# Numeri (במדבר, Bemidbar) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Numeri 1 _De telling van Israël in de woestijn van Sinaï_ ### Yahweh beveelt een telling **1:1** Yahweh sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, in de tent van samenkomst. Dat was op de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar nadat zij uit het land Egypte getrokken waren: Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | בְּמִדְבַּ֥ר (bemidbar) = in de woestijn van | סִינַ֖י (sinay) = Sinaï | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | בְּאֶחָד֩ (beechad) = op de eerste | לַחֹ֨דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשֵּׁנִ֜י (hasheni) = de tweede | בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַשֵּׁנִ֗ית (hashenit) = het tweede | לְצֵאתָ֛ם (letsetam) = bij hun uittocht | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn van Sinaï ligt rond de berg Sinaï, waar Israël sinds Exod. 19:1–2 gekampeerd heeft. De ligging van de berg is niet zeker. Volgens de oude overlevering ligt hij in het zuiden van het Sinaï-schiereiland in Egypte (Jebel Musa); andere voorstellen zoeken hem noordelijker of in het noordwesten van Arabië. Voetnoot Uitleg: Dit boek heet in het Hebreeuws בְּמִדְבַּר (bemidbar), ‘in de woestijn’, naar het vijfde woord van het eerste vers. Voetnoot : De eerste dag van de tweede maand van het tweede jaar is precies een maand na de oprichting van de tabernakel (Exod. 40:17). Yahweh spreekt nu weer vanuit de tent van samenkomst (Lev. 1:1). Zie ook: Ex 19:1; Ex 25:22; Ex 40:2; Ex 40:17; Lev 1:1; Num 10:11–12 **1:2** **„Neem de som op van heel de gemeenschap van de zonen van Israël, volgens hun families en hun vaderhuizen. Doe dat naar het aantal van de namen: alle mannen, per hoofd.** Brontekst: שְׂא֗וּ (seu) = neem op | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֙ (rosh) = de som van | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֣ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמ֔וֹת (shemot) = namen | כָּל (kal) = alle | זָכָ֖ר (zakhar) = mannen | לְגֻלְגְּלֹתָֽם (legulgelotam) = per hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂאוּ אֶת־רֹאשׁ (se’u et rosh), letterlijk ‘til het hoofd op’: de som opnemen, zoals in Exod. 30:12. Voetnoot : מִשְׁפָּחָה (mishpachah), ‘familie’, en בֵּית אָב (beit av), ‘vaderhuis’: het vaderhuis is de kleinere eenheid, de huishouding van de vader met zijn nakomelingen; meerdere vaderhuizen vormen samen een familie. Wij houden deze twee woorden in heel dit boek uit elkaar. Voetnoot : גֻּלְגֹּלֶת (gulgolet), ‘schedel’: wij vertalen ‘per hoofd’ (Exod. 38:26). Zie ook: Ex 30:12; Ex 38:26; Num 1:18; Num 1:22; Num 26:2–4 **1:3** **Tel allen van twintig jaar en ouder die in Israël met het leger kunnen uittrekken. Jij en Aäron moeten hen tellen, naar hun legerscharen.** Brontekst: מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כָּל (kal) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָ֖א (tsava) = in het leger | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | תִּפְקְד֥וּ (tifqedu) = jullie zullen tellen | אֹתָ֛ם (otam) = hen | לְצִבְאֹתָ֖ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | אַתָּ֥ה (ata) = jij | וְאַהֲרֹֽן (veaharon) = en Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָבָא (tsava), ‘leger’: de mannen die kunnen uittrekken om te strijden. צִבְאֹת (tsiv’ot), ‘legerscharen’, zijn de afdelingen waarin zij uittrekken (Exod. 12:51). Zie ook: Ex 12:17; Ex 12:51; Ex 30:14; Num 14:29; Deut 3:18; 2 Kron 26:11–13 **1:4** **Met jullie moet er van elke stam één man zijn, ieder het hoofd van het vaderhuis van zijn vaders.** Brontekst: וְאִתְּכֶ֣ם (veitekhem) = en met jullie | יִהְי֔וּ (yihyu) = zullen zijn | אִ֥ישׁ (ish) = een man | אִ֖ישׁ (ish) = een man | לַמַּטֶּ֑ה (lamate) = voor de stam | אִ֛ישׁ (ish) = een man | רֹ֥אשׁ (rosh) = het hoofd van | לְבֵית (leveit) = het vaderhuis van | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaders | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:25; Num 1:16; Num 10:14–27; Num 13:2–15; Deut 1:15 ### De leiders van de stammen **1:5** **Dit zijn de namen van de mannen die bij jullie moeten staan. Voor Ruben: Elizur, de zoon van Sjedeür.** Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit | שְׁמ֣וֹת (shemot) = namen van | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יַֽעַמְד֖וּ (yaamdu) = zullen staan | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = bij jullie | לִרְאוּבֵ֕ן (liruven) = voor Ruben | אֱלִיצ֖וּר (elitsur) = Elizur | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁדֵיאֽוּר (shedeiur) = Sjedeür Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de twaalf leiders van de stammen. Zij komen terug bij de ordening van het kamp (Num. 2) en bij de gaven voor de inwijding van het altaar (Num. 7). Zie ook: Gen 46:8–24; Gen 49:1–33; Num 7:30; Deut 33:1–29; Openb 7:4–8 **1:6** **Voor Simeon: Sjelumiël, de zoon van Zurisjaddai.** Brontekst: לְשִׁמְע֕וֹן (leshimon) = voor Simeon | שְׁלֻמִיאֵ֖ל (shelumiel) = Sjelumiël | בֶּן (ben) = zoon van | צוּרִֽישַׁדָּֽי (tsurishaday) = Zurisjaddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:12; Num 7:36 **1:7** **Voor Juda: Nachsjon, de zoon van Amminadab.** Brontekst: לִֽיהוּדָ֕ה (lihuda) = voor Juda | נַחְשׁ֖וֹן (nachshon) = Nachsjon | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּינָדָֽב (aminadav) = Amminadab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 10:14; Ruth 4:18; Ruth 4:20; Mat 1:2–5; Luc 3:32 **1:8** **Voor Issachar: Netanel, de zoon van Zuar.** Brontekst: לְיִ֨שָּׂשכָ֔ר (leyisashkhar) = voor Issachar | נְתַנְאֵ֖ל (netanel) = Netanel | בֶּן (ben) = zoon van | צוּעָֽר (tsuar) = Zuar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:5; Num 7:18; Num 10:15 **1:9** **Voor Zebulon: Eliab, de zoon van Chelon.** Brontekst: לִזְבוּלֻ֕ן (lizvulun) = voor Zebulon | אֱלִיאָ֖ב (eliav) = Eliab | בֶּן (ben) = zoon van | חֵלֹֽן (chelon) = Chelon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:7; Num 7:24; Num 10:16 **1:10** **Voor de zonen van Jozef: voor Efraïm Elisjama, de zoon van Ammihud; voor Manasse Gamliël, de zoon van Pedazur.** Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | לְאֶפְרַ֕יִם (leefrayim) = voor Efraïm | אֱלִישָׁמָ֖ע (elishama) = Elisjama | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּיה֑וּד (amihud) = Ammihud | לִמְנַשֶּׁ֕ה (limnashe) = voor Manasse | גַּמְלִיאֵ֖ל (gamliel) = Gamliël | בֶּן (ben) = zoon van | פְּדָהצֽוּר (pedahtsur) = Pedazur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jozef heeft twee stammen: Efraïm en Manasse (Gen. 48:5). Zo zijn er twaalf stammen, ook al wordt Levi niet meegeteld (vers 47). Zie ook: Gen 48:5; Num 1:47; Num 2:20; Num 7:48; Num 7:54; Num 10:22–23; 1 Kron 7:26–27 **1:11** **Voor Benjamin: Abidan, de zoon van Gideoni.** Brontekst: לְבִ֨נְיָמִ֔ן (levinyamin) = voor Benjamin | אֲבִידָ֖ן (avidan) = Abidan | בֶּן (ben) = zoon van | גִּדְעֹנִֽי (gidoni) = Gideoni Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:22; Num 7:60; Num 10:24 **1:12** **Voor Dan: Achiëzer, de zoon van Ammisjaddai.** Brontekst: לְדָ֕ן (ledan) = voor Dan | אֲחִיעֶ֖זֶר (achiezer) = Achiëzer | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּֽישַׁדָּֽי (amishaday) = Ammisjaddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:25; Num 7:66; Num 10:25 **1:13** **Voor Aser: Pagiël, de zoon van Ochran.** Brontekst: לְאָשֵׁ֕ר (leasher) = voor Aser | פַּגְעִיאֵ֖ל (pagiel) = Pagiël | בֶּן (ben) = zoon van | עָכְרָֽן (akheran) = Ochran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:27; Num 7:72; Num 10:26 **1:14** **Voor Gad: Eljasaf, de zoon van Deüel.** Brontekst: לְגָ֕ד (legad) = voor Gad | אֶלְיָסָ֖ף (elyasaf) = Eljasaf | בֶּן (ben) = zoon van | דְּעוּאֵֽל (deuel) = Deüel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:14; Num 7:42; Num 10:20 **1:15** **Voor Naftali: Achira, de zoon van Enan.”** Brontekst: לְנַ֨פְתָּלִ֔י (lenaftali) = voor Naftali | אֲחִירַ֖ע (achira) = Achira | בֶּן (ben) = zoon van | עֵינָֽן (einan) = Enan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:29; Num 7:78; Num 10:27 **1:16** Dit waren de afgevaardigden van de gemeenschap, de leiders van de stammen van hun vaders. Zij waren de hoofden van de duizendtallen van Israël. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dezen | קְרוּאֵ֣י (qeruei) = afgevaardigden van | הָעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | נְשִׂיאֵ֖י (nesiei) = leiders van | מַטּ֣וֹת (matot) = de stammen van | אֲבוֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | רָאשֵׁ֛י (rashei) = hoofden van | אַלְפֵ֥י (alfei) = de duizendtallen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הֵֽם (hem) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְרוּאֵי (qeru’ei) is letterlijk ‘geroepenen’: mannen die uit de gemeenschap zijn geroepen. Wij vertalen ‘afgevaardigden’. Voetnoot : אַלְפֵי יִשְׂרָאֵל (alfei Yisra’el), ‘duizendtallen van Israël’: onderdelen van een stam. Vergelijk Exod. 18:21 en 18:25. Zie ook: Ex 18:21; Ex 18:25; Num 7:2; Num 26:9; 1 Kron 27:16–22 ### De telling wordt gehouden **1:17** Mozes en Aäron namen deze mannen, die bij naam waren aangewezen. Brontekst: וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֑ן (veaharon) = en Aäron | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נִקְּב֖וּ (niqevu) = waren aangewezen | בְּשֵׁמֽוֹת (beshemot) = bij namen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:5–15; Joh 10:3; Openb 7:4–17 **1:18** Heel de gemeenschap riepen zij bijeen op de eerste dag van de tweede maand. Zij lieten hun afstamming opgeven volgens hun families en hun vaderhuizen, naar het aantal van de namen, van twintig jaar en ouder, per hoofd. Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָ֜ה (haeda) = de gemeenschap | הִקְהִ֗ילוּ (hiqhilu) = zij riepen bijeen | בְּאֶחָד֙ (beechad) = op de eerste | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | וַיִּתְיַֽלְד֥וּ (vayityaldu) = en zij lieten hun afstamming opgeven | עַל (al) = naar | מִשְׁפְּחֹתָ֖ם (mishpechotam) = hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמ֗וֹת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֛ה (shana) = jaar | וָמַ֖עְלָה (vamala) = en ouder | לְגֻלְגְּלֹתָֽם (legulgelotam) = per hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּתְיַלְדוּ (vajitjaldu) komt van יָלַד (jalad), ‘baren’, en betekent hier dat ieder zijn geboorte en afstamming liet opgeven. Zo werd vastgesteld tot welke familie en welk vaderhuis hij hoorde. Zie ook: Num 1:1; Ezra 2:59; Neh 7:61; Heb 7:3; Heb 7:6 **1:19** Zoals Yahweh Mozes geboden had, telde hij hen in de woestijn van Sinaï. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַֽיִּפְקְדֵ֖ם (vayifqedem) = en hij telde hen | בְּמִדְבַּ֥ר (bemidbar) = in de woestijn van | סִינָֽי (sinay) = Sinaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Num 1:2; Num 26:1–2; 2 Sam 24:1–10 ### De uitkomst per stam **1:20** De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël: hun afstamming volgens hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, per hoofd, alle mannen van twintig jaar en ouder, allen die met het leger konden uittrekken. Brontekst: וַיִּהְי֤וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵן֙ (reuven) = Ruben | בְּכֹ֣ר (bekhor) = de eerstgeborene van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֤ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמוֹת֙ (shemot) = namen | לְגֻלְגְּלֹתָ֔ם (legulgelotam) = per hoofd | כָּל (kal) = alle | זָכָ֗ר (zakhar) = mannen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:32; Gen 49:3–4; Num 2:10–11; Num 26:5–7; 1 Kron 5:1 **1:21** Hun getelden van de stam Ruben: 46.500. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | רְאוּבֵ֑ן (reuven) = Ruben | שִׁשָּׁ֧ה (shisha) = zes | וְאַרְבָּעִ֛ים (vearbaim) = en veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:10–11; Num 26:7 **1:22** De zonen van Simeon, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren hun getelden, naar het aantal van de namen, per hoofd. Het waren alle mannen van twintig jaar en ouder, allen die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | שִׁמְע֔וֹן (shimon) = Simeon | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | פְּקֻדָ֗יו (pequdav) = zijn getelden | בְּמִסְפַּ֤ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמוֹת֙ (shemot) = namen | לְגֻלְגְּלֹתָ֔ם (legulgelotam) = per hoofd | כָּל (kal) = alle | זָכָ֗ר (zakhar) = mannen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 34:25–30; Gen 42:24; Gen 46:10; Gen 49:5–6; Num 26:12–14 **1:23** Hun getelden van de stam Simeon: 59.300. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | שִׁמְע֑וֹן (shimon) = Simeon | תִּשְׁעָ֧ה (tisha) = negen | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּשְׁלֹ֥שׁ (ushelosh) = en drie | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:13; Num 25:8–9; Num 25:14; Num 26:14 **1:24** De zonen van Gad, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | גָ֔ד (gad) = Gad | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמ֗וֹת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:10–11; Gen 46:16; Gen 49:19; Num 2:14–15; Num 26:15–18 **1:25** Hun getelden van de stam Gad: 45.650. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | גָ֑ד (gad) = Gad | חֲמִשָּׁ֤ה (chamisha) = vijf | וְאַרְבָּעִים֙ (vearbaim) = en veertig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּֽׁים (vachamishim) = en vijftig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:15; Num 26:18 **1:26** De zonen van Juda, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמֹ֗ת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:35; Num 26:19–22; 2 Sam 24:9; 2 Kron 17:14–16; Mat 1:2 **1:27** Hun getelden van de stam Juda: 74.600. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אַרְבָּעָ֧ה (arbaa) = vier | וְשִׁבְעִ֛ים (veshivim) = en zeventig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:3–4; Num 26:22; 2 Sam 24:9; 2 Kron 17:14–16 **1:28** De zonen van Issachar, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יִשָּׂשכָ֔ר (yisashkhar) = Issachar | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמֹ֗ת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:18; Gen 46:13; Gen 49:14–15; Num 23:23–25; Num 26:23–25 **1:29** Hun getelden van de stam Issachar: 54.400. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | יִשָּׂשכָ֑ר (yisashkhar) = Issachar | אַרְבָּעָ֧ה (arbaa) = vier | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:6; Num 26:25 **1:30** De zonen van Zebulon, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | זְבוּלֻ֔ן (zevulun) = Zebulon | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמֹ֗ת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:20; Gen 46:14; Gen 49:13; Num 2:7–8; Num 26:26–27 **1:31** Hun getelden van de stam Zebulon: 57.400. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | זְבוּלֻ֑ן (zevulun) = Zebulon | שִׁבְעָ֧ה (shiva) = zeven | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:8; Num 26:27 **1:32** De zonen van Jozef, de zonen van Efraïm, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֤י (livnei) = voor de zonen van | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמֹ֗ת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 39:1–23; Gen 48:1–22; Gen 49:22–26; Num 26:35–37; Deut 33:17 **1:33** Hun getelden van de stam Efraïm: 40.500. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 48:5; Num 2:19; Num 26:37; Deut 33:17 **1:34** De zonen van Manasse, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמ֗וֹת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 26:28–34 **1:35** Hun getelden van de stam Manasse: 32.200. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = twee | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 48:19–20; Num 2:21; Num 26:34 **1:36** De zonen van Benjamin, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמֹ֗ת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:21; Gen 49:27; Num 26:38–41; 2 Kron 17:17; Openb 7:8 **1:37** Hun getelden van de stam Benjamin: 35.400. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | חֲמִשָּׁ֧ה (chamisha) = vijf | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:23; Num 26:41; Re 20:44–46; 2 Kron 17:17 **1:38** De zonen van Dan, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | דָ֔ן (dan) = Dan | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמֹ֗ת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:5–6; Gen 46:23; Gen 49:16–17; Num 26:42–43 **1:39** Hun getelden van de stam Dan: 62.700. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | דָ֑ן (dan) = Dan | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = twee | וְשִׁשִּׁ֛ים (veshishim) = en zestig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:26; Num 26:43 **1:40** De zonen van Aser, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | אָשֵׁ֔ר (asher) = Aser | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמֹ֗ת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:12–13; Gen 46:27; Gen 49:20; Num 26:44–47 **1:41** Hun getelden van de stam Aser: 41.500. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | אָשֵׁ֑ר (asher) = Aser | אֶחָ֧ד (echad) = een | וְאַרְבָּעִ֛ים (vearbaim) = en veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:28; Num 26:47 **1:42** De zonen van Naftali, volgens hun afstamming, hun families en hun vaderhuizen. Dat waren, naar het aantal van de namen, allen van twintig jaar en ouder die met het leger konden uittrekken. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = voor de zonen van | נַפְתָּלִ֔י (naftali) = Naftali | תּוֹלְדֹתָ֥ם (toledotam) = hun afstamming | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמֹ֗ת (shemot) = namen | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָֽא (tsava) = in het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:7–8; Gen 46:24; Gen 49:21; Num 26:48–50 **1:43** Hun getelden van de stam Naftali: 53.400. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = van de stam van | נַפְתָּלִ֑י (naftali) = Naftali | שְׁלֹשָׁ֧ה (shelosha) = drie | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:30; Num 26:50 **1:44** Dit zijn de getelden die Mozes, Aäron en de twaalf leiders van Israël hebben geteld. Zij waren ieder één man voor het vaderhuis van zijn vaders. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | הַפְּקֻדִ֡ים (hapequdim) = de getelden | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | פָּקַ֨ד (paqad) = telde | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹן֙ (veaharon) = en Aäron | וּנְשִׂיאֵ֣י (unesiei) = en de leiders van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twaalf | עָשָׂ֖ר (asar) = man | אִ֑ישׁ (ish) = een man | אִישׁ (ish) = een man | אֶחָ֥ד (echad) = een | לְבֵית (leveit) = voor het vaderhuis van | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaders | הָיֽוּ (hayu) = zij waren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:2–16; Num 26:64 **1:45** Alle getelden van de zonen van Israël, naar hun vaderhuizen, van twintig jaar en ouder, allen in Israël die met het leger konden uittrekken: Brontekst: וַיִּֽהְי֛וּ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | פְּקוּדֵ֥י (pequdei) = getelden van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | כָּל (kal) = alle | יֹצֵ֥א (yotse) = uittrekkend | צָבָ֖א (tsava) = in het leger | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:46** alle getelden waren 603.550. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | הַפְּקֻדִ֔ים (hapequdim) = de getelden | שֵׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּשְׁלֹ֣שֶׁת (usheloshet) = en drie | אֲלָפִ֑ים (alafim) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּֽׁים (vachamishim) = en vijftig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 603.550 is hetzelfde getal als bij de telling in Exod. 38:26. Het getal is hier de som van de twaalf stammen in de verzen 21–43. Zie ook: Ex 12:37; Ex 38:26; Num 2:32; Num 26:51; Deut 10:22 ### De Levieten worden niet meegeteld **1:47** Maar de Levieten werden naar de stam van hun vaders niet onder hen geteld. Brontekst: וְהַלְוִיִּ֖ם (vehalviyim) = en de Levieten | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = naar de stam van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | לֹ֥א (lo) = niet | הָתְפָּקְד֖וּ (hatpaqedu) = werden geteld | בְּתוֹכָֽם (betokham) = te midden van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten krijgen een eigen telling, vanaf een maand oud (Num. 3:15), omdat zij niet met het leger uittrekken maar de tabernakel dienen. Zie ook: Num 2:33; Num 3:1–4:49; Num 3:15; Num 26:57–62; 1 Kron 5:27–6:66; 1 Kron 21:6 **1:48** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:49** **„Alleen de stam Levi mag je niet tellen, en hun som mag je niet opnemen te midden van de zonen van Israël.** Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = alleen | אֶת (et) = (obj.) | מַטֵּ֤ה (mate) = de stam van | לֵוִי֙ (levi) = Levi | לֹ֣א (lo) = niet | תִפְקֹ֔ד (tifqod) = jij zult tellen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רֹאשָׁ֖ם (rosham) = hun som | לֹ֣א (lo) = niet | תִשָּׂ֑א (tisa) = jij zult opnemen | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:33; Num 26:62 **1:50** **Stel jij de Levieten aan over de tabernakel van het getuigenis, over al zijn voorwerpen en over alles wat erbij hoort. Zij moeten de tabernakel en al zijn voorwerpen dragen. Zij moeten hem dienen, en rondom de tabernakel moeten zij hun kamp opslaan.** Brontekst: וְאַתָּ֡ה (veata) = en jij | הַפְקֵ֣ד (hafqed) = stel aan | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּם֩ (halviyim) = de Levieten | עַל (al) = over | מִשְׁכַּ֨ן (mishkan) = de tabernakel van | הָעֵדֻ֜ת (haedut) = het getuigenis | וְעַ֣ל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | כֵּלָיו֮ (kelav) = zijn voorwerpen | וְעַ֣ל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | אֲשֶׁר (asher) = wat | לוֹ֒ (lo) = bij hem hoort | הֵ֜מָּה (hema) = zij | יִשְׂא֤וּ (yisu) = zullen dragen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּן֙ (hamishkan) = de tabernakel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְהֵ֖ם (vehem) = en zij | יְשָׁרְתֻ֑הוּ (yesharetuhu) = zullen hem dienen | וְסָבִ֥יב (vesaviv) = en rondom | לַמִּשְׁכָּ֖ן (lamishkan) = de tabernakel | יַחֲנֽוּ (yachanu) = zullen zij kamperen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד (paqad) betekent ‘tellen’, maar ook ‘aanstellen, een taak toevertrouwen’. In de verzen 49 en 50 gebruikt de tekst het woord in beide betekenissen: de Levieten worden niet geteld, maar aangesteld. De taken van de Levieten staan in Num. 3–4. Zie ook: Ex 31:18; Ex 38:21; Num 4:15; Num 4:25–33; 1 Kron 23:1–32 **1:51** **Wanneer de tabernakel opbreekt, moeten de Levieten hem afbreken. Wanneer de tabernakel zijn kamp opslaat, moeten de Levieten hem opzetten. Een vreemde die dichtbij komt, moet gedood worden.** Brontekst: וּבִנְסֹ֣עַ (uvinsoa) = en bij het opbreken van | הַמִּשְׁכָּ֗ן (hamishkan) = de tabernakel | יוֹרִ֤ידוּ (yoridu) = zullen afbreken | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | וּבַחֲנֹת֙ (uvachanot) = en bij het kamperen van | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | יָקִ֥ימוּ (yaqimu) = zullen oprichten | אֹת֖וֹ (oto) = hem | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | וְהַזָּ֥ר (vehazar) = en de vreemde | הַקָּרֵ֖ב (haqarev) = die nadert | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָר (zar), ‘vreemde’: iemand die geen Leviet is, en bij de tabernakel dus niets te doen heeft. Zie ook Num. 3:10. Zie ook: Num 3:10; Num 3:38; Num 18:22; 1 Sam 6:19; 2 Sam 6:7 **1:52** **De zonen van Israël moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn eigen kamp en ieder bij zijn eigen vaandel, naar hun legerscharen.** Brontekst: וְחָנ֖וּ (vechanu) = en kampeerden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אִ֧ישׁ (ish) = een man | עַֽל (al) = bij | מַחֲנֵ֛הוּ (machanehu) = zijn kamp | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man | עַל (al) = bij | דִּגְל֖וֹ (diglo) = zijn vaandel | לְצִבְאֹתָֽם (letsivotam) = naar hun legerscharen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּגֶל (degel), ‘vaandel’: het teken van een groep van stammen, waaromheen zij hun kamp opslaan. De opstelling staat in Num. 2. Zie ook: Num 2:2; Num 2:34; Num 10:1–36; Num 24:2 **1:53** **De Levieten moeten rondom de tabernakel van het getuigenis hun kamp opslaan, zodat er geen toorn komt over de gemeenschap van de zonen van Israël. De Levieten moeten de wacht houden bij de tabernakel van het getuigenis.”** Brontekst: וְהַלְוִיִּ֞ם (vehalviyim) = en de Levieten | יַחֲנ֤וּ (yachanu) = zullen kamperen | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | לְמִשְׁכַּ֣ן (lemishkan) = de tabernakel van | הָעֵדֻ֔ת (haedut) = het getuigenis | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | קֶ֔צֶף (qetsef) = toorn | עַל (al) = over | עֲדַ֖ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְשָׁמְרוּ֙ (veshameru) = en zullen houden | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֖רֶת (mishmeret) = de wacht van | מִשְׁכַּ֥ן (mishkan) = de tabernakel van | הָעֵדֽוּת (haedut) = het getuigenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶצֶף (qetsef), ‘toorn’: Yahweh wordt kwaad als een ander dan een Leviet het heilige nadert. De Levieten staan daarom als beschutting rondom de tabernakel (Num. 18:5). Zie ook: Lev 10:6; Num 8:19; Num 17:11; Num 18:5; Num 31:30; 1 Kron 23:32 **1:54** De zonen van Israël deden het. Precies zoals Yahweh Mozes geboden had, zo deden zij. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂ֖וּ (vayaasu) = en deden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כְּ֠כֹל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשֽׂוּ (asu) = deden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:21–22; Ex 39:32; Ex 40:16; Ex 40:32; Deut 13:1 ## Numeri 2 _De opstelling van het kamp en de volgorde van opbreken_ ### Het kamp rond de tent van samenkomst **2:1** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:2** **„De zonen van Israël moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn eigen vaandel, bij de tekens van hun vaderhuis. Zij moeten rondom de tent van samenkomst, tegenover die tent, hun kamp opslaan.** Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = een man | עַל (al) = bij | דִּגְל֤וֹ (diglo) = zijn vaandel | בְאֹתֹת֙ (beotot) = bij de tekenen van | לְבֵ֣ית (leveit) = het vaderhuis van | אֲבֹתָ֔ם (avotam) = hun vaders | יַחֲנ֖וּ (yachanu) = zullen kamperen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מִנֶּ֕גֶד (mineged) = tegenover | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | לְאֹֽהֶל (leohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | יַחֲנֽוּ (yachanu) = zullen kamperen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּגֶל (degel), ‘vaandel’, is het teken van een groep van drie stammen; אֹתֹת (otot), ‘tekens’, zijn de tekens van de afzonderlijke vaderhuizen. Wat deze tekens voorstelden, staat niet in de tekst. Voetnoot : מִנֶּגֶד (minneged), ‘tegenover’: de stammen kamperen rondom de tent, maar niet vlak ernaast; ook de Levieten staan nog tussen de stammen en de tent (Num. 1:53). Zie ook: Num 1:50; Num 1:53; Num 10:22; Joz 3:4; 1 Kor 14:33; 1 Kor 14:40 ### Het oosten: Juda, Issachar en Zebulon **2:3** **Aan de oostkant, naar de zonsopgang, slaat het vaandel van het kamp van Juda zijn kamp op, naar hun legerscharen. De leider van de zonen van Juda is Nachsjon, de zoon van Amminadab.** Brontekst: וְהַחֹנִים֙ (vehachonim) = en de kampenden | קֵ֣דְמָה (qedema) = oostwaarts | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = zonopgangwaarts | דֶּ֛גֶל (degel) = het vaandel van | מַחֲנֵ֥ה (machane) = het kamp van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | נַחְשׁ֖וֹן (nachshon) = Nachsjon | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּינָדָֽב (aminadav) = Amminadab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De oostkant is de kant van de ingang van de tabernakel. Daar slaan ook Mozes, Aäron en de priesters hun kamp op (Num. 3:38). Het vaandel van Juda gaat voorop als Israël opbreekt (vers 9). Zie ook: Num 1:7; Num 2:9; Num 3:38; Num 10:14–16; Ruth 4:20; 1 Kron 2:10; Luc 3:32–33 **2:4** **Zijn leger en zijn getelden: 74.600.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדֵיהֶ֑ם (ufequdeihem) = en zijn getelden | אַרְבָּעָ֧ה (arbaa) = vier | וְשִׁבְעִ֛ים (veshivim) = en zeventig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:27; Num 26:22 **2:5** **Naast hem slaat de stam Issachar zijn kamp op. De leider van de zonen van Issachar is Netanel, de zoon van Zuar.** Brontekst: וְהַחֹנִ֥ים (vehachonim) = en de kampenden | עָלָ֖יו (alav) = naast hem | מַטֵּ֣ה (mate) = de stam van | יִשָּׂשכָ֑ר (yisashkhar) = Issachar | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יִשָּׂשכָ֔ר (yisashkhar) = Issachar | נְתַנְאֵ֖ל (netanel) = Netanel | בֶּן (ben) = zoon van | צוּעָֽר (tsuar) = Zuar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:8; Num 1:28–29; Num 7:18; Num 7:23; Num 10:15 **2:6** **Zijn leger en zijn getelden: 54.400.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדָ֑יו (ufequdav) = en zijn getelden | אַרְבָּעָ֧ה (arbaa) = vier | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:29; Num 26:25 **2:7** **De stam Zebulon: de leider van de zonen van Zebulon is Eliab, de zoon van Chelon.** Brontekst: מַטֵּ֖ה (mate) = de stam van | זְבוּלֻ֑ן (zevulun) = Zebulon | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | זְבוּלֻ֔ן (zevulun) = Zebulon | אֱלִיאָ֖ב (eliav) = Eliab | בֶּן (ben) = zoon van | חֵלֹֽן (chelon) = Chelon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:9; Num 1:30–31; Num 7:24; Num 7:29; Num 10:16 **2:8** **Zijn leger en zijn getelden: 57.400.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדָ֑יו (ufequdav) = en zijn getelden | שִׁבְעָ֧ה (shiva) = zeven | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:31; Num 26:26–27 **2:9** **Alle getelden van het kamp van Juda: 186.400, naar hun legerscharen. Zij breken als eerste op.** Brontekst: כָּֽל (kal) = alle | הַפְּקֻדִ֞ים (hapequdim) = de getelden | לְמַחֲנֵ֣ה (lemachane) = voor het kamp van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | מְאַ֨ת (meat) = honderd | אֶ֜לֶף (elef) = duizend | וּשְׁמֹנִ֥ים (ushemonim) = en tachtig | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | וְשֵֽׁשֶׁת (vesheshet) = en zes | אֲלָפִ֥ים (alafim) = duizend | וְאַרְבַּע (vearba) = en vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | רִאשֹׁנָ֖ה (rishona) = als eerste | יִסָּֽעוּ (yisau) = zullen opbreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 10:14 ### Het zuiden: Ruben, Simeon en Gad **2:10** **Aan de zuidkant staat het vaandel van het kamp van Ruben, naar hun legerscharen. De leider van de zonen van Ruben is Elizur, de zoon van Sjedeür.** Brontekst: דֶּ֣גֶל (degel) = het vaandel van | מַחֲנֵ֧ה (machane) = het kamp van | רְאוּבֵ֛ן (reuven) = Ruben | תֵּימָ֖נָה (teimana) = zuidwaarts | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | אֱלִיצ֖וּר (elitsur) = Elizur | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁדֵיאֽוּר (shedeiur) = Sjedeür Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:3–4; Num 1:5; Num 7:30; Num 7:35; Num 10:18 **2:11** **Zijn leger en zijn getelden: 46.500.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדָ֑יו (ufequdav) = en zijn getelden | שִׁשָּׁ֧ה (shisha) = zes | וְאַרְבָּעִ֛ים (vearbaim) = en veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:21; Num 26:7 **2:12** **Naast hem slaat de stam Simeon zijn kamp op. De leider van de zonen van Simeon is Sjelumiël, de zoon van Zurisjaddai.** Brontekst: וְהַחוֹנִ֥ם (vehachonim) = en de kampenden | עָלָ֖יו (alav) = naast hem | מַטֵּ֣ה (mate) = de stam van | שִׁמְע֑וֹן (shimon) = Simeon | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | שִׁמְע֔וֹן (shimon) = Simeon | שְׁלֻמִיאֵ֖ל (shelumiel) = Sjelumiël | בֶּן (ben) = zoon van | צוּרִֽי (tsuri) = Zuri | שַׁדָּֽי (shaday) = sjaddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:6; Num 7:36; Num 7:41; Num 10:19 **2:13** **Zijn leger en zijn getelden: 59.300.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדֵיהֶ֑ם (ufequdeihem) = en zijn getelden | תִּשְׁעָ֧ה (tisha) = negen | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּשְׁלֹ֥שׁ (ushelosh) = en drie | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:23; Num 26:14 **2:14** **De stam Gad: de leider van de zonen van Gad is Eljasaf, de zoon van Reüel.** Brontekst: וְמַטֵּ֖ה (vemate) = en de stam van | גָּ֑ד (gad) = Gad | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | גָ֔ד (gad) = Gad | אֶלְיָסָ֖ף (elyasaf) = Eljasaf | בֶּן (ben) = zoon van | רְעוּאֵֽל (reuel) = Reüel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de Hebreeuwse tekst staat hier רְעוּאֵל (Reüel). Dezelfde man heet in Num. 1:14, 7:42 en 10:20 Deüel (דְּעוּאֵל). Het verschil is één letter: ר (resj) en ד (dalet) lijken sterk op elkaar. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: Num 1:14; Num 7:42; Num 7:47; Num 10:20 **2:15** **Zijn leger en zijn getelden: 45.650.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדֵיהֶ֑ם (ufequdeihem) = en zijn getelden | חֲמִשָּׁ֤ה (chamisha) = vijf | וְאַרְבָּעִים֙ (vearbaim) = en veertig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּֽׁים (vachamishim) = en vijftig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:25; Num 26:18 **2:16** **Alle getelden van het kamp van Ruben: 151.450, naar hun legerscharen. Zij breken als tweede op.** Brontekst: כָּֽל (kal) = alle | הַפְּקֻדִ֞ים (hapequdim) = de getelden | לְמַחֲנֵ֣ה (lemachane) = voor het kamp van | רְאוּבֵ֗ן (reuven) = Ruben | מְאַ֨ת (meat) = honderd | אֶ֜לֶף (elef) = duizend | וְאֶחָ֨ד (veechad) = en een | וַחֲמִשִּׁ֥ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּע (vearba) = en vier | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּׁ֖ים (vachamishim) = en vijftig | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | וּשְׁנִיִּ֖ם (usheniyim) = en als tweede | יִסָּֽעוּ (yisau) = zullen opbreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:9; Num 2:24; Num 2:31; Num 10:18 ### De Levieten in het midden **2:17** **De tent van samenkomst breekt op, met het kamp van de Levieten, te midden van de kampen. Zoals zij hun kamp opslaan, zo breken zij op, ieder op zijn plaats, bij hun vaandels.** Brontekst: וְנָסַ֧ע (venasa) = en zal opbreken | אֹֽהֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֛ד (moed) = samenkomst | מַחֲנֵ֥ה (machane) = het kamp van | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | הַֽמַּחֲנֹ֑ת (hamachanot) = de kampen | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | יַחֲנוּ֙ (yachanu) = zij kamperen | כֵּ֣ן (ken) = zo | יִסָּ֔עוּ (yisau) = zullen zij opbreken | אִ֥ישׁ (ish) = een man | עַל (al) = op | יָד֖וֹ (yado) = zijn plaats | לְדִגְלֵיהֶֽם (ledigleihem) = naar hun vaandels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten met de tent van samenkomst trekken in het midden van de stoet. In Num. 10:17–21 staat hoe dit in de praktijk ging. Zie ook: Num 1:50–53; Num 10:17; Num 10:21; 1 Kor 14:40; Kol 2:5 ### Het westen: Efraïm, Manasse en Benjamin **2:18** **Aan de westkant staat het vaandel van het kamp van Efraïm, naar hun legerscharen. De leider van de zonen van Efraïm is Elisjama, de zoon van Ammihud.** Brontekst: דֶּ֣גֶל (degel) = het vaandel van | מַחֲנֵ֥ה (machane) = het kamp van | אֶפְרַ֛יִם (efrayim) = Efraïm | לְצִבְאֹתָ֖ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | יָ֑מָּה (yama) = westwaarts | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | אֱלִישָׁמָ֖ע (elishama) = Elisjama | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּיהֽוּד (amihud) = Ammihud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 48:14–20; Num 1:10; Num 7:53; Num 10:22; Ps 80:2–3 **2:19** **Zijn leger en zijn getelden: 40.500.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדֵיהֶ֑ם (ufequdeihem) = en zijn getelden | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:33; Num 26:37 **2:20** **Naast hem staat de stam Manasse. De leider van de zonen van Manasse is Gamliël, de zoon van Pedazur.** Brontekst: וְעָלָ֖יו (vealav) = en naast hem | מַטֵּ֣ה (mate) = de stam van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | גַּמְלִיאֵ֖ל (gamliel) = Gamliël | בֶּן (ben) = zoon van | פְּדָהצֽוּר (pedahtsur) = Pedazur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:10; Num 7:54; Num 7:59; Num 10:23 **2:21** **Zijn leger en zijn getelden: 32.200.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדֵיהֶ֑ם (ufequdeihem) = en zijn getelden | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = twee | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:35; Num 26:34 **2:22** **De stam Benjamin: de leider van de zonen van Benjamin is Abidan, de zoon van Gideoni.** Brontekst: וּמַטֵּ֖ה (umate) = en de stam van | בִּנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | אֲבִידָ֖ן (avidan) = Abidan | בֶּן (ben) = zoon van | גִּדְעֹנִֽי (gidoni) = Gideoni Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:11; Num 7:60; Num 7:65; Num 10:24; Ps 68:28 **2:23** **Zijn leger en zijn getelden: 35.400.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדֵיהֶ֑ם (ufequdeihem) = en zijn getelden | חֲמִשָּׁ֧ה (chamisha) = vijf | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:37; Num 26:41 **2:24** **Alle getelden van het kamp van Efraïm: 108.100, naar hun legerscharen. Zij breken als derde op.** Brontekst: כָּֽל (kal) = alle | הַפְּקֻדִ֞ים (hapequdim) = de getelden | לְמַחֲנֵ֣ה (lemachane) = voor het kamp van | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | מְאַ֥ת (meat) = honderd | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | וּשְׁמֹֽנַת (ushemonat) = en acht | אֲלָפִ֥ים (alafim) = duizend | וּמֵאָ֖ה (umea) = en honderd | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | וּשְׁלִשִׁ֖ים (ushelishim) = en als derde | יִסָּֽעוּ (yisau) = zullen opbreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:9; Num 2:16; Num 2:31; Num 10:22; Ps 80:3 ### Het noorden: Dan, Aser en Naftali **2:25** **Aan de noordkant staat het vaandel van het kamp van Dan, naar hun legerscharen. De leider van de zonen van Dan is Achiëzer, de zoon van Ammisjaddai.** Brontekst: דֶּ֣גֶל (degel) = het vaandel van | מַחֲנֵ֥ה (machane) = het kamp van | דָ֛ן (dan) = Dan | צָפֹ֖נָה (tsafona) = noordwaarts | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | דָ֔ן (dan) = Dan | אֲחִיעֶ֖זֶר (achiezer) = Achiëzer | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּֽישַׁדָּֽי (amishaday) = Ammisjaddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:12; Num 7:66; Num 7:71; Num 10:25 **2:26** **Zijn leger en zijn getelden: 62.700.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדֵיהֶ֑ם (ufequdeihem) = en zijn getelden | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = twee | וְשִׁשִּׁ֛ים (veshishim) = en zestig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:39; Num 26:43 **2:27** **Naast hem slaat de stam Aser zijn kamp op. De leider van de zonen van Aser is Pagiël, de zoon van Ochran.** Brontekst: וְהַחֹנִ֥ים (vehachonim) = en de kampenden | עָלָ֖יו (alav) = naast hem | מַטֵּ֣ה (mate) = de stam van | אָשֵׁ֑ר (asher) = Aser | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | אָשֵׁ֔ר (asher) = Aser | פַּגְעִיאֵ֖ל (pagiel) = Pagiël | בֶּן (ben) = zoon van | עָכְרָֽן (akheran) = Ochran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:13; Num 7:72; Num 7:77 **2:28** **Zijn leger en zijn getelden: 41.500.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדֵיהֶ֑ם (ufequdeihem) = en zijn getelden | אֶחָ֧ד (echad) = een | וְאַרְבָּעִ֛ים (vearbaim) = en veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:41; Num 26:47 **2:29** **De stam Naftali: de leider van de zonen van Naftali is Achira, de zoon van Enan.** Brontekst: וּמַטֵּ֖ה (umate) = en de stam van | נַפְתָּלִ֑י (naftali) = Naftali | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de leider | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | נַפְתָּלִ֔י (naftali) = Naftali | אֲחִירַ֖ע (achira) = Achira | בֶּן (ben) = zoon van | עֵינָֽן (einan) = Enan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:15; Num 1:42–43; Num 7:78; Num 7:83; Num 26:48–50 **2:30** **Zijn leger en zijn getelden: 53.400.** Brontekst: וּצְבָא֖וֹ (utsevao) = en zijn leger | וּפְקֻדֵיהֶ֑ם (ufequdeihem) = en zijn getelden | שְׁלֹשָׁ֧ה (shelosha) = drie | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:42–43; Num 26:50 **2:31** **Alle getelden van het kamp van Dan: 157.600. Zij breken als laatste op, bij hun vaandels.”** Brontekst: כָּל (kal) = alle | הַפְּקֻדִים֙ (hapequdim) = de getelden | לְמַ֣חֲנֵה (lemachane) = voor het kamp van | דָ֔ן (dan) = Dan | מְאַ֣ת (meat) = honderd | אֶ֗לֶף (elef) = duizend | וְשִׁבְעָ֧ה (veshiva) = en zeven | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en zes | מֵא֑וֹת (meot) = honderd | לָאַחֲרֹנָ֥ה (laacharona) = als laatste | יִסְע֖וּ (yisu) = zullen opbreken | לְדִגְלֵיהֶֽם (ledigleihem) = naar hun vaandels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:9; Num 2:16; Num 2:24; Num 10:25 ### Het totaal **2:32** Dit zijn de getelden van de zonen van Israël, naar hun vaderhuizen. Alle getelden van de kampen, naar hun legerscharen: 603.550. Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = dit | פְּקוּדֵ֥י (pequdei) = getelden van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | כָּל (kal) = alle | פְּקוּדֵ֤י (pequdei) = getelden van | הַֽמַּחֲנֹת֙ (hamachanot) = de kampen | לְצִבְאֹתָ֔ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | שֵׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | וּשְׁלֹ֣שֶׁת (usheloshet) = en drie | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּֽׁים (vachamishim) = en vijftig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 603.550 is hetzelfde getal als in Num. 1:46: 186.400 + 151.450 + 108.100 + 157.600. Zie ook: Ex 12:37; Ex 38:26; Num 1:46; Num 2:9; Num 11:21 **2:33** De Levieten werden niet onder de zonen van Israël geteld, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וְהַ֨לְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | לֹ֣א (lo) = niet | הָתְפָּקְד֔וּ (hatpaqedu) = werden geteld | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:47–49; Num 26:57–62 **2:34** De zonen van Israël deden het. Precies zoals Yahweh Mozes geboden had, zo sloegen zij hun kamp op bij hun vaandels. En zo braken zij op, ieder naar zijn familie, bij zijn vaderhuis. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂ֖וּ (vayaasu) = en deden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כְּ֠כֹל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֨ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | כֵּֽן (ken) = zo | חָנ֤וּ (chanu) = kampeerden zij | לְדִגְלֵיהֶם֙ (ledigleihem) = bij hun vaandels | וְכֵ֣ן (vekhen) = en zo | נָסָ֔עוּ (nasau) = braken zij op | אִ֥ישׁ (ish) = een man | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖יו (lemishpechotav) = naar zijn families | עַל (al) = bij | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:9–10; Num 24:2; Num 24:5–6; Ps 119:6; Luc 1:6 ## Numeri 3 _De Levieten nemen de plaats van de eerstgeborenen in_ ### De zonen van Aäron **3:1** Dit is de geschiedenis van Aäron en Mozes, op de dag dat Yahweh op de berg Sinaï tot Mozes sprak. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit | תּוֹלְדֹ֥ת (toledot) = geschiedenis van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וּמֹשֶׁ֑ה (umoshe) = en Mozes | בְּי֗וֹם (beyom) = op de dag | דִּבֶּ֧ר (diber) = sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | סִינָֽי (sinay) = Sinaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Sinaï: zie de voetnoot bij Num. 1:1. Voetnoot Uitleg: תּוֹלְדֹת (toledot), ‘geschiedenis’: wat uit iemand voortkomt. Hier volgen alleen de zonen van Aäron; de zonen van Mozes staan in Exod. 18:3–4. Zie ook: Gen 2:4; Gen 5:1; Ex 6:16; Ex 6:20; Ex 18:3–4; Num 1:1; Mat 1:1 **3:2** Dit zijn de namen van de zonen van Aäron: Nadab, de eerstgeborene, en Abihu, Eleazar en Itamar. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit | שְׁמ֥וֹת (shemot) = namen van | בְּֽנֵי (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | הַבְּכ֣וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | נָדָ֑ב (nadav) = Nadab | וַאֲבִיה֕וּא (vaavihu) = en Abihu | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | וְאִיתָמָֽר (veitamar) = en Itamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:23; Ex 28:1; Num 26:60; 1 Kron 5:29; 1 Kron 24:1 **3:3** Dit zijn de namen van de zonen van Aäron, de gezalfde priesters, die ingewijd zijn om priester te zijn. Brontekst: אֵ֗לֶּה (ele) = dit | שְׁמוֹת֙ (shemot) = namen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | הַמְּשֻׁחִ֑ים (hameshuchim) = de gezalfden | אֲשֶׁר (asher) = die | מִלֵּ֥א (mile) = vulde | יָדָ֖ם (yadam) = hun hand | לְכַהֵֽן (lekhahen) = om priester te zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלֵּא יָדָם (mille jadam), letterlijk ‘hun hand vullen’: inwijden tot priester. Zie Exod. 29:9 en Lev. 8. Zie ook: Ex 28:41; Ex 29:9; Lev 8:1–9; Lev 8:12; Lev 8:30; Heb 7:28 **3:4** Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht van Yahweh toen zij in de woestijn van Sinaï vreemd vuur voor het aangezicht van Yahweh brachten. Zij hadden geen zonen. Eleazar en Itamar dienden als priester in het bijzijn van Aäron, hun vader. Brontekst: וַיָּ֣מָת (vayamat) = en stierf | נָדָ֣ב (nadav) = Nadab | וַאֲבִיה֣וּא (vaavihu) = en Abihu | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | בְּֽהַקְרִבָם֩ (behaqrivam) = bij hun brengen van | אֵ֨שׁ (esh) = vuur | זָרָ֜ה (zara) = vreemd | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּמִדְבַּ֣ר (bemidbar) = in de woestijn van | סִינַ֔י (sinay) = Sinaï | וּבָנִ֖ים (uvanim) = en zonen | לֹא (lo) = niet | הָי֣וּ (hayu) = waren | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וַיְכַהֵ֤ן (vaykhahen) = en deed priesterdienst | אֶלְעָזָר֙ (elazar) = Eleazar | וְאִ֣יתָמָ֔ר (veitamar) = en Itamar | עַל (al) = op | פְּנֵ֖י (penei) = het aangezicht van | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | אֲבִיהֶֽם (avihem) = hun vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: De dood van Nadab en Abihu staat in Lev. 10:1–7. Dat zij geen zonen hadden, staat ook in 1 Kron. 24:2. Zie ook: Lev 10:1–2; Num 26:61; 1 Kron 24:2 ### De Levieten worden aan Aäron gegeven **3:5** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:6** **„Laat de stam Levi naderen en stel hem op voor het aangezicht van de priester Aäron. Zij moeten hem dienen.** Brontekst: הַקְרֵב֙ (haqrev) = laat naderen | אֶת (et) = (obj.) | מַטֵּ֣ה (mate) = de stam van | לֵוִ֔י (levi) = Levi | וְֽהַעֲמַדְתָּ֣ (vehaamadta) = en stel op | אֹת֔וֹ (oto) = hem | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וְשֵׁרְת֖וּ (vesheretu) = en zij zullen dienen | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:26–29; Num 1:49–53; Num 2:33; Num 18:1–7; Deut 33:8–9 **3:7** **Zij moeten zijn wacht houden en de wacht van heel de gemeenschap, voor de tent van samenkomst, om de dienst van de tabernakel te doen.** Brontekst: וְשָׁמְר֣וּ (veshameru) = en zij zullen bewaren | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמַרְתּ֗וֹ (mishmarto) = zijn wacht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁמֶ֨רֶת֙ (mishmeret) = de wacht van | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | לַעֲבֹ֖ד (laavod) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַ֥ת (avodat) = de dienst van | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wacht’: wat iemand te bewaken en te verzorgen is opgedragen. Zo ook in Lev. 8:35. Wij houden dit woord in heel dit boek gelijk. Zie ook: Lev 8:35; Num 1:50; Num 8:11; Num 8:15; Num 8:24–26; 1 Kron 26:20 **3:8** **Zij moeten de wacht houden over alle voorwerpen van de tent van samenkomst. En zij moeten de wacht van de zonen van Israël houden, om de dienst van de tabernakel te doen.** Brontekst: וְשָׁמְר֗וּ (veshameru) = en zij zullen bewaren | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵי֙ (kelei) = voorwerpen van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁמֶ֖רֶת (mishmeret) = de wacht van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לַעֲבֹ֖ד (laavod) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַ֥ת (avodat) = de dienst van | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De wacht van de zonen van Israël’: wat de zonen van Israël zelf aan de tabernakel zouden moeten doen, doen de Levieten in hun plaats (vers 12 en 38). Zie ook: Num 3:12; Num 3:38; Num 4:15; Num 4:28; Num 4:33; Num 10:21; Jes 52:11 **3:9** **Geef de Levieten aan Aäron en zijn zonen. Zij zijn helemaal aan hem gegeven, uit de zonen van Israël.** Brontekst: וְנָתַתָּה֙ (venatata) = en jij zult geven | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | לְאַהֲרֹ֖ן (leaharon) = aan Aäron | וּלְבָנָ֑יו (ulevanav) = en aan zijn zonen | נְתוּנִ֨ם (netunim) = gegeven | נְתוּנִ֥ם (netunim) = gegeven | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | ל֔וֹ (lo) = aan hem | מֵאֵ֖ת (meet) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְתוּנִם נְתוּנִם (netunim netunim), ‘gegeven, gegeven’: de herhaling versterkt het woord, ‘helemaal gegeven’. Zie ook Num. 8:16. Zie ook: Num 8:16; Num 8:19; Num 18:6–7; Ef 4:8; Ef 4:11 **3:10** **Stel Aäron en zijn zonen aan, zodat zij hun priesterschap bewaren. Een vreemde die dichtbij komt, moet gedood worden.”** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָיו֙ (banav) = zijn zonen | תִּפְקֹ֔ד (tifqod) = jij zult aanstellen | וְשָׁמְר֖וּ (veshameru) = en zij zullen bewaren | אֶת (et) = (obj.) | כְּהֻנָּתָ֑ם (kehunatam) = hun priesterschap | וְהַזָּ֥ר (vehazar) = en de vreemde | הַקָּרֵ֖ב (haqarev) = die nadert | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:51; Num 3:38; Num 18:7; Rom 12:7; 1 Tim 4:15–16 ### De Levieten in de plaats van de eerstgeborenen **3:11** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:12** **„Zie, Ik heb de Levieten genomen uit de zonen van Israël. Zij komen in de plaats van elke eerstgeborene die de moederschoot opent onder de zonen van Israël. De Levieten zijn van Mij.** Brontekst: וַאֲנִ֞י (vaani) = en Ik | הִנֵּ֧ה (hine) = zie | לָקַ֣חְתִּי (laqachti) = ik heb genomen | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | מִתּוֹךְ֙ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | תַּ֧חַת (tachat) = in de plaats van | כָּל (kal) = elke | בְּכ֛וֹר (bekhor) = eerstgeborene | פֶּ֥טֶר (peter) = opener van | רֶ֖חֶם (rechem) = moederschoot | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = uit de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהָ֥יוּ (vehayu) = en zullen zijn | לִ֖י (li) = voor Mij | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּטֶר רֶחֶם (peter rechem), ‘opener van de moederschoot’: de eerstgeborene van een moeder. Zie Exod. 13:2 en 13:12–15. Zie ook: Ex 13:2; Ex 13:12; Num 3:41; Num 8:16; Num 8:18; Num 18:6 **3:13** **Want elke eerstgeborene is van Mij. Op de dag dat Ik elke eerstgeborene in het land Egypte sloeg, heb Ik elke eerstgeborene in Israël voor Mij geheiligd, van mens tot dier. Zij zijn van Mij. Ik ben Yahweh.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לִי֮ (li) = voor Mij | כָּל (kal) = elke | בְּכוֹר֒ (bekhor) = eerstgeborene | בְּיוֹם֩ (beyom) = op de dag | הַכֹּתִ֨י (hakoti) = dat Ik sloeg | כָל (kal) = elke | בְּכ֜וֹר (bekhor) = eerstgeborene | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | הִקְדַּ֨שְׁתִּי (hiqdashti) = heb Ik geheiligd | לִ֤י (li) = voor Mij | כָל (kal) = elke | בְּכוֹר֙ (bekhor) = eerstgeborene | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | מֵאָדָ֖ם (meadam) = van mens | עַד (ad) = tot | בְּהֵמָ֑ה (behema) = dier | לִ֥י (li) = voor Mij | יִהְי֖וּ (yihyu) = zullen zijn | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De eerstgeborenen van Israël zijn van Yahweh sinds de nacht dat Hij de eerstgeborenen van Egypte sloeg (Exod. 12:29; 13:2). De Levieten komen daar nu voor in de plaats. Zie ook: Ex 12:29; Ex 13:2; Ex 13:12; Ex 13:15; Lev 27:26; Luc 2:23 ### De telling van de Levieten **3:14** Yahweh sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï: Brontekst: וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בְּמִדְבַּ֥ר (bemidbar) = in de woestijn van | סִינַ֖י (sinay) = Sinaï | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. **3:15** **„Tel de zonen van Levi, naar hun vaderhuizen en hun families. Tel alle mannen van een maand oud en ouder.”** Brontekst: פְּקֹד֙ (peqod) = tel | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | לֵוִ֔י (levi) = Levi | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֖ם (avotam) = hun vaders | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | כָּל (kal) = alle | זָכָ֛ר (zakhar) = mannen | מִבֶּן (miben) = vanaf de zoon van | חֹ֥דֶשׁ (chodesh) = een maand | וָמַ֖עְלָה (vamala) = en ouder | תִּפְקְדֵֽם (tifqedem) = jij zult hen tellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:34; Num 3:39–40; Num 26:62; Mar 10:14; 2 Tim 3:15 **3:16** Mozes telde hen op bevel van Yahweh, zoals hem geboden was. Brontekst: וַיִּפְקֹ֥ד (vayifqod) = en telde | אֹתָ֛ם (otam) = hen | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עַל (al) = naar | פִּ֣י (pi) = de mond van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צֻוָּֽה (tsuva) = hem was geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:39; Num 3:51; Num 4:27; Num 4:37; Num 4:45 **3:17** Dit waren de zonen van Levi, met hun namen: Gersjon, Kehat en Merari. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ (vayihyu) = en waren | אֵ֥לֶּה (ele) = dezen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | לֵוִ֖י (levi) = Levi | בִּשְׁמֹתָ֑ם (bishmotam) = met hun namen | גֵּרְשׁ֕וֹן (gereshon) = Gersjon | וּקְהָ֖ת (uqehat) = en Kehat | וּמְרָרִֽי (umerari) = en Merari Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:11; Ex 6:16–19; Num 23:6–23; 1 Kron 6:1–4; Neh 11:1–12 **3:18** Dit zijn de namen van de zonen van Gersjon, naar hun families: Libni en Simi. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit | שְׁמ֥וֹת (shemot) = namen van | בְּֽנֵי (benei) = de zonen van | גֵרְשׁ֖וֹן (gereshon) = Gersjon | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | לִבְנִ֖י (livni) = Libni | וְשִׁמְעִֽי (veshimi) = en Simi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:17–19; 1 Kron 6:2; 1 Kron 23:7–11; 1 Kron 26:1–32; Neh 12:1–26 **3:19** De zonen van Kehat, naar hun families: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | עַמְרָ֣ם (amram) = Amram | וְיִצְהָ֔ר (veyitshar) = en Jishar | חֶבְר֖וֹן (chevron) = Hebron | וְעֻזִּיאֵֽל (veuziel) = en Uzziël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:18; Ex 6:20; Num 3:27; 1 Kron 6:3; 1 Kron 25:4 **3:20** De zonen van Merari, naar hun families: Machli en Musi. Dit zijn de families van de Levieten, naar hun vaderhuizen. Brontekst: וּבְנֵ֧י (uvenei) = en de zonen van | מְרָרִ֛י (merari) = Merari | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | מַחְלִ֣י (machli) = Machli | וּמוּשִׁ֑י (umushi) = en Musi | אֵ֥לֶּה (ele) = dezen | הֵ֛ם (hem) = zij | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | הַלֵּוִ֖י (halevi) = de Leviet | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:19; 1 Kron 6:4; 1 Kron 6:14; 1 Kron 23:21–23; 1 Kron 24:27–30 ### De Gersjonieten **3:21** Van Gersjon: de familie van de Libnieten en de familie van de Simieten. Dit zijn de families van de Gersjonieten. Brontekst: לְגֵ֣רְשׁ֔וֹן (legereshon) = voor Gersjon | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַלִּבְנִ֔י (halivni) = de Libniet | וּמִשְׁפַּ֖חַת (umishpachat) = en familie van | הַשִּׁמְעִ֑י (hashimi) = de Simiet | אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | הֵ֔ם (hem) = zij | מִשְׁפְּחֹ֖ת (mishpechot) = families van | הַגֵּרְשֻׁנִּֽי (hagereshuni) = de Gersjoniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:22** Hun getelden, naar het aantal van alle mannen van een maand oud en ouder: hun getelden waren 7.500. Brontekst: פְּקֻדֵיהֶם֙ (pequdeihem) = hun getelden | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | כָּל (kal) = alle | זָכָ֔ר (zakhar) = mannen | מִבֶּן (miben) = vanaf de zoon van | חֹ֖דֶשׁ (chodesh) = een maand | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en ouder | פְּקֻ֣דֵיהֶ֔ם (pequdeihem) = hun getelden | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De drie aantallen (7.500, 8.600 en 6.200) staan in de verzen 22, 28 en 34. Zie de voetnoot bij vers 39. Zie ook: Num 3:39; Num 4:38–40 **3:23** De families van de Gersjonieten moeten achter de tabernakel, aan de westkant, hun kamp opslaan. Brontekst: מִשְׁפְּחֹ֖ת (mishpechot) = families van | הַגֵּרְשֻׁנִּ֑י (hagereshuni) = de Gersjoniet | אַחֲרֵ֧י (acharei) = achter | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | יַחֲנ֖וּ (yachanu) = zullen kamperen | יָֽמָּה (yama) = westwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:53; Num 2:17 **3:24** De leider van het vaderhuis van de Gersjonieten was Eljasaf, de zoon van Lael. Brontekst: וּנְשִׂ֥יא (unesi) = en de leider van | בֵֽית (beit) = het huis van | אָ֖ב (av) = de vader | לַגֵּרְשֻׁנִּ֑י (lagereshuni) = voor de Gersjoniet | אֶלְיָסָ֖ף (elyasaf) = Eljasaf | בֶּן (ben) = zoon van | לָאֵֽל (lael) = Lael Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:25** De zonen van Gersjon moeten in de tent van samenkomst de wacht houden over de tabernakel en de tent, zijn dekking. Zij moeten ook de wacht houden over het gordijn voor de ingang van de tent van samenkomst. Brontekst: וּמִשְׁמֶ֤רֶת (umishmeret) = en de wacht van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | גֵרְשׁוֹן֙ (gereshon) = Gersjon | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | וְהָאֹ֑הֶל (vehaohel) = en de tent | מִכְסֵ֕הוּ (mikhsehu) = zijn dekking | וּמָסַ֕ךְ (umasakh) = en het gordijn van | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De onderdelen die de Gersjonieten dragen, staan beschreven in Exod. 26:1–14 (de tent en haar dekking) en Exod. 27:9–19 (het voorhof). Hun taak bij het opbreken staat in Num. 4:24–26. Zie ook: Ex 25:9; Ex 26:1–14; Ex 27:9–19; Ex 40:28; Num 3:7; Num 4:24–26; Rom 12:6–8; 1 Tim 1:18 **3:26** Zij moeten de wacht houden over de omhangsels van het voorhof. Zij moeten ook de wacht houden over het gordijn voor de ingang van het voorhof dat rondom de tabernakel en het altaar loopt. Dat geldt ook voor zijn touwen en voor heel zijn dienst. Brontekst: וְקַלְעֵ֣י (veqalei) = en de omhangsels van | הֶֽחָצֵ֗ר (hechatser) = het voorhof | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מָסַךְ֙ (masakh) = het gordijn van | פֶּ֣תַח (petach) = de ingang van | הֶֽחָצֵ֔ר (hechatser) = het voorhof | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | וְעַל (veal) = en op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מֵֽיתָרָ֔יו (meitarav) = zijn touwen | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor al | עֲבֹדָתֽוֹ (avodato) = zijn dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:9–16; Ex 35:18; Ex 38:9–16 ### De Kehatieten **3:27** Van Kehat: de familie van de Amramieten, de familie van de Jisharieten, de familie van de Hebronieten en de familie van de Uzziëlieten. Dit zijn de families van de Kehatieten. Brontekst: וְלִקְהָ֗ת (veliqhat) = en voor Kehat | מִשְׁפַּ֤חַת (mishpachat) = familie van | הַֽעַמְרָמִי֙ (haamrami) = de Amramiet | וּמִשְׁפַּ֣חַת (umishpachat) = en familie van | הַיִּצְהָרִ֔י (hayitshari) = de Jishariet | וּמִשְׁפַּ֨חַת֙ (umishpachat) = en familie van | הַֽחֶבְרֹנִ֔י (hachevroni) = de Hebroniet | וּמִשְׁפַּ֖חַת (umishpachat) = en familie van | הָֽעָזִּיאֵלִ֑י (haazieli) = de Uzziëliet | אֵ֥לֶּה (ele) = dezen | הֵ֖ם (hem) = zij | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | הַקְּהָתִֽי (haqehati) = de Kehatiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:19; 1 Kron 23:12; 1 Kron 26:23 **3:28** Naar het aantal van alle mannen van een maand oud en ouder waren het er 8.600. Zij houden de wacht over het heilige. Brontekst: בְּמִסְפַּר֙ (bemispar) = in het aantal van | כָּל (kal) = alle | זָכָ֔ר (zakhar) = mannen | מִבֶּן (miben) = vanaf de zoon van | חֹ֖דֶשׁ (chodesh) = een maand | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en ouder | שְׁמֹנַ֤ת (shemonat) = acht | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en zes | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | שֹׁמְרֵ֖י (shomerei) = bewakers van | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = de wacht van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heilige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ (qodesh) is ‘het heilige’: de heilige plaats met alles wat erin is. Wij vertalen dit woord met ‘het heilige’. Alleen in ‘de sikkel van het heiligdom’ (vers 47 en 50) volgen wij Exodus. מִקְדָּשׁ (miqdash) in vers 38 vertalen wij met ‘heiligdom’. Zie ook: Num 3:7; Num 3:31; Num 3:38; Num 3:47; Num 3:50; Num 4:35–36 **3:29** De families van de zonen van Kehat moeten aan de zuidkant van de tabernakel hun kamp opslaan. Brontekst: מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | יַחֲנ֑וּ (yachanu) = zullen kamperen | עַ֛ל (al) = op | יֶ֥רֶךְ (yerekh) = de zijkant van | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | תֵּימָֽנָה (teimana) = zuidwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:53; Num 2:10; Num 3:23 **3:30** De leider van het vaderhuis van de families van de Kehatieten was Elizafan, de zoon van Uzziël. Brontekst: וּנְשִׂ֥יא (unesi) = en de leider van | בֵֽית (beit) = het huis van | אָ֖ב (av) = de vader | לְמִשְׁפְּחֹ֣ת (lemishpechot) = voor de families van | הַקְּהָתִ֑י (haqehati) = de Kehatiet | אֶלִיצָפָ֖ן (elitsafan) = Elizafan | בֶּן (ben) = zoon van | עֻזִּיאֵֽל (uziel) = Uzziël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:31** Hun wacht: de ark, de tafel, de kandelaar, de altaren, de heilige voorwerpen waarmee zij dienen, het gordijn en heel zijn dienst. Brontekst: וּמִשְׁמַרְתָּ֗ם (umishmartam) = en hun wacht | הָאָרֹ֤ן (haaron) = de ark | וְהַשֻּׁלְחָן֙ (vehashulchan) = en de tafel | וְהַמְּנֹרָ֣ה (vehamenora) = en de kandelaar | וְהַֽמִּזְבְּחֹ֔ת (vehamizbechot) = en de altaren | וּכְלֵ֣י (ukhelei) = en de voorwerpen van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | יְשָׁרְת֖וּ (yesharetu) = zij dienen | בָּהֶ֑ם (bahem) = ermee | וְהַ֨מָּסָ֔ךְ (vehamasakh) = en het gordijn | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | עֲבֹדָתֽוֹ (avodato) = zijn dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hun taken bij het opbreken staan in Num. 4:4–15. Zie ook: Ex 25:10–40; Ex 27:1–8; Ex 30:1–10; Ex 36:35–36; Ex 39:33–42; Num 4:4–15 **3:32** De leider van de leiders van de Levieten was Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Hij had het toezicht over hen die de wacht over het heilige houden. Brontekst: וּנְשִׂיא֙ (unesi) = en de leider van | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = de leiders van | הַלֵּוִ֔י (halevi) = de Levieten | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | בֶּן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | פְּקֻדַּ֕ת (pequdat) = toezicht op | שֹׁמְרֵ֖י (shomerei) = bewakers van | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = de wacht van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heilige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּקֻדַּת (pequddat), ‘toezicht’, komt van פָּקַד (paqad), dat ook ‘tellen’ en ‘aanstellen’ betekent (Num. 1:50). Zie ook: Num 1:50; Num 4:16; Num 4:27; Num 20:25–28; 1 Kron 9:14–20; 2 Kon 25:18 ### De Merarieten **3:33** Van Merari: de familie van de Machlieten en de familie van de Musieten. Dit zijn de families van Merari. Brontekst: לִמְרָרִ֕י (limrari) = voor Merari | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַמַּחְלִ֔י (hamachli) = de Machliet | וּמִשְׁפַּ֖חַת (umishpachat) = en familie van | הַמּוּשִׁ֑י (hamushi) = de Musiet | אֵ֥לֶּה (ele) = dezen | הֵ֖ם (hem) = zij | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | מְרָרִֽי (merari) = Merari Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:20; 1 Kron 6:4; 1 Kron 23:21 **3:34** Hun getelden, naar het aantal van alle mannen van een maand oud en ouder, waren 6.200. Brontekst: וּפְקֻדֵיהֶם֙ (ufequdeihem) = en hun getelden | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = in het aantal van | כָּל (kal) = alle | זָכָ֔ר (zakhar) = mannen | מִבֶּן (miben) = vanaf de zoon van | חֹ֖דֶשׁ (chodesh) = een maand | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en ouder | שֵׁ֥שֶׁת (sheshet) = zes | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:21; Num 2:9; Num 2:11 **3:35** De leider van het vaderhuis van de families van Merari was Zuriël, de zoon van Abichaïl. Zij moeten aan de noordkant van de tabernakel hun kamp opslaan. Brontekst: וּנְשִׂ֤יא (unesi) = en de leider van | בֵֽית (beit) = het huis van | אָב֙ (av) = de vader | לְמִשְׁפְּחֹ֣ת (lemishpechot) = voor de families van | מְרָרִ֔י (merari) = Merari | צוּרִיאֵ֖ל (tsuriel) = Zuriël | בֶּן (ben) = zoon van | אֲבִיחָ֑יִל (avichayil) = Abichaïl | עַ֣ל (al) = op | יֶ֧רֶךְ (yerekh) = de zijkant van | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | יַחֲנ֖וּ (yachanu) = zullen kamperen | צָפֹֽנָה (tsafona) = noordwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:53; Num 2:25; Num 3:28–29 **3:36** Het toezicht over de wacht van de zonen van Merari betrof de planken van de tabernakel, zijn dwarsbalken, zijn pilaren en zijn voetstukken. Het betrof ook al zijn voorwerpen en heel zijn dienst. Brontekst: וּפְקֻדַּ֣ת (ufequdat) = en het toezicht op | מִשְׁמֶרֶת֮ (mishmeret) = de wacht van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְרָרִי֒ (merari) = Merari | קַרְשֵׁי֙ (qarshei) = de planken van | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | וּבְרִיחָ֖יו (uverichav) = en zijn dwarsbalken | וְעַמֻּדָ֣יו (veamudav) = en zijn pilaren | וַאֲדָנָ֑יו (vaadanav) = en zijn voetstukken | וְכָל (vekhal) = en alle | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְכֹ֖ל (vekhol) = en heel | עֲבֹדָתֽוֹ (avodato) = zijn dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hun taken bij het opbreken staan in Num. 4:31–32. Zie ook: Ex 26:15–29; Ex 26:32; Ex 26:37; Ex 27:9–19; Ex 36:36; Num 4:31–32 **3:37** Het betrof ook de pilaren van het voorhof rondom, met hun voetstukken, hun tentpinnen en hun touwen. Brontekst: וְעַמֻּדֵ֧י (veamudei) = en de pilaren van | הֶחָצֵ֛ר (hechatser) = het voorhof | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | וְאַדְנֵיהֶ֑ם (veadneihem) = en hun voetstukken | וִיתֵדֹתָ֖ם (vitedotam) = en hun pinnen | וּמֵֽיתְרֵיהֶֽם (umeitereihem) = en hun touwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Mozes, Aäron en zijn zonen **3:38** Aan de voorkant van de tabernakel, aan de oostkant, voor de tent van samenkomst, slaan Mozes, Aäron en zijn zonen hun kamp op. Zij houden de wacht over het heiligdom, voor de wacht van de zonen van Israël. Een vreemde die dichtbij komt, moet gedood worden. Brontekst: וְהַחֹנִ֣ים (vehachonim) = en de kampenden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הַמִּשְׁכָּ֡ן (hamishkan) = de tabernakel | קֵ֣דְמָה (qedema) = oostwaarts | לִפְנֵי֩ (lifnei) = voor | אֹֽהֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֨ד (moed) = samenkomst | מִזְרָ֜חָה (mizracha) = zonopgangwaarts | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֣ן (veaharon) = en Aäron | וּבָנָ֗יו (uvanav) = en zijn zonen | שֹֽׁמְרִים֙ (shomerim) = bewakend | מִשְׁמֶ֣רֶת (mishmeret) = de wacht van | הַמִּקְדָּ֔שׁ (hamiqdash) = het heiligdom | לְמִשְׁמֶ֖רֶת (lemishmeret) = voor de wacht van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהַזָּ֥ר (vehazar) = en de vreemde | הַקָּרֵ֖ב (haqarev) = die nadert | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aan de oostkant, de kant van de ingang, kampeert ook de stam Juda (Num. 2:3), maar op afstand van de tent. Mozes, Aäron en zijn zonen staan het dichtst bij de ingang. Zie ook: Num 1:53; Num 2:3; Num 3:7–8; Num 3:10; 1 Kron 6:33–34 **3:39** Alle getelden van de Levieten, naar hun families, alle mannen van een maand oud en ouder: 22.000. Mozes en Aäron hebben hen op bevel van Yahweh geteld. Brontekst: כָּל (kal) = alle | פְּקוּדֵ֨י (pequdei) = getelden van | הַלְוִיִּ֜ם (halviyim) = de Levieten | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | פָּקַ֨ד (paqad) = telde | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | וְׄאַׄהֲׄרֹ֛ׄןׄ (veaharon) = en Aäron | עַל (al) = naar | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | כָּל (kal) = alle | זָכָר֙ (zakhar) = mannen | מִבֶּן (miben) = vanaf de zoon van | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = een maand | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de Hebreeuwse tekst staan boven de letters van het woord ‘en Aäron’ (וְאַהֲרֹן) stippen. Dat is een oud teken van de schrijvers dat zij bij dit woord iets bijzonders opmerkten. Wij laten het woord staan. Voetnoot : De getallen van de drie families (7.500 + 8.600 + 6.200) tellen op tot 22.300, niet tot 22.000. Wij vertalen de getallen zoals zij er staan. Zie ook: Num 4:47–48; Num 26:62; Mat 7:14 ### De eerstgeborenen worden geteld **3:40** Yahweh zei tot Mozes: **„Tel elke mannelijke eerstgeborene van de zonen van Israël, van een maand oud en ouder. En neem het aantal van hun namen op.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | פְּקֹ֨ד (peqod) = tel | כָּל (kal) = alle | בְּכֹ֤ר (bekhor) = eerstgeborene van | זָכָר֙ (zakhar) = mannen | לִבְנֵ֣י (livnei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִבֶּן (miben) = vanaf de zoon van | חֹ֖דֶשׁ (chodesh) = een maand | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en ouder | וְשָׂ֕א (vesa) = en neem op | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִסְפַּ֥ר (mispar) = het aantal van | שְׁמֹתָֽם (shemotam) = hun namen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:15; Luc 10:20; Fil 4:3; 2 Tim 2:19; Openb 3:5 **3:41** **Neem de Levieten voor Mij, Ik ben Yahweh, in de plaats van elke eerstgeborene onder de zonen van Israël. Neem ook het vee van de Levieten in de plaats van elke eerstgeborene onder het vee van de zonen van Israël.”** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֨ (velaqachta) = en jij zult nemen | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֥ם (halviyim) = de Levieten | לִי֙ (li) = voor Mij | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | תַּ֥חַת (tachat) = in de plaats van | כָּל (kal) = alle | בְּכֹ֖ר (bekhor) = eerstgeborene | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | בֶּהֱמַ֣ת (behemat) = het vee van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | תַּ֣חַת (tachat) = in de plaats van | כָּל (kal) = alle | בְּכ֔וֹר (bekhor) = eerstgeborene | בְּבֶהֱמַ֖ת (bevehemat) = onder het vee van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten komen in de plaats van alle eerstgeborenen van Israël, en het vee van de Levieten in de plaats van de eerstgeborenen van het vee. Zie ook Num. 8:14–18. Zie ook: Num 3:12; Num 3:45; Num 8:14–18; Num 8:16; Num 18:15; Mat 20:28 **3:42** Mozes telde, zoals Yahweh hem geboden had, elke eerstgeborene onder de zonen van Israël. Brontekst: וַיִּפְקֹ֣ד (vayifqod) = en telde | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֑וֹ (oto) = hem | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | בְּכֹ֖ר (bekhor) = eerstgeborene | בִּבְנֵ֥י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:43** Het aantal van alle mannelijke eerstgeborenen, naar het aantal van de namen, van een maand oud en ouder, naar hun getelden, was 22.273. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en werd | כָל (kal) = alle | בְּכ֨וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | זָכָ֜ר (zakhar) = mannen | בְּמִסְפַּ֥ר (bemispar) = in het aantal van | שֵׁמ֛וֹת (shemot) = namen | מִבֶּן (miben) = vanaf de zoon van | חֹ֥דֶשׁ (chodesh) = een maand | וָמַ֖עְלָה (vamala) = en ouder | לִפְקֻדֵיהֶ֑ם (lifqudeihem) = naar hun getelden | שְׁנַ֤יִם (shenayim) = twee | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | וְשִׁבְעִ֖ים (veshivim) = en zeventig | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er zijn 22.273 eerstgeborenen en 22.000 Levieten. Voor het verschil van 273 volgt in de verzen 46–51 een losgeld. Zie ook: Num 3:39 **3:44** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:45** **„Neem de Levieten in de plaats van elke eerstgeborene onder de zonen van Israël. Neem ook het vee van de Levieten in de plaats van hun vee. De Levieten zullen van Mij zijn. Ik ben Yahweh.** Brontekst: קַ֣ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | תַּ֤חַת (tachat) = in de plaats van | כָּל (kal) = alle | בְּכוֹר֙ (bekhor) = eerstgeborene | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֶּהֱמַ֥ת (behemat) = het vee van | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | תַּ֣חַת (tachat) = in de plaats van | בְּהֶמְתָּ֑ם (behemtam) = hun vee | וְהָיוּ (vehayu) = en zullen zijn | לִ֥י (li) = voor Mij | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:12; Num 3:40–41 ### Het losgeld voor het teveel aan eerstgeborenen **3:46** **En voor de lossing van de 273 eerstgeborenen van de zonen van Israël die boven het aantal van de Levieten uitkomen:** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | פְּדוּיֵ֣י (peduyei) = gelosten van | הַשְּׁלֹשָׁ֔ה (hashelosha) = de drie | וְהַשִּׁבְעִ֖ים (vehashivim) = en de zeventig | וְהַמָּאתָ֑יִם (vehamatayim) = en de tweehonderd | הָעֹֽדְפִים֙ (haodefim) = die overtollig zijn | עַל (al) = boven | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | מִבְּכ֖וֹר (mibekhor) = van de eerstgeborene van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּדָה (padah), ‘lossen’: iemand vrijkopen door een betaling. Zie Exod. 13:13 en 34:20. Zie ook: Ex 13:13; Ex 34:20; Num 18:15–16 **3:47** **Neem vijf sikkels per hoofd. Neem die naar de sikkel van het heiligdom; een sikkel is twintig gera.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֗ (velaqachta) = en jij zult nemen | חֲמֵ֧שֶׁת (chameshet) = vijf | חֲמֵ֛שֶׁת (chameshet) = vijf | שְׁקָלִ֖ים (sheqalim) = sikkels | לַגֻּלְגֹּ֑לֶת (lagulgolet) = per hoofd | בְּשֶׁ֤קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = het heiligdom | תִּקָּ֔ח (tiqach) = jij zult nemen | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | גֵּרָ֖ה (gera) = gera | הַשָּֽׁקֶל (hashaqel) = de sikkel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’, is ongeveer 11,4 gram; vijf sikkels is dus ongeveer 57 gram zilver per persoon. גֵּרָה (gera) is ongeveer 0,57 gram. Zie ook Exod. 30:13. Zie ook: Ex 30:13; Lev 27:6; Lev 27:25; Num 18:16; Ezech 45:12 **3:48** **Geef het zilver aan Aäron en zijn zonen, als lossing van hen die boven dat aantal uitkomen.”** Brontekst: וְנָתַתָּ֣ה (venatata) = en jij zult geven | הַכֶּ֔סֶף (hakesef) = het zilver | לְאַהֲרֹ֖ן (leaharon) = aan Aäron | וּלְבָנָ֑יו (ulevanav) = en aan zijn zonen | פְּדוּיֵ֕י (peduyei) = gelosten van | הָעֹדְפִ֖ים (haodefim) = de overtolligen | בָּהֶֽם (bahem) = onder hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:49** Mozes nam het zilver van de lossing aan van hen die boven de gelosten van de Levieten uitkwamen. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כֶּ֣סֶף (kesef) = het zilver van | הַפִּדְי֑וֹם (hapidyom) = de lossing | מֵאֵת֙ (meet) = van | הָעֹ֣דְפִ֔ים (haodefim) = de overtolligen | עַ֖ל (al) = boven | פְּדוּיֵ֥י (peduyei) = de gelosten van | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:50** Van de eerstgeborenen van de zonen van Israël nam hij het zilver aan: 1.365 sikkels, naar de sikkel van het heiligdom. Brontekst: מֵאֵ֗ת (meet) = van | בְּכ֛וֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לָקַ֣ח (laqach) = nam hij | אֶת (et) = (obj.) | הַכָּ֑סֶף (hakasef) = het zilver | חֲמִשָּׁ֨ה (chamisha) = vijf | וְשִׁשִּׁ֜ים (veshishim) = en zestig | וּשְׁלֹ֥שׁ (ushelosh) = en drie | מֵא֛וֹת (meot) = honderd | וָאֶ֖לֶף (vaelef) = en duizend | בְּשֶׁ֥קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 273 keer 5 sikkels is 1.365 sikkels, ongeveer 15,6 kilo zilver. Zie ook: Num 3:46–47; 1 Tim 2:5–6; Tit 2:14; 1 Petr 1:18; 1 Petr 3:18 **3:51** Mozes gaf het zilver van de gelosten aan Aäron en zijn zonen, op bevel van Yahweh, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | כֶּ֧סֶף (kesef) = het zilver van | הַפְּדֻיִ֛ם (hapeduyim) = de gelosten | לְאַהֲרֹ֥ן (leaharon) = aan Aäron | וּלְבָנָ֖יו (ulevanav) = en aan zijn zonen | עַל (al) = naar | פִּ֣י (pi) = de mond van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:48; Num 16:15; 1 Sam 12:3–4; Mal 3:22; 1 Kor 9:12 ## Numeri 4 _De dienst van de Kehatieten, Gersjonieten en Merarieten_ ### De taak van de Kehatieten **4:1** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:2** **„Neem de som op van de zonen van Kehat, uit de zonen van Levi, naar hun families en hun vaderhuizen,** Brontekst: נָשֹׂ֗א (naso) = neem op | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֙ (rosh) = de som van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | קְהָ֔ת (qehat) = Kehat | מִתּ֖וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Kehatieten staan eerst, omdat zij het heiligste dragen. De leeftijd van dertig tot vijftig jaar geldt hier voor het dragen en werken; in Num. 8:24–26 staat een andere leeftijd. Zie ook: Num 3:19; Num 3:27; Num 8:24–26 **4:3** **van dertig jaar en ouder tot vijftig jaar: allen die in dienst komen om het werk in de tent van samenkomst te doen.** Brontekst: מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | וְעַ֖ד (vead) = en tot | בֶּן (ben) = de zoon van | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | כָּל (kal) = alle | בָּא֙ (ba) = die komt | לַצָּבָ֔א (latsava) = in het leger | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָבָא (tsava) is ‘leger’, zoals in Num. 1:3. De dienst van de Levieten wordt hier beschreven als een soort dienstplicht; wij vertalen ‘in dienst komen’. Voetnoot : מְלָאכָה (melakhah), ‘werk’, en עֲבֹדָה (avodah), ‘dienst’: wij houden de twee woorden uit elkaar. Zie ook: Num 1:3; Num 4:23; 1 Kron 23:3–5; 2 Kon 11:4–12; Luc 3:23; Ef 6:10–18 **4:4** **Dit is de dienst van de zonen van Kehat in de tent van samenkomst: het hoogheilige.** Brontekst: זֹ֛את (zot) = dit | עֲבֹדַ֥ת (avodat) = dienst van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = het heilige van | הַקֳּדָשִֽׁים (haqodashim) = de heiligen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (qodesh haqodashim), ‘hoogheilig’: hier de meest heilige voorwerpen in de tabernakel. Zie ook: Num 3:30–31; Num 4:15; Num 4:19; Num 4:24; Mar 13:34 ### Het inpakken van de heilige voorwerpen **4:5** **Wanneer het kamp opbreekt, moeten Aäron en zijn zonen binnengaan. Zij moeten de voorhang van het gordijn afnemen en de ark van het getuigenis ermee bedekken.** Brontekst: וּבָ֨א (uva) = en zal binnengaan | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | וּבָנָיו֙ (uvanav) = en zijn zonen | בִּנְסֹ֣עַ (binsoa) = bij het opbreken van | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | וְהוֹרִ֕דוּ (vehoridu) = en zij zullen afnemen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | פָּרֹ֣כֶת (parokhet) = de voorhang van | הַמָּסָ֑ךְ (hamasakh) = het gordijn | וְכִ֨סּוּ (vekhisu) = en zij zullen bedekken | בָ֔הּ (bah) = daarmee | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲרֹ֥ן (aron) = de ark van | הָעֵדֻֽת (haedut) = het getuigenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרֹכֶת הַמָּסָךְ (parokhet hamasakh), ‘de voorhang van het gordijn’: de voorhang voor de ark (Exod. 26:31–33; 40:3 en 40:21). Met deze voorhang wordt de ark bedekt als het kamp opbreekt. Zie ook: Ex 26:31–33; Ex 40:3; Ex 40:21; Num 2:16–17; Num 3:27–32; Num 10:14; Mat 27:51; Heb 9:3 **4:6** **Zij moeten daar een dekking van tachash-leer overheen leggen en daarbovenop een kleed spreiden dat helemaal blauwpurper is. Daarna moeten zij de draagstokken aanbrengen.** Brontekst: וְנָתְנ֣וּ (venatenu) = en zij zullen leggen | עָלָ֗יו (alav) = erop | כְּסוּי֙ (kesuy) = een dekking van | ע֣וֹר (or) = huid van | תַּ֔חַשׁ (tachash) = tachash | וּפָרְשׂ֧וּ (ufaresu) = en zij zullen spreiden | בֶֽגֶד (beged) = een kleed | כְּלִ֛יל (kelil) = geheel van | תְּכֵ֖לֶת (tekhelet) = blauwpurper | מִלְמָ֑עְלָה (milmaela) = van boven | וְשָׂמ֖וּ (vesamu) = en zij zullen aanbrengen | בַּדָּֽיו (badav) = zijn draagstokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחַשׁ (tachash): de betekenis is niet zeker, zie Exod. 25:5. Voetnoot : תְּכֵלֶת (tekhelet), ‘blauwpurper’, אַרְגָּמָן (argaman), ‘roodpurper’ (vers 13) en תּוֹלַעַת שָׁנִי (tola‘at shani), ‘karmozijnrood’ (vers 8): zie Exod. 25:4. Zie ook: Ex 25:4; Ex 25:5; Ex 25:13–15; Ex 35:19; Num 4:7–8; Num 4:8; Num 4:11–13; Num 4:13; 1 Kon 8:7–8 **4:7** **Over de tafel van het toonbrood moeten zij een blauwpurperen kleed spreiden. Zij moeten daarop de schalen, de schotels, de offerschalen en de kannen voor het plengoffer zetten. Het voortdurende brood moet erop blijven.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en over | שֻׁלְחַ֣ן (shulchan) = de tafel van | הַפָּנִ֗ים (hapanim) = het toonbrood | יִפְרְשׂוּ֮ (yifresu) = zij zullen spreiden | בֶּ֣גֶד (beged) = een kleed van | תְּכֵלֶת֒ (tekhelet) = blauwpurper | וְנָתְנ֣וּ (venatenu) = en zij zullen leggen | עָ֠לָיו (alav) = erop | אֶת (et) = (obj.) | הַקְּעָרֹ֤ת (haqearot) = de schalen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכַּפֹּת֙ (hakapot) = de schotels | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּנַקִּיֹּ֔ת (hamenaqiyot) = de offerschalen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | קְשׂ֣וֹת (qesot) = de kannen van | הַנָּ֑סֶךְ (hanasekh) = het plengoffer | וְלֶ֥חֶם (velechem) = en het brood van | הַתָּמִ֖יד (hatamid) = het voortdurende | עָלָ֥יו (alav) = erop | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֻׁלְחַן הַפָּנִים (shulchan hapanim), ‘tafel van het toonbrood’, letterlijk ‘tafel van het aangezicht’ (Exod. 25:23–30). Voetnoot : לֶחֶם הַתָּמִיד (lechem hatamid), ‘het voortdurende brood’: het brood dat steeds op de tafel ligt (Lev. 24:5–9). Zie ook: Ex 25:23–30; Ex 37:10–16; Lev 24:5–8 **4:8** **Daarover moeten zij een karmozijnrood kleed spreiden en dat bedekken met een dekking van tachash-leer. Daarna moeten zij de draagstokken aanbrengen.** Brontekst: וּפָרְשׂ֣וּ (ufaresu) = en zij zullen spreiden | עֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = over hen | בֶּ֚גֶד (beged) = een kleed | תּוֹלַ֣עַת (tolaat) = van de worm van | שָׁנִ֔י (shani) = karmozijn | וְכִסּ֣וּ (vekhisu) = en zij zullen bedekken | אֹת֔וֹ (oto) = het | בְּמִכְסֵ֖ה (bemikhse) = met een dekking van | ע֣וֹר (or) = huid van | תָּ֑חַשׁ (tachash) = tachash | וְשָׂמ֖וּ (vesamu) = en zij zullen aanbrengen | אֶת (et) = (obj.) | בַּדָּֽיו (badav) = zijn draagstokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:6–7; Num 4:9; Num 4:11–13 **4:9** **Zij moeten een blauwpurperen kleed nemen en de kandelaar voor het licht bedekken, met haar lampen, haar tangen, haar vuurpannen en al haar oliebenodigdheden. Daarmee bedienen zij die.** Brontekst: וְלָקְח֣וּ (velaqechu) = en zij zullen nemen | בֶּ֣גֶד (beged) = een kleed van | תְּכֵ֗לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְכִסּ֞וּ (vekhisu) = en zij zullen bedekken | אֶת (et) = (obj.) | מְנֹרַ֤ת (menorat) = de kandelaar van | הַמָּאוֹר֙ (hamaor) = het licht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נֵ֣רֹתֶ֔יהָ (neroteiha) = haar lampen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְקָחֶ֖יהָ (malqacheiha) = haar tangen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַחְתֹּתֶ֑יהָ (machtoteiha) = haar vuurpannen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen van | שַׁמְנָ֔הּ (shamnah) = haar olie | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | יְשָׁרְתוּ (yesharetu) = zij dienen | לָ֖הּ (lah) = voor haar | בָּהֶֽם (bahem) = ermee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:31–39; Ex 37:17–24; Ps 119:105; Openb 1:20–2:1 **4:10** **Zij moeten de kandelaar met al haar voorwerpen in een dekking van tachash-leer leggen en op het draagrek zetten.** Brontekst: וְנָתְנ֤וּ (venatenu) = en zij zullen leggen | אֹתָהּ֙ (otah) = haar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כֵּלֶ֔יהָ (keleiha) = haar voorwerpen | אֶל (el) = in | מִכְסֵ֖ה (mikhse) = een dekking van | ע֣וֹר (or) = huid van | תָּ֑חַשׁ (tachash) = tachash | וְנָתְנ֖וּ (venatenu) = en zij zullen leggen | עַל (al) = op | הַמּֽוֹט (hamot) = het draagrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹט (mot) is een draagrek of draagbalk. Wat precies bedoeld wordt, is niet zeker. Zie ook: Num 4:6; Num 4:12 **4:11** **Over het gouden altaar moeten zij een blauwpurperen kleed spreiden en het bedekken met een dekking van tachash-leer. Daarna moeten zij de draagstokken aanbrengen.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en over | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | הַזָּהָ֗ב (hazahav) = het goud | יִפְרְשׂוּ֙ (yifresu) = zij zullen spreiden | בֶּ֣גֶד (beged) = een kleed van | תְּכֵ֔לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְכִסּ֣וּ (vekhisu) = en zij zullen bedekken | אֹת֔וֹ (oto) = het | בְּמִכְסֵ֖ה (bemikhse) = met een dekking van | ע֣וֹר (or) = huid van | תָּ֑חַשׁ (tachash) = tachash | וְשָׂמ֖וּ (vesamu) = en zij zullen aanbrengen | אֶת (et) = (obj.) | בַּדָּֽיו (badav) = zijn draagstokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:1–19; Ex 37:25–28; Ex 39:38; Ex 40:5; Ex 40:26–27 **4:12** **Zij moeten alle voorwerpen voor de dienst nemen waarmee zij in het heilige dienen. Zij moeten ze in een blauwpurperen kleed leggen, ze bedekken met een dekking van tachash-leer en op het draagrek zetten.** Brontekst: וְלָקְחוּ֩ (velaqechu) = en zij zullen nemen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֨י (kelei) = voorwerpen van | הַשָּׁרֵ֜ת (hasharet) = de dienst | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarmee | יְשָֽׁרְתוּ (yesharetu) = zij dienen | בָ֣ם (bam) = ermee | בַּקֹּ֗דֶשׁ (baqodesh) = in het heilige | וְנָֽתְנוּ֙ (venatenu) = en zij zullen leggen | אֶל (el) = in | בֶּ֣גֶד (beged) = een kleed van | תְּכֵ֔לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְכִסּ֣וּ (vekhisu) = en zij zullen bedekken | אוֹתָ֔ם (otam) = ze | בְּמִכְסֵ֖ה (bemikhse) = met een dekking van | ע֣וֹר (or) = huid van | תָּ֑חַשׁ (tachash) = tachash | וְנָתְנ֖וּ (venatenu) = en zij zullen leggen | עַל (al) = op | הַמּֽוֹט (hamot) = het draagrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:9; Num 3:8; Num 4:7; 1 Kron 9:29; 2 Kron 4:22 **4:13** **Zij moeten het altaar van de as ontdoen en er een roodpurperen kleed overheen spreiden.** Brontekst: וְדִשְּׁנ֖וּ (vedishenu) = en zij zullen van as ontdoen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וּפָרְשׂ֣וּ (ufaresu) = en zij zullen spreiden | עָלָ֔יו (alav) = erover | בֶּ֖גֶד (beged) = een kleed van | אַרְגָּמָֽן (argaman) = roodpurper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּשֵּׁן (dishshen), ‘van as ontdoen’: de as van het brandoffer wordt van het altaar gehaald voordat het wordt bedekt (Lev. 6:3–4). Zie ook: Ex 27:1–8; Ex 39:1; Ex 39:41; Lev 6:3–4; Lev 6:5–6; Num 4:6–9 **4:14** **Zij moeten daarop al zijn voorwerpen leggen waarmee zij erbij dienen: de vuurpannen, de vorken, de scheppen en de sprengschalen, alle voorwerpen van het altaar. Zij moeten er een dekking van tachash-leer overheen spreiden en de draagstokken aanbrengen.** Brontekst: וְנָתְנ֣וּ (venatenu) = en zij zullen leggen | עָ֠לָיו (alav) = erop | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | כֵּלָ֞יו (kelav) = zijn voorwerpen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | יְֽשָׁרְת֧וּ (yesharetu) = zij dienen | עָלָ֣יו (alav) = erop | בָּהֶ֗ם (bahem) = ermee | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּחְתֹּ֤ת (hamachtot) = de vuurpannen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְלָגֹת֙ (hamizlagot) = de vorken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּעִ֣ים (hayaim) = de scheppen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְרָקֹ֔ת (hamizraqot) = de sprengschalen | כֹּ֖ל (kol) = alle | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen van | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וּפָרְשׂ֣וּ (ufaresu) = en zij zullen spreiden | עָלָ֗יו (alav) = erover | כְּס֛וּי (kesuy) = een dekking van | ע֥וֹר (or) = huid van | תַּ֖חַשׁ (tachash) = tachash | וְשָׂמ֥וּ (vesamu) = en zij zullen aanbrengen | בַדָּֽיו (badav) = zijn draagstokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 38:1–7; 2 Kron 4:19 **4:15** **Wanneer het kamp opbreekt, zijn Aäron en zijn zonen klaar met het bedekken van het heilige en van alle heilige voorwerpen. Daarna moeten de zonen van Kehat komen om het te dragen. Zij mogen het heilige niet aanraken, anders sterven zij. Dit is wat de zonen van Kehat in de tent van samenkomst moeten dragen.** Brontekst: וְכִלָּ֣ה (vekhila) = en zal voltooien | אַֽהֲרֹן (aharon) = Aäron | וּ֠בָנָיו (uvanav) = en zijn zonen | לְכַסֹּ֨ת (lekhasot) = om te bedekken | אֶת (et) = (obj.) | הַקֹּ֜דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen van | הַקֹּדֶשׁ֮ (haqodesh) = het heilige | בִּנְסֹ֣עַ (binsoa) = bij het opbreken van | הַֽמַּחֲנֶה֒ (hamachane) = het kamp | וְאַחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֗ן (ken) = zo | יָבֹ֤אוּ (yavou) = zullen komen | בְנֵי (benei) = de zonen van | קְהָת֙ (qehat) = Kehat | לָשֵׂ֔את (laset) = om te dragen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִגְּע֥וּ (yigeu) = zullen zij aanraken | אֶל (el) = aan | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וָמֵ֑תוּ (vametu) = en zullen sterven | אֵ֛לֶּה (ele) = dit | מַשָּׂ֥א (masa) = last van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie het heilige aanraakt, sterft. Zie ook 2 Sam. 6:6–7 en Num. 18:3. Zie ook: Num 7:9; Num 10:21; Num 18:3; Deut 31:9; 2 Sam 6:6–7; 1 Kron 13:9–10 **4:16** **Eleazar, de zoon van de priester Aäron, houdt toezicht op de olie voor het licht, de welriekende wierook, het voortdurende graanoffer en de zalfolie. Hij houdt toezicht op heel de tabernakel en op alles wat erin is, op het heilige en zijn voorwerpen.”** Brontekst: וּפְקֻדַּ֞ת (ufequdat) = en het toezicht van | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | בֶּן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | שֶׁ֤מֶן (shemen) = olie van | הַמָּאוֹר֙ (hamaor) = het licht | וּקְטֹ֣רֶת (uqetoret) = en wierook van | הַסַּמִּ֔ים (hasamim) = de specerijen | וּמִנְחַ֥ת (uminchat) = en het graanoffer van | הַתָּמִ֖יד (hatamid) = het voortdurende | וְשֶׁ֣מֶן (veshemen) = en olie van | הַמִּשְׁחָ֑ה (hamishcha) = de zalving | פְּקֻדַּ֗ת (pequdat) = toezicht op | כָּל (kal) = heel | הַמִּשְׁכָּן֙ (hamishkan) = de tabernakel | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בּ֔וֹ (bo) = daarin is | בְּקֹ֖דֶשׁ (beqodesh) = in het heilige | וּבְכֵלָֽיו (uvekhelav) = en in zijn voorwerpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eleazar zorgt voor de olie voor de lampen (Exod. 27:20–21), de wierook (Exod. 30:34–38), het voortdurende graanoffer (Exod. 29:38–42) en de zalfolie (Exod. 30:22–33). Zie ook: Ex 25:6; Ex 27:20–21; Ex 29:38–42; Ex 30:22–33; Ex 30:23–38; Ex 30:34–38; Lev 24:2; Hand 20:28; 1 Petr 2:25 ### Waarschuwing voor de Kehatieten **4:17** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:18** **„Roei de stam van de families van de Kehatieten niet uit, weg uit het midden van de Levieten.** Brontekst: אַל (al) = niet | תַּכְרִ֕יתוּ (takhritu) = jullie zullen uitroeien | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֖בֶט (shevet) = de stam van | מִשְׁפְּחֹ֣ת (mishpechot) = families van | הַקְּהָתִ֑י (haqehati) = de Kehatiet | מִתּ֖וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּרַת (karat), ‘afsnijden’: hier ‘uitroeien’. Door een foute aanraking zouden de Kehatieten zelf omkomen. De taak is daarom zo verdeeld dat Aäron en zijn zonen eerst alles bedekken. Zie ook: Ex 19:21; Num 16:32; Num 18:5; 1 Sam 6:19; Jer 38:23 **4:19** **Doe dit voor hen, zodat zij leven en niet sterven wanneer zij het hoogheilige naderen. Aäron en zijn zonen moeten binnengaan en hen ieder aan zijn dienst en zijn last zetten.** Brontekst: וְזֹ֣את (vezot) = en dit | עֲשׂ֣וּ (asu) = doe | לָהֶ֗ם (lahem) = voor hen | וְחָיוּ֙ (vechayu) = en zij zullen leven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָמֻ֔תוּ (yamutu) = zullen sterven | בְּגִשְׁתָּ֖ם (begishtam) = bij hun naderen | אֶת (et) = (obj.) | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = het heilige van | הַקֳּדָשִׁ֑ים (haqodashim) = de heiligen | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | וּבָנָיו֙ (uvanav) = en zijn zonen | יָבֹ֔אוּ (yavou) = zullen binnengaan | וְשָׂמ֣וּ (vesamu) = en zij zullen plaatsen | אוֹתָ֗ם (otam) = hen | אִ֥ישׁ (ish) = een man | אִ֛ישׁ (ish) = een man | עַל (al) = op | עֲבֹדָת֖וֹ (avodato) = zijn dienst | וְאֶל (veel) = en op | מַשָּׂאֽוֹ (masao) = zijn last Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:15 **4:20** **Zij mogen niet binnengaan om het heilige ook maar een ogenblik te zien, anders sterven zij.”** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יָבֹ֧אוּ (yavou) = zullen zij binnengaan | לִרְא֛וֹת (lirot) = om te zien | כְּבַלַּ֥ע (kevala) = als het inslikken van | אֶת (et) = (obj.) | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וָמֵֽתוּ (vametu) = en zullen sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּבַלַּע (kevalla‘), letterlijk ‘als een inslikken’: ook maar een ogenblik. Zie ook: Ex 19:21; Lev 10:2; Num 4:15; Num 4:19; 1 Sam 6:19 ### De taak van de Gersjonieten **4:21** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:22** **„Neem ook van de zonen van Gersjon de som op, naar hun vaderhuizen en hun families,** Brontekst: נָשֹׂ֗א (naso) = neem op | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֛אשׁ (rosh) = de som van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | גֵרְשׁ֖וֹן (gereshon) = Gersjon | גַּם (gam) = ook | הֵ֑ם (hem) = zij | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֖ם (avotam) = hun vaders | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:18; Num 3:21; Num 3:24 **4:23** **van dertig jaar en ouder tot vijftig jaar. Tel hen allen die in dienst komen om de dienst in de tent van samenkomst te doen.** Brontekst: מִבֶּן֩ (miben) = vanaf de zoon van | שְׁלֹשִׁ֨ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֜ה (shana) = jaar | וָמַ֗עְלָה (vamala) = en ouder | עַ֛ד (ad) = tot | בֶּן (ben) = de zoon van | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | תִּפְקֹ֣ד (tifqod) = jij zult tellen | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | כָּל (kal) = alle | הַבָּא֙ (haba) = die komt | לִצְבֹ֣א (litsvo) = om te dienen | צָבָ֔א (tsava) = in het leger | לַעֲבֹ֥ד (laavod) = om te werken | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = een dienst | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:3; 1 Kron 23:3; 1 Kron 23:27; 1 Kor 9:7; 2 Kor 10:3–5 **4:24** **Dit is de dienst van de families van de Gersjonieten: dienen en dragen.** Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit | עֲבֹדַ֔ת (avodat) = dienst van | מִשְׁפְּחֹ֖ת (mishpechot) = families van | הַגֵּרְשֻׁנִּ֑י (hagereshuni) = de Gersjoniet | לַעֲבֹ֖ד (laavod) = om te dienen | וּלְמַשָּֽׂא (ulemasa) = en voor het dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:19; Num 4:27; Num 4:31–32; Num 4:47; Num 4:49 **4:25** **Zij moeten de tentkleden van de tabernakel dragen, de tent van samenkomst met haar dekking, de dekking van tachash-leer die erbovenop ligt. Ook moeten zij het gordijn voor de ingang van de tent van samenkomst dragen.** Brontekst: וְנָ֨שְׂא֜וּ (venaseu) = en zij zullen dragen | אֶת (et) = (obj.) | יְרִיעֹ֤ת (yeriot) = tentkleden van | הַמִּשְׁכָּן֙ (hamishkan) = de tabernakel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | מִכְסֵ֕הוּ (mikhsehu) = haar dekking | וּמִכְסֵ֛ה (umikhse) = en de dekking van | הַתַּ֥חַשׁ (hatachash) = de tachash | אֲשֶׁר (asher) = die | עָלָ֖יו (alav) = erop | מִלְמָ֑עְלָה (milmaela) = van boven | וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | מָסַ֔ךְ (masakh) = het gordijn van | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:14; Num 3:25–26; Num 7:5–7 **4:26** **Ook moeten zij de omhangsels van het voorhof dragen. Ook moeten zij het gordijn voor de ingang van de poort van het voorhof dragen, dat rondom de tabernakel en het altaar loopt. Ook moeten zij hun touwen dragen, alle voorwerpen voor hun dienst en alles wat voor hen gemaakt wordt. Daarmee moeten zij de dienst doen.** Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | קַלְעֵ֨י (qalei) = omhangsels van | הֶֽחָצֵ֜ר (hechatser) = het voorhof | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מָסַ֣ךְ (masakh) = het gordijn van | פֶּ֣תַח (petach) = de ingang van | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הֶחָצֵ֗ר (hechatser) = het voorhof | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַמִּשְׁכָּ֤ן (hamishkan) = de tabernakel | וְעַל (veal) = en op | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מֵֽיתְרֵיהֶ֔ם (meitereihem) = hun touwen | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֖י (kelei) = voorwerpen van | עֲבֹדָתָ֑ם (avodatam) = hun dienst | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | יֵעָשֶׂ֛ה (yease) = wordt gemaakt | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | וְעָבָֽדוּ (veavadu) = en zij zullen dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַלְעֵי (qal‘ei), ‘omhangsels’, zoals in Exod. 27:9. Zie ook: Ex 27:9; Ex 35:18 **4:27** **Op bevel van Aäron en zijn zonen moet heel de dienst van de zonen van de Gersjonieten gebeuren. Dat geldt voor al hun last en al hun dienst. Wijs hun als wacht alles toe wat zij moeten dragen.** Brontekst: עַל (al) = op | פִּי֩ (pi) = de mond van | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֜יו (uvanav) = en zijn zonen | תִּהְיֶ֗ה (tihye) = zal zijn | כָּל (kal) = alle | עֲבֹדַת֙ (avodat) = dienst van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַגֵּרְשֻׁנִּ֔י (hagereshuni) = de Gersjoniet | לְכָל (lekhal) = voor al | מַשָּׂאָ֔ם (masaam) = hun last | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en voor alle | עֲבֹדָתָ֑ם (avodatam) = hun dienst | וּפְקַדְתֶּ֤ם (ufeqadtem) = en jullie zullen aanwijzen | עֲלֵהֶם֙ (alehem) = aan hen | בְּמִשְׁמֶ֔רֶת (bemishmeret) = als wacht | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַשָּׂאָֽם (masaam) = hun last Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 1:70; 1 Kor 11:2 **4:28** **Dit is de dienst van de families van de Gersjonieten in de tent van samenkomst. Hun wacht staat onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.** Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit | עֲבֹדַ֗ת (avodat) = dienst van | מִשְׁפְּחֹ֛ת (mishpechot) = families van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | הַגֵּרְשֻׁנִּ֖י (hagereshuni) = de Gersjoniet | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וּמִ֨שְׁמַרְתָּ֔ם (umishmartam) = en hun wacht | בְּיַד֙ (beyad) = onder de hand van | אִֽיתָמָ֔ר (itamar) = Itamar | בֶּֽן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Itamar is de jongste zoon van Aäron (Exod. 6:23). Hij leidde ook de optelling van de materialen (Exod. 38:21). Zie ook: Ex 6:23; Ex 38:21; Num 4:33; 1 Kor 12:5–6 ### De taak van de Merarieten **4:29** **De zonen van Merari: tel hen, naar hun families en hun vaderhuizen.** Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | מְרָרִ֑י (merari) = Merari | לְמִשְׁפְּחֹתָ֥ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֖ם (avotam) = hun vaders | תִּפְקֹ֥ד (tifqod) = jij zult tellen | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:33–35 **4:30** **Tel hen vanaf dertig jaar en ouder tot vijftig jaar, allen die in dienst komen om de dienst van de tent van samenkomst te doen.** Brontekst: מִבֶּן֩ (miben) = vanaf de zoon van | שְׁלֹשִׁ֨ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֜ה (shana) = jaar | וָמַ֗עְלָה (vamala) = en ouder | וְעַ֛ד (vead) = en tot | בֶּן (ben) = de zoon van | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | תִּפְקְדֵ֑ם (tifqedem) = jij zult hen tellen | כָּל (kal) = alle | הַבָּא֙ (haba) = die komt | לַצָּבָ֔א (latsava) = in het leger | לַעֲבֹ֕ד (laavod) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַ֖ת (avodat) = dienst van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:3; Num 4:23; Ps 110:1–7; 1 Tim 6:11–12; 2 Tim 4:7–8 **4:31** **Dit is de wacht van wat zij moeten dragen, bij heel hun dienst in de tent van samenkomst. Dat zijn de planken van de tabernakel, zijn dwarsbalken, zijn pilaren en zijn voetstukken.** Brontekst: וְזֹאת֙ (vezot) = en dit | מִשְׁמֶ֣רֶת (mishmeret) = wacht van | מַשָּׂאָ֔ם (masaam) = hun last | לְכָל (lekhal) = voor al | עֲבֹדָתָ֖ם (avodatam) = hun dienst | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | קַרְשֵׁי֙ (qarshei) = planken van | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | וּבְרִיחָ֖יו (uverichav) = en zijn dwarsbalken | וְעַמּוּדָ֥יו (veamudav) = en zijn pilaren | וַאֲדָנָֽיו (vaadanav) = en zijn voetstukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 26:15; Num 3:36–37; Num 7:8–9 **4:32** **Het zijn ook de pilaren van het voorhof rondom, hun voetstukken, hun tentpinnen en hun touwen, met al hun voorwerpen en heel hun dienst. Wijs hun bij naam de voorwerpen aan die zij als wacht moeten dragen.** Brontekst: וְעַמּוּדֵי֩ (veamudei) = en pilaren van | הֶחָצֵ֨ר (hechatser) = het voorhof | סָבִ֜יב (saviv) = rondom | וְאַדְנֵיהֶ֗ם (veadneihem) = en hun voetstukken | וִֽיתֵדֹתָם֙ (vitedotam) = en hun tentpinnen | וּמֵ֣יתְרֵיהֶ֔ם (umeitereihem) = en hun touwen | לְכָל (lekhal) = voor al | כְּלֵיהֶ֔ם (keleihem) = hun voorwerpen | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en voor alle | עֲבֹדָתָ֑ם (avodatam) = hun dienst | וּבְשֵׁמֹ֣ת (uveshemot) = en bij namen | תִּפְקְד֔וּ (tifqedu) = jullie zullen aanwijzen | אֶת (et) = (obj.) | כְּלֵ֖י (kelei) = voorwerpen van | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = wacht van | מַשָּׂאָֽם (masaam) = hun last Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 38:17; Ex 38:21; Num 3:8; Num 7:1; 1 Kron 9:29 **4:33** **Dit is de dienst van de families van de zonen van Merari, bij heel hun dienst in de tent van samenkomst. Zij staan onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.”** Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit | עֲבֹדַ֗ת (avodat) = dienst van | מִשְׁפְּחֹת֙ (mishpechot) = families van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְרָרִ֔י (merari) = Merari | לְכָל (lekhal) = voor al | עֲבֹדָתָ֖ם (avodatam) = hun dienst | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | בְּיַד֙ (beyad) = onder de hand van | אִֽיתָמָ֔ר (itamar) = Itamar | בֶּֽן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:28; Joz 3:6; Jes 3:6 ### De telling van de Levieten van dertig tot vijftig jaar **4:34** Mozes, Aäron en de leiders van de gemeenschap telden de Kehatieten, naar hun families en hun vaderhuizen, Brontekst: וַיִּפְקֹ֨ד (vayifqod) = en telde | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֛ן (veaharon) = en Aäron | וּנְשִׂיאֵ֥י (unesiei) = en de leiders van | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַקְּהָתִ֑י (haqehati) = de Kehatiet | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | וּלְבֵ֥ית (uleveit) = en naar het vaderhuis van | אֲבֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:35** van dertig jaar en ouder tot vijftig jaar, allen die in dienst kwamen voor de dienst in de tent van samenkomst. Brontekst: מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | וְעַ֖ד (vead) = en tot | בֶּן (ben) = de zoon van | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | כָּל (kal) = alle | הַבָּא֙ (haba) = die komt | לַצָּבָ֔א (latsava) = in het leger | לַעֲבֹדָ֖ה (laavoda) = voor de dienst | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:23; Num 4:30; Num 4:39; Num 8:24–26; 1 Kron 23:24 **4:36** Hun getelden, naar hun families, waren 2.750. Brontekst: וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en waren | פְקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | אַלְפַּ֕יִם (alpayim) = tweeduizend | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּֽׁים (vachamishim) = en vijftig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Samen zijn dat 2.750 + 2.630 + 3.200 = 8.580 (vers 48). Zie ook: Num 4:48 **4:37** Dit zijn de getelden van de families van de Kehatieten, allen die in de tent van samenkomst dienen. Mozes en Aäron hebben hen geteld op bevel van Yahweh, door Mozes. Brontekst: אֵ֤לֶּה (ele) = dit | פְקוּדֵי֙ (pequdei) = getelden van | מִשְׁפְּחֹ֣ת (mishpechot) = families van | הַקְּהָתִ֔י (haqehati) = de Kehatiet | כָּל (kal) = alle | הָעֹבֵ֖ד (haoved) = die dient | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | פָּקַ֤ד (paqad) = telde | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֔ן (veaharon) = en Aäron | עַל (al) = naar | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:38** De getelden van de zonen van Gersjon, naar hun families en hun vaderhuizen, Brontekst: וּפְקוּדֵ֖י (ufequdei) = en getelden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | גֵרְשׁ֑וֹן (gereshon) = Gersjon | לְמִשְׁפְּחוֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | וּלְבֵ֥ית (uleveit) = en naar het vaderhuis van | אֲבֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:39** van dertig jaar en ouder tot vijftig jaar, allen die in dienst kwamen voor de dienst in de tent van samenkomst: Brontekst: מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | וְעַ֖ד (vead) = en tot | בֶּן (ben) = de zoon van | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | כָּל (kal) = alle | הַבָּא֙ (haba) = die komt | לַצָּבָ֔א (latsava) = in het leger | לַעֲבֹדָ֖ה (laavoda) = voor de dienst | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:40** hun getelden, naar hun families en hun vaderhuizen, waren 2.630. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | פְּקֻ֣דֵיהֶ֔ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | אַלְפַּ֕יִם (alpayim) = tweeduizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וּשְׁלֹשִֽׁים (usheloshim) = en dertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:32 **4:41** Dit zijn de getelden van de families van de zonen van Gersjon, allen die in de tent van samenkomst dienen. Mozes en Aäron hebben hen geteld op bevel van Yahweh. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | פְקוּדֵ֗י (pequdei) = getelden van | מִשְׁפְּחֹת֙ (mishpechot) = families van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | גֵרְשׁ֔וֹן (gereshon) = Gersjon | כָּל (kal) = alle | הָעֹבֵ֖ד (haoved) = die dient | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | פָּקַ֥ד (paqad) = telde | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֖ן (veaharon) = en Aäron | עַל (al) = naar | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:42** De getelden van de families van de zonen van Merari, naar hun families en hun vaderhuizen, Brontekst: וּפְקוּדֵ֕י (ufequdei) = en getelden van | מִשְׁפְּחֹ֖ת (mishpechot) = families van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְרָרִ֑י (merari) = Merari | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het vaderhuis van | אֲבֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:43** van dertig jaar en ouder tot vijftig jaar, allen die in dienst kwamen voor de dienst in de tent van samenkomst: Brontekst: מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | וְעַ֖ד (vead) = en tot | בֶּן (ben) = de zoon van | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | כָּל (kal) = alle | הַבָּא֙ (haba) = die komt | לַצָּבָ֔א (latsava) = in het leger | לַעֲבֹדָ֖ה (laavoda) = voor de dienst | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:44** hun getelden, naar hun families, waren 3.200. Brontekst: וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en waren | פְקֻדֵיהֶ֖ם (pequdeihem) = hun getelden | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:34; Deut 33:25; 1 Kor 10:13; 1 Kor 12:8–12; 2 Kor 12:9–10 **4:45** Dit zijn de getelden van de families van de zonen van Merari, die Mozes en Aäron geteld hebben op bevel van Yahweh, door Mozes. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | פְקוּדֵ֔י (pequdei) = getelden van | מִשְׁפְּחֹ֖ת (mishpechot) = families van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְרָרִ֑י (merari) = Merari | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | פָּקַ֤ד (paqad) = telde | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֔ן (veaharon) = en Aäron | עַל (al) = naar | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:29 **4:46** Dit zijn alle getelden die Mozes, Aäron en de leiders van Israël van de Levieten geteld hebben, naar hun families en hun vaderhuizen. Brontekst: כָּֽל (kal) = alle | הַפְּקֻדִ֡ים (hapequdim) = de getelden | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | פָּקַ֨ד (paqad) = telde | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֛ן (veaharon) = en Aäron | וּנְשִׂיאֵ֥י (unesiei) = en de leiders van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | וּלְבֵ֥ית (uleveit) = en naar het vaderhuis van | אֲבֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:47** Het waren allen van dertig jaar en ouder tot vijftig jaar. Het waren allen die kwamen om de dienst van het werk en de dienst van het dragen te doen in de tent van samenkomst. Brontekst: מִבֶּ֨ן (miben) = vanaf de zoon van | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | וְעַ֖ד (vead) = en tot | בֶּן (ben) = de zoon van | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | כָּל (kal) = alle | הַבָּ֗א (haba) = die komt | לַעֲבֹ֨ד (laavod) = om te doen | עֲבֹדַ֧ת (avodat) = dienst van | עֲבֹדָ֛ה (avoda) = werk | וַעֲבֹדַ֥ת (vaavodat) = en dienst van | מַשָּׂ֖א (masa) = dragen | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:3; Num 4:37; 1 Kron 23:3; 1 Kor 12:4–31; Rom 12:6–8 **4:48** Hun getelden waren 8.580. Brontekst: וַיִּהְי֖וּ (vayihyu) = en waren | פְּקֻדֵיהֶ֑ם (pequdeihem) = hun getelden | שְׁמֹנַ֣ת (shemonat) = acht | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וּשְׁמֹנִֽים (ushemonim) = en tachtig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:39; Mat 7:14; Mat 20:16; Mat 22:15 **4:49** Op bevel van Yahweh stelde hij hen aan door Mozes, ieder voor zijn dienst en zijn last. Dat waren zijn getelden, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: עַל (al) = naar | פִּ֨י (pi) = de mond van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | פָּקַ֤ד (paqad) = telde | אוֹתָם֙ (otam) = hen | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אִ֥ישׁ (ish) = een man | אִ֛ישׁ (ish) = een man | עַל (al) = naar | עֲבֹדָת֖וֹ (avodato) = zijn dienst | וְעַל (veal) = en naar | מַשָּׂא֑וֹ (masao) = zijn last | וּפְקֻדָ֕יו (ufequdav) = en zijn getelden | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד (paqad) betekent hier zowel ‘tellen’ als ‘aanstellen’: ieder werd geteld en kreeg zijn eigen taak. Zie ook: Num 1:54; Num 4:15; Num 4:21; Num 4:24; Num 4:31 ## Numeri 5 _Onreinen buiten het kamp, vergoeding van schuld en de jaloezie-wet_ ### Onreinen buiten het kamp **5:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:2** **„Beveel de zonen van Israël om ieder die melaats is uit het kamp weg te sturen. Ook ieder die een vloeiing heeft en ieder die onrein is door een dode moeten zij wegsturen.** Brontekst: צַ֚ו (tsav) = beveel | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וִֽישַׁלְּחוּ֙ (vishalechu) = en zij zullen wegsturen | מִן (min) = uit | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | כָּל (kal) = alle | צָר֖וּעַ (tsarua) = melaatse | וְכָל (vekhal) = en alle | זָ֑ב (zav) = met een vloeiing | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | טָמֵ֥א (tame) = onrein | לָנָֽפֶשׁ (lanafesh) = voor een dode Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרוּעַ (tsaru‘a), ‘melaatse’, en זָב (zav), ‘iemand met een vloeiing’: zie Lev. 13 en Lev. 15. טָמֵא לָנֶפֶשׁ (tame lanefesh), ‘onrein door een dode’: zie Lev. 21:1 en Num. 19:11–13. Zie ook: Lev 13:46; Lev 21:1; Num 9:6–10; Num 12:14; Num 19:11–13; Num 31:19 **5:3** **Man of vrouw, jullie moeten hen wegsturen. Buiten het kamp moeten jullie hen wegsturen, zodat zij hun kamp niet onrein maken, waar Ik te midden van hen woon.”** Brontekst: מִזָּכָ֤ר (mizakhar) = van man | עַד (ad) = tot | נְקֵבָה֙ (neqeva) = vrouw | תְּשַׁלֵּ֔חוּ (teshalechu) = jullie zullen wegsturen | אֶל (el) = naar | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֖ה (lamachane) = het kamp | תְּשַׁלְּח֑וּם (teshalechum) = jullie zullen hen wegsturen | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יְטַמְּאוּ֙ (yetameu) = zullen onrein maken | אֶת (et) = (obj.) | מַ֣חֲנֵיהֶ֔ם (machaneihem) = hun kampen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | אֲנִ֖י (ani) = Ik | שֹׁכֵ֥ן (shokhen) = woon | בְּתוֹכָֽם (betokham) = te midden van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh woont midden in het kamp (Exod. 25:8; 29:45–46). Daarom moet het kamp rein blijven. Zie ook: Ex 25:8; Ex 29:45; Lev 26:11–12; Num 35:34; Deut 23:15; Ps 68:19; Openb 21:3 **5:4** Zo deden de zonen van Israël: zij stuurden hen buiten het kamp weg. Zoals Yahweh tot Mozes had gesproken, zo deden de zonen van Israël. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵן֙ (ken) = zo | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיְשַׁלְּח֣וּ (vayshalechu) = en zij stuurden weg | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | אֶל (el) = naar | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֑ה (lamachane) = het kamp | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֤ר (diber) = sprak | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשׂ֖וּ (asu) = deden | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Vergoeding van schuld **5:5** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:6** **„Spreek tot de zonen van Israël: Wanneer een man of een vrouw een van de zonden van mensen begaat, is die persoon ontrouw aan Yahweh. Die persoon is dan schuldig.** Brontekst: דַּבֵּר֮ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֽוֹ (o) = of | אִשָּׁ֗ה (isha) = vrouw | כִּ֤י (ki) = wanneer | יַעֲשׂוּ֙ (yaasu) = zij doen | מִכָּל (mikal) = van alle | חַטֹּ֣את (chatot) = zonden van | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | לִמְעֹ֥ל (limol) = om ontrouw te plegen | מַ֖עַל (maal) = ontrouw | בַּיהוָ֑ה (baYahweh) = aan Yahweh | וְאָֽשְׁמָ֖ה (veashema) = en schuldig is | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִֽוא (hahi) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָעַל מַעַל (ma‘al ma‘al), ‘ontrouw zijn’: zie Lev. 5:15 en 5:21. Ook een schuld tegenover een medemens is dus ontrouw aan Yahweh. Zie ook: Lev 5:1–4; Lev 5:14–26; Lev 5:15; Lev 5:21 **5:7** **Zij moeten de zonde belijden die zij begaan hebben. Dan moet hij zijn schuld volledig terugbetalen, er een vijfde deel bij doen en het geven aan degene tegen wie hij schuldig is geworden.** Brontekst: וְהִתְוַדּ֗וּ (vehitvadu) = en zij zullen belijden | אֶֽת (et) = (obj.) | חַטָּאתָם֮ (chatatam) = hun zonde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשׂוּ֒ (asu) = zij deden | וְהֵשִׁ֤יב (veheshiv) = en hij zal terugbrengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲשָׁמוֹ֙ (ashamo) = zijn schuld | בְּרֹאשׁ֔וֹ (berosho) = op zijn hoofd | וַחֲמִישִׁת֖וֹ (vachamishito) = en zijn vijfde | יֹסֵ֣ף (yosef) = hij zal toevoegen | עָלָ֑יו (alav) = eraan | וְנָתַ֕ן (venatan) = en hij zal geven | לַאֲשֶׁ֖ר (laasher) = aan wie | אָשַׁ֥ם (asham) = hij schuldig werd | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Lev. 5:20–26 voor de regel dat een vijfde deel wordt toegevoegd. Het Hebreeuws wisselt hier van het meervoud (‘zij moeten belijden’) naar het enkelvoud (‘hij moet terugbetalen’). Wij volgen dat. Zie ook: Lev 5:5; Lev 5:20–26; Lev 26:40; Joz 7:19; Spr 28:13; Luc 19:8 **5:8** **Heeft de man geen losser aan wie hij de schuld kan terugbetalen, dan is de schuld die aan Yahweh wordt terugbetaald voor de priester. Dat is behalve de ram van de verzoening waarmee voor hem verzoening wordt gedaan.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אֵ֨ין (ein) = niet is | לָאִ֜ישׁ (laish) = voor de man | גֹּאֵ֗ל (goel) = losser | לְהָשִׁ֤יב (lehashiv) = om terug te brengen | הָאָשָׁם֙ (haasham) = de schuld | אֵלָ֔יו (elav) = naar hem | הָאָשָׁ֛ם (haasham) = de schuld | הַמּוּשָׁ֥ב (hamushav) = die wordt teruggebracht | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | לַכֹּהֵ֑ן (lakohen) = aan de priester | מִלְּבַ֗ד (milevad) = behalve | אֵ֚יל (eil) = ram van | הַכִּפֻּרִ֔ים (hakipurim) = de verzoeningen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | יְכַפֶּר (yekhaper) = hij verzoening zal doen | בּ֖וֹ (bo) = ermee | עָלָֽיו (alav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּאֵל (go’el), ‘losser’: een naaste bloedverwant die voor iemand opkomt (Lev. 25:25). Zie ook: Lev 5:25–26; Lev 7:7; Lev 25:25–26 **5:9** **Elke heffing van alle heilige gaven van de zonen van Israël die zij de priester brengen, is voor hem.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | תְּרוּמָ֞ה (teruma) = heffing | לְכָל (lekhal) = voor alle | קָדְשֵׁ֧י (qadeshei) = heilige dingen van | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = die | יַקְרִ֥יבוּ (yaqrivu) = zij zullen brengen | לַכֹּהֵ֖ן (lakohen) = aan de priester | ל֥וֹ (lo) = voor hem | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:28; Lev 6:10–11; Lev 7:6–14; Num 18:19; Deut 18:3–4 **5:10** **Ieders heilige gaven zijn voor hem; wat iemand de priester geeft, is voor hem.”** Brontekst: וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man | אֶת (et) = (obj.) | קֳדָשָׁ֖יו (qodashav) = zijn heilige dingen | ל֣וֹ (lo) = voor hem | יִהְי֑וּ (yihyu) = zullen zijn | אִ֛ישׁ (ish) = een man | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִתֵּ֥ן (yiten) = hij zal geven | לַכֹּהֵ֖ן (lakohen) = aan de priester | ל֥וֹ (lo) = voor hem | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen ‘voor hem’ en noemt niet wie bedoeld is. Wij lezen: voor de priester, zoals in vers 9. Zie ook: Lev 10:13; Num 5:9 ### De wet van de jaloezie **5:11** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:12** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Stel dat de vrouw van een man afdwaalt en hem ontrouw wordt.** Brontekst: דַּבֵּר֙ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en jij zult zeggen | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | אִ֥ישׁ (ish) = een man | אִישׁ֙ (ish) = een man | כִּֽי (ki) = wanneer | תִשְׂטֶ֣ה (tiste) = afdwaalt | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | וּמָעֲלָ֥ה (umaala) = en pleegt | ב֖וֹ (bo) = tegen hem | מָֽעַל (maal) = ontrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 5:19–20; Spr 2:16–17 **5:13** **Stel dat een man met haar slaapt met zaadlozing en het verborgen blijft voor de ogen van haar man. Zij heeft zich verborgen en is onrein geworden. Er is geen getuige tegen haar en zij is niet betrapt.** Brontekst: וְשָׁכַ֨ב (veshakhav) = en slaapt | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אֹתָהּ֮ (otah) = met haar | שִׁכְבַת (shikhvat) = slaping van | זֶרַע֒ (zera) = zaad | וְנֶעְלַם֙ (venelam) = en het is verborgen | מֵעֵינֵ֣י (meeinei) = voor de ogen van | אִישָׁ֔הּ (ishah) = haar man | וְנִסְתְּרָ֖ה (venistera) = en zij heeft zich verborgen | וְהִ֣יא (vehi) = en zij | נִטְמָ֑אָה (nitmaa) = is onrein geworden | וְעֵד֙ (veed) = en getuige | אֵ֣ין (ein) = niet is | בָּ֔הּ (bah) = tegen haar | וְהִ֖וא (vehi) = en zij | לֹ֥א (lo) = niet | נִתְפָּֽשָׂה (nitpasa) = is gegrepen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:20; Lev 20:10; Spr 7:18–19; Spr 30:20 **5:14** **Stel dat een geest van jaloezie over hem komt en hij jaloers wordt op zijn vrouw, terwijl zij onrein is geworden. Of stel dat een geest van jaloezie over hem komt en hij jaloers wordt op zijn vrouw, terwijl zij niet onrein is geworden.** Brontekst: וְעָבַ֨ר (veavar) = en komt | עָלָ֧יו (alav) = over hem | רֽוּחַ (ruach) = geest van | קִנְאָ֛ה (qina) = jaloezie | וְקִנֵּ֥א (veqine) = en hij wordt jaloers op | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְהִ֣וא (vehi) = en zij | נִטְמָ֑אָה (nitmaa) = is onrein geworden | אוֹ (o) = of | עָבַ֨ר (avar) = komt | עָלָ֤יו (alav) = over hem | רֽוּחַ (ruach) = geest van | קִנְאָה֙ (qina) = jaloezie | וְקִנֵּ֣א (veqine) = en hij wordt jaloers op | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְהִ֖יא (vehi) = en zij | לֹ֥א (lo) = niet | נִטְמָֽאָה (nitmaa) = is onrein geworden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 5:30; Hoogl 8:6; Spr 6:34; Sef 3:8; 1 Kor 10:22 **5:15** **Dan moet de man zijn vrouw naar de priester brengen. Hij moet haar offergave voor haar brengen: een tiende efa gerstemeel. Hij mag er geen olie op gieten en geen wierook op doen. Want het is een graanoffer van jaloezie, een graanoffer van herinnering dat schuld in herinnering brengt.** Brontekst: וְהֵבִ֨יא (vehevi) = en hij zal brengen | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּוֹ֮ (ishto) = zijn vrouw | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵן֒ (hakohen) = de priester | וְהֵבִ֤יא (vehevi) = en hij zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנָהּ֙ (qarbanah) = haar offergave | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = voor haar | עֲשִׂירִ֥ת (asirit) = tiende van | הָאֵיפָ֖ה (haeifa) = de efa | קֶ֣מַח (qemach) = meel van | שְׂעֹרִ֑ים (seorim) = gerst | לֹֽא (lo) = niet | יִצֹ֨ק (yitsoq) = hij zal gieten | עָלָ֜יו (alav) = erop | שֶׁ֗מֶן (shemen) = olie | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִתֵּ֤ן (yiten) = hij zal doen | עָלָיו֙ (alav) = erop | לְבֹנָ֔ה (levona) = wierook | כִּֽי (ki) = want | מִנְחַ֤ת (minchat) = graanoffer van | קְנָאֹת֙ (qenaot) = jaloezieën | ה֔וּא (hu) = het is | מִנְחַ֥ת (minchat) = graanoffer van | זִכָּר֖וֹן (zikaron) = herinnering | מַזְכֶּ֥רֶת (mazkeret) = dat in herinnering brengt | עָוֺֽן (avon) = schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een efa is ongeveer 22 liter; een tiende efa is dus ongeveer 2,2 liter. Een graanoffer heeft gewoonlijk fijn meel, olie en wierook (Lev. 2:1); hier ontbreken olie en wierook, en het meel is van gerst. Voetnoot : מַזְכֶּרֶת עָוֺן (mazkeret avon), ‘dat schuld in herinnering brengt’. Zie ook: Lev 2:1; Lev 5:11; 1 Kon 17:18; Hos 3:2; Ezech 29:16; Heb 10:3 ### De vrouw voor het aangezicht van Yahweh **5:16** **De priester moet haar laten naderen en haar voor het aangezicht van Yahweh laten staan.** Brontekst: וְהִקְרִ֥יב (vehiqriv) = en hij zal laten naderen | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וְהֶֽעֱמִדָ֖הּ (veheemidah) = en hij zal haar laten staan | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:3; Jer 17:10; Heb 13:4; Openb 2:22–23 **5:17** **De priester moet heilig water in een aarden vat nemen. Ook moet de priester wat stof nemen van de grond van de tabernakel en dat in het water doen.** Brontekst: וְלָקַ֧ח (velaqach) = en zal nemen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | מַ֥יִם (mayim) = water | קְדֹשִׁ֖ים (qedoshim) = heilig | בִּכְלִי (bikhli) = in een vat van | חָ֑רֶשׂ (chares) = aardewerk | וּמִן (umin) = en van | הֶֽעָפָ֗ר (heafar) = het stof | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | יִהְיֶה֙ (yihye) = is | בְּקַרְקַ֣ע (beqarqa) = op de bodem van | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | יִקַּ֥ח (yiqach) = zal nemen | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | וְנָתַ֥ן (venatan) = en zal doen | אֶל (el) = in | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַיִם קְדֹשִׁים (mayim qedoshim), ‘heilig water’: de tekst zegt niet waar dit water vandaan komt. Zie ook: Ex 30:18; Num 19:2–9; Klaagl 3:29; Joh 8:6; Joh 8:8 **5:18** **De priester moet de vrouw voor het aangezicht van Yahweh laten staan, het haar van de vrouw losmaken. Hij moet het graanoffer van herinnering in haar handen leggen, het graanoffer van jaloezie. In de hand van de priester moet het bittere water zijn dat vloek brengt.** Brontekst: וְהֶעֱמִ֨יד (veheemid) = en hij zal laten staan | הַכֹּהֵ֥ן (hakohen) = de priester | אֶֽת (et) = (obj.) | הָאִשָּׁה֮ (haisha) = de vrouw | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וּפָרַע֙ (ufara) = en hij zal losmaken | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | וְנָתַ֣ן (venatan) = en hij zal leggen | עַל (al) = op | כַּפֶּ֗יהָ (kapeiha) = haar handpalmen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | מִנְחַ֣ת (minchat) = graanoffer van | הַזִּכָּר֔וֹן (hazikaron) = de herinnering | מִנְחַ֥ת (minchat) = graanoffer van | קְנָאֹ֖ת (qenaot) = jaloezieën | הִ֑וא (hi) = het is | וּבְיַ֤ד (uveyad) = en in de hand van | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | יִהְי֔וּ (yihyu) = zullen zijn | מֵ֥י (mei) = water van | הַמָּרִ֖ים (hamarim) = het bittere | הַמְאָֽרֲרִֽים (hamararim) = dat vloek brengt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרַע (para‘), ‘losmaken’: het haar van de vrouw wordt losgemaakt (vergelijk Lev. 10:6; 13:45). Voetnoot : מֵי הַמָּרִים הַמְאָרֲרִים (mei hamarim hame’ararim), ‘het bittere water dat vloek brengt’: מָרִים (marim) betekent ‘bitter’, מְאָרֲרִים (me’ararim) ‘vloek brengend’. Zie ook: Lev 10:6; Lev 13:45; Num 5:15; Num 5:24–26; Deut 29:17; Pred 7:26; Openb 2:19–23 **5:19** **De priester moet haar laten zweren. Hij moet tot de vrouw zeggen: ‘Heeft geen man met je geslapen en ben je niet afgedwaald tot onreinheid onder je man? Wees dan vrij van dit bittere water dat vloek brengt.** Brontekst: וְהִשְׁבִּ֨יעַ (vehishbia) = en hij zal laten zweren | אֹתָ֜הּ (otah) = haar | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְאָמַ֤ר (veamar) = en zal zeggen | אֶל (el) = tot | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | אִם (im) = als | לֹ֨א (lo) = niet | שָׁכַ֥ב (shakhav) = heeft geslapen | אִישׁ֙ (ish) = een man | אֹתָ֔ךְ (otakh) = met jou | וְאִם (veim) = en als | לֹ֥א (lo) = niet | שָׂטִ֛ית (satit) = jij bent afgedwaald | טֻמְאָ֖ה (tuma) = onreinheid | תַּ֣חַת (tachat) = onder | אִישֵׁ֑ךְ (ishekh) = je man | הִנָּקִ֕י (hinaqi) = wees vrij | מִמֵּ֛י (mimei) = van het water van | הַמָּרִ֥ים (hamarim) = het bittere | הַֽמְאָרֲרִ֖ים (hamararim) = dat vloek brengt | הָאֵֽלֶּה (haele) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 5:12; Mat 26:63; Rom 7:2 **5:20** **Maar jij, als je onder je man bent afgedwaald en onrein bent geworden, en een andere man dan je man met je geslapen heeft —’** Brontekst: וְאַ֗תְּ (veat) = en jij | כִּ֥י (ki) = wanneer | שָׂטִ֛ית (satit) = je bent afgedwaald | תַּ֥חַת (tachat) = onder | אִישֵׁ֖ךְ (ishekh) = je man | וְכִ֣י (vekhi) = en wanneer | נִטְמֵ֑את (nitmet) = je onrein bent geworden | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en heeft gegeven | אִ֥ישׁ (ish) = een man | בָּךְ֙ (bakh) = in jou | אֶת (et) = (obj.) | שְׁכָבְתּ֔וֹ (shekhavto) = zijn slaping | מִֽבַּלְעֲדֵ֖י (mibaladei) = behalve | אִישֵֽׁךְ (ishekh) = je man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 5:12 **5:21** **De priester moet de vrouw laten zweren met de eed van de vloek. De priester moet tot de vrouw zeggen: ‘Moge Yahweh je tot een vloek en een eed maken te midden van je volk. Dat gebeurt doordat Yahweh je heup laat vallen en je buik laat zwellen.** Brontekst: וְהִשְׁבִּ֨יעַ (vehishbia) = en hij zal laten zweren | הַכֹּהֵ֥ן (hakohen) = de priester | אֶֽת (et) = (obj.) | הָֽאִשָּׁה֮ (haisha) = de vrouw | בִּשְׁבֻעַ֣ת (bishvuat) = met de eed van | הָאָלָה֒ (haala) = de vloek | וְאָמַ֤ר (veamar) = en zal zeggen | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | לָֽאִשָּׁ֔ה (laisha) = tot de vrouw | יִתֵּ֨ן (yiten) = moge geven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אוֹתָ֛ךְ (otakh) = jou | לְאָלָ֥ה (leala) = tot een vloek | וְלִשְׁבֻעָ֖ה (velishvua) = en tot een eed | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | עַמֵּ֑ךְ (amekh) = je volk | בְּתֵ֨ת (betet) = door te laten | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְרֵכֵךְ֙ (yerekhekh) = je heup | נֹפֶ֔לֶת (nofelet) = vallen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּטְנֵ֖ךְ (bitnekh) = je buik | צָבָֽה (tsava) = zwellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘eed met een vloek’. יָרֵךְ (yarekh), ‘heup’, kan ook een omschrijving voor de geslachtsdelen zijn. Wat er precies gebeurt, zegt de tekst niet; wij vertalen letterlijk. Zie ook: Joz 6:26; 1 Sam 14:24; Jer 29:22; Neh 10:30; Mat 26:74 **5:22** **Dit water dat vloek brengt moet in je ingewanden komen, zodat je buik zwelt en je heup valt.’ De vrouw moet zeggen: ‘Amen, amen.’** Brontekst: וּ֠בָאוּ (uvau) = en zullen komen | הַמַּ֨יִם (hamayim) = het water | הַמְאָרְרִ֤ים (hamarerim) = dat vloek brengt | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = dit | בְּֽמֵעַ֔יִךְ (bemeayikh) = in je ingewanden | לַצְבּ֥וֹת (latsbot) = om te laten zwellen | בֶּ֖טֶן (beten) = buik | וְלַנְפִּ֣ל (velanpil) = en om te laten vallen | יָרֵ֑ךְ (yarekh) = heup | וְאָמְרָ֥ה (veamera) = en zal zeggen | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | אָמֵ֥ן (amen) = amen | אָמֵֽן (amen) = amen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָמֵן אָמֵן (amen amen), ‘zo is het, zo is het’: de vrouw stemt twee keer in met de eed. Zie ook: Job 31:21–22; Deut 27:15–26; Ps 41:14; Ps 109:18; Spr 1:31 **5:23** **De priester moet deze vloeken in een boek schrijven en ze uitwissen in het bittere water.** Brontekst: וְ֠כָתַב (vekhatav) = en hij zal schrijven | אֶת (et) = (obj.) | הָאָלֹ֥ת (haalot) = de vloeken | הָאֵ֛לֶּה (haele) = deze | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | בַּסֵּ֑פֶר (basefer) = in het boek | וּמָחָ֖ה (umacha) = en hij zal uitwissen | אֶל (el) = in | מֵ֥י (mei) = het water van | הַמָּרִֽים (hamarim) = het bittere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:35; Deut 31:19; Ps 51:3; Jes 43:25; Jer 51:60–64 **5:24** **Hij moet de vrouw het bittere water laten drinken dat vloek brengt, en het water dat vloek brengt, komt als bitterheid in haar.** Brontekst: וְהִשְׁקָה֙ (vehishqa) = en hij zal laten drinken | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | אֶת (et) = (obj.) | מֵ֥י (mei) = het water van | הַמָּרִ֖ים (hamarim) = het bittere | הַמְאָֽרֲרִ֑ים (hamararim) = dat vloek brengt | וּבָ֥אוּ (uvau) = en zullen komen | בָ֛הּ (bah) = in haar | הַמַּ֥יִם (hamayim) = het water | הַֽמְאָרֲרִ֖ים (hamararim) = dat vloek brengt | לְמָרִֽים (lemarim) = tot bitterheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Zach 5:3–4; Mal 3:5 **5:25** **De priester moet uit de hand van de vrouw het graanoffer van jaloezie nemen. Hij moet het graanoffer voor het aangezicht van Yahweh zwaaien en het naar het altaar brengen.** Brontekst: וְלָקַ֤ח (velaqach) = en zal nemen | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִנְחַ֣ת (minchat) = graanoffer van | הַקְּנָאֹ֑ת (haqenaot) = de jaloezieën | וְהֵנִ֤יף (vehenif) = en hij zal zwaaien | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָה֙ (hamincha) = het graanoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִקְרִ֥יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | אֹתָ֖הּ (otah) = het | אֶל (el) = naar | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:24; Lev 8:27; Num 5:15; Num 5:18 **5:26** **De priester moet van het graanoffer een handvol nemen als gedenkdeel en dat op het altaar in rook laten opgaan. Daarna moet hij de vrouw het water laten drinken.** Brontekst: וְקָמַ֨ץ (veqamats) = en zal een handvol nemen | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | מִן (min) = van | הַמִּנְחָה֙ (hamincha) = het graanoffer | אֶת (et) = (obj.) | אַזְכָּ֣רָתָ֔הּ (azkaratah) = haar gedenkdeel | וְהִקְטִ֖יר (vehiqtir) = en laat in rook opgaan | הַמִּזְבֵּ֑חָה (hamizbecha) = naar het altaar | וְאַחַ֛ר (veachar) = en daarna | יַשְׁקֶ֥ה (yashqe) = hij zal laten drinken | אֶת (et) = (obj.) | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַזְכָּרָה (azkarah), ‘gedenkdeel’: zie Lev. 2:2. Zie ook: Lev 2:2; Lev 2:9; Lev 5:12; Lev 6:8 **5:27** **Heeft hij haar het water laten drinken, dan gebeurt het. Als zij onrein is geworden en ontrouw is geweest aan haar man, dan komt het water dat vloek brengt als bitterheid in haar. En haar buik zwelt en haar heup valt. De vrouw wordt een vloek te midden van haar volk.** Brontekst: וְהִשְׁקָ֣הּ (vehishqah) = en hij zal haar laten drinken | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּ֗יִם (hamayim) = het water | וְהָיְתָ֣ה (vehayeta) = en het zal zijn | אִֽם (im) = als | נִטְמְאָה֮ (nitmea) = zij onrein is geworden | וַתִּמְעֹ֣ל (vatimol) = en pleegde | מַ֣עַל (maal) = ontrouw | בְּאִישָׁהּ֒ (beishah) = aan haar man | וּבָ֨אוּ (uvau) = en zullen komen | בָ֜הּ (bah) = in haar | הַמַּ֤יִם (hamayim) = het water | הַמְאָֽרֲרִים֙ (hamararim) = dat vloek brengt | לְמָרִ֔ים (lemarim) = tot bitterheid | וְצָבְתָ֣ה (vetsaveta) = en zal zwellen | בִטְנָ֔הּ (bitnah) = haar buik | וְנָפְלָ֖ה (venafela) = en zal vallen | יְרֵכָ֑הּ (yerekhah) = haar heup | וְהָיְתָ֧ה (vehayeta) = en zal worden | הָאִשָּׁ֛ה (haisha) = de vrouw | לְאָלָ֖ה (leala) = tot een vloek | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | עַמָּֽהּ (amah) = haar volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 5:20; Deut 28:37; Jer 29:18; Jer 42:18; Zach 8:13 **5:28** **Maar als de vrouw niet onrein is geworden en rein is, dan is zij vrijgesproken en zal zij zaad ontvangen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֤א (lo) = niet | נִטְמְאָה֙ (nitmea) = zij onrein is geworden | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | וּטְהֹרָ֖ה (utehora) = en rein | הִ֑וא (hi) = zij | וְנִקְּתָ֖ה (veniqeta) = en zij is vrijgesproken | וְנִזְרְעָ֥ה (venizrea) = en zij zal bevrucht worden | זָֽרַע (zara) = met zaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וְנִזְרְעָה זָרַע (venizre‘ah zara‘) is letterlijk ‘zij wordt met zaad bezaaid’. Wij vertalen ‘zij zal zaad ontvangen’ en laten de uitleg aan de lezer. Zie ook: Num 5:19; Ps 113:9; Mi 7:7–10; 2 Kor 4:17; 1 Petr 1:7 ### Slot van de wet van de jaloezie **5:29** **Dit is de wet van de jaloezie, wanneer een vrouw onder haar man afdwaalt en onrein wordt,** Brontekst: זֹ֥את (zot) = dit | תּוֹרַ֖ת (torat) = wet van | הַקְּנָאֹ֑ת (haqenaot) = de jaloezieën | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wanneer | תִּשְׂטֶ֥ה (tiste) = afdwaalt | אִשָּׁ֛ה (isha) = een vrouw | תַּ֥חַת (tachat) = onder | אִישָׁ֖הּ (ishah) = haar man | וְנִטְמָֽאָה (venitmaa) = en onrein wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht en voorschrift (vergelijk Exod. 12:49). Zie ook: Ex 12:49; Lev 11:46; Lev 14:54–57; Num 5:12; Num 5:15; Num 5:19 **5:30** **of wanneer een geest van jaloezie over een man komt en hij jaloers wordt op zijn vrouw. Hij moet de vrouw voor het aangezicht van Yahweh laten staan, en de priester moet haar heel deze wet toepassen.** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | אִ֗ישׁ (ish) = een man | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | תַּעֲבֹ֥ר (taavor) = komt | עָלָ֛יו (alav) = over hem | ר֥וּחַ (ruach) = geest van | קִנְאָ֖ה (qina) = jaloezie | וְקִנֵּ֣א (veqine) = en hij wordt jaloers op | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּ֑וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְהֶעֱמִ֤יד (veheemid) = en hij zal laten staan | אֶת (et) = (obj.) | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְעָ֤שָׂה (veasa) = en zal doen | לָהּ֙ (lah) = met haar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַתּוֹרָ֖ה (hatora) = de wet | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:31** **De man is dan vrij van schuld, maar de vrouw draagt haar schuld.”** Brontekst: וְנִקָּ֥ה (veniqa) = en zal vrij zijn | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | מֵעָוֺ֑ן (meavon) = van schuld | וְהָאִשָּׁ֣ה (vehaisha) = en de vrouw | הַהִ֔וא (hahi) = die | תִּשָּׂ֖א (tisa) = zal dragen | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺנָֽהּ (avonah) = haar schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא עָוֺן (nasa avon), ‘haar schuld dragen’: de gevolgen van haar schuld komen op haar (Lev. 5:1). Zie ook: Lev 5:1; Lev 20:10; Lev 20:17–20; Num 9:13; Ps 37:6; Rom 2:8–9 ## Numeri 6 _De nazireeër en de zegen van de priesters_ ### De gelofte van een nazireeër **6:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Stel dat een man of een vrouw een bijzondere gelofte aflegt. Dat is de gelofte van een nazireeër, om zich voor Yahweh af te zonderen.** Brontekst: דַּבֵּר֙ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en jij zult zeggen | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֽוֹ (o) = of | אִשָּׁ֗ה (isha) = vrouw | כִּ֤י (ki) = wanneer | יַפְלִא֙ (yafli) = hij doet iets bijzonders | לִנְדֹּר֙ (lindor) = om te beloven | נֶ֣דֶר (neder) = gelofte van | נָזִ֔יר (nazir) = nazireeër | לְהַזִּ֖יר (lehazir) = om af te zonderen | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָזִיר (nazir), ‘nazireeër’: iemand die zich afzondert, van het werkwoord נָזַר (nazar), ‘zich afzonderen’. Het woord ‘bijzondere gelofte’ vertaalt יַפְלִא (jafli), letterlijk ‘iets wonderlijks, uitzonderlijks doen’. Ook een vrouw kan nazireeër worden. Zie ook Richt. 13:5. Zie ook: Lev 27:2; Re 13:5; Amos 2:11–12; Rom 1:1; Heb 7:27 **6:3** **Dan moet hij zich onthouden van wijn en sterke drank. Hij mag geen azijn van wijn en geen azijn van sterke drank drinken. Hij mag geen druivensap drinken en geen verse of gedroogde druiven eten.** Brontekst: מִיַּ֤יִן (miyayin) = van wijn | וְשֵׁכָר֙ (veshekhar) = en sterke drank | יַזִּ֔יר (yazir) = hij zal zich onthouden | חֹ֥מֶץ (chomets) = azijn van | יַ֛יִן (yayin) = wijn | וְחֹ֥מֶץ (vechomets) = en azijn van | שֵׁכָ֖ר (shekhar) = sterke drank | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁתֶּ֑ה (yishte) = hij zal drinken | וְכָל (vekhal) = en alles | מִשְׁרַ֤ת (mishrat) = wat geweekt is van | עֲנָבִים֙ (anavim) = druiven | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁתֶּ֔ה (yishte) = hij zal drinken | וַעֲנָבִ֛ים (vaanavim) = en druiven | לַחִ֥ים (lachim) = verse | וִיבֵשִׁ֖ים (viveshim) = en gedroogde | לֹ֥א (lo) = niet | יֹאכֵֽל (yokhel) = hij zal eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹמֶץ (chomets), ‘azijn’: zure wijn (Ruth 2:14). Voetnoot Lezing: מִשְׁרַת (mishrat) komt maar één keer voor; wij vertalen ‘druivensap’, wat uit de zin volgt. De precieze betekenis is niet zeker. Zie ook: Lev 10:9; Ruth 2:14; Amos 2:12; Luc 1:15; Ef 5:18; 1 Tim 5:23 **6:4** **Al de dagen van zijn nazireaat mag hij niets eten wat van de wijnstok gemaakt wordt, van de pitten tot de schil.** Brontekst: כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | נִזְר֑וֹ (nizro) = zijn nazireaat | מִכֹּל֩ (mikol) = van alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יֵעָשֶׂ֜ה (yease) = wordt gemaakt | מִגֶּ֣פֶן (migefen) = van de wijnstok van | הַיַּ֗יִן (hayayin) = de wijn | מֵחַרְצַנִּ֛ים (mechartsanim) = van pitten | וְעַד (vead) = en tot | זָ֖ג (zag) = schil | לֹ֥א (lo) = niet | יֹאכֵֽל (yokhel) = hij zal eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַרְצַנִּים (chartsannim) en זָג (zag) komen alleen hier voor. Wij vertalen ‘pitten’ en ‘schil’; de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : נֵזֶר (nezer), ‘nazireaat’: letterlijk ‘afzondering’, ook het woord voor het gewijde teken op het hoofd (Exod. 29:6). Zie ook: Ex 29:6; Num 6:5; Num 6:8–9; Num 6:12–13; Num 6:18–19; Num 6:21 **6:5** **Al de dagen van zijn nazireaatsgelofte mag er geen scheermes over zijn hoofd gaan. Tot de dagen vol zijn waarin hij zich voor Yahweh afzondert, moet hij heilig zijn. Hij moet de lokken van zijn hoofdhaar laten groeien.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | יְמֵי֙ (yemei) = dagen van | נֶ֣דֶר (neder) = gelofte van | נִזְר֔וֹ (nizro) = zijn nazireaat | תַּ֖עַר (taar) = scheermes | לֹא (lo) = niet | יַעֲבֹ֣ר (yaavor) = zal gaan | עַל (al) = over | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | עַד (ad) = tot | מְלֹ֨את (melot) = het vol zijn van | הַיָּמִ֜ם (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁר (asher) = waarin | יַזִּ֤יר (yazir) = hij zich afzondert | לַיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | קָדֹ֣שׁ (qadosh) = heilig | יִהְיֶ֔ה (yihye) = hij zal zijn | גַּדֵּ֥ל (gadel) = latende groeien | פֶּ֖רַע (pera) = lokken van | שְׂעַ֥ר (sear) = haar van | רֹאשֽׁוֹ (rosho) = zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het lange haar is het teken van de wijding. Zie ook Richt. 13:5. Zie ook: Re 13:5; Re 16:17; 1 Sam 1:11; Klaagl 4:7–8; 1 Kor 11:10–15 **6:6** **Al de dagen dat hij zich voor Yahweh afzondert, mag hij niet bij een dode komen.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | הַזִּיר֖וֹ (haziro) = zijn zich afzonderen | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | עַל (al) = bij | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = een persoon van | מֵ֖ת (met) = dood | לֹ֥א (lo) = niet | יָבֹֽא (yavo) = hij zal komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:28; Lev 21:11; Ezech 24:16–18; Mat 8:21–22; 2 Kor 5:16 **6:7** **Voor zijn vader en zijn moeder, zijn broer en zijn zus mag hij zich niet onrein maken wanneer zij sterven. Want de wijding van zijn Elohim is op zijn hoofd.** Brontekst: לְאָבִ֣יו (leaviv) = voor zijn vader | וּלְאִמּ֗וֹ (uleimo) = en voor zijn moeder | לְאָחִיו֙ (leachiv) = voor zijn broer | וּלְאַ֣חֹת֔וֹ (uleachoto) = en voor zijn zus | לֹא (lo) = niet | יִטַּמָּ֥א (yitama) = hij zal zich onrein maken | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | בְּמֹתָ֑ם (bemotam) = bij hun sterven | כִּ֛י (ki) = want | נֵ֥זֶר (nezer) = wijding van | אֱלֹהָ֖יו (elohav) = zijn Elohim | עַל (al) = op | רֹאשֽׁוֹ (rosho) = zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een gewone priester mocht zich wel onrein maken voor zijn naaste familie (Lev. 21:1–3); de hogepriester niet (Lev. 21:11). De nazireeër is hier aan de hogepriester gelijk. Zie ook: Lev 21:1–2; Lev 21:10–12; Lev 21:11; Num 9:6; Ezech 44:25 **6:8** **Al de dagen van zijn nazireaat is hij heilig voor Yahweh.** Brontekst: כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | נִזְר֑וֹ (nizro) = zijn nazireaat | קָדֹ֥שׁ (qadosh) = heilig | ה֖וּא (hu) = hij | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kor 6:17–18 ### Wanneer een nazireeër onrein wordt **6:9** **Stel dat er plotseling, ineens iemand bij hem sterft en hij zijn gewijde hoofd onrein maakt. Dan moet hij zijn hoofd scheren op de dag dat hij rein wordt. Op de zevende dag moet hij het scheren.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יָמ֨וּת (yamut) = sterft | מֵ֤ת (met) = een dode | עָלָיו֙ (alav) = bij hem | בְּפֶ֣תַע (befeta) = plotseling | פִּתְאֹ֔ם (pitom) = ineens | וְטִמֵּ֖א (vetime) = en hij maakt onrein | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | נִזְר֑וֹ (nizro) = zijn nazireaat | וְגִלַּ֤ח (vegilach) = en hij zal scheren | רֹאשׁוֹ֙ (rosho) = zijn hoofd | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | טָהֳרָת֔וֹ (tahorato) = zijn reiniging | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֖י (hashevii) = de zevende | יְגַלְּחֶֽנּוּ (yegalechenu) = hij zal het scheren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:9; Num 6:18; Hand 18:18; Hand 21:23–24; Fil 3:8–9 **6:10** **Op de achtste dag moet hij twee tortelduiven of twee jonge duiven naar de priester brengen, naar de ingang van de tent van samenkomst.** Brontekst: וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁמִינִ֗י (hashemini) = de achtste | יָבִא֙ (yavi) = hij zal brengen | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | תֹרִ֔ים (torim) = tortelduiven | א֥וֹ (o) = of | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יוֹנָ֑ה (yona) = duif | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אֶל (el) = naar | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor tortelduiven en jonge duiven als offer van wie weinig heeft, zie Lev. 5:7. Zie ook: Lev 1:14; Lev 5:7; Lev 14:22–23; Lev 14:31; Lev 15:14; Lev 15:29 **6:11** **De priester moet er één als zondoffer maken en één als brandoffer, en voor hem verzoening doen voor wat hij bij de dode gezondigd heeft. Op diezelfde dag moet hij zijn hoofd heiligen.** Brontekst: וְעָשָׂ֣ה (veasa) = en zal maken | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | אֶחָ֤ד (echad) = één | לְחַטָּאת֙ (lechatat) = als zondoffer | וְאֶחָ֣ד (veechad) = en één | לְעֹלָ֔ה (leola) = als brandoffer | וְכִפֶּ֣ר (vekhiper) = en zal verzoening doen | עָלָ֔יו (alav) = voor hem | מֵאֲשֶׁ֥ר (measher) = van wat | חָטָ֖א (chata) = hij zondigde | עַל (al) = bij | הַנָּ֑פֶשׁ (hanafesh) = de dode | וְקִדַּ֥שׁ (veqidash) = en zal heiligen | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֖וֹ (rosho) = zijn hoofd | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = dezelfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 5:8–10; Lev 14:30–31 **6:12** **Hij moet zich voor Yahweh afzonderen voor de dagen van zijn nazireaat en een lam van een jaar als schuldoffer brengen. De eerdere dagen vervallen, want zijn nazireaat is onrein geworden.** Brontekst: וְהִזִּ֤יר (vehizir) = en hij zal afzonderen | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | נִזְר֔וֹ (nizro) = zijn nazireaat | וְהֵבִ֛יא (vehevi) = en hij zal brengen | כֶּ֥בֶשׂ (keves) = lam | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְאָשָׁ֑ם (leasham) = als schuldoffer | וְהַיָּמִ֤ים (vehayamim) = en de dagen | הָרִאשֹׁנִים֙ (harishonim) = de eerdere | יִפְּל֔וּ (yipelu) = zullen vervallen | כִּ֥י (ki) = want | טָמֵ֖א (tame) = onrein werd | נִזְרֽוֹ (nizro) = zijn nazireaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het schuldoffer (אָשָׁם, asham) hoort bij een verbroken wijding, zoals bij Lev. 14:12. Zie ook: Lev 5:6; Lev 14:12; Ezech 18:24; Mat 3:15; Mat 24:13; 2 Joh 1:8 ### Het einde van het nazireaat **6:13** **Dit is de wet voor de nazireeër. Op de dag dat de dagen van zijn nazireaat vol zijn, moet hij naar de ingang van de tent van samenkomst gebracht worden.** Brontekst: וְזֹ֥את (vezot) = en dit | תּוֹרַ֖ת (torat) = wet van | הַנָּזִ֑יר (hanazir) = de nazireeër | בְּי֗וֹם (beyom) = op de dag | מְלֹאת֙ (melot) = van het vol zijn van | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | נִזְר֔וֹ (nizro) = zijn nazireaat | יָבִ֣יא (yavi) = hij zal brengen | אֹת֔וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = naar | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hand 21:26 **6:14** **Hij moet zijn offergave aan Yahweh brengen: een lam van een jaar zonder gebrek als brandoffer. Ook moet hij een vrouwelijk lam van een jaar zonder gebrek als zondoffer brengen. Ook moet hij een ram zonder gebrek als vredeoffer brengen.** Brontekst: וְהִקְרִ֣יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנ֣וֹ (qarbano) = zijn offergave | לַיהוָ֡ה (laYahweh) = aan Yahweh | כֶּבֶשׂ֩ (keves) = lam | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֨וֹ (shenato) = zijn jaar | תָמִ֤ים (tamim) = zonder gebrek | אֶחָד֙ (echad) = één | לְעֹלָ֔ה (leola) = als brandoffer | וְכַבְשָׂ֨ה (vekhavsa) = en vrouwelijk lam | אַחַ֧ת (achat) = één | בַּת (bat) = dochter van | שְׁנָתָ֛הּ (shenatah) = haar jaar | תְּמִימָ֖ה (temima) = zonder gebrek | לְחַטָּ֑את (lechatat) = als zondoffer | וְאַֽיִל (veayil) = en ram | אֶחָ֥ד (echad) = één | תָּמִ֖ים (tamim) = zonder gebrek | לִשְׁלָמִֽים (lishlamim) = als vredeoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:6; Lev 4:2–3; Lev 4:32; Lev 14:10; 1 Petr 1:19 **6:15** **Ook moet hij een mand met ongezuurde broden van fijn meel brengen. Dat zijn koeken gemengd met olie en ongezuurde wafels besmeerd met olie, met hun graanoffer en hun plengoffers.** Brontekst: וְסַ֣ל (vesal) = en een mand van | מַצּ֗וֹת (matsot) = ongezuurde broden | סֹ֤לֶת (solet) = fijn meel van | חַלֹּת֙ (chalot) = koeken | בְּלוּלֹ֣ת (belulot) = gemengd | בַּשֶּׁ֔מֶן (bashemen) = met olie | וּרְקִיקֵ֥י (ureqiqei) = en wafels van | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurde broden | מְשֻׁחִ֣ים (meshuchim) = besmeerd | בַּשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | וּמִנְחָתָ֖ם (uminchatam) = en hun graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶֽם (veniskeihem) = en hun plengoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor de ongezuurde broden, koeken en wafels zie Exod. 29:2. Zie ook: Ex 29:2; Lev 2:4; Num 15:10; Jes 62:9; 1 Kor 11:26 **6:16** **De priester moet het voor het aangezicht van Yahweh brengen en zijn zondoffer en zijn brandoffer maken.** Brontekst: וְהִקְרִ֥יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְעָשָׂ֥ה (veasa) = en hij zal maken | אֶת (et) = (obj.) | חַטָּאת֖וֹ (chatato) = zijn zondoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֹלָתֽוֹ (olato) = zijn brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:17** **De ram moet hij als vredeoffer voor Yahweh maken, samen met de mand met ongezuurde broden. De priester moet ook zijn graanoffer en zijn plengoffer maken.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַ֜יִל (haayil) = de ram | יַעֲשֶׂ֨ה (yaase) = hij zal maken | זֶ֤בַח (zevach) = slachtoffer van | שְׁלָמִים֙ (shelamim) = vredeoffer | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | עַ֖ל (al) = op | סַ֣ל (sal) = de mand van | הַמַּצּ֑וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | וְעָשָׂה֙ (veasa) = en hij zal maken | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | מִנְחָת֖וֹ (minchato) = zijn graanoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נִסְכּֽוֹ (nisko) = zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:18** **De nazireeër moet bij de ingang van de tent van samenkomst zijn gewijde hoofd scheren. Hij moet het haar van zijn gewijde hoofd nemen en op het vuur leggen dat onder het vredeoffer is.** Brontekst: וְגִלַּ֣ח (vegilach) = en hij zal scheren | הַנָּזִ֗יר (hanazir) = de nazireeër | פֶּ֛תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | נִזְר֑וֹ (nizro) = zijn nazireaat | וְלָקַ֗ח (velaqach) = en hij zal nemen | אֶת (et) = (obj.) | שְׂעַר֙ (sear) = het haar van | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | נִזְר֔וֹ (nizro) = zijn nazireaat | וְנָתַן֙ (venatan) = en hij zal leggen | עַל (al) = op | הָאֵ֔שׁ (haesh) = het vuur | אֲשֶׁר (asher) = dat | תַּ֖חַת (tachat) = onder | זֶ֥בַח (zevach) = het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִֽים (hashelamim) = het vredeoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 6:5; Num 6:9; Hand 18:18; Hand 21:24; Ef 1:6 **6:19** **De priester moet de gekookte schouder van de ram nemen, één ongezuurde koek uit de mand en één ongezuurde wafel. Hij moet ze op de handen van de nazireeër leggen nadat hij zijn nazireaat heeft afgeschoren.** Brontekst: וְלָקַ֨ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַזְּרֹ֣עַ (hazeroa) = de schouder | בְּשֵׁלָה֮ (beshela) = gekookt | מִן (min) = van | הָאַיִל֒ (haayil) = de ram | וְֽחַלַּ֨ת (vechalat) = en koek van | מַצָּ֤ה (matsa) = ongezuurd brood | אַחַת֙ (achat) = één | מִן (min) = uit | הַסַּ֔ל (hasal) = de mand | וּרְקִ֥יק (ureqiq) = en wafel van | מַצָּ֖ה (matsa) = ongezuurd brood | אֶחָ֑ד (echad) = één | וְנָתַן֙ (venatan) = en hij zal leggen | עַל (al) = op | כַּפֵּ֣י (kapei) = de handpalmen van | הַנָּזִ֔יר (hanazir) = de nazireeër | אַחַ֖ר (achar) = nadat | הִֽתְגַּלְּח֥וֹ (hitgalecho) = zijn afscheren | אֶת (et) = (obj.) | נִזְרֽוֹ (nizro) = zijn nazireaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:23–28; Lev 7:30; Lev 8:27; Lev 8:31; 1 Sam 2:15 **6:20** **De priester moet ze als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh zwaaien. Het is heilig voor de priester, samen met de borst van het beweegoffer en de dij van de heffing. Daarna mag de nazireeër wijn drinken.** Brontekst: וְהֵנִיף֩ (vehenif) = en hij zal zwaaien | אוֹתָ֨ם (otam) = hen | הַכֹּהֵ֥ן (hakohen) = de priester | תְּנוּפָה֮ (tenufa) = beweegoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | קֹ֤דֶשׁ (qodesh) = heilig | הוּא֙ (hu) = het is | לַכֹּהֵ֔ן (lakohen) = voor de priester | עַ֚ל (al) = op | חֲזֵ֣ה (chaze) = de borst van | הַתְּנוּפָ֔ה (hatenufa) = het beweegoffer | וְעַ֖ל (veal) = en op | שׁ֣וֹק (shoq) = de dij van | הַתְּרוּמָ֑ה (hateruma) = de heffing | וְאַחַ֛ר (veachar) = en daarna | יִשְׁתֶּ֥ה (yishte) = hij mag drinken | הַנָּזִ֖יר (hanazir) = de nazireeër | יָֽיִן (yayin) = wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De borst en de dij zijn het deel van de priester bij een vredeoffer (Lev. 7:30–34). Zie ook: Ex 29:27–28; Lev 7:30–34; Lev 23:11; Num 5:25; Pred 9:7; Zach 9:17 **6:21** **Dit is de wet voor de nazireeër die een gelofte aflegt: zijn offergave aan Yahweh voor zijn nazireaat, behalve wat hij verder kan opbrengen. Zoals hij zijn gelofte aflegt, zo moet hij doen, volgens de wet van zijn nazireaat.”** Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit | תּוֹרַ֣ת (torat) = wet van | הַנָּזִיר֮ (hanazir) = de nazireeër | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִדֹּר֒ (yidor) = zal beloven | קָרְבָּנ֤וֹ (qarbano) = zijn offergave | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | עַל (al) = voor | נִזְר֔וֹ (nizro) = zijn nazireaat | מִלְּבַ֖ד (milevad) = behalve | אֲשֶׁר (asher) = wat | תַּשִּׂ֣יג (tasig) = kan bereiken | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | כְּפִ֤י (kefi) = naar | נִדְרוֹ֙ (nidro) = zijn gelofte | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִדֹּ֔ר (yidor) = hij zal beloven | כֵּ֣ן (ken) = zo | יַעֲשֶׂ֔ה (yaase) = hij zal doen | עַ֖ל (al) = volgens | תּוֹרַ֥ת (torat) = de wet van | נִזְרֽוֹ (nizro) = zijn nazireaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 5:29; Ezra 2:69; Gal 6:6; Heb 13:16 ### De zegen van de priesters **6:22** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:23** **„Spreek tot Aäron en zijn zonen: Zo moeten jullie de zonen van Israël zegenen. Zeg tot hen:** Brontekst: דַּבֵּ֤ר (daber) = spreek | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וְאֶל (veel) = en tot | בָּנָ֣יו (banav) = zijn zonen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | כֹּ֥ה (ko) = zo | תְבָרֲכ֖וּ (tevarakhu) = jullie zullen zegenen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אָמ֖וֹר (amor) = zeg | לָהֶֽם (lahem) = tot hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zegen heeft drie regels van 3, 5 en 7 woorden in het Hebreeuws. Het is de zegen die de priesters over Israël uitspreken. Zie ook: Gen 48:20; Deut 21:5; 1 Kron 23:13; Heb 7:1; 2 Joh 1:3 **6:24** **‘Moge Yahweh je zegenen en je behoeden.** Brontekst: יְבָרֶכְךָ֥ (yevarekhkha) = hij zegene je | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְיִשְׁמְרֶֽךָ (veyishmerekha) = en hij behoede je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 121:4–7; Jes 42:6; 1 Tess 5:23; Fil 4:7; Jud 1:24 **6:25** **Moge Yahweh Zijn aangezicht over je laten lichten en je gunst bewijzen.** Brontekst: יָאֵ֨ר (yaer) = hij laat lichten | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | פָּנָ֛יו (panav) = Zijn aangezicht | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = naar jou | וִֽיחֻנֶּֽךָּ (vichuneka) = en hij bewijze je gunst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹר פָּנִים (or panim), ‘het aangezicht laten lichten’: vriendelijk kijken. חָנַן (chanan), ‘gunst bewijzen’, hoort bij חֵן (chen), ‘gunst’. Zie ook: Ps 31:17; Ps 67:2; Ps 80:20; Ps 119:135; Dan 9:17 **6:26** **Moge Yahweh Zijn aangezicht naar je opheffen en je vrede geven.’** Brontekst: יִשָּׂ֨א (yisa) = hij hefte op | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | פָּנָיו֙ (panav) = Zijn aangezicht | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar jou | וְיָשֵׂ֥ם (veyasem) = en hij geve | לְךָ֖ (lekha) = je | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא פָּנִים (nasa panim), ‘het aangezicht opheffen’: iemand vol aandacht aankijken. Zie ook: Ps 4:7; Ps 29:11; Joh 16:33; 2 Tess 3:16; Rom 15:13 **6:27** **Zo moeten zij Mijn naam op de zonen van Israël leggen, en Ik zal hen zegenen.”** Brontekst: וְשָׂמ֥וּ (vesamu) = en zij zullen leggen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | עַל (al) = op | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַאֲנִ֖י (vaani) = en Ik | אֲבָרֲכֵֽם (avarakhem) = zal hen zegenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De naam van Yahweh op Israël leggen betekent dat Israël Zijn volk is. Zie ook Deut. 28:10. Zie ook: Deut 28:10; 2 Kron 7:14; Jer 14:9; Dan 9:18–19; Ef 1:3 ## Numeri 7 _De gaven van de leiders_ ### De tabernakel en het altaar worden gezalfd **7:1** Op de dag dat Mozes klaar was met het oprichten van de tabernakel, zalfde hij hem en heiligde hij hem, met al zijn voorwerpen. Dat gold ook voor het altaar met al zijn voorwerpen. Hij zalfde ze en heiligde ze. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | בְּיוֹם֩ (beyom) = op de dag | כַּלּ֨וֹת (kalot) = het voltooien van | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | לְהָקִ֣ים (lehaqim) = om op te richten | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֗ן (hamishkan) = de tabernakel | וַיִּמְשַׁ֨ח (vayimshach) = en hij zalfde | אֹת֜וֹ (oto) = hem | וַיְקַדֵּ֤שׁ (vayqadesh) = en hij heiligde | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | כֵּלָ֑יו (kelav) = zijn voorwerpen | וַיִּמְשָׁחֵ֖ם (vayimshachem) = en hij zalfde ze | וַיְקַדֵּ֥שׁ (vayqadesh) = en hij heiligde | אֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk kijkt terug. De tabernakel werd opgericht op de eerste dag van de eerste maand van het tweede jaar (Exod. 40:17); de zalving staat in Exod. 40:9–11. De telling aan het begin van dit boek is een maand later (Num. 1:1). Zie ook: Ex 40:9–11; Ex 40:17–19; Lev 8:10–11; Num 1:1; Num 7:84; Num 7:88; Mat 23:19 ### De leiders brengen wagens en runderen **7:2** De leiders van Israël, de hoofden van hun vaderhuizen, brachten hun offergave. Zij waren de leiders van de stammen, zij die bij de getelden stonden. Brontekst: וַיַּקְרִ֨יבוּ֙ (vayaqrivu) = en zij brachten | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = leiders van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | רָאשֵׁ֖י (rashei) = hoofden van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | הֵ֚ם (hem) = zij | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = leiders van | הַמַּטֹּ֔ת (hamatot) = de stammen | הֵ֥ם (hem) = zij | הָעֹמְדִ֖ים (haomedim) = die stonden | עַל (al) = bij | הַפְּקֻדִֽים (hapequdim) = de getelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׂיא (nasi), ‘leider’: het hoofd van een stam. Het zijn dezelfde twaalf mannen die bij de telling hielpen (Num. 1:4–16). Voetnoot Lezing: Bij ‘brachten’ staat in het Hebreeuws geen voorwerp. Wij vullen ‘hun offergave’ aan uit vers 3. Zie ook: Ex 35:27; Num 1:4–16; Num 2:1–34; Num 7:3; 2 Kron 35:8; Ezra 2:68–69 **7:3** Zij brachten hun offergave voor het aangezicht van Yahweh: zes overdekte wagens en twaalf runderen. Dat was een wagen voor elke twee leiders en een rund voor elke leider. Zij brachten ze voor de tabernakel. Brontekst: וַיָּבִ֨יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנָ֜ם (qarbanam) = hun offergave | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | שֵׁשׁ (shesh) = zes | עֶגְלֹ֥ת (eglot) = wagens van | צָב֙ (tsav) = overdekt | וּשְׁנֵ֣י (ushenei) = en twaalf | עָשָׂ֣ר (asar) = (tien) | בָּקָ֔ר (baqar) = rundvee | עֲגָלָ֛ה (agala) = een wagen | עַל (al) = voor | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הַנְּשִׂאִ֖ים (hanesiim) = de leiders | וְשׁ֣וֹר (veshor) = en een rund | לְאֶחָ֑ד (leechad) = voor één | וַיַּקְרִ֥יבוּ (vayaqrivu) = en zij brachten | אוֹתָ֖ם (otam) = ze | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶגְלֹת צָב (egloth tsav), ‘overdekte wagens’: het woord צָב (tsav) komt zelden voor en de betekenis is niet zeker. Wij vertalen ‘overdekt’; het zijn in elk geval wagens met runderen ervoor. ### De wagens gaan naar de Levieten **7:4** Yahweh zei tot Mozes: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:5** **„Neem ze van hen aan. Ze moeten gebruikt worden om de dienst van de tent van samenkomst te verrichten. Geef ze aan de Levieten, aan ieder naar de aard van zijn dienst.”** Brontekst: קַ֚ח (qach) = neem | מֵֽאִתָּ֔ם (meitam) = van hen | וְהָי֕וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לַעֲבֹ֕ד (laavod) = om te verrichten | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַ֖ת (avodat) = de dienst van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְנָתַתָּ֤ה (venatata) = en je zult geven | אוֹתָם֙ (otam) = ze | אֶל (el) = aan | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | כְּפִ֥י (kefi) = naar de mond van | עֲבֹדָתֽוֹ (avodato) = zijn dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:1–11; Ex 35:4–10; Jes 49:1–8; Ef 4:11–13; Tit 3:8 **7:6** Mozes nam de wagens en de runderen en gaf ze aan de Levieten. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הָעֲגָלֹ֖ת (haagalot) = de wagens | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבָּקָ֑ר (habaqar) = de runderen | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en gaf | אוֹתָ֖ם (otam) = ze | אֶל (el) = aan | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:7** Twee wagens en vier runderen gaf hij aan de zonen van Gersjon, naar de aard van hun dienst. Brontekst: אֵ֣ת (et) = (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הָעֲגָלֹ֗ת (haagalot) = de wagens | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | אַרְבַּ֣עַת (arbaat) = vier | הַבָּקָ֔ר (habaqar) = de runderen | נָתַ֖ן (natan) = hij gaf | לִבְנֵ֣י (livnei) = aan de zonen van | גֵרְשׁ֑וֹן (gereshon) = Gersjon | כְּפִ֖י (kefi) = naar de mond van | עֲבֹדָתָֽם (avodatam) = hun dienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonen van Gersjon droegen de kleden en de gordijnen van de tabernakel (Num. 4:24–26), de zonen van Merari de planken, dwarsbalken, pilaren en voetstukken (Num. 4:31–32). Daarom kregen zij wagens (zie ook Num. 3:25–26 en 3:36–37). Zie ook: Num 3:25–26; Num 3:36; Num 4:24–28; Num 4:31–32 **7:8** Vier wagens en acht runderen gaf hij aan de zonen van Merari, naar de aard van hun dienst. Dat gebeurde onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron. Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | הָעֲגָלֹ֗ת (haagalot) = de wagens | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁמֹנַ֣ת (shemonat) = acht | הַבָּקָ֔ר (habaqar) = de runderen | נָתַ֖ן (natan) = hij gaf | לִבְנֵ֣י (livnei) = aan de zonen van | מְרָרִ֑י (merari) = Merari | כְּפִי֙ (kefi) = naar de mond van | עֲבֹ֣דָתָ֔ם (avodatam) = hun dienst | בְּיַד֙ (beyad) = door de hand van | אִֽיתָמָ֔ר (itamar) = Itamar | בֶּֽן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:36–37; Num 4:28–33 **7:9** Aan de zonen van Kehat gaf hij niets, want de dienst voor het heilige rustte op hen. Zij moesten het op de schouder dragen. Brontekst: וְלִבְנֵ֥י (velivnei) = en aan de zonen van | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | לֹ֣א (lo) = niet | נָתָ֑ן (natan) = hij gaf | כִּֽי (ki) = want | עֲבֹדַ֤ת (avodat) = de dienst van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = het heilige | עֲלֵהֶ֔ם (alehem) = op hen | בַּכָּתֵ֖ף (bakatef) = op de schouder | יִשָּֽׂאוּ (yisau) = zij droegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonen van Kehat droegen de heilige voorwerpen zelf, op hun schouders (Num. 4:15). Daarom kregen zij geen wagens. Zie ook: Num 3:31; Num 4:4–16; Num 4:15; 2 Sam 6:13; 1 Kron 15:13; 1 Kron 23:26 ### De inwijding van het altaar **7:10** De leiders brachten de inwijdingsgave voor het altaar op de dag dat het gezalfd werd. De leiders brachten hun offergave voor het altaar. Brontekst: וַיַּקְרִ֣יבוּ (vayaqrivu) = en zij brachten | הַנְּשִׂאִ֗ים (hanesiim) = de leiders | אֵ֚ת (et) = (obj.) | חֲנֻכַּ֣ת (chanukat) = de inwijding van | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag | הִמָּשַׁ֣ח (himashach) = het zalven | אֹת֑וֹ (oto) = het | וַיַּקְרִ֧יבוּ (vayaqrivu) = en zij brachten | הַנְּשִׂיאִ֛ם (hanesiim) = de leiders | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנָ֖ם (qarbanam) = hun offergave | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲנֻכָּה (chanukkah), ‘inwijding’: de eerste ingebruikname van het altaar. In Exod. 29 staat voor de wijding van de priesters een ander woord, מִלֻּאִים (milluim), dat daar ook ‘inwijding’ is. Zie ook: Deut 20:5; 1 Kon 8:63; 2 Kron 7:5; 2 Kron 7:9; Neh 12:27 **7:11** Yahweh zei tot Mozes: **„Eén leider per dag, één leider per dag: zij moeten hun offergave brengen voor de inwijding van het altaar.”** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | נָשִׂ֨יא (nasi) = een leider | אֶחָ֜ד (echad) = één | לַיּ֗וֹם (layom) = per dag | נָשִׂ֤יא (nasi) = een leider | אֶחָד֙ (echad) = één | לַיּ֔וֹם (layom) = per dag | יַקְרִ֨יבוּ֙ (yaqrivu) = zij zullen brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנָ֔ם (qarbanam) = hun offergave | לַחֲנֻכַּ֖ת (lachanukat) = voor de inwijding van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 14:33; 1 Kor 14:40; Kol 2:5 ### De gaven van de twaalf leiders **7:12** Wie op de eerste dag zijn offergave bracht, was Nachsjon, de zoon van Amminadab, van de stam Juda. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | הַמַּקְרִ֛יב (hamaqriv) = die bracht | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הָרִאשׁ֖וֹן (harishon) = de eerste | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנ֑וֹ (qarbano) = zijn offergave | נַחְשׁ֥וֹן (nachshon) = Nachsjon | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּינָדָ֖ב (aminadav) = Amminadab | לְמַטֵּ֥ה (lemate) = voor de stam van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De leiders komen in dezelfde volgorde als de stammen in het kamp en op reis: Juda, Issachar, Zebulon; Ruben, Simeon, Gad; Efraïm, Manasse, Benjamin; Dan, Aser, Naftali (Num. 2:3–31 en Num. 10:14–27). Zie ook: Gen 49:10; Num 2:3; Num 10:14; Ruth 4:20; Luc 3:32 **7:13** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: וְקָרְבָּנ֞וֹ (veqarbano) = en zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’, is ongeveer 11,4 gram. De schaal van 130 sikkel weegt dus ongeveer 1,5 kilogram, de sprengschaal van 70 sikkel ongeveer 800 gram. Voetnoot : מִזְרָק (mizraq), ‘sprengschaal’: een schaal waaruit men kon sprenkelen, zoals in Exod. 27:3. Voetnoot : סֹלֶת (solet), ‘fijn meel’; מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’ (Lev. 2). Zie ook: Ex 25:29; Ex 27:3; Ex 30:13; Ex 37:16; Lev 2:1; Jer 52:19 **7:14** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְטֹרֶת (qetoret), ‘wierook’: het geurige mengsel van Exod. 30:34–38. De gouden schotel van 10 sikkel weegt ongeveer 114 gram. Zie ook: Ex 30:7–8; Ex 30:34–38; Ex 35:8; Ex 37:16; 1 Kon 7:50; 2 Kon 25:14–15 **7:15** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joh 17:19; Rom 3:24–26; Rom 5:6–11; Rom 5:16–21; Tit 2:14 **7:16** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:23; Lev 4:25 **7:17** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Nachsjon, de zoon van Amminadab. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתּוּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | נַחְשׁ֖וֹן (nachshon) = Nachsjon | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּינָדָֽב (aminadav) = Amminadab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffer’ (Lev. 3). Elke leider brengt dezelfde gaven: 1 schaal, 1 sprengschaal, 1 schotel, 1 stier, 1 ram, 1 lam, 1 bok en voor het vredeoffer 2 runderen, 5 rammen, 5 bokken en 5 lammen. Zie ook: Lev 3:1–17; 2 Kor 5:19–21 **7:18** Op de tweede dag bracht Netanel, de zoon van Zuar, de leider van Issachar, zijn offergave. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | הִקְרִ֖יב (hiqriv) = hij bracht | נְתַנְאֵ֣ל (netanel) = Netanel | בֶּן (ben) = zoon van | צוּעָ֑ר (tsuar) = Zuar | נְשִׂ֖יא (nesi) = leider van | יִשָּׂשכָֽר (yisashkhar) = Issachar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:8; Num 2:5 **7:19** Hij bracht zijn offergave: een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: הִקְרִ֨ב (hiqriv) = hij bracht | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנ֜וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:20** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:21** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:20; Rom 12:1; Ef 5:2 **7:22** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:23** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Netanel, de zoon van Zuar. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתּוּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | נְתַנְאֵ֖ל (netanel) = Netanel | בֶּן (ben) = zoon van | צוּעָֽר (tsuar) = Zuar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 7:11–13; Spr 7:14; 1 Kon 8:63; Kol 1:1 **7:24** Op de derde dag: de leider van de zonen van Zebulon, Eliab, de zoon van Chelon. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | זְבוּלֻ֑ן (zevulun) = Zebulon | אֱלִיאָ֖ב (eliav) = Eliab | בֶּן (ben) = zoon van | חֵלֹֽן (chelon) = Chelon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier staat er bij de dagen geen werkwoord in het Hebreeuws; het is een korte opsomming. Wij laten dat zo staan. Zie ook: Num 1:9; Num 2:7 **7:25** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:26** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:27** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 50:8–14; Ps 51:18; Amos 5:22; Jes 1:11; Jer 7:22 **7:28** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:29** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Eliab, de zoon van Chelon. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | אֱלִיאָ֖ב (eliav) = Eliab | בֶּן (ben) = zoon van | חֵלֹֽן (chelon) = Chelon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:30** Op de vierde dag: de leider van de zonen van Ruben, Elizur, de zoon van Sjedeür. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הָרְבִיעִ֔י (harevii) = de vierde | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | רְאוּבֵ֑ן (reuven) = Ruben | אֱלִיצ֖וּר (elitsur) = Elizur | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁדֵיאֽוּר (shedeiur) = Sjedeür Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:5; Num 2:10 **7:31** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:32** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 66:15; Mal 1:11; Luc 1:10; Openb 8:3 **7:33** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:34** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:35** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Elizur, de zoon van Sjedeür. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | אֱלִיצ֖וּר (elitsur) = Elizur | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁדֵיאֽוּר (shedeiur) = Sjedeür Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:36** Op de vijfde dag: de leider van de zonen van Simeon, Sjelumiël, de zoon van Zurisjaddai. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַחֲמִישִׁ֔י (hachamishi) = de vijfde | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | שִׁמְע֑וֹן (shimon) = Simeon | שְׁלֻֽמִיאֵ֖ל (shelumiel) = Sjelumiël | בֶּן (ben) = zoon van | צוּרִֽישַׁדָּֽי (tsurishaday) = Zurisjaddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:6; Num 2:12 **7:37** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:38** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:39** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:5; Joh 1:29; Hand 8:32; 1 Petr 1:19; Openb 5:6 **7:40** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:41** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Sjelumiël, de zoon van Zurisjaddai. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | שְׁלֻמִיאֵ֖ל (shelumiel) = Sjelumiël | בֶּן (ben) = zoon van | צוּרִֽישַׁדָּֽי (tsurishaday) = Zurisjaddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:42** Op de zesde dag: de leider van de zonen van Gad, Eljasaf, de zoon van Deüel. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשִּׁשִּׁ֔י (hashishi) = de zesde | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | גָ֑ד (gad) = Gad | אֶלְיָסָ֖ף (elyasaf) = Eljasaf | בֶּן (ben) = zoon van | דְּעוּאֵֽל (deuel) = Deüel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:14; Num 2:14 **7:43** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 2:5; Lev 14:10; Heb 1:9; 1 Joh 2:27 **7:44** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:45** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 66:15; Jes 53:4; 2 Kor 5:21 **7:46** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:47** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Eljasaf, de zoon van Deüel. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | אֶלְיָסָ֖ף (elyasaf) = Eljasaf | בֶּן (ben) = zoon van | דְּעוּאֵֽל (deuel) = Deüel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:48** Op de zevende dag: de leider van de zonen van Efraïm, Elisjama, de zoon van Ammihud. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | אֱלִֽישָׁמָ֖ע (elishama) = Elisjama | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּיהֽוּד (amihud) = Ammihud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:10; Num 2:18 **7:49** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:50** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:51** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:52** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:53** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Elisjama, de zoon van Ammihud. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | אֱלִישָׁמָ֖ע (elishama) = Elisjama | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּיהֽוּד (amihud) = Ammihud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:54** Op de achtste dag: de leider van de zonen van Manasse, Gamliël, de zoon van Pedazur. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשְּׁמִינִ֔י (hashemini) = de achtste | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | גַּמְלִיאֵ֖ל (gamliel) = Gamliël | בֶּן (ben) = zoon van | פְּדָה (peda) = Peda- | צֽוּר (tsur) = -zur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:10; Num 2:20 **7:55** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:56** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:57** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:58** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:59** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Gamliël, de zoon van Pedazur. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | גַּמְלִיאֵ֖ל (gamliel) = Gamliël | בֶּן (ben) = zoon van | פְּדָה (peda) = Peda- | צֽוּר (tsur) = -zur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:60** Op de negende dag: de leider van de zonen van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַתְּשִׁיעִ֔י (hateshii) = de negende | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | אֲבִידָ֖ן (avidan) = Abidan | בֶּן (ben) = zoon van | גִּדְעֹנִֽי (gidoni) = Gideoni Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:11; Num 2:22 **7:61** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:62** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 112:2; Jes 66:20; Dan 9:27; Fil 4:18; Heb 13:15 **7:63** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:64** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:65** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Abidan, de zoon van Gideoni. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | אֲבִידָ֖ן (avidan) = Abidan | בֶּן (ben) = zoon van | גִּדְעֹנִֽי (gidoni) = Gideoni Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:66** Op de tiende dag: de leider van de zonen van Dan, Achiëzer, de zoon van Ammisjaddai. Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הָעֲשִׂירִ֔י (haasiri) = de tiende | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | דָ֑ן (dan) = Dan | אֲחִיעֶ֖זֶר (achiezer) = Achiëzer | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּישַׁדָּֽי (amishaday) = Ammisjaddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:12; Num 2:25 **7:67** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:68** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:69** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:70** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:71** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Achiëzer, de zoon van Ammisjaddai. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | אֲחִיעֶ֖זֶר (achiezer) = Achiëzer | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּישַׁדָּֽי (amishaday) = Ammisjaddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:72** Op de elfde dag: de leider van de zonen van Aser, Pagiël, de zoon van Ochran. Brontekst: בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag | עַשְׁתֵּ֣י (ashtei) = elf | עָשָׂ֣ר (asar) = (tien) | י֔וֹם (yom) = dag | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | אָשֵׁ֑ר (asher) = Aser | פַּגְעִיאֵ֖ל (pagiel) = Pagiël | בֶּן (ben) = zoon van | עָכְרָֽן (akheran) = Ochran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:13; Num 2:27 **7:73** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 7:13–88 **7:74** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:75** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:76** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:77** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Pagiël, de zoon van Ochran. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | פַּגְעִיאֵ֖ל (pagiel) = Pagiël | בֶּן (ben) = zoon van | עָכְרָֽן (akheran) = Ochran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:78** Op de twaalfde dag: de leider van de zonen van Naftali, Achira, de zoon van Enan. Brontekst: בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag | שְׁנֵ֣ים (sheneim) = twaalf | עָשָׂ֣ר (asar) = (tien) | י֔וֹם (yom) = dag | נָשִׂ֖יא (nasi) = leider van | לִבְנֵ֣י (livnei) = de zonen van | נַפְתָּלִ֑י (naftali) = Naftali | אֲחִירַ֖ע (achira) = Achira | בֶּן (ben) = zoon van | עֵינָֽן (einan) = Enan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:15; Num 2:29 **7:79** Zijn offergave was een zilveren schaal van 130 sikkel en een zilveren sprengschaal van 70 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Beide waren gevuld met fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: קָרְבָּנ֞וֹ (qarbano) = zijn offergave | קַֽעֲרַת (qaarat) = schaal van | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | אַחַ֗ת (achat) = één | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָה֮ (umea) = en honderd | מִשְׁקָלָהּ֒ (mishqalah) = haar gewicht | מִזְרָ֤ק (mizraq) = sprengschaal | אֶחָד֙ (echad) = één | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | שְׁנֵיהֶ֣ם (sheneihem) = beide | מְלֵאִ֗ים (meleim) = gevuld | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gemengd | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | לְמִנְחָֽה (lemincha) = als graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:80** Een gouden schotel van 10 sikkel, gevuld met wierook. Brontekst: כַּ֥ף (kaf) = schotel | אַחַ֛ת (achat) = één | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מְלֵאָ֥ה (melea) = gevuld | קְטֹֽרֶת (qetoret) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:81** Een jonge stier, een ram en een lam van een jaar, als brandoffer. Brontekst: פַּ֣ר (par) = stier | אֶחָ֞ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֗ר (baqar) = rundvee | אַ֧יִל (ayil) = ram | אֶחָ֛ד (echad) = één | כֶּֽבֶשׂ (keves) = lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֖וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:82** Een geitenbok als zondoffer. Brontekst: שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:83** En als vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammen van een jaar. Dit was de offergave van Achira, de zoon van Enan. Brontekst: וּלְזֶ֣בַח (ulezevach) = en als slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | בָּקָ֣ר (baqar) = rundvee | שְׁנַיִם֒ (shenayim) = twee | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חֲמִשָּׁ֑ה (chamisha) = vijf | זֶ֛ה (ze) = dit | קָרְבַּ֥ן (qarban) = offergave van | אֲחִירַ֖ע (achira) = Achira | בֶּן (ben) = zoon van | עֵינָֽן (einan) = Enan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het totaal van de gaven **7:84** Dit was de inwijding van het altaar, op de dag dat het gezalfd werd, van de kant van de leiders van Israël. Zij brachten 12 zilveren schalen, 12 zilveren sprengschalen en 12 gouden schotels. Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit | חֲנֻכַּ֣ת (chanukat) = de inwijding van | הַמִּזְבֵּ֗חַ (hamizbeach) = het altaar | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag | הִמָּשַׁ֣ח (himashach) = het zalven | אֹת֔וֹ (oto) = het | מֵאֵ֖ת (meet) = van de kant van | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = leiders van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | קַעֲרֹ֨ת (qaarot) = schalen van | כֶּ֜סֶף (kesef) = zilver | שְׁתֵּ֣ים (sheteim) = twaalf | עֶשְׂרֵ֗ה (esre) = (tien) | מִֽזְרְקֵי (mizreqei) = sprengschalen van | כֶ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | שְׁנֵ֣ים (sheneim) = twaalf | עָשָׂ֔ר (asar) = (tien) | כַּפּ֥וֹת (kapot) = schotels van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | שְׁתֵּ֥ים (sheteim) = twaalf | עֶשְׂרֵֽה (esre) = (tien) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier volgt de optelling van de twaalf gaven: 12 × 130 + 12 × 70 = 2.400 sikkel zilver, en 12 × 10 = 120 sikkel goud. Zie ook: Num 7:1; Num 7:10; Jes 60:6–10; Ezra 2:68–69; Heb 13:10 **7:85** Elke schaal woog 130 sikkel en elke sprengschaal 70. Al het zilver van de voorwerpen was 2.400 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Brontekst: שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וּמֵאָ֗ה (umea) = en honderd | הַקְּעָרָ֤ה (haqeara) = de schaal | הָֽאַחַת֙ (haachat) = de ene | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וְשִׁבְעִ֖ים (veshivim) = en zeventig | הַמִּזְרָ֣ק (hamizraq) = de sprengschaal | הָאֶחָ֑ד (haechad) = de ene | כֹּ֚ל (kol) = al | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver van | הַכֵּלִ֔ים (hakelim) = de voorwerpen | אַלְפַּ֥יִם (alpayim) = tweeduizend | וְאַרְבַּע (vearba) = en vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | בְּשֶׁ֥קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 2.400 sikkel zilver is ongeveer 27 kilogram. Zie ook: 1 Kron 22:14; 1 Kron 29:4; 1 Kron 29:7; Ezra 8:25–26 **7:86** De 12 gouden schotels, gevuld met wierook, wogen elk 10 sikkel, naar de sikkel van het heiligdom. Al het goud van de schotels was 120 sikkel. Brontekst: כַּפּ֨וֹת (kapot) = schotels van | זָהָ֤ב (zahav) = goud | שְׁתֵּים (sheteim) = twaalf | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = (tien) | מְלֵאֹ֣ת (meleot) = gevuld met | קְטֹ֔רֶת (qetoret) = wierook | עֲשָׂרָ֧ה (asara) = tien | עֲשָׂרָ֛ה (asara) = tien | הַכַּ֖ף (hakaf) = de schotel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | כָּל (kal) = al | זְהַ֥ב (zehav) = goud van | הַכַּפּ֖וֹת (hakapot) = de schotels | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּמֵאָֽה (umea) = en honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 120 sikkel goud is ongeveer 1,4 kilogram. **7:87** Alle runderen voor het brandoffer waren 12 stieren, 12 rammen en 12 lammen van een jaar, met hun graanoffer. Voor het zondoffer waren er 12 geitenbokken. Brontekst: כָּל (kal) = al | הַבָּקָ֨ר (habaqar) = het rundvee | לָעֹלָ֜ה (laola) = als brandoffer | שְׁנֵ֧ים (sheneim) = twaalf | עָשָׂ֣ר (asar) = (tien) | פָּרִ֗ים (parim) = stieren | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | שְׁנֵים (sheneim) = twaalf | עָשָׂר֙ (asar) = (tien) | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = jaar | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twaalf | עָשָׂ֖ר (asar) = (tien) | וּמִנְחָתָ֑ם (uminchatam) = en hun graanoffer | וּשְׂעִירֵ֥י (useirei) = en bokken van | עִזִּ֛ים (izim) = geiten | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twaalf | עָשָׂ֖ר (asar) = (tien) | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:88** Alle runderen voor het vredeoffer waren 24 stieren, 60 rammen, 60 bokken en 60 lammen van een jaar. Dit was de inwijding van het altaar, nadat het gezalfd was. Brontekst: וְכֹ֞ל (vekhol) = en al | בְּקַ֣ר (beqar) = rundvee van | זֶ֣בַח (zevach) = het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִ֗ים (hashelamim) = het vredeoffer | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָה֮ (vearbaa) = en vier | פָּרִים֒ (parim) = stieren | אֵילִ֤ם (eilim) = rammen | שִׁשִּׁים֙ (shishim) = zestig | עַתֻּדִ֣ים (atudim) = bokken | שִׁשִּׁ֔ים (shishim) = zestig | כְּבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammen | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | שִׁשִּׁ֑ים (shishim) = zestig | זֹ֚את (zot) = dit | חֲנֻכַּ֣ת (chanukat) = de inwijding van | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | אַחֲרֵ֖י (acharei) = na | הִמָּשַׁ֥ח (himashach) = het zalven | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 12 × 2 = 24 runderen, en 12 × 5 = 60 rammen, 60 bokken en 60 lammen. Zie ook: Num 7:1; Num 7:10; Num 7:84 ### Yahweh spreekt boven het verzoendeksel **7:89** Als Mozes de tent van samenkomst binnenging om met Hem te spreken, hoorde hij de stem die tot hem sprak. Die kwam van boven het verzoendeksel, dat op de ark van het getuigenis lag, van tussen de twee cherubs. Zo sprak Hij tot hem. Brontekst: וּבְבֹ֨א (uvevo) = en bij het binnengaan van | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵד֮ (moed) = samenkomst | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = om te spreken | אִתּוֹ֒ (ito) = met Hem | וַיִּשְׁמַ֨ע (vayishma) = en hij hoorde | אֶת (et) = (obj.) | הַקּ֜וֹל (haqol) = de stem | מִדַּבֵּ֣ר (midaber) = sprekend | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | מֵעַ֤ל (meal) = van boven | הַכַּפֹּ֨רֶת֙ (hakaporet) = het verzoendeksel | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | עַל (al) = op | אֲרֹ֣ן (aron) = de ark van | הָעֵדֻ֔ת (haedut) = het getuigenis | מִבֵּ֖ין (mibein) = van tussen | שְׁנֵ֣י (shenei) = de twee | הַכְּרֻבִ֑ים (hakeruvim) = de cherubs | וַיְדַבֵּ֖ר (vaydaber) = en Hij sprak | אֵלָֽיו (elav) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes kon eerder niet in de tent komen, omdat de wolk erop rustte (Exod. 40:35). Nu mag hij binnengaan en hoort hij Yahweh spreken vanaf het verzoendeksel, zoals beloofd in Exod. 25:22. Voetnoot Lezing: Bij ‘Hij sprak’ en bij ‘met Hem’ staat in het Hebreeuws geen naam; wij lezen dat de stem de stem van Yahweh is. Zie ook: Ex 25:18–22; Ex 25:22; Ex 33:9–11; Ex 40:35; Ps 80:2; Ps 99:1; Heb 4:16 ## Numeri 8 _De lampen en de wijding van de Levieten_ ### De lampen van de kandelaar **8:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:2** **„Spreek tot Aäron en zeg tot hem: Wanneer je de lampen aansteekt, moeten de zeven lampen schijnen op de ruimte vóór de kandelaar.”** Brontekst: דַּבֵּר֙ (daber) = spreek | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en zeg | אֵלָ֑יו (elav) = tot hem | בְּהַעֲלֹֽתְךָ֙ (behaalotekha) = bij je aansteken | אֶת (et) = (obj.) | הַנֵּרֹ֔ת (hanerot) = de lampen | אֶל (el) = naar | מוּל֙ (mul) = tegenover | פְּנֵ֣י (penei) = de voorkant van | הַמְּנוֹרָ֔ה (hamenora) = de kandelaar | יָאִ֖ירוּ (yairu) = zij zullen schijnen | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | הַנֵּרֽוֹת (hanerot) = de lampen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: העלה (he’eleh), ‘aansteken’: eigenlijk ‘laten opgaan’, dat is de vlam omhoog laten komen. De kandelaar en zijn zeven lampen staan in Exod. 25:31–40. Zie ook: Ex 25:31–40; Ex 25:37; Ex 37:18–19; Ps 119:130; Openb 1:12; Openb 4:5 **8:3** Zo deed Aäron. Hij stak de lampen aan, gericht op de ruimte vóór de kandelaar, zoals Yahweh Mozes had bevolen. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij deed | כֵּן֙ (ken) = zo | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | אֶל (el) = naar | מוּל֙ (mul) = tegenover | פְּנֵ֣י (penei) = de voorkant van | הַמְּנוֹרָ֔ה (hamenora) = de kandelaar | הֶעֱלָ֖ה (heela) = hij stak aan | נֵרֹתֶ֑יהָ (neroteiha) = haar lampen | כַּֽאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = Hij beval | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:4** Dit is het werk aan de kandelaar: gedreven werk van goud, van haar voet tot haar bloemen. Het is gedreven werk. Naar het model dat Yahweh aan Mozes liet zien, zo maakte hij de kandelaar. Brontekst: וְזֶ֨ה (veze) = en dit | מַעֲשֵׂ֤ה (maase) = het werk van | הַמְּנֹרָה֙ (hamenora) = de kandelaar | מִקְשָׁ֣ה (miqsha) = gedreven werk van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | עַד (ad) = tot | יְרֵכָ֥הּ (yerekhah) = haar voet | עַד (ad) = tot | פִּרְחָ֖הּ (pirchah) = haar bloem | מִקְשָׁ֣ה (miqsha) = gedreven werk | הִ֑וא (hi) = het is | כַּמַּרְאֶ֗ה (kamare) = naar het model | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הֶרְאָ֤ה (hera) = liet zien | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשָׂ֖ה (asa) = hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּנֹרָֽה (hamenora) = de kandelaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרֵךְ (yarekh), ‘voet’: eigenlijk ‘dij’, hier het onderstuk van de kandelaar (Exod. 25:31). Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat niet wie de kandelaar maakte. Wij vertalen ‘hij’. In Exod. 37:17–24 wordt het werk beschreven. Zie ook: Ex 25:9; Ex 25:18; Ex 25:31–40; Ex 37:17–24; Heb 9:23 ### De Levieten worden rein gemaakt en gewijd **8:5** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:6** **„Neem de Levieten uit het midden van de zonen van Israël en maak hen rein.** Brontekst: קַ֚ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | מִתּ֖וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְטִהַרְתָּ֖ (vetiharta) = en maak rein | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh heeft de Levieten al voor Zichzelf apart gezet in plaats van de eerstgeborenen (Num. 3:12–13). Hier volgt hoe zij rein gemaakt en aan Hem gewijd worden. Zie ook: Ex 19:15; Num 3:12–13; Jes 52:11; Jak 4:8; 2 Kor 7:1 **8:7** **Zo moet je met hen doen om hen rein te maken: sprenkel het water van het zondoffer op hen. Dan moeten zij een scheermes over heel hun lichaam laten gaan, hun kleren wassen en zich rein maken.** Brontekst: וְכֹֽה (vekho) = en zo | תַעֲשֶׂ֤ה (taase) = je zult doen | לָהֶם֙ (lahem) = met hen | לְטַֽהֲרָ֔ם (letaharam) = om hen rein te maken | הַזֵּ֥ה (haze) = sprenkel | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = op hen | מֵ֣י (mei) = water van | חַטָּ֑את (chatat) = zondoffer | וְהֶעֱבִ֤ירוּ (veheeviru) = en zij zullen laten gaan | תַ֨עַר֙ (taar) = een scheermes | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | בְּשָׂרָ֔ם (besaram) = hun lichaam | וְכִבְּס֥וּ (vekhibesu) = en zij zullen wassen | בִגְדֵיהֶ֖ם (bigdeihem) = hun kleren | וְהִטֶּהָֽרוּ (vehiteharu) = en zij zullen zich rein maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵי חַטָּאת (mei chattat), ‘water van het zondoffer’: water dat zonde en onreinheid wegneemt. Hetzelfde woord חַטָּאת (chattat) staat bij ‘zondoffer’ in vers 8 en 12. Een ander reinigingswater vindt men in Num. 19:9. Voetnoot : תַּעַר (ta’ar), ‘scheermes’: de Levieten scheren hun hele lichaam, als teken van een nieuw begin. Zie ook: Gen 35:2; Lev 8:6; Num 8:8; Num 8:12; Num 19:7–10; Num 19:9; Num 19:13; Jer 4:14 **8:8** **Zij moeten een jonge stier nemen, met zijn graanoffer van fijn meel gemengd met olie. Een tweede jonge stier moet jij nemen als zondoffer.** Brontekst: וְלָֽקְחוּ֙ (velaqechu) = en zij zullen nemen | פַּ֣ר (par) = stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֔ר (baqar) = rundvee | וּמִנְחָת֔וֹ (uminchato) = en zijn graanoffer | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gemengd | בַשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | וּפַר (ufar) = en stier | שֵׁנִ֥י (sheni) = tweede | בֶן (ben) = zoon van | בָּקָ֖ר (baqar) = rundvee | תִּקַּ֥ח (tiqach) = je zult nemen | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 2:1; Lev 4:14; Lev 8:2; Lev 16:3; Jes 53:10 **8:9** **Laat de Levieten naderen voor de tent van samenkomst en roep heel de gemeenschap van de zonen van Israël bijeen.** Brontekst: וְהִקְרַבְתָּ֙ (vehiqravta) = en je zult laten naderen | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְהִ֨קְהַלְתָּ֔ (vehiqhalta) = en je zult bijeenroepen | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֖ת (adat) = gemeenschap van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:4–37; Ex 40:12; Lev 8:3 **8:10** **Laat de Levieten naderen voor het aangezicht van Yahweh. De zonen van Israël moeten hun handen op de Levieten leggen.** Brontekst: וְהִקְרַבְתָּ֥ (vehiqravta) = en je zult laten naderen | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְסָמְכ֧וּ (vesamekhu) = en zij zullen leggen | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = op | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:4; Hand 6:6; Hand 13:2–3; 1 Tim 4:14; 1 Tim 5:22 **8:11** **Aäron moet de Levieten voor het aangezicht van Yahweh zwaaien als een beweegoffer, namens de zonen van Israël. Zo zullen zij de dienst van Yahweh verrichten.** Brontekst: וְהֵנִיף֩ (vehenif) = en hij zal zwaaien | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֤ם (halviyim) = de Levieten | תְּנוּפָה֙ (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מֵאֵ֖ת (meet) = namens | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהָי֕וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לַעֲבֹ֖ד (laavod) = om te verrichten | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַ֥ת (avodat) = de dienst van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּנוּפָה (tenufah), ‘beweegoffer’: wat voor Yahweh heen en weer wordt bewogen en zo aan Hem wordt gegeven (Exod. 29:24). Hier zijn het de Levieten zelf. Zie ook: Ex 29:24; Lev 7:30; Lev 8:27; Lev 8:29; Num 1:49–53; Num 6:20 **8:12** **De Levieten moeten hun handen op de kop van de stieren leggen. Maak dan de ene tot zondoffer en de andere tot brandoffer voor Yahweh, om verzoening te doen voor de Levieten.** Brontekst: וְהַלְוִיִּם֙ (vehalviyim) = en de Levieten | יִסְמְכ֣וּ (yismekhu) = zij zullen leggen | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֔ם (yedeihem) = hun handen | עַ֖ל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | הַפָּרִ֑ים (haparim) = de stieren | וַ֠עֲשֵׂה (vaase) = en maak | אֶת (et) = (obj.) | הָאֶחָ֨ד (haechad) = de ene | חַטָּ֜את (chatat) = als zondoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֶחָ֤ד (haechad) = de ene | עֹלָה֙ (ola) = als brandoffer | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עַל (al) = voor | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:10; Lev 1:4; Lev 8:14; Heb 9:22; Heb 10:4–10 **8:13** **Laat de Levieten staan voor Aäron en voor zijn zonen, en zwaai hen als een beweegoffer voor Yahweh.** Brontekst: וְהַֽעֲמַדְתָּ֙ (vehaamadta) = en je zult laten staan | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor het aangezicht van | בָנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וְהֵנַפְתָּ֥ (vehenafta) = en je zult zwaaien | אֹתָ֛ם (otam) = hen | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 8:11; Num 8:21; Num 18:6; Rom 12:1; Rom 15:16 **8:14** **Scheid de Levieten af uit het midden van de zonen van Israël. De Levieten zullen van Mij zijn.** Brontekst: וְהִבְדַּלְתָּ֙ (vehivdalta) = en je zult afscheiden | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | מִתּ֖וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהָ֥יוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לִ֖י (li) = voor Mij | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:45; Num 16:9–10; Num 18:6; Mal 3:17; Gal 1:15 **8:15** **Daarna mogen de Levieten komen om de tent van samenkomst te dienen. Maak hen rein en zwaai hen als een beweegoffer.** Brontekst: וְאַֽחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵן֙ (ken) = zo | יָבֹ֣אוּ (yavou) = zij zullen komen | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | לַעֲבֹ֖ד (laavod) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְטִֽהַרְתָּ֣ (vetiharta) = en maak rein | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וְהֵנַפְתָּ֥ (vehenafta) = en zwaai | אֹתָ֖ם (otam) = hen | תְּנוּפָֽה (tenufa) = als beweegoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:24; Num 3:12; Num 4:3–32; Num 8:11; Num 8:13 ### De Levieten komen in plaats van de eerstgeborenen **8:16** **Want zij zijn aan Mij gegeven, helemaal gegeven, uit het midden van de zonen van Israël. In plaats van alles wat de moederschoot opent, van de eerstgeborene van alle zonen van Israël, heb Ik hen voor Mij genomen.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | נְתֻנִ֨ים (netunim) = gegevenen | נְתֻנִ֥ים (netunim) = gegevenen | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | לִ֔י (li) = aan Mij | מִתּ֖וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | תַּחַת֩ (tachat) = in plaats van | פִּטְרַ֨ת (pitrat) = de opener van | כָּל (kal) = elke | רֶ֜חֶם (rechem) = moederschoot | בְּכ֥וֹר (bekhor) = eerstgeborene | כֹּל֙ (kol) = van allen | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לָקַ֥חְתִּי (laqachti) = Ik heb genomen | אֹתָ֖ם (otam) = hen | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְתֻנִים נְתֻנִים (netunim netunim), ‘gegeven, helemaal gegeven’: het woord staat twee keer, om te zeggen dat de Levieten volledig aan Yahweh gegeven zijn. Voetnoot : De eerstgeborenen zijn van Yahweh sinds de tiende plaag (Exod. 13:1–2 en 13:11–15). Zie ook: Ex 13:1–2; Ex 13:11; Num 3:9; Num 3:12; Num 3:45 **8:17** **Want van Mij is elke eerstgeborene onder de zonen van Israël, onder mensen en onder dieren. Op de dag dat Ik elke eerstgeborene in het land Egypte sloeg, heb Ik hen voor Mij geheiligd.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לִ֤י (li) = van Mij | כָל (kal) = elke | בְּכוֹר֙ (bekhor) = eerstgeborene | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בָּאָדָ֖ם (baadam) = onder de mensen | וּבַבְּהֵמָ֑ה (uvabehema) = en onder de dieren | בְּי֗וֹם (beyom) = op de dag | הַכֹּתִ֤י (hakoti) = Ik sloeg | כָל (kal) = elke | בְּכוֹר֙ (bekhor) = eerstgeborene | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | הִקְדַּ֥שְׁתִּי (hiqdashti) = Ik heb geheiligd | אֹתָ֖ם (otam) = hen | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 13:2; Ex 13:12–15; Ps 105:36; Luc 2:23; Jak 1:18 **8:18** **Ik heb de Levieten genomen in plaats van elke eerstgeborene onder de zonen van Israël.** Brontekst: וָאֶקַּח֙ (vaeqach) = en Ik nam | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | תַּ֥חַת (tachat) = in plaats van | כָּל (kal) = elke | בְּכ֖וֹר (bekhor) = eerstgeborene | בִּבְנֵ֥י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:19** **Ik heb de Levieten als geschenk gegeven aan Aäron en zijn zonen, uit het midden van de zonen van Israël. Zij moeten de dienst van de zonen van Israël verrichten in de tent van samenkomst en verzoening doen voor de zonen van Israël. Dan zal er geen plaag onder de zonen van Israël zijn wanneer de zonen van Israël het heilige naderen.”** Brontekst: וָאֶתְּנָ֨ה (vaetena) = en Ik gaf | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֜ם (halviyim) = de Levieten | נְתֻנִ֣ים (netunim) = gegevenen | לְאַהֲרֹ֣ן (leaharon) = aan Aäron | וּלְבָנָ֗יו (ulevanav) = en aan zijn zonen | מִתּוֹךְ֮ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | לַעֲבֹ֞ד (laavod) = om te verrichten | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַ֤ת (avodat) = de dienst van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וּלְכַפֵּ֖ר (ulekhaper) = en om verzoening te doen | עַל (al) = voor | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֨א (velo) = en niet | יִהְיֶ֜ה (yihye) = er zal zijn | בִּבְנֵ֤י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | נֶ֔גֶף (negef) = plaag | בְּגֶ֥שֶׁת (begeshet) = bij het naderen van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heilige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶגֶף (negef), ‘plaag’: een slag die komt als iemand het heilige zonder gepaste dienst nadert. De Levieten staan tussen het volk en het heilige. Zie ook: Num 1:53; Num 3:6–9; Num 17:11; 1 Kron 23:28–32; 2 Kron 26:16–20 ### De Levieten beginnen hun dienst **8:20** Mozes, Aäron en heel de gemeenschap van de zonen van Israël deden met de Levieten alles wat Yahweh aan Mozes over de Levieten had bevolen. Zo deden de zonen van Israël met hen. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en hij deed | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֛ן (veaharon) = en Aäron | וְכָל (vekhal) = en heel | עֲדַ֥ת (adat) = gemeenschap van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לַלְוִיִּ֑ם (lalviyim) = met de Levieten | כְּ֠כֹל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֨ה (tsiva) = beval | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | לַלְוִיִּ֔ם (lalviyim) = over de Levieten | כֵּן (ken) = zo | עָשׂ֥וּ (asu) = zij deden | לָהֶ֖ם (lahem) = met hen | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:21** De Levieten reinigden zich van zonde en wasten hun kleren. Aäron zwaaide hen als een beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh en deed verzoening voor hen om hen rein te maken. Brontekst: וַיִּֽתְחַטְּא֣וּ (vayitchateu) = en zij reinigden zich van zonde | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | וַֽיְכַבְּסוּ֙ (vaykhabesu) = en zij wasten | בִּגְדֵיהֶ֔ם (bigdeihem) = hun kleren | וַיָּ֨נֶף (vayanef) = en zwaaide | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | אֹתָ֛ם (otam) = hen | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְכַפֵּ֧ר (vaykhaper) = en deed verzoening | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = voor hen | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לְטַהֲרָֽם (letaharam) = om hen rein te maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּתְחַטְּאוּ (wajjitchatte’u), ‘zij reinigden zich van zonde’: een vorm van het woord voor ‘zondoffer’ en ‘zonde’ (חטא, chata), hier in de betekenis ‘zich ontdoen van zonde’. Zie ook: Num 8:7; Num 8:11–13; Num 8:15; Num 19:12; Num 19:19 **8:22** Daarna kwamen de Levieten om hun dienst te verrichten in de tent van samenkomst, voor Aäron en voor zijn zonen. Zoals Yahweh aan Mozes over de Levieten had bevolen, zo deden zij met hen. Brontekst: וְאַחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֞ן (ken) = zo | בָּ֣אוּ (bau) = zij kwamen | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | לַעֲבֹ֤ד (laavod) = om te verrichten | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹֽדָתָם֙ (avodatam) = hun dienst | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor het aangezicht van | בָנָ֑יו (banav) = zijn zonen | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | צִוָּ֨ה (tsiva) = beval | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | עַל (al) = over | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | כֵּ֖ן (ken) = zo | עָשׂ֥וּ (asu) = zij deden | לָהֶֽם (lahem) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 8:15; 2 Kron 30:15–17; 2 Kron 30:27; 2 Kron 31:2; 2 Kron 35:8–15 ### De leeftijd van de Levieten **8:23** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:24** **„Dit geldt voor de Levieten: wie 25 jaar of ouder is, moet komen om dienst te doen bij de dienst van de tent van samenkomst.** Brontekst: זֹ֖את (zot) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לַלְוִיִּ֑ם (lalviyim) = voor de Levieten | מִבֶּן֩ (miben) = van de zoon van | חָמֵ֨שׁ (chamesh) = vijf | וְעֶשְׂרִ֤ים (veesrim) = en twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | יָבוֹא֙ (yavo) = hij zal komen | לִצְבֹ֣א (litsvo) = om dienst te doen | צָבָ֔א (tsava) = dienst | בַּעֲבֹדַ֖ת (baavodat) = bij de dienst van | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָבָא (tsava) betekent ‘dienst doen’, zoals een soldaat. De Levieten beginnen hier op 25 jaar. In Num. 4:3 staat voor het dragen van de tabernakel een leeftijd van 30 tot 50 jaar. Het eerste is dus de leeftijd waarop een Leviet in dienst komt, het tweede de leeftijd voor het zware werk. Zie ook: Num 4:3; Num 4:23; 1 Kron 23:3; 2 Kor 10:4; 2 Tim 2:3–5 **8:25** **Vanaf 50 jaar moet hij zich terugtrekken uit het dienstwerk en niet meer dienen.** Brontekst: וּמִבֶּן֙ (umiben) = en van de zoon van | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | יָשׁ֖וּב (yashuv) = hij zal terugkeren | מִצְּבָ֣א (mitseva) = uit de dienst van | הָעֲבֹדָ֑ה (haavoda) = het werk | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַעֲבֹ֖ד (yaavod) = hij zal dienen | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 4:23; 2 Tim 4:7 **8:26** **Hij mag zijn broers bijstaan in de tent van samenkomst om de wacht te houden, maar de dienst zelf mag hij niet doen. Zo moet je het regelen voor de Levieten wat hun wacht betreft.”** Brontekst: וְשֵׁרֵ֨ת (vesheret) = en hij zal bijstaan | אֶת (et) = (obj.) | אֶחָ֜יו (echav) = zijn broers | בְּאֹ֤הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵד֙ (moed) = samenkomst | לִשְׁמֹ֣ר (lishmor) = om te houden | מִשְׁמֶ֔רֶת (mishmeret) = wacht | וַעֲבֹדָ֖ה (vaavoda) = en dienst | לֹ֣א (lo) = niet | יַעֲבֹ֑ד (yaavod) = hij zal doen | כָּ֛כָה (kakha) = zo | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult doen | לַלְוִיִּ֖ם (lalviyim) = met de Levieten | בְּמִשְׁמְרֹתָֽם (bemishmerotam) = bij hun wacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁרֵת (sheret), ‘bijstaan’: de oudere Leviet mag nog helpen en de wacht houden, maar niet meer de eigenlijke dienst doen. Zie ook: Num 1:53; Num 3:32; 1 Kron 26:20–29; Ezech 44:8; 1 Tim 4:15 ## Numeri 9 _Het Pesach en de wolk boven de tabernakel_ ### Het Pesach in de woestijn Sinaï **9:1** Yahweh sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in het tweede jaar nadat zij uit het land Egypte waren getrokken, in de eerste maand: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | בְמִדְבַּר (bemidbar) = in de woestijn van | סִ֠ינַי (sinay) = Sinaï | בַּשָּׁנָ֨ה (bashana) = in het jaar | הַשֵּׁנִ֜ית (hashenit) = het tweede | לְצֵאתָ֨ם (letsetam) = na hun uittocht | מֵאֶ֧רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָרִאשׁ֖וֹן (harishon) = de eerste | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Deze maand valt vóór de telling aan het begin van dit boek (Num. 1:1, de tweede maand). In de eerste maand van dit jaar werd de tabernakel opgericht (Exod. 40:17). Zie ook: Ex 40:2; Ex 40:17; Num 1:1 **9:2** **„De zonen van Israël moeten het Pesach houden op de vastgestelde tijd.** Brontekst: וְיַעֲשׂ֧וּ (veyaasu) = en zij zullen houden | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֖סַח (hapasach) = het Pesach | בְּמוֹעֲדֽוֹ (bemoado) = op zijn vastgestelde tijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּסַח (pesach), het Pesach: het feest van de bevrijding uit Egypte (Exod. 12). ‘Houden’ is hier het gewone werkwoord עָשָׂה (asah), ‘doen, maken’. Zie ook: Lev 23:5; Deut 16:1–2; 2 Kron 35:1; Mar 14:12; 1 Kor 5:7–8 **9:3** **Op de veertiende dag van deze maand, tussen de twee avonden, moeten jullie het houden, op de vastgestelde tijd. Jullie moeten het houden volgens al zijn voorschriften en al zijn rechten.”** Brontekst: בְּאַרְבָּעָ֣ה (bearbaa) = op de vier | עָשָֽׂר (asar) = tien | י֠וֹם (yom) = dag | בַּחֹ֨דֶשׁ (bachodesh) = van de maand | הַזֶּ֜ה (haze) = deze | בֵּ֧ין (bein) = tussen | הָֽעֲרְבַּ֛יִם (haarbayim) = de avonden | תַּעֲשׂ֥וּ (taasu) = jullie zullen houden | אֹת֖וֹ (oto) = het | בְּמוֹעֲד֑וֹ (bemoado) = op zijn vastgestelde tijd | כְּכָל (kekhal) = naar al | חֻקֹּתָ֥יו (chuqotav) = zijn voorschriften | וּכְכָל (ukhekhal) = en naar al | מִשְׁפָּטָ֖יו (mishpatav) = zijn rechten | תַּעֲשׂ֥וּ (taasu) = jullie zullen houden | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:6–11; Lev 23:5; 2 Kron 30:2; 2 Kron 30:15; Heb 9:26 **9:4** Mozes sprak tot de zonen van Israël dat zij het Pesach moesten houden. Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לַעֲשֹׂ֥ת (laasot) = om te houden | הַפָּֽסַח (hapasach) = het Pesach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:5** Zij hielden het Pesach in de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, tussen de twee avonden, in de woestijn Sinaï. Zoals Yahweh aan Mozes had bevolen, zo deden de zonen van Israël. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֣וּ (vayaasu) = en zij hielden | אֶת (et) = (obj.) | הַפֶּ֡סַח (hapesach) = het Pesach | בָּרִאשׁ֡וֹן (barishon) = in de eerste maand | בְּאַרְבָּעָה֩ (bearbaa) = op de vier | עָשָׂ֨ר (asar) = tien | י֥וֹם (yom) = dag | לַחֹ֛דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָעַרְבַּ֖יִם (haarbayim) = de avonden | בְּמִדְבַּ֣ר (bemidbar) = in de woestijn van | סִינָ֑י (sinay) = Sinaï | כְּ֠כֹל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | צִוָּ֤ה (tsiva) = beval | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשׂ֖וּ (asu) = zij deden | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 39:42; Deut 1:3; Joz 5:10; Mat 28:20; Heb 3:5 ### Een tweede Pesach voor wie onrein is of op reis **9:6** Er waren mannen die onrein waren door een dode, en zij konden het Pesach op die dag niet houden. Op die dag kwamen zij naar Mozes en naar Aäron. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | אֲנָשִׁ֗ים (anashim) = mannen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הָי֤וּ (hayu) = waren | טְמֵאִים֙ (temeim) = onrein | לְנֶ֣פֶשׁ (lenefesh) = door een dode | אָדָ֔ם (adam) = mens | וְלֹא (velo) = en niet | יָכְל֥וּ (yakhelu) = konden zij | לַעֲשֹׂת (laasot) = om te houden | הַפֶּ֖סַח (hapesach) = het Pesach | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וַֽיִּקְרְב֞וּ (vayiqrevu) = en zij kwamen naderbij | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | וְלִפְנֵ֥י (velifnei) = en voor het aangezicht van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טְמֵאִים לְנֶפֶשׁ אָדָם (temei’im lenefesh adam), ‘onrein door een dode’: wie een dode aanraakt, is zeven dagen onrein (Num. 19:11). Zie ook: Ex 18:15; Ex 18:19; Num 5:2; Num 19:11; Num 19:16; Num 27:2 **9:7** Die mannen zeiden tot hem: „Wij zijn onrein door een dode. Waarom zouden wij tekortgedaan worden, zodat wij de offergave van Yahweh niet op de vastgestelde tijd mogen brengen te midden van de zonen van Israël?” Brontekst: וַ֠יֹּאמְרוּ (vayomru) = en zij zeiden | הָאֲנָשִׁ֤ים (haanashim) = de mannen | הָהֵ֨מָּה֙ (hahema) = die | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | אֲנַ֥חְנוּ (anachnu) = wij | טְמֵאִ֖ים (temeim) = onrein | לְנֶ֣פֶשׁ (lenefesh) = door een dode | אָדָ֑ם (adam) = mens | לָ֣מָּה (lama) = waarom | נִגָּרַ֗ע (nigara) = worden wij tekortgedaan | לְבִלְתִּ֨י (levilti) = zodat niet | הַקְרִ֜ב (haqriv) = wij brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבַּ֤ן (qarban) = de offergave van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּמֹ֣עֲד֔וֹ (bemoado) = op zijn vastgestelde tijd | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָרְבַּן יְהוָה (qorban Yahweh), ‘offergave van Yahweh’: hier is dat het Pesach. De mannen willen niet buiten de gemeenschap blijven staan. Zie ook: Ex 12:27; Num 9:2; Deut 16:2; 2 Kron 30:17–19; 1 Kor 5:7–8 **9:8** Mozes zei tot hen: „Blijf staan, dan hoor ik wat Yahweh jullie beveelt.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֖ם (alehem) = tot hen | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | עִמְד֣וּ (imdu) = blijf staan | וְאֶשְׁמְעָ֔ה (veeshmea) = en laat mij horen | מַה (ma) = wat | יְצַוֶּ֥ה (yetsave) = Hij zal bevelen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:15; Num 27:5; Ps 25:14; Ps 85:9; Joh 7:17 **9:9** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:10** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Stel dat iemand, wie hij ook is, onrein is door een dode. Of stel dat hij op een verre reis is, bij jullie of bij jullie generaties. Dan moet hij het Pesach voor Yahweh houden.** Brontekst: דַּבֵּ֛ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אִ֣ישׁ (ish) = een man | כִּי (ki) = wanneer | יִהְיֶֽה (yihye) = hij zal zijn | טָמֵ֣א (tame) = onrein | לָנֶ֡פֶשׁ (lanefesh) = door een dode | אוֹ֩ (o) = of | בְדֶ֨רֶךְ (bederekh) = op een reis | רְחֹקָ֜הׄ (rechoqa) = verre | לָכֶ֗ם (lakhem) = bij jullie | א֚וֹ (o) = of | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = bij jullie generaties | וְעָ֥שָׂה (veasa) = en hij zal houden | פֶ֖סַח (pesach) = het Pesach | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ אִישׁ (ish ish), ‘iemand, wie hij ook is’: het woord staat twee keer en bedoelt: ieder zonder uitzondering. Zie ook: Num 9:6–7; 1 Kor 6:9–11; 1 Kor 11:28; Rom 16:25–26; Ef 2:12–13 **9:11** **In de tweede maand, op de veertiende dag, tussen de twee avonden, moeten zij het houden. Zij moeten het eten met ongezuurde broden en bittere kruiden.** Brontekst: בַּחֹ֨דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשֵּׁנִ֜י (hasheni) = de tweede | בְּאַרְבָּעָ֨ה (bearbaa) = op de vier | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | י֛וֹם (yom) = dag | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָעַרְבַּ֖יִם (haarbayim) = de avonden | יַעֲשׂ֣וּ (yaasu) = zij zullen houden | אֹת֑וֹ (oto) = het | עַל (al) = met | מַצּ֥וֹת (matsot) = ongezuurde broden | וּמְרֹרִ֖ים (umerorim) = en bittere kruiden | יֹאכְלֻֽהוּ (yokhluhu) = zij zullen het eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het tweede Pesach, een maand later, is voor wie op de eerste datum niet kon. Een voorbeeld daarvan is 2 Kron. 30:2. Zie ook: Ex 12:2–14; Num 9:3; Deut 16:3; 2 Kron 30:2–15; Joh 19:36 **9:12** **Zij mogen er niets van overlaten tot de morgen en geen been ervan breken. Zij moeten het houden volgens alle voorschriften van het Pesach.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יַשְׁאִ֤ירוּ (yashiru) = zij zullen laten overblijven | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = ervan | עַד (ad) = tot | בֹּ֔קֶר (boqer) = morgen | וְעֶ֖צֶם (veetsem) = en een been | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁבְּרוּ (yishberu) = zij zullen breken | ב֑וֹ (bo) = daaraan | כְּכָל (kekhal) = naar alle | חֻקַּ֥ת (chuqat) = voorschriften van | הַפֶּ֖סַח (hapesach) = het Pesach | יַעֲשׂ֥וּ (yaasu) = zij zullen houden | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:10; Ex 12:43; Ex 12:46; Num 9:3; Joh 19:36 **9:13** **Maar stel dat de man rein is en niet op reis was en toch nalaat het Pesach te houden. Die persoon moet uit zijn volk worden afgesneden. Want hij heeft de offergave van Yahweh niet op de vastgestelde tijd gebracht. Die man moet zijn zonde dragen.** Brontekst: וְהָאִישׁ֩ (vehaish) = en de man | אֲשֶׁר (asher) = die | ה֨וּא (hu) = hij | טָה֜וֹר (tahor) = rein is | וּבְדֶ֣רֶךְ (uvederekh) = en op reis | לֹא (lo) = niet | הָיָ֗ה (haya) = was | וְחָדַל֙ (vechadal) = en nalaat | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te houden | הַפֶּ֔סַח (hapesach) = het Pesach | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = en zal worden afgesneden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מֵֽעַמֶּ֑יהָ (meameiha) = uit zijn volk | כִּ֣י (ki) = want | קָרְבַּ֣ן (qarban) = de offergave van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֤א (lo) = niet | הִקְרִיב֙ (hiqriv) = hij bracht | בְּמֹ֣עֲד֔וֹ (bemoado) = op zijn vastgestelde tijd | חֶטְא֥וֹ (cheto) = zijn zonde | יִשָּׂ֖א (yisa) = hij zal dragen | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶטְאוֹ יִשָּׂא (chet’o yissa), ‘zijn zonde dragen’: hij draagt zelf de gevolgen van wat hij nalaat. De man die rein is en niet op reis is, heeft geen reden het Pesach te laten staan. Zie ook: Gen 17:14; Ex 12:15; Num 5:31; Num 9:7; Num 15:30–31 **9:14** **Stel dat een vreemdeling bij jullie woont en het Pesach voor Yahweh wil houden. Dan moet hij het houden volgens het voorschrift van het Pesach en zijn recht. Eén voorschrift moet er voor jullie zijn, voor de vreemdeling en voor de inheemse van het land.”** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יָג֨וּר (yagur) = hij verblijft | אִתְּכֶ֜ם (itekhem) = bij jullie | גֵּ֗ר (ger) = een vreemdeling | וְעָ֤שָֽׂה (veasa) = en hij houdt | פֶ֨סַח֙ (pesach) = het Pesach | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | כְּחֻקַּ֥ת (kechuqat) = naar het voorschrift van | הַפֶּ֛סַח (hapesach) = het Pesach | וּכְמִשְׁפָּט֖וֹ (ukhemishpato) = en naar zijn recht | כֵּ֣ן (ken) = zo | יַעֲשֶׂ֑ה (yaase) = hij zal houden | חֻקָּ֤ה (chuqa) = voorschrift | אַחַת֙ (achat) = een | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | וְלַגֵּ֖ר (velager) = en voor de vreemdeling | וּלְאֶזְרַ֥ח (uleezrach) = en voor de inheemse van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:48–49; Lev 24:22; Lev 25:15; Jes 56:3–7; Ef 2:19–22 ### De wolk en het vuur boven de tabernakel **9:15** Op de dag dat de tabernakel werd opgericht, bedekte de wolk de tabernakel, de tent van het getuigenis. ’s Avonds lag er op de tabernakel iets dat eruitzag als vuur, tot de morgen. Brontekst: וּבְיוֹם֙ (uveyom) = en op de dag | הָקִ֣ים (haqim) = werd opgericht | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | כִּסָּ֤ה (kisa) = bedekte | הֶֽעָנָן֙ (heanan) = de wolk | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֔ן (hamishkan) = de tabernakel | לְאֹ֖הֶל (leohel) = de tent van | הָעֵדֻ֑ת (haedut) = het getuigenis | וּבָעֶ֜רֶב (uvaerev) = en in de avond | יִהְיֶ֧ה (yihye) = het was | עַֽל (al) = op | הַמִּשְׁכָּ֛ן (hamishkan) = de tabernakel | כְּמַרְאֵה (kemare) = als de aanblik van | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | עַד (ad) = tot | בֹּֽקֶר (boqer) = morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 40:34–38, waar de wolk de tabernakel bedekt en Yahweh de tabernakel vult. Zie ook: Ex 13:21; Ex 40:34; Ex 40:38; Neh 9:12; Neh 9:19 **9:16** Zo was het voortdurend: de wolk bedekte hem, en ’s nachts zag het eruit als vuur. Brontekst: כֵּ֚ן (ken) = zo | יִהְיֶ֣ה (yihye) = het was | תָמִ֔יד (tamid) = voortdurend | הֶעָנָ֖ן (heanan) = de wolk | יְכַסֶּ֑נּוּ (yekhasenu) = bedekte hem | וּמַרְאֵה (umare) = en de aanblik van | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | לָֽיְלָה (layela) = ’s nachts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:21–22; Ex 40:38; Deut 1:33; Neh 9:12; Neh 9:19 **9:17** Zodra de wolk van boven de tent opsteeg, trokken de zonen van Israël daarna verder. En op de plaats waar de wolk bleef rusten, daar legerden de zonen van Israël zich. Brontekst: וּלְפִ֞י (ulefi) = en naar | הֵעָלֹ֤ת (healot) = het opstijgen van | הֶֽעָנָן֙ (heanan) = de wolk | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | הָאֹ֔הֶל (haohel) = de tent | וְאַ֣חֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֔ן (ken) = zo | יִסְע֖וּ (yisu) = zij trokken verder | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּבִמְק֗וֹם (uvimqom) = en op de plaats | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | יִשְׁכָּן (yishkan) = rustte | שָׁם֙ (sham) = daar | הֶֽעָנָ֔ן (heanan) = de wolk | שָׁ֥ם (sham) = daar | יַחֲנ֖וּ (yachanu) = zij legerden zich | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 40:36–38; Num 10:33–34; Ps 32:8; Ps 73:24; Joh 10:9 **9:18** Op bevel van Yahweh trokken de zonen van Israël verder, en op bevel van Yahweh legerden zij zich. Zolang de wolk op de tabernakel bleef rusten, bleven zij gelegerd. Brontekst: עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = de mond van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יִסְעוּ֙ (yisu) = zij trokken verder | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְעַל (veal) = en op | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יַחֲנ֑וּ (yachanu) = zij legerden zich | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֗י (yemei) = dagen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarin | יִשְׁכֹּ֧ן (yishkon) = rustte | הֶעָנָ֛ן (heanan) = de wolk | עַל (al) = op | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | יַחֲנֽוּ (yachanu) = zij legerden zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל פִּי יְהוָה (al pi Yahweh), ‘op bevel van Yahweh’: letterlijk ‘naar de mond van Yahweh’. Zie ook: Ex 17:1; Num 9:20; Num 10:13; 1 Kor 10:1; 2 Joh 1:6 **9:19** Als de wolk veel dagen op de tabernakel bleef, hielden de zonen van Israël de wacht van Yahweh en trokken zij niet verder. Brontekst: וּבְהַאֲרִ֧יךְ (uvehaarikh) = en bij het lang blijven van | הֶֽעָנָ֛ן (heanan) = de wolk | עַל (al) = op | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֑ים (rabim) = veel | וְשָׁמְר֧וּ (veshameru) = en zij hielden | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = de wacht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִסָּֽעוּ (yisau) = zij trokken verder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת יְהוָה (mishmeret Yahweh), ‘de wacht van Yahweh’: wat Yahweh te bewaken geeft. Voor Israël betekent dat: blijven staan zolang de wolk blijft. Zie ook: Num 1:52–53; Num 3:8; Zach 3:7 **9:20** Soms bleef de wolk maar enkele dagen op de tabernakel. Dan legerden zij zich op bevel van Yahweh, en op bevel van Yahweh trokken zij verder. Brontekst: וְיֵ֞שׁ (veyesh) = en er was | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יִהְיֶ֧ה (yihye) = was | הֶֽעָנָ֛ן (heanan) = de wolk | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | מִסְפָּ֖ר (mispar) = enkele | עַל (al) = op | הַמִּשְׁכָּ֑ן (hamishkan) = de tabernakel | עַל (al) = op | פִּ֤י (pi) = de mond van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יַחֲנ֔וּ (yachanu) = zij legerden zich | וְעַל (veal) = en op | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִסָּֽעוּ (yisau) = zij trokken verder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:21** Soms bleef de wolk alleen van de avond tot de morgen. Als de wolk ’s morgens opsteeg, trokken zij verder. Of hij bleef een dag en een nacht; zodra de wolk opsteeg, trokken zij verder. Brontekst: וְיֵ֞שׁ (veyesh) = en er was | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִהְיֶ֤ה (yihye) = was | הֶֽעָנָן֙ (heanan) = de wolk | מֵעֶ֣רֶב (meerev) = van de avond | עַד (ad) = tot | בֹּ֔קֶר (boqer) = morgen | וְנַעֲלָ֧ה (venaala) = en opsteeg | הֶֽעָנָ֛ן (heanan) = de wolk | בַּבֹּ֖קֶר (baboqer) = in de morgen | וְנָסָ֑עוּ (venasau) = en zij trokken verder | א֚וֹ (o) = of | יוֹמָ֣ם (yomam) = overdag | וָלַ֔יְלָה (valayla) = en ’s nachts | וְנַעֲלָ֥ה (venaala) = en opsteeg | הֶעָנָ֖ן (heanan) = de wolk | וְנָסָֽעוּ (venasau) = en zij trokken verder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 9:12; Neh 9:19 **9:22** Of hij bleef enkele dagen, of een maand, of een jaar. Zolang de wolk op de tabernakel bleef en erop rustte, bleven de zonen van Israël gelegerd en trokken zij niet verder. Maar zodra hij opsteeg, trokken zij verder. Brontekst: אֽוֹ (o) = of | יֹמַ֜יִם (yomayim) = dagen | אוֹ (o) = of | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = een maand | אוֹ (o) = of | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | בְּהַאֲרִ֨יךְ (behaarikh) = bij het lang blijven van | הֶעָנָ֤ן (heanan) = de wolk | עַל (al) = op | הַמִּשְׁכָּן֙ (hamishkan) = de tabernakel | לִשְׁכֹּ֣ן (lishkon) = om te rusten | עָלָ֔יו (alav) = erop | יַחֲנ֥וּ (yachanu) = zij legerden zich | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִסָּ֑עוּ (yisau) = zij trokken verder | וּבְהֵעָלֹת֖וֹ (uvehealoto) = en bij zijn opstijgen | יִסָּֽעוּ (yisau) = zij trokken verder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יָמִים (jamim), ‘dagen’, staat hier twee keer. Wij vertalen de eerste keer ‘enkele dagen’ en de tweede keer ‘een jaar’, omdat ‘dagen’ ook ‘een vol jaar’ kan betekenen (Lev. 25:29). Zie ook: Ex 40:16; Ex 40:36–37; Lev 25:29; Deut 1:6–7; Ps 32:8; Ps 77:21 **9:23** Op bevel van Yahweh legerden zij zich, en op bevel van Yahweh trokken zij verder. Zij hielden de wacht van Yahweh, op bevel van Yahweh, door Mozes. Brontekst: עַל (al) = op | פִּ֤י (pi) = de mond van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יַחֲנ֔וּ (yachanu) = zij legerden zich | וְעַל (veal) = en op | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִסָּ֑עוּ (yisau) = zij trokken verder | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֤רֶת (mishmeret) = de wacht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | שָׁמָ֔רוּ (shamaru) = zij hielden | עַל (al) = op | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 26:5; Num 9:19; Joz 22:3; Ezech 44:8; Zach 3:7 ## Numeri 10 _De zilveren trompetten en het vertrek van de Sinaï_ ### De zilveren trompetten **10:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:2** **„Maak twee trompetten van zilver. Van gedreven werk moet je ze maken. Ze zijn voor jou om de gemeenschap op te roepen en voor het verder trekken van de kampen.** Brontekst: עֲשֵׂ֣ה (ase) = maak | לְךָ֗ (lekha) = voor jou | שְׁתֵּי֙ (shetei) = twee | חֲצֽוֹצְרֹ֣ת (chatsotserot) = trompetten van | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | מִקְשָׁ֖ה (miqsha) = gedreven werk | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = je zult ze maken | אֹתָ֑ם (otam) = ze | וְהָי֤וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | לְמִקְרָ֣א (lemiqra) = voor het oproepen van | הָֽעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | וּלְמַסַּ֖ע (ulemasa) = en voor het verder trekken van | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמַּחֲנֽוֹת (hamachanot) = de kampen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲצוֹצְרָה (chatsotserah), ‘trompet’: een recht, smal blaasinstrument van zilver. Het is een signaalinstrument, geen muziekinstrument. Zie ook: Ps 81:4; Ps 89:16; 2 Kron 5:12; Joël 1:14; Jes 1:13 **10:3** **Wanneer men op beide blaast, moet heel de gemeenschap bij je samenkomen, bij de ingang van de tent van samenkomst.** Brontekst: וְתָקְע֖וּ (vetaqeu) = en zij zullen blazen | בָּהֵ֑ן (bahen) = op beide | וְנֽוֹעֲד֤וּ (venoadu) = en zij zullen samenkomen | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = bij jou | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | אֶל (el) = naar | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joël 2:15–16; Jer 4:5 **10:4** **Als men op één blaast, moeten de leiders, de hoofden van de duizendtallen van Israël, bij je samenkomen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בְּאַחַ֖ת (beachat) = op één | יִתְקָ֑עוּ (yitqau) = zij blazen | וְנוֹעֲד֤וּ (venoadu) = en zij zullen samenkomen | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = bij jou | הַנְּשִׂיאִ֔ים (hanesiim) = de leiders | רָאשֵׁ֖י (rashei) = hoofden van | אַלְפֵ֥י (alfei) = duizendtallen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:21; Num 1:4–16; Num 7:2; Deut 1:15 **10:5** **Wanneer jullie een schallend signaal blazen, trekken de kampen verder die aan de oostkant liggen.** Brontekst: וּתְקַעְתֶּ֖ם (uteqatem) = en jullie zullen blazen | תְּרוּעָ֑ה (terua) = schallend signaal | וְנָֽסְעוּ֙ (venaseu) = en zij trekken verder | הַֽמַּחֲנ֔וֹת (hamachanot) = de kampen | הַחֹנִ֖ים (hachonim) = die gelegerd zijn | קֵֽדְמָה (qedema) = oostwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּעָה (teru’ah), ‘schallend signaal’: een kort, luid, herhaald geluid, anders dan een gewone, lange stoot (vers 3, 4 en 7). Bij het eerste schallende signaal trekken de kampen aan de oostkant verder (Juda, Issachar, Zebulon), bij het tweede die aan de zuidkant (Ruben, Simeon, Gad). Zie ook: Num 2:3–9; Num 10:3; Num 10:4; Num 10:6–7; Num 10:7; Num 10:14; Joël 2:1; Jes 58:1 **10:6** **Wanneer jullie een tweede keer een schallend signaal blazen, trekken de kampen verder die aan de zuidkant liggen. Voor hun tochten moeten zij een schallend signaal blazen.** Brontekst: וּתְקַעְתֶּ֤ם (uteqatem) = en jullie zullen blazen | תְּרוּעָה֙ (terua) = schallend signaal | שֵׁנִ֔ית (shenit) = tweede | וְנָֽסְעוּ֙ (venaseu) = en zij trekken verder | הַֽמַּחֲנ֔וֹת (hamachanot) = de kampen | הַחֹנִ֖ים (hachonim) = die gelegerd zijn | תֵּימָ֑נָה (teimana) = zuidwaarts | תְּרוּעָ֥ה (terua) = schallend signaal | יִתְקְע֖וּ (yitqeu) = zij zullen blazen | לְמַסְעֵיהֶֽם (lemaseihem) = voor hun tochten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:10–16; Num 10:18 **10:7** **Wanneer jullie de vergadering bijeenroepen, moeten jullie blazen, maar geen schallend signaal geven.** Brontekst: וּבְהַקְהִ֖יל (uvehaqhil) = en bij het bijeenroepen van | אֶת (et) = (obj.) | הַקָּהָ֑ל (haqahal) = de vergadering | תִּתְקְע֖וּ (titqeu) = jullie zullen blazen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תָרִֽיעוּ (tariu) = jullie zullen een signaal geven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 10:3–4; Joël 2:1 **10:8** **De zonen van Aäron, de priesters, moeten op de trompetten blazen. Dit is een eeuwig voorschrift voor jullie, voor al jullie generaties.** Brontekst: וּבְנֵ֤י (uvenei) = en de zonen van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | יִתְקְע֖וּ (yitqeu) = zij zullen blazen | בַּֽחֲצֹצְר֑וֹת (bachatsotserot) = op de trompetten | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | לְחֻקַּ֥ת (lechuqat) = tot een voorschrift van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwig | לְדֹרֹתֵיכֶֽם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 31:6; Joz 6:4–16; 1 Kron 15:24; 1 Kron 16:6; 2 Kron 13:12–15 **10:9** **Wanneer jullie in jullie land ten strijde trekken tegen de vijand die jullie benauwt, moeten jullie een schallend signaal blazen op de trompetten. Dan wordt er aan jullie gedacht voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim, en worden jullie gered van jullie vijanden.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | תָבֹ֨אוּ (tavou) = jullie komen | מִלְחָמָ֜ה (milchama) = ten strijde | בְּאַרְצְכֶ֗ם (beartsekhem) = in jullie land | עַל (al) = tegen | הַצַּר֙ (hatsar) = de vijand | הַצֹּרֵ֣ר (hatsorer) = die benauwt | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וַהֲרֵעֹתֶ֖ם (vahareotem) = en jullie zullen een signaal geven | בַּחֲצֹצְר֑וֹת (bachatsotserot) = op de trompetten | וֲנִזְכַּרְתֶּ֗ם (vanizkartem) = en er zal gedacht worden aan jullie | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְנוֹשַׁעְתֶּ֖ם (venoshatem) = en jullie zullen gered worden | מֵאֹיְבֵיכֶֽם (meoyeveikhem) = van jullie vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:1; Num 31:6; Re 2:18; 1 Sam 10:18; Ps 106:4 **10:10** **Ook op de dag van jullie vreugde, op jullie feesten en bij het begin van jullie maanden moeten jullie op de trompetten blazen. Doe dat bij jullie brandoffers en bij jullie vredeoffers. Ze zullen voor jullie een gedachtenis zijn voor het aangezicht van jullie Elohim. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”** Brontekst: וּבְי֨וֹם (uveyom) = en op de dag van | שִׂמְחַתְכֶ֥ם (simchatkhem) = jullie vreugde | וּֽבְמוֹעֲדֵיכֶם֮ (uvemoadeikhem) = en op jullie feesten | וּבְרָאשֵׁ֣י (uverashei) = en bij het begin van | חָדְשֵׁיכֶם֒ (chadesheikhem) = jullie maanden | וּתְקַעְתֶּ֣ם (uteqatem) = en jullie zullen blazen | בַּחֲצֹֽצְרֹ֗ת (bachatsotserot) = op de trompetten | עַ֚ל (al) = bij | עֹלֹ֣תֵיכֶ֔ם (oloteikhem) = jullie brandoffers | וְעַ֖ל (veal) = en bij | זִבְחֵ֣י (zivchei) = de slachtoffers van | שַׁלְמֵיכֶ֑ם (shalmeikhem) = jullie vredeoffers | וְהָי֨וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לָכֶ֤ם (lakhem) = voor jullie | לְזִכָּרוֹן֙ (lezikaron) = tot een gedachtenis | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹעֲדִים (mo’adim), ‘feesten’: de vastgestelde tijden van Yahweh. Het begin van de maanden is de dag van de nieuwe maan. Zie ook: Num 10:9; Ps 81:4; 2 Kron 29:28; Ezra 3:10; Neh 12:35 ### Israël trekt verder uit de woestijn Sinaï **10:11** In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste van de maand, steeg de wolk op van boven de tabernakel van het getuigenis. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het gebeurde | בַּשָּׁנָ֧ה (bashana) = in het jaar | הַשֵּׁנִ֛ית (hashenit) = het tweede | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשֵּׁנִ֖י (hasheni) = de tweede | בְּעֶשְׂרִ֣ים (beesrim) = op de twintigste | בַּחֹ֑דֶשׁ (bachodesh) = van de maand | נַעֲלָה֙ (naala) = steeg op | הֶֽעָנָ֔ן (heanan) = de wolk | מֵעַ֖ל (meal) = van boven | מִשְׁכַּ֥ן (mishkan) = de tabernakel van | הָעֵדֻֽת (haedut) = het getuigenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Na bijna een jaar bij de berg Sinaï (zie Exod. 19:1) breekt Israël nu op. De wolk, die in Num. 9:15–23 het teken is, stijgt op. Zie ook: Ex 19:1; Ex 40:2; Ex 40:17; Num 9:1; Num 9:11; Num 9:15–23; Num 9:17–23 **10:12** De zonen van Israël trokken verder, volgens hun tochten, uit de woestijn Sinaï. De wolk kwam tot rust in de woestijn Paran. Brontekst: וַיִּסְע֧וּ (vayisu) = en zij trokken verder | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | לְמַסְעֵיהֶ֖ם (lemaseihem) = volgens hun tochten | מִמִּדְבַּ֣ר (mimidbar) = uit de woestijn van | סִינָ֑י (sinay) = Sinaï | וַיִּשְׁכֹּ֥ן (vayishkon) = en rustte | הֶעָנָ֖ן (heanan) = de wolk | בְּמִדְבַּ֥ר (bemidbar) = in de woestijn van | פָּארָֽן (paran) = Paran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Paran ligt ten noorden van het Sinaïschiereiland, in het zuiden van het huidige Israël en het noordoosten van Egypte. De precieze grenzen zijn niet bekend. Zie ook: Gen 21:21; Ex 40:36–37; Num 1:1; Num 12:16; Num 13:3 **10:13** Zij trokken voor het eerst verder, op bevel van Yahweh, door Mozes. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij trokken verder | בָּרִאשֹׁנָ֑ה (barishona) = voor het eerst | עַל (al) = op | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 9:23; Deut 1:6 ### De volgorde van de stammen **10:14** Als eerste trok het vaandel van het kamp van de zonen van Juda verder, volgens hun legerscharen. Over zijn leger was Nachsjon, de zoon van Amminadab. Brontekst: וַיִּסַּ֞ע (vayisa) = en trok verder | דֶּ֣גֶל (degel) = het vaandel van | מַחֲנֵ֧ה (machane) = het kamp van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | בָּרִאשֹׁנָ֖ה (barishona) = als eerste | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = volgens hun legerscharen | וְעַל (veal) = en over | צְבָא֔וֹ (tsevao) = zijn leger | נַחְשׁ֖וֹן (nachshon) = Nachsjon | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּינָדָֽב (aminadav) = Amminadab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּגֶל (degel), ‘vaandel’: de groep van drie stammen die samen onder één teken trok. De volgorde van de stammen is dezelfde als in Num. 7: Juda, Issachar, Zebulon; Ruben, Simeon, Gad; Efraïm, Manasse, Benjamin; Dan, Aser, Naftali. Zie ook: Gen 49:8; Num 1:7; Num 2:3–9; Num 7:12; Num 26:19–27 **10:15** Over het leger van de stam van de zonen van Issachar was Netanel, de zoon van Zuar. Brontekst: וְעַ֨ל (veal) = en over | צְבָ֔א (tseva) = het leger van | מַטֵּ֖ה (mate) = de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשָׂשכָ֑ר (yisashkhar) = Issachar | נְתַנְאֵ֖ל (netanel) = Netanel | בֶּן (ben) = zoon van | צוּעָֽר (tsuar) = Zuar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:8; Num 7:18 **10:16** Over het leger van de stam van de zonen van Zebulon was Eliab, de zoon van Chelon. Brontekst: וְעַ֨ל (veal) = en over | צְבָ֔א (tseva) = het leger van | מַטֵּ֖ה (mate) = de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | זְבוּלֻ֑ן (zevulun) = Zebulon | אֱלִיאָ֖ב (eliav) = Eliab | בֶּן (ben) = zoon van | חֵלֽוֹן (chelon) = Chelon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:9; Num 7:24 **10:17** Toen werd de tabernakel afgebroken, en de zonen van Gersjon en de zonen van Merari trokken verder, de dragers van de tabernakel. Brontekst: וְהוּרַ֖ד (vehurad) = en werd afgebroken | הַמִּשְׁכָּ֑ן (hamishkan) = de tabernakel | וְנָסְע֤וּ (venaseu) = en zij trokken verder | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | גֵרְשׁוֹן֙ (gereshon) = Gersjon | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | מְרָרִ֔י (merari) = Merari | נֹשְׂאֵ֖י (noseei) = dragers van | הַמִּשְׁכָּֽן (hamishkan) = de tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Gersjonieten en de Merarieten droegen de tabernakel zelf (Num. 7:7–8), en trokken dus na het eerste vaandel, zodat de tabernakel opgericht kon zijn bij de komst van de Kehatieten (vers 21). Zie ook: Num 1:51; Num 3:25–26; Num 3:36–37; Num 7:6–8; Num 7:7–8; Num 10:21; 2 Petr 1:14 **10:18** Daarna trok het vaandel van het kamp van Ruben verder, volgens hun legerscharen. Over zijn leger was Elizur, de zoon van Sjedeür. Brontekst: וְנָסַ֗ע (venasa) = en trok verder | דֶּ֛גֶל (degel) = het vaandel van | מַחֲנֵ֥ה (machane) = het kamp van | רְאוּבֵ֖ן (reuven) = Ruben | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = volgens hun legerscharen | וְעַל (veal) = en over | צְבָא֔וֹ (tsevao) = zijn leger | אֱלִיצ֖וּר (elitsur) = Elizur | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁדֵיאֽוּר (shedeiur) = Sjedeür Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:5; Num 2:10–16; Num 7:35; Num 26:5–18 **10:19** Over het leger van de stam van de zonen van Simeon was Sjelumiël, de zoon van Zurisjaddai. Brontekst: וְעַ֨ל (veal) = en over | צְבָ֔א (tseva) = het leger van | מַטֵּ֖ה (mate) = de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שִׁמְע֑וֹן (shimon) = Simeon | שְׁלֻֽמִיאֵ֖ל (shelumiel) = Sjelumiël | בֶּן (ben) = zoon van | צוּרִֽי (tsuri) = Suri- | שַׁדָּֽי (shaday) = -saddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:6; Num 7:36 **10:20** Over het leger van de stam van de zonen van Gad was Eljasaf, de zoon van Deüel. Brontekst: וְעַל (veal) = en over | צְבָ֖א (tseva) = het leger van | מַטֵּ֣ה (mate) = de stam van | בְנֵי (benei) = de zonen van | גָ֑ד (gad) = Gad | אֶלְיָסָ֖ף (elyasaf) = Eljasaf | בֶּן (ben) = zoon van | דְּעוּאֵֽל (deuel) = Deüel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:14; Num 2:14; Num 7:42 **10:21** De Kehatieten trokken verder, de dragers van het heiligdom. De anderen richtten de tabernakel op tegen de tijd dat zij aankwamen. Brontekst: וְנָסְעוּ֙ (venaseu) = en zij trokken verder | הַקְּהָתִ֔ים (haqehatim) = de Kehatieten | נֹשְׂאֵ֖י (noseei) = dragers van | הַמִּקְדָּ֑שׁ (hamiqdash) = het heiligdom | וְהֵקִ֥ימוּ (veheqimu) = en zij richtten op | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | עַד (ad) = tot | בֹּאָֽם (boam) = hun komst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Kehatieten droegen de heilige voorwerpen (Num. 7:9). Zij trokken pas na de Gersjonieten en de Merarieten, die de tabernakel eerder opzetten. Zie ook: Num 2:17; Num 3:27–32; Num 4:4–16; Num 7:9; Num 10:17 **10:22** Daarna trok het vaandel van het kamp van de zonen van Efraïm verder, volgens hun legerscharen. Over zijn leger was Elisjama, de zoon van Ammihud. Brontekst: וְנָסַ֗ע (venasa) = en trok verder | דֶּ֛גֶל (degel) = het vaandel van | מַחֲנֵ֥ה (machane) = het kamp van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = volgens hun legerscharen | וְעַל (veal) = en over | צְבָא֔וֹ (tsevao) = zijn leger | אֱלִישָׁמָ֖ע (elishama) = Elisjama | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּיהֽוּד (amihud) = Ammihud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 48:19; Num 1:10; Num 2:18–24; Num 7:48; Ps 80:2–3 **10:23** Over het leger van de stam van de zonen van Manasse was Gamliël, de zoon van Pedazur. Brontekst: וְעַ֨ל (veal) = en over | צְבָ֔א (tseva) = het leger van | מַטֵּ֖ה (mate) = de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | גַּמְלִיאֵ֖ל (gamliel) = Gamliël | בֶּן (ben) = zoon van | פְּדָה (peda) = Peda- | צֽוּר (tsur) = -zur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:10; Num 7:54 **10:24** Over het leger van de stam van de zonen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni. Brontekst: וְעַ֨ל (veal) = en over | צְבָ֔א (tseva) = het leger van | מַטֵּ֖ה (mate) = de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | אֲבִידָ֖ן (avidan) = Abidan | בֶּן (ben) = zoon van | גִּדְעוֹנִֽי (gidoni) = Gideoni Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:11; Num 7:60 **10:25** Het vaandel van het kamp van de zonen van Dan trok verder, als achterhoede van alle kampen, volgens hun legerscharen. Over zijn leger was Achiëzer, de zoon van Ammisjaddai. Brontekst: וְנָסַ֗ע (venasa) = en trok verder | דֶּ֚גֶל (degel) = het vaandel van | מַחֲנֵ֣ה (machane) = het kamp van | בְנֵי (benei) = de zonen van | דָ֔ן (dan) = Dan | מְאַסֵּ֥ף (measef) = achterhoede | לְכָל (lekhal) = voor alle | הַֽמַּחֲנֹ֖ת (hamachanot) = de kampen | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = volgens hun legerscharen | וְעַל (veal) = en over | צְבָא֔וֹ (tsevao) = zijn leger | אֲחִיעֶ֖זֶר (achiezer) = Achiëzer | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּישַׁדָּֽי (amishaday) = Ammisjaddai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:12; Num 26:42–51; Deut 25:17–18; Joz 6:9; Jes 58:8 **10:26** Over het leger van de stam van de zonen van Aser was Pagiël, de zoon van Ochran. Brontekst: וְעַל (veal) = en over | צְבָ֔א (tseva) = het leger van | מַטֵּ֖ה (mate) = de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אָשֵׁ֑ר (asher) = Aser | פַּגְעִיאֵ֖ל (pagiel) = Pagiël | בֶּן (ben) = zoon van | עָכְרָֽן (akheran) = Ochran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:13; Num 7:72 **10:27** Over het leger van de stam van de zonen van Naftali was Achira, de zoon van Enan. Brontekst: וְעַ֨ל (veal) = en over | צְבָ֔א (tseva) = het leger van | מַטֵּ֖ה (mate) = de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | נַפְתָּלִ֑י (naftali) = Naftali | אֲחִירַ֖ע (achira) = Achira | בֶּן (ben) = zoon van | עֵינָֽן (einan) = Enan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:15; Num 7:78 **10:28** Dit waren de tochten van de zonen van Israël, volgens hun legerscharen. Zo trokken zij verder. Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = dit | מַסְעֵ֥י (masei) = de tochten van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = volgens hun legerscharen | וַיִּסָּֽעוּ (vayisau) = en zij trokken verder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 2:34; Num 24:4–5; Hoogl 6:10; 1 Kor 14:40; Kol 2:5 ### Mozes vraagt Chobab mee te gaan **10:29** Chobab was de zoon van Reüel, de Midianiet, de schoonvader van Mozes. Mozes zei tot hem: „Wij trekken naar de plaats waarvan Yahweh heeft gezegd: **‘Ik zal die aan jullie geven.’** Ga met ons mee, dan zullen wij je goed doen, want Yahweh heeft het goede over Israël gesproken.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | לְ֠חֹבָב (lechovav) = tot Chobab | בֶּן (ben) = zoon van | רְעוּאֵ֣ל (reuel) = Reüel | הַמִּדְיָנִי֮ (hamidyani) = de Midianiet | חֹתֵ֣ן (choten) = schoonvader van | מֹשֶׁה֒ (moshe) = Mozes | נֹסְעִ֣ים (noseim) = wij trekken verder | אֲנַ֗חְנוּ (anachnu) = wij | אֶל (el) = naar | הַמָּקוֹם֙ (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarvan | אָמַ֣ר (amar) = zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֖וֹ (oto) = die | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal geven | לָכֶ֑ם (lakhem) = aan jullie | לְכָ֤ה (lekha) = ga | אִתָּ֨נוּ֙ (itanu) = met ons | וְהֵטַ֣בְנוּ (vehetavnu) = en wij zullen goed doen | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | כִּֽי (ki) = want | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֶּר (diber) = heeft gesproken | ט֖וֹב (tov) = het goede | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Chobab (חֹבָב) is de zoon van Reüel (רְעוּאֵל), de Midianiet. In het Hebreeuws kan ‘de schoonvader van Mozes’ bij Chobab of bij Reüel horen; wij laten dat zo staan. Vergelijk Exod. 2:18 en 18:1–27. Voetnoot Lezing: De woorden van Yahweh, ‘Ik zal die aan jullie geven’, staan hier als citaat in de woorden van Mozes en zijn daarom rood. Vergelijk Gen. 12:7. Zie ook: Gen 12:7; Ex 2:18; Ex 3:1; Ex 3:8; Ex 18:1; Re 4:11 **10:30** Hij zei tot hem: „Ik ga niet. Ik ga alleen naar mijn land en naar mijn geboorteland.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | לֹ֣א (lo) = niet | אֵלֵ֑ךְ (elekh) = ik zal gaan | כִּ֧י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | אֶל (el) = naar | אַרְצִ֛י (artsi) = mijn land | וְאֶל (veel) = en naar | מוֹלַדְתִּ֖י (moladti) = mijn geboorteland | אֵלֵֽךְ (elekh) = ik zal gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:30; Ruth 1:15–17; Ps 45:11; Mat 21:29; Luc 14:26 **10:31** Mozes zei: „Verlaat ons alsjeblieft niet, want je weet hoe wij ons in de woestijn legeren. Wees voor ons als ogen. Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַל (al) = niet | נָ֖א (na) = alsjeblieft | תַּעֲזֹ֣ב (taazov) = verlaat | אֹתָ֑נוּ (otanu) = ons | כִּ֣י (ki) = want | עַל (al) = omdat | כֵּ֣ן (ken) = zo | יָדַ֗עְתָּ (yadata) = je weet | חֲנֹתֵ֨נוּ֙ (chanotenu) = ons legeren | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | וְהָיִ֥יתָ (vehayita) = en je zult zijn | לָּ֖נוּ (lanu) = voor ons | לְעֵינָֽיִם (leeinayim) = als ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes vraagt Chobab om hun ‘ogen’ te zijn: iemand die de woestijn kent en de beste plaatsen om te kamperen weet. De wolk wijst Israël de weg (Num. 9:15–23), maar Mozes vraagt ook om deze hulp. Zie ook: Job 29:15; Num 9:15–23; Ps 32:8; Gal 6:2; 1 Kor 12:14–21 **10:32** Als je met ons meegaat, dan zal het zo zijn: het goede dat Yahweh ons zal doen, dat zullen wij ook jou doen.” Brontekst: וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּי (ki) = wanneer | תֵלֵ֣ךְ (telekh) = je meegaat | עִמָּ֑נוּ (imanu) = met ons | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | הַטּ֣וֹב (hatov) = het goede | הַה֗וּא (hahu) = dat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יֵיטִ֧יב (yeitiv) = Hij goed zal doen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּ֖נוּ (imanu) = met ons | וְהֵטַ֥בְנוּ (vehetavnu) = en wij zullen goed doen | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:18; Re 1:16; Ps 22:28–32; Ps 67:6–8; 1 Joh 1:3 ### De ark gaat voorop **10:33** Zij trokken verder van de berg van Yahweh, een reis van drie dagen. De ark van het verbond van Yahweh trok een reis van drie dagen voor hen uit, om een rustplaats voor hen te zoeken. Brontekst: וַיִּסְעוּ֙ (vayisu) = en zij trokken verder | מֵהַ֣ר (mehar) = van de berg van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = een reis van | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וַאֲר֨וֹן (vaaron) = en de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | נֹסֵ֣עַ (nosea) = trok verder | לִפְנֵיהֶ֗ם (lifneihem) = voor hen uit | דֶּ֚רֶךְ (derekh) = een reis van | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | לָת֥וּר (latur) = om te zoeken | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | מְנוּחָֽה (menucha) = een rustplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ‘De berg van Yahweh’ is de Sinaï (Exod. 19:11). De traditionele ligging is Jebel Musa, in het zuiden van het Sinaïschiereiland (Egypte); dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: בְּרִית (berit), ‘verbond’: de ark van het verbond bevat de stenen tafelen (Exod. 25:16 en 25:21). Voetnoot : תּוּר (tur), ‘zoeken, verkennen’: de ark gaat voor het volk uit om een plaats van rust voor hen uit te zoeken. Zie ook: Ex 3:1; Ex 19:3; Ex 19:11; Ex 24:17–18; Ex 25:16; Ex 25:21; Deut 1:33; 1 Sam 4:3 **10:34** De wolk van Yahweh was overdag boven hen wanneer zij uit het kamp verder trokken. Brontekst: וַעֲנַ֧ן (vaanan) = en de wolk van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = boven hen | יוֹמָ֑ם (yomam) = overdag | בְּנָסְעָ֖ם (benaseam) = bij hun verder trekken | מִן (min) = uit | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:21–22; Num 9:15–23; Ps 105:39; Neh 9:12; Neh 9:19 **10:35** Telkens als de ark verder trok, zei Mozes: „Sta op, Yahweh! Laat Uw vijanden uiteengedreven worden en laat wie U haten vluchten voor Uw aangezicht.” Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het gebeurde | בִּנְסֹ֥עַ (binsoa) = bij het verder trekken van | הָאָרֹ֖ן (haaron) = de ark | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | קוּמָ֣ה (quma) = sta op | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְיָפֻ֨צוּ֙ (veyafutsu) = en laat uiteengedreven worden | אֹֽיְבֶ֔יךָ (oyeveikha) = Uw vijanden | וְיָנֻ֥סוּ (veyanusu) = en laat vluchten | מְשַׂנְאֶ֖יךָ (mesaneikha) = wie U haten | מִפָּנֶֽיךָ (mipaneikha) = van Uw aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes’ woorden bij het vertrek van de ark lijken op Ps. 68:2. Wij noteren ze hier als zijn eigen woorden: hij spreekt Yahweh aan met ‘U’. Zie ook: Deut 7:10; Deut 32:41; Ps 68:2–3; Jes 17:12–14; Jes 51:9 **10:36** Wanneer de ark tot rust kwam, zei hij: „Keer terug, Yahweh, naar de tienduizenden en duizenden van Israël.” Brontekst: וּבְנֻחֹ֖ה (uvenucho) = en bij zijn rusten | יֹאמַ֑ר (yomar) = hij zei | שׁוּבָ֣ה (shuva) = keer terug | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | רִֽבְב֖וֹת (rivvot) = tienduizenden | אַלְפֵ֥י (alfei) = duizenden van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:60; Deut 1:10; Ps 90:13–17; Jes 63:17 ## Numeri 11 _Het klagen van het volk en de zeventig oudsten_ ### Het vuur van Yahweh bij Taberah **11:1** Het volk was aan het klagen, en dat klonk slecht in de oren van Yahweh. Yahweh hoorde het en Zijn toorn ontbrandde. Het vuur van Yahweh brandde onder hen en verteerde het uiterste deel van het kamp. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | הָעָם֙ (haam) = het volk | כְּמִתְאֹ֣נְנִ֔ים (kemitonenim) = als klagenden | רַ֖ע (ra) = kwaad | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hoorde | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיִּ֣חַר (vayichar) = en ontbrandde | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | וַתִּבְעַר (vativar) = en brandde | בָּם֙ (bam) = onder hen | אֵ֣שׁ (esh) = vuur van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַתֹּ֖אכַל (vatokhal) = en verteerde | בִּקְצֵ֥ה (biqtse) = in het uiterste deel van | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִתְאֹנְנִים (mit’onenim), ‘klagenden’: een zeldzaam werkwoord voor ontevreden mopperen. Het volk klaagt zonder een duidelijke reden. Zie ook: Ex 16:9; Num 16:35; Num 21:5; 2 Kon 1:12; 1 Kor 10:10 **11:2** Het volk riep in nood tot Mozes. Mozes bad tot Yahweh en het vuur zakte weg. Brontekst: וַיִּצְעַ֥ק (vayitsaq) = en riep in nood | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיִּתְפַּלֵּ֤ל (vayitpalel) = en bad | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַתִּשְׁקַ֖ע (vatishqa) = en zakte weg | הָאֵֽשׁ (haesh) = het vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָעַק (tsa’aq), ‘in nood roepen’, hoort bij het woord ‘noodkreet’ (tsa’aqah): het volk roept Mozes aan als bemiddelaar. Zie ook: Num 14:13–20; Num 17:10–13; Num 21:7; Jer 42:2; Jak 5:16 **11:3** Men noemde die plaats Taberah, want het vuur van Yahweh had onder hen gebrand. Brontekst: וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en men noemde | שֵֽׁם (shem) = de naam van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַה֖וּא (hahu) = die | תַּבְעֵרָ֑ה (tavera) = Taberah | כִּֽי (ki) = want | בָעֲרָ֥ה (baara) = had gebrand | בָ֖ם (bam) = onder hen | אֵ֥שׁ (esh) = vuur van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Taberah (תַּבְעֵרָה, tav’erah), ‘brand’: de plaats is niet bekend. Zij lag in de woestijn Paran, tussen de Sinaï en Chaserot (vers 35 en Num. 10:12). Voetnoot Uitleg: Het onderwerp van ‘noemde’ staat er niet; wij vertalen ‘men noemde’. Vergelijk Deut. 9:22. Zie ook: Num 10:12; Num 11:35; Deut 9:22 ### Het volk verlangt naar vlees **11:4** Het samengeraapte volk in hun midden kreeg een sterke zin in vlees. Ook de zonen van Israël begonnen weer te huilen en zeiden: „Wie geeft ons vlees te eten? Brontekst: וְהָֽאסַפְסֻף֙ (vehasafsuf) = en het samengeraapte volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בְּקִרְבּ֔וֹ (beqirbo) = in hun midden | הִתְאַוּ֖וּ (hitauu) = verlangde | תַּאֲוָ֑ה (taava) = een verlangen | וַיָּשֻׁ֣בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | וַיִּבְכּ֗וּ (vayivku) = en zij huilden | גַּ֚ם (gam) = ook | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | מִ֥י (mi) = wie | יַאֲכִלֵ֖נוּ (yaakhilenu) = zal ons laten eten | בָּשָֽׂר (basar) = vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאסַפְסֻף (ha’asafsuf), ‘het samengeraapte volk’: een zeldzaam woord voor mensen die zijn meegekomen, maar niet tot Israël behoren. Vergelijk de ‘gemengde schare’ in Exod. 12:38. Voetnoot : מָן (man), ‘manna’: zie Exod. 16:31. Zie ook: Ex 12:38; Ex 16:31; Ps 78:18–20; Ps 106:14; Neh 13:3; 1 Kor 10:6 **11:5** Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de meloenen, de prei, de uien en de knoflook. Brontekst: זָכַ֨רְנוּ֙ (zakharnu) = wij herinneren ons | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּגָ֔ה (hadaga) = de vis | אֲשֶׁר (asher) = die | נֹאכַ֥ל (nokhal) = wij aten | בְּמִצְרַ֖יִם (bemitsrayim) = in Egypte | חִנָּ֑ם (chinam) = voor niets | אֵ֣ת (et) = (obj.) | הַקִּשֻּׁאִ֗ים (haqishuim) = de komkommers | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הָֽאֲבַטִּחִ֔ים (haavatichim) = de meloenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הֶחָצִ֥יר (hechatsir) = de prei | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבְּצָלִ֖ים (habetsalim) = de uien | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשּׁוּמִֽים (hashumim) = de knoflook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הֶחָצִיר (hechatsir), ‘prei’: ook ‘bieslook’ of ‘gras’ is mogelijk. De andere vijf zijn komkommers, meloenen (waarschijnlijk watermeloenen), uien en knoflook. Zie ook: Ex 16:3; Ps 17:14; Fil 3:19 **11:6** Maar nu verdort onze ziel. Er is niets, behalve het manna voor onze ogen.” Brontekst: וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | נַפְשֵׁ֥נוּ (nafshenu) = onze ziel | יְבֵשָׁ֖ה (yevesha) = is dor | אֵ֣ין (ein) = niets | כֹּ֑ל (kol) = al | בִּלְתִּ֖י (bilti) = behalve | אֶל (el) = naar | הַמָּ֥ן (haman) = het manna | עֵינֵֽינוּ (eineinu) = onze ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשֵׁנוּ יְבֵשָׁה (nafshenu yevesha), ‘onze ziel is dor’: נֶפֶשׁ (nefesh) betekent hier ‘ziel, leven, eetlust’. Het volk bedoelt dat het verlangen en de kracht weg zijn. Zie ook: Num 21:5; 2 Sam 13:4 **11:7** Het manna was als koriandersaad, en zijn uiterlijk was als het uiterlijk van bedolach. Brontekst: וְהַמָּ֕ן (vehaman) = en het manna | כִּזְרַע (kizra) = als zaad van | גַּ֖ד (gad) = koriander | ה֑וּא (hu) = het is | וְעֵינ֖וֹ (veeino) = en zijn uiterlijk | כְּעֵ֥ין (keein) = als het uiterlijk van | הַבְּדֹֽלַח (habedolach) = bedolach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּדֹלַח (bedolach), ‘bedolach’: een kostbaar geelachtig of wit hars of een edelsteen. De betekenis is niet zeker. Zie Gen. 2:12. Zie ook: Gen 2:12; Ex 16:14–15; Ex 16:31; 1 Kor 1:23–24; Openb 2:17 **11:8** Het volk liep rond en verzamelde het. Zij maalden het met molens of stampten het in een vijzel, kookten het in een pot en maakten er koeken van. De smaak ervan was als de smaak van een oliekoek. Brontekst: שָׁטוּ֩ (shatu) = zij liepen rond | הָעָ֨ם (haam) = het volk | וְלָֽקְט֜וּ (velaqetu) = en verzamelden | וְטָחֲנ֣וּ (vetachanu) = en maalden | בָרֵחַ֗יִם (barechayim) = met molens | א֤וֹ (o) = of | דָכוּ֙ (dakhu) = stampten | בַּמְּדֹכָ֔ה (bamedokha) = in een vijzel | וּבִשְּׁלוּ֙ (uvishelu) = en kookten | בַּפָּר֔וּר (baparur) = in een pot | וְעָשׂ֥וּ (veasu) = en maakten | אֹת֖וֹ (oto) = het | עֻג֑וֹת (ugot) = koeken | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en was | טַעְמ֔וֹ (tamo) = zijn smaak | כְּטַ֖עַם (ketaam) = als de smaak van | לְשַׁ֥ד (leshad) = koek van | הַשָּֽׁמֶן (hashamen) = de olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: לְשַׁד הַשָּׁמֶן (leshad hashamen) vertalen wij ‘een oliekoek’. Het woord שַׁד (shad) komt maar één keer voor; de betekenis is niet zeker. De Septuaginta heeft ‘een koek gebakken in olie’. In Exod. 16:31 smaakt het manna als een koek met honing. Zie ook: Ex 16:16–18; Ex 16:23; Ex 16:31; Joh 6:27; Joh 6:33–58 **11:9** Wanneer ’s nachts de dauw op het kamp neerdaalde, daalde het manna erop neer. Brontekst: וּבְרֶ֧דֶת (uveredet) = en bij het neerdalen van | הַטַּ֛ל (hatal) = de dauw | עַל (al) = op | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = het kamp | לָ֑יְלָה (layela) = ’s nachts | יֵרֵ֥ד (yered) = daalde neer | הַמָּ֖ן (haman) = het manna | עָלָֽיו (alav) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:13–14; Deut 32:2; Ps 78:23–25; Ps 105:40 ### De klacht van Mozes **11:10** Mozes hoorde het volk huilen, familie na familie, ieder bij de ingang van zijn tent. De toorn van Yahweh ontbrandde hevig, en ook in de ogen van Mozes was het slecht. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֨ע (vayishma) = en hoorde | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֗ם (haam) = het volk | בֹּכֶה֙ (bokhe) = huilend | לְמִשְׁפְּחֹתָ֔יו (lemishpechotav) = in zijn families | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | לְפֶ֣תַח (lefetach) = bij de ingang van | אָהֳל֑וֹ (aholo) = zijn tent | וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֤ף (af) = de toorn van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וּבְעֵינֵ֥י (uveeinei) = en in de ogen van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | רָֽע (ra) = slecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 20:10–13; Ps 78:21; Ps 106:25; Jes 5:25; Mar 10:14 **11:11** Mozes zei tot Yahweh: „Waarom hebt U Uw dienaar kwaad gedaan? Waarom heb ik geen gunst gevonden in Uw ogen, dat U de last van heel dit volk op mij legt? Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לָמָ֤ה (lama) = waarom | הֲרֵעֹ֨תָ֙ (hareota) = hebt U kwaad gedaan | לְעַבְדֶּ֔ךָ (leavdekha) = aan Uw dienaar | וְלָ֛מָּה (velama) = en waarom | לֹא (lo) = niet | מָצָ֥תִי (matsati) = heb ik gevonden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = in Uw ogen | לָשׂ֗וּם (lasum) = om te leggen | אֶת (et) = (obj.) | מַשָּׂ֛א (masa) = de last van | כָּל (kal) = heel | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | עָלָֽי (alay) = op mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:2; Ex 5:22; Num 11:15; Deut 1:12; Ps 130:3 **11:12** Heb ik heel dit volk ontvangen? Heb ik het geboren, dat U tegen mij zegt: **‘Draag het aan je borst, zoals de verzorger het zuigende kind draagt,’** naar de grond die U aan zijn vaderen onder ede beloofd hebt? Brontekst: הֶאָנֹכִ֣י (heanokhi) = ben ik | הָרִ֗יתִי (hariti) = heb ik ontvangen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אִם (im) = of | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ben ik | יְלִדְתִּ֑יהוּ (yelidtihu) = heb ik het geboren | כִּֽי (ki) = dat | תֹאמַ֨ר (tomar) = U zegt | אֵלַ֜י (elay) = tot mij | שָׂאֵ֣הוּ (saehu) = draag het | בְחֵיקֶ֗ךָ (becheiqekha) = aan je borst | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יִשָּׂ֤א (yisa) = draagt | הָאֹמֵן֙ (haomen) = de verzorger | אֶת (et) = (obj.) | הַיֹּנֵ֔ק (hayoneq) = het zuigende kind | עַ֚ל (al) = naar | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נִשְׁבַּ֖עְתָּ (nishbata) = U onder ede beloofd hebt | לַאֲבֹתָֽיו (laavotav) = aan zijn vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֹמֵן (ho’omen), ‘de verzorger’: iemand die voor een zuigeling zorgt, zoals een voedster of een pleegvader. Voetnoot Lezing: De woorden die Mozes citeert (‘Draag het aan je borst’) komen niet letterlijk elders voor. Wij zetten ze rood, omdat Mozes ze aan Yahweh toeschrijft. Zie ook: Gen 50:24; Ex 13:5; Jes 40:11; Jes 49:23; 1 Tess 2:7 **11:13** Waar haal ik vlees vandaan om aan heel dit volk te geven? Want zij huilen tegen mij en zeggen: ‘Geef ons vlees, dan eten wij.’ Brontekst: מֵאַ֤יִן (meayin) = waar vandaan | לִי֙ (li) = voor mij | בָּשָׂ֔ר (basar) = vlees | לָתֵ֖ת (latet) = om te geven | לְכָל (lekhal) = aan heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | כִּֽי (ki) = want | יִבְכּ֤וּ (yivku) = zij huilen | עָלַי֙ (alay) = tegen mij | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | תְּנָה (tena) = geef | לָּ֥נוּ (lanu) = ons | בָשָׂ֖ר (basar) = vlees | וְנֹאכֵֽלָה (venokhela) = en wij zullen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 15:33; Mar 8:4; Mar 9:23; Joh 6:5–9 **11:14** Ik kan dit hele volk niet alleen dragen, want het is te zwaar voor mij. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | אוּכַ֤ל (ukhal) = ik kan | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | לְבַדִּ֔י (levadi) = alleen | לָשֵׂ֖את (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | כִּ֥י (ki) = want | כָבֵ֖ד (kaved) = te zwaar | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:18; Deut 1:9–12; Jes 9:5; Zach 6:13; 2 Kor 2:16 **11:15** En als U zo met mij doet, dood mij dan toch, als ik gunst heb gevonden in Uw ogen. Laat mij mijn ellende niet zien.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | כָּ֣כָה (kakha) = zo | אַתְּ (at) = U | עֹ֣שֶׂה (ose) = doet | לִּ֗י (li) = met mij | הָרְגֵ֤נִי (haregeni) = dood mij | נָא֙ (na) = toch | הָרֹ֔ג (harog) = doden | אִם (im) = als | מָצָ֥אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = in Uw ogen | וְאַל (veal) = en niet | אֶרְאֶ֖ה (ere) = laat mij zien | בְּרָעָתִֽי (beraati) = mijn ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 19:4; Jona 4:3; Jona 4:8–9; Jer 20:18; Fil 1:20–24 ### Yahweh geeft zeventig oudsten Zijn Geest **11:16** Yahweh zei tot Mozes: **„Verzamel voor Mij zeventig mannen van de oudsten van Israël. Dat zijn mannen van wie jij weet dat zij de oudsten van het volk zijn en hun opzichters. Neem hen mee naar de tent van samenkomst en laat hen daar bij je staan.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | אֶסְפָה (esfa) = verzamel | לִּ֞י (li) = voor Mij | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | אִישׁ֮ (ish) = man | מִזִּקְנֵ֣י (miziqnei) = van de oudsten van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = je weet | כִּי (ki) = dat | הֵ֛ם (hem) = zij | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = de oudsten van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | וְשֹׁטְרָ֑יו (veshoterav) = en hun opzichters | וְלָקַחְתָּ֤ (velaqachta) = en je zult nemen | אֹתָם֙ (otam) = hen | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וְהִֽתְיַצְּב֥וּ (vehityatsevu) = en zij zullen zich opstellen | שָׁ֖ם (sham) = daar | עִמָּֽךְ (imakh) = bij je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de oudsten en opzichters die Mozes al kende (Exod. 24:1 en 24:9). De opzichters (שֹׁטְרִים, shoterim) zijn ook de opzichters van Exod. 5:6. Zie ook: Ex 5:6; Ex 24:1; Ex 24:9; Deut 1:15; Luc 10:1; Luc 10:17 **11:17** **Dan kom Ik neer en spreek Ik daar met je. Ik neem een deel van de Geest die op jou is en leg die op hen. Zij zullen met jou de last van het volk dragen, zodat jij die niet alleen hoeft te dragen.** Brontekst: וְיָרַדְתִּ֗י (veyaradti) = en Ik zal neerkomen | וְדִבַּרְתִּ֣י (vedibarti) = en Ik zal spreken | עִמְּךָ֮ (imekha) = met je | שָׁם֒ (sham) = daar | וְאָצַלְתִּ֗י (veatsalti) = en Ik zal nemen | מִן (min) = van | הָר֛וּחַ (haruach) = de Geest | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = op jou | וְשַׂמְתִּ֣י (vesamti) = en Ik zal leggen | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = op hen | וְנָשְׂא֤וּ (venaseu) = en zij zullen dragen | אִתְּךָ֙ (itekha) = met jou | בְּמַשָּׂ֣א (bemasa) = de last van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְלֹא (velo) = en niet | תִשָּׂ֥א (tisa) = zul je dragen | אַתָּ֖ה (ata) = jij | לְבַדֶּֽךָ (levadekha) = alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאָצַלְתִּי (we’atsalti), ‘Ik neem een deel’: letterlijk ‘Ik zal opzijzetten, afscheiden’. De Geest die op Mozes is, wordt met de zeventig gedeeld. Voetnoot Lezing: רוּחַ (ruach) is hier de Geest van Yahweh, vergelijk vers 29 (‘Zijn Geest’). Daarom schrijven wij ‘Geest’ met een hoofdletter. Zie ook: Num 11:25; Num 11:29; 1 Sam 10:6; 2 Kon 2:9; 2 Kon 2:15; 1 Kor 2:12 **11:18** **Zeg tegen het volk: Heilig jullie voor morgen, dan zullen jullie vlees eten. Want jullie hebben in de oren van Yahweh gehuild en gezegd: ‘Wie geeft ons vlees te eten? Want het was goed voor ons in Egypte.’ Yahweh zal jullie vlees geven en jullie zullen eten.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | הָעָ֨ם (haam) = het volk | תֹּאמַ֜ר (tomar) = zul je zeggen | הִתְקַדְּשׁ֣וּ (hitqadeshu) = heilig jullie | לְמָחָר֮ (lemachar) = voor morgen | וַאֲכַלְתֶּ֣ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | בָּשָׂר֒ (basar) = vlees | כִּ֡י (ki) = want | בְּכִיתֶם֩ (bekhitem) = jullie hebben gehuild | בְּאָזְנֵ֨י (beazenei) = in de oren van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | מִ֤י (mi) = wie | יַאֲכִלֵ֨נוּ֙ (yaakhilenu) = zal ons laten eten | בָּשָׂ֔ר (basar) = vlees | כִּי (ki) = want | ט֥וֹב (tov) = goed | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וְנָתַ֨ן (venatan) = en zal geven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֛ם (lakhem) = aan jullie | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | וַאֲכַלְתֶּֽם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 16:3–7; Ex 19:10; Num 11:1; Num 11:4–6; Hand 7:39 **11:19** **Niet één dag zullen jullie het eten, niet twee dagen, niet vijf dagen, niet tien dagen, niet twintig dagen,** Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | י֥וֹם (yom) = dag | אֶחָ֛ד (echad) = één | תֹּאכְל֖וּן (tokhlun) = zullen jullie eten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יוֹמָ֑יִם (yomayim) = twee dagen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | חֲמִשָּׁ֣ה (chamisha) = vijf | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | וְלֹא֙ (velo) = en niet | עֲשָׂרָ֣ה (asara) = tien | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | וְלֹ֖א (velo) = en niet | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | יֽוֹם (yom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:20** **maar een hele maand, tot het jullie neus uitkomt en jullie er walging van krijgen. Want jullie hebben Yahweh verworpen, die in jullie midden is, en voor Zijn aangezicht gehuild en gezegd: ‘Waarom zijn wij toch uit Egypte getrokken?’”** Brontekst: עַ֣ד (ad) = tot | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = een maand van | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | עַ֤ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | יֵצֵא֙ (yetse) = het uitkomt | מֵֽאַפְּכֶ֔ם (meapekhem) = uit jullie neus | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לְזָרָ֑א (lezara) = tot walging | יַ֗עַן (yaan) = omdat | כִּֽי (ki) = dat | מְאַסְתֶּ֤ם (meastem) = jullie hebben verworpen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּקִרְבְּכֶ֔ם (beqirbekhem) = in jullie midden | וַתִּבְכּ֤וּ (vativku) = en jullie hebben gehuild | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor Zijn aangezicht | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לָ֥מָּה (lama) = waarom | זֶּ֖ה (ze) = toch | יָצָ֥אנוּ (yatsanu) = zijn wij uitgetrokken | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: זָרָא (zara), ‘walging’: iets waarvan je een afkeer krijgt. Het volk eet maar één maand, tot het er genoeg van heeft. Zie ook: Num 21:5; 1 Sam 2:30; 1 Sam 10:19; Ps 78:27–30; Ps 106:15 **11:21** Mozes zei: „Het volk waarin ik ben telt 600.000 man te voet. En U zegt: **‘Vlees zal Ik hun geven, en zij zullen een maand lang eten.’** Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֒ (moshe) = Mozes | שֵׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | רַגְלִ֔י (ragli) = man te voet | הָעָ֕ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | בְּקִרְבּ֑וֹ (beqirbo) = in zijn midden | וְאַתָּ֣ה (veata) = en U | אָמַ֗רְתָּ (amarta) = hebt gezegd | בָּשָׂר֙ (basar) = vlees | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal geven | לָהֶ֔ם (lahem) = aan hen | וְאָכְל֖וּ (veakhelu) = en zij zullen eten | חֹ֥דֶשׁ (chodesh) = een maand van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 600.000 man te voet is het aantal strijdbare mannen uit Num. 1:46; Exod. 12:37. Zie ook: Gen 12:2; Ex 12:37; Ex 38:26; Num 1:46; Num 2:32 **11:22** Zouden schapen en runderen voor hen geslacht worden, zodat het genoeg voor hen is? Of zouden alle vissen van de zee voor hen bijeengebracht worden, zodat het genoeg voor hen is?” Brontekst: הֲצֹ֧אן (hatson) = schapen | וּבָקָ֛ר (uvaqar) = en runderen | יִשָּׁחֵ֥ט (yishachet) = zullen geslacht worden | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | וּמָצָ֣א (umatsa) = en genoeg is | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | אִ֣ם (im) = of | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דְּגֵ֥י (degei) = vissen van | הַיָּ֛ם (hayam) = de zee | יֵאָסֵ֥ף (yeasef) = zullen bijeengebracht worden | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | וּמָצָ֥א (umatsa) = en genoeg is | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 7:2; Mat 15:33; Mar 8:4; Luc 1:18; Joh 6:9 **11:23** Yahweh zei tot Mozes: **„Is de hand van Yahweh te kort? Nu zul je zien of Mijn woord voor jou uitkomt of niet.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | הֲיַ֥ד (hayad) = is de hand van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תִּקְצָ֑ר (tiqtsar) = te kort | עַתָּ֥ה (ata) = nu | תִרְאֶ֛ה (tire) = zul je zien | הֲיִקְרְךָ֥ (hayiqrekha) = komt het je tegen | דְבָרִ֖י (devari) = Mijn woord | אִם (im) = of | לֹֽא (lo) = niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt over Zichzelf als ‘de hand van Yahweh’, zoals het Hebreeuws zegt. ‘Te kort’ betekent: te zwak om te doen wat Hij belooft. Zie ook: Gen 18:14; Jes 50:2; Jes 59:1; Mat 19:26; Luc 1:37 ### De zeventig oudsten profeteren **11:24** Mozes ging naar buiten en sprak tot het volk de woorden van Yahweh. Hij verzamelde zeventig mannen van de oudsten van het volk en liet hen rondom de tent staan. Brontekst: וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en ging uit | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וַיְדַבֵּר֙ (vaydaber) = en sprak | אֶל (el) = tot | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֵ֖ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֶּאֱסֹ֞ף (vayeesof) = en verzamelde | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | אִישׁ֙ (ish) = man | מִזִּקְנֵ֣י (miziqnei) = van de oudsten van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַֽיַּעֲמֵ֥ד (vayaamed) = en liet staan | אֹתָ֖ם (otam) = hen | סְבִיבֹ֥ת (sevivot) = rondom | הָאֹֽהֶל (haohel) = de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 11:16; Num 11:26 **11:25** Yahweh daalde neer in de wolk en sprak met hem. Hij nam een deel van de Geest die op hem was en legde die op de zeventig oudsten. Toen de Geest op hen rustte, profeteerden zij, maar daarna niet meer. Brontekst: וַיֵּ֨רֶד (vayered) = en daalde neer | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | בֶּעָנָן֮ (beanan) = in de wolk | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | אֵלָיו֒ (elav) = tot hem | וַיָּ֗אצֶל (vayatsel) = en nam | מִן (min) = van | הָר֨וּחַ֙ (haruach) = de Geest | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָלָ֔יו (alav) = op hem | וַיִּתֵּ֕ן (vayiten) = en gaf | עַל (al) = op | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | אִ֖ישׁ (ish) = man | הַזְּקֵנִ֑ים (hazeqenim) = de oudsten | וַיְהִ֗י (vayhi) = en het gebeurde | כְּנ֤וֹחַ (kenoach) = toen rustte | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = op hen | הָר֔וּחַ (haruach) = de Geest | וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ (vayitnabeu) = en zij profeteerden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָסָֽפוּ (yasafu) = gingen zij door Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְלֹא יָסָפוּ (welo yasafu), ‘maar daarna niet meer’: de oudsten profeteerden alleen op dat ogenblik, als teken dat de Geest op hen rustte. Een andere lezing is ‘zij hielden niet op’; wij volgen de eerste. Zie ook: Num 11:17; Num 12:5; 1 Sam 10:10; Joël 3:1–2; 1 Kor 14:1–3 **11:26** Twee mannen waren in het kamp gebleven; de ene heette Eldad en de tweede Medad. De Geest rustte op hen. Zij stonden op de lijst, maar waren niet naar de tent gegaan. Zij profeteerden in het kamp. Brontekst: וַיִּשָּׁאֲר֣וּ (vayishaaru) = en bleven over | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | אֲנָשִׁ֣ים (anashim) = mannen | בַּֽמַּחֲנֶ֡ה (bamachane) = in het kamp | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | הָאֶחָ֣ד (haechad) = de ene | אֶלְדָּ֡ד (eldad) = Eldad | וְשֵׁם֩ (veshem) = en de naam van | הַשֵּׁנִ֨י (hasheni) = de tweede | מֵידָ֜ד (meidad) = Medad | וַתָּ֧נַח (vatanach) = en rustte | עֲלֵיהֶ֣ם (aleihem) = op hen | הָר֗וּחַ (haruach) = de Geest | וְהֵ֨מָּה֙ (vehema) = en zij | בַּכְּתֻבִ֔ים (baketuvim) = onder de opgeschrevenen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָצְא֖וּ (yatseu) = waren uitgegaan | הָאֹ֑הֱלָה (haohela) = naar de tent | וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ (vayitnabeu) = en zij profeteerden | בַּֽמַּחֲנֶֽה (bamachane) = in het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eldad (אֶלְדָּד) en Medad (מֵידָד) bleven in het kamp, hoewel zij bij de zeventig hoorden. De Geest rust ook op hen. Zie ook: Ex 3:11; Ex 4:13–14; 1 Sam 10:22; 1 Sam 20:26; Jer 36:5 **11:27** Een jongen rende naar Mozes en meldde: „Eldad en Medad profeteren in het kamp.” Brontekst: וַיָּ֣רָץ (vayarats) = en rende | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | וַיַּגֵּ֥ד (vayaged) = en meldde | לְמֹשֶׁ֖ה (lemoshe) = aan Mozes | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | אֶלְדָּ֣ד (eldad) = Eldad | וּמֵידָ֔ד (umeidad) = en Medad | מִֽתְנַבְּאִ֖ים (mitnabeim) = profeterend | בַּֽמַּחֲנֶֽה (bamachane) = in het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:28** Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgekozenen, antwoordde: „Mijn heer Mozes, verbied het hun!” Brontekst: וַיַּ֜עַן (vayaan) = en antwoordde | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֗וּן (nun) = Nun | מְשָׁרֵ֥ת (mesharet) = dienaar van | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | מִבְּחֻרָ֖יו (mibechurav) = uit zijn uitgekozenen | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | אֲדֹנִ֥י (adoni) = mijn heer | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | כְּלָאֵֽם (kelaem) = verbied hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מִבְּחֻרָיו (mibbechuraw) lezen wij als ‘een van zijn uitgekozenen’. Ook mogelijk is ‘van zijn jonge jaren af’, naar de leeftijd van Jozua toen hij Mozes ging dienen (Exod. 33:11). Zie ook: Ex 33:11; Joz 1:1; Mar 9:38–40; Luc 9:49–50; Joh 3:26 **11:29** Mozes zei tot hem: „Ben jij jaloers voor mij? Was het maar zo dat heel het volk van Yahweh profeten was, dat Yahweh Zijn Geest op hen legde!” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | הַֽמְקַנֵּ֥א (hamqane) = ben jij jaloers | אַתָּ֖ה (ata) = jij | לִ֑י (li) = voor mij | וּמִ֨י (umi) = en wie | יִתֵּ֜ן (yiten) = zal geven | כָּל (kal) = heel | עַ֤ם (am) = het volk van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | נְבִיאִ֔ים (neviim) = profeten | כִּי (ki) = dat | יִתֵּ֧ן (yiten) = zal geven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | רוּח֖וֹ (rucho) = Zijn Geest | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes wil dat alle mensen van Yahweh profeteren. Dat is een belofte die ook in Joël 2:28 voorkomt. Zie ook: Joël 2:28; Mat 9:37–38; Luc 10:2; Jak 4:5; Jak 5:9; 1 Kor 14:5 **11:30** Mozes keerde terug naar het kamp, hij en de oudsten van Israël. Brontekst: וַיֵּאָסֵ֥ף (vayeasef) = en keerde terug | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | ה֖וּא (hu) = hij | וְזִקְנֵ֥י (veziqnei) = en de oudsten van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De kwartels en de slag bij Kibrot-Hattaava **11:31** Een wind ging uit van Yahweh. Hij joeg kwartels op van de zee en liet ze neerkomen bij het kamp. Ze lagen een dagreis ver aan de ene kant en een dagreis ver aan de andere kant. Zo lagen ze rondom het kamp, ongeveer twee el hoog boven de grond. Brontekst: וְר֜וּחַ (veruach) = en een wind | נָסַ֣ע (nasa) = ging uit | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּ֣גָז (vayagaz) = en joeg op | שַׂלְוִים֮ (salvim) = kwartels | מִן (min) = van | הַיָּם֒ (hayam) = de zee | וַיִּטֹּ֨שׁ (vayitosh) = en liet neerkomen | עַל (al) = op | הַֽמַּחֲנֶ֜ה (hamachane) = het kamp | כְּדֶ֧רֶךְ (kederekh) = zoals de weg van | י֣וֹם (yom) = een dag | כֹּ֗ה (ko) = zo | וּכְדֶ֤רֶךְ (ukhederekh) = en zoals de weg van | יוֹם֙ (yom) = een dag | כֹּ֔ה (ko) = zo | סְבִיב֖וֹת (sevivot) = rondom | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | וּכְאַמָּתַ֖יִם (ukheamatayim) = en ongeveer twee el | עַל (al) = boven | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘wind’: hier een wind van Yahweh. Vergelijk Exod. 16:13, waar de kwartels ook komen. Voetnoot : כְּאַמָּתַיִם (ke’ammatayim), ‘ongeveer twee el’: 2 el is ongeveer 90 centimeter. Het kan betekenen dat de kwartels twee el hoog lagen of dat zij op die hoogte vlogen. Zie ook: Ex 10:13; Ex 16:13; Ps 78:26–29; Ps 105:40; Ps 135:7 **11:32** Het volk stond de hele dag op, de hele nacht en de hele volgende dag, en verzamelde de kwartels. Wie het minst verzameld had, had 10 chomer. Zij spreidden ze voor zich uit rondom het kamp. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | הָעָ֡ם (haam) = het volk | כָּל (kal) = heel | הַיּוֹם֩ (hayom) = die dag | הַה֨וּא (hahu) = die | וְכָל (vekhal) = en heel | הַלַּ֜יְלָה (halayla) = de nacht | וְכֹ֣ל (vekhol) = en heel | י֣וֹם (yom) = de dag van | הַֽמָּחֳרָ֗ת (hamachorat) = de volgende dag | וַיַּֽאַסְפוּ֙ (vayaasfu) = en zij verzamelden | אֶת (et) = (obj.) | הַשְּׂלָ֔ו (haselav) = de kwartels | הַמַּמְעִ֕יט (hamamit) = wie het minst | אָסַ֖ף (asaf) = verzamelde | עֲשָׂרָ֣ה (asara) = tien | חֳמָרִ֑ים (chomarim) = chomer | וַיִּשְׁטְח֤וּ (vayishtechu) = en zij spreidden uit | לָהֶם֙ (lahem) = voor zich | שָׁט֔וֹחַ (shatoach) = uitgespreid | סְבִיב֖וֹת (sevivot) = rondom | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹמֶר (chomer), een inhoudsmaat van ongeveer 220 liter (10 efa). Zelfs wie het minst verzameld had, had dus enorm veel. Het getal is onzeker. Zie ook: Ex 16:36; Ezech 45:11 **11:33** Het vlees was nog tussen hun tanden, voordat het was doorgekauwd, toen de toorn van Yahweh tegen het volk ontbrandde. Yahweh trof het volk met een zeer zware slag. Brontekst: הַבָּשָׂ֗ר (habasar) = het vlees | עוֹדֶ֨נּוּ֙ (odenu) = nog | בֵּ֣ין (bein) = tussen | שִׁנֵּיהֶ֔ם (shineihem) = hun tanden | טֶ֖רֶם (terem) = voordat | יִכָּרֵ֑ת (yikaret) = het werd doorgekauwd | וְאַ֤ף (veaf) = en de toorn | יְהוָה֙ (Yahweh) = van Yahweh | חָרָ֣ה (chara) = ontbrandde | בָעָ֔ם (baam) = tegen het volk | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en trof | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּעָ֔ם (baam) = het volk | מַכָּ֖ה (maka) = met een slag | רַבָּ֥ה (raba) = grote | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 17:14; Num 25:9; Deut 28:27; Ps 78:30–31; Ps 106:14–15 **11:34** Men noemde die plaats Kibrot-Hattaava, want daar begroef men het volk dat verlangd had. Brontekst: וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en men noemde | אֶת (et) = (obj.) | שֵֽׁם (shem) = de naam van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַה֖וּא (hahu) = die | קִבְר֣וֹת (qivrot) = Kibroth | הַֽתַּאֲוָ֑ה (hataava) = Hattaava | כִּי (ki) = want | שָׁם֙ (sham) = daar | קָֽבְר֔וּ (qaveru) = begroef men | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | הַמִּתְאַוִּֽים (hamitavim) = dat verlangde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kibrot-Hattaava (קִבְרוֹת הַתַּאֲוָה, qivroth hatta’awah), ‘graven van de begeerte’: de plaats is niet bekend. Zij lag tussen de Sinaï en Chaserot. Zie ook: Num 33:16; Deut 9:22; 1 Kor 10:6 **11:35** Van Kibrot-Hattaava trok het volk verder naar Chaserot, en zij bleven in Chaserot. Brontekst: מִקִּבְר֧וֹת (miqivrot) = van Kibroth | הַֽתַּאֲוָ֛ה (hataava) = Hattaava | נָסְע֥וּ (naseu) = trokken verder | הָעָ֖ם (haam) = het volk | חֲצֵר֑וֹת (chatserot) = Chaserot | וַיִּהְי֖וּ (vayihyu) = en zij waren | בַּחֲצֵרֽוֹת (bachatserot) = in Chaserot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chaserot (חֲצֵרוֹת, chatserot): de ligging is onzeker. Een voorstel is het huidige Ain Chudra, ongeveer 50 kilometer ten noordoosten van de Jebel Musa op het Sinaïschiereiland (Egypte). Dit is niet zeker. Zie ook: Num 12:16; Num 33:17; Deut 1:1 ## Numeri 12 _Mirjam en Aäron spreken tegen Mozes_ ### Mirjam en Aäron klagen over Mozes **12:1** Mirjam en Aäron spraken tegen Mozes vanwege de Kushitische vrouw die hij had genomen, want hij had een Kushitische vrouw genomen. Brontekst: וַתְּדַבֵּ֨ר (vatedaber) = en sprak | מִרְיָ֤ם (miryam) = Mirjam | וְאַהֲרֹן֙ (veaharon) = en Aäron | בְּמֹשֶׁ֔ה (bemoshe) = tegen Mozes | עַל (al) = over | אֹד֛וֹת (odot) = de zaak van | הָאִשָּׁ֥ה (haisha) = de vrouw | הַכֻּשִׁ֖ית (hakushit) = de Kushitische | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לָקָ֑ח (laqach) = hij had genomen | כִּֽי (ki) = want | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | כֻשִׁ֖ית (kushit) = Kushitische | לָקָֽח (laqach) = hij had genomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kush (כּוּשׁ) ligt ten zuiden van Egypte, in het huidige zuiden van Egypte en Soedan (Nubië). De Kushitische vrouw wordt verder niet genoemd. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ‘sprak’ staat in het Hebreeuws in het enkelvoud, met Mirjam als eerste. Zij is dus de aanvoerster. Wij vertalen ‘spraken’. Voetnoot Lezing: Het is niet duidelijk wie de Kushitische vrouw is. Het kan Sippora zijn (Exod. 2:21), de Midianitische vrouw van Mozes, of een andere vrouw. Wij laten de vraag open. Zie ook: Gen 24:37; Gen 26:34–35; Gen 27:46; Ex 2:21; Gal 4:16 **12:2** Zij zeiden: „Heeft Yahweh alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij niet ook door ons gesproken?” Yahweh hoorde het. Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | הֲרַ֤ק (haraq) = is het | אַךְ (akh) = alleen | בְּמֹשֶׁה֙ (bemoshe) = door Mozes | דִּבֶּ֣ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֲלֹ֖א (halo) = niet | גַּם (gam) = ook | בָּ֣נוּ (banu) = door ons | דִבֵּ֑ר (diber) = heeft Hij gesproken | וַיִּשְׁמַ֖ע (vayishma) = en hoorde | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:3; Jes 37:4; Mi 6:4; Ezech 35:12–13; Fil 2:3 **12:3** De man Mozes was zeer nederig, meer dan alle mensen op het oppervlak van de grond. Brontekst: וְהָאִ֥ישׁ (vehaish) = en de man | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עָנָ֣יו (anav) = nederig | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | מִכֹּל֙ (mikol) = meer dan alle | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = mensen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָנָו (anav), ‘nederig’: iemand die zichzelf niet verheft. Het kan ook ‘gebogen, ootmoedig’ betekenen. Mozes blijft zwijgen terwijl anderen over hem spreken; Yahweh verdedigt hem. Zie ook: Mat 5:5; Mat 11:29; Jak 3:13; 2 Kor 11:5; 2 Kor 12:11 ### Yahweh komt tussenbeide **12:4** Plotseling zei Yahweh tot Mozes, tot Aäron en tot Mirjam: **„Ga met jullie drieën naar de tent van samenkomst.”** Zij gingen met hun drieën. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | פִּתְאֹ֗ם (pitom) = plotseling | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וְאֶל (veel) = en tot | מִרְיָ֔ם (miryam) = Mirjam | צְא֥וּ (tseu) = gaat uit | שְׁלָשְׁתְּכֶ֖ם (shelashtekhem) = jullie drieën | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וַיֵּצְא֖וּ (vayetseu) = en zij gingen uit | שְׁלָשְׁתָּֽם (shelashtam) = met hun drieën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּתְאֹם (pit’om), ‘plotseling’: Yahweh komt zonder aankondiging. Zie ook: Num 16:16–21; Ps 76:10 **12:5** Yahweh daalde neer in een wolkkolom en bleef bij de ingang van de tent staan. Hij riep Aäron en Mirjam, en zij kwamen beiden naar voren. Brontekst: וַיֵּ֤רֶד (vayered) = en daalde neer | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּעַמּ֣וּד (beamud) = in een kolom van | עָנָ֔ן (anan) = wolk | וַֽיַּעֲמֹ֖ד (vayaamod) = en bleef staan | פֶּ֣תַח (petach) = bij de ingang van | הָאֹ֑הֶל (haohel) = de tent | וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en riep | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | וּמִרְיָ֔ם (umiryam) = en Mirjam | וַיֵּצְא֖וּ (vayetseu) = en zij gingen uit | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = beiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 34:5; Ex 40:38; Num 11:25; Ps 99:7 **12:6** Hij zei: **„Luister toch naar Mijn woorden. Als er onder jullie een profeet is, dan maak Ik, Yahweh, Mij in een visioen aan hem bekend. In een droom spreek Ik met hem.** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁמְעוּ (shimu) = luister | נָ֣א (na) = toch | דְבָרָ֑י (devaray) = naar Mijn woorden | אִם (im) = als | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = er is | נְבִ֣יאֲכֶ֔ם (neviakhem) = onder jullie profeet | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בַּמַּרְאָה֙ (bamara) = in een visioen | אֵלָ֣יו (elav) = aan hem | אֶתְוַדָּ֔ע (etvada) = Ik maak Mij bekend | בַּחֲל֖וֹם (bachalom) = in een droom | אֲדַבֶּר (adaber) = Ik spreek | בּֽוֹ (bo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: נְבִיאֲכֶם יְהוָה (nevi’akhem Yahweh) kan ook gelezen worden als ‘jullie profeet van Yahweh’. Wij lezen: ‘een profeet onder jullie’, en ‘Ik, Yahweh’ als het onderwerp van ‘maak Ik Mij bekend’. Zie ook: Gen 31:10–11; Gen 46:2; 1 Kon 3:5; Luc 1:22; Hand 22:17–18 **12:7** **Zo is het niet met Mijn dienaar Mozes: in heel Mijn huis is hij betrouwbaar.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | כֵ֖ן (ken) = zo | עַבְדִּ֣י (avdi) = Mijn dienaar | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | בְּכָל (bekhal) = in heel | בֵּיתִ֖י (beiti) = Mijn huis | נֶאֱמָ֥ן (neeman) = betrouwbaar | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶאֱמָן (ne’eman), ‘betrouwbaar’: iemand op wie men kan bouwen. Hebr. 3:5 noemt Mozes ‘trouw in heel Zijn huis’. Zie ook: Joz 1:1; Ps 105:26; Mat 11:11; 1 Kor 4:2; Heb 3:2–6; Heb 3:5 **12:8** **Van mond tot mond spreek Ik met hem, zichtbaar en niet in raadsels. De gestalte van Yahweh aanschouwt hij. Waarom hebben jullie dan geen ontzag gehad om tegen Mijn dienaar te spreken, tegen Mozes?”** Brontekst: פֶּ֣ה (pe) = mond | אֶל (el) = tot | פֶּ֞ה (pe) = mond | אֲדַבֶּר (adaber) = Ik spreek | בּ֗וֹ (bo) = met hem | וּמַרְאֶה֙ (umare) = en zichtbaar | וְלֹ֣א (velo) = en niet | בְחִידֹ֔ת (bechidot) = in raadsels | וּתְמֻנַ֥ת (utemunat) = en de gestalte van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יַבִּ֑יט (yabit) = hij aanschouwt | וּמַדּ֨וּעַ֙ (umadua) = en waarom | לֹ֣א (lo) = niet | יְרֵאתֶ֔ם (yeretem) = hebben jullie ontzag gehad | לְדַבֵּ֖ר (ledaber) = om te spreken | בְּעַבְדִּ֥י (beavdi) = tegen Mijn dienaar | בְמֹשֶֽׁה (bemoshe) = tegen Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּמֻנָה (temunah), ‘gestalte’: de vorm waarin Yahweh zichtbaar is voor Mozes. Vergelijk Exod. 33:11 en Num. 11:25. Zie ook: Ex 24:10–11; Ex 33:11; Num 11:25; Deut 34:10; Luc 10:16; 1 Kor 13:12 ### Mirjam wordt melaats **12:9** De toorn van Yahweh ontbrandde tegen hen, en Hij ging weg. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֧ף (af) = de toorn van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּ֖ם (bam) = tegen hen | וַיֵּלַֽךְ (vayelakh) = en Hij ging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:22; Num 11:1; Hos 5:15 **12:10** Toen de wolk van boven de tent was weggegaan, zie, Mirjam was melaats, wit als sneeuw. Aäron keerde zich naar Mirjam toe en zie, zij was melaats. Brontekst: וְהֶעָנָ֗ן (veheanan) = en de wolk | סָ֚ר (sar) = week | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | הָאֹ֔הֶל (haohel) = de tent | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | מִרְיָ֖ם (miryam) = Mirjam | מְצֹרַ֣עַת (metsoraat) = melaats | כַּשָּׁ֑לֶג (kashaleg) = als sneeuw | וַיִּ֧פֶן (vayifen) = en keerde zich | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | אֶל (el) = naar | מִרְיָ֖ם (miryam) = Mirjam | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | מְצֹרָֽעַת (metsoraat) = melaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְצֹרַעַת (metsora’at), ‘melaats’: een ernstige huidaandoening, zoals in Lev. 13. ‘Wit als sneeuw’ beschrijft de kleur van de huid. Aäron, de priester, ziet het meteen. Zie ook: Ex 4:6; Deut 24:9; 2 Kon 5:27; 2 Kon 15:5; 2 Kron 26:19–21 **12:11** Aäron zei tot Mozes: „Mijn heer, leg ons toch geen zonde ten laste, waarmee wij dwaas hebben gehandeld en gezondigd hebben. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | בִּ֣י (bi) = ach | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | אַל (al) = niet | נָ֨א (na) = toch | תָשֵׁ֤ת (tashet) = leg | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = op ons | חַטָּ֔את (chatat) = zonde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | נוֹאַ֖לְנוּ (noalnu) = wij hebben dwaas gehandeld | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en waarmee | חָטָֽאנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 15:24–25; 2 Sam 19:20; 2 Sam 24:10; Spr 30:32; Jer 42:2 **12:12** Laat haar toch niet zijn als een doodgeborene, wiens vlees voor de helft is weggevreten wanneer hij uit de schoot van zijn moeder komt.” Brontekst: אַל (al) = niet | נָ֥א (na) = toch | תְהִ֖י (tehi) = laat haar zijn | כַּמֵּ֑ת (kamet) = als een doodgeborene | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarmee | בְּצֵאתוֹ֙ (betseto) = bij zijn uitgaan | מֵרֶ֣חֶם (merechem) = uit de schoot van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | וַיֵּאָכֵ֖ל (vayeakhel) = en is opgevreten | חֲצִ֥י (chatsi) = de helft van | בְשָׂרֽוֹ (besaro) = zijn vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘wiens vlees voor de helft is opgevreten’ zonder duidelijk onderwerp. Wij lezen dat het om het kind gaat dat dood geboren wordt. Het is een beeld van volledige aantasting. Zie ook: Job 3:16; Ps 58:9; Ps 88:5–6; 1 Kor 15:8; 1 Tim 5:6 ### Mozes bidt voor Mirjam **12:13** Mozes riep in nood tot Yahweh: „Ach El, genees haar toch!” Brontekst: וַיִּצְעַ֣ק (vayitsaq) = en riep in nood | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אֵ֕ל (el) = El | נָ֛א (na) = toch | רְפָ֥א (refa) = genees | נָ֖א (na) = toch | לָֽהּ (lah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל (El), ‘El’: een kort woord voor Elohim, dat vaak voorkomt in een kreet om hulp (zie Exod. 15:2). Mozes bidt maar vijf woorden, zonder veel uitleg. Zie ook: Ex 15:2; Ex 32:10–14; 1 Sam 15:11; Luc 6:28; Jak 5:15; Rom 12:21 **12:14** Yahweh zei tot Mozes: **„Als haar vader haar in het gezicht had gespuugd, zou zij dan niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het kamp opgesloten zijn, en daarna weer worden opgenomen.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וְאָבִ֨יהָ֙ (veaviha) = en haar vader | יָרֹ֤ק (yaroq) = had gespuugd | יָרַק֙ (yaraq) = spuwen | בְּפָנֶ֔יהָ (befaneiha) = in haar gezicht | הֲלֹ֥א (halo) = niet | תִכָּלֵ֖ם (tikalem) = zou zij beschaamd zijn | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | תִּסָּגֵ֞ר (tisager) = laat haar opgesloten zijn | שִׁבְעַ֤ת (shivat) = zeven | יָמִים֙ (yamim) = dagen | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֔ה (lamachane) = het kamp | וְאַחַ֖ר (veachar) = en daarna | תֵּאָסֵֽף (teasef) = zij zal worden opgenomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Spugen in het gezicht is een teken van diepe schande. Mirjams zeven dagen buiten het kamp zijn een tijd van beschaamdheid en tevens van reiniging (vergelijk Lev. 13:4–5). Zie ook: Job 30:10; Lev 13:4–5; Lev 13:45–46; Num 5:2–3; Deut 25:9; Jes 50:6 **12:15** Mirjam werd zeven dagen buiten het kamp opgesloten. Het volk trok niet verder voordat Mirjam was opgenomen. Brontekst: וַתִּסָּגֵ֥ר (vatisager) = en werd opgesloten | מִרְיָ֛ם (miryam) = Mirjam | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֖ה (lamachane) = het kamp | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וְהָעָם֙ (vehaam) = en het volk | לֹ֣א (lo) = niet | נָסַ֔ע (nasa) = trok verder | עַד (ad) = tot | הֵאָסֵ֖ף (heasef) = het opnemen van | מִרְיָֽם (miryam) = Mirjam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 24:8–9; Mi 6:4; Mi 7:8–9; Hab 3:2; Klaagl 3:32 **12:16** Daarna trok het volk verder van Chaserot, en zij legerden zich in de woestijn Paran. Brontekst: וְאַחַ֛ר (veachar) = en daarna | נָסְע֥וּ (naseu) = trokken verder | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מֵחֲצֵר֑וֹת (mechatserot) = van Chaserot | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּמִדְבַּ֥ר (bemidbar) = in de woestijn van | פָּארָֽן (paran) = Paran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chaserot: de ligging is onzeker (zie Num. 11:35). Paran is de woestijn ten noorden van het Sinaïschiereiland. Zie ook: Gen 21:21; Num 10:12; Num 11:35; Num 33:18; 1 Sam 25:1 ## Numeri 13 _De twaalf verkenners_ ### Het bevel om het land te verkennen **13:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:2** **„Stuur mannen om het land Kanaän te verkennen, dat Ik aan de zonen van Israël geef. Stuur uit elke stam van hun vaderen één man; het moet telkens een leider onder hen zijn.”** Brontekst: שְׁלַח (shelach) = zend | לְךָ֣ (lekha) = voor jou | אֲנָשִׁ֗ים (anashim) = mannen | וְיָתֻ֨רוּ֙ (veyaturu) = opdat zij verkennen | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | נֹתֵ֖ן (noten) = geef | לִבְנֵ֣י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶחָד֩ (echad) = één | אִ֨ישׁ (ish) = man | אֶחָ֜ד (echad) = één | לְמַטֵּ֤ה (lemate) = voor de stam van | אֲבֹתָיו֙ (avotav) = zijn vaderen | תִּשְׁלָ֔חוּ (tishlachu) = jullie zullen zenden | כֹּ֖ל (kol) = elke | נָשִׂ֥יא (nasi) = leider | בָהֶֽם (bahem) = onder hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: תּוּר (tur), ‘verkennen’: spiedend rondgaan en onderzoeken. Hetzelfde werkwoord staat in de verzen 16, 17, 21, 25, 32. Volgens Deut. 1:22–23 vroeg het volk hierom en vond Mozes het goed; hier geeft Yahweh het bevel. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat שְׁלַח־לְךָ (shelach lecha), ‘stuur voor jezelf’. Wij vertalen ‘stuur’. Zie ook: Num 1:4; Num 32:8; Num 34:18; Deut 1:22–25; Joz 2:1–24 **13:3** Mozes stuurde hen vanuit de woestijn Paran op bevel van Yahweh. Zij waren allemaal mannen, hoofden van de zonen van Israël. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en hij zond | אֹתָ֥ם (otam) = hen | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | מִמִּדְבַּ֥ר (mimidbar) = uit de woestijn van | פָּארָ֖ן (paran) = Paran | עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = bevel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כֻּלָּ֣ם (kulam) = zij allen | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | רָאשֵׁ֥י (rashei) = hoofden van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Paran ligt in het midden en noorden van het Sinaïschiereiland en in de Negev (Num. 10:12). Kades (vers 26) ligt aan de noordrand ervan. Voetnoot Uitleg: עַל־פִּי (al-pi), ‘op bevel van’: letterlijk ‘op de mond van’. Zie ook: Num 10:12; Num 12:16; Num 13:26; Num 32:8; Deut 1:19; Deut 1:23; Deut 9:23 ### De namen van de verkenners **13:4** Dit zijn hun namen: uit de stam Ruben: Sjammua, de zoon van Zakkur. Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit zijn | שְׁמוֹתָ֑ם (shemotam) = hun namen | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | שַׁמּ֖וּעַ (shamua) = Sjammua | בֶּן (ben) = zoon van | זַכּֽוּר (zakur) = Zakkur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:5** Uit de stam Simeon: Sjafat, de zoon van Chori. Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | שִׁמְע֔וֹן (shimon) = Simeon | שָׁפָ֖ט (shafat) = Sjafat | בֶּן (ben) = zoon van | חוֹרִֽי (chori) = Chori Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:6** Uit de stam Juda: Kaleb, de zoon van Jefunne. Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | כָּלֵ֖ב (kalev) = Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּֽה (yefune) = Jefunne Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kaleb was de leider van de stam Juda. Hij wordt ook ‘de Kenizziet’ genoemd (Num. 32:12; Joz. 14:6). Zie ook: Num 13:30; Num 14:6; Num 14:30; Num 32:12; Num 34:19; Joz 14:6–15 **13:7** Uit de stam Issachar: Jigal, de zoon van Jozef. Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | יִשָּׂשכָ֔ר (yisashkhar) = Issachar | יִגְאָ֖ל (yigal) = Jigal | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹסֵֽף (yosef) = Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:8** Uit de stam Efraïm: Hosea, de zoon van Nun. Brontekst: לְמַטֵּ֥ה (lemate) = voor de stam van | אֶפְרָ֖יִם (efrayim) = Efraïm | הוֹשֵׁ֥עַ (hoshea) = Hosea | בִּן (bin) = zoon van | נֽוּן (nun) = Nun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 17:9–13; Ex 24:13; Num 11:28; Deut 31:7–8; Deut 31:23 **13:9** Uit de stam Benjamin: Palti, de zoon van Rafu. Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | פַּלְטִ֖י (palti) = Palti | בֶּן (ben) = zoon van | רָפֽוּא (rafu) = Rafu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:10** Uit de stam Zebulon: Gaddiël, de zoon van Sodi. Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | זְבוּלֻ֔ן (zevulun) = Zebulon | גַּדִּיאֵ֖ל (gadiel) = Gaddiël | בֶּן (ben) = zoon van | סוֹדִֽי (sodi) = Sodi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:11** Uit de stam Jozef, uit de stam Manasse: Gaddi, de zoon van Susi. Brontekst: לְמַטֵּ֥ה (lemate) = voor de stam van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | גַּדִּ֖י (gadi) = Gaddi | בֶּן (ben) = zoon van | סוּסִֽי (susi) = Susi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staan hier twee stamnamen na elkaar: ‘voor de stam van Jozef, voor de stam van Manasse’. Manasse is een van de twee stammen die van Jozef afstammen (Gen. 48:5). Efraïm in vers 8 is de andere. Zie ook: Gen 48:5; Num 13:8 **13:12** Uit de stam Dan: Ammiël, de zoon van Gemalli. Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | דָ֔ן (dan) = Dan | עַמִּיאֵ֖ל (amiel) = Ammiël | בֶּן (ben) = zoon van | גְּמַלִּֽי (gemali) = Gemalli Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:13** Uit de stam Aser: Sethur, de zoon van Michaël. Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | אָשֵׁ֔ר (asher) = Aser | סְת֖וּר (setur) = Sethur | בֶּן (ben) = zoon van | מִיכָאֵֽל (mikhael) = Michaël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:14** Uit de stam Naftali: Nachbi, de zoon van Vofsi. Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | נַפְתָּלִ֔י (naftali) = Naftali | נַחְבִּ֖י (nachbi) = Nachbi | בֶּן (ben) = zoon van | וָפְסִֽי (vafesi) = Vofsi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:15** Uit de stam Gad: Geüel, de zoon van Machi. Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | גָ֔ד (gad) = Gad | גְּאוּאֵ֖ל (geuel) = Geüel | בֶּן (ben) = zoon van | מָכִֽי (makhi) = Machi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:16** Dit zijn de namen van de mannen die Mozes stuurde om het land te verkennen. Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn | שְׁמ֣וֹת (shemot) = de namen van | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁלַ֥ח (shalach) = hij zond | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לָת֣וּר (latur) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | לְהוֹשֵׁ֥עַ (lehoshea) = Hosea | בִּן (bin) = zoon van | נ֖וּן (nun) = Nun | יְהוֹשֻֽׁעַ (yehoshua) = Jozua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹשֻׁעַ (Jehoshua), ‘Yahweh redt’: de nieuwe naam van הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘hij redt’. Jozua is dezelfde naam als Yeshua (Neh. 8:17). Zie ook: Ex 17:9; Num 13:8; Deut 32:44; Neh 8:17; Mat 1:21–23; Hand 7:45 ### De opdracht van Mozes **13:17** Mozes stuurde hen om het land Kanaän te verkennen. Hij zei tegen hen: „Trek hierlangs door de Negev omhoog en ga het bergland op. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en hij zond | אֹתָם֙ (otam) = hen | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לָת֖וּר (latur) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | עֲל֥וּ (alu) = trek omhoog | זֶה֙ (ze) = hierlangs | בַּנֶּ֔גֶב (banegev) = door de Negev | וַעֲלִיתֶ֖ם (vaalitem) = en jullie zullen omhoog gaan | אֶת (et) = (obj.) | הָהָֽר (hahar) = het bergland Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Negev is het droge zuiden van Kanaän; het woord betekent ook ‘zuiden’. Het bergland (הָהָר, hahar) ligt daarboven, in het midden van het land (vers 29). Zie ook: Gen 12:9; Gen 13:1; Num 13:29; Joz 15:3; Re 1:9; Re 1:19 **13:18** Bekijk het land: hoe is het? Bekijk ook het volk dat erin woont: is het sterk of zwak, zijn het er weinig of veel? Brontekst: וּרְאִיתֶ֥ם (ureitem) = en jullie zullen zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | מַה (ma) = hoe | הִ֑וא (hi) = het is | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעָם֙ (haam) = het volk | הַיֹּשֵׁ֣ב (hayoshev) = dat woont | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erop | הֶחָזָ֥ק (hechazaq) = is het sterk | הוּא֙ (hu) = het | הֲרָפֶ֔ה (harafe) = of zwak | הַמְעַ֥ט (hamat) = weinig | ה֖וּא (hu) = het | אִם (im) = of | רָֽב (rav) = veel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:8; Ezech 34:14 **13:19** Hoe is het land waarin het volk woont: goed of slecht? Hoe zijn de steden waarin het woont: zijn het kampen of versterkte steden? Brontekst: וּמָ֣ה (uma) = en hoe | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = waarin | הוּא֙ (hu) = het volk | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = woont | בָּ֔הּ (bah) = erin | הֲטוֹבָ֥ה (hatova) = goed | הִ֖וא (hi) = het is | אִם (im) = of | רָעָ֑ה (raa) = slecht | וּמָ֣ה (uma) = en hoe | הֶֽעָרִ֗ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁר (asher) = waarin | הוּא֙ (hu) = het | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = woont | בָּהֵ֔נָּה (bahena) = erin | הַבְּמַֽחֲנִ֖ים (habemachanim) = in kampen | אִ֥ם (im) = of | בְּמִבְצָרִֽים (bemivtsarim) = in versterkte steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:20** Hoe is het land: vruchtbaar of schraal? Staan er bomen of niet? Houd moed en neem iets mee van de vrucht van het land.” Het was de tijd van de eerstelingen van de druiven. Brontekst: וּמָ֣ה (uma) = en hoe | הָ֠אָרֶץ (haarets) = het land | הַשְּׁמֵנָ֨ה (hashemena) = vruchtbaar | הִ֜וא (hi) = het is | אִם (im) = of | רָזָ֗ה (raza) = schraal | הֲיֵֽשׁ (hayesh) = is er | בָּ֥הּ (bah) = erin | עֵץ֙ (ets) = bomen | אִם (im) = of | אַ֔יִן (ayin) = niet | וְהִ֨תְחַזַּקְתֶּ֔ם (vehitchazaqtem) = en houd moed | וּלְקַחְתֶּ֖ם (uleqachtem) = en neem | מִפְּרִ֣י (miperi) = van de vrucht van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְהַ֨יָּמִ֔ים (vehayamim) = en de dagen | יְמֵ֖י (yemei) = dagen van | בִּכּוּרֵ֥י (bikurei) = eerstelingen van | עֲנָבִֽים (anavim) = druiven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמֵנָה (shemenah) is letterlijk ‘vet’ en רָזָה (razah) ‘mager’. Wij vertalen ‘vruchtbaar’ en ‘schraal’. Voetnoot : בִּכּוּרֵי עֲנָבִים (bikkurei anavim), ‘eerstelingen van de druiven’: de eerste rijpe druiven, ongeveer in juli en augustus. Zie ook: Deut 31:6–8; Deut 31:23; Ezech 34:14; Neh 9:25; Neh 9:35 ### De verkenning van het land **13:21** Zij trokken omhoog en verkenden het land, van de woestijn Zin tot Rechov, bij de ingang van Chamat. Brontekst: וַֽיַּעֲל֖וּ (vayaalu) = en zij trokken omhoog | וַיָּתֻ֣רוּ (vayaturu) = en zij verkenden | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | מִמִּדְבַּר (mimidbar) = van de woestijn van | צִ֥ן (tsin) = Zin | עַד (ad) = tot | רְחֹ֖ב (rechov) = Rechov | לְבֹ֥א (levo) = bij de ingang van | חֲמָֽת (chamat) = Chamat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Zin ligt in het zuiden van Kanaän, bij Kades (Num. 20:1; 34:3–4). Zij is niet dezelfde als de woestijn Sin (Exod. 16:1). Rechov ligt in het noorden, waarschijnlijk bij Beth-Rechov bij Dan (Richt. 18:28). Chamat ligt in Syrië, bij het huidige Hama. De ligging van Rechov is niet zeker. Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades. De grenzen zijn niet precies bekend. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: לְבֹא חֲמָת (levo Chamat), ‘bij de ingang van Chamat’: de noordgrens van het land (Num. 34:8). Het kan ook de plaatsnaam Lebo-Chamat zijn. Zie ook: Ex 16:1; Num 20:1; Num 27:14; Num 33:36; Num 34:3; Num 34:8; Joz 13:5; Joz 15:1; Re 18:28 **13:22** Zij trokken omhoog door de Negev en kwamen bij Hebron. Daar waren Achiman, Sjesai en Talmai, de nakomelingen van Anak. Hebron was zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte. Brontekst: וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en zij trokken omhoog | בַנֶּגֶב֮ (banegev) = door de Negev | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en hij kwam | עַד (ad) = tot | חֶבְרוֹן֒ (chevron) = Hebron | וְשָׁ֤ם (vesham) = en daar | אֲחִימַן֙ (achiman) = Achiman | שֵׁשַׁ֣י (sheshay) = Sjesai | וְתַלְמַ֔י (vetalmay) = en Talmai | יְלִידֵ֖י (yelidei) = nakomelingen van | הָעֲנָ֑ק (haanaq) = Anak | וְחֶבְר֗וֹן (vechevron) = en Hebron | שֶׁ֤בַע (sheva) = zeven | שָׁנִים֙ (shanim) = jaren | נִבְנְתָ֔ה (nivneta) = was gebouwd | לִפְנֵ֖י (lifnei) = vóór | צֹ֥עַן (tsoan) = Soan | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem, in het huidige Hebron (Palestijnse gebieden). Soan (Tanis) ligt in het noordoosten van de Nijldelta in Egypte. Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: עֲנָק (Anak): de ‘zonen van Anak’ heten later de Anakieten (Deut. 9:2; Joz. 15:14). Hebron heette vroeger Kirjat-Arba (Gen. 23:2). Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat het enkelvoud: ‘en hij kwam tot Hebron’. Wij vertalen ‘kwamen’, omdat het over alle verkenners gaat. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 13:10–12 bevestigt dat Hebron zeven jaar vóór Tanis werd gebouwd. Zie ook: Gen 23:2; Jub 13:10–12; Deut 9:2; Joz 11:21–22; Joz 15:13–14; Joz 15:14; Ps 78:12; Ps 78:43; Jes 19:11 **13:23** Zij kwamen bij het dal Eskol. Daar sneden zij een rank af met één tros druiven eraan. Met z'n tweeën droegen zij die aan een draagstok. Ook namen zij granaatappels en vijgen mee. Brontekst: וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עַד (ad) = tot | נַ֣חַל (nachal) = het dal van | אֶשְׁכֹּ֗ל (eshkol) = Eskol | וַיִּכְרְת֨וּ (vayikhretu) = en zij sneden af | מִשָּׁ֤ם (misham) = vandaar | זְמוֹרָה֙ (zemora) = een rank | וְאֶשְׁכּ֤וֹל (veeshkol) = en een tros van | עֲנָבִים֙ (anavim) = druiven | אֶחָ֔ד (echad) = één | וַיִּשָּׂאֻ֥הוּ (vayisauhu) = en zij droegen hem | בַמּ֖וֹט (bamot) = aan een draagstok | בִּשְׁנָ֑יִם (bishnayim) = met z'n tweeën | וּמִן (umin) = en van | הָרִמֹּנִ֖ים (harimonim) = de granaatappels | וּמִן (umin) = en van | הַתְּאֵנִֽים (hateenim) = de vijgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van het dal Eskol (נַחַל אֶשְׁכֹּל, nachal Eshkol) is niet zeker. Het lag in de buurt van Hebron. Voetnoot Uitleg: אֶשְׁכּוֹל (eshkol), ‘tros’: het dal heeft zijn naam van de tros druiven (vers 24). מוֹט (mot), ‘draagstok’: een stok die twee mannen op hun schouders dragen. Zie ook: Num 13:24; Num 32:9; Deut 1:24–25; Re 16:4 **13:24** Die plaats werd het dal Eskol genoemd, vanwege de tros die de zonen van Israël daar hadden afgesneden. Brontekst: לַמָּק֣וֹם (lamaqom) = naar de plaats | הַה֔וּא (hahu) = die | קָרָ֖א (qara) = men noemde | נַ֣חַל (nachal) = dal van | אֶשְׁכּ֑וֹל (eshkol) = Eskol | עַ֚ל (al) = op | אֹד֣וֹת (odot) = rekening van | הָֽאֶשְׁכּ֔וֹל (haeshkol) = de tros | אֲשֶׁר (asher) = die | כָּרְת֥וּ (karetu) = zij afsneden | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eskol: Het dal Eskol lag bij Hebron, in het bergland van Juda. De precieze plaats is niet zeker. **13:25** Na veertig dagen kwamen zij terug van het verkennen van het land. Brontekst: וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | מִתּ֣וּר (mitur) = van het verkennen van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | מִקֵּ֖ץ (miqets) = na verloop van | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | יֽוֹם (yom) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 24:18; Ex 34:28; Num 14:33–34 ### Het verslag in Kades **13:26** Zij gingen naar Mozes, Aäron en heel de gemeenschap van de zonen van Israël, naar de woestijn Paran, naar Kades. Zij brachten hun en heel de gemeenschap verslag uit en lieten hun de vrucht van het land zien. Brontekst: וַיֵּלְכ֡וּ (vayelekhu) = en zij gingen | וַיָּבֹאוּ֩ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en naar | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | וְאֶל (veel) = en naar | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֧ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | מִדְבַּ֥ר (midbar) = de woestijn van | פָּארָ֖ן (paran) = Paran | קָדֵ֑שָׁה (qadesha) = naar Kades | וַיָּשִׁ֨יבוּ (vayashivu) = en zij brachten terug | אוֹתָ֤ם (otam) = hun | דָּבָר֙ (davar) = bericht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | וַיַּרְא֖וּם (vayarum) = en zij lieten hen zien | אֶת (et) = (obj.) | פְּרִ֥י (peri) = de vrucht van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van het Sinaïschiereiland, bij de huidige bron Ain Qudeirat, ten zuiden van de Negev (Num. 32:8; 34:4). Hier ligt Kades in de woestijn Paran; elders ligt het in de woestijn Zin (Num. 20:1; 33:36). De twee woestijnen grenzen daar aan elkaar. Zie ook: Num 20:1; Num 20:16; Num 32:8; Num 33:36; Num 34:4; Deut 1:19 **13:27** Zij vertelden hem: „We zijn in het land gekomen waar u ons naartoe gestuurd hebt. Het is ook echt een land dat overvloeit van melk en honing, en dit is zijn vrucht. Brontekst: וַיְסַפְּרוּ (vaysaperu) = en zij vertelden | לוֹ֙ (lo) = hem | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | בָּ֕אנוּ (banu) = wij zijn gekomen | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | שְׁלַחְתָּ֑נוּ (shelachtanu) = u ons zond | וְ֠גַם (vegam) = en ook | זָבַ֨ת (zavat) = overvloeiend van | חָלָ֥ב (chalav) = melk | וּדְבַ֛שׁ (udevash) = en honing | הִ֖וא (hi) = het | וְזֶה (veze) = en dit | פִּרְיָֽהּ (piryah) = zijn vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ (zavat chalav udvash), ‘overvloeiend van melk en honing’: dezelfde woorden als in Exod. 3:8 en 33:3. Zie ook: Ex 3:8; Ex 3:17; Ex 13:5; Ex 33:3; Deut 26:9 **13:28** Maar het volk dat in het land woont, is sterk. De steden zijn versterkt en zeer groot. We hebben daar ook de nakomelingen van Anak gezien. Brontekst: אֶ֚פֶס (efes) = maar | כִּֽי (ki) = dat | עַ֣ז (az) = sterk | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הַיֹּשֵׁ֖ב (hayoshev) = dat woont | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | וְהֶֽעָרִ֗ים (vehearim) = en de steden | בְּצֻר֤וֹת (betsurot) = versterkt | גְּדֹלֹת֙ (gedolot) = groot | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וְגַם (vegam) = en ook | יְלִדֵ֥י (yelidei) = nakomelingen van | הָֽעֲנָ֖ק (haanaq) = Anak | רָאִ֥ינוּ (rainu) = wij zagen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:33; Deut 1:28; Deut 9:1–2; Joz 11:22; Joz 15:14 **13:29** Amalek woont in het land van de Negev. De Hethieten, de Jebusieten en de Amorieten wonen in het bergland. De Kanaänieten wonen aan de zee en langs de Jordaan.” Brontekst: עֲמָלֵ֥ק (amaleq) = Amalek | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = woont | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | הַנֶּ֑גֶב (hanegev) = de Negev | וְ֠הַֽחִתִּי (vehachiti) = en de Hethiet | וְהַיְבוּסִ֤י (vehayvusi) = en de Jebusiet | וְהָֽאֱמֹרִי֙ (vehaemori) = en de Amoriet | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = woont | בָּהָ֔ר (bahar) = in het bergland | וְהַֽכְּנַעֲנִי֙ (vehakenaani) = en de Kanaäniet | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = woont | עַל (al) = aan | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | וְעַ֖ל (veal) = en aan | יַ֥ד (yad) = de oever van | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Amalek is het volk dat Israël aanviel in Refidim (Exod. 17:8). De Hethieten, Jebusieten en Amorieten horen bij de volken van Exod. 3:8. Zie ook: Ex 3:8; Ex 17:8–16; Num 14:43; Num 24:20; Re 6:3; Ps 83:8 ### Kaleb tegenover de andere verkenners **13:30** Kaleb bracht het volk bij Mozes tot zwijgen en zei: „We moeten er zeker heen trekken en het in bezit nemen. Want we kunnen het zeker aan.” Brontekst: וַיַּ֧הַס (vayahas) = en hij bracht tot zwijgen | כָּלֵ֛ב (kalev) = Kaleb | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶל (el) = bij | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | עָלֹ֤ה (alo) = omhoog | נַעֲלֶה֙ (naale) = wij zullen trekken | וְיָרַ֣שְׁנוּ (veyarashnu) = en wij zullen in bezit nemen | אֹתָ֔הּ (otah) = het | כִּֽי (ki) = want | יָכ֥וֹל (yakhol) = zeker kunnen | נוּכַ֖ל (nukhal) = wij zullen kunnen | לָֽהּ (lah) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּהַס (vayahas), ‘hij bracht tot zwijgen’: hij maakte het stil, zodat Mozes gehoord kon worden. Zie ook: Num 14:6–9; Num 14:24; Ps 60:14; Rom 8:31; Fil 4:13 **13:31** Maar de mannen die met hem omhoog waren gegaan, zeiden: „We kunnen niet optrekken tegen dat volk, want het is sterker dan wij.” Brontekst: וְהָ֨אֲנָשִׁ֜ים (vehaanashim) = en de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | עָל֤וּ (alu) = omhoog waren gegaan | עִמּוֹ֙ (imo) = met hem | אָֽמְר֔וּ (ameru) = zeiden | לֹ֥א (lo) = niet | נוּכַ֖ל (nukhal) = wij kunnen | לַעֲל֣וֹת (laalot) = omhoog te trekken | אֶל (el) = tegen | הָעָ֑ם (haam) = het volk | כִּֽי (ki) = want | חָזָ֥ק (chazaq) = sterk | ה֖וּא (hu) = het is | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = dan wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:9; Deut 1:28; Deut 9:1; Joz 14:8; Heb 3:19 **13:32** Zij verspreidden onder de zonen van Israël een gerucht over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden: „Het land waar wij doorheen zijn getrokken om het te verkennen, is een land dat zijn bewoners opeet. Alle mensen die wij daar gezien hebben, zijn mannen van enorm formaat. Brontekst: וַיּוֹצִ֜יאוּ (vayotsiu) = en zij brachten uit | דִּבַּ֤ת (dibat) = een gerucht over | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תָּר֣וּ (taru) = zij verkenden | אֹתָ֔הּ (otah) = het | אֶל (el) = onder | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הָאָ֡רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | עָבַ֨רְנוּ (avarnu) = wij doortrokken | בָ֜הּ (bah) = erin | לָת֣וּר (latur) = om te verkennen | אֹתָ֗הּ (otah) = het | אֶ֣רֶץ (erets) = een land dat | אֹכֶ֤לֶת (okhelet) = opeet | יוֹשְׁבֶ֨יהָ֙ (yosheveiha) = zijn bewoners | הִ֔וא (hi) = het is | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֛ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | רָאִ֥ינוּ (rainu) = wij zagen | בְתוֹכָ֖הּ (betokhah) = in het midden ervan | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | מִדּֽוֹת (midot) = maten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבָּה (dibbah), ‘gerucht’: een bericht dat andere mensen tegen het land opzet. In Num. 14:37 staat erbij dat het ‘kwaad’ (רָעָה, ra’ah) was; hetzelfde woord staat met ‘kwaad’ in Gen. 37:2. Voetnoot : אֹכֶלֶת יוֹשְׁבֶיהָ (ocheleth yoshveha), ‘dat zijn bewoners opeet’: een land waar de bewoners door oorlog of ziekte omkomen. Wat bedoeld wordt, staat er niet bij. Voetnoot : אַנְשֵׁי מִדּוֹת (anshei middot), ‘mannen van maten’: mannen van grote gestalte. Wij vertalen ‘mannen van enorm formaat’. Zie ook: Gen 37:2; Num 14:36–37; Num 14:37; Deut 1:28; Amos 2:9; Ezech 36:13–14; Mat 23:13 **13:33** Daar hebben we ook de Nefilim gezien, de zonen van Anak, die van de Nefilim afstammen. In onze eigen ogen waren we als sprinkhanen, en zo waren we ook in hun ogen.” Brontekst: וְשָׁ֣ם (vesham) = en daar | רָאִ֗ינוּ (rainu) = wij zagen | אֶת (et) = (obj.) | הַנְּפִילִ֛ים (hanefilim) = de Nefilim | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עֲנָ֖ק (anaq) = Anak | מִן (min) = van | הַנְּפִלִ֑ים (hanefilim) = de Nefilim | וַנְּהִ֤י (vanehi) = en wij waren | בְעֵינֵ֨ינוּ֙ (beeineinu) = in onze ogen | כַּֽחֲגָבִ֔ים (kachagavim) = als sprinkhanen | וְכֵ֥ן (vekhen) = en zo | הָיִ֖ינוּ (hayinu) = wij waren | בְּעֵינֵיהֶֽם (beeineihem) = in hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּפִלִים (hannefilim), ‘de Nefilim’: zie Gen. 6:4. Het Hebreeuws zegt dat de Anakieten ‘van de Nefilim’ zijn. Wij vertalen ‘die van de Nefilim afstammen’. Dit is wat de verkenners zeggen; of het ook waar was, laat de tekst open. Voetnoot : כַּחֲגָבִים (kachagavim), ‘als sprinkhanen’: heel klein. Zie ook: Gen 6:4; Deut 1:28; Deut 9:2; 1 Sam 17:42; Jes 40:22 ## Numeri 14 _Het volk komt in opstand en Yahweh spreekt het vonnis uit_ ### Het volk wil terug naar Egypte **14:1** Heel de gemeenschap verhief haar stem en liet die horen. Het volk huilde die nacht. Brontekst: וַתִּשָּׂא֙ (vatisa) = en verhief | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | וַֽיִּתְּנ֖וּ (vayitenu) = en zij gaven | אֶת (et) = (obj.) | קוֹלָ֑ם (qolam) = hun stem | וַיִּבְכּ֥וּ (vayivku) = en zij weenden | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בַּלַּ֥יְלָה (balayla) = in de nacht | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 11:1–4; Deut 1:45 **14:2** Alle zonen van Israël morden tegen Mozes en Aäron. Heel de gemeenschap zei tegen hen: „Waren we maar gestorven in het land Egypte, of waren we maar gestorven in deze woestijn! Brontekst: וַיִּלֹּ֨נוּ֙ (vayilonu) = en zij morden | עַל (al) = tegen | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְעַֽל (veal) = en tegen | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | כֹּ֖ל (kol) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֲלֵהֶ֜ם (alehem) = tot hen | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָ֗ה (haeda) = de gemeenschap | לוּ (lu) = och | מַ֨תְנוּ֙ (matnu) = waren wij gestorven | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | א֛וֹ (o) = of | בַּמִּדְבָּ֥ר (bamidbar) = in de woestijn | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | לוּ (lu) = och | מָֽתְנוּ (matenu) = waren wij gestorven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לוּן (lun), ‘morren’: klagen tegen iemand. Hetzelfde werkwoord staat in Exod. 15:24 en 17:3 en komt in dit hoofdstuk steeds terug (verzen 27, 29, 36). Zie ook: Ex 15:24; Ex 16:2–3; Ex 17:3; Num 17:6; Fil 2:14–15 **14:3** Waarom brengt Yahweh ons naar dit land? Om door het zwaard te vallen! Onze vrouwen en onze kleintjes zullen een prooi worden. Is het niet beter voor ons om naar Egypte terug te keren?” Brontekst: וְלָמָ֣ה (velama) = en waarom | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | מֵבִ֨יא (mevi) = brengt | אֹתָ֜נוּ (otanu) = ons | אֶל (el) = naar | הָאָ֤רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּאת֙ (hazot) = dit | לִנְפֹּ֣ל (linpol) = om te vallen | בַּחֶ֔רֶב (bacherev) = door het zwaard | נָשֵׁ֥ינוּ (nasheinu) = onze vrouwen | וְטַפֵּ֖נוּ (vetapenu) = en onze kleintjes | יִהְי֣וּ (yihyu) = zullen worden | לָבַ֑ז (lavaz) = tot prooi | הֲל֧וֹא (halo) = is niet | ט֦וֹב (tov) = goed | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | שׁ֥וּב (shuv) = terug te keren | מִצְרָֽיְמָה (mitsrayema) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: טַף (taf), ‘kleintjes’: de kleine kinderen, zoals in Exod. 10:10. Zie ook: Ex 10:10; Num 14:31–32; Ps 78:40; Jer 9:2 **14:4** Zij zeiden tegen elkaar: „Laten we een leider kiezen en naar Egypte teruggaan.” Brontekst: וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = tot | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | נִתְּנָ֥ה (nitena) = laten wij geven | רֹ֖אשׁ (rosh) = een hoofd | וְנָשׁ֥וּבָה (venashuva) = en laten wij terugkeren | מִצְרָֽיְמָה (mitsrayema) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 17:16; Deut 28:68; Neh 9:16–17; Luc 17:32; Hand 7:39 **14:5** Mozes en Aäron wierpen zich op hun gezicht neer voor heel de vergadering van de gemeenschap van de zonen van Israël. Brontekst: וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en viel | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֖ן (veaharon) = en Aäron | עַל (al) = op | פְּנֵיהֶ֑ם (peneihem) = hun gezichten | לִפְנֵ֕י (lifnei) = voor | כָּל (kal) = heel | קְהַ֥ל (qehal) = de vergadering van | עֲדַ֖ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes en Aäron vallen op hun gezicht: zij smeken Yahweh om hulp. Zie ook Num. 16:4. Zie ook: Lev 9:24; Num 16:4; Num 16:22; Num 17:10; 1 Kron 21:16 ### Jozua en Kaleb **14:6** Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, twee van hen die het land verkend hadden, scheurden hun kleren. Brontekst: וִיהוֹשֻׁ֣עַ (vihoshua) = en Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֗וּן (nun) = Nun | וְכָלֵב֙ (vekhalev) = en Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּ֔ה (yefune) = Jefunne | מִן (min) = van | הַתָּרִ֖ים (hatarim) = hen die verkenden | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | קָרְע֖וּ (qareu) = zij scheurden | בִּגְדֵיהֶֽם (bigdeihem) = hun kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kleren scheuren is een teken van diepe droefheid of ontzetting (Gen. 37:34). Zie ook: Gen 37:29; Gen 37:34; Num 13:6; Num 13:30; Num 14:30; Num 14:38 **14:7** Zij zeiden tegen heel de gemeenschap van de zonen van Israël: „Wij zijn door het land getrokken om het te verkennen. Dat land is zeer, zeer goed. Brontekst: וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֥ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עָבַ֤רְנוּ (avarnu) = wij doortrokken | בָהּ֙ (bah) = erin | לָת֣וּר (latur) = om te verkennen | אֹתָ֔הּ (otah) = het | טוֹבָ֥ה (tova) = goed | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | מְאֹ֥ד (meod) = zeer | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:27; Deut 1:25; Deut 6:10–11; Deut 8:7–9 **14:8** Als Yahweh behagen in ons heeft, zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land dat overvloeit van melk en honing. Brontekst: אִם (im) = als | חָפֵ֥ץ (chafets) = Hij behagen heeft | בָּ֨נוּ֙ (banu) = in ons | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהֵבִ֤יא (vehevi) = dan zal Hij brengen | אֹתָ֨נוּ֙ (otanu) = ons | אֶל (el) = naar | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וּנְתָנָ֖הּ (unetanah) = en Hij zal het geven | לָ֑נוּ (lanu) = aan ons | אֶ֕רֶץ (erets) = een land | אֲשֶׁר (asher) = dat | הִ֛וא (hi) = het | זָבַ֥ת (zavat) = overvloeiend van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:27; Deut 10:15; 2 Sam 22:20; Jes 62:4; Rom 8:31 **14:9** Alleen: kom niet in opstand tegen Yahweh. En jullie, wees niet bang voor het volk van het land, want zij zijn ons brood. Hun bescherming is van hen weggenomen en Yahweh is met ons. Wees niet bang voor hen.” Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = alleen | בַּֽיהוָה֮ (baYahweh) = tegen Yahweh | אַל (al) = niet | תִּמְרֹדוּ֒ (timrodu) = jullie mogen in opstand komen | וְאַתֶּ֗ם (veatem) = en jullie | אַל (al) = niet | תִּֽירְאוּ֙ (tireu) = jullie mogen vrezen | אֶת (et) = (obj.) | עַ֣ם (am) = het volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | כִּ֥י (ki) = want | לַחְמֵ֖נוּ (lachmenu) = ons brood | הֵ֑ם (hem) = zij | סָ֣ר (sar) = is weggenomen | צִלָּ֧ם (tsilam) = hun bescherming | מֵעֲלֵיהֶ֛ם (mealeihem) = van hen | וַֽיהוָ֥ה (vaYahweh) = en Yahweh | אִתָּ֖נוּ (itanu) = met ons | אַל (al) = niet | תִּירָאֻֽם (tiraum) = vrees hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַחְמֵנוּ הֵם (lachmenu hem), ‘zij zijn ons brood’: wij zullen hen opeten, dat wil zeggen: wij verslaan hen gemakkelijk. Voetnoot : צִלָּם (tsillam), ‘hun schaduw’: hun bescherming. Wij vertalen ‘bescherming’. Zie ook: Num 24:8; Deut 7:18; Deut 31:6; Ps 74:14; Rom 8:31 **14:10** Heel de gemeenschap zei dat zij hen met stenen moesten stenigen. Maar de heerlijkheid van Yahweh verscheen in de tent van samenkomst aan alle zonen van Israël. Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | לִרְגּ֥וֹם (lirgom) = om te stenigen | אֹתָ֖ם (otam) = hen | בָּאֲבָנִ֑ים (baavanim) = met stenen | וּכְב֣וֹד (ukhevod) = en de heerlijkheid van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | נִרְאָה֙ (nira) = verscheen | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | אֶֽל (el) = aan | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De heerlijkheid van Yahweh (כְּבוֹד יְהוָה, kevod Yahweh) verschijnt in de tent van samenkomst, zoals in Exod. 40:34–35. Zie ook: Ex 16:10; Ex 17:4; Ex 40:34–35; Lev 9:23; Num 16:19; 1 Sam 30:6 ### Yahweh wil het volk treffen **14:11** Yahweh zei tegen Mozes: **„Hoelang zal dit volk Mij nog minachten? Hoelang zullen zij Mij nog niet geloven, ondanks alle tekenen die Ik in hun midden gedaan heb?** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | עַד (ad) = tot | אָ֥נָה (ana) = waar | יְנַאֲצֻ֖נִי (yenaatsuni) = zal minachten Mij | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וְעַד (vead) = en tot | אָ֨נָה֙ (ana) = waar | לֹא (lo) = niet | יַאֲמִ֣ינוּ (yaaminu) = zullen geloven | בִ֔י (bi) = in Mij | בְּכֹל֙ (bekhol) = ondanks alle | הָֽאֹת֔וֹת (haotot) = de tekenen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = Ik deed | בְּקִרְבּֽוֹ (beqirbo) = in zijn midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 9:22–23; Ps 78:22; Ps 78:32; Ps 78:41–42; Ps 106:24 **14:12** **Ik zal hen met de pest slaan en hen onterven. Jou zal Ik tot een volk maken dat groter en machtiger is dan zij.”** Brontekst: אַכֶּ֥נּוּ (akenu) = Ik zal hen slaan | בַדֶּ֖בֶר (badever) = met de pest | וְאוֹרִשֶׁ֑נּוּ (veorishenu) = en Ik zal hen onterven | וְאֶֽעֱשֶׂה֙ (veeese) = en Ik zal maken | אֹֽתְךָ֔ (otekha) = jou | לְגוֹי (legoy) = tot een volk | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | וְעָצ֖וּם (veatsum) = en machtig | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = dan zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאוֹרִשֶׁנּוּ (ve’orishennu), ‘en Ik zal hen onterven’: letterlijk ‘in bezit nemen’; hier betekent het dat zij hun erfdeel kwijtraken. Hetzelfde aanbod aan Mozes staat in Exod. 32:10. Zie ook: Ex 5:3; Ex 32:10; Num 17:11–14; Num 25:9; 2 Sam 24:1 ### Het pleidooi van Mozes **14:13** Mozes zei tegen Yahweh: „De Egyptenaren zullen het horen, want U hebt dit volk met Uw kracht uit hun midden laten optrekken. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְשָׁמְע֣וּ (veshameu) = en zullen horen | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּֽי (ki) = want | הֶעֱלִ֧יתָ (heelita) = U deed optrekken | בְכֹחֲךָ֛ (bekhochakha) = met Uw kracht | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | מִקִּרְבּֽוֹ (miqirbo) = uit zijn midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde reden voor zijn pleidooi had Mozes in Exod. 32:12. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws laat de zin in vers 13–14 doorlopen: ‘Egypte zal horen … en zij zullen zeggen’. Wij splitsen in twee zinnen. Zie ook: Ex 32:11–14; Ex 32:12; Deut 32:27; Joz 7:8–9; Ps 106:23; Ezech 20:9 **14:14** Zij zullen het zeggen tegen de bewoners van dit land. Zij hebben gehoord dat U, Yahweh, in het midden van dit volk bent. U, Yahweh, wordt oog in oog gezien. Uw wolk staat boven hen, en U gaat overdag voor hen uit in een wolkkolom en ’s nachts in een vuurkolom. Brontekst: וְאָמְר֗וּ (veameru) = en zij zullen zeggen | אֶל (el) = tot | יוֹשֵׁב֮ (yoshev) = de bewoner van | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּאת֒ (hazot) = dit | שָֽׁמְעוּ֙ (shameu) = zij hebben gehoord | כִּֽי (ki) = dat | אַתָּ֣ה (ata) = U | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּקֶ֖רֶב (beqerev) = in het midden van | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | אֲשֶׁר (asher) = dat | עַ֨יִן (ayin) = oog | בְּעַ֜יִן (beayin) = in oog | נִרְאָ֣ה (nira) = gezien wordt | אַתָּ֣ה (ata) = U | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַעֲנָֽנְךָ֙ (vaananekha) = en Uw wolk | עֹמֵ֣ד (omed) = staat | עֲלֵהֶ֔ם (alehem) = boven hen | וּבְעַמֻּ֣ד (uveamud) = en in een kolom van | עָנָ֗ן (anan) = wolk | אַתָּ֨ה (ata) = U | הֹלֵ֤ךְ (holekh) = gaat | לִפְנֵיהֶם֙ (lifneihem) = voor hen uit | יוֹמָ֔ם (yomam) = overdag | וּבְעַמּ֥וּד (uveamud) = en in een kolom van | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | לָֽיְלָה (layela) = 's nachts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:21–22; Ex 15:14; Ex 33:11; Deut 5:4; Neh 9:12 **14:15** Als U dit volk als één man doodt, zullen de volken die over U gehoord hebben, zeggen: Brontekst: וְהֵמַתָּ֛ה (vehemata) = en U doodt | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | כְּאִ֣ישׁ (keish) = als man | אֶחָ֑ד (echad) = één | וְאָֽמְרוּ֙ (veameru) = en zullen zeggen | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁמְע֥וּ (shameu) = hoorden | אֶֽת (et) = (obj.) | שִׁמְעֲךָ֖ (shimakha) = het bericht over U | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁמְעֲךָ (shim’akha), ‘het bericht over U’: wat de volken over U gehoord hebben. Zie ook: Re 6:16 **14:16** ‘Omdat Yahweh dit volk niet kon brengen naar het land dat Hij hun gezworen had, heeft Hij hen in de woestijn afgeslacht.’ Brontekst: מִבִּלְתִּ֞י (mibilti) = omdat niet | יְכֹ֣לֶת (yekholet) = in staat was | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לְהָבִיא֙ (lehavi) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֣ע (nishba) = Hij zwoer | לָהֶ֑ם (lahem) = hun | וַיִּשְׁחָטֵ֖ם (vayishchatem) = en Hij slachtte hen | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 9:28; Deut 32:26–27; Joz 7:7; Joz 7:9 **14:17** En nu, laat Uw kracht, mijn Heer, toch groot worden, zoals U gesproken hebt: Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | יִגְדַּל (yigdal) = laat groot worden | נָ֖א (na) = toch | כֹּ֣חַ (koach) = de kracht van | אֲדֹנָ֑י (adonay) = mijn Heer | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבַּ֖רְתָּ (dibarta) = U sprak | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, is hier de aanspreking van Yahweh. Zie ook: Mi 3:8; Mat 9:6; Mat 9:8 **14:18** **‘Yahweh is langzaam tot toorn en rijk aan trouw. Hij vergeeft schuld en overtreding, maar Hij houdt de schuldige niet onschuldig. Hij bezoekt de schuld van vaders aan kinderen, aan het derde en het vierde geslacht.’** Brontekst: יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶ֤רֶךְ (erekh) = langzaam tot | אַפַּ֨יִם֙ (apayim) = toorn | וְרַב (verav) = en rijk aan | חֶ֔סֶד (chesed) = trouw | נֹשֵׂ֥א (nose) = vergevend | עָוֺ֖ן (avon) = schuld | וָפָ֑שַׁע (vafasha) = en overtreding | וְנַקֵּה֙ (venaqe) = en onschuldig houden | לֹ֣א (lo) = niet | יְנַקֶּ֔ה (yenaqe) = Hij houdt onschuldig | פֹּקֵ֞ד (poqed) = bezoekend | עֲוֺ֤ן (avon) = schuld van | אָבוֹת֙ (avot) = vaders | עַל (al) = aan | בָּנִ֔ים (banim) = kinderen | עַל (al) = tot | שִׁלֵּשִׁ֖ים (shileshim) = het derde geslacht | וְעַל (veal) = en tot | רִבֵּעִֽים (ribeim) = het vierde geslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes haalt de woorden van Yahweh zelf aan uit Exod. 34:6–7; daarom staan ze rood, zoals daar. Voetnoot : נֹשֵׂא (nose), letterlijk ‘dragend’: wij vertalen ‘vergeeft’, zoals in Exod. 34:7. Zie ook: Ex 20:5; Ex 34:6–7; Ex 34:7; Ps 145:8; Jona 4:2; Nah 1:2–3 **14:19** Vergeef toch de schuld van dit volk, naar de grootte van Uw trouw, zoals U dit volk vergeven hebt van Egypte tot nu toe.” Brontekst: סְלַֽח (selach) = vergeef | נָ֗א (na) = toch | לַעֲוֺ֛ן (laavon) = de schuld van | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | כְּגֹ֣דֶל (kegodel) = naar de grootte van | חַסְדֶּ֑ךָ (chasdekha) = Uw trouw | וְכַאֲשֶׁ֤ר (vekhaasher) = en zoals | נָשָׂ֨אתָה֙ (nasata) = U hebt vergeven | לָעָ֣ם (laam) = aan dit volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | מִמִּצְרַ֖יִם (mimitsrayim) = van Egypte | וְעַד (vead) = en tot | הֵֽנָּה (hena) = nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: סְלַח (selach), ‘vergeef’, en נָשָׂאתָה (nasata), letterlijk ‘U hebt gedragen’: bij schuld betekenen beide ‘vergeven’. Wij vertalen beide met ‘vergeven’. Zie ook: Ex 32:32; Ex 34:9; Ps 51:3–4; Ps 78:38; Ps 106:45 ### Yahweh vergeeft en spreekt het vonnis uit **14:20** Yahweh zei: **„Ik heb vergeven, zoals je gezegd hebt.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | סָלַ֖חְתִּי (salachti) = Ik heb vergeven | כִּדְבָרֶֽךָ (kidvarekha) = naar Uw woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 106:23; Mi 7:18–20; Jak 5:16 **14:21** **Maar zo waar Ik leef: heel de aarde zal vervuld worden van de heerlijkheid van Yahweh.** Brontekst: וְאוּלָ֖ם (veulam) = en toch | חַי (chay) = levend | אָ֑נִי (ani) = Ik | וְיִמָּלֵ֥א (veyimale) = en zal vervuld worden | כְבוֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh. Dat de aarde vol van Zijn heerlijkheid wordt, staat ook in Ps. 72:19 en Jes. 6:3. Zie ook: Deut 32:40; Ps 72:19; Jes 6:3; Jes 49:18; Hab 2:14 **14:22** **Want al die mannen hebben Mijn heerlijkheid gezien en Mijn tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb. Zij hebben Mij nu al tien keer op de proef gesteld en niet naar Mijn stem geluisterd.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כָל (kal) = alle | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | הָרֹאִ֤ים (haroim) = die zagen | אֶת (et) = (obj.) | כְּבֹדִי֙ (kevodi) = Mijn heerlijkheid | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹ֣תֹתַ֔י (ototay) = Mijn tekenen | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשִׂ֥יתִי (asiti) = Ik deed | בְמִצְרַ֖יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וּבַמִּדְבָּ֑ר (uvamidbar) = en in de woestijn | וַיְנַסּ֣וּ (vaynasu) = en zij stelden op de proef | אֹתִ֗י (oti) = Mij | זֶ֚ה (ze) = dit | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | פְּעָמִ֔ים (peamim) = keer | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = zij luisterden | בְּקוֹלִֽי (beqoli) = naar Mijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: ‘Tien keer’ (עֶשֶׂר פְּעָמִים, eser pe’amim) kan een precies aantal zijn of ‘heel vaak’. Wij laten het getal staan. Zie ook: Gen 31:7; Job 19:3; Ex 32:1; Deut 1:31–35; Heb 3:17–18 **14:23** **Het land dat Ik hun vaderen gezworen heb, zullen zij zeker niet zien. Niemand van hen die Mij minachten, zal het zien.** Brontekst: אִם (im) = zeker niet | יִרְאוּ֙ (yiru) = zullen zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֖עְתִּי (nishbati) = Ik zwoer | לַאֲבֹתָ֑ם (laavotam) = hun vaderen | וְכָל (vekhal) = en alle | מְנַאֲצַ֖י (menaatsay) = die Mij minachten | לֹ֥א (lo) = niet | יִרְאֽוּהָ (yiruha) = zullen het zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 26:64; Num 32:11; Deut 1:35–45; Ezech 20:15; Heb 3:17–18 **14:24** **Maar Mijn dienaar Kaleb: er is een andere geest met hem en hij heeft Mij volledig gevolgd. Daarom zal Ik hem brengen naar het land waar hij heen gegaan is. Zijn nageslacht zal het in bezit nemen.** Brontekst: וְעַבְדִּ֣י (veavdi) = en Mijn dienaar | כָלֵ֗ב (kalev) = Kaleb | עֵ֣קֶב (eqev) = omdat | הָֽיְתָ֞ה (hayeta) = was | ר֤וּחַ (ruach) = een geest | אַחֶ֨רֶת֙ (acheret) = andere | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וַיְמַלֵּ֖א (vaymale) = en hij volgde volledig | אַחֲרָ֑י (acharay) = achter Mij | וַהֲבִֽיאֹתִ֗יו (vahaviotiv) = en Ik zal hem brengen | אֶל (el) = naar | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = waar | בָּ֣א (ba) = hij kwam | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | וְזַרְע֖וֹ (vezaro) = en zijn nageslacht | יוֹרִשֶֽׁנָּה (yorishena) = zal het in bezit nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ אַחֶרֶת (ruach acheret), ‘een andere geest’: een andere gezindheid dan die van de anderen. Kaleb kreeg later Hebron (Joz. 14:6–14). Jozua wordt in vers 30 genoemd. Zie ook: Num 14:6–9; Num 14:30; Num 32:11–12; Deut 1:36; Joz 14:6–14; Hand 11:23 **14:25** **De Amalekieten en de Kanaänieten wonen in het dal. Keer morgen om en trek de woestijn in, in de richting van de Rietzee.”** Brontekst: וְהָֽעֲמָלֵקִ֥י (vehaamaleqi) = en de Amalekiet | וְהַֽכְּנַעֲנִ֖י (vehakenaani) = en de Kanaäniet | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = woont | בָּעֵ֑מֶק (baemeq) = in het dal | מָחָ֗ר (machar) = morgen | פְּנ֨וּ (penu) = keer om | וּסְע֥וּ (useu) = en breek op | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | הַמִּדְבָּ֖ר (hamidbar) = naar de woestijn | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = de weg van | יַם (yam) = de zee van | סֽוּף (suf) = riet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De weg naar de Rietzee (יַם סוּף, yam suf) liep vanaf Kades naar het zuiden of zuidoosten, waarschijnlijk naar de Golf van Akaba. De precieze ligging is niet zeker. Zie ook: Num 13:29; Num 14:4; Deut 1:40; Ps 81:12–14; Spr 1:31 ### Veertig jaar in de woestijn **14:26** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:27** **„Hoelang nog moet Ik deze slechte gemeenschap dulden, die tegen Mij morren? Ik heb gehoord hoe de zonen van Israël tegen Mij morren.** Brontekst: עַד (ad) = hoelang | מָתַ֗י (matay) = nog | לָעֵדָ֤ה (laeda) = voor de gemeenschap | הָֽרָעָה֙ (haraa) = slechte | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | הֵ֥מָּה (hema) = zij | מַלִּינִ֖ים (malinim) = morrend | עָלָ֑י (alay) = tegen Mij | אֶת (et) = (obj.) | תְּלֻנּ֞וֹת (telunot) = de klachten van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֵ֧מָּה (hema) = zij | מַלִּינִ֛ים (malinim) = morrend | עָלַ֖י (alay) = tegen Mij | שָׁמָֽעְתִּי (shamati) = Ik heb gehoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord: ‘Hoelang nog voor deze slechte gemeenschap?’ Wij vullen ‘dulden’ aan. Zie ook: Ex 16:12; Ex 16:28; Num 14:11; Mar 9:19; 1 Kor 10:10 **14:28** **Zeg tegen hen: Zo waar Ik leef, spreekt Yahweh: zoals jullie in Mijn oren gesproken hebben, zo zal Ik met jullie doen.** Brontekst: אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | חַי (chay) = levend | אָ֨נִי֙ (ani) = Ik | נְאֻם (neum) = spreekt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = zeker | לֹ֕א (lo) = niet | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבַּרְתֶּ֖ם (dibartem) = jullie spraken | בְּאָזְנָ֑י (beazenay) = in Mijn oren | כֵּ֖ן (ken) = zo | אֶֽעֱשֶׂ֥ה (eese) = Ik zal doen | לָכֶֽם (lakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:2; Num 14:21; Num 26:64–65; Deut 1:35; Heb 3:17 **14:29** **In deze woestijn zullen jullie lijken vallen: al jullie getelden, jullie hele aantal van twintig jaar en ouder, jullie die tegen Mij gemord hebben.** Brontekst: בַּמִּדְבָּ֣ר (bamidbar) = in de woestijn | הַ֠זֶּה (haze) = deze | יִפְּל֨וּ (yipelu) = zullen vallen | פִגְרֵיכֶ֜ם (pigreikhem) = jullie lijken | וְכָל (vekhal) = en al | פְּקֻדֵיכֶם֙ (pequdeikhem) = jullie getelden | לְכָל (lekhal) = naar heel | מִסְפַּרְכֶ֔ם (misparkhem) = jullie aantal | מִבֶּ֛ן (miben) = van een zoon van | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en daarboven | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֲלִֽינֹתֶ֖ם (halinotem) = jullie morden | עָלָֽי (alay) = tegen Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Van twintig jaar en ouder’: de mannen die geteld zijn volgens Num. 1:3. Zie ook: Num 1:3; Num 1:45; Num 26:64; 1 Kor 10:5; Heb 3:17; Jud 1:5 **14:30** **Jullie zullen het land niet binnengaan waarvan Ik Mijn hand heb opgeheven dat Ik jullie daar zou laten wonen. Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.** Brontekst: אִם (im) = zeker niet | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | תָּבֹ֣אוּ (tavou) = zullen binnengaan | אֶל (el) = in | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarvan | נָשָׂ֨אתִי֙ (nasati) = Ik opgeheven heb | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֔י (yadi) = Mijn hand | לְשַׁכֵּ֥ן (leshaken) = om te laten wonen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בָּ֑הּ (bah) = daarin | כִּ֚י (ki) = behalve | אִם (im) = als | כָּלֵ֣ב (kalev) = Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּ֔ה (yefune) = Jefunne | וִיהוֹשֻׁ֖עַ (vihoshua) = en Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נֽוּן (nun) = Nun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Mijn hand opgeheven’ (נָשָׂאתִי אֶת־יָדִי, nasati et-yadi): een eed, zoals in Exod. 6:8. Dat Kaleb en Jozua wel binnengaan, staat ook in Num. 26:65. Zie ook: Gen 14:22; Ex 6:8; Num 14:38; Num 26:65; Num 32:12; Deut 1:36–38 **14:31** **Jullie kleintjes, van wie jullie gezegd hebben dat ze een prooi zullen worden, die zal Ik erheen brengen. Zij zullen het land leren kennen dat jullie verworpen hebben.** Brontekst: וְטַ֨פְּכֶ֔ם (vetapekhem) = en jullie kleintjes | אֲשֶׁ֥ר (asher) = van wie | אֲמַרְתֶּ֖ם (amartem) = jullie zeiden | לָבַ֣ז (lavaz) = tot prooi | יִהְיֶ֑ה (yihye) = zullen worden | וְהֵבֵיאתִ֣י (veheveiti) = en Ik zal brengen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וְיָֽדְעוּ֙ (veyadeu) = en zij zullen kennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | מְאַסְתֶּ֖ם (meastem) = jullie verwierpen | בָּֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:3; Num 26:6; Num 26:64; Deut 1:39; Ps 106:24 **14:32** **Maar jullie lijken, jullie zullen in deze woestijn vallen.** Brontekst: וּפִגְרֵיכֶ֖ם (ufigreikhem) = en jullie lijken | אַתֶּ֑ם (atem) = jullie | יִפְּל֖וּ (yipelu) = zullen vallen | בַּמִּדְבָּ֥ר (bamidbar) = in de woestijn | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:29; 1 Kor 10:5; Heb 3:17 **14:33** **Jullie zonen zullen veertig jaar herders zijn in de woestijn. Zij zullen jullie ontrouw dragen, tot jullie lijken in de woestijn vergaan zijn.** Brontekst: וּ֠בְנֵיכֶם (uveneikhem) = en jullie zonen | יִהְי֨וּ (yihyu) = zullen zijn | רֹעִ֤ים (roim) = herders | בַּמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = in de woestijn | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וְנָשְׂא֖וּ (venaseu) = en zij zullen dragen | אֶת (et) = (obj.) | זְנוּתֵיכֶ֑ם (zenuteikhem) = jullie ontrouw | עַד (ad) = tot | תֹּ֥ם (tom) = volledig zijn van | פִּגְרֵיכֶ֖ם (pigreikhem) = jullie lijken | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זְנוּת (zenut), ‘ontrouw’: letterlijk ‘hoererij’; hier is het ontrouw aan Yahweh. נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: zij dragen de gevolgen van de ontrouw van hun vaders. Voetnoot : תֹּם (tom), ‘vergaan zijn’: tot een einde komen. Zie ook: Num 32:13; Deut 2:14; Joz 14:10; Ps 107:40; Ezech 23:35 **14:34** **Jullie hebben het land veertig dagen verkend. Naar dat aantal dagen zullen jullie jullie schuld dragen: een dag voor een jaar, een dag voor een jaar. Dat zijn veertig jaar. Dan zullen jullie weten wat Mijn afwijzing is.** Brontekst: בְּמִסְפַּ֨ר (bemispar) = naar het aantal van | הַיָּמִ֜ים (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁר (asher) = die | תַּרְתֶּ֣ם (tartem) = jullie verkenden | אֶת (et) = (obj.) | הָאָרֶץ֮ (haarets) = het land | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | יוֹם֒ (yom) = dagen | י֣וֹם (yom) = een dag | לַשָּׁנָ֞ה (lashana) = voor het jaar | י֣וֹם (yom) = een dag | לַשָּׁנָ֗ה (lashana) = voor het jaar | תִּשְׂאוּ֙ (tisu) = jullie zullen dragen | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺנֹ֣תֵיכֶ֔ם (avonoteikhem) = jullie schuld | אַרְבָּעִ֖ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | אֶת (et) = (obj.) | תְּנוּאָתִֽי (tenuati) = Mijn afwijzing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּנוּאָה (tenu’ah), ‘afwijzing’: een zeldzaam woord van het werkwoord נוא (nu’), ‘afhouden, afwijzen’. De betekenis is niet helemaal zeker. Wij vertalen ‘Mijn afwijzing’; ook ‘dat Ik Mij van jullie afkeer’ is mogelijk. Zie ook: Num 13:25; Jer 18:9–10; Ezech 4:6; Dan 9:24; Heb 4:1 **14:35** **Ik, Yahweh, heb het gezegd. Dit zal Ik zeker doen met heel deze slechte gemeenschap, die zich tegen Mij verzameld heeft. In deze woestijn zullen zij omkomen en daar zullen zij sterven.”** Brontekst: אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּרְתִּי֒ (dibarti) = heb gesproken | אִם (im) = zeker | לֹ֣א (lo) = niet | זֹ֣את (zot) = dit | אֶֽעֱשֶׂ֗ה (eese) = Ik zal doen | לְכָל (lekhal) = aan heel | הָעֵדָ֤ה (haeda) = de gemeenschap | הָֽרָעָה֙ (haraa) = slechte | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | הַנּוֹעָדִ֖ים (hanoadim) = die zich verzamelen | עָלָ֑י (alay) = tegen Mij | בַּמִּדְבָּ֥ר (bamidbar) = in de woestijn | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | יִתַּ֖מּוּ (yitamu) = zij zullen omkomen | וְשָׁ֥ם (vesham) = en daar | יָמֻֽתוּ (yamutu) = zij zullen sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:19; Num 26:65; 1 Kor 10:5; 1 Kor 10:11; Heb 3:19 ### De dood van de verkenners **14:36** De mannen die Mozes had gestuurd om het land te verkennen, kwamen terug. Zij lieten heel de gemeenschap tegen hem morren door een gerucht over het land te verspreiden. Brontekst: וְהָ֣אֲנָשִׁ֔ים (vehaanashim) = en de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁלַ֥ח (shalach) = zond | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לָת֣וּר (latur) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיָּשֻׁ֗בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | וַיַּלִּ֤ינוּ (vayalinu) = en zij lieten morren | עָלָיו֙ (alav) = tegen hem | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | לְהוֹצִ֥יא (lehotsi) = om te verspreiden | דִבָּ֖ה (diba) = een gerucht | עַל (al) = over | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:4–16; Num 13:31–33 **14:37** Die mannen, die een kwaad gerucht over het land hadden verspreid, stierven door de plaag voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיָּמֻ֨תוּ֙ (vayamutu) = en stierven | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | מוֹצִאֵ֥י (motsiei) = verspreiders van | דִבַּת (dibat) = een gerucht over | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | רָעָ֑ה (raa) = kwaad | בַּמַּגֵּפָ֖ה (bamagefa) = door de plaag | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: een plotselinge ziekte of slag, zoals in Exod. 9:14. Zie ook: Ex 9:14; Num 14:12; Num 17:14; Num 25:9; 1 Kor 10:10; Heb 3:17 **14:38** Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven in leven van die mannen die het land waren gaan verkennen. Brontekst: וִיהוֹשֻׁ֣עַ (vihoshua) = en Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֔וּן (nun) = Nun | וְכָלֵ֖ב (vekhalev) = en Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּ֑ה (yefune) = Jefunne | חָיוּ֙ (chayu) = bleven leven | מִן (min) = van | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | הַֽהֹלְכִ֖ים (haholekhim) = die gingen | לָת֥וּר (latur) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 26:65; Joz 14:6–10 ### De mislukte aanval **14:39** Mozes sprak deze woorden tot alle zonen van Israël. Toen rouwde het volk zeer. Brontekst: וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֶֽל (el) = tot | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּֽתְאַבְּל֥וּ (vayitabelu) = en rouwde | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 33:4; Spr 19:3; Jes 26:16; Mat 8:12; Heb 12:17 **14:40** ’s Morgens stonden zij vroeg op en gingen naar de top van het bergland. Zij zeiden: „Zie, wij gaan op naar de plaats waarover Yahweh gesproken heeft, want wij hebben gezondigd.” Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֣מוּ (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיַּֽעֲל֥וּ (vayaalu) = en zij gingen omhoog | אֶל (el) = naar | רֹאשׁ (rosh) = de top van | הָהָ֖ר (hahar) = het bergland | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֶּ֗נּוּ (hinenu) = zie ons | וְעָלִ֛ינוּ (vealinu) = en wij zullen omhoog gaan | אֶל (el) = naar | הַמָּק֛וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waarover | אָמַ֥ר (amar) = sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | חָטָֽאנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zie’ (הִנֵּנוּ, hinennu): het volk toont nu spijt, maar het bevel van Yahweh in vers 25 is al gegeven. Zie ook: Num 14:25; Deut 1:41; Pred 9:3; Mat 7:21–23; Mat 26:11–12; Luc 13:25 **14:41** Mozes zei: „Waarom overtreden jullie het bevel van Yahweh? Het zal niet lukken. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לָ֥מָּה (lama) = waarom | זֶּ֛ה (ze) = toch | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֖ים (overim) = overtreden | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֣י (pi) = het bevel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִ֖וא (vehi) = en het | לֹ֥א (lo) = niet | תִצְלָֽח (titslach) = zal slagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:9; Num 14:25; 2 Kron 24:20; Jer 2:37; Jer 32:5 **14:42** Ga niet omhoog, want Yahweh is niet in jullie midden. Anders worden jullie door jullie vijanden verslagen. Brontekst: אַֽל (al) = niet | תַּעֲל֔וּ (taalu) = ga omhoog | כִּ֛י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet is | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּקִרְבְּכֶ֑ם (beqirbekhem) = in jullie midden | וְלֹא֙ (velo) = en niet | תִּנָּ֣גְפ֔וּ (tinagefu) = jullie worden verslagen | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֹיְבֵיכֶֽם (oyeveikhem) = jullie vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 1:42; Joz 7:8; Joz 7:12; Ps 44:2–12 **14:43** Want de Amalekieten en de Kanaänieten zijn daar voor jullie, en jullie zullen door het zwaard vallen. Omdat jullie je van Yahweh afgekeerd hebben, zal Yahweh niet met jullie zijn.” Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | הָעֲמָלֵקִ֨י (haamaleqi) = de Amalekiet | וְהַכְּנַעֲנִ֥י (vehakenaani) = en de Kanaäniet | שָׁם֙ (sham) = daar | לִפְנֵיכֶ֔ם (lifneikhem) = voor jullie | וּנְפַלְתֶּ֖ם (unefaltem) = en jullie zullen vallen | בֶּחָ֑רֶב (becharev) = door het zwaard | כִּֽי (ki) = want | עַל (al) = op | כֵּ֤ן (ken) = zo | שַׁבְתֶּם֙ (shavtem) = jullie hebben je afgekeerd | מֵאַחֲרֵ֣י (meacharei) = van achter | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּכֶֽם (imakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:29; Num 14:25; 1 Kron 28:9; 2 Kron 15:2; Jes 63:10 **14:44** Toch trokken zij overmoedig op naar de top van het bergland. Maar de ark van het verbond van Yahweh en Mozes verlieten het kamp niet. Brontekst: וַיַּעְפִּ֕לוּ (vayapilu) = en zij waren overmoedig | לַעֲל֖וֹת (laalot) = om omhoog te gaan | אֶל (el) = naar | רֹ֣אשׁ (rosh) = de top van | הָהָ֑ר (hahar) = het bergland | וַאֲר֤וֹן (vaaron) = en de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וּמֹשֶׁ֔ה (umoshe) = en Mozes | לֹא (lo) = niet | מָ֖שׁוּ (mashu) = verlieten | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = het midden van | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָפַל (afal) komt alleen hier voor. Wij vertalen ‘overmoedig’; ook ‘vermetel doorzetten’ is mogelijk. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : De ark van het verbond: zie Num. 10:33. Zie ook: Num 10:33; Num 15:30; Num 31:6; Deut 1:43; 1 Sam 4:3–11 **14:45** Toen kwamen de Amalekieten en de Kanaänieten die in dat bergland woonden, naar beneden. Zij versloegen hen en vermorzelden hen, tot aan Chorma. Brontekst: וַיֵּ֤רֶד (vayered) = en kwam af | הָעֲמָלֵקִי֙ (haamaleqi) = de Amalekiet | וְהַֽכְּנַעֲנִ֔י (vehakenaani) = en de Kanaäniet | הַיֹּשֵׁ֖ב (hayoshev) = die woonde | בָּהָ֣ר (bahar) = in het bergland | הַה֑וּא (hahu) = dat | וַיַּכּ֥וּם (vayakum) = en hij sloeg hen | וַֽיַּכְּת֖וּם (vayaketum) = en hij vermorzelde hen | עַד (ad) = tot | הַֽחָרְמָֽה (hacharema) = Chorma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chorma (חָרְמָה, Chormah) lag waarschijnlijk in het noorden van de Negev, bij Beërsheba (Num. 21:3; Richt. 1:17). De naam hangt samen met het woord voor ‘ban’ (cherem). De precieze ligging is niet zeker. Zie ook: Num 14:43; Num 21:3; Deut 1:44; Joz 7:11–12; Re 1:17 ## Numeri 15 _Offers in het land, zonden en de kwasten aan de kleren_ ### Graanoffer en plengoffer bij de offers **15:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: Stel dat jullie komen in het land waar jullie gaan wonen, dat Ik jullie geef.** Brontekst: דַּבֵּר֙ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en jij zult zeggen | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | כִּ֣י (ki) = wanneer | תָבֹ֗אוּ (tavou) = jullie komen | אֶל (el) = naar | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = het land van | מוֹשְׁבֹ֣תֵיכֶ֔ם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | נֹתֵ֥ן (noten) = geef | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Na het vonnis van hoofdstuk 14 belooft Yahweh opnieuw dat Israël het land zal binnengaan. Deze wetten gelden voor de tijd daar. Zie ook: Lev 23:10; Lev 25:2; Num 15:18; Deut 7:1–2; Deut 12:1 **15:3** **Stel dat jullie voor Yahweh een vuuroffer maken. Dat is een brandoffer of een slachtoffer, om een gelofte te vervullen, of als vrijwillige gave, of op jullie feesttijden. Zo maken jullie een aangename geur voor Yahweh, van het rundvee of van het kleinvee.** Brontekst: וַעֲשִׂיתֶ֨ם (vaasitem) = en jullie maken | אִשֶּׁ֤ה (ishe) = een vuuroffer | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | עֹלָ֣ה (ola) = brandoffer | אוֹ (o) = of | זֶ֔בַח (zevach) = slachtoffer | לְפַלֵּא (lefale) = om te vervullen | נֶ֨דֶר֙ (neder) = een gelofte | א֣וֹ (o) = of | בִנְדָבָ֔ה (bindava) = als vrijwillige gave | א֖וֹ (o) = of | בְּמֹעֲדֵיכֶ֑ם (bemoadeikhem) = op jullie feesttijden | לַעֲשׂ֞וֹת (laasot) = om te maken | רֵ֤יחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֨חַ֙ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | מִן (min) = van | הַבָּקָ֖ר (habaqar) = het rundvee | א֥וֹ (o) = of | מִן (min) = van | הַצֹּֽאן (hatson) = het kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶדֶר (neder), ‘gelofte’, en נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: zoals in Lev. 22:21. מוֹעֵד (mo’ed), ‘feesttijd’: een vaste tijd die Yahweh heeft aangewezen (Lev. 23:2). Zie ook: Gen 8:21; Ex 29:18; Lev 22:21; Lev 23:2; Num 28:16–19; Num 28:27; Fil 4:18 **15:4** **Dan moet degene die zijn offergave voor Yahweh brengt, als graanoffer een tiende efa fijn meel brengen, gekneed met een kwart hin olie.** Brontekst: וְהִקְרִ֛יב (vehiqriv) = en zal brengen | הַמַּקְרִ֥יב (hamaqriv) = wie brengt | קָרְבָּנ֖וֹ (qarbano) = zijn offergave | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | מִנְחָה֙ (mincha) = graanoffer | סֹ֣לֶת (solet) = fijn meel van | עִשָּׂר֔וֹן (isaron) = een tiende | בָּל֕וּל (balul) = gekneed | בִּרְבִעִ֥ית (birviit) = met een kwart van | הַהִ֖ין (hahin) = de hin | שָֽׁמֶן (shamen) = olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een tiende efa is ongeveer 2,2 liter (een efa is ongeveer 22 liter). Een hin is ongeveer 3,7 liter: een kwart hin is dus ongeveer 0,9 liter, een derde hin ongeveer 1,2 liter en een halve hin ongeveer 1,8 liter. Zie ook Exod. 29:40. Zie ook: Ex 29:40; Lev 2:1; Lev 6:7; Lev 23:13; Num 28:5–8 **15:5** **Je moet ook een kwart hin wijn als plengoffer klaarmaken, bij het brandoffer of het slachtoffer, voor elk lam.** Brontekst: וְיַ֤יִן (veyayin) = en wijn | לַנֶּ֨סֶךְ֙ (lanesekh) = als plengoffer | רְבִיעִ֣ית (reviit) = een kwart van | הַהִ֔ין (hahin) = de hin | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult klaarmaken | עַל (al) = bij | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | א֣וֹ (o) = of | לַזָּ֑בַח (lazavach) = voor het slachtoffer | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = voor het lam | הָאֶחָֽד (haechad) = het ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶסֶךְ (nesech), ‘plengoffer’: wijn die bij het offer wordt uitgegoten (Exod. 29:40). Zie ook: Ex 29:40; Num 28:7; Num 28:14; Re 9:13; Ps 116:13; Mat 26:28–29 **15:6** **Of voor een ram moet je als graanoffer twee tiende efa fijn meel klaarmaken, gekneed met een derde hin olie.** Brontekst: א֤וֹ (o) = of | לָאַ֨יִל֙ (laayil) = voor een ram | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = je zult klaarmaken | מִנְחָ֔ה (mincha) = graanoffer | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel van | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | עֶשְׂרֹנִ֑ים (esronim) = tienden | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gekneed | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | שְׁלִשִׁ֥ית (shelishit) = een derde van | הַהִֽין (hahin) = de hin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 15:4; Num 28:12–14 **15:7** **Als plengoffer moet je een derde hin wijn brengen, als aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְיַ֥יִן (veyayin) = en wijn | לַנֶּ֖סֶךְ (lanesekh) = als plengoffer | שְׁלִשִׁ֣ית (shelishit) = een derde van | הַהִ֑ין (hahin) = de hin | תַּקְרִ֥יב (taqriv) = je zult brengen | רֵֽיחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:8** **Als je een jonge stier klaarmaakt als brandoffer of slachtoffer, om een gelofte te vervullen, of als vredeoffer voor Yahweh,** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en als | תַעֲשֶׂ֥ה (taase) = je klaarmaakt | בֶן (ben) = een zoon van | בָּקָ֖ר (baqar) = rund | עֹלָ֣ה (ola) = brandoffer | אוֹ (o) = of | זָ֑בַח (zavach) = slachtoffer | לְפַלֵּא (lefale) = om te vervullen | נֶ֥דֶר (neder) = een gelofte | אֽוֹ (o) = of | שְׁלָמִ֖ים (shelamim) = vredeoffers | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:3; Lev 3:1; Lev 7:11–18 **15:9** **moet hij bij de jonge stier als graanoffer drie tiende efa fijn meel brengen, gekneed met een halve hin olie.** Brontekst: וְהִקְרִ֤יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | עַל (al) = bij | בֶּן (ben) = de zoon van | הַבָּקָר֙ (habaqar) = het rund | מִנְחָ֔ה (mincha) = graanoffer | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel van | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | עֶשְׂרֹנִ֑ים (esronim) = tienden | בָּל֥וּל (balul) = gekneed | בַּשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | חֲצִ֥י (chatsi) = de helft van | הַהִֽין (hahin) = de hin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 6:7; Lev 14:10; Num 28:12; Num 28:14; Joël 1:9 **15:10** **Als plengoffer moet je een halve hin wijn brengen, een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְיַ֛יִן (veyayin) = en wijn | תַּקְרִ֥יב (taqriv) = je zult brengen | לַנֶּ֖סֶךְ (lanesekh) = als plengoffer | חֲצִ֣י (chatsi) = de helft van | הַהִ֑ין (hahin) = de hin | אִשֵּׁ֥ה (ishe) = een vuuroffer | רֵֽיחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 6:15; Num 15:5 **15:11** **Zo moet het gedaan worden voor elke stier, voor elke ram en voor elk stuk kleinvee, van de schapen of van de geiten.** Brontekst: כָּ֣כָה (kakha) = zo | יֵעָשֶׂ֗ה (yease) = zal gedaan worden | לַשּׁוֹר֙ (lashor) = voor de stier | הָֽאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | א֖וֹ (o) = of | לָאַ֣יִל (laayil) = voor de ram | הָאֶחָ֑ד (haechad) = de ene | אֽוֹ (o) = of | לַשֶּׂ֥ה (lase) = voor het stuk kleinvee | בַכְּבָשִׂ֖ים (bakevasim) = onder de schapen | א֥וֹ (o) = of | בָעִזִּֽים (baizim) = onder de geiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:12** **Naar het aantal dat jullie klaarmaken, zo moeten jullie het doen voor elk, naar hun aantal.** Brontekst: כַּמִּסְפָּ֖ר (kamispar) = naar het aantal | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תַּעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie klaarmaken | כָּ֛כָה (kakha) = zo | תַּעֲשׂ֥וּ (taasu) = jullie zullen doen | לָאֶחָ֖ד (laechad) = voor de ene | כְּמִסְפָּרָֽם (kemisparam) = naar hun aantal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Dezelfde regels voor de inheemse en de vreemdeling **15:13** **Iedere inheemse moet dit zo doen, als hij een vuuroffer brengt, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: כָּל (kal) = elke | הָאֶזְרָ֥ח (haezrach) = inheemse | יַעֲשֶׂה (yaase) = zal doen | כָּ֖כָה (kakha) = zo | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֑לֶּה (ele) = dit | לְהַקְרִ֛יב (lehaqriv) = om te brengen | אִשֵּׁ֥ה (ishe) = een vuuroffer | רֵֽיחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:14** **Een vreemdeling verblijft bij jullie, of wie er ook in jullie midden is, door al jullie generaties heen. Maakt hij een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh, dan moet hij het doen zoals jullie het doen.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en als | יָגוּר֩ (yagur) = verblijft | אִתְּכֶ֨ם (itekhem) = bij jullie | גֵּ֜ר (ger) = een vreemdeling | א֤וֹ (o) = of | אֲשֶֽׁר (asher) = wie | בְּתֽוֹכְכֶם֙ (betokhekhem) = in jullie midden | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | וְעָשָׂ֛ה (veasa) = en hij maakt | אִשֵּׁ֥ה (ishe) = een vuuroffer | רֵֽיחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | תַּעֲשׂ֖וּ (taasu) = jullie doen | כֵּ֥ן (ken) = zo | יַעֲשֶֽׂה (yaase) = zal hij doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:15** **Voor de vergadering geldt één voorschrift, voor jullie en voor de vreemdeling die bij jullie verblijft: een eeuwig voorschrift voor al jullie generaties. Zoals jullie zijn, zo zal de vreemdeling zijn voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: הַקָּהָ֕ל (haqahal) = de vergadering | חֻקָּ֥ה (chuqa) = een voorschrift | אַחַ֛ת (achat) = één | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | וְלַגֵּ֣ר (velager) = en voor de vreemdeling | הַגָּ֑ר (hagar) = die verblijft | חֻקַּ֤ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | כָּכֶ֛ם (kakhem) = zoals jullie | כַּגֵּ֥ר (kager) = zoals de vreemdeling | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws is kort: ‘De vergadering: één voorschrift voor jullie en voor de vreemdeling’. Wij vertalen ‘voor de vergadering geldt één voorschrift’. Zie ook: Ex 12:14; Ex 12:49; Num 9:14; Num 15:29; Ef 2:11–22 **15:16** **Eén wet en één recht moet er zijn voor jullie en voor de vreemdeling die bij jullie verblijft.”** Brontekst: תּוֹרָ֥ה (tora) = wet | אַחַ֛ת (achat) = één | וּמִשְׁפָּ֥ט (umishpat) = en recht | אֶחָ֖ד (echad) = één | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | וְלַגֵּ֖ר (velager) = en voor de vreemdeling | הַגָּ֥ר (hagar) = die verblijft | אִתְּכֶֽם (itekhem) = bij jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht, aanwijzing. De vreemdeling valt onder dezelfde wet en hetzelfde recht als de inheemse (Exod. 12:49; Lev. 24:22). Zie ook: Ex 12:49; Lev 24:22 ### De heffing van het deeg **15:17** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:18** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: Wanneer jullie komen in het land waarheen Ik jullie breng,** Brontekst: דַּבֵּר֙ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en jij zult zeggen | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | בְּבֹֽאֲכֶם֙ (bevoakhem) = bij jullie komen | אֶל (el) = naar | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarheen | אֲנִ֛י (ani) = Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = breng | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 15:2; Deut 26:1–15 **15:19** **moeten jullie, als jullie van het brood van het land eten, een heffing voor Yahweh opheffen.** Brontekst: וְהָיָ֕ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּאֲכָלְכֶ֖ם (baakhalekhem) = bij jullie eten | מִלֶּ֣חֶם (milechem) = van het brood van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | תָּרִ֥ימוּ (tarimu) = jullie zullen opheffen | תְרוּמָ֖ה (teruma) = een heffing | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: wat men opheft en aan Yahweh geeft. Bij offers vertalen wij hetzelfde woord met ‘heffing’ (Exod. 29:27–28). Hier gaat het om een koek van het deeg. Zie ook: Ex 29:27–28; Joz 5:11–12 **15:20** **Als het eerste van jullie deeg moeten jullie een koek als heffing opheffen. Zoals jullie de heffing van de dorsvloer opheffen, zo moeten jullie die opheffen.** Brontekst: רֵאשִׁית֙ (reshit) = het eerste van | עֲרִסֹ֣תֵכֶ֔ם (arisotekhem) = jullie deeg | חַלָּ֖ה (chala) = een koek | תָּרִ֣ימוּ (tarimu) = jullie zullen opheffen | תְרוּמָ֑ה (teruma) = als heffing | כִּתְרוּמַ֣ת (kitrumat) = zoals de heffing van | גֹּ֔רֶן (goren) = de dorsvloer | כֵּ֖ן (ken) = zo | תָּרִ֥ימוּ (tarimu) = jullie zullen opheffen | אֹתָֽהּ (otah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַלָּה (challah), ‘koek’: een rond gebakken brood, zoals in Exod. 29:2. Voetnoot Lezing: עֲרִסוֹת (arisot) vertalen wij ‘deeg’. De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook ‘grof meel’ zijn. Zie ook: Ex 29:2; Ex 34:26; Lev 2:14; Lev 23:10; Lev 23:14–17; Deut 26:2–10 **15:21** **Van het eerste van jullie deeg moeten jullie Yahweh een heffing geven, door al jullie generaties heen.** Brontekst: מֵרֵאשִׁית֙ (mereshit) = van het eerste van | עֲרִסֹ֣תֵיכֶ֔ם (arisoteikhem) = jullie deeg | תִּתְּנ֥וּ (titenu) = jullie zullen geven | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | תְּרוּמָ֑ה (teruma) = een heffing | לְדֹרֹ֖תֵיכֶֽם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:28; Num 18:26 ### Zonden bij vergissing **15:22** **Wanneer jullie je vergissen en niet al deze geboden doen die Yahweh tot Mozes gesproken heeft,** Brontekst: וְכִ֣י (vekhi) = en als | תִשְׁגּ֔וּ (tishgu) = jullie je vergissen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַעֲשׂ֔וּ (taasu) = jullie doen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַמִּצְוֺ֖ת (hamitsvot) = de geboden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁגָה (shagah), ‘zich vergissen’: van dezelfde stam als שְׁגָגָה (shegagah), ‘vergissing’, in Lev. 4:2. Zie ook: Lev 4:2; Lev 4:13–14; Lev 4:27; Lev 5:15–17; Ps 19:13 **15:23** **alles wat Yahweh jullie door Mozes geboden heeft, vanaf de dag dat Yahweh het geboden heeft en daarna, door al jullie generaties heen,** Brontekst: אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = aan jullie | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | מִן (min) = vanaf | הַיּ֞וֹם (hayom) = de dag | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וָהָ֖לְאָה (vahalea) = en verder | לְדֹרֹתֵיכֶֽם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:24** **Dan geldt dit. Stel dat het buiten het zicht van de gemeenschap bij vergissing gedaan is. Dan moet heel de gemeenschap één jonge stier als brandoffer brengen. Dat is een aangename geur voor Yahweh. Daarbij komen het graanoffer en het plengoffer, volgens het recht. Ook moet zij één bok als zondoffer brengen.** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | אִ֣ם (im) = als | מֵעֵינֵ֣י (meeinei) = uit de ogen van | הָעֵדָה֮ (haeda) = de gemeenschap | נֶעֶשְׂתָ֣ה (neesta) = het gedaan is | לִשְׁגָגָה֒ (lishgaga) = bij vergissing | וְעָשׂ֣וּ (veasu) = dan zullen brengen | כָל (kal) = heel | הָעֵדָ֡ה (haeda) = de gemeenschap | פַּ֣ר (par) = een jonge stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָר֩ (baqar) = rund | אֶחָ֨ד (echad) = één | לְעֹלָ֜ה (leola) = als brandoffer | לְרֵ֤יחַ (lereiach) = tot een geur van | נִיחֹ֨חַ֙ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וּמִנְחָת֥וֹ (uminchato) = en zijn graanoffer | וְנִסְכּ֖וֹ (venisko) = en zijn plengoffer | כַּמִּשְׁפָּ֑ט (kamishpat) = volgens het recht | וּשְׂעִיר (useir) = en een bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּֽת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעֵינֵי הָעֵדָה (me’einei ha’edah), ‘buiten het zicht van de gemeenschap’: letterlijk ‘uit de ogen van de gemeenschap’. Zie Lev. 4:13. Voetnoot : ‘Volgens het recht’ (כַּמִּשְׁפָּט, kammishpat) verwijst naar de hoeveelheden in de verzen 4–10. Voetnoot Lezing: In Lev. 4:14 brengt de gemeenschap een jonge stier als zondoffer; hier brengt zij een jonge stier als brandoffer en een bok als zondoffer. Wij laten het verschil staan. Zie ook: Lev 4:13–21; Lev 4:14; Lev 4:23; Lev 5:15; Num 15:8–10; Num 28:15 **15:25** **De priester moet verzoening doen voor heel de gemeenschap van de zonen van Israël, en het zal hun vergeven worden, want het was een vergissing. Zij hebben hun offergave gebracht, een vuuroffer voor Yahweh, en hun zondoffer voor het aangezicht van Yahweh, vanwege hun vergissing.** Brontekst: וְכִפֶּ֣ר (vekhiper) = en zal verzoening doen | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | עַֽל (al) = voor | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֛ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְנִסְלַ֣ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לָהֶ֑ם (lahem) = hun | כִּֽי (ki) = want | שְׁגָגָ֣ה (shegaga) = vergissing | הִ֔וא (hi) = het is | וְהֵם֩ (vehem) = en zij | הֵבִ֨יאוּ (heviu) = hebben gebracht | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנָ֜ם (qarbanam) = hun offergave | אִשֶּׁ֣ה (ishe) = een vuuroffer | לַֽיהוָ֗ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְחַטָּאתָ֛ם (vechatatam) = en hun zondoffer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = vanwege | שִׁגְגָתָֽם (shiggatam) = hun vergissing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִסְלַח (venislach), ‘en het zal vergeven worden’: zoals in Lev. 4:20. Zie ook: Lev 4:20; Lev 4:26; Rom 3:25; Heb 2:17; 1 Joh 2:2 **15:26** **Het zal vergeven worden aan heel de gemeenschap van de zonen van Israël en aan de vreemdeling die in hun midden verblijft. Want voor heel het volk was het bij vergissing.** Brontekst: וְנִסְלַ֗ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לְכָל (lekhal) = aan heel | עֲדַת֙ (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְלַגֵּ֖ר (velager) = en aan de vreemdeling | הַגָּ֣ר (hagar) = die verblijft | בְּתוֹכָ֑ם (betokham) = in hun midden | כִּ֥י (ki) = want | לְכָל (lekhal) = voor heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בִּשְׁגָגָֽה (bishgaga) = bij vergissing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 15:24 **15:27** **Als één persoon bij vergissing zondigt, moet hij een geit van een jaar als zondoffer brengen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = een persoon | אַחַ֖ת (achat) = één | תֶּחֱטָ֣א (techeta) = zondigt | בִשְׁגָגָ֑ה (bishgaga) = bij vergissing | וְהִקְרִ֛יבָה (vehiqriva) = dan zal hij brengen | עֵ֥ז (ez) = een geit | בַּת (bat) = van een jaar van | שְׁנָתָ֖הּ (shenatah) = haar jaar | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘persoon’: in Lev. 4:27 vertalen wij hetzelfde woord met ‘iemand’. Hier staat ‘één’ erbij, tegenover de hele gemeenschap in vers 24. Zie ook: Lev 4:27–28; Num 15:24; Hand 3:17; Hand 17:30; 1 Tim 1:13 **15:28** **De priester moet verzoening doen voor de persoon die bij vergissing gezondigd heeft, voor het aangezicht van Yahweh. Hij moet voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.** Brontekst: וְכִפֶּ֣ר (vekhiper) = en zal verzoening doen | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | עַל (al) = voor | הַנֶּ֧פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַשֹּׁגֶ֛גֶת (hashogeget) = die dwaalt | בְּחֶטְאָ֥ה (becheta) = in zijn zonde | בִשְׁגָגָ֖ה (bishgaga) = bij vergissing | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לְכַפֵּ֥ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עָלָ֖יו (alav) = voor hem | וְנִסְלַ֥ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:35 **15:29** **Voor de inheemse onder de zonen van Israël en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft, geldt één wet. Die wet is voor wie iets bij vergissing doet.** Brontekst: הָֽאֶזְרָח֙ (haezrach) = de inheemse | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְלַגֵּ֖ר (velager) = en de vreemdeling | הַגָּ֣ר (hagar) = die verblijft | בְּתוֹכָ֑ם (betokham) = in hun midden | תּוֹרָ֤ה (tora) = wet | אַחַת֙ (achat) = één | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | לָעֹשֶׂ֖ה (laose) = voor wie doet | בִּשְׁגָגָֽה (bishgaga) = bij vergissing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 16:29; Lev 17:15; Num 9:14; Num 15:15; Rom 3:29–30 ### Zonde met opzet **15:30** **Maar de persoon die opzettelijk iets doet, of hij nu inheems is of een vreemdeling, lastert Yahweh. Die persoon moet uit het midden van zijn volk worden afgesneden.** Brontekst: וְהַנֶּ֜פֶשׁ (vehanefesh) = en de persoon | אֲשֶֽׁר (asher) = die | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = doet | בְּיָ֣ד (beyad) = met een hand | רָמָ֗ה (rama) = opgeheven | מִן (min) = van | הָֽאֶזְרָח֙ (haezrach) = de inheemse | וּמִן (umin) = en van | הַגֵּ֔ר (hager) = de vreemdeling | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | ה֣וּא (hu) = hij | מְגַדֵּ֑ף (megadef) = lastert | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = en zal afgesneden worden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמָּֽהּ (amah) = haar volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּיָד רָמָה (beyad ramah), ‘met opgeheven hand’: opzettelijk, uit verzet tegen Yahweh. Wij vertalen ‘opzettelijk’. Voetnoot : וְנִכְרְתָה (venikhretah), ‘en zal afgesneden worden’: uit het volk verwijderd, zoals in Exod. 12:15. Zie ook: Ex 12:15; Deut 1:43; Deut 17:12–13; Ps 19:14; Heb 10:26; Heb 10:29 **15:31** **Want hij heeft het woord van Yahweh veracht en Zijn gebod verbroken. Die persoon moet zeker worden afgesneden. Zijn schuld rust op hem.”** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּזָ֔ה (baza) = heeft hij veracht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִצְוָת֖וֹ (mitsvato) = Zijn gebod | הֵפַ֑ר (hefar) = heeft hij verbroken | הִכָּרֵ֧ת (hikaret) = afgesneden | תִּכָּרֵ֛ת (tikaret) = zal worden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | עֲוֺנָ֥ה (avona) = haar schuld | בָֽהּ (bah) = op haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲוֺנָהּ בָּהּ (avonah bah), ‘haar schuld is op haar’: zij draagt zelf de gevolgen van haar schuld (Lev. 5:1). Zie ook: Lev 5:1; 2 Sam 12:9; Ps 119:126; Spr 13:13; Ezech 18:20 ### De man die op de sabbat hout sprokkelde **15:32** Toen de zonen van Israël in de woestijn waren, vonden zij een man die op de sabbat hout aan het sprokkelen was. Brontekst: וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | וַֽיִּמְצְא֗וּ (vayimtseu) = en zij vonden | אִ֛ישׁ (ish) = een man | מְקֹשֵׁ֥שׁ (meqoshesh) = sprokkelend | עֵצִ֖ים (etsim) = hout | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּֽת (hashabat) = de sabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbod om op de sabbat te werken staat in Exod. 31:14–15 en 35:3. Zie ook: Ex 16:23; Ex 16:27–28; Ex 20:8–10; Ex 31:14–15; Ex 35:2–3; Ex 35:3 **15:33** Zij die hem vonden terwijl hij hout sprokkelde, brachten hem bij Mozes, Aäron en heel de gemeenschap. Brontekst: וַיַּקְרִ֣יבוּ (vayaqrivu) = en zij brachten | אֹת֔וֹ (oto) = hem | הַמֹּצְאִ֥ים (hamotseim) = zij die vonden | אֹת֖וֹ (oto) = hem | מְקֹשֵׁ֣שׁ (meqoshesh) = sprokkelend | עֵצִ֑ים (etsim) = hout | אֶל (el) = naar | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en naar | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | וְאֶ֖ל (veel) = en naar | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joh 8:3–20 **15:34** Zij zetten hem in bewaring, want het was nog niet duidelijk gemaakt wat er met hem moest gebeuren. Brontekst: וַיַּנִּ֥יחוּ (vayanichu) = en zij zetten | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בַּמִּשְׁמָ֑ר (bamishmar) = in bewaring | כִּ֚י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | פֹרַ֔שׁ (porash) = het was duidelijk gemaakt | מַה (ma) = wat | יֵּעָשֶׂ֖ה (yease) = er gedaan moest worden | לֽוֹ (lo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמָר (mishmar), ‘bewaring’: zoals in Lev. 24:12, waar ook eerst Yahweh gevraagd wordt wat er moet gebeuren. Zie ook: Lev 24:12; Num 9:8 **15:35** Yahweh zei tegen Mozes: **„De man moet zeker gedood worden. Heel de gemeenschap moet hem buiten het kamp stenigen.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | מ֥וֹת (mot) = zeker | יוּמַ֖ת (yumat) = zal gedood worden | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | רָג֨וֹם (ragom) = stenigen | אֹת֤וֹ (oto) = hem | בָֽאֲבָנִים֙ (baavanim) = met stenen | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶֽה (lamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:14–15; Lev 24:14–16; Deut 21:21; 1 Kon 21:13; Hand 7:58 **15:36** Heel de gemeenschap bracht hem buiten het kamp en zij stenigden hem met stenen, zodat hij stierf, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וַיֹּצִ֨יאוּ (vayotsiu) = en zij brachten uit | אֹת֜וֹ (oto) = hem | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָ֗ה (haeda) = de gemeenschap | אֶל (el) = naar | מִחוּץ֙ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֔ה (lamachane) = het kamp | וַיִּרְגְּמ֥וּ (vayirgemu) = en zij stenigden | אֹת֛וֹ (oto) = hem | בָּאֲבָנִ֖ים (baavanim) = met stenen | וַיָּמֹ֑ת (vayamot) = en hij stierf | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ook in Lev. 24:23 wordt de schuldige buiten het kamp gebracht en gestenigd. Zie ook: Lev 24:23; Joz 7:25 ### De kwasten aan de kleren **15:37** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:38** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: Zij moeten voor zichzelf kwasten maken aan de hoeken van hun kleren. Dit geldt door hun generaties heen. Aan de kwast van elke hoek moeten zij een draad van blauwpurper doen.** Brontekst: דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en jij zult zeggen | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | וְעָשׂ֨וּ (veasu) = en zij zullen maken | לָהֶ֥ם (lahem) = voor zich | צִיצִ֛ת (tsitsit) = kwasten | עַל (al) = aan | כַּנְפֵ֥י (kanfei) = de hoeken van | בִגְדֵיהֶ֖ם (bigdeihem) = hun kleren | לְדֹרֹתָ֑ם (ledorotam) = voor hun generaties | וְנָֽתְנ֛וּ (venatenu) = en zij zullen doen | עַל (al) = aan | צִיצִ֥ת (tsitsit) = de kwast van | הַכָּנָ֖ף (hakanaf) = de hoek | פְּתִ֥יל (petil) = een draad van | תְּכֵֽלֶת (tekhelet) = blauwpurper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִיצִת (tsitsit), ‘kwast’: een bosje draden aan de hoek van een kleed. Voetnoot : תְּכֵלֶת (techelet), ‘blauwpurper’: blauwgeverfde draad, zoals in Exod. 25:4 en 28:31. Zie ook: Ex 25:4; Ex 28:31; Deut 22:12; Mat 9:20; Mat 23:5; Luc 8:44 **15:39** **Het zal voor jullie een kwast zijn. Jullie zullen ernaar kijken, aan alle geboden van Yahweh denken en ze doen. Jullie zullen niet rondzwerven achter jullie hart en jullie ogen aan, waar jullie ontrouw achteraan lopen.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | לָכֶם֮ (lakhem) = voor jullie | לְצִיצִת֒ (letsitsit) = tot kwast | וּרְאִיתֶ֣ם (ureitem) = en jullie zullen zien | אֹת֗וֹ (oto) = hem | וּזְכַרְתֶּם֙ (uzekhartem) = en jullie zullen denken aan | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מִצְוֺ֣ת (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | וְלֹֽא (velo) = en niet | תָתֻ֜רוּ (taturu) = jullie zullen rondzwerven | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | לְבַבְכֶם֙ (levavkhem) = jullie hart | וְאַחֲרֵ֣י (veacharei) = en achter | עֵֽינֵיכֶ֔ם (eineikhem) = jullie ogen | אֲשֶׁר (asher) = waarachter | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | זֹנִ֖ים (zonim) = ontrouw zijn | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = daarachter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּתֻרוּ (taturu), ‘rondzwerven’: van תּוּר (tur), het werkwoord dat in Num. 13–14 ‘verkennen’ is. Omdat ‘verkennen’ hier niet past, vertalen wij ‘rondzwerven’. Voetnoot : זֹנִים (zonim), ‘ontrouw zijn’: letterlijk ‘hoereren’, zoals in Num. 14:33. Zie ook: Num 14:33; Ps 73:27; Ps 106:39; Spr 3:1; Spr 28:26; Ezech 6:9 **15:40** **Zo zullen jullie eraan denken en al Mijn geboden doen, en heilig zijn voor jullie Elohim.** Brontekst: לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תִּזְכְּר֔וּ (tizkeru) = jullie denken | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מִצְוֺתָ֑י (mitsvotay) = Mijn geboden | וִהְיִיתֶ֥ם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | קְדֹשִׁ֖ים (qedoshim) = heilig | לֵֽאלֹהֵיכֶֽם (leloheikhem) = voor jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:44–45; 1 Tess 4:7; Rom 12:1; Kol 1:2; 1 Petr 1:15–16 **15:41** **Ik ben Yahweh, jullie Elohim, die jullie uit het land Egypte geleid heeft om voor jullie Elohim te zijn. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”** Brontekst: אֲנִ֞י (ani) = Ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֗ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הוֹצֵ֤אתִי (hotseti) = Ik uitleidde | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לֵאלֹהִ֑ים (lElohim) = tot Elohim | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Lev 25:38; Ps 105:45; Jer 32:37–41; 1 Petr 2:9–10; Heb 11:16 ## Numeri 16 _De opstand van Korach, Datan en Abiram_ ### Korach en zijn aanhang komen in opstand **16:1** Korach, de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, nam mee. Dat waren Datan en Abiram, de zonen van Eliab, en On, de zoon van Pelet, zonen van Ruben. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | קֹ֔רַח (qorach) = Korach | בֶּן (ben) = zoon van | יִצְהָ֥ר (yitshar) = Jishar | בֶּן (ben) = zoon van | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | בֶּן (ben) = zoon van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | וְדָתָ֨ן (vedatan) = en Datan | וַאֲבִירָ֜ם (vaaviram) = en Abiram | בְּנֵ֧י (benei) = zonen van | אֱלִיאָ֛ב (eliav) = Eliab | וְא֥וֹן (veon) = en On | בֶּן (ben) = zoon van | פֶּ֖לֶת (pelet) = Pelet | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | רְאוּבֵֽן (reuven) = Ruben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִצְהָר (Yitshar), ‘Jishar’: zie Exod. 6:18 en 6:21; Korach is een kleinzoon van Kehat. Datan en Abiram horen bij de stam Ruben. On wordt in dit verhaal verder niet meer genoemd (vergelijk Num. 26:9). Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat ‘en Korach nam’ zonder voorwerp. Wij vertalen ‘nam mee’ en laten de namen volgen die in de zin staan. Voetnoot Aanvullend: Jasher 84:1 bevestigt dat Korach de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi was. Zie ook: Gen 49:3–4; Jas 84:1; Ex 6:18; Ex 6:21; Num 26:9; Deut 11:6; Jud 1:11 **16:2** Zij stonden op tegenover Mozes, samen met 250 mannen van de zonen van Israël. Dat waren leiders van de gemeenschap, afgevaardigden van de samenkomst, mannen met een naam. Brontekst: וַיָּקֻ֨מוּ֙ (vayaqumu) = en zij stonden op | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וַאֲנָשִׁ֥ים (vaanashim) = en mannen | מִבְּנֵֽי (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתָ֑יִם (umatayim) = en tweehonderd | נְשִׂיאֵ֥י (nesiei) = leiders van | עֵדָ֛ה (eda) = de gemeenschap | קְרִאֵ֥י (qeriei) = afgevaardigden van | מוֹעֵ֖ד (moed) = de samenkomst | אַנְשֵׁי (anshei) = mannen van | שֵֽׁם (shem) = naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי שֵׁם (anshei shem), ‘mannen met een naam’: bekende mannen, zoals in Gen. 6:4. Zie ook: Gen 6:4; Num 1:16; Num 26:9; 1 Kron 5:24; Ezech 23:10 **16:3** Zij verzamelden zich tegen Mozes en Aäron en zeiden tegen hen: „Jullie gaan te ver! Want heel de gemeenschap, allemaal, is heilig, en Yahweh is in hun midden. Waarom verheffen jullie je dan boven de vergadering van Yahweh?” Brontekst: וַיִּֽקָּהֲל֞וּ (vayiqahalu) = en zij verzamelden zich | עַל (al) = tegen | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְעַֽל (veal) = en tegen | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֲלֵהֶם֮ (alehem) = tot hen | רַב (rav) = genoeg | לָכֶם֒ (lakhem) = voor jullie | כִּ֤י (ki) = want | כָל (kal) = heel | הָֽעֵדָה֙ (haeda) = de gemeenschap | כֻּלָּ֣ם (kulam) = allen | קְדֹשִׁ֔ים (qedoshim) = heilig | וּבְתוֹכָ֖ם (uvetokham) = en in hun midden | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּמַדּ֥וּעַ (umadua) = en waarom | תִּֽתְנַשְּׂא֖וּ (titnaseu) = verheffen jullie je | עַל (al) = boven | קְהַ֥ל (qehal) = de vergadering van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַב־לָכֶם (rav lakhem), ‘Jullie gaan te ver’: letterlijk ‘veel voor jullie’. Mozes zegt hetzelfde in vers 7 tegen Korach. Voetnoot : קְהַל יְהוָה (qehal Yahweh), ‘de vergadering van Yahweh’: de samengekomen gemeenschap. Zie ook: Ex 19:6; Num 14:14; Num 16:7; Ps 106:16; Hand 7:51 ### Mozes wil Yahweh laten beslissen **16:4** Toen Mozes dit hoorde, wierp hij zich op zijn gezicht neer. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hoorde | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וַיִּפֹּ֖ל (vayipol) = en viel | עַל (al) = op | פָּנָֽיו (panav) = zijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:5; Num 17:10; Num 20:6; Joz 7:6 **16:5** Hij sprak tot Korach en heel zijn aanhang: „Morgen zal Yahweh laten weten wie van Hem is en wie de heilige is. Hij zal hem tot Zich laten naderen. Wie Hij kiest, die zal Hij tot Zich laten naderen. Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en hij sprak | אֶל (el) = tot | קֹ֜רַח (qorach) = Korach | וְאֶֽל (veel) = en tot | כָּל (kal) = heel | עֲדָתוֹ֮ (adato) = zijn aanhang | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | בֹּ֠קֶר (boqer) = morgen | וְיֹדַ֨ע (veyoda) = en zal laten weten | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wie | ל֛וֹ (lo) = van Hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַקָּד֖וֹשׁ (haqadosh) = de heilige | וְהִקְרִ֣יב (vehiqriv) = en Hij zal laten naderen | אֵלָ֑יו (elav) = tot Hem | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wie | יִבְחַר (yivchar) = Hij kiest | בּ֖וֹ (bo) = hem | יַקְרִ֥יב (yaqriv) = Hij zal laten naderen | אֵלָֽיו (elav) = tot Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲדָתוֹ (adato), ‘zijn aanhang’: het woord is hetzelfde als ‘gemeenschap’ (edah). Voor de mensen die Korach volgen vertalen wij ‘aanhang’ (verzen 5, 6, 11 en 16). Zie ook: Lev 10:3; Num 16:3; Num 17:20; Ps 65:5; 2 Tim 2:19 **16:6** Doe dit: neem vuurpannen, Korach en heel je aanhang. Brontekst: זֹ֖את (zot) = dit | עֲשׂ֑וּ (asu) = doe | קְחוּ (qechu) = neem | לָכֶ֣ם (lakhem) = voor jullie | מַחְתּ֔וֹת (machtot) = vuurpannen | קֹ֖רַח (qorach) = Korach | וְכָל (vekhal) = en heel | עֲדָתֽוֹ (adato) = zijn aanhang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחְתָּה (machtah), ‘vuurpan’: een pan voor gloeiende kolen, zoals in Exod. 27:3. Wierook brengen is werk van de priesters (Exod. 30:7–8); zie ook Lev. 10:1. Zie ook: Ex 27:3; Ex 30:7–8; Lev 10:1; Lev 16:12–13; Num 16:35–17:5; Num 17:11–13; 1 Kon 18:21–23 **16:7** Doe er vuur in en leg er morgen wierook op voor het aangezicht van Yahweh. Dan zal de man die Yahweh kiest, de heilige zijn. Jullie gaan te ver, zonen van Levi!” Brontekst: וּתְנ֣וּ (utenu) = en doe | בָהֵ֣ן (bahen) = daarin | אֵ֡שׁ (esh) = vuur | וְשִׂימוּ֩ (vesimu) = en leg | עֲלֵיהֶ֨ן (aleihen) = daarop | קְטֹ֜רֶת (qetoret) = wierook | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מָחָ֔ר (machar) = morgen | וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | יִבְחַ֥ר (yivchar) = kiest | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | ה֣וּא (hu) = hij | הַקָּד֑וֹשׁ (haqadosh) = de heilige | רַב (rav) = genoeg | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | לֵוִֽי (levi) = Levi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:3; Num 16:5; 2 Tess 2:13; Ef 1:4; 1 Petr 2:9 ### Mozes spreekt Korach aan **16:8** Mozes zei tegen Korach: „Luister toch, zonen van Levi! Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | קֹ֑רַח (qorach) = Korach | שִׁמְעוּ (shimu) = luister | נָ֖א (na) = toch | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | לֵוִֽי (levi) = Levi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **16:9** Is het te weinig voor jullie dat de Elohim van Israël jullie heeft afgezonderd van de gemeenschap van Israël? Hij deed dit om jullie tot Zich te laten naderen. Hij deed het ook om de dienst van de tabernakel van Yahweh te doen en voor de gemeenschap te staan om hen te dienen? Brontekst: הַמְעַ֣ט (hamat) = is het te weinig | מִכֶּ֗ם (mikem) = voor jullie | כִּֽי (ki) = dat | הִבְדִּיל֩ (hivdil) = afzonderde | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מֵעֲדַ֣ת (meadat) = van de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְהַקְרִ֥יב (lehaqriv) = om te laten naderen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֵלָ֑יו (elav) = tot Zich | לַעֲבֹ֗ד (laavod) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַת֙ (avodat) = de dienst van | מִשְׁכַּ֣ן (mishkan) = de tabernakel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלַעֲמֹ֛ד (velaamod) = en om te staan | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | לְשָׁרְתָֽם (lesharetam) = om hen te dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten zijn van de gemeenschap afgezonderd voor de dienst bij de tabernakel (Num. 8:14). Zie ook: Num 1:53; Num 8:14; Num 16:13; Deut 10:8; Jes 7:13; Ezech 44:10–11 **16:10** Hij heeft jou en al je broers, de zonen van Levi, tot Zich laten naderen. En nu zoeken jullie ook nog het priesterschap! Brontekst: וַיַּקְרֵב֙ (vayaqrev) = en Hij liet naderen | אֹֽתְךָ֔ (otekha) = jou | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | אַחֶ֥יךָ (acheikha) = je broers | בְנֵי (benei) = zonen van | לֵוִ֖י (levi) = Levi | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met jou | וּבִקַּשְׁתֶּ֖ם (uviqashtem) = en jullie zoeken | גַּם (gam) = ook | כְּהֻנָּֽה (kehuna) = priesterschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּהֻנָּה (kehunnah), ‘priesterschap’: het priesterschap is aan Aäron en zijn zonen gegeven (Exod. 29:9). Zie ook: Ex 29:9; Num 3:10; Num 18:7; Luc 22:24; Rom 12:10; 3 Joh 1:9 **16:11** Daarom: jij en heel je aanhang, jullie verzamelen je tegen Yahweh! En Aäron, wat is hij dat jullie tegen hem morren?” Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en heel | עֲדָ֣תְךָ֔ (adatekha) = je aanhang | הַנֹּעָדִ֖ים (hanoadim) = die zich verzamelen | עַל (al) = tegen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאַהֲרֹ֣ן (veaharon) = en Aäron | מַה (ma) = wat | ה֔וּא (hu) = hij is | כִּ֥י (ki) = dat | תַלִּ֖ינוּ (talinu) = jullie morren | עָלָֽיו (alav) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:7–8; Ex 17:2; Num 16:3; 1 Sam 8:7; 1 Kor 3:5 ### Datan en Abiram weigeren te komen **16:12** Mozes liet Datan en Abiram, de zonen van Eliab, roepen. Maar zij zeiden: „Wij komen niet! Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en zond | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לִקְרֹ֛א (liqro) = om te roepen | לְדָתָ֥ן (ledatan) = Datan | וְלַאֲבִירָ֖ם (velaaviram) = en Abiram | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אֱלִיאָ֑ב (eliav) = Eliab | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | לֹ֥א (lo) = niet | נַעֲלֶֽה (naale) = wij zullen omhoog gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 29:9; Jes 3:5; 1 Petr 2:13–14; Jud 1:8 **16:13** Is het te weinig dat je ons hebt laten optrekken uit een land dat overvloeit van melk en honing? Om ons in de woestijn te laten sterven? Moet je jezelf ook nog als heerser over ons opwerpen? Brontekst: הַמְעַ֗ט (hamat) = is het te weinig | כִּ֤י (ki) = dat | הֶֽעֱלִיתָ֨נוּ֙ (heelitanu) = je liet optrekken ons | מֵאֶ֨רֶץ (meerets) = uit een land | זָבַ֤ת (zavat) = overvloeiend van | חָלָב֙ (chalav) = melk | וּדְבַ֔שׁ (udevash) = en honing | לַהֲמִיתֵ֖נוּ (lahamitenu) = om ons te doden | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | כִּֽי (ki) = dat | תִשְׂתָּרֵ֥ר (tistarer) = je jezelf heerser maakt | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = over ons | גַּם (gam) = ook | הִשְׂתָּרֵֽר (histarer) = heerser maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Datan en Abiram gebruiken de woorden ‘een land dat overvloeit van melk en honing’ voor Egypte. In Num. 13:27 en 14:8 gaat het om Kanaän. Zie ook: Ex 2:14; Ex 2:23; Ex 16:3; Num 11:5; Num 13:27; Num 14:8; Hand 7:35 **16:14** Bovendien: naar een land dat overvloeit van melk en honing heb je ons niet gebracht. En je hebt ons geen erfdeel van akkers en wijngaarden gegeven. Wil je de ogen van deze mannen uitsteken? Wij komen niet!” Brontekst: אַ֡ף (af) = bovendien | לֹ֣א (lo) = niet | אֶל (el) = naar | אֶרֶץ֩ (erets) = een land | זָבַ֨ת (zavat) = overvloeiend van | חָלָ֤ב (chalav) = melk | וּדְבַשׁ֙ (udevash) = en honing | הֲבִ֣יאֹתָ֔נוּ (haviotanu) = heb je ons gebracht | וַתִּ֨תֶּן (vatiten) = en je gaf | לָ֔נוּ (lanu) = ons | נַחֲלַ֖ת (nachalat) = erfdeel van | שָׂדֶ֣ה (sade) = akker | וָכָ֑רֶם (vakharem) = en wijngaard | הַעֵינֵ֞י (haeinei) = de ogen van | הָאֲנָשִׁ֥ים (haanashim) = de mannen | הָהֵ֛ם (hahem) = die | תְּנַקֵּ֖ר (tenaqer) = zul je uitsteken | לֹ֥א (lo) = niet | נַעֲלֶֽה (naale) = wij zullen omhoog gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּנַקֵּר (tenaqqer), ‘uitsteken’: de ogen uitsteken, dat wil zeggen: blind maken (Richt. 16:21). Het kan ook beeldspraak zijn: ‘wil je ons misleiden?’ Wij vertalen letterlijk. Voetnoot : לֹא נַעֲלֶה (lo na’aleh), ‘wij komen niet’: letterlijk ‘wij gaan niet omhoog’. Zie ook: Ex 23:11; Lev 20:24; Num 36:8–10; Re 16:21; 1 Sam 11:2 **16:15** Mozes werd zeer kwaad en zei tegen Yahweh: „Wend U niet naar hun graanoffer. Ik heb niet één ezel van hen genomen en ik heb niet één van hen kwaad gedaan.” Brontekst: וַיִּ֤חַר (vayichar) = en ontbrandde | לְמֹשֶׁה֙ (lemoshe) = voor Mozes | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אַל (al) = niet | תֵּ֖פֶן (tefen) = wend U | אֶל (el) = naar | מִנְחָתָ֑ם (minchatam) = hun graanoffer | לֹ֠א (lo) = niet | חֲמ֨וֹר (chamor) = een ezel | אֶחָ֤ד (echad) = één | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | נָשָׂ֔אתִי (nasati) = ik nam | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הֲרֵעֹ֖תִי (hareoti) = ik deed kwaad | אֶת (et) = (obj.) | אַחַ֥ד (achad) = één | מֵהֶֽם (mehem) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָתָם (minchatam), ‘hun graanoffer’: hier de wierookoffers die zij morgen brengen (vers 17). Het is hetzelfde woord als ‘graanoffer’ in Lev. 2:1. Zie ook: Gen 4:4–5; Lev 2:1; Num 16:6–7; Num 16:17; 1 Sam 12:3–4; 1 Kor 9:15; 2 Kor 7:2 ### De wierookpannen voor Yahweh **16:16** Mozes zei tegen Korach: „Jij en heel je aanhang, wees morgen voor het aangezicht van Yahweh: jij, zij en Aäron. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | קֹ֔רַח (qorach) = Korach | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en heel | עֲדָ֣תְךָ֔ (adatekha) = je aanhang | הֱי֖וּ (heyu) = wees | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אַתָּ֥ה (ata) = jij | וָהֵ֛ם (vahem) = en zij | וְאַהֲרֹ֖ן (veaharon) = en Aäron | מָחָֽר (machar) = morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:6–7; 1 Sam 12:3; 1 Sam 12:7; 2 Tim 2:14 **16:17** Neem ieder zijn vuurpan, leg er wierook op en breng ieder zijn vuurpan voor het aangezicht van Yahweh: 250 vuurpannen. Ook jij en Aäron, ieder zijn vuurpan.” Brontekst: וּקְח֣וּ (uqechu) = en neem | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | מַחְתָּת֗וֹ (machtato) = zijn vuurpan | וּנְתַתֶּ֤ם (unetatem) = en leg | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = daarop | קְטֹ֔רֶת (qetoret) = wierook | וְהִקְרַבְתֶּ֞ם (vehiqravtem) = en breng | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | מַחְתָּת֔וֹ (machtato) = zijn vuurpan | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתַ֖יִם (umatayim) = en tweehonderd | מַחְתֹּ֑ת (machtot) = vuurpannen | וְאַתָּ֥ה (veata) = en jij | וְאַהֲרֹ֖ן (veaharon) = en Aäron | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | מַחְתָּתֽוֹ (machtato) = zijn vuurpan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 12:7 **16:18** Zij namen ieder hun vuurpan, deden er vuur in, legden er wierook op en gingen bij de ingang van de tent van samenkomst staan. Mozes en Aäron deden dat ook. Brontekst: וַיִּקְח֞וּ (vayiqchu) = en zij namen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | מַחְתָּת֗וֹ (machtato) = zijn vuurpan | וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en zij deden | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = daarop | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | וַיָּשִׂ֥ימוּ (vayasimu) = en zij legden | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = daarop | קְטֹ֑רֶת (qetoret) = wierook | וַֽיַּעַמְד֗וּ (vayaamdu) = en zij gingen staan | פֶּ֛תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | וּמֹשֶׁ֥ה (umoshe) = en Mozes | וְאַהֲרֹֽן (veaharon) = en Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **16:19** Korach riep heel de gemeenschap tegen hen bijeen bij de ingang van de tent van samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid van Yahweh aan heel de gemeenschap. Brontekst: וַיַּקְהֵ֨ל (vayaqhel) = en riep bijeen | עֲלֵיהֶ֥ם (aleihem) = tegen hen | קֹ֨רַח֙ (qorach) = Korach | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | אֶל (el) = naar | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וַיֵּרָ֥א (vayera) = en verscheen | כְבוֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:7; Lev 9:23; Num 14:10; Num 16:1–2; Num 17:7 ### Yahweh wil de gemeenschap vernietigen **16:20** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **16:21** **„Scheid je af van deze gemeenschap, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.”** Brontekst: הִבָּ֣דְל֔וּ (hibadelu) = scheid je af | מִתּ֖וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָעֵדָ֣ה (haeda) = de gemeenschap | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וַאַכַלֶּ֥ה (vaakhale) = en Ik zal vernietigen | אֹתָ֖ם (otam) = hen | כְּרָֽגַע (keraga) = in een oogwenk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִבָּדְלוּ (hibbadelu), ‘scheid je af’: van hetzelfde werkwoord als ‘afzonderen’ in vers 9. Bijna dezelfde woorden staan in Num. 17:10. Zie ook: Ex 32:10; Ex 33:5; Num 16:9; Num 17:10; Ps 73:19; Openb 18:4 **16:22** Zij wierpen zich op hun gezicht neer en zeiden: „O El, Elohim van de geesten van alle vlees! Eén man zondigt, en U zult toornen op heel de gemeenschap?” Brontekst: וַיִּפְּל֤וּ (vayipelu) = en zij vielen | עַל (al) = op | פְּנֵיהֶם֙ (peneihem) = hun gezichten | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵ֕ל (el) = El | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | הָרוּחֹ֖ת (haruchot) = de geesten | לְכָל (lekhal) = van alle | בָּשָׂ֑ר (basar) = vlees | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | אֶחָד֙ (echad) = één | יֶחֱטָ֔א (yecheta) = zondigt | וְעַ֥ל (veal) = en over | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | תִּקְצֹֽף (tiqtsof) = zult U toornen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל אֱלֹהֵי הָרוּחֹת לְכָל־בָּשָׂר (El Elohei haruchot lekhol basar), ‘El, Elohim van de geesten van alle vlees’: alle levende wezens hebben hun geest van Hem. Zie ook Num. 27:16. Zie ook: Job 12:10; Num 27:16; Pred 12:7; Zach 12:1; Heb 12:9 ### De grond slokt Korach, Datan en Abiram op **16:23** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **16:24** **„Spreek tot de gemeenschap: Trek jullie terug van rondom de woning van Korach, Datan en Abiram.”** Brontekst: דַּבֵּ֥ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הֵֽעָלוּ֙ (healu) = trek jullie terug | מִסָּבִ֔יב (misaviv) = van rondom | לְמִשְׁכַּן (lemishkan) = de woning van | קֹ֖רַח (qorach) = Korach | דָּתָ֥ן (datan) = Datan | וַאֲבִירָֽם (vaaviram) = en Abiram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁכָּן (mishkan), ‘woning’: hetzelfde woord als ‘tabernakel’ in vers 9. Hier is het de woonplaats van Korach, Datan en Abiram. Wij vertalen ‘woning’. Zie ook: Num 16:9; Num 16:21 **16:25** Mozes stond op en ging naar Datan en Abiram. De oudsten van Israël gingen achter hem aan. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֶל (el) = naar | דָּתָ֣ן (datan) = Datan | וַאֲבִירָ֑ם (vaaviram) = en Abiram | וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en gingen | אַחֲרָ֖יו (acharav) = achter hem | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = de oudsten van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 11:16–17; Num 11:25; Num 11:30 **16:26** Hij sprak tot de gemeenschap: „Ga toch weg bij de tenten van deze goddeloze mannen en raak niets aan van wat van hen is. Anders worden jullie weggevaagd vanwege al hun zonden.” Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en hij sprak | אֶל (el) = tot | הָעֵדָ֜ה (haeda) = de gemeenschap | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | ס֣וּרוּ (suru) = wijk | נָ֡א (na) = toch | מֵעַל֩ (meal) = weg van | אָהֳלֵ֨י (aholei) = de tenten van | הָאֲנָשִׁ֤ים (haanashim) = de mannen | הָֽרְשָׁעִים֙ (hareshaim) = goddeloze | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וְאַֽל (veal) = en niet | תִּגְּע֖וּ (tigeu) = raakt aan | בְּכָל (bekhal) = iets van alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לָהֶ֑ם (lahem) = van hen | פֶּן (pen) = anders | תִּסָּפ֖וּ (tisafu) = jullie worden weggevaagd | בְּכָל (bekhal) = om al | חַטֹּאתָֽם (chatotam) = hun zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 52:11; Hand 8:20; Hand 13:51; 2 Kor 6:17; Openb 18:4 **16:27** Zij trokken zich terug van rondom de woning van Korach, Datan en Abiram. Datan en Abiram kwamen naar buiten en gingen bij de ingang van hun tenten staan, met hun vrouwen, hun zonen en hun kleintjes. Brontekst: וַיֵּעָל֗וּ (vayealu) = en zij trokken zich terug | מֵעַ֧ל (meal) = weg van | מִשְׁכַּן (mishkan) = de woning van | קֹ֛רֶח (qorech) = Korach | דָּתָ֥ן (datan) = Datan | וַאֲבִירָ֖ם (vaaviram) = en Abiram | מִסָּבִ֑יב (misaviv) = rondom | וְדָתָ֨ן (vedatan) = en Datan | וַאֲבִירָ֜ם (vaaviram) = en Abiram | יָצְא֣וּ (yatseu) = kwamen naar buiten | נִצָּבִ֗ים (nitsavim) = staande | פֶּ֚תַח (petach) = de ingang van | אָֽהֳלֵיהֶ֔ם (aholeihem) = hun tenten | וּנְשֵׁיהֶ֥ם (unesheihem) = en hun vrouwen | וּבְנֵיהֶ֖ם (uveneihem) = en hun zonen | וְטַפָּֽם (vetapam) = en hun kleintjes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:4; Job 40:10–11; Spr 16:18; Spr 18:12; Jes 28:14 **16:28** Mozes zei: „Hieraan zullen jullie weten dat Yahweh mij gestuurd heeft om al deze werken te doen. Het komt niet uit mijn eigen hart. Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en zei | מֹשֶׁה֒ (moshe) = Mozes | בְּזֹאת֙ (bezot) = hieraan | תֵּֽדְע֔וּן (tedeun) = zullen jullie weten | כִּֽי (ki) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁלָחַ֔נִי (shelachani) = mij gestuurd heeft | לַעֲשׂ֕וֹת (laasot) = om te doen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַֽמַּעֲשִׂ֖ים (hamaasim) = de werken | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | כִּי (ki) = dat | לֹ֖א (lo) = niet | מִלִּבִּֽי (milibi) = uit mijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלִּבִּי (millibbi), ‘uit mijn eigen hart’: uit eigen gedachten, zonder dat Yahweh het heeft gezegd. Zie ook: Ex 3:12; Jer 23:16; Joh 5:36; Joh 6:38; Joh 14:11 **16:29** Als deze mannen sterven zoals alle mensen sterven, en hun lot is dat van alle mensen, dan heeft Yahweh mij niet gestuurd. Brontekst: אִם (im) = als | כְּמ֤וֹת (kemot) = zoals de dood van | כָּל (kal) = alle | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mensen | יְמֻת֣וּן (yemutun) = zij zullen sterven | אֵ֔לֶּה (ele) = deze | וּפְקֻדַּת֙ (ufequdat) = en het lot van | כָּל (kal) = alle | הָ֣אָדָ֔ם (haadam) = de mensen | יִפָּקֵ֖ד (yipaqed) = zal bezocht worden | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = over hen | לֹ֥א (lo) = niet | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁלָחָֽנִי (shelachani) = mij heeft gestuurd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 35:15; Pred 3:19; 1 Kon 22:28; Jes 10:3; Klaagl 4:22 **16:30** Maar stel dat Yahweh iets nieuws schept. En de grond opent haar mond en slokt hen op met alles wat van hen is. En zij dalen levend af naar de Sjeol. Dan zullen jullie weten dat deze mannen Yahweh geminacht hebben.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בְּרִיאָ֞ה (beria) = iets nieuws | יִבְרָ֣א (yivra) = Hij schept | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וּפָצְתָ֨ה (ufatseta) = en opent | הָאֲדָמָ֤ה (haadama) = de grond | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֨יהָ֙ (piha) = haar mond | וּבָלְעָ֤ה (uvalea) = en slokt op | אֹתָם֙ (otam) = hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לָהֶ֔ם (lahem) = van hen | וְיָרְד֥וּ (veyaredu) = en zij dalen af | חַיִּ֖ים (chayim) = levend | שְׁאֹ֑לָה (sheola) = naar de Sjeol | וִֽידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = dan zullen jullie weten | כִּ֧י (ki) = dat | נִֽאֲצ֛וּ (niatsu) = minachtten | הָאֲנָשִׁ֥ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִיאָה (beri’ah), ‘iets nieuws’: letterlijk ‘een schepping’, van בָּרָא (bara), ‘scheppen’. Het woord komt alleen hier voor. Voetnoot : שְׁאוֹל (she’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk, zoals in Gen. 37:35. Voetnoot : נָאַץ (na’ats), ‘minachten’: zoals in Num. 14:11. Zie ook: Gen 37:35; Job 31:3; Num 14:11; Num 16:33; Ps 55:16; Jes 43:19; Jer 31:22 **16:31** Zodra hij al deze woorden had uitgesproken, spleet de grond onder hen open. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het gebeurde | כְּכַלֹּת֔וֹ (kekhaloto) = toen hij ophield | לְדַבֵּ֕ר (ledaber) = met spreken | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַתִּבָּקַ֥ע (vatibaqa) = en spleet open | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תַּחְתֵּיהֶֽם (tachteihem) = onder hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 26:10–11; Num 27:3; Deut 11:6; Ps 106:17–18 **16:32** De aarde opende haar mond en slokte hen op, met hun huizen en alle mensen die van Korach waren, en al hun bezit. Brontekst: וַתִּפְתַּ֤ח (vatiftach) = en opende | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֔יהָ (piha) = haar mond | וַתִּבְלַ֥ע (vativla) = en slokte op | אֹתָ֖ם (otam) = hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּתֵּיהֶ֑ם (bateihem) = hun huizen | וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָאָדָם֙ (haadam) = mensen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְקֹ֔רַח (leqorach) = van Korach | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרֲכֽוּשׁ (harakhush) = het bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonen van Korach kwamen niet om (Num. 26:11). Voetnoot Aanvullend: Jasher 84:2 bevestigt dat de aarde haar mond opende en Korach en de zijnen verslond. Zie ook: Jas 84:2; Num 26:11; 1 Kron 6:7; Ps 106:17; Jes 5:14; Openb 12:16 **16:33** Zij daalden levend af naar de Sjeol, zij en alles wat van hen was. De aarde bedekte hen en zij kwamen om, weg uit het midden van de vergadering. Brontekst: וַיֵּ֨רְד֜וּ (vayeredu) = en zij daalden af | הֵ֣ם (hem) = zij | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לָהֶ֛ם (lahem) = van hen | חַיִּ֖ים (chayim) = levend | שְׁאֹ֑לָה (sheola) = naar de Sjeol | וַתְּכַ֤ס (vatekhas) = en bedekte | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = hen | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וַיֹּאבְד֖וּ (vayovdu) = en zij kwamen om | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַקָּהָֽל (haqahal) = de vergadering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 69:16; Ps 143:7; Ezech 32:18; Ezech 32:30; Jud 1:11 **16:34** Heel Israël dat rondom hen stond, vluchtte bij hun geschreeuw, want zij zeiden: „Anders slokt de aarde ons op!” Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | סְבִיבֹתֵיהֶ֖ם (sevivoteihem) = rondom hen | נָ֣סוּ (nasu) = vluchtte | לְקֹלָ֑ם (leqolam) = bij hun geschreeuw | כִּ֣י (ki) = want | אָֽמְר֔וּ (ameru) = zij zeiden | פֶּן (pen) = anders | תִּבְלָעֵ֖נוּ (tivlaenu) = slokt ons op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 17:27–28; Jes 33:3; Zach 14:5; Openb 6:15–17 ### Het vuur van Yahweh **16:35** Er ging een vuur uit van Yahweh. Het verteerde de 250 mannen die de wierook gebracht hadden. Brontekst: וְאֵ֥שׁ (veesh) = en vuur | יָצְאָ֖ה (yatsea) = ging uit | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַתֹּ֗אכַל (vatokhal) = en verteerde | אֵ֣ת (et) = (obj.) | הַחֲמִשִּׁ֤ים (hachamishim) = de vijftig | וּמָאתַ֨יִם֙ (umatayim) = en tweehonderd | אִ֔ישׁ (ish) = man | מַקְרִיבֵ֖י (maqrivei) = die brachten | הַקְּטֹֽרֶת (haqetoret) = de wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een vuur van Yahweh verteert ook Nadab en Abihu, die met hun vuurpan wierook brachten (Lev. 10:1–2). Zie ook: Lev 10:1–2; Lev 10:2; Num 11:1–3; Num 16:17; Num 26:10; Ps 106:18 ## Numeri 17 _De vuurpannen, de plaag en de staf van Aäron_ ### De vuurpannen worden altaarbekleding **17:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk volgt de Hebreeuwse telling: Num. 17:1–15 is in Engelse Bijbels Num. 16:36–50, en Num. 17:16–28 is daar Num. 17:1–13. Zie ook: Num 16:36–50; Num 17:16–28 **17:2** **„Zeg tegen Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat hij de vuurpannen uit de brand moet halen. Het vuur moet hij ver weg strooien, want de pannen zijn heilig geworden.** Brontekst: אֱמֹ֨ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tot | אֶלְעָזָ֜ר (elazar) = Eleazar | בֶּן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְיָרֵ֤ם (veyarem) = en laat hem opnemen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּחְתֹּת֙ (hamachtot) = de vuurpannen | מִבֵּ֣ין (mibein) = uit het midden van | הַשְּׂרֵפָ֔ה (haserefa) = de brand | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֵ֖שׁ (haesh) = het vuur | זְרֵה (zere) = strooi | הָ֑לְאָה (halea) = ver weg | כִּ֖י (ki) = want | קָדֵֽשׁוּ (qadeshu) = zij zijn heilig geworden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het is Eleazar en niet Aäron die de vuurpannen opneemt. Aäron is de hogepriester en mag niet bij een lijk komen (Lev. 21:10–11). Zie ook: Lev 21:10–11; Lev 27:28; Num 16:7; Num 16:18 **17:3** **De vuurpannen van deze zondaars, die hun eigen leven verspeeld hebben: men moet er uitgehamerde platen van maken als bekleding voor het altaar. Want zij hebben ze voor het aangezicht van Yahweh gebracht, en zo zijn ze heilig geworden. Ze moeten een teken zijn voor de zonen van Israël.”** Brontekst: אֵ֡ת (et) = (obj.) | מַחְתּוֹת֩ (machtot) = de vuurpannen van | הַֽחַטָּאִ֨ים (hachataim) = de zondaars | הָאֵ֜לֶּה (haele) = deze | בְּנַפְשֹׁתָ֗ם (benafshotam) = met hun levens | וְעָשׂ֨וּ (veasu) = en zij zullen maken | אֹתָ֜ם (otam) = ze | רִקֻּעֵ֤י (riquei) = uitgehamerde platen van | פַחִים֙ (pachim) = platen | צִפּ֣וּי (tsipuy) = bekleding | לַמִּזְבֵּ֔חַ (lamizbeach) = voor het altaar | כִּֽי (ki) = want | הִקְרִיבֻ֥ם (hiqrivum) = zij brachten ze | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּקְדָּ֑שׁוּ (vayiqdashu) = en zij werden heilig | וְיִֽהְי֥וּ (veyihyu) = en zij zullen zijn | לְא֖וֹת (leot) = tot een teken | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנַפְשֹׁתָם (benafshotam), ‘met hun levens’: letterlijk ‘in hun levens’. Zij hebben hun zonde met hun leven betaald. Wij vertalen ‘die hun eigen leven verspeeld hebben’. Zie ook: Num 17:25; Num 26:10; Spr 20:2; Ezech 14:8; 2 Petr 2:6 **17:4** Eleazar, de priester, nam de koperen vuurpannen die de verbrande mannen gebracht hadden, en men hamerde ze tot platen als bekleding voor het altaar. Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | אֵ֚ת (et) = (obj.) | מַחְתּ֣וֹת (machtot) = de vuurpannen van | הַנְּחֹ֔שֶׁת (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הִקְרִ֖יבוּ (hiqrivu) = brachten | הַשְּׂרֻפִ֑ים (haserufim) = de verbrandenen | וַֽיְרַקְּע֖וּם (vayraqeum) = en men hamerde ze | צִפּ֥וּי (tsipuy) = bekleding | לַמִּזְבֵּֽחַ (lamizbeach) = voor het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:5** Het was een gedachtenis voor de zonen van Israël. Zo zou geen vreemde man, die niet van het nageslacht van Aäron is, naderen om wierook te laten opgaan voor het aangezicht van Yahweh. Hij zou niet worden zoals Korach en zijn aanhang, zoals Yahweh door Mozes tot hem gesproken had. Brontekst: זִכָּר֞וֹן (zikaron) = gedachtenis | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לְ֠מַעַן (lemaan) = opdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יִקְרַ֜ב (yiqrav) = nadert | אִ֣ישׁ (ish) = een man | זָ֗ר (zar) = vreemd | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | מִזֶּ֤רַע (mizera) = van het nageslacht van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | ה֔וּא (hu) = hij is | לְהַקְטִ֥יר (lehaqtir) = om in rook te laten opgaan | קְטֹ֖רֶת (qetoret) = wierook | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֤ה (yihye) = hij zal worden | כְקֹ֨רַח֙ (keqorach) = zoals Korach | וְכַ֣עֲדָת֔וֹ (vekhaadato) = en zoals zijn aanhang | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֧ר (diber) = sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לֽוֹ (lo) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִכָּרוֹן (zikkaron), ‘gedachtenis’: iets dat herinnert. זָר (zar), ‘vreemde’: iemand die niet tot de priesters hoort, zoals in Exod. 29:33. Zie ook: Ex 29:33; Num 3:10; Num 3:38; Num 18:4–7; 1 Kon 13:1–3; 2 Kron 26:16–21 ### De plaag onder het volk **17:6** De volgende dag morde heel de gemeenschap van de zonen van Israël tegen Mozes en Aäron. Zij zeiden: „Jullie hebben het volk van Yahweh gedood!” Brontekst: וַיִּלֹּ֜נוּ (vayilonu) = en zij morden | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֤ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | עַל (al) = tegen | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְעַֽל (veal) = en tegen | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | הֲמִתֶּ֖ם (hamitem) = hebben gedood | אֶת (et) = (obj.) | עַ֥ם (am) = het volk van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit gebeurt de dag nadat de grond Korach, Datan en Abiram heeft opgeslokt (Num. 16:32). Het volk geeft nu Mozes en Aäron de schuld. Zie ook: Num 14:2; Num 16:1–7; Num 16:32; Ps 106:13; Ps 106:23; Ps 106:25–48 **17:7** Toen de gemeenschap zich tegen Mozes en Aäron verzamelde, keken zij naar de tent van samenkomst. En zie: de wolk had hem bedekt en de heerlijkheid van Yahweh verscheen. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het gebeurde | בְּהִקָּהֵ֤ל (behiqahel) = toen zich verzamelde | הָֽעֵדָה֙ (haeda) = de gemeenschap | עַל (al) = tegen | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְעַֽל (veal) = en tegen | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | וַיִּפְנוּ֙ (vayifnu) = en zij wendden zich | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | כִסָּ֖הוּ (kisahu) = had hem bedekt | הֶעָנָ֑ן (heanan) = de wolk | וַיֵּרָ֖א (vayera) = en verscheen | כְּב֥וֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde heerlijkheid van Yahweh verscheen ook in Num. 16:19. Zie ook: Ex 40:34–35; Lev 9:23; Num 14:10; Num 16:19; Num 20:6 **17:8** Mozes en Aäron kwamen voor de tent van samenkomst. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwamen | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֔ן (veaharon) = en Aäron | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֖י (penei) = de voorkant van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:9** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:10** **„Ga weg uit het midden van deze gemeenschap, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.”** Zij wierpen zich op hun gezicht neer. Brontekst: הֵרֹ֗מּוּ (heromu) = ga weg | מִתּוֹךְ֙ (mitokh) = uit het midden van | הָעֵדָ֣ה (haeda) = de gemeenschap | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וַאֲכַלֶּ֥ה (vaakhale) = en Ik zal vernietigen | אֹתָ֖ם (otam) = hen | כְּרָ֑גַע (keraga) = in een oogwenk | וַֽיִּפְּל֖וּ (vayipelu) = en zij vielen | עַל (al) = op | פְּנֵיהֶֽם (peneihem) = hun gezichten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵרֹמּוּ (heromu), ‘ga weg’: letterlijk ‘hef jullie op, maak jullie los’. Bijna dezelfde woorden stonden in Num. 16:21. Zie ook: Num 16:21–22; Num 16:24; Num 16:26; 1 Kron 21:16; Mat 26:39 **17:11** Mozes zei tegen Aäron: „Neem de vuurpan, doe er vuur op van het altaar en leg er wierook op. Ga snel naar de gemeenschap om verzoening voor hen te doen. Want de toorn is van het aangezicht van Yahweh uitgegaan, de plaag is begonnen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | קַ֣ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | הַ֠מַּחְתָּה (hamachta) = de vuurpan | וְתֶן (veten) = en doe | עָלֶ֨יהָ (aleiha) = daarop | אֵ֜שׁ (esh) = vuur | מֵעַ֤ל (meal) = van op | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | וְשִׂ֣ים (vesim) = en leg | קְטֹ֔רֶת (qetoret) = wierook | וְהוֹלֵ֧ךְ (veholekh) = en ga | מְהֵרָ֛ה (mehera) = snel | אֶל (el) = naar | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | וְכַפֵּ֣ר (vekhaper) = en doe verzoening | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = voor hen | כִּֽי (ki) = want | יָצָ֥א (yatsa) = is uitgegaan | הַקֶּ֛צֶף (haqetsef) = de toorn | מִלִּפְנֵ֥י (milifnei) = van het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֵחֵ֥ל (hechel) = is begonnen | הַנָּֽגֶף (hanagef) = de plaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶצֶף (qetsef), ‘toorn’: woede die tot straf leidt. נֶגֶף (negef), ‘plaag’: een slag, zoals in Exod. 12:13. Zie ook: Ex 12:13; Lev 10:6; Num 8:19; Num 11:33; 1 Kron 27:24; Ps 106:29 **17:12** Aäron nam de vuurpan zoals Mozes gezegd had en rende midden in de vergadering. En zie: de plaag was begonnen onder het volk. Hij legde de wierook erop en deed verzoening voor het volk. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֣ר (diber) = sprak | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וַיָּ֨רָץ֙ (vayarats) = en rende | אֶל (el) = naar | תּ֣וֹך (tokh) = het midden van | הַקָּהָ֔ל (haqahal) = de vergadering | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | הֵחֵ֥ל (hechel) = is begonnen | הַנֶּ֖גֶף (hanegef) = de plaag | בָּעָ֑ם (baam) = onder het volk | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en hij gaf | אֶֽת (et) = (obj.) | הַקְּטֹ֔רֶת (haqetoret) = de wierook | וַיְכַפֵּ֖ר (vaykhaper) = en hij deed verzoening | עַל (al) = voor | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat alleen ‘en hij gaf de wierook’. Wij vertalen ‘legde de wierook erop’, op het vuur in de vuurpan (vers 11). Zie ook: Num 17:11; Deut 33:10–11; Ps 106:29; Jes 53:10–12; Rom 12:21 **17:13** Hij ging staan tussen de doden en de levenden, en de plaag werd gestopt. Brontekst: וַיַּעֲמֹ֥ד (vayaamod) = en hij ging staan | בֵּֽין (bein) = tussen | הַמֵּתִ֖ים (hametim) = de doden | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַֽחַיִּ֑ים (hachayim) = de levenden | וַתֵּעָצַ֖ר (vateatsar) = en werd gestopt | הַמַּגֵּפָֽה (hamagefa) = de plaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aäron staat tussen de doden en de levenden en doet verzoening met wierook: zo houdt de plaag op. Het woord ‘plaag’ is hier מַגֵּפָה (maggefah), zoals in Num. 14:37. Zie ook: Num 14:37; Num 25:8–11; 2 Sam 24:25; Ps 106:30; Joh 5:14; Jak 5:16 **17:14** Er waren 14.700 doden door de plaag, behalve de doden vanwege Korach. Brontekst: וַיִּהְי֗וּ (vayihyu) = en waren | הַמֵּתִים֙ (hametim) = de doden | בַּמַּגֵּפָ֔ה (bamagefa) = door de plaag | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֛ר (asar) = tien | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּשְׁבַ֣ע (usheva) = en zeven | מֵא֑וֹת (meot) = honderd | מִלְּבַ֥ד (milevad) = behalve | הַמֵּתִ֖ים (hametim) = de doden | עַל (al) = vanwege | דְּבַר (devar) = de zaak van | קֹֽרַח (qorach) = Korach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:32–35; Num 25:9; 1 Kron 21:14; Heb 2:1–3; Heb 10:28–29 **17:15** Aäron ging terug naar Mozes bij de ingang van de tent van samenkomst. De plaag was gestopt. Brontekst: וַיָּ֤שָׁב (vayashav) = en keerde terug | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶל (el) = naar | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְהַמַּגֵּפָ֖ה (vehamagefa) = en de plaag | נֶעֱצָֽרָה (neetsara) = was gestopt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 17:8; 1 Kron 21:26–30 ### De staven van de stammen **17:16** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:17** **„Spreek tot de zonen van Israël en neem van hen een staf per vaderhuis, van al hun leiders volgens hun vaderhuizen: 12 staven. Schrijf ieders naam op zijn staf.** Brontekst: דַּבֵּ֣ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְקַ֣ח (veqach) = en neem | מֵֽאִתָּ֡ם (meitam) = van hen | מַטֶּ֣ה (mate) = een staf | מַטֶּה֩ (mate) = een staf | לְבֵ֨ית (leveit) = per huis van | אָ֜ב (av) = vader | מֵאֵ֤ת (meet) = van | כָּל (kal) = al | נְשִֽׂיאֵהֶם֙ (nesiehem) = hun leiders | לְבֵ֣ית (leveit) = per huis van | אֲבֹתָ֔ם (avotam) = hun vaders | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | מַטּ֑וֹת (matot) = staven | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֔וֹ (shemo) = zijn naam | תִּכְתֹּ֖ב (tikhtov) = je zult schrijven | עַל (al) = op | מַטֵּֽהוּ (matehu) = zijn staf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטֶּה (matteh), ‘staf’: hetzelfde woord betekent ‘stam’ (Num. 13:4). De staf staat voor de stam. בֵּית אָב (beit av), ‘vaderhuis’: de huishouding van de vader met zijn nakomelingen, een onderdeel van een stam (Num. 1:2). Voetnoot : Het zijn 12 staven. Waarschijnlijk telt Jozef met Efraïm en Manasse als één staf en telt Levi (vers 18) als aparte staf. Zie ook: Gen 49:10; Num 1:2; Num 13:4; Num 17:18; Ps 110:2; Mi 7:14; Ezech 19:14; Ezech 21:18 **17:18** **De naam van Aäron moet je schrijven op de staf van Levi, want er is één staf voor het hoofd van hun vaderhuis.** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | תִּכְתֹּ֖ב (tikhtov) = je zult schrijven | עַל (al) = op | מַטֵּ֣ה (mate) = de staf van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | כִּ֚י (ki) = want | מַטֶּ֣ה (mate) = een staf | אֶחָ֔ד (echad) = één | לְרֹ֖אשׁ (lerosh) = voor het hoofd van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֲבוֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:16; Ex 6:20; Num 3:2–3; Num 18:1; Num 18:7 **17:19** **Leg ze neer in de tent van samenkomst, voor het getuigenis, waar Ik jullie ontmoet.** Brontekst: וְהִנַּחְתָּ֖ם (vehinachtam) = en leg ze neer | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | הָֽעֵד֔וּת (haedut) = het getuigenis | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waar | אִוָּעֵ֥ד (ivaed) = Ik mij ontmoet | לָכֶ֖ם (lakhem) = met jullie | שָֽׁמָּה (shama) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Voor het getuigenis’: voor de ark van het getuigenis, waar Yahweh Mozes ontmoet (Exod. 25:22; 30:36). Zie ook: Ex 25:16–22; Ex 25:22; Ex 29:42–43; Ex 30:6; Ex 30:36; Num 17:22 **17:20** **De man die Ik kies, van hem zal de staf uitlopen. Zo zal Ik het morren van de zonen van Israël van Mij af doen bedaren, het morren waarmee zij tegen jullie morren.”** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֶבְחַר (evchar) = Ik kies | בּ֖וֹ (bo) = hem | מַטֵּ֣הוּ (matehu) = zijn staf | יִפְרָ֑ח (yifrach) = zal uitlopen | וַהֲשִׁכֹּתִ֣י (vahashikoti) = en Ik zal doen bedaren | מֵֽעָלַ֗י (mealay) = van Mij af | אֶת (et) = (obj.) | תְּלֻנּוֹת֙ (telunot) = het morren van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | הֵ֥ם (hem) = zij | מַלִּינִ֖ם (malinim) = morrend | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = tegen jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:5; Num 16:11; Num 17:23; Hos 14:6; Ezech 16:41 **17:21** Mozes sprak tot de zonen van Israël. Al hun leiders gaven hem een staf, een staf per leider, per vaderhuis: 12 staven. De staf van Aäron lag tussen hun staven. Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וַיִּתְּנ֣וּ (vayitenu) = en zij gaven | אֵלָ֣יו (elav) = hem | כָּֽל (kal) = al | נְשִֽׂיאֵיהֶ֡ם (nesieihem) = hun leiders | מַטֶּה֩ (mate) = een staf | לְנָשִׂ֨יא (lenasi) = per leider | אֶחָ֜ד (echad) = één | מַטֶּ֨ה (mate) = een staf | לְנָשִׂ֤יא (lenasi) = per leider | אֶחָד֙ (echad) = één | לְבֵ֣ית (leveit) = per huis van | אֲבֹתָ֔ם (avotam) = hun vaders | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | מַטּ֑וֹת (matot) = staven | וּמַטֵּ֥ה (umate) = en de staf van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | מַטּוֹתָֽם (matotam) = hun staven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:22** Mozes legde de staven neer voor het aangezicht van Yahweh, in de tent van het getuigenis. Brontekst: וַיַּנַּ֥ח (vayanach) = en legde neer | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּטֹּ֖ת (hamatot) = de staven | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּאֹ֖הֶל (beohel) = in de tent van | הָעֵדֻֽת (haedut) = het getuigenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 38:21; Num 18:2; Hand 7:44 ### Aärons staf loopt uit **17:23** De volgende dag ging Mozes de tent van het getuigenis in. En zie: de staf van Aäron, voor het huis van Levi, was uitgelopen. Er waren knoppen uitgekomen, er bloeide bloesem en er rijpten amandelen. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | מִֽמָּחֳרָ֗ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | הָעֵד֔וּת (haedut) = het getuigenis | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | פָּרַ֥ח (parach) = was uitgelopen | מַטֵּֽה (mate) = de staf van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | וַיֹּ֤צֵֽא (vayotse) = en bracht voort | פֶ֨רַח֙ (perach) = knoppen | וַיָּ֣צֵֽץ (vayatsets) = en liet bloeien | צִ֔יץ (tsits) = bloesem | וַיִּגְמֹ֖ל (vayigmol) = en liet rijpen | שְׁקֵדִֽים (sheqedim) = amandelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁקֵדִים (shqedim), ‘amandelen’: in één nacht gebeurt wat normaal maanden duurt: knoppen, bloesem en rijpe vruchten. Zie ook: Num 17:20; Ps 132:17–18; Jes 4:2; Ezech 17:24; Joh 15:1–6 **17:24** Mozes bracht alle staven van voor het aangezicht van Yahweh naar alle zonen van Israël. Zij zagen ze en namen ieder zijn staf. Brontekst: וַיֹּצֵ֨א (vayotse) = en bracht uit | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַמַּטֹּת֙ (hamatot) = de staven | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = van voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = naar | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּרְא֥וּ (vayiru) = en zij zagen | וַיִּקְח֖וּ (vayiqchu) = en zij namen | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | מַטֵּֽהוּ (matehu) = zijn staf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:25** Yahweh zei tegen Mozes: **„Breng de staf van Aäron terug voor het getuigenis, om bewaard te worden als teken voor de rebelse zonen. Zo maak je een einde aan hun morren tegen Mij, zodat zij niet sterven.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | הָשֵׁ֞ב (hashev) = breng terug | אֶת (et) = (obj.) | מַטֵּ֤ה (mate) = de staf van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הָעֵד֔וּת (haedut) = het getuigenis | לְמִשְׁמֶ֥רֶת (lemishmeret) = om bewaard te worden | לְא֖וֹת (leot) = tot een teken | לִבְנֵי (livnei) = voor de zonen van | מֶ֑רִי (meri) = opstand | וּתְכַ֧ל (utekhal) = en maak een einde | תְּלוּנֹּתָ֛ם (telunotam) = hun morren | מֵעָלַ֖י (mealay) = van Mij af | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָמֻֽתוּ (yamutu) = zij zullen sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי־מֶרִי (benei meri), ‘rebelse zonen’: letterlijk ‘zonen van opstand’. Hebreeën 9:4 noemt de staf van Aäron bij de voorwerpen in de ark; volgens dit vers staat hij ervoor, bij het getuigenis. Zie ook: 1 Sam 2:12; Ps 57:5; Jes 1:2; Ef 5:6; Heb 9:4 **17:26** Mozes deed het; zoals Yahweh hem geboden had, zo deed hij. Brontekst: וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en deed | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֖וֹ (oto) = hem | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשָֽׂה (asa) = deed hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De angst van het volk **17:27** De zonen van Israël zeiden tegen Mozes: „Zie, wij sterven, wij gaan verloren, wij gaan allemaal verloren! Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הֵ֥ן (hen) = zie | גָּוַ֛עְנוּ (gavanu) = wij sterven | אָבַ֖דְנוּ (avadnu) = wij gaan verloren | כֻּלָּ֥נוּ (kulanu) = wij allen | אָבָֽדְנוּ (avadenu) = wij gaan verloren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 26:11; Spr 19:3; Jes 6:5; Jes 57:16; Heb 12:5 **17:28** Iedereen die dichterbij komt, die de tabernakel van Yahweh nadert, sterft. Is het dan met ons gedaan? Moeten we allemaal sterven?” Brontekst: כֹּ֣ל (kol) = elke | הַקָּרֵ֧ב (haqarev) = die dichterbij komt | הַקָּרֵ֛ב (haqarev) = die dichterbij komt | אֶל (el) = naar | מִשְׁכַּ֥ן (mishkan) = de tabernakel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יָמ֑וּת (yamut) = sterft | הַאִ֥ם (haim) = is het dat | תַּ֖מְנוּ (tamnu) = wij ten einde zijn | לִגְוֺֽעַ (ligvoa) = om te sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De angst van het volk gaat over de tabernakel: wie te dicht bij de heilige plaats komt, sterft. Dat brengt Yahweh in Num. 18 op een regeling voor de dienst van priesters en Levieten. Zie ook: Num 32:13; 2 Sam 6:6–12; Ps 90:7; Jes 28:22; Hand 5:11–14 ## Numeri 18 _De taak van de priesters en de Levieten en wat zij ontvangen_ ### De verantwoordelijkheid van de priesters en de Levieten **18:1** Yahweh zei tegen Aäron: **„Jij, je zonen en je vaderhuis met je, jullie moeten de schuld van het heiligdom dragen. Jij en je zonen met je, jullie moeten de schuld van jullie priesterschap dragen.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | אַתָּ֗ה (ata) = jij | וּבָנֶ֤יךָ (uvaneikha) = en je zonen | וּבֵית (uveit) = en het huis van | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | אִתָּ֔ךְ (itakh) = met je | תִּשְׂא֖וּ (tisu) = jullie zullen dragen | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺ֣ן (avon) = de schuld van | הַמִּקְדָּ֑שׁ (hamiqdash) = het heiligdom | וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | וּבָנֶ֣יךָ (uvaneikha) = en je zonen | אִתָּ֔ךְ (itakh) = met je | תִּשְׂא֖וּ (tisu) = jullie zullen dragen | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺ֥ן (avon) = de schuld van | כְּהֻנַּתְכֶֽם (kehunatkhem) = jullie priesterschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא עָוֺן (nasa avon), ‘de schuld dragen’: de verantwoordelijkheid dragen voor fouten in en rond het heiligdom en het priesterschap. Zie ook Num. 17:28. Zie ook: Ex 28:38; Num 17:28; Ezech 3:18–19; 1 Petr 2:24; Heb 4:15; Heb 13:17 **18:2** **Laat ook je broers, de stam van Levi, de stam van je vader, met je naderen. Zij zullen zich bij je aansluiten en je dienen, terwijl jij en je zonen met je voor de tent van het getuigenis zijn.** Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | אַחֶיךָ֩ (acheikha) = je broers | מַטֵּ֨ה (mate) = de stam van | לֵוִ֜י (levi) = Levi | שֵׁ֤בֶט (shevet) = de stam van | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | הַקְרֵ֣ב (haqrev) = laat naderen | אִתָּ֔ךְ (itakh) = met je | וְיִלָּו֥וּ (veyilavu) = en zij zullen zich aansluiten | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = bij je | וִֽישָׁרְת֑וּךָ (visharetukha) = en zij zullen je dienen | וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | וּבָנֶ֣יךָ (uvaneikha) = en je zonen | אִתָּ֔ךְ (itakh) = met je | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | הָעֵדֻֽת (haedut) = het getuigenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיִלָּווּ (veyillavu), ‘zij zullen zich aansluiten’: een woordspeling met de naam Levi (לֵוִי). Het werkwoord staat ook in vers 4. Zie ook: Gen 29:34; Num 17:5; Num 17:22; Num 18:4; 1 Kron 16:39–40; 2 Kron 30:16 **18:3** **Zij moeten jouw wacht houden en de wacht van heel de tent. Maar tot de voorwerpen van het heiligdom en tot het altaar mogen zij niet naderen, anders sterven zowel zij als jullie.** Brontekst: וְשָֽׁמְרוּ֙ (veshameru) = en zij zullen houden | מִֽשְׁמַרְתְּךָ֔ (mishmartekha) = jouw wacht | וּמִשְׁמֶ֖רֶת (umishmeret) = en de wacht van | כָּל (kal) = heel | הָאֹ֑הֶל (haohel) = de tent | אַךְ֩ (akh) = maar | אֶל (el) = tot | כְּלֵ֨י (kelei) = de voorwerpen van | הַקֹּ֤דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וְאֶל (veel) = en tot | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | לֹ֣א (lo) = niet | יִקְרָ֔בוּ (yiqravu) = zij zullen naderen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָמֻ֥תוּ (yamutu) = zij zullen sterven | גַם (gam) = zowel | הֵ֖ם (hem) = zij | גַּם (gam) = als | אַתֶּֽם (atem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wacht’: de taak om iets te bewaken. Wij vertalen ‘de wacht houden’, zoals in Lev. 8:35. Zie ook Num. 3:7–8. Zie ook: Lev 8:35; Num 3:7–8; Num 3:25; Num 3:36; Num 4:15; Num 4:19–20; Num 17:5 **18:4** **Zij moeten zich bij je aansluiten en de wacht van de tent van samenkomst houden voor heel de dienst van de tent. Een vreemde mag niet tot jullie naderen.** Brontekst: וְנִלְו֣וּ (venilvu) = en zij zullen zich aansluiten | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = bij je | וְשָֽׁמְר֗וּ (veshameru) = en zij zullen houden | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֨רֶת֙ (mishmeret) = de wacht van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor heel | עֲבֹדַ֣ת (avodat) = de dienst van | הָאֹ֑הֶל (haohel) = de tent | וְזָ֖ר (vezar) = en een vreemde | לֹא (lo) = niet | יִקְרַ֥ב (yiqrav) = zal naderen | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = tot jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:51; Num 3:10; 1 Sam 6:19; 2 Sam 6:6–7 **18:5** **Jullie moeten de wacht van het heiligdom en de wacht van het altaar houden. Dan zal er geen toorn meer komen over de zonen van Israël.** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֗ם (ushemartem) = en jullie zullen houden | אֵ֚ת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֣רֶת (mishmeret) = de wacht van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | מִשְׁמֶ֣רֶת (mishmeret) = de wacht van | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | ע֛וֹד (od) = meer | קֶ֖צֶף (qetsef) = toorn | עַל (al) = over | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:21; Ex 30:7–10; Lev 24:3; Num 8:2; Num 17:11 **18:6** **Zie, Ik zelf heb jullie broers, de Levieten, uit het midden van de zonen van Israël genomen. Zij zijn voor jullie een geschenk, aan Yahweh gegeven om de dienst van de tent van samenkomst te doen.** Brontekst: וַאֲנִ֗י (vaani) = en Ik | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | לָקַ֨חְתִּי֙ (laqachti) = heb genomen | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֵיכֶ֣ם (acheikhem) = jullie broers | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | מִתּ֖וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לָכֶ֞ם (lakhem) = voor jullie | מַתָּנָ֤ה (matana) = een geschenk | נְתֻנִים֙ (netunim) = gegeven | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | לַעֲבֹ֕ד (laavod) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַ֖ת (avodat) = de dienst van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten zijn Yahweh gegeven in plaats van de eerstgeborenen van Israël (Num. 3:11–13; 8:16–19) en zij zijn nu een geschenk aan de priesters. Zie ook: Gen 9:9; Ex 14:17; Num 3:9; Num 3:11–13; Num 3:12; Num 3:45; Num 8:16 **18:7** **Jij en je zonen met je moeten waken over jullie priesterschap, in alles wat het altaar betreft en wat binnen de voorhang is. Jullie moeten de dienst doen. Het priesterschap geef Ik jullie als een geschenk. De vreemde die nadert, moet gedood worden.”** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | וּבָנֶ֣יךָ (uvaneikha) = en je zonen | אִ֠תְּךָ (itekha) = met je | תִּשְׁמְר֨וּ (tishmeru) = jullie zullen waarnemen | אֶת (et) = (obj.) | כְּהֻנַּתְכֶ֜ם (kehunatkhem) = jullie priesterschap | לְכָל (lekhal) = voor alles | דְּבַ֧ר (devar) = wat betreft | הַמִּזְבֵּ֛חַ (hamizbeach) = het altaar | וּלְמִבֵּ֥ית (ulemibeit) = en wat binnen | לַפָּרֹ֖כֶת (laparokhet) = de voorhang | וַעֲבַדְתֶּ֑ם (vaavadtem) = en jullie zullen dienen | עֲבֹדַ֣ת (avodat) = de dienst van | מַתָּנָ֗ה (matana) = een geschenk | אֶתֵּן֙ (eten) = Ik geef | אֶת (et) = (obj.) | כְּהֻנַּתְכֶ֔ם (kehunatkhem) = jullie priesterschap | וְהַזָּ֥ר (vehazar) = en de vreemde | הַקָּרֵ֖ב (haqarev) = die nadert | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִבֵּית לַפָּרֹכֶת (mibbet laparokhet), ‘wat binnen de voorhang is’: het heilige der heiligen, achter de voorhang. Alleen de priesters doen daar dienst. Zie ook: Num 3:10; Num 17:5; Num 18:4–5; Joh 3:27; Rom 15:15–16 ### Wat de priesters ontvangen **18:8** Yahweh sprak tot Aäron: **„Zie, Ik zelf heb jou de wacht over Mijn heffingen gegeven, bij alle heilige dingen van de zonen van Israël. Ik heb ze aan jou gegeven als zalfdeel en aan je zonen als eeuwig voorschrift.** Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹן֒ (aharon) = Aäron | וַאֲנִי֙ (vaani) = en Ik | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | נָתַ֣תִּֽי (natati) = heb gegeven | לְךָ֔ (lekha) = aan jou | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֖רֶת (mishmeret) = de wacht over | תְּרוּמֹתָ֑י (terumotay) = Mijn heffingen | לְכָל (lekhal) = bij alle | קָדְשֵׁ֣י (qadeshei) = heilige dingen van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | לְךָ֨ (lekha) = aan jou | נְתַתִּ֧ים (netatim) = heb Ik ze gegeven | לְמָשְׁחָ֛ה (lemashecha) = als zalfdeel | וּלְבָנֶ֖יךָ (ulevaneikha) = en aan je zonen | לְחָק (lechaq) = als voorschrift | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: wat men opheft en aan Yahweh geeft. Bij offers vertalen wij hetzelfde woord met ‘heffing’ (Exod. 29:27–28). De heilige dingen zijn alles wat de zonen van Israël aan Yahweh toewijden. Voetnoot Lezing: מָשְׁחָה (moshchah), ‘zalfdeel’: een deel dat bij de zalving van de priesters hoort. Het woord komt weinig voor en de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Ex 29:27–28; Ex 40:13; Ex 40:15; Lev 6:9; Lev 6:11; Lev 7:6 **18:9** **Dit zal van jou zijn van het hoogheilige dat niet in het vuur opgaat. Dat zijn: al hun offergaven, al hun graanoffers, al hun zondoffers en al hun schuldoffers. Die brengen zij Mij terug. Hoogheilig is het voor jou en voor je zonen.** Brontekst: זֶֽה (ze) = dit | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | מִקֹּ֥דֶשׁ (miqodesh) = van het heilige van | הַקֳּדָשִׁ֖ים (haqodashim) = de hoogheilige dingen | מִן (min) = van | הָאֵ֑שׁ (haesh) = het vuur | כָּל (kal) = al | קָ֠רְבָּנָם (qarbanam) = hun offergave | לְֽכָל (lekhal) = bij al | מִנְחָתָ֞ם (minchatam) = hun graanoffer | וּלְכָל (ulekhal) = en bij al | חַטָּאתָ֗ם (chatatam) = hun zondoffer | וּלְכָל (ulekhal) = en bij al | אֲשָׁמָם֙ (ashamam) = hun schuldoffer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָשִׁ֣יבוּ (yashivu) = zij terugbrengen | לִ֔י (li) = aan Mij | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = hoogheilig van | קָֽדָשִׁ֥ים (qadashim) = hoogheilige dingen | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | ה֖וּא (hu) = het is | וּלְבָנֶֽיךָ (ulevaneikha) = en voor je zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer zijn hoogheilig; de priesters eten ervan (Lev. 6:9–11; 6:18–22; 7:6). Zie ook: Lev 4:22; Lev 5:1; Lev 6:9–11; Lev 6:18–19; Lev 7:7; Lev 14:13 **18:10** **Als hoogheilig moet je het eten. Elke man mag het eten. Heilig is het voor jou.** Brontekst: בְּקֹ֥דֶשׁ (beqodesh) = als het hoogheilige van | הַקֳּדָשִׁ֖ים (haqodashim) = de hoogheilige dingen | תֹּאכֲלֶ֑נּוּ (tokhalenu) = je zult het eten | כָּל (kal) = elke | זָכָר֙ (zakhar) = man | יֹאכַ֣ל (yokhal) = zal eten | אֹת֔וֹ (oto) = het | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לָּֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:31–32; Lev 6:9; Lev 6:22; Lev 7:6; Lev 21:22 **18:11** **Dit is ook voor jou: de heffing van hun gave, bij alle beweegoffers van de zonen van Israël. Ik heb ze aan jou gegeven, en aan je zonen en je dochters met je, als eeuwig voorschrift. Iedereen die rein is in je huis, mag het eten.** Brontekst: וְזֶה (veze) = en dit | לְּךָ֞ (lekha) = voor jou | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = de heffing van | מַתָּנָ֗ם (matanam) = hun gave | לְכָל (lekhal) = bij alle | תְּנוּפֹת֮ (tenufot) = beweegofferen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | לְךָ֣ (lekha) = aan jou | נְתַתִּ֗ים (netatim) = heb Ik ze gegeven | וּלְבָנֶ֧יךָ (ulevaneikha) = en aan je zonen | וְלִבְנֹתֶ֛יךָ (velivnoteikha) = en aan je dochters | אִתְּךָ֖ (itekha) = met je | לְחָק (lechaq) = als voorschrift | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | כָּל (kal) = iedereen | טָה֥וֹר (tahor) = rein | בְּבֵיתְךָ֖ (beveitekha) = in je huis | יֹאכַ֥ל (yokhal) = zal eten | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De dochters van de priester mogen mee-eten zolang zij tot zijn huis horen (Lev. 22:12–13). Zie ook: Ex 29:27–28; Lev 7:30–34; Lev 10:14; Lev 22:1–16; Lev 22:12–13; Deut 18:3 **18:12** **Al het beste van de olie, al het beste van de most en van het koren. Het eerste ervan, dat zij aan Yahweh geven, heb Ik aan jou gegeven.** Brontekst: כֹּ֚ל (kol) = al | חֵ֣לֶב (chelev) = het beste van | יִצְהָ֔ר (yitshar) = olie | וְכָל (vekhal) = en al | חֵ֖לֶב (chelev) = het beste van | תִּיר֣וֹשׁ (tirosh) = most | וְדָגָ֑ן (vedagan) = en koren | רֵאשִׁיתָ֛ם (reshitam) = hun eerste | אֲשֶׁר (asher) = dat | יִתְּנ֥וּ (yitenu) = zij geven | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | לְךָ֥ (lekha) = aan jou | נְתַתִּֽים (netatim) = heb Ik ze gegeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵלֶב (chelev), ‘het beste’: letterlijk ‘vet’, het beste deel. תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’: druivensap dat nog niet gegist is. רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: de eerste opbrengst. Zie ook: Ex 23:19; Ex 34:26; Lev 2:14; Lev 23:20; Deut 18:4 **18:13** **De eerstelingen van alles wat in hun land groeit en wat zij aan Yahweh brengen, zullen van jou zijn. Iedereen die rein is in je huis, mag ze eten.** Brontekst: בִּכּוּרֵ֞י (bikurei) = de eerstelingen van | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | בְּאַרְצָ֛ם (beartsam) = in hun land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יָבִ֥יאוּ (yaviu) = zij brengen | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | לְךָ֣ (lekha) = voor jou | יִהְיֶ֑ה (yihye) = zal zijn | כָּל (kal) = iedereen | טָה֥וֹר (tahor) = rein | בְּבֵיתְךָ֖ (beveitekha) = in je huis | יֹאכֲלֶֽנּוּ (yokhalenu) = zal ze eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerstelingen’: de eerste rijpe vruchten van het land, zoals in Exod. 23:19. Zie ook: Ex 22:28; Ex 23:19; Hos 9:10; Mi 7:1; Jer 24:2 **18:14** **Alles wat in Israël gebannen is, zal van jou zijn.** Brontekst: כָּל (kal) = alles | חֵ֥רֶם (cherem) = gebannen | בְּיִשְׂרָאֵ֖ל (beyisrael) = in Israël | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wat helemaal aan Yahweh is gewijd en niet meer teruggenomen kan worden (Lev. 27:28). Het werkwoord staat in Exod. 22:19. Zie ook: Ex 22:19; Lev 27:28; Ezech 44:29 **18:15** **Alles wat de moederschoot opent, bij alle vlees dat zij aan Yahweh brengen, bij mensen en bij dieren, zal van jou zijn. Alleen: de eerstgeborene van de mens moet je zeker lossen, en ook de eerstgeborene van het onreine dier moet je lossen.** Brontekst: כָּל (kal) = alles | פֶּ֣טֶר (peter) = wat opent | רֶ֠חֶם (rechem) = de moederschoot | לְֽכָל (lekhal) = bij alle | בָּשָׂ֞ר (basar) = vlees | אֲשֶׁר (asher) = dat | יַקְרִ֧יבוּ (yaqrivu) = zij brengen | לַֽיהוָ֛ה (laYahweh) = aan Yahweh | בָּאָדָ֥ם (baadam) = bij de mens | וּבַבְּהֵמָ֖ה (uvabehema) = en bij het dier | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לָּ֑ךְ (lakh) = voor jou | אַ֣ךְ (akh) = alleen | פָּדֹ֣ה (pado) = zeker lossen | תִפְדֶּ֗ה (tifde) = je zult lossen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | בְּכ֣וֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | בְּכֽוֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | הַבְּהֵמָ֥ה (habehema) = het dier | הַטְּמֵאָ֖ה (hatemea) = het onreine | תִּפְדֶּֽה (tifde) = je zult lossen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּטֶר רֶחֶם (peter rechem), ‘wat de moederschoot opent’: zie Exod. 13:12–13, waar ook staat dat de eerstgeborene van de mens gelost moet worden. Zie ook: Ex 13:2; Ex 13:12–13; Ex 22:28; Ex 34:20; Lev 27:26–27 **18:16** **Wat gelost moet worden, moet je lossen vanaf de leeftijd van een maand, volgens jouw schatting, voor 5 sikkel zilver. Dit is naar de sikkel van het heiligdom, die 20 gera is.** Brontekst: וּפְדוּיָו֙ (ufeduyav) = en wat gelost moet worden | מִבֶּן (miben) = van een zoon van | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = een maand | תִּפְדֶּ֔ה (tifde) = je zult lossen | בְּעֶ֨רְכְּךָ֔ (beerkekha) = naar je schatting | כֶּ֛סֶף (kesef) = zilver | חֲמֵ֥שֶׁת (chameshet) = vijf | שְׁקָלִ֖ים (sheqalim) = sikkel | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | גֵּרָ֖ה (gera) = gera | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een sikkel is ongeveer 11,4 gram, dus 5 sikkel is ongeveer 57 gram zilver. Een gera is ongeveer 0,57 gram. Zie ook Num. 3:47. Zie ook: Ex 30:13; Lev 27:2–7; Lev 27:25; Num 3:47; Ezech 45:12 **18:17** **Alleen de eerstgeborene van een rund, van een schaap of van een geit moet je niet lossen. Zij zijn heilig. Hun bloed moet je sprenkelen op het altaar en hun vet moet je in rook laten opgaan, als vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = alleen | בְּֽכוֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | שׁ֡וֹר (shor) = rund | אֽוֹ (o) = of | בְכ֨וֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | כֶּ֜שֶׂב (kesev) = schaap | אֽוֹ (o) = of | בְכ֥וֹר (bekhor) = de eerstgeborene van | עֵ֛ז (ez) = geit | לֹ֥א (lo) = niet | תִפְדֶּ֖ה (tifde) = je zult lossen | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig | הֵ֑ם (hem) = zij zijn | אֶת (et) = (obj.) | דָּמָ֞ם (damam) = hun bloed | תִּזְרֹ֤ק (tizroq) = je zult sprenkelen | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֶלְבָּ֣ם (chelbam) = hun vet | תַּקְטִ֔יר (taqtir) = je zult in rook laten opgaan | אִשֶּׁ֛ה (ishe) = vuuroffer | לְרֵ֥יחַ (lereiach) = tot een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bloed wordt op het altaar gesprenkeld en het vet gaat in rook op, zoals bij het vredeoffer (Lev. 3:2–5). Zie ook: Ex 29:16; Lev 3:2–5; Deut 15:19–22 **18:18** **Hun vlees zal van jou zijn, zoals de borst van het beweegoffer en de rechterdij van jou zijn.** Brontekst: וּבְשָׂרָ֖ם (uvesaram) = en hun vlees | יִהְיֶה (yihye) = zal zijn | לָּ֑ךְ (lakh) = voor jou | כַּחֲזֵ֧ה (kachaze) = zoals de borst van | הַתְּנוּפָ֛ה (hatenufa) = het beweegoffer | וּכְשׁ֥וֹק (ukheshoq) = en zoals de dij van | הַיָּמִ֖ין (hayamin) = de rechterkant | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:26–28; Lev 7:31–34 **18:19** **Alle heffingen van de heilige dingen die de zonen van Israël voor Yahweh opheffen, heb Ik aan jou gegeven. Ook aan je zonen en aan je dochters met je heb Ik ze gegeven. Dat is een eeuwig voorschrift. Het is een eeuwig verbond van zout voor het aangezicht van Yahweh, voor jou en voor je nageslacht met je.”** Brontekst: כֹּ֣ל (kol) = alle | תְּרוּמֹ֣ת (terumot) = heffingen van | הַקֳּדָשִׁ֗ים (haqodashim) = de heilige dingen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יָרִ֥ימוּ (yarimu) = zij opheffen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | לַֽיהוָה֒ (laYahweh) = voor Yahweh | נָתַ֣תִּֽי (natati) = heb Ik gegeven | לְךָ֗ (lekha) = aan jou | וּלְבָנֶ֧יךָ (ulevaneikha) = en aan je zonen | וְלִבְנֹתֶ֛יךָ (velivnoteikha) = en aan je dochters | אִתְּךָ֖ (itekha) = met je | לְחָק (lechaq) = als voorschrift | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | בְּרִית֩ (berit) = verbond van | מֶ֨לַח (melach) = zout | עוֹלָ֥ם (olam) = eeuwig | הִוא֙ (hi) = het is | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | וּלְזַרְעֲךָ֥ (ulezarakha) = en voor je nageslacht | אִתָּֽךְ (itakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית מֶלַח (berit melach), ‘verbond van zout’: zout bewaart en vergaat niet; het verbond blijft dus. Zie ook Lev. 2:13 en 2 Kron. 13:5. Zie ook: Lev 2:13; Num 18:11; Num 31:41; 2 Kron 13:5; 2 Kron 31:4 ### Wat de Levieten ontvangen **18:20** Yahweh zei tegen Aäron: **„In hun land zul je geen erfdeel hebben, en er zal geen deel voor je zijn in hun midden. Ik ben je deel en je erfdeel in het midden van de zonen van Israël.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | בְּאַרְצָם֙ (beartsam) = in hun land | לֹ֣א (lo) = niet | תִנְחָ֔ל (tinchal) = je zult erven | וְחֵ֕לֶק (vecheleq) = en deel | לֹא (lo) = niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | בְּתוֹכָ֑ם (betokham) = in hun midden | אֲנִ֤י (ani) = Ik | חֶלְקְךָ֙ (chelqekha) = je deel | וְנַחֲלָ֣תְךָ֔ (venachalatekha) = en je erfdeel | בְּת֖וֹךְ (betokh) = in het midden van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat Yahweh zelf het erfdeel van Levi is, staat ook in Joz. 13:14. Zie ook: Deut 10:9; Deut 18:1–2; Joz 13:14; Joz 13:33; Klaagl 3:24; Ezech 44:28 **18:21** **Aan de zonen van Levi heb Ik, zie, de hele tiende in Israël als erfdeel gegeven, in ruil voor hun dienst. Dat is de dienst van de tent van samenkomst die zij doen.** Brontekst: וְלִבְנֵ֣י (velivnei) = en aan de zonen van | לֵוִ֔י (levi) = Levi | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | נָתַ֛תִּי (natati) = heb Ik gegeven | כָּל (kal) = de hele | מַֽעֲשֵׂ֥ר (maaser) = tiende | בְּיִשְׂרָאֵ֖ל (beyisrael) = in Israël | לְנַחֲלָ֑ה (lenachala) = als erfdeel | חֵ֤לֶף (chelef) = in ruil voor | עֲבֹֽדָתָם֙ (avodatam) = hun dienst | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵ֣ם (hem) = zij | עֹֽבְדִ֔ים (ovedim) = doen | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַ֖ת (avodat) = de dienst van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’: een tiende deel van de opbrengst van het land en het vee (Lev. 27:30–33). Zie ook: Lev 27:30–33; Num 18:6; Deut 14:22–29; Neh 10:30; Neh 10:38; Neh 12:44 **18:22** **De zonen van Israël mogen niet meer naderen tot de tent van samenkomst. Zij zouden zonde dragen en sterven.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יִקְרְב֥וּ (yiqrevu) = zullen naderen | ע֛וֹד (od) = meer | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | לָשֵׂ֥את (laset) = om te dragen | חֵ֖טְא (chete) = zonde | לָמֽוּת (lamut) = om te sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 22:9; Num 1:51–52; Num 3:10; Num 3:38; Num 18:7 **18:23** **De Leviet doet zelf de dienst van de tent van samenkomst, en zij dragen hun eigen schuld. Dat is een eeuwig voorschrift voor al jullie generaties. In het midden van de zonen van Israël zullen zij geen erfdeel erven.** Brontekst: וְעָבַ֨ד (veavad) = en zal doen | הַלֵּוִ֜י (halevi) = de Leviet | ה֗וּא (hu) = hij | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַת֙ (avodat) = de dienst van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וְהֵ֖ם (vehem) = en zij | יִשְׂא֣וּ (yisu) = zullen dragen | עֲוֺנָ֑ם (avonam) = hun schuld | חֻקַּ֤ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | וּבְתוֹךְ֙ (uvetokh) = en in het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | יִנְחֲל֖וּ (yinchalu) = zij zullen erven | נַחֲלָֽה (nachala) = erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten dragen zelf de gevolgen van fouten in hun dienst; zie ook vers 1. Zie ook: Num 3:7; Num 18:1; Num 18:20 **18:24** **Want de tiende van de zonen van Israël, die zij als heffing voor Yahweh opheffen, heb Ik aan de Levieten als erfdeel gegeven. Daarom heb Ik over hen gezegd: in het midden van de zonen van Israël zullen zij geen erfdeel erven.”** Brontekst: כִּ֞י (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | מַעְשַׂ֣ר (masar) = de tiende van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יָרִ֤ימוּ (yarimu) = zij opheffen | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | תְּרוּמָ֔ה (teruma) = als heffing | נָתַ֥תִּי (natati) = heb Ik gegeven | לַלְוִיִּ֖ם (lalviyim) = aan de Levieten | לְנַחֲלָ֑ה (lenachala) = als erfdeel | עַל (al) = daarom | כֵּן֙ (ken) = zo | אָמַ֣רְתִּי (amarti) = Ik zei | לָהֶ֔ם (lahem) = over hen | בְּתוֹךְ֙ (betokh) = in het midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | יִנְחֲל֖וּ (yinchalu) = zij zullen erven | נַחֲלָֽה (nachala) = erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 18:26; Mal 3:8–10 ### De tiende van de tiende **18:25** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:26** **„Spreek tot de Levieten en zeg tegen hen: Stel dat jullie van de zonen van Israël de tiende nemen. Die tiende heb Ik jullie van hen als erfdeel gegeven. Dan moeten jullie daarvan een heffing voor Yahweh opheffen. Dat is een tiende van de tiende.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | הַלְוִיִּ֣ם (halviyim) = de Levieten | תְּדַבֵּר֮ (tedaber) = zul je spreken | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶם֒ (alehem) = tot hen | כִּֽי (ki) = wanneer | תִ֠קְחוּ (tiqchu) = jullie nemen | מֵאֵ֨ת (meet) = van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמַּעֲשֵׂ֗ר (hamaaser) = de tiende | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | נָתַ֧תִּי (natati) = Ik gaf | לָכֶ֛ם (lakhem) = aan jullie | מֵאִתָּ֖ם (meitam) = van hen | בְּנַחֲלַתְכֶ֑ם (benachalatkhem) = als jullie erfdeel | וַהֲרֵמֹתֶ֤ם (vaharemotem) = dan zullen jullie opheffen | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = daarvan | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = een heffing van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מַעֲשֵׂ֖ר (maaser) = een tiende | מִן (min) = van | הַֽמַּעֲשֵֽׂר (hamaaser) = de tiende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 18:21; Neh 10:39 **18:27** **Dan wordt jullie heffing voor jullie gerekend als koren van de dorsvloer en als de volheid van de wijnpers.** Brontekst: וְנֶחְשַׁ֥ב (venechshav) = en het wordt gerekend | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | תְּרוּמַתְכֶ֑ם (terumatkhem) = jullie heffing | כַּדָּגָן֙ (kadagan) = als het koren | מִן (min) = van | הַגֹּ֔רֶן (hagoren) = de dorsvloer | וְכַֽמְלֵאָ֖ה (vekhamlea) = en als de volheid | מִן (min) = van | הַיָּֽקֶב (hayaqev) = de wijnpers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶקֶב (yeqev), ‘wijnpers’: de kuip waarin het druivensap uit de pers loopt. Zie ook: Lev 6:12–16; Num 18:30; Deut 15:14; 2 Kon 6:27; Hos 9:1–2 **18:28** **Zo moeten ook jullie een heffing voor Yahweh opheffen van al jullie tienden die jullie van de zonen van Israël nemen. Daarvan moeten jullie de heffing van Yahweh geven aan Aäron, de priester.** Brontekst: כֵּ֣ן (ken) = zo | תָּרִ֤ימוּ (tarimu) = zullen opheffen | גַם (gam) = ook | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = een heffing van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִכֹּל֙ (mikol) = van al | מַעְשְׂרֹ֣תֵיכֶ֔ם (maseroteikhem) = jullie tienden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּקְח֔וּ (tiqchu) = jullie nemen | מֵאֵ֖ת (meet) = van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּנְתַתֶּ֤ם (unetatem) = en jullie zullen geven | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = daarvan | אֶת (et) = (obj.) | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = de heffing van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְאַהֲרֹ֖ן (leaharon) = aan Aäron | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:18; Heb 6:20–7:10 **18:29** **Van al jullie gaven moeten jullie de hele heffing van Yahweh opheffen: van het beste ervan, het heilige deel ervan.** Brontekst: מִכֹּל֙ (mikol) = van al | מַתְּנֹ֣תֵיכֶ֔ם (matenoteikhem) = jullie gaven | תָּרִ֕ימוּ (tarimu) = zullen jullie opheffen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = de hele | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = heffing van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מִכָּל (mikal) = van al | חֶלְבּ֔וֹ (chelbo) = het beste ervan | אֶֽת (et) = (obj.) | מִקְדְּשׁ֖וֹ (miqdesho) = het heilige deel ervan | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = daarvan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְדְּשׁוֹ (miqdesho), ‘het heilige deel ervan’: het deel dat aan Yahweh gewijd wordt. **18:30** **Zeg tegen hen: Stel dat jullie het beste ervan daarvan opheffen. Dan wordt het de Levieten gerekend als opbrengst van de dorsvloer en als opbrengst van de wijnpers.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | בַּהֲרִֽימְכֶ֤ם (baharimekhem) = wanneer jullie opheffen | אֶת (et) = (obj.) | חֶלְבּוֹ֙ (chelbo) = het beste ervan | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = daarvan | וְנֶחְשַׁב֙ (venechshav) = en het wordt gerekend | לַלְוִיִּ֔ם (lalviyim) = aan de Levieten | כִּתְבוּאַ֥ת (kitvuat) = als opbrengst van | גֹּ֖רֶן (goren) = dorsvloer | וְכִתְבוּאַ֥ת (vekhitvuat) = en als opbrengst van | יָֽקֶב (yaqev) = wijnpers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 43:11; Num 18:27–28; Spr 3:9–10; Mal 1:8; Mat 10:37–39 **18:31** **Jullie mogen het overal eten, jullie en jullie huisgezin, want het is jullie loon in ruil voor jullie dienst in de tent van samenkomst.** Brontekst: וַאֲכַלְתֶּ֤ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | אֹתוֹ֙ (oto) = het | בְּכָל (bekhal) = op elke | מָק֔וֹם (maqom) = plaats | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | וּבֵֽיתְכֶ֑ם (uveitekhem) = en je huisgezin | כִּֽי (ki) = want | שָׂכָ֥ר (sakhar) = loon | הוּא֙ (hu) = het is | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | חֵ֥לֶף (chelef) = in ruil voor | עֲבֹֽדַתְכֶ֖ם (avodatkhem) = jullie dienst | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 10:10; Luc 10:7; Gal 6:6; 1 Kor 9:10–14; 1 Tim 5:17–18 **18:32** **Jullie nemen er geen zonde door op je als jullie het beste ervan daarvan opheffen. De heilige dingen van de zonen van Israël moeten jullie niet ontheiligen, zodat jullie niet sterven.”** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תִשְׂא֤וּ (tisu) = zullen jullie dragen | עָלָיו֙ (alav) = daarop | חֵ֔טְא (chete) = zonde | בַּהֲרִֽימְכֶ֥ם (baharimekhem) = wanneer jullie opheffen | אֶת (et) = (obj.) | חֶלְבּ֖וֹ (chelbo) = het beste ervan | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = daarvan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קָדְשֵׁ֧י (qadeshei) = heilige dingen van | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | תְחַלְּל֖וּ (techalelu) = zullen jullie ontheiligen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תָמֽוּתוּ (tamutu) = zullen jullie sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:8; Lev 22:2; Lev 22:15–16; Num 18:22; 1 Kor 11:27 ## Numeri 19 _De rode koe en het reinigingswater_ ### De rode koe **19:1** Yahweh sprak tot Mozes en tot Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en Yahweh sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:2** **„Dit is het voorschrift van de wet die Yahweh heeft geboden. Spreek tot de zonen van Israël dat zij een rode koe voor je nemen, een koe zonder gebrek, waaraan geen enkel gebrek zit. Op haar is nooit een juk gekomen.** Brontekst: זֹ֚את (zot) = dit | חֻקַּ֣ת (chuqat) = het voorschrift van | הַתּוֹרָ֔ה (hatora) = de wet | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | דַּבֵּ֣ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְיִקְח֣וּ (veyiqchu) = dat zij nemen | אֵלֶיךָ֩ (eleikha) = voor jou | פָרָ֨ה (para) = een koe | אֲדֻמָּ֜ה (aduma) = rood | תְּמִימָ֗ה (temima) = zonder gebrek | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waaraan | אֵֽין (ein) = niet is | בָּהּ֙ (bah) = in haar | מ֔וּם (mum) = gebrek | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waarop | לֹא (lo) = niet | עָלָ֥ה (ala) = is gekomen | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = erop | עֹֽל (ol) = een juk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht dat Yahweh geeft. Hier staat het samen met חֻקָּה (chuqqah), ‘voorschrift’. Voetnoot : פָּרָה אֲדֻמָּה (parah adummah), ‘rode koe’. Voetnoot : עֹל (ol), ‘juk’: het dier is nog nooit voor werk gebruikt. Zie ook: Lev 22:20–25; Deut 21:3; 1 Sam 6:7; Fil 2:6–8; 1 Petr 1:19 **19:3** **Jullie moeten haar aan de priester Eleazar geven. Hij moet haar buiten het kamp brengen. Dan moet iemand haar voor zijn ogen slachten.** Brontekst: וּנְתַתֶּ֣ם (unetatem) = en jullie zullen geven | אֹתָ֔הּ (otah) = haar | אֶל (el) = aan | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וְהוֹצִ֤יא (vehotsi) = en hij zal naar buiten brengen | אֹתָהּ֙ (otah) = haar | אֶל (el) = naar | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֔ה (lamachane) = het kamp | וְשָׁחַ֥ט (veshachat) = en men zal slachten | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor zijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eleazar is de zoon van Aäron (Exod. 6:23). De koe wordt buiten het kamp geslacht, niet bij het altaar. Zie ook: Ex 6:23; Lev 4:12; Lev 4:21; Lev 16:27; Num 15:36; Heb 13:11–13 **19:4** **De priester Eleazar moet met zijn vinger wat van haar bloed nemen. Hij moet zeven keer van haar bloed sprenkelen, recht tegenover de voorkant van de tent van samenkomst.** Brontekst: וְלָקַ֞ח (velaqach) = en hij zal nemen | אֶלְעָזָ֧ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | מִדָּמָ֖הּ (midamah) = van haar bloed | בְּאֶצְבָּע֑וֹ (beetsbao) = met zijn vinger | וְהִזָּ֞ה (vehiza) = en hij zal sprenkelen | אֶל (el) = naar | נֹ֨כַח (nokhach) = recht tegenover | פְּנֵ֧י (penei) = de voorkant van | אֹֽהֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֛ד (moed) = samenkomst | מִדָּמָ֖הּ (midamah) = van haar bloed | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִֽים (peamim) = keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:6; Lev 4:17; Lev 16:14; Lev 16:19; Heb 9:13–14 **19:5** **Dan moet iemand de koe voor zijn ogen verbranden. Haar huid, haar vlees en haar bloed moet hij verbranden, samen met haar mest.** Brontekst: וְשָׂרַ֥ף (vesaraf) = en men zal verbranden | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּרָ֖ה (hapara) = de koe | לְעֵינָ֑יו (leeinav) = voor zijn ogen | אֶת (et) = (obj.) | עֹרָ֤הּ (orah) = haar huid | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּשָׂרָהּ֙ (besarah) = haar vlees | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דָּמָ֔הּ (damah) = haar bloed | עַל (al) = met | פִּרְשָׁ֖הּ (pirshah) = haar mest | יִשְׂרֹֽף (yisrof) = men zal verbranden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:14; Lev 4:11–12; Lev 4:21; Ps 22:15; Jes 53:10 **19:6** **De priester moet cederhout, hysop en karmozijnrood garen nemen. Dat moet hij midden in de brand van de koe gooien.** Brontekst: וְלָקַ֣ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | עֵ֥ץ (ets) = hout van | אֶ֛רֶז (erez) = ceder | וְאֵז֖וֹב (veezov) = en hysop | וּשְׁנִ֣י (usheni) = en karmozijn van | תוֹלָ֑עַת (tolaat) = de worm | וְהִשְׁלִ֕יךְ (vehishlikh) = en hij zal gooien | אֶל (el) = naar | תּ֖וֹךְ (tokh) = het midden van | שְׂרֵפַ֥ת (serefat) = de brand van | הַפָּרָֽה (hapara) = de koe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Cederhout, hysop en karmozijnrood garen worden ook bij de reiniging van een melaatse gebruikt (Lev. 14:4). Zie ook: Lev 14:4; Lev 14:6; Lev 14:49; Ps 51:9; Heb 9:19–23 **19:7** **Dan moet de priester zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Daarna mag hij het kamp binnengaan, maar de priester blijft onrein tot de avond.** Brontekst: וְכִבֶּ֨ס (vekhibes) = en hij zal wassen | בְּגָדָ֜יו (begadav) = zijn kleren | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְרָחַ֤ץ (verachats) = en hij zal wassen | בְּשָׂרוֹ֙ (besaro) = zijn lichaam | בַּמַּ֔יִם (bamayim) = met water | וְאַחַ֖ר (veachar) = en daarna | יָב֣וֹא (yavo) = hij zal komen | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij zal onrein zijn | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:25; Lev 15:5; Lev 16:26–28; Lev 22:6; Num 19:19 **19:8** **Ook wie haar verbrandt, moet zijn kleren met water wassen en zijn lichaam met water wassen. Hij blijft onrein tot de avond.** Brontekst: וְהַשֹּׂרֵ֣ף (vehasoref) = en wie haar verbrandt | אֹתָ֔הּ (otah) = haar | יְכַבֵּ֤ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָיו֙ (begadav) = zijn kleren | בַּמַּ֔יִם (bamayim) = met water | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal wassen | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn lichaam | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֖א (vetame) = en hij zal onrein zijn | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:9** **Een reine man moet de as van de koe bijeenvegen en buiten het kamp neerleggen, op een reine plaats. Die as moet bewaard worden voor de gemeenschap van de zonen van Israël, voor het reinigingswater. Het is een zondoffer.** Brontekst: וְאָסַ֣ף (veasaf) = en hij zal bijeenvegen | אִ֣ישׁ (ish) = een man | טָה֗וֹר (tahor) = rein | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֵ֣פֶר (efer) = de as van | הַפָּרָ֔ה (hapara) = de koe | וְהִנִּ֛יחַ (vehiniach) = en hij zal neerleggen | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֖ה (lamachane) = het kamp | בְּמָק֣וֹם (bemaqom) = op een plaats | טָה֑וֹר (tahor) = rein | וְ֠הָיְתָה (vehayeta) = en het zal zijn | לַעֲדַ֨ת (laadat) = voor de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | לְמִשְׁמֶ֛רֶת (lemishmeret) = ter bewaring | לְמֵ֥י (lemei) = voor het water van | נִדָּ֖ה (nida) = onreinheid | חַטָּ֥את (chatat) = zondoffer | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵי נִדָּה (mei niddah), ‘reinigingswater’: letterlijk ‘water van onreinheid’. Het is het water waarmee de onreinheid wordt weggenomen. Het woord נִדָּה (niddah) staat ook bij de menstruatie (Lev. 12:2). Voetnoot : חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’: hier niet een offer op het altaar, maar de koe die buiten het kamp wordt verbrand. Zie ook: Lev 12:2; Num 19:13; Num 19:18; Num 19:20–21; 2 Kor 7:1; Heb 9:13 **19:10** **Wie de as van de koe heeft bijeengeveegd, moet zijn kleren wassen. Hij blijft onrein tot de avond. Dit is voor de zonen van Israël en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft een eeuwig voorschrift.** Brontekst: וְ֠כִבֶּס (vekhibes) = en hij zal wassen | הָאֹסֵ֨ף (haosef) = wie bijeenveegt | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֤פֶר (efer) = de as van | הַפָּרָה֙ (hapara) = de koe | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְטָמֵ֖א (vetame) = en hij zal onrein zijn | עַד (ad) = tot | הָעָ֑רֶב (haarev) = de avond | וְֽהָיְתָ֞ה (vehayeta) = en het zal zijn | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְלַגֵּ֛ר (velager) = en voor de vreemdeling | הַגָּ֥ר (hagar) = die als vreemdeling verblijft | בְּתוֹכָ֖ם (betokham) = in hun midden | לְחֻקַּ֥ת (lechuqat) = tot een voorschrift van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּר (ger), ‘vreemdeling’: iemand uit een ander volk die bij Israël woont. Zie ook: Num 15:15–16; Num 19:7–8; Num 19:19; Rom 3:29–30; Kol 3:11 ### Onreinheid door een dode **19:11** **Wie een dode aanraakt, wat voor mens ook, is zeven dagen onrein.** Brontekst: הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = wie aanraakt | בְּמֵ֖ת (bemet) = een dode | לְכָל (lekhal) = van elke | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = persoon van | אָדָ֑ם (adam) = mens | וְטָמֵ֖א (vetame) = en hij zal onrein zijn | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 21:1; Num 5:2; Num 9:6; Num 9:10; Num 31:19 **19:12** **Hij moet zich op de derde dag ermee ontzondigen, en op de zevende dag is hij rein. Ontzondigt hij zich niet op de derde dag, dan is hij op de zevende dag niet rein.** Brontekst: ה֣וּא (hu) = hij | יִתְחַטָּא (yitchata) = zal zich ontzondigen | ב֞וֹ (bo) = ermee | בַּיּ֧וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֛י (hashelishi) = de derde | וּבַיּ֥וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֖י (hashevii) = de zevende | יִטְהָ֑ר (yithar) = hij zal rein zijn | וְאִם (veim) = en als | לֹ֨א (lo) = niet | יִתְחַטָּ֜א (yitchata) = hij zich ontzondigt | בַּיּ֧וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֛י (hashelishi) = de derde | וּבַיּ֥וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֖י (hashevii) = de zevende | לֹ֥א (lo) = niet | יִטְהָֽר (yithar) = hij zal rein zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִטֵּא (chitte), ‘ontzondigen’: letterlijk ‘van zonde ontdoen’. Het is hetzelfde werkwoord als in Lev. 14:49 en 14:52, daar bij een huis. Hier ontzondigt iemand zich met het reinigingswater. Zie ook: Lev 14:49; Lev 14:52; Num 19:17–19; Num 31:19; Ps 51:9; Hos 6:2; Hand 15:9 **19:13** **Ieder die een dode aanraakt, een mens die gestorven is, en zich niet ontzondigt, maakt de tabernakel van Yahweh onrein. Die persoon moet uit Israël worden afgesneden. Want het reinigingswater is niet over hem gesprenkeld: hij is onrein. Zijn onreinheid blijft op hem.** Brontekst: כָּֽל (kal) = ieder | הַנֹּגֵ֡עַ (hanogea) = die aanraakt | בְּמֵ֣ת (bemet) = een dode | בְּנֶפֶשׁ֩ (benefesh) = de persoon van | הָאָדָ֨ם (haadam) = de mens | אֲשֶׁר (asher) = die | יָמ֜וּת (yamut) = zal sterven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִתְחַטָּ֗א (yitchata) = zich ontzondigt | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁכַּ֤ן (mishkan) = de tabernakel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | טִמֵּ֔א (time) = heeft onrein gemaakt | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = en zal worden afgesneden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מִיִּשְׂרָאֵ֑ל (miyisrael) = uit Israël | כִּי֩ (ki) = want | מֵ֨י (mei) = het water van | נִדָּ֜ה (nida) = onreinheid | לֹא (lo) = niet | זֹרַ֤ק (zoraq) = is gesprenkeld | עָלָיו֙ (alav) = over hem | טָמֵ֣א (tame) = onrein | יִהְיֶ֔ה (yihye) = hij zal zijn | ע֖וֹד (od) = nog | טֻמְאָת֥וֹ (tumato) = zijn onreinheid | בֽוֹ (bo) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִכְרְתָה (venikhreta), ‘zal worden afgesneden’: uit het volk verwijderd, zoals in Exod. 12:15 en Num. 9:13. Voetnoot : מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’: de woning van Yahweh. Zie ook: Ex 12:15; Lev 7:20; Lev 15:31; Lev 22:3; Num 8:7; Num 9:13; Num 19:9 **19:14** **Dit is de wet. Wanneer een mens in een tent sterft, wordt ieder die in die tent komt en ieder die in de tent is, zeven dagen onrein.** Brontekst: זֹ֚את (zot) = dit | הַתּוֹרָ֔ה (hatora) = de wet | אָדָ֖ם (adam) = een mens | כִּֽי (ki) = wanneer | יָמ֣וּת (yamut) = hij sterft | בְּאֹ֑הֶל (beohel) = in een tent | כָּל (kal) = ieder | הַבָּ֤א (haba) = die komt | אֶל (el) = naar | הָאֹ֨הֶל֙ (haohel) = de tent | וְכָל (vekhal) = en ieder | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בָּאֹ֔הֶל (baohel) = in de tent is | יִטְמָ֖א (yitma) = hij zal onrein worden | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie in een tent is waar iemand sterft, wordt onrein, en ook de open vaten in die tent (vers 15). Zie ook: Num 19:15 **19:15** **Ook elk open vat, waar geen deksel met een koord op zit, is onrein.** Brontekst: וְכֹל֙ (vekhol) = en elk | כְּלִ֣י (keli) = vat van | פָת֔וּחַ (patuach) = open | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | אֵין (ein) = niet is | צָמִ֥יד (tsamid) = deksel | פָּתִ֖יל (patil) = koord | עָלָ֑יו (alav) = erop | טָמֵ֖א (tame) = onrein | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:32; Lev 14:36; Num 31:20 **19:16** **Ook ieder die in het open veld iemand aanraakt die door het zwaard is gedood, is zeven dagen onrein. Ook wie een dode aanraakt, of het bot van een mens, of een graf, is zeven dagen onrein.** Brontekst: וְכֹ֨ל (vekhol) = en ieder | אֲשֶׁר (asher) = die | יִגַּ֜ע (yiga) = aanraakt | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het oppervlak van | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | בַּֽחֲלַל (bachalal) = een gedode van | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = het zwaard | א֣וֹ (o) = of | בְמֵ֔ת (bemet) = een dode | אֽוֹ (o) = of | בְעֶ֥צֶם (beetsem) = het bot van | אָדָ֖ם (adam) = een mens | א֣וֹ (o) = of | בְקָ֑בֶר (beqaver) = een graf | יִטְמָ֖א (yitma) = hij zal onrein worden | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲלַל־חֶרֶב (chalal cherev), ‘door het zwaard gedood’: iemand die in het open veld is gevallen. Zie ook: Num 19:11; Num 31:19; Ezech 39:11–16; Mat 23:27; Luc 11:44 ### Het reinigingswater **19:17** **Voor de onreine moeten zij iets nemen van de as van het verbrande zondoffer. Daarop moet men levend water doen, in een vat.** Brontekst: וְלָֽקְחוּ֙ (velaqechu) = en zij zullen nemen | לַטָּמֵ֔א (latame) = voor de onreine | מֵעֲפַ֖ר (meafar) = van de as van | שְׂרֵפַ֣ת (serefat) = de brand van | הַֽחַטָּ֑את (hachatat) = het zondoffer | וְנָתַ֥ן (venatan) = en hij zal doen | עָלָ֛יו (alav) = erop | מַ֥יִם (mayim) = water | חַיִּ֖ים (chayim) = levend | אֶל (el) = in | כֶּֽלִי (keli) = een vat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָפָר (afar), ‘stof’: hier de as van de verbrande koe (vers 9). Voetnoot : מַיִם חַיִּים (mayim chayim), ‘levend water’: stromend water, zoals in Lev. 14:5. Zie ook: Lev 14:5; Num 19:9; Hoogl 4:15; Joh 4:10–11; Joh 7:38; Openb 7:17 **19:18** **Een reine man moet hysop nemen en die in het water dopen. Hij moet de tent besprenkelen, en alle vaten, en de mensen die daar waren. Ook wie het bot heeft aangeraakt, of de gedode, of de dode, of het graf, moet hij besprenkelen.** Brontekst: וְלָקַ֨ח (velaqach) = en hij zal nemen | אֵז֜וֹב (ezov) = hysop | וְטָבַ֣ל (vetaval) = en hij zal dopen | בַּמַּיִם֮ (bamayim) = in het water | אִ֣ישׁ (ish) = een man | טָהוֹר֒ (tahor) = rein | וְהִזָּ֤ה (vehiza) = en hij zal besprenkelen | עַל (al) = over | הָאֹ֨הֶל֙ (haohel) = de tent | וְעַל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | הַכֵּלִ֔ים (hakelim) = de vaten | וְעַל (veal) = en over | הַנְּפָשׁ֖וֹת (hanefashot) = de mensen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָֽיוּ (hayu) = waren | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְעַל (veal) = en over | הַנֹּגֵ֗עַ (hanogea) = wie aanraakt | בַּעֶ֨צֶם֙ (baetsem) = het bot | א֣וֹ (o) = of | בֶֽחָלָ֔ל (bechalal) = de gedode | א֥וֹ (o) = of | בַמֵּ֖ת (bamet) = de dode | א֥וֹ (o) = of | בַקָּֽבֶר (baqaver) = het graf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 19:9; Ps 51:9; Ezech 36:25–27; Joh 15:2–3; Heb 9:14 **19:19** **De reine moet de onreine op de derde dag en op de zevende dag besprenkelen. Op de zevende dag moet hij hem ontzondigen. Dan moet hij zijn kleren wassen en zich met water wassen, en in de avond is hij rein.** Brontekst: וְהִזָּ֤ה (vehiza) = en hij zal besprenkelen | הַטָּהֹר֙ (hatahor) = de reine | עַל (al) = over | הַטָּמֵ֔א (hatame) = de onreine | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֖י (hashelishi) = de derde | וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֑י (hashevii) = de zevende | וְחִטְּאוֹ֙ (vechiteo) = en hij zal hem ontzondigen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | וְכִבֶּ֧ס (vekhibes) = en hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = in water | וְטָהֵ֥ר (vetaher) = en hij zal rein zijn | בָּעָֽרֶב (baarev) = in de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:9; Ezech 36:25; Ef 5:25–27; Heb 10:22; 1 Joh 1:7 **19:20** **Wie onrein wordt en zich niet ontzondigt, die persoon moet uit het midden van de vergadering worden afgesneden. Want hij heeft het heiligdom van Yahweh onrein gemaakt. Het reinigingswater is niet over hem gesprenkeld: hij is onrein.** Brontekst: וְאִ֤ישׁ (veish) = en een man | אֲשֶׁר (asher) = die | יִטְמָא֙ (yitma) = onrein wordt | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִתְחַטָּ֔א (yitchata) = zich ontzondigt | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = en zal worden afgesneden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַקָּהָ֑ל (haqahal) = de vergadering | כִּי֩ (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדַּ֨שׁ (miqdash) = het heiligdom van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | טִמֵּ֗א (time) = heeft onrein gemaakt | מֵ֥י (mei) = het water van | נִדָּ֛ה (nida) = onreinheid | לֹא (lo) = niet | זֹרַ֥ק (zoraq) = is gesprenkeld | עָלָ֖יו (alav) = over hem | טָמֵ֥א (tame) = onrein | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:14; Num 15:30; Num 19:13; Mar 16:16; Rom 2:4–5 **19:21** **Dit moet voor hen een eeuwig voorschrift zijn. Wie het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren wassen. Wie het reinigingswater aanraakt, blijft onrein tot de avond.** Brontekst: וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en het zal zijn | לָּהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְחֻקַּ֣ת (lechuqat) = tot een voorschrift van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | וּמַזֵּ֤ה (umaze) = en wie sprenkelt | מֵֽי (mei) = het water van | הַנִּדָּה֙ (hanida) = de onreinheid | יְכַבֵּ֣ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְהַנֹּגֵ֨עַ֙ (vehanogea) = en wie aanraakt | בְּמֵ֣י (bemei) = het water van | הַנִּדָּ֔ה (hanida) = de onreinheid | יִטְמָ֖א (yitma) = hij zal onrein zijn | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:25; Lev 16:26–28; Heb 9:10; Heb 9:13–14; Heb 10:4 **19:22** **Alles wat de onreine aanraakt, wordt onrein. En iedere persoon die hem aanraakt, blijft onrein tot de avond.”** Brontekst: וְכֹ֛ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִגַּע (yiga) = aanraakt | בּ֥וֹ (bo) = het | הַטָּמֵ֖א (hatame) = de onreine | יִטְמָ֑א (yitma) = zal onrein worden | וְהַנֶּ֥פֶשׁ (vehanefesh) = en de persoon | הַנֹּגַ֖עַת (hanogaat) = die aanraakt | תִּטְמָ֥א (titma) = zal onrein zijn | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 5:2; Lev 7:19; Lev 15:5; Hag 2:13; Mar 7:21–23 ## Numeri 20 _Meriba, Edom en de dood van Aäron_ ### De dood van Mirjam en water uit de rots **20:1** De zonen van Israël, heel de gemeenschap, kwamen in de eerste maand in de woestijn Zin. Het volk bleef in Kades. Daar stierf Mirjam en daar werd zij begraven. Brontekst: וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij kwamen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | כָּל (kal) = heel | הָ֨עֵדָ֤ה (haeda) = de gemeenschap | מִדְבַּר (midbar) = de woestijn van | צִן֙ (tsin) = Zin | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָֽרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en bleef | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בְּקָדֵ֑שׁ (beqadesh) = in Kades | וַתָּ֤מָת (vatamat) = en stierf | שָׁם֙ (sham) = daar | מִרְיָ֔ם (miryam) = Mirjam | וַתִּקָּבֵ֖ר (vatiqaver) = en werd begraven | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kades (Kades-Barnea) ligt waarschijnlijk bij Ain Qudeirat, in het noorden van de Sinaï, vlak bij de grens tussen Egypte en Israël. De ligging is niet helemaal zeker. De woestijn Zin ligt in het zuiden van Kanaän, ten noorden van de Sinaï. Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades. De grenzen zijn niet precies bekend. Voetnoot Uitleg: De tekst noemt het jaar niet. Wij vertalen ‘in de eerste maand’ zoals het er staat. Zie ook: Ex 15:20; Num 13:21; Num 26:59; Num 27:14; Num 33:36 **20:2** Er was geen water voor de gemeenschap. Zij verzamelden zich tegen Mozes en tegen Aäron. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | הָ֥יָה (haya) = was | מַ֖יִם (mayim) = water | לָעֵדָ֑ה (laeda) = voor de gemeenschap | וַיִּקָּ֣הֲל֔וּ (vayiqahalu) = en zij verzamelden zich | עַל (al) = tegen | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וְעַֽל (veal) = en tegen | אַהֲרֹֽן (aharon) = Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:23–24; Ex 16:2; Num 16:19; Num 17:7; Num 21:5 **20:3** Het volk twistte met Mozes. Zij zeiden: „Waren wij maar gestorven, toen onze broeders stierven voor het aangezicht van Yahweh! Brontekst: וַיָּ֥רֶב (vayarev) = en twistte | הָעָ֖ם (haam) = het volk | עִם (im) = met | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | וְל֥וּ (velu) = en och | גָוַ֛עְנוּ (gavanu) = waren wij gestorven | בִּגְוַ֥ע (bigva) = toen stierven | אַחֵ֖ינוּ (acheinu) = onze broeders | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּוַע (gava), ‘sterven’: het woord staat voor het natuurlijke sterven (ook in vers 29). Zij denken aan de mannen die eerder stierven; vergelijk Num. 17:14. Zie ook: Ex 16:2–3; Ex 17:2; Num 11:33–34; Num 14:1–2; Num 16:31–35; Num 17:14; Num 20:29 **20:4** Waarom hebben jullie de vergadering van Yahweh naar deze woestijn gebracht, om hier te sterven, wij en ons vee? Brontekst: וְלָמָ֤ה (velama) = en waarom | הֲבֵאתֶם֙ (havetem) = hebben jullie gebracht | אֶת (et) = (obj.) | קְהַ֣ל (qehal) = de vergadering van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | הַמִּדְבָּ֖ר (hamidbar) = de woestijn | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | לָמ֣וּת (lamut) = om te sterven | שָׁ֔ם (sham) = daar | אֲנַ֖חְנוּ (anachnu) = wij | וּבְעִירֵֽנוּ (uveirenu) = en ons vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:11–12; Ex 17:3; Num 17:6; Ps 106:21; Hand 7:39–40 **20:5** Waarom hebt u ons uit Egypte laten optrekken, om ons naar deze slechte plaats te brengen? Het is geen plaats om te zaaien, en er zijn geen vijgen, wijnstokken en granaatappels. En er is geen water om te drinken.” Brontekst: וְלָמָ֤ה (velama) = en waarom | הֶֽעֱלִיתֻ֨נוּ֙ (heelitunu) = hebt u ons laten optrekken | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | לְהָבִ֣יא (lehavi) = om te brengen | אֹתָ֔נוּ (otanu) = ons | אֶל (el) = naar | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הָרָ֖ע (hara) = slechte | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | לֹ֣א (lo) = niet | מְק֣וֹם (meqom) = plaats van | זֶ֗רַע (zera) = zaad | וּתְאֵנָ֤ה (uteena) = en vijg | וְגֶ֨פֶן֙ (vegefen) = en wijnstok | וְרִמּ֔וֹן (verimon) = en granaatappel | וּמַ֥יִם (umayim) = en water | אַ֖יִן (ayin) = er is niet | לִשְׁתּֽוֹת (lishtot) = om te drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Wij vertalen ‘u’ omdat het volk hier tot één man spreekt, tot Mozes, de leider. In vers 4 staat het meervoud ‘jullie’ voor Mozes en Aäron samen. Zie ook: Num 16:14; Num 20:4; Jer 2:2; Jer 2:6; Ezech 20:36; Neh 9:21 **20:6** Mozes en Aäron gingen weg van de vergadering, naar de ingang van de tent van samenkomst, en vielen op hun gezicht. Toen verscheen de heerlijkheid van Yahweh aan hen. Brontekst: וַיָּבֹא֩ (vayavo) = en kwam | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֜ן (veaharon) = en Aäron | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = van voor | הַקָּהָ֗ל (haqahal) = de vergadering | אֶל (el) = naar | פֶּ֨תַח֙ (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וַֽיִּפְּל֖וּ (vayipelu) = en zij vielen | עַל (al) = op | פְּנֵיהֶ֑ם (peneihem) = hun gezicht | וַיֵּרָ֥א (vayera) = en verscheen | כְבוֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:5; Num 16:4; Num 16:19; Num 16:22; Num 17:10 **20:7** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **20:8** **„Neem de staf. Roep de gemeenschap bijeen, jij en je broer Aäron. Jullie moeten voor hun ogen tot de rots spreken, en zij zal haar water geven. Zo laat je water voor hen uit de rots komen, en zo geef je de gemeenschap en hun vee te drinken.”** Brontekst: קַ֣ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּטֶּ֗ה (hamate) = de staf | וְהַקְהֵ֤ל (vehaqhel) = en roep bijeen | אֶת (et) = (obj.) | הָעֵדָה֙ (haeda) = de gemeenschap | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְאַהֲרֹ֣ן (veaharon) = en Aäron | אָחִ֔יךָ (achikha) = je broer | וְדִבַּרְתֶּ֧ם (vedibartem) = en jullie zullen spreken | אֶל (el) = tot | הַסֶּ֛לַע (hasela) = de rots | לְעֵינֵיהֶ֖ם (leeineihem) = voor hun ogen | וְנָתַ֣ן (venatan) = en zij zal geven | מֵימָ֑יו (meimav) = haar water | וְהוֹצֵאתָ֨ (vehotseta) = en je zult laten uitgaan | לָהֶ֥ם (lahem) = voor hen | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | מִן (min) = uit | הַסֶּ֔לַע (hasela) = de rots | וְהִשְׁקִיתָ֥ (vehishqita) = en je zult laten drinken | אֶת (et) = (obj.) | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּעִירָֽם (beiram) = hun vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: הַמַּטֶּה (hammatteh), ‘de staf’, heeft een lidwoord. Wij nemen aan dat het de staf van Aäron is die voor het getuigenis werd bewaard (Num. 17:25). Vers 9 zegt dat Mozes hem ‘van voor het aangezicht van Yahweh’ nam. Daar staat niet van wie de staf was. Zie ook: Ex 4:17; Ex 17:5–6; Num 17:25; Num 20:9; Jes 43:20; Jes 48:21; Openb 22:17 **20:9** Mozes nam de staf van voor het aangezicht van Yahweh, zoals Hij hem had geboden. Brontekst: וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּטֶּ֖ה (hamate) = de staf | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = van voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוָּֽהוּ (tsivahu) = Hij hem gebood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 17:25 **20:10** Mozes en Aäron riepen de vergadering bijeen voor de rots. Hij zei tot hen: „Luister toch, jullie opstandigen! Moeten wij voor jullie water uit deze rots laten komen?” Brontekst: וַיַּקְהִ֜לוּ (vayaqhilu) = en zij riepen bijeen | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֛ן (veaharon) = en Aäron | אֶת (et) = (obj.) | הַקָּהָ֖ל (haqahal) = de vergadering | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֣י (penei) = voor | הַסָּ֑לַע (hasala) = de rots | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tot hen | שִׁמְעוּ (shimu) = luister | נָא֙ (na) = toch | הַמֹּרִ֔ים (hamorim) = de opstandigen | הֲמִן (hamin) = is het van | הַסֶּ֣לַע (hasela) = de rots | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | נוֹצִ֥יא (notsi) = laten wij uitgaan | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמֹּרִים (hammorim), ‘opstandigen’: van מָרָה (marah), ‘in opstand komen, weerspannig zijn’. Het woord komt terug in vers 24: ‘jullie zijn in opstand gekomen’. Voetnoot : Het water komt na het slaan, niet na het spreken. In Exod. 17:6 moest Mozes de rots wel slaan. Zie ook: Gen 41:16; Ex 17:6; Num 20:24; Ps 106:32–33; Luc 9:54–55; Jak 3:2; Ef 4:26 **20:11** Mozes hief zijn hand op en sloeg twee keer met zijn staf op de rots. Er kwam veel water uit, en de gemeenschap dronk, en hun vee ook. Brontekst: וַיָּ֨רֶם (vayarem) = en hief op | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | יָד֗וֹ (yado) = zijn hand | וַיַּ֧ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | הַסֶּ֛לַע (hasela) = de rots | בְּמַטֵּ֖הוּ (bematehu) = met zijn staf | פַּעֲמָ֑יִם (paamayim) = tweemaal | וַיֵּצְאוּ֙ (vayetseu) = en kwamen uit | מַ֣יִם (mayim) = water | רַבִּ֔ים (rabim) = veel | וַתֵּ֥שְׁתְּ (vatesht) = en dronk | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | וּבְעִירָֽם (uveiram) = en hun vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 17:6; Num 20:8; Deut 8:15; Mat 28:20; 1 Kor 10:4 ### Yahweh spreekt over Mozes en Aäron **20:12** Yahweh zei tot Mozes en tot Aäron: **„Omdat jullie Mij niet hebben geloofd, om Mij heilig te houden voor de ogen van de zonen van Israël. Daarom zullen jullie deze vergadering niet brengen naar het land dat Ik hun heb gegeven.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹן֒ (aharon) = Aäron | יַ֚עַן (yaan) = omdat | לֹא (lo) = niet | הֶאֱמַנְתֶּ֣ם (heemantem) = jullie hebben geloofd | בִּ֔י (bi) = in Mij | לְהַ֨קְדִּישֵׁ֔נִי (lehaqdisheni) = om Mij te heiligen | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | לֹ֤א (lo) = niet | תָבִ֨יאוּ֙ (taviu) = zullen jullie brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַקָּהָ֣ל (haqahal) = de vergadering | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶאֱמַנְתֶּם (heemantem), ‘jullie hebben geloofd’: vertrouwen op Yahweh. Het volgende woord, לְהַקְדִּישֵׁנִי (lehaqdisheni), is ‘om Mij heilig te houden’: letterlijk ‘om Mij te heiligen’. Voetnoot Lezing: De tekst zegt niet precies wat de fout van Mozes en Aäron was. Wij laten het zoals het er staat: zij geloofden niet, zij hielden Yahweh niet heilig voor de ogen van het volk. Zie ook: Num 20:24; Num 27:14; Deut 1:37; Deut 3:23–27; Ezech 36:23 **20:13** Dit is het water van Meriba, waar de zonen van Israël met Yahweh twistten en Hij Zich heilig toonde onder hen. Brontekst: הֵ֚מָּה (hema) = zij | מֵ֣י (mei) = het water van | מְרִיבָ֔ה (meriva) = Meriba | אֲשֶׁר (asher) = dat | רָב֥וּ (ravu) = twistten | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = met | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּקָּדֵ֖שׁ (vayiqadesh) = en Hij werd geheiligd | בָּֽם (bam) = onder hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Meriba bij Kades: de ligging staat niet vast. Voetnoot Uitleg: מְרִיבָה (meriva), ‘twist’, van רִיב (riv), ‘twisten’. Het woord ‘Meriba’ is dus ook een naam. Vergelijk Exod. 17:7, waar de plaats Massa en Meriba heet. Dat is een andere plaats dan hier. Voetnoot : וַיִּקָּדֵשׁ (vayyiqqadesh), ‘Hij werd geheiligd’: Yahweh liet zien dat Hij heilig is, doordat Hij het oordeel over Mozes en Aäron uitsprak. Zie ook: Ex 17:7; Deut 32:51; Deut 33:8; Ps 95:8; Ps 106:32–48 ### Edom weigert de doortocht **20:14** Vanuit Kades stuurde Mozes boden naar de koning van Edom: „Zo zegt uw broer Israël: U kent al de moeite die ons heeft getroffen. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en zond | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | מַלְאָכִ֛ים (malakhim) = boden | מִקָּדֵ֖שׁ (miqadesh) = vanuit Kades | אֶל (el) = naar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אֱד֑וֹם (edom) = Edom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אָחִ֣יךָ (achikha) = uw broer | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אַתָּ֣ה (ata) = u | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = kent | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַתְּלָאָ֖ה (hatelaa) = de moeite | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מְצָאָֽתְנוּ (metsaatenu) = ons heeft getroffen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Edom is het volk van Ezau, de broer van Jakob (Gen. 36:1). Daarom noemt Mozes Israël ‘uw broer’. Mozes spreekt de koning aan met ‘u’. Voetnoot : מַלְאָכִים (malakhim), ‘boden’: mensen die een boodschap brengen. In vers 16 betekent מַלְאָךְ (malakh) ‘engel’. Voetnoot : תְּלָאָה (telaah), ‘moeite’: wat het volk onderweg heeft meegemaakt. Zie ook: Gen 36:1; Num 20:16; Deut 2:4–25; Deut 23:8; Joz 9:9; Re 11:16–17; Mal 1:2 **20:15** Onze vaderen zijn afgedaald naar Egypte en wij hebben lange tijd in Egypte gewoond. De Egyptenaren hebben ons en onze vaderen kwaad gedaan. Brontekst: וַיֵּרְד֤וּ (vayeredu) = en zij daalden af | אֲבֹתֵ֨ינוּ֙ (avoteinu) = onze vaderen | מִצְרַ֔יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | וַנֵּ֥שֶׁב (vaneshev) = en wij woonden | בְּמִצְרַ֖יִם (bemitsrayim) = in Egypte | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | וַיָּרֵ֥עוּ (vayareu) = en deden kwaad | לָ֛נוּ (lanu) = aan ons | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = de Egyptenaren | וְלַאֲבֹתֵֽינוּ (velaavoteinu) = en aan onze vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 15:13; Gen 46:6; Ex 12:40; Deut 26:6; Hand 7:15 **20:16** Wij riepen om hulp tot Yahweh en Hij hoorde onze stem. Hij stuurde een engel en leidde ons uit Egypte. Zie, nu zijn wij in Kades, een stad aan het uiterste van uw grens. Brontekst: וַנִּצְעַ֤ק (vanitsaq) = en wij riepen om hulp | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en Hij hoorde | קֹלֵ֔נוּ (qolenu) = onze stem | וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en Hij zond | מַלְאָ֔ךְ (malakh) = een engel | וַיֹּצִאֵ֖נוּ (vayotsienu) = en leidde ons uit | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | בְקָדֵ֔שׁ (beqadesh) = in Kades | עִ֖יר (ir) = een stad van | קְצֵ֥ה (qetse) = het uiterste van | גְבוּלֶֽךָ (gevulekha) = uw grens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Voetnoot Uitleg: Met ‘een engel’ is de Engel van Yahweh bedoeld die Israël uit Egypte leidde (Exod. 23:20). Zie ook: Ex 2:23–24; Ex 3:2–9; Ex 14:19; Ex 23:20; Ex 33:2 **20:17** Laat ons toch door uw land trekken. Wij trekken niet door akker of wijngaard en wij drinken geen water uit een put. Wij gaan over de koningsweg. Wij wijken niet af naar rechts of naar links, totdat wij door uw gebied zijn getrokken.” Brontekst: נַעְבְּרָה (nabera) = laat ons doortrekken | נָּ֣א (na) = toch | בְאַרְצֶ֗ךָ (beartsekha) = door uw land | לֹ֤א (lo) = niet | נַעֲבֹר֙ (naavor) = wij zullen trekken | בְּשָׂדֶ֣ה (besade) = door akker | וּבְכֶ֔רֶם (uvekherem) = en wijngaard | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נִשְׁתֶּ֖ה (nishte) = wij zullen drinken | מֵ֣י (mei) = water van | בְאֵ֑ר (beer) = een put | דֶּ֧רֶךְ (derekh) = de weg van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | נֵלֵ֗ךְ (nelekh) = wij zullen gaan | לֹ֤א (lo) = niet | נִטֶּה֙ (nite) = wij zullen afwijken | יָמִ֣ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹ֔אול (usemovl) = en links | עַ֥ד (ad) = tot | אֲשֶֽׁר (asher) = dat | נַעֲבֹ֖ר (naavor) = wij zijn doorgetrokken | גְּבוּלֶֽךָ (gevulekha) = uw gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De koningsweg liep over het plateau van het huidige Jordanië, van noord naar zuid. Voetnoot Uitleg: דֶּרֶךְ הַמֶּלֶךְ (derekh hammelekh), ‘de koningsweg’: de grote hoofdweg die door Edom en Moab liep, ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Num 21:1; Num 21:22–24; Deut 2:1–4; Deut 2:27; Deut 2:29 **20:18** Edom zei tot hem: „Je mag niet door mijn land trekken, anders ga ik je met het zwaard tegemoet.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲבֹ֖ר (taavor) = je zult doortrekken | בִּ֑י (bi) = door mij | פֶּן (pen) = anders | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = met het zwaard | אֵצֵ֥א (etse) = ga ik uit | לִקְרָאתֶֽךָ (liqratekha) = je tegemoet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּי (bi), ‘door mij’: letterlijk staat er ‘door mij heen’. Edom bedoelt zijn land. **20:19** De zonen van Israël zeiden tot hem: „Wij gaan over de gebaande weg omhoog. Als ik en mijn vee van uw water drinken, dan betaal ik ervoor. Het is niets bijzonders: ik wil alleen te voet doortrekken.” Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֥יו (elav) = tot hem | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֘ל (yisrael) = Israël | בַּֽמְסִלָּ֣ה (bamsila) = over de gebaande weg | נַעֲלֶה֒ (naale) = wij gaan omhoog | וְאִם (veim) = en als | מֵימֶ֤יךָ (meimeikha) = van uw water | נִשְׁתֶּה֙ (nishte) = wij drinken | אֲנִ֣י (ani) = ik | וּמִקְנַ֔י (umiqnay) = en mijn vee | וְנָתַתִּ֖י (venatati) = dan geef ik | מִכְרָ֑ם (mikhram) = de prijs ervan | רַ֥ק (raq) = alleen | אֵין (ein) = er is niet | דָּבָ֖ר (davar) = een zaak | בְּרַגְלַ֥י (beraglay) = op mijn voeten | אֶֽעֱבֹֽרָה (eevora) = laat mij doortrekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְסִלָּה (mesillah), ‘gebaande weg’: een weg die is aangelegd en opgehoogd. Voetnoot : אֵין דָּבָר (ein davar), ‘het is niets’: er is geen bijzondere zaak, ik wil alleen doortrekken. Zie ook: Ex 12:38; Deut 2:6; Deut 2:28 **20:20** Hij zei: „Je mag niet doortrekken.” Edom trok hem tegemoet met een talrijk volk en een sterke hand. Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲבֹ֑ר (taavor) = je zult doortrekken | וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en trok uit | אֱדוֹם֙ (edom) = Edom | לִקְרָאת֔וֹ (liqrato) = hem tegemoet | בְּעַ֥ם (beam) = met een volk | כָּבֵ֖ד (kaved) = zwaar | וּבְיָ֥ד (uveyad) = en met een hand | חֲזָקָֽה (chazaqa) = sterk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 11:17; Re 11:20; Amos 1:11; Ob 1:10–15; Ezech 35:5–11 **20:21** Edom weigerde Israël toe te staan door zijn gebied te trekken. Israël week van hem af. Brontekst: וַיְמָאֵ֣ן (vaymaen) = en weigerde | אֱד֗וֹם (edom) = Edom | נְתֹן֙ (neton) = te geven | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עֲבֹ֖ר (avor) = doortocht | בִּגְבֻל֑וֹ (bigvulo) = door zijn gebied | וַיֵּ֥ט (vayet) = en week af | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵעָלָֽיו (mealav) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 2:4–8; Deut 2:27; Deut 2:29; Re 11:18; Re 11:24 ### De dood van Aäron op de berg Hor **20:22** Zij braken op uit Kades. De zonen van Israël, heel de gemeenschap, kwamen bij de berg Hor. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִקָּדֵ֑שׁ (miqadesh) = van Kades | וַיָּבֹ֧אוּ (vayavou) = en kwamen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | הֹ֥ר (hor) = Hor | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Hor (הֹר הָהָר, Hor hahar) ligt aan de grens van Edom. De ligging is onzeker. Een oude overlevering noemt de Jebel Harun, bij Petra in het huidige Jordanië. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. Zie ook: Num 20:1; Num 20:14; Num 20:16; Num 21:4; Num 33:36–38 **20:23** Yahweh sprak tot Mozes en tot Aäron bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom: Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | בְּהֹ֣ר (behor) = bij de berg | הָהָ֑ר (hahar) = Hor | עַל (al) = aan | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | אֶֽרֶץ (erets) = het land van | אֱד֖וֹם (edom) = Edom | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Num 33:37 **20:24** **„Aäron zal verzameld worden bij zijn volk. Hij zal niet komen in het land dat Ik aan de zonen van Israël heb gegeven. Want jullie zijn in opstand zijn gekomen tegen Mijn bevel bij het water van Meriba.** Brontekst: יֵאָסֵ֤ף (yeasef) = hij zal worden verzameld | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶל (el) = bij | עַמָּ֔יו (amav) = zijn volk | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יָבֹא֙ (yavo) = hij zal komen | אֶל (el) = naar | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לִבְנֵ֣י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עַ֛ל (al) = vanwege | אֲשֶׁר (asher) = dat | מְרִיתֶ֥ם (meritem) = jullie zijn opstandig geweest | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֖י (pi) = Mijn bevel | לְמֵ֥י (lemei) = bij het water van | מְרִיבָֽה (meriva) = Meriba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵאָסֵף אֶל־עַמָּיו (jeasef el ammav), ‘hij zal verzameld worden bij zijn volk’: een vaste uitdrukking voor sterven (Gen. 25:8). Voetnoot : מְרִיבָה (meriva), ‘twist’: dezelfde naam als in vers 13. Zie ook: Gen 25:8; Num 20:10–12; Num 20:13; Num 31:2; Deut 32:50; 2 Kron 34:28 **20:25** **Neem Aäron en zijn zoon Eleazar mee en breng hen omhoog, de berg Hor op.** Brontekst: קַ֚ח (qach) = neem | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | בְּנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | וְהַ֥עַל (vehaal) = en laat opgaan | אֹתָ֖ם (otam) = hen | הֹ֥ר (hor) = de berg | הָהָֽר (hahar) = Hor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. Zie ook: Num 33:38–39 **20:26** **Trek Aäron zijn kleren uit en trek ze zijn zoon Eleazar aan. Aäron zal verzameld worden en daar sterven.”** Brontekst: וְהַפְשֵׁ֤ט (vehafshet) = en trek uit | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְהִלְבַּשְׁתָּ֖ם (vehilbashtam) = en kleed aan | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | בְּנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | וְאַהֲרֹ֥ן (veaharon) = en Aäron | יֵאָסֵ֖ף (yeasef) = zal worden verzameld | וּמֵ֥ת (umet) = en zal sterven | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met ‘zijn kleren’ zijn de heilige priesterkleren bedoeld (Exod. 29:29). Eleazar volgt zijn vader op als hogepriester. Zie ook: Ex 29:29–30; Num 20:24; Jes 22:21–22; Heb 7:11; Heb 7:23–24 **20:27** Mozes deed zoals Yahweh had geboden. Zij gingen de berg Hor op, voor de ogen van heel de gemeenschap. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֣ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיַּעֲלוּ֙ (vayaalu) = en zij gingen op | אֶל (el) = naar | הֹ֣ר (hor) = de berg | הָהָ֔ר (hahar) = Hor | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. **20:28** Mozes trok Aäron zijn kleren uit en trok ze zijn zoon Eleazar aan. Daar, boven op de berg, stierf Aäron. Mozes en Eleazar daalden van de berg af. Brontekst: וַיַּפְשֵׁט֩ (vayafshet) = en trok uit | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֗יו (begadav) = zijn kleren | וַיַּלְבֵּ֤שׁ (vayalbesh) = en kleedde aan | אֹתָם֙ (otam) = hen | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | וַיָּ֧מָת (vayamat) = en stierf | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | שָׁ֖ם (sham) = daar | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = op de top van | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | וַיֵּ֧רֶד (vayered) = en daalde af | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | וְאֶלְעָזָ֖ר (veelazar) = en Eleazar | מִן (min) = van | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:29–30; Deut 10:6; Deut 31:7–8; Deut 32:49–50; Deut 34:5 **20:29** Heel de gemeenschap zag dat Aäron was gestorven. Heel het huis van Israël beweende Aäron 30 dagen. Brontekst: וַיִּרְאוּ֙ (vayiru) = en zagen | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | כִּ֥י (ki) = dat | גָוַ֖ע (gava) = was gestorven | אַהֲרֹ֑ן (aharon) = Aäron | וַיִּבְכּ֤וּ (vayivku) = en zij beweenden | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | י֔וֹם (yom) = dag | כֹּ֖ל (kol) = heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk rouwt 30 dagen om Aäron. Zie ook Deut. 34:8. Zie ook: Gen 1:10; Deut 34:8; 2 Kron 35:24–25; Hand 8:2 ## Numeri 21 _De koperen slang, Sichon en Og_ ### De overwinning bij Chorma **21:1** De Kanaäniet, de koning van Arad, die in de Negev woonde, hoorde dat Israël over de weg van Atarim kwam. Hij streed tegen Israël en nam enkelen van hen gevangen. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֞ע (vayishma) = en hoorde | הַכְּנַעֲנִ֤י (hakenaani) = de Kanaäniet | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | עֲרָד֙ (arad) = Arad | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = die woonde in | הַנֶּ֔גֶב (hanegev) = de Negev | כִּ֚י (ki) = dat | בָּ֣א (ba) = was gekomen | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = de weg van | הָאֲתָרִ֑ים (haatarim) = Atarim | וַיִּלָּ֨חֶם֙ (vayilachem) = en hij streed | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = tegen Israël | וַיִּ֥שְׁבְּ (vayishb) = en hij nam | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van hem | שֶֽׁבִי (shevi) = gevangenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Arad ligt in de Negev, ten zuiden van het huidige Arad (Tel Arad) in Israël. De Negev is het dorre zuiden van het land. Voetnoot Lezing: דֶּרֶךְ הָאֲתָרִים (derekh haatarim). Wij nemen ‘Atarim’ als plaatsnaam, de weg van Atarim. Het woord kan ook ‘weg van de verkenners’ betekenen; de ligging van Atarim is niet bekend. Zie ook: Num 14:45; Num 33:40; Deut 2:32; Joz 12:14; Re 1:16 **21:2** Toen deed Israël een gelofte aan Yahweh en zei: „Stel dat U dit volk werkelijk in mijn hand geeft. Dan zal ik hun steden aan de ban wijden.” Brontekst: וַיִּדַּ֨ר (vayidar) = en hij deed | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | נֶ֛דֶר (neder) = een gelofte | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | אִם (im) = als | נָתֹ֨ן (naton) = geven | תִּתֵּ֜ן (titen) = U zult geven | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | בְּיָדִ֔י (beyadi) = in mijn hand | וְהַֽחֲרַמְתִּ֖י (vehacharamti) = dan zal ik aan de ban wijden | אֶת (et) = (obj.) | עָרֵיהֶֽם (areihem) = hun steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרַם (charam), ‘aan de ban wijden’: iets of iemand helemaal aan Yahweh toewijden, zodat het niet meer voor eigen gebruik is. Het gaat meestal om vernietiging. Zie ook: Gen 28:20; Deut 13:16; Joz 6:26; Re 11:30; 1 Sam 1:11 **21:3** Yahweh luisterde naar de stem van Israël en gaf de Kanaänieten over. Israël wijdde hen en hun steden aan de ban. Daarom noemde men de plaats Chorma. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֨ע (vayishma) = en hoorde | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en gaf | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִ֔י (hakenaani) = de Kanaäniet | וַיַּחֲרֵ֥ם (vayacharem) = en hij wijdde aan de ban | אֶתְהֶ֖ם (ethem) = hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עָרֵיהֶ֑ם (areihem) = hun steden | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | שֵׁם (shem) = de naam van | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | חָרְמָֽה (charema) = Chorma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chorma (חָרְמָה, Chorma) is een naam die van חֵרֶם (cherem), ‘ban’, komt. De ligging is niet zeker; de naam komt ook voor in Num. 14:45. Zie ook: Num 14:45; Deut 1:44; 1 Sam 30:30; Ps 91:15; Ps 102:18 ### De vurige slangen en de koperen slang **21:4** Zij braken op van de berg Hor, over de weg naar de Rietzee, om om het land Edom heen te trekken. Onderweg werd het volk ongeduldig. Brontekst: וַיִּסְע֞וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵהֹ֤ר (mehor) = van de berg | הָהָר֙ (hahar) = Hor | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg van | יַם (yam) = de zee | ס֔וּף (suf) = Riet | לִסְבֹ֖ב (lisvov) = om heen te gaan | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | אֱד֑וֹם (edom) = Edom | וַתִּקְצַ֥ר (vatiqtsar) = en werd kort | נֶֽפֶשׁ (nefesh) = de ziel van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בַּדָּֽרֶךְ (badarekh) = onderweg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Rietzee (יַם־סוּף, jam suf) is hier de zee ten zuiden van Edom: de Golf van Akaba. Israël moet om Edom heen, omdat Edom de doortocht weigerde (Num. 20:21). Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: וַתִּקְצַר נֶפֶשׁ (wattiqtsar nefesh), ‘de ziel werd kort’: het volk raakte ongeduldig en moedeloos. Vergelijk Exod. 6:9, waar een verwant woord staat. Zie ook: Ex 6:9; Num 20:21; Num 32:7; Num 32:9; Re 11:18; Hand 14:22 **21:5** Het volk sprak tegen Elohim en tegen Mozes: „Waarom hebt u ons uit Egypte laten optrekken, om in de woestijn te sterven? Want er is geen brood en er is geen water, en wij walgen van dit armzalige brood.” Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | הָעָ֗ם (haam) = het volk | בֵּֽאלֹהִים֮ (bElohim) = tegen Elohim | וּבְמֹשֶׁה֒ (uvemoshe) = en tegen Mozes | לָמָ֤ה (lama) = waarom | הֶֽעֱלִיתֻ֨נוּ֙ (heelitunu) = hebt u ons laten optrekken | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | לָמ֖וּת (lamut) = om te sterven | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = er is niet | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = brood | וְאֵ֣ין (veein) = en er is niet | מַ֔יִם (mayim) = water | וְנַפְשֵׁ֣נוּ (venafshenu) = en onze ziel | קָ֔צָה (qatsa) = walgt | בַּלֶּ֖חֶם (balechem) = van het brood | הַקְּלֹקֵֽל (haqeloqel) = het armzalige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הַקְּלֹקֵל (haqqelokel), ‘armzalig’: een zeldzaam woord voor iets wat licht en waardeloos is. Het volk bedoelt het manna. Zie ook: Ex 17:2–3; Num 11:1–9; Num 16:13–14; Num 17:6; Ps 78:19 **21:6** Toen stuurde Yahweh de vurige slangen onder het volk. Zij beten het volk, en veel mensen uit Israël stierven. Brontekst: וַיְשַׁלַּ֨ח (vayshalach) = en stuurde | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בָּעָ֗ם (baam) = onder het volk | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הַנְּחָשִׁ֣ים (hanechashim) = de slangen | הַשְּׂרָפִ֔ים (haserafim) = de vurige | וַֽיְנַשְּׁכ֖וּ (vaynashekhu) = en zij beten | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | עַם (am) = volk | רָ֖ב (rav) = veel | מִיִּשְׂרָאֵֽל (miyisrael) = van Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְּׂרָפִים (hassrafim), ‘de vurige slangen’: van שָׂרַף (saraf), ‘branden’. De beet brandt als vuur. Zie ook: Deut 8:15; Amos 9:3–4; Jes 30:6; Jer 8:17; 1 Kor 10:9 **21:7** Het volk kwam bij Mozes en zei: „Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen Yahweh en tegen u gesproken. Bid tot Yahweh dat Hij de slangen van ons wegneemt.” Mozes bad voor het volk. Brontekst: וַיָּבֹא֩ (vayavo) = en kwam | הָעָ֨ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | חָטָ֗אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | כִּֽי (ki) = want | דִבַּ֤רְנוּ (dibarnu) = wij hebben gesproken | בַֽיהוָה֙ (baYahweh) = tegen Yahweh | וָבָ֔ךְ (vavakh) = en tegen u | הִתְפַּלֵּל֙ (hitpalel) = bid | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְיָסֵ֥ר (veyaser) = dat Hij wegneemt | מֵעָלֵ֖ינוּ (mealeinu) = van ons | אֶת (et) = (obj.) | הַנָּחָ֑שׁ (hanachash) = de slang | וַיִּתְפַּלֵּ֥ל (vayitpalel) = en bad | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּעַ֥ד (bead) = ten behoeve van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 8:4; Ex 8:24; Num 11:2; Ps 78:34; Hand 8:24 **21:8** Yahweh zei tot Mozes: **„Maak een vurige slang en zet die op een paal. Ieder die gebeten is en ernaar kijkt, zal leven.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | עֲשֵׂ֤ה (ase) = maak | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | שָׂרָ֔ף (saraf) = een vurige slang | וְשִׂ֥ים (vesim) = en zet | אֹת֖וֹ (oto) = haar | עַל (al) = op | נֵ֑ס (nes) = een paal | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כָּל (kal) = ieder | הַנָּשׁ֔וּךְ (hanashukh) = die gebeten is | וְרָאָ֥ה (veraa) = en ziet | אֹת֖וֹ (oto) = haar | וָחָֽי (vachay) = en leeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵס (nes), ‘paal’: een hoge paal waaraan een teken hangt, zodat iedereen het kan zien. Zie ook: Ps 106:43–45; Ps 145:8; Joh 3:14 **21:9** Mozes maakte een koperen slang en zette die op de paal. Als een slang iemand beet en hij naar de koperen slang keek, bleef hij leven. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en maakte | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | נְחַ֣שׁ (nechash) = een slang van | נְחֹ֔שֶׁת (nechoshet) = koper | וַיְשִׂמֵ֖הוּ (vaysimehu) = en zette haar | עַל (al) = op | הַנֵּ֑ס (hanes) = de paal | וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het was | אִם (im) = als | נָשַׁ֤ךְ (nashakh) = beet | הַנָּחָשׁ֙ (hanachash) = de slang | אֶת (et) = (obj.) | אִ֔ישׁ (ish) = iemand | וְהִבִּ֛יט (vehibit) = en hij keek | אֶל (el) = naar | נְחַ֥שׁ (nechash) = de slang van | הַנְּחֹ֖שֶׁת (hanechoshet) = het koper | וָחָֽי (vachay) = en leefde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְחַשׁ נְחֹשֶׁת (nechash nechoshet), ‘koperen slang’. Zie ook: 2 Kon 18:4; Joh 3:14–15; Joh 6:40; Joh 12:32; Heb 12:2 ### De tochtstations en het lied van de put **21:10** De zonen van Israël braken op en legerden zich in Obot. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en legerden zich | בְּאֹבֹֽת (beovot) = in Obot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 33:43–45 **21:11** Zij braken op uit Obot en legerden zich in Ije-Abarim, in de woestijn tegenover Moab, aan de kant van de opkomende zon. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵאֹבֹ֑ת (meovot) = uit Obot | וַֽיַּחֲנ֞וּ (vayachanu) = en legerden zich | בְּעִיֵּ֣י (beiyei) = in Ije | הָֽעֲבָרִ֗ים (haavarim) = Abarim | בַּמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = in de woestijn | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = tegenover | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | מִמִּזְרַ֖ח (mimizrach) = vanaf de opgang van | הַשָּֽׁמֶשׁ (hashamesh) = de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Obot en Ije-Abarim liggen in de woestijn ten oosten van Moab; de precieze ligging is onzeker. **21:12** Vandaar braken zij op en legerden zich in het dal van Zered. Brontekst: מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | נָסָ֑עוּ (nasau) = braken zij op | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en legerden zich | בְּנַ֥חַל (benachal) = in het dal van | זָֽרֶד (zared) = Zered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van Zered (nachal Zered) is waarschijnlijk het Wadi al-Hasa, in het huidige Jordanië. De ligging is waarschijnlijk, niet zeker. Zie ook: Deut 2:13–14 **21:13** Vandaar braken zij op en legerden zich aan de overkant van de Arnon. Die ligt in de woestijn en komt uit het gebied van de Amorieten. Want de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten. Brontekst: מִשָּׁם֮ (misham) = vandaar | נָסָעוּ֒ (nasau) = braken zij op | וַֽיַּחֲנ֗וּ (vayachanu) = en legerden zich | מֵעֵ֤בֶר (meever) = aan de overkant van | אַרְנוֹן֙ (arnon) = de Arnon | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | הַיֹּצֵ֖א (hayotse) = die uitgaat | מִגְּב֣וּל (migevul) = uit het gebied van | הָֽאֱמֹרִ֑י (haemori) = de Amorieten | כִּ֤י (ki) = want | אַרְנוֹן֙ (arnon) = de Arnon | גְּב֣וּל (gevul) = de grens van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | בֵּ֥ין (bein) = tussen | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הָאֱמֹרִֽי (haemori) = de Amorieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Arnon is de rivier Wadi al-Mujib in het huidige Jordanië. Hij mondt uit in de Dode Zee en was de grens tussen Moab en de Amorieten. De ligging is zeker. Zie ook: Num 22:36; Deut 2:24; Re 11:18; Jes 16:2; Jer 48:20 **21:14** Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van Yahweh: „Waheb in Sufa en de beekdalen van de Arnon, Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּן֙ (ken) = zo | יֵֽאָמַ֔ר (yeamar) = wordt gezegd | בְּסֵ֖פֶר (besefer) = in het boek van | מִלְחֲמֹ֣ת (milchamot) = de oorlogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | וָהֵ֣ב (vahev) = Waheb | בְּסוּפָ֔ה (besufa) = in Sufa | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנְּחָלִ֖ים (hanechalim) = de beekdalen van | אַרְנֽוֹן (arnon) = de Arnon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Voetnoot Uitleg: סֵפֶר מִלְחֲמֹת יְהוָה (sefer milchamot Yahweh), ‘het boek van de oorlogen van Yahweh’: een oud boek met liederen over Yahwehs strijd. Het is niet bewaard gebleven. Voetnoot Lezing: De zin is afgebroken en moeilijk: אֶת־וָהֵב בְּסוּפָה (et Waheb besufah). Wij nemen Waheb en Sufa als plaatsnamen. Het kan ook ‘Waheb in de storm’ betekenen (סוּפָה, sufah, ‘storm’). Wij laten de tekst staan zoals hij is; de zin mist een werkwoord. Zie ook: Joz 10:13; 2 Sam 1:18 **21:15** en de helling van de beekdalen, die zich uitstrekt naar de woonplaats Ar en leunt tegen de grens van Moab.” Brontekst: וְאֶ֨שֶׁד֙ (veeshed) = en de helling van | הַנְּחָלִ֔ים (hanechalim) = de beekdalen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָטָ֖ה (nata) = zich uitstrekt | לְשֶׁ֣בֶת (leshevet) = naar de woonplaats van | עָ֑ר (ar) = Ar | וְנִשְׁעַ֖ן (venishan) = en leunt | לִגְב֥וּל (ligvul) = tegen de grens van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ar was een stad of streek van Moab, vlak bij de Arnon. De ligging is niet zeker. Zie ook: Num 21:28; Deut 2:9; Deut 2:18; Deut 2:29; Jes 15:1 **21:16** En vandaar gingen zij naar Beër. Dat is de put waarvan Yahweh tot Mozes zei: **„Verzamel het volk, dan zal Ik hun water geven.”** Brontekst: וּמִשָּׁ֖ם (umisham) = en vandaar | בְּאֵ֑רָה (beera) = naar Beër | הִ֣וא (hi) = zij | הַבְּאֵ֗ר (habeer) = de put | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarvan | אָמַ֤ר (amar) = zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְמֹשֶׁ֔ה (lemoshe) = tot Mozes | אֱסֹף֙ (esof) = verzamel | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְאֶתְּנָ֥ה (veetena) = en Ik zal geven | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beër (בְּאֵרָה, beerah) betekent ‘put’. De ligging is onbekend. Voetnoot Uitleg: Dit is de put van het lied in de verzen 17–18. Yahweh geeft het volk water, anders dan bij Meriba (Num. 20:8–11). Zie ook: Num 20:8; Re 9:21; Jes 12:3; Jes 41:17–18; Jes 43:20 **21:17** Toen zong Israël dit lied: „Welt op, put! Zing voor haar! Brontekst: אָ֚ז (az) = toen | יָשִׁ֣יר (yashir) = zong | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַשִּׁירָ֖ה (hashira) = het lied | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | עֲלִ֥י (ali) = welt op | בְאֵ֖ר (beer) = put | עֱנוּ (enu) = zing | לָֽהּ (lah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲלִי בְאֵר (ali beer), ‘welt op, put’: een lied dat bij het graven van een put werd gezongen. Voetnoot : ענו (anu) betekent ‘antwoorden, zingen’. Wij vertalen ‘zing voor haar’. Zie ook: Re 5:1; Ps 105:2; Ps 106:12; Jes 12:1–2; Jes 12:5 **21:18** De put die de vorsten hebben gegraven, die de edelen van het volk hebben uitgegraven met de scepter, met hun staven.” En uit de woestijn naar Mattana, Brontekst: בְּאֵ֞ר (beer) = de put | חֲפָר֣וּהָ (chafaruha) = zij groeven haar | שָׂרִ֗ים (sarim) = vorsten | כָּר֨וּהָ֙ (karuha) = zij groeven haar uit | נְדִיבֵ֣י (nedivei) = de edelen van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | בִּמְחֹקֵ֖ק (bimchoqeq) = met de scepter | בְּמִשְׁעֲנֹתָ֑ם (bemishanotam) = met hun staven | וּמִמִּדְבָּ֖ר (umimidbar) = en uit de woestijn | מַתָּנָֽה (matana) = Mattana Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mattana, Nachaliël en Bamot: de ligging is onbekend. Het zijn stations op weg naar het noorden. Voetnoot Uitleg: מְחֹקֵק (mechoqeq), ‘scepter’: de staf van een leider. Voetnoot Lezing: Het lied staat tussen aanhalingstekens tot ‘staven’. De woorden ‘en uit de woestijn Mattana’ volgen daarna als reisbeschrijving. Wij vullen in verzen 18–20 alleen ‘naar’ aan; zo leest de tekst als een route. Zie ook: 2 Kron 17:7–9; Jes 33:22; Joh 1:17; Jak 4:12; 1 Tim 6:17–18 **21:19** en van Mattana naar Nachaliël, en van Nachaliël naar Bamot, Brontekst: וּמִמַּתָּנָ֖ה (umimatana) = en van Mattana | נַחֲלִיאֵ֑ל (nachaliel) = Nachaliël | וּמִנַּחֲלִיאֵ֖ל (uminachaliel) = en van Nachaliël | בָּמֽוֹת (bamot) = Bamot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:20** en van Bamot naar het dal in het veld van Moab, bij de top van de Pisga, die uitkijkt over de woestenij. Brontekst: וּמִבָּמ֗וֹת (umibamot) = en van Bamot | הַגַּיְא֙ (hagay) = het dal | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | בִּשְׂדֵ֣ה (bisde) = in het veld van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | רֹ֖אשׁ (rosh) = de top van | הַפִּסְגָּ֑ה (hapisga) = de Pisga | וְנִשְׁקָ֖פָה (venishqafa) = en die uitkijkt | עַל (al) = over | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הַיְשִׁימֹֽן (hayshimon) = de woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Pisga is een bergrug in het gebergte Abarim, ten noordoosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. De Nebo ligt daarbij. De woestenij (jeshimon) is de dorre streek bij de Dode Zee. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 22:1; Num 23:14; Num 23:28; Deut 4:49; Deut 34:1 ### Sichon, de koning van de Amorieten **21:21** Israël stuurde boden naar Sichon, de koning van de Amorieten, met de woorden: Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | סִיחֹ֥ן (sichon) = Sichon | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amorieten | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichon was koning van de Amorieten en woonde in Chesbon (Tel Hesban), in het huidige Jordanië, ten oosten van de Jordaan. De ligging is waarschijnlijk. Zie ook: Num 20:14–19; Deut 2:26–28; Re 11:19–21 **21:22** „Laat mij door uw land trekken. Wij buigen niet af naar akker of wijngaard en wij drinken geen water uit een put. Wij gaan over de koningsweg, totdat wij uw gebied zijn gepasseerd.” Brontekst: אֶעְבְּרָ֣ה (ebera) = laat mij doortrekken | בְאַרְצֶ֗ךָ (beartsekha) = door uw land | לֹ֤א (lo) = niet | נִטֶּה֙ (nite) = wij buigen af | בְּשָׂדֶ֣ה (besade) = naar akker | וּבְכֶ֔רֶם (uvekherem) = en wijngaard | לֹ֥א (lo) = niet | נִשְׁתֶּ֖ה (nishte) = wij drinken | מֵ֣י (mei) = water van | בְאֵ֑ר (beer) = een put | בְּדֶ֤רֶךְ (bederekh) = over de weg | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | נֵלֵ֔ךְ (nelekh) = wij gaan | עַ֥ד (ad) = totdat | אֲשֶֽׁר (asher) = dat | נַעֲבֹ֖ר (naavor) = wij zijn doorgetrokken | גְּבֻלֶֽךָ (gevulekha) = uw gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk de vraag aan Edom (Num. 20:17). Dezelfde woorden: ‘over de koningsweg’. Zie ook: Num 20:17 **21:23** Maar Sichon stond Israël niet toe door zijn gebied te trekken. Sichon verzamelde heel zijn volk en trok de woestijn in, Israël tegemoet. Hij kwam bij Jahaz en streed tegen Israël. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | נָתַ֨ן (natan) = stond toe | סִיחֹ֣ן (sichon) = Sichon | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | עֲבֹ֣ר (avor) = door te trekken | בִּגְבֻלוֹ֒ (bigvulo) = door zijn gebied | וַיֶּאֱסֹ֨ף (vayeesof) = en verzamelde | סִיחֹ֜ן (sichon) = Sichon | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַמּ֗וֹ (amo) = zijn volk | וַיֵּצֵ֞א (vayetse) = en trok uit | לִקְרַ֤את (liqrat) = tegemoet | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | הַמִּדְבָּ֔רָה (hamidbara) = naar de woestijn | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en kwam | יָ֑הְצָה (yahetsa) = naar Jahaz | וַיִּלָּ֖חֶם (vayilachem) = en streed | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = tegen Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jahaz: de ligging is onzeker, ergens op het plateau ten noorden van de Arnon. Zie ook: Num 20:21; Deut 2:30–32; Deut 29:6–7; Re 11:20; Jes 15:4 **21:24** Israël versloeg hem met de scherpte van het zwaard. Het nam zijn land in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, tot aan de zonen van Ammon. Want de grens van de zonen van Ammon was sterk. Brontekst: וַיַּכֵּ֥הוּ (vayakehu) = en versloeg hem | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | וַיִּירַ֨שׁ (vayirash) = en nam in bezit | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצ֜וֹ (artso) = zijn land | מֵֽאַרְנֹ֗ן (mearnon) = van de Arnon | עַד (ad) = tot | יַבֹּק֙ (yaboq) = de Jabbok | עַד (ad) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | כִּ֣י (ki) = want | עַ֔ז (az) = sterk | גְּב֖וּל (gevul) = de grens van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Jabbok is de rivier Zarqa in het huidige Jordanië. De zonen van Ammon woonden ten oosten daarvan. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Voetnoot Uitleg: עַז (az), ‘sterk’: de grens van Ammon was sterk bewaakt. Zie ook: Gen 32:22; Joz 24:8; Ps 136:19; Amos 2:9; Neh 9:22 **21:25** Israël nam al deze steden in. Israël ging wonen in alle steden van de Amorieten, in Chesbon en in alle plaatsen eromheen. Brontekst: וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיֵּ֤שֶׁב (vayeshev) = en woonde | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּכָל (bekhal) = in alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amorieten | בְּחֶשְׁבּ֖וֹן (becheshbon) = in Chesbon | וּבְכָל (uvekhal) = en in alle | בְּנֹתֶֽיהָ (benoteiha) = haar dochterplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie ook: Deut 2:12; Jes 16:8–9; Jer 48:2; Ezech 16:46; Ezech 16:49 **21:26** Want Chesbon was de stad van Sichon, de koning van de Amorieten. Hij had gestreden tegen de eerdere koning van Moab en had heel zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | חֶשְׁבּ֔וֹן (cheshbon) = Chesbon | עִ֗יר (ir) = stad van | סִיחֹ֛ן (sichon) = Sichon | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amorieten | הִ֑וא (hi) = zij | וְה֣וּא (vehu) = en hij | נִלְחַ֗ם (nilcham) = had gestreden | בְּמֶ֤לֶךְ (bemelekh) = tegen de koning van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | הָֽרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerdere | וַיִּקַּ֧ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | אַרְצ֛וֹ (artso) = zijn land | מִיָּד֖וֹ (miyado) = uit zijn hand | עַד (ad) = tot | אַרְנֹֽן (arnon) = de Arnon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Voetnoot Uitleg: Sichon had Moab een groot deel van zijn land afgenomen. Israël neemt nu wat Sichon in handen had. **21:27** Daarom zeggen de spreukdichters: „Kom naar Chesbon! Laat de stad van Sichon gebouwd en hersteld worden. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֛ן (ken) = zo | יֹאמְר֥וּ (yomru) = zeggen | הַמֹּשְׁלִ֖ים (hamoshelim) = de spreukdichters | בֹּ֣אוּ (bou) = kom | חֶשְׁבּ֑וֹן (cheshbon) = naar Chesbon | תִּבָּנֶ֥ה (tibane) = laat worden gebouwd | וְתִכּוֹנֵ֖ן (vetikonen) = en laat worden hersteld | עִ֥יר (ir) = de stad van | סִיחֽוֹן (sichon) = Sichon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Uitleg: הַמֹּשְׁלִים (hammoshelim), ‘de spreukdichters’: mensen die een מָשָׁל (mashal), ‘spreuk, dichterlijk woord’, uitspreken. Het woord komt terug in Num. 23:7. Zie ook: Num 21:14; Num 23:7; Jes 14:4; Hab 2:6 **21:28** Want een vuur is uitgegaan uit Chesbon, een vlam uit de stad van Sichon. Het heeft Ar van Moab verteerd, de heren van de hoogten van de Arnon. Brontekst: כִּי (ki) = want | אֵשׁ֙ (esh) = een vuur | יָֽצְאָ֣ה (yatsea) = is uitgegaan | מֵֽחֶשְׁבּ֔וֹן (mecheshbon) = uit Chesbon | לֶהָבָ֖ה (lehava) = een vlam | מִקִּרְיַ֣ת (miqiryat) = uit de stad van | סִיחֹ֑ן (sichon) = Sichon | אָֽכְלָה֙ (akhela) = het heeft verteerd | עָ֣ר (ar) = Ar | מוֹאָ֔ב (moav) = van Moab | בַּעֲלֵ֖י (baalei) = de heren van | בָּמ֥וֹת (bamot) = de hoogten van | אַרְנֹֽן (arnon) = de Arnon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ar van Moab: zie vers 15. De ‘hoogten’ (bamot) van de Arnon zijn de heuvels boven de rivier. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie ook: Num 21:15; Num 22:41; Deut 2:9; Amos 1:14; Jer 48:45–46 **21:29** Wee je, Moab! Je bent verloren, volk van Kemosj! Hij heeft zijn zonen als vluchtelingen en zijn dochters als gevangenen overgegeven aan Sichon, de koning van de Amorieten. Brontekst: אוֹי (oy) = wee | לְךָ֣ (lekha) = je | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | אָבַ֖דְתָּ (avadta) = je bent verloren | עַם (am) = volk van | כְּמ֑וֹשׁ (kemosh) = Kemosj | נָתַ֨ן (natan) = hij heeft gegeven | בָּנָ֤יו (banav) = zijn zonen | פְּלֵיטִם֙ (peleitim) = als vluchtelingen | וּבְנֹתָ֣יו (uvenotav) = en zijn dochters | בַּשְּׁבִ֔ית (bashevit) = in gevangenschap | לְמֶ֥לֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | אֱמֹרִ֖י (emori) = de Amorieten | סִיחֽוֹן (sichon) = Sichon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּמוֹשׁ (Kemosj) is de god van Moab. Het volk van Moab wordt hier zijn volk genoemd. Het lied bespot Moab: zijn god kon hen niet redden. Wij schrijven ‘hij’ met een kleine letter. Zie ook: Re 11:24; 1 Kon 11:7; 2 Kon 23:13; Jer 48:7; Jer 48:46 **21:30** Wij schoten op hen. Chesbon is verloren, tot aan Dibon. Wij maakten alles woest, tot aan Nofach, dat reikt tot aan Medeba.” Brontekst: וַנִּירָ֛ם (vaniram) = en wij schoten op hen | אָבַ֥ד (avad) = is verloren | חֶשְׁבּ֖וֹן (cheshbon) = Chesbon | עַד (ad) = tot | דִּיב֑וֹן (divon) = Dibon | וַנַּשִּׁ֣ים (vanashim) = en wij maakten woest | עַד (ad) = tot | נֹ֔פַח (nofach) = Nofach | אֲשֶׁ֖רׄ (asher) = dat | עַד (ad) = tot | מֵֽידְבָֽא (meideva) = Medeba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dibon, Nofach en Medeba liggen op het plateau ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië. Dibon en Medeba zijn zeker; Nofach is onzeker. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Lezing: De tekst van dit vers is moeilijk. Wij vertalen וַנִּירָם (wanniram) als ‘wij schoten op hen’. Sommigen lezen ‘hun nageslacht’. Het slot ‘dat tot aan Medeba’ is letterlijk ‘dat tot Medeba’. Zie ook: Num 32:3; Joz 13:17; Jes 15:2; Jer 48:18; Jer 48:22 **21:31** Israël ging wonen in het land van de Amorieten. Brontekst: וַיֵּ֨שֶׁב֙ (vayeshev) = en woonde | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | הָאֱמֹרִֽי (haemori) = de Amorieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:33–42; Deut 3:16–17; Joz 12:1–6; Joz 13:8–12 **21:32** Mozes stuurde mannen om Jaëzer te verkennen. Zij namen de plaatsen eromheen in, en men verdreef de Amorieten die daar waren. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | לְרַגֵּ֣ל (leragel) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | יַעְזֵ֔ר (yazer) = Jaëzer | וַֽיִּלְכְּד֖וּ (vayilkedu) = en zij namen in | בְּנֹתֶ֑יהָ (benoteiha) = haar dochterplaatsen | וַיּ֖וֹרֶשׁ (vayoresh) = en men verdreef | אֶת (et) = (obj.) | הָאֱמֹרִ֥י (haemori) = de Amorieten | אֲשֶׁר (asher) = die | שָֽׁם (sham) = daar waren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jaëzer ligt waarschijnlijk in het noorden van het plateau, bij het huidige Amman. De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord וַיּוֹרֶשׁ (wayyoresh), ‘hij verdreef’, heeft geen genoemd onderwerp. Wij vertalen onpersoonlijk: ‘men verdreef’. Zie ook: Num 32:1; Num 32:3; Num 32:35; Jes 16:8–9; Jer 48:32 ### Og, de koning van Basan **21:33** Zij keerden om en gingen de weg naar Basan op. Og, de koning van Basan, trok hen tegemoet, hij en heel zijn volk, om te strijden bij Edrei. Brontekst: וַיִּפְנוּ֙ (vayifnu) = en zij keerden om | וַֽיַּעֲל֔וּ (vayaalu) = en zij gingen op | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = de weg van | הַבָּשָׁ֑ן (habashan) = Basan | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en trok uit | עוֹג֩ (og) = Og | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֨ן (habashan) = Basan | לִקְרָאתָ֜ם (liqratam) = hen tegemoet | ה֧וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | עַמּ֛וֹ (amo) = zijn volk | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = om te strijden | אֶדְרֶֽעִי (edrei) = bij Edrei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Basan is het hoogland ten noorden van de Jarmuk, in het huidige Syrië. Edrei ligt in het zuiden van Basan, bij het huidige Daraa. De ligging van Edrei is waarschijnlijk. Zie ook: Deut 1:4; Deut 3:1–6; Deut 4:47; Deut 29:6; Joz 13:12 **21:34** Yahweh zei tot Mozes: **„Wees niet bang voor hem, want Ik heb hem, heel zijn volk en zijn land in jouw hand gegeven. Je moet met hem doen zoals je met Sichon hebt gedaan, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אַל (al) = niet | תִּירָ֣א (tira) = wees bang | אֹת֔וֹ (oto) = voor hem | כִּ֣י (ki) = want | בְיָדְךָ֞ (beyadekha) = in je hand | נָתַ֧תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְצ֑וֹ (artso) = zijn land | וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en je zult doen | לּ֔וֹ (lo) = met hem | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֗יתָ (asita) = je hebt gedaan | לְסִיחֹן֙ (lesichon) = met Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amorieten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = woonde | בְּחֶשְׁבּֽוֹן (becheshbon) = in Chesbon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Uitleg: Og is de koning van Basan. Zie ook Deut. 3:11 voor zijn bed. Zie ook: Num 21:24–25; Deut 3:2–3; Deut 3:11; Deut 20:3; Joz 8:7; Ps 135:10–11 **21:35** Zij versloegen hem, zijn zonen en heel zijn volk, totdat er niemand meer van hem over was. En zij namen zijn land in bezit. Brontekst: וַיַּכּ֨וּ (vayaku) = en zij versloegen | אֹת֤וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָיו֙ (banav) = zijn zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַמּ֔וֹ (amo) = zijn volk | עַד (ad) = totdat | בִּלְתִּ֥י (bilti) = niet | הִשְׁאִֽיר (hishir) = was overgebleven | ל֖וֹ (lo) = van hem | שָׂרִ֑יד (sarid) = een overlevende | וַיִּֽירְשׁ֖וּ (vayireshu) = en zij namen in bezit | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצֽוֹ (artso) = zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 3:3–17; Deut 29:6–7; Joz 12:4–6; Joz 13:12; Ps 135:10–12 ## Numeri 22 _Balak, Bileam en de ezelin_ ### Balak laat Bileam roepen **22:1** De zonen van Israël braken op en legerden zich in de vlakten van Moab, aan de overkant van de Jordaan bij Jericho. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽיַּחֲנוּ֙ (vayachanu) = en legerden zich | בְּעַֽרְב֣וֹת (bearvot) = in de vlakten van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | מֵעֵ֖בֶר (meever) = aan de overkant van | לְיַרְדֵּ֥ן (leyarden) = de Jordaan | יְרֵחֽוֹ (yerecho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vlakten van Moab (arvot Moab) liggen aan de oostkant van de Jordaan, tegenover Jericho, in het huidige Jordanië. Dit is de laatste legerplaats van Israël voor de oversteek. Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie ook: Num 33:48–50; Deut 1:5; Deut 3:8; Deut 34:1; Deut 34:8 **22:2** Balak, de zoon van Sippor, zag alles wat Israël met de Amorieten had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en zag | בָּלָ֖ק (balaq) = Balak | בֶּן (ben) = zoon van | צִפּ֑וֹר (tsipor) = Sippor | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֥ה (asa) = deed | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לָֽאֱמֹרִֽי (laemori) = met de Amorieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 21:3; Num 21:20–35; Re 11:25 **22:3** Moab was heel bang voor het volk, want het was talrijk. Moab walgde van de zonen van Israël. Brontekst: וַיָּ֨גָר (vayagar) = en was bang | מוֹאָ֜ב (moav) = Moab | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor | הָעָ֛ם (haam) = het volk | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | כִּ֣י (ki) = want | רַב (rav) = talrijk | ה֑וּא (hu) = het was | וַיָּ֣קָץ (vayaqats) = en walgde | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוּץ (qutz), ‘walgen’: hetzelfde woord als in Exod. 1:12. Zie ook: Ex 1:12; Ex 15:15; Deut 2:25; Joz 2:24; Joz 9:24; Jes 23:5 **22:4** Moab zei tot de oudsten van Midian: „Nu zal deze vergadering alles om ons heen opvreten, zoals de stier het groen van het veld opvreet.” Balak, de zoon van Sippor, was in die tijd koning van Moab. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מוֹאָ֜ב (moav) = Moab | אֶל (el) = tot | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | מִדְיָ֗ן (midyan) = Midian | עַתָּ֞ה (ata) = nu | יְלַחֲכ֤וּ (yelachakhu) = zullen opvreten | הַקָּהָל֙ (haqahal) = de vergadering | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | סְבִ֣יבֹתֵ֔ינוּ (sevivoteinu) = om ons heen | כִּלְחֹ֣ךְ (kilchokh) = zoals het opvreet | הַשּׁ֔וֹר (hashor) = de stier | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יֶ֣רֶק (yereq) = het groen van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | וּבָלָ֧ק (uvalaq) = en Balak | בֶּן (ben) = zoon van | צִפּ֛וֹר (tsipor) = Sippor | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning | לְמוֹאָ֖ב (lemoav) = van Moab | בָּעֵ֥ת (baet) = in de tijd | הַהִֽוא (hahi) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Moab spreekt met de oudsten van Midian. Zij waren bondgenoten. Wij schrijven ‘Midian’ zoals in Exodus. Voetnoot : הַקָּהָל (haqqahal), ‘de vergadering’: zo heet Israël hier in de mond van Moab. Zie ook: Num 22:2; Num 25:15–18; Num 31:8; Joz 13:21–22; Re 11:25 **22:5** Hij stuurde boden naar Bileam, de zoon van Beor, naar Petor. Dat ligt aan de rivier, in het land van de zonen van zijn volk. Zij moesten hem roepen. Hij zei: „Zie, een volk is uit Egypte getrokken. Zie, het bedekt het oppervlak van het land en het woont tegenover mij. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en stuurde | מַלְאָכִ֜ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | בִּלְעָ֣ם (bilam) = Bileam | בֶּן (ben) = zoon van | בְּע֗וֹר (beor) = Beor | פְּ֠תוֹרָה (petora) = Petor | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | עַל (al) = aan | הַנָּהָ֛ר (hanahar) = de rivier | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹ (amo) = zijn volk | לִקְרֹא (liqro) = om te roepen | ל֑וֹ (lo) = hem | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | הִ֠נֵּה (hine) = zie | עַ֣ם (am) = een volk | יָצָ֤א (yatsa) = is uitgetrokken | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = uit Egypte | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | כִסָּה֙ (kisa) = het bedekt | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֣ין (ein) = het oppervlak van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְה֥וּא (vehu) = en het | יֹשֵׁ֖ב (yoshev) = woont | מִמֻּלִֽי (mimuli) = tegenover mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Petor ligt aan de Eufraat (‘de rivier’), in het noorden van het huidige Syrië. De ligging is waarschijnlijk. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: Wij lezen ‘het land van de zonen van zijn volk’, zoals de Masoretische tekst heeft. Andere getuigen hebben hier ‘het land van de zonen van Ammon’. Zie ook: Num 23:7; Deut 23:5; Joz 24:9; Mi 6:5; Jud 1:11 **22:6** Kom nu toch en vervloek dit volk voor mij, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik hen verslaan en uit het land verjagen. Want ik weet: wie jij zegent, is gezegend, en wie jij vervloekt, is vervloekt.” Brontekst: וְעַתָּה֩ (veata) = en nu | לְכָה (lekha) = kom | נָּ֨א (na) = toch | אָֽרָה (ara) = vervloek | לִּ֜י (li) = voor mij | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | כִּֽי (ki) = want | עָצ֥וּם (atsum) = machtig | הוּא֙ (hu) = het is | מִמֶּ֔נִּי (mimeni) = meer dan ik | אוּלַ֤י (ulay) = misschien | אוּכַל֙ (ukhal) = kan ik | נַכֶּה (nake) = verslaan | בּ֔וֹ (bo) = hen | וַאֲגָרְשֶׁ֖נּוּ (vaagareshenu) = en ik zal het verjagen | מִן (min) = uit | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | כִּ֣י (ki) = want | יָדַ֗עְתִּי (yadati) = ik weet | אֵ֤ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wie | תְּבָרֵךְ֙ (tevarekh) = jij zegent | מְבֹרָ֔ךְ (mevorakh) = is gezegend | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wie | תָּאֹ֖ר (taor) = jij vervloekt | יוּאָֽר (yuar) = is vervloekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:7–8; Num 24:9; 1 Kon 22:8; 1 Kon 22:13; Neh 13:2 **22:7** De oudsten van Moab en de oudsten van Midian gingen weg, met het loon voor waarzeggerij in hun handen. Zij kwamen bij Bileam en zeiden hem de woorden van Balak. Brontekst: וַיֵּ֨לְכ֜וּ (vayelekhu) = en gingen | זִקְנֵ֤י (ziqnei) = de oudsten van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | וְזִקְנֵ֣י (veziqnei) = en de oudsten van | מִדְיָ֔ן (midyan) = Midian | וּקְסָמִ֖ים (uqesamim) = en waarzeggerij | בְּיָדָ֑ם (beyadam) = in hun hand | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | וַיְדַבְּר֥וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | בָלָֽק (balaq) = Balak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְסָמִים (qesamim), ‘waarzeggerij’: het loon voor een waarzegger, of de middelen om voortekenen te lezen. De precieze betekenis is niet zeker. Zie ook: Num 24:1; 1 Sam 9:7–8; Mi 3:11; Ezech 13:19; Tit 1:11 **22:8** Hij zei tot hen: „Overnacht hier vannacht. Dan geef ik jullie antwoord, zoals Yahweh tot mij spreekt.” De vorsten van Moab bleven bij Bileam. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | לִ֤ינוּ (linu) = overnacht | פֹה֙ (po) = hier | הַלַּ֔יְלָה (halayla) = vannacht | וַהֲשִׁבֹתִ֤י (vahashivoti) = en ik zal teruggeven | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = aan jullie | דָּבָ֔ר (davar) = een woord | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | יְדַבֵּ֥ר (yedaber) = spreekt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וַיֵּשְׁב֥וּ (vayeshevu) = en bleven | שָׂרֵֽי (sarei) = de vorsten van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | עִם (im) = bij | בִּלְעָֽם (bilam) = Bileam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 12:6; Num 22:19–20; Num 23:12; Jer 12:2; Ezech 33:31 ### Elohim spreekt tot Bileam **22:9** Elohim kwam bij Bileam en zei: **„Wie zijn deze mannen bij je?”** Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | בִּלְעָ֑ם (bilam) = Bileam | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מִ֛י (mi) = wie | הָאֲנָשִׁ֥ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | עִמָּֽךְ (imakh) = bij je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bileam noemt in vers 8 Yahweh, maar hier komt Elohim bij hem. Wij houden de namen zoals in het Hebreeuws. Zie ook: Gen 3:9–11; Gen 4:9; Gen 20:3; Ex 4:2; Num 22:8; Num 22:20 **22:10** Bileam zei tot Elohim: „Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, heeft naar mij gestuurd: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | בִּלְעָ֖ם (bilam) = Bileam | אֶל (el) = tot | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | בָּלָ֧ק (balaq) = Balak | בֶּן (ben) = zoon van | צִפֹּ֛ר (tsipor) = Sippor | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | שָׁלַ֥ח (shalach) = heeft gestuurd | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. **22:11** ‘Zie, het volk dat uit Egypte is getrokken bedekt het oppervlak van het land. Kom nu en verwens het voor mij. Misschien kan ik tegen hen strijden en hen verjagen.’” Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הָעָם֙ (haam) = het volk | הַיֹּצֵ֣א (hayotse) = dat uitgetrokken is | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַיְכַ֖ס (vaykhas) = en het bedekt | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֣ין (ein) = het oppervlak van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | עַתָּ֗ה (ata) = nu | לְכָ֤ה (lekha) = kom | קָֽבָה (qava) = verwens | לִּי֙ (li) = voor mij | אֹת֔וֹ (oto) = het | אוּלַ֥י (ulay) = misschien | אוּכַ֛ל (ukhal) = kan ik | לְהִלָּ֥חֶם (lehilachem) = strijden | בּ֖וֹ (bo) = tegen hen | וְגֵרַשְׁתִּֽיו (vegerashtiv) = en ik zal hen verjagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **22:12** Elohim zei tot Bileam: **„Je mag niet met hen meegaan. Je mag het volk niet vervloeken, want het is gezegend.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | לֹ֥א (lo) = niet | תֵלֵ֖ךְ (telekh) = je zult gaan | עִמָּהֶ֑ם (imahem) = met hen | לֹ֤א (lo) = niet | תָאֹר֙ (taor) = je zult vervloeken | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כִּ֥י (ki) = want | בָר֖וּךְ (barukh) = gezegend | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elohim zegt: het volk is gezegend. Zie Gen. 12:2–3, waar Abraham en zijn nageslacht gezegend worden. Zie ook: Gen 12:2; Num 23:19–20; Deut 23:6; Rom 11:29; Ef 1:3 **22:13** Bileam stond in de morgen op en zei tot de vorsten van Balak: „Ga naar jullie land. Want Yahweh weigert mij toe te staan met jullie mee te gaan.” Brontekst: וַיָּ֤קָם (vayaqam) = en stond op | בִּלְעָם֙ (bilam) = Bileam | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | שָׂרֵ֣י (sarei) = de vorsten van | בָלָ֔ק (balaq) = Balak | לְכ֖וּ (lekhu) = gaat | אֶֽל (el) = naar | אַרְצְכֶ֑ם (artsekhem) = jullie land | כִּ֚י (ki) = want | מֵאֵ֣ן (meen) = weigert | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְתִתִּ֖י (letiti) = mij te geven | לַהֲלֹ֥ךְ (lahalokh) = om te gaan | עִמָּכֶֽם (imakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:14; Deut 23:6 **22:14** De vorsten van Moab stonden op, gingen naar Balak en zeiden: „Bileam weigert met ons mee te gaan.” Brontekst: וַיָּק֨וּמוּ֙ (vayaqumu) = en stonden op | שָׂרֵ֣י (sarei) = de vorsten van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en kwamen | אֶל (el) = naar | בָּלָ֑ק (balaq) = Balak | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | מֵאֵ֥ן (meen) = weigert | בִּלְעָ֖ם (bilam) = Bileam | הֲלֹ֥ךְ (halokh) = te gaan | עִמָּֽנוּ (imanu) = met ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:13; Num 22:37 ### Balak stuurt meer vorsten **22:15** Balak stuurde opnieuw vorsten, talrijker en aanzienlijker dan de eersten. Brontekst: וַיֹּ֥סֶף (vayosef) = en voegde toe | ע֖וֹד (od) = nog | בָּלָ֑ק (balaq) = Balak | שְׁלֹ֣חַ (sheloach) = te sturen | שָׂרִ֔ים (sarim) = vorsten | רַבִּ֥ים (rabim) = talrijker | וְנִכְבָּדִ֖ים (venikhbadim) = en aanzienlijker | מֵאֵֽלֶּה (meele) = dan deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:7–8; Hand 10:7–8 **22:16** Zij kwamen bij Bileam en zeiden tegen hem: „Zo zegt Balak, de zoon van Sippor: Laat niets je tegenhouden om naar mij toe te komen. Brontekst: וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | בִּלְעָ֑ם (bilam) = Bileam | וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | בָּלָ֣ק (balaq) = Balak | בֶּן (ben) = zoon van | צִפּ֔וֹר (tsipor) = Sippor | אַל (al) = niet | נָ֥א (na) = toch | תִמָּנַ֖ע (timana) = laat je tegenhouden | מֵהֲלֹ֥ךְ (mehalokh) = om te gaan | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:17** Want ik zal je zeer eren, en alles wat je tegen mij zegt, zal ik doen. Kom toch en verwens dit volk voor mij.” Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כַבֵּ֤ד (kabed) = zeer | אֲכַבֶּדְךָ֙ (akhabedkha) = ik zal je eren | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וְכֹ֛ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | תֹּאמַ֥ר (tomar) = je zegt | אֵלַ֖י (elay) = tegen mij | אֶֽעֱשֶׂ֑ה (eese) = zal ik doen | וּלְכָה (ulekha) = en kom | נָּא֙ (na) = toch | קָֽבָה (qava) = verwens | לִּ֔י (li) = voor mij | אֵ֖ת (et) = (obj.) | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:29–30; Num 24:11; Est 7:9; Mat 4:8–9; Mat 16:26 **22:18** Bileam antwoordde de dienaren van Balak: „Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven. Ik kan het bevel van Yahweh, mijn Elohim, niet overtreden, om iets kleins of iets groots te doen. Brontekst: וַיַּ֣עַן (vayaan) = en antwoordde | בִּלְעָ֗ם (bilam) = Bileam | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tegen | עַבְדֵ֣י (avdei) = de dienaren van | בָלָ֔ק (balaq) = Balak | אִם (im) = als | יִתֶּן (yiten) = geeft | לִ֥י (li) = mij | בָלָ֛ק (balaq) = Balak | מְלֹ֥א (melo) = vol van | בֵית֖וֹ (beito) = zijn huis | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֑ב (vezahav) = en goud | לֹ֣א (lo) = niet | אוּכַ֗ל (ukhal) = kan ik | לַעֲבֹר֙ (laavor) = overtreden | אֶת (et) = (obj.) | פִּי֙ (pi) = het bevel van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֔י (elohay) = mijn Elohim | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | קְטַנָּ֖ה (qetana) = iets kleins | א֥וֹ (o) = of | גְדוֹלָֽה (gedola) = iets groots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:38; Num 23:26; Num 24:13; 1 Kon 22:14; 2 Kron 18:13 **22:19** Blijf nu toch ook jullie hier vannacht, zodat ik weet wat Yahweh verder tot mij zal zeggen.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | שְׁב֨וּ (shevu) = blijft | נָ֥א (na) = toch | בָזֶ֛ה (baze) = hier | גַּם (gam) = ook | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = vannacht | וְאֵ֣דְעָ֔ה (veedea) = en ik zal weten | מַה (ma) = wat | יֹּסֵ֥ף (yosef) = verder | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דַּבֵּ֥ר (daber) = spreken | עִמִּֽי (imi) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:7–8; 1 Tim 6:9–10; 2 Petr 2:3; 2 Petr 2:15; Jud 1:11 **22:20** Elohim kwam in de nacht bij Bileam en zei tegen hem: **„Stel dat de mannen zijn gekomen om je te roepen. Sta dan op en ga met hen mee. Maar alleen het woord dat Ik tot je zal spreken, moet je doen.”** Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwam | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | בִּלְעָם֮ (bilam) = Bileam | לַיְלָה֒ (layla) = in de nacht | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | אִם (im) = als | לִקְרֹ֤א (liqro) = om te roepen | לְךָ֙ (lekha) = je | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | הָאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | ק֖וּם (qum) = sta op | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | אִתָּ֑ם (itam) = met hen | וְאַ֗ךְ (veakh) = maar | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֲדַבֵּ֥ר (adaber) = Ik zal spreken | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot je | אֹת֥וֹ (oto) = het | תַעֲשֶֽׂה (taase) = je zult doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:35; Num 23:12; Num 23:26; Num 24:13; 2 Tess 2:9–12 **22:21** Bileam stond in de morgen op, zadelde zijn ezelin en ging met de vorsten van Moab mee. Brontekst: וַיָּ֤קָם (vayaqam) = en stond op | בִּלְעָם֙ (bilam) = Bileam | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וַֽיַּחֲבֹ֖שׁ (vayachavosh) = en zadelde | אֶת (et) = (obj.) | אֲתֹנ֑וֹ (atono) = zijn ezelin | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | עִם (im) = met | שָׂרֵ֥י (sarei) = de vorsten van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 1:15–16 ### De engel van Yahweh en de ezelin **22:22** Maar de toorn van Elohim ontbrandde, omdat hij meeging. De engel van Yahweh stelde zich op de weg om hem te weerstaan. Hij reed op zijn ezelin, met zijn twee jongens bij zich. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֣ף (af) = de toorn van | אֱלֹהִים֮ (Elohim) = Elohim | כִּֽי (ki) = omdat | הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = gaand | הוּא֒ (hu) = hij | וַיִּתְיַצֵּ֞ב (vayityatsev) = en stelde zich op | מַלְאַ֧ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | לְשָׂטָ֣ן (lesatan) = als tegenstander | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | רֹכֵ֣ב (rokhev) = reed | עַל (al) = op | אֲתֹנ֔וֹ (atono) = zijn ezelin | וּשְׁנֵ֥י (ushenei) = en twee van | נְעָרָ֖יו (nearav) = zijn jongens | עִמּֽוֹ (imo) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’: iemand die de weg versperrt. Het is hier geen eigennaam. Voetnoot : מַלְאַךְ יְהוָה (malakh Yahweh), ‘engel van Yahweh’. Voetnoot Lezing: Elohim is toornig omdat Bileam meegaat, ook al had Hij gezegd: ‘ga met hen mee’ (vers 20). Wij laten beide verzen staan; de tekst geeft er geen verklaring voor. Zie ook: Ex 4:24; Ex 23:20; Num 22:20; Num 22:32; Num 22:35; Klaagl 2:4 **22:23** De ezelin zag de engel van Yahweh op de weg staan, met zijn getrokken zwaard in zijn hand. De ezelin week van de weg af en liep het veld in. Bileam sloeg de ezelin om haar terug op de weg te krijgen. Brontekst: וַתֵּ֣רֶא (vatere) = en zag | הָאָתוֹן֩ (haaton) = de ezelin | אֶת (et) = (obj.) | מַלְאַ֨ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | נִצָּ֣ב (nitsav) = staande | בַּדֶּ֗רֶךְ (baderekh) = op de weg | וְחַרְבּ֤וֹ (vecharbo) = en zijn zwaard | שְׁלוּפָה֙ (shelufa) = getrokken | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וַתֵּ֤ט (vatet) = en week af | הָֽאָתוֹן֙ (haaton) = de ezelin | מִן (min) = van | הַדֶּ֔רֶךְ (haderekh) = de weg | וַתֵּ֖לֶךְ (vatelekh) = en ging | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = in het veld | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en sloeg | בִּלְעָם֙ (bilam) = Bileam | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אָת֔וֹן (haaton) = de ezelin | לְהַטֹּתָ֖הּ (lehatotah) = om af te laten wijken | הַדָּֽרֶךְ (hadarekh) = naar de weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ezelin ziet de engel eerder dan Bileam. Zie ook: Jer 8:7; Dan 10:7; 1 Kor 1:27–29; 2 Petr 2:16; Jud 1:11 **22:24** Toen stelde de engel van Yahweh zich op in het smalle pad tussen de wijngaarden. Er was een muur aan de ene kant en een muur aan de andere kant. Brontekst: וַֽיַּעֲמֹד֙ (vayaamod) = en stond | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּמִשְׁע֖וֹל (bemishol) = in het smalle pad van | הַכְּרָמִ֑ים (hakeramim) = de wijngaarden | גָּדֵ֥ר (gader) = een muur | מִזֶּ֖ה (mize) = aan deze kant | וְגָדֵ֥ר (vegader) = en een muur | מִזֶּֽה (mize) = aan gene kant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:25** De ezelin zag de engel van Yahweh en drukte zich tegen de muur. Zij drukte Bileams voet tegen de muur. Hij sloeg haar opnieuw. Brontekst: וַתֵּ֨רֶא (vatere) = en zag | הָאָת֜וֹן (haaton) = de ezelin | אֶת (et) = (obj.) | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַתִּלָּחֵץ֙ (vatilachets) = en drukte zich | אֶל (el) = tegen | הַקִּ֔יר (haqir) = de muur | וַתִּלְחַ֛ץ (vatilchats) = en drukte | אֶת (et) = (obj.) | רֶ֥גֶל (regel) = de voet van | בִּלְעָ֖ם (bilam) = Bileam | אֶל (el) = tegen | הַקִּ֑יר (haqir) = de muur | וַיֹּ֖סֶף (vayosef) = en hij voegde toe | לְהַכֹּתָֽהּ (lehakotah) = om haar te slaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:13–15; Jes 47:12 **22:26** De engel van Yahweh ging nog verder en stelde zich op een smalle plaats. Daar was geen ruimte om naar rechts of naar links uit te wijken. Brontekst: וַיּ֥וֹסֶף (vayosef) = en voegde toe | מַלְאַךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֲב֑וֹר (avor) = om verder te gaan | וַֽיַּעֲמֹד֙ (vayaamod) = en stond | בְּמָק֣וֹם (bemaqom) = op een plaats | צָ֔ר (tsar) = smal | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waar | אֵֽין (ein) = er is niet | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = ruimte | לִנְט֖וֹת (lintot) = om af te wijken | יָמִ֥ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹֽאול (usemovl) = en links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 2:8; Jes 26:11 **22:27** De ezelin zag de engel van Yahweh en liet zich onder Bileam neerzakken. Bileams toorn ontbrandde en hij sloeg de ezelin met zijn stok. Brontekst: וַתֵּ֤רֶא (vatere) = en zag | הָֽאָתוֹן֙ (haaton) = de ezelin | אֶת (et) = (obj.) | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַתִּרְבַּ֖ץ (vatirbats) = en zakte neer | תַּ֣חַת (tachat) = onder | בִּלְעָ֑ם (bilam) = Bileam | וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֣ף (af) = de toorn van | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | הָאָת֖וֹן (haaton) = de ezelin | בַּמַּקֵּֽל (bamaqel) = met de stok Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 14:16; Spr 27:3–4; Jak 1:19 **22:28** Yahweh opende de mond van de ezelin. Zij zei tot Bileam: „Wat heb ik jou gedaan, dat je mij nu drie keer hebt geslagen?” Brontekst: וַיִּפְתַּ֥ח (vayiftach) = en opende | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֣י (pi) = de mond van | הָאָת֑וֹן (haaton) = de ezelin | וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zij zei | לְבִלְעָם֙ (levilam) = tegen Bileam | מֶה (me) = wat | עָשִׂ֣יתִֽי (asiti) = heb ik gedaan | לְךָ֔ (lekha) = jou | כִּ֣י (ki) = dat | הִכִּיתַ֔נִי (hikitani) = je mij hebt geslagen | זֶ֖ה (ze) = nu | שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | רְגָלִֽים (regalim) = keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְגָלִים (regalim), ‘voeten’, betekent hier ‘keer’: drie voetstappen, drie keer. Zie ook: Ex 4:11; Luc 1:37; 1 Kor 1:19; Rom 8:22; 2 Petr 2:16 **22:29** Bileam zei tot de ezelin: „Omdat je mij belachelijk hebt gemaakt! Had ik maar een zwaard in mijn hand, dan zou ik je nu doden.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | בִּלְעָם֙ (bilam) = Bileam | לָֽאָת֔וֹן (laaton) = tegen de ezelin | כִּ֥י (ki) = omdat | הִתְעַלַּ֖לְתְּ (hitalalt) = je hebt gespot | בִּ֑י (bi) = met mij | ל֤וּ (lu) = och | יֶשׁ (yesh) = als er was | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = een zwaard | בְּיָדִ֔י (beyadi) = in mijn hand | כִּ֥י (ki) = want | עַתָּ֖ה (ata) = nu | הֲרַגְתִּֽיךְ (haragtikh) = had ik je gedood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 12:10; Spr 12:16; Pred 9:3; Mat 15:19 **22:30** De ezelin zei tot Bileam: „Ben ik niet jouw ezelin, waarop je hebt gereden, al sinds je bestaat tot op deze dag? Ben ik ooit gewend geweest dit bij je te doen?” Hij zei: „Nee.” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר (vatomer) = en zei | הָאָת֜וֹן (haaton) = de ezelin | אֶל (el) = tot | בִּלְעָ֗ם (bilam) = Bileam | הֲלוֹא֩ (halo) = niet waar | אָנֹכִ֨י (anokhi) = ik | אֲתֹֽנְךָ֜ (atonekha) = jouw ezelin | אֲשֶׁר (asher) = waarop | רָכַ֣בְתָּ (rakhavta) = je hebt gereden | עָלַ֗י (alay) = op mij | מֵעֽוֹדְךָ֙ (meodekha) = sinds je bestaan | עַד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | הַֽהַסְכֵּ֣ן (hahasken) = ben ik gewend | הִסְכַּ֔נְתִּי (hiskanti) = ben ik geweest | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | כֹּ֑ה (ko) = zo | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֹֽא (lo) = nee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 1:27–28; 2 Petr 2:16 **22:31** Toen opende Yahweh de ogen van Bileam. Hij zag de engel van Yahweh op de weg staan, met zijn getrokken zwaard in zijn hand. Hij boog diep en wierp zich op zijn gezicht neer. Brontekst: וַיְגַ֣ל (vaygal) = en opende | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | עֵינֵ֣י (einei) = de ogen van | בִלְעָם֒ (bilam) = Bileam | וַיַּ֞רְא (vayar) = en hij zag | אֶת (et) = (obj.) | מַלְאַ֤ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | נִצָּ֣ב (nitsav) = staande | בַּדֶּ֔רֶךְ (baderekh) = op de weg | וְחַרְבּ֥וֹ (vecharbo) = en zijn zwaard | שְׁלֻפָ֖ה (shelufa) = getrokken | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיִּקֹּ֥ד (vayiqod) = en hij boog | וַיִּשְׁתַּ֖חוּ (vayishtachu) = en wierp zich neer | לְאַפָּֽיו (leapav) = op zijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְגַל (vayegal), ‘Hij onthulde’: Yahweh haalt als het ware een sluier van Bileams ogen. Wij vertalen ‘opende de ogen’. Zie ook: Gen 21:19; Num 24:16; 1 Kron 21:16; Luc 24:31; Hand 26:18 **22:32** De engel van Yahweh zei tot hem: „Waarom heb je je ezelin nu drie keer geslagen? Zie, ik ben uitgegaan als tegenstander, want je weg is roekeloos tegenover mij. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tegen hem | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | מָ֗ה (ma) = wat | הִכִּ֨יתָ֙ (hikita) = heb je geslagen | אֶת (et) = (obj.) | אֲתֹ֣נְךָ֔ (atonekha) = je ezelin | זֶ֖ה (ze) = deze | שָׁל֣וֹשׁ (shalosh) = drie | רְגָלִ֑ים (regalim) = keer | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | יָצָ֣אתִי (yatsati) = ben uitgegaan | לְשָׂטָ֔ן (lesatan) = als tegenstander | כִּֽי (ki) = want | יָרַ֥ט (yarat) = is roekeloos | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de weg | לְנֶגְדִּֽי (lenegdi) = tegenover mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרַט (yarat), ‘roekeloos zijn’: een zeldzaam woord. Bileams weg is gevaarlijk voor hemzelf. Zie ook: Num 22:22; Spr 14:2; Spr 28:6; Spr 28:18; Hand 13:10 **22:33** De ezelin heeft mij gezien en is drie keer voor mij uitgeweken. Als zij niet voor mij was uitgeweken, had ik nu jou gedood en haar in leven gelaten.” Brontekst: וַתִּרְאַ֨נִי֙ (vatirani) = en zag mij | הָֽאָת֔וֹן (haaton) = de ezelin | וַתֵּ֣ט (vatet) = en week af | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor mij | זֶ֖ה (ze) = deze | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | רְגָלִ֑ים (regalim) = keer | אוּלַי֙ (ulay) = misschien | נָטְתָ֣ה (nateta) = was zij uitgeweken | מִפָּנַ֔י (mipanay) = voor mij | כִּ֥י (ki) = want | עַתָּ֛ה (ata) = nu | גַּם (gam) = ook | אֹתְכָ֥ה (otekha) = jou | הָרַ֖גְתִּי (haragti) = had ik gedood | וְאוֹתָ֥הּ (veotah) = en haar | הֶחֱיֵֽיתִי (hecheyeiti) = in leven gelaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אוּלַי (ulay) betekent meestal ‘misschien’. Hier past de zin ‘als zij niet was uitgeweken’. Wij vertalen zo, naar de gedachte van het vers. Zie ook: Num 14:37; Num 16:33–35; 1 Kon 13:24–28 **22:34** Bileam zei tot de engel van Yahweh: „Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat u tegenover mij op de weg stond. Als het nu kwaad is in uw ogen, dan keer ik terug.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | בִּלְעָ֜ם (bilam) = Bileam | אֶל (el) = tot | מַלְאַ֤ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | חָטָ֔אתִי (chatati) = ik heb gezondigd | כִּ֚י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik wist | כִּ֥י (ki) = dat | אַתָּ֛ה (ata) = u | נִצָּ֥ב (nitsav) = stond | לִקְרָאתִ֖י (liqrati) = tegenover mij | בַּדָּ֑רֶךְ (badarekh) = op de weg | וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | אִם (im) = als | רַ֥ע (ra) = kwaad | בְּעֵינֶ֖יךָ (beeineikha) = in uw ogen | אָשׁ֥וּבָה (ashuva) = keer ik terug | לִּֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bileam spreekt de engel aan met ‘u’. Zie ook: Job 34:31–32; 1 Sam 15:24; 1 Sam 15:30; 1 Sam 26:21; 2 Sam 12:13 **22:35** De engel van Yahweh zei tot Bileam: „Ga met de mannen mee. Maar alleen het woord dat ik tot je spreek, moet je spreken.” Bileam ging mee met de vorsten van Balak. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | מַלְאַ֨ךְ (malakh) = de engel van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | בִּלְעָ֗ם (bilam) = Bileam | לֵ֚ךְ (lekh) = ga | עִם (im) = met | הָ֣אֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | וְאֶ֗פֶס (veefes) = maar | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֲדַבֵּ֥ר (adaber) = ik zal spreken | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot je | אֹת֣וֹ (oto) = het | תְדַבֵּ֑ר (tedaber) = je zult spreken | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | בִּלְעָ֖ם (bilam) = Bileam | עִם (im) = met | שָׂרֵ֥י (sarei) = de vorsten van | בָלָֽק (balaq) = Balak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:20–21; Ps 81:13; Jes 37:26–29; 2 Tess 2:9–12 ### Bileam bij Balak **22:36** Balak hoorde dat Bileam kwam. Hij ging hem tegemoet naar de stad van Moab aan de Arnon, die aan het uiterste van de grens ligt. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֥ע (vayishma) = en hoorde | בָּלָ֖ק (balaq) = Balak | כִּ֣י (ki) = dat | בָ֣א (ba) = was gekomen | בִלְעָ֑ם (bilam) = Bileam | וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en ging uit | לִקְרָאת֜וֹ (liqrato) = hem tegemoet | אֶל (el) = naar | עִ֣יר (ir) = de stad van | מוֹאָ֗ב (moav) = Moab | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = aan | גְּב֣וּל (gevul) = de grens van | אַרְנֹ֔ן (arnon) = de Arnon | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בִּקְצֵ֥ה (biqtse) = aan het uiterste van | הַגְּבֽוּל (hagevul) = de grens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De stad van Moab aan de Arnon is waarschijnlijk Ar (zie Num. 21:15 en 21:28). De ligging is onzeker. Zie ook: Gen 46:29; Num 21:15; Num 21:28; Deut 2:24; Jes 16:2; Jer 48:20; Hand 28:15 **22:37** Balak zei tot Bileam: „Heb ik niet dringend naar je gestuurd om je te roepen? Waarom ben je niet naar mij gekomen? Kan ik je soms niet eren?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | בָּלָ֜ק (balaq) = Balak | אֶל (el) = tot | בִּלְעָ֗ם (bilam) = Bileam | הֲלֹא֩ (halo) = niet waar | שָׁלֹ֨חַ (shaloach) = sturen | שָׁלַ֤חְתִּי (shalachti) = heb ik gestuurd | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = naar je | לִקְרֹא (liqro) = om te roepen | לָ֔ךְ (lakh) = je | לָ֥מָּה (lama) = waarom | לֹא (lo) = niet | הָלַ֖כְתָּ (halakhta) = ben je gekomen | אֵלָ֑י (elay) = naar mij | הַֽאֻמְנָ֔ם (haumnam) = werkelijk | לֹ֥א (lo) = niet | אוּכַ֖ל (ukhal) = kan ik | כַּבְּדֶֽךָ (kabedekha) = je eren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:16–17; Num 24:11; Ps 75:7; Mat 4:8–9; Joh 5:44 **22:38** Bileam zei tot Balak: „Zie, ik ben naar je toe gekomen. Maar kan ik nu iets zeggen? Het woord dat Elohim in mijn mond legt, dat zal ik spreken.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | בִּלְעָ֜ם (bilam) = Bileam | אֶל (el) = tot | בָּלָ֗ק (balaq) = Balak | הִֽנֵּה (hine) = zie | בָ֨אתִי֙ (bati) = ik ben gekomen | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar je | עַתָּ֕ה (ata) = nu | הֲיָכ֥וֹל (hayakhol) = is het mogelijk | אוּכַ֖ל (ukhal) = ik kan | דַּבֵּ֣ר (daber) = zeggen | מְא֑וּמָה (meuma) = iets | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יָשִׂ֧ים (yasim) = legt | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | בְּפִ֖י (befi) = in mijn mond | אֹת֥וֹ (oto) = dat | אֲדַבֵּֽר (adaber) = zal ik spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:18; Num 23:16; Num 23:26; Spr 19:21; 2 Kron 18:13 **22:39** Bileam ging met Balak mee en zij kwamen in Kirjat-Chuzot. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | בִּלְעָ֖ם (bilam) = Bileam | עִם (im) = met | בָּלָ֑ק (balaq) = Balak | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | קִרְיַ֥ת (qiryat) = Kirjat | חֻצֽוֹת (chutsot) = Chuzot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kirjat-Chuzot: de ligging is onbekend, ergens op het plateau van Moab. **22:40** Balak slachtte runderen en schapen en stuurde daarvan naar Bileam en naar de vorsten die bij hem waren. Brontekst: וַיִּזְבַּ֥ח (vayizbach) = en slachtte | בָּלָ֖ק (balaq) = Balak | בָּקָ֣ר (baqar) = runderen | וָצֹ֑אן (vatson) = en kleinvee | וַיְשַׁלַּ֣ח (vayshalach) = en stuurde | לְבִלְעָ֔ם (levilam) = naar Bileam | וְלַשָּׂרִ֖ים (velasarim) = en naar de vorsten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אִתּֽוֹ (ito) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De tekst zegt niet wat Balak stuurde. Wij voegen alleen ‘daarvan’ toe: een deel van het vlees van de geslachte dieren. Zie ook: Gen 31:54; Num 23:2; Num 23:14; Num 23:30; Spr 1:16 **22:41** De volgende morgen nam Balak Bileam mee en bracht hem omhoog naar Bamot-Baäl. Van daar zag hij het uiterste deel van het volk. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | בָּלָק֙ (balaq) = Balak | אֶת (et) = (obj.) | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | וַֽיַּעֲלֵ֖הוּ (vayaalehu) = en bracht hem omhoog | בָּמ֣וֹת (bamot) = naar Bamot | בָּ֑עַל (baal) = Baäl | וַיַּ֥רְא (vayar) = en hij zag | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | קְצֵ֥ה (qetse) = het uiterste van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bamot-Baäl, ‘hoogten van Baäl’, ligt in Moab, vlak bij de Arnon. De ligging is niet zeker. Zie ook: Num 21:28; Num 23:13; Deut 12:2; 2 Kron 11:15; Jer 48:35 ## Numeri 23 _Bileams eerste en tweede spreuk_ ### De zeven altaren **23:1** Bileam zei tot Balak: „Bouw hier zeven altaren voor mij en maak hier zeven stieren en zeven rammen voor mij klaar.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | בִּלְעָם֙ (bilam) = Bileam | אֶל (el) = tot | בָּלָ֔ק (balaq) = Balak | בְּנֵה (bene) = bouw | לִ֥י (li) = voor mij | בָזֶ֖ה (baze) = hier | שִׁבְעָ֣ה (shiva) = zeven | מִזְבְּחֹ֑ת (mizbechot) = altaren | וְהָכֵ֥ן (vehakhen) = en maak klaar | לִי֙ (li) = voor mij | בָּזֶ֔ה (baze) = hier | שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | פָרִ֖ים (parim) = stieren | וְשִׁבְעָ֥ה (veshiva) = en zeven | אֵילִֽים (eilim) = rammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 27:1–8; Num 23:29; Jes 1:11–15; Mat 23:13; Jud 1:11 **23:2** Balak deed zoals Bileam had gezegd. Balak en Bileam offerden op elk altaar een stier en een ram. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | בָּלָ֔ק (balaq) = Balak | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֣ר (diber) = had gesproken | בִּלְעָ֑ם (bilam) = Bileam | וַיַּ֨עַל (vayaal) = en offerde | בָּלָ֧ק (balaq) = Balak | וּבִלְעָ֛ם (uvilam) = en Bileam | פָּ֥ר (par) = een stier | וָאַ֖יִל (vaayil) = en een ram | בַּמִּזְבֵּֽחַ (bamizbeach) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘op het altaar’ (enkelvoud). Wij nemen aan dat op elk van de zeven altaren een stier en een ram werden geofferd; dat zegt Bileam in vers 4. Zie ook: Num 23:4; Num 23:14; Num 23:30 **23:3** Bileam zei tot Balak: „Blijf bij je brandoffer staan, dan ga ik. Misschien komt Yahweh mij tegemoet. Wat Hij mij ook laat zien, ik zal het je vertellen.” Hij ging naar een kale hoogte. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | בִּלְעָ֜ם (bilam) = Bileam | לְבָלָ֗ק (levalaq) = tot Balak | הִתְיַצֵּב֮ (hityatsev) = blijf staan | עַל (al) = bij | עֹלָתֶךָ֒ (olatekha) = je brandoffer | וְאֵֽלְכָ֗ה (veelekha) = en ik zal gaan | אוּלַ֞י (ulay) = misschien | יִקָּרֵ֤ה (yiqare) = komt tegemoet | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לִקְרָאתִ֔י (liqrati) = mij tegemoet | וּדְבַ֥ר (udevar) = en het woord | מַה (ma) = wat | יַּרְאֵ֖נִי (yareni) = Hij mij laat zien | וְהִגַּ֣דְתִּי (vehigadti) = en ik zal vertellen | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | שֶֽׁפִי (shefi) = naar een kale hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁפִי (shefi), ‘kale hoogte’: een kale heuvel zonder bomen. Het woord is zeldzaam. Zie ook: Gen 22:7–8; Gen 22:13; Lev 1:1; Num 23:15; Num 24:1 **23:4** Elohim ontmoette Bileam. Hij zei tot Hem: „De zeven altaren heb ik opgesteld, en op elk altaar heb ik een stier en een ram geofferd.” Brontekst: וַיִּקָּ֥ר (vayiqar) = en ontmoette | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | בִּלְעָ֑ם (bilam) = Bileam | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֗יו (elav) = tot Hem | אֶת (et) = (obj.) | שִׁבְעַ֤ת (shivat) = de zeven van | הַֽמִּזְבְּחֹת֙ (hamizbechot) = de altaren | עָרַ֔כְתִּי (arakhti) = heb ik opgesteld | וָאַ֛עַל (vaaal) = en ik offerde | פָּ֥ר (par) = een stier | וָאַ֖יִל (vaayil) = en een ram | בַּמִּזְבֵּֽחַ (bamizbeach) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier is het Elohim die Bileam ontmoet; in vers 5 is het Yahweh. Het is dezelfde Persoon. Zie ook: Num 23:1; Num 23:5; Num 23:16; Mat 20:12; Luc 18:12; Ef 2:9 **23:5** Yahweh legde een woord in de mond van Bileam en zei: **„Keer terug naar Balak en spreek zo.”** Brontekst: וַיָּ֧שֶׂם (vayasem) = en legde | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | דָּבָ֖ר (davar) = een woord | בְּפִ֣י (befi) = in de mond van | בִלְעָ֑ם (bilam) = Bileam | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en Hij zei | שׁ֥וּב (shuv) = keer terug | אֶל (el) = naar | בָּלָ֖ק (balaq) = Balak | וְכֹ֥ה (vekho) = en zo | תְדַבֵּֽר (tedaber) = zul je spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh legt het woord in Bileams mond. Daarom is wat Bileam daarna zegt, geen woord van hemzelf. Wij zetten de spreuken van Bileam niet in het rood; alleen de woorden die Yahweh Zelf tot hem spreekt, zijn rood. Zie ook: Num 23:16; Deut 18:18; Jes 51:16; Jes 59:21; Jer 1:9 **23:6** Hij keerde terug naar hem, en zie, hij stond bij zijn brandoffer, hij en alle vorsten van Moab. Brontekst: וַיָּ֣שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | אֵלָ֔יו (elav) = naar hem | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | נִצָּ֖ב (nitsav) = staand | עַל (al) = bij | עֹלָת֑וֹ (olato) = zijn brandoffer | ה֖וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en alle | שָׂרֵ֥י (sarei) = vorsten van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Bileams eerste spreuk **23:7** Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Uit Aram heeft Balak mij hierheen gebracht, de koning van Moab, uit de bergen van het oosten: ‘Kom, vervloek Jakob voor mij. Kom, schel Israël uit.’ Brontekst: וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hij hief op | מְשָׁל֖וֹ (meshalo) = zijn spreuk | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | מִן (min) = uit | אֲ֠רָם (aram) = Aram | יַנְחֵ֨נִי (yancheni) = heeft mij gebracht | בָלָ֤ק (balaq) = Balak | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | מֵֽהַרְרֵי (meharrei) = uit de bergen van | קֶ֔דֶם (qedem) = het oosten | לְכָה֙ (lekha) = kom | אָֽרָה (ara) = vervloek | לִּ֣י (li) = voor mij | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וּלְכָ֖ה (ulekha) = en kom | זֹעֲמָ֥ה (zoama) = schel uit | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aram en de bergen van het oosten: het gebergte ten oosten van Moab. Voetnoot Uitleg: מָשָׁל (mashal), ‘spreuk’: een dichterlijk woord. Zie ook Num. 21:27. Voetnoot : אֲרָם (Aram) ligt in het noorden van het huidige Syrië; het is het land van Bileam (zie Num. 22:5). Voetnoot : קָבַב (qavav), ‘verwensen’, en אָרַר (arar), ‘vervloeken’, zijn twee verschillende werkwoorden. Het derde werkwoord, זָעַם (zaam), vertalen wij ‘uitschelden’: het woord betekent ‘woedend toespreken’. Zie ook: Num 21:27; Num 22:5–6; Num 23:18; Num 24:3; Num 24:23; Deut 23:5 **23:8** Hoe zou ik verwensen wie El niet verwenst? Hoe zou ik uitschelden wie Yahweh niet uitscheldt? Brontekst: מָ֣ה (ma) = wat | אֶקֹּ֔ב (eqov) = zou ik verwensen | לֹ֥א (lo) = niet | קַבֹּ֖ה (qabo) = heeft verwenst | אֵ֑ל (el) = El | וּמָ֣ה (uma) = en wat | אֶזְעֹ֔ם (ezom) = zou ik uitschelden | לֹ֥א (lo) = niet | זָעַ֖ם (zaam) = heeft uitgescholden | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל (El) is een oud woord voor God. Wij laten het onvertaald, naast Yahweh in dezelfde zin. Zie ook: Num 22:12; Num 23:20; Num 23:23; Jes 44:25; Jes 47:12–13 **23:9** Want vanaf de top van de rotsen zie ik hen, en vanaf de heuvels aanschouw ik hen. Zie, een volk dat apart woont en zich niet onder de volken rekent. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מֵרֹ֤אשׁ (merosh) = vanaf de top van | צֻרִים֙ (tsurim) = rotsen | אֶרְאֶ֔נּוּ (erenu) = zie ik hem | וּמִגְּבָע֖וֹת (umigevaot) = en vanaf heuvels | אֲשׁוּרֶ֑נּוּ (ashurenu) = aanschouw ik hem | הֶן (hen) = zie | עָם֙ (am) = een volk | לְבָדָ֣ד (levadad) = apart | יִשְׁכֹּ֔ן (yishkon) = het woont | וּבַגּוֹיִ֖ם (uvagoyim) = en onder de volken | לֹ֥א (lo) = niet | יִתְחַשָּֽׁב (yitchashav) = het rekent zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk ‘rekent zich niet onder de volken’: het is anders dan de andere volken, doordat Yahweh het gekozen heeft. Zie ook: Ex 33:16; Deut 32:8; Deut 33:28; Ezra 9:2; Est 3:8 **23:10** Wie telt het stof van Jakob, wie telt het vierde deel van Israël? Laat mijn ziel de dood van de oprechten sterven, en laat mijn einde zijn zoals het hunne.” Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | מָנָה֙ (mana) = heeft geteld | עֲפַ֣ר (afar) = het stof van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וּמִסְפָּ֖ר (umispar) = en het aantal van | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֣בַע (rova) = het vierde deel van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | תָּמֹ֤ת (tamot) = laat sterven | נַפְשִׁי֙ (nafshi) = mijn ziel | מ֣וֹת (mot) = de dood van | יְשָׁרִ֔ים (yesharim) = de oprechten | וּתְהִ֥י (utehi) = en laat zijn | אַחֲרִיתִ֖י (achariti) = mijn einde | כָּמֹֽהוּ (kamohu) = zoals het zijne Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹבַע (roba), ‘vierde deel’: Israël bestaat uit vier groepen van drie stammen rond de tabernakel. Het woord wordt ook verstaan als ‘wolk (van stof)’; wij houden ‘vierde deel’. Voetnoot : כָּמֹהוּ (kamohu) is letterlijk ‘zoals het zijne’: het einde van Israël. Zie ook: Gen 13:16; Ps 37:37; Ps 116:15; 2 Kor 5:1; Openb 14:13 ### Balak is teleurgesteld **23:11** Balak zei tot Bileam: „Wat heb je mij aangedaan? Ik heb je gehaald om mijn vijanden te verwensen, en zie, je hebt hen werkelijk gezegend.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | בָּלָק֙ (balaq) = Balak | אֶל (el) = tot | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | מֶ֥ה (me) = wat | עָשִׂ֖יתָ (asita) = heb je gedaan | לִ֑י (li) = mij | לָקֹ֤ב (laqov) = om te verwensen | אֹיְבַי֙ (oyevay) = mijn vijanden | לְקַחְתִּ֔יךָ (leqachtikha) = heb ik je genomen | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | בֵּרַ֥כְתָּ (berakhta) = je hebt gezegend | בָרֵֽךְ (barekh) = werkelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:17; Num 23:7–8; Num 24:10; Ps 109:17–20; Neh 13:2 **23:12** Hij antwoordde: „Moet ik niet zorgvuldig spreken wat Yahweh in mijn mond legt?” Brontekst: וַיַּ֖עַן (vayaan) = en hij antwoordde | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | הֲלֹ֗א (halo) = niet waar | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יָשִׂ֤ים (yasim) = legt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּפִ֔י (befi) = in mijn mond | אֹת֥וֹ (oto) = het | אֶשְׁמֹ֖ר (eshmor) = zal ik zorgvuldig bewaren | לְדַבֵּֽר (ledaber) = om te spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:38; Num 23:20; Num 23:26; Num 24:13; Spr 26:25 **23:13** Balak zei tot hem: „Ga toch met mij mee naar een andere plaats, vanwaar je hen kunt zien. Je ziet alleen het uiterste deel van hen; allemaal zul je hen niet zien. Verwens hen vanaf daar voor mij.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tegen hem | בָּלָ֗ק (balaq) = Balak | לְכָה (lekha) = ga | נָּ֨א (na) = toch | אִתִּ֜י (iti) = met mij | אֶל (el) = naar | מָק֤וֹם (maqom) = een plaats | אַחֵר֙ (acher) = andere | אֲשֶׁ֣ר (asher) = vanwaar | תִּרְאֶ֣נּוּ (tirenu) = je hem ziet | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | אֶ֚פֶס (efes) = alleen | קָצֵ֣הוּ (qatsehu) = het uiterste ervan | תִרְאֶ֔ה (tire) = je ziet | וְכֻלּ֖וֹ (vekhulo) = en alles ervan | לֹ֣א (lo) = niet | תִרְאֶ֑ה (tire) = je ziet | וְקָבְנוֹ (veqaveno) = en verwens hem | לִ֖י (li) = voor mij | מִשָּֽׁם (misham) = vandaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 24:9; Ps 109:17; 1 Kon 20:23; Mi 6:5; Jak 3:9–10 ### De tweede plaats **23:14** Hij nam hem mee naar het veld van Tsofim, naar de top van de Pisga. Hij bouwde zeven altaren en offerde op elk altaar een stier en een ram. Brontekst: וַיִּקָּחֵ֨הוּ֙ (vayiqachehu) = en nam hem | שְׂדֵ֣ה (sede) = het veld van | צֹפִ֔ים (tsofim) = Tsofim | אֶל (el) = naar | רֹ֖אשׁ (rosh) = de top van | הַפִּסְגָּ֑ה (hapisga) = de Pisga | וַיִּ֨בֶן֙ (vayiven) = en hij bouwde | שִׁבְעָ֣ה (shiva) = zeven | מִזְבְּחֹ֔ת (mizbechot) = altaren | וַיַּ֛עַל (vayaal) = en offerde | פָּ֥ר (par) = een stier | וָאַ֖יִל (vaayil) = en een ram | בַּמִּזְבֵּֽחַ (bamizbeach) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het veld van Tsofim, ‘veld van de wachters’, ligt op de Pisga, in het gebergte Abarim ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. De ligging is waarschijnlijk. Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië. Zie ook: Num 23:29; Deut 3:27; Hos 12:12; Jes 1:10–11; Jes 46:6 **23:15** Hij zei tot Balak: „Blijf hier bij je brandoffer staan. Ik zal daar een ontmoeting afwachten.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | בָּלָ֔ק (balaq) = Balak | הִתְיַצֵּ֥ב (hityatsev) = blijf staan | כֹּ֖ה (ko) = hier | עַל (al) = bij | עֹלָתֶ֑ךָ (olatekha) = je brandoffer | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | אִקָּ֥רֶה (iqare) = zal een ontmoeting afwachten | כֹּֽה (ko) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:8; Num 23:3 **23:16** Yahweh ontmoette Bileam, legde een woord in zijn mond en zei: **„Keer terug naar Balak en spreek zo.”** Brontekst: וַיִּקָּ֤ר (vayiqar) = en ontmoette | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en legde | דָּבָ֖ר (davar) = een woord | בְּפִ֑יו (befiv) = in zijn mond | וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en Hij zei | שׁ֥וּב (shuv) = keer terug | אֶל (el) = naar | בָּלָ֖ק (balaq) = Balak | וְכֹ֥ה (vekho) = en zo | תְדַבֵּֽר (tedaber) = zul je spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:35; Num 23:5; Num 24:1 **23:17** Hij kwam bij hem terug, en zie, hij stond bij zijn brandoffer, en de vorsten van Moab waren bij hem. Balak zei tot hem: „Wat heeft Yahweh gesproken?” Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en hij kwam | אֵלָ֗יו (elav) = naar hem | וְהִנּ֤וֹ (vehino) = en zie | נִצָּב֙ (nitsav) = staand | עַל (al) = bij | עֹ֣לָת֔וֹ (olato) = zijn brandoffer | וְשָׂרֵ֥י (vesarei) = en de vorsten van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | אִתּ֑וֹ (ito) = bij hem | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | בָּלָ֔ק (balaq) = Balak | מַה (ma) = wat | דִּבֶּ֖ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:26; 1 Sam 3:17; Jer 37:17 ### Bileams tweede spreuk **23:18** Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Sta op, Balak, en hoor. Luister naar mij, zoon van Sippor. Brontekst: וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hij hief op | מְשָׁל֖וֹ (meshalo) = zijn spreuk | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | ק֤וּם (qum) = sta op | בָּלָק֙ (balaq) = Balak | וּֽשֲׁמָ֔ע (ushama) = en hoor | הַאֲזִ֥ינָה (haazina) = luister | עָדַ֖י (aday) = naar mij | בְּנ֥וֹ (beno) = zoon van | צִפֹּֽר (tsipor) = Sippor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 3:20 **23:19** El is geen man die liegt, geen mensenkind dat berouw krijgt. Heeft Hij gezegd, en zal Hij het niet doen? Heeft Hij gesproken, en zal Hij het niet vervullen? Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | אִ֥ישׁ (ish) = een man | אֵל֙ (el) = El | וִֽיכַזֵּ֔ב (vikhazev) = dat liegt | וּבֶן (uven) = en een zoon van | אָדָ֖ם (adam) = mens | וְיִתְנֶחָ֑ם (veyitnecham) = dat berouw krijgt | הַה֤וּא (hahu) = Hij | אָמַר֙ (amar) = heeft gezegd | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲשֶׂ֔ה (yaase) = zal Hij doen | וְדִבֶּ֖ר (vediber) = en gesproken | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְקִימֶֽנָּה (yeqimena) = zal Hij het vervullen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִחַם (nicham), ‘berouw hebben’: van mening veranderen. Vergelijk Gen. 6:6, waar hetzelfde woord bij Yahweh staat. Hier gaat het om een belofte die Hij niet intrekt. Zie ook: Gen 6:6; 1 Sam 15:29; Mal 3:6; Jak 1:17; Tit 1:2; Heb 6:18 **23:20** Zie, ik heb opdracht gekregen te zegenen. Hij heeft gezegend, en ik kan het niet terugdraaien. Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | בָרֵ֖ךְ (barekh) = te zegenen | לָקָ֑חְתִּי (laqachti) = heb ik ontvangen | וּבֵרֵ֖ךְ (uverekh) = en Hij heeft gezegend | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֲשִׁיבֶֽנָּה (ashivena) = kan ik het terugdraaien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: בָרֵךְ לָקָחְתִּי (barekh laqachti) is letterlijk ‘te zegenen heb ik genomen’. Wij vertalen ‘ik heb opdracht gekregen te zegenen’. Het kan ook zijn: ‘ik heb een zegen ontvangen’. Zie ook: Gen 12:2; Gen 22:17; Num 22:12; Jes 43:13; Joh 10:27–29 **23:21** Hij ziet geen onheil in Jakob en schouwt geen ellende in Israël. Yahweh, zijn Elohim, is met hem, en het gejuich voor een koning is in zijn midden. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | הִבִּ֥יט (hibit) = ziet Hij | אָ֨וֶן֙ (aven) = onheil | בְּיַעֲקֹ֔ב (beyaaqov) = in Jakob | וְלֹא (velo) = en niet | רָאָ֥ה (raa) = schouwt Hij | עָמָ֖ל (amal) = ellende | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָיו֙ (elohav) = zijn Elohim | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וּתְרוּעַ֥ת (uteruat) = en het gejuich van | מֶ֖לֶךְ (melekh) = een koning | בּֽוֹ (bo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּעַת מֶלֶךְ (teruat melekh), ‘gejuich voor een koning’: Yahweh is de Koning in het midden van het volk. Zie ook: Ex 29:45–46; Ps 23:4; Jer 50:20; Mat 1:23; Rom 4:7–8 **23:22** El leidt hen uit Egypte. Zijn kracht is als die van een wilde stier. Brontekst: אֵ֖ל (el) = El | מוֹצִיאָ֣ם (motsiam) = die hen uitleidt | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | כְּתוֹעֲפֹ֥ת (ketoafot) = als de kracht van | רְאֵ֖ם (reem) = een wilde stier | לֽוֹ (lo) = voor Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: Het slot ‘Zijn kracht’ kan op El slaan of op Israël. Wij nemen El, zoals het voorgaande woord. Zie ook: Job 39:9–11; Ex 20:2; Num 24:8; Deut 33:17; Ps 22:22 **23:23** Want er is geen voorteken in Jakob en geen waarzeggerij in Israël. Op zijn tijd wordt tegen Jakob en tegen Israël gezegd: ‘Wat heeft El gedaan!’ Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | נַ֨חַשׁ֙ (nachash) = voorteken | בְּיַעֲקֹ֔ב (beyaaqov) = in Jakob | וְלֹא (velo) = en niet | קֶ֖סֶם (qesem) = waarzeggerij | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | כָּעֵ֗ת (kaet) = op de tijd | יֵאָמֵ֤ר (yeamer) = wordt gezegd | לְיַעֲקֹב֙ (leyaaqov) = tegen Jakob | וּלְיִשְׂרָאֵ֔ל (uleyisrael) = en tegen Israël | מַה (ma) = wat | פָּ֖עַל (paal) = heeft gedaan | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחַשׁ (nachash), ‘voorteken’, en קֶסֶם (qesem), ‘waarzeggerij’: Israël heeft geen waarzeggers nodig. Zie Num. 22:7 en Lev. 19:26. Zie ook: Lev 19:26; Num 22:7; Num 24:1; Joz 13:22; Ps 64:10; Luc 10:18–19; Rom 16:20 **23:24** Zie, een volk dat opstaat als een leeuwin en zich verheft als een leeuw. Het ligt niet neer voordat het prooi heeft gegeten en het bloed van gedoden heeft gedronken.” Brontekst: הֶן (hen) = zie | עָם֙ (am) = een volk | כְּלָבִ֣יא (kelavi) = als een leeuwin | יָק֔וּם (yaqum) = het staat op | וְכַאֲרִ֖י (vekhaari) = en als een leeuw | יִתְנַשָּׂ֑א (yitnasa) = het verheft zich | לֹ֤א (lo) = niet | יִשְׁכַּב֙ (yishkav) = het ligt neer | עַד (ad) = totdat | יֹ֣אכַל (yokhal) = het eet | טֶ֔רֶף (teref) = prooi | וְדַם (vedam) = en het bloed van | חֲלָלִ֖ים (chalalim) = gedoden | יִשְׁתֶּֽה (yishte) = het drinkt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲלָלִים (chalalim), ‘gedoden’: mensen die zijn gevallen of doorstoken. Vergelijk Num. 19:16. Zie ook: Gen 49:9; Gen 49:27; Num 19:16; Num 24:8–9; Zach 12:6; Openb 5:5 ### Een derde poging **23:25** Balak zei tot Bileam: „Verwens hen helemaal niet, maar zegen hen ook niet.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | בָּלָק֙ (balaq) = Balak | אֶל (el) = tot | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | גַּם (gam) = ook | קֹ֖ב (qov) = verwens | לֹ֣א (lo) = niet | תִקֳּבֶ֑נּוּ (tiqovenu) = je zult hem verwensen | גַּם (gam) = ook | בָּרֵ֖ךְ (barekh) = zegen | לֹ֥א (lo) = niet | תְבָרֲכֶֽנּוּ (tevarakhenu) = je zult hem zegenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 2:1–3 **23:26** Bileam antwoordde en zei tot Balak: „Heb ik niet tegen je gezegd: ‘Alles wat Yahweh spreekt, dat zal ik doen’?” Brontekst: וַיַּ֣עַן (vayaan) = en antwoordde | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | בָּלָ֑ק (balaq) = Balak | הֲלֹ֗א (halo) = niet waar | דִּבַּ֤רְתִּי (dibarti) = heb ik gesproken | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = tot je | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יְדַבֵּ֥ר (yedaber) = spreekt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֥וֹ (oto) = het | אֶֽעֱשֶֽׂה (eese) = zal ik doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:18; Num 22:38; 2 Kron 18:13; Hand 4:19–20; Hand 5:29 **23:27** Balak zei tot Bileam: „Kom toch, ik neem je mee naar een andere plaats. Misschien is het goed in de ogen van Elohim dat je hen vanaf daar voor mij verwenst.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | בָּלָק֙ (balaq) = Balak | אֶל (el) = tot | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | לְכָה (lekha) = kom | נָּא֙ (na) = toch | אֶקָּ֣חֲךָ֔ (eqachakha) = ik zal je nemen | אֶל (el) = naar | מָק֖וֹם (maqom) = een plaats | אַחֵ֑ר (acher) = andere | אוּלַ֤י (ulay) = misschien | יִישַׁר֙ (yishar) = is het goed | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וְקַבֹּ֥תוֹ (veqaboto) = en verwens hem | לִ֖י (li) = voor mij | מִשָּֽׁם (misham) = vandaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:13; Num 23:19–20; Spr 21:30; Jes 46:10–11; Rom 11:29 **23:28** Balak nam Bileam mee naar de top van de Peor, die uitkijkt over de woestenij. Brontekst: וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en nam | בָּלָ֖ק (balaq) = Balak | אֶת (et) = (obj.) | בִּלְעָ֑ם (bilam) = Bileam | רֹ֣אשׁ (rosh) = de top van | הַפְּע֔וֹר (hapeor) = de Peor | הַנִּשְׁקָ֖ף (hanishqaf) = die uitkijkt | עַל (al) = over | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הַיְשִׁימֹֽן (hayshimon) = de woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Peor is een berg in het gebergte Abarim, in het huidige Jordanië, tegenover Jericho. De ligging is onzeker. Zie ook Num. 25:3. Zie Bet-Peor: Bet-Peor lag in Moab, in het dal tegenover Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Num 21:20; Num 25:3; Ps 106:28 **23:29** Bileam zei tot Balak: „Bouw hier zeven altaren voor mij en maak hier zeven stieren en zeven rammen voor mij klaar.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | בִּלְעָם֙ (bilam) = Bileam | אֶל (el) = tot | בָּלָ֔ק (balaq) = Balak | בְּנֵה (bene) = bouw | לִ֥י (li) = voor mij | בָזֶ֖ה (baze) = hier | שִׁבְעָ֣ה (shiva) = zeven | מִזְבְּחֹ֑ת (mizbechot) = altaren | וְהָכֵ֥ן (vehakhen) = en maak klaar | לִי֙ (li) = voor mij | בָּזֶ֔ה (baze) = hier | שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | פָרִ֖ים (parim) = stieren | וְשִׁבְעָ֥ה (veshiva) = en zeven | אֵילִֽים (eilim) = rammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:1–2 **23:30** Balak deed zoals Bileam had gezegd en offerde op elk altaar een stier en een ram. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | בָּלָ֔ק (balaq) = Balak | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | אָמַ֣ר (amar) = zei | בִּלְעָ֑ם (bilam) = Bileam | וַיַּ֛עַל (vayaal) = en offerde | פָּ֥ר (par) = een stier | וָאַ֖יִל (vaayil) = en een ram | בַּמִּזְבֵּֽחַ (bamizbeach) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ## Numeri 24 _Bileams laatste spreuken_ ### De Geest van Elohim komt op Bileam **24:1** Bileam zag dat het goed was in de ogen van Yahweh om Israël te zegenen. Hij ging niet, zoals de vorige keren, op zoek naar voortekenen, maar richtte zijn gezicht naar de woestijn. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | בִּלְעָ֗ם (bilam) = Bileam | כִּ֣י (ki) = dat | ט֞וֹב (tov) = goed | בְּעֵינֵ֤י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְבָרֵ֣ךְ (levarekh) = om te zegenen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְלֹא (velo) = en niet | הָלַ֥ךְ (halakh) = ging | כְּפַֽעַם (kefaam) = zoals telkens | בְּפַ֖עַם (befaam) = de ene keer na de andere | לִקְרַ֣את (liqrat) = tegemoet | נְחָשִׁ֑ים (nechashim) = voortekenen | וַיָּ֥שֶׁת (vayashet) = en richtte | אֶל (el) = naar | הַמִּדְבָּ֖ר (hamidbar) = de woestijn | פָּנָֽיו (panav) = zijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְחָשִׁים (nechashim), ‘voortekenen’: tekens waaruit men de toekomst wil lezen. Het is hetzelfde woord als in Num. 23:23 (נַחַשׁ). Bileam zoekt ze nu niet meer. Zie ook: Num 23:20; Num 23:23; Num 23:28; Num 31:16; Openb 2:14 **24:2** Bileam sloeg zijn ogen op en zag Israël, gelegerd per stam. De Geest van Elohim kwam op hem. Brontekst: וַיִּשָּׂ֨א (vayisa) = en hief op | בִלְעָ֜ם (bilam) = Bileam | אֶת (et) = (obj.) | עֵינָ֗יו (einav) = zijn ogen | וַיַּרְא֙ (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שֹׁכֵ֖ן (shokhen) = gelegerd | לִשְׁבָטָ֑יו (lishvatav) = per stam | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en kwam | עָלָ֖יו (alav) = op hem | ר֥וּחַ (ruach) = de Geest van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ אֱלֹהִים (ruach Elohim), ‘de Geest van Elohim’: de Geest komt op Bileam, zodat hij zegent wat hij ziet. Zie ook: Num 11:25–29; 1 Sam 10:10; 1 Sam 19:20; 1 Sam 19:23; 2 Kron 15:1 ### Bileams derde spreuk **24:3** Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Uitspraak van Bileam, de zoon van Beor, en uitspraak van de man wiens oog geopend is, Brontekst: וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hij hief op | מְשָׁל֖וֹ (meshalo) = zijn spreuk | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | נְאֻ֤ם (neum) = uitspraak van | בִּלְעָם֙ (bilam) = Bileam | בְּנ֣וֹ (beno) = zoon van | בְעֹ֔ר (beor) = Beor | וּנְאֻ֥ם (uneum) = en uitspraak van | הַגֶּ֖בֶר (hagever) = de man | שְׁתֻ֥ם (shetum) = wiens geopend is | הָעָֽיִן (haayin) = het oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (neum), ‘uitspraak’: de vaste inleiding van een profetische spreuk. Voetnoot Lezing: שְׁתֻם (shetum). Wij vertalen ‘geopend’. Het woord kan ook ‘gesloten’ betekenen; vers 4 zegt dat zijn ogen ‘ontsluierd’ zijn, en dat past bij ‘geopend’. Zie ook: Num 22:31; Num 23:7; Num 23:18; Num 24:4; Num 24:16 **24:4** uitspraak van wie de woorden van El hoort, die een visioen van Sjaddai ziet, neervallend, met ontsluierde ogen: Brontekst: נְאֻ֕ם (neum) = uitspraak van | שֹׁמֵ֖עַ (shomea) = wie hoort | אִמְרֵי (imrei) = de woorden van | אֵ֑ל (el) = El | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | מַחֲזֵ֤ה (machaze) = het visioen van | שַׁדַּי֙ (shaday) = Sjaddai | יֶֽחֱזֶ֔ה (yecheze) = ziet | נֹפֵ֖ל (nofel) = neervallend | וּגְל֥וּי (ugeluy) = en ontsluierd van | עֵינָֽיִם (einayim) = ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁדַּי (Sjaddai), ‘Sjaddai’: een oude naam van Elohim, zoals in Exod. 6:3. Zie ook: Ex 6:3; Num 12:6; Ezech 1:28; 2 Kor 12:1–4; Openb 1:10; Openb 1:17 **24:5** Hoe goed zijn je tenten, Jakob, je woningen, Israël! Brontekst: מַה (ma) = hoe | טֹּ֥בוּ (tovu) = goed zijn | אֹהָלֶ֖יךָ (ohaleikha) = je tenten | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | מִשְׁכְּנֹתֶ֖יךָ (mishkenoteikha) = je woningen | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁכְּנוֹתֶיךָ (mishkenotecha), ‘je woningen’: komt van hetzelfde woord als מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’. **24:6** Als beekdalen strekken zij zich uit, als tuinen langs de rivier, als aloës die Yahweh heeft geplant, als cederbomen langs het water. Brontekst: כִּנְחָלִ֣ים (kinchalim) = als beekdalen | נִטָּ֔יוּ (nitayu) = strekken zij zich uit | כְּגַנֹּ֖ת (keganot) = als tuinen | עֲלֵ֣י (alei) = langs | נָהָ֑ר (nahar) = de rivier | כַּאֲהָלִים֙ (kaahalim) = als aloës | נָטַ֣ע (nata) = heeft geplant | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲרָזִ֖ים (kaarazim) = als cederbomen | עֲלֵי (alei) = langs | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲהָלִים (ahalim), ‘aloës’: geurige bomen. Het woord lijkt op אֹהָלִים (ohalim), ‘tenten’; de tekst speelt met dat klankverband. Zie ook: Ps 1:3; Ps 104:16; Hoogl 6:11; Jes 41:19; Jes 58:11 **24:7** Water stroomt uit zijn emmers en zijn nageslacht heeft veel water. Zijn koning is hoger dan Agag, zijn koninkrijk wordt verheven. Brontekst: יִֽזַּל (yizal) = stroomt | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | מִדָּ֣לְיָ֔ו (midaleyav) = uit zijn emmers | וְזַרְע֖וֹ (vezaro) = en zijn nageslacht | בְּמַ֣יִם (bemayim) = bij water | רַבִּ֑ים (rabim) = veel | וְיָרֹ֤ם (veyarom) = en hoger is | מֵֽאֲגַג֙ (meagag) = dan Agag | מַלְכּ֔וֹ (malko) = zijn koning | וְתִנַּשֵּׂ֖א (vetinase) = en wordt verheven | מַלְכֻתֽוֹ (malkhuto) = zijn koninkrijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Bij ‘Agag’ hebben de Septuaginta en de Samaritaanse tekst ‘Gog’. Wij houden de Masoretische lezing: Agag is de koning van Amalek (vergelijk 1 Sam. 15:8). Zie ook: 1 Sam 15:8–9; 2 Sam 5:12; 1 Kron 14:2; Jer 51:13; Openb 17:1 **24:8** El leidt hem uit Egypte. Zijn kracht is als die van een wilde stier. Hij zal volken verslinden, zijn tegenstanders; hun botten zal hij stukbijten en met zijn pijlen zal hij hen verbrijzelen. Brontekst: אֵ֚ל (el) = El | מוֹצִיא֣וֹ (motsio) = die hem uitleidt | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | כְּתוֹעֲפֹ֥ת (ketoafot) = als de kracht van | רְאֵ֖ם (reem) = een wilde stier | ל֑וֹ (lo) = voor hem | יֹאכַ֞ל (yokhal) = hij zal verslinden | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | צָרָ֗יו (tsarav) = zijn tegenstanders | וְעַצְמֹתֵיהֶ֛ם (veatsmoteihem) = en hun botten | יְגָרֵ֖ם (yegarem) = zal hij stukbijten | וְחִצָּ֥יו (vechitsav) = en zijn pijlen | יִמְחָֽץ (yimchats) = zal hij verbrijzelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit vers herhaalt Num. 23:22. Het onderwerp van ‘verslinden’ is Israël, niet El. Zie ook: Num 14:9; Num 23:22; Num 23:24; Ps 45:6; Jer 50:17 **24:9** Hij heeft zich neergebogen en neergelegd als een leeuw, als een leeuwin: wie zal hem doen opstaan? Wie jou zegent, is gezegend, en wie jou vervloekt, is vervloekt.” Brontekst: כָּרַ֨ע (kara) = hij heeft zich gebogen | שָׁכַ֧ב (shakhav) = hij ligt neer | כַּאֲרִ֛י (kaari) = als een leeuw | וּכְלָבִ֖יא (ukhelavi) = en als een leeuwin | מִ֣י (mi) = wie | יְקִימֶ֑נּוּ (yeqimenu) = zal hem doen opstaan | מְבָרֲכֶ֣יךָ (mevarakheikha) = wie jou zegent | בָר֔וּךְ (barukh) = is gezegend | וְאֹרְרֶ֖יךָ (veorereikha) = en wie jou vervloekt | אָרֽוּר (arur) = is vervloekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers herinnert aan de zegen aan Abraham (Gen. 12:3) en aan het slot van Gen. 49:9. Zie ook: Gen 12:3; Gen 27:29; Gen 49:9; Num 23:24; Mat 25:45 ### Balaks woede **24:10** Balaks toorn ontbrandde tegen Bileam. Hij sloeg zijn handen samen en zei tot Bileam: „Om mijn vijanden te verwensen heb ik je geroepen. En zie, je hebt hen nu al drie keer werkelijk gezegend. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֤ף (af) = de toorn van | בָּלָק֙ (balaq) = Balak | אֶל (el) = tegen | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | וַיִּסְפֹּ֖ק (vayispoq) = en hij sloeg | אֶת (et) = (obj.) | כַּפָּ֑יו (kapav) = zijn handen samen | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | בָּלָ֜ק (balaq) = Balak | אֶל (el) = tot | בִּלְעָ֗ם (bilam) = Bileam | לָקֹ֤ב (laqov) = om te verwensen | אֹֽיְבַי֙ (oyevay) = mijn vijanden | קְרָאתִ֔יךָ (qeratikha) = heb ik je geroepen | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | בֵּרַ֣כְתָּ (berakhta) = je hebt gezegend | בָרֵ֔ךְ (barekh) = werkelijk | זֶ֖ה (ze) = nu | שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִֽים (peamim) = keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּסְפֹּק אֶת־כַּפָּיו (wayyispoq et kappav), ‘hij sloeg zijn handen samen’: een gebaar van woede. Zie ook: Job 27:23; Num 23:11; Ezech 21:19; Ezech 21:22; Ezech 22:13 **24:11** Maak nu dat je wegkomt, naar je eigen plaats! Ik had gezegd: ‘Ik zal je zeer eren’, maar zie, Yahweh heeft je van eer afgehouden.” Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | בְּרַח (berach) = maak dat je wegkomt | לְךָ֣ (lekha) = voor jou | אֶל (el) = naar | מְקוֹמֶ֑ךָ (meqomekha) = je plaats | אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = ik zei | כַּבֵּ֣ד (kabed) = zeer | אֲכַבֶּדְךָ֔ (akhabedkha) = ik zal je eren | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | מְנָעֲךָ֥ (menaakha) = heeft je afgehouden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִכָּבֽוֹד (mikavod) = van eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:17; Num 22:37; Fil 3:8; 1 Petr 5:2–3; Heb 11:24–26 **24:12** Bileam zei tot Balak: „Heb ik niet ook tot je boden gesproken, die je naar mij hebt gestuurd: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | בִּלְעָ֖ם (bilam) = Bileam | אֶל (el) = tot | בָּלָ֑ק (balaq) = Balak | הֲלֹ֗א (halo) = niet waar | גַּ֧ם (gam) = ook | אֶל (el) = tot | מַלְאָכֶ֛יךָ (malakheikha) = je boden | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁלַ֥חְתָּ (shalachta) = je hebt gestuurd | אֵלַ֖י (elay) = naar mij | דִּבַּ֥רְתִּי (dibarti) = heb ik gesproken | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:18; Num 22:38 **24:13** ‘Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven. Ik kan het bevel van Yahweh niet overtreden om uit mijzelf iets goeds of iets slechts te doen. Wat Yahweh spreekt, dat zal ik spreken’? Brontekst: אִם (im) = als | יִתֶּן (yiten) = geeft | לִ֨י (li) = mij | בָלָ֜ק (balaq) = Balak | מְלֹ֣א (melo) = vol van | בֵיתוֹ֮ (beito) = zijn huis | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָב֒ (vezahav) = en goud | לֹ֣א (lo) = niet | אוּכַ֗ל (ukhal) = kan ik | לַעֲבֹר֙ (laavor) = overtreden | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֣י (pi) = het bevel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | טוֹבָ֛ה (tova) = iets goeds | א֥וֹ (o) = of | רָעָ֖ה (raa) = iets slechts | מִלִּבִּ֑י (milibi) = uit mijn hart | אֲשֶׁר (asher) = wat | יְדַבֵּ֥ר (yedaber) = spreekt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֥וֹ (oto) = het | אֲדַבֵּֽר (adaber) = zal ik spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:28; Num 22:18; Num 22:20 **24:14** Nu ga ik terug naar mijn volk. Kom, ik zal je raden wat dit volk jouw volk zal doen in de laatste dagen.” Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | הִנְנִ֥י (hinni) = zie mij | הוֹלֵ֖ךְ (holekh) = ga | לְעַמִּ֑י (leami) = naar mijn volk | לְכָה֙ (lekha) = kom | אִיעָ֣צְךָ֔ (iatsekha) = ik zal je raden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יַעֲשֶׂ֜ה (yaase) = zal doen | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֛ה (haze) = dit | לְעַמְּךָ֖ (leamekha) = aan jouw volk | בְּאַחֲרִ֥ית (beacharit) = in het einde van | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hajamim), ‘in de laatste dagen’: de verre toekomst. Zie ook: Gen 49:1; Mi 6:5; Dan 2:28; 2 Tim 3:1; Openb 2:14 ### Bileams vierde spreuk **24:15** Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Uitspraak van Bileam, de zoon van Beor, en uitspraak van de man wiens oog geopend is, Brontekst: וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hij hief op | מְשָׁל֖וֹ (meshalo) = zijn spreuk | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | נְאֻ֤ם (neum) = uitspraak van | בִּלְעָם֙ (bilam) = Bileam | בְּנ֣וֹ (beno) = zoon van | בְעֹ֔ר (beor) = Beor | וּנְאֻ֥ם (uneum) = en uitspraak van | הַגֶּ֖בֶר (hagever) = de man | שְׁתֻ֥ם (shetum) = wiens geopend is | הָעָֽיִן (haayin) = het oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 27:1; Num 23:7; Num 23:18; Num 24:3–4; Mat 13:35 **24:16** uitspraak van wie de woorden van El hoort en de kennis van de Allerhoogste kent, die een visioen van Sjaddai ziet, neervallend, met ontsluierde ogen: Brontekst: נְאֻ֗ם (neum) = uitspraak van | שֹׁמֵ֨עַ֙ (shomea) = wie hoort | אִמְרֵי (imrei) = de woorden van | אֵ֔ל (el) = El | וְיֹדֵ֖עַ (veyodea) = en kent | דַּ֣עַת (daat) = de kennis van | עֶלְי֑וֹן (elyon) = de Allerhoogste | מַחֲזֵ֤ה (machaze) = het visioen van | שַׁדַּי֙ (shaday) = Sjaddai | יֶֽחֱזֶ֔ה (yecheze) = ziet | נֹפֵ֖ל (nofel) = neervallend | וּגְל֥וּי (ugeluy) = en ontsluierd van | עֵינָֽיִם (einayim) = ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶלְיוֹן (Eljon), ‘de Allerhoogste’: een naam van Elohim, zoals in Gen. 14:18–22. Zie ook: Gen 14:18–22; Num 24:4; 2 Sam 23:1–2; 1 Kor 8:1; 1 Kor 13:2 **24:17** Ik zie hem, maar niet nu. Ik aanschouw hem, maar niet dichtbij. Een ster stapt op uit Jakob, een scepter staat op uit Israël. Hij verbrijzelt de slapen van Moab en slaat alle zonen van Set neer. Brontekst: אֶרְאֶ֨נּוּ֙ (erenu) = ik zie hem | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | עַתָּ֔ה (ata) = nu | אֲשׁוּרֶ֖נּוּ (ashurenu) = ik aanschouw hem | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | קָר֑וֹב (qarov) = dichtbij | דָּרַ֨ךְ (darakh) = stapt op | כּוֹכָ֜ב (kokhav) = een ster | מִֽיַּעֲקֹ֗ב (miyaaqov) = uit Jakob | וְקָ֥ם (veqam) = en staat op | שֵׁ֨בֶט֙ (shevet) = een scepter | מִיִּשְׂרָאֵ֔ל (miyisrael) = uit Israël | וּמָחַץ֙ (umachats) = en verbrijzelt | פַּאֲתֵ֣י (paatei) = de slapen van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וְקַרְקַ֖ר (veqarqar) = en slaat neer | כָּל (kal) = alle | בְּנֵי (benei) = zonen van | שֵֽׁת (shet) = Set Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁבֶט (shevet), ‘scepter’: dit woord betekent ook ‘stam’. Wij nemen ‘scepter’, omdat het bij ‘ster’ en ‘heerser’ in vers 19 past. Voetnoot Lezing: פַּאֲתֵי מוֹאָב (paatei Moab), ‘de slapen van Moab’: de zijkanten van het hoofd. Het kan ook ‘de hoeken van Moab’ betekenen. Voetnoot : וְקַרְקַר (weqarqar) vertalen wij ‘slaat neer’. ‘Zonen van Set’ is onzeker: sommigen lezen ‘zonen van het rumoer’. Wij houden de naam Set (Gen. 4:25). Zie ook: Gen 4:25; Gen 49:10; Num 24:19; Luc 1:32–33; Openb 1:7; Openb 11:15; Openb 22:16 **24:18** Edom wordt een bezit, en Seïr wordt een bezit: zijn vijanden. Israël toont kracht. Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en wordt | אֱד֜וֹם (edom) = Edom | יְרֵשָׁ֗ה (yeresha) = een bezit | וְהָיָ֧ה (vehaya) = en wordt | יְרֵשָׁ֛ה (yeresha) = een bezit | שֵׂעִ֖יר (seir) = Seïr | אֹיְבָ֑יו (oyevav) = zijn vijanden | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | עֹ֥שֶׂה (ose) = doet | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Edom en Seïr liggen ten zuiden en zuidoosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Seïr is het bergland van Edom. Zie ook: Gen 27:29; Gen 32:3; 2 Sam 8:14; Amos 9:12; Jes 34:5 **24:19** Hij zal heersen uit Jakob en wie uit de stad ontkomt, laten omkomen.” Brontekst: וְיֵ֖רְדְּ (veyerd) = en heerst | מִֽיַּעֲקֹ֑ב (miyaaqov) = uit Jakob | וְהֶֽאֱבִ֥יד (veheevid) = en laat omkomen | שָׂרִ֖יד (sarid) = de overlevende | מֵעִֽיר (meir) = uit de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וְיֵרְדְּ (weyerd), ‘en hij zal heersen’: van רָדָה (radah), ‘heersen’. Het onderwerp is niet genoemd; wij nemen de heerser uit vers 17. Zie ook: Gen 49:10; Num 24:17; Ps 2:1–12; Mi 5:1; Mat 25:46; Mat 28:18 ### Spreuken over Amalek, de Kenieten en Assur **24:20** Hij zag Amalek, hief zijn spreuk aan en zei: „Het eerste onder de volken was Amalek, maar zijn einde is de ondergang.” Brontekst: וַיַּרְא֙ (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | עֲמָלֵ֔ק (amaleq) = Amalek | וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hief op | מְשָׁל֖וֹ (meshalo) = zijn spreuk | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | רֵאשִׁ֤ית (reshit) = het eerste van | גּוֹיִם֙ (goyim) = de volken | עֲמָלֵ֔ק (amaleq) = Amalek | וְאַחֲרִית֖וֹ (veacharito) = en zijn einde | עֲדֵ֥י (adei) = tot | אֹבֵֽד (oved) = ondergang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Amalek was het eerste volk dat Israël aanviel (Exod. 17:8). Zijn einde wordt hier aangekondigd; vergelijk Exod. 17:14. Zie ook: Ex 17:8; Ex 17:14; Ex 17:16; 1 Sam 30:17; 1 Kron 4:43 **24:21** Hij zag de Kenieten, hief zijn spreuk aan en zei: „Je woonplaats is stevig, je nest ligt op de rots. Brontekst: וַיַּרְא֙ (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | הַקֵּינִ֔י (haqeini) = de Keniet | וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hief op | מְשָׁל֖וֹ (meshalo) = zijn spreuk | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | אֵיתָן֙ (eitan) = stevig | מֽוֹשָׁבֶ֔ךָ (moshavekha) = je woonplaats | וְשִׂ֥ים (vesim) = en geplaatst | בַּסֶּ֖לַע (basela) = op de rots | קִנֶּֽךָ (qinekha) = je nest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Kenieten woonden in het zuiden van Kanaän, in de Negev, en in de bergen van Edom. De ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: קֵינִי (Keni), ‘Keniet’, en קֵן (qen), ‘nest’: een woordspeling. De Kenieten woonden in rotsachtig land, in het zuiden. Zie ook: Gen 15:19; Job 29:18; Re 1:16 **24:22** Toch zal Kaïn worden vernietigd. Hoe lang nog, dan voert Assur je gevangen weg?” Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | אִם (im) = zeker | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | לְבָ֣עֵֽר (levaer) = tot vernietiging | קָ֑יִן (qayin) = Kaïn | עַד (ad) = tot | מָ֖ה (ma) = hoe lang | אַשּׁ֥וּר (ashur) = Assur | תִּשְׁבֶּֽךָּ (tishbeka) = voert je gevangen weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Kaïn is hier de naam van de Kenieten. Assur is Assyrië, het rijk in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Lezing: Wij lezen ‘Kaïn’ als volksnaam; het kan ook de stamvader Kaïn zijn (Gen. 4:1). Zie ook: Gen 4:1; Gen 10:11; Gen 10:22; Ps 83:9; Hos 14:4; Ezra 4:2 **24:23** Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Wee! Wie blijft in leven als El dit doet? Brontekst: וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hief op | מְשָׁל֖וֹ (meshalo) = zijn spreuk | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | א֕וֹי (oy) = wee | מִ֥י (mi) = wie | יִחְיֶ֖ה (yichye) = zal leven | מִשֻּׂמ֥וֹ (misumo) = als Hij dit doet | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מִשֻּׂמוֹ (mishumo) is moeilijk. Wij vertalen ‘als El dit doet’. De Septuaginta heeft ‘wie zal leven, wanneer El dit doet’. Zie ook: Num 23:23; 2 Kon 5:1; Mal 3:2 **24:24** Schepen komen uit de hoek van Kittim. Zij onderdrukken Assur en onderdrukken Eber, maar ook hij gaat ten onder.” Brontekst: וְצִים֙ (vetsim) = en schepen | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | כִּתִּ֔ים (kitim) = Kittim | וְעִנּ֥וּ (veinu) = en zij onderdrukken | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assur | וְעִנּוּ (veinu) = en zij onderdrukken | עֵ֑בֶר (ever) = Eber | וְגַם (vegam) = en ook | ה֖וּא (hu) = hij | עֲדֵ֥י (adei) = tot | אֹבֵֽד (oved) = ondergang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kittim is Cyprus en de kusten van de Middellandse Zee. Zie Gen. 10:4. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Eber verwijst naar de volken ‘aan de overkant’ van de rivier, in het oosten. De betekenis van Eber hier is niet helemaal zeker. Voetnoot Lezing: In de tekst staat צִים (tsim), ‘schepen’, uit de ‘hand’ van Kittim: de zeemacht uit het westen. ‘Hij’ aan het slot is waarschijnlijk de macht die Assur en Eber onderdrukt. Zie ook: Gen 10:4; Gen 10:21–25; Num 24:20; Dan 10:20; Dan 11:30 ### Bileam en Balak gaan terug **24:25** Bileam stond op, ging weg en keerde terug naar zijn plaats. Ook Balak ging zijn weg. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | וַיָּ֣שָׁב (vayashav) = en keerde terug | לִמְקֹמ֑וֹ (limqomo) = naar zijn plaats | וְגַם (vegam) = en ook | בָּלָ֖ק (balaq) = Balak | הָלַ֥ךְ (halakh) = ging | לְדַרְכּֽוֹ (ledarko) = zijn weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 24:11; Num 31:8; Joz 13:22 ## Numeri 25 _Baäl-Peor en de ijver van Pinechas_ ### Israël en Baäl-Peor **25:1** Israël woonde in Sittim. Het volk begon te hoereren met de dochters van Moab. Brontekst: וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en woonde | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּשִּׁטִּ֑ים (bashitim) = in Sittim | וַיָּ֣חֶל (vayachel) = en begon | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לִזְנ֖וֹת (liznot) = te hoereren | אֶל (el) = met | בְּנ֥וֹת (benot) = de dochters van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sittim (Hebreeuws: שִׁטִּים, Sjittim) lag in de vlakte van Moab, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. De juiste plek is onzeker; zij lag in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: זָנָה (zanah), ‘hoereren’: seksuele ontrouw. Het woord wordt in de Schrift ook gebruikt voor ontrouw aan Yahweh, zoals hier in vers 2–3; zie Exod. 34:15–16. Zie ook: Ex 34:15–16; Num 25:2–3; Num 33:49; Joz 2:1; Mi 6:5; 1 Kor 10:8; Openb 2:14 **25:2** Zij nodigden het volk uit voor de offers van hun goden. Het volk at en boog zich neer voor hun goden. Brontekst: וַתִּקְרֶ֣אןָ (vatiqrena) = en zij nodigden uit | לָעָ֔ם (laam) = het volk | לְזִבְחֵ֖י (lezivchei) = voor de offers van | אֱלֹהֵיהֶ֑ן (eloheihen) = hun goden | וַיֹּ֣אכַל (vayokhal) = en at | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַיִּֽשְׁתַּחֲוּ֖וּ (vayishtachauu) = en zij bogen zich neer | לֵֽאלֹהֵיהֶֽן (leloheihen) = voor hun goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:5; Ex 34:15–16; Ps 106:28; Hos 9:10; 1 Kor 10:20 **25:3** Israël hechtte zich aan Baäl-Peor. Toen laaide de toorn van Yahweh op tegen Israël. Brontekst: וַיִּצָּ֥מֶד (vayitsamed) = en hechtte zich | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְבַ֣עַל (levaal) = aan Baäl | פְּע֑וֹר (peor) = Peor | וַיִּֽחַר (vayichar) = en laaide op | אַ֥ף (af) = de toorn | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = tegen Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Peor is een berg in Moab, ten oosten van de Jordaan (Num. 23:28). De juiste ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: בַּעַל פְּעוֹר (Baal Peor), ‘heer van Peor’: een god die op de berg Peor werd vereerd. Wij houden de naam zoals hij in het Hebreeuws staat. Zie ook Deut. 4:3 en Ps. 106:28. Zie ook: Num 23:28; Deut 4:3–4; Joz 22:17; Re 2:20; Ps 106:28–29; Hos 9:10 **25:4** Yahweh zei tegen Mozes: **„Neem alle hoofden van het volk en hang hen op voor Yahweh, in het zicht van de zon. Dan zal de brandende toorn van Yahweh zich van Israël afkeren.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | קַ֚ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְהוֹקַ֥ע (vehoqa) = en hang op | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | נֶ֣גֶד (neged) = tegenover | הַשָּׁ֑מֶשׁ (hashamesh) = de zon | וְיָשֹׁ֛ב (veyashov) = en zal terugkeren | חֲר֥וֹן (charon) = de brandende | אַף (af) = toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִיִּשְׂרָאֵֽל (miyisrael) = van Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹקַע (hoqa), ‘ophangen’: het werkwoord komt maar twee keer voor, hier en in 2 Sam. 21:6, 9. De betekenis is niet helemaal zeker. Wij vertalen ‘ophangen’, openlijk, in het zicht van de zon. Voetnoot : רָאשֵׁי הָעָם (rosje ha’am), ‘hoofden van het volk’: de leiders van het volk. Vers 5 noemt de rechters van Israël, die de straf moeten uitvoeren. Zie ook: Num 25:5; Num 25:11; Deut 4:3; Deut 13:18; Deut 21:23; 2 Sam 21:6 **25:5** Mozes zei tegen de rechters van Israël: „Ieder van jullie moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor hebben gehecht.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tegen | שֹׁפְטֵ֖י (shofetei) = de rechters van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הִרְגוּ֙ (hirgu) = doodt | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֲנָשָׁ֔יו (anashav) = zijn mannen | הַנִּצְמָדִ֖ים (hanitsmadim) = de zich gehechten | לְבַ֥עַל (levaal) = aan Baäl | פְּעֽוֹר (peor) = Peor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: ‘Ieder van jullie moet zijn mannen doden’: wij volgen het Hebreeuws, waar staat ‘doodt, man, zijn mannen’. Bedoeld zijn de mannen die onder het gezag van elke rechter vallen. Zie ook: Ex 18:21; Ex 32:27–28; Deut 13:10; Deut 17:3–5; 1 Kon 18:40 ### Pinechas grijpt in **25:6** Zie, een man uit de zonen van Israël kwam. Hij bracht de Midianitische vrouw bij zijn broers. Dat gebeurde voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de zonen van Israël. Zij stonden te huilen bij de ingang van de tent van samenkomst. Brontekst: וְהִנֵּ֡ה (vehine) = en zie | אִישׁ֩ (ish) = een man | מִבְּנֵ֨י (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | בָּ֗א (ba) = kwam | וַיַּקְרֵ֤ב (vayaqrev) = en bracht dichtbij | אֶל (el) = naar | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּדְיָנִ֔ית (hamidyanit) = de Midianitische | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וּלְעֵינֵ֖י (uleeinei) = en voor de ogen van | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֣ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהֵ֣מָּה (vehema) = en zij | בֹכִ֔ים (bokhim) = wenend | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘de Midianitische’; dat is een vrouw. Vers 15 geeft haar naam: Kozbi. Voetnoot : בֹכִים (vochim), ‘huilen’: het volk huilt bij de ingang van de tent van samenkomst, waarschijnlijk om de plaag (vers 8–9). Zie ook: Num 15:30–31; Num 22:4; Num 25:8–9; Num 25:15; Joël 2:17; 2 Petr 2:13–15; Jud 1:13 **25:7** Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zag het. Hij stond op uit het midden van de gemeenschap en nam een speer in zijn hand. Brontekst: וַיַּ֗רְא (vayar) = en zag | פִּֽינְחָס֙ (pinechas) = Pinechas | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְעָזָ֔ר (elazar) = Eleazar | בֶּֽן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en stond op | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָֽעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en nam | רֹ֖מַח (romach) = een speer | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:25; Joz 22:30–31; Re 20:28; 1 Sam 18:10–11; Ps 106:30 **25:8** Hij ging de man van Israël achterna naar het binnenvertrek en doorstak hen allebei: de man van Israël en de vrouw, in haar buik. Toen hield de plaag op bij de zonen van Israël. Brontekst: וַ֠יָּבֹא (vayavo) = en ging | אַחַ֨ר (achar) = achter | אִֽישׁ (ish) = de man van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | הַקֻּבָּ֗ה (haquba) = het binnenvertrek | וַיִּדְקֹר֙ (vayidqor) = en doorstak | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵיהֶ֔ם (sheneihem) = beiden | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | אֶל (el) = in | קֳבָתָ֑הּ (qovatah) = haar buik | וַתֵּֽעָצַר֙ (vateatsar) = en werd tegengehouden | הַמַּגֵּפָ֔ה (hamagefa) = de plaag | מֵעַ֖ל (meal) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֻבָּה (qubbah), ‘binnenvertrek’: dit woord komt alleen hier voor. Het is een afgesloten ruimte, waarschijnlijk een kleine tent of kamer. Wat precies bedoeld is, is niet helemaal zeker. Voetnoot : קֳבָה (qevah) in ‘haar buik’ komt ook alleen hier voor (zie Deut. 18:3 voor hetzelfde woord als ‘maag’). Zie ook: Num 17:11–13; Num 25:5; Deut 18:3; 2 Sam 24:25; 1 Kron 21:22; Ps 106:29–31 **25:9** Er waren 24.000 doden door de plaag. Brontekst: וַיִּהְי֕וּ (vayihyu) = en waren | הַמֵּתִ֖ים (hametim) = de doden | בַּמַּגֵּפָ֑ה (bamagefa) = door de plaag | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het getal 24.000 is dat van de Masoretische tekst. In 1 Kor. 10:8 staat 23.000 voor deze gebeurtenis. Zie ook: Num 14:37; Num 25:4–5; Num 31:16; Deut 4:3–4; 1 Kor 10:8 ### Het verbond van vrede **25:10** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:11** **„Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, heeft Mijn woede van de zonen van Israël afgekeerd. Hij was in hun midden na-ijverig met Mijn na-ijver. Daarom heb Ik de zonen van Israël in Mijn na-ijver niet vernietigd.** Brontekst: פִּֽינְחָ֨ס (pinechas) = Pinechas | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְעָזָ֜ר (elazar) = Eleazar | בֶּן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | הֵשִׁ֤יב (heshiv) = heeft doen terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | חֲמָתִי֙ (chamati) = Mijn woede | מֵעַ֣ל (meal) = van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּקַנְא֥וֹ (beqano) = doordat hij na-ijverig was | אֶת (et) = (obj.) | קִנְאָתִ֖י (qinati) = Mijn na-ijver | בְּתוֹכָ֑ם (betokham) = in hun midden | וְלֹא (velo) = en niet | כִלִּ֥יתִי (kiliti) = heb Ik vernietigd | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּקִנְאָתִֽי (beqinati) = in Mijn na-ijver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִנְאָה (qinah), ‘na-ijver’: Yahweh duldt geen deling van de trouw (Exod. 20:5; 34:14). Pinechas is in hun midden na-ijverig met de na-ijver van Yahweh zelf. Daarom wordt de woede van Yahweh weggenomen. Zie ook: Ex 20:5; Ex 34:14; Deut 32:16; Deut 32:21; Ps 78:58; Sef 3:8 **25:12** **Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede.** Brontekst: לָכֵ֖ן (lakhen) = daarom | אֱמֹ֑ר (emor) = zeg | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | נֹתֵ֥ן (noten) = gevend | ל֛וֹ (lo) = aan hem | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִיתִי שָׁלוֹם (beriti shalom), ‘Mijn verbond van vrede’: de vrede is hier het geschenk van het verbond. Het verbond is een verbond voor Pinechas persoonlijk en voor zijn nageslacht (vers 13). Zie ook: Num 13:29; Num 25:13; Jes 54:10; Ezech 34:25; Mal 2:4–5; Mal 3:1 **25:13** **Voor hem en voor zijn nageslacht na hem zal het een verbond zijn van een eeuwig priesterschap. Want hij was na-ijverig voor zijn Elohim en deed verzoening voor de zonen van Israël.”** Brontekst: וְהָ֤יְתָה (vehayeta) = en het zal zijn | לּוֹ֙ (lo) = voor hem | וּלְזַרְע֣וֹ (ulezaro) = en voor zijn nageslacht | אַחֲרָ֔יו (acharav) = na hem | בְּרִ֖ית (berit) = verbond van | כְּהֻנַּ֣ת (kehunat) = priesterschap van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | תַּ֗חַת (tachat) = omdat | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | קִנֵּא֙ (qine) = hij was na-ijverig | לֵֽאלֹהָ֔יו (lelohav) = voor zijn Elohim | וַיְכַפֵּ֖ר (vaykhaper) = en deed verzoening | עַל (al) = voor | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit verbond belooft Pinechas en zijn nageslacht het priesterschap voor altijd. Zie ook Ps. 106:30–31. Zie ook: 1 Kron 5:30–41; Ps 106:30–31; Ps 106:31; Jer 33:18; Jer 33:22; Heb 2:17 **25:14** De naam van de man van Israël die werd neergeslagen, samen met de Midianitische, was Zimri, de zoon van Salu. Hij was een leider van een vaderhuis van de Simeonieten. Brontekst: וְשֵׁם֩ (veshem) = en naam van | אִ֨ישׁ (ish) = de man van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | הַמֻּכֶּ֗ה (hamuke) = de neergeslagene | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הֻכָּה֙ (huka) = werd neergeslagen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּדְיָנִ֔ית (hamidyanit) = de Midianitische | זִמְרִ֖י (zimri) = Zimri | בֶּן (ben) = zoon van | סָל֑וּא (salu) = Salu | נְשִׂ֥יא (nesi) = leider van | בֵֽית (beit) = huis van | אָ֖ב (av) = vader | לַשִּׁמְעֹנִֽי (lashimoni) = van de Simeoniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁמְעֹנִי (Shimoni), ‘Simeoniet’: iemand uit de stam van Simeon. Zimri was een leider van een vaderhuis (בֵּית אָב, beit av) in deze stam. Zie ook: Num 1:23; Num 25:4–5; Num 26:14; 2 Kron 19:7 **25:15** De naam van de vrouw die werd neergeslagen, de Midianitische, was Kozbi, de dochter van Zur. Hij was een hoofd van volksgroepen, van een vaderhuis in Midian. Brontekst: וְשֵׁ֨ם (veshem) = en naam van | הָֽאִשָּׁ֧ה (haisha) = de vrouw | הַמֻּכָּ֛ה (hamuka) = de neergeslagene | הַמִּדְיָנִ֖ית (hamidyanit) = de Midianitische | כָּזְבִּ֣י (kazbi) = Kozbi | בַת (bat) = dochter van | צ֑וּר (tsur) = Zur | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd van | אֻמּ֥וֹת (umot) = volksgroepen van | בֵּֽית (beit) = huis van | אָ֛ב (av) = vader | בְּמִדְיָ֖ן (bemidyan) = in Midian | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: אֻמּוֹת (ummot), ‘volksgroepen’: dit woord komt weinig voor (Gen. 25:16). Het zijn groepen binnen een volk, kleiner dan een volk. Kozbi’s vader Zur was een van de leiders van Midian; zie Num. 31:8. Zie ook: Gen 25:16; Num 25:18; Num 31:8; Joz 13:21 ### Het bevel tegen Midian **25:16** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:17** **„Behandel de Midianieten als vijanden en sla hen neer.** Brontekst: צָר֖וֹר (tsaror) = behandel als vijand | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּדְיָנִ֑ים (hamidyanim) = de Midianieten | וְהִכִּיתֶ֖ם (vehikitem) = en jullie zullen neerslaan | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 31:1–3; Openb 18:6 **25:18** **Want zij zijn vijanden voor jullie. Met hun listen hebben zij jullie misleid in de zaak van Peor en in de zaak van Kozbi. Zij was de dochter van een leider van Midian, hun zuster. Zij is neergeslagen op de dag van de plaag, in de zaak van Peor.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | צֹרְרִ֥ים (tsorerim) = vijanden | הֵם֙ (hem) = zij | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | בְּנִכְלֵיהֶ֛ם (benikhleihem) = door hun listen | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | נִכְּל֥וּ (nikelu) = zij handelden listig | לָכֶ֖ם (lakhem) = tegen jullie | עַל (al) = in | דְּבַר (devar) = de zaak van | פְּע֑וֹר (peor) = Peor | וְעַל (veal) = en in | דְּבַ֞ר (devar) = de zaak van | כָּזְבִּ֨י (kazbi) = Kozbi | בַת (bat) = dochter van | נְשִׂ֤יא (nesi) = leider van | מִדְיָן֙ (midyan) = Midian | אֲחֹתָ֔ם (achotam) = hun zuster | הַמֻּכָּ֥ה (hamuka) = de neergeslagene | בְיוֹם (beyom) = op de dag van | הַמַּגֵּפָ֖ה (hamagefa) = de plaag | עַל (al) = in | דְּבַר (devar) = de zaak van | פְּעֽוֹר (peor) = Peor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָכַל (nakal), ‘listig handelen’: met opzet en in het geheim misleiden. De vijandschap komt door de list van Peor en Kozbi, niet door het volk Midian als zodanig. Zie ook: Ex 32:21; Ex 32:35; 2 Kor 11:3; 2 Petr 2:14–15; Openb 2:14 **25:19** Dit gebeurde na de plaag. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | הַמַּגֵּפָ֑ה (hamagefa) = de plaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ## Numeri 26 _De tweede telling en de verdeling van het land_ ### Het bevel om te tellen **26:1** Yahweh zei tegen Mozes en tegen Eleazar, de zoon van Aäron, de priester: Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וְאֶ֧ל (veel) = en tegen | אֶלְעָזָ֛ר (elazar) = Eleazar | בֶּן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 25:9 **26:2** **„Neem de som op van heel de gemeenschap van de zonen van Israël, naar hun vaderhuizen. Dat geldt voor ieder van 20 jaar en ouder die in Israël met het leger uittrekt.”** Brontekst: שְׂא֞וּ (seu) = neem op | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֣אשׁ (rosh) = de som van | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֣ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | מִבֶּ֨ן (miben) = van zoon van | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֛ה (shana) = jaar | וָמַ֖עְלָה (vamala) = en ouder | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaderen | כָּל (kal) = ieder | יֹצֵ֥א (yotse) = die uittrekt | צָבָ֖א (tsava) = leger | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂאוּ אֶת־רֹאשׁ (se’u et-rosh), ‘neem de som op’: letterlijk ‘hef het hoofd op’. Wij vertalen zoals in Exod. 30:12. Het bevel is gelijk aan dat in Num. 1:2–3. Voetnoot : בֵּית אָבוֹת (beit avot), ‘vaderhuis’: de familie van de vader, kleiner dan een stam. Voetnoot : צָבָא (tsava), ‘leger’: ieder man die kan uittrekken om te strijden. Zie ook: Ex 30:11–16; Ex 30:12; Ex 38:25–26; Num 1:2–3 **26:3** Mozes en Eleazar, de priester, spraken met hen in de vlakten van Moab, bij de Jordaan bij Jericho: Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | וְאֶלְעָזָ֧ר (veelazar) = en Eleazar | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֹתָ֖ם (otam) = met hen | בְּעַֽרְבֹ֣ת (bearvot) = in de vlakten van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | עַל (al) = bij | יַרְדֵּ֥ן (yarden) = de Jordaan van | יְרֵח֖וֹ (yerecho) = Jericho | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vlakten van Moab (עַרְבוֹת מוֹאָב) liggen ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho, in het huidige Jordanië. Hier ligt het kamp van Israël. Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie ook: Num 22:1; Num 26:63; Num 33:48; Num 35:1; Deut 34:1 **26:4** „Tel hen van 20 jaar en ouder, zoals Yahweh Mozes en de zonen van Israël heeft geboden, die uit het land Egypte zijn getrokken.” Brontekst: מִבֶּ֛ן (miben) = van zoon van | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en ouder | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | צִוָּ֨ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַיֹּצְאִ֖ים (hayotseim) = die uitgingen | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws ontbreekt hier een werkwoord. Wij vullen ‘Tel hen’ aan, naar het bevel in vers 2. Zie ook: Num 1:1; Num 26:2; 1 Kron 21:1 ### Ruben **26:5** Ruben, de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben. Chanoch: de familie van de Chanochieten. Van Pallu: de familie van de Palluïeten. Brontekst: רְאוּבֵ֖ן (reuven) = Ruben | בְּכ֣וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֗ן (reuven) = Ruben | חֲנוֹךְ֙ (chanokh) = Chanoch | מִשְׁפַּ֣חַת (mishpachat) = familie van | הַחֲנֹכִ֔י (hachanokhi) = de Chanochiet | לְפַלּ֕וּא (lefalu) = van Pallu | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַפַּלֻּאִֽי (hapalui) = de Palluïet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze tweede telling volgt de volgorde van de stammen in Num. 1, met Ruben eerst. In vers 28–37 staan Manasse en Efraïm onder Jozef. Voetnoot : מִשְׁפָּחָה (mishpachah), ‘familie’: een groep binnen de stam. De naam van een familie eindigt in het Hebreeuws op ‘-i’ (הַחֲנֹכִי, hachanochi). Wij geven dit weer met ‘-ieten’: de Chanochieten, de Palluïeten, enzovoort. Zie ook: Gen 46:8–9; Gen 49:2–3; Ex 6:14; Num 26:28–37; 1 Kron 5:1; 1 Kron 5:3 **26:6** Van Chezron: de familie van de Chezronieten. Van Karmi: de familie van de Karmieten. Brontekst: לְחֶצְרֹ֕ן (lechetsron) = van Chezron | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַֽחֶצְרוֹנִ֑י (hachetsroni) = de Chezroniet | לְכַרְמִ֕י (lekharmi) = van Karmi | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַכַּרְמִֽי (hakarmi) = de Karmiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:7** Dit zijn de families van de Rubenieten. Hun getelden waren 43.730. Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֣ת (mishpechot) = families van | הָרֻֽאוּבֵנִ֑י (haruuveni) = de Rubeniet | וַיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | פְקֻדֵיהֶ֗ם (pequdeihem) = hun getelden | שְׁלֹשָׁ֤ה (shelosha) = drie | וְאַרְבָּעִים֙ (vearbaim) = en veertig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וּשְׁלֹשִֽׁים (usheloshim) = en dertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:9; Num 1:21; Num 2:11; Num 26:1; Num 26:21 **26:8** De zonen van Pallu: Eliab. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | פַלּ֖וּא (palu) = Pallu | אֱלִיאָֽב (eliav) = Eliab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:9** De zonen van Eliab: Nemoeël, Datan en Abiram. Dit zijn Datan en Abiram, de afgevaardigden van de gemeenschap. Zij streden tegen Mozes en tegen Aäron in de aanhang van Korach, toen zij tegen Yahweh streden. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | אֱלִיאָ֔ב (eliav) = Eliab | נְמוּאֵ֖ל (nemuel) = Nemoeël | וְדָתָ֣ן (vedatan) = en Datan | וַאֲבִירָ֑ם (vaaviram) = en Abiram | הֽוּא (hu) = hij | דָתָ֨ן (datan) = Datan | וַאֲבִירָ֜ם (vaaviram) = en Abiram | קְרִיאֵ֣י (qeriei) = de afgevaardigden van | הָעֵדָ֗ה (haeda) = de gemeenschap | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הִצּ֜וּ (hitsu) = streden | עַל (al) = tegen | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | וְעַֽל (veal) = en tegen | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | בַּעֲדַת (baadat) = in de aanhang van | קֹ֔רַח (qorach) = Korach | בְּהַצֹּתָ֖ם (behatsotam) = toen zij streden | עַל (al) = tegen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְרִיאֵי הָעֵדָה (qeri’ei ha’edah), ‘afgevaardigden van de gemeenschap’: mannen die voor de gemeenschap waren geroepen. Het woord lijkt op קְרוּאֵי (qeru’ei) in Num. 16:2. Voetnoot : הִצּוּ (hitsu), ‘zij streden’: zij gingen de strijd aan. De opstand van Korach, Datan en Abiram staat in Num. 16. Zie ook: Num 1:16; Num 16:1–35; Num 16:2; Ps 106:17; Jud 1:11 **26:10** De aarde opende haar mond en verslond hen en Korach, toen die gemeenschap stierf. Toen verteerde het vuur de 250 man. Zij werden een waarschuwend voorbeeld. Brontekst: וַתִּפְתַּ֨ח (vatiftach) = en opende | הָאָ֜רֶץ (haarets) = de aarde | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֗יהָ (piha) = haar mond | וַתִּבְלַ֥ע (vativla) = en verslond | אֹתָ֛ם (otam) = hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קֹ֖רַח (qorach) = Korach | בְּמ֣וֹת (bemot) = bij het sterven van | הָעֵדָ֑ה (haeda) = de gemeenschap | בַּאֲכֹ֣ל (baakhol) = toen verteerde | הָאֵ֗שׁ (haesh) = het vuur | אֵ֣ת (et) = (obj.) | חֲמִשִּׁ֤ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתַ֨יִם֙ (umatayim) = en tweehonderd | אִ֔ישׁ (ish) = man | וַיִּהְי֖וּ (vayihyu) = en zij werden | לְנֵֽס (lenes) = tot waarschuwend voorbeeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵס (nes), ‘waarschuwend voorbeeld’: het woord betekent ook ‘banier’ of ‘teken’. Hier is het een teken dat anderen waarschuwt. Zie Num. 17:1–5 voor het teken van de wierookpannen en Num. 16:31–35 voor de gebeurtenis. Zie ook: Num 16:2; Num 16:31–35; Num 17:1–5; Num 17:3; Ps 106:17–18; 2 Petr 2:6 **26:11** De zonen van Korach stierven niet. Brontekst: וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | קֹ֖רַח (qorach) = Korach | לֹא (lo) = niet | מֵֽתוּ (metu) = zij stierven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonen van Korach bleven in leven. Zie Exod. 6:24 voor hun namen. Zie ook: Ex 6:24; Num 16:5; Deut 24:16; Ps 42:2; Ps 48:2 ### Simeon **26:12** De zonen van Simeon, naar hun families. Van Nemoeël: de familie van de Nemoëlieten. Van Jamin: de familie van de Jaminieten. Van Jachin: de familie van de Jachinieten. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שִׁמְעוֹן֮ (shimon) = Simeon | לְמִשְׁפְּחֹתָם֒ (lemishpechotam) = naar hun families | לִנְמוּאֵ֗ל (linmuel) = van Nemoeël | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַנְּמ֣וּאֵלִ֔י (hanemueli) = de Nemoëliet | לְיָמִ֕ין (leyamin) = van Jamin | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַיָּמִינִ֑י (hayamini) = de Jaminiet | לְיָכִ֕ין (leyakhin) = van Jachin | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַיָּכִינִֽי (hayakhini) = de Jachiniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Simeon heeft hier vijf families. De namen verschillen van Gen. 46:10 en Exod. 6:15: Nemoeël staat daar als Jemoeël, Jachin als Jakin, Zerach als Zohar. Ohad staat hier niet meer in de lijst. Zie ook: Gen 46:10; Ex 6:15; 1 Kron 4:24; 1 Kon 7:21 **26:13** Van Zerach: de familie van de Zerachieten. Van Sjaül: de familie van de Sjaülieten. Brontekst: לְזֶ֕רַח (lezerach) = van Zerach | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַזַּרְחִ֑י (hazarchi) = de Zerachiet | לְשָׁא֕וּל (leshaul) = van Sjaül | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַשָּׁאוּלִֽי (hashauli) = de Sjaüliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:10 **26:14** Dit zijn de families van de Simeonieten: 22.200. Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֣ת (mishpechot) = families van | הַשִּׁמְעֹנִ֑י (hashimoni) = de Simeoniet | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = twee | וְעֶשְׂרִ֛ים (veesrim) = en twintig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:22–23; Num 2:12–13 ### Gad **26:15** De zonen van Gad, naar hun families. Van Zefon: de familie van de Zefonieten. Van Chaggi: de familie van de Chaggieten. Van Sjoeni: de familie van de Sjoenieten. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | גָד֮ (gad) = Gad | לְמִשְׁפְּחֹתָם֒ (lemishpechotam) = naar hun families | לִצְפ֗וֹן (litsfon) = van Zefon | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַצְּפוֹנִ֔י (hatsefoni) = de Zefoniet | לְחַגִּ֕י (lechagi) = van Chaggi | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַֽחַגִּ֑י (hachagi) = de Chaggiet | לְשׁוּנִ֕י (leshuni) = van Sjoeni | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַשּׁוּנִֽי (hashuni) = de Sjoeniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van Gad verschillen deels van Gen. 46:16. Zefon staat daar als Zifjon en Ozni als Ezbon. Wij volgen elke keer het Hebreeuws van de tekst zelf. Zie ook: Gen 46:16; Num 2:14 **26:16** Van Ozni: de familie van de Oznieten. Van Eri: de familie van de Erieten. Brontekst: לְאָזְנִ֕י (leazeni) = van Ozni | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָאָזְנִ֑י (haazeni) = de Ozniet | לְעֵרִ֕י (leeri) = van Eri | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָעֵרִֽי (haeri) = de Eriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:16 **26:17** Van Arod: de familie van de Arodieten. Van Areli: de familie van de Areliëten. Brontekst: לַאֲר֕וֹד (laarod) = van Arod | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָאֲרוֹדִ֑י (haarodi) = de Arodiet | לְאַ֨רְאֵלִ֔י (leareli) = van Areli | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָאַרְאֵלִֽי (haareli) = de Areliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:16 **26:18** Dit zijn de families van de zonen van Gad, naar hun getelden: 40.500. Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | לִפְקֻדֵיהֶ֑ם (lifqudeihem) = naar hun getelden | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:24–25; Num 2:14–15 ### Juda **26:19** De zonen van Juda: Er en Onan. Er en Onan stierven in het land Kanaän. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | עֵ֣ר (er) = Er | וְאוֹנָ֑ן (veonan) = en Onan | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | עֵ֛ר (er) = Er | וְאוֹנָ֖ן (veonan) = en Onan | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Het verhaal van Er en Onan staat in Gen. 38:3–10. Zie ook: Gen 38:1–10; Gen 38:3–10; Gen 46:12; 1 Kron 2:3–8 **26:20** De zonen van Juda, naar hun families. Van Sela: de familie van de Selanieten. Van Peres: de familie van de Peresieten. Van Zerach: de familie van de Zerachieten. Brontekst: וַיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵי (benei) = de zonen van | יְהוּדָה֮ (yehuda) = Juda | לְמִשְׁפְּחֹתָם֒ (lemishpechotam) = naar hun families | לְשֵׁלָ֗ה (leshela) = van Sela | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַשֵּׁ֣לָנִ֔י (hashelani) = de Selaniet | לְפֶ֕רֶץ (leferets) = van Peres | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַפַּרְצִ֑י (hapartsi) = de Peresiet | לְזֶ֕רַח (lezerach) = van Zerach | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַזַּרְחִֽי (hazarchi) = de Zerachiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 38:11; Gen 46:12; 1 Kron 2:3–8; Neh 11:6; Neh 11:24 **26:21** De zonen van Peres. Van Chezron: de familie van de Chezronieten. Van Chamoel: de familie van de Chamoelieten. Brontekst: וַיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵי (benei) = de zonen van | פֶ֔רֶץ (perets) = Peres | לְחֶצְרֹ֕ן (lechetsron) = van Chezron | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַֽחֶצְרֹנִ֑י (hachetsroni) = de Chezroniet | לְחָמ֕וּל (lechamul) = van Chamoel | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הֶחָמוּלִֽי (hechamuli) = de Chamoeliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:22** Dit zijn de families van Juda, naar hun getelden: 76.500. Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לִפְקֻדֵיהֶ֑ם (lifqudeihem) = naar hun getelden | שִׁשָּׁ֧ה (shisha) = zes | וְשִׁבְעִ֛ים (veshivim) = en zeventig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:8; Num 1:26–27; Num 2:3–4; Ps 115:14; Heb 7:14 ### Issachar **26:23** De zonen van Issachar, naar hun families. Van Tola: de familie van de Tolaïeten. Van Pua: de familie van de Punieten. Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשָּׂשכָר֙ (yisashkhar) = Issachar | לְמִשְׁפְּחֹתָ֔ם (lemishpechotam) = naar hun families | תּוֹלָ֕ע (tola) = Tola | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַתּוֹלָעִ֑י (hatolai) = de Tolaïet | לְפֻוָ֕ה (lefuva) = van Pua | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַפּוּנִֽי (hapuni) = de Puniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֻוָּה (Puvah) en de familie הַפּוּנִי (hapuni): in Gen. 46:13 staat de naam als Pua. De familie heet hier de Punieten. Zie ook: Gen 30:17–18; Gen 46:13; Num 2:5; 1 Kron 7:1 **26:24** Van Jasjoev: de familie van de Jasjoevieten. Van Simron: de familie van de Simronieten. Brontekst: לְיָשׁ֕וּב (leyashuv) = van Jasjoev | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַיָּשׁוּבִ֑י (hayashuvi) = de Jasjoeviet | לְשִׁמְרֹ֕ן (leshimron) = van Simron | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַשִּׁמְרֹנִֽי (hashimroni) = de Simroniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In Gen. 46:13 staat in de Masoretische tekst Job (אִיּוֹב). De Septuaginta en de Samaritaanse Pentateuch hebben daar Jasjoev (יָשׁוּב), zoals hier. Zie ook: Gen 46:13 **26:25** Dit zijn de families van Issachar, naar hun getelden: 64.300. Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | יִשָּׂשכָ֖ר (yisashkhar) = Issachar | לִפְקֻדֵיהֶ֑ם (lifqudeihem) = naar hun getelden | אַרְבָּעָ֧ה (arbaa) = vier | וְשִׁשִּׁ֛ים (veshishim) = en zestig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּשְׁלֹ֥שׁ (ushelosh) = en drie | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:28–29; Num 2:5–6 ### Zebulon **26:26** De zonen van Zebulon, naar hun families. Van Sered: de familie van de Sardieten. Van Elon: de familie van de Elonieten. Van Jachleël: de familie van de Jachleëlieten. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | זְבוּלֻן֮ (zevulun) = Zebulon | לְמִשְׁפְּחֹתָם֒ (lemishpechotam) = naar hun families | לְסֶ֗רֶד (lesered) = van Sered | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַסַּרְדִּ֔י (hasardi) = de Sardiet | לְאֵל֕וֹן (leelon) = van Elon | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָאֵלֹנִ֑י (haeloni) = de Eloniet | לְיַ֨חְלְאֵ֔ל (leyachleel) = van Jachleël | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַיַּחְלְאֵלִֽי (hayachleeli) = de Jachleëliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:19–20; Gen 46:14 **26:27** Dit zijn de families van de Zebulonieten, naar hun getelden: 60.500. Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | הַזְּבוּלֹנִ֖י (hazevuloni) = de Zebuloniet | לִפְקֻדֵיהֶ֑ם (lifqudeihem) = naar hun getelden | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:30–31; Num 2:7–8 ### Jozef: Manasse en Efraïm **26:28** De zonen van Jozef, naar hun families: Manasse en Efraïm. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | וְאֶפְרָֽיִם (veefrayim) = en Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 41:51–52; Gen 46:20; Gen 48:5; Gen 48:13–20 **26:29** De zonen van Manasse. Van Machir: de familie van de Machirieten. Machir werd de vader van Gilead. Van Gilead: de familie van de Gileadieten. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֗ה (menashe) = Manasse | לְמָכִיר֙ (lemakhir) = van Machir | מִשְׁפַּ֣חַת (mishpachat) = familie van | הַמָּכִירִ֔י (hamakhiri) = de Machiriet | וּמָכִ֖יר (umakhir) = en Machir | הוֹלִ֣יד (holid) = werd vader van | אֶת (et) = (obj.) | גִּלְעָ֑ד (gilad) = Gilead | לְגִלְעָ֕ד (legilad) = van Gilead | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַגִּלְעָדִֽי (hagiladi) = de Gileadiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Machir is de oudste zoon van Manasse. Zijn nakomelingen vestigen zich later in Gilead (zie Num. 32:39–40). Zie ook: Num 32:39–40; Num 36:1; Joz 17:1; Re 5:14; 1 Kron 7:14–19 **26:30** Dit zijn de zonen van Gilead. Van Iëzer: de familie van de Iëzerieten. Van Chelek: de familie van de Chelkieten. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | גִלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | אִיעֶ֕זֶר (iezer) = Iëzer | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָאִֽיעֶזְרִ֑י (haiezri) = de Iëzeriet | לְחֵ֕לֶק (lecheleq) = van Chelek | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַֽחֶלְקִֽי (hachelqi) = de Chelkiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Iëzer (אִיעֶזֶר) is dezelfde naam als Abiëzer in Joz. 17:2. Zie ook: Joz 17:2; Re 6:11; Re 6:24; Re 6:34; Re 8:2 **26:31** Van Asriël: de familie van de Asriëlieten. Van Sjechem: de familie van de Sjechemieten. Brontekst: וְאַ֨שְׂרִיאֵ֔ל (veasriel) = en Asriël | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָֽאַשְׂרִֽאֵלִ֑י (haasrieli) = de Asriëliet | וְשֶׁ֕כֶם (veshekhem) = en Sjechem | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַשִּׁכְמִֽי (hashikhmi) = de Sjechemiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:32** Van Sjemida: de familie van de Sjemidaïeten. Van Chefer: de familie van de Cheferieten. Brontekst: וּשְׁמִידָ֕ע (ushemida) = en Sjemida | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַשְּׁמִידָעִ֑י (hashemidai) = de Sjemidaïet | וְחֵ֕פֶר (vechefer) = en Chefer | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַֽחֶפְרִֽי (hachefri) = de Cheferiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:33** Selofchad, de zoon van Chefer, had geen zonen, maar alleen dochters. De namen van de dochters van Selofchad: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirza. Brontekst: וּצְלָפְחָ֣ד (utselafechad) = en Selofchad | בֶּן (ben) = zoon van | חֵ֗פֶר (chefer) = Chefer | לֹא (lo) = niet | הָ֥יוּ (hayu) = waren | ל֛וֹ (lo) = voor hem | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | בָּנ֑וֹת (banot) = dochters | וְשֵׁם֙ (veshem) = en naam van | בְּנ֣וֹת (benot) = de dochters van | צְלָפְחָ֔ד (tselafechad) = Selofchad | מַחְלָ֣ה (machla) = Machla | וְנֹעָ֔ה (venoa) = en Noa | חָגְלָ֥ה (chagela) = Chogla | מִלְכָּ֖ה (milka) = Milka | וְתִרְצָֽה (vetirtsa) = en Tirza Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Selofchad is de vader van vijf dochters. Hun verhaal volgt in Num. 27:1–11 en Num. 36. Voetnoot : De naam Selofchad schrijven wij met een ‘S’; het Hebreeuws heeft hier de letter tsade (צ). Zie ook: Num 27:1; Num 36:10–12 **26:34** Dit zijn de families van Manasse. Hun getelden waren 52.700. Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֣ת (mishpechot) = families van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | וּפְקֻ֣דֵיהֶ֔ם (ufequdeihem) = en hun getelden | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = twee | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:34–35; Num 2:20–21 **26:35** Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun families. Van Sjoetelach: de familie van de Sjoetelachieten. Van Becher: de familie van de Bachrieten. Van Tachan: de familie van de Tachanieten. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | בְנֵי (benei) = de zonen van | אֶפְרַיִם֮ (efrayim) = Efraïm | לְמִשְׁפְּחֹתָם֒ (lemishpechotam) = naar hun families | לְשׁוּתֶ֗לַח (leshutelach) = van Sjoetelach | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַשֻּׁ֣תַלְחִ֔י (hashutalchi) = de Sjoetelachiet | לְבֶ֕כֶר (levekher) = van Becher | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַבַּכְרִ֑י (habakhri) = de Bachriet | לְתַ֕חַן (letachan) = van Tachan | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַֽתַּחֲנִֽי (hatachani) = de Tachaniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 7:20–21 **26:36** Dit zijn de zonen van Sjoetelach. Van Eran: de familie van de Eranieten. Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit zijn | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שׁוּתָ֑לַח (shutalach) = Sjoetelach | לְעֵרָ֕ן (leeran) = van Eran | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָעֵרָנִֽי (haerani) = de Eraniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:37** Dit zijn de families van de zonen van Efraïm, naar hun getelden: 32.500. Dit zijn de zonen van Jozef, naar hun families. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֤ת (mishpechot) = families van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | לִפְקֻ֣דֵיהֶ֔ם (lifqudeihem) = naar hun getelden | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = twee | וּשְׁלֹשִׁ֛ים (usheloshim) = en dertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֣שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵא֑וֹת (meot) = honderd | אֵ֥לֶּה (ele) = dit zijn | בְנֵי (benei) = de zonen van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:32–33; Num 2:18–19 ### Benjamin **26:38** De zonen van Benjamin, naar hun families. Van Bela: de familie van de Belaïeten. Van Asjbel: de familie van de Asjbelieten. Van Achiram: de familie van de Achiramieten. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִן֮ (binyamin) = Benjamin | לְמִשְׁפְּחֹתָם֒ (lemishpechotam) = naar hun families | לְבֶ֗לַע (levela) = van Bela | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַבַּלְעִ֔י (habali) = de Belaïet | לְאַשְׁבֵּ֕ל (leashbel) = van Asjbel | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָֽאַשְׁבֵּלִ֑י (haashbeli) = de Asjbeliet | לַאֲחִירָ֕ם (laachiram) = van Achiram | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הָאֲחִירָמִֽי (haachirami) = de Achiramiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:2; Gen 46:21; 1 Kron 7:6–12; 1 Kron 8:1 **26:39** Van Sjefufam: de familie van de Sjefufamieten. Van Chufam: de familie van de Chufamieten. Brontekst: לִשְׁפוּפָ֕ם (lishfufam) = van Sjefufam | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַשּׁוּפָמִ֑י (hashufami) = de Sjefufamiet | לְחוּפָ֕ם (lechufam) = van Chufam | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַחוּפָמִֽי (hachufami) = de Chufamiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:21 **26:40** De zonen van Bela waren Ard en Naäman. Ard: de familie van de Ardieten. Van Naäman: de familie van de Naämieten. Brontekst: וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵי (benei) = de zonen van | בֶ֖לַע (bela) = Bela | אַ֣רְדְּ (ard) = Ard | וְנַעֲמָ֑ן (venaaman) = en Naäman | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הָֽאַרְדִּ֔י (haardi) = de Ardiet | לְנַֽעֲמָ֔ן (lenaaman) = van Naäman | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַֽנַּעֲמִֽי (hanaami) = de Naämiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gen. 46:21 noemt Ard en Naäman zonen van Benjamin. Hier zijn zij zonen van Bela, de zoon van Benjamin. Zie ook: Gen 46:21; 1 Kron 8:3 **26:41** Dit zijn de zonen van Benjamin, naar hun families. Hun getelden waren 45.600. Brontekst: אֵ֥לֶּה (ele) = dit zijn | בְנֵי (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | וּפְקֻ֣דֵיהֶ֔ם (ufequdeihem) = en hun getelden | חֲמִשָּׁ֧ה (chamisha) = vijf | וְאַרְבָּעִ֛ים (vearbaim) = en veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:21; Num 1:36–37; Num 2:22–23 ### Dan **26:42** Dit zijn de zonen van Dan, naar hun families. Van Sjoecham: de familie van de Sjoechamieten. Dit zijn de families van Dan, naar hun families. Brontekst: אֵ֤לֶּה (ele) = dit zijn | בְנֵי (benei) = de zonen van | דָן֙ (dan) = Dan | לְמִשְׁפְּחֹתָ֔ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְשׁוּחָ֕ם (leshucham) = van Sjoecham | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַשּׁוּחָמִ֑י (hashuchami) = de Sjoechamiet | אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | דָּ֖ן (dan) = Dan | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:23 **26:43** Alle families van de Sjoechamieten, naar hun getelden: 64.400. Brontekst: כָּל (kal) = alle | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | הַשּׁוּחָמִ֖י (hashuchami) = de Sjoechamiet | לִפְקֻדֵיהֶ֑ם (lifqudeihem) = naar hun getelden | אַרְבָּעָ֧ה (arbaa) = vier | וְשִׁשִּׁ֛ים (veshishim) = en zestig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:38–39; Num 2:25–26 ### Aser **26:44** De zonen van Aser, naar hun families. Van Jimna: de familie van de Jimnaïeten. Van Jisjwi: de familie van de Jisjwieten. Van Beria: de familie van de Beriieten. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אָשֵׁר֮ (asher) = Aser | לְמִשְׁפְּחֹתָם֒ (lemishpechotam) = naar hun families | לְיִמְנָ֗ה (leyimna) = van Jimna | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַיִּמְנָ֔ה (hayimna) = de Jimnaïet | לְיִשְׁוִ֕י (leyishvi) = van Jisjwi | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַיִּשְׁוִ֑י (hayishvi) = de Jisjwiet | לִבְרִיעָ֕ה (livria) = van Beria | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַבְּרִיעִֽי (haberii) = de Beriiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:17; 1 Kron 7:30 **26:45** Van de zonen van Beria. Van Cheber: de familie van de Cheberieten. Van Malkiël: de familie van de Malkiëlieten. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = van de zonen van | בְרִיעָ֔ה (beria) = Beria | לְחֶ֕בֶר (lechever) = van Cheber | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַֽחֶבְרִ֑י (hachevri) = de Cheberiet | לְמַ֨לְכִּיאֵ֔ל (lemalkiel) = van Malkiël | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַמַּלְכִּיאֵלִֽי (hamalkieli) = de Malkiëliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:46** De naam van de dochter van Aser was Serach. Brontekst: וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | בַּת (bat) = dochter van | אָשֵׁ֖ר (asher) = Aser | שָֽׂרַח (sarach) = Serach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Serach is de enige vrouw in deze lijst, naast de dochters van Selofchad (vers 33). Zij staat ook in Gen. 46:17. Zie ook: Gen 46:17; Num 26:33 **26:47** Dit zijn de families van de zonen van Aser, naar hun getelden: 53.400. Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | אָשֵׁ֖ר (asher) = Aser | לִפְקֻדֵיהֶ֑ם (lifqudeihem) = naar hun getelden | שְׁלֹשָׁ֧ה (shelosha) = drie | וַחֲמִשִּׁ֛ים (vachamishim) = en vijftig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:40–41; Num 2:27–28 ### Naftali **26:48** De zonen van Naftali, naar hun families. Van Jachtseël: de familie van de Jachtseëlieten. Van Guni: de familie van de Gunieten. Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | נַפְתָּלִי֙ (naftali) = Naftali | לְמִשְׁפְּחֹתָ֔ם (lemishpechotam) = naar hun families | לְיַ֨חְצְאֵ֔ל (leyachtseel) = van Jachtseël | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַיַּחְצְאֵלִ֑י (hayachtseeli) = de Jachtseëliet | לְגוּנִ֕י (leguni) = van Guni | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַגּוּנִֽי (haguni) = de Guniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:24; 1 Kron 7:13 **26:49** Van Jezer: de familie van de Jezerieten. Van Sjillem: de familie van de Sjillemieten. Brontekst: לְיֵ֕צֶר (leyetser) = van Jezer | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַיִּצְרִ֑י (hayitsri) = de Jezeriet | לְשִׁלֵּ֕ם (leshilem) = van Sjillem | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַשִּׁלֵּמִֽי (hashilemi) = de Sjillemiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 7:13 **26:50** Dit zijn de families van Naftali, naar hun families. Hun getelden waren 45.400. Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | נַפְתָּלִ֖י (naftali) = Naftali | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | וּפְקֻ֣דֵיהֶ֔ם (ufequdeihem) = en hun getelden | חֲמִשָּׁ֧ה (chamisha) = vijf | וְאַרְבָּעִ֛ים (vearbaim) = en veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:42–43; Num 2:29–30 ### De totale telling **26:51** Dit zijn de getelden van de zonen van Israël: 601.730. Brontekst: אֵ֗לֶּה (ele) = dit zijn | פְּקוּדֵי֙ (pequdei) = de getelden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שֵׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וָאָ֑לֶף (vaalef) = en duizend | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וּשְׁלֹשִֽׁים (usheloshim) = en dertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het totaal van de eerste telling was 603.550 (Num. 1:46). Nu zijn er 601.730 getelden, 1.820 minder. Zie ook: Job 12:14; Ex 12:37; Ex 38:26; Num 1:46; Neh 9:23 ### De verdeling van het land **26:52** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:53** **„Aan hen moet het land als erfdeel worden verdeeld, naar het aantal namen.** Brontekst: לָאֵ֗לֶּה (laele) = aan deze | תֵּחָלֵ֥ק (techaleq) = zal verdeeld worden | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | בְּנַחֲלָ֖ה (benachala) = als erfdeel | בְּמִסְפַּ֥ר (bemispar) = naar het aantal van | שֵׁמֽוֹת (shemot) = namen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:2; Joz 11:23; Joz 14:1; Ps 105:44; Openb 21:27 **26:54** **Aan wie in aantal groot is, moet je zijn erfdeel groter maken. Aan wie in aantal klein is, moet je zijn erfdeel kleiner maken. Ieder moet zijn erfdeel krijgen naar zijn getelden.** Brontekst: לָרַ֗ב (larav) = aan wie groot is | תַּרְבֶּה֙ (tarbe) = zul je groter maken | נַחֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | וְלַמְעַ֕ט (velamat) = en aan wie klein is | תַּמְעִ֖יט (tamit) = zul je kleiner maken | נַחֲלָת֑וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | לְפִ֣י (lefi) = naar | פְקֻדָ֔יו (pequdav) = zijn getelden | יֻתַּ֖ן (yutan) = zal gegeven worden | נַחֲלָתֽוֹ (nachalato) = zijn erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het erfdeel hangt af van de grootte van de stam. De verdeling gebeurt per stam en per familie naar het aantal getelden, en de plaats ervan wordt door het lot bepaald (vers 55–56). Zie ook: Num 26:55–56; Num 32:3; Num 32:5; Num 33:54; Joz 17:14 **26:55** **Maar het land moet bij loting worden verdeeld. Zij zullen het erven naar de namen van de stammen van hun vaderen.** Brontekst: אַךְ (akh) = maar | בְּגוֹרָ֕ל (begoral) = bij loting | יֵחָלֵ֖ק (yechaleq) = zal verdeeld worden | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | לִשְׁמ֥וֹת (lishmot) = naar de namen van | מַטּוֹת (matot) = stammen van | אֲבֹתָ֖ם (avotam) = hun vaderen | יִנְחָֽלוּ (yinchalu) = zij zullen erven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹרָל (goral), ‘lot’: een steen of stokje dat wordt getrokken om een keuze te laten bepalen. Zie Num. 33:54 en Num. 34:13. Zie ook: Num 33:54; Num 34:13; Joz 11:23; Joz 14:2; Joz 18:6 **26:56** **Naar de uitspraak van het lot moet zijn erfdeel worden verdeeld, tussen de velen en de weinigen.”** Brontekst: עַל (al) = naar | פִּי֙ (pi) = de uitspraak van | הַגּוֹרָ֔ל (hagoral) = het lot | תֵּחָלֵ֖ק (techaleq) = zal verdeeld worden | נַחֲלָת֑וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | בֵּ֥ין (bein) = tussen | רַ֖ב (rav) = de velen | לִמְעָֽט (limat) = en de weinigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 12:4; Rom 11:7 ### De Levieten **26:57** Dit zijn de getelden van de Levieten, naar hun families. Van Gersjon: de familie van de Gersjonieten. Van Kehat: de familie van de Kehatieten. Van Merari: de familie van de Merarieten. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה (veele) = en dit zijn | פְקוּדֵ֣י (pequdei) = de getelden van | הַלֵּוִי֮ (halevi) = de Leviet | לְמִשְׁפְּחֹתָם֒ (lemishpechotam) = naar hun families | לְגֵרְשׁ֗וֹן (legereshon) = van Gersjon | מִשְׁפַּ֨חַת֙ (mishpachat) = familie van | הַגֵּ֣רְשֻׁנִּ֔י (hagereshuni) = de Gersjoniet | לִקְהָ֕ת (liqhat) = van Kehat | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַקְּהָתִ֑י (haqehati) = de Kehatiet | לִמְרָרִ֕י (limrari) = van Merari | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַמְּרָרִֽי (hamerari) = de Merariet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:11; Ex 6:16–19; Num 35:2–3; 1 Kron 5:27; 1 Kron 6:1–15 **26:58** Dit zijn de families van Levi. De familie van de Libnieten, de familie van de Hebronieten, de familie van de Machlieten, de familie van de Musieten, de familie van de Korachieten. Kehat werd de vader van Amram. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | מִשְׁפְּחֹ֣ת (mishpechot) = families van | לֵוִ֗י (levi) = Levi | מִשְׁפַּ֨חַת (mishpachat) = familie van | הַלִּבְנִ֜י (halivni) = de Libniet | מִשְׁפַּ֤חַת (mishpachat) = familie van | הַֽחֶבְרֹנִי֙ (hachevroni) = de Hebroniet | מִשְׁפַּ֤חַת (mishpachat) = familie van | הַמַּחְלִי֙ (hamachli) = de Machliet | מִשְׁפַּ֣חַת (mishpachat) = familie van | הַמּוּשִׁ֔י (hamushi) = de Musiet | מִשְׁפַּ֖חַת (mishpachat) = familie van | הַקָּרְחִ֑י (haqarechi) = de Korachiet | וּקְהָ֖ת (uqehat) = en Kehat | הוֹלִ֥ד (holid) = werd vader van | אֶת (et) = (obj.) | עַמְרָֽם (amram) = Amram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de vijf families van Levi die uit zijn drie zonen komen: de Libnieten (van Gersjon), de Hebronieten (van Kehat), de Machlieten en Musieten (van Merari) en de Korachieten (van Kehat via Jishar). Zie Exod. 6:17–25. Zie ook: Ex 6:17–25; Ex 6:20; Num 3:17–21; Num 16:1 **26:59** De naam van de vrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi. Zij is in Egypte aan Levi geboren. Zij beviel Amram van Aäron, van Mozes en van Mirjam, hun zuster. Brontekst: וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אֵ֣שֶׁת (eshet) = de vrouw van | עַמְרָ֗ם (amram) = Amram | יוֹכֶ֨בֶד֙ (yokheved) = Jochebed | בַּת (bat) = dochter van | לֵוִ֔י (levi) = Levi | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יָלְדָ֥ה (yaleda) = baarde | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | לְלֵוִ֖י (lelevi) = aan Levi | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en zij baarde | לְעַמְרָ֗ם (leamram) = aan Amram | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | מִרְיָ֥ם (miryam) = Mirjam | אֲחֹתָֽם (achotam) = hun zuster Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Volgens deze tekst is Jochebed in Egypte aan Levi geboren. Zij is dan een zus van Kehat en de tante van Amram (Exod. 6:20). Zie ook: Ex 2:1–2; Ex 6:20; Lev 18:12 **26:60** Aan Aäron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar. Brontekst: וַיִּוָּלֵ֣ד (vayivaled) = en werden geboren | לְאַהֲרֹ֔ן (leaharon) = aan Aäron | אֶת (et) = (obj.) | נָדָ֖ב (nadav) = Nadab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבִיה֑וּא (avihu) = Abihu | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְעָזָ֖ר (elazar) = Eleazar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִיתָמָֽר (itamar) = Itamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:2; Num 3:8 **26:61** Nadab en Abihu stierven, toen zij vreemd vuur voor het aangezicht van Yahweh brachten. Brontekst: וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | נָדָ֖ב (nadav) = Nadab | וַאֲבִיה֑וּא (vaavihu) = en Abihu | בְּהַקְרִיבָ֥ם (behaqrivam) = toen zij brachten | אֵשׁ (esh) = vuur | זָרָ֖ה (zara) = vreemd | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verhaal staat in Lev. 10:1–2; zie ook Num. 3:4. Zie ook: Lev 10:1–2; Num 3:4; 1 Kron 24:1–2 **26:62** Hun getelden waren 23.000, alles wat mannelijk is, van een maand en ouder. Zij werden namelijk niet geteld onder de zonen van Israël. Want er werd hun geen erfdeel gegeven onder de zonen van Israël. Brontekst: וַיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | פְקֻדֵיהֶ֗ם (pequdeihem) = hun getelden | שְׁלֹשָׁ֤ה (shelosha) = drie | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | כָּל (kal) = alles | זָכָ֖ר (zakhar) = wat mannelijk is | מִבֶּן (miben) = van zoon van | חֹ֣דֶשׁ (chodesh) = een maand | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en ouder | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | הָתְפָּקְד֗וּ (hatpaqedu) = werden geteld | בְּתוֹךְ֙ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּ֠י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | נִתַּ֤ן (nitan) = werd gegeven | לָהֶם֙ (lahem) = aan hen | נַחֲלָ֔ה (nachala) = erfdeel | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten worden apart geteld, van een maand en ouder (Num. 3:15). Zij krijgen geen erfdeel in het land (Num. 18:20–24). Het aantal in Num. 3:39 is 22.000. Zie ook: Num 1:49; Num 3:15; Num 3:39; Num 18:20–24; Num 35:2–8; Deut 10:9; Deut 14:27–29 ### Niemand uit de eerste telling **26:63** Dit zijn de getelden van Mozes en Eleazar, de priester. Zij telden de zonen van Israël in de vlakten van Moab, bij de Jordaan bij Jericho. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn | פְּקוּדֵ֣י (pequdei) = de getelden van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וְאֶלְעָזָ֖ר (veelazar) = en Eleazar | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | פָּֽקְד֜וּ (paqedu) = telden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּעַֽרְבֹ֣ת (bearvot) = in de vlakten van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | עַ֖ל (al) = bij | יַרְדֵּ֥ן (yarden) = de Jordaan van | יְרֵחֽוֹ (yerecho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Num 26:3 **26:64** Onder hen was niemand van de getelden van Mozes en Aäron, de priester, die de zonen van Israël in de woestijn Sinaï telden. Brontekst: וּבְאֵ֨לֶּה֙ (uveele) = en onder deze | לֹא (lo) = niet | הָ֣יָה (haya) = was | אִ֔ישׁ (ish) = man | מִפְּקוּדֵ֣י (mipequdei) = van de getelden van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹ֖ן (veaharon) = en Aäron | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | פָּקְד֛וּ (paqedu) = telden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּמִדְבַּ֥ר (bemidbar) = in de woestijn van | סִינָֽי (sinay) = Sinaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Num 1:1–2; Num 14:29; Deut 2:14–15; 1 Kor 10:5; Heb 3:17 **26:65** Want Yahweh had over hen gezegd: **„Zij zullen zeker sterven in de woestijn.”** Er bleef niemand van hen over, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אָמַ֤ר (amar) = zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לָהֶ֔ם (lahem) = over hen | מ֥וֹת (mot) = sterven | יָמֻ֖תוּ (yamutu) = zullen zij sterven | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | וְלֹא (velo) = en niet | נוֹתַ֤ר (notar) = bleef over | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | אִ֔ישׁ (ish) = man | כִּ֚י (ki) = maar | אִם (im) = als | כָּלֵ֣ב (kalev) = Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּ֔ה (yefune) = Jefunne | וִיהוֹשֻׁ֖עַ (vihoshua) = en Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נֽוּן (nun) = Nun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Num. 14:28–30, waar Yahweh Kaleb en Jozua uitzondert. Zie ook: Num 14:28–30; Num 14:38; Ps 90:3–7; 1 Kor 10:5–6; Rom 11:22; Heb 3:17–18 ## Numeri 27 _De dochters van Selofchad en Jozua als opvolger_ ### De dochters van Selofchad **27:1** De dochters van Selofchad kwamen naar voren. Selofchad was de zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. Hij was uit de families van Manasse, de zoon van Jozef. Dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirza. Brontekst: וַתִּקְרַ֜בְנָה (vatiqravna) = en kwamen dichterbij | בְּנ֣וֹת (benot) = de dochters van | צְלָפְחָ֗ד (tselafechad) = Selofchad | בֶּן (ben) = zoon van | חֵ֤פֶר (chefer) = Chefer | בֶּן (ben) = zoon van | גִּלְעָד֙ (gilad) = Gilead | בֶּן (ben) = zoon van | מָכִ֣יר (makhir) = Machir | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | לְמִשְׁפְּחֹ֖ת (lemishpechot) = uit de families van | מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | בֶן (ben) = zoon van | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit zijn | שְׁמ֣וֹת (shemot) = de namen van | בְּנֹתָ֔יו (benotav) = zijn dochters | מַחְלָ֣ה (machla) = Machla | נֹעָ֔ה (noa) = Noa | וְחָגְלָ֥ה (vechagela) = en Chogla | וּמִלְכָּ֖ה (umilka) = en Milka | וְתִרְצָֽה (vetirtsa) = en Tirza Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De dochters van Selofchad hebben geen broers (Num. 26:33). Hun naam, hun vader en hun voorvaderen worden volledig genoemd; zo is hun plaats in de stam Manasse duidelijk. Zie ook Joz. 17:3–6. Zie ook: Num 26:33; Num 36:1–12; Joz 17:3–6; 1 Kron 7:15; Gal 3:28 **27:2** Zij gingen staan bij de ingang van de tent van samenkomst, voor Mozes, voor Eleazar, de priester, voor de leiders en voor heel de gemeenschap. Zij zeiden: Brontekst: וַֽתַּעֲמֹ֜דְנָה (vataamodena) = en zij gingen staan | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | וְלִפְנֵי֙ (velifnei) = en voor het aangezicht van | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְלִפְנֵ֥י (velifnei) = en voor het aangezicht van | הַנְּשִׂיאִ֖ם (hanesiim) = de leiders | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעֵדָ֑ה (haeda) = de gemeenschap | פֶּ֥תַח (petach) = de ingang van | אֹֽהֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:13–14; Ex 18:19–26; Num 15:33–34; Deut 17:8–10 **27:3** „Onze vader is in de woestijn gestorven. Hij was niet in het midden van de gemeenschap die zich tegen Yahweh verzamelde, in de aanhang van Korach. Maar hij is gestorven door zijn eigen zonde. Hij had geen zonen. Brontekst: אָבִינוּ֮ (avinu) = onze vader | מֵ֣ת (met) = stierf | בַּמִּדְבָּר֒ (bamidbar) = in de woestijn | וְה֨וּא (vehu) = en hij | לֹא (lo) = niet | הָיָ֜ה (haya) = was | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | הָעֵדָ֗ה (haeda) = de gemeenschap | הַנּוֹעָדִ֛ים (hanoadim) = die zich verzamelden | עַל (al) = tegen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּעֲדַת (baadat) = in de aanhang van | קֹ֑רַח (qorach) = Korach | כִּֽי (ki) = maar | בְחֶטְא֣וֹ (becheto) = in zijn zonde | מֵ֔ת (met) = stierf hij | וּבָנִ֖ים (uvanim) = en zonen | לֹא (lo) = niet | הָ֥יוּ (hayu) = waren | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De aanhang van Korach is de groep die in Num. 16 tegen Mozes en Aäron opstond. De dochters zeggen dat hun vader daar niet bij hoorde. Hij stierf in de woestijn zoals de hele generatie (Num. 14:29–35), door zijn eigen zonde. Zie ook: Num 14:29–35; Num 14:35; Num 17:14; Num 26:33; Num 26:64–65; Ezech 18:4 **27:4** Waarom moet de naam van onze vader uit zijn familie worden weggenomen, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons bezit te midden van de broers van onze vader.” Brontekst: לָ֣מָּה (lama) = waarom | יִגָּרַ֤ע (yigara) = zal worden weggenomen | שֵׁם (shem) = de naam van | אָבִ֨ינוּ֙ (avinu) = onze vader | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | מִשְׁפַּחְתּ֔וֹ (mishpachto) = zijn familie | כִּ֛י (ki) = omdat | אֵ֥ין (ein) = niet is | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בֵּ֑ן (ben) = zoon | תְּנָה (tena) = geef | לָּ֣נוּ (lanu) = aan ons | אֲחֻזָּ֔ה (achuza) = bezit | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | אֲחֵ֥י (achei) = de broers van | אָבִֽינוּ (avinu) = onze vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲחֻזָּה (achuzzah), ‘bezit’: land dat iemand in bezit heeft; zie ook Lev. 25:10. Zonder zoon gaat het bezit van de familie verloren, en met het bezit de naam. Zie ook: Ex 32:11; Lev 25:10; Joz 17:4; Ps 109:13; Spr 13:9 **27:5** Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיַּקְרֵ֥ב (vayaqrev) = en bracht dichtbij | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפָּטָ֖ן (mishpatan) = hun rechtszaak | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: hier de zaak die voor het recht wordt gebracht. Wij vertalen ‘rechtszaak’. Zie ook: Job 23:4; Ex 25:22; Lev 24:12–13; Num 9:8; Spr 3:5–6 ### Yahweh geeft hun gelijk **27:6** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 68:6–7; Gal 3:28 **27:7** **„De dochters van Selofchad hebben gelijk. Je moet hun zeker bezit van een erfdeel geven te midden van de broers van hun vader. Je moet het erfdeel van hun vader aan hen laten overgaan.** Brontekst: כֵּ֗ן (ken) = terecht | בְּנ֣וֹת (benot) = de dochters van | צְלָפְחָד֮ (tselafechad) = Selofchad | דֹּבְרֹת֒ (doverot) = die spreken | נָתֹ֨ן (naton) = geven | תִּתֵּ֤ן (titen) = je zult geven | לָהֶם֙ (lahem) = aan hen | אֲחֻזַּ֣ת (achuzat) = bezit van | נַחֲלָ֔ה (nachala) = erfdeel | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | אֲחֵ֣י (achei) = de broers van | אֲבִיהֶ֑ם (avihem) = hun vader | וְהַֽעֲבַרְתָּ֛ (vehaavarta) = en je zult laten overgaan | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלַ֥ת (nachalat) = het erfdeel van | אֲבִיהֶ֖ן (avihen) = hun vader | לָהֶֽן (lahen) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּן (ken), ‘hebben gelijk’: letterlijk ‘terecht’ of ‘zo is het’. Voetnoot : אֲחֻזַּת נַחֲלָה (achuzzat nachalah), ‘bezit van een erfdeel’: het erfdeel in het land dat Israël krijgt. Zie ook: Num 36:1–2; Joz 17:4; Ps 68:6; Jer 49:11; Gal 3:28 ### De regel voor de erfenis **27:8** **Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Als een man sterft en geen zoon heeft, moeten jullie zijn erfdeel op zijn dochter laten overgaan.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tegen | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | תְּדַבֵּ֣ר (tedaber) = zul je spreken | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אִ֣ישׁ (ish) = een man | כִּֽי (ki) = als | יָמ֗וּת (yamut) = hij sterft | וּבֵן֙ (uven) = en zoon | אֵ֣ין (ein) = niet is | ל֔וֹ (lo) = aan hem | וְהַֽעֲבַרְתֶּ֥ם (vehaavartem) = en jullie zullen laten overgaan | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלָת֖וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | לְבִתּֽוֹ (levito) = op zijn dochter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:9** **Heeft hij geen dochter, dan moeten jullie zijn erfdeel aan zijn broers geven.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אֵ֥ין (ein) = niet is | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בַּ֑ת (bat) = dochter | וּנְתַתֶּ֥ם (unetatem) = en jullie zullen geven | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלָת֖וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | לְאֶחָיו (leechav) = aan zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:10** **Heeft hij geen broers, dan moeten jullie zijn erfdeel aan de broers van zijn vader geven.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אֵ֥ין (ein) = niet zijn | ל֖וֹ (lo) = aan hem | אַחִ֑ים (achim) = broers | וּנְתַתֶּ֥ם (unetatem) = en jullie zullen geven | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלָת֖וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | לַאֲחֵ֥י (laachei) = aan de broers van | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:11** **Heeft zijn vader geen broers, dan moeten jullie zijn erfdeel geven aan zijn naaste bloedverwant uit zijn familie. Die zal het erven. Het moet voor de zonen van Israël een voorschrift van recht zijn, zoals Yahweh aan Mozes heeft geboden.”** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אֵ֣ין (ein) = niet zijn | אַחִים֮ (achim) = broers | לְאָבִיו֒ (leaviv) = aan zijn vader | וּנְתַתֶּ֣ם (unetatem) = en jullie zullen geven | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלָת֗וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | לִשְׁאֵר֞וֹ (lishero) = aan zijn bloedverwant | הַקָּרֹ֥ב (haqarov) = de naaste | אֵלָ֛יו (elav) = aan hem | מִמִּשְׁפַּחְתּ֖וֹ (mimishpachto) = uit zijn familie | וְיָרַ֣שׁ (veyarash) = en hij zal erven | אֹתָ֑הּ (otah) = het | וְֽהָ֨יְתָ֜ה (vehayeta) = en het zal zijn | לִבְנֵ֤י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לְחֻקַּ֣ת (lechuqat) = tot voorschrift van | מִשְׁפָּ֔ט (mishpat) = recht | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרוֹ (she’ero), ‘zijn bloedverwant’: letterlijk ‘zijn vlees’. Het is de naaste verwant van dezelfde familie. Het ‘voorschrift van recht’ (חֻקַּת מִשְׁפָּט, chuqqat mishpat) maakt de regel tot een vaste wet voor het erven. Zie ook: Lev 25:25; Lev 25:49; Num 35:29; Ruth 4:3–6; Jer 32:8 ### Mozes ziet het land vanaf de berg **27:12** Yahweh zei tegen Mozes: **„Ga omhoog op deze berg van de Abarim. Kijk naar het land dat Ik aan de zonen van Israël heb gegeven.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | עֲלֵ֛ה (ale) = ga omhoog | אֶל (el) = op | הַ֥ר (har) = berg | הָעֲבָרִ֖ים (haavarim) = de Abarim | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וּרְאֵה֙ (uree) = en zie | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Abarim is het gebergte ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Mozes ziet het land vanaf de berg Nebo in dit gebergte (Deut. 32:49; Deut. 34:1–4). Zie ook Num. 33:47–48. Zie ook: Num 33:47–48; Deut 3:23–27; Deut 32:48–52; Deut 32:49; Deut 34:1–4 **27:13** **Als je het gezien hebt, zul ook jij verzameld worden bij je volk, zoals Aäron, je broer, is verzameld,** Brontekst: וְרָאִ֣יתָה (veraita) = en je zult zien | אֹתָ֔הּ (otah) = het | וְנֶאֱסַפְתָּ֥ (veneesafta) = en je zult verzameld worden | אֶל (el) = bij | עַמֶּ֖יךָ (ameikha) = je volken | גַּם (gam) = ook | אָ֑תָּה (ata) = jij | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | נֶאֱסַ֖ף (neesaf) = is verzameld | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | אָחִֽיךָ (achikha) = je broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:17; Num 20:24–28; Num 31:2; Deut 10:6; Deut 32:50 **27:14** **omdat jullie in de woestijn Zin in opstand zijn gekomen tegen Mijn bevel, bij de twist van de gemeenschap. Jullie hielden Mij niet heilig bij het water, voor hun ogen.”** Dit is het water van Meriba bij Kades, in de woestijn Zin. Brontekst: כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | מְרִיתֶ֨ם (meritem) = jullie waren opstandig tegen | פִּ֜י (pi) = Mijn bevel | בְּמִדְבַּר (bemidbar) = in de woestijn van | צִ֗ן (tsin) = Zin | בִּמְרִיבַת֙ (bimrivat) = bij de twist van | הָֽעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | לְהַקְדִּישֵׁ֥נִי (lehaqdisheni) = om Mij heilig te houden | בַמַּ֖יִם (bamayim) = bij het water | לְעֵינֵיהֶ֑ם (leeineihem) = voor hun ogen | הֵ֛ם (hem) = zij | מֵֽי (mei) = water van | מְרִיבַ֥ת (merivat) = twist van | קָדֵ֖שׁ (qadesh) = Kades | מִדְבַּר (midbar) = woestijn van | צִֽן (tsin) = Zin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kades (Hebreeuws: קָדֵשׁ, Qadesj) lag in de woestijn Zin, aan de zuidgrens van Kanaän. De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Ain Qudeirat in het noordoosten van de Sinaï. Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades. De grenzen zijn niet precies bekend. Voetnoot Uitleg: Mozes en Aäron slaan in plaats van te spreken (Num. 20:1–13). Het ‘Mijn bevel’ is letterlijk ‘Mijn mond’ (פִּי, pi), zoals in Num. 20:24. In Num. 20:12 staat hetzelfde ‘om Mij heilig te houden’. Zie ook: Ex 17:7; Num 20:1–13; Num 20:8–13; Num 20:12; Num 20:24; Deut 1:37; Deut 32:51–52; Ps 106:32–33 ### Jozua wordt de opvolger van Mozes **27:15** Mozes sprak tot Yahweh: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tegen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:16** „Laat Yahweh, de Elohim van de geesten van alle vlees, een man aanstellen over de gemeenschap, Brontekst: יִפְקֹ֣ד (yifqod) = moge aanstellen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | הָרוּחֹ֖ת (haruchot) = de geesten | לְכָל (lekhal) = van alle | בָּשָׂ֑ר (basar) = vlees | אִ֖ישׁ (ish) = een man | עַל (al) = over | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵי הָרוּחֹת לְכָל־בָּשָׂר (Elohei haruchot lekhol basar), ‘de Elohim van de geesten van alle vlees’: dezelfde woorden als in Num. 16:22. Elk levend wezen heeft zijn geest van Elohim. Zie ook: Num 16:22; Deut 31:14; Jer 3:15; Ezech 37:24; Heb 12:9 **27:17** die voor hen uit gaat en die voor hen binnenkomt, die hen uitleidt en die hen binnenbrengt. Dan zal de gemeenschap van Yahweh niet zijn als kleinvee dat geen herder heeft.” Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = die | יֵצֵ֣א (yetse) = zal uitgaan | לִפְנֵיהֶ֗ם (lifneihem) = voor hun aangezicht | וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en die | יָבֹא֙ (yavo) = zal binnenkomen | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = voor hun aangezicht | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en die | יוֹצִיאֵ֖ם (yotsiem) = zal hen uitleiden | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en die | יְבִיאֵ֑ם (yeviem) = zal hen binnenbrengen | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תִהְיֶה֙ (tihye) = zal zijn | עֲדַ֣ת (adat) = de gemeenschap van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּצֹּ֕אן (katson) = als kleinvee | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֵין (ein) = niet is | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | רֹעֶֽה (roe) = herder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Voor hen uit gaan en binnenkomen’ en ‘uitleiden en binnenbrengen’ zijn beelden van leiderschap: voorop gaan in oorlog en in het dagelijks leven. Het beeld van schapen zonder herder komt ook voor in 1 Kon. 22:17 en Matt. 9:36. Zie ook: Deut 31:2; 1 Kon 22:17; Ezech 34:5; Zach 10:2; Mat 9:36; Mar 6:34 **27:18** Yahweh zei tegen Mozes: **„Neem Jozua, de zoon van Nun, een man in wie de geest is, en leg je hand op hem.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | קַח (qach) = neem | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֔וּן (nun) = Nun | אִ֖ישׁ (ish) = een man | אֲשֶׁר (asher) = in wie | ר֣וּחַ (ruach) = geest | בּ֑וֹ (bo) = in hem | וְסָמַכְתָּ֥ (vesamakhta) = en je zult steunen | אֶת (et) = (obj.) | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | עָלָֽיו (alav) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ בּוֹ (ruach bo), ‘geest in hem’: in het Hebreeuws staat geen lidwoord. Wat bedoeld is: de geest van wijsheid waarmee Jozua vervuld was (Deut. 34:9). Voetnoot : סָמַךְ (samakh), ‘de hand leggen’: de hand op iemand leggen om iets over te dragen; zie Num. 8:10 en Lev. 3:2. Zie ook: Gen 41:38; Lev 3:2; Num 8:10; Num 27:23; Deut 31:7–8; Deut 34:9; Re 3:10 **27:19** **Stel hem op voor Eleazar, de priester, en voor heel de gemeenschap, en geef hem een opdracht voor hun ogen.** Brontekst: וְהַֽעֲמַדְתָּ֣ (vehaamadta) = en je zult laten staan | אֹת֗וֹ (oto) = hem | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְלִפְנֵ֖י (velifnei) = en voor het aangezicht van | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָ֑ה (haeda) = de gemeenschap | וְצִוִּיתָ֥ה (vetsivita) = en je zult opdracht geven | אֹת֖וֹ (oto) = hem | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 3:28; Deut 31:7–8; Deut 31:23; Luc 10:2–11; 1 Tim 6:13–17 **27:20** **Leg iets van jouw aanzien op hem, zodat heel de gemeenschap van de zonen van Israël zal luisteren.** Brontekst: וְנָתַתָּ֥ה (venatata) = en je zult leggen | מֵהֽוֹדְךָ֖ (mehodekha) = van je aanzien | עָלָ֑יו (alav) = op hem | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יִשְׁמְע֔וּ (yishmeu) = zij luisteren | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֖ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹד (hod), ‘aanzien’: ook ‘glans’ of ‘majesteit’. Mozes geeft iets van zijn eigen gezag aan Jozua, zodat het volk naar hem luistert. Zie ook: Num 11:17; Num 11:28–29; Joz 1:16–18; 1 Sam 10:9; 2 Kon 2:9–10 **27:21** **Hij moet voor Eleazar, de priester, staan. Die moet voor hem het oordeel van de Urim vragen voor het aangezicht van Yahweh. Op zijn bevel zullen zij uittrekken en op zijn bevel zullen zij binnengaan: hij, heel de zonen van Israël met hem en heel de gemeenschap.”** Brontekst: וְלִפְנֵ֨י (velifnei) = en voor het aangezicht van | אֶלְעָזָ֤ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | יַעֲמֹ֔ד (yaamod) = hij zal staan | וְשָׁ֥אַל (veshaal) = en hij zal vragen | ל֛וֹ (lo) = voor hem | בְּמִשְׁפַּ֥ט (bemishpat) = bij het oordeel van | הָאוּרִ֖ים (haurim) = de Urim | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = op | פִּ֨יו (piv) = zijn bevel | יֵצְא֜וּ (yetseu) = zij zullen uittrekken | וְעַל (veal) = en op | פִּ֣יו (piv) = zijn bevel | יָבֹ֗אוּ (yavou) = zij zullen binnengaan | ה֛וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּרִים (Urim): voorwerpen waarmee de wil van Yahweh werd gevraagd (Exod. 28:30; 1 Sam. 28:6). Hier staan de Urim alleen, zonder de Tummim. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws is het onderwerp van ‘staan’ niet genoemd; wij lezen ‘hij’ als Jozua. Het onderwerp van ‘vragen’ lezen wij als Eleazar: de priester vraagt voor Jozua. Zie ook: Ex 28:30; Num 27:17; Joz 9:14; Re 20:18; 1 Sam 28:6 **27:22** Mozes deed zoals Yahweh hem had geboden. Hij nam Jozua en liet hem voor Eleazar, de priester, en voor heel de gemeenschap staan. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֑וֹ (oto) = hem | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | וַיַּֽעֲמִדֵ֨הוּ֙ (vayaamidehu) = en liet hem staan | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor het aangezicht van | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְלִפְנֵ֖י (velifnei) = en voor het aangezicht van | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Num. 27:18–20 voor het bevel dat Mozes hier uitvoert. Zie ook: Num 27:18–20 **27:23** Hij legde zijn handen op hem en gaf hem een opdracht, zoals Yahweh door Mozes had gesproken. Brontekst: וַיִּסְמֹ֧ךְ (vayismokh) = en legde | אֶת (et) = (obj.) | יָדָ֛יו (yadav) = zijn handen | עָלָ֖יו (alav) = op hem | וַיְצַוֵּ֑הוּ (vaytsavehu) = en gaf hem opdracht | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = had gesproken | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 27:19; Deut 3:28; Deut 31:7–8 ## Numeri 28 _De offerkalender: het dagelijkse offer, de sabbat, de nieuwe maand en Pesach_ ### Een bevel over de offers **28:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:2** **„Geef de zonen van Israël een bevel en zeg tot hen: Mijn offergave, Mijn voedsel voor Mijn vuuroffers, een aangename geur voor Mij. Let erop dat jullie die op de vastgestelde tijd aan Mij brengen.** Brontekst: צַ֚ו (tsav) = geef bevel | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנִ֨י (qarbani) = Mijn offergave | לַחְמִ֜י (lachmi) = Mijn voedsel | לְאִשַּׁ֗י (leishay) = voor Mijn vuuroffers | רֵ֚יחַ (reiach) = geur van | נִֽיחֹחִ֔י (nichochi) = Mijn aangenaamheid | תִּשְׁמְר֕וּ (tishmeru) = jullie zullen zorgvuldig zijn | לְהַקְרִ֥יב (lehaqriv) = om te brengen | לִ֖י (li) = aan Mij | בְּמוֹעֲדֽוֹ (bemoado) = op zijn vastgestelde tijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָרְבָּן (qorban), ‘offergave’: wat men aan Yahweh nabij brengt. לֶחֶם (lechem), ‘voedsel’: zoals in Lev. 3:11 en 3:16. De hoofdstukken 28 en 29 geven de offers voor de vaste dagen en tijden van het jaar; de feesten zelf staan in Lev. 23. Zie ook: Gen 8:21; Ex 29:18; Lev 3:11; Lev 3:16; Lev 21:6; Mal 1:12 ### Het voortdurende brandoffer **28:3** **Zeg tot hen: Dit is het vuuroffer dat jullie voor Yahweh moeten brengen: twee lammeren van een jaar zonder gebrek, elke dag, als voortdurend brandoffer.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | זֶ֚ה (ze) = dit is | הָֽאִשֶּׁ֔ה (haishe) = het vuuroffer | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | תַּקְרִ֖יבוּ (taqrivu) = jullie zullen brengen | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | כְּבָשִׂ֨ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֧ה (shana) = een jaar | תְמִימִ֛ם (temimim) = zonder gebrek | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | לַיּ֖וֹם (layom) = per dag | עֹלָ֥ה (ola) = brandoffer | תָמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het voortdurende brandoffer (עֹלַת תָּמִיד, olat tamid) is hetzelfde als in Exod. 29:38–42: elke dag twee lammeren, één in de morgen en één tussen de twee avonden. Zie ook: Ex 29:38–42; Lev 6:2; Ezech 46:13–15; Joh 1:29; Openb 13:8 **28:4** **Het ene lam moet je in de morgen brengen, en het tweede lam moet je tussen de twee avonden brengen.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֥בֶשׂ (hakeves) = het lam | אֶחָ֖ד (echad) = het ene | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = je zult brengen | בַבֹּ֑קֶר (baboqer) = in de morgen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הַכֶּ֣בֶשׂ (hakeves) = het lam | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = het tweede | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = je zult brengen | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָֽעַרְבָּֽיִם (haarbayim) = de twee avonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּין הָעַרְבָּיִם (ben ha’arbayim), ‘tussen de twee avonden’: de avondschemering; zie Exod. 12:6 en 29:39. Zie ook: Ex 12:6; Ex 29:39; Num 9:3; 1 Kon 18:29; 1 Kon 18:36; Dan 9:21; Ezra 9:4–5 **28:5** **Als graanoffer: een tiende efa fijn meel, gekneed met een kwart hin gestampte olie.** Brontekst: וַעֲשִׂירִ֧ית (vaasirit) = en een tiende van | הָאֵיפָ֛ה (haeifa) = de efa | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel | לְמִנְחָ֑ה (lemincha) = tot graanoffer | בְּלוּלָ֛ה (belula) = gekneed | בְּשֶׁ֥מֶן (beshemen) = met olie | כָּתִ֖ית (katit) = gestampt | רְבִיעִ֥ת (reviit) = een kwart van | הַהִֽין (hahin) = de hin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een tiende efa is ongeveer 2,2 liter (een efa is ongeveer 22 liter). Een hin is ongeveer 3,7 liter, een kwart hin dus ongeveer 0,9 liter. De maten zijn dezelfde als in Exod. 29:40. Voetnoot : כָּתִית (katit), ‘gestampte’ olie: olie van olijven die in een vijzel zijn gestampt. Zie ook: Ex 16:36; Ex 29:38–42; Ex 29:40; Lev 2:1; Num 15:4–5 **28:6** **Het is het voortdurende brandoffer dat op de berg Sinaï is gebracht, tot een aangename geur, een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: עֹלַ֖ת (olat) = brandoffer van | תָּמִ֑יד (tamid) = voortdurend | הָעֲשֻׂיָה֙ (haasuya) = dat gebracht is | בְּהַ֣ר (behar) = op de berg | סִינַ֔י (sinay) = Sinaï | לְרֵ֣יחַ (lereiach) = tot geur van | נִיחֹ֔חַ (nichoach) = aangenaamheid | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = vuuroffer | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Sinaï: de ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Jebel Musa in het zuiden van het Sinaï-schiereiland (Egypte). Voetnoot Uitleg: Dit brandoffer is ingesteld bij de berg Sinaï (Exod. 29:38–42). Zie ook: Ex 29:38–42; Lev 6:2; 2 Kron 2:3; 2 Kron 31:3; Amos 5:25; Ezech 46:14 **28:7** **Het plengoffer erbij is een kwart hin voor het ene lam. In het heiligdom moet je sterke drank als plengoffer voor Yahweh uitgieten.** Brontekst: וְנִסְכּוֹ֙ (venisko) = en zijn plengoffer | רְבִיעִ֣ת (reviit) = een kwart van | הַהִ֔ין (hahin) = de hin | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = voor het lam | הָאֶחָ֑ד (haechad) = het ene | בַּקֹּ֗דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | הַסֵּ֛ךְ (hasekh) = giet uit | נֶ֥סֶךְ (nesekh) = plengoffer | שֵׁכָ֖ר (shekhar) = sterke drank | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁכָר (shechar), ‘sterke drank’: gegiste drank. In Exod. 29:40 en Num. 28:14 staat יַיִן (yayin), ‘wijn’. Wij houden de twee woorden uit elkaar. Zie ook: Ex 29:40; Ex 29:42; Num 15:10; Num 28:14; Joël 1:13; Joël 2:14; Fil 2:17 **28:8** **Het tweede lam moet je tussen de twee avonden brengen, met hetzelfde graanoffer als in de morgen en hetzelfde plengoffer. Het is een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הַכֶּ֣בֶשׂ (hakeves) = het lam | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = het tweede | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = je zult brengen | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הָֽעַרְבָּ֑יִם (haarbayim) = de twee avonden | כְּמִנְחַ֨ת (keminchat) = zoals het graanoffer van | הַבֹּ֤קֶר (haboqer) = de morgen | וּכְנִסְכּוֹ֙ (ukhenisko) = en zoals zijn plengoffer | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = je zult brengen | אִשֵּׁ֛ה (ishe) = vuuroffer | רֵ֥יחַ (reiach) = geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het offer op de sabbat **28:9** **Op de sabbatdag: twee lammeren van een jaar zonder gebrek, twee tiende efa fijn meel als graanoffer, gekneed met olie, en het plengoffer erbij.** Brontekst: וּבְיוֹם֙ (uveyom) = en op de dag van | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | כְבָשִׂ֥ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = een jaar | תְּמִימִ֑ם (temimim) = zonder gebrek | וּשְׁנֵ֣י (ushenei) = en twee | עֶשְׂרֹנִ֗ים (esronim) = tienden | סֹ֧לֶת (solet) = fijn meel | מִנְחָ֛ה (mincha) = graanoffer | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gekneed | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | וְנִסְכּֽוֹ (venisko) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het sabbatsoffer komt bovenop het voortdurende brandoffer (vers 10). Voor de sabbat zelf, zie Exod. 20:8–11 en Lev. 23:3. Zie ook: Ex 20:8–11; Lev 23:3; Num 28:10; Ps 92:2–5; Jes 58:13; Ezech 20:12; Openb 1:10 **28:10** **Dit is het brandoffer van elke sabbat, naast het voortdurende brandoffer en het plengoffer daarvan.** Brontekst: עֹלַ֥ת (olat) = brandoffer van | שַׁבַּ֖ת (shabat) = sabbat | בְּשַׁבַּתּ֑וֹ (beshabato) = op zijn sabbat | עַל (al) = naast | עֹלַ֥ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֖יד (hatamid) = het voortdurende | וְנִסְכָּֽהּ (veniskah) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 28:23; Num 29:22; Num 29:34; Num 29:38–39; Ezech 46:4–5 ### Het offer bij het begin van de maand **28:11** **Aan het begin van jullie maanden moeten jullie een brandoffer voor Yahweh brengen. Dat zijn twee jonge stieren, één ram en zeven lammeren van een jaar, zonder gebrek.** Brontekst: וּבְרָאשֵׁי֙ (uverashei) = en aan het begin van | חָדְשֵׁיכֶ֔ם (chadesheikhem) = jullie maanden | תַּקְרִ֥יבוּ (taqrivu) = jullie zullen brengen | עֹלָ֖ה (ola) = brandoffer | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | פָּרִ֨ים (parim) = jonge stieren | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | בָקָ֤ר (baqar) = rundvee | שְׁנַ֨יִם֙ (shenayim) = twee | וְאַ֣יִל (veayil) = en een ram | אֶחָ֔ד (echad) = één | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | שִׁבְעָ֖ה (shiva) = zeven | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָאשֵׁי חָדְשֵׁיכֶם (rashei chodsheichem), ‘het begin van jullie maanden’: de dag van de nieuwe maan. Zie ook Num. 10:10 en Exod. 12:2. Zie ook: Ex 12:2; Num 10:10; Jes 1:13–14; Ezech 46:6; Ezra 3:5; Kol 2:16 **28:12** **Drie tiende efa fijn meel als graanoffer, gekneed met olie, bij de ene jonge stier. Twee tiende efa fijn meel als graanoffer, gekneed met olie, bij de ene ram.** Brontekst: וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | עֶשְׂרֹנִ֗ים (esronim) = tienden | סֹ֤לֶת (solet) = fijn meel | מִנְחָה֙ (mincha) = graanoffer | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשֶּׁ֔מֶן (bashemen) = met olie | לַפָּ֖ר (lapar) = bij de jonge stier | הָאֶחָ֑ד (haechad) = de ene | וּשְׁנֵ֣י (ushenei) = en twee | עֶשְׂרֹנִ֗ים (esronim) = tienden | סֹ֤לֶת (solet) = fijn meel | מִנְחָה֙ (mincha) = graanoffer | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשֶּׁ֔מֶן (bashemen) = met olie | לָאַ֖יִל (laayil) = bij de ram | הָֽאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 15:4–12; Num 29:10; Ezech 46:5–7 **28:13** **En telkens een tiende efa fijn meel als graanoffer, gekneed met olie, bij het ene lam: een brandoffer, een aangename geur, een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: וְעִשָּׂרֹ֣ן (veisaron) = en een tiende | עִשָּׂר֗וֹן (isaron) = een tiende | סֹ֤לֶת (solet) = fijn meel | מִנְחָה֙ (mincha) = graanoffer | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשֶּׁ֔מֶן (bashemen) = met olie | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = bij het lam | הָאֶחָ֑ד (haechad) = het ene | עֹלָה֙ (ola) = brandoffer | רֵ֣יחַ (reiach) = geur van | נִיחֹ֔חַ (nichoach) = aangenaamheid | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = vuuroffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִשָּׂרוֹן עִשָּׂרוֹן (issaron issaron), ‘telkens een tiende’: bij elk lam een tiende efa. **28:14** **Hun plengoffers: een halve hin bij de jonge stier, een derde hin bij de ram en een kwart hin bij het lam, wijn. Dit is het brandoffer van de maand, in elke maand, voor de maanden van het jaar.** Brontekst: וְנִסְכֵּיהֶ֗ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | חֲצִ֣י (chatsi) = de helft van | הַהִין֩ (hahin) = de hin | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | לַפָּ֜ר (lapar) = bij de jonge stier | וּשְׁלִישִׁ֧ת (ushelishit) = en een derde van | הַהִ֣ין (hahin) = de hin | לָאַ֗יִל (laayil) = bij de ram | וּרְבִיעִ֥ת (ureviit) = en een kwart van | הַהִ֛ין (hahin) = de hin | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = bij het lam | יָ֑יִן (yayin) = wijn | זֹ֣את (zot) = dit is | עֹלַ֥ת (olat) = brandoffer van | חֹ֨דֶשׁ֙ (chodesh) = maand | בְּחָדְשׁ֔וֹ (bechadesho) = in zijn maand | לְחָדְשֵׁ֖י (lechadeshei) = voor de maanden van | הַשָּׁנָֽה (hashana) = het jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een halve hin is ongeveer 1,9 liter, een derde hin ongeveer 1,2 liter en een kwart hin ongeveer 0,9 liter. **28:15** **Ook moet één geitenbok als zondoffer voor Yahweh worden gebracht, naast het voortdurende brandoffer en het plengoffer daarvan.** Brontekst: וּשְׂעִ֨יר (useir) = en een bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֛ד (echad) = één | לְחַטָּ֖את (lechatat) = tot zondoffer | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | עַל (al) = naast | עֹלַ֧ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֛יד (hatamid) = het voortdurende | יֵעָשֶׂ֖ה (yease) = zal gebracht worden | וְנִסְכּֽוֹ (venisko) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂעִיר עִזִּים (se’ir izzim), ‘geitenbok’. Het zondoffer komt naast de brandoffers, zoals ook in Lev. 4. Zie ook: Num 15:24; Num 28:3; Num 28:22; 2 Kor 5:21; Rom 8:3 ### Pesach en het feest van de ongezuurde broden **28:16** **In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het Pesach voor Yahweh.** Brontekst: וּבַחֹ֣דֶשׁ (uvachodesh) = en in de maand | הָרִאשׁ֗וֹן (harishon) = de eerste | בְּאַרְבָּעָ֥ה (bearbaa) = op vier | עָשָׂ֛ר (asar) = tien | י֖וֹם (yom) = dag | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | פֶּ֖סַח (pesach) = Pesach | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Pesach is het feest van Exod. 12 en Lev. 23:5. Voor ‘de eerste maand’ zie Exod. 12:2. Zie ook: Ex 12:2–11; Ex 12:18; Lev 23:5–8; Num 9:3–5; Deut 16:1–8 **28:17** **Op de vijftiende dag van deze maand is het feest. Zeven dagen lang moeten ongezuurde broden gegeten worden.** Brontekst: וּבַחֲמִשָּׁ֨ה (uvachamisha) = en op vijf | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | י֛וֹם (yom) = dag | לַחֹ֥דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | חָ֑ג (chag) = feest | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven van | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurde broden | יֵאָכֵֽל (yeakhel) = zal gegeten worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het feest van de ongezuurde broden duurt zeven dagen (Exod. 12:15–20; Lev. 23:6–8). Zie ook: Ex 12:15–17; Ex 13:6; Ex 23:15; Lev 23:6; Deut 16:3–8 **28:18** **Op de eerste dag is er een heilige samenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen.** Brontekst: בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הָרִאשׁ֖וֹן (harishon) = de eerste | מִקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heilig | כָּל (kal) = al | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = dienst | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְלֶאכֶת עֲבֹדָה (melekhet avodah), ‘gewoon werk’: zoals in Lev. 23:7. Zie ook: Ex 12:16; Lev 23:7–8 **28:19** **Jullie moeten een vuuroffer brengen, een brandoffer voor Yahweh: twee jonge stieren, één ram en zeven lammeren van een jaar. Ze moeten voor jullie zonder gebrek zijn.** Brontekst: וְהִקְרַבְתֶּ֨ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | אִשֶּׁ֤ה (ishe) = vuuroffer | עֹלָה֙ (ola) = brandoffer | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | פָּרִ֧ים (parim) = jonge stieren | בְּנֵי (benei) = zonen van | בָקָ֛ר (baqar) = rundvee | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = twee | וְאַ֣יִל (veayil) = en een ram | אֶחָ֑ד (echad) = één | וְשִׁבְעָ֤ה (veshiva) = en zeven | כְבָשִׂים֙ (kevasim) = lammeren | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | שָׁנָ֔ה (shana) = een jaar | תְּמִימִ֖ם (temimim) = zonder gebrek | יִהְי֥וּ (yihyu) = zullen zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 22:20; Num 28:31; Num 29:8; Deut 15:21; Ezech 45:21–25 **28:20** **Hun graanoffer: fijn meel, gekneed met olie. Jullie moeten drie tiende efa brengen bij de jonge stier en twee tiende efa bij de ram.** Brontekst: וּמִ֨נְחָתָ֔ם (uminchatam) = en hun graanoffer | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | שְׁלֹשָׁ֨ה (shelosha) = drie | עֶשְׂרֹנִ֜ים (esronim) = tienden | לַפָּ֗ר (lapar) = bij de jonge stier | וּשְׁנֵ֧י (ushenei) = en twee | עֶשְׂרֹנִ֛ים (esronim) = tienden | לָאַ֖יִל (laayil) = bij de ram | תַּעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:21** **Telkens een tiende efa moet je brengen bij het ene lam, voor de zeven lammeren.** Brontekst: עִשָּׂר֤וֹן (isaron) = een tiende | עִשָּׂרוֹן֙ (isaron) = een tiende | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = je zult brengen | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = bij het lam | הָאֶחָ֑ד (haechad) = het ene | לְשִׁבְעַ֖ת (leshivat) = bij zeven van | הַכְּבָשִֽׂים (hakevasim) = de lammeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:22** **Ook één geitenbok als zondoffer, om verzoening voor jullie te doen.** Brontekst: וּשְׂעִ֥יר (useir) = en een bok van | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | אֶחָ֑ד (echad) = één | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Rom 8:3 **28:23** **Dit alles moeten jullie brengen naast het brandoffer van de morgen, dat bij het voortdurende brandoffer hoort.** Brontekst: מִלְּבַד֙ (milevad) = naast | עֹלַ֣ת (olat) = brandoffer van | הַבֹּ֔קֶר (haboqer) = de morgen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | לְעֹלַ֣ת (leolat) = bij het brandoffer van | הַתָּמִ֑יד (hatamid) = het voortdurende | תַּעֲשׂ֖וּ (taasu) = jullie zullen brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֵֽלֶּה (ele) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 28:3; Num 28:10 **28:24** **Zo moeten jullie het elke dag brengen, zeven dagen lang: voedsel, een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh. Het moet worden gebracht naast het voortdurende brandoffer en het plengoffer daarvan.** Brontekst: כָּאֵ֜לֶּה (kaele) = zoals deze | תַּעֲשׂ֤וּ (taasu) = jullie zullen brengen | לַיּוֹם֙ (layom) = per dag | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven van | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | לֶ֛חֶם (lechem) = voedsel van | אִשֵּׁ֥ה (ishe) = vuuroffer | רֵֽיחַ (reiach) = geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | עַל (al) = naast | עוֹלַ֧ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֛יד (hatamid) = het voortdurende | יֵעָשֶׂ֖ה (yease) = zal gebracht worden | וְנִסְכּֽוֹ (venisko) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:25** **Op de zevende dag is er voor jullie een heilige samenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen.** Brontekst: וּבַיּוֹם֙ (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | מִקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = al | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = dienst | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:16; Ex 13:6; Lev 23:8; Num 28:18; Num 28:26 ### De dag van de eerstelingen **28:26** **Op de dag van de eerstelingen, wanneer jullie in jullie weken een nieuw graanoffer voor Yahweh brengen, is er voor jullie een heilige samenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen.** Brontekst: וּבְי֣וֹם (uveyom) = en op de dag van | הַבִּכּוּרִ֗ים (habikurim) = de eerstelingen | בְּהַקְרִ֨יבְכֶ֜ם (behaqrivekhem) = bij jullie brengen | מִנְחָ֤ה (mincha) = graanoffer | חֲדָשָׁה֙ (chadasha) = nieuw | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּשָׁבֻעֹ֖תֵיכֶ֑ם (beshavuoteikhem) = in jullie weken | מִֽקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = heilig | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = al | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = dienst | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Jullie weken’ (שָׁבֻעֹתֵיכֶם, shavu’oteichem): het feest van de weken, vijftig dagen na de eerstelingen van de gerst (Lev. 23:15–21; Exod. 34:22). In Lev. 23 en Exod. 23:16 heet het ook oogstfeest. Zie ook: Ex 23:16; Ex 34:22; Lev 23:10; Lev 23:15–21; Deut 16:9–11; 1 Kor 15:20 **28:27** **Jullie moeten een brandoffer brengen tot een aangename geur voor Yahweh: twee jonge stieren, één ram en zeven lammeren van een jaar.** Brontekst: וְהִקְרַבְתֶּ֨ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | עוֹלָ֜ה (ola) = brandoffer | לְרֵ֤יחַ (lereiach) = tot geur van | נִיחֹ֨חַ֙ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | פָּרִ֧ים (parim) = jonge stieren | בְּנֵי (benei) = zonen van | בָקָ֛ר (baqar) = rundvee | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = twee | אַ֣יִל (ayil) = ram | אֶחָ֑ד (echad) = één | שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | כְבָשִׂ֖ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | שָׁנָֽה (shana) = een jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:18–19; Num 28:11; Num 28:19 **28:28** **Hun graanoffer: fijn meel, gekneed met olie, drie tiende efa bij de ene jonge stier en twee tiende bij de ene ram.** Brontekst: וּמִנְחָתָ֔ם (uminchatam) = en hun graanoffer | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | שְׁלֹשָׁ֤ה (shelosha) = drie | עֶשְׂרֹנִים֙ (esronim) = tienden | לַפָּ֣ר (lapar) = bij de jonge stier | הָֽאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | עֶשְׂרֹנִ֔ים (esronim) = tienden | לָאַ֖יִל (laayil) = bij de ram | הָאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:29** **Telkens een tiende bij het ene lam, voor de zeven lammeren.** Brontekst: עִשָּׂרוֹן֙ (isaron) = een tiende | עִשָּׂר֔וֹן (isaron) = een tiende | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = bij het lam | הָאֶחָ֑ד (haechad) = het ene | לְשִׁבְעַ֖ת (leshivat) = bij zeven van | הַכְּבָשִֽׂים (hakevasim) = de lammeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:30** **Eén geitenbok om verzoening voor jullie te doen.** Brontekst: שְׂעִ֥יר (seir) = een bok van | עִזִּ֖ים (izim) = geiten | אֶחָ֑ד (echad) = één | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 28:15; Num 28:22; 2 Kor 5:21; 1 Petr 2:24; 1 Petr 3:18 **28:31** **Naast het voortdurende brandoffer en het graanoffer daarvan moeten jullie dit brengen. Zonder gebrek moeten ze voor jullie zijn, met hun plengoffers.** Brontekst: מִלְּבַ֞ד (milevad) = naast | עֹלַ֧ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֛יד (hatamid) = het voortdurende | וּמִנְחָת֖וֹ (uminchato) = en zijn graanoffer | תַּעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie zullen brengen | תְּמִימִ֥ם (temimim) = zonder gebrek | יִהְיוּ (yihyu) = zullen zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | וְנִסְכֵּיהֶֽם (veniskeihem) = en hun plengoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 28:3; Num 28:19; Mal 1:13–14 ## Numeri 29 _De offerkalender: geschal, Verzoendag en het feest van de hutten_ ### De dag van luid geschal **29:1** **In de zevende maand, op de eerste van de maand, is er voor jullie een heilige samenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen. Het is voor jullie een dag van luid geschal.** Brontekst: וּבַחֹ֨דֶשׁ (uvachodesh) = en in de maand | הַשְּׁבִיעִ֜י (hashevii) = de zevende | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op de eerste | לַחֹ֗דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | מִֽקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = heilig | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = al | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = dienst | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie zullen doen | י֥וֹם (yom) = dag van | תְּרוּעָ֖ה (terua) = geschal | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם תְּרוּעָה (yom teru’ah), ‘dag van luid geschal’: een dag waarop met een hoorn of trompet geschal wordt gegeven. Lev. 23:24 noemt hem ‘een gedachtenis met luid geschal’; zie ook Num. 10:10. Voetnoot : De zevende maand is de maand van de grote feesten: geschal, Verzoendag en het feest van de hutten. Zie ook: Lev 23:24–25; Num 10:1–10; Num 10:10; Ps 89:16; Rom 10:14–18; Rom 15:16–19 **29:2** **Jullie moeten een brandoffer brengen tot een aangename geur voor Yahweh: één jonge stier, één ram en zeven lammeren van een jaar, zonder gebrek.** Brontekst: וַעֲשִׂיתֶ֨ם (vaasitem) = en jullie zullen brengen | עֹלָ֜ה (ola) = brandoffer | לְרֵ֤יחַ (lereiach) = tot geur van | נִיחֹ֨חַ֙ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | פַּ֧ר (par) = jonge stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֛ר (baqar) = rundvee | אֶחָ֖ד (echad) = één | אַ֣יִל (ayil) = ram | אֶחָ֑ד (echad) = één | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | שִׁבְעָ֖ה (shiva) = zeven | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 28:19; Num 28:27; Num 29:8; Num 29:36; Heb 10:10–14 **29:3** **Hun graanoffer: fijn meel, gekneed met olie, drie tiende efa bij de jonge stier en twee tiende bij de ram.** Brontekst: וּמִנְחָתָ֔ם (uminchatam) = en hun graanoffer | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | שְׁלֹשָׁ֤ה (shelosha) = drie | עֶשְׂרֹנִים֙ (esronim) = tienden | לַפָּ֔ר (lapar) = bij de jonge stier | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | עֶשְׂרֹנִ֖ים (esronim) = tienden | לָאָֽיִל (laayil) = bij de ram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:4** **En een tiende bij het ene lam, voor de zeven lammeren.** Brontekst: וְעִשָּׂר֣וֹן (veisaron) = en een tiende | אֶחָ֔ד (echad) = één | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = bij het lam | הָאֶחָ֑ד (haechad) = het ene | לְשִׁבְעַ֖ת (leshivat) = bij zeven van | הַכְּבָשִֽׂים (hakevasim) = de lammeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:5** **Ook één geitenbok als zondoffer, om verzoening voor jullie te doen.** Brontekst: וּשְׂעִיר (useir) = en een bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | חַטָּ֑את (chatat) = zondoffer | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 28:15; Num 28:22; Num 28:30 **29:6** **Dit komt naast het brandoffer van de maand en het graanoffer daarvan, en naast het voortdurende brandoffer en het graanoffer daarvan. Hun plengoffers zijn volgens het recht, tot een aangename geur, een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: מִלְּבַד֩ (milevad) = naast | עֹלַ֨ת (olat) = brandoffer van | הַחֹ֜דֶשׁ (hachodesh) = de maand | וּמִנְחָתָ֗הּ (uminchatah) = en zijn graanoffer | וְעֹלַ֤ת (veolat) = en brandoffer van | הַתָּמִיד֙ (hatamid) = het voortdurende | וּמִנְחָתָ֔הּ (uminchatah) = en zijn graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶ֖ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | כְּמִשְׁפָּטָ֑ם (kemishpatam) = volgens hun recht | לְרֵ֣יחַ (lereiach) = tot geur van | נִיחֹ֔חַ (nichoach) = aangenaamheid | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = vuuroffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bij de dag van luid geschal horen drie reeksen offers: die van de maand (Num. 28:11–15), het voortdurende brandoffer (Num. 28:3–8) en die van deze dag (vers 2–5). Zie ook: Num 15:24; Num 28:3–8; Num 28:11–15; Num 29:2–5; Num 29:18; Num 29:21 ### Verzoendag **29:7** **Op de tiende van deze zevende maand is er voor jullie een heilige samenkomst. Jullie moeten jezelf kwellen. Geen enkel werk mogen jullie doen.** Brontekst: וּבֶעָשׂוֹר֩ (uveasor) = en op de tiende | לַחֹ֨דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשְּׁבִיעִ֜י (hashevii) = de zevende | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | מִֽקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = heilig | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | וְעִנִּיתֶ֖ם (veinitem) = en jullie zullen kwellen | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם (nafshoteikhem) = jullie zielen | כָּל (kal) = al | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְעִנִּיתֶם אֶת נַפְשֹׁתֵיכֶם (ve’initem et nafshoteichem), ‘jullie moeten jezelf kwellen’: letterlijk ‘jullie zielen kwellen’, zoals in Lev. 16:29 en Lev. 23:27. De tekst zegt niet hoe; van oudsher wordt dit als vasten opgevat. Zie ook: Lev 16:29–31; Lev 23:27; Zach 12:10; Mat 5:4; Jak 4:8–10; Rom 6:6 **29:8** **Jullie moeten een brandoffer voor Yahweh brengen, een aangename geur: één jonge stier, één ram en zeven lammeren van een jaar. Ze moeten voor jullie zonder gebrek zijn.** Brontekst: וְהִקְרַבְתֶּ֨ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | עֹלָ֤ה (ola) = brandoffer | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | רֵ֣יחַ (reiach) = geur van | נִיחֹ֔חַ (nichoach) = aangenaamheid | פַּ֧ר (par) = jonge stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֛ר (baqar) = rundvee | אֶחָ֖ד (echad) = één | אַ֣יִל (ayil) = ram | אֶחָ֑ד (echad) = één | כְּבָשִׂ֤ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָה֙ (shana) = een jaar | שִׁבְעָ֔ה (shiva) = zeven | תְּמִימִ֖ם (temimim) = zonder gebrek | יִהְי֥וּ (yihyu) = zullen zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 28:19; Num 29:2; Num 29:13 **29:9** **Hun graanoffer: fijn meel, gekneed met olie, drie tiende efa bij de jonge stier en twee tiende bij de ene ram.** Brontekst: וּמִנְחָתָ֔ם (uminchatam) = en hun graanoffer | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | שְׁלֹשָׁ֤ה (shelosha) = drie | עֶשְׂרֹנִים֙ (esronim) = tienden | לַפָּ֔ר (lapar) = bij de jonge stier | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | עֶשְׂרֹנִ֔ים (esronim) = tienden | לָאַ֖יִל (laayil) = bij de ram | הָאֶחָֽד (haechad) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 15:3–12 **29:10** **Telkens een tiende bij het ene lam, voor de zeven lammeren.** Brontekst: עִשָּׂרוֹן֙ (isaron) = een tiende | עִשָּׂר֔וֹן (isaron) = een tiende | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = bij het lam | הָאֶחָ֑ד (haechad) = het ene | לְשִׁבְעַ֖ת (leshivat) = bij zeven van | הַכְּבָשִֽׂים (hakevasim) = de lammeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:11** **Eén geitenbok als zondoffer, naast het zondoffer van de Verzoendag en het voortdurende brandoffer met het graanoffer en de plengoffers daarvan.** Brontekst: שְׂעִיר (seir) = een bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | חַטָּ֑את (chatat) = zondoffer | מִלְּבַ֞ד (milevad) = naast | חַטַּ֤את (chatat) = zondoffer van | הַכִּפֻּרִים֙ (hakipurim) = de verzoeningen | וְעֹלַ֣ת (veolat) = en brandoffer van | הַתָּמִ֔יד (hatamid) = het voortdurende | וּמִנְחָתָ֖הּ (uminchatah) = en zijn graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶֽם (veniskeihem) = en hun plengoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het zondoffer van Verzoendag (חַטַּאת הַכִּפֻּרִים, chattat hakippurim) is de bok uit Lev. 16:5–9. Hier staat het bij de offers van de dag. Zie ook: Lev 16:3; Lev 16:5; Num 29:6; Heb 7:27; Heb 9:25–28 ### Het feest van de hutten **29:12** **Op de vijftiende dag van de zevende maand is er voor jullie een heilige samenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen. Zeven dagen lang moeten jullie een feest voor Yahweh vieren.** Brontekst: וּבַחֲמִשָּׁה֩ (uvachamisha) = en op vijf | עָשָׂ֨ר (asar) = tien | י֜וֹם (yom) = dag | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | מִֽקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = heilig | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = al | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = dienst | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie zullen doen | וְחַגֹּתֶ֥ם (vechagotem) = en jullie zullen vieren | חַ֛ג (chag) = feest | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het feest van de hutten (Lev. 23:34–36 en 23:39–43). In Num. 29 noemt de tekst alleen de offers van de dagen. Zie ook: Lev 23:34–36; Lev 23:39; Deut 16:13–14; Zach 14:16–19; Neh 8:14; Neh 8:18; Joh 1:14 **29:13** **Jullie moeten een brandoffer brengen, een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh: dertien jonge stieren, twee rammen en veertien lammeren van een jaar. Ze moeten zonder gebrek zijn.** Brontekst: וְהִקְרַבְתֶּ֨ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | עֹלָ֜ה (ola) = brandoffer | אִשֵּׁ֨ה (ishe) = vuuroffer | רֵ֤יחַ (reiach) = geur van | נִיחֹ֨חַ֙ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | פָּרִ֧ים (parim) = jonge stieren | בְּנֵי (benei) = zonen van | בָקָ֛ר (baqar) = rundvee | שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אֵילִ֣ם (eilim) = rammen | שְׁנָ֑יִם (shenayim) = twee | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | תְּמִימִ֥ם (temimim) = zonder gebrek | יִהְיֽוּ (yihyu) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Op de zeven dagen van het feest nemen de jonge stieren af van dertien tot zeven: samen 70 jonge stieren, 14 × 7 = 98 lammeren en 14 rammen. Op de achtste dag volgt één jonge stier (vers 36). In vers 14 betekent ‘de ene jonge stier’: bij elke jonge stier. Zie ook: Num 28:11; Num 28:27; Num 29:14; Num 29:36; Ezra 3:4; Rom 12:1; Heb 10:12–14 **29:14** **Hun graanoffer: fijn meel, gekneed met olie. Drie tiende efa bij de ene jonge stier, voor de dertien jonge stieren. Twee tiende bij de ene ram, voor de twee rammen,** Brontekst: וּמִנְחָתָ֔ם (uminchatam) = en hun graanoffer | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | שְׁלֹשָׁ֨ה (shelosha) = drie | עֶשְׂרֹנִ֜ים (esronim) = tienden | לַפָּ֣ר (lapar) = bij de jonge stier | הָֽאֶחָ֗ד (haechad) = de ene | לִשְׁלֹשָׁ֤ה (lishlosha) = voor drie | עָשָׂר֙ (asar) = tien | פָּרִ֔ים (parim) = jonge stieren | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee | עֶשְׂרֹנִים֙ (esronim) = tienden | לָאַ֣יִל (laayil) = bij de ram | הָֽאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | לִשְׁנֵ֖י (lishnei) = voor twee van | הָאֵילִֽם (haeilim) = de rammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een tiende efa is ongeveer 2,2 liter (een efa is ongeveer 22 liter). **29:15** **en telkens een tiende bij het ene lam, voor de veertien lammeren.** Brontekst: וְעִשָּׂרׄוֹן֙ (veisaron) = en een tiende | עִשָּׂר֔וֹן (isaron) = een tiende | לַכֶּ֖בֶשׂ (lakeves) = bij het lam | הָאֶחָ֑ד (haechad) = het ene | לְאַרְבָּעָ֥ה (learbaa) = voor vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | כְּבָשִֽׂים (kevasim) = lammeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:16** **Eén geitenbok als zondoffer, naast het voortdurende brandoffer, het graanoffer daarvan en het plengoffer daarvan.** Brontekst: וּשְׂעִיר (useir) = en een bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | חַטָּ֑את (chatat) = zondoffer | מִלְּבַד֙ (milevad) = naast | עֹלַ֣ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֔יד (hatamid) = het voortdurende | מִנְחָתָ֖הּ (minchatah) = zijn graanoffer | וְנִסְכָּֽהּ (veniskah) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:17** **Op de tweede dag: twaalf jonge stieren, twee rammen en veertien lammeren van een jaar, zonder gebrek.** Brontekst: וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשֵּׁנִ֗י (hasheni) = de tweede | פָּרִ֧ים (parim) = jonge stieren | בְּנֵי (benei) = zonen van | בָקָ֛ר (baqar) = rundvee | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אֵילִ֣ם (eilim) = rammen | שְׁנָ֑יִם (shenayim) = twee | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 40:7; Ps 50:8–9; Hos 6:6; Rom 12:1; Heb 8:13 **29:18** **Hun graanoffer en hun plengoffers bij de jonge stieren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun aantal, volgens het recht.** Brontekst: וּמִנְחָתָ֣ם (uminchatam) = en hun graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶ֡ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | לַ֠פָּרִים (laparim) = bij de jonge stieren | לָאֵילִ֧ם (laeilim) = bij de rammen | וְלַכְּבָשִׂ֛ים (velakevasim) = en bij de lammeren | בְּמִסְפָּרָ֖ם (bemisparam) = naar hun aantal | כַּמִּשְׁפָּֽט (kamishpat) = volgens het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּמְסְפָּרָם כַּמִּשְׁפָּט (bemisparam kammishpat), ‘naar hun aantal, volgens het recht’: de graan- en plengoffers staan per soort dier vast, zoals in Num. 15:1–12. Het refrein staat in elke dag, vers 18, 21, 24, 27, 30, 33 en 37. Zie ook: Num 15:1–12; Num 15:4–12; Num 28:7; Num 28:14; Num 29:3–4; Num 29:6; Num 29:21; Num 29:24; Num 29:27; Num 29:30; Num 29:33; Num 29:37 **29:19** **Eén geitenbok als zondoffer, naast het voortdurende brandoffer en het graanoffer en de plengoffers daarvan.** Brontekst: וּשְׂעִיר (useir) = en een bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | חַטָּ֑את (chatat) = zondoffer | מִלְּבַד֙ (milevad) = naast | עֹלַ֣ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֔יד (hatamid) = het voortdurende | וּמִנְחָתָ֖הּ (uminchatah) = en zijn graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶֽם (veniskeihem) = en hun plengoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 29:11; Num 29:22; Num 29:25; Amos 8:14 **29:20** **Op de derde dag: elf jonge stieren, twee rammen en veertien lammeren van een jaar, zonder gebrek.** Brontekst: וּבַיּ֧וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֛י (hashelishi) = de derde | פָּרִ֥ים (parim) = jonge stieren | עַשְׁתֵּי (ashtei) = elf | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אֵילִ֣ם (eilim) = rammen | שְׁנָ֑יִם (shenayim) = twee | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:21** **Hun graanoffer en hun plengoffers bij de jonge stieren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun aantal, volgens het recht.** Brontekst: וּמִנְחָתָ֣ם (uminchatam) = en hun graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶ֡ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | לַ֠פָּרִים (laparim) = bij de jonge stieren | לָאֵילִ֧ם (laeilim) = bij de rammen | וְלַכְּבָשִׂ֛ים (velakevasim) = en bij de lammeren | בְּמִסְפָּרָ֖ם (bemisparam) = naar hun aantal | כַּמִּשְׁפָּֽט (kamishpat) = volgens het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:22** **Eén geitenbok als zondoffer, naast het voortdurende brandoffer, het graanoffer daarvan en het plengoffer daarvan.** Brontekst: וּשְׂעִ֥יר (useir) = en een bok van | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | אֶחָ֑ד (echad) = één | מִלְּבַד֙ (milevad) = naast | עֹלַ֣ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֔יד (hatamid) = het voortdurende | וּמִנְחָתָ֖הּ (uminchatah) = en zijn graanoffer | וְנִסְכָּֽהּ (veniskah) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 16:4; Joël 1:9; Joël 1:13; Joël 2:14 **29:23** **Op de vierde dag: tien jonge stieren, twee rammen en veertien lammeren van een jaar, zonder gebrek.** Brontekst: וּבַיּ֧וֹם (uvayom) = en op de dag | הָרְבִיעִ֛י (harevii) = de vierde | פָּרִ֥ים (parim) = jonge stieren | עֲשָׂרָ֖ה (asara) = tien | אֵילִ֣ם (eilim) = rammen | שְׁנָ֑יִם (shenayim) = twee | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:24** **Hun graanoffer en hun plengoffers bij de jonge stieren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun aantal, volgens het recht.** Brontekst: מִנְחָתָ֣ם (minchatam) = en hun graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶ֡ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | לַ֠פָּרִים (laparim) = bij de jonge stieren | לָאֵילִ֧ם (laeilim) = bij de rammen | וְלַכְּבָשִׂ֛ים (velakevasim) = en bij de lammeren | בְּמִסְפָּרָ֖ם (bemisparam) = naar hun aantal | כַּמִּשְׁפָּֽט (kamishpat) = volgens het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:25** **Eén geitenbok als zondoffer, naast het voortdurende brandoffer, het graanoffer daarvan en het plengoffer daarvan.** Brontekst: וּשְׂעִיר (useir) = en een bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | חַטָּ֑את (chatat) = zondoffer | מִלְּבַד֙ (milevad) = naast | עֹלַ֣ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֔יד (hatamid) = het voortdurende | מִנְחָתָ֖הּ (minchatah) = zijn graanoffer | וְנִסְכָּֽהּ (veniskah) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joh 8:31; Hand 13:43; Gal 6:9; Rom 2:7; Heb 13:15 **29:26** **Op de vijfde dag: negen jonge stieren, twee rammen en veertien lammeren van een jaar, zonder gebrek.** Brontekst: וּבַיּ֧וֹם (uvayom) = en op de dag | הַחֲמִישִׁ֛י (hachamishi) = de vijfde | פָּרִ֥ים (parim) = jonge stieren | תִּשְׁעָ֖ה (tisha) = negen | אֵילִ֣ם (eilim) = rammen | שְׁנָ֑יִם (shenayim) = twee | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:27** **Hun graanoffer en hun plengoffers bij de jonge stieren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun aantal, volgens het recht.** Brontekst: וּמִנְחָתָ֣ם (uminchatam) = en hun graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶ֡ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | לַ֠פָּרִים (laparim) = bij de jonge stieren | לָאֵילִ֧ם (laeilim) = bij de rammen | וְלַכְּבָשִׂ֛ים (velakevasim) = en bij de lammeren | בְּמִסְפָּרָ֖ם (bemisparam) = naar hun aantal | כַּמִּשְׁפָּֽט (kamishpat) = volgens het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:28** **Eén geitenbok als zondoffer, naast het voortdurende brandoffer, het graanoffer daarvan en het plengoffer daarvan.** Brontekst: וּשְׂעִ֥יר (useir) = en een bok van | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | אֶחָ֑ד (echad) = één | מִלְּבַד֙ (milevad) = naast | עֹלַ֣ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֔יד (hatamid) = het voortdurende | וּמִנְחָתָ֖הּ (uminchatah) = en zijn graanoffer | וְנִסְכָּֽהּ (veniskah) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:29** **Op de zesde dag: acht jonge stieren, twee rammen en veertien lammeren van een jaar, zonder gebrek.** Brontekst: וּבַיּ֧וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשִּׁשִּׁ֛י (hashishi) = de zesde | פָּרִ֥ים (parim) = jonge stieren | שְׁמֹנָ֖ה (shemona) = acht | אֵילִ֣ם (eilim) = rammen | שְׁנָ֑יִם (shenayim) = twee | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:30** **Hun graanoffer en hun plengoffers bij de jonge stieren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun aantal, volgens het recht.** Brontekst: וּמִנְחָתָ֣ם (uminchatam) = en hun graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶ֡ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | לַ֠פָּרִים (laparim) = bij de jonge stieren | לָאֵילִ֧ם (laeilim) = bij de rammen | וְלַכְּבָשִׂ֛ים (velakevasim) = en bij de lammeren | בְּמִסְפָּרָ֖ם (bemisparam) = naar hun aantal | כַּמִּשְׁפָּֽט (kamishpat) = volgens het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:31** **Eén geitenbok als zondoffer, naast het voortdurende brandoffer en het graanoffer en de plengoffers daarvan.** Brontekst: וּשְׂעִ֥יר (useir) = en een bok van | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | אֶחָ֑ד (echad) = één | מִלְּבַד֙ (milevad) = naast | עֹלַ֣ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֔יד (hatamid) = het voortdurende | מִנְחָתָ֖הּ (minchatah) = zijn graanoffer | וּנְסָכֶֽיהָ (unesakheiha) = en zijn plengoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:32** **Op de zevende dag: zeven jonge stieren, twee rammen en veertien lammeren van een jaar, zonder gebrek.** Brontekst: וּבַיּ֧וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֛י (hashevii) = de zevende | פָּרִ֥ים (parim) = jonge stieren | שִׁבְעָ֖ה (shiva) = zeven | אֵילִ֣ם (eilim) = rammen | שְׁנָ֑יִם (shenayim) = twee | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:33** **Hun graanoffer en hun plengoffers bij de jonge stieren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun aantal, volgens hun recht.** Brontekst: וּמִנְחָתָ֣ם (uminchatam) = en hun graanoffer | וְנִסְכֵּהֶ֡ם (veniskehem) = en hun plengoffers | לַ֠פָּרִים (laparim) = bij de jonge stieren | לָאֵילִ֧ם (laeilim) = bij de rammen | וְלַכְּבָשִׂ֛ים (velakevasim) = en bij de lammeren | בְּמִסְפָּרָ֖ם (bemisparam) = naar hun aantal | כְּמִשְׁפָּטָֽם (kemishpatam) = volgens hun recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:34** **Eén geitenbok als zondoffer, naast het voortdurende brandoffer, het graanoffer daarvan en het plengoffer daarvan.** Brontekst: וּשְׂעִ֥יר (useir) = en een bok van | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | אֶחָ֑ד (echad) = één | מִלְּבַד֙ (milevad) = naast | עֹלַ֣ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֔יד (hatamid) = het voortdurende | מִנְחָתָ֖הּ (minchatah) = zijn graanoffer | וְנִסְכָּֽהּ (veniskah) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De slotsamenkomst **29:35** **Op de achtste dag moet er een slotsamenkomst voor jullie zijn. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen.** Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשְּׁמִינִ֔י (hashemini) = de achtste | עֲצֶ֖רֶת (atseret) = slotsamenkomst | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = al | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = dienst | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצֶרֶת (atseret), ‘slotsamenkomst’: een afsluitende, plechtige bijeenkomst; zoals in Lev. 23:36. Zie ook: Lev 23:36; Joh 7:37–39; Openb 7:9–17 **29:36** **Jullie moeten een brandoffer brengen, een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh: één jonge stier, één ram en zeven lammeren van een jaar, zonder gebrek.** Brontekst: וְהִקְרַבְתֶּ֨ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | עֹלָ֜ה (ola) = brandoffer | אִשֵּׁ֨ה (ishe) = vuuroffer | רֵ֤יחַ (reiach) = geur van | נִיחֹ֨חַ֙ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | פַּ֥ר (par) = jonge stier | אֶחָ֖ד (echad) = één | אַ֣יִל (ayil) = ram | אֶחָ֑ד (echad) = één | כְּבָשִׂ֧ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | שִׁבְעָ֖ה (shiva) = zeven | תְּמִימִֽם (temimim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:37** **Hun graanoffer en hun plengoffers bij de jonge stier, bij de ram en bij de lammeren, naar hun aantal, volgens het recht.** Brontekst: מִנְחָתָ֣ם (minchatam) = hun graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶ֗ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | לַפָּ֨ר (lapar) = bij de jonge stier | לָאַ֧יִל (laayil) = bij de ram | וְלַכְּבָשִׂ֛ים (velakevasim) = en bij de lammeren | בְּמִסְפָּרָ֖ם (bemisparam) = naar hun aantal | כַּמִּשְׁפָּֽט (kamishpat) = volgens het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:38** **Eén geitenbok als zondoffer, naast het voortdurende brandoffer, het graanoffer daarvan en het plengoffer daarvan.** Brontekst: וּשְׂעִ֥יר (useir) = en een bok van | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | אֶחָ֑ד (echad) = één | מִלְּבַד֙ (milevad) = naast | עֹלַ֣ת (olat) = brandoffer van | הַתָּמִ֔יד (hatamid) = het voortdurende | וּמִנְחָתָ֖הּ (uminchatah) = en zijn graanoffer | וְנִסְכָּֽהּ (veniskah) = en zijn plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Wat bij de feesten hoort **29:39** **Dit moeten jullie voor Yahweh brengen op jullie vastgestelde tijden, behalve jullie geloften en jullie vrijwillige gaven, voor jullie brandoffers, graanoffers, plengoffers en vredeoffers.”** Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = dit | תַּעֲשׂ֥וּ (taasu) = jullie zullen brengen | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּמוֹעֲדֵיכֶ֑ם (bemoadeikhem) = op jullie vastgestelde tijden | לְבַ֨ד (levad) = behalve | מִנִּדְרֵיכֶ֜ם (minidreikhem) = jullie geloften | וְנִדְבֹתֵיכֶ֗ם (venidvoteikhem) = en jullie vrijwillige gaven | לְעֹלֹֽתֵיכֶם֙ (leoloteikhem) = voor jullie brandoffers | וּלְמִנְחֹ֣תֵיכֶ֔ם (uleminchoteikhem) = en voor jullie graanoffers | וּלְנִסְכֵּיכֶ֖ם (uleniskeikhem) = en voor jullie plengoffers | וּלְשַׁלְמֵיכֶֽם (uleshalmeikhem) = en voor jullie vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gelofte en vrijwillige gave (נֶדֶר en נְדָבָה, neder en nedavah) komen bovenop de vaste offers; zie Lev. 7:16 en Lev. 22:18–23. Over geloften gaat Num. 30. Zie ook: Lev 7:11; Lev 7:16; Lev 22:18–23; Lev 23:2; 1 Kron 23:31; 2 Kron 31:3; Ezra 3:5 ## Numeri 30 _Geloften van mannen en vrouwen_ ### Mozes spreekt over de geloften **30:1** Mozes sprak tot de zonen van Israël overeenkomstig alles wat Yahweh Mozes had geboden. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en sprak | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כְּכֹ֛ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is in de Hebreeuwse telling Num. 30:1; in Engelse Bijbels is het Num. 29:40. Het sluit het voorgaande hoofdstuk af: Mozes geeft door wat Yahweh over de offers heeft geboden. Hoofdstuk 30 telt in het Hebreeuws 17 verzen; in Engelse Bijbels telt het 16 verzen. Zie ook: Ex 40:16; Num 29:40; Deut 4:5; Hand 20:27; 1 Kor 15:3; Heb 3:2 **30:2** Mozes sprak tot de hoofden van de stammen van de zonen van Israël en zei: „Dit is het woord dat Yahweh heeft geboden. Brontekst: וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | רָאשֵׁ֣י (rashei) = de hoofden van | הַמַּטּ֔וֹת (hamatot) = de stammen | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָאשֵׁי הַמַּטּוֹת (rashei hammattot), ‘hoofden van de stammen’: de leiders van de stammen. Het bevel over geloften gaat de hele gemeenschap aan. Zie ook: Ex 18:25; Num 1:4–16; Num 7:2; Num 34:17–28; Deut 1:13–17 ### De gelofte van een man **30:3** Als een man een gelofte aan Yahweh doet of een eed zweert om zichzelf een verplichting op te leggen, mag hij zijn woord niet breken. Alles wat uit zijn mond is gegaan, moet hij doen. Brontekst: אִישׁ֩ (ish) = een man | כִּֽי (ki) = als | יִדֹּ֨ר (yidor) = hij zal beloven | נֶ֜דֶר (neder) = een gelofte | לַֽיהוָ֗ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֽוֹ (o) = of | הִשָּׁ֤בַע (hishava) = hij zal zweren | שְׁבֻעָה֙ (shevua) = een eed | לֶאְסֹ֤ר (lesor) = om te binden | אִסָּר֙ (isar) = een verplichting | עַל (al) = op | נַפְשׁ֔וֹ (nafsho) = zijn ziel | לֹ֥א (lo) = niet | יַחֵ֖ל (yachel) = zal breken | דְּבָר֑וֹ (devaro) = zijn woord | כְּכָל (kekhal) = volgens alles | הַיֹּצֵ֥א (hayotse) = wat uitgaat | מִפִּ֖יו (mipiv) = uit zijn mond | יַעֲשֶֽׂה (yaase) = hij zal doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶדֶר (neder), ‘gelofte’: een belofte aan Yahweh om iets te doen of te geven. שְׁבֻעָה (shevu’ah), ‘eed’: een plechtige belofte. אִסָּר (issar), ‘verplichting’: letterlijk ‘binding’: iets waaraan iemand zichzelf bindt. Voetnoot : לֹא יַחֵל דְּבָרוֹ (lo yachel devaro), ‘hij mag zijn woord niet breken’: letterlijk ‘hij mag zijn woord niet ontwijden’. Zie ook Deut. 23:22–24. Zie ook: Job 22:27; Deut 23:22–24; Ps 50:14; Ps 66:13–14; Ps 116:14; Pred 5:3–4 ### De gelofte van een jonge vrouw in het huis van haar vader **30:4** Stel dat een vrouw een gelofte aan Yahweh doet en zich een verplichting oplegt in het huis van haar vader, in haar jonge jaren. Brontekst: וְאִשָּׁ֕ה (veisha) = en een vrouw | כִּֽי (ki) = als | תִדֹּ֥ר (tidor) = zij zal beloven | נֶ֖דֶר (neder) = een gelofte | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְאָסְרָ֥ה (veasera) = en zij zal binden | אִסָּ֛ר (isar) = een verplichting | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | אָבִ֖יהָ (aviha) = haar vader | בִּנְעֻרֶֽיהָ (binureiha) = in haar jeugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּנְעֻרֶיהָ (bine’ureiha), ‘in haar jonge jaren’: de tijd dat zij nog in het huis van haar vader woont en niet is getrouwd. **30:5** En haar vader hoort haar gelofte en de verplichting die zij zichzelf heeft opgelegd. En haar vader zwijgt tegen haar. Dan blijven al haar geloften staan. Elke verplichting die zij zichzelf heeft opgelegd, blijft staan. Brontekst: וְשָׁמַ֨ע (veshama) = en hoort | אָבִ֜יהָ (aviha) = haar vader | אֶת (et) = (obj.) | נִדְרָ֗הּ (nidrah) = haar gelofte | וֶֽאֱסָרָהּ֙ (veesarah) = en haar verplichting | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָֽסְרָ֣ה (asera) = zij legde op | עַל (al) = aan | נַפְשָׁ֔הּ (nafshah) = haarzelf | וְהֶחֱרִ֥ישׁ (vehecherish) = en zwijgt | לָ֖הּ (lah) = tegen haar | אָבִ֑יהָ (aviha) = haar vader | וְקָ֨מוּ֙ (veqamu) = en zullen blijven staan | כָּל (kal) = al | נְדָרֶ֔יהָ (nedareiha) = haar geloften | וְכָל (vekhal) = en elke | אִסָּ֛ר (isar) = verplichting | אֲשֶׁר (asher) = die | אָסְרָ֥ה (asera) = zij legde op | עַל (al) = aan | נַפְשָׁ֖הּ (nafshah) = haarzelf | יָקֽוּם (yaqum) = zal blijven staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחֱרִישׁ (hecherish), ‘zwijgen’: wie niets zegt, stemt in. Zijn zwijgen op de dag dat hij het hoort, doet de gelofte blijven staan. **30:6** Maar stel dat haar vader haar afwijst op de dag dat hij het hoort. Dan blijft geen van haar geloften en verplichtingen staan die zij zichzelf heeft opgelegd. Yahweh zal haar vergeven, omdat haar vader haar heeft afgewezen. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | הֵנִ֨יא (heni) = liet afwijzen | אָבִ֣יהָ (aviha) = haar vader | אֹתָהּ֮ (otah) = haar | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | שָׁמְעוֹ֒ (shameo) = zijn horen | כָּל (kal) = al | נְדָרֶ֗יהָ (nedareiha) = haar geloften | וֶֽאֱסָרֶ֛יהָ (veesareiha) = en haar verplichtingen | אֲשֶׁר (asher) = die | אָסְרָ֥ה (asera) = zij legde op | עַל (al) = aan | נַפְשָׁ֖הּ (nafshah) = haarzelf | לֹ֣א (lo) = niet | יָק֑וּם (yaqum) = zal blijven staan | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | יִֽסְלַח (yislach) = zal vergeven | לָ֔הּ (lah) = haar | כִּי (ki) = omdat | הֵנִ֥יא (heni) = liet afwijzen | אָבִ֖יהָ (aviha) = haar vader | אֹתָֽהּ (otah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵנִיא (heni), ‘afwijzen’: iemand van iets afbrengen of het niet toestaan. סָלַח (salach), ‘vergeven’: Yahweh vergeeft haar de gelofte die zij niet kan houden, omdat haar vader of man haar heeft afgewezen. Zie ook: Hos 6:6; Mat 15:4–6; Mar 7:10–13; Ef 6:1 ### De gelofte van een vrouw die aan een man toebehoort **30:7** Als zij aan een man toebehoort, terwijl haar geloften op haar rusten, of de onbezonnen uitspraak van haar lippen waarmee zij zichzelf heeft gebonden, Brontekst: וְאִם (veim) = en als | הָי֤וֹ (hayo) = zeker | תִֽהְיֶה֙ (tihye) = zal zijn | לְאִ֔ישׁ (leish) = aan een man | וּנְדָרֶ֖יהָ (unedareiha) = en haar geloften | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = op haar | א֚וֹ (o) = of | מִבְטָ֣א (mivta) = onbezonnen uitspraak van | שְׂפָתֶ֔יהָ (sefateiha) = haar lippen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָסְרָ֖ה (asera) = zij bond | עַל (al) = op | נַפְשָֽׁהּ (nafshah) = haar ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִבְטָא שְׂפָתֶיהָ (mivta sefateiha), ‘onbezonnen uitspraak van haar lippen’: een woord dat zonder nadenken is gezegd. Het woord komt maar twee keer voor, in vers 7 en 9. Zie ook: Num 30:9; Ps 56:13 **30:8** en haar man hoort het en zwijgt tegen haar op de dag dat hij het hoort, dan blijven haar geloften staan. De verplichtingen die zij zichzelf heeft opgelegd, blijven staan. Brontekst: וְשָׁמַ֥ע (veshama) = en hoort | אִישָׁ֛הּ (ishah) = haar man | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | שָׁמְע֖וֹ (shameo) = zijn horen | וְהֶחֱרִ֣ישׁ (vehecherish) = en zwijgt | לָ֑הּ (lah) = tegen haar | וְקָ֣מוּ (veqamu) = en zullen blijven staan | נְדָרֶ֗יהָ (nedareiha) = haar geloften | וֶֽאֱסָרֶ֛הָ (veesareha) = en haar verplichtingen | אֲשֶׁר (asher) = die | אָסְרָ֥ה (asera) = zij legde op | עַל (al) = aan | נַפְשָׁ֖הּ (nafshah) = haarzelf | יָקֻֽמוּ (yaqumu) = zullen blijven staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:9** Maar als haar man haar afwijst op de dag dat hij het hoort, maakt hij haar gelofte ongeldig, die op haar rust. Ook maakt hij de onbezonnen uitspraak van haar lippen ongeldig, waarmee zij zichzelf heeft gebonden. Yahweh zal haar vergeven. Brontekst: וְ֠אִם (veim) = en als | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag van | שְׁמֹ֣עַ (shemoa) = horen van | אִישָׁהּ֮ (ishah) = haar man | יָנִ֣יא (yani) = hij laat afwijzen | אוֹתָהּ֒ (otah) = haar | וְהֵפֵ֗ר (vehefer) = en hij maakt ongeldig | אֶת (et) = (obj.) | נִדְרָהּ֙ (nidrah) = haar gelofte | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = op haar | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מִבְטָ֣א (mivta) = onbezonnen uitspraak van | שְׂפָתֶ֔יהָ (sefateiha) = haar lippen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָסְרָ֖ה (asera) = zij bond | עַל (al) = op | נַפְשָׁ֑הּ (nafshah) = haar ziel | וַיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | יִֽסְלַֽח (yislach) = zal vergeven | לָֽהּ (lah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 3:16; 1 Kor 7:4; 1 Kor 14:34; Ef 5:22–24 ### Een weduwe of een gescheiden vrouw **30:10** De gelofte van een weduwe of van een gescheiden vrouw: alles waarmee zij zichzelf heeft gebonden, blijft voor haar staan. Brontekst: וְנֵ֥דֶר (veneder) = en gelofte van | אַלְמָנָ֖ה (almana) = een weduwe | וּגְרוּשָׁ֑ה (ugerusha) = en een gescheiden vrouw | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אָסְרָ֥ה (asera) = zij bond | עַל (al) = op | נַפְשָׁ֖הּ (nafshah) = haar ziel | יָק֥וּם (yaqum) = zal blijven staan | עָלֶֽיהָ (aleiha) = op haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een weduwe of een gescheiden vrouw heeft niemand boven zich die haar geloften kan afwijzen. Daarom blijft alles wat zij belooft, voor haar staan. Zie ook: Lev 21:7; Luc 2:37; Rom 7:2 ### Een gelofte in het huis van haar man **30:11** Als zij in het huis van haar man een gelofte heeft gedaan of zichzelf met een eed een verplichting heeft opgelegd, Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אִישָׁ֖הּ (ishah) = haar man | נָדָ֑רָה (nadara) = zij beloofde | אֽוֹ (o) = of | אָסְרָ֥ה (asera) = zij bond | אִסָּ֛ר (isar) = een verplichting | עַל (al) = op | נַפְשָׁ֖הּ (nafshah) = haar ziel | בִּשְׁבֻעָֽה (bishvua) = met een eed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:12** en haar man hoort het, zwijgt tegen haar en wijst haar niet af, dan blijven al haar geloften staan. Elke verplichting die zij zichzelf heeft opgelegd, blijft staan. Brontekst: וְשָׁמַ֤ע (veshama) = en hoort | אִישָׁהּ֙ (ishah) = haar man | וְהֶחֱרִ֣שׁ (vehecherish) = en zwijgt | לָ֔הּ (lah) = tegen haar | לֹ֥א (lo) = niet | הֵנִ֖יא (heni) = liet afwijzen | אֹתָ֑הּ (otah) = haar | וְקָ֨מוּ֙ (veqamu) = en zullen blijven staan | כָּל (kal) = al | נְדָרֶ֔יהָ (nedareiha) = haar geloften | וְכָל (vekhal) = en elke | אִסָּ֛ר (isar) = verplichting | אֲשֶׁר (asher) = die | אָסְרָ֥ה (asera) = zij legde op | עַל (al) = aan | נַפְשָׁ֖הּ (nafshah) = haarzelf | יָקֽוּם (yaqum) = zal blijven staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:13** Maar als haar man ze ongeldig maakt op de dag dat hij ze hoort, dan blijft niets staan van wat uit haar lippen is gegaan. Dat geldt voor haar geloften en voor de verplichting van haar ziel. Haar man heeft ze ongeldig gemaakt, en Yahweh zal haar vergeven. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | הָפֵר֩ (hafer) = ongeldig maken | יָפֵ֨ר (yafer) = hij zal ongeldig maken | אֹתָ֥ם (otam) = ze | אִישָׁהּ֮ (ishah) = haar man | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | שָׁמְעוֹ֒ (shameo) = zijn horen | כָּל (kal) = alles | מוֹצָ֨א (motsa) = wat uitgaat van | שְׂפָתֶ֧יהָ (sefateiha) = haar lippen | לִנְדָרֶ֛יהָ (lindareiha) = van haar geloften | וּלְאִסַּ֥ר (uleisar) = en van de verplichting van | נַפְשָׁ֖הּ (nafshah) = haar ziel | לֹ֣א (lo) = niet | יָק֑וּם (yaqum) = zal blijven staan | אִישָׁ֣הּ (ishah) = haar man | הֲפֵרָ֔ם (haferam) = heeft ze ongeldig gemaakt | וַיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | יִֽסְלַֽח (yislach) = zal vergeven | לָֽהּ (lah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Haar ziel’ (נֶפֶשׁ, nefesh) staat hier en in vers 14 voor ‘zichzelf’. Zie ook: Num 15:25; Num 15:28; Num 30:6; Num 30:9; Num 30:14; 1 Kor 11:3 **30:14** Elke gelofte en elke eed om zichzelf een verplichting op te leggen, om zichzelf te kwellen: haar man kan die laten blijven staan. Haar man kan die ongeldig maken. Brontekst: כָּל (kal) = elke | נֵ֛דֶר (neder) = gelofte | וְכָל (vekhal) = en elke | שְׁבֻעַ֥ת (shevuat) = eed van | אִסָּ֖ר (isar) = verplichting | לְעַנֹּ֣ת (leanot) = om te kwellen | נָ֑פֶשׁ (nafesh) = ziel | אִישָׁ֥הּ (ishah) = haar man | יְקִימֶ֖נּוּ (yeqimenu) = kan laten blijven staan | וְאִישָׁ֥הּ (veishah) = en haar man | יְפֵרֶֽנּוּ (yeferenu) = kan ongeldig maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעַנֹּת נָפֶשׁ (le’annot nafesh), ‘om zichzelf te kwellen’: dezelfde woorden als bij de Verzoendag (Num. 29:7 en Lev. 16:29). Bedoeld is hier een gelofte waarmee iemand zich iets ontzegt, bijvoorbeeld door te vasten. Zie ook: Lev 16:29; Lev 23:27; Num 29:7; Jes 58:5; 1 Kor 11:3; 1 Petr 3:1–6 **30:15** Maar stel dat haar man van dag tot dag tegen haar blijft zwijgen. Dan laat hij al haar geloften of al haar verplichtingen die op haar rusten, staan. Hij heeft ze laten staan, omdat hij tegen haar zweeg op de dag dat hij het hoorde. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | הַחֲרֵשׁ֩ (hacharesh) = zwijgen | יַחֲרִ֨ישׁ (yacharish) = hij zal zwijgen | לָ֥הּ (lah) = tegen haar | אִישָׁהּ֮ (ishah) = haar man | מִיּ֣וֹם (miyom) = van dag | אֶל (el) = tot | יוֹם֒ (yom) = dag | וְהֵקִים֙ (veheqim) = en hij laat blijven staan | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | נְדָרֶ֔יהָ (nedareiha) = haar geloften | א֥וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֱסָרֶ֖יהָ (esareiha) = haar verplichtingen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = op haar | הֵקִ֣ים (heqim) = hij laat blijven staan | אֹתָ֔ם (otam) = ze | כִּי (ki) = omdat | הֶחֱרִ֥שׁ (hecherish) = hij zweeg | לָ֖הּ (lah) = tegen haar | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | שָׁמְעֽוֹ (shameo) = zijn horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:16** Maar als hij ze na het horen toch ongeldig maakt, dan zal hij haar schuld dragen. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | הָפֵ֥ר (hafer) = ongeldig maken | יָפֵ֛ר (yafer) = hij zal ongeldig maken | אֹתָ֖ם (otam) = ze | אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | שָׁמְע֑וֹ (shameo) = zijn horen | וְנָשָׂ֖א (venasa) = en hij zal dragen | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺנָֽהּ (avonah) = haar schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנָשָׂא אֶת עֲוֺנָהּ (venasa et avonah), ‘hij zal haar schuld dragen’: de man moet het gevolg dragen als hij de gelofte pas na het horen ongeldig maakt (vergelijk Lev. 5:1). Zie ook: Lev 5:1; Num 30:6; Num 30:9; Num 30:13; Gal 3:28 ### Slot **30:17** Dit zijn de voorschriften die Yahweh aan Mozes heeft geboden. Zij gelden tussen een man en zijn vrouw, tussen een vader en zijn dochter in haar jonge jaren, in het huis van haar vader.” Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | הַֽחֻקִּ֗ים (hachuqim) = de voorschriften | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | צִוָּ֤ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בֵּ֥ין (bein) = tussen | אִ֖ישׁ (ish) = man | לְאִשְׁתּ֑וֹ (leishto) = en zijn vrouw | בֵּֽין (bein) = tussen | אָ֣ב (av) = vader | לְבִתּ֔וֹ (levito) = en zijn dochter | בִּנְעֻרֶ֖יהָ (binureiha) = in haar jeugd | בֵּ֥ית (beit) = in het huis van | אָבִֽיהָ (aviha) = haar vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:46–47; Lev 13:59; Lev 14:54–57; Lev 15:32–33; Num 5:29–30 ## Numeri 31 _De wraak op Midian en de verdeling van de buit_ ### Het bevel tegen Midian **31:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:2** **„Neem wraak voor de zonen van Israël op de Midianieten. Daarna word je verzameld bij je volk.”** Brontekst: נְקֹ֗ם (neqom) = neem wraak | נִקְמַת֙ (niqmat) = wraak van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מֵאֵ֖ת (meet) = op | הַמִּדְיָנִ֑ים (hamidyanim) = de Midianieten | אַחַ֖ר (achar) = daarna | תֵּאָסֵ֥ף (teasef) = zul je verzameld worden | אֶל (el) = bij | עַמֶּֽיךָ (ameikha) = je volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de laatste opdracht aan Mozes. ‘Verzameld worden bij je volk’ betekent sterven; zie Num. 27:12–13 en Deut. 34:5. Zie ook: Gen 15:15; Num 25:14–18; Num 27:12–13; Num 27:13; Deut 34:5; Re 2:10; Openb 6:10 **31:3** Mozes sprak tot het volk: „Rust mannen uit jullie midden uit voor het leger. Zij moeten tegen Midian optrekken om de wraak van Yahweh op Midian te voltrekken. Brontekst: וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | הָעָ֣ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֔ר (lemor) = om te zeggen | הֵחָלְצ֧וּ (hechaletsu) = rust uit | מֵאִתְּכֶ֛ם (meitekhem) = uit jullie midden | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mannen | לַצָּבָ֑א (latsava) = voor het leger | וְיִהְיוּ֙ (veyihyu) = en zij zullen zijn | עַל (al) = tegen | מִדְיָ֔ן (midyan) = Midian | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | נִקְמַת (niqmat) = wraak van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּמִדְיָֽן (bemidyan) = op Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:25; Num 25:13; Re 5:2; Re 5:23; 2 Kon 10:30 **31:4** Uit elke stam 1.000 man, uit elke stam 1.000 man: uit alle stammen van Israël moeten jullie hen naar het leger sturen.” Brontekst: אֶ֚לֶף (elef) = duizend | לַמַּטֶּ֔ה (lamate) = per stam | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | לַמַּטֶּ֑ה (lamate) = per stam | לְכֹל֙ (lekhol) = voor alle | מַטּ֣וֹת (matot) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | תִּשְׁלְח֖וּ (tishlechu) = zult jullie sturen | לַצָּבָֽא (latsava) = naar het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws herhaalt ‘duizend voor elke stam’. Wij houden die herhaling. Elke stam levert evenveel mannen, hoe groot hij ook is. Zie ook: Lev 26:8; Re 7:2; 1 Sam 14:6 **31:5** Uit de duizendtallen van Israël werden 1.000 man per stam geleverd: 12.000 uitgeruste mannen voor het leger. Brontekst: וַיִּמָּֽסְרוּ֙ (vayimaseru) = en werden geleverd | מֵאַלְפֵ֣י (mealfei) = uit de duizendtallen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | לַמַּטֶּ֑ה (lamate) = per stam | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | חֲלוּצֵ֥י (chalutsei) = uitgeruste mannen van | צָבָֽא (tsava) = het leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶלֶף (eleph), ‘duizendtal’: een onderdeel van een stam, zoals in Num. 1:16. Uit elk duizendtal komt hier één man per stam. Zie ook: Num 1:16 **31:6** Mozes stuurde hen naar het leger, 1.000 per stam. Hij stuurde hen, en ook Pinechas, de zoon van Eleazar, de priester, naar het leger. Pinechas had de heilige voorwerpen en de trompetten voor het alarmsignaal in zijn hand. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en stuurde | אֹתָ֥ם (otam) = hen | מֹשֶׁ֛ה (moshe) = Mozes | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | לַמַּטֶּ֖ה (lamate) = per stam | לַצָּבָ֑א (latsava) = naar het leger | אֹ֠תָם (otam) = hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פִּ֨ינְחָ֜ס (pinechas) = Pinechas | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְעָזָ֤ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | לַצָּבָ֔א (latsava) = naar het leger | וּכְלֵ֥י (ukhelei) = en voorwerpen van | הַקֹּ֛דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וַחֲצֹצְר֥וֹת (vachatsotserot) = en trompetten van | הַתְּרוּעָ֖ה (haterua) = het alarmsignaal | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲצֹצְרוֹת הַתְּרוּעָה (chatsotserot hateruah), ‘trompetten van het alarmsignaal’: zie Num. 10:9, waar de trompetten bij oorlog klinken. Voetnoot Lezing: Wij lezen dat Pinechas de heilige voorwerpen en de trompetten draagt (‘in zijn hand’). Het kan ook Eleazar zijn, maar Pinechas is de laatst genoemde. Zie ook: Num 10:8–9; Num 10:9; Num 14:44; Num 33:20–22; Joz 6:13–15; 1 Sam 23:9 ### De strijd tegen Midian **31:7** Zij trokken ten strijde tegen Midian, zoals Yahweh Mozes geboden had, en doodden alle mannelijken. Brontekst: וַֽיִּצְבְּאוּ֙ (vayitsbeu) = en zij trokken ten strijde | עַל (al) = tegen | מִדְיָ֔ן (midyan) = Midian | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיַּֽהַרְג֖וּ (vayahargu) = en zij doodden | כָּל (kal) = alle | זָכָֽר (zakhar) = mannelijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 20:13–14; Re 6:33; Re 21:11; 1 Sam 27:9; 1 Kon 11:15–16 **31:8** Naast hun gesneuvelden doodden zij de koningen van Midian: Evi, Rekem, Zur, Chur en Reba, de vijf koningen van Midian. Ook Bileam, de zoon van Beor, doodden zij met het zwaard. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכֵ֨י (malkhei) = koningen van | מִדְיָ֜ן (midyan) = Midian | הָרְג֣וּ (haregu) = doodden zij | עַל (al) = naast | חַלְלֵיהֶ֗ם (challeihem) = hun gesneuvelden | אֶת (et) = (obj.) | אֱוִ֤י (evi) = Evi | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רֶ֨קֶם֙ (reqem) = Rekem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צ֤וּר (tsur) = Zur | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חוּר֙ (chur) = Chur | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רֶ֔בַע (reva) = Reba | חֲמֵ֖שֶׁת (chameshet) = vijf van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | מִדְיָ֑ן (midyan) = Midian | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | בִּלְעָ֣ם (bilam) = Bileam | בֶּן (ben) = zoon van | בְּע֔וֹר (beor) = Beor | הָרְג֖וּ (haregu) = doodden zij | בֶּחָֽרֶב (becharev) = met het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: עַל חַלְלֵיהֶם (al challeihem), ‘naast hun gesneuvelden’: de koningen vallen bovenop de andere gesneuvelden. Een Zur wordt in Num. 25:15 genoemd als vader van Kozbi. Voetnoot : Bileam, de zoon van Beor, is de waarzegger uit Num. 22–24. Hij sterft hier met het zwaard. Zie ook: Num 22:4; Num 25:15; Joz 13:21–22; Jud 1:11; Openb 2:14 **31:9** De zonen van Israël voerden de vrouwen van Midian en hun kleine kinderen gevangen. Al hun vee, al hun kudden en al hun bezit roofden zij. Brontekst: וַיִּשְׁבּ֧וּ (vayishbu) = en voerden gevangen | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | נְשֵׁ֥י (neshei) = vrouwen van | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | וְאֶת (veet) = en (obj.) | טַפָּ֑ם (tapam) = hun kleine kinderen | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | בְּהֶמְתָּ֧ם (behemtam) = hun vee | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | מִקְנֵהֶ֛ם (miqnehem) = hun kudden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | חֵילָ֖ם (cheilam) = hun bezit | בָּזָֽזוּ (bazazu) = roofden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wij vertalen בְּהֵמָה (behemah) steeds met ‘vee’, מִקְנֶה (miqneh) met ‘kudden’ en שָׁלָל (shalal) met ‘buit’. מַלְקוֹחַ (malqoach), ‘het meegevoerde’, is wat uit het gevecht is meegenomen: mensen en vee. Zie ook: Num 31:15–16; Deut 20:14; 2 Kron 28:5; 2 Kron 28:8–10 **31:10** Al hun steden, waar zij woonden, en al hun kampen verbrandden zij met vuur. Brontekst: וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | עָרֵיהֶם֙ (areihem) = hun steden | בְּמ֣וֹשְׁבֹתָ֔ם (bemoshevotam) = in hun woonplaatsen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | טִֽירֹתָ֑ם (tirotam) = hun kampen | שָׂרְפ֖וּ (sarefu) = verbrandden zij | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טִירָה (tirah), ‘kamp’: een omheinde kampplaats van herders; zie Gen. 25:16. Zie ook: Gen 25:16; Joz 6:24; 1 Sam 30:1; Jes 1:7; Openb 18:8 **31:11** Zij namen alle buit en al het meegevoerde, mensen en vee. Brontekst: וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַשָּׁלָ֔ל (hashalal) = de buit | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַמַּלְק֑וֹחַ (hamalqoach) = het meegevoerde | בָּאָדָ֖ם (baadam) = onder de mensen | וּבַבְּהֵמָֽה (uvabehema) = en onder het vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 20:14; Joz 8:2 **31:12** Zij brachten de gevangenen, het meegevoerde en de buit naar Mozes, naar Eleazar, de priester, en naar de gemeenschap van de zonen van Israël. Dat gebeurde in het kamp. Het kamp lag op de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho. Brontekst: וַיָּבִ֡אוּ (vayaviu) = en zij brachten | אֶל (el) = naar | מֹשֶׁה֩ (moshe) = Mozes | וְאֶל (veel) = en naar | אֶלְעָזָ֨ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | וְאֶל (veel) = en naar | עֲדַ֣ת (adat) = gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַשְּׁבִ֧י (hashevi) = de gevangenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּלְק֛וֹחַ (hamalqoach) = het meegevoerde | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשָּׁלָ֖ל (hashalal) = de buit | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | אֶל (el) = naar | עַֽרְבֹ֣ת (arvot) = vlakten van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = aan | יַרְדֵּ֥ן (yarden) = Jordaan van | יְרֵחֽוֹ (yerecho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vlakten van Moab liggen ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho (Num. 22:1; 33:48). Dit is het gebied van het huidige Jordanië, bij de monding van de Jordaan in de Dode Zee. Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie ook: Num 22:1; Num 33:48 ### Mozes en de bevelhebbers **31:13** Mozes, Eleazar, de priester, en alle leiders van de gemeenschap gingen hen tegemoet, buiten het kamp. Brontekst: וַיֵּ֨צְא֜וּ (vayetseu) = en gingen uit | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | וְאֶלְעָזָ֧ר (veelazar) = en Eleazar | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | וְכָל (vekhal) = en alle | נְשִׂיאֵ֥י (nesiei) = leiders van | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | לִקְרָאתָ֑ם (liqratam) = hen tegemoet | אֶל (el) = naar | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶֽה (lamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:17; Num 5:2; Num 19:11; Num 31:12; 1 Sam 15:12 **31:14** Mozes werd kwaad op de bevelhebbers van het leger, de aanvoerders van duizend en de aanvoerders van honderd, die terugkwamen van de oorlogstocht. Brontekst: וַיִּקְצֹ֣ף (vayiqtsof) = en werd kwaad | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | עַ֖ל (al) = op | פְּקוּדֵ֣י (pequdei) = de bevelhebbers van | הֶחָ֑יִל (hechayil) = het leger | שָׂרֵ֤י (sarei) = aanvoerders van | הָאֲלָפִים֙ (haalafim) = de duizendtallen | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en aanvoerders van | הַמֵּא֔וֹת (hameot) = de honderdtallen | הַבָּאִ֖ים (habaim) = die terugkwamen | מִצְּבָ֥א (mitseva) = van de tocht van | הַמִּלְחָמָֽה (hamilchama) = de oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:19; Ex 32:22; Lev 10:16; Num 12:3; 1 Sam 15:13–14 **31:15** Mozes zei tegen hen: „Hebben jullie alle vrouwen laten leven? Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | הַֽחִיִּיתֶ֖ם (hachiyitem) = hebben jullie laten leven | כָּל (kal) = alle | נְקֵבָֽה (neqeva) = vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 2:34; Joz 8:25; Joz 10:40; 1 Sam 15:3; Jer 48:10 **31:16** Zie, juist zij hebben de zonen van Israël, op raad van Bileam, tot ontrouw aan Yahweh gebracht in de zaak van Peor. Toen kwam de plaag over de gemeenschap van Yahweh. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | הֵ֜נָּה (hena) = zij | הָי֨וּ (hayu) = waren | לִבְנֵ֤י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בִּדְבַ֣ר (bidvar) = op raad van | בִּלְעָ֔ם (bilam) = Bileam | לִמְסָר (limsar) = om over te leveren | מַ֥עַל (maal) = ontrouw | בַּיהוָ֖ה (baYahweh) = aan Yahweh | עַל (al) = in | דְּבַר (devar) = zaak van | פְּע֑וֹר (peor) = Peor | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en kwam | הַמַּגֵּפָ֖ה (hamagefa) = de plaag | בַּעֲדַ֥ת (baadat) = over de gemeenschap van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bileam is hier de aanstichter van het kwaad in Peor (Num. 25:1–9). In Num. 22–24 staat dit raadgeven niet; hier wordt het voor het eerst gezegd. Voetnoot : מַעַל (maal), ‘ontrouw’: zie Lev. 5:15. Zie ook: Lev 5:15; Num 25:1–9; Deut 4:3; Joz 22:17; 2 Petr 2:15; Openb 2:14 **31:17** Dood nu elk mannelijk kind onder de kinderen. Dood elke vrouw die met een man heeft geslapen. Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | הִרְג֥וּ (hirgu) = doodt | כָל (kal) = alle | זָכָ֖ר (zakhar) = mannelijke | בַּטָּ֑ף (bataf) = onder de kinderen | וְכָל (vekhal) = en alle | אִשָּׁ֗ה (isha) = vrouw | יֹדַ֥עַת (yodaat) = die gekend heeft | אִ֛ישׁ (ish) = man | לְמִשְׁכַּ֥ב (lemishkav) = door te slapen met | זָכָ֖ר (zakhar) = man | הֲרֹֽגוּ (harogu) = doodt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘een vrouw die een man gekend heeft door het liggen van een man’. Wij vertalen: ‘die met een man heeft geslapen’. Zie ook: Deut 7:2; Deut 20:16–18; Re 21:11–12 **31:18** Maar alle kinderen onder de vrouwen die nog niet met een man hebben geslapen, laat voor jullie in leven. Brontekst: וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | הַטַּ֣ף (hataf) = de kinderen | בַּנָּשִׁ֔ים (banashim) = onder de vrouwen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יָדְע֖וּ (yadeu) = gekend hebben | מִשְׁכַּ֣ב (mishkav) = slapen met | זָכָ֑ר (zakhar) = man | הַחֲי֖וּ (hachayu) = laat leven | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met ‘kinderen onder de vrouwen die niet met een man hebben geslapen’ worden de meisjes bedoeld. Het Hebreeuwse woord טַף (taf), ‘kinderen’, staat voor de kleine kinderen. Zie ook: Lev 25:44; Deut 20:14; Deut 21:10–14; 2 Kron 28:8–10; Jes 14:2 ### De reiniging van de krijgers **31:19** Blijf zeven dagen buiten het kamp. Ieder die iemand gedood heeft en ieder die een gedode heeft aangeraakt, moet zich op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen. Dat geldt voor jullie en jullie gevangenen. Brontekst: וְאַתֶּ֗ם (veatem) = en jullie | חֲנ֛וּ (chanu) = blijf | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֖ה (lamachane) = het kamp | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | כֹּל֩ (kol) = ieder | הֹרֵ֨ג (horeg) = die gedood heeft | נֶ֜פֶשׁ (nefesh) = persoon | וְכֹ֣ל (vekhol) = en ieder | נֹגֵ֣עַ (nogea) = die aanraakte | בֶּֽחָלָ֗ל (bechalal) = een gedode | תִּֽתְחַטְּא֞וּ (titchateu) = ontzondig jullie | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁי֙ (hashelishi) = de derde | וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | וּשְׁבִיכֶֽם (ushevikhem) = en jullie gevangenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִטֵּא (chitte), ‘ontzondigen’: zie Num. 19:12 en 19:19. Wie een dode aanraakt, moet zich op de derde en de zevende dag ontzondigen. Zie ook: Num 5:2; Num 19:11–22; Num 19:12; Num 19:19; 1 Kron 22:8 **31:20** Ontzondig elk kledingstuk, elk voorwerp van leer, al het werk van geitenhaar en elk houten voorwerp.” Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | בֶּ֧גֶד (beged) = kledingstuk | וְכָל (vekhal) = en elk | כְּלִי (keli) = voorwerp van | ע֛וֹר (or) = leer | וְכָל (vekhal) = en elk | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | עִזִּ֖ים (izim) = geitenhaar | וְכָל (vekhal) = en elk | כְּלִי (keli) = voorwerp van | עֵ֑ץ (ets) = hout | תִּתְחַטָּֽאוּ (titchatau) = ontzondig jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:2; Ex 19:10; Num 19:14–16; Num 19:22 **31:21** De mannen van het leger waren naar de oorlog gegaan. Eleazar, de priester, zei tegen hen: „Dit is het voorschrift van de wet die Yahweh Mozes geboden heeft. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֶלְעָזָ֤ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֶל (el) = tot | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | הַצָּבָ֔א (hatsava) = het leger | הַבָּאִ֖ים (habaim) = die gingen | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = naar de oorlog | זֹ֚את (zot) = dit | חֻקַּ֣ת (chuqat) = voorschrift van | הַתּוֹרָ֔ה (hatora) = de wet | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht dat Yahweh geeft. Eleazar geeft hier de regels voor de reiniging van de buit. Zie ook: Num 30:17 **31:22** Alleen het goud, het zilver, het koper, het ijzer, het tin en het lood: Brontekst: אַ֥ךְ (akh) = alleen | אֶת (et) = (obj.) | הַזָּהָ֖ב (hazahav) = het goud | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכָּ֑סֶף (hakasef) = het zilver | אֶֽת (et) = (obj.) | הַנְּחֹ֨שֶׁת֙ (hanechoshet) = het koper | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּרְזֶ֔ל (habarzel) = het ijzer | אֶֽת (et) = (obj.) | הַבְּדִ֖יל (habedil) = het tin | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעֹפָֽרֶת (haofaret) = het lood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de zes metalen die het vuur kunnen doorstaan. Alles wat van deze metalen is, moet door het vuur. **31:23** alles wat in het vuur kan komen, moeten jullie door het vuur halen, dan is het rein. Toch moet het ook met reinigingswater ontzondigd worden. Alles wat niet in het vuur kan komen, moeten jullie door water halen. Brontekst: כָּל (kal) = alles | דָּבָ֞ר (davar) = ding | אֲשֶׁר (asher) = dat | יָבֹ֣א (yavo) = in kan komen | בָאֵ֗שׁ (baesh) = in het vuur | תַּעֲבִ֤ירוּ (taaviru) = laat jullie doorgaan | בָאֵשׁ֙ (baesh) = door het vuur | וְטָהֵ֔ר (vetaher) = en het is rein | אַ֕ךְ (akh) = alleen | בְּמֵ֥י (bemei) = met water van | נִדָּ֖ה (nida) = reiniging | יִתְחַטָּ֑א (yitchata) = moet worden ontzondigd | וְכֹ֨ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | יָבֹ֛א (yavo) = in kan komen | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = in het vuur | תַּעֲבִ֥ירוּ (taaviru) = laat jullie doorgaan | בַמָּֽיִם (bamayim) = door water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵי נִדָּה (mei niddah), ‘reinigingswater’: zie Num. 19:9 en 19:13. Metaal moet eerst door het vuur en daarna met dit water ontzondigd worden. Zie ook: Num 19:9; Num 19:13; Num 19:17; Jes 43:2; Mat 3:11; 1 Kor 3:13 **31:24** Op de zevende dag moeten jullie je kleren wassen, dan zijn jullie rein. Daarna mogen jullie het kamp binnengaan.” Brontekst: וְכִבַּסְתֶּ֧ם (vekhibastem) = en was jullie | בִּגְדֵיכֶ֛ם (bigdeikhem) = jullie kleren | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֖י (hashevii) = de zevende | וּטְהַרְתֶּ֑ם (utehartem) = en jullie zijn rein | וְאַחַ֖ר (veachar) = en daarna | תָּבֹ֥אוּ (tavou) = zult jullie komen | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:25; Lev 14:9; Lev 15:13; Num 19:19 ### De verdeling van de buit **31:25** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:26** **„Neem de som op van het meegevoerde, mensen en vee: jij, Eleazar, de priester, en de familiehoofden van de gemeenschap.** Brontekst: שָׂ֗א (sa) = neem op | אֵ֣ת (et) = (obj.) | רֹ֤אשׁ (rosh) = de som van | מַלְק֨וֹחַ֙ (malqoach) = het meegevoerde van | הַשְּׁבִ֔י (hashevi) = de gevangenen | בָּאָדָ֖ם (baadam) = onder de mensen | וּבַבְּהֵמָ֑ה (uvabehema) = en onder het vee | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְאֶלְעָזָ֣ר (veelazar) = en Eleazar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְרָאשֵׁ֖י (verashei) = en hoofden van | אֲב֥וֹת (avot) = families van | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂא אֶת רֹאשׁ (se et rosh), ‘neem de som op’: zie Exod. 30:12. Zie ook: Ex 30:12 **31:27** **Verdeel het meegevoerde in twee helften, tussen de krijgers die ten strijde zijn getrokken en heel de gemeenschap.** Brontekst: וְחָצִ֨יתָ֙ (vechatsita) = en verdeel in tweeën | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּלְק֔וֹחַ (hamalqoach) = het meegevoerde | בֵּ֚ין (bein) = tussen | תֹּפְשֵׂ֣י (tofesei) = krijgers van | הַמִּלְחָמָ֔ה (hamilchama) = de oorlog | הַיֹּצְאִ֖ים (hayotseim) = die uitgetrokken zijn | לַצָּבָ֑א (latsava) = naar het leger | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 22:8; 1 Sam 30:4; 1 Sam 30:24–25; Ps 68:13 **31:28** **Neem voor Yahweh een belasting af van de krijgers die ten strijde zijn getrokken. Neem één persoon van elke 500: van de mensen, het rundvee, de ezels en het kleinvee.** Brontekst: וַהֲרֵמֹתָ֨ (vaharemota) = en neem af | מֶ֜כֶס (mekhes) = belasting | לַֽיהוָ֗ה (laYahweh) = voor Yahweh | מֵאֵ֞ת (meet) = van | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de oorlog | הַיֹּצְאִ֣ים (hayotseim) = die uitgetrokken zijn | לַצָּבָ֔א (latsava) = naar het leger | אֶחָ֣ד (echad) = één | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = persoon | מֵחֲמֵ֖שׁ (mechamesh) = van de vijf | הַמֵּא֑וֹת (hameot) = honderd | מִן (min) = van | הָאָדָם֙ (haadam) = de mensen | וּמִן (umin) = en van | הַבָּקָ֔ר (habaqar) = het rundvee | וּמִן (umin) = en van | הַחֲמֹרִ֖ים (hachamorim) = de ezels | וּמִן (umin) = en van | הַצֹּֽאן (hatson) = het kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֶכֶס (mekes), ‘belasting’: een vast deel dat voor Yahweh wordt afgenomen. Het woord komt alleen in dit hoofdstuk voor. Van de krijgers gaat één van elke 500 naar Yahweh. Voetnoot : הֵרִים (herim), ‘afnemen’: zie Lev. 2:9. Zie ook: Gen 14:20; Lev 2:9; Num 18:26; Num 31:30; Num 31:47; Spr 3:9–10 **31:29** **Neem het van hun helft en geef het aan Eleazar, de priester, als heffing voor Yahweh.** Brontekst: מִמַּֽחֲצִיתָ֖ם (mimachatsitam) = van hun helft | תִּקָּ֑חוּ (tiqachu) = neem | וְנָתַתָּ֛ה (venatata) = en geef | לְאֶלְעָזָ֥ר (leelazar) = aan Eleazar | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | תְּרוּמַ֥ת (terumat) = heffing van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:27; Num 18:26; Deut 12:12; Deut 12:19 **31:30** **Van de helft van de zonen van Israël moet je er één van elke 50 nemen. Neem ze van de mensen, het rundvee, de ezels en het kleinvee, van al het vee. Geef ze aan de Levieten, die de wacht houden bij de tabernakel van Yahweh.”** Brontekst: וּמִמַּחֲצִ֨ת (umimachatsit) = en van de helft van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | תִּקַּ֣ח (tiqach) = neem | אֶחָ֣ד (echad) = één | אָחֻ֣ז (achuz) = genomen | מִן (min) = uit | הַחֲמִשִּׁ֗ים (hachamishim) = de vijftig | מִן (min) = van | הָאָדָ֧ם (haadam) = de mensen | מִן (min) = van | הַבָּקָ֛ר (habaqar) = het rundvee | מִן (min) = van | הַחֲמֹרִ֥ים (hachamorim) = de ezels | וּמִן (umin) = en van | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | מִכָּל (mikal) = van alle | הַבְּהֵמָ֑ה (habehema) = het vee | וְנָתַתָּ֤ה (venatata) = en geef | אֹתָם֙ (otam) = hen | לַלְוִיִּ֔ם (lalviyim) = aan de Levieten | שֹׁמְרֵ֕י (shomerei) = die houden | מִשְׁמֶ֖רֶת (mishmeret) = de wacht van | מִשְׁכַּ֥ן (mishkan) = de tabernakel van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk, dat niet gestreden heeft, geeft meer: één van elke 50. Dat is tien keer zoveel als de krijgers geven. Zie ook: Num 3:7–8; Num 3:25; Num 3:31; Num 18:1–5; Kol 4:17 **31:31** Mozes en Eleazar, de priester, deden zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וְאֶלְעָזָ֖ר (veelazar) = en Eleazar | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De getelde buit **31:32** Het meegevoerde, de rest van de roof die de krijgers geroofd hadden, was: 675.000 stuks kleinvee, Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en was | הַמַּלְק֔וֹחַ (hamalqoach) = het meegevoerde | יֶ֣תֶר (yeter) = rest van | הַבָּ֔ז (habaz) = de roof | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בָּזְז֖וּ (bazezu) = geroofd hadden | עַ֣ם (am) = het volk van | הַצָּבָ֑א (hatsava) = het leger | צֹ֗אן (tson) = kleinvee | שֵׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | וְשִׁבְעִ֥ים (veshivim) = en zeventig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵֽשֶׁת (vachameshet) = en vijf van | אֲלָפִֽים (alafim) = duizenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het totaal van de buit is: 675.000 stuks kleinvee, 72.000 stuks rundvee, 61.000 ezels en 32.000 personen. **31:33** 72.000 stuks rundvee, Brontekst: וּבָקָ֕ר (uvaqar) = en rundvee | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | וְשִׁבְעִ֖ים (veshivim) = en zeventig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:34** en 61.000 ezels. Brontekst: וַחֲמֹרִ֕ים (vachamorim) = en ezels | אֶחָ֥ד (echad) = een | וְשִׁשִּׁ֖ים (veshishim) = en zestig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:35** En mensen: van de vrouwen die niet met een man hadden geslapen waren het in totaal 32.000 personen. Brontekst: וְנֶ֣פֶשׁ (venefesh) = en persoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | מִן (min) = uit | הַ֨נָּשִׁ֔ים (hanashim) = de vrouwen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָדְע֖וּ (yadeu) = hadden gekend | מִשְׁכַּ֣ב (mishkav) = slapen met | זָכָ֑ר (zakhar) = man | כָּל (kal) = alle | נֶ֕פֶשׁ (nefesh) = personen | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gaat om de meisjes en vrouwen die niet met een man hadden geslapen (vers 18). Zie ook: Num 31:18 **31:36** De helft, het deel van hen die ten strijde waren getrokken, was in aantal: 337.500 stuks kleinvee. Brontekst: וַתְּהִי֙ (vatehi) = en was | הַֽמֶּחֱצָ֔ה (hamechetsa) = de helft | חֵ֕לֶק (cheleq) = deel | הַיֹּצְאִ֖ים (hayotseim) = van hen die uittrokken | בַּצָּבָ֑א (batsava) = in het leger | מִסְפַּ֣ר (mispar) = aantal van | הַצֹּ֗אן (hatson) = het kleinvee | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | וּשְׁלֹשִׁ֣ים (usheloshim) = en dertig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְשִׁבְעַ֥ת (veshivat) = en zeven van | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizenden | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elke helft is dus 337.500 stuks kleinvee, 36.000 stuks rundvee, 30.500 ezels en 16.000 personen. De belasting voor Yahweh is een vijfhonderdste deel (vers 37–40). Zie ook: Num 31:37–40 **31:37** De belasting voor Yahweh van het kleinvee was 675. Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en was | הַמֶּ֥כֶס (hamekhes) = de belasting | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | מִן (min) = van | הַצֹּ֑אן (hatson) = het kleinvee | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | וְשִׁבְעִֽים (veshivim) = en zeventig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:38** Het rundvee was 36.000; daarvan was de belasting voor Yahweh 72. Brontekst: וְהַ֨בָּקָ֔ר (vehabaqar) = en het rundvee | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וּמִכְסָ֥ם (umikhsam) = en hun belasting | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | וְשִׁבְעִֽים (veshivim) = en zeventig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:39** De ezels waren 30.500; daarvan was de belasting voor Yahweh 61. Brontekst: וַחֲמֹרִ֕ים (vachamorim) = en ezels | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֣שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵא֑וֹת (meot) = honderd | וּמִכְסָ֥ם (umikhsam) = en hun belasting | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֶחָ֥ד (echad) = een | וְשִׁשִּֽׁים (veshishim) = en zestig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:40** De mensen waren 16.000; daarvan was de belasting voor Yahweh 32 personen. Brontekst: וְנֶ֣פֶשׁ (venefesh) = en personen van | אָדָ֔ם (adam) = mensen | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וּמִכְסָם֙ (umikhsam) = en hun belasting | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | שְׁנַ֥יִם (shenayim) = twee | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | נָֽפֶשׁ (nafesh) = persoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:41** Mozes gaf de belasting, de heffing voor Yahweh, aan Eleazar, de priester, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en gaf | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֨כֶס֙ (mekhes) = belasting van | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = heffing van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְאֶלְעָזָ֖ר (leelazar) = aan Eleazar | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 18:8; Num 18:19; Mat 10:10; 1 Kor 9:10–14; 1 Tim 5:17 **31:42** Wat betreft de helft van de zonen van Israël, die Mozes had afgedeeld van de mannen die ten strijde waren getrokken: Brontekst: וּמִֽמַּחֲצִ֖ית (umimachatsit) = en van de helft van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | חָצָ֣ה (chatsa) = afdeelde | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | מִן (min) = van | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | הַצֹּבְאִֽים (hatsoveim) = die ten strijde trokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 42 en 43 vormen één zin. De helft voor het volk is even groot als de helft voor de krijgers (vers 36). Zie ook: Num 31:36; Num 31:43 **31:43** de helft van de gemeenschap was 337.500 stuks kleinvee, Brontekst: וַתְּהִ֛י (vatehi) = en was | מֶחֱצַ֥ת (mechetsat) = de helft van | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | מִן (min) = van | הַצֹּ֑אן (hatson) = het kleinvee | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | וּשְׁלֹשִׁ֣ים (usheloshim) = en dertig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizenden | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:44** 36.000 stuks rundvee, Brontekst: וּבָקָ֕ר (uvaqar) = en rundvee | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:45** 30.500 ezels Brontekst: וַחֲמֹרִ֕ים (vachamorim) = en ezels | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:46** en 16.000 mensen. Brontekst: וְנֶ֣פֶשׁ (venefesh) = en personen van | אָדָ֔ם (adam) = mensen | שִׁשָּׁ֥ה (shisha) = zes | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:47** Van de helft van de zonen van Israël nam Mozes er één van elke 50, van de mensen en van het vee. Hij gaf ze aan de Levieten, die de wacht houden bij de tabernakel van Yahweh, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | מִמַּחֲצִ֣ת (mimachatsit) = van de helft van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הָֽאָחֻז֙ (haachuz) = het ene genomene | אֶחָ֣ד (echad) = één | מִן (min) = uit | הַחֲמִשִּׁ֔ים (hachamishim) = de vijftig | מִן (min) = van | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mensen | וּמִן (umin) = van | הַבְּהֵמָ֑ה (habehema) = het vee | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | אֹתָ֜ם (otam) = hen | לַלְוִיִּ֗ם (lalviyim) = aan de Levieten | שֹֽׁמְרֵי֙ (shomerei) = die houden | מִשְׁמֶ֨רֶת֙ (mishmeret) = de wacht van | מִשְׁכַּ֣ן (mishkan) = de tabernakel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten krijgen één van elke 50 van de helft van het volk; zie vers 30. Dat zijn 6.750 stuks kleinvee, 720 stuks rundvee, 610 ezels en 320 personen. Zie ook: Num 31:30; Deut 12:17–19; Ps 134:1; Jes 56:10–11; 1 Tess 5:12–13 ### De gave van de bevelhebbers **31:48** De bevelhebbers die over de duizendtallen van het leger waren aangesteld, de aanvoerders van duizend en de aanvoerders van honderd, kwamen naar Mozes toe. Brontekst: וַֽיִּקְרְבוּ֙ (vayiqrevu) = en kwamen dichtbij | אֶל (el) = naar | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | הַפְּקֻדִ֕ים (hapequdim) = de aangestelden | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לְאַלְפֵ֣י (lealfei) = over de duizendtallen van | הַצָּבָ֑א (hatsava) = het leger | שָׂרֵ֥י (sarei) = aanvoerders van | הָאֲלָפִ֖ים (haalafim) = de duizendtallen | וְשָׂרֵ֥י (vesarei) = en aanvoerders van | הַמֵּאֽוֹת (hameot) = de honderdtallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:49** Zij zeiden tegen Mozes: „Uw dienaren hebben de som opgenomen van de krijgers die onder ons bevel stonden. Er ontbreekt niemand van ons. Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | עֲבָדֶ֣יךָ (avadeikha) = uw dienaren | נָֽשְׂא֗וּ (naseu) = hebben opgenomen | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֛אשׁ (rosh) = de som van | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = de mannen van | הַמִּלְחָמָ֖ה (hamilchama) = de oorlog | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּיָדֵ֑נוּ (beyadenu) = in onze hand | וְלֹא (velo) = en niet | נִפְקַ֥ד (nifqad) = ontbreekt | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van ons | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zij zeggen ‘uw dienaren’ tegen Mozes: dat is de aanspreking van een leider. Zie ook: 1 Sam 30:18–19; Ps 72:14; Joh 18:9 **31:50** Daarom brengen wij een offergave voor Yahweh: ieder wat hij aan gouden voorwerpen gevonden heeft. Dat zijn een armband, een polsband, een zegelring, een oorring en een halssieraad. Het is om verzoening te doen voor ons leven voor het aangezicht van Yahweh.” Brontekst: וַנַּקְרֵ֞ב (vanaqrev) = en wij brengen dichtbij | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבַּ֣ן (qarban) = offergave van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אִישׁ֩ (ish) = ieder | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | מָצָ֤א (matsa) = hij vond | כְלִֽי (keli) = voorwerp van | זָהָב֙ (zahav) = goud | אֶצְעָדָ֣ה (etsada) = armband | וְצָמִ֔יד (vetsamid) = en polsband | טַבַּ֖עַת (tabaat) = zegelring | עָגִ֣יל (agil) = oorring | וְכוּמָ֑ז (vekhumaz) = en halssieraad | לְכַפֵּ֥ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עַל (al) = over | נַפְשֹׁתֵ֖ינוּ (nafshoteinu) = onze levens | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De sieraden zijn: אֶצְעָדָה (etsadah), ‘armband’; צָמִיד (tsamid), ‘polsband’; טַבַּעַת (tabbaat), ‘zegelring’; עָגִיל (agil), ‘oorring’; כּוּמָז (kumaz), ‘halssieraad’. De betekenis van dat laatste woord is onzeker. Voetnoot : כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: het goud is een losgeld voor hun leven, zoals in Exod. 30:12–16. Niemand van hen ontbreekt (vers 49), en toch brengen zij deze gave. Zie ook: Ex 30:12; Ex 30:15–16; Lev 17:11; Num 31:49; Ps 107:15; Ps 116:17 **31:51** Mozes en Eleazar, de priester, namen het goud van hen aan, alle bewerkte voorwerpen. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | וְאֶלְעָזָ֧ר (veelazar) = en Eleazar | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַזָּהָ֖ב (hazahav) = het goud | מֵֽאִתָּ֑ם (meitam) = van hen | כֹּ֖ל (kol) = alle | כְּלִ֥י (keli) = voorwerpen van | מַעֲשֶֽׂה (maase) = bewerkt werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 7:2–6 **31:52** Al het goud van de heffing, die zij voor Yahweh hadden afgenomen, was 16.750 sikkel, van de aanvoerders van duizend en de aanvoerders van honderd. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en was | כָּל (kal) = al | זְהַ֣ב (zehav) = goud van | הַתְּרוּמָ֗ה (hateruma) = de heffing | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | הֵרִ֨ימוּ֙ (herimu) = zij afnamen | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | שִׁשָּׁ֨ה (shisha) = zes | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | שְׁבַע (sheva) = zeven | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּׁ֖ים (vachamishim) = en vijftig | שָׁ֑קֶל (shaqel) = sikkel | מֵאֵת֙ (meet) = van | שָׂרֵ֣י (sarei) = aanvoerders van | הָֽאֲלָפִ֔ים (haalafim) = de duizendtallen | וּמֵאֵ֖ת (umeet) = en van | שָׂרֵ֥י (sarei) = aanvoerders van | הַמֵּאֽוֹת (hameot) = de honderdtallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een sikkel is ongeveer 11,4 gram. 16.750 sikkel is dus ongeveer 191 kilogram goud. **31:53** De mannen van het leger hadden ieder voor zichzelf geroofd. Brontekst: אַנְשֵׁי֙ (anshei) = mannen van | הַצָּבָ֔א (hatsava) = het leger | בָּזְז֖וּ (bazezu) = roofden | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לֽוֹ (lo) = voor zichzelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De krijgers hielden hun eigen buit. Het goud in vers 50–52 is een gave bovenop hun eigen deel. Zie ook: Num 31:32; Num 31:50–52; Deut 20:14 **31:54** Mozes en Eleazar, de priester, namen het goud van de aanvoerders van duizend en van honderd. Zij brachten het naar de tent van samenkomst, als gedachtenis voor de zonen van Israël voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | וְאֶלְעָזָ֤ר (veelazar) = en Eleazar | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַזָּהָ֔ב (hazahav) = het goud | מֵאֵ֛ת (meet) = van | שָׂרֵ֥י (sarei) = aanvoerders van | הָאֲלָפִ֖ים (haalafim) = de duizendtallen | וְהַמֵּא֑וֹת (vehameot) = en de honderdtallen | וַיָּבִ֤אוּ (vayaviu) = en brachten | אֹתוֹ֙ (oto) = het | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | זִכָּר֥וֹן (zikaron) = gedachtenis | לִבְנֵֽי (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִכָּרוֹן (zikkaron), ‘gedachtenis’: het goud herinnert Yahweh aan Israël, zoals het verzoengeld in Exod. 30:16. Zie ook: Ex 30:16; Num 17:5; Ps 115:1; Ps 145:7; Zach 6:14 ## Numeri 32 _Gad, Ruben en de helft van Manasse blijven ten oosten van de Jordaan_ ### Het verzoek van Gad en Ruben **32:1** De zonen van Ruben en de zonen van Gad hadden veel kudden, een zeer grote menigte. Zij zagen het land Jaëzer en het land Gilead. En zie, die streek was een streek voor kudden. Brontekst: וּמִקְנֶ֣ה (umiqne) = en kudden | רַ֗ב (rav) = veel | הָיָ֞ה (haya) = waren | לִבְנֵ֧י (livnei) = voor de zonen van | רְאוּבֵ֛ן (reuven) = Ruben | וְלִבְנֵי (velivnei) = en voor de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | עָצ֣וּם (atsum) = talrijk | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיִּרְא֞וּ (vayiru) = en zij zagen | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֤רֶץ (erets) = land van | יַעְזֵר֙ (yazer) = Jaëzer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | גִּלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | מְק֥וֹם (meqom) = plaats van | מִקְנֶֽה (miqne) = kudden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jaëzer en Gilead liggen ten oosten van de Jordaan, in het noorden van het huidige Jordanië. De ligging van Jaëzer is onzeker; wij denken aan een plaats in de buurt van het huidige As-Salt of Amman. Gilead is het bergland ten zuiden van de Jabbok. Voetnoot Uitleg: מִקְנֶה (miqneh), ‘kudden’: wij vertalen dit woord in heel dit hoofdstuk zo. בְּהֵמָה (behemah) is ‘vee’ (vers 26). Zie ook: Gen 13:2; Gen 13:10–11; Num 21:32; Num 32:3; Num 32:26; Num 32:35 **32:2** De zonen van Gad en de zonen van Ruben kwamen en zeiden tegen Mozes, tegen Eleazar, de priester, en tegen de leiders van de gemeenschap: Brontekst: וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en kwamen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | רְאוּבֵ֑ן (reuven) = Ruben | וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וְאֶל (veel) = en tot | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְאֶל (veel) = en tot | נְשִׂיאֵ֥י (nesiei) = leiders van | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **32:3** „Atarot, Dibon, Jaëzer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon, Brontekst: עֲטָר֤וֹת (atarot) = Atarot | וְדִיבֹן֙ (vedivon) = en Dibon | וְיַעְזֵ֣ר (veyazer) = en Jaëzer | וְנִמְרָ֔ה (venimra) = en Nimra | וְחֶשְׁבּ֖וֹן (vecheshbon) = en Chesbon | וְאֶלְעָלֵ֑ה (veelale) = en Elale | וּשְׂבָ֥ם (usevam) = en Sebam | וּנְב֖וֹ (unevo) = en Nebo | וּבְעֹֽן (uveon) = en Beon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dit zijn steden in het gebied ten oosten van de Jordaan, dat Israël net van Sichon en Og heeft veroverd (Num. 21:21–35). Chesbon (vers 37) ligt bij het huidige Hesban in Jordanië. Nebo ligt bij de berg Nebo (Num. 33:47). De andere namen liggen vermoedelijk in hetzelfde gebied; de precieze plaats van sommige is onzeker. Zie Atarot: Atarot wordt gezocht bij Khirbet Attarus, ten noorden van de Arnon. Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië. Zie Jaëzer: Jaëzer lag ten noorden van Chesbon, vermoedelijk in het gebied tussen Amman en As-Salt. De precieze plaats is niet zeker. Zie Nimra: Nimra (Bet-Nimra) wordt gezocht bij Tell Nimrin, in het Jordaandal. Zie Elale: Elale (nu El-Al) lag ten noorden van Chesbon, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 21:21–35; Num 21:25–26; Num 32:34–38; Num 32:37; Num 33:47; Joz 13:17; Jes 16:8–9; Jer 48:34 **32:4** het land dat Yahweh voor de gemeenschap van Israël verslagen heeft, is een land voor kudden. En uw dienaren hebben kudden.” Brontekst: הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הִכָּ֤ה (hika) = heeft verslagen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | עֲדַ֣ת (adat) = de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִקְנֶ֖ה (miqne) = kudden | הִ֑וא (hi) = het is | וְלַֽעֲבָדֶ֖יךָ (velaavadeikha) = en voor uw dienaren | מִקְנֶֽה (miqne) = kudden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִכָּה (hikkah), ‘slaan’: Yahweh heeft dit land ‘geslagen’, dat wil zeggen verslagen, voor Israël. Het gaat om de overwinning op Sichon en Og (Num. 21:21–35). Zie ook: Num 21:21–35; Num 21:24; Num 21:34; Deut 2:24–35 **32:5** Zij zeiden: „Als wij gunst in uw ogen gevonden hebben, laat dan dit land aan uw dienaren in bezit gegeven worden. Laat ons niet de Jordaan oversteken.” Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zeiden | אִם (im) = als | מָצָ֤אנוּ (matsanu) = wij hebben gevonden | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = in uw ogen | יֻתַּ֞ן (yutan) = laat gegeven worden | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֧רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֛את (hazot) = dit | לַעֲבָדֶ֖יךָ (laavadeikha) = aan uw dienaren | לַאֲחֻזָּ֑ה (laachuza) = in bezit | אַל (al) = niet | תַּעֲבִרֵ֖נוּ (taavirenu) = laat ons oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Zij spreken Mozes met ‘u’ aan en noemen zichzelf ‘uw dienaren’: dat is de aanspreking tegenover een leider. Zie ook: Gen 19:19; Joz 7:7; Ruth 2:10; 2 Sam 14:22; Est 5:2 ### Het antwoord van Mozes **32:6** Mozes zei tegen de zonen van Gad en de zonen van Ruben: „Moeten jullie broers naar de oorlog gaan, terwijl jullie hier blijven zitten? Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לִבְנֵי (livnei) = tegen de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | וְלִבְנֵ֣י (velivnei) = en tegen de zonen van | רְאוּבֵ֑ן (reuven) = Ruben | הַאַֽחֵיכֶ֗ם (haacheikhem) = zullen jullie broers | יָבֹ֨אוּ֙ (yavou) = gaan | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = naar de oorlog | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | תֵּ֥שְׁבוּ (teshevu) = blijven zitten | פֹֽה (po) = hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 11:11; 1 Kor 13:5; Fil 2:4 **32:7** Waarom nemen jullie de zonen van Israël de moed om over te steken naar het land dat Yahweh hun gegeven heeft? Brontekst: וְלָ֣מָּה (velama) = en waarom | תְנִיא֔וּן (teniun) = nemen jullie de moed | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֖ב (lev) = hart van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מֵֽעֲבֹר֙ (meavor) = om over te steken | אֶל (el) = naar | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥ן (natan) = heeft gegeven | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵנִיא (henia), ‘de moed ontnemen’: letterlijk ‘het hart afbrengen’. Wij vertalen: ‘de moed nemen’. Zie ook: Num 13:27–14:4; Num 21:4; Num 32:9; Deut 1:28; Hand 21:13 **32:8** Zo deden jullie vaders toen ik hen uit Kades-Barnea stuurde om het land te zien. Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | עָשׂ֖וּ (asu) = deden | אֲבֹתֵיכֶ֑ם (avoteikhem) = jullie vaders | בְּשָׁלְחִ֥י (beshalechi) = toen ik stuurde | אֹתָ֛ם (otam) = hen | מִקָּדֵ֥שׁ (miqadesh) = uit Kades | בַּרְנֵ֖עַ (barnea) = Barnea | לִרְא֥וֹת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kades-Barnea ligt in de woestijn Zin, in het zuiden van Kanaän, bij het huidige Ain Qudeirat in de Sinaï (Egypte/Israël). Het verhaal staat in Num. 13–14. Zie ook: Num 13:2–26; Num 14:2; Deut 1:19–25; Joz 14:6–7 **32:9** Zij trokken omhoog tot het dal Eskol en zagen het land. Toen namen zij de zonen van Israël de moed om naar het land te gaan dat Yahweh hun gegeven had. Brontekst: וַֽיַּעֲל֞וּ (vayaalu) = en zij trokken omhoog | עַד (ad) = tot | נַ֣חַל (nachal) = dal van | אֶשְׁכּ֗וֹל (eshkol) = Eskol | וַיִּרְאוּ֙ (vayiru) = en zagen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וַיָּנִ֕יאוּ (vayaniu) = en namen de moed | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֖ב (lev) = hart van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לְבִלְתִּי (levilti) = opdat niet | בֹא֙ (bo) = zij zouden komen | אֶל (el) = naar | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥ן (natan) = heeft gegeven | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal Eskol: zie Num. 13:23–24. De ligging is waarschijnlijk in de buurt van Hebron, in de Westelijke Jordaanoever; zeker is dat niet. Zie ook: Num 13:23–14:10; Deut 1:24–28 **32:10** Op die dag laaide de toorn van Yahweh op en Hij zwoer: Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en laaide op | אַ֥ף (af) = toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וַיִּשָּׁבַ֖ע (vayishava) = en Hij zwoer | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:11; Num 14:21; Num 14:23; Ps 95:11; Ezech 20:15 **32:11** **‘De mannen die uit Egypte zijn opgetrokken, van 20 jaar en ouder, zullen het land niet zien. Dat is het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb. Want zij zijn Mij niet volledig gevolgd,** Brontekst: אִם (im) = als | יִרְא֨וּ (yiru) = zullen zien | הָאֲנָשִׁ֜ים (haanashim) = de mannen | הָעֹלִ֣ים (haolim) = die opgetrokken zijn | מִמִּצְרַ֗יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | מִבֶּ֨ן (miben) = van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = 20 | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הָאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נִשְׁבַּ֛עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | לְאַבְרָהָ֥ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֖ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹ֑ב (uleyaaqov) = en aan Jakob | כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | מִלְא֖וּ (milu) = zij zijn volledig geweest | אַחֲרָֽי (acharay) = achter Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit is de eed van Yahweh na de terugkeer van de verspieders; zie Num. 14:21–24 en 14:28–35. Mozes haalt hem hier aan. Wij zetten de woorden van Yahweh rood, tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : אִם (im), ‘als’: in een eed betekent dit ‘zeker niet’. Wij vertalen: ‘zullen niet zien’. Zie ook: Num 14:21–24; Num 14:24; Num 14:28–30; Num 26:2; Deut 1:35; Joz 14:8–9 **32:12** **behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, en Jozua, de zoon van Nun. Want zij hebben Yahweh volledig gevolgd.’** Brontekst: בִּלְתִּ֞י (bilti) = behalve | כָּלֵ֤ב (kalev) = Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּה֙ (yefune) = Jefunne | הַקְּנִזִּ֔י (haqenizi) = de Kenizziet | וִיהוֹשֻׁ֖עַ (vihoshua) = en Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֑וּן (nun) = Nun | כִּ֥י (ki) = want | מִלְא֖וּ (milu) = zij zijn volledig geweest | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat hier ‘Yahweh’ in de derde persoon. Wij lezen dat als een deel van de eed. Kaleb en Jozua volgden Yahweh volledig (Num. 14:24; 14:30). Zie ook: Num 14:24; Num 14:30; Num 26:65; Deut 1:36; Joz 14:8–9 **32:13** De toorn van Yahweh laaide op tegen Israël. Hij liet hen 40 jaar in de woestijn rondzwerven, tot heel de generatie die kwaad deed in de ogen van Yahweh, vergaan was. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en laaide op | אַ֤ף (af) = toorn van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = tegen Israël | וַיְנִעֵם֙ (vayniem) = en liet rondzwerven hen | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | אַרְבָּעִ֖ים (arbaim) = 40 | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | עַד (ad) = tot | תֹּם֙ (tom) = was vergaan | כָּל (kal) = heel | הַדּ֔וֹר (hador) = de generatie | הָעֹשֶׂ֥ה (haose) = die doet | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְנִעֵם (vaynieem), ‘Hij liet hen rondzwerven’: veertig jaar in de woestijn; zie Num. 14:33–34 en 14:29. Zo gaat de hele generatie van de verspieders in de woestijn dood. Zie ook: Num 14:29; Num 14:33–35; Num 26:64–65; Deut 2:14–15; 1 Kor 10:5; Heb 3:16–19 **32:14** En zie, nu zijn jullie opgestaan in de plaats van jullie vaders, een gebroed van zondige mannen. Jullie maken zo de brandende toorn van Yahweh tegen Israël nog groter. Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | קַמְתֶּ֗ם (qamtem) = jullie zijn opgestaan | תַּ֚חַת (tachat) = in de plaats van | אֲבֹ֣תֵיכֶ֔ם (avoteikhem) = jullie vaders | תַּרְבּ֖וּת (tarbut) = gebroed van | אֲנָשִׁ֣ים (anashim) = mannen | חַטָּאִ֑ים (chataim) = zondige | לִסְפּ֣וֹת (lispot) = om toe te voegen | ע֗וֹד (od) = nog | עַ֛ל (al) = aan | חֲר֥וֹן (charon) = brandende | אַף (af) = toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּרְבּוּת (tarbut), ‘gebroed’: het woord komt alleen hier voor en hangt samen met het werkwoord ‘groeien’ (רָבָה, ravah). Mozes noemt de nieuwe generatie een ‘groei’ of ‘gebroed’ van zondaars. Zie ook: Ps 78:57; Jes 1:4; Mat 23:31–33; Luc 11:48; Hand 7:51–52 **32:15** Want als jullie je van Hem afkeren, laat Hij hen nog langer in de woestijn achter en richten jullie dit hele volk te gronde.” Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | תְשׁוּבֻן֙ (teshuvun) = jullie keren je af | מֵֽאַחֲרָ֔יו (meacharav) = van achter Hem | וְיָסַ֣ף (veyasaf) = en Hij zal doorgaan | ע֔וֹד (od) = nog | לְהַנִּיח֖וֹ (lehanicho) = hen te laten | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | וְשִֽׁחַתֶּ֖ם (veshichatem) = en jullie zullen te gronde richten | לְכָל (lekhal) = heel | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:14–18; Num 14:30–35; Deut 28:15–68; 2 Kron 15:2; 1 Kor 8:11–12 ### Het voorstel van Gad en Ruben **32:16** Zij kwamen naar hem toe en zeiden: „Omheiningen voor het kleinvee willen wij hier bouwen voor onze kudden, en steden voor onze kleine kinderen. Brontekst: וַיִּגְּשׁ֤וּ (vayigeshu) = en zij kwamen dichtbij | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | וַ֣יֹּאמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | גִּדְרֹ֥ת (gidrot) = omheiningen van | צֹ֛אן (tson) = kleinvee | נִבְנֶ֥ה (nivne) = wij zullen bouwen | לְמִקְנֵ֖נוּ (lemiqnenu) = voor onze kudden | פֹּ֑ה (po) = hier | וְעָרִ֖ים (vearim) = en steden | לְטַפֵּֽנוּ (letapenu) = voor onze kleine kinderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּדְרֹת צֹאן (gidrot tson), ‘omheiningen voor het kleinvee’: stenen omheiningen waarin de kudden ’s nachts staan. Zie ook: Gen 33:17; Num 34:22 **32:17** Wij zelf zullen ons gewapend uitrusten voor de zonen van Israël uit, tot wij hen naar hun plaats hebben gebracht. Onze kleine kinderen blijven in de versterkte steden, vanwege de bewoners van het land. Brontekst: וַאֲנַ֜חְנוּ (vaanachnu) = en wij | נֵחָלֵ֣ץ (nechalets) = zullen ons uitrusten | חֻשִׁ֗ים (chushim) = gewapend | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַ֛ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אִם (im) = als | הֲבִֽיאֹנֻ֖ם (havionum) = wij hen hebben gebracht | אֶל (el) = naar | מְקוֹמָ֑ם (meqomam) = hun plaats | וְיָשַׁ֤ב (veyashav) = en zullen blijven | טַפֵּ֨נוּ֙ (tapenu) = onze kleine kinderen | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | הַמִּבְצָ֔ר (hamivtsar) = de versterking | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = de bewoners van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻשִׁים (chushim) komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Wij vertalen ‘gewapend’ (zoals in vers 21 en 29 ‘uitgerust’). Het kan ook ‘haastig’ betekenen. Voetnoot : עָרֵי הַמִּבְצָר (arei hamivtsar), ‘versterkte steden’: ook in vers 36. Zie ook: Num 32:21; Num 32:29–32; Num 32:36; Deut 3:18–20; Joz 4:12–13 **32:18** Wij keren niet terug naar ons huis, tot ieder van de zonen van Israël zijn erfdeel ontvangen heeft. Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | נָשׁ֖וּב (nashuv) = wij keren terug | אֶל (el) = naar | בָּתֵּ֑ינוּ (bateinu) = onze huizen | עַ֗ד (ad) = tot | הִתְנַחֵל֙ (hitnachel) = ontvangen als erfdeel | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | נַחֲלָתֽוֹ (nachalato) = zijn erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 22:1–5 **32:19** Want wij ontvangen geen erfdeel met hen aan de overkant van de Jordaan en verder. Ons erfdeel is ons immers toegevallen ons toegevallen aan de oostkant van de Jordaan.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | נִנְחַל֙ (ninchal) = wij ontvangen erfdeel | אִתָּ֔ם (itam) = met hen | מֵעֵ֥בֶר (meever) = van de overkant | לַיַּרְדֵּ֖ן (layarden) = van de Jordaan | וָהָ֑לְאָה (vahalea) = en verder | כִּ֣י (ki) = want | בָ֤אָה (baa) = is gekomen | נַחֲלָתֵ֨נוּ֙ (nachalatenu) = ons erfdeel | אֵלֵ֔ינוּ (eleinu) = naar ons | מֵעֵ֥בֶר (meever) = van de overkant van | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | מִזְרָֽחָה (mizracha) = oostwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: מֵעֵבֶר (me’ever), ‘aan de overkant’ of ‘aan de zijde van’: de sprekers staan ten oosten van de Jordaan. ‘Aan de overkant en verder’ is het land ten westen ervan, Kanaän. Hun eigen erfdeel ligt aan de oostkant (mizrachah). Zie ook: Gen 13:10–12; Num 34:15; Joz 13:8; 1 Kron 5:25–26; 2 Kon 15:29 ### De voorwaarde van Mozes **32:20** Mozes zei tegen hen: „Als jullie dit doen, als jullie je voor het aangezicht van Yahweh voor de oorlog uitrusten, Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אִֽם (im) = als | תַּעֲשׂ֖וּן (taasun) = jullie doen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | אִם (im) = als | תֵּחָֽלְצ֛וּ (techaletsu) = jullie zullen uitrusten | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַמִּלְחָמָֽה (lamilchama) = voor de oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 3:18–20; Joz 1:13–15; Joz 4:12–13; Joz 22:2–4 **32:21** en ieder van jullie die uitgerust is, voor het aangezicht van Yahweh de Jordaan oversteekt, tot Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht verdreven heeft, Brontekst: וְעָבַ֨ר (veavar) = en zal oversteken | לָכֶ֧ם (lakhem) = van jullie | כָּל (kal) = ieder | חָל֛וּץ (chaluts) = uitgeruste | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַ֧ד (ad) = tot | הוֹרִישׁ֛וֹ (horisho) = Hij verdrijft | אֶת (et) = (obj.) | אֹיְבָ֖יו (oyevav) = Zijn vijanden | מִפָּנָֽיו (mipanav) = voor Zijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **32:22** en het land onderworpen is voor het aangezicht van Yahweh, en jullie daarna terugkeren, dan zijn jullie vrij van schuld tegenover Yahweh en tegenover Israël. Dan is dit land voor het aangezicht van Yahweh jullie bezit. Brontekst: וְנִכְבְּשָׁ֨ה (venikhbesha) = en is onderworpen | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְאַחַ֣ר (veachar) = en daarna | תָּשֻׁ֔בוּ (tashuvu) = jullie zullen terugkeren | וִהְיִיתֶ֧ם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | נְקִיִּ֛ים (neqiyim) = vrij van schuld | מֵיְהוָ֖ה (meYahweh) = tegenover Yahweh | וּמִיִּשְׂרָאֵ֑ל (umiyisrael) = en tegenover Israël | וְ֠הָיְתָה (vehayeta) = en zal zijn | הָאָ֨רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֥את (hazot) = dit | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | לַאֲחֻזָּ֖ה (laachuza) = als bezit | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְקִיִּם (neqiyyim), ‘vrij van schuld’: zij hebben dan niets meer te verwijten tegenover Yahweh en Israël. Voetnoot : לַאֲחֻזָּה (la’achuzzah), ‘als bezit’: het land is hun bezit, niet het erfdeel dat aan de stammen in Kanaän wordt toegewezen. Zie ook: Deut 3:20; Joz 1:15; Joz 13:8; Joz 22:4; Joz 22:9 **32:23** Maar als jullie dit niet doen, zie, dan hebben jullie gezondigd tegen Yahweh. Weet dat jullie zonde jullie zal achterhalen. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֤א (lo) = niet | תַעֲשׂוּן֙ (taasun) = jullie doen | כֵּ֔ן (ken) = zo | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | חֲטָאתֶ֖ם (chatatem) = jullie hebben gezondigd | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = tegen Yahweh | וּדְעוּ֙ (udeu) = en weet | חַטַּאתְכֶ֔ם (chatatkhem) = jullie zonde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תִּמְצָ֖א (timtsa) = zal vinden | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַטַּאתְכֶם אֲשֶׁר תִּמְצָא אֶתְכֶם (chattatkhem asher timtsa etkhem), ‘jullie zonde zal jullie vinden’: de gevolgen van de zonde halen hen in. Zie ook: Gen 4:7; Gen 44:16; Ps 90:8; Spr 13:21; Jes 59:12 **32:24** Bouw steden voor jullie kleine kinderen en omheiningen voor jullie kleinvee. Wat uit jullie mond is gekomen, moeten jullie doen.” Brontekst: בְּנֽוּ (benu) = bouw | לָכֶ֤ם (lakhem) = voor jullie | עָרִים֙ (arim) = steden | לְטַפְּכֶ֔ם (letapekhem) = voor jullie kleine kinderen | וּגְדֵרֹ֖ת (ugederot) = en omheiningen | לְצֹנַאֲכֶ֑ם (letsonaakhem) = voor jullie kleinvee | וְהַיֹּצֵ֥א (vehayotse) = en wat uitgaat | מִפִּיכֶ֖ם (mipikhem) = uit jullie mond | תַּעֲשֽׂוּ (taasu) = doe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes herhaalt hun eigen voorstel (vers 16), maar zet de steden voor de kleine kinderen eerst. Ook ‘wat uit jullie mond is gekomen’ houdt hen aan hun eigen woorden. Zie ook: Num 30:3; Num 32:16; Num 32:34–42 ### De overeenkomst **32:25** De zonen van Gad en de zonen van Ruben zeiden tegen Mozes: „Uw dienaren zullen doen wat mijn heer gebiedt. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zeiden | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גָד֙ (gad) = Gad | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לֵאמֹ֑ר (lemor) = om te zeggen | עֲבָדֶ֣יךָ (avadeikha) = uw dienaren | יַעֲשׂ֔וּ (yaasu) = zullen doen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | מְצַוֶּֽה (metsave) = gebiedt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:13–14 **32:26** Onze kleine kinderen, onze vrouwen, onze kudden en al ons vee zullen daar blijven, in de steden van Gilead. Brontekst: טַפֵּ֣נוּ (tapenu) = onze kleine kinderen | נָשֵׁ֔ינוּ (nasheinu) = onze vrouwen | מִקְנֵ֖נוּ (miqnenu) = onze kudden | וְכָל (vekhal) = en al | בְּהֶמְתֵּ֑נוּ (behemtenu) = ons vee | יִֽהְיוּ (yihyu) = zullen zijn | שָׁ֖ם (sham) = daar | בְּעָרֵ֥י (bearei) = in de steden van | הַגִּלְעָֽד (hagilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Joz 1:14 **32:27** Maar uw dienaren zullen oversteken, ieder die voor het leger uitgerust is, voor het aangezicht van Yahweh, naar de oorlog, zoals mijn heer gesproken heeft.” Brontekst: וַעֲבָדֶ֨יךָ (vaavadeikha) = en uw dienaren | יַֽעַבְר֜וּ (yaavru) = zullen oversteken | כָּל (kal) = ieder | חֲל֥וּץ (chaluts) = uitgeruste van | צָבָ֛א (tsava) = het leger | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = naar de oorlog | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | דֹּבֵֽר (dover) = spreekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zij zeggen ‘mijn heer’ tegen Mozes. Dat is de aanspreking van een leider, geen aanspreking van Yahweh. Zie ook: Num 11:28; Num 32:17; Joz 4:12; 2 Kor 10:4–5; Ef 6:10–18 **32:28** Mozes gaf bevel over hen aan Eleazar, de priester, en aan Jozua, de zoon van Nun. Hij gaf het ook aan de familiehoofden van de stammen van de zonen van Israël. Brontekst: וַיְצַ֤ו (vaytsav) = en gebood | לָהֶם֙ (lahem) = hun | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֑וּן (nun) = Nun | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רָאשֵׁ֛י (rashei) = hoofden van | אֲב֥וֹת (avot) = families van | הַמַּטּ֖וֹת (hamatot) = de stammen | לִבְנֵ֥י (livnei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:13 **32:29** Mozes zei tegen hen: „Stel dat de zonen van Gad en de zonen van Ruben met jullie de Jordaan oversteken. Ieder is uitgerust voor de oorlog, voor het aangezicht van Yahweh. Is het land voor jullie onderworpen, dan moeten jullie hun het land Gilead als bezit geven. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | אִם (im) = als | יַעַבְר֣וּ (yaavru) = zullen oversteken | בְנֵי (benei) = de zonen van | גָ֣ד (gad) = Gad | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | רְאוּבֵ֣ן (reuven) = Ruben | אִ֠תְּכֶם (itekhem) = met jullie | אֶֽת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֞ן (hayarden) = de Jordaan | כָּל (kal) = ieder | חָל֤וּץ (chaluts) = uitgerust | לַמִּלְחָמָה֙ (lamilchama) = voor de oorlog | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנִכְבְּשָׁ֥ה (venikhbesha) = en is onderworpen | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לִפְנֵיכֶ֑ם (lifneikhem) = voor jullie | וּנְתַתֶּ֥ם (unetatem) = en jullie zullen geven | לָהֶ֛ם (lahem) = hun | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | הַגִּלְעָ֖ד (hagilad) = Gilead | לַאֲחֻזָּֽה (laachuza) = als bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Wij vertalen וְנִכְבְּשָׁה (venikbeshah), ‘en het is onderworpen’, in vers 22 en 29 hetzelfde. Zie ook: Num 32:22 **32:30** Maar als zij niet uitgerust met jullie oversteken, dan krijgen zij hun bezit te midden van jullie, in het land Kanaän.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֧א (lo) = niet | יַֽעַבְר֛וּ (yaavru) = zullen oversteken | חֲלוּצִ֖ים (chalutsim) = uitgerusten | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = met jullie | וְנֹֽאחֲז֥וּ (venochazu) = en zij zullen bezit krijgen | בְתֹכְכֶ֖ם (betokhekhem) = te midden van jullie | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Joz 22:19 **32:31** De zonen van Gad en de zonen van Ruben antwoordden: „Wat Yahweh tegen uw dienaren gesproken heeft, zo zullen wij doen. Brontekst: וַיַּֽעֲנ֧וּ (vayaanu) = en antwoordden | בְנֵי (benei) = de zonen van | גָ֛ד (gad) = Gad | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | רְאוּבֵ֖ן (reuven) = Ruben | לֵאמֹ֑ר (lemor) = om te zeggen | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | דִּבֶּ֧ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | עֲבָדֶ֖יךָ (avadeikha) = uw dienaren | כֵּ֥ן (ken) = zo | נַעֲשֶֽׂה (naase) = zullen wij doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **32:32** Wij zelf zullen uitgerust voor het aangezicht van Yahweh oversteken naar het land Kanaän. Maar het bezit van ons erfdeel blijft bij ons, aan de oostkant van de Jordaan.” Brontekst: נַ֣חְנוּ (nachnu) = wij | נַעֲבֹ֧ר (naavor) = zullen oversteken | חֲלוּצִ֛ים (chalutsim) = uitgerusten | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וְאִתָּ֨נוּ֙ (veitanu) = en met ons | אֲחֻזַּ֣ת (achuzat) = bezit van | נַחֲלָתֵ֔נוּ (nachalatenu) = ons erfdeel | מֵעֵ֖בֶר (meever) = van de overkant van | לַיַּרְדֵּֽן (layarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. ### Het land ten oosten van de Jordaan **32:33** Mozes gaf het koninkrijk van Sichon, de koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, de koning van Basan. Hij gaf het hun, de zonen van Gad, de zonen van Ruben en de helft van de stam van Manasse, de zoon van Jozef. Dat is het land met zijn steden, binnen de grenzen, en de steden van het land rondom. Brontekst: וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en gaf | לָהֶ֣ם (lahem) = hun | מֹשֶׁ֡ה (moshe) = Mozes | לִבְנֵי (livnei) = aan de zonen van | גָד֩ (gad) = Gad | וְלִבְנֵ֨י (velivnei) = en aan de zonen van | רְאוּבֵ֜ן (reuven) = Ruben | וְלַחֲצִ֣י (velachatsi) = en aan de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = stam van | מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | בֶן (ben) = zoon van | יוֹסֵ֗ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (obj.) | מַמְלֶ֨כֶת֙ (mamlekhet) = koninkrijk van | סִיחֹן֙ (sichon) = Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amorieten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַמְלֶ֔כֶת (mamlekhet) = koninkrijk van | ע֖וֹג (og) = Og | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֑ן (habashan) = Basan | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | לְעָרֶ֨יהָ֙ (leareiha) = met zijn steden | בִּגְבֻלֹ֔ת (bigvulot) = binnen de grenzen van | עָרֵ֥י (arei) = steden van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het koninkrijk van Sichon, koning van de Amorieten, lag rond Chesbon; het koninkrijk van Og, koning van Basan, noordelijker, tot aan de berg Hermon (Num. 21:21–35; Deut. 3:1–11). Samen is dit het gebied ten oosten van de Jordaan, nu in Jordanië en Syrië. Voetnoot Uitleg: Mozes geeft het land ook aan de helft van de stam Manasse, die in vers 1–32 nog niet genoemd werd. Over wat er verder met de helft van Manasse gebeurt, zie vers 39–42 en Num. 34:14–15. Zie ook: Num 21:21–35; Num 32:1–32; Num 32:39–42; Num 34:14–15; Deut 3:1–11; Deut 3:12–17; Deut 29:7; Joz 12:6; Joz 22:4; 1 Kron 5:18 ### De steden van Gad en Ruben **32:34** De zonen van Gad bouwden Dibon, Atarot en Aroër, Brontekst: וַיִּבְנ֣וּ (vayivnu) = en bouwden | בְנֵי (benei) = de zonen van | גָ֔ד (gad) = Gad | אֶת (et) = (obj.) | דִּיבֹ֖ן (divon) = Dibon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲטָרֹ֑ת (atarot) = Atarot | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | עֲרֹעֵֽר (aroer) = Aroër Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië. Zie Atarot: Atarot wordt gezocht bij Khirbet Attarus, ten noorden van de Arnon. Zie Aroër: Aroër lag aan de rand van de Arnonkloof, bij het huidige Khirbet Arair in Jordanië. Voetnoot Uitleg: בָּנוּ (banu), ‘bouwen’: de stammen bouwen de steden opnieuw op of versterken ze. Zij krijgen ze van Mozes als bezit; vergelijk vers 33. Zie ook: Num 21:20; Num 32:3; Num 32:33; Num 33:45–46; Deut 2:36; Jes 17:2 **32:35** Atrot-Sofan, Jaëzer en Jogbeha, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַטְרֹ֥ת (atrot) = Atrot | שׁוֹפָ֛ן (shofan) = Sofan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יַעְזֵ֖ר (yazer) = Jaëzer | וְיָגְבֳּהָֽה (veyagboha) = en Jogbeha Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jaëzer: Jaëzer lag ten noorden van Chesbon, vermoedelijk in het gebied tussen Amman en As-Salt. De precieze plaats is niet zeker. Zie Jogbeha: Jogbeha wordt gezocht bij Khirbet el-Jubeihat, in de buurt van Amman. Zie ook: Num 32:1; Num 32:3 **32:36** Bet-Nimra en Bet-Haran, versterkte steden, en omheiningen voor kleinvee. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = Bet | נִמְרָ֖ה (nimra) = Nimra | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = Bet | הָרָ֑ן (haran) = Haran | עָרֵ֥י (arei) = steden van | מִבְצָ֖ר (mivtsar) = versterking | וְגִדְרֹ֥ת (vegidrot) = en omheiningen van | צֹֽאן (tson) = kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nimra: Nimra (Bet-Nimra) wordt gezocht bij Tell Nimrin, in het Jordaandal. Zie Bet-Haran: Bet-Haran wordt gezocht bij Tell Iktanu, in het Jordaandal ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: גִּדְרֹת צֹאן (gidrot tson), ‘omheiningen voor kleinvee’: zie vers 16. Zie ook: Num 32:3; Num 32:16 **32:37** De zonen van Ruben bouwden Chesbon, Elale en Kirjatajim, Brontekst: וּבְנֵ֤י (uvenei) = en de zonen van | רְאוּבֵן֙ (reuven) = Ruben | בָּנ֔וּ (banu) = bouwden | אֶת (et) = (obj.) | חֶשְׁבּ֖וֹן (cheshbon) = Chesbon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶלְעָלֵ֑א (elale) = Elale | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | קִרְיָתָֽיִם (qiryatayim) = Kirjatajim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Elale: Elale (nu El-Al) lag ten noorden van Chesbon, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 21:27; Num 32:3; Jes 15:4 **32:38** Nebo en Baäl-Meon, waarvan de namen veranderd werden, en Sibma. Zij gaven namen aan de steden die zij gebouwd hadden. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | נְב֞וֹ (nevo) = Nebo | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בַּ֧עַל (baal) = Baäl | מְע֛וֹן (meon) = Meon | מֽוּסַבֹּ֥ת (musabot) = veranderd | שֵׁ֖ם (shem) = naam | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שִׂבְמָ֑ה (sivma) = Sibma | וַיִּקְרְא֣וּ (vayiqreu) = en zij gaven namen | בְשֵׁמֹ֔ת (beshemot) = namen van | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֥וֹת (shemot) = de namen van | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בָּנֽוּ (banu) = zij bouwden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië. Zie Baäl-Meon: Baäl-Meon (Beon) wordt gezocht bij het huidige Main, ten zuidwesten van Madaba. Voetnoot Uitleg: מוּסַבֹּת שֵׁם (musabbot shem), ‘waarvan de namen veranderd werden’: Beide namen bevatten de naam van een god (Nebo, Baäl). Wij nemen aan dat de stammen daarom andere namen gaven; de nieuwe namen worden niet genoemd. Zie ook: Gen 26:18; Ex 23:13; Num 32:3; Joz 23:7; Jes 46:1 ### Machir, Jaïr en Nobach **32:39** De zonen van Machir, de zoon van Manasse, trokken naar Gilead, namen het in en verdreven de Amorieten die daar woonden. Brontekst: וַיֵּ֨לְכ֜וּ (vayelekhu) = en gingen | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | מָכִ֧יר (makhir) = Machir | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּׁ֛ה (menashe) = Manasse | גִּלְעָ֖דָה (gilada) = naar Gilead | וַֽיִּלְכְּדֻ֑הָ (vayilkeduha) = en namen haar in | וַיּ֖וֹרֶשׁ (vayoresh) = en verdreven | אֶת (et) = (obj.) | הָאֱמֹרִ֥י (haemori) = de Amorieten | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Machir is de zoon van Manasse (Gen. 50:23). Zijn nakomelingen veroveren Gilead. Zie ook: Gen 50:23; Num 26:29; Joz 17:1 **32:40** Mozes gaf Gilead aan Machir, de zoon van Manasse, en hij ging daar wonen. Brontekst: וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en gaf | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַגִּלְעָ֔ד (hagilad) = Gilead | לְמָכִ֖יר (lemakhir) = aan Machir | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Deut 3:13–15; Joz 13:29–31; Joz 17:1 **32:41** Jaïr, de zoon van Manasse, trok erheen en nam hun dorpen in. Hij noemde ze Chavvot-Jaïr. Brontekst: וְיָאִ֤יר (veyair) = en Jaïr | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּׁה֙ (menashe) = Manasse | הָלַ֔ךְ (halakh) = ging | וַיִּלְכֹּ֖ד (vayilkod) = en nam in | אֶת (et) = (obj.) | חַוֺּתֵיהֶ֑ם (chavoteihem) = hun dorpen | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en noemde | אֶתְהֶ֖ן (ethen) = hen | חַוֺּ֥ת (chavot) = Chavvot | יָאִֽיר (yair) = Jaïr Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַוֹּת יָאִיר (Chavvot Jaïr), ‘dorpen van Jaïr’: חַוָּה (chavvah) is een tentdorp. Zie ook: Deut 3:14; Joz 13:30; Re 10:4; 1 Kron 2:21–23; 1 Kon 4:13 **32:42** Nobach trok erheen en nam Kenat in, met de dorpen eromheen. Hij noemde het Nobach, naar zijn eigen naam. Brontekst: וְנֹ֣בַח (venovach) = en Nobach | הָלַ֔ךְ (halakh) = ging | וַיִּלְכֹּ֥ד (vayilkod) = en nam in | אֶת (et) = (obj.) | קְנָ֖ת (qenat) = Kenat | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹתֶ֑יהָ (benoteiha) = haar dorpen | וַיִּקְרָ֧א (vayiqra) = en noemde | לָ֦ה (la) = haar | נֹ֖בַח (novach) = Nobach | בִּשְׁמֽוֹ (bishmo) = naar zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kenat: Kenat wordt gezocht bij het huidige Qanawat, in het zuiden van Syrië. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Nobach noemt de stad Kenat naar zijn eigen naam; later heet de plaats weer Nobach (Richt. 8:11). Zie ook: Re 8:11; 2 Sam 18:18; Ps 49:12 ## Numeri 33 _De tochten van Israël van Egypte tot de vlakten van Moab_ ### De lijst van de tochten **33:1** Dit zijn de tochten van de zonen van Israël, die onder leiding van Mozes en Aäron met hun legerscharen uit het land Egypte zijn getrokken. Brontekst: אֵ֜לֶּה (ele) = dit zijn | מַסְעֵ֣י (masei) = tochten van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָצְא֛וּ (yatseu) = uittrokken | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לְצִבְאֹתָ֑ם (letsivotam) = naar hun legerscharen | בְּיַד (beyad) = onder leiding van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹֽן (veaharon) = en Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מַסְעֵי (masei), ‘tochten’: elke tocht loopt van het ene kampement naar het volgende. De lijst noemt 42 kampementen, van Raämses tot de vlakten van Moab. Veel namen staan alleen in dit hoofdstuk; de plaatsen die ook elders voorkomen, noemen wij hieronder. Voetnoot : צִבְאֹתָם (tsiv’otam), ‘legerscharen’: zoals in Exod. 12:17 en 12:41. Zie ook: Ex 12:17; Ex 12:41; Ex 12:51; Ex 13:18; Joz 24:5; Ps 77:21; Mi 6:4 **33:2** Mozes schreef hun vertrekpunten op, hun tochten, op bevel van Yahweh. Dit zijn hun tochten, volgens hun vertrekpunten. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֨ב (vayikhtov) = en schreef op | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | מוֹצָאֵיהֶ֛ם (motsaeihem) = hun vertrekpunten | לְמַסְעֵיהֶ֖ם (lemaseihem) = voor hun tochten | עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = bevel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֵ֥לֶּה (veele) = en dit zijn | מַסְעֵיהֶ֖ם (maseihem) = hun tochten | לְמוֹצָאֵיהֶֽם (lemotsaeihem) = volgens hun vertrekpunten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes schrijft de lijst op bevel van Yahweh op. Het Hebreeuws noemt eerst het ‘vertrekpunt’ (מוֹצָא, motsa) en dan de ‘tocht’ (מַסַּע, massa): de lijst loopt van vertrekpunt naar vertrekpunt. Zie ook: Num 9:17–23; Num 10:6; Num 10:13; Deut 1:2; Deut 10:11 ### Van Raämses naar de Sinaï **33:3** Zij braken op uit Raämses, in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand. De dag na het Pesach trokken de zonen van Israël uit met opgeheven hand, voor de ogen van heel Egypte. Brontekst: וַיִּסְע֤וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵֽרַעְמְסֵס֙ (merameses) = uit Raämses | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָֽרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | בַּחֲמִשָּׁ֥ה (bachamisha) = op vijf | עָשָׂ֛ר (asar) = tien | י֖וֹם (yom) = dag | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָרִאשׁ֑וֹן (harishon) = de eerste | מִֽמָּחֳרַ֣ת (mimachorat) = de dag na | הַפֶּ֗סַח (hapesach) = het Pesach | יָצְא֤וּ (yatseu) = trokken uit | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּיָ֣ד (beyad) = met hand | רָמָ֔ה (rama) = opgeheven | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = heel | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Raämses ligt in de oostelijke Nijldelta, in Egypte; zie Exod. 12:37. De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Qantir of Tell el-Dab’a. Voetnoot Uitleg: בְּיָד רָמָה (beyad ramah), ‘met opgeheven hand’: zie Exod. 14:8. Het Pesach is op de veertiende dag van de eerste maand (Exod. 12:6; Lev. 23:5). Zie ook: Ex 12:2; Ex 12:6; Ex 12:37; Ex 13:4; Ex 14:8; Lev 23:5; Jes 52:12 **33:4** Egypte begroef al zijn eerstgeborenen, die Yahweh onder hen had geslagen. Ook over hun goden had Yahweh gerichten voltrokken. Brontekst: וּמִצְרַ֣יִם (umitsrayim) = en Egypte | מְקַבְּרִ֗ים (meqaberim) = begroef | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wie | הִכָּ֧ה (hika) = had geslagen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּהֶ֖ם (bahem) = onder hen | כָּל (kal) = alle | בְּכ֑וֹר (bekhor) = eerstgeborene | וּבֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם (uveloheihem) = en over hun goden | עָשָׂ֥ה (asa) = voerde uit | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁפָטִֽים (shefatim) = gerichten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit verwijst naar de tiende plaag (Exod. 12:29–30) en naar het oordeel over de goden van Egypte (Exod. 12:12). Zie ook: Ex 12:12; Ex 12:29–30; Ex 18:11; Jes 19:1; Sef 2:11; Openb 12:7–9 **33:5** De zonen van Israël braken op uit Raämses en legerden zich in Sukkot. Brontekst: וַיִּסְע֥וּ (vayisu) = en zij braken op | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵרַעְמְסֵ֑ס (merameses) = uit Raämses | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּסֻכֹּֽת (besukot) = in Sukkot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sukkot ligt waarschijnlijk in het oostelijke deel van de Nijldelta, bij Wadi Tumilat (Egypte); de ligging is onzeker. Zie Exod. 12:37; 13:20. Zie Raämses: Raämses (Pi-Ramesse) wordt gezocht in het oosten van de Nijldelta, bij Qantir. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Ex 12:37; Ex 13:20 **33:6** Zij braken op uit Sukkot en legerden zich in Etam, aan de rand van de woestijn. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִסֻּכֹּ֑ת (misukot) = uit Sukkot | וַיַּחֲנ֣וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְאֵתָ֔ם (beetam) = in Etam | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בִּקְצֵ֥ה (biqtse) = aan de rand van | הַמִּדְבָּֽר (hamidbar) = de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Etam ligt aan de rand van de woestijn; de ligging is onzeker (oostelijk deel van de Nijldelta, Egypte). Zie Exod. 13:20. Zie Sukkot: Dit Sukkot lag in het oosten van de Nijldelta, in het Wadi Tumilat (misschien Tell el-Maskhuta); het is een andere plaats dan het Sukkot ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Ex 13:20 **33:7** Zij braken op uit Etam en keerden terug naar Pi-Hachirot, dat tegenover Baäl-Sefon ligt, en legerden zich voor Migdol. Brontekst: וַיִּסְעוּ֙ (vayisu) = en zij braken op | מֵֽאֵתָ֔ם (meetam) = uit Etam | וַיָּ֨שָׁב֙ (vayashav) = en keerden terug | עַל (al) = naar | פִּ֣י (pi) = de monding van | הַחִירֹ֔ת (hachirot) = Hachirot | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עַל (al) = aan | פְּנֵ֖י (penei) = de voorzijde van | בַּ֣עַל (baal) = Baäl | צְפ֑וֹן (tsefon) = Sefon | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | מִגְדֹּֽל (migdol) = Migdol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Pi-Hachirot, Baäl-Sefon en Migdol liggen in het oosten van de Nijldelta, bij de zee waar Israël doorheen trok (Exod. 14:2, 9). De precieze ligging is onzeker. Zie Etam: Etam lag aan de rand van de woestijn, ten oosten van Egypte. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt dat zij ‘terugkeerden’ (וַיָּשָׁב, vayashav); zie Exod. 14:1–2, waar Yahweh bevolen heeft terug te keren. Zie ook: Ex 14:1–2; Ex 14:2; Ex 14:9; Num 33:8 **33:8** Zij braken op uit Pi-Hachirot en trokken midden door de zee de woestijn in. Drie dagen liepen zij door de woestijn Etam en legerden zich in Mara. Brontekst: וַיִּסְעוּ֙ (vayisu) = en zij braken op | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = van voor | הַֽחִירֹ֔ת (hachirot) = Hachirot | וַיַּֽעַבְר֥וּ (vayaavru) = en trokken over | בְתוֹךְ (betokh) = midden in | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | הַמִּדְבָּ֑רָה (hamidbara) = de woestijn in | וַיֵּ֨לְכ֜וּ (vayelekhu) = en zij liepen | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | שְׁלֹ֤שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִים֙ (yamim) = dagen | בְּמִדְבַּ֣ר (bemidbar) = in de woestijn | אֵתָ֔ם (etam) = Etam | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּמָרָֽה (bemara) = in Mara Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Etam is het gebied ten oosten van de zee. Mara ligt waarschijnlijk in het noordwesten van de Sinaï (Egypte); de ligging is onzeker. Zie Exod. 15:22–23. Zie Pi-Hachirot: Pi-Hachirot lag bij de Rietzee, tegenover Baäl-Sefon. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘midden in de zee’; zie Exod. 14:22 en 14:29. Zie ook: Ex 14:21–31; Ex 14:22; Ex 14:29; Ex 15:22–26 **33:9** Zij braken op uit Mara en kwamen in Elim. In Elim waren 12 waterbronnen en 70 palmbomen. Daar legerden zij zich. Brontekst: וַיִּסְעוּ֙ (vayisu) = en zij braken op | מִמָּרָ֔ה (mimara) = uit Mara | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en kwamen | אֵילִ֑מָה (eilima) = naar Elim | וּ֠בְאֵילִם (uveeilim) = en in Elim | שְׁתֵּ֣ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֞ה (esre) = tien | עֵינֹ֥ת (einot) = bronnen van | מַ֛יִם (mayim) = water | וְשִׁבְעִ֥ים (veshivim) = en zeventig | תְּמָרִ֖ים (temarim) = palmbomen | וַיַּחֲנוּ (vayachanu) = en zij legerden zich | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Elim: zie Exod. 15:27. De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Wadi Gharandel in de Sinaï (Egypte). Zie Mara: Mara (‘bitter’) wordt van oudsher gezocht bij Ain Hawara, aan de oostkust van de Golf van Suez. Dit is een traditionele identificatie. Zie ook: Ex 15:27 **33:10** Zij braken op uit Elim en legerden zich aan de Rietzee. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵאֵילִ֑ם (meeilim) = uit Elim | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | עַל (al) = aan | יַם (yam) = de zee | סֽוּף (suf) = Riet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elim: Elim, met twaalf bronnen en zeventig palmbomen, wordt van oudsher gezocht bij Wadi Gharandel. Dit is een traditionele identificatie. Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Dit kampement staat niet in Exodus. Het ligt aan de Rietzee (Rode Zee), in het westen van de Sinaï (Egypte). Zie ook: Ex 16:1; Ex 17:1 **33:11** Zij braken op bij de Rietzee en legerden zich in de woestijn Sin. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִיַּם (miyam) = van de zee | ס֑וּף (suf) = Riet | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּמִדְבַּר (bemidbar) = in de woestijn | סִֽין (sin) = Sin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Sin: zie Exod. 16:1. Zij ligt tussen Elim en de Sinaï (Egypte); de precieze ligging is onzeker. Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Zie Woestijn Sin: De woestijn Sin ligt tussen Elim en de Sinaï. De traditionele ligging is de kustvlakte aan de westkant van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 16:1 **33:12** Zij braken op uit de woestijn Sin en legerden zich in Dofka. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִמִּדְבַּר (mimidbar) = uit de woestijn | סִ֑ין (sin) = Sin | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּדָפְקָֽה (bedafeqa) = in Dofka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Woestijn Sin: De woestijn Sin ligt tussen Elim en de Sinaï. De traditionele ligging is de kustvlakte aan de westkant van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: Dofka en Alus (vers 13) staan alleen in dit hoofdstuk. Hun ligging is onbekend; zij liggen tussen de woestijn Sin en Refidim. Zie ook: Num 33:13 **33:13** Zij braken op uit Dofka en legerden zich in Alus. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִדָּפְקָ֑ה (midafeqa) = uit Dofka | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּאָלֽוּשׁ (bealush) = in Alus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:14** Zij braken op uit Alus en legerden zich in Refidim. Daar was geen water voor het volk om te drinken. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵאָל֑וּשׁ (mealush) = uit Alus | וַֽיַּחֲנוּ֙ (vayachanu) = en zij legerden zich | בִּרְפִידִ֔ם (birfidim) = in Refidim | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֨יָה (haya) = was | שָׁ֥ם (sham) = daar | מַ֛יִם (mayim) = water | לָעָ֖ם (laam) = voor het volk | לִשְׁתּֽוֹת (lishtot) = om te drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Refidim: zie Exod. 17:1. De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Wadi Refayid of Wadi Feiran in de Sinaï (Egypte). Voetnoot Uitleg: Er was geen water voor het volk; zie Exod. 17:1–7. Zie ook: Ex 17:1–8; Ex 19:2 **33:15** Zij braken op uit Refidim en legerden zich in de woestijn Sinaï. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵרְפִידִ֑ם (merefidim) = uit Refidim | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּמִדְבַּ֥ר (bemidbar) = in de woestijn | סִינָֽי (sinay) = Sinaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Sinaï: zie Exod. 19:1–2. De berg Sinaï (Horeb) ligt waarschijnlijk in het zuiden van het Sinaï-schiereiland (Egypte); de ligging is onzeker. Zie Refidim: Refidim wordt van oudsher gezocht in Wadi Feiran, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Dit is een traditionele identificatie. Zie ook: Ex 16:1; Ex 19:1–2 ### Van de Sinaï naar Kades **33:16** Zij braken op uit de woestijn Sinaï en legerden zich in Kibrot-Hattaava. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִמִּדְבַּ֣ר (mimidbar) = uit de woestijn | סִינָ֑י (sinay) = Sinaï | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּקִבְרֹ֥ת (beqivrot) = in Kibrot | הַֽתַּאֲוָֽה (hataava) = Hattaäva Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kibrot-Hattaava ligt in de woestijn, ten noorden van de Sinaï (Egypte); de ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: קִבְרוֹת הַתַּאֲוָה (qivrot hattaavah), ‘graven van de begeerte’: zie Num. 11:34–35. Zie ook: Num 10:11–13; Num 10:33; Num 11:4; Num 11:34; Deut 1:6 **33:17** Zij braken op uit Kibrot-Hattaava en legerden zich in Chaserot. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִקִּבְרֹ֣ת (miqivrot) = uit Kibrot | הַֽתַּאֲוָ֑ה (hataava) = Hattaäva | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בַּחֲצֵרֹֽת (bachatserot) = in Chaserot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chaserot: zie Num. 11:35 en 12:16. De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Ain Chudra in de Sinaï (Egypte). Zie ook: Num 11:35; Num 12:16 **33:18** Zij braken op uit Chaserot en legerden zich in Ritma. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵחֲצֵרֹ֑ת (mechatserot) = uit Chaserot | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּרִתְמָֽה (beritma) = in Ritma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaserot: Chaserot wordt voorgesteld bij Ain Chudra, ten noordoosten van de Sinaï. Dit is een voorstel; de plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Ritma en de volgende namen (vers 19–35) staan alleen in dit hoofdstuk en zijn onbekend. Wij weten alleen dat Israël van Chaserot naar de woestijn Paran trok (Num. 12:16) en dat de tocht door de woestijn lang duurde. Zie ook: Num 12:16; Num 33:19–35 **33:19** Zij braken op uit Ritma en legerden zich in Rimmon-Peres. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵרִתְמָ֑ה (meritma) = uit Ritma | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּרִמֹּ֥ן (berimon) = in Rimmon | פָּֽרֶץ (parets) = Peres Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:20** Zij braken op uit Rimmon-Peres en legerden zich in Libna. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵרִמֹּ֣ן (merimon) = uit Rimmon | פָּ֑רֶץ (parets) = Peres | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּלִבְנָֽה (belivna) = in Libna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:21** Zij braken op uit Libna en legerden zich in Rissa. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִלִּבְנָ֑ה (milivna) = uit Libna | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּרִסָּֽה (berisa) = in Rissa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 1:1 **33:22** Zij braken op uit Rissa en legerden zich in Kehelata. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵרִסָּ֑ה (merisa) = uit Rissa | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בִּקְהֵלָֽתָה (biqhelata) = in Kehelata Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:23** Zij braken op uit Kehelata en legerden zich bij de berg Sefer. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִקְּהֵלָ֑תָה (miqehelata) = uit Kehelata | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּהַר (behar) = bij de berg | שָֽׁפֶר (shafer) = Sefer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:24** Zij braken op bij de berg Sefer en legerden zich in Charada. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵֽהַר (mehar) = van de berg | שָׁ֑פֶר (shafer) = Sefer | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בַּחֲרָדָֽה (bacharada) = in Charada Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:25** Zij braken op uit Charada en legerden zich in Makhelot. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵחֲרָדָ֑ה (mecharada) = uit Charada | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּמַקְהֵלֹֽת (bemaqhelot) = in Makhelot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:26** Zij braken op uit Makhelot en legerden zich in Tachat. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִמַּקְהֵלֹ֑ת (mimaqhelot) = uit Makhelot | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּתָֽחַת (betachat) = in Tachat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:27** Zij braken op uit Tachat en legerden zich in Terach. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִתָּ֑חַת (mitachat) = uit Tachat | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּתָֽרַח (betarach) = in Terach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:28** Zij braken op uit Terach en legerden zich in Mitka. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִתָּ֑רַח (mitarach) = uit Terach | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּמִתְקָֽה (bemitqa) = in Mitka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:29** Zij braken op uit Mitka en legerden zich in Chasmona. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִמִּתְקָ֑ה (mimitqa) = uit Mitka | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּחַשְׁמֹנָֽה (bechashmona) = in Chasmona Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:30** Zij braken op uit Chasmona en legerden zich in Moserot. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵֽחַשְׁמֹנָ֑ה (mechashmona) = uit Chasmona | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּמֹסֵרֽוֹת (bemoserot) = in Moserot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:5–6 **33:31** Zij braken op uit Moserot en legerden zich in Bene-Jaäkan. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִמֹּסֵר֑וֹת (mimoserot) = uit Moserot | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בִּבְנֵ֥י (bivnei) = in Bene | יַעֲקָֽן (yaaqan) = Jaäkan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bene-Jaäkan (‘zonen van Jaäkan’) en Chor-Haggidgad (vers 32) zijn plaatsen waarvan de ligging onzeker is. Deut. 10:6–7 noemt ook Bene-Jaäkan en Jotbata. Zie ook: Gen 36:27; Num 33:32; Deut 10:6; 1 Kron 1:43 **33:32** Zij braken op uit Bene-Jaäkan en legerden zich in Chor-Haggidgad. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = uit Bene | יַעֲקָ֑ן (yaaqan) = Jaäkan | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּחֹ֥ר (bechor) = in Chor | הַגִּדְגָּֽד (hagidgad) = Haggidgad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:7 **33:33** Zij braken op uit Chor-Haggidgad en legerden zich in Jotbata. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵחֹ֣ר (mechor) = uit Chor | הַגִּדְגָּ֑ד (hagidgad) = Haggidgad | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּיָטְבָֽתָה (beyatevata) = in Jotbata Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:7 **33:34** Zij braken op uit Jotbata en legerden zich in Abrona. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִיָּטְבָ֑תָה (miyatevata) = uit Jotbata | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּעַבְרֹנָֽה (beavrona) = in Abrona Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:35** Zij braken op uit Abrona en legerden zich in Ezjon-Geber. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵֽעַבְרֹנָ֑ה (meavrona) = uit Abrona | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּעֶצְי֥וֹן (beetsyon) = in Ezjon | גָּֽבֶר (gaver) = Geber Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ezjon-Geber ligt aan de Golf van Akaba (Jordanië/Israël); zie 1 Kon. 9:26. De precieze ligging is onzeker. Zie Elat en Ezjon-Geber: Elat en Ezjon-Geber lagen aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba en Eilat. Zie ook: Num 14:25; Deut 2:8; 1 Kon 9:26; 1 Kon 22:49; 2 Kron 20:36 **33:36** Zij braken op uit Ezjon-Geber en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵעֶצְי֣וֹן (meetsyon) = uit Ezjon | גָּ֑בֶר (gaver) = Geber | וַיַּחֲנ֥וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְמִדְבַּר (bemidbar) = in de woestijn | צִ֖ן (tsin) = Zin | הִ֥וא (hi) = dat | קָדֵֽשׁ (qadesh) = Kades Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elat en Ezjon-Geber: Elat en Ezjon-Geber lagen aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba en Eilat. Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades. De grenzen zijn niet precies bekend. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Voetnoot Uitleg: Wij schrijven hier ‘de woestijn Zin’ (צִן, tsin), de woestijn waarin Kades ligt (Num. 20:1). Dit is een andere naam dan de woestijn Sin (vers 11; סִין, sin). Voetnoot : Wat tussen Chaserot en Kades is gebeurd, staat in Num. 13–20. Zie ook: Num 13:21; Num 20:1; Num 27:14; Num 33:11; Deut 32:51 ### Kades en de dood van Aäron **33:37** Zij braken op uit Kades en legerden zich bij de berg Hor, aan de rand van het land Edom. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִקָּדֵ֑שׁ (miqadesh) = uit Kades | וַֽיַּחֲנוּ֙ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּהֹ֣ר (behor) = bij de berg | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | בִּקְצֵ֖ה (biqtse) = aan de rand van | אֶ֥רֶץ (erets) = het land | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Hor ligt aan de rand van Edom; zie Num. 20:22–23. De precieze ligging is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Jebel Madurah of Jebel Harun bij Petra (Jordanië). Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Num 20:16; Num 20:22–23; Num 21:4 **33:38** Aäron, de priester, ging op bevel van Yahweh de berg Hor op en stierf daar. Dat was in het veertigste jaar na de uittocht van de zonen van Israël uit het land Egypte. Het was in de vijfde maand, op de eerste dag van de maand. Brontekst: וַיַּעַל֩ (vayaal) = en ging op | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶל (el) = naar | הֹ֥ר (hor) = berg | הָהָ֛ר (hahar) = de berg | עַל (al) = op | פִּ֥י (pi) = bevel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּ֣מָת (vayamat) = en stierf | שָׁ֑ם (sham) = daar | בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar | הָֽאַרְבָּעִ֗ים (haarbaim) = de veertigste | לְצֵ֤את (letset) = na de uittocht van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַחֲמִישִׁ֖י (hachamishi) = de vijfde | בְּאֶחָ֥ד (beechad) = op de eerste | לַחֹֽדֶשׁ (lachodesh) = van de maand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Aäron sterft op de berg Hor; zie Num. 20:22–29. Het sterfjaar en de datum staan alleen hier: het veertigste jaar, de eerste dag van de vijfde maand. Zie ook: Num 20:22–29; Num 20:24–28; Deut 10:6; Deut 32:50 **33:39** Aäron was 123 jaar oud toen hij op de berg Hor stierf. Brontekst: וְאַהֲרֹ֔ן (veaharon) = en Aäron | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁלֹ֧שׁ (shalosh) = drie | וְעֶשְׂרִ֛ים (veesrim) = en twintig | וּמְאַ֖ת (umeat) = en honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | בְּמֹת֖וֹ (bemoto) = bij zijn sterven | בְּהֹ֥ר (behor) = op de berg | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Aäron was 83 jaar toen hij met Mozes voor de farao stond (Exod. 7:7); nu is hij 123. Zie ook: Ex 7:7 **33:40** De Kanaäniet, de koning van Arad, die in de Negev woonde, in het land Kanaän, hoorde dat de zonen van Israël kwamen. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֗ע (vayishma) = en hoorde | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | עֲרָ֔ד (arad) = Arad | וְהֽוּא (vehu) = en hij | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = woonde | בַּנֶּ֖גֶב (banegev) = in de Negev | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | בְּבֹ֖א (bevo) = bij het komen van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Arad ligt in de Negev, in het zuiden van Israël (Tel Arad). Zie Num. 21:1–3, waar deze koning Israël aanvalt. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Num 21:1–9 ### Van de berg Hor naar de vlakten van Moab **33:41** Zij braken op bij de berg Hor en legerden zich in Zalmona. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵהֹ֣ר (mehor) = van de berg | הָהָ֑ר (hahar) = de berg | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּצַלְמֹנָֽה (betsalmona) = in Zalmona Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zalmona en Punon (vers 42): Punon ligt in het huidige Jordanië (Feinan, in de Arava); Zalmona ligt waarschijnlijk in de buurt. Zie Num. 21:4. Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië. Dit is niet zeker. Zie ook: Num 21:4; Num 33:42 **33:42** Zij braken op uit Zalmona en legerden zich in Punon. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִצַּלְמֹנָ֑ה (mitsalmona) = uit Zalmona | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּפוּנֹֽן (befunon) = in Punon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Punon: Punon wordt gezocht bij Feinan, in de Araba in het zuidwesten van Jordanië. **33:43** Zij braken op uit Punon en legerden zich in Obot. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִפּוּנֹ֑ן (mipunon) = uit Punon | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּאֹבֹֽת (beovot) = in Obot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Obot: zie Num. 21:10. De ligging is onzeker; zij ligt ten oosten van de Arava, aan de rand van Moab en Edom (Jordanië). Zie Punon: Punon wordt gezocht bij Feinan, in de Araba in het zuidwesten van Jordanië. Zie ook: Num 21:10 **33:44** Zij braken op uit Obot en legerden zich in Ije-Abarim, aan de grens van Moab. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵאֹבֹ֑ת (meovot) = uit Obot | וַֽיַּחֲנ֛וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּעִיֵּ֥י (beiyei) = in Ije | הָעֲבָרִ֖ים (haavarim) = Abarim | בִּגְב֥וּל (bigvul) = aan de grens van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ije-Abarim: zie Num. 21:11. De ligging is onzeker; het ligt in de woestijn aan de oostkant van Moab (Jordanië). Zie ook: Num 21:11 **33:45** Zij braken op uit Ijim en legerden zich in Dibon-Gad. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵעִיִּ֑ים (meiyim) = uit Ijim | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּדִיבֹ֥ן (bedivon) = in Dibon | גָּֽד (gad) = Gad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dibon-Gad is Dibon, het huidige Dhiban in Jordanië; zie Num. 32:3 en 32:34. Voetnoot Uitleg: Ijim (עִיִּים) is een korte vorm van Ije-Abarim (vers 44). Zie ook: Num 32:3; Num 32:34; Num 33:44 **33:46** Zij braken op uit Dibon-Gad en legerden zich in Almon-Diblatajim. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מִדִּיבֹ֣ן (midivon) = uit Dibon | גָּ֑ד (gad) = Gad | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּעַלְמֹ֥ן (bealmon) = in Almon | דִּבְלָתָֽיְמָה (divlatayema) = Diblatajim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Almon-Diblatajim ligt in Moab (Jordanië); de ligging is onzeker. Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 32:34; Jes 15:2; Jer 48:18; Jer 48:22; Ezech 6:14 **33:47** Zij braken op uit Almon-Diblatajim en legerden zich in de bergen van Abarim, tegenover Nebo. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵעַלְמֹ֣ן (mealmon) = uit Almon | דִּבְלָתָ֑יְמָה (divlatayema) = Diblatajim | וַֽיַּחֲנ֛וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּהָרֵ֥י (beharei) = in de bergen van | הָעֲבָרִ֖ים (haavarim) = Abarim | לִפְנֵ֥י (lifnei) = tegenover | נְבֽוֹ (nevo) = Nebo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De bergen van Abarim liggen ten oosten van de Dode Zee (Jordanië). Nebo is een berg in dit gebergte; zie Num. 32:3 en Deut. 32:49. Zie ook: Num 21:20; Num 27:12; Num 32:3; Deut 32:49; Deut 34:1 **33:48** Zij braken op uit de bergen van Abarim en legerden zich op de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho. Brontekst: וַיִּסְע֖וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵהָרֵ֣י (meharei) = uit de bergen van | הָעֲבָרִ֑ים (haavarim) = Abarim | וַֽיַּחֲנוּ֙ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּעַֽרְבֹ֣ת (bearvot) = op de vlakten van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | עַ֖ל (al) = aan | יַרְדֵּ֥ן (yarden) = Jordaan | יְרֵחֽוֹ (yerecho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vlakten van Moab liggen ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho (Jordanië); zie Num. 22:1. Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië. Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie ook: Num 22:1 **33:49** Zij legerden zich aan de Jordaan, van Bet-Jesimot tot Abel-Sittim, op de vlakten van Moab. Brontekst: וַיַּחֲנ֤וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | עַל (al) = aan | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | מִבֵּ֣ית (mibeit) = van Bet | הַיְשִׁמֹ֔ת (hayshimot) = Jesimot | עַ֖ד (ad) = tot | אָבֵ֣ל (avel) = Abel | הַשִּׁטִּ֑ים (hashitim) = Sittim | בְּעַֽרְבֹ֖ת (bearvot) = op de vlakten van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Jesimot ligt bij de noordoostkant van de Dode Zee en Abel-Sittim (‘Sittim’) bij de Jordaan, tegenover Jericho (Jordanië); zie Num. 25:1. De ligging van beide is waarschijnlijk, maar niet zeker. Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie ook: Ex 25:10; Num 25:1–9; Joz 2:1; Joz 13:20; Ezech 25:9 ### Het bevel om het land in bezit te nemen **33:50** Yahweh sprak tot Mozes op de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho: Brontekst: וַיְדַבֵּ֧ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּעַֽרְבֹ֣ת (bearvot) = op de vlakten van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | עַל (al) = aan | יַרְדֵּ֥ן (yarden) = Jordaan | יְרֵח֖וֹ (yerecho) = Jericho | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Num 33:48–49 **33:51** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: Jullie gaan de Jordaan over naar het land Kanaän.** Brontekst: דַּבֵּר֙ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en zeg | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | כִּ֥י (ki) = want | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֥ים (overim) = gaan over | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Deut 7:1; Deut 9:1; Joz 3:17 **33:52** **Jullie moeten alle bewoners van het land voor jullie uit verdrijven. Vernietig al hun beeldwerk en al hun gegoten beelden en verdelg al hun offerhoogten.** Brontekst: וְה֨וֹרַשְׁתֶּ֜ם (vehorashtem) = en jullie zullen verdrijven | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֤י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | מִפְּנֵיכֶ֔ם (mipeneikhem) = voor jullie uit | וְאִ֨בַּדְתֶּ֔ם (veibadtem) = en jullie zullen vernietigen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מַשְׂכִּיֹּתָ֑ם (maskiyotam) = hun beeldwerk | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | צַלְמֵ֤י (tsalmei) = gegoten beelden van | מַסֵּֽכֹתָם֙ (masekhotam) = hun gegoten | תְּאַבֵּ֔דוּ (teabedu) = jullie zullen vernietigen | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | בָּמֹתָ֖ם (bamotam) = hun offerhoogten | תַּשְׁמִֽידוּ (tashmidu) = jullie zullen verdelgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשְׂכִּיּוֹת (maskiyyot), ‘beeldwerk’: figuren die in steen gehouwen zijn; de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : צַלְמֵי מַסֵּכֹת (tsalmei massekhot), ‘gegoten beelden’: beelden van gesmolten metaal. Voetnoot : בָּמוֹת (bamot), ‘offerhoogten’: plaatsen op de hoogte waar offers worden gebracht. Zie ook: Ex 23:24; Lev 26:1; Deut 7:2–5; Deut 20:16–18; Re 2:2 **33:53** **Neem het land in bezit en woon erin, want Ik heb jullie het land gegeven om het in bezit te nemen.** Brontekst: וְהוֹרַשְׁתֶּ֥ם (vehorashtem) = en jullie zullen in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | וִֽישַׁבְתֶּם (vishavtem) = en jullie zullen wonen | בָּ֑הּ (bah) = daarin | כִּ֥י (ki) = want | לָכֶ֛ם (lakhem) = aan jullie | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לָרֶ֥שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אֹתָֽהּ (otah) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהוֹרַשְׁתֶּם (vehorashtem), ‘jullie zullen in bezit nemen’ (vers 53) hangt samen met ‘verdrijven’ (vers 52): wie het land in bezit neemt, verdrijft de vorige bewoners. Wij vertalen steeds ‘verdrijven’ als de bewoners het voorwerp zijn, en ‘in bezit nemen’ als het land het voorwerp is. Zie ook: Num 33:52; Deut 11:31; Joz 21:43; Dan 4:14; Dan 4:22; Dan 4:29 **33:54** **Jullie moeten het land door het lot als erfdeel ontvangen, naar jullie families. Voor de grote groep moeten jullie het erfdeel groot maken en voor de kleine groep klein. Waar het lot voor iemand uitkomt, daar is zijn erfdeel. Naar de stammen van jullie vaders ontvangen jullie het als erfdeel.** Brontekst: וְהִתְנַחַלְתֶּם֩ (vehitnachaltem) = en jullie zullen als erfdeel ontvangen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֨רֶץ (haarets) = het land | בְּגוֹרָ֜ל (begoral) = door het lot | לְמִשְׁפְּחֹֽתֵיכֶ֗ם (lemishpechoteikhem) = naar jullie families | לָרַ֞ב (larav) = voor de grote | תַּרְבּ֤וּ (tarbu) = jullie zullen groot maken | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלָתוֹ֙ (nachalato) = zijn erfdeel | וְלַמְעַט֙ (velamat) = en voor de kleine | תַּמְעִ֣יט (tamit) = jullie zullen klein maken | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | אֶל֩ (el) = naar | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֵ֨צֵא (yetse) = uitkomt | ל֥וֹ (lo) = voor hem | שָׁ֛מָּה (shama) = daar | הַגּוֹרָ֖ל (hagoral) = het lot | ל֣וֹ (lo) = voor hem | יִהְיֶ֑ה (yihye) = zal zijn | לְמַטּ֥וֹת (lematot) = naar de stammen van | אֲבֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaders | תִּתְנֶחָֽלוּ (titnechalu) = jullie zullen als erfdeel ontvangen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Num. 26:52–56 voor de verdeling door het lot. De grotere stammen krijgen een groter erfdeel, de kleinere een kleiner. Zie ook: Num 26:52–56; Num 26:53–56; Joz 15:1–12; Joz 16:1–4; Joz 17:1–13; Joz 18:11–19:48 **33:55** **Maar stel dat jullie de bewoners van het land niet voor jullie uit verdrijven. Dan worden zij die jullie van hen laten overblijven prikkels in jullie ogen. Zij worden doornen in jullie zij. Zij zullen jullie bestoken in het land waar jullie wonen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֨א (lo) = niet | תוֹרִ֜ישׁוּ (torishu) = jullie verdrijven | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de bewoners van | הָאָרֶץ֮ (haarets) = het land | מִפְּנֵיכֶם֒ (mipeneikhem) = voor jullie uit | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wie | תּוֹתִ֣ירוּ (totiru) = jullie laten overblijven | מֵהֶ֔ם (mehem) = van hen | לְשִׂכִּים֙ (lesikim) = tot prikkels | בְּעֵ֣ינֵיכֶ֔ם (beeineikhem) = in jullie ogen | וְלִצְנִינִ֖ם (velitsninim) = en tot doornen | בְּצִדֵּיכֶ֑ם (betsideikhem) = in jullie zijden | וְצָרֲר֣וּ (vetsararu) = en zij zullen bestoken | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | עַל (al) = over | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | יֹשְׁבִ֥ים (yoshevim) = wonen | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׂכִּים (sikkim) en צְנִינִם (tsninim), ‘prikkels’ en ‘doornen’: de bewoners die overblijven worden pijnlijk, vergelijkbaar met iets dat in het oog of in de zij steekt. Vergelijk Joz. 23:13 en Richt. 2:3. Zie ook: Ex 23:33; Deut 7:16; Joz 23:12–13; Joz 23:13; Re 2:3; Ps 106:34–36 **33:56** **Dan zal Ik jullie doen wat Ik van plan was hun te doen.”** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּמִּ֛יתִי (dimiti) = Ik van plan was | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = te doen | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | אֶֽעֱשֶׂ֥ה (eese) = Ik zal doen | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gaat om wat Yahweh de bewoners van Kanaän wilde doen; als Israël hen niet verdrijft, geldt dat dan voor Israël zelf. Zie ook: Lev 18:28; Deut 28:63; Deut 29:27; Joz 23:15–16; Luc 21:23–24 ## Numeri 34 _De grenzen van Kanaän en de mannen die het land verdelen_ ### De grenzen van het land **34:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:2** **„Geef de zonen van Israël dit bevel en zeg tegen hen: Jullie gaan het land Kanaän binnen. Dit is het land dat jullie als erfdeel toevalt, het land Kanaän met zijn grenzen.** Brontekst: צַ֞ו (tsav) = gebied | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tegen hen | כִּֽי (ki) = want | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | בָּאִ֖ים (baim) = gaan binnen | אֶל (el) = naar | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | זֹ֣את (zot) = dit | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | תִּפֹּ֤ל (tipol) = zal vallen | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | בְּֽנַחֲלָ֔ה (benachala) = als erfdeel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | כְּנַ֖עַן (kenaan) = Kanaän | לִגְבֻלֹתֶֽיהָ (ligvuloteiha) = met zijn grenzen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Het land Kanaän heeft hier de grenzen die Yahweh aanwijst. Dit is het land ten westen van de Jordaan. Het land ten oosten ervan is al aan Ruben, Gad en de helft van Manasse gegeven (Num. 32:33; vers 14–15). Voetnoot : נָפַל (nafal), ‘vallen’: het land ‘valt’ aan hen toe, door het lot (vers 13; Num. 26:55). Zie ook: Gen 17:8; Num 26:55; Num 32:33; Num 34:13; Num 34:14–15; Deut 1:7–8; Ps 78:54–55; Ps 105:11; Ezech 47:14 ### De zuidgrens **34:3** **De zuidzijde is voor jullie vanaf de woestijn Zin, langs Edom. De zuidgrens begint voor jullie bij het uiteinde van de Zoutzee, in het oosten.** Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | לָכֶ֧ם (lakhem) = voor jullie | פְּאַת (peat) = zijde van | נֶ֛גֶב (negev) = zuid | מִמִּדְבַּר (mimidbar) = vanaf de woestijn | צִ֖ן (tsin) = Zin | עַל (al) = op | יְדֵ֣י (yedei) = de zijde van | אֱד֑וֹם (edom) = Edom | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | גְּב֣וּל (gevul) = grens | נֶ֔גֶב (negev) = zuid | מִקְצֵ֥ה (miqtse) = vanaf het uiteinde van | יָם (yam) = zee van | הַמֶּ֖לַח (hamelach) = de Zoutzee | קֵֽדְמָה (qedema) = oostwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn Zin ligt in het zuiden van Kanaän, bij Kades (Num. 33:36). De Zoutzee is de Dode Zee. De zuidgrens loopt dus van het zuidelijke uiteinde van de Dode Zee naar het westen, langs Edom (Jordanië/Israël). Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades. De grenzen zijn niet precies bekend. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: יָם הַמֶּלַח (yam hamelach), ‘Zoutzee’: de Dode Zee. Zie ook: Gen 14:3; Num 33:36; Joz 3:16; Joz 15:1–12; Ezech 47:13; Ezech 47:18–23 **34:4** **Vanaf het zuiden buigt de grens voor jullie af naar de klim van Akrabbim en gaat door naar Zin. Zijn einde ligt ten zuiden van Kades-Barnea. Dan loopt hij naar Chasar-Addar en gaat door naar Asmon.** Brontekst: וְנָסַ֣ב (venasav) = en zal afbuigen | לָכֶם֩ (lakhem) = voor jullie | הַגְּב֨וּל (hagevul) = de grens | מִנֶּ֜גֶב (minegev) = van het zuiden | לְמַעֲלֵ֤ה (lemaale) = naar de klim van | עַקְרַבִּים֙ (aqrabim) = Akrabbim | וְעָ֣בַר (veavar) = en zal doorgaan | צִ֔נָה (tsina) = naar Zin | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zullen zijn | תּֽוֹצְאֹתָ֔יו (totseotav) = zijn einden | מִנֶּ֖גֶב (minegev) = van het zuiden | לְקָדֵ֣שׁ (leqadesh) = naar Kades | בַּרְנֵ֑עַ (barnea) = Barnea | וְיָצָ֥א (veyatsa) = en zal uitgaan | חֲצַר (chatsar) = naar Chasar | אַדָּ֖ר (adar) = Addar | וְעָבַ֥ר (veavar) = en zal doorgaan | עַצְמֹֽנָה (atsmona) = naar Asmon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De klim van Akrabbim (‘klim van de schorpioenen’) ligt ten zuidwesten van de Dode Zee, in het zuiden van Israël. Kades-Barnea ligt in de Negev of Sinaï (Egypte/Israël); zie Num. 32:8. Chasar-Addar en Asmon liggen in het zuiden van Kanaän, naar de beek van Egypte toe; de precieze ligging is onzeker. Zie Klim van Akrabbim: De klim van Akrabbim lag in het zuiden van de grens van Kanaän, ten zuidwesten van de Dode Zee. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Num 13:26; Num 32:8; Num 33:36–37; Num 34:3; Joz 15:3–4 **34:5** **Van Asmon buigt de grens af naar de beek van Egypte. Zijn einde ligt bij de zee.** Brontekst: וְנָסַ֧ב (venasav) = en zal afbuigen | הַגְּב֛וּל (hagevul) = de grens | מֵעַצְמ֖וֹן (meatsmon) = van Asmon | נַ֣חְלָה (nachla) = naar de beek van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zullen zijn | תוֹצְאֹתָ֖יו (totseotav) = zijn einden | הַיָּֽמָּה (hayama) = naar zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek van Egypte is waarschijnlijk de Wadi el-Arish in het noorden van de Sinaï (Egypte). Zij mondt uit in de Middellandse Zee. Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï. Dit is de zuidwestgrens van het land. Zie ook: Gen 15:18; Joz 15:4; Joz 15:47; 1 Kon 8:65; Jes 27:12 ### De westgrens **34:6** **De grens in het westen: de Grote Zee is voor jullie de grens. Dit is voor jullie de westgrens.** Brontekst: וּגְב֣וּל (ugevul) = en grens van | יָ֔ם (yam) = zee | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | הַיָּ֥ם (hayam) = de zee | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | וּגְב֑וּל (ugevul) = en grens | זֶֽה (ze) = dit | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | גְּב֥וּל (gevul) = grens van | יָֽם (yam) = zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Voetnoot Uitleg: הַיָּם הַגָּדוֹל (hayyam hagadol), ‘de Grote Zee’: de Middellandse Zee. Zie ook: Joz 1:4; Joz 15:47; Joz 23:4; Ezech 47:15; Ezech 47:20 ### De noordgrens **34:7** **Dit is voor jullie de noordgrens: van de Grote Zee af moeten jullie voor jullie een lijn trekken naar de berg Hor.** Brontekst: וְזֶֽה (veze) = en dit | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | צָפ֑וֹן (tsafon) = noord | מִן (min) = van | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | הַגָּדֹ֔ל (hagadol) = de grote | תְּתָא֥וּ (tetau) = jullie zullen een lijn trekken | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | הֹ֥ר (hor) = naar de berg | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Deze berg Hor is niet de berg Hor uit Num. 20:22 en 33:37, die bij Edom ligt. Zij ligt in het noorden van Kanaän (Libanon of Syrië). De ligging is onzeker. Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Voetnoot Uitleg: תְּתָאוּ (tetau), ‘een lijn trekken’: het werkwoord komt alleen hier en in vers 8 en 10 voor. Wij vertalen het in alle drie verzen hetzelfde. Zie ook: Num 20:22; Num 33:37; Num 34:3; Num 34:6; Num 34:8; Num 34:9–10; Num 34:10; Ezech 47:15–17 **34:8** **Van de berg Hor af moeten jullie een lijn trekken naar Lebo-Chamat. Het einde van de grens is Tsedad.** Brontekst: מֵהֹ֣ר (mehor) = van de berg | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | תְּתָא֖וּ (tetau) = jullie zullen een lijn trekken | לְבֹ֣א (levo) = naar het komen van | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | וְהָי֛וּ (vehayu) = en zullen zijn | תּוֹצְאֹ֥ת (totseot) = einden van | הַגְּבֻ֖ל (hagevul) = de grens | צְדָֽדָה (tsedada) = naar Tsedad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: לְבֹא חֲמָת (lebo chamat), ‘naar de ingang van Chamat’: Chamat ligt aan de Orontes in het huidige Syrië. De ‘ingang’ is de pas tussen het Libanon- en Antilibanongebergte. Tsedad (vers 8) en Zifron en Chasar-Enan (vers 9) liggen in het noorden van Kanaän, in het huidige Syrië of Libanon. De precieze ligging is onzeker. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie ook: Num 13:21; Num 34:9; Joz 13:5–6; 2 Sam 8:9; 2 Kon 14:25; Ezech 47:15–20 **34:9** **De grens loopt door naar Zifron en zijn einde ligt bij Chasar-Enan. Dit is voor jullie de noordgrens.** Brontekst: וְיָצָ֤א (veyatsa) = en zal uitgaan | הַגְּבֻל֙ (hagevul) = de grens | זִפְרֹ֔נָה (zifrona) = naar Zifron | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zullen zijn | תוֹצְאֹתָ֖יו (totseotav) = zijn einden | חֲצַ֣ר (chatsar) = Chasar | עֵינָ֑ן (einan) = Enan | זֶֽה (ze) = dit | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | גְּב֥וּל (gevul) = grens van | צָפֽוֹן (tsafon) = noord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 47:17 ### De oostgrens **34:10** **Voor jullie oostgrens moeten jullie een lijn trekken van Chasar-Enan naar Sefam.** Brontekst: וְהִתְאַוִּיתֶ֥ם (vehitavitem) = en jullie zullen een lijn trekken | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לִגְב֣וּל (ligvul) = als grens | קֵ֑דְמָה (qedema) = oost | מֵחֲצַ֥ר (mechatsar) = van Chasar | עֵינָ֖ן (einan) = Enan | שְׁפָֽמָה (shefama) = naar Sefam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sefam is onbekend; het ligt in het noordoosten van Kanaän. **34:11** **De grens loopt van Sefam naar beneden naar Ribla, ten oosten van Ain. Dan loopt de grens naar beneden en raakt de oostzijde van de zee van Kinneret.** Brontekst: וְיָרַ֨ד (veyarad) = en zal afdalen | הַגְּבֻ֧ל (hagevul) = de grens | מִשְּׁפָ֛ם (mishefam) = van Sefam | הָרִבְלָ֖ה (harivla) = naar Ribla | מִקֶּ֣דֶם (miqedem) = ten oosten van | לָעָ֑יִן (laayin) = Ain | וְיָרַ֣ד (veyarad) = en zal afdalen | הַגְּב֔וּל (hagevul) = de grens | וּמָחָ֛ה (umacha) = en zal raken | עַל (al) = aan | כֶּ֥תֶף (ketef) = zijkant van | יָם (yam) = zee van | כִּנֶּ֖רֶת (kineret) = Kinneret | קֵֽדְמָה (qedema) = oostwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ribla ligt ten oosten van Ain, in het noorden van Israël of Syrië. De zee van Kinneret is het Meer van Galilea, in het noorden van Israël. Ain is onbekend. Voetnoot Uitleg: כֶּתֶף (ketef), ‘schouder’: de zijkant of oever van het meer. Zie ook: Deut 3:17; Joz 11:2; Joz 19:35; 2 Kon 23:33; Jer 39:5–6 **34:12** **De grens loopt naar beneden langs de Jordaan en zijn einde ligt bij de Zoutzee. Dit is voor jullie het land met zijn grenzen rondom.”** Brontekst: וְיָרַ֤ד (veyarad) = en zal afdalen | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | הַיַּרְדֵּ֔נָה (hayardena) = naar de Jordaan | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zullen zijn | תוֹצְאֹתָ֖יו (totseotav) = zijn einden | יָ֣ם (yam) = zee van | הַמֶּ֑לַח (hamelach) = de Zoutzee | זֹאת֩ (zot) = dit | תִּהְיֶ֨ה (tihye) = zal zijn | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | לִגְבֻלֹתֶ֖יהָ (ligvuloteiha) = met zijn grenzen | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Jordaan loopt van het Meer van Galilea naar de Dode Zee (Israël/Jordanië). Zie Zoutzee: De Zoutzee is de Dode Zee, het meer in het diepe dal ten oosten van Juda. Zie ook: Gen 13:10; Gen 14:3; Gen 19:24–26; Num 34:3 ### De verdeling over negenenhalve stam **34:13** Mozes gaf de zonen van Israël dit bevel: „Dit is het land dat jullie door het lot als erfdeel moeten ontvangen. Yahweh heeft bevolen het te geven aan de negen stammen en de halve stam. Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en gebood | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = om te zeggen | זֹ֣את (zot) = dit | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | תִּתְנַחֲל֤וּ (titnachalu) = jullie zullen als erfdeel ontvangen | אֹתָהּ֙ (otah) = het | בְּגוֹרָ֔ל (begoral) = door het lot | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לָתֵ֛ת (latet) = te geven | לְתִשְׁעַ֥ת (letishat) = aan de negen | הַמַּטּ֖וֹת (hamatot) = de stammen | וַחֲצִ֥י (vachatsi) = en de helft van | הַמַּטֶּֽה (hamate) = de stam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit gaat om de negen stammen en de halve stam Manasse die ten westen van de Jordaan hun erfdeel ontvangen. Het verdelen gebeurt door het lot; zie Num. 26:55–56 en Joz. 14:1–2. Zie ook: Num 26:55–56; Num 34:1; Joz 14:1–5 **34:14** Want de stam van de Rubenieten, naar hun vaderhuis, en de stam van de Gadieten, naar hun vaderhuis, hebben hun erfdeel ontvangen. Ook de halve stam van Manasse heeft het ontvangen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לָקְח֞וּ (laqechu) = hebben genomen | מַטֵּ֨ה (mate) = stam van | בְנֵ֤י (benei) = de zonen van | הָראוּבֵנִי֙ (haruveni) = de Rubeniet | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אֲבֹתָ֔ם (avotam) = hun vaders | וּמַטֵּ֥ה (umate) = en stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | הַגָּדִ֖י (hagadi) = de Gadiet | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אֲבֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | וַחֲצִי֙ (vachatsi) = en de helft van | מַטֵּ֣ה (mate) = stam van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | לָקְח֖וּ (laqechu) = hebben genomen | נַחֲלָתָֽם (nachalatam) = hun erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De stammen Ruben, Gad en de helft van Manasse hebben hun erfdeel al ontvangen; zie Num. 32:33. Zie ook: Num 32:23; Num 32:33; Deut 3:12–17; Joz 13:8–12; Joz 14:2–3 **34:15** De twee stammen en de halve stam hebben hun erfdeel ontvangen aan de overkant van de Jordaan bij Jericho. Dat is in het oosten, naar de opkomende zon.” Brontekst: שְׁנֵ֥י (shenei) = de twee | הַמַּטּ֖וֹת (hamatot) = de stammen | וַחֲצִ֣י (vachatsi) = en de helft van | הַמַּטֶּ֑ה (hamate) = de stam | לָקְח֣וּ (laqechu) = hebben genomen | נַחֲלָתָ֗ם (nachalatam) = hun erfdeel | מֵעֵ֛בֶר (meever) = van de overkant van | לְיַרְדֵּ֥ן (leyarden) = de Jordaan | יְרֵח֖וֹ (yerecho) = Jericho | קֵ֥דְמָה (qedema) = oostwaarts | מִזְרָֽחָה (mizracha) = naar de opkomende zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Num 32:32 ### De mannen die het land verdelen **34:16** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:17** **„Dit zijn de namen van de mannen die het land voor jullie als erfdeel zullen verdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun.** Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn | שְׁמ֣וֹת (shemot) = de namen van | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | יִנְחֲל֥וּ (yinchalu) = zullen als erfdeel verdelen | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | אֶלְעָזָר֙ (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וִיהוֹשֻׁ֖עַ (vihoshua) = en Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נֽוּן (nun) = Nun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eleazar en Jozua verdelen het land; zie Num. 27:18–23 en Joz. 14:1. Zie ook: Num 13:8; Num 13:16; Num 27:18–23; Joz 14:1; Joz 19:51 **34:18** **En één leider, één leider uit elke stam, moeten jullie nemen om het land als erfdeel te verdelen.** Brontekst: וְנָשִׂ֥יא (venasi) = en leider | אֶחָ֛ד (echad) = één | נָשִׂ֥יא (nasi) = leider | אֶחָ֖ד (echad) = één | מִמַּטֶּ֑ה (mimate) = uit stam | תִּקְח֖וּ (tiqchu) = jullie zullen nemen | לִנְחֹ֥ל (linchol) = om als erfdeel te verdelen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׂיא (nasi), ‘leider’: zoals in Exod. 16:22. Het Hebreeuws herhaalt ‘één leider’; wij houden die herhaling. Elke stam levert één leider; deze verschillen van de leiders in Num. 1:5–15 en 13:4–15. Zie ook: Ex 16:22; Num 1:4–16; Num 1:5–15; Num 13:4 **34:19** **Dit zijn de namen van de mannen: voor de stam Juda: Kaleb, de zoon van Jefunne.** Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit zijn | שְׁמ֣וֹת (shemot) = de namen van | הָאֲנָשִׁ֑ים (haanashim) = de mannen | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | כָּלֵ֖ב (kalev) = Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּֽה (yefune) = Jefunne Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, is een van de twee verspieders die Yahweh volledig volgden (Num. 13:6; 14:24). Zie ook: Num 13:6; Num 13:30; Num 14:6; Num 14:24; Num 14:30; Num 14:38; Num 26:65 **34:20** **Voor de stam van de zonen van Simeon: Sjemuël, de zoon van Ammihud.** Brontekst: וּלְמַטֵּה֙ (ulemate) = en voor de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שִׁמְע֔וֹן (shimon) = Simeon | שְׁמוּאֵ֖ל (shemuel) = Sjemuël | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּיהֽוּד (amihud) = Ammihud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:5 **34:21** **Voor de stam Benjamin: Elidad, de zoon van Kislon.** Brontekst: לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | אֱלִידָ֖ד (elidad) = Elidad | בֶּן (ben) = zoon van | כִּסְלֽוֹן (kislon) = Kislon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:27; Ps 68:28 **34:22** **Voor de stam van de zonen van Dan: een leider, Bukki, de zoon van Jogli.** Brontekst: וּלְמַטֵּ֥ה (ulemate) = en voor de stam van | בְנֵי (benei) = de zonen van | דָ֖ן (dan) = Dan | נָשִׂ֑יא (nasi) = leider | בֻּקִּ֖י (buqi) = Bukki | בֶּן (ben) = zoon van | יָגְלִֽי (yageli) = Jogli Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:23** **Voor de zonen van Jozef, voor de stam van de zonen van Manasse: een leider, Channiël, de zoon van Efod.** Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | לְמַטֵּ֥ה (lemate) = voor de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | נָשִׂ֑יא (nasi) = leider | חַנִּיאֵ֖ל (chaniel) = Channiël | בֶּן (ben) = zoon van | אֵפֹֽד (efod) = Efod Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Manasse en Efraïm, de zonen van Jozef, krijgen elk een eigen leider. **34:24** **Voor de stam van de zonen van Efraïm: een leider, Kemuël, de zoon van Sjiftan.** Brontekst: וּלְמַטֵּ֥ה (ulemate) = en voor de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | נָשִׂ֑יא (nasi) = leider | קְמוּאֵ֖ל (qemuel) = Kemuël | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁפְטָֽן (shiftan) = Sjiftan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:25** **Voor de stam van de zonen van Zebulon: een leider, Elitsafan, de zoon van Parnak.** Brontekst: וּלְמַטֵּ֥ה (ulemate) = en voor de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | זְבוּלֻ֖ן (zevulun) = Zebulon | נָשִׂ֑יא (nasi) = leider | אֱלִיצָפָ֖ן (elitsafan) = Elitsafan | בֶּן (ben) = zoon van | פַּרְנָֽךְ (parnakh) = Parnak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:26** **Voor de stam van de zonen van Issachar: een leider, Paltiël, de zoon van Azzan.** Brontekst: וּלְמַטֵּ֥ה (ulemate) = en voor de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשָׂשכָ֖ר (yisashkhar) = Issachar | נָשִׂ֑יא (nasi) = leider | פַּלְטִיאֵ֖ל (paltiel) = Paltiël | בֶּן (ben) = zoon van | עַזָּֽן (azan) = Azzan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:27** **Voor de stam van de zonen van Aser: een leider, Achihud, de zoon van Sjelomi.** Brontekst: וּלְמַטֵּ֥ה (ulemate) = en voor de stam van | בְנֵי (benei) = de zonen van | אָשֵׁ֖ר (asher) = Aser | נָשִׂ֑יא (nasi) = leider | אֲחִיה֖וּד (achihud) = Achihud | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹמִֽי (shelomi) = Sjelomi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:28** **Voor de stam van de zonen van Naftali: een leider, Pedahël, de zoon van Ammihud.** Brontekst: וּלְמַטֵּ֥ה (ulemate) = en voor de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | נַפְתָּלִ֖י (naftali) = Naftali | נָשִׂ֑יא (nasi) = leider | פְּדַהְאֵ֖ל (pedahel) = Pedahël | בֶּן (ben) = zoon van | עַמִּיהֽוּד (amihud) = Ammihud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:29** **Dit zijn zij die Yahweh geboden heeft het erfdeel te verdelen onder de zonen van Israël in het land Kanaän.”** Brontekst: אֵ֕לֶּה (ele) = dit zijn zij | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לְנַחֵ֥ל (lenachel) = om als erfdeel te verdelen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Num 34:18; Joz 19:51 ## Numeri 35 _De steden van de Levieten en de vrijsteden voor de doodslager_ ### De steden van de Levieten **35:1** Yahweh sprak tot Mozes op de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho: Brontekst: וַיְדַבֵּ֧ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּעַֽרְבֹ֣ת (bearvot) = op de vlakten van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | עַל (al) = aan | יַרְדֵּ֥ן (yarden) = Jordaan | יְרֵח֖וֹ (yerecho) = Jericho | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Num 22:1; Num 26:63; Num 31:12; Num 33:50; Num 36:13 **35:2** **„Geef de zonen van Israël dit bevel: Zij moeten de Levieten steden geven om in te wonen, uit het erfdeel dat zij in bezit hebben. Ook moeten jullie de Levieten weidegrond geven rondom de steden.** Brontekst: צַו֮ (tsav) = gebied | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וְנָתְנ֣וּ (venatenu) = en zij zullen geven | לַלְוִיִּ֗ם (lalviyim) = aan de Levieten | מִֽנַּחֲלַ֛ת (minachalat) = van het erfdeel van | אֲחֻזָּתָ֖ם (achuzatam) = hun bezit | עָרִ֣ים (arim) = steden | לָשָׁ֑בֶת (lashavet) = om te wonen | וּמִגְרָ֗שׁ (umigrash) = en weidegrond | לֶֽעָרִים֙ (learim) = voor de steden | סְבִיבֹ֣תֵיהֶ֔ם (sevivoteihem) = rondom hen | תִּתְּנ֖וּ (titenu) = jullie zullen geven | לַלְוִיִּֽם (lalviyim) = aan de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten krijgen geen eigen gebied (Num. 18:20–24; 26:62). Daarom krijgen zij steden uit het erfdeel van de andere stammen. Voetnoot : מִגְרָשׁ (migrash), ‘weidegrond’: het land rondom de stad waar het vee graast; zie ook Lev. 25:34. Zie ook: Lev 25:34; Num 18:20–24; Num 26:62; Joz 14:3–4; Joz 21:2–42; Ezech 45:1–8; Ezech 48:8; 1 Kor 9:10–14 **35:3** **De steden zijn voor hen om in te wonen. Hun weidegrond is voor hun vee, hun goederen en al hun dieren.** Brontekst: וְהָי֧וּ (vehayu) = en zullen zijn | הֶֽעָרִ֛ים (hearim) = de steden | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לָשָׁ֑בֶת (lashavet) = om te wonen | וּמִגְרְשֵׁיהֶ֗ם (umigresheihem) = en hun weidegrond | יִהְי֤וּ (yihyu) = zal zijn | לִבְהֶמְתָּם֙ (livhemtam) = voor hun vee | וְלִרְכֻשָׁ֔ם (velirkhusham) = en voor hun goederen | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en voor al | חַיָּתָֽם (chayatam) = hun dieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַיָּה (chayyah), ‘dier’: hier in algemene zin het levende vee. In Lev. 5:2 is het een ‘wild dier’. Zie ook: Lev 5:2; Joz 21:11; 2 Kron 11:14; Ezech 45:2 **35:4** **De weidegrond van de steden die jullie aan de Levieten geven, loopt vanaf de stadsmuur 1.000 el naar buiten, rondom.** Brontekst: וּמִגְרְשֵׁי֙ (umigreshei) = en weidegrond van | הֶֽעָרִ֔ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תִּתְּנ֖וּ (titenu) = jullie zullen geven | לַלְוִיִּ֑ם (lalviyim) = aan de Levieten | מִקִּ֤יר (miqir) = van de muur van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | וָח֔וּצָה (vachutsa) = en naar buiten | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | אַמָּ֖ה (ama) = el | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 centimeter. 1.000 el is dus ongeveer 450 meter, en 2.000 el (vers 5) ongeveer 900 meter. Zie ook: Num 35:5 **35:5** **Meet buiten de stad aan de oostkant 2.000 el, aan de zuidkant 2.000 el, aan de westkant 2.000 el en aan de noordkant 2.000 el. De stad ligt in het midden. Dit is voor hen de weidegrond van de steden.** Brontekst: וּמַדֹּתֶ֞ם (umadotem) = en jullie zullen meten | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לָעִ֗יר (lair) = de stad | אֶת (et) = (obj.) | פְּאַת (peat) = de zijde van | קֵ֣דְמָה (qedema) = oost | אַלְפַּ֪יִם (alpayim) = 2.000 | בָּֽאַמָּ֟ה (baama) = met de el | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פְּאַת (peat) = de zijde van | נֶגֶב֩ (negev) = zuid | אַלְפַּ֨יִם (alpayim) = 2.000 | בָּאַמָּ֜ה (baama) = met de el | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פְּאַת (peat) = de zijde van | יָ֣ם (yam) = west | אַלְפַּ֣יִם (alpayim) = 2.000 | בָּֽאַמָּ֗ה (baama) = met de el | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | פְּאַ֥ת (peat) = de zijde van | צָפ֛וֹן (tsafon) = noord | אַלְפַּ֥יִם (alpayim) = 2.000 | בָּאַמָּ֖ה (baama) = met de el | וְהָעִ֣יר (vehair) = en de stad | בַּתָּ֑וֶךְ (batavekh) = in het midden | זֶ֚ה (ze) = dit | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | מִגְרְשֵׁ֖י (migreshei) = weidegrond van | הֶעָרִֽים (hearim) = de steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De stad ligt in het midden van de weidegrond. Vers 4 noemt 1.000 el en vers 5 noemt 2.000 el. Wij vertalen beide zoals ze staan; hoe de twee maten samenhangen, is onzeker. Zie ook: Num 35:4 **35:6** **De steden die jullie aan de Levieten geven, zijn de 6 vrijsteden. Die geven jullie, zodat de doodslager daarheen kan vluchten. Daarbij moeten jullie nog 42 steden geven.** Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הֶֽעָרִ֗ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | תִּתְּנוּ֙ (titenu) = jullie zullen geven | לַלְוִיִּ֔ם (lalviyim) = aan de Levieten | אֵ֚ת (et) = (obj.) | שֵׁשׁ (shesh) = zes | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַמִּקְלָ֔ט (hamiqlat) = de toevlucht | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּתְּנ֔וּ (titenu) = jullie zullen geven | לָנֻ֥ס (lanus) = voor het vluchten | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | הָרֹצֵ֑חַ (harotseach) = de doodslager | וַעֲלֵיהֶ֣ם (vaaleihem) = en daarbij | תִּתְּנ֔וּ (titenu) = jullie zullen geven | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁתַּ֖יִם (ushtayim) = en twee | עִֽיר (ir) = steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרֵי הַמִּקְלָט (arei hamiqlat), ‘vrijsteden’: steden waar een doodslager veilig is. Zie ook Exod. 21:13, waar Yahweh zegt dat Hij een plaats zal aanwijzen. Voetnoot : רֹצֵחַ (rotseach), ‘doodslager’: wij vertalen het zo in heel dit hoofdstuk, ook bij opzet (vers 16–21). In Exod. 20:13 staat het werkwoord als ‘moorden’. Zie ook: Ex 20:13; Ex 21:13; Num 35:16–21; Joz 21:3; Joz 21:13; Joz 21:21; Joz 21:27; Joz 21:38 **35:7** **Alle steden die jullie aan de Levieten geven, zijn 48 steden, met hun weidegrond.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | הֶעָרִ֗ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | תִּתְּנוּ֙ (titenu) = jullie zullen geven | לַלְוִיִּ֔ם (lalviyim) = aan de Levieten | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁמֹנֶ֖ה (ushemone) = en acht | עִ֑יר (ir) = steden | אֶתְהֶ֖ן (ethen) = hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרְשֵׁיהֶֽן (migresheihen) = hun weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 21:3–42; 1 Kron 6:39–66 **35:8** **De steden die jullie geven uit het bezit van de zonen van Israël. Van de grote groep moeten jullie er veel nemen en van de kleine groep weinig. Ieder geeft aan de Levieten van zijn steden, naar het erfdeel dat hij ontvangt.”** Brontekst: וְהֶֽעָרִ֗ים (vehearim) = en de steden | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | תִּתְּנוּ֙ (titenu) = jullie zullen geven | מֵאֲחֻזַּ֣ת (meachuzat) = van het bezit van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מֵאֵ֤ת (meet) = van | הָרַב֙ (harav) = de grote | תַּרְבּ֔וּ (tarbu) = jullie zullen veel nemen | וּמֵאֵ֥ת (umeet) = en van | הַמְעַ֖ט (hamat) = de kleine | תַּמְעִ֑יטוּ (tamitu) = jullie zullen weinig nemen | אִ֗ישׁ (ish) = ieder | כְּפִ֤י (kefi) = volgens | נַחֲלָתוֹ֙ (nachalato) = zijn erfdeel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יִנְחָ֔לוּ (yinchalu) = zij zullen ontvangen | יִתֵּ֥ן (yiten) = hij zal geven | מֵעָרָ֖יו (mearav) = van zijn steden | לַלְוִיִּֽם (lalviyim) = aan de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Grote stammen geven meer steden dan kleine stammen; zie Num. 33:54. Zie ook: Ex 16:18; Num 26:54; Num 33:54; Deut 33:8–11; Joz 21:1–42 ### De vrijsteden **35:9** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 9–34 behandelen de vrijsteden. De steden worden in Num. 35 niet bij naam genoemd. Zie Deut. 4:41–43 en Joz. 20:7–8. Zie ook: Deut 4:41–43; Joz 20:7–8 **35:10** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: Jullie gaan de Jordaan over naar het land Kanaän.** Brontekst: דַּבֵּר֙ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en zeg | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tegen hen | כִּ֥י (ki) = want | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | עֹבְרִ֥ים (overim) = gaan over | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | אַ֥רְצָה (artsa) = naar het land | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Lev 14:34; Lev 25:2; Num 34:2; Deut 12:9; Deut 19:1–2 **35:11** **Wijs voor jullie steden aan, die vrijsteden voor jullie zijn. Daarheen kan de doodslager vluchten, wie een mens bij vergissing doodslaat.** Brontekst: וְהִקְרִיתֶ֤ם (vehiqritem) = en wijs aan | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | עָרִ֔ים (arim) = steden | עָרֵ֥י (arei) = steden van | מִקְלָ֖ט (miqlat) = toevlucht | תִּהְיֶ֣ינָה (tihyeina) = zullen zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | וְנָ֥ס (venas) = en zal vluchten | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | רֹצֵ֔חַ (rotseach) = doodslager | מַכֵּה (make) = wie slaat | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = persoon | בִּשְׁגָגָֽה (bishgaga) = bij vergissing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִקְרִיתֶם (vehiqritem), ‘wijs aan’: letterlijk ‘laat voor jullie ontmoeten’, dat is: kies of bepaal. Wij vertalen: ‘wijs aan’. Voetnoot : בִּשְׁגָגָה (bishgagah), ‘bij vergissing’: zie Lev. 4:2. Zie ook: Ex 21:13; Lev 4:2; Num 35:6; Num 35:22–25; Deut 19:1–13; Joz 20:2 **35:12** **De steden zijn voor jullie een toevlucht tegen de losser van het bloed. Zo sterft de doodslager niet voordat hij voor de gemeenschap ter berechting heeft gestaan.** Brontekst: וְהָי֨וּ (vehayu) = en zullen zijn | לָכֶ֧ם (lakhem) = voor jullie | הֶעָרִ֛ים (hearim) = de steden | לְמִקְלָ֖ט (lemiqlat) = tot toevlucht | מִגֹּאֵ֑ל (migoel) = voor de losser | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יָמוּת֙ (yamut) = zal sterven | הָרֹצֵ֔חַ (harotseach) = de doodslager | עַד (ad) = tot | עָמְד֛וֹ (amedo) = hij staat | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | לַמִּשְׁפָּֽט (lamishpat) = ter berechting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּאֵל הַדָּם (goel hadam), ‘losser van het bloed’: een naaste familielid die het bloed van een vermoorde familielid moet wreken. Het woord goel is hetzelfde als ‘losser’ in Lev. 25:25. Voetnoot : לַמִּשְׁפָּט (lamishpat), ‘ter berechting’: de gemeenschap beslist of het om moord of om doodslag bij vergissing gaat (vers 24–25). Zie ook: Lev 25:25; Num 35:19; Num 35:24–25; Deut 19:6; Joz 20:3–6; Joz 20:9; 2 Sam 14:7 **35:13** **De steden die jullie geven, zijn voor jullie 6 vrijsteden.** Brontekst: וְהֶעָרִ֖ים (vehearim) = en de steden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּתֵּ֑נוּ (titenu) = jullie zullen geven | שֵׁשׁ (shesh) = zes | עָרֵ֥י (arei) = steden van | מִקְלָ֖ט (miqlat) = toevlucht | תִּהְיֶ֥ינָה (tihyeina) = zullen zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:14** **Drie steden moeten jullie geven aan de overkant van de Jordaan, en drie steden moeten jullie geven in het land Kanaän. Het moeten vrijsteden zijn.** Brontekst: אֵ֣ת (et) = (obj.) | שְׁלֹ֣שׁ (shelosh) = drie | הֶעָרִ֗ים (hearim) = de steden | תִּתְּנוּ֙ (titenu) = jullie zullen geven | מֵעֵ֣בֶר (meever) = van de overkant van | לַיַּרְדֵּ֔ן (layarden) = de Jordaan | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁלֹ֣שׁ (shelosh) = drie | הֶֽעָרִ֔ים (hearim) = de steden | תִּתְּנ֖וּ (titenu) = jullie zullen geven | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | עָרֵ֥י (arei) = steden van | מִקְלָ֖ט (miqlat) = toevlucht | תִּהְיֶֽינָה (tihyeina) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Drie vrijsteden liggen ten oosten van de Jordaan (Deut. 4:41–43) en drie in Kanaän (Joz. 20:7–8). Zie ook: Deut 4:41–43; Deut 19:8–10; Joz 20:7–9 **35:15** **Voor de zonen van Israël, voor de vreemdeling en voor de bijwoner in hun midden zijn deze 6 steden een toevlucht. Ieder die een mens bij vergissing doodslaat, kan daarheen vluchten.** Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְלַגֵּ֤ר (velager) = en voor de vreemdeling | וְלַתּוֹשָׁב֙ (velatoshav) = en voor de bijwoner | בְּתוֹכָ֔ם (betokham) = in hun midden | תִּהְיֶ֛ינָה (tihyeina) = zullen zijn | שֵׁשׁ (shesh) = zes | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | לְמִקְלָ֑ט (lemiqlat) = tot toevlucht | לָנ֣וּס (lanus) = om te vluchten | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | כָּל (kal) = ieder | מַכֵּה (make) = die slaat | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = persoon | בִּשְׁגָגָֽה (bishgaga) = bij vergissing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּר (ger), ‘vreemdeling’, en תּוֹשָׁב (toshav), ‘bijwoner’: zie Lev. 25:23 en 25:35. De vrijsteden zijn er ook voor hen. Zie ook: Ex 12:49; Lev 24:22; Lev 25:23; Lev 25:35; Num 15:16; Gal 3:28; Rom 3:29 ### De doodslager die gedood moet worden **35:16** **Maar als hij hem slaat met een ijzeren voorwerp, zodat hij sterft, dan is hij een doodslager. De doodslager moet zeker gedood worden.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בִּכְלִ֨י (bikhli) = met een voorwerp van | בַרְזֶ֧ל (barzel) = ijzer | הִכָּ֛הוּ (hikahu) = hij slaat hem | וַיָּמֹ֖ת (vayamot) = zodat hij sterft | רֹצֵ֣חַֽ (rotseach) = doodslager | ה֑וּא (hu) = hij | מ֥וֹת (mot) = de dood | יוּמַ֖ת (yumat) = hij zal gedood worden | הָרֹצֵֽחַ (harotseach) = de doodslager Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de gevallen waarin de doodslager gedood moet worden, omdat hij hem met een dodelijk voorwerp sloeg. Vergelijk Exod. 21:12. Zie ook: Gen 9:5–6; Ex 21:12; Lev 24:17; Num 35:22–24; Num 35:30–33; Deut 19:11–13 **35:17** **Of als hij hem slaat met een steen in de hand, waaraan iemand kan sterven, zodat hij sterft, dan is hij een doodslager. De doodslager moet zeker gedood worden.** Brontekst: וְאִ֡ם (veim) = en als | בְּאֶ֣בֶן (beeven) = met een steen van | יָד֩ (yad) = hand | אֲשֶׁר (asher) = waarvan | יָמ֨וּת (yamut) = hij kan sterven | בָּ֥הּ (bah) = daaraan | הִכָּ֛הוּ (hikahu) = hij slaat hem | וַיָּמֹ֖ת (vayamot) = zodat hij sterft | רֹצֵ֣חַֽ (rotseach) = doodslager | ה֑וּא (hu) = hij | מ֥וֹת (mot) = de dood | יוּמַ֖ת (yumat) = hij zal gedood worden | הָרֹצֵֽחַ (harotseach) = de doodslager Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:18 **35:18** **Of als hij hem slaat met een houten voorwerp in de hand, waaraan iemand kan sterven, zodat hij sterft, dan is hij een doodslager. De doodslager moet zeker gedood worden.** Brontekst: א֡וֹ (o) = of | בִּכְלִ֣י (bikhli) = met een voorwerp van | עֵֽץ (ets) = hout | יָד֩ (yad) = hand | אֲשֶׁר (asher) = waarbij | יָמ֨וּת (yamut) = hij kan sterven | בּ֥וֹ (bo) = daarmee | הִכָּ֛הוּ (hikahu) = hij slaat hem | וַיָּמֹ֖ת (vayamot) = zodat hij sterft | רֹצֵ֣חַֽ (rotseach) = doodslager | ה֑וּא (hu) = hij | מ֥וֹת (mot) = de dood | יוּמַ֖ת (yumat) = hij zal gedood worden | הָרֹצֵֽחַ (harotseach) = de doodslager Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:19** **De losser van het bloed zal zelf de doodslager doden. Wanneer hij hem tegenkomt, zal hij hem doden.** Brontekst: גֹּאֵ֣ל (goel) = losser van | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | ה֥וּא (hu) = hij | יָמִ֖ית (yamit) = hij zal doden | אֶת (et) = (obj.) | הָרֹצֵ֑חַ (harotseach) = de doodslager | בְּפִגְעוֹ (befigo) = bij zijn ontmoeten | ב֖וֹ (bo) = hem | ה֥וּא (hu) = hij | יְמִיתֶֽנּוּ (yemitenu) = hij zal hem doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 35:21; Deut 19:6; Deut 19:12; Joz 20:3; Joz 20:5 **35:20** **Stoot hij hem uit haat weg, of gooit hij iets op hem terwijl hij op de loer ligt, zodat hij sterft,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בְּשִׂנְאָ֖ה (besina) = uit haat | יֶהְדָּפֶ֑נּוּ (yehdafenu) = hij stoot hem weg | אֽוֹ (o) = of | הִשְׁלִ֥יךְ (hishlikh) = hij gooit | עָלָ֛יו (alav) = op hem | בִּצְדִיָּ֖ה (bitsdiya) = op de loer | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij sterft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt in vers 20–21 ‘uit haat’, ‘op de loer’ en ‘uit vijandschap’: dat is het teken van opzet. Vergelijk Exod. 21:14. Zie ook: Gen 4:8; Ex 21:14; Deut 19:11; 2 Sam 3:27; 2 Sam 20:10 **35:21** **of slaat hij hem uit vijandschap met zijn hand, zodat hij sterft, dan moet wie hem sloeg zeker gedood worden. Hij is een doodslager. De losser van het bloed zal de doodslager doden wanneer hij hem tegenkomt.** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | בְאֵיבָ֞ה (beeiva) = uit vijandschap | הִכָּ֤הוּ (hikahu) = hij slaat hem | בְיָדוֹ֙ (beyado) = met zijn hand | וַיָּמֹ֔ת (vayamot) = en hij sterft | מֽוֹת (mot) = de dood | יוּמַ֥ת (yumat) = hij zal gedood worden | הַמַּכֶּ֖ה (hamake) = wie slaat | רֹצֵ֣חַֽ (rotseach) = doodslager | ה֑וּא (hu) = hij | גֹּאֵ֣ל (goel) = losser van | הַדָּ֗ם (hadam) = het bloed | יָמִ֛ית (yamit) = hij zal doden | אֶת (et) = (obj.) | הָרֹצֵ֖חַ (harotseach) = de doodslager | בְּפִגְעוֹ (befigo) = bij zijn ontmoeten | בֽוֹ (bo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Doodslag bij vergissing **35:22** **Maar als hij hem plotseling en zonder vijandschap wegstoot, of ergens een voorwerp op hem gooit zonder op de loer te liggen,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בְּפֶ֥תַע (befeta) = plotseling | בְּלֹא (belo) = zonder | אֵיבָ֖ה (eiva) = vijandschap | הֲדָפ֑וֹ (hadafo) = hij stoot hem weg | אוֹ (o) = of | הִשְׁלִ֥יךְ (hishlikh) = hij gooit | עָלָ֛יו (alav) = op hem | כָּל (kal) = elk | כְּלִ֖י (keli) = voorwerp | בְּלֹ֥א (belo) = zonder | צְדִיָּֽה (tsediya) = op de loer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de gevallen waarin de doodslager niet gedood hoeft te worden: ongewild, zonder vijandschap. Vergelijk Exod. 21:13, waar ‘niet op de loer liggen’ het kenmerk is. Zie ook: Ex 21:13; Num 35:11; Deut 19:5; Joz 20:3; Joz 20:5 **35:23** **of met een steen waaraan iemand kan sterven, zonder het te zien, zodat die op hem valt en hij sterft. Hij was geen vijand van hem en zijn kwaad niet zocht,** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | בְכָל (bekhal) = met elke | אֶ֜בֶן (even) = steen | אֲשֶׁר (asher) = waarvan | יָמ֥וּת (yamut) = hij kan sterven | בָּהּ֙ (bah) = daaraan | בְּלֹ֣א (belo) = zonder | רְא֔וֹת (reot) = te zien | וַיַּפֵּ֥ל (vayapel) = en hij valt | עָלָ֖יו (alav) = op hem | וַיָּמֹ֑ת (vayamot) = en hij sterft | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | לֹא (lo) = niet | אוֹיֵ֣ב (oyev) = vijand | ל֔וֹ (lo) = voor hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מְבַקֵּ֖שׁ (mevaqesh) = zoeker van | רָעָתֽוֹ (raato) = zijn kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:24** **dan moet de gemeenschap rechtspreken tussen wie sloeg en de losser van het bloed, volgens deze rechtsregels.** Brontekst: וְשָֽׁפְטוּ֙ (veshafetu) = en zal rechtspreken | הָֽעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | בֵּ֚ין (bein) = tussen | הַמַּכֶּ֔ה (hamake) = wie slaat | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | גֹּאֵ֣ל (goel) = losser van | הַדָּ֑ם (hadam) = het bloed | עַ֥ל (al) = over | הַמִּשְׁפָּטִ֖ים (hamishpatim) = de rechtsregels | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 35:12; Joz 20:6 **35:25** **De gemeenschap moet de doodslager redden uit de hand van de losser van het bloed. De gemeenschap moet hem terugbrengen naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht is. Daar moet hij blijven tot de dood van de hogepriester, die met de heilige olie gezalfd is.** Brontekst: וְהִצִּ֨ילוּ (vehitsilu) = en zal redden | הָעֵדָ֜ה (haeda) = de gemeenschap | אֶת (et) = (obj.) | הָרֹצֵ֗חַ (harotseach) = de doodslager | מִיַּד֮ (miyad) = uit de hand van | גֹּאֵ֣ל (goel) = losser van | הַדָּם֒ (hadam) = het bloed | וְהֵשִׁ֤יבוּ (veheshivu) = en zal terugbrengen | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | הָֽעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | אֶל (el) = naar | עִ֥יר (ir) = stad van | מִקְלָט֖וֹ (miqlato) = zijn toevlucht | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | נָ֣ס (nas) = hij is gevlucht | שָׁ֑מָּה (shama) = daarheen | וְיָ֣שַׁב (veyashav) = en hij zal wonen | בָּ֗הּ (bah) = daarin | עַד (ad) = tot | מוֹת֙ (mot) = dood van | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּדֹ֔ל (hagadol) = de grote | אֲשֶׁר (asher) = die | מָשַׁ֥ח (mashach) = heeft gezalfd | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בְּשֶׁ֥מֶן (beshemen) = met olie van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De hogepriester is gezalfd met de heilige olie (Exod. 30:30; Lev. 8:12). Zijn dood sluit de tijd in de vrijstad af. Zie ook: Ex 29:7; Ex 30:30; Lev 4:3; Lev 8:12; Lev 21:10; Heb 7:25–28; Heb 10:19–22 **35:26** **Maar als de doodslager de grens van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht is, verlaat,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | יָצֹ֥א (yatso) = uitgaan | יֵצֵ֖א (yetse) = hij zal uitgaan | הָרֹצֵ֑חַ (harotseach) = de doodslager | אֶת (et) = (obj.) | גְּבוּל֙ (gevul) = grens van | עִ֣יר (ir) = stad van | מִקְלָט֔וֹ (miqlato) = zijn toevlucht | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarheen | יָנ֖וּס (yanus) = hij zal vluchten | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:27** **en de losser van het bloed vindt hem buiten de grens van zijn vrijstad en doodt de doodslager, dan rust er op hem geen bloedschuld.** Brontekst: וּמָצָ֤א (umatsa) = en vindt | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | גֹּאֵ֣ל (goel) = losser van | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | מִח֕וּץ (michuts) = buiten | לִגְב֖וּל (ligvul) = de grens van | עִ֣יר (ir) = stad van | מִקְלָט֑וֹ (miqlato) = zijn toevlucht | וְרָצַ֞ח (veratsach) = en doodt | גֹּאֵ֤ל (goel) = losser van | הַדָּם֙ (hadam) = het bloed | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣רֹצֵ֔חַ (harotseach) = de doodslager | אֵ֥ין (ein) = er is niet | ל֖וֹ (lo) = voor hem | דָּֽם (dam) = bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:1; Deut 19:6; Deut 19:10 **35:28** **Want in zijn vrijstad moet hij blijven tot de dood van de hogepriester. Na de dood van de hogepriester mag de doodslager terugkeren naar het land van zijn bezit.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בְעִ֤יר (beir) = in de stad van | מִקְלָטוֹ֙ (miqlato) = zijn toevlucht | יֵשֵׁ֔ב (yeshev) = hij zal wonen | עַד (ad) = tot | מ֖וֹת (mot) = dood van | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּדֹ֑ל (hagadol) = de grote | וְאַחֲרֵ֥י (veacharei) = en na | מוֹת֙ (mot) = dood van | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּדֹ֔ל (hagadol) = de grote | יָשׁוּב֙ (yashuv) = zal terugkeren | הָרֹצֵ֔חַ (harotseach) = de doodslager | אֶל (el) = naar | אֶ֖רֶץ (erets) = land van | אֲחֻזָּתֽוֹ (achuzato) = zijn bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Na de dood van de hogepriester mag de doodslager terug naar zijn eigen bezit. De losser van het bloed mag hem dan niet meer doden. Zie ook: Joh 15:4–6; Hand 11:23; Heb 3:14; Heb 10:26–30; Heb 10:39 **35:29** **Dit is voor jullie een voorschrift van recht, voor jullie generaties, in al jullie woonplaatsen.** Brontekst: וְהָי֨וּ (vehayu) = en zullen zijn | אֵ֧לֶּה (ele) = deze | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | לְחֻקַּ֥ת (lechuqat) = als voorschrift van | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | לְדֹרֹתֵיכֶ֑ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | מוֹשְׁבֹתֵיכֶֽם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 27:1; Num 27:11 ### Getuigen en losgeld **35:30** **Ieder die een mens doodslaat: op verklaring van getuigen moet men de doodslager doden. Maar één getuige mag niet tegen iemand getuigen om hem te laten sterven.** Brontekst: כָּל (kal) = ieder | מַ֨כֵּה (make) = die slaat | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = persoon | לְפִ֣י (lefi) = op verklaring van | עֵדִ֔ים (edim) = getuigen | יִרְצַ֖ח (yirtsach) = men zal doden | אֶת (et) = (obj.) | הָרֹצֵ֑חַ (harotseach) = de doodslager | וְעֵ֣ד (veed) = en getuige | אֶחָ֔ד (echad) = één | לֹא (lo) = niet | יַעֲנֶ֥ה (yaane) = zal getuigen | בְנֶ֖פֶשׁ (benefesh) = tegen een persoon | לָמֽוּת (lamut) = om te sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor een doodvonnis zijn minstens twee getuigen nodig; zie Deut. 17:6 en 19:15. Zie ook: Deut 17:6; Deut 19:15; Mat 18:16; Joh 8:17–18; 2 Kor 13:1; Heb 10:28 **35:31** **Jullie mogen geen losgeld nemen voor het leven van een doodslager die de dood verdient. Hij moet zeker gedood worden.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תִקְח֥וּ (tiqchu) = jullie zullen nemen | כֹ֨פֶר֙ (kofer) = losgeld | לְנֶ֣פֶשׁ (lenefesh) = voor het leven van | רֹצֵ֔חַ (rotseach) = doodslager | אֲשֶׁר (asher) = die | ה֥וּא (hu) = hij | רָשָׁ֖ע (rasha) = schuldig | לָמ֑וּת (lamut) = om te sterven | כִּי (ki) = want | מ֖וֹת (mot) = de dood | יוּמָֽת (yumat) = hij zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּפֶר (kofer), ‘losgeld’: een betaling om vrij te komen, zoals in Exod. 21:30. Bij opzettelijk doden is dat verboden. Zie ook: Gen 9:5–6; Ex 21:14; Ex 21:30; 2 Sam 12:13; Ps 51:16; 1 Kon 2:28–34 **35:32** **Jullie mogen ook geen losgeld nemen voor iemand die naar zijn vrijstad gevlucht is. Zo zou hij terugkeren en in het land wonen voor de dood van de priester.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | תִקְח֣וּ (tiqchu) = jullie zullen nemen | כֹ֔פֶר (kofer) = losgeld | לָנ֖וּס (lanus) = om te vluchten | אֶל (el) = naar | עִ֣יר (ir) = stad van | מִקְלָט֑וֹ (miqlato) = zijn toevlucht | לָשׁוּב֙ (lashuv) = om terug te keren | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te wonen | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | עַד (ad) = tot | מ֖וֹת (mot) = dood van | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hand 4:12; Gal 2:21; Gal 3:10–13; Gal 3:22; Openb 5:9 ### Bloed bezoedelt het land **35:33** **Jullie mogen het land waarin jullie wonen niet bezoedelen, want bloed bezoedelt het land. Voor het land kan geen verzoening gedaan worden voor het bloed dat erin vergoten is, behalve door het bloed van wie het vergoot.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תַחֲנִ֣יפוּ (tachanifu) = jullie zullen bezoedelen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarin | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | בָּ֔הּ (bah) = daarin | כִּ֣י (ki) = want | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | ה֥וּא (hu) = het | יַחֲנִ֖יף (yachanif) = bezoedelt | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְלָאָ֣רֶץ (velaarets) = en voor het land | לֹֽא (lo) = niet | יְכֻפַּ֗ר (yekhupar) = kan verzoening gedaan worden | לַדָּם֙ (ladam) = voor het bloed | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | שֻׁפַּךְ (shupakh) = werd vergoten | בָּ֔הּ (bah) = daarin | כִּי (ki) = behalve | אִ֖ם (im) = als | בְּדַ֥ם (bedam) = door het bloed van | שֹׁפְכֽוֹ (shofekho) = wie het vergoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָנֵף (chaneph), ‘bezoedelen’: het land wordt vervuild door onschuldig bloed. Alleen het bloed van de doodslager kan dat bloed verzoenen; vergelijk Gen. 9:6. Zie ook: Gen 9:6; Ps 106:38; Jes 26:21; Mat 23:31–35; Luc 11:50–51 **35:34** **Maak het land waarin jullie wonen, waarin Ik zelf woon, niet onrein. Want Ik, Yahweh, woon te midden van de zonen van Israël.”** Brontekst: וְלֹ֧א (velo) = en niet | תְטַמֵּ֣א (tetame) = jullie zullen onrein maken | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarin | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | יֹשְׁבִ֣ים (yoshevim) = wonen | בָּ֔הּ (bah) = daarin | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | שֹׁכֵ֣ן (shokhen) = wonend | בְּתוֹכָ֑הּ (betokhah) = in haar midden | כִּ֚י (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שֹׁכֵ֕ן (shokhen) = wonend | בְּת֖וֹךְ (betokh) = in het midden van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het land is onrein door bloed, terwijl Yahweh er woont. Dat is de reden voor het verbod; vergelijk Num. 5:3. Zie ook: Ex 25:8; Num 5:3; Ps 135:21; 2 Kor 6:16–17; Openb 21:27 ## Numeri 36 _Het erfdeel van de erfdochters blijft in de stam_ ### De familiehoofden van Gilead komen met een bezwaar **36:1** De familiehoofden uit de familie van de zonen van Gilead kwamen naar voren. Gilead was de zoon van Machir, de zoon van Manasse, uit de families van de zonen van Jozef. Zij spraken voor Mozes en voor de leiders, de familiehoofden van de zonen van Israël. Brontekst: וַֽיִּקְרְב֞וּ (vayiqrevu) = en kwamen dichtbij | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הָֽאָב֗וֹת (haavot) = de families | לְמִשְׁפַּ֤חַת (lemishpachat) = uit de familie van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | גִלְעָד֙ (gilad) = Gilead | בֶּן (ben) = zoon van | מָכִ֣יר (makhir) = Machir | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | מִֽמִּשְׁפְּחֹ֖ת (mimishpechot) = uit de families van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַֽיְדַבְּר֞וּ (vaydaberu) = en spraken | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor | הַנְּשִׂאִ֔ים (hanesiim) = de leiders | רָאשֵׁ֥י (rashei) = hoofden van | אָב֖וֹת (avot) = families van | לִבְנֵ֥י (livnei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk sluit aan op Num. 27:1–11, waar de dochters van Selofchad een erfdeel krijgen; hun namen staan ook in Num. 26:33. Het bezwaar van de familie Gilead gaat over wat er met dat erfdeel gebeurt als de dochters trouwen. Zie ook: Num 26:29–33; Num 26:33; Num 27:1; Joz 17:2–3; 1 Kron 7:14–16 **36:2** Zij zeiden: „Yahweh heeft mijn heer geboden het land door het lot als erfdeel aan de zonen van Israël te geven. En mijn heer is door Yahweh geboden het erfdeel van Selofchad, onze broer, aan zijn dochters te geven. Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zeiden | אֶת (et) = (obj.) | אֲדֹנִי֙ (adoni) = mijn heer | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לָתֵ֨ת (latet) = om te geven | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֧רֶץ (haarets) = het land | בְּנַחֲלָ֛ה (benachala) = als erfdeel | בְּגוֹרָ֖ל (begoral) = door het lot | לִבְנֵ֣י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽאדֹנִי֙ (vadoni) = en mijn heer | צֻוָּ֣ה (tsuva) = is geboden | בַֽיהוָ֔ה (baYahweh) = door Yahweh | לָתֵ֗ת (latet) = om te geven | אֶֽת (et) = (obj.) | נַחֲלַ֛ת (nachalat) = het erfdeel van | צְלָפְחָ֥ד (tselafechad) = Selofchad | אָחִ֖ינוּ (achinu) = onze broer | לִבְנֹתָֽיו (livnotav) = aan zijn dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zij spreken Mozes aan als ‘mijn heer’: dat is de aanspreking van een leider. Wat zij zeggen over het lot, verwijst naar Num. 26:55 en 34:13. Zie ook: Job 42:15; Num 26:55; Num 27:1–7; Num 33:54; Num 34:13; Joz 13:6; Joz 17:3–6 **36:3** Als zij vrouw worden van een van de zonen van de andere stammen van Israël, wordt hun erfdeel weggenomen van het erfdeel van onze vaders. Het wordt toegevoegd aan het erfdeel van de stam waartoe zij gaan behoren. Zo wordt het weggenomen van het lot van ons erfdeel. Brontekst: וְ֠הָיוּ (vehayu) = en zullen zijn | לְאֶחָ֞ד (leechad) = voor een | מִבְּנֵ֨י (mibenei) = van de zonen van | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = de stammen van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | לְנָשִׁים֒ (lenashim) = tot vrouwen | וְנִגְרְעָ֤ה (venigrea) = en zal worden weggenomen | נַחֲלָתָן֙ (nachalatan) = hun erfdeel | מִנַּחֲלַ֣ת (minachalat) = van het erfdeel van | אֲבֹתֵ֔ינוּ (avoteinu) = onze vaders | וְנוֹסַ֕ף (venosaf) = en zal worden toegevoegd | עַ֚ל (al) = aan | נַחֲלַ֣ת (nachalat) = het erfdeel van | הַמַּטֶּ֔ה (hamate) = de stam | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waartoe | תִּהְיֶ֖ינָה (tihyeina) = zij zullen zijn | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וּמִגֹּרַ֥ל (umigoral) = en van het lot van | נַחֲלָתֵ֖נוּ (nachalatenu) = ons erfdeel | יִגָּרֵֽעַ (yigarea) = zal worden weggenomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:4** Ook als het jubeljaar komt voor de zonen van Israël, wordt hun erfdeel toegevoegd aan het erfdeel van de stam waartoe zij gaan behoren. Zo wordt hun erfdeel weggenomen van het erfdeel van de stam van onze vaders.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | הַיֹּבֵל֮ (hayovel) = het jubeljaar | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וְנֽוֹסְפָה֙ (venosefa) = en zal worden toegevoegd | נַחֲלָתָ֔ן (nachalatan) = hun erfdeel | עַ֚ל (al) = aan | נַחֲלַ֣ת (nachalat) = het erfdeel van | הַמַּטֶּ֔ה (hamate) = de stam | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waartoe | תִּהְיֶ֖ינָה (tihyeina) = zij zullen zijn | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וּמִֽנַּחֲלַת֙ (uminachalat) = en van het erfdeel van | מַטֵּ֣ה (mate) = stam van | אֲבֹתֵ֔ינוּ (avoteinu) = onze vaders | יִגָּרַ֖ע (yigara) = zal worden weggenomen | נַחֲלָתָֽן (nachalatan) = hun erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹבֵל (yovel), ‘jubeljaar’: het vijftigste jaar, waarin land terugkeert naar de oorspronkelijke eigenaar (Lev. 25:10, 13). Als het erfdeel van de dochters naar een andere stam is gegaan, keert het in het jubeljaar niet terug. Daarom is hun bezwaar groot. Zie ook: Lev 25:10–18; Lev 25:23; Jes 61:2; Luc 4:18–19 ### Het antwoord van Yahweh **36:5** Mozes gaf de zonen van Israël een bevel op bevel van Yahweh en zei: „De stam van de zonen van Jozef heeft gelijk. Brontekst: וַיְצַ֤ו (vaytsav) = en gebood | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַל (al) = op | פִּ֥י (pi) = bevel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֑ר (lemor) = om te zeggen | כֵּ֛ן (ken) = zo | מַטֵּ֥ה (mate) = stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | דֹּבְרִֽים (doverim) = die spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּן… דֹּבְרִים (ken… dovrim), ‘heeft gelijk’: letterlijk ‘zo spreken zij’; vergelijk Num. 27:7, waar het over de dochters zelf gaat. Zie ook: Num 27:7; Deut 5:28 **36:6** Dit is het woord dat Yahweh over de dochters van Selofchad geboden heeft: **‘Zij mogen trouwen met wie zij willen. Maar zij moeten trouwen met iemand uit de familie van de stam van hun vader.** Brontekst: זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֞ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לִבְנ֤וֹת (livnot) = voor de dochters van | צְלָפְחָד֙ (tselafechad) = Selofchad | לֵאמֹ֔ר (lemor) = om te zeggen | לַטּ֥וֹב (latov) = naar wat goed is | בְּעֵינֵיהֶ֖ם (beeineihem) = in hun ogen | תִּהְיֶ֣ינָה (tihyeina) = zij zullen zijn | לְנָשִׁ֑ים (lenashim) = tot vrouwen | אַ֗ךְ (akh) = alleen | לְמִשְׁפַּ֛חַת (lemishpachat) = aan de familie van | מַטֵּ֥ה (mate) = stam van | אֲבִיהֶ֖ם (avihem) = hun vader | תִּהְיֶ֥ינָה (tihyeina) = zij zullen zijn | לְנָשִֽׁים (lenashim) = tot vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wij zetten de woorden van Yahweh rood, tussen enkele aanhalingstekens, binnen de woorden van Mozes (vers 6–9). Zie ook Exod. 16:16. Voetnoot : הַטּוֹב בְּעֵינֵיהֶם (hattov beeneihem), ‘wie zij willen’: letterlijk ‘wat goed is in hun ogen’. De dochters mogen vrij kiezen, maar binnen de stam van hun vader. Zie ook: Gen 24:3; Gen 24:57–58; Ex 16:16; Num 36:12; 2 Kor 6:14 **36:7** **Het erfdeel van de zonen van Israël mag niet van de ene stam naar de andere overgaan. Want de zonen van Israël moeten ieder vasthouden aan het erfdeel van de stam van hun vaders.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תִסֹּ֤ב (tisov) = zal overgaan | נַחֲלָה֙ (nachala) = erfdeel | לִבְנֵ֣י (livnei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִמַּטֶּ֖ה (mimate) = van stam | אֶל (el) = naar | מַטֶּ֑ה (mate) = stam | כִּ֣י (ki) = want | אִ֗ישׁ (ish) = ieder | בְּנַחֲלַת֙ (benachalat) = aan het erfdeel van | מַטֵּ֣ה (mate) = stam van | אֲבֹתָ֔יו (avotav) = zijn vaders | יִדְבְּק֖וּ (yidbequ) = zullen vasthouden | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 36:9; 1 Kon 21:3 **36:8** **Elke dochter die een erfdeel erft van de stammen van de zonen van Israël, moet vrouw worden. Zij moet dat worden van een man uit de familie van de stam van haar vader. Zo erven de zonen van Israël ieder het erfdeel van zijn vaders erven.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elke | בַּ֞ת (bat) = dochter | יֹרֶ֣שֶׁת (yoreshet) = die erft | נַחֲלָ֗ה (nachala) = erfdeel | מִמַּטּוֹת֮ (mimatot) = van de stammen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | לְאֶחָ֗ד (leechad) = aan één | מִמִּשְׁפַּ֛חַת (mimishpachat) = uit de familie van | מַטֵּ֥ה (mate) = stam van | אָבִ֖יהָ (aviha) = haar vader | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = tot vrouw | לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | יִֽירְשׁוּ֙ (yireshu) = zullen erven | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | נַחֲלַ֥ת (nachalat) = erfdeel van | אֲבֹתָֽיו (avotav) = zijn vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit geldt voor elke dochter die een erfdeel erft, niet alleen voor de dochters van Selofchad. Het sluit aan op de regel van Num. 27:8–11. Zie ook: Num 27:8–11; 1 Kron 23:22 **36:9** **Geen erfdeel mag van de ene stam naar een andere stam overgaan. Want de stammen van de zonen van Israël moeten ieder vasthouden aan hun eigen erfdeel.’”** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תִסֹּ֧ב (tisov) = zal overgaan | נַחֲלָ֛ה (nachala) = erfdeel | מִמַּטֶּ֖ה (mimate) = van stam | לְמַטֶּ֣ה (lemate) = naar stam | אַחֵ֑ר (acher) = andere | כִּי (ki) = want | אִישׁ֙ (ish) = ieder | בְּנַ֣חֲלָת֔וֹ (benachalato) = aan zijn erfdeel | יִדְבְּק֕וּ (yidbequ) = zullen vasthouden | מַטּ֖וֹת (matot) = de stammen van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De dochters van Selofchad gehoorzamen **36:10** Zoals Yahweh Mozes geboden had, zo deden de dochters van Selofchad. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשׂ֖וּ (asu) = deden | בְּנ֥וֹת (benot) = de dochters van | צְלָפְחָֽד (tselafechad) = Selofchad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 39:42–43; Lev 24:23; 2 Kron 30:12; Mat 28:20 **36:11** Machla, Tirza, Chogla, Milka en Noa, de dochters van Selofchad, werden vrouw van de zonen van hun ooms. Brontekst: וַתִּהְיֶ֜ינָה (vatihyeina) = en waren | מַחְלָ֣ה (machla) = Machla | תִרְצָ֗ה (tirtsa) = Tirza | וְחָגְלָ֧ה (vechagela) = en Chogla | וּמִלְכָּ֛ה (umilka) = en Milka | וְנֹעָ֖ה (venoa) = en Noa | בְּנ֣וֹת (benot) = de dochters van | צְלָפְחָ֑ד (tselafechad) = Selofchad | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | דֹדֵיהֶ֖ן (dodeihen) = hun ooms | לְנָשִֽׁים (lenashim) = tot vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּדֵיהֶן (dodeihen), ‘hun ooms’: de broers van hun vader. De dochters trouwen met neven aan vaderskant, dus binnen de familie van hun vader. Voetnoot : De volgorde van de namen verschilt van Num. 26:33 en 27:1; de namen zelf zijn dezelfde. Zie ook: Num 26:33; Num 27:1 **36:12** Zij werden vrouw van mannen uit de families van de zonen van Manasse, de zoon van Jozef. Hun erfdeel bleef bij de stam van de familie van hun vader. Brontekst: מִֽמִּשְׁפְּחֹ֛ת (mimishpechot) = uit de families van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | בֶן (ben) = zoon van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | הָי֣וּ (hayu) = waren | לְנָשִׁ֑ים (lenashim) = tot vrouwen | וַתְּהִי֙ (vatehi) = en bleef | נַחֲלָתָ֔ן (nachalatan) = hun erfdeel | עַל (al) = bij | מַטֵּ֖ה (mate) = stam van | מִשְׁפַּ֥חַת (mishpachat) = familie van | אֲבִיהֶֽן (avihen) = hun vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het erfdeel blijft zo bij de stam Manasse; vergelijk vers 7–9. Zie ook: Num 36:7–9 ### Slot van het boek **36:13** Dit zijn de geboden en de rechtsregels die Yahweh door Mozes aan de zonen van Israël geboden heeft. Dat was op de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | הַמִּצְוֺ֞ת (hamitsvot) = de geboden | וְהַמִּשְׁפָּטִ֗ים (vehamishpatim) = en de rechtsregels | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | צִוָּ֧ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = aan | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בְּעַֽרְבֹ֣ת (bearvot) = op de vlakten van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | עַ֖ל (al) = aan | יַרְדֵּ֥ן (yarden) = Jordaan | יְרֵחֽוֹ (yerecho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Dit slot sluit het boek Numeri af. De geboden en rechtsregels zijn gegeven ‘op de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho’, zoals in Num. 22:1; 26:3; 31:12; 33:50; 35:1. Zie ook: Lev 14:54–57; Lev 26:46; Lev 27:34; Num 22:1; Num 26:3; Num 31:12; Num 33:50; Num 35:1