כְּמוֹ (kemo) = zoals | שָׁעַ֥ר (shaar) = hij berekent | בְּנַפְשׁ֗וֹ (benafsho) = in zijn ziel | כֶּ֫ן (ken) = zo | ה֥וּא (hu) = is hij | אֱכֹ֣ל (ekhol) = eet | וּ֭שְׁתֵה (ushete) = en drink | יֹ֣אמַר (yomar) = zegt hij | לָ֑ךְ (lakh) = tegen je | וְ֝לִבּ֗וֹ (velibo) = maar zijn hart | בַּל (bal) = niet | עִמָּֽךְ (imakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁעַר (shaar), ‘berekenen’: dit werkwoord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Andere uitleggingen zijn ‘hij schat in’ of ‘hij denkt’. De spreuk zegt: wat de gastheer innerlijk berekent, bepaalt wie hij werkelijk is. נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier zijn binnenste. Zie ook: Re 16:15; Ps 12:3; Ps 55:22; Mat 9:3–4; Luc 11:37–54 **23:8** Het stukje dat je hebt gegeten, braak je uit, en je aangename woorden heb je verspild. Brontekst: פִּֽתְּךָ (pitekha) = je stukje | אָכַ֥לְתָּ (akhalta) = dat je at | תְקִיאֶ֑נָּה (teqiena) = braak je uit | וְ֝שִׁחַ֗תָּ (veshichata) = en je verspilt | דְּבָרֶ֥יךָ (devareikha) = je woorden | הַנְּעִימִֽים (haneimim) = de aangename Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּתְּךָ (pitekha), ‘je stukje’: een klein stuk brood. **23:9** Spreek niet in de oren van een dwaas, want hij veracht het doorzicht van je woorden. Brontekst: בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | כְ֭סִיל (kesil) = een dwaas | אַל (al) = niet | תְּדַבֵּ֑ר (tedaber) = spreek | כִּֽי (ki) = want | יָ֝ב֗וּז (yavuz) = hij veracht | לְשֵׂ֣כֶל (lesekhel) = het doorzicht van | מִלֶּֽיךָ (mileikha) = je woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּסִיל (kesil), ‘dwaas’: wie niet wil leren. שֵׂכֶל (sekhel), ‘doorzicht’: wat een woord verstandig en doordacht maakt. Zie ook: Spr 1:7; Spr 9:7–8; Spr 26:4–5; Jes 36:21; Mat 7:6 ### De grens en de wezen **23:10** Verschuif de eeuwenoude grens niet, en ga niet de velden van wezen in. Brontekst: אַל (al) = niet | תַּ֭סֵּג (taseg) = verschuif | גְּב֣וּל (gevul) = de grens van | עוֹלָ֑ם (olam) = altijd | וּבִשְׂדֵ֥י (uvisdei) = en in de velden van | יְ֝תוֹמִ֗ים (yetomim) = wezen | אַל (al) = niet | תָּבֹֽא (tavo) = ga Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּבוּל עוֹלָם (gevul olam), ‘eeuwenoude grens’: de oude grens van het erfdeel. Dezelfde woorden als in Spr. 22:28. Zie ook Deut. 19:14 en Deut. 27:17. Voetnoot : יְתוֹמִים (yetomim), ‘wezen’: kinderen zonder vader, die zichzelf niet kunnen verdedigen. Zie ook: Deut 19:14; Deut 27:17; Spr 22:28; Jer 22:3; Zach 7:10; Jak 1:27 **23:11** Want hun losser is sterk. Hij zelf voert hun rechtszaak tegen jou. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | גֹאֲלָ֥ם (goalam) = hun losser | חָזָ֑ק (chazaq) = sterk | הֽוּא (hu) = Hij | יָרִ֖יב (yariv) = voert | אֶת (et) = (obj.) | רִיבָ֣ם (rivam) = hun rechtszaak | אִתָּֽךְ (itakh) = tegen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּאֲלָם (goalam), ‘hun losser’: de naaste verwant die voor een zwakke familielid optreedt. Hier is dat Yahweh zelf, zoals Spr. 22:23. Zie ook Ruth 3:12. Voetnoot : אִתָּךְ (ittakh), ‘met jou’: bedoeld is ‘tegen jou’, in een rechtszaak. Zie ook: Job 19:25; Ex 22:21–23; Deut 27:19; Ruth 3:12; Ps 12:6; Spr 22:23 ### Tucht voor de jongen **23:12** Breng je hart naar de tucht en je oren naar woorden van kennis. Brontekst: הָבִ֣יאָה (havia) = breng | לַמּוּסָ֣ר (lamusar) = naar de tucht | לִבֶּ֑ךָ (libekha) = je hart | וְ֝אָזְנֶ֗ךָ (veazenekha) = en je oren | לְאִמְרֵי (leimrei) = naar de woorden van | דָֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht’ of ‘vermaning’. Zie ook: Spr 2:2–6; Spr 5:1–2; Spr 23:19; Ezech 33:31; Jak 1:21–25 **23:13** Houd de tucht niet van de jongen terug, want als je hem met de stok slaat, sterft hij niet. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּמְנַ֣ע (timna) = houd terug | מִנַּ֣עַר (minaar) = van de jongen | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | כִּֽי (ki) = want | תַכֶּ֥נּוּ (takenu) = je slaat hem | בַ֝שֵּׁ֗בֶט (bashevet) = met de stok | לֹ֣א (lo) = niet | יָמֽוּת (yamut) = sterft hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Spr. 13:24, 19:18 en 29:15. Zie ook: Spr 13:24; Spr 19:18; Spr 29:15; Spr 29:17 **23:14** Jij slaat hem met de stok, en zijn ziel bevrijd je uit de Sjeol. Brontekst: אַ֭תָּה (ata) = jij | בַּשֵּׁ֣בֶט (bashevet) = met de stok | תַּכֶּ֑נּוּ (takenu) = slaat hem | וְ֝נַפְשׁ֗וֹ (venafsho) = en zijn ziel | מִשְּׁא֥וֹל (misheol) = uit de Sjeol | תַּצִּֽיל (tatsil) = bevrijd je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (sheol), ‘Sjeol’: het dodenrijk. Wie de tucht van zijn kind niet schuwt, houdt het van een dodelijke weg. נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de persoon in zijn leven. Voetnoot : תַּצִּיל (tatsil), ‘bevrijd je’: van het werkwoord נָצַל (natsal) in de oorzakelijke vorm, zoals in Spr. 24:11. Zie ook: Spr 22:15; Spr 24:11; 1 Kor 5:5; 1 Kor 11:32 **23:15** Mijn zoon, als je hart wijs is, zal mijn hart zich verheugen, ook ik. Brontekst: בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | אִם (im) = als | חָכַ֣ם (chakham) = wijs is | לִבֶּ֑ךָ (libekha) = je hart | יִשְׂמַ֖ח (yismach) = verheugt zich | לִבִּ֣י (libi) = mijn hart | גַם (gam) = ook | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכַם לִבֶּךָ (chakham libbekha), ‘je hart is wijs’: wijs worden is hier een zaak van het hart, de zetel van het denken. Zie ook: Spr 23:24–25; Spr 29:3; Sef 3:17; 2 Joh 1:4; 3 Joh 1:3–4 **23:16** Mijn nieren zullen jubelen als je lippen spreken wat recht is. Brontekst: וְתַעְלֹ֥זְנָה (vetalozena) = en zullen jubelen | כִלְיוֹתָ֑י (kilyotay) = mijn nieren | בְּדַבֵּ֥ר (bedaber) = als spreken | שְׂ֝פָתֶ֗יךָ (sefateikha) = je lippen | מֵישָׁרִֽים (meisharim) = wat recht is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלָיוֹת (kilyot), ‘nieren’: in het Hebreeuws de zetel van de diepste gevoelens. Zie ook Ps. 16:7. Voetnoot : מֵישָׁרִים (meisharim), ‘wat recht is’: eerlijkheid, rechtheid. Zie ook: Ps 16:7; Spr 8:6; Jak 3:2; Ef 4:29; Ef 5:4; Kol 4:4 **23:17** Laat je hart niet jaloers zijn op zondaars, maar wees de hele dag in de vrees voor Yahweh. Brontekst: אַל (al) = niet | יְקַנֵּ֣א (yeqane) = laat jaloers zijn | לִ֭בְּךָ (libekha) = je hart | בַּֽחַטָּאִ֑ים (bachataim) = op zondaars | כִּ֥י (ki) = maar | אִם (im) = (wees) | בְּיִרְאַת (beyirat) = in de vrees voor | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = heel | הַיּֽוֹם (hayom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tweede helft is in het Hebreeuws onvolledig: ‘maar in de vrees voor Yahweh de hele dag’. Wij vullen ‘wees’ aan. Voetnoot : יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag en eerbied (zie Spr. 1:7). Zie ook: Ps 37:1–3; Spr 1:7; Spr 15:16; Spr 28:14; 2 Kor 7:1; 1 Petr 1:17 **23:18** Want zeker is er een toekomst, en je hoop wordt niet afgesneden. Brontekst: כִּ֭י (ki) = want | אִם (im) = zeker | יֵ֣שׁ (yesh) = is er | אַחֲרִ֑ית (acharit) = een toekomst | וְ֝תִקְוָתְךָ֗ (vetiqvatekha) = en je hoop | לֹ֣א (lo) = niet | תִכָּרֵֽת (tikaret) = wordt afgesneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחֲרִית (acharit), ‘toekomst’: eigenlijk ‘wat daarna komt’, het einde van de weg, ook de afloop. Zie ook Spr. 24:14 en 24:20. Zie ook: Ps 9:19; Spr 24:14; Spr 24:20; Jer 29:11; Fil 1:20; Heb 10:35 ### Luister, mijn zoon **23:19** Luister jij, mijn zoon, en wees wijs, en richt je hart op de weg. Brontekst: שְׁמַע (shema) = luister | אַתָּ֣ה (ata) = jij | בְנִ֣י (beni) = mijn zoon | וַחֲכָ֑ם (vachakham) = en wees wijs | וְאַשֵּׁ֖ר (veasher) = en richt | בַּדֶּ֣רֶךְ (baderekh) = op de weg | לִבֶּֽךָ (libekha) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַשֵּׁר (asher), ‘richt’: laat je hart recht op de weg lopen. Het woord hoort bij hetzelfde grondwoord als ‘gelukkig’ (אַשְׁרֵי, ashre). Zie ook: Spr 4:10–23; Spr 6:6; Spr 9:6; Spr 23:12; Spr 23:26 **23:20** Wees niet onder de wijndrinkers, onder de gulzige vleeseters. Brontekst: אַל (al) = niet | תְּהִ֥י (tehi) = wees | בְסֹֽבְאֵי (besoveei) = onder drinkers van | יָ֑יִן (yayin) = wijn | בְּזֹלֲלֵ֖י (bezolalei) = onder gulzigaards van | בָשָׂ֣ר (basar) = vlees | לָֽמוֹ (lamo) = voor zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָמוֹ (lamo), ‘voor zich’: het kleine woord aan het eind is moeilijk. Het kan ‘voor zichzelf’ betekenen, ‘onder hen’ of ‘bij hen’. Wij vertalen de reeks als: onder de wijndrinkers en onder de gulzige vleeseters. Zie ook: Jes 5:22; Jes 22:13; Luc 21:34; Rom 13:13; Ef 5:18 **23:21** Want de drinker en de gulzigaard worden arm, en slaperigheid kleedt hen in lompen. Brontekst: כִּי (ki) = want | סֹבֵ֣א (sove) = de drinker | וְ֭זוֹלֵל (vezolel) = en de gulzigaard | יִוָּרֵ֑שׁ (yivaresh) = worden arm | וּ֝קְרָעִ֗ים (uqeraim) = en lompen | תַּלְבִּ֥ישׁ (talbish) = kleedt aan | נוּמָֽה (numa) = slaperigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹבֵא (sove), ‘drinker’ en זוֹלֵל (zolel), ‘gulzigaard’: ook in Deut. 21:20, waar zij samen worden genoemd. Voetnoot : נוּמָה (numah), ‘slaperigheid’: de roes en de slaap die op het drinken volgen. Zie ook: Deut 21:20; Spr 6:9–11; Spr 19:15; Spr 21:17; Fil 3:19 ### Luister naar je vader **23:22** Luister naar je vader, die je heeft verwekt, en veracht je moeder niet omdat ze oud is geworden. Brontekst: שְׁמַ֣ע (shema) = luister | לְ֭אָבִיךָ (leavikha) = naar je vader | זֶ֣ה (ze) = die | יְלָדֶ֑ךָ (yeladekha) = heeft je verwekt | וְאַל (veal) = en niet | תָּ֝ב֗וּז (tavuz) = veracht | כִּֽי (ki) = omdat | זָקְנָ֥ה (zaqena) = ze oud is geworden | אִמֶּֽךָ (imekha) = je moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּבוּז (tavuz), ‘veracht’: bij een oude moeder kan de neiging bestaan haar niet meer serieus te nemen. Zie ook Spr. 1:8 en 30:17. Zie ook: Spr 1:8; Spr 6:20; Spr 30:17; Joh 19:26–27; Ef 6:1–2 **23:23** Koop waarheid en verkoop haar niet, en ook wijsheid, tucht en inzicht. Brontekst: אֱמֶ֣ת (emet) = waarheid | קְ֭נֵה (qene) = koop | וְאַל (veal) = en niet | תִּמְכֹּ֑ר (timkor) = verkoop | חָכְמָ֖ה (chakhema) = wijsheid | וּמוּסָ֣ר (umusar) = en tucht | וּבִינָֽה (uvina) = en inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tweede helft heeft geen werkwoord: ‘wijsheid, tucht en inzicht’ hoort bij ‘koop’. Wij voegen alleen ‘en ook’ toe. Voetnoot : אֱמֶת (emet), ‘waarheid’. חָכְמָה (chokhmah), ‘wijsheid’. מוּסָר (musar), ‘tucht’. בִּינָה (binah), ‘inzicht’. Zie ook: Ps 119:72; Spr 16:16; Spr 18:15; Mat 13:44; Heb 11:26 **23:24** De vader van een rechtvaardige jubelt luid, en wie een wijze verwekt, verheugt zich in hem. Brontekst: גִּ֣יל (gil) = groots | יָ֭גִיל (yagil) = jubelt | אֲבִ֣י (avi) = de vader van | צַדִּ֑יק (tsadiq) = een rechtvaardige | וְיוֹלֵ֥ד (veyoled) = en wie verwekt | חָ֝כָ֗ם (chakham) = een wijze | יִשְׂמַח (yismach) = verheugt zich | בּֽוֹ (bo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In dit vers verschillen het geschreven woord (ketiv) en het gelezen woord (qere) in de spelling van ‘jubelen’ (גִּיל יָגִיל, gil yagil), ‘verwekken’ en ‘verheugen’. De betekenis is gelijk. Wij volgen het gelezen woord. Zie ook: Spr 10:1; Spr 15:20; Spr 23:15–16; Spr 29:3; Filem 1:20 **23:25** Laat je vader en je moeder zich verheugen, en laat zij die je gebaard heeft juichen. Brontekst: יִֽשְׂמַח (yismach) = laat zich verheugen | אָבִ֥יךָ (avikha) = je vader | וְאִמֶּ֑ךָ (veimekha) = en je moeder | וְ֝תָגֵ֗ל (vetagel) = en laat juichen | יֽוֹלַדְתֶּֽךָ (yoladtekha) = zij die je gebaard heeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 4:9–10; Spr 17:25; Luc 1:40–47; Luc 1:58; Luc 11:27–28 ### Geef mij je hart **23:26** Geef mij je hart, mijn zoon, en laat je ogen mijn wegen bewaken. Brontekst: תְּנָֽה (tena) = geef | בְנִ֣י (beni) = mijn zoon | לִבְּךָ֣ (libekha) = je hart | לִ֑י (li) = aan mij | וְ֝עֵינֶ֗יךָ (veeineikha) = en je ogen | דְּרָכַ֥י (derakhay) = mijn wegen | תִּצֹּֽרְנָה (titsorena) = laten bewaken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft תִּרְצֶנָה (‘laat je ogen behagen scheppen in mijn wegen’); het gelezen woord (qere) heeft תִּצֹּרְנָה (‘laat je ogen mijn wegen bewaken’). Wij volgen het gelezen woord. Het werkwoord נָצַר (natsar), ‘bewaken’, staat ook in Spr. 22:12. Zie ook: Deut 6:5; Ps 119:2; Ps 119:9–11; Spr 4:25–27; Spr 22:12; Mat 10:37–38 **23:27** Want een hoer is een diepe kuil, en de vreemde vrouw een nauwe put. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שׁוּחָ֣ה (shucha) = een kuil | עֲמֻקָּ֣ה (amuqa) = diep | זוֹנָ֑ה (zona) = is een hoer | וּבְאֵ֥ר (uveer) = en een put | צָ֝רָ֗ה (tsara) = nauw | נָכְרִיָּֽה (nakheriya) = is de vreemde vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זוֹנָה (zonah), ‘hoer’; נָכְרִיָּה (nokhriyah), ‘vreemde vrouw’: vrouwen buiten het huwelijk. Zie ook Spr. 2:16, 5:3, 7:5 en 22:14. Zie ook: Spr 2:16; Spr 5:3; Spr 7:5; Spr 22:14 **23:28** Ook ligt zij op de loer als een rover, en zij vermeerdert de trouwelozen onder de mensen. Brontekst: אַף (af) = ook | הִ֭יא (hi) = zij | כְּחֶ֣תֶף (kechetef) = als een rover | תֶּֽאֱרֹ֑ב (teerov) = ligt zij op de loer | וּ֝בוֹגְדִ֗ים (uvogedim) = en trouwelozen | בְּאָדָ֥ם (beadam) = onder de mensen | תּוֹסִֽף (tosif) = vermeerdert zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶתֶף (chetef), ‘rover’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘prooi’ betekenen. Zie ook: Spr 7:12; Spr 22:14; Pred 7:26; Hos 4:11; 1 Kor 10:8 ### Wie heeft ach? Wie heeft wee? **23:29** Wie heeft ach? Wie heeft wee? Wie heeft ruzies? Wie heeft klachten? Wie heeft wonden zonder reden? Wie heeft troebele ogen? Brontekst: לְמִ֨י (lemi) = voor wie | א֥וֹי (oy) = ach | לְמִ֪י (lemi) = voor wie | אֲב֡וֹי (avoy) = wee | לְמִ֤י (lemi) = voor wie | מִדְיָנִ֨ים (midyanim) = ruzies | לְמִ֥י (lemi) = voor wie | שִׂ֗יחַ (siach) = klacht | לְ֭מִי (lemi) = voor wie | פְּצָעִ֣ים (petsaim) = wonden | חִנָּ֑ם (chinam) = zonder reden | לְ֝מִ֗י (lemi) = voor wie | חַכְלִל֥וּת (chakhlilut) = troebelheid van | עֵינָֽיִם (einayim) = ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹי (oy) en אֲבוֹי (avoy), ‘ach’ en ‘wee’: de kreten van wie ongelukkig is. אֲבוֹי komt alleen hier voor. Voetnoot : שִׂיחַ (siach), ‘klacht’: het woord kan ook ‘gepraat’ of ‘gemompel’ betekenen. Voetnoot : חַכְלִילוּת (chakhlilut), ‘troebelheid’: dit woord komt alleen hier voor. Het wordt uitgelegd als ‘roodheid’ of ‘troebelheid’ van de ogen. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft מדונים (‘twist’); het gelezen woord (qere) heeft מִדְיָנִים (‘ruzies’). Beide komen van hetzelfde grondwoord. Zie ook: 1 Sam 25:36–37; Jes 5:22; Jes 28:7–8; Luc 12:45–46; Ef 5:18 **23:30** Zij die lang bij de wijn blijven, zij die komen om gemengde wijn te onderzoeken. Brontekst: לַֽמְאַחֲרִ֥ים (lamacharim) = voor wie lang blijven | עַל (al) = bij | הַיָּ֑יִן (hayayin) = de wijn | לַ֝בָּאִ֗ים (labaim) = voor wie komen | לַחְקֹ֥ר (lachqor) = om te onderzoeken | מִמְסָֽךְ (mimsakh) = gemengde wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִמְסָךְ (mimsakh), ‘gemengde wijn’: wijn die met kruiden of met andere wijn is gemengd, om hem sterker of smakelijker te maken. Zie ook: Spr 9:2; Spr 20:1; Amos 6:6; Jes 5:11; Ef 5:18 **23:31** Kijk niet naar de wijn als hij rood is, als hij zijn glans geeft in de beker, als hij soepel naar beneden gaat. Brontekst: אַל (al) = niet | תֵּ֥רֶא (tere) = kijk | יַיִן֮ (yayin) = naar wijn | כִּ֪י (ki) = als | יִתְאַ֫דָּ֥ם (yitadam) = hij rood is | כִּֽי (ki) = als | יִתֵּ֣ן (yiten) = hij geeft | בַּכּ֣וֹס (bakos) = in de beker | עֵינ֑וֹ (eino) = zijn glans | יִ֝תְהַלֵּ֗ךְ (yithalekh) = hij gaat | בְּמֵישָׁרִֽים (bemeisharim) = soepel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵינוֹ (eno), ‘zijn oog’: de glans van de wijn, de glinstering of het schuimende kraaltje. Wij vertalen ‘zijn glans’. Voetnoot : בְּמֵישָׁרִים (bemeisharim), ‘soepel’: eigenlijk ‘in rechtheid’, zonder haperen. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft בכיס (‘in de buidel’); het gelezen woord (qere) heeft בַּכּוֹס (‘in de beker’). Wij volgen het gelezen woord. Zie ook: 2 Sam 11:2; Ps 119:37; Spr 6:25; Mar 9:47; 1 Joh 2:16 **23:32** Zijn einde: hij bijt als een slang, en als een adder verspreidt hij gif. Brontekst: אַ֭חֲרִיתוֹ (acharito) = zijn einde | כְּנָחָ֣שׁ (kenachash) = als een slang | יִשָּׁ֑ךְ (yishakh) = bijt hij | וּֽכְצִפְעֹנִ֥י (ukhetsifoni) = en als een adder | יַפְרִֽשׁ (yafrish) = verspreidt hij gif Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַפְרִשׁ (yafris), ‘verspreidt’: het werkwoord heeft geen voorwerp. Wij vullen ‘gif’ aan; zo wordt de zin ook in oude vertalingen begrepen. De betekenis is onzeker. צִפְעוֹנִי (tsif’oni), ‘adder’: een giftige slang. Zie ook: Ex 7:12; Amos 5:19; Jes 28:3; Jes 28:7–8; Luc 16:25–26 **23:33** Je ogen zien vreemde dingen, en je hart spreekt verdraaide dingen. Brontekst: עֵ֭ינֶיךָ (eineikha) = je ogen | יִרְא֣וּ (yiru) = zien | זָר֑וֹת (zarot) = vreemde dingen | וְ֝לִבְּךָ֗ (velibekha) = en je hart | יְדַבֵּ֥ר (yedaber) = spreekt | תַּהְפֻּכֽוֹת (tahpukhot) = verdraaide dingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָרוֹת (zarot), ‘vreemde dingen’: het woord kan ook ‘vreemde vrouwen’ betekenen (Spr. 22:14). Het past bij ‘verdraaide dingen’ in de tweede helft van de zin, het gaat hier om de roes. Wij vertalen ‘vreemde dingen’. Voetnoot : תַּהְפֻּכוֹת (tahpukhot), ‘verdraaide dingen’: leugens, woorden die niet kloppen. Zie ook: Gen 19:32–38; Spr 2:12; Spr 22:14; Spr 31:5; Hos 7:5; Jud 1:12–13 **23:34** Je zult zijn als iemand die ligt in het hart van de zee, en als iemand die ligt boven op de mast. Brontekst: וְ֭הָיִיתָ (vehayita) = en je zult zijn | כְּשֹׁכֵ֣ב (keshokhev) = als iemand die ligt | בְּלֶב (belev) = in het hart van | יָ֑ם (yam) = de zee | וּ֝כְשֹׁכֵ֗ב (ukheshokhev) = en als iemand die ligt | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = boven op | חִבֵּֽל (chibel) = de mast Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִבֵּל (chibbel), ‘mast’: dit woord komt alleen hier voor. Het kan ‘mast’, ‘tuigage’ of ‘touwwerk’ betekenen. De dronkaard is als iemand op een schip die niet meer weet waar hij is. Zie ook: 2 Sam 13:28; 1 Kon 16:9; Mat 24:38; Luc 17:27–29; 1 Tess 5:2–7 **23:35** „Ze hebben mij geslagen, het deed geen pijn. Ze hebben mij gestompt, ik wist het niet. Wanneer word ik wakker? Ik ga door en zoek het weer!” Brontekst: הִכּ֥וּנִי (hikuni) = ze hebben mij geslagen | בַל (bal) = niet | חָלִיתִי֮ (chaliti) = deed het pijn | הֲלָמ֗וּנִי (halamuni) = ze hebben mij gestompt | בַּל (bal) = niet | יָ֫דָ֥עְתִּי (yadati) = wist ik het | מָתַ֥י (matay) = wanneer | אָקִ֑יץ (aqits) = word ik wakker | א֝וֹסִ֗יף (osif) = ik ga door | אֲבַקְשֶׁ֥נּוּ (avaqshenu) = ik zoek het | עֽוֹד (od) = weer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt de dronkaard zelf. Hij voelt de klappen niet, maar zoekt de drank meteen weer. De hele passage (Spr. 23:29–35) beschrijft de gevolgen van wijn. Zie ook: Spr 23:29–35; Spr 27:22; Jes 22:13; Jes 56:12; Jer 5:3; 1 Kor 15:32–34 ## Spreuken 24 _Woorden van de wijzen: wijsheid, rechtvaardigheid en het veld van de luiaard_ ### Wees niet jaloers op de goddelozen **24:1** Wees niet jaloers op mannen van kwaad, en verlang er niet naar bij hen te zijn. Brontekst: אַל (al) = niet | תְּ֭קַנֵּא (teqane) = wees jaloers | בְּאַנְשֵׁ֣י (beanshei) = op mannen van | רָעָ֑ה (raa) = kwaad | וְאַל (veal) = en niet | תִּ֝תְאָ֗יו (titav) = verlang | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | אִתָּֽם (itam) = bij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּקַנֵּא (teqanne), ‘wees jaloers’: afgunst voelen op wie voorspoed heeft. Zie ook Ps. 37:1 en Spr. 23:17. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft תִּתְאו (‘verlang’), het gelezen woord (qere) תִּתְאָיו. De betekenis is gelijk. Zie ook: Ps 37:1; Ps 37:7; Spr 3:31; Spr 23:17; Jak 4:5–6; Gal 5:19–21 **24:2** Want hun hart overpeinst geweld, en hun lippen spreken over zwoegen. Brontekst: כִּי (ki) = want | שֹׁ֭ד (shod) = geweld | יֶהְגֶּ֣ה (yehge) = overpeinst | לִבָּ֑ם (libam) = hun hart | וְ֝עָמָ֗ל (veamal) = en zwoegen | שִׂפְתֵיהֶ֥ם (sifteihem) = hun lippen | תְּדַבֵּֽרְנָה (tedaberena) = spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁד (shod), ‘geweld’: verwoesting, roof. Voetnoot : עָמָל (amal), ‘zwoegen’: het woord betekent ook de moeite en ellende die iemand anderen aandoet. Hier gaat het om de last die de kwaaddoeners bedenken en uitspreken. Zie ook: Job 15:35; Ps 7:15; Ps 10:7; Ps 28:3; Jes 59:4 ### Wijsheid bouwt een huis **24:3** Met wijsheid wordt een huis gebouwd, en met verstand wordt het stevig gevestigd. Brontekst: בְּ֭חָכְמָה (bechakhema) = met wijsheid | יִבָּ֣נֶה (yibane) = wordt gebouwd | בָּ֑יִת (bayit) = een huis | וּ֝בִתְבוּנָ֗ה (uvitvuna) = en met verstand | יִתְכּוֹנָֽן (yitkonan) = wordt het stevig gevestigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָכְמָה (chokhmah), ‘wijsheid’; תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’. Het ‘huis’ is het gezin en het bezit. Zie ook: Spr 9:1; Spr 14:1; Jer 10:12; 1 Kor 3:9; Kol 2:7 **24:4** En met kennis worden de kamers gevuld met allerlei kostbaar en aangenaam vermogen. Brontekst: וּ֭בְדַעַת (uvedaat) = en met kennis | חֲדָרִ֣ים (chadarim) = kamers | יִמָּלְא֑וּ (yimaleu) = worden gevuld | כָּל (kal) = met alle | ה֖וֹן (hon) = vermogen | יָקָ֣ר (yaqar) = kostbaar | וְנָעִֽים (venaim) = en aangenaam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹן (hon), ‘vermogen’: de rijkdom van een huis. Zie ook: Spr 8:21; Spr 15:6; Spr 20:15; Spr 21:20; Mat 13:52 **24:5** Een wijze man is in sterkte, en een man van kennis versterkt zijn kracht. Brontekst: גֶּֽבֶר (gever) = een man | חָכָ֥ם (chakham) = wijs | בַּע֑וֹז (baoz) = in sterkte | וְאִֽישׁ (veish) = en een man van | דַּ֝֗עַת (daat) = kennis | מְאַמֶּץ (meamets) = versterkt | כֹּֽחַ (koach) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֶּבֶר (gever), ‘man’: een man in zijn kracht. Voetnoot : מְאַמֶּץ כֹּחַ (meammets koach), ‘versterkt kracht’: hij wordt steeds sterker. Zie ook: Spr 8:14; Spr 21:22; Pred 7:19; Jes 40:31; Kol 1:11 **24:6** Want met leiding voer je oorlog, en redding is er bij veel raadgevers. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בְ֭תַחְבֻּלוֹת (betachbulot) = met leiding | תַּעֲשֶׂה (taase) = voer je | לְּךָ֣ (lekha) = voor jou | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | וּ֝תְשׁוּעָ֗ה (uteshua) = en redding | בְּרֹ֣ב (berov) = bij veel | יוֹעֵֽץ (yoets) = raadgevers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחְבֻּלוֹת (tachbulot), ‘leiding’: bekwame leiding, strategie. Zie ook Spr. 11:14 en 20:18. Voetnoot : תְשׁוּעָה (teshuah), ‘redding’: de overwinning die redding brengt. Zie ook: Spr 11:14; Spr 15:22; Spr 20:18; Luc 14:31; Ef 6:10–20 **24:7** Wijsheid is te hoog voor de zot; in de poort doet hij zijn mond niet open. Brontekst: רָאמ֣וֹת (ramot) = te hoog | לֶֽאֱוִ֣יל (leevil) = voor de zot | חָכְמ֑וֹת (chakhemot) = wijsheid | בַּ֝שַּׁ֗עַר (bashaar) = in de poort | לֹ֣א (lo) = niet | יִפְתַּח (yiftach) = opent hij | פִּֽיהוּ (pihu) = zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָאמוֹת (ramot), ‘te hoog’: het woord komt alleen hier voor. Wijsheid staat voor de zot te hoog om te bereiken. אֱוִיל (evil), ‘zot’. Voetnoot : בַּשַּׁעַר (basha’ar), ‘in de poort’: de plaats waar mensen vergaderden en recht spraken. Zie ook: Job 29:7–25; Ps 10:5; Ps 92:6–7; Spr 14:6; 1 Kor 2:14 **24:8** Wie bedenkt kwaad te doen, hem noemt men een meester van listige plannen. Brontekst: מְחַשֵּׁ֥ב (mechashev) = wie bedenkt | לְהָרֵ֑עַ (leharea) = kwaad te doen | ל֝֗וֹ (lo) = hem | בַּֽעַל (baal) = een meester van | מְזִמּ֥וֹת (mezimot) = listige plannen | יִקְרָֽאוּ (yiqrau) = noemt men Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעַל מְזִמּוֹת (baal mezimmot), ‘meester van listige plannen’: מְזִמָּה (mezimmah) is meestal ‘doordachtheid’ in goede zin (Spr. 1:4). Hier is het negatief, omdat het om kwaad gaat. Zie ook: Ps 21:12; Spr 1:4; Spr 6:14; Spr 6:18; Spr 14:22; Ezech 38:10–11 **24:9** Het plan van zotheid is zonde, en de spotter is een gruwel voor de mens. Brontekst: זִמַּ֣ת (zimat) = het plan van | אִוֶּ֣לֶת (ivelet) = zotheid | חַטָּ֑את (chatat) = is zonde | וְתוֹעֲבַ֖ת (vetoavat) = en een gruwel voor | לְאָדָ֣ם (leadam) = de mens | לֵֽץ (lets) = is de spotter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִמַּת (zimmat), ‘plan’: wat iemand bedenkt. Het woord kan ook ‘misdaad’ betekenen. אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’. לֵץ (letz), ‘spotter’. Zie ook: Spr 29:8; Jes 55:7; Mat 15:19; Hand 8:22; 2 Kor 10:5 ### Bevrijd wie naar de dood gaat **24:10** Heb je je slap getoond op de dag van benauwdheid, dan is je kracht beperkt. Brontekst: הִ֭תְרַפִּיתָ (hitrapita) = heb je je slap getoond | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | צָרָ֗ה (tsara) = benauwdheid | צַ֣ר (tsar) = beperkt | כֹּחֶֽכָה (kochekha) = is je kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרָה (tsarah), ‘benauwdheid’, en צַר (tsar), ‘beperkt’: in het Hebreeuws zijn dit twee verwante woorden, een woordspeling. Wie op het moeilijke moment slap wordt, merkt dat zijn kracht klein is. Zie ook: 1 Sam 27:1; Jes 40:28–31; Jer 51:46; Ef 3:13; Heb 12:3–5 **24:11** Bevrijd hen die naar de dood worden weggevoerd, en hen die wankelend naar de slachting gaan; houd je niet terug. Brontekst: הַ֭צֵּל (hatsel) = bevrijd | לְקֻחִ֣ים (lequchim) = hen die weggevoerd worden | לַמָּ֑וֶת (lamavet) = naar de dood | וּמָטִ֥ים (umatim) = en hen die wankelen | לַ֝הֶ֗רֶג (lahereg) = naar de slachting | אִם (im) = als | תַּחְשֽׂוֹךְ (tachsokh) = je je terughoudt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin eindigt in het Hebreeuws met ‘als je je terughoudt’ (אִם תַּחְשׂוֹךְ, im tachsokh). Wij vertalen: ‘houd je niet terug’. De bedoeling is: grijp in. Voetnoot : הַצֵּל (hatsel), ‘bevrijd’: van נָצַל (natsal), zoals ‘bevrijden’ in Spr. 23:14. Zie ook: Job 29:17; Ps 82:4; Spr 23:14; Jes 58:6–7; Luc 10:31–32; 1 Joh 3:16–17 **24:12** Als je zegt: „Zie, wij wisten dit niet!”, zou Hij die de harten weegt het dan niet begrijpen? Hij die je ziel bewaakt, die weet het, en Hij vergeldt de mens naar zijn daad. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תֹאמַ֗ר (tomar) = zeg je | הֵן֮ (hen) = zie | לֹא (lo) = niet | יָדַ֪עְנ֫וּ (yadanu) = wisten wij | זֶ֥ה (ze) = dit | הֲֽלֹא (halo) = zou niet | תֹ֘כֵ֤ן (tokhen) = Hij die weegt | לִבּ֨וֹת (libot) = de harten | הֽוּא (hu) = Hij | יָבִ֗ין (yavin) = het begrijpen | וְנֹצֵ֣ר (venotser) = en Hij die bewaakt | נַ֭פְשְׁךָ (nafshekha) = je ziel | ה֣וּא (hu) = Hij | יֵדָ֑ע (yeda) = weet het | וְהֵשִׁ֖יב (veheshiv) = en Hij vergeldt | לְאָדָ֣ם (leadam) = de mens | כְּפָעֳלֽוֹ (kefaolo) = naar zijn daad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּכֵן לִבּוֹת (tochen libbot), ‘Hij die de harten weegt’: Yahweh doorgrondt wat in een mens leeft. Zie ook Spr. 21:2. Voetnoot : נֹצֵר נַפְשְׁךָ (notser nafshekha), ‘Hij die je ziel bewaakt’. נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: je leven. Voetnoot : וְהֵשִׁיב לְאָדָם כְּפָעֳלוֹ (veheshiv leadam kefaolo), ‘Hij vergeldt de mens naar zijn daad’. Zie ook Ps. 62:13. Zie ook: Job 34:11; Ps 62:13; Ps 121:8; Spr 21:2; Jer 17:10; Openb 2:23 **24:13** Eet honing, mijn zoon, want het is goed, en honingraat is zoet voor je gehemelte. Brontekst: אֱכָל (ekhal) = eet | בְּנִ֣י (beni) = mijn zoon | דְבַ֣שׁ (devash) = honing | כִּי (ki) = want | ט֑וֹב (tov) = goed | וְנֹ֥פֶת (venofet) = en honingraat | מָ֝ת֗וֹק (matoq) = zoet | עַל (al) = voor | חִכֶּֽךָ (chikekha) = je gehemelte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹפֶת (nofet), ‘honingraat’: eigenlijk ‘wat uit de raat druipt’. Honing is hier beeld voor wijsheid (vers 14). Zie ook: Ps 119:103; Hoogl 4:11; Hoogl 5:1; Spr 24:14; Spr 25:16; Jes 7:15 **24:14** Weet dat wijsheid zo is voor je ziel: als je haar vindt, is er een toekomst, en je hoop wordt niet afgesneden. Brontekst: כֵּ֤ן (ken) = zo | דְּעֶ֥ה (dee) = weet | חָכְמָ֗ה (chakhema) = wijsheid | לְנַ֫פְשֶׁ֥ךָ (lenafshekha) = voor je ziel | אִם (im) = als | מָ֭צָאתָ (matsata) = je haar vindt | וְיֵ֣שׁ (veyesh) = dan is er | אַחֲרִ֑ית (acharit) = een toekomst | וְ֝תִקְוָתְךָ֗ (vetiqvatekha) = en je hoop | לֹ֣א (lo) = niet | תִכָּרֵֽת (tikaret) = wordt afgesneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּעֶה (de’eh), ‘weet’: het gebod om het te begrijpen. Het ‘haar’ verwijst naar de wijsheid, die in het Hebreeuws vrouwelijk is. Voetnoot : אַחֲרִית (acharit), ‘toekomst’, en de uitdrukking ‘je hoop wordt niet afgesneden’: gelijk aan Spr. 23:18. Zie ook: Ps 119:103; Spr 2:10; Spr 23:18; Jer 15:16; Jak 1:25 ### De rechtvaardige en de goddeloze **24:15** Loer niet, goddeloze, op de woning van de rechtvaardige; verwoest zijn rustplaats niet. Brontekst: אַל (al) = niet | תֶּאֱרֹ֣ב (teerov) = loer | רָ֭שָׁע (rasha) = goddeloze | לִנְוֵ֣ה (linve) = op de woning van | צַדִּ֑יק (tsadiq) = een rechtvaardige | אַֽל (al) = niet | תְּשַׁדֵּ֥ד (teshaded) = verwoest | רִבְצוֹ (rivtso) = zijn rustplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָשָׁע (rasha), ‘goddeloze’: de zin kan ook zijn: ‘Loer niet als een goddeloze op de woning van de rechtvaardige.’ Wij lezen het als een aanspreking. Voetnoot : רִבְצוֹ (rivtso), ‘zijn rustplaats’: de plek waar hij zich neerlegt, zijn woning. Zie ook Spr. 1:11 en 1:18 voor het loeren. Zie ook: 1 Sam 23:20–23; Spr 1:11; Spr 1:18; Jes 32:18; Jer 11:19; Mat 26:4; Hand 9:24 **24:16** Want zevenmaal valt de rechtvaardige en staat weer op, maar de goddelozen struikelen in rampspoed. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | שֶׁ֨בַע (sheva) = zevenmaal | יִפּ֣וֹל (yipol) = valt | צַדִּ֣יק (tsadiq) = een rechtvaardige | וָקָ֑ם (vaqam) = en staat op | וּ֝רְשָׁעִ֗ים (ureshaim) = maar goddelozen | יִכָּשְׁל֥וּ (yikashelu) = struikelen | בְרָעָֽה (beraa) = in rampspoed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁבַע (sheva), ‘zevenmaal’: veelvuldig, steeds weer. Wie rechtvaardig is, staat telkens weer op. רָעָה (raah), ‘rampspoed’: het kwaad dat hen treft. Zie ook: Job 5:19; Ps 34:20; Ps 37:24; Mi 7:8–10; 2 Kor 4:8–12 **24:17** Verheug je niet als je vijand valt, en laat je hart niet juichen als hij struikelt. Brontekst: בִּנְפֹ֣ל (binfol) = bij het vallen van | אֽ֭וֹיִבְךָ (oyivkha) = je vijand | אַל (al) = niet | תִּשְׂמָ֑ח (tismach) = verheug je | וּ֝בִכָּשְׁל֗וֹ (uvikashelo) = en bij zijn struikelen | אַל (al) = niet | יָגֵ֥ל (yagel) = juiche | לִבֶּֽךָ (libekha) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Job 31:29 en Spr. 17:5. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft het meervoud (‘je vijanden’); het gelezen woord (qere) het enkelvoud (‘je vijand’). Wij volgen het gelezen woord. Zie ook: Job 31:29; 2 Sam 16:5–14; Spr 17:5; Ob 1:12; 1 Kor 13:6–7 **24:18** Anders ziet Yahweh het, en het is kwaad in Zijn ogen, en Hij keert Zijn toorn van hem af. Brontekst: פֶּן (pen) = anders | יִרְאֶ֣ה (yire) = ziet | יְ֭הוָה (Yahweh) = Yahweh | וְרַ֣ע (vera) = en het is kwaad | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in Zijn ogen | וְהֵשִׁ֖יב (veheshiv) = en Hij keert af | מֵעָלָ֣יו (mealav) = van hem | אַפּֽוֹ (apo) = Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהֵשִׁיב מֵעָלָיו אַפּוֹ (veheshiv meaylav apo), ‘Hij keert Zijn toorn van hem af’: Yahweh neemt Zijn toorn weg van de vijand. De zin kan zo gelezen worden: de toorn van Yahweh trekt zich dan van de vijand terug. Zie ook: Klaagl 4:21–22; Zach 1:15–16 **24:19** Erger je niet over de kwaaddoeners; wees niet jaloers op de goddelozen. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּתְחַ֥ר (titchar) = erger je | בַּמְּרֵעִ֑ים (bamereim) = over de kwaaddoeners | אַל (al) = niet | תְּ֝קַנֵּ֗א (teqane) = wees jaloers | בָּרְשָׁעִֽים (bareshaim) = op de goddelozen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּתְחַר (titchar), ‘erger je’: zich opwinden over iets. Gelijk aan Ps. 37:1. Voetnoot : מְרֵעִים (mere’im), ‘kwaaddoeners’. Zie ook: Ps 1:1; Ps 37:1; Ps 119:115; Spr 13:20; Spr 24:1 **24:20** Want de kwade heeft geen toekomst; de lamp van de goddelozen dooft. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | תִהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | אַחֲרִ֣ית (acharit) = een toekomst | לָרָ֑ע (lara) = voor de kwade | נֵ֖ר (ner) = de lamp van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | יִדְעָֽךְ (yidakh) = dooft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵר רְשָׁעִים יִדְעָךְ (ner reshaim yid’akh), ‘de lamp van de goddelozen dooft’: de lamp is beeld voor het leven. Zie ook Spr. 13:9 en Job 18:5. Zie ook: Job 18:5–6; Job 21:17; Ps 11:6; Spr 13:9; Spr 20:20 ### Vrees Yahweh en de koning **24:21** Vrees Yahweh, mijn zoon, en de koning; meng je niet met hen die veranderen. Brontekst: יְרָֽא (yera) = vrees | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | בְּנִ֣י (beni) = mijn zoon | וָמֶ֑לֶךְ (vamelekh) = en de koning | עִם (im) = met | שׁ֝וֹנִ֗ים (shonim) = hen die veranderen | אַל (al) = niet | תִּתְעָרָֽב (titarav) = meng je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְרָא (yera), ‘vrees’: van het werkwoord ‘vrezen’; voor Yahweh omvat dit ontzag, voor de koning eerbied. Voetnoot : שׁוֹנִים (shonim), ‘hen die veranderen’: de betekenis is onzeker. Het kan zijn: wie de ordening willen veranderen, of ‘hen die anders zijn’. Het woord kan ook ‘twee’ betekenen (שְׁנַיִם), dus ‘met beiden’. Zie ook: 1 Kon 12:16; Mat 22:21; Rom 13:1–7; Tit 3:1; 1 Petr 2:13–17 **24:22** Want plotseling rijst hun ramp op, en de ondergang van hen beiden, wie weet die? Brontekst: כִּֽי (ki) = want | פִ֭תְאֹם (pitom) = plotseling | יָק֣וּם (yaqum) = rijst op | אֵידָ֑ם (eidam) = hun ramp | וּפִ֥יד (ufid) = en de ondergang van | שְׁ֝נֵיהֶ֗ם (sheneihem) = hen beiden | מִ֣י (mi) = wie | יוֹדֵֽעַ (yodea) = weet het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁנֵיהֶם (shneihem), ‘hen beiden’: vermoedelijk Yahweh en de koning (vers 21). Ook mogelijk: de goddeloze en zijn medeplichtige. Voetnoot : אֵיד (eid), ‘ramp’; פִּיד (pid), ‘ondergang’: beide woorden komen zelden voor. Zie ook: Num 16:31–35; 2 Sam 18:7–8; Ps 90:11; Spr 24:21; 2 Kron 13:16–17; Hos 5:11 ### Nog meer woorden van de wijzen **24:23** Ook dit is van de wijzen: op het gezicht letten bij het recht is niet goed. Brontekst: גַּם (gam) = ook | אֵ֥לֶּה (ele) = dit | לַֽחֲכָמִ֑ים (lachakhamim) = is van de wijzen | הַֽכֵּר (haker) = het kennen van | פָּנִ֖ים (panim) = gezichten | בְּמִשְׁפָּ֣ט (bemishpat) = bij het recht | בַּל (bal) = niet | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint een nieuw, kort deel van ‘woorden van de wijzen’, na de reeks in Spr. 22:17–24:22. Het opschrift ‘Ook dit is van de wijzen’ kan ook zijn: ‘Ook dit is voor de wijzen’. Voetnoot : הַכֵּר פָּנִים (hakker panim), ‘het gezicht kennen’: partijdig zijn, naar het aanzien van de persoon kijken. Zie ook Lev. 19:15 en Deut. 1:17. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’. Zie ook: Lev 19:15; Deut 1:17; Ps 82:2–4; Spr 18:5; Spr 22:17–24:22; Spr 28:21; Jak 3:17 **24:24** Wie tegen een goddeloze zegt: „Jij bent rechtvaardig”, hem vervloeken volken, hem verwensen natiën. Brontekst: אֹ֤מֵ֨ר (omer) = wie zegt | לְרָשָׁע֮ (lerasha) = tegen een goddeloze | צַדִּ֪יק (tsadiq) = rechtvaardig | אָ֥תָּה (ata) = jij bent | יִקְּבֻ֥הוּ (yiqevuhu) = hem vervloeken | עַמִּ֑ים (amim) = volken | יִזְעָמ֥וּהוּ (yizamuhu) = hem verwensen | לְאֻמִּֽים (leumim) = natiën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: wie een goddeloze vrijspreekt, vervloeken volken. Vergelijk Spr. 17:15. Zie ook: Ex 23:6–7; Spr 11:26; Spr 17:15; Spr 30:10; Jes 5:23 **24:25** Maar voor wie terechtwijzen is het aangenaam, en over hen komt de zegen van het goede. Brontekst: וְלַמּוֹכִיחִ֥ים (velamokhichim) = maar voor wie terechtwijzen | יִנְעָ֑ם (yinam) = is het aangenaam | וַֽ֝עֲלֵיהֶ֗ם (vaaleihem) = en over hen | תָּב֥וֹא (tavo) = komt | בִרְכַּת (birkat) = de zegen van | טֽוֹב (tov) = het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹכִיחִים (mokhichim), ‘terechtwijzen’: wie een schuldige oordeelt en hem zijn schuld toont. Het is een vermanende taak die zegen brengt. Zie ook: 1 Sam 3:13; Spr 28:23; Neh 13:8–11; Neh 13:28; 1 Tim 5:20 **24:26** De lippen kust hij die met juiste woorden antwoordt. Brontekst: שְׂפָתַ֥יִם (sefatayim) = lippen | יִשָּׁ֑ק (yishaq) = kust hij | מֵ֝שִׁ֗יב (meshiv) = die antwoordt | דְּבָרִ֥ים (devarim) = met woorden | נְכֹחִֽים (nekhochim) = juiste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂפָתַיִם יִשָּׁק (sefatayim yishaq), ‘lippen kust hij’: het ‘kussen van de lippen’ is een teken van vriendschap en trouw. Wie een eerlijk antwoord geeft, toont zo zijn genegenheid. נְכֹחִים (nekochim), ‘juiste’: wat recht en eerlijk is. Zie ook: Gen 41:38–57; Job 6:25; Spr 15:23; Spr 16:1; Spr 25:11–12 ### Eerst het werk, dan het huis **24:27** Maak buiten je werk gereed, zet het voor jezelf klaar op het veld; daarna zul je je huis bouwen. Brontekst: הָ֘כֵ֤ן (hakhen) = maak gereed | בַּח֨וּץ (bachuts) = buiten | מְלַאכְתֶּ֗ךָ (melakhtekha) = je werk | וְעַתְּדָ֣הּ (veatedah) = en zet het klaar | בַּשָּׂדֶ֣ה (basade) = op het veld | לָ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | אַ֝חַ֗ר (achar) = daarna | וּבָנִ֥יתָ (uvanita) = en je zult bouwen | בֵיתֶֽךָ (beitekha) = je huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eerst het werk op het land, daarna het huis: de volgorde van wie voor zijn gezin zorgt. Het ‘huis’ kan ook het gezin zijn. Zie ook: 1 Kon 5:31–32; 1 Kon 6:7; Luc 14:28–30 **24:28** Wees niet zonder reden getuige tegen je naaste, en verleid niet met je lippen. Brontekst: אַל (al) = niet | תְּהִ֣י (tehi) = wees | עֵד (ed) = getuige | חִנָּ֣ם (chinam) = zonder reden | בְּרֵעֶ֑ךָ (bereekha) = tegen je naaste | וַ֝הֲפִתִּ֗יתָ (vahafitita) = en verleid | בִּשְׂפָתֶֽיךָ (bisfateikha) = met je lippen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַהֲפִתִּיתָ (vahafitita), ‘en verleid’: het kan ook als vraag gelezen worden: ‘en zou je met je lippen verleiden?’ Wij volgen de gewone lezing als verbod. Zie ook: Ps 35:7; Spr 25:18; 1 Kon 21:9–13; Mat 26:59–60; Ef 4:25 **24:29** Zeg niet: „Zoals hij mij heeft gedaan, zo zal ik hem doen; ik zal de man vergelden naar zijn daad.” Brontekst: אַל (al) = niet | תֹּאמַ֗ר (tomar) = zeg | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָֽשָׂה (asa) = hij heeft gedaan | לִ֭י (li) = mij | כֵּ֤ן (ken) = zo | אֶֽעֱשֶׂה (eese) = zal ik doen | לּ֑וֹ (lo) = hem | אָשִׁ֖יב (ashiv) = ik zal vergelden | לָאִ֣ישׁ (laish) = aan de man | כְּפָעֳלֽוֹ (kefaolo) = naar zijn daad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Spr. 20:22 en Lev. 19:18. Zie ook: Lev 19:18; Spr 20:22; Spr 25:21–22; Mat 5:39–44; 1 Tess 5:15; Rom 12:17–21 ### Het veld van de luiaard **24:30** Ik ging langs het veld van een luie man en langs de wijngaard van een mens zonder hart. Brontekst: עַל (al) = langs | שְׂדֵ֣ה (sede) = het veld van | אִישׁ (ish) = een man | עָצֵ֣ל (atsel) = luie | עָבַ֑רְתִּי (avarti) = ging ik | וְעַל (veal) = en langs | כֶּ֝֗רֶם (kerem) = de wijngaard van | אָדָ֥ם (adam) = een mens | חֲסַר (chasar) = zonder | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier vertelt een wijze in de ‘ik’-vorm wat hij zag. Voetnoot : אִישׁ עָצֵל (ish atsel), ‘een luie man’; חֲסַר־לֵב (chasar lev), ‘zonder hart’: wie het ‘hart’, het verstand, mist. Zie ook: Job 4:8; Spr 6:6–19; Spr 12:11; Pred 4:1–8; Pred 8:9–11 **24:31** En zie, het was helemaal opgeschoten met netels; distels bedekten zijn oppervlak, en zijn stenen omheining was ingestort. Brontekst: וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | עָ֘לָ֤ה (ala) = het was opgeschoten | כֻלּ֨וֹ (kulo) = helemaal | קִמְּשֹׂנִ֗ים (qimesonim) = met netels | כָּסּ֣וּ (kasu) = bedekten | פָנָ֣יו (panav) = zijn oppervlak | חֲרֻלִּ֑ים (charulim) = distels | וְגֶ֖דֶר (vegeder) = en de omheining van | אֲבָנָ֣יו (avanav) = zijn stenen | נֶהֱרָֽסָה (neherasa) = was ingestort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִמְּשֹׂנִים (qimmeshonim), ‘netels’, en חֲרֻלִּים (charullim), ‘distels’: de betekenis van beide plantnamen is onzeker. Het gaat om onkruid en stekelig gewas. Zie ook: Spr 22:13; Pred 10:18; Jes 5:5; Jer 4:3; Mat 13:22 **24:32** Ik zag het en richtte mijn hart erop; ik keek en nam tucht aan. Brontekst: וָֽאֶחֱזֶ֣ה (vaecheze) = en ik zag het | אָ֭נֹכִֽי (anokhi) = ik | אָשִׁ֣ית (ashit) = richtte ik | לִבִּ֑י (libi) = mijn hart | רָ֝אִ֗יתִי (raiti) = ik keek | לָקַ֥חְתִּי (laqachti) = ik nam aan | מוּסָֽר (musar) = tucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָשִׁית לִבִּי (ashit libbi), ‘ik richtte mijn hart’: ik nam het ter harte. לָקַחְתִּי מוּסָר (laqachti musar), ‘ik nam tucht aan’: ik leerde ervan. מוּסָר (musar) is ook ‘onderricht’ of ‘vermaning’. Zie ook: Deut 32:29; Ps 4:5; Luc 2:19; 1 Kor 10:6; 1 Kor 10:11 **24:33** Een beetje slaap, een beetje sluimer, een beetje de handen ineenslaan om te liggen. Brontekst: מְעַ֣ט (meat) = een beetje | שֵׁ֭נוֹת (shenot) = slaap | מְעַ֣ט (meat) = een beetje | תְּנוּמ֑וֹת (tenumot) = sluimer | מְעַ֓ט (meat) = een beetje | חִבֻּ֖ק (chibuq) = het ineenslaan van | יָדַ֣יִם (yadayim) = handen | לִשְׁכָּֽב (lishkav) = om te liggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers en het volgende komen vrijwel woordelijk voor in Spr. 6:10–11. Zie ook: Spr 6:4–11; Spr 6:10–11; 1 Tess 5:6–8; Rom 13:11; Ef 5:14 **24:34** En je armoede zal komen als een rondtrekker, en je gebrek als een man met een schild. Brontekst: וּבָֽא (uva) = en zal komen | מִתְהַלֵּ֥ךְ (mithalekh) = als een rondtrekker | רֵישֶׁ֑ךָ (reishekha) = je armoede | וּ֝מַחְסֹרֶ֗יךָ (umachsoreikha) = en je gebrek | כְּאִ֣ישׁ (keish) = als een man met | מָגֵֽן (magen) = een schild Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִתְהַלֵּךְ (mithalekh), ‘rondtrekker’: iemand die rondgaat, zoals een zwerver of een rover. In Spr. 6:11 staat een iets andere vorm. אִישׁ מָגֵן (ish magen), ‘een man met een schild’: een gewapende, tegen wie niemand zich kan verweren. Zie ook: Spr 6:11; Spr 10:4; Spr 13:4 ## Spreuken 25 _Spreuken van Salomo, overgeschreven door de mannen van Hizkia_ ### Nog meer spreuken van Salomo **25:1** Ook dit zijn spreuken van Salomo. De mannen van Hizkia, de koning van Juda, schreven ze over. Brontekst: גַּם (gam) = ook | אֵ֭לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁלֵ֣י (mishlei) = spreuken van | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶ֝עְתִּ֗יקוּ (hetiqu) = schreven over | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | חִזְקִיָּ֬ה (chizqiya) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶעְתִּיקוּ (he’tiqu), ‘zij schreven over’: zij verzamelden en schreven over wat al bestond. Hier begint een tweede verzameling spreuken van Salomo (Spr. 25–29). Zie ook Spr. 1:1 en 10:1. Voetnoot : Hizkia was koning van Juda; zie 2 Kron. 29–32. Zie ook: Spr 1:1; Spr 10:1; 1 Kon 5:12; Jes 36:22; Mi 1:1 **25:2** De heerlijkheid van Elohim is een zaak te verbergen, maar de eer van koningen is een zaak te onderzoeken. Brontekst: כְּבֹ֣ד (kevod) = heerlijkheid van | אֱ֭לֹהִים (Elohim) = Elohim | הַסְתֵּ֣ר (haster) = verbergen van | דָּבָ֑ר (davar) = zaak | וּכְבֹ֥ד (ukhevod) = en eer van | מְ֝לָכִ֗ים (melakhim) = koningen | חֲקֹ֣ר (chaqor) = onderzoeken van | דָּבָֽר (davar) = zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’ bij Elohim en ‘eer’ bij koningen. דָּבָר (davar), ‘zaak’: ook ‘woord’ of ‘ding’. Zie ook: Job 11:7–8; Job 38:4–39:30; Job 42:3; Deut 29:28; Rom 11:33–34 **25:3** Voor de hoogte is er de hemel en voor de diepte de aarde, maar het hart van koningen is niet te onderzoeken. Brontekst: שָׁמַ֣יִם (shamayim) = hemel | לָ֭רוּם (larum) = voor de hoogte | וָאָ֣רֶץ (vaarets) = en aarde | לָעֹ֑מֶק (laomeq) = voor de diepte | וְלֵ֥ב (velev) = en hart van | מְ֝לָכִ֗ים (melakhim) = koningen | אֵ֣ין (ein) = niet is | חֵֽקֶר (cheqer) = onderzoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 103:11; 1 Kon 5:9; Jes 7:11; Jes 55:9; Rom 8:39 **25:4** Verwijder het schuim uit het zilver, dan komt er een vat uit voor de smelter. Brontekst: הָג֣וֹ (hago) = verwijder | סִיגִ֣ים (sigim) = schuim | מִכָּ֑סֶף (mikasef) = uit het zilver | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en er komt uit | לַצֹּרֵ֣ף (latsoref) = voor de smelter | כֶּֽלִי (keli) = een vat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָגוֹ (hago), ‘verwijder’: een werkwoord dat ook in vers 5 staat. In vers 4 volgt het resultaat: er komt een vat voor de smelter. סִיגִים (sigim), ‘schuim’: het afval dat bij het smelten van zilver bovenkomt. Zie ook: Spr 17:3; Spr 25:5; Jes 1:25–27; Ezech 22:18; Mal 3:2–3; 2 Tim 2:20–21 **25:5** Verwijder de goddeloze uit de nabijheid van de koning, dan staat zijn troon vast in gerechtigheid. Brontekst: הָג֣וֹ (hago) = verwijder | רָ֭שָׁע (rasha) = de goddeloze | לִפְנֵי (lifnei) = voor het aangezicht van | מֶ֑לֶךְ (melekh) = de koning | וְיִכּ֖וֹן (veyikon) = en zal vast staan | בַּצֶּ֣דֶק (batsedeq) = in gerechtigheid | כִּסְאֽוֹ (kiso) = zijn troon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 101:7–8; Spr 16:12; Spr 20:8; Spr 20:28; Jes 16:5 **25:6** Verhef jezelf niet voor de koning en sta niet op de plaats van de groten. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּתְהַדַּ֥ר (tithadar) = verhef jezelf | לִפְנֵי (lifnei) = voor het aangezicht van | מֶ֑לֶךְ (melekh) = koning | וּבִמְק֥וֹם (uvimqom) = en op de plaats van | גְּ֝דֹלִ֗ים (gedolim) = groten | אַֽל (al) = niet | תַּעֲמֹֽד (taamod) = sta Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:11; 2 Sam 7:8–17; Spr 16:19; Spr 25:27; Spr 27:2 **25:7** Want het is beter dat er tegen je wordt gezegd: „Kom hier omhoog!” Beter dan dat je vernederd wordt voor een edele, die je ogen hebben gezien. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | ט֥וֹב (tov) = goed | אֲמָר (amar) = gezegd worden | לְךָ֗ (lekha) = tegen jou | עֲֽלֵ֫ה (ale) = kom omhoog | הֵ֥נָּה (hena) = hierheen | מֵֽ֭הַשְׁפִּ֣ילְךָ (mehashpilekha) = dan vernederd te worden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | נָדִ֑יב (nadiv) = een edele | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | רָא֣וּ (rau) = hebben gezien | עֵינֶֽיךָ (eineikha) = je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De laatste woorden, ‘die je ogen hebben gezien’, kunnen ook bij vers 8 worden gelezen. Wij volgen de verdeling van de Masoretische tekst. Zie ook: Spr 16:19; Spr 25:8; Luc 14:7–11; Luc 18:14; 1 Petr 5:5; Openb 4:1 **25:8** Ga niet haastig een geschil in. Anders: wat zul je doen aan het einde ervan, als je naaste je te schande maakt? Brontekst: אַל (al) = niet | תֵּצֵ֥א (tetse) = ga uit | לָרִ֗ב (lariv) = naar een geschil | מַ֫הֵ֥ר (maher) = haastig | פֶּ֣ן (pen) = anders | מַה (ma) = wat | תַּ֭עֲשֶׂה (taase) = zul je doen | בְּאַחֲרִיתָ֑הּ (beacharitah) = in het einde ervan | בְּהַכְלִ֖ים (behakhlim) = als te schande maakt | אֹתְךָ֣ (otekha) = jou | רֵעֶֽךָ (reekha) = je naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִיב (riv), ‘geschil’: een twist of een rechtszaak. Zo ook vers 9. Voetnoot : רֵעַ (re’a), ‘naaste’: ook ‘vriend’. Zo ook in vers 9, 17, 18 en in Spr. 26–27. Zie ook: Spr 14:12; Spr 17:14; Spr 18:6; Spr 25:9; Spr 25:17; Spr 25:18; Spr 30:33; Mat 5:25 **25:9** Voer je geschil met je naaste, maar onthul het geheim van een ander niet. Brontekst: רִֽ֭יבְךָ (rivekha) = je geschil | רִ֣יב (riv) = voer | אֶת (et) = met | רֵעֶ֑ךָ (reekha) = je naaste | וְס֖וֹד (vesod) = en het geheim van | אַחֵ֣ר (acher) = een ander | אַל (al) = niet | תְּגָֽל (tegal) = onthul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 11:13; Spr 20:19; Mat 18:5–17 **25:10** Anders brengt wie het hoort je in schande, en je slechte naam keert niet terug. Brontekst: פֶּֽן (pen) = anders | יְחַסֶּדְךָ֥ (yechasedkha) = brengt in schande jou | שֹׁמֵ֑עַ (shomea) = wie hoort | וְ֝דִבָּתְךָ֗ (vedibatekha) = en je slechte naam | לֹ֣א (lo) = niet | תָשֽׁוּב (tashuv) = keert terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְחַסֶּדְךָ (yechassedkha), ‘brengt je in schande’: dit werkwoord is verwant aan חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, maar heeft hier de andere betekenis ‘beschamen’. Voetnoot : דִּבָּתְךָ (dibbatkha), ‘je slechte naam’: het kwaad dat over je wordt gezegd. תָשׁוּב (tashuv), ‘keert terug’: ook ‘gaat niet weg’. Zie ook: Ps 119:39 **25:11** Gouden appels in zilveren snijwerk: een woord, op zijn tijd gesproken. Brontekst: תַּפּוּחֵ֣י (tapuchei) = appels van | זָ֭הָב (zahav) = goud | בְּמַשְׂכִּיּ֥וֹת (bemaskiyot) = in snijwerk van | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | דָּ֝בָ֗ר (davar) = een woord | דָּבֻ֥ר (davur) = gesproken | עַל (al) = op | אָפְנָֽיו (afenav) = zijn tijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּפּוּחֵי זָהָב (tappuchei zahav), ‘gouden appels’: de precieze vrucht is onzeker. Voetnoot : מַשְׂכִּיּוֹת (maskiyyot), ‘snijwerk’: het woord komt maar enkele keren voor; de betekenis is onzeker. Voetnoot : עַל אָפְנָיו (al ofanav), ‘op zijn tijd’: letterlijk ‘op zijn wielen’ of ‘op zijn manier’. De betekenis is onzeker. Zie ook: Spr 15:23; Spr 24:26; Pred 12:10; Jes 50:4 **25:12** Een gouden ring en een sieraad van fijn goud: een wijze die terechtwijst, voor een oor dat luistert. Brontekst: נֶ֣זֶם (nezem) = ring van | זָ֭הָב (zahav) = goud | וַחֲלִי (vachali) = en sieraad van | כָ֑תֶם (katem) = fijn goud | מוֹכִ֥יחַ (mokhiach) = terechtwijzer | חָ֝כָ֗ם (chakham) = wijze | עַל (al) = voor | אֹ֥זֶן (ozen) = een oor | שֹׁמָֽעַת (shomaat) = dat luistert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶזֶם (nezem), ‘ring’: een ring voor de neus of het oor. Voetnoot : מוֹכִיחַ (mochiach), ‘wie terechtwijst’: dezelfde stam als תוֹכַחַת (tochachat), ‘terechtwijzing’ in Spr. 27:5. Zie ook: 1 Sam 25:31–34; Ps 141:5; Spr 9:8; Spr 15:31–32; Spr 27:5–6 **25:13** Als de koelte van sneeuw op een dag van de oogst, zo is een betrouwbare bode voor wie hem sturen. Hij brengt de ziel van zijn heren terug. Brontekst: כְּצִנַּת (ketsinat) = als koelte van | שֶׁ֨לֶג (sheleg) = sneeuw | בְּי֬וֹם (beyom) = op de dag van | קָצִ֗יר (qatsir) = oogst | צִ֣יר (tsir) = bode | נֶ֭אֱמָן (neeman) = betrouwbaar | לְשֹׁלְחָ֑יו (lesholechav) = voor wie hem sturen | וְנֶ֖פֶשׁ (venefesh) = en de ziel van | אֲדֹנָ֣יו (adonav) = zijn heren | יָשִֽׁיב (yashiv) = brengt hij terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven en de hele persoon. Hier zo ook in vers 25. Voetnoot : צִנָּה (tsinnah), ‘koelte’: de koelte van sneeuw of ijs in de hitte van de oogst. Er valt dus geen sneeuw; het gaat om verkoeling. Zie ook: Spr 13:17; Spr 25:25; Spr 26:6; Fil 2:25–30 **25:14** Wolken en wind en geen regen: zo is een man die zich beroemt op een gave van leugen. Brontekst: נְשִׂיאִ֣ים (nesiim) = wolken | וְ֭רוּחַ (veruach) = en wind | וְגֶ֣שֶׁם (vegeshem) = en regen | אָ֑יִן (ayin) = er is niet | אִ֥ישׁ (ish) = man | מִ֝תְהַלֵּ֗ל (mithalel) = die zich beroemt | בְּמַתַּת (bematat) = op een gave van | שָֽׁקֶר (shaqer) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשִׂיאִים (nesi’im), ‘wolken’: letterlijk ‘opstijgende dampen’. Het woord betekent elders ook ‘vorsten’. Zie ook: Spr 20:6; Luc 14:11; 2 Kor 11:13–18; 2 Petr 2:15–19; Jud 1:16 **25:15** Door geduld laat een bevelhebber zich overhalen, en een zachte tong breekt een bot. Brontekst: בְּאֹ֣רֶךְ (beorekh) = door lengte van | אַ֭פַּיִם (apayim) = toorn (geduld) | יְפֻתֶּ֣ה (yefute) = wordt overgehaald | קָצִ֑ין (qatsin) = bevelhebber | וְלָשׁ֥וֹן (velashon) = en tong | רַ֝כָּ֗ה (raka) = zacht | תִּשְׁבָּר (tishbar) = breekt | גָּֽרֶם (garem) = bot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 25:14; 1 Sam 25:24–44; Spr 15:1; Spr 16:14; Pred 10:4 **25:16** Heb je honing gevonden, eet je dan genoeg. Anders word je er te vol van en braak je het uit. Brontekst: דְּבַ֣שׁ (devash) = honing | מָ֭צָאתָ (matsata) = heb je gevonden | אֱכֹ֣ל (ekhol) = eet | דַּיֶּ֑ךָּ (dayeka) = je genoeg | פֶּן (pen) = anders | תִּ֝שְׂבָּעֶ֗נּוּ (tisbaenu) = word je er vol van | וַהֲקֵֽאתֽוֹ (vahaqeto) = en braak je het uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk vers 27. Zie ook: 1 Sam 14:25–27; Spr 24:13–14; Spr 25:27; Jes 7:15; Ef 5:18 **25:17** Maak je voet zeldzaam in het huis van je naaste, anders heeft hij genoeg van je en haat hij je. Brontekst: הֹקַ֣ר (hoqar) = maak zeldzaam | רַ֭גְלְךָ (raglekha) = je voet | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | רֵעֶ֑ךָ (reekha) = je naaste | פֶּן (pen) = anders | יִ֝שְׂבָּעֲךָ֗ (yisbaakha) = heeft hij genoeg van jou | וּשְׂנֵאֶֽךָ (useneekha) = en haat hij jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:2–3; Re 19:18–21; Rom 15:24 **25:18** Een knots en een zwaard en een scherpe pijl: zo is een man die als valse getuige tegen zijn naaste antwoordt. Brontekst: מֵפִ֣יץ (mefits) = knots | וְ֭חֶרֶב (vecherev) = en zwaard | וְחֵ֣ץ (vechets) = en pijl | שָׁנ֑וּן (shanun) = scherp | אִ֥ישׁ (ish) = man | עֹנֶ֥ה (one) = die antwoordt | בְ֝רֵעֵ֗הוּ (bereehu) = tegen zijn naaste | עֵ֣ד (ed) = getuige van | שָֽׁקֶר (shaqer) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵפִיץ (mefits), ‘knots’: een soort strijdhamer; de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Vergelijk Exod. 20:16. Zie ook: Ex 20:16; Ps 57:5; Ps 120:3–4; Spr 12:18; Jer 9:7; Jak 3:6 **25:19** Een gebroken tand en een wankelende voet: vertrouwen op een trouweloze op de dag van de nood. Brontekst: שֵׁ֣ן (shen) = tand | רֹ֭עָה (roa) = gebroken | וְרֶ֣גֶל (veregel) = en voet | מוּעָ֑דֶת (muadet) = wankelend | מִבְטָ֥ח (mivtach) = vertrouwen op | בּ֝וֹגֵ֗ד (boged) = een trouweloze | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | צָרָֽה (tsara) = nood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:14–20; 2 Kron 28:20–21; Jes 36:6; Ezech 29:6–7; 2 Tim 4:16 **25:20** Wie een kleed uittrekt op een koude dag, azijn op soda: zo is wie liederen zingt bij een bedroefd hart. Brontekst: מַ֥עֲדֶה (maade) = wie uittrekt | בֶּ֨גֶד (beged) = kleed | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | קָ֭רָה (qara) = kou | חֹ֣מֶץ (chomets) = azijn | עַל (al) = op | נָ֑תֶר (nater) = soda | וְשָׁ֥ר (veshar) = en wie zingt | בַּ֝שִּׁרִ֗ים (bashirim) = liederen | עַ֣ל (al) = bij | לֶב (lev) = een hart | רָֽע (ra) = bedroefd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָתֶר (neter), ‘soda’: een mineraal dat bruist als er azijn op komt. Voetnoot : לֶב רָע (lev ra), letterlijk ‘een slecht hart’: hier een bedroefd of zwaarmoedig hart. Het kleed en de azijn passen niet bij de plaats en de tijd, net als vrolijke liederen bij verdriet. Zie ook: Deut 24:12–17; Pred 3:4; Jes 58:7; Jak 2:15–16; Rom 12:15 **25:21** Als wie je haat honger heeft, geef hem brood te eten; en als hij dorst heeft, geef hem water te drinken. Brontekst: אִם (im) = als | רָעֵ֣ב (raev) = hongerig is | שֹׂ֭נַאֲךָ (sonaakha) = die jou haat | הַאֲכִלֵ֣הוּ (haakhilehu) = geef hem te eten | לָ֑חֶם (lachem) = brood | וְאִם (veim) = en als | צָ֝מֵ֗א (tsame) = dorstig is | הַשְׁקֵ֥הוּ (hashqehu) = geef hem te drinken | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:4–5; Spr 24:17; 2 Kon 6:22; Mat 5:44; Rom 12:20–21 **25:22** Want je schept gloeiende kolen op zijn hoofd, en Yahweh zal het je vergelden. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | גֶֽחָלִ֗ים (gechalim) = kolen | אַ֭תָּה (ata) = jij | חֹתֶ֣ה (chote) = schept | עַל (al) = op | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַֽ֝יהוָ֗ה (vaYahweh) = en Yahweh | יְשַׁלֶּם (yeshalem) = zal vergelden | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֶּחָלִים (gechalim), ‘gloeiende kolen’: een beeld voor de uitwerking van vriendelijkheid op een vijand. De uitleg van het beeld verschilt (schaamte, berouw). Wij laten het beeld staan. Zie ook Rom. 12:20. Voetnoot : יְשַׁלֶּם (yeshallem), ‘zal vergelden’: Yahweh zelf geeft de vergoeding; hier in goede zin. Zie ook: 2 Sam 16:12; Mat 10:13; 1 Kor 15:18; Rom 12:20 **25:23** De noordenwind brengt regen voort, en een boos gezicht een tong die in het geheim spreekt. Brontekst: ר֣וּחַ (ruach) = wind van | צָ֭פוֹן (tsafon) = noorden | תְּח֣וֹלֵֽל (techolel) = brengt voort | גָּ֑שֶׁם (gashem) = regen | וּפָנִ֥ים (ufanim) = en gezichten | נִ֝זְעָמִ֗ים (nizamim) = boos | לְשׁ֣וֹן (leshon) = tong van | סָֽתֶר (sater) = geheim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּחוֹלֵל (techolel), ‘brengt voort’: letterlijk ‘doet baren’. Het werkwoord kan ook ‘verdrijft’ betekenen. De betekenis is onzeker. Voetnoot : לְשׁוֹן סָתֶר (leshon seter), ‘een tong die in het geheim spreekt’: roddel achter iemands rug. Zie ook: Job 37:22; Ps 15:3; Spr 26:20; 2 Kor 12:20; Rom 1:30 **25:24** Het is beter te wonen op een hoek van het dak dan met een twistzieke vrouw in een gedeeld huis. Brontekst: ט֗וֹב (tov) = goed | שֶׁ֥בֶת (shevet) = wonen | עַל (al) = op | פִּנַּת (pinat) = hoek van | גָּ֑ג (gag) = dak | מֵאֵ֥שֶׁת (meeshet) = dan een vrouw van | מִ֝דְיָנִ֗ים (midyanim) = twisten | וּבֵ֥ית (uveit) = en een huis van | חָֽבֶר (chaver) = gezelschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze spreuk is gelijk aan Spr. 21:9. Voetnoot : מִדְיָנִים (midyanim), ‘twisten’: een vrouw van twisten is een twistzieke vrouw. Voetnoot : בֵּית חָבֶר (bet chaver), ‘een gedeeld huis’: letterlijk ‘een huis van gezelschap’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft מדונים (madonim); het gelezen woord (qere) heeft מִדְיָנִים. De betekenis is gelijk. Zie ook: Spr 19:13; Spr 21:9; Spr 21:19; Spr 27:15–16 **25:25** Koud water voor een vermoeide ziel: een goed bericht uit een ver land. Brontekst: מַ֣יִם (mayim) = water | קָ֭רִים (qarim) = koud | עַל (al) = op | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = een ziel | עֲיֵפָ֑ה (ayefa) = vermoeide | וּשְׁמוּעָ֥ה (ushemua) = en een bericht | ט֝וֹבָ֗ה (tova) = goed | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מֶרְחָֽק (merchaq) = ver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 17:2–3; Ps 63:2; Spr 15:30; Nah 2:1; Rom 10:15 **25:26** Een vertroebelde bron en een bedorven bron: een rechtvaardige die wankelt voor een goddeloze. Brontekst: מַעְיָ֣ן (mayan) = bron | נִ֭רְפָּשׂ (nirpas) = vertroebeld | וּמָק֣וֹר (umaqor) = en bron | מָשְׁחָ֑ת (mashechat) = bedorven | צַ֝דִּ֗יק (tsadiq) = rechtvaardige | מָ֣ט (mat) = wankelend | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor het aangezicht van | רָשָֽׁע (rasha) = goddeloze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִרְפָּשׂ (nirpas), ‘vertroebeld’: letterlijk ‘vertrapt’; een bron waarin iemand heeft gestaan of geroerd. מָט (mat), ‘wankelt’: ook ‘zakt in’ of ‘zwicht’. Zie ook: Gen 4:8; 1 Sam 22:14–18; 2 Kron 24:21–22; Ezech 34:18–19; Mat 26:69–74 **25:27** Veel honing eten is niet goed, en het onderzoeken van hun eer is eer. Brontekst: אָ֘כֹ֤ל (akhol) = eten | דְּבַ֣שׁ (devash) = honing | הַרְבּ֣וֹת (harbot) = veel te doen | לֹא (lo) = niet | ט֑וֹב (tov) = goed | וְחֵ֖קֶר (vecheqer) = en onderzoek | כְּבֹדָ֣ם (kevodam) = hun eer | כָּבֽוֹד (kavod) = eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), hier ‘eer’ (bij mensen). Voetnoot Lezing: Dit vers is in de Masoretische tekst moeilijk. Wij vertalen letterlijk: ‘het onderzoeken van hun eer is eer’. Sommige oude vertalingen en lezers zien een andere tekst of een andere samenhang (bijvoorbeeld ‘het onderzoeken van moeilijke zaken is eer’). De betekenis is onzeker. Zie ook: Spr 25:16; Spr 27:2; Joh 5:44; 2 Kor 12:1; Fil 2:3 **25:28** Een stad met bressen, zonder muur: een man zonder beheersing over zijn geest. Brontekst: עִ֣יר (ir) = stad | פְּ֭רוּצָה (perutsa) = doorbroken | אֵ֣ין (ein) = er is geen | חוֹמָ֑ה (choma) = muur | אִ֝֗ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | אֵ֖ין (ein) = er is geen | מַעְצָ֣ר (matsar) = beheersing | לְרוּחֽוֹ (lerucho) = voor zijn geest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘geest’: de innerlijke drang of gemoedsstemming. מַעְצָר (ma’tsar), ‘beheersing’: letterlijk ‘wat tegenhoudt’. Zie ook Spr. 16:32. Zie ook: 1 Sam 20:30; Spr 16:32; Spr 22:24; 2 Kron 32:5; Neh 1:3 ## Spreuken 26 _Over dwazen, luiaards en twistzoekers_ **26:1** Zoals sneeuw in de zomer en zoals regen in de oogst, zo past eer niet bij een dwaas. Brontekst: כַּשֶּׁ֤לֶג (kasheleg) = zoals sneeuw | בַּקַּ֗יִץ (baqayits) = in de zomer | וְכַמָּטָ֥ר (vekhamatar) = en zoals regen | בַּקָּצִ֑יר (baqatsir) = in de oogst | כֵּ֤ן (ken) = zo | לֹא (lo) = niet | נָאוֶ֖ה (nave) = past | לִכְסִ֣יל (likhsil) = bij een dwaas | כָּבֽוֹד (kavod) = eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּסִיל (kesil), ‘dwaas’: wie weigert te leren. Het woord staat in dit hoofdstuk steeds als ‘dwaas’. אֱוִיל (evil) is ‘zot’ (zie Spr. 27:3 en 27:22). Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), hier ‘eer’ (bij een persoon). Zie ook: Spr 19:10; Spr 26:8; Spr 27:3; Spr 27:22; Spr 28:16; Est 3:1–15; Est 4:6 **26:2** Zoals een mus rondzwerft en zoals een zwaluw rondvliegt, zo komt een vloek zonder reden bij hem. Brontekst: כַּצִּפּ֣וֹר (katsipor) = zoals een mus | לָ֭נוּד (lanud) = om rond te zwerven | כַּדְּר֣וֹר (kaderor) = zoals een zwaluw | לָע֑וּף (lauf) = om te vliegen | כֵּ֥ן (ken) = zo | קִֽלְלַ֥ת (qillat) = vloek van | חִ֝נָּ֗ם (chinam) = zonder reden | ל֣וֹ (lo) = bij hem | תָבֹֽא (tavo) = komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De ketiv (geschreven tekst) heeft לֹא (lo), ‘niet’: ‘zo komt een vloek zonder reden niet’. De qere (voorgelezen tekst) heeft לוֹ (lo), ‘bij hem’. Wij volgen de qere. Met de ketiv betekent het vers dat een onverdiende vloek niet aankomt, zoals een vogel niet neerstrijkt. Zie ook: Num 23:8; Deut 23:5–6; 2 Sam 16:12; Ps 109:28; Neh 13:2 **26:3** Een zweep voor het paard, een bit voor de ezel, en een stok voor de rug van dwazen. Brontekst: שׁ֣וֹט (shot) = zweep | לַ֭סּוּס (lasus) = voor het paard | מֶ֣תֶג (meteg) = bit | לַחֲמ֑וֹר (lachamor) = voor de ezel | וְ֝שֵׁ֗בֶט (veshevet) = en stok | לְגֵ֣ו (legev) = voor de rug van | כְּסִילִֽים (kesilim) = dwazen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 8:5–7; Ps 32:9; Spr 10:13; 1 Kor 4:21; 2 Kor 13:2 **26:4** Antwoord een dwaas niet naar zijn zotheid, anders word je zelf ook aan hem gelijk. Brontekst: אַל (al) = niet | תַּ֣עַן (taan) = antwoord | כְּ֭סִיל (kesil) = een dwaas | כְּאִוַּלְתּ֑וֹ (keivalto) = naar zijn zotheid | פֶּֽן (pen) = anders | תִּשְׁוֶה (tishve) = word je gelijk | לּ֥וֹ (lo) = aan hem | גַם (gam) = ook | אָֽתָּה (ata) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: verwant aan אֱוִיל (evil), ‘zot’; hier wordt ze toegeschreven aan de כְּסִיל (kesil), ‘dwaas’. De verzen 4 en 5 staan direct achter elkaar, met dezelfde woorden en tegengestelde raad. Wij vertalen beide letterlijk. Zie ook: Spr 17:14; Spr 26:5; 1 Kon 12:14; 1 Petr 3:9; Jud 1:9 **26:5** Antwoord een dwaas naar zijn zotheid, anders wordt hij wijs in zijn eigen ogen. Brontekst: עֲנֵ֣ה (ane) = antwoord | כְ֭סִיל (kesil) = een dwaas | כְּאִוַּלְתּ֑וֹ (keivalto) = naar zijn zotheid | פֶּן (pen) = anders | יִהְיֶ֖ה (yihye) = wordt | חָכָ֣ם (chakham) = wijs | בְּעֵינָֽיו (beeinav) = in zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:7; Mat 16:1–4; Mat 21:23–27; Luc 12:13–21; Rom 12:16 **26:6** Voeten afhakken, geweld drinken: zo is wie boodschappen stuurt door de hand van een dwaas. Brontekst: מְקַצֶּ֣ה (meqatse) = wie afhakt | רַ֭גְלַיִם (raglayim) = voeten | חָמָ֣ס (chamas) = geweld | שֹׁתֶ֑ה (shote) = drinkt | שֹׁלֵ֖חַ (sholeach) = wie stuurt | דְּבָרִ֣ים (devarim) = woorden | בְּיַד (beyad) = door de hand van | כְּסִֽיל (kesil) = een dwaas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Beide beelden (‘voeten afhakken’, ‘geweld drinken’) betekenen dat wie een dwaas als bode kiest, zichzelf schade toebrengt. Zie ook: Num 13:31; Spr 10:26; Spr 13:17; Spr 25:13 **26:7** De benen van een kreupele hangen slap, en zo is een spreuk in de mond van dwazen. Brontekst: דַּלְי֣וּ (dalyu) = hangen slap | שֹׁ֭קַיִם (shoqayim) = benen | מִפִּסֵּ֑חַ (mipiseach) = van de kreupele | וּ֝מָשָׁ֗ל (umashal) = en een spreuk | בְּפִ֣י (befi) = in de mond van | כְסִילִֽים (kesilim) = dwazen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּלְיוּ (dalyu), ‘hangen slap’: letterlijk ‘zijn opgehaald’ of ‘bungelen’. De betekenis is onzeker. מָשָׁל (mashal), ‘spreuk’: een gezegde of vergelijking. Vergelijk vers 9. Zie ook: Ps 50:16–21; Ps 64:9; Spr 17:7; Spr 26:9; Mat 7:4–5 **26:8** Als een steen, vastgebonden in een slinger, zo is wie een dwaas eer geeft. Brontekst: כִּצְר֣וֹר (kitsror) = als een bundel | אֶ֭בֶן (even) = steen | בְּמַרְגֵּמָ֑ה (bemargema) = in een slinger | כֵּן (ken) = zo | נוֹתֵ֖ן (noten) = wie geeft | לִכְסִ֣יל (likhsil) = aan een dwaas | כָּבֽוֹד (kavod) = eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמַרְגֵּמָה (bemargemah), ‘in een slinger’: het woord komt alleen hier voor. Het kan ook ‘op een steenhoop’ betekenen. Dan is het beeld: een bundel edelstenen op een stapel stenen, of een steen die in een slinger wordt vastgebonden en zo niet kan vliegen. De betekenis is onzeker. Zie ook: Spr 19:10; Spr 26:1; Spr 30:22 **26:9** Een doorn die in de hand van een dronkaard dringt, en zo is een spreuk in de mond van dwazen. Brontekst: ח֭וֹחַ (choach) = doorn | עָלָ֣ה (ala) = steekt omhoog | בְיַד (beyad) = in de hand van | שִׁכּ֑וֹר (shikor) = een dronkaard | וּ֝מָשָׁ֗ל (umashal) = en een spreuk | בְּפִ֣י (befi) = in de mond van | כְסִילִֽים (kesilim) = dwazen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 23:35 **26:10** Een boogschutter die alles verwondt: zo is wie een dwaas inhuurt en wie voorbijgangers inhuurt. Brontekst: רַ֥ב (rav) = een boogschutter | מְחֽוֹלֵֽל (mecholel) = die verwondt | כֹּ֑ל (kol) = alles | וְשֹׂכֵ֥ר (vesokher) = en wie inhuurt | כְּ֝סִ֗יל (kesil) = een dwaas | וְשֹׂכֵ֥ר (vesokher) = en wie inhuurt | עֹבְרִֽים (overim) = voorbijgangers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. רַב (rav) kan ‘boogschutter’, ‘meester’ of ‘veel’ betekenen; מְחוֹלֵל (mecholel) kan ‘verwondt’ of ‘brengt voort’ betekenen. Wij kiezen ‘boogschutter die alles verwondt’. De betekenis is onzeker. Zie ook: Spr 11:31; Rom 2:6 **26:11** Zoals een hond terugkeert naar zijn braaksel, zo herhaalt een dwaas zijn zotheid. Brontekst: כְּ֭כֶלֶב (kekhelev) = zoals een hond | שָׁ֣ב (shav) = die terugkeert | עַל (al) = naar | קֵא֑וֹ (qeo) = zijn braaksel | כְּ֝סִ֗יל (kesil) = een dwaas | שׁוֹנֶ֥ה (shone) = die herhaalt | בְאִוַּלְתּֽוֹ (beivalto) = zijn zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook 2 Petr. 2:22. Zie ook: Ex 8:11; Mat 12:45; 2 Petr 2:22 **26:12** Heb je een man gezien die wijs is in zijn eigen ogen? Er is meer hoop voor een dwaas dan voor hem. Brontekst: רָאִ֗יתָ (raita) = je hebt gezien | אִ֭ישׁ (ish) = man | חָכָ֣ם (chakham) = wijs | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | תִּקְוָ֖ה (tiqva) = hoop | לִכְסִ֣יל (likhsil) = voor een dwaas | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = dan voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 29:20. Zie ook: Spr 26:5; Spr 28:11; Spr 29:20; 1 Kor 3:18–19; Rom 12:16 **26:13** De luiaard zegt: „Een leeuw op de weg! Een leeuw tussen de pleinen!” Brontekst: אָמַ֣ר (amar) = zegt | עָ֭צֵל (atsel) = de luiaard | שַׁ֣חַל (shachal) = een leeuw | בַּדָּ֑רֶךְ (badarekh) = op de weg | אֲ֝רִ֗י (ari) = een leeuw | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הָרְחֹבֽוֹת (harechovot) = de pleinen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁחַל (shachal), ‘leeuw’: een naam voor een jonge of sterke leeuw. Vergelijk Spr. 22:13. Zie ook: Spr 15:19; Spr 19:15; Spr 22:13 **26:14** De deur draait op haar scharnier, en de luiaard op zijn bed. Brontekst: הַ֭דֶּלֶת (hadelet) = de deur | תִּסּ֣וֹב (tisov) = draait | עַל (al) = op | צִירָ֑הּ (tsirah) = haar scharnier | וְ֝עָצֵ֗ל (veatsel) = en de luiaard | עַל (al) = op | מִטָּתֽוֹ (mitato) = zijn bed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 6:9–10; Spr 12:24; Spr 12:27; Spr 24:33; Heb 6:12 **26:15** De luiaard steekt zijn hand in de schotel; hij is te moe om haar weer naar zijn mond te brengen. Brontekst: טָ֘מַ֤ן (taman) = heeft gestoken | עָצֵ֣ל (atsel) = de luiaard | יָ֭דוֹ (yado) = zijn hand | בַּצַּלָּ֑חַת (batsalachat) = in de schotel | נִ֝לְאָ֗ה (nila) = is te moe | לַֽהֲשִׁיבָ֥הּ (lahashivah) = om haar terug te brengen | אֶל (el) = naar | פִּֽיו (piv) = zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 19:24. Daar staat het eerste deel gelijk, maar het slot is anders. Voetnoot : צַּלָּחַת (tsallachat), ‘schotel’: een schaal waaruit men at. Zie ook: Spr 19:24 **26:16** De luiaard is in zijn eigen ogen wijzer dan zeven die met oordeel antwoorden. Brontekst: חָכָ֣ם (chakham) = wijs | עָצֵ֣ל (atsel) = de luiaard | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | מִ֝שִּׁבְעָ֗ה (mishiva) = dan zeven | מְשִׁ֣יבֵי (meshivei) = die antwoorden | טָֽעַם (taam) = met oordeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַעַם (ta’am), ‘oordeel’: letterlijk ‘smaak’; ook ‘verstand’ of ‘reden’. Zie ook: Spr 12:15; Spr 26:12; 1 Petr 3:15 **26:17** Een hond bij de oren grijpen: zo is wie voorbijkomt en zich opwindt over een geschil dat niet van hem is. Brontekst: מַחֲזִ֥יק (machaziq) = wie vastgrijpt | בְּאָזְנֵי (beazenei) = bij de oren van | כָ֑לֶב (kalev) = een hond | עֹבֵ֥ר (over) = wie voorbijgaat | מִ֝תְעַבֵּ֗ר (mitaber) = die zich opwindt | עַל (al) = over | רִ֥יב (riv) = een geschil | לֹּֽא (lo) = niet | לֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִיב (riv), ‘geschil’. Wie zich mengt in andermans twist, is als iemand die een hond bij de oren pakt: hij kan niet loslaten en wordt gebeten. Zie ook: Spr 17:11; Spr 18:6; Spr 20:3; Luc 12:14; 2 Tim 2:23–24 **26:18** Als een waanzinnige die vuurbranden, pijlen en dood afschiet, Brontekst: כְּֽ֭מִתְלַהְלֵהַּ (kemitlahleha) = zoals een waanzinnige | הַיֹּרֶ֥ה (hayore) = die schiet | זִקִּ֗ים (ziqim) = vuurbranden | חִצִּ֥ים (chitsim) = pijlen | וָמָֽוֶת (vamavet) = en dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִקִּים (ziqqim), ‘vuurbranden’: brandende stukken hout of vuurpijlen. De betekenis is niet helemaal zeker. מִתְלַהְלֵהַּ (mitlahleah), ‘waanzinnige’: iemand die zich gek of dol gedraagt; het woord komt alleen hier voor. Voetnoot : Vers 18 en 19 vormen één zin. Zie ook: Gen 49:23; Spr 7:23; Spr 25:18; Spr 26:19; Jes 50:11 **26:19** zo is een man die zijn naaste bedriegt en zegt: „Ik maak toch maar een grapje?” Brontekst: כֵּֽן (ken) = zo | אִ֭ישׁ (ish) = man | רִמָּ֣ה (rima) = die bedriegt | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וְ֝אָמַ֗ר (veamar) = en zegt | הֲֽלֹא (halo) = immers niet | מְשַׂחֵ֥ק (mesacheq) = speel/grap makend | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 10:23; Spr 14:9; Spr 15:21; Ef 5:4; 2 Petr 2:13 **26:20** Zonder hout dooft het vuur, en zonder roddelaar wordt de twist stil. Brontekst: בְּאֶ֣פֶס (beefes) = bij gebrek aan | עֵ֭צִים (etsim) = hout | תִּכְבֶּה (tikhbe) = dooft | אֵ֑שׁ (esh) = vuur | וּבְאֵ֥ין (uveein) = en bij het ontbreken van | נִ֝רְגָּ֗ן (nirgan) = een roddelaar | יִשְׁתֹּ֥ק (yishtoq) = wordt stil | מָדֽוֹן (madon) = twist Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 16:28; Spr 22:10; Spr 26:22; Jak 3:6 **26:21** Houtskool voor gloeiende kolen en hout voor vuur: zo is een twistziek man om een geschil aan te wakkeren. Brontekst: פֶּחָ֣ם (pecham) = houtskool | לְ֭גֶחָלִים (legechalim) = voor kolen | וְעֵצִ֣ים (veetsim) = en hout | לְאֵ֑שׁ (leesh) = voor vuur | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man van | מִ֝דְיָנִ֗ים (midyanim) = twisten | לְחַרְחַר (lecharchar) = om aan te wakkeren | רִֽיב (riv) = geschil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft מדונים (madonim); het gelezen woord (qere) מִדְיָנִים (midyanim). De betekenis is gelijk. Zie ook: 2 Sam 20:1; Spr 10:12; Spr 15:18; Spr 29:22; Spr 30:33 **26:22** De woorden van een roddelaar zijn als lekkernijen, en zij dalen af in de kamers van de buik. Brontekst: דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | נִ֭רְגָּן (nirgan) = een roddelaar | כְּמִֽתְלַהֲמִ֑ים (kemitlahamim) = als lekkernijen | וְ֝הֵ֗ם (vehem) = en zij | יָרְד֥וּ (yaredu) = dalen af | חַדְרֵי (chadrei) = kamers van | בָֽטֶן (baten) = buik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is gelijk aan Spr. 18:8. Voetnoot : נִרְגָּן (nirgan), ‘roddelaar’: iemand die fluistert en kwaad verspreidt. Voetnoot : כְּמִתְלַהֲמִים (kemitlahamim), ‘als lekkernijen’: het woord komt alleen hier en in Spr. 18:8 voor en is van een werkwoord dat ‘gulzig slikken’ betekent. De betekenis is onzeker. Zie ook: Spr 18:8; Spr 20:19; Ezech 22:9 **26:23** Zilverschuim als laag over een potscherf: vurige lippen en een kwaad hart. Brontekst: כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver van | סִ֭יגִים (sigim) = schuim | מְצֻפֶּ֣ה (metsupe) = overtrokken | עַל (al) = over | חָ֑רֶשׂ (chares) = een potscherf | שְׂפָתַ֖יִם (sefatayim) = lippen | דֹּלְקִ֣ים (doleqim) = brandend | וְלֶב (velev) = en een hart | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּלְקִים (dolqim), ‘vurig’: letterlijk ‘brandend’. Sommige oude vertalingen hebben ‘gladde’ lippen. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : לֶב רָע (lev ra), ‘een kwaad hart’: een hart dat kwaad zint. Vergelijk Spr. 25:20. Zie ook: Spr 10:18; Spr 25:4; Spr 25:20; Ezech 33:31; Luc 11:39; Luc 22:47–48 **26:24** Met zijn lippen maakt wie haat zich onkenbaar, maar in zijn binnenste legt hij bedrog weg. Brontekst: בִּ֭שְׂפָתָיו (bisfatav) = met zijn lippen | יִנָּכֵ֣ר (yinakher) = maakt zich onkenbaar | שׂוֹנֵ֑א (sone) = wie haat | וּ֝בְקִרְבּ֗וֹ (uveqirbo) = en in zijn binnenste | יָשִׁ֥ית (yashit) = legt hij neer | מִרְמָֽה (mirma) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִנָּכֵר (yinnaker), ‘maakt zich onkenbaar’: ook ‘wordt herkend’ of ‘doet vreemd’. Voetnoot Lezing: De ketiv heeft בשפתו (besefato), ‘met zijn lip’, enkelvoud; de qere heeft ‘met zijn lippen’. De betekenis is gelijk. Zie ook: Ps 41:7; Spr 10:18; Spr 12:17; Spr 12:20; Spr 14:8 **26:25** Als hij zijn stem vriendelijk laat klinken, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart. Brontekst: כִּֽי (ki) = als | יְחַנֵּ֣ן (yechanen) = maakt vriendelijk | ק֭וֹלוֹ (qolo) = zijn stem | אַל (al) = niet | תַּֽאֲמֶן (taamen) = geloof | בּ֑וֹ (bo) = hem | כִּ֤י (ki) = want | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | תּוֹעֵב֣וֹת (toevot) = gruwelen | בְּלִבּֽוֹ (belibo) = in zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְחַנֵּן (yechannen), ‘maakt vriendelijk’: van חֵן (chen), ‘gunst’. שֶׁבַע תּוֹעֵבוֹת (sheva to’evot), ‘zeven gruwelen’: een volle (complete) hoeveelheid. Zie ook: Ps 12:3; Ps 28:3; Spr 6:16–19; Jer 9:1–7; Jer 12:6 **26:26** Haat kan zich bedekken met bedrog, maar zijn kwaad wordt onthuld in de vergadering. Brontekst: תִּכַּסֶּ֣ה (tikase) = wordt bedekt | שִׂ֭נְאָה (sina) = haat | בְּמַשָּׁא֑וֹן (bemashaon) = met bedrog | תִּגָּלֶ֖ה (tigale) = wordt onthuld | רָעָת֣וֹ (raato) = zijn kwaad | בְקָהָֽל (beqahal) = in de vergadering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשָּׁאוֹן (massha’on), ‘bedrog’: een woord dat alleen hier voorkomt; de betekenis is onzeker. Zie ook: Gen 4:8; 1 Sam 18:17; 2 Sam 3:27–30; 2 Sam 13:22–28; Ps 55:22–24 **26:27** Wie een kuil graaft, zal erin vallen, en wie een steen wentelt, op hem keert hij terug. Brontekst: כֹּֽרֶה (kore) = wie graaft | שַּׁ֭חַת (shachat) = kuil | בָּ֣הּ (bah) = erin | יִפֹּ֑ל (yipol) = zal vallen | וְגֹ֥לֵ֥ל (vegolel) = en wie rolt | אֶ֝בֶן (even) = steen | אֵלָ֥יו (elav) = naar hem | תָּשֽׁוּב (tashuv) = keert terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Ps. 7:16–17 en Ps. 9:16. Zie ook: Ps 7:16–17; Ps 9:16; Ps 10:2; Spr 28:10; Pred 10:8 **26:28** Een tong van leugen haat wie ze heeft verbrijzeld, en een gladde mond bewerkt een val. Brontekst: לְֽשׁוֹן (leshon) = tong van | שֶׁ֭קֶר (sheqer) = leugen | יִשְׂנָ֣א (yisna) = haat | דַכָּ֑יו (dakav) = zijn verbrijzelden | וּפֶ֥ה (ufe) = en mond | חָ֝לָ֗ק (chalaq) = glad | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = maakt | מִדְחֶֽה (midche) = ondergang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּכָּיו (dakkav), ‘wie ze heeft verbrijzeld’: letterlijk ‘haar verbrijzelden’, de slachtoffers van de tong. De betekenis kan ook zijn: ‘haat degenen aan wie ze het leed doet’. Voetnoot : מִדְחֶה (midcheh), ‘val’: ook ‘ondergang’ of ‘struikeling’. Zie ook: Spr 7:5; Spr 7:21–23; Luc 20:20–21; Joh 8:44–49; Joh 10:32–33 ## Spreuken 27 _Vriendschap, tucht en de zorg voor de kudde_ **27:1** Beroem je niet op de dag van morgen, want je weet niet wat een dag zal baren. Brontekst: אַֽל (al) = niet | תִּ֭תְהַלֵּל (tithalel) = beroem je | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | מָחָ֑ר (machar) = morgen | כִּ֤י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | תֵ֝דַ֗ע (teda) = weet je | מַה (ma) = wat | יֵּ֥לֶד (yeled) = zal baren | יֽוֹם (yom) = een dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jak. 4:13–14. Zie ook: 1 Sam 28:19; Jes 56:12; Luc 12:19–20; Jak 4:13–16; 2 Kor 6:2 **27:2** Laat een vreemde je prijzen en niet je eigen mond, een onbekende en niet je eigen lippen. Brontekst: יְהַלֶּלְךָ֣ (yehalelkha) = laat prijzen jou | זָ֣ר (zar) = een vreemde | וְלֹא (velo) = en niet | פִ֑יךָ (pikha) = je mond | נָ֝כְרִ֗י (nakheri) = een onbekende | וְאַל (veal) = en niet | שְׂפָתֶֽיךָ (sefateikha) = je lippen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָר (zar), ‘vreemde’, en נָכְרִי (nokhri), ‘onbekende’: iemand die buiten je kring staat. Zie ook: Spr 25:27; 2 Kor 10:12; 2 Kor 10:18; 2 Kor 12:11 **27:3** Het gewicht van een steen en de last van het zand, maar de ergernis van een zot weegt zwaarder dan die twee. Brontekst: כֹּֽבֶד (koved) = zwaarte van | אֶ֭בֶן (even) = steen | וְנֵ֣טֶל (venetel) = en last van | הַח֑וֹל (hachol) = het zand | וְכַ֥עַס (vekhaas) = en ergernis van | אֱ֝וִ֗יל (evil) = een zot | כָּבֵ֥ד (kaved) = zwaar | מִשְּׁנֵיהֶֽם (misheneihem) = dan die twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱוִיל (evil), ‘zot’: een andere stam dan כְּסִיל (kesil), ‘dwaas’. כַּעַס (ka’as), ‘ergernis’: wat een zot anderen aandoet. Zie ook: Gen 49:7; 1 Sam 22:18–19; Spr 17:12; Dan 3:19; 1 Joh 3:12 **27:4** Woede is wreed en toorn is een stortvloed, maar wie kan standhouden voor jaloezie? Brontekst: אַכְזְרִיּ֣וּת (akhzeriyut) = wreedheid | חֵ֭מָה (chema) = woede | וְשֶׁ֣טֶף (veshetef) = en overstroming van | אָ֑ף (af) = toorn | וּמִ֥י (umi) = en wie | יַ֝עֲמֹד (yaamod) = zal standhouden | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | קִנְאָֽה (qina) = jaloezie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:2; Spr 6:34; Spr 14:30; Mat 27:18; Jak 3:14–16 **27:5** Beter is openlijke terechtwijzing dan verborgen liefde. Brontekst: ט֭וֹבָה (tova) = goed | תּוֹכַ֣חַת (tokhachat) = terechtwijzing | מְגֻלָּ֑ה (megula) = openlijk | מֵֽאַהֲבָ֥ה (meahava) = dan liefde | מְסֻתָּֽרֶת (mesutaret) = verborgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹכַחַת (tochachat), ‘terechtwijzing’: dezelfde stam als מוֹכִיחַ (mochiach) in Spr. 25:12. Zie ook: Lev 19:17; Spr 25:12; Spr 28:23; Mat 18:15; Gal 2:14; 1 Tim 5:20 **27:6** Betrouwbaar zijn de wonden van wie liefheeft, maar overvloedig zijn de kussen van wie haat. Brontekst: נֶ֭אֱמָנִים (neemanim) = betrouwbaar | פִּצְעֵ֣י (pitsei) = wonden van | אוֹהֵ֑ב (ohev) = wie liefheeft | וְ֝נַעְתָּר֗וֹת (venatarot) = en overvloedig | נְשִׁיק֥וֹת (neshiqot) = kussen van | שׂוֹנֵֽא (sone) = wie haat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַעְתָּרוֹת (na’tarot), ‘overvloedig’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Anderen lezen ‘opgedrongen’ of ‘vals’. Zie ook: Job 5:17–18; Ps 141:5; Spr 26:23–26; Heb 12:10; Openb 3:19 **27:7** Een verzadigde ziel vertrapt honingraat, maar voor een hongerige ziel is al wat bitter is, zoet. Brontekst: נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = ziel | שְׂ֭בֵעָה (sevea) = verzadigd | תָּב֣וּס (tavus) = vertrapt | נֹ֑פֶת (nofet) = honingraat | וְנֶ֥פֶשׁ (venefesh) = en ziel | רְ֝עֵבָ֗ה (reeva) = hongerig | כָּל (kal) = alles | מַ֥ר (mar) = bitter | מָתֽוֹק (matoq) = zoet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de persoon met zijn honger en eetlust. Zo ook Spr. 25:25. Zie ook: Job 6:7; Num 11:4–9; Num 11:18–20; Num 21:5; Spr 25:25; Luc 15:16–17 **27:8** Zoals een vogel die wegzwerft van haar nest, zo is een man die wegzwerft van zijn plaats. Brontekst: כְּ֭צִפּוֹר (ketsipor) = zoals een vogel | נוֹדֶ֣דֶת (nodedet) = die zwerft | מִן (min) = van | קִנָּ֑הּ (qinah) = haar nest | כֵּֽן (ken) = zo | אִ֝֗ישׁ (ish) = man | נוֹדֵ֥ד (noded) = die zwerft | מִמְּקוֹמֽוֹ (mimeqomo) = van zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 21:16; Jona 1:3; Jona 1:10–2:1; Jes 16:2; 1 Kor 7:20 **27:9** Olie en reukwerk verblijden het hart, en de zoetheid van zijn naaste komt uit de raad van de ziel. Brontekst: שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie | וּ֭קְטֹרֶת (uqetoret) = en reukwerk | יְשַׂמַּֽח (yesamach) = verblijdt | לֵ֑ב (lev) = hart | וּמֶ֥תֶק (umeteq) = en zoetheid van | רֵ֝עֵ֗הוּ (reehu) = zijn naaste | מֵֽעֲצַת (meatsat) = uit raad van | נָֽפֶשׁ (nafesh) = ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. De laatste woorden, מֵעֲצַת נָפֶשׁ (me’atsat nafesh), ‘uit de raad van de ziel’, kunnen betekenen: een raad die uit het hart komt, of ‘meer dan de raad van de eigen ziel’. Wij vertalen letterlijk met ‘komt’ als korte verbinding. De betekenis is onzeker. Voetnoot : רֵעַ (re’a), ‘naaste’: ook ‘vriend’; zo ook in de verzen 10, 14 en 17. Zie ook: Ps 23:5; Ps 104:15; Spr 15:23; Spr 16:21; Spr 16:23–24 **27:10** Laat je naaste en de naaste van je vader niet in de steek. Ga niet naar het huis van je broer op de dag van je ramp. Beter is een buur dichtbij dan een broer ver weg. Brontekst: רֵֽעֲךָ֨ (reakha) = je naaste | וְרֵ֪עַ (verea) = en de naaste van | אָבִ֡יךָ (avikha) = je vader | אַֽל (al) = niet | תַּעֲזֹ֗ב (taazov) = verlaat | וּבֵ֥ית (uveit) = en het huis van | אָחִ֗יךָ (achikha) = je broer | אַל (al) = niet | תָּ֭בוֹא (tavo) = ga binnen | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | אֵידֶ֑ךָ (eidekha) = je ramp | ט֥וֹב (tov) = beter | שָׁכֵ֥ן (shakhen) = een buur | קָ֝ר֗וֹב (qarov) = dichtbij | מֵאָ֥ח (meach) = dan een broer | רָחֽוֹק (rachoq) = ver weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵידֶךָ (edekha), ‘je ramp’: de dag van je ondergang of nood. Voetnoot Lezing: De ketiv heeft ורעה (vere’ah), ‘en de vriendin van’; de qere heeft וְרֵעַ (vere’a), ‘en de naaste van’. Wij volgen de qere. Zie ook: Spr 17:17; Spr 18:24; 1 Kon 12:6–8; Ob 1:12–14; Luc 10:30–37 **27:11** Wees wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart. Dan kan ik wie mij hoont een antwoord geven. Brontekst: חֲכַ֣ם (chakham) = wees wijs | בְּ֭נִי (beni) = mijn zoon | וְשַׂמַּ֣ח (vesamach) = en verblijd | לִבִּ֑י (libi) = mijn hart | וְאָשִׁ֖יבָה (veashiva) = en ik zal teruggeven | חֹרְפִ֣י (chorefi) = aan wie mij hoont | דָבָֽר (davar) = een woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 119:42; Spr 10:1; Spr 23:15–16; Spr 23:24–25; 2 Joh 1:4 **27:12** De slimme ziet het kwaad en verbergt zich; de eenvoudigen gaan door en worden gestraft. Brontekst: עָר֤וּם (arum) = een slimme | רָאָ֣ה (raa) = ziet | רָעָ֣ה (raa) = het kwaad | נִסְתָּ֑ר (nistar) = verbergt zich | פְּ֝תָאיִ֗ם (petayim) = eenvoudigen | עָבְר֥וּ (averu) = gaan door | נֶעֱנָֽשׁוּ (neenashu) = worden gestraft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers komt overeen met Spr. 22:3; daar staat ‘en verbergt zich’ in een iets andere vorm. Voetnoot : עָרוּם (arum), ‘slimme’: wie slim is en vooruitziet (positief gebruikt); vergelijk ‘slimheid’ (orma) in Spr. 1:4. פְּתָאיִם (peta’im), ‘eenvoudigen’. Zie ook: Spr 1:4; Spr 18:10; Spr 22:3; 2 Petr 3:7; 2 Petr 3:10–14; Heb 11:7 **27:13** Neem zijn kleed, want hij heeft borg gestaan voor een vreemde. Neem hem in pand ter wille van een vreemde vrouw. Brontekst: קַח (qach) = neem | בִּ֭גְדוֹ (bigdo) = zijn kleed | כִּי (ki) = want | עָ֣רַב (arav) = hij stond borg | זָ֑ר (zar) = voor een vreemde | וּבְעַ֖ד (uvead) = en voor | נָכְרִיָּ֣ה (nakheriya) = een vreemde vrouw | חַבְלֵֽהוּ (chavlehu) = neem hem in pand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is gelijk aan Spr. 20:16. Voetnoot : חַבְלֵהוּ (chavlehu), ‘neem hem in pand’: ook ‘neem pand van hem’. Zie ook: Ex 22:25; Spr 6:1–4; Spr 20:16; Spr 22:26–27 **27:14** Wie zijn naaste zegent met luide stem, al vroeg in de morgen: dat wordt hem als een vloek gerekend. Brontekst: מְבָ֘רֵ֤ךְ (mevarekh) = wie zegent | רֵעֵ֨הוּ (reehu) = zijn naaste | בְּק֣וֹל (beqol) = met stem | גָּ֭דוֹל (gadol) = luid | בַּבֹּ֣קֶר (baboqer) = in de morgen | הַשְׁכֵּ֑ים (hashkeim) = vroeg opstaand | קְ֝לָלָ֗ה (qelala) = vloek | תֵּחָ֥שֶׁב (techashev) = wordt gerekend | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁכֵּים (hashkem), ‘vroeg opstaand’: letterlijk ‘vroeg opstaan’. Zie ook: 2 Sam 15:2–7; 2 Sam 16:16–19; 2 Sam 17:7–13; Jer 28:2–4; Hand 12:22–23 **27:15** Een voortdurend druipend dak op een regenachtige dag en een twistzieke vrouw zijn aan elkaar gelijk. Brontekst: דֶּ֣לֶף (delef) = druipend dak | ט֭וֹרֵד (tored) = voortdurend | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | סַגְרִ֑יר (sagrir) = regen | וְאֵ֥שֶׁת (veeshet) = en een vrouw van | מִ֝דְיָנִ֗ים (midyanim) = twisten | נִשְׁתָּוָֽה (nishtava) = is gelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 19:13, waar dezelfde woorden (דֶּלֶף טֹרֵד, delef tored) staan. מִדְיָנִים (midyanim), ‘twisten’: een vrouw van twisten is een twistzieke vrouw. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft מדונים (madonim); het gelezen woord (qere) מִדְיָנִים. De betekenis is gelijk. Zie ook: Job 14:19; Spr 19:13; Spr 21:9; Spr 21:19; Spr 25:24 **27:16** Wie haar verbergt, verbergt de wind, en zijn rechterhand komt olie tegen. Brontekst: צֹפְנֶ֥יהָ (tsofeneiha) = haar verbergers | צָֽפַן (tsafan) = verbergt | ר֑וּחַ (ruach) = wind | וְשֶׁ֖מֶן (veshemen) = en olie | יְמִינ֣וֹ (yemino) = zijn rechterhand | יִקְרָֽא (yiqra) = komt tegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. ‘Haar’ verwijst waarschijnlijk naar de twistzieke vrouw uit vers 15. צָפַן (tsafan), ‘verbergen’: ook ‘bewaren’ of ‘tegenhouden’. יִקְרָא (yiqra), ‘komt tegen’: ook ‘roept’. De betekenis is onzeker. Zie ook: Spr 27:15; Joh 12:3 **27:17** IJzer scherpt ijzer, en een man scherpt het gezicht van zijn naaste. Brontekst: בַּרְזֶ֣ל (barzel) = ijzer | בְּבַרְזֶ֣ל (bevarzel) = met ijzer | יָ֑חַד (yachad) = scherpt | וְ֝אִ֗ישׁ (veish) = en een man | יַ֣חַד (yachad) = scherpt | פְּנֵֽי (penei) = het gezicht van | רֵעֵֽהוּ (reehu) = zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָחַד (yachad), ‘scherpt’: de vorm kan ook ‘samen’ betekenen. פְּנֵי (penei), ‘gezicht’: de persoon in zijn geheel. Zie ook: Job 4:3–4; 1 Sam 23:16; Spr 27:9; Jes 35:3–4; Heb 10:24 **27:18** Wie een vijgenboom bewaakt, eet zijn vrucht, en wie zijn heren bewaakt, wordt geëerd. Brontekst: נֹצֵ֣ר (notser) = wie bewaakt | תְּ֭אֵנָה (teena) = een vijgenboom | יֹאכַ֣ל (yokhal) = eet | פִּרְיָ֑הּ (piryah) = haar vrucht | וְשֹׁמֵ֖ר (veshomer) = en wie bewaakt | אֲדֹנָ֣יו (adonav) = zijn heren | יְכֻבָּֽד (yekhubad) = wordt geëerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod), hier ‘geëerd’ (bij een persoon): ‘wordt geëerd’. Zie ook: Hoogl 8:12; Luc 12:37; Joh 12:26; 1 Kor 9:7; 2 Tim 2:6 **27:19** Zoals bij water gezicht staat tegenover gezicht, zo staat het hart van de mens tegenover de mens. Brontekst: כַּ֭מַּיִם (kamayim) = zoals in het water | הַפָּנִ֣ים (hapanim) = de gezichten | לַפָּנִ֑ים (lapanim) = naar de gezichten | כֵּ֤ן (ken) = zo | לֵֽב (lev) = hart van | הָ֝אָדָ֗ם (haadam) = de mens | לָאָדָֽם (laadam) = naar de mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Letterlijk: ‘zoals water: de gezichten naar de gezichten’. Het beeld is waarschijnlijk dat een gezicht in het water zichzelf weerspiegelt, zoals het hart van de ene mens dat van de andere weerspiegelt. De betekenis is onzeker. Zie ook: Gen 6:5; Ps 33:15; Mar 7:21; Jak 1:22–25 **27:20** Sjeol en de Afgrond worden niet verzadigd, en de ogen van de mens worden niet verzadigd. Brontekst: שְׁא֣וֹל (sheol) = Sjeol | וַ֭אֲבַדּוֹ (vaavado) = en de Afgrond | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׂבַּ֑עְנָה (tisbana) = worden verzadigd | וְעֵינֵ֥י (veeinei) = en ogen van | הָ֝אָדָ֗ם (haadam) = de mens | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׂבַּֽעְנָה (tisbana) = worden verzadigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (sjeol), ‘Sjeol’: het dodenrijk. אֲבַדּוֹן (Avaddon), ‘de Afgrond’ of ‘Verderf’: een andere naam voor het dodenrijk, zoals in Job 26:6 en Ps. 88:12. Zie ook Spr. 15:11. Voetnoot Lezing: De ketiv heeft ואבדה (va’avaddah), ‘en het verderf’; de qere heeft וַאֲבַדּוֹן (va’avaddon), ‘en Avaddon’. Wij volgen de qere. Zie ook: Job 26:6; Ps 88:12; Spr 15:11; Spr 30:15–16; Pred 1:8; Pred 6:7; Hab 2:5; 1 Joh 2:16 **27:21** Een smeltkroes is voor het zilver en een oven voor het goud, en een man wordt beproefd door de lof die hij ontvangt. Brontekst: מַצְרֵ֣ף (matsref) = smeltkroes | לַ֭כֶּסֶף (lakesef) = voor het zilver | וְכ֣וּר (vekhur) = en oven | לַזָּהָ֑ב (lazahav) = voor het goud | וְ֝אִ֗ישׁ (veish) = en een man | לְפִ֣י (lefi) = naar de mond van | מַהֲלָלֽוֹ (mahalalo) = zijn lof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְפִי מַהֲלָלוֹ (lefi mahalalo), ‘naar zijn lof’: letterlijk ‘naar de mond van zijn lof’. Het vers heeft geen werkwoord; ‘wordt beproefd’ is een korte verbinding. De betekenis is onzeker: de lof beproeft de man, of de man wordt beoordeeld naar wat hij prijst. Zie ook: Ps 66:10; Spr 17:3; Zach 13:9; Mal 3:3; 1 Petr 1:7 **27:22** Al stamp je de zot in de vijzel, tussen de gort, met de stamper, zijn zotheid wijkt niet van hem. Brontekst: אִ֥ם (im) = als | תִּכְתּֽוֹשׁ (tikhtosh) = je stampt | אֶת (et) = (obj.) | הָאֱוִ֨יל (haevil) = de zot | בַּֽמַּכְתֵּ֡שׁ (bamakhtesh) = in de vijzel | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | הָ֭רִיפוֹת (harifot) = de gort | בַּֽעֱלִ֑י (baeli) = met de stamper | לֹא (lo) = niet | תָס֥וּר (tasur) = wijkt | מֵ֝עָלָ֗יו (mealav) = van hem | אִוַּלְתּֽוֹ (ivalto) = zijn zotheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: verwant aan אֱוִיל (evil), ‘zot’. Voetnoot : רִיפוֹת (rifot), ‘gort’: gebroken of gepelde graankorrels. Zie ook: Spr 23:35; Jes 1:5; Jer 5:3; Jer 44:15–16; Openb 16:10–11 **27:23** Ken goed het uiterlijk van je kleinvee; richt je hart op de kudden. Brontekst: יָדֹ֣עַ (yadoa) = weten | תֵּ֭דַע (teda) = zul je weten | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | צֹאנֶ֑ךָ (tsonekha) = je kleinvee | שִׁ֥ית (shit) = zet | לִ֝בְּךָ֗ (libekha) = je hart | לַעֲדָרִֽים (laadarim) = op de kudden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּנֵי (penei), ‘gezicht’: de toestand van het vee. De verzen 23–27 vormen één gedachte: zorg voor je kudde geeft voor het hele huis levensonderhoud. Zie ook: Gen 33:13; 2 Kron 26:10; Ezech 34:31; Joh 21:15–17; 1 Petr 5:2 **27:24** Want rijkdom is er niet voor eeuwig, en blijft een kroon bestaan van generatie op generatie? Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | לְעוֹלָ֣ם (leolam) = voor eeuwig | חֹ֑סֶן (chosen) = rijkdom | וְאִם (veim) = en of | נֵ֝֗זֶר (nezer) = een kroon | לְד֣וֹר (ledor) = van generatie | וָדֽוֹר (vador) = op generatie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹסֶן (chosen), ‘rijkdom’: wat is opgeslagen. לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’. Voetnoot Lezing: De ketiv heeft דור (dor), ‘generatie’; de qere heeft דוֹר וָדוֹר (dor vador), ‘generatie op generatie’. Wij volgen de qere. Zie ook: 2 Sam 7:16; Ps 89:37; Spr 23:5; Sef 1:18; 1 Tim 6:17–18 **27:25** Het hooi verdwijnt, het jonge gras verschijnt en het kruid van de bergen wordt binnengehaald. Brontekst: גָּלָ֣ה (gala) = verdwijnt | חָ֭צִיר (chatsir) = het hooi | וְנִרְאָה (venira) = en verschijnt | דֶ֑שֶׁא (deshe) = jong gras | וְ֝נֶאֶסְפ֗וּ (veneesfu) = en worden verzameld | עִשְּׂב֥וֹת (isevot) = kruiden van | הָרִֽים (harim) = de bergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּלָה (galah), ‘verdwijnt’: ook ‘wordt onthuld’ of ‘wordt weggehaald’. De gedachte: als het hooi op is, groeit het jonge gras weer. Zie ook: Ps 104:14; Spr 10:5 **27:26** Lammeren zijn voor je kleding, en bokken zijn de prijs van een akker. Brontekst: כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammeren | לִלְבוּשֶׁ֑ךָ (lilvushekha) = voor je kleding | וּמְחִ֥יר (umechir) = en de prijs van | שָׂ֝דֶ֗ה (sade) = een akker | עַתּוּדִֽים (atudim) = bokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:20 **27:27** En er is genoeg geitenmelk voor je brood, voor het brood van je huis en voor het leven van je meisjes. Brontekst: וְדֵ֤י (vedei) = en genoeg van | חֲלֵ֬ב (chalev) = melk van | עִזִּ֗ים (izim) = geiten | לְֽ֭לַחְמְךָ (lelachmekha) = voor je brood | לְלֶ֣חֶם (lelechem) = voor brood van | בֵּיתֶ֑ךָ (beitekha) = je huis | וְ֝חַיִּ֗ים (vechayim) = en leven | לְנַעֲרוֹתֶֽיךָ (lenaaroteikha) = voor je meisjes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַעֲרוֹתֶיךָ (na’arotekha), ‘je meisjes’: de jonge vrouwen van je huis. Zie ook: Spr 30:8–9; Mat 6:33 ## Spreuken 28 _Rechtvaardige en goddeloze, rijke en geringe_ **28:1** Goddelozen vluchten terwijl niemand hen achtervolgt, maar rechtvaardigen zijn vol vertrouwen als een jonge leeuw. Brontekst: נָ֣סוּ (nasu) = zij vluchten | וְאֵין (veein) = en niemand | רֹדֵ֣ף (rodef) = achtervolgt | רָשָׁ֑ע (rasha) = goddeloze | וְ֝צַדִּיקִ֗ים (vetsadiqim) = maar rechtvaardigen | כִּכְפִ֥יר (kikhfir) = als een jonge leeuw | יִבְטָֽח (yivtach) = zijn vol vertrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: sterk, en niemand die hem schrik aanjaagt. Voetnoot : Het werkwoord ‘vluchten’ staat in het meervoud, het woord ‘goddeloze’ in het enkelvoud. Wij vertalen beide in het meervoud. Zie ook: Deut 28:7; Ps 27:1–2; Ps 53:6; Ps 112:7; Jes 26:3–4 **28:2** Door de overtreding van een land zijn haar vorsten talrijk. Maar door een mens met inzicht en kennis blijft het zo lang bestaan. Brontekst: בְּפֶ֣שַֽׁע (befesha) = door de overtreding van | אֶ֭רֶץ (erets) = een land | רַבִּ֣ים (rabim) = talrijk | שָׂרֶ֑יהָ (sareiha) = zijn vorsten | וּבְאָדָ֥ם (uveadam) = maar door een mens | מֵבִ֥ין (mevin) = met inzicht | יֹ֝דֵ֗עַ (yodea) = die kennis heeft | כֵּ֣ן (ken) = zo | יַאֲרִֽיךְ (yaarikh) = blijft het lang bestaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is kort en moeilijk. Letterlijk staat er aan het einde: ‘zo verlengt het’. Er staat niet wat er lang duurt. Voetnoot : Wij nemen ‘het land’ als wat blijft bestaan en vullen ‘bestaan’ in. Ook mogelijk is dat de mens met inzicht zelf lang leeft. Zie ook: Gen 45:5–8; Job 22:28–30; 1 Kon 15:28; 1 Kon 16:8–29; 2 Kon 15:8–31 **28:3** Een berooide man die geringen onderdrukt: een regen die alles wegspoelt, en er is geen brood. Brontekst: גֶּ֣בֶר (gever) = een man | רָ֭שׁ (rash) = berooide | וְעֹשֵׁ֣ק (veosheq) = en onderdrukker van | דַּלִּ֑ים (dalim) = geringen | מָטָ֥ר (matar) = een regen | סֹ֝חֵ֗ף (sochef) = die wegspoelt | וְאֵ֣ין (veein) = en niet | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָשׁ (rash), ‘berooide’: iemand die zelf niets bezit. Een berooide die geringen onderdrukt, is als een regenbui die de oogst wegspoelt in plaats van laat groeien. Voetnoot : סֹחֵף (sochef), ‘wegspoelend’: een woord dat maar weinig voorkomt; wij vertalen ‘die alles wegspoelt’. Zie ook: Mat 18:28–30 **28:4** Wie de wet verlaten, prijzen de goddeloze. Maar wie de wet bewaren, strijden tegen hen. Brontekst: עֹזְבֵ֣י (ozevei) = wie verlaten | ת֭וֹרָה (tora) = wet | יְהַֽלְל֣וּ (yehallu) = zij prijzen | רָשָׁ֑ע (rasha) = goddeloze | וְשֹׁמְרֵ֥י (veshomerei) = en wie bewaren | ת֝וֹרָ֗ה (tora) = wet | יִתְגָּ֥רוּ (yitgaru) = zij strijden | בָֽם (bam) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. Hier gaat het om Gods wet. In vers 7 is het ‘onderwijs’, zoals de vader of de wijze het geeft; in vers 9 is het weer Gods wet. Voetnoot : יִתְגָּרוּ (yitgaru), ‘zij strijden’: zij laten zich met hen in een strijd of twist in. Zie ook: Spr 28:7; Spr 28:9; Mat 3:7; Mat 14:4; Rom 1:32; Ef 5:11; 1 Joh 4:5 **28:5** Kwade mensen begrijpen het recht niet, maar wie Yahweh zoeken, begrijpen alles. Brontekst: אַנְשֵׁי (anshei) = mensen van | רָ֭ע (ra) = kwaad | לֹא (lo) = niet | יָבִ֣ינוּ (yavinu) = begrijpen | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | וּמְבַקְשֵׁ֥י (umevaqshei) = en wie zoeken | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יָבִ֥ינוּ (yavinu) = begrijpen | כֹֽל (kol) = alles Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 92:7; Joh 7:17; Jak 1:5; 1 Joh 2:20; 1 Joh 2:27 **28:6** Beter een berooide die in zijn onberispelijkheid wandelt dan wie verdraaid is op twee wegen, ook al is hij rijk. Brontekst: טֽוֹב (tov) = beter | רָ֭שׁ (rash) = een berooide | הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = die wandelt | בְּתֻמּ֑וֹ (betumo) = in zijn onberispelijkheid | מֵעִקֵּ֥שׁ (meiqesh) = dan wie verdraaid is van | דְּ֝רָכַ֗יִם (derakhayim) = twee wegen | וְה֣וּא (vehu) = terwijl hij | עָשִֽׁיר (ashir) = rijk is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּרָכַיִם (derachayim) is een tweevoud: ‘twee wegen’. Wie op twee wegen tegelijk loopt, is niet eerlijk en niet eenduidig. Zo ook vers 18. Voetnoot : Het eerste deel komt overeen met Spr. 19:1. Zie ook: Spr 16:8; Spr 19:1; Spr 19:22; Spr 28:18; Luc 16:19–23 **28:7** Wie het onderwijs bewaart, is een zoon met inzicht. Maar wie omgaat met veelvraten, maakt zijn vader te schande. Brontekst: נוֹצֵ֣ר (notser) = wie bewaart | תּ֭וֹרָה (tora) = onderwijs | בֵּ֣ן (ben) = een zoon | מֵבִ֑ין (mevin) = met inzicht | וְרֹעֶה (veroe) = maar wie omgaat met | זֽ֝וֹלְלִ֗ים (zolelim) = veelvraten | יַכְלִ֥ים (yakhlim) = maakt te schande | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זוֹלְלִים (zolelim), ‘veelvraten’: zoals in Deut. 21:20. Voetnoot : רֹעֶה (ro’eh) betekent letterlijk ‘weidt’ of ‘is vriend van’: wie omgaat met zulke mensen. Zie ook: Deut 21:20; Spr 19:26; Spr 29:3; Spr 29:15; Luc 15:13; 1 Petr 4:3–4 **28:8** Wie zijn vermogen vermeerdert met rente en winst, verzamelt het voor wie zich over de geringen ontfermt. Brontekst: מַרְבֶּ֣ה (marbe) = wie vermeerdert | ה֭וֹנוֹ (hono) = zijn vermogen | בְּנֶ֣שֶׁךְ (beneshekh) = met rente | וְתַרְבִּ֑ית (vetarbit) = en winst | לְחוֹנֵ֖ן (lechonen) = voor wie zich ontfermt over | דַּלִּ֣ים (dalim) = geringen | יִקְבְּצֶֽנּוּ (yiqbetsenu) = verzamelt hij het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹן (hon), ‘vermogen’. נֶשֶׁךְ (neshech), ‘rente’, en תַּרְבִּית (tarbit), ‘winst’: wat iemand bovenop het geleende vraagt. Zo ook Lev. 25:36–37, Exod. 22:24 en Deut. 23:20–21. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is וּבְתַרְבִּית, ‘en met winst’. Het gelezen woord (qere) is וְתַרְבִּית, ‘en winst’. Wij volgen het gelezen woord; de betekenis verschilt nauwelijks. Zie ook: Job 27:16–17; Ex 22:24; Lev 25:36; Deut 23:20–21; Spr 13:22; Pred 2:26 **28:9** Wie zijn oor afwendt van het horen van de wet, zelfs zijn gebed is een gruwel. Brontekst: מֵסִ֣יר (mesir) = wie afwendt | אָ֭זְנוֹ (azeno) = zijn oor | מִשְּׁמֹ֣עַ (mishemoa) = van het horen van | תּוֹרָ֑ה (tora) = wet | גַּֽם (gam) = zelfs | תְּ֝פִלָּת֗וֹ (tefilato) = zijn gebed | תּוֹעֵבָֽה (toeva) = gruwel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: iets wat Yahweh verafschuwt. Zie ook Ps. 66:18. Zie ook: Ps 66:18; Ps 109:7; Spr 15:8; Zach 7:11–13; 2 Tim 4:3–4 **28:10** Wie oprechten op een slechte weg laat dwalen, valt zelf in zijn kuil. Maar onberispelijken beërven het goede. Brontekst: מַשְׁגֶּ֤ה (mashge) = wie laat dwalen | יְשָׁרִ֨ים (yesharim) = oprechten | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = op een weg | רָ֗ע (ra) = slechte | בִּשְׁחוּת֥וֹ (bishchuto) = in zijn kuil | הֽוּא (hu) = hij zelf | יִפּ֑וֹל (yipol) = valt | וּ֝תְמִימִ֗ים (utemimim) = maar onberispelijken | יִנְחֲלוּ (yinchalu) = beërven | טֽוֹב (tov) = het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁחוּת (shachut), ‘kuil’: een kuil om dieren in te vangen. Vergelijk Ps. 7:16. Zie ook: Ps 7:16–17; Ps 37:25–26; Spr 15:6; Spr 26:27; Mat 6:33 **28:11** Een rijke man is een wijze in zijn eigen ogen, maar een geringe met inzicht doorgrondt hem. Brontekst: חָכָ֣ם (chakham) = een wijze | בְּ֭עֵינָיו (beeinav) = in zijn eigen ogen | אִ֣ישׁ (ish) = een man | עָשִׁ֑יר (ashir) = rijke | וְדַ֖ל (vedal) = maar een geringe | מֵבִ֣ין (mevin) = met inzicht | יַחְקְרֶֽנּוּ (yachqerenu) = doorgrondt hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּל (dal), ‘geringe’: iemand zonder aanzien en zonder bezit, ook wel ‘arme’ genoemd. Zie ook: Spr 18:17; Spr 19:1; Pred 9:15–17; 1 Kor 3:18–19; Rom 12:16 **28:12** Als rechtvaardigen jubelen, is er veel luister. Maar als goddelozen opstaan, wordt de mens gezocht. Brontekst: בַּעֲלֹ֣ץ (baalots) = wanneer jubelen | צַ֭דִּיקִים (tsadiqim) = rechtvaardigen | רַבָּ֣ה (raba) = veel | תִפְאָ֑רֶת (tifaret) = luister | וּבְק֥וּם (uvequm) = maar wanneer opstaan | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | יְחֻפַּ֥שׂ (yechupas) = wordt gezocht | אָדָֽם (adam) = een mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעֲלֹץ (ba’aloz), ‘als zij jubelen’: zij zijn blij en winnen. Voetnoot : יְחֻפַּשׂ (yechuppas), ‘wordt gezocht’: men moet de mens opsporen, want hij verbergt zich. Vergelijk vers 28. Zie ook: Job 29:11–20; Spr 11:10; Spr 28:28; Spr 29:2; Est 8:15–17 **28:13** Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet slagen. Maar wie ze belijdt en laat varen, ontvangt ontferming. Brontekst: מְכַסֶּ֣ה (mekhase) = wie bedekt | פְ֭שָׁעָיו (peshaav) = zijn overtredingen | לֹ֣א (lo) = niet | יַצְלִ֑יחַ (yatsliach) = zal slagen | וּמוֹדֶ֖ה (umode) = maar wie belijdt | וְעֹזֵ֣ב (veozev) = en laat varen | יְרֻחָֽם (yerucham) = ontvangt ontferming Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Ps. 32:5 en Job 31:33. Zie ook: Job 31:33; Ps 32:3–5; Ps 32:5; Jer 3:12–13; Luc 15:18–24; 1 Joh 1:8–10 **28:14** Gelukkig de mens die voortdurend bevreesd is. Maar wie zijn hart verhardt, valt in het onheil. Brontekst: אַשְׁרֵ֣י (ashrei) = gelukkig | אָ֭דָם (adam) = de mens | מְפַחֵ֣ד (mefached) = die bevreesd is | תָּמִ֑יד (tamid) = voortdurend | וּמַקְשֶׁ֥ה (umaqshe) = maar wie verhardt | לִ֝בּ֗וֹ (libo) = zijn hart | יִפּ֥וֹל (yipol) = valt | בְּרָעָֽה (beraa) = in het onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְפַחֵד (mefached), ‘bevreesd’: wie bang is voor het kwaad en daarom voorzichtig leeft, of wie in vrees voor Yahweh leeft. Het Hebreeuws zegt niet voor wie. Zie ook: Ps 2:11; Spr 23:17; Jes 66:2; Jer 32:40; Rom 11:20 **28:15** Een brullende leeuw en een hongerige beer: een goddeloze heerser over een gering volk. Brontekst: אֲרִי (ari) = een leeuw | נֹ֭הֵם (nohem) = brullende | וְדֹ֣ב (vedov) = en een beer | שׁוֹקֵ֑ק (shoqeq) = hongerige | מֹשֵׁ֥ל (moshel) = heerser | רָ֝שָׁ֗ע (rasha) = goddeloze | עַ֣ל (al) = over | עַם (am) = volk | דָּֽל (dal) = gering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹקֵק (shoqeq), ‘hongerig’: het woord betekent ook ‘rondrennend’ of ‘hunkerend’. Het gaat om een dier dat prooi zoekt. Voetnoot : דַל (dal), ‘gering’: arm en zonder macht. Zie ook: Ex 1:22; Spr 19:12; Spr 20:2; Mat 2:16; 1 Petr 5:8 **28:16** Een vorst zonder verstand is rijk aan afpersingen. Wie winstbejag haat, verlengt zijn dagen. Brontekst: נָגִ֗יד (nagid) = een vorst | חֲסַ֣ר (chasar) = zonder | תְּ֭בוּנוֹת (tevunot) = verstand | וְרַ֥ב (verav) = en rijk aan | מַעֲשַׁקּ֑וֹת (maashaqot) = afpersingen | שֹׂ֥נֵא (sone) = wie haat | בֶ֝֗צַע (betsa) = winstbejag | יַאֲרִ֥יךְ (yaarikh) = verlengt | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּצַע (betsa), ‘winstbejag’: winst die men met geweld of oneerlijkheid pakt. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is שֹׂנְאֵי, ‘haters van’; het gelezen woord (qere) is שֹׂנֵא, ‘wie haat’. Wij volgen het gelezen woord. Zie ook: Ex 18:21; Pred 4:1; 1 Kon 12:14; Jes 3:12; Neh 5:15 **28:17** Een mens die belast is met het bloed van een persoon, vlucht tot in de kuil. Laat niemand hem steunen. Brontekst: אָ֭דָם (adam) = een mens | עָשֻׁ֣ק (ashuq) = belast | בְּדַם (bedam) = met het bloed van | נָפֶשׁ (nafesh) = een persoon | עַד (ad) = tot | בּ֥וֹר (bor) = de kuil | יָ֝נ֗וּס (yanus) = vlucht hij | אַל (al) = niet | יִתְמְכוּ (yitmekhu) = laat steunen | בֽוֹ (bo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּם־נָפֶשׁ (dam nefesh), ‘het bloed van een persoon’: bloedschuld, de schuld van wie iemand heeft gedood. Zo iemand vlucht tot in de kuil; waarschijnlijk is dat het graf. Niemand mag hem helpen ontkomen. Zie ook: Gen 9:6; Ex 21:14; 1 Kon 21:19; 1 Kon 21:23; 2 Kron 24:21–25 **28:18** Wie onberispelijk wandelt, wordt gered. Maar wie op twee wegen verdraaid is, valt in één keer. Brontekst: הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = wie wandelt | תָּ֭מִים (tamim) = onberispelijk | יִוָּשֵׁ֑עַ (yivashea) = wordt gered | וְנֶעְקַ֥שׁ (veneqash) = maar verdraaid van | דְּ֝רָכַ֗יִם (derakhayim) = twee wegen | יִפּ֥וֹל (yipol) = valt | בְּאֶחָֽת (beechat) = in één keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאֶחָת (be’echat), ‘in één keer’: ook mogelijk ‘op een van de twee wegen’. Zie ook: Ps 84:12; Spr 10:9; Spr 11:3–6; Spr 28:6; Openb 3:3 **28:19** Wie zijn grond bewerkt, wordt verzadigd met brood. Maar wie lege dingen najaagt, wordt verzadigd met armoede. Brontekst: עֹבֵ֣ד (oved) = wie bewerkt | אַ֭דְמָתוֹ (admato) = zijn grond | יִֽשְׂבַּֽע (yisba) = wordt verzadigd | לָ֑חֶם (lachem) = met brood | וּמְרַדֵּ֥ף (umeradef) = maar wie najaagt | רֵ֝קִ֗ים (reqim) = lege dingen | יִֽשְׂבַּֽע (yisba) = wordt verzadigd | רִֽישׁ (rish) = met armoede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Spr. 12:11, waar bijna dezelfde spreuk staat. Voetnoot : רֵיקִים (reqim), ‘lege dingen’: het woord betekent ook ‘leeglopers’. Zie ook: Re 9:4; Spr 12:11; Spr 13:20; Spr 14:4; Spr 27:23–27 **28:20** Een man van betrouwbaarheid is rijk aan zegeningen. Maar wie zich haast om rijk te worden, blijft niet ongestraft. Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = een man van | אֱ֭מוּנוֹת (emunot) = betrouwbaarheid | רַב (rav) = rijk aan | בְּרָכ֑וֹת (berakhot) = zegeningen | וְאָ֥ץ (veats) = maar wie haast heeft | לְ֝הַעֲשִׁ֗יר (lehaashir) = om rijk te worden | לֹ֣א (lo) = niet | יִנָּקֶֽה (yinaqe) = blijft ongestraft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 101:6; Ps 112:4–9; Spr 13:11; Neh 7:2; Luc 16:10–12 **28:21** Partijdigheid is niet goed. En voor een stuk brood begaat een man een overtreding. Brontekst: הַֽכֵּר (haker) = het kennen van | פָּנִ֥ים (panim) = gezichten | לֹא (lo) = niet | ט֑וֹב (tov) = goed | וְעַל (veal) = en voor | פַּת (pat) = een stuk | לֶ֝֗חֶם (lechem) = brood | יִפְשַׁע (yifsha) = begaat een overtreding | גָּֽבֶר (gaver) = een man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֵּר פָּנִים (hakker panim), letterlijk ‘gezichten kennen’: een oordeel laten afhangen van wie iemand is. Zo ook Spr. 24:23 en Deut. 1:17. Zie ook: Ex 23:2; Deut 1:17; Spr 18:5; Spr 24:23; Mi 3:5; Ezech 13:19 **28:22** Een man met een boos oog haast zich naar rijkdom. Hij weet niet dat gebrek hem zal overkomen. Brontekst: נִֽבֳהָ֥ל (nivohal) = haastig | לַה֗וֹן (lahon) = naar rijkdom | אִ֭ישׁ (ish) = een man | רַ֣ע (ra) = boos van | עָ֑יִן (ayin) = oog | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵ֝דַע (yeda) = weet hij | כִּי (ki) = dat | חֶ֥סֶר (cheser) = gebrek | יְבֹאֶֽנּוּ (yevoenu) = hem zal overkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַע עַיִן (ra ayin), ‘boos oog’: afgunst en gierigheid; zo ook Spr. 23:6. Vergelijk Deut. 15:9. Voetnoot : חֶסֶר (cheser), ‘gebrek’: armoede. Zie ook: Job 27:16–17; Deut 15:9; Spr 23:6; Spr 28:20; Mat 20:15; 1 Tim 6:9 **28:23** Wie een mens terechtwijst, vindt daarna meer gunst dan wie met de tong vleit. Brontekst: מ֘וֹכִ֤יחַ (mokhiach) = wie terechtwijst | אָדָ֣ם (adam) = een mens | אַ֭חֲרַי (acharay) = daarna | חֵ֣ן (chen) = gunst | יִמְצָ֑א (yimtsa) = zal vinden | מִֽמַּחֲלִ֥יק (mimachaliq) = meer dan wie vleit | לָשֽׁוֹן (lashon) = met de tong Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחֲרַי (acharai), ‘daarna’: na verloop van tijd. Voetnoot : מַחֲלִיק (machaliq) betekent ‘glad maken’: met gladde woorden vleien. Zie ook: Ps 141:5; Spr 27:5–6; Spr 29:5; Mat 18:15; 2 Petr 3:15–16 **28:24** Wie zijn vader en zijn moeder berooft en zegt: „Het is geen overtreding”, is een metgezel van een man die verwoest. Brontekst: גּוֹזֵ֤ל (gozel) = wie berooft | אָ֘בִ֤יו (aviv) = zijn vader | וְאִמּ֗וֹ (veimo) = en zijn moeder | וְאֹמֵ֥ר (veomer) = en zegt | אֵֽין (ein) = niet | פָּ֑שַׁע (pasha) = overtreding | חָבֵ֥ר (chaver) = een metgezel | ה֝֗וּא (hu) = hij is | לְאִ֣ישׁ (leish) = van een man | מַשְׁחִֽית (mashchit) = die verwoest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 20:12 en Spr. 19:26. Voetnoot : חָבֵר (chaver), ‘metgezel’: een maat, iemand die met hem optrekt. Zie ook: Ex 20:12; Re 17:2; Spr 18:9; Spr 19:26; Spr 28:7; Mat 15:4–6 **28:25** Wie hebzuchtig is, wekt twist op. Maar wie op Yahweh vertrouwt, wordt overvloedig gevoed. Brontekst: רְחַב (rechav) = wijd van | נֶ֭פֶשׁ (nefesh) = ziel | יְגָרֶ֣ה (yegare) = wekt op | מָד֑וֹן (madon) = twist | וּבוֹטֵ֖חַ (uvoteach) = en wie vertrouwt | עַל (al) = op | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | יְדֻשָּֽׁן (yedushan) = wordt overvloedig gevoed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְחַב־נֶפֶשׁ (rechav nefesh), letterlijk ‘wijd van ziel’: iemand met een grote begeerte, hebzuchtig. Voetnoot : יְדֻשָּׁן (yedushan), ‘wordt vet gemaakt’: hij wordt rijk gevoed en komt tot bloei. Zie ook: Spr 10:12; Spr 11:25; Spr 13:4; Spr 13:10; 1 Tim 6:6 **28:26** Wie op zijn eigen hart vertrouwt, is een dwaas. Maar wie in wijsheid wandelt, ontkomt. Brontekst: בּוֹטֵ֣חַ (boteach) = wie vertrouwt | בְּ֭לִבּוֹ (belibo) = op zijn hart | ה֣וּא (hu) = hij | כְסִ֑יל (kesil) = een dwaas | וְהוֹלֵ֥ךְ (veholekh) = en wie wandelt | בְּ֝חָכְמָ֗ה (bechakhema) = in wijsheid | ה֣וּא (hu) = hij | יִמָּלֵֽט (yimalet) = ontkomt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:28; Spr 3:5; Jer 17:9; Jak 1:5; Rom 8:7 **28:27** Wie aan een berooide geeft, heeft geen gebrek. Maar wie zijn ogen verbergt, heeft veel vervloekingen. Brontekst: נוֹתֵ֣ן (noten) = wie geeft | לָ֭רָשׁ (larash) = aan een berooide | אֵ֣ין (ein) = niet | מַחְס֑וֹר (machsor) = gebrek | וּמַעְלִ֥ים (umalim) = en wie verbergt | עֵ֝ינָ֗יו (einav) = zijn ogen | רַב (rav) = veel | מְאֵרֽוֹת (meerot) = vervloekingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְאֵרוֹת (me’erot), ‘vervloekingen’: de vloek van de berooiden die men niets geeft. Zie ook: Deut 15:7; Deut 15:10; Ps 41:2–4; Spr 11:24; Spr 19:17 **28:28** Als goddelozen opstaan, verbergt de mens zich. Maar als zij omkomen, worden de rechtvaardigen talrijk. Brontekst: בְּק֣וּם (bequm) = bij het opstaan van | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | יִסָּתֵ֣ר (yisater) = verbergt zich | אָדָ֑ם (adam) = een mens | וּ֝בְאָבְדָ֗ם (uveavedam) = en bij hun omkomen | יִרְבּ֥וּ (yirbu) = worden talrijk | צַדִּיקִֽים (tsadiqim) = rechtvaardigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie vers 12: bijna dezelfde gedachte. Zie ook: Job 24:4; Spr 28:12; Spr 29:2; Est 8:17; Hand 12:23–24 ## Spreuken 29 _Leiders, tucht en vertrouwen op Yahweh_ **29:1** Wie vaak terechtgewezen wordt en zijn nek verhardt, wordt in een oogwenk gebroken, en er is geen genezing. Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = een man van | תּ֭וֹכָחוֹת (tokhachot) = terechtwijzingen | מַקְשֶׁה (maqshe) = die verhardt | עֹ֑רֶף (oref) = de nek | פֶּ֥תַע (peta) = in een oogwenk | יִ֝שָּׁבֵ֗ר (yishaver) = wordt hij gebroken | וְאֵ֣ין (veein) = en niet | מַרְפֵּֽא (marpe) = genezing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden staan in Spr. 6:15: ‘in een oogwenk wordt hij gebroken, en er is geen genezing’. Voetnoot : עֹרֶף (oref), ‘nek’: een stijve nek is het beeld van koppigheid. Zie ook: 1 Sam 2:25; Spr 1:24–31; Spr 6:15; Spr 28:18; Zach 7:11–14 **29:2** Als rechtvaardigen talrijk worden, verheugt het volk zich. Maar als een goddeloze heerst, zucht het volk. Brontekst: בִּרְב֣וֹת (birvot) = bij het talrijk worden van | צַ֭דִּיקִים (tsadiqim) = rechtvaardigen | יִשְׂמַ֣ח (yismach) = verheugt zich | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וּבִמְשֹׁ֥ל (uvimshol) = en bij het heersen van | רָ֝שָׁ֗ע (rasha) = een goddeloze | יֵאָ֥נַֽח (yeanach) = zucht | עָֽם (am) = een volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵאָנַח (ye’anach), ‘zucht’: kreunen onder druk, zoals Israël in Exod. 2:23. Zie ook: Ex 2:23; Spr 11:10; Spr 28:12; Spr 28:28; Pred 10:5; Est 8:15 **29:3** Een man die wijsheid liefheeft, verheugt zijn vader. Maar wie omgaat met hoeren, laat zijn vermogen verloren gaan. Brontekst: אִֽישׁ (ish) = een man | אֹהֵ֣ב (ohev) = die liefheeft | חָ֭כְמָה (chakhema) = wijsheid | יְשַׂמַּ֣ח (yesamach) = verheugt | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וְרֹעֶ֥ה (veroe) = maar wie omgaat met | ז֝וֹנ֗וֹת (zonot) = hoeren | יְאַבֶּד (yeabed) = laat verloren gaan | הֽוֹן (hon) = vermogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹן (hon), ‘vermogen’. רֹעֶה (ro’eh), ‘omgaat met’: zoals in Spr. 28:7. זוֹנוֹת (zonot), ‘hoeren’: vrouwen die zich verhuren. Zie ook: Spr 10:1; Spr 15:20; Spr 27:11; Spr 28:7; Luc 15:30 **29:4** Een koning laat het land standhouden door recht. Maar een man van heffingen breekt het af. Brontekst: מֶ֗לֶךְ (melekh) = een koning | בְּ֭מִשְׁפָּט (bemishpat) = door recht | יַעֲמִ֣יד (yaamid) = laat standhouden | אָ֑רֶץ (arets) = het land | וְאִ֖ישׁ (veish) = maar een man van | תְּרוּמ֣וֹת (terumot) = heffingen | יֶֽהֶרְסֶֽנָּה (yehersena) = breekt het af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמוֹת (terumot), ‘heffingen’: het woord kan ook ‘gaven’ of ‘geschenken’ betekenen. Een ‘man van heffingen’ is iemand die zulke gaven voor zichzelf opeist, bijvoorbeeld door afpersing of omkoping. Zie ook: Spr 20:8; Spr 29:14; 2 Kon 15:18–20; Mi 7:3; Dan 11:20 **29:5** Een man die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor zijn voeten. Brontekst: גֶּ֭בֶר (gever) = een man | מַחֲלִ֣יק (machaliq) = die vleit | עַל (al) = tegenover | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | רֶ֝֗שֶׁת (reshet) = een net | פּוֹרֵ֥שׂ (pores) = spreidt hij uit | עַל (al) = voor | פְּעָמָֽיו (peamav) = zijn voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחֲלִיק (machaliq), ‘vleit’: letterlijk ‘glad maakt’. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘zijn voeten’. Dat kan de voeten van de vleier zijn, maar ook die van zijn naaste. Wij laten het open. Zie ook: Job 17:5; Ps 5:10; Ps 12:3; Spr 26:24–25; Hos 5:1 **29:6** In de overtreding van een kwade man is een strik. Maar een rechtvaardige jubelt en is blij. Brontekst: בְּפֶ֤שַֽׁע (befesha) = in de overtreding van | אִ֣ישׁ (ish) = een man | רָ֣ע (ra) = kwade | מוֹקֵ֑שׁ (moqesh) = een strik | וְ֝צַדִּ֗יק (vetsadiq) = maar een rechtvaardige | יָר֥וּן (yarun) = jubelt | וְשָׂמֵֽחַ (vesameach) = en is blij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:1; Ps 132:16; Pred 9:12; 1 Petr 1:8; 2 Tim 2:26 **29:7** Een rechtvaardige kent de zaak van de geringen. Een goddeloze begrijpt geen kennis. Brontekst: יֹדֵ֣עַ (yodea) = kent | צַ֭דִּיק (tsadiq) = een rechtvaardige | דִּ֣ין (din) = de zaak van | דַּלִּ֑ים (dalim) = geringen | רָ֝שָׁ֗ע (rasha) = een goddeloze | לֹא (lo) = niet | יָבִ֥ין (yavin) = begrijpt | דָּֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּין (din), ‘zaak’: de rechtszaak of het recht van de geringen. De rechtvaardige zet zich ervoor in. Voetnoot : דַּעַת (da’at), ‘kennis’: weten wat er voor de geringen nodig is. Zie ook: Job 29:16; Ps 41:2; Spr 21:13; Spr 31:8–9; Gal 6:1 **29:8** Spotters doen een stad oplaaien, maar wijzen keren de toorn af. Brontekst: אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mensen van | לָ֭צוֹן (latson) = spot | יָפִ֣יחוּ (yafichu) = blazen aan | קִרְיָ֑ה (qirya) = een stad | וַ֝חֲכָמִ֗ים (vachakhamim) = maar wijzen | יָשִׁ֥יבוּ (yashivu) = keren af | אָֽף (af) = toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָצוֹן (latson), ‘spot’: spotters zijn mensen die alles belachelijk maken (vergelijk letz, ‘spotter’). Voetnoot : יָפִיחוּ (yafichu), ‘zij blazen aan’: zij laten de stad oplaaien, als een vuur dat wordt aangeblazen. Zie ook: Spr 11:11; Spr 16:14; Jer 15:1; Jak 3:5–6; Jak 5:15–18 **29:9** Als een wijze man een rechtszaak voert met een zot, dan raast en lacht hij, en er is geen rust. Brontekst: אִֽישׁ (ish) = een man | חָכָ֗ם (chakham) = wijze | נִ֭שְׁפָּט (nishpat) = gaat in rechtszaak | אֶת (et) = met | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אֱוִ֑יל (evil) = zot | וְרָגַ֥ז (veragaz) = en hij raast | וְ֝שָׂחַ֗ק (vesachaq) = en hij lacht | וְאֵ֣ין (veein) = en niet | נָֽחַת (nachat) = rust Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱוִיל (evil), ‘zot’. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie raast en lacht. Dat kan de zot zijn, maar ook de wijze man. Wij laten het open met ‘hij’. Zie ook: Spr 26:4; Pred 10:13; Mat 7:6; Mat 11:17–19 **29:10** Bloeddorstige mensen haten de onberispelijke. Maar oprechten zoeken zijn leven. Brontekst: אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mensen van | דָ֭מִים (damim) = bloed | יִשְׂנְאוּ (yisneu) = haten | תָ֑ם (tam) = een onberispelijke | וִֽ֝ישָׁרִ֗ים (visharim) = maar oprechten | יְבַקְשׁ֥וּ (yevaqshu) = zoeken | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְבַקְשׁוּ נַפְשׁוֹ (yevaqshu nafsho), ‘zij zoeken zijn leven’: dat kan betekenen dat de oprechten voor zijn leven opkomen en het beschermen. Het kan ook zijn dat de bloeddorstige mensen óók het leven van de oprechten zoeken. Voetnoot : אַנְשֵׁי דָמִים (anshe damim), ‘mensen van bloed’: bloeddorstige mensen. Zie ook: Gen 4:5–8; 1 Sam 20:31–33; 1 Sam 22:11–23; Joh 15:18–19; 1 Joh 3:12–13 **29:11** Een dwaas laat heel zijn geest naar buiten komen, maar een wijze sust hem achteraf. Brontekst: כָּל (kal) = heel | ר֭וּחוֹ (rucho) = zijn geest | יוֹצִ֣יא (yotsi) = laat uitgaan | כְסִ֑יל (kesil) = een dwaas | וְ֝חָכָ֗ם (vechakham) = maar een wijze | בְּאָח֥וֹר (beachor) = achteraf | יְשַׁבְּחֶֽנָּה (yeshabechena) = sust hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחוֹ (ruchoh), ‘zijn geest’: hier zijn gemoed, zijn woede. Voetnoot : בְּאָחוֹר (be’achor), ‘achteraf’: letterlijk ‘naar achteren’. De wijze houdt zijn gemoed in en maakt het stil. Zie ook: Spr 12:16; Spr 12:23; Spr 19:11; Amos 5:13; Mi 7:5 **29:12** Als een heerser luistert naar een leugenwoord, zijn al zijn bedienden goddeloos. Brontekst: מֹ֭שֵׁל (moshel) = een heerser | מַקְשִׁ֣יב (maqshiv) = die luistert | עַל (al) = naar | דְּבַר (devar) = woord van | שָׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | כָּֽל (kal) = al | מְשָׁרְתָ֥יו (mesharetav) = zijn bedienden | רְשָׁעִֽים (reshaim) = goddeloos Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשָׁרְתָיו (meshartav), ‘zijn bedienden’: zij die hem dienen en zich naar hem richten. Zie ook: 1 Sam 22:8–23; Ps 52:4–6; Ps 101:5–7; Spr 20:8; 2 Kon 10:6–7 **29:13** De berooide en de afperser ontmoeten elkaar. Yahweh verlicht de ogen van hen beiden. Brontekst: רָ֤שׁ (rash) = een berooide | וְאִ֣ישׁ (veish) = en een man van | תְּכָכִ֣ים (tekhakhim) = afpersingen | נִפְגָּ֑שׁוּ (nifgashu) = ontmoeten elkaar | מֵ֤אִיר (meir) = verlicht | עֵינֵ֖י (einei) = de ogen van | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = hen beiden | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּכָכִים (techakhim), ‘afpersingen’: een woord dat maar één keer voorkomt. Wij vertalen ‘afperser’ voor ‘man van afpersingen’. Voetnoot : מֵאִיר (me’ir) ‘verlicht’: Yahweh geeft hen beiden licht en leven. Vergelijk Spr. 22:2. Zie ook: Ps 13:4; Spr 22:2; Neh 5:5–7; Mat 5:45; Ef 2:1 **29:14** Een koning die in waarheid recht doet aan de geringen: zijn troon staat voor altijd vast. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = een koning | שׁוֹפֵ֣ט (shofet) = die recht doet | בֶּֽאֱמֶ֣ת (beemet) = in waarheid | דַּלִּ֑ים (dalim) = aan geringen | כִּ֝סְא֗וֹ (kiso) = zijn troon | לָעַ֥ד (laad) = voor altijd | יִכּֽוֹן (yikon) = staat vast Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 72:2–4; Spr 16:12; Spr 20:28; Spr 29:4; Jes 11:4 **29:15** Stok en terechtwijzing geven wijsheid. Maar een jongen die aan zichzelf is overgelaten, brengt zijn moeder in schande. Brontekst: שֵׁ֣בֶט (shevet) = stok | וְ֭תוֹכַחַת (vetokhachat) = en terechtwijzing | יִתֵּ֣ן (yiten) = geven | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְנַ֥עַר (venaar) = maar een jongen | מְ֝שֻׁלָּ֗ח (meshulach) = die losgelaten is | מֵבִ֥ישׁ (mevish) = brengt in schande | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁבֶט (shevet), ‘stok’. Zie ook Spr. 13:24, 22:15, 23:13 en 29:17. Voetnoot : מְשֻׁלָּח (meshullach), ‘aan zichzelf overgelaten’: letterlijk ‘losgelaten’, zonder toezicht. Zie ook: Spr 10:1; Spr 13:24; Spr 17:25; Spr 22:15; Spr 23:13; Spr 29:17 **29:16** Als goddelozen talrijk worden, neemt de overtreding toe. Maar rechtvaardigen zullen hun val zien. Brontekst: בִּרְב֣וֹת (birvot) = bij het talrijk worden van | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | יִרְבֶּה (yirbe) = neemt toe | פָּ֑שַׁע (pasha) = overtreding | וְ֝צַדִּיקִ֗ים (vetsadiqim) = maar rechtvaardigen | בְּֽמַפַּלְתָּ֥ם (bemapaltam) = bij hun val | יִרְאֽוּ (yiru) = zullen zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:34; Ps 37:36; Ps 58:11; Ps 91:8; Ps 92:12 **29:17** Tuchtig je zoon, dan geeft hij je rust. En hij schenkt vreugde aan je ziel. Brontekst: יַסֵּ֣ר (yaser) = tuchtig | בִּ֭נְךָ (binkha) = je zoon | וִֽינִיחֶ֑ךָ (vinichekha) = dan geeft hij je rust | וְיִתֵּ֖ן (veyiten) = en hij geeft | מַעֲדַנִּ֣ים (maadanim) = vreugde | לְנַפְשֶֽׁךָ (lenafshekha) = aan je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַסֵּר (yasser), ‘tuchtig’: van מוּסָר (musar), ‘tucht’; het betekent ook ‘onderwijzen’ en ‘vermanen’. Voetnoot : מַעֲדַנִּים (ma’adannim), ‘vreugde’: letterlijk ‘geneugten’. Zie ook Spr. 29:15. Zie ook: Spr 10:1; Spr 13:24; Spr 19:18; Spr 23:13–14; Spr 29:15 **29:18** Waar geen visioen is, raakt het volk ontketend. Maar gelukkig is wie de wet bewaart. Brontekst: בְּאֵ֣ין (beein) = bij het ontbreken van | חָ֭זוֹן (chazon) = visioen | יִפָּ֣רַֽע (yipara) = raakt ontketend | עָ֑ם (am) = een volk | וְשֹׁמֵ֖ר (veshomer) = maar wie bewaart | תּוֹרָ֣ה (tora) = wet | אַשְׁרֵֽהוּ (ashrehu) = gelukkig is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: een openbaring van Yahweh. Vergelijk 1 Sam. 3:1. Voetnoot : יִפָּרַע (yippara), ‘raakt ontketend’: dezelfde stam als in Exod. 32:25. Het volk is zonder leiding en zonder grenzen. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: Gods wet, zoals in Spr. 28:4. Zie ook: Ex 32:25; 1 Sam 3:1; Ps 1:1–2; Spr 28:4; Hos 4:6; Luc 11:28; Joh 13:17; Jak 1:25 **29:19** Een dienaar wordt niet getuchtigd met woorden. Want hij begrijpt het wel, maar er is geen antwoord. Brontekst: בִּ֭דְבָרִים (bidvarim) = met woorden | לֹא (lo) = niet | יִוָּ֣סֶר (yivaser) = wordt getuchtigd | עָ֑בֶד (aved) = een dienaar | כִּֽי (ki) = want | יָ֝בִ֗ין (yavin) = hij begrijpt | וְאֵ֣ין (veein) = en niet | מַעֲנֶֽה (maane) = antwoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִוָּסֶר (yivvaser), ‘wordt getuchtigd’: van dezelfde stam als musar, ‘tucht’. Zie ook: Job 19:16; Spr 26:3; Spr 30:22 **29:20** Heb je een man gezien die haastig is in zijn woorden? Er is meer hoop voor een dwaas dan voor hem. Brontekst: חָזִ֗יתָ (chazita) = heb je gezien | אִ֭ישׁ (ish) = een man | אָ֣ץ (ats) = haastig | בִּדְבָרָ֑יו (bidvarav) = in zijn woorden | תִּקְוָ֖ה (tiqva) = hoop | לִכְסִ֣יל (likhsil) = voor een dwaas | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = meer dan voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bijna dezelfde spreuk staat in Spr. 26:12; daar gaat het over een man die in zijn eigen ogen wijs is. Zie ook: Spr 14:29; Spr 26:12; Spr 29:11; Pred 5:1; Jak 1:19 **29:21** Wie zijn dienaar van jongs af verwent, zijn einde zal weerspannigheid zijn. Brontekst: מְפַנֵּ֣ק (mefaneq) = wie verwent | מִנֹּ֣עַר (minoar) = van jongs af | עַבְדּ֑וֹ (avdo) = zijn dienaar | וְ֝אַחֲרִית֗וֹ (veacharito) = en zijn einde | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | מָנֽוֹן (manon) = weerspannigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָנוֹן (manon) komt nergens anders voor. De betekenis is onzeker. Voorgestelde vertalingen zijn ‘weerspannigheid’, ‘ondankbaarheid’ of ‘opvolger’ (iemand die zich als zoon gedraagt). Wij vertalen ‘weerspannigheid’. Voetnoot : מְפַנֵּק (mefanneq), ‘verwent’: ook dit werkwoord komt maar één keer voor. **29:22** Een man van toorn wekt twist op. En een man vol woede is rijk aan overtreding. Brontekst: אִֽישׁ (ish) = een man van | אַ֭ף (af) = toorn | יְגָרֶ֣ה (yegare) = wekt op | מָד֑וֹן (madon) = twist | וּבַ֖עַל (uvaal) = en een meester van | חֵמָ֣ה (chema) = woede | רַב (rav) = veel | פָּֽשַׁע (pasha) = overtreding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Spr. 15:18 en 28:25. Zie ook: Spr 14:17; Spr 15:18; Spr 17:19; Spr 22:24; Spr 26:21; Spr 28:25 **29:23** De hoogmoed van een mens vernedert hem. Maar wie nederig van geest is, verkrijgt eer. Brontekst: גַּאֲוַ֣ת (gaavat) = de hoogmoed van | אָ֭דָם (adam) = een mens | תַּשְׁפִּילֶ֑נּוּ (tashpilenu) = vernedert hem | וּשְׁפַל (ushefal) = maar nederig van | ר֝֗וּחַ (ruach) = geest | יִתְמֹ֥ךְ (yitmokh) = verkrijgt | כָּבֽוֹד (kavod) = eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּבוֹד (kavod) is meestal ‘heerlijkheid’. Bij een persoon vertalen wij ‘eer’. Zie ook: Spr 11:2; Jes 66:2; Mat 23:12; Luc 14:11; Jak 4:6–10 **29:24** Wie deelt met een dief, haat zijn eigen ziel. Hij hoort de vervloeking en meldt niets. Brontekst: חוֹלֵ֣ק (choleq) = wie deelt | עִם (im) = met | גַּ֭נָּב (ganav) = een dief | שׂוֹנֵ֣א (sone) = haat | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn ziel | אָלָ֥ה (ala) = vervloeking | יִ֝שְׁמַ֗ע (yishma) = hoort hij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַגִּֽיד (yagid) = meldt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘vervloeking’: ook ‘eed’. Wie een misdaad weet, wordt onder ede opgeroepen om te getuigen. Wie dan zwijgt, maakt zichzelf schuldig; zie Lev. 5:1. Voetnoot : נַפְשׁוֹ (nafsho), ‘zijn ziel’: zichzelf, zijn eigen leven. Zie ook: Lev 5:1; Ps 50:18–22; Spr 1:11–19; Spr 8:36; Jes 1:23 **29:25** Angst voor mensen legt een strik. Maar wie op Yahweh vertrouwt, wordt beschermd. Brontekst: חֶרְדַּ֣ת (cherdat) = angst van | אָ֭דָם (adam) = een mens | יִתֵּ֣ן (yiten) = legt | מוֹקֵ֑שׁ (moqesh) = een strik | וּבוֹטֵ֖חַ (uvoteach) = en wie vertrouwt | בַּיהוָ֣ה (baYahweh) = op Yahweh | יְשֻׂגָּֽב (yesugav) = wordt beschermd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרְדַּת אָדָם (chardat adam), ‘angst voor mensen’: de angst die mensen voor anderen hebben. Het kan ook zijn de angst die mensen aanjagen. Voetnoot : יְשֻׂגָּב (yesugav), ‘wordt beschermd’: letterlijk ‘wordt hoog gezet’, buiten bereik van gevaar. Zie ook: Ps 91:14; Ps 118:8; Spr 16:20; Spr 18:10; Luc 12:4 **29:26** Velen zoeken het aangezicht van een heerser. Maar van Yahweh komt het recht van een man. Brontekst: רַ֭בִּים (rabim) = velen | מְבַקְשִׁ֣ים (mevaqshim) = zoeken | פְּנֵי (penei) = het aangezicht van | מוֹשֵׁ֑ל (moshel) = een heerser | וּ֝מֵיְהוָ֗ה (umeYahweh) = maar van Yahweh | מִשְׁפַּט (mishpat) = recht van | אִֽישׁ (ish) = een man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְבַקְשִׁים פְּנֵי (mevaqshim penei), ‘zoeken het aangezicht van’: een gesprek met hem zoeken om zijn gunst te winnen. Voetnoot : מִשְׁפַּט (mishpat), ‘recht’: de uitspraak die een mens ten deel valt. Die komt uiteindelijk van Yahweh. Zie ook: Ps 20:10; Ps 62:13; Spr 19:6; Spr 19:21; Jes 46:9–11 **29:27** Een man van onrecht is een gruwel voor de rechtvaardigen. En wie oprecht is op zijn weg, is een gruwel voor de goddeloze. Brontekst: תּוֹעֲבַ֣ת (toavat) = gruwel van | צַ֭דִּיקִים (tsadiqim) = rechtvaardigen | אִ֣ישׁ (ish) = een man | עָ֑וֶל (avel) = van onrecht | וְתוֹעֲבַ֖ת (vetoavat) = en gruwel van | רָשָׁ֣ע (rasha) = een goddeloze | יְשַׁר (yeshar) = oprecht van | דָּֽרֶךְ (darekh) = weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met dit vers eindigt de verzameling spreuken die in Spr. 25:1 begint. Zie ook: Ps 139:21; Spr 25:1; Joh 7:7; Joh 15:17–19; Joh 15:23; 1 Joh 3:13 ## Spreuken 30 _Woorden van Agur_ ### Woorden van Agur **30:1** Woorden van Agur, de zoon van Jake, de godsspraak. Uitspraak van de man tot Ithiël, tot Ithiël en Ukal. Brontekst: דִּבְרֵ֤י (divrei) = woorden van | אָג֥וּר (agur) = Agur | בִּן (bin) = zoon van | יָקֶ֗ה (yaqe) = Jake | הַמַּ֫שָּׂ֥א (hamasa) = de godsspraak | נְאֻ֣ם (neum) = uitspraak van | הַ֭גֶּבֶר (hagever) = de man | לְאִֽיתִיאֵ֑ל (leitiel) = tot Ithiël | לְאִ֖יתִיאֵ֣ל (leitiel) = tot Ithiël | וְאֻכָֽל (veukhal) = en Ukal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּשָּׂא (hammassa), ‘de godsspraak’: het woord kan ook een plaatsnaam zijn, ‘Massa’ (zie Gen. 25:14). Wij vertalen ‘de godsspraak’, zoals in Spr. 31:1. Voetnoot : אִיתִיאֵל (Iti’el) en אֻכָל (Ukal): dit kunnen namen zijn van twee mannen tot wie Agur spreekt, of woorden met een betekenis. Wij laten ze als namen staan; de betekenis is onzeker. Zie ook: Gen 25:14; Spr 31:1; 2 Petr 1:19–21 **30:2** Ik ben immers dommer dan wie ook. Het inzicht van een mens heb ik niet. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | בַ֣עַר (baar) = dom | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | מֵאִ֑ישׁ (meish) = dan een man | וְלֹֽא (velo) = en niet | בִינַ֖ת (binat) = inzicht van | אָדָ֣ם (adam) = een mens | לִֽי (li) = bij mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעַר (ba‘ar), ‘dom’: de spreker noemt zichzelf onwetend. מֵאִישׁ (me’ish), letterlijk ‘dan een man’: dommer dan wie ook. Zie ook: Ps 73:22; Ps 92:7; Spr 5:12; 1 Kor 3:18; 1 Kor 8:2 **30:3** Wijsheid heb ik niet geleerd. De kennis van de Heiligen ken ik niet. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | לָמַ֥דְתִּי (lamadti) = ik heb geleerd | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְדַ֖עַת (vedaat) = en kennis van | קְדֹשִׁ֣ים (qedoshim) = heiligen | אֵדָֽע (eda) = ik ken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְדֹשִׁים (qedoshim), ‘Heiligen’: het meervoud kan ook ‘de Heilige’ betekenen, zoals in Spr. 9:10. Wij vertalen ‘de Heiligen’. Zie ook: Spr 9:10; Jes 6:10; Rom 11:33; Ef 3:18–19; Openb 3:7 **30:4** Wie is naar de hemel opgestegen en weer neergedaald? Wie heeft de wind verzameld in zijn handpalmen? Wie heeft het water in een mantel gebonden? Wie heeft alle einden van de aarde vastgesteld? Wat is zijn naam, en wat is de naam van zijn zoon, als je het weet? Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | עָלָֽה (ala) = is opgestegen | שָׁמַ֨יִם (shamayim) = naar de hemel | וַיֵּרַ֡ד (vayerad) = en is neergedaald | מִ֤י (mi) = wie | אָֽסַף (asaf) = heeft verzameld | ר֨וּחַ (ruach) = de wind | בְּחָפְנָ֡יו (bechafenav) = in zijn handpalmen | מִ֤י (mi) = wie | צָֽרַר (tsarar) = heeft gebonden | מַ֨יִם (mayim) = water | בַּשִּׂמְלָ֗ה (basimla) = in een mantel | מִ֭י (mi) = wie | הֵקִ֣ים (heqim) = heeft vastgesteld | כָּל (kal) = alle | אַפְסֵי (afsei) = einden van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | מַה (ma) = wat | שְּׁמ֥וֹ (shemo) = is zijn naam | וּמַֽה (uma) = en wat | שֶּׁם (shem) = is de naam van | בְּ֝נ֗וֹ (beno) = zijn zoon | כִּ֣י (ki) = als | תֵדָֽע (teda) = je weet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze vragen lijken op de vragen die Yahweh aan Job stelt (Job 38:4–5). Het vers noemt geen antwoord. Wij laten ‘zijn’ en ‘zijn zoon’ met kleine letter staan; het Hebreeuws zegt niet wie bedoeld is. Voetnoot : רוּחַ (ruach), ‘wind’: hier de wind, niet de geest. Voetnoot : בְּחָפְנָיו (bechofnav), ‘in zijn handpalmen’: in de holle handen. Zie ook: Job 26:8; Job 38:4–5; Jes 7:14; Jes 9:5; Joh 3:13; Ef 4:8–10 **30:5** Elk woord van Eloah is gelouterd. Hij is een schild voor wie bij Hem schuilen. Brontekst: כָּל (kal) = elk | אִמְרַ֣ת (imrat) = woord van | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | צְרוּפָ֑ה (tserufa) = gelouterd | מָגֵ֥ן (magen) = schild | ה֝֗וּא (hu) = Hij | לַֽחֹסִ֥ים (lachosim) = voor wie schuilen | בּֽוֹ (bo) = bij Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלוֹהַּ (Eloah), ‘Eloah’: dezelfde naam als in Job. Zie ook Ps. 18:31. Zie ook: Ps 3:4; Ps 12:7; Ps 18:31; Ps 84:12; Jak 3:17 **30:6** Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders wijst Hij je terecht en word je een leugenaar bevonden. Brontekst: אַל (al) = niet | תּ֥וֹסְףְּ (tosep) = voeg toe | עַל (al) = aan | דְּבָרָ֑יו (devarav) = Zijn woorden | פֶּן (pen) = anders | יוֹכִ֖יחַ (yokhiach) = wijst Hij terecht | בְּךָ֣ (bekha) = jou | וְנִכְזָֽבְתָּ (venikhzavta) = en je wordt een leugenaar bevonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Deut. 4:2 en Deut. 13:1. Voetnoot : וְנִכְזָבְתָּ (venikzavta), ‘en je wordt een leugenaar bevonden’: letterlijk ‘en je blijkt leugenachtig’. Zie ook: Job 13:7–9; Deut 4:2; Deut 13:1; 1 Kor 15:15; Openb 22:18–19 ### Twee dingen vraag ik van U **30:7** Twee dingen vraag ik van U. Weiger ze mij niet, voordat ik sterf. Brontekst: שְׁ֭תַּיִם (shetayim) = twee | שָׁאַ֣לְתִּי (shaalti) = ik vraag | מֵאִתָּ֑ךְ (meitakh) = van U | אַל (al) = niet | תִּמְנַ֥ע (timna) = weiger | מִ֝מֶּ֗נִּי (mimeni) = mij | בְּטֶ֣רֶם (beterem) = voordat | אָמֽוּת (amut) = ik sterf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁתַּיִם (shtayim), ‘twee’: er staat geen zelfstandig naamwoord bij. Wij vullen ‘dingen’ aan, zoals het vervolg (vers 8–9) laat zien. Zie ook: Ps 21:3; Ps 27:4; Spr 30:8–9; 1 Kon 3:5–9; 2 Kon 2:9; Luc 10:42 **30:8** Houd valsheid en leugenwoorden ver van mij. Geef mij geen armoede en geen rijkdom. Laat mij het brood eten dat mij is toegemeten. Brontekst: שָׁ֤וְא (shave) = valsheid | וּֽדְבַר (udevar) = en woord van | כָּזָ֡ב (kazav) = leugen | הַרְחֵ֬ק (harcheq) = houd ver | מִמֶּ֗נִּי (mimeni) = van mij | רֵ֣אשׁ (resh) = armoede | וָ֭עֹשֶׁר (vaosher) = en rijkdom | אַל (al) = niet | תִּֽתֶּן (titen) = geef | לִ֑י (li) = mij | הַ֝טְרִיפֵ֗נִי (hatrifeni) = laat mij eten | לֶ֣חֶם (lechem) = brood van | חֻקִּֽי (chuqi) = mijn toegemeten deel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵאשׁ (resh), ‘armoede’: het woord klinkt als רָשׁ (rash), ‘berooid’. Voetnoot : חֻקִּי (chuqqi), ‘mijn toegemeten deel’: wat voor mij is vastgesteld. Zie ook: Ps 62:10–11; Ps 119:37; Mat 6:33; Luc 11:3; 1 Tim 6:6–8 **30:9** Anders word ik verzadigd, ontken ik en zeg ik: „Wie is Yahweh?” Of anders verarm ik, steel ik en vergrijp ik mij aan de naam van mijn Elohim. Brontekst: פֶּ֥ן (pen) = anders | אֶשְׂבַּ֨ע (esba) = ik word verzadigd | וְכִחַשְׁתִּי֮ (vekhichashti) = en ik ontken | וְאָמַ֗רְתִּי (veamarti) = en ik zeg | מִ֥י (mi) = wie | יְה֫וָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | וּפֶֽן (ufen) = en anders | אִוָּרֵ֥שׁ (ivaresh) = ik verarm | וְגָנַ֑בְתִּי (veganavti) = en ik steel | וְ֝תָפַ֗שְׂתִּי (vetafasti) = en ik vergrijp mij aan | שֵׁ֣ם (shem) = naam van | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִוָּרֵשׁ (ivvaresh), ‘ik verarm’: letterlijk ‘ik word van mijn bezit beroofd’. Voetnoot : תָפַשְׂתִּי (tafasti), ‘ik grijp’: ik vergrijp mij aan de naam, ik misbruik hem. Voetnoot : כִחַשְׁתִּי (kichashti), ‘ik ontken’: het Hebreeuws noemt geen voorwerp. Zie ook: Deut 8:10–14; Deut 31:20; Hos 13:6; Ezech 16:49–50; Neh 9:25–26 **30:10** Belaster een dienaar niet bij zijn heer, anders vervloekt hij je en word je schuldig bevonden. Brontekst: אַל (al) = niet | תַּלְשֵׁ֣ן (talshen) = belaster | עֶ֭בֶד (eved) = dienaar | אֶל (el) = bij | אֲדֹנָ֑יו (adonav) = zijn heer | פֶּֽן (pen) = anders | יְקַלֶּלְךָ֥ (yeqalelkha) = hij vervloekt jou | וְאָשָֽׁמְתָּ (veashamta) = en je wordt schuldig bevonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּלְשֵׁן (talshen), ‘belaster’: letterlijk ‘bewerk met de tong’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft אדנו en het gelezen woord (qere) אֲדֹנָיו; beide betekenen ‘zijn heer’. Zie ook: Spr 24:23–24; Pred 7:21; Dan 3:8–18; Dan 6:25; Rom 14:4 ### Een geslacht dat zich verheft **30:11** Een geslacht dat zijn vader vervloekt en zijn moeder niet zegent. Brontekst: דּ֭וֹר (dor) = geslacht | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | יְקַלֵּ֑ל (yeqalel) = vervloekt | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִ֝מּ֗וֹ (imo) = zijn moeder | לֹ֣א (lo) = niet | יְבָרֵֽךְ (yevarekh) = zegent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דּוֹר (dor), ‘geslacht’: de mensen van een tijd, een soort mensen. Vers 11–14 beginnen alle vier met dit woord. Zie ook Exod. 21:17 en Lev. 20:9. Zie ook: Ex 21:17; Lev 20:9; Deut 27:16; Spr 20:20; Spr 30:12–14; Spr 30:17 **30:12** Een geslacht dat rein is in eigen ogen, maar niet gewassen is van zijn vuil. Brontekst: דּ֭וֹר (dor) = geslacht | טָה֣וֹר (tahor) = rein | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | וּ֝מִצֹּאָת֗וֹ (umitsoato) = en van zijn vuil | לֹ֣א (lo) = niet | רֻחָֽץ (ruchats) = is gewassen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹאָה (tso’ah), ‘vuil’: letterlijk ‘uitwerpselen’. Zie ook: Spr 16:2; Jer 2:35; Luc 18:11; Tit 3:5; 2 Tim 3:5 **30:13** Een geslacht, hoe hoog staan zijn ogen, en zijn oogleden worden opgeheven. Brontekst: דּ֭וֹר (dor) = geslacht | מָה (ma) = hoe | רָמ֣וּ (ramu) = zijn hoog | עֵינָ֑יו (einav) = zijn ogen | וְ֝עַפְעַפָּ֗יו (veafapav) = en zijn oogleden | יִנָּשֵֽׂאוּ (yinaseu) = worden opgeheven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 101:5; Ps 131:1; Spr 6:17; Spr 21:4; Jes 2:11 **30:14** Een geslacht waarvan de tanden zwaarden zijn en de kiezen messen, om de ellendigen van de aarde te verslinden en de armen onder de mensen. Brontekst: דּ֤וֹר (dor) = geslacht | חֲרָב֣וֹת (charavot) = zwaarden | שִׁנָּיו֮ (shinav) = zijn tanden | וּֽמַאֲכָל֪וֹת (umaakhalot) = en messen | מְֽתַלְּעֹ֫תָ֥יו (metaleotav) = zijn kiezen | לֶאֱכֹ֣ל (leekhol) = om te verslinden | עֲנִיִּ֣ים (aniyim) = ellendigen | מֵאֶ֑רֶץ (meerets) = van de aarde | וְ֝אֶבְיוֹנִ֗ים (veevyonim) = en armen | מֵאָדָֽם (meadam) = onder de mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְתַלְּעוֹת (metalle‘ot), ‘kiezen’: de grote tanden achter in de mond. Zie ook: Job 29:17; Ps 3:8; Ps 14:4; Ps 57:5; Openb 9:8 ### Wat nooit genoeg krijgt **30:15** De bloedzuiger heeft twee dochters: „Geef! Geef!” Drie zijn er die niet verzadigd worden, vier die niet zeggen: „Genoeg!” Brontekst: לַֽעֲלוּקָ֨ה (laaluqa) = voor de bloedzuiger | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | בָנוֹת֮ (banot) = dochters | הַ֤ב (hav) = geef | הַ֥ב (hav) = geef | שָׁל֣וֹשׁ (shalosh) = drie | הֵ֭נָּה (hena) = zij | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׂבַּ֑עְנָה (tisbana) = worden verzadigd | אַ֝רְבַּ֗ע (arba) = vier | לֹא (lo) = niet | אָ֥מְרוּ (ameru) = zeggen | הֽוֹן (hon) = genoeg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲלוּקָה (‘aluqah), ‘bloedzuiger’: het woord komt alleen hier voor. De weergave is gangbaar maar niet zeker. Voetnoot : הוֹן (hon), ‘genoeg’: het woord betekent ook ‘rijkdom’ of ‘bezit’. Voetnoot : Vanaf hier volgen spreuken met de opbouw ‘drie, ja vier’: eerst een getal, dan hetzelfde getal plus één (vers 15–16, 18–19, 21–23, 24–28 en 29–31). Zie ook: Spr 6:16; Spr 30:18; Spr 30:21; Spr 30:29; Joh 8:39; Rom 16:18 **30:16** De Sjeol en de gesloten baarmoeder; de aarde die niet verzadigd wordt van water, en het vuur dat niet zegt: „Genoeg!” Brontekst: שְׁאוֹל֮ (sheol) = Sjeol | וְעֹ֪צֶ֫ר (veotser) = en sluiting van | רָ֥חַם (racham) = baarmoeder | אֶ֭רֶץ (erets) = aarde | לֹא (lo) = niet | שָׂ֣בְעָה (savea) = is verzadigd | מַּ֑יִם (mayim) = water | וְ֝אֵ֗שׁ (veesh) = en vuur | לֹא (lo) = niet | אָ֥מְרָה (amera) = zegt | הֽוֹן (hon) = genoeg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹצֶר רָחַם (otser rachem), ‘gesloten baarmoeder’: letterlijk ‘het sluiten van de baarmoeder’, een onvruchtbare schoot. Zie ook: Gen 30:1; Spr 27:20; Hab 2:5 **30:17** Het oog dat de vader bespot en de gehoorzaamheid aan een moeder veracht. De raven van het beekdal zullen het uitpikken, en de jonge arenden zullen het opeten. Brontekst: עַ֤יִן (ayin) = oog | תִּֽלְעַ֣ג (tilag) = dat bespot | לְאָב֮ (leav) = een vader | וְתָב֪וּז (vetavuz) = en veracht | לִֽיקֲּהַ֫ת (liqahat) = gehoorzaamheid aan | אֵ֥ם (em) = een moeder | יִקְּר֥וּהָ (yiqeruha) = zullen het uitpikken | עֹרְבֵי (orevei) = raven van | נַ֑חַל (nachal) = het beekdal | וְֽיֹאכְל֥וּהָ (veyokhluha) = en zullen het opeten | בְנֵי (benei) = jongen van | נָֽשֶׁר (nasher) = de arend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִקְּהַת (yiqqehat), ‘gehoorzaamheid’: hetzelfde woord als in Gen. 49:10. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : עֹרְבֵי נַחַל (‘orevei nachal), ‘raven van het beekdal’: een nachal is een dal waar alleen in het regenseizoen water stroomt. Zie ook: Gen 49:10; Lev 20:9; Deut 21:18–21; 2 Sam 18:14–17; Spr 23:22; Spr 30:11 ### Wat te wonderlijk is **30:18** Drie dingen zijn te wonderlijk voor mij, en vier ken ik niet: Brontekst: שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | הֵ֭מָּה (hema) = zij | נִפְלְא֣וּ (nifleu) = zijn te wonderlijk | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = voor mij | וְ֝אַרְבָּעָ֗ה (vearbaa) = en vier | לֹ֣א (lo) = niet | יְדַעְתִּֽים (yedatim) = ken ik ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft וארבע en het gelezen woord (qere) וְאַרְבָּעָה; beide betekenen ‘en vier’. Zie ook: Job 42:3; Ps 139:6 **30:19** De weg van de arend aan de hemel. De weg van de slang over een rots. De weg van een schip midden op zee. En de weg van een man bij een jonge vrouw. Brontekst: דֶּ֤רֶךְ (derekh) = weg van | הַנֶּ֨שֶׁר (hanesher) = de arend | בַּשָּׁמַיִם֮ (bashamayim) = aan de hemel | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = weg van | נָחָ֗שׁ (nachash) = slang | עֲלֵ֫י (alei) = over | צ֥וּר (tsur) = rots | דֶּֽרֶךְ (derekh) = weg van | אֳנִיָּ֥ה (oniya) = schip | בְלֶב (belev) = in het hart van | יָ֑ם (yam) = zee | וְדֶ֖רֶךְ (vederekh) = en weg van | גֶּ֣בֶר (gever) = man | בְּעַלְמָֽה (bealma) = bij een jonge vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּעַלְמָה (be‘almah), ‘bij een jonge vrouw’: een almah is een jonge vrouw. Het voorzetsel kan ook ‘in’ of ‘met’ betekenen. De vier wegen hebben gemeen dat ze geen sporen achterlaten. Zie ook: Job 39:27; Ex 22:15; Jes 40:31 **30:20** Zo is de weg van een overspelige vrouw: zij eet, veegt haar mond af en zegt: „Ik heb geen onheil aangericht.” Brontekst: כֵּ֤ן (ken) = zo | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = weg van | אִשָּׁ֗ה (isha) = vrouw | מְנָ֫אָ֥פֶת (menaafet) = overspelige | אָ֭כְלָה (akhela) = zij eet | וּמָ֣חֲתָה (umachata) = en veegt af | פִ֑יהָ (piha) = haar mond | וְ֝אָמְרָ֗ה (veamera) = en zegt | לֹֽא (lo) = niet | פָעַ֥לְתִּי (paalti) = ik heb gedaan | אָֽוֶן (aven) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָוֶן (aven), ‘onheil’: onrecht, kwaad. Zie ook: Num 5:11–30; Spr 5:6; Spr 7:13–23 ### Wat de aarde laat beven **30:21** Onder drie beeft de aarde, en onder vier kan zij het niet dragen: Brontekst: תַּ֣חַת (tachat) = onder | שָׁ֭לוֹשׁ (shalosh) = drie | רָ֣גְזָה (rageza) = beeft | אֶ֑רֶץ (erets) = de aarde | וְתַ֥חַת (vetachat) = en onder | אַ֝רְבַּ֗ע (arba) = vier | לֹא (lo) = niet | תוּכַ֥ל (tukhal) = kan zij | שְׂאֵֽת (seet) = dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:22** onder een dienaar als hij koning wordt, en een dwaze als hij verzadigd is van brood; Brontekst: תַּֽחַת (tachat) = onder | עֶ֭בֶד (eved) = een dienaar | כִּ֣י (ki) = als | יִמְל֑וֹךְ (yimlokh) = hij koning wordt | וְ֝נָבָ֗ל (venaval) = en een dwaze | כִּ֣י (ki) = als | יִֽשְׂבַּֽע (yisba) = hij verzadigd is van | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 25:3; 1 Sam 25:10–11; 1 Sam 30:16; Spr 19:10; Pred 10:7 **30:23** onder een gehate vrouw als zij gehuwd wordt, en een slavin als zij haar meesteres beërft. Brontekst: תַּ֣חַת (tachat) = onder | שְׂ֭נוּאָה (senua) = een gehate vrouw | כִּ֣י (ki) = als | תִבָּעֵ֑ל (tibael) = zij gehuwd wordt | וְ֝שִׁפְחָ֗ה (veshifcha) = en een slavin | כִּֽי (ki) = als | תִירַ֥שׁ (tirash) = zij beërft | גְּבִרְתָּֽהּ (gevirtah) = haar meesteres Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂנוּאָה (senu’ah), ‘gehate vrouw’: een vrouw die niet geliefd wordt. Voetnoot : תִירַשׁ (tirash), ‘zij beërft’: letterlijk ‘zij neemt in bezit’. Het kan ook ‘zij verdringt’ betekenen. Zie ook: Spr 19:13; Spr 21:9; Spr 21:19; Spr 27:15; Spr 29:21 ### Klein en toch wijs **30:24** Vier zijn er klein op aarde, maar zij zijn uiterst wijs: Brontekst: אַרְבָּ֣עָה (arbaa) = vier | הֵ֭ם (hem) = zij | קְטַנֵּי (qetanei) = kleinen van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | וְ֝הֵ֗מָּה (vehema) = maar zij | חֲכָמִ֥ים (chakhamim) = wijzen | מְחֻכָּמִֽים (mechukamim) = uiterst wijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְחֻכָּמִים (mechukkamim), ‘uiterst wijs’: letterlijk ‘wijs gemaakt’; de herhaling versterkt. Het kan ook ‘wijzer dan de wijzen’ betekenen. Zie ook: Job 12:7 **30:25** de mieren, een volk dat niet sterk is, maar in de zomer maken zij hun voedsel klaar; Brontekst: הַ֭נְּמָלִים (hanemalim) = de mieren | עַ֣ם (am) = volk | לֹא (lo) = niet | עָ֑ז (az) = sterk | וַיָּכִ֖ינוּ (vayakhinu) = en zij maken klaar | בַקַּ֣יִץ (baqayits) = in de zomer | לַחְמָֽם (lachmam) = hun voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Spr. 6:6–8. Zie ook: Spr 6:6–8 **30:26** de klipdassen, een volk dat niet machtig is, maar zij zetten hun huis in de rots; Brontekst: שְׁ֭פַנִּים (shefanim) = de klipdassen | עַ֣ם (am) = volk | לֹא (lo) = niet | עָצ֑וּם (atsum) = machtig | וַיָּשִׂ֖ימוּ (vayasimu) = en zij zetten | בַסֶּ֣לַע (basela) = in de rots | בֵּיתָֽם (beitam) = hun huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁפָן (shafan), ‘klipdas’: zie Lev. 11:5 en Ps. 104:18. Deze weergave is gangbaar maar niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 11:5; Ps 104:18 **30:27** de sprinkhaan heeft geen koning, maar hij trekt uit, helemaal in gelederen; Brontekst: מֶ֭לֶךְ (melekh) = koning | אֵ֣ין (ein) = er is niet | לָאַרְבֶּ֑ה (laarbe) = voor de sprinkhaan | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en hij trekt uit | חֹצֵ֣ץ (chotsets) = in gelederen | כֻּלּֽוֹ (kulo) = helemaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’: zie Exod. 10:13–14. Voetnoot : חֹצֵץ (chotsets), ‘in gelederen’: letterlijk ‘verdelend’. Het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Zie ook: Ex 10:4–6; Ex 10:13–14; Ps 105:34; Joël 1:6–7; Joël 2:7–11; Joël 2:25 **30:28** de hagedis kun je met de handen grijpen, maar zij is in de paleizen van de koning. Brontekst: שְׂ֭מָמִית (semamit) = hagedis | בְּיָדַ֣יִם (beyadayim) = met de handen | תְּתַפֵּ֑שׂ (tetapes) = je kunt grijpen | וְ֝הִ֗יא (vehi) = maar zij | בְּהֵ֣יכְלֵי (beheikhelei) = in de paleizen van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂמָמִית (semamit), ‘hagedis’: het dier is niet zeker te bepalen; ‘spin’ of ‘gekko’ is ook mogelijk. Voetnoot : תְּתַפֵּשׂ (tetapes) kan ‘je grijpt’ betekenen of ‘zij grijpt zich vast’. Wij lezen: je kunt haar met de handen pakken. ### Statig van gang **30:29** Drie zijn er die goed stappen, en vier die goed gaan: Brontekst: שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | הֵ֭מָּה (hema) = zij | מֵיטִ֣יבֵי (meitivei) = die goed doen | צָ֑עַד (tsaad) = stap | וְ֝אַרְבָּעָ֗ה (vearbaa) = en vier | מֵיטִ֥בֵי (meitivei) = die goed doen | לָֽכֶת (lakhet) = gang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:30** de leeuw, de held onder de dieren, die voor niemand terugkeert; Brontekst: לַ֭יִשׁ (layish) = leeuw | גִּבּ֣וֹר (gibor) = held | בַּבְּהֵמָ֑ה (babehema) = onder de dieren | וְלֹא (velo) = en niet | יָ֝שׁ֗וּב (yashuv) = hij keert terug | מִפְּנֵי (mipenei) = voor | כֹֽל (kol) = iedereen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:24; Re 14:18 **30:31** de strijdhaan, of de bok, en een koning tegen wie niemand opstaat. Brontekst: זַרְזִ֣יר (zarzir) = omgord | מָתְנַ֣יִם (matenayim) = van de lenden | אוֹ (o) = of | תָ֑יִשׁ (tayish) = bok | וּ֝מֶ֗לֶךְ (umelekh) = en koning | אַלְק֥וּם (alqum) = niemand staat op | עִמּֽוֹ (imo) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זַרְזִיר מָתְנַיִם (zarzir motnayim), letterlijk ‘omgord van de lenden’: een dier dat wij niet zeker kunnen bepalen. ‘Strijdhaan’, ‘windhond’ en ‘strijdros’ zijn voorstellen. Voetnoot : אַלְקוּם (alqum): het woord komt alleen hier voor. Wij lezen het als אַל קוּם (al qum), ‘niet opstaan’: een koning tegen wie niemand opstaat. Andere voorstellen zijn mogelijk; de tekst blijft moeilijk. Zie ook: Spr 16:14; Spr 20:2; Dan 3:15–18 ### Houd je in **30:32** Als je onverstandig hebt gehandeld door je te verheffen, en als je plannen hebt gesmeed: de hand op de mond. Brontekst: אִם (im) = als | נָבַ֥לְתָּ (navalta) = je hebt onverstandig gehandeld | בְהִתְנַשֵּׂ֑א (behitnase) = door je te verheffen | וְאִם (veim) = en als | זַ֝מּ֗וֹתָ (zamota) = je hebt gepland | יָ֣ד (yad) = hand | לְפֶֽה (lefe) = op de mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זַמּוֹת (zammota), ‘je hebt plannen gesmeed’: het woord kan kwade plannen bedoelen. יָד לְפֶה (yad lefeh), ‘hand op de mond’: zwijgen, zoals in Job 40:4. Zie ook: Job 21:5; Job 40:4; Spr 26:12; Mi 7:16–17; Rom 3:19 **30:33** Want het wringen van melk brengt boter voort. Het wringen van de neus brengt bloed voort. En het wringen van de toorn brengt twist voort. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מִ֪יץ (mits) = het wringen van | חָלָ֡ב (chalav) = melk | י֘וֹצִ֤יא (yotsi) = brengt voort | חֶמְאָ֗ה (chema) = boter | וּֽמִיץ (umits) = en het wringen van | אַ֭ף (af) = neus | י֣וֹצִיא (yotsi) = brengt voort | דָ֑ם (dam) = bloed | וּמִ֥יץ (umits) = en het wringen van | אַ֝פַּ֗יִם (apayim) = toorn | י֣וֹצִיא (yotsi) = brengt voort | רִֽיב (riv) = twist Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִיץ (mits), ‘wringen’: dit ene woord staat drie keer: het karnen van melk, het knijpen in de neus en het wringen van toorn. אַף (af), ‘neus’, en אַפַּיִם (apayim), ‘toorn’ (letterlijk ‘neusgaten’): in het Hebreeuws is de neus het beeld van toorn. Het woordspel gaat in de vertaling verloren. Zie ook: Spr 15:18; Spr 16:28; Spr 17:14; Spr 28:25; Spr 29:22 ## Spreuken 31 _Woorden van Lemuël en lof van de sterke vrouw_ ### Woorden van Lemuël **31:1** Woorden van koning Lemuël, de godsspraak waarmee zijn moeder hem onderwees. Brontekst: דִּ֭בְרֵי (divrei) = woorden van | לְמוּאֵ֣ל (lemuel) = Lemuël | מֶ֑לֶךְ (melekh) = koning | מַ֝שָּׂ֗א (masa) = godsspraak | אֲֽשֶׁר (asher) = die | יִסְּרַ֥תּוּ (yiseratu) = onderwees hem | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘godsspraak’: het woord kan ook een plaatsnaam zijn, ‘Lemuël, koning van Massa’ (zie Spr. 30:1 en Gen. 25:14). Wij vertalen ‘de godsspraak’. Voetnoot : לְמוּאֵל (Lemu’el): een koning die verder niet bekend is. De naam betekent waarschijnlijk ‘bestemd voor El’; dat is onzeker. Voetnoot : יִסְּרַתּוּ (yissartu), ‘onderwees hem’: het werkwoord is verwant aan מוּסָר (musar), ‘tucht’; het betekent ook ‘onderrichten’ en ‘vermanen’. Zie ook: Gen 25:14; Spr 1:8; Spr 6:20; Spr 30:1; 2 Tim 1:5; 2 Tim 3:15 **31:2** „Wat, mijn zoon? Wat, zoon van mijn schoot? Wat, zoon van mijn geloften? Brontekst: מַה (ma) = wat | בְּ֭רִי (beri) = mijn zoon | וּמַֽה (uma) = en wat | בַּר (bar) = zoon van | בִּטְנִ֑י (bitni) = mijn schoot | וּ֝מֶה (ume) = en wat | בַּר (bar) = zoon van | נְדָרָֽי (nedaray) = mijn geloften Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt de moeder van Lemuël, tot en met vers 9. Voetnoot : בַּר (bar), ‘zoon’, en בְּרִי (beri), ‘mijn zoon’: dit zijn Aramese vormen; in het Hebreeuws is het woord בֵּן (ben). Zie ook: 1 Sam 1:11; 1 Sam 1:28; Spr 31:9; Jes 49:15 **31:3** Geef je kracht niet aan vrouwen, en je wegen niet aan wie koningen uitwist. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּתֵּ֣ן (titen) = geef | לַנָּשִׁ֣ים (lanashim) = aan vrouwen | חֵילֶ֑ךָ (cheilekha) = je kracht | וּ֝דְרָכֶ֗יךָ (uderakheikha) = en je wegen | לַֽמְח֥וֹת (lamchot) = aan wie uitwist | מְלָכִֽין (melakhin) = koningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַיִל (chayil), ‘kracht’: ook ‘vermogen’ of ‘bezit’. לַמְחוֹת (lamchot): letterlijk ‘om uit te wissen’. De zin is kort en moeilijk; letterlijk staat er: ‘en je wegen om koningen uit te wissen’. Zie ook: Deut 17:17; Spr 5:9–11; Spr 7:26–27; 1 Kon 11:1; Neh 13:26 **31:4** Het is niet aan koningen, Lemuël, het is niet aan koningen om wijn te drinken. En niet aan vorsten om te vragen: ‘Waar is sterke drank?’ Brontekst: אַ֤ל (al) = niet | לַֽמְלָכִ֨ים (lamlakhim) = voor koningen | לְֽמוֹאֵ֗ל (lemoel) = Lemuël | אַ֣ל (al) = niet | לַֽמְלָכִ֣ים (lamlakhim) = voor koningen | שְׁתוֹ (sheto) = te drinken | יָ֑יִן (yayin) = wijn | וּ֝לְרוֹזְנִ֗ים (ulerozenim) = en voor vorsten | אֵ֣י (ei) = waar | שֵׁכָֽר (shekhar) = sterke drank Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is אוֹ (o), ‘of’. De te lezen vorm (qere) is אֵי (ei), ‘waar?’ Wij volgen de qere. De tekst van dit vers blijft moeilijk. Zie ook: Spr 20:1; Pred 10:17; Hos 4:11–12; Jes 5:22; Hab 2:5 **31:5** Anders drinkt hij en vergeet hij wat is vastgesteld, en verdraait hij het recht van alle zonen van de ellende. Brontekst: פֶּן (pen) = anders | יִ֭שְׁתֶּה (yishte) = hij drinkt | וְיִשְׁכַּ֣ח (veyishkach) = en vergeet | מְחֻקָּ֑ק (mechuqaq) = wat is vastgesteld | וִֽ֝ישַׁנֶּה (vishane) = en verdraait | דִּ֣ין (din) = recht | כָּל (kal) = van alle | בְּנֵי (benei) = zonen van | עֹֽנִי (oni) = ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְחֻקָּק (mechuqqaq), ‘wat is vastgesteld’: het wettelijk besluit, het voorschrift. Voetnoot : בְּנֵי עֹנִי (bene oni), ‘zonen van de ellende’: wie in nood is. Zie ook: Hab 2:5 **31:6** Geef sterke drank aan wie omkomt, en wijn aan wie bitter is van ziel. Brontekst: תְּנוּ (tenu) = geef | שֵׁכָ֣ר (shekhar) = sterke drank | לְאוֹבֵ֑ד (leoved) = aan wie omkomt | וְ֝יַיִן (veyayin) = en wijn | לְמָ֣רֵי (lemarei) = aan wie bitter is van | נָֽפֶשׁ (nafesh) = ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven, de hele persoon. ‘Bitter van ziel’ is: diep bedroefd. Zie ook: Job 29:13; 1 Sam 1:10; Ps 104:15; 2 Kon 4:27; 1 Tim 5:23 **31:7** Laat hem drinken en zijn armoede vergeten, en zijn zwoegen niet meer gedenken. Brontekst: יִ֭שְׁתֶּה (yishte) = laat hem drinken | וְיִשְׁכַּ֣ח (veyishkach) = en vergeten | רִישׁ֑וֹ (risho) = zijn armoede | וַ֝עֲמָל֗וֹ (vaamalo) = en zijn zwoegen | לֹ֣א (lo) = niet | יִזְכָּר (yizkar) = gedenken | עֽוֹד (od) = nog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ef 5:18 **31:8** Open je mond voor wie niet kan spreken, voor het recht van alle zonen van het voorbijgaan. Brontekst: פְּתַח (petach) = open | פִּ֥יךָ (pikha) = je mond | לְאִלֵּ֑ם (leilem) = voor de stomme | אֶל (el) = voor | דִּ֝֗ין (din) = recht van | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | חֲלֽוֹף (chalof) = het voorbijgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִלֵּם (illem), ‘stomme’: wie niet voor zichzelf kan spreken. Voetnoot : בְּנֵי חֲלוֹף (bene chalof), letterlijk ‘zonen van het voorbijgaan’: wie op het punt staat te verdwijnen of ten onder te gaan. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Job 29:12–17; Ps 82:3–4; Spr 24:11–12; Jer 26:24; Jer 38:7–10 **31:9** Open je mond, oordeel met gerechtigheid en pleit de zaak van de ellendige en de arme.” Brontekst: פְּתַח (petach) = open | פִּ֥יךָ (pikha) = je mond | שְׁפָט (shefat) = oordeel | צֶ֑דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וְ֝דִ֗ין (vedin) = en pleit de zaak van | עָנִ֥י (ani) = de ellendige | וְאֶבְיֽוֹן (veevyon) = en de arme Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’: verwant aan צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’. דִּין (din), ‘de zaak bepleiten’: hier een werkwoord; in vers 5 en 8 is het een zelfstandig naamwoord, ‘recht’. Zie ook: Job 29:15–16; Lev 19:15; Deut 1:16; Spr 31:5; Spr 31:8; Amos 5:11–12; Jes 1:17 ### De sterke vrouw **31:10** Een sterke vrouw, wie kan haar vinden? Haar waarde ligt ver boven die van parels. Brontekst: אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | חַ֭יִל (chayil) = kracht | מִ֣י (mi) = wie | יִמְצָ֑א (yimtsa) = kan vinden | וְרָחֹ֖ק (verachoq) = en ver | מִפְּנִינִ֣ים (mipeninim) = van parels | מִכְרָֽהּ (mikhrah) = haar waarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot en met vers 31 begint elk vers met de volgende letter van het Hebreeuwse alfabet, van alef tot tav (een acrostichon). In de vertaling is dat niet na te bootsen. Voetnoot : אֵשֶׁת חַיִל (eshet chayil), ‘een sterke vrouw’: letterlijk ‘vrouw van kracht’. חַיִל (chayil) betekent ook ‘bekwaamheid’ en ‘degelijkheid’. In Ruth 3:11 staan dezelfde woorden; daar vertalen wij ‘bekwame vrouw’. Zie ook: Ruth 3:11; Spr 3:15; Spr 12:4; Spr 18:22; Spr 19:14; Spr 31:31; Ef 5:25–33 **31:11** Het hart van haar man vertrouwt op haar, en winst zal hem niet ontbreken. Brontekst: בָּ֣טַח (batach) = heeft vertrouwd | בָּ֭הּ (bah) = op haar | לֵ֣ב (lev) = hart van | בַּעְלָ֑הּ (balah) = haar man | וְ֝שָׁלָ֗ל (veshalal) = en winst | לֹ֣א (lo) = niet | יֶחְסָֽר (yechsar) = ontbreekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלָל (shalal), ‘winst’: letterlijk ‘buit’. Zie ook: 2 Kon 4:9–10; 2 Kon 4:22–23; 1 Petr 3:1–7 **31:12** Zij doet hem goed en geen kwaad, alle dagen van haar leven. Brontekst: גְּמָלַ֣תְהוּ (gemalathu) = zij heeft hem vergolden | ט֣וֹב (tov) = goed | וְלֹא (velo) = en niet | רָ֑ע (ra) = kwaad | כֹּ֝֗ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | חַיֶּֽיה (chayei) = haar leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 25:18–22; 1 Sam 25:26–27 **31:13** Zij zoekt wol en vlas, en werkt met plezier met haar handen. Brontekst: דָּ֭רְשָׁה (daresha) = zij zoekt | צֶ֣מֶר (tsemer) = wol | וּפִשְׁתִּ֑ים (ufishtim) = en vlas | וַ֝תַּ֗עַשׂ (vataas) = en zij werkt | בְּחֵ֣פֶץ (bechefets) = met plezier van | כַּפֶּֽיהָ (kapeiha) = haar handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ruth 2:23; Hand 9:39–40; 2 Tess 3:10–12; 1 Tim 5:10; Tit 2:5 **31:14** Zij is als de schepen van een koopman; van ver brengt zij haar voedsel. Brontekst: הָ֭יְתָה (hayeta) = zij is | כָּאֳנִיּ֣וֹת (kaoniyot) = als schepen van | סוֹחֵ֑ר (socher) = koopman | מִ֝מֶּרְחָ֗ק (mimerchaq) = van ver | תָּבִ֥יא (tavi) = brengt zij | לַחְמָֽהּ (lachmah) = haar voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוֹחֵר (socher), ‘koopman’: een reizend handelaar. Zie ook: Spr 31:24; 1 Kon 9:26–28; 2 Kron 9:10; Ezech 27:3–36 **31:15** Zij staat op terwijl het nog nacht is. Zij geeft haar huis voedsel en haar meisjes hun toegemeten deel. Brontekst: וַתָּ֤קָם (vataqam) = en zij staat op | בְּע֬וֹד (beod) = terwijl nog | לַ֗יְלָה (layla) = nacht | וַתִּתֵּ֣ן (vatiten) = en zij geeft | טֶ֣רֶף (teref) = voedsel | לְבֵיתָ֑הּ (leveitah) = aan haar huis | וְ֝חֹ֗ק (vechoq) = en een toegemeten deel | לְנַעֲרֹתֶֽיהָ (lenaaroteiha) = aan haar meisjes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טֶרֶף (teref), ‘voedsel’: letterlijk ‘buit, wat gevangen is’. חֹק (choq), ‘toegemeten deel’: wat voor iedereen is vastgesteld, zoals in Spr. 30:8. נְעָרוֹת (na‘arot), ‘meisjes’: jonge dienaressen. Zie ook: Spr 20:13; Spr 30:8; Pred 9:10; Mar 1:35; Luc 12:42; Rom 12:11 **31:16** Zij overweegt een veld en koopt het. Van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard. Brontekst: זָמְמָ֣ה (zamema) = zij overweegt | שָׂ֭דֶה (sade) = een veld | וַתִּקָּחֵ֑הוּ (vatiqachehu) = en zij neemt het | מִפְּרִ֥י (miperi) = van de vrucht van | כַ֝פֶּ֗יהָ (kapeiha) = haar handen | נָ֣טְעָה (natea) = zij plant | כָּֽרֶם (karem) = wijngaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָמְמָה (zamemah), ‘zij overweegt’: zij maakt een plan. וַתִּקָּחֵהוּ (vattiqqachehu), ‘en zij neemt het’: hier betekent het ‘zij koopt het’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is נטע (zonder klinkers). De te lezen vorm (qere) is נָטְעָה (nat‘ah), ‘zij plant’. Wij volgen de qere. Zie ook: Joz 15:18; Hoogl 8:12; Mat 13:44 **31:17** Zij omgordt haar lenden met kracht en maakt haar armen sterk. Brontekst: חָֽגְרָ֣ה (chagera) = zij omgordt | בְע֣וֹז (beoz) = met kracht | מָתְנֶ֑יהָ (mateneiha) = haar lenden | וַ֝תְּאַמֵּ֗ץ (vateamets) = en zij maakt sterk | זְרֹעוֹתֶֽיהָ (zerooteiha) = haar armen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 38:3; Luc 12:35; Ef 6:10; Ef 6:14; 1 Petr 1:13 **31:18** Zij proeft dat haar handel goed is. In de nacht dooft haar lamp niet. Brontekst: טָ֭עֲמָה (taama) = zij proeft | כִּי (ki) = dat | ט֣וֹב (tov) = goed is | סַחְרָ֑הּ (sachrah) = haar handel | לֹֽא (lo) = niet | יִכְבֶּ֖ה (yikhbe) = dooft | בַלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | נֵרָֽהּ (nerah) = haar lamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טָעֲמָה (ta‘amah), ‘zij proeft’: zij ervaart het zelf. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is בליל (balayl), ‘in de nacht’. De te lezen vorm (qere) is בַּלַּיְלָה (ballaylah), met dezelfde betekenis. Wij vertalen ‘in de nacht’. Zie ook: Gen 31:40; Ps 127:2; Mat 25:3–10; 1 Tess 2:9; 2 Tess 3:7–9 **31:19** Zij steekt haar handen uit naar de spinrok, en haar handpalmen houden de spil vast. Brontekst: יָ֭דֶיהָ (yadeiha) = haar handen | שִׁלְּחָ֣ה (shilecha) = zij steekt uit | בַכִּישׁ֑וֹר (bakishor) = naar de spinrok | וְ֝כַפֶּ֗יהָ (vekhapeiha) = en haar handpalmen | תָּ֣מְכוּ (tamekhu) = houden vast | פָֽלֶךְ (palekh) = de spil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּישׁוֹר (kishor), ‘spinrok’, en פֶּלֶךְ (pelech), ‘spil’: de betekenis is gangbaar maar niet helemaal zeker. Zie ook: Ex 35:25–26 **31:20** Haar handpalm spreidt zij uit naar de ellendige, en haar handen steekt zij uit naar de arme. Brontekst: כַּ֭פָּהּ (kapah) = haar handpalm | פָּרְשָׂ֣ה (paresa) = zij spreidt uit | לֶעָנִ֑י (leani) = naar de ellendige | וְ֝יָדֶ֗יהָ (veyadeiha) = en haar handen | שִׁלְּחָ֥ה (shilecha) = zij steekt uit | לָֽאֶבְיֽוֹן (laevyon) = naar de arme Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 15:11; Spr 19:17; Spr 22:9; Ef 4:28; Heb 13:16 **31:21** Zij vreest de sneeuw niet voor haar huis, want heel haar huis is gekleed in karmozijn. Brontekst: לֹא (lo) = niet | תִירָ֣א (tira) = zij vreest | לְבֵיתָ֣הּ (leveitah) = voor haar huis | מִשָּׁ֑לֶג (mishaleg) = vanwege sneeuw | כִּ֥י (ki) = want | כָל (kal) = heel | בֵּ֝יתָ֗הּ (beitah) = haar huis | לָבֻ֥שׁ (lavush) = gekleed | שָׁנִֽים (shanim) = in karmozijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁנִים (shanim), ‘karmozijn’: roodgeverfde stof, zoals in Exod. 26:1 (‘karmozijnrood garen’). Het woord kan ook ‘dubbel’ betekenen (שְׁנָיִם, shenayim): dubbel gekleed tegen de kou. Wij vertalen ‘karmozijn’. Zie ook: Gen 45:22; Ex 26:1; 2 Sam 1:24; Spr 25:20 **31:22** Dekens maakt zij voor zichzelf. Fijn linnen en roodpurper is haar kleding. Brontekst: מַרְבַדִּ֥ים (marvadim) = dekens | עָֽשְׂתָה (aseta) = zij maakt | לָּ֑הּ (lah) = voor zichzelf | שֵׁ֖שׁ (shesh) = fijn linnen | וְאַרְגָּמָ֣ן (veargaman) = en roodpurper | לְבוּשָֽׁהּ (levushah) = haar kleding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְבַדִּים (marvaddim), ‘dekens’: kleden of dekens voor het bed. שֵׁשׁ (shesh), ‘fijn linnen’, en אַרְגָּמָן (argaman), ‘roodpurper’: zoals in Exodus. Zie ook: Gen 41:42; Spr 7:16; Ezech 16:10–13; Est 8:15; Openb 19:8 **31:23** Haar man is bekend in de poorten, als hij zit bij de oudsten van het land. Brontekst: נוֹדָ֣ע (noda) = bekend | בַּשְּׁעָרִ֣ים (bashearim) = in de poorten | בַּעְלָ֑הּ (balah) = haar man | בְּ֝שִׁבְתּ֗וֹ (beshivto) = als hij zit | עִם (im) = bij | זִקְנֵי (ziqnei) = oudsten van | אָֽרֶץ (arets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De poort is de plaats waar recht wordt gesproken en de stad wordt bestuurd. Zie ook: Deut 16:18; Deut 21:19; Ruth 4:1; Ruth 4:11; Spr 12:4 **31:24** Linnen hemden maakt zij en verkoopt ze, en een gordel levert zij aan de handelaar. Brontekst: סָדִ֣ין (sadin) = linnen hemden | עָ֭שְׂתָה (aseta) = zij maakt | וַתִּמְכֹּ֑ר (vatimkor) = en zij verkoopt | וַ֝חֲג֗וֹר (vachagor) = en een gordel | נָתְנָ֥ה (natena) = zij levert | לַֽכְּנַעֲנִֽי (lakenaani) = aan de handelaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָדִין (sadin), ‘linnen hemd’: een kledingstuk van fijn linnen. הַכְּנַעֲנִי (hakkena‘ani), letterlijk ‘de Kanaäniet’: de Kanaänieten stonden bekend als handelaren. Wij vertalen ‘de handelaar’. Zie ook: Re 14:12; Spr 31:13; Spr 31:19; Ezech 27:16; Luc 16:19 **31:25** Kracht en luister zijn haar kleding, en zij lacht om de dag die komt. Brontekst: עֹז (oz) = kracht | וְהָדָ֥ר (vehadar) = en luister | לְבוּשָׁ֑הּ (levushah) = haar kleding | וַ֝תִּשְׂחַ֗ק (vatischaq) = en zij lacht | לְי֣וֹם (leyom) = om de dag | אַחֲרֽוֹן (acharon) = die komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְיוֹם אַחֲרוֹן (leyom acharon), ‘om de dag die komt’: letterlijk ‘om de laatste dag’, de toekomst. Zie ook: Job 29:14; Job 40:10; Jes 61:10; Rom 13:14; 1 Tim 2:10 **31:26** Haar mond opent zij met wijsheid, en onderwijs van trouw ligt op haar tong. Brontekst: פִּ֭יהָ (piha) = haar mond | פָּתְחָ֣ה (patecha) = zij opent | בְחָכְמָ֑ה (bechakhema) = met wijsheid | וְתֽוֹרַת (vetorat) = en onderwijs van | חֶ֝֗סֶד (chesed) = trouw | עַל (al) = op | לְשׁוֹנָֽהּ (leshonah) = haar tong Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרַת חֶסֶד (torat chesed), ‘onderwijs van trouw’: תּוֹרָה (torah) is hier het onderwijs dat zij geeft, zoals in Spr. 1:8. חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw, goedertierenheid. Zie ook: Spr 1:8; Spr 10:31; Spr 12:18; Spr 16:24; Ef 4:29; 1 Petr 3:4–5 **31:27** Zij houdt de gang van haar huis in het oog, en het brood van de luiheid eet zij niet. Brontekst: צ֭וֹפִיָּה (tsofiya) = zij houdt in het oog | הֲלִיכ֣וֹת (halikhot) = de gang van | בֵּיתָ֑הּ (beitah) = haar huis | וְלֶ֥חֶם (velechem) = en brood van | עַ֝צְל֗וּת (atslut) = luiheid | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵֽל (tokhel) = zij eet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹפִיָּה (tsofiyyah), ‘zij houdt in het oog’: zij let op, zij kijkt uit over. הֲלִיכוֹת (halikhot), ‘gang’: letterlijk ‘gangen, wegen’. Zie ook: Spr 14:1; 1 Tess 4:11; 2 Tess 3:6; 1 Tim 5:10; Tit 2:4 **31:28** Haar zonen staan op en noemen haar gelukkig; haar man, ook hij prijst haar: Brontekst: קָ֣מוּ (qamu) = staan op | בָ֭נֶיהָ (baneiha) = haar zonen | וַֽיְאַשְּׁר֑וּהָ (vayasheruha) = en noemen haar gelukkig | בַּ֝עְלָ֗הּ (balah) = haar man | וַֽיְהַֽלְלָהּ (vayhallah) = en hij prijst haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 116:16; Spr 31:1; 1 Kon 2:19; 2 Tim 1:5; 2 Tim 3:15–17 **31:29** „Veel dochters hebben kracht getoond, maar jij gaat hen allen te boven.” Brontekst: רַבּ֣וֹת (rabot) = velen | בָּ֭נוֹת (banot) = dochters | עָ֣שׂוּ (asu) = hebben getoond | חָ֑יִל (chayil) = kracht | וְ֝אַ֗תְּ (veat) = maar jij | עָלִ֥ית (alit) = gaat boven uit | עַל (al) = boven | כֻּלָּֽנָה (kulana) = hen allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie vers 29 spreekt. Wij lezen het als de woorden van de zonen en de man uit vers 28 en zetten het tussen aanhalingstekens. Voetnoot : עָשׂוּ חַיִל (asu chayil), ‘zij hebben kracht getoond’: of ‘zij hebben zich bekwaam gedragen’. Zie ook: Hoogl 6:8–9; Spr 31:28; Ef 5:27 **31:30** Bevalligheid is bedrog en schoonheid is damp; een vrouw die Yahweh vreest, zij zal geprezen worden. Brontekst: שֶׁ֣קֶר (sheqer) = bedrog | הַ֭חֵן (hachen) = de bevalligheid | וְהֶ֣בֶל (vehevel) = en damp | הַיֹּ֑פִי (hayofi) = de schoonheid | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | יִרְאַת (yirat) = vrees voor | יְ֝הוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִ֣יא (hi) = zij | תִתְהַלָּֽל (tithalal) = zal geprezen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵן (chen), ‘bevalligheid’: elders vertalen wij ‘gunst’. הֶבֶל (hevel), ‘damp’: iets vluchtigs dat verdwijnt. Voetnoot : יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag; zie Spr. 1:7. Hier staat het in het Hebreeuws als ‘vrouw van vrees voor Yahweh’. Voetnoot : תִתְהַלָּל (tithallal): kan ook ‘zij zal zich beroemen’ betekenen. Wij vertalen ‘zij zal geprezen worden’. Zie ook: Spr 1:7; Spr 8:13; Spr 11:22; 1 Petr 1:24; 1 Petr 3:4–5 **31:31** Geef haar van de vrucht van haar handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten. Brontekst: תְּנוּ (tenu) = geef | לָ֭הּ (lah) = haar | מִפְּרִ֣י (miperi) = van de vrucht van | יָדֶ֑יהָ (yadeiha) = haar handen | וִֽיהַלְל֖וּהָ (vihalluha) = en laat prijzen haar | בַשְּׁעָרִ֣ים (bashearim) = in de poorten | מַעֲשֶֽׂיהָ (maaseiha) = haar werken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 128:2; Mat 7:16; Rom 16:1–4; Heb 6:10; Openb 14:13