# Nehemia (נחמיה, Nechemyah) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Nehemia 1 _Nehemia hoort over Jeruzalem en bidt_ ### De woorden van Nehemia **1:1** De woorden van Nehemia, de zoon van Chakalja. Het was in de maand Kislev, in het twintigste jaar. Ik was in Sjoesjan, de burcht. Brontekst: דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | נְחֶמְיָ֖ה (nechemya) = Nehemia | בֶּן (ben) = zoon van | חֲכַלְיָ֑ה (chakhalya) = Chakalja | וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | בְחֹֽדֶשׁ (bechodesh) = in de maand | כִּסְלֵיו֙ (kisleiv) = Kislev | שְׁנַ֣ת (shenat) = jaar van | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | וַאֲנִ֥י (vaani) = en ik | הָיִ֖יתִי (hayiti) = was | בְּשׁוּשַׁ֥ן (beshushan) = in Sjoesjan | הַבִּירָֽה (habira) = de burcht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי נְחֶמְיָה (divre Nechemyah), ‘de woorden van Nehemia’: de naam betekent ‘Yahweh troost’. Ook de profetenboeken openen vaak met ‘de woorden van …’ (zoals Jer. 1:1 en Amos 1:1). Voetnoot : כִּסְלֵו (Kislev) is de negende maand van de Joodse kalender, ongeveer november–december. Het ‘twintigste jaar’ is het twintigste regeringsjaar van koning Artachsasta (zie 2:1). Voetnoot : שׁוּשַׁן הַבִּירָה (Shushan habirah), ‘Sjoesjan, de burcht’: Sjoesjan (Susa) was een hoofdstad van het Perzische rijk; ‘de burcht’ is het koninklijk paleiscomplex. Het Hebreeuws geeft hier geen koning; de naam volgt in 2:1. Zie ook: Amos 1:1; Jer 1:1; Dan 8:2; Ezra 7:7; Zach 7:1; Est 1:2; Neh 10:2 ### Het nieuws uit Jeruzalem **1:2** Chanani, een van mijn broers, kwam, hij en enkele mannen uit Juda. Ik vroeg hun naar de Joden die ontkomen waren, de overgeblevenen uit de gevangenschap, en naar Jeruzalem. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwam | חֲנָ֜נִי (chanani) = Chanani | אֶחָ֧ד (echad) = een | מֵאַחַ֛י (meachay) = van mijn broers | ה֥וּא (hu) = hij | וַאֲנָשִׁ֖ים (vaanashim) = en mannen | מִֽיהוּדָ֑ה (mihuda) = uit Juda | וָאֶשְׁאָלֵ֞ם (vaeshalem) = en ik vroeg hen | עַל (al) = over | הַיְּהוּדִ֧ים (hayehudim) = de Joden | הַפְּלֵיטָ֛ה (hapeleita) = de ontkomenen | אֲשֶֽׁר (asher) = die | נִשְׁאֲר֥וּ (nisharu) = waren overgebleven | מִן (min) = uit | הַשֶּׁ֖בִי (hashevi) = de gevangenschap | וְעַל (veal) = en over | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֲנָנִי (Chanani), ‘Chanani’: een van Nehemia’s ‘broers’. Het woord ‘broer’ (אָח, ach) kan ook een stamverwant betekenen. In Neh. 7:2 krijgt een Chanani een leidende taak in Jeruzalem; of het dezelfde man is, zegt de tekst niet. Voetnoot : הַפְּלֵיטָה (hapeletah), ‘de ontkomenen’: wie aan de ondergang van Jeruzalem en de ballingschap is ontkomen. Zij zijn de ‘overgeblevenen’ van vers 3. Zie ook: Ezech 6:9; Ezech 7:16; Ezech 24:26–27; Ezra 9:8–9; Neh 1:3; Neh 7:2 **1:3** Zij zeiden tegen mij: „De overgeblevenen uit de gevangenschap, daar in de provincie, verkeren in grote ellende en schande. De muur van Jeruzalem is doorbroken en haar poorten zijn met vuur verbrand.” Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֮ (vayomru) = en zij zeiden | לִי֒ (li) = tot mij | הַֽנִּשְׁאָרִ֞ים (hanisharim) = de overgeblevenen | אֲשֶֽׁר (asher) = die | נִשְׁאֲר֤וּ (nisharu) = zijn overgebleven | מִן (min) = uit | הַשְּׁבִי֙ (hashevi) = de gevangenschap | שָׁ֣ם (sham) = daar | בַּמְּדִינָ֔ה (bamedina) = in de provincie | בְּרָעָ֥ה (beraa) = in ellende | גְדֹלָ֖ה (gedola) = grote | וּבְחֶרְפָּ֑ה (uvecherpa) = en in schande | וְחוֹמַ֤ת (vechomat) = en de muur van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | מְפֹרָ֔צֶת (meforatset) = is doorbroken | וּשְׁעָרֶ֖יהָ (usheareiha) = en haar poorten | נִצְּת֥וּ (nitsetu) = zijn in brand gestoken | בָאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַמְּדִינָה (hamedinah), ‘de provincie’: Juda was een provincie van het Perzische rijk. Voetnoot : חֲרֻפָּה (cherpah), ‘schande’: een woord voor smaad en spot. Het komt terug in 2:17, 3:36 (NL 4:4) en 5:9. Voetnoot : מְפֹרָצֶת (meforatset), ‘doorbroken’: de muur heeft bressen. Dit is dezelfde toestand als in 2 Kon. 25:10; de muur was door de Chaldeeën afgebroken. Zie ook: 2 Kon 25:10; Ezra 5:8; Neh 2:3; Neh 2:13; Neh 2:17 **1:4** Toen ik deze woorden hoorde, ging ik zitten en huilde. Ik rouwde dagenlang. Ik vastte en bad voor het aangezicht van de Elohim van de hemel. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | כְּשָׁמְעִ֣י (keshamei) = toen ik hoorde | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | יָשַׁ֨בְתִּי֙ (yashavti) = ging ik zitten | וָֽאֶבְכֶּ֔ה (vaevke) = en huilde ik | וָאֶתְאַבְּלָ֖ה (vaetabela) = en rouwde ik | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וָֽאֱהִ֥י (vaehi) = en ik was | צָם֙ (tsam) = vastend | וּמִתְפַּלֵּ֔ל (umitpalel) = en biddend | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָאֶתְאַבְּלָה (va’etabbelah), ‘ik rouwde’: Nehemia’s rouw duurt dagen en gaat gepaard met vasten en gebed. Voetnoot : אֱלֹהֵי הַשָּׁמַיִם (Elohe hashamayim), ‘de Elohim van de hemel’: deze naam staat ook in Gen. 24:7, Ezra 1:2 en Jona 1:9. Wij vertalen steeds ‘Elohim’. Zie ook: Gen 24:7; Ps 69:10–11; Ps 102:14–15; Ps 137:1; Jona 1:9; Dan 9:3; Ezra 1:2; Ezra 10:1 ### Het gebed van Nehemia **1:5** Ik zei: „Ach, Yahweh, Elohim van de hemel, de grote en ontzagwekkende El. Hij bewaart het verbond en de trouw voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden bewaren. Brontekst: וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | אָֽנָּ֤א (ana) = ach | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | הָאֵ֥ל (hael) = de El | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = grote | וְהַנּוֹרָ֑א (vehanora) = en ontzagwekkende | שֹׁמֵ֤ר (shomer) = die bewaart | הַבְּרִית֙ (haberit) = het verbond | וָחֶ֔סֶד (vachesed) = en trouw | לְאֹהֲבָ֖יו (leohavav) = voor wie Hem liefhebben | וּלְשֹׁמְרֵ֥י (uleshomerei) = en voor wie bewaren | מִצְוֺתָֽיו (mitsvotav) = Zijn geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָנָּא (anna), ‘ach’: een dringend smeekwoord, zoals in Gen. 50:17 en Ps. 118:25. Voetnoot : הָאֵל הַגָּדוֹל וְהַנּוֹרָא (ha’el hagadol vehanora), ‘de grote en ontzagwekkende El’: zoals in Deut. 7:21 en 10:17. Voetnoot : וְחֶסֶד (vechesed), ‘en trouw’: chesed is de verbondstrouw van Yahweh. Wij vertalen steeds ‘trouw’. De formule ‘die het verbond en de trouw bewaart’ staat ook in Deut. 7:9 en 1 Kon. 8:23. Zie ook: Gen 50:17; Ex 20:6; Deut 7:9; Deut 7:21; Deut 10:17; Ps 118:25; 1 Kon 8:23; Dan 9:4–19; Neh 4:8 **1:6** Laat Uw oor toch opmerkzaam zijn en Uw ogen geopend, om te luisteren naar het gebed van Uw knecht. Dat bid ik nu voor Uw aangezicht, dag en nacht, voor de zonen van Israël, Uw knechten. Ik belijd de zonden van de zonen van Israël, die wij tegen U hebben begaan. Ook ik en het huis van mijn vader hebben gezondigd. Brontekst: תְּהִ֣י (tehi) = laat zijn | נָ֣א (na) = toch | אָזְנְךָֽ (azenekha) = Uw oor | קַשֶּׁ֣בֶת (qashevet) = opmerkzaam | וְֽעֵינֶ֪יךָ (veeineikha) = en Uw ogen | פְתֻוּח֟וֹת (petuuchot) = geopend | לִשְׁמֹ֣עַ (lishmoa) = om te horen | אֶל (el) = naar | תְּפִלַּ֣ת (tefilat) = het gebed van | עַבְדְּךָ֡ (avdekha) = Uw knecht | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אָנֹכִי֩ (anokhi) = ik | מִתְפַּלֵּ֨ל (mitpalel) = bid | לְפָנֶ֤יךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | יוֹמָ֣ם (yomam) = overdag | וָלַ֔יְלָה (valayla) = en 's nachts | עַל (al) = voor | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עֲבָדֶ֑יךָ (avadeikha) = Uw knechten | וּמִתְוַדֶּ֗ה (umitvade) = en ik belijd | עַל (al) = over | חַטֹּ֤אות (chatovt) = de zonden van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָטָ֣אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | לָ֔ךְ (lakh) = tegen U | וַאֲנִ֥י (vaani) = en ik | וּבֵית (uveit) = en het huis van | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | חָטָֽאנוּ (chatanu) = hebben gezondigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמִתְוַדֶּה (umitvaddeh), ‘ik belijd’: Nehemia belijdt de zonden van het volk en rekent zichzelf en zijn familie erbij. Zo ook Dan. 9:5 en Ezra 9. Zie ook: Ps 34:16; Ps 106:6; Dan 9:4; Dan 9:5; Dan 9:17–18; Dan 9:20 **1:7** Wij hebben zeer verkeerd tegen U gehandeld. Wij hebben de geboden, de voorschriften en de rechtsregels niet bewaard die U aan Mozes, Uw knecht, hebt opgedragen. Brontekst: חֲבֹ֖ל (chavol) = zeer verkeerd | חָבַ֣לְנוּ (chavalnu) = hebben wij gehandeld | לָ֑ךְ (lakh) = tegen U | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁמַ֣רְנוּ (shamarnu) = hebben wij bewaard | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּצְוֺ֗ת (hamitsvot) = de geboden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽחֻקִּים֙ (hachuqim) = de voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּשְׁפָּטִ֔ים (hamishpatim) = de rechtsregels | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוִּ֖יתָ (tsivita) = U hebt opgedragen | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | עַבְדֶּֽךָ (avdekha) = Uw knecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲבֹל חָבַלְנוּ (chavol chavalnu), ‘zeer verkeerd hebben wij gehandeld’: het werkwoord חָבַל (chaval) betekent ‘verderven’ of ‘verkeerd handelen’. Het Hebreeuws verdubbelt het werkwoord, om het nadruk te geven. Voetnoot : Wij vertalen mitsvot ‘geboden’, chuqqim ‘voorschriften’ en mishpatim ‘rechtsregels’, zoals in 1 Kon. 2:3. Zie ook: Ps 106:6; 1 Kon 2:3; Sef 3:7; Dan 9:5–6; Dan 9:11; Dan 9:13 **1:8** Denk toch aan het woord dat U aan Mozes, Uw knecht, hebt opgedragen: ‘Jullie zullen ontrouw handelen. Ik zal jullie onder de volken verspreiden. Brontekst: זְכָר (zekhar) = gedenk | נָא֙ (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | צִוִּ֛יתָ (tsivita) = U hebt opgedragen | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | עַבְדְּךָ֖ (avdekha) = Uw knecht | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | תִּמְעָ֔לוּ (timalu) = zullen ontrouw handelen | אֲנִ֕י (ani) = Ik | אָפִ֥יץ (afits) = zal verspreiden | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בָּעַמִּֽים (baamim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nehemia haalt Mozes’ woorden aan in samengevatte vorm; vergelijk Lev. 26:33 en Deut. 4:25–31 en 30:1–5. Deze woorden van Yahweh staan in het gebed van Nehemia, daarom zwart en tussen enkele aanhalingstekens (verzen 8–9). Voetnoot : תַּמְעָלוּ (tim’alu), ‘jullie zullen ontrouw handelen’: מָעַל (ma’al) betekent trouwbreuk plegen tegenover Yahweh. Zie ook: Lev 26:33–46; Deut 4:25–27; Deut 28:64; Deut 30:1; Deut 32:26–28; 1 Kon 9:6–7 **1:9** Maar jullie zullen naar Mij terugkeren. Jullie zullen Mijn geboden bewaren en doen. Als jullie verstrooiden aan het einde van de hemel zijn, zal Ik hen vandaar verzamelen. Ik zal hen brengen naar de plaats die Ik gekozen heb om Mijn naam daar te laten wonen.’ Brontekst: וְשַׁבְתֶּ֣ם (veshavtem) = en jullie zullen terugkeren | אֵלַ֔י (elay) = naar Mij | וּשְׁמַרְתֶּם֙ (ushemartem) = en jullie zullen bewaren | מִצְוֺתַ֔י (mitsvotay) = Mijn geboden | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | אִם (im) = als | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | נִֽדַּחֲכֶ֜ם (nidachakhem) = jullie verstrooiden | בִּקְצֵ֤ה (biqtse) = aan het einde van | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | מִשָּׁ֣ם (misham) = vandaar | אֲקַבְּצֵ֔ם (aqabetsem) = zal Ik hen verzamelen | וַהֲבִֽיאוֹתִים֙ (vahaviotim) = en Ik zal hen brengen | אֶל (el) = naar | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בָּחַ֔רְתִּי (bacharti) = Ik heb gekozen | לְשַׁכֵּ֥ן (leshaken) = om te laten wonen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדַּחֲכֶם (niddachakhem), ‘jullie verstrooiden’: letterlijk ‘jullie weggedrevenen’, iedereen die verstrooid is. Voetnoot : לְשַׁכֵּן אֶת־שְׁמִי שָׁם (leshakken et shemi sham), ‘om Mijn naam daar te laten wonen’: de plaats die Yahweh gekozen heeft is Jeruzalem met de tempel (zoals Deut. 12:11). Zie ook: Lev 26:39–42; Deut 4:29–31; Deut 12:11; Deut 30:2–5; Jer 29:11–14; Jer 32:37 **1:10** Zij zijn Uw knechten en Uw volk, dat U met Uw grote kracht en Uw sterke hand hebt vrijgekocht. Brontekst: וְהֵ֥ם (vehem) = en zij | עֲבָדֶ֖יךָ (avadeikha) = Uw knechten | וְעַמֶּ֑ךָ (veamekha) = en Uw volk | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | פָּדִ֨יתָ֙ (padita) = U hebt vrijgekocht | בְּכֹחֲךָ֣ (bekhochakha) = met Uw kracht | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = grote | וּבְיָדְךָ֖ (uveyadekha) = en met Uw hand | הַחֲזָקָֽה (hachazaqa) = sterke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּדִיתָ (padita), ‘U hebt vrijgekocht’: pada is ‘vrijkopen’, zoals bij de uittocht (Deut. 9:26). Voetnoot : בְּכֹחֲךָ הַגָּדוֹל וּבְיָדְךָ הַחֲזָקָה (bekochakha hagadol uveyadkha hachazaqah), ‘met Uw grote kracht en Uw sterke hand’: zoals in Exod. 32:11 en Deut. 9:29. Zie ook: Ex 32:11; Deut 9:26; Deut 9:29; Ps 136:12; Jes 63:16–19; Dan 9:15–27 **1:11** Ach, Heer, laat Uw oor toch opmerkzaam zijn op het gebed van Uw knecht. Laat Uw oor ook opmerkzaam zijn op het gebed van Uw knechten, die er behagen in hebben Uw naam te vrezen. Laat het Uw knecht vandaag toch gelukken en geef hem ontferming voor het aangezicht van deze man.” Ik was de wijnschenker van de koning. Brontekst: אָנָּ֣א (ana) = ach | אֲדֹנָ֗י (adonay) = Heer | תְּהִ֣י (tehi) = laat zijn | נָ֣א (na) = toch | אָזְנְךָֽ (azenekha) = Uw oor | קַ֠שֶּׁבֶת (qashevet) = opmerkzaam | אֶל (el) = naar | תְּפִלַּ֨ת (tefilat) = het gebed van | עַבְדְּךָ֜ (avdekha) = Uw knecht | וְאֶל (veel) = en naar | תְּפִלַּ֣ת (tefilat) = het gebed van | עֲבָדֶ֗יךָ (avadeikha) = Uw knechten | הַֽחֲפֵצִים֙ (hachafetsim) = die behagen hebben | לְיִרְאָ֣ה (leyira) = om te vrezen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמֶ֔ךָ (shemekha) = Uw naam | וְהַצְלִֽיחָה (vehatslicha) = en laat gelukken | נָּ֤א (na) = toch | לְעַבְדְּךָ֙ (leavdekha) = aan Uw knecht | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | וּתְנֵ֣הוּ (utenehu) = en geef hem | לְרַחֲמִ֔ים (lerachamim) = tot ontferming | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַאֲנִ֛י (vaani) = en ik | הָיִ֥יתִי (hayiti) = was | מַשְׁקֶ֖ה (mashqe) = schenker van | לַמֶּֽלֶךְ (lamelekh) = aan de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘Heer’: hier staat het woord ‘Heer’ zonder Yahweh, als aanspreking. Wij vertalen ‘Heer’. Voetnoot : רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’: ook ‘erbarmen’. Nehemia bidt dat de koning hem welgezind zal zijn. Voetnoot : מַשְׁקֶה (mashqeh), ‘wijnschenker’: de man die de koning de beker aanreikt. Het was een vertrouwenspost aan het hof. Deze zin sluit het gebed af en leidt hoofdstuk 2 in. Zie ook: Spr 21:1; Neh 1:6; Neh 2:1; Neh 2:8; Heb 13:18 ## Nehemia 2 _Nehemia wordt door de koning gestuurd en onderzoekt de muur_ ### Nehemia voor de koning **2:1** In de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Artachsasta, stond er wijn voor hem. Ik nam de wijn en gaf hem aan de koning. Eerder was ik niet somber voor zijn aangezicht geweest. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בְּחֹ֣דֶשׁ (bechodesh) = in de maand | נִיסָ֗ן (nisan) = Nisan | שְׁנַ֥ת (shenat) = jaar van | עֶשְׂרִ֛ים (esrim) = twintig | לְאַרְתַּחְשַׁ֥סְתְּא (leartachshaste) = van Artachsasta | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | יַ֣יִן (yayin) = wijn | לְפָנָ֑יו (lefanav) = voor hem | וָאֶשָּׂ֤א (vaesa) = en ik nam | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּ֨יִן֙ (hayayin) = de wijn | וָאֶתְּנָ֣ה (vaetena) = en ik gaf | לַמֶּ֔לֶךְ (lamelekh) = aan de koning | וְלֹא (velo) = en niet | הָיִ֥יתִי (hayiti) = was ik | רַ֖ע (ra) = somber | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor zijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִיסָן (Nisan) is de eerste maand van de Joodse kalender, ongeveer maart–april. In 1:1 staat Kislev, de negende maand, ook van ‘het twintigste jaar’. Nisan van het twintigste jaar komt dus enkele maanden later in het jaar. Dat kan op twee manieren: de tekst telt de regeringsjaren van de koning vanaf de herfst, of Nehemia wachtte maanden tot de koning hem aansprak. Het Hebreeuws zegt dit niet. Voetnoot : Het twintigste jaar van Artachsasta wordt vaak verbonden met Artaxerxes I; zeker is dat uit de tekst zelf niet. Voetnoot : וְלֹא־הָיִיתִי רַע (velo hayiti ra), ‘ik was niet somber’: letterlijk ‘ik was niet slecht (van gezicht)’. Zie het woord ‘slecht’ in vers 2. Zie ook: Ezra 7:1; Ezra 7:7; Est 3:7; Neh 1:1; Neh 1:11; Neh 2:2 **2:2** De koning zei tegen mij: „Waarom zie je er slecht uit, terwijl je niet ziek bent? Dit is niets anders dan verdriet in het hart.” Toen werd ik zeer bang. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | לִ֨י (li) = tot mij | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | מַדּ֣וּעַ (madua) = waarom | פָּנֶ֣יךָ (paneikha) = je gezicht | רָעִ֗ים (raim) = slecht | וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | אֵֽינְךָ֣ (einekha) = niet ben jij | חוֹלֶ֔ה (chole) = ziek | אֵ֣ין (ein) = niets | זֶ֔ה (ze) = dit | כִּי (ki) = maar | אִ֖ם (im) = dan | רֹ֣עַֽ (roa) = kwaad van | לֵ֑ב (lev) = hart | וָאִירָ֖א (vaira) = en ik werd bang | הַרְבֵּ֥ה (harbe) = zeer | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָעִים (ra’im), ‘slecht’: de koning ziet aan Nehemia’s gezicht dat hij somber is, terwijl hij niet ziek lijkt. Wij vertalen ‘er slecht uitzien’. Voetnoot : De koning gebruikt ‘je’ tegen Nehemia, zoals een heer tegen een dienaar; Nehemia antwoordt met ‘u’ (verzen 3 en 5). Zie ook: Gen 40:7; Spr 15:13 **2:3** Ik zei tegen de koning: „Moge de koning voor eeuwig leven. Waarom zou mijn gezicht niet somber zijn? De stad, het huis van de graven van mijn vaderen, ligt in puin en haar poorten zijn door vuur verteerd.” Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en ik zei | לַמֶּ֔לֶךְ (lamelekh) = aan de koning | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְעוֹלָ֣ם (leolam) = voor eeuwig | יִחְיֶ֑ה (yichye) = moge leven | מַדּ֜וּעַ (madua) = waarom | לֹא (lo) = niet | יֵרְע֣וּ (yereu) = zou zijn somber | פָנַ֗י (panay) = mijn gezicht | אֲשֶׁ֨ר (asher) = terwijl | הָעִ֜יר (hair) = de stad | בֵּית (beit) = huis van | קִבְר֤וֹת (qivrot) = graven van | אֲבֹתַי֙ (avotay) = mijn vaderen | חֲרֵבָ֔ה (chareva) = in puin ligt | וּשְׁעָרֶ֖יהָ (usheareiha) = en haar poorten | אֻכְּל֥וּ (ukelu) = zijn verteerd | בָאֵֽשׁ (baesh) = door vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעוֹלָם יִחְיֶה (le’olam yichyeh), ‘moge hij voor eeuwig leven’: een gebruikelijke hofgroet (vergelijk 1 Kon. 1:31 en Dan. 2:4). Voetnoot : קִבְרוֹת אֲבֹתַי (qivrot avotay), ‘de graven van mijn vaderen’: voor Nehemia gaat het om de stad van zijn voorouders. Hij noemt Jeruzalem niet bij naam; hij spreekt tegen een Perzische koning over een stad met graven. Zie ook: Ps 137:6; 1 Kon 1:31; Dan 2:4; Dan 5:10; Neh 1:3 **2:4** De koning zei tegen mij: „Wat vraag je dan?” Ik bad tot de Elohim van de hemel. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לִי֙ (li) = tot mij | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = waarvoor | מַה (ma) = wat | זֶּ֖ה (ze) = dit | אַתָּ֣ה (ata) = jij | מְבַקֵּ֑שׁ (mevaqesh) = zoekend | וָֽאֶתְפַּלֵּ֔ל (vaetpalel) = en ik bad | אֶל (el) = tot | אֱלֹהֵ֖י (elohei) = de Elohim van | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nehemia bidt kort, in stilte, tot de Elohim van de hemel voordat hij antwoordt. Dit is een tweede gebed naast het lange gebed van hoofdstuk 1. Zie ook: Spr 3:6; 1 Kon 3:5; Neh 1:4; Neh 1:11; Fil 4:6 **2:5** Ik zei tegen de koning: „Als het de koning goed lijkt en als uw knecht welgevallen vindt voor uw aangezicht, stuur mij dan naar Juda. Stuur mij naar de stad van de graven van mijn vaderen. Dan zal ik haar herbouwen.” Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en ik zei | לַמֶּ֔לֶךְ (lamelekh) = aan de koning | אִם (im) = als | עַל (al) = het | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | ט֔וֹב (tov) = goed lijkt | וְאִם (veim) = en als | יִיטַ֥ב (yitav) = welgevallen vindt | עַבְדְּךָ֖ (avdekha) = uw knecht | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor uw aangezicht | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | תִּשְׁלָחֵ֣נִי (tishlacheni) = u mij zendt | אֶל (el) = naar | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = naar | עִ֛יר (ir) = de stad van | קִבְר֥וֹת (qivrot) = graven van | אֲבֹתַ֖י (avotay) = mijn vaderen | וְאֶבְנֶֽנָּה (veevnena) = en ik haar zal herbouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶשְׁלָחֵנִי (tishlacheni), ‘u mij zendt’: Nehemia vraagt om gezonden te worden, niet om zijn ontslag. Voetnoot : וְאֶבְנֶנָּה (ve’evnennah), ‘en ik haar zal herbouwen’: de bouwer is Nehemia zelf, in opdracht van de koning. Zie ook: Ruth 2:13; 2 Sam 14:22; Spr 3:4; Ezra 5:17; Est 8:5 **2:6** De koning zei tegen mij, terwijl de koningin naast hem zat: „Hoe lang duurt je reis en wanneer keer je terug?” Het leek de koning goed mij te sturen. Ik gaf hem een tijd. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | לִ֨י (li) = tot mij | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַשֵּׁגַ֣ל (vehashegal) = en de koningin | יוֹשֶׁ֣בֶת (yoshevet) = zittend | אֶצְל֗וֹ (etslo) = naast hem | עַד (ad) = tot | מָתַ֛י (matay) = wanneer | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | מַֽהֲלָכֲךָ֖ (mahalakhakha) = je reis | וּמָתַ֣י (umatay) = en wanneer | תָּשׁ֑וּב (tashuv) = keer je terug | וַיִּיטַ֤ב (vayitav) = en het leek goed | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וַיִּשְׁלָחֵ֔נִי (vayishlacheni) = en hij zond mij | וָֽאֶתְּנָ֥ה (vaetena) = en ik gaf | ל֖וֹ (lo) = hem | זְמָֽן (zeman) = een tijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁגַל (shegal), ‘koningin’: een woord dat in het Hebreeuws zelden voorkomt (ook in Ps. 45:10). Het duidt de gemalin van de koning aan. De betekenis is vrij zeker, het woord zelf zeldzaam. Voetnoot : זְמָן (zeman), ‘een tijd’: een vastgestelde tijd. Het Hebreeuws zegt niet hoe lang. Zie Neh. 5:14 en 13:6 voor de latere termijn. Zie ook: Ps 45:10; Jes 58:12; Jes 65:24; Neh 2:4; Neh 5:14; Neh 13:6 **2:7** Ik zei tegen de koning: „Als het de koning goed lijkt, laat men mij dan brieven geven voor de landvoogden van het gebied over de rivier. Dan zullen zij mij laten doorreizen, tot ik in Juda aankom. Brontekst: וָאוֹמַר֮ (vaomar) = en ik zei | לַמֶּלֶךְ֒ (lamelekh) = aan de koning | אִם (im) = als | עַל (al) = het | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | ט֔וֹב (tov) = goed lijkt | אִגְּרוֹת֙ (igerot) = brieven | יִתְּנוּ (yitenu) = laat men geven | לִ֔י (li) = aan mij | עַֽל (al) = aan | פַּחֲו֖וֹת (pachavot) = de landvoogden van | עֵ֣בֶר (ever) = het gebied over | הַנָּהָ֑ר (hanahar) = de rivier | אֲשֶׁר֙ (asher) = zodat | יַעֲבִיר֔וּנִי (yaaviruni) = zij mij laten doorreizen | עַ֥ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | אָב֖וֹא (avo) = ik kom | אֶל (el) = naar | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵבֶר הַנָּהָר (ever hanahar), ‘het gebied over de rivier’: letterlijk ‘de overkant van de Rivier’, het gebied westelijk van de Eufraat, een provincie van het Perzische rijk. פַּחוֹת (pachot), ‘landvoogden’, zijn de bestuurders van dat gebied (zie ook 5:14). Zie ook: Ezra 6:6; Ezra 7:21; Ezra 8:22; Ezra 8:36; Neh 2:9 **2:8** Ook een brief voor Asaf, de bewaker van het koninklijk park. Dan zal hij mij hout geven om balken te maken. Die zijn voor de poorten van de burcht bij het huis, voor de stadsmuur en voor het huis waar ik zal gaan wonen.” De koning gaf het mij, want de goede hand van mijn Elohim was over mij. Brontekst: וְאִגֶּ֡רֶת (veigeret) = en een brief | אֶל (el) = aan | אָסָף֩ (asaf) = Asaf | שֹׁמֵ֨ר (shomer) = de bewaker van | הַפַּרְדֵּ֜ס (hapardes) = het park | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לַמֶּ֗לֶךְ (lamelekh) = van de koning | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יִתֶּן (yiten) = hij geeft | לִ֣י (li) = aan mij | עֵצִ֡ים (etsim) = hout | לְ֠קָרוֹת (leqarot) = om balken te maken | אֶת (et) = (obj.) | שַׁעֲרֵ֨י (shaarei) = de poorten van | הַבִּירָ֤ה (habira) = de burcht | אֲשֶׁר (asher) = die | לַבַּ֨יִת֙ (labayit) = bij het huis | וּלְחוֹמַ֣ת (ulechomat) = en voor de muur van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְלַבַּ֖יִת (velabayit) = en voor het huis | אֲשֶׁר (asher) = dat | אָב֣וֹא (avo) = ik zal binnengaan | אֵלָ֑יו (elav) = daarin | וַיִּתֶּן (vayiten) = en gaf | לִ֣י (li) = aan mij | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | כְּיַד (keyad) = naar de hand van | אֱלֹהַ֖י (elohay) = mijn Elohim | הַטּוֹבָ֥ה (hatova) = de goede | עָלָֽי (alay) = over mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּרְדֵּס (pardes), ‘park’: een koninklijke tuin of bos; het woord komt uit het Perzisch. Het komt ook voor in Pred. 2:5 en Hoogl. 4:13. Asaf is hier de bewaker van het koninklijk park en is niet dezelfde als de zanger Asaf. Voetnoot : הַבִּירָה אֲשֶׁר־לַבַּיִת (habirah asher labayit), ‘de burcht bij het huis’: de burcht naast het huis van Elohim, de tempel. De ligging is niet zeker. Voetnoot : כְּיַד־אֱלֹהַי הַטּוֹבָה עָלַי (keyad Elohay hatovah alay), ‘naar de goede hand van mijn Elohim over mij’: een terugkerende uitdrukking in Ezra en Nehemia (vers 18; Ezra 7:6, 7:9, 7:28 en 8:18). Zie ook: Hoogl 4:13; Pred 2:5; Jes 66:14; Dan 1:9; Ezra 7:6; Ezra 7:9; Ezra 7:28; Ezra 8:18; Neh 2:17–18; Neh 2:18; Neh 7:2 ### Nehemia komt in Jeruzalem **2:9** Ik kwam bij de landvoogden van het gebied over de rivier en gaf hun de brieven van de koning. De koning had legeroversten en ruiters met mij meegestuurd. Brontekst: וָֽאָב֗וֹא (vaavo) = en ik kwam | אֶֽל (el) = bij | פַּֽחֲווֹת֙ (pachavot) = de landvoogden van | עֵ֣בֶר (ever) = het gebied over | הַנָּהָ֔ר (hanahar) = de rivier | וָאֶתְּנָ֣ה (vaetena) = en ik gaf | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אִגְּר֣וֹת (igerot) = de brieven van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en zond | עִמִּי֙ (imi) = met mij | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | שָׂ֥רֵי (sarei) = oversten van | חַ֖יִל (chayil) = het leger | וּפָרָשִֽׁים (ufarashim) = en ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Anders dan Ezra (Ezra 8:22) accepteert Nehemia een militaire escorte van de koning. Zie ook: Ezra 8:22 **2:10** Sanballat de Choroniet en Tobia, de Ammonitische knecht, hoorden dit. Zij vonden het zeer slecht dat iemand gekomen was om het goede te zoeken voor de zonen van Israël. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֞ע (vayishma) = en hoorde | סַנְבַלַּ֣ט (sanvalat) = Sanballat | הַחֹרֹנִ֗י (hachoroni) = de Choroniet | וְטֽוֹבִיָּה֙ (vetoviya) = en Tobia | הָעֶ֣בֶד (haeved) = de knecht | הָֽעַמֹּנִ֔י (haamoni) = de Ammoniet | וַיֵּ֥רַע (vayera) = en het was slecht | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | רָעָ֣ה (raa) = slecht | גְדֹלָ֑ה (gedola) = zeer | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּ֥א (ba) = was gekomen | אָדָ֔ם (adam) = een mens | לְבַקֵּ֥שׁ (levaqesh) = om te zoeken | טוֹבָ֖ה (tova) = het goede | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַנְבַלַּט הַחֹרֹנִי (Sanballat haChoroni), ‘Sanballat de Choroniet’: waarschijnlijk uit Bet-Choron, ten noordwesten van Jeruzalem; zeker is dat niet. Hij is een tegenstander van Nehemia die ook in 2:19, 3:33, 4:1 en 6 verschijnt. Voetnoot : טוֹבִיָּה הָעֶבֶד הָעַמּוֹנִי (Toviyyah ha’eved ha’Ammoni), ‘Tobia, de Ammonitische knecht’: ‘knecht’ is mogelijk een ambtelijke titel (dienaar van de Perzische koning). Het Hebreeuws zegt het niet. Wij vertalen ‘knecht’. Zie ook: Ezech 25:6–8; Neh 2:19; Neh 4:1; Neh 6:1; Neh 13:4 ### De nachtelijke ronde **2:11** Ik kwam in Jeruzalem en bleef daar drie dagen. Brontekst: וָאָב֖וֹא (vaavo) = en ik kwam | אֶל (el) = naar | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וָאֱהִי (vaehi) = en ik was | שָׁ֖ם (sham) = daar | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Drie dagen rust na de lange reis; zo ook in Ezra 8:32. Zie ook: Ezra 8:32 **2:12** Ik stond 's nachts op, ik en enkele mannen met mij. Ik had aan niemand verteld wat mijn Elohim mij in het hart had gegeven te doen voor Jeruzalem. Er was geen dier met mij, behalve het dier waarop ik reed. Brontekst: וָאָק֣וּם (vaaqum) = en ik stond op | לַ֗יְלָה (layla) = 's nachts | אֲנִי֮ (ani) = ik | וַאֲנָשִׁ֣ים (vaanashim) = en mannen | מְעַט֮ (meat) = enkele | עִמִּי֒ (imi) = met mij | וְלֹא (velo) = en niet | הִגַּ֣דְתִּי (higadti) = had ik verteld | לְאָדָ֔ם (leadam) = aan een mens | מָ֗ה (ma) = wat | אֱלֹהַי֙ (elohay) = mijn Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = gaf | אֶל (el) = in | לִבִּ֔י (libi) = mijn hart | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | לִירוּשָׁלִָ֑ם (lirushaliam) = voor Jeruzalem | וּבְהֵמָה֙ (uvehema) = en een dier | אֵ֣ין (ein) = niet was | עִמִּ֔י (imi) = met mij | כִּ֚י (ki) = maar | אִם (im) = als | הַבְּהֵמָ֔ה (habehema) = het dier | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarop | אֲנִ֖י (ani) = ik | רֹכֵ֥ב (rokhev) = reed | בָּֽהּ (bah) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Nehemia houdt zijn plan geheim. Het Hebreeuws zegt: ‘wat mijn Elohim in mijn hart gaf’; Nehemia schrijft zijn plan aan Elohim toe. Voetnoot : הַבְּהֵמָה (habehemah), ‘het dier’: waarschijnlijk een ezel of muildier. Het Hebreeuws noemt de soort niet. Zie ook: Jer 31:33; Jer 32:40; Ezra 7:27; 2 Kor 8:16; Openb 17:17 **2:13** 's Nachts trok ik uit door de Dalpoort, naar de Drakenbron en naar de Mestpoort. Ik onderzocht de muren van Jeruzalem, die doorbroken waren, en haar poorten, die door vuur verteerd waren. Brontekst: וָאֵצְאָ֨ה (vaetsea) = en ik ging uit | בְשַֽׁעַר (beshaar) = door de poort van | הַגַּ֜יא (hagay) = de vallei | לַ֗יְלָה (layla) = 's nachts | וְאֶל (veel) = en naar | פְּנֵי֙ (penei) = de voorkant van | עֵ֣ין (ein) = de bron van | הַתַּנִּ֔ין (hatanin) = de Draak | וְאֶל (veel) = en naar | שַׁ֖עַר (shaar) = de poort van | הָאַשְׁפֹּ֑ת (haashpot) = de Mest | וָאֱהִ֨י (vaehi) = en ik was | שֹׂבֵ֜ר (sover) = onderzoekend | בְּחוֹמֹ֤ת (bechomot) = de muren van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵ֣ם (hem) = zij | פְּרוּצִ֔ים (perutsim) = doorbroken waren | וּשְׁעָרֶ֖יהָ (usheareiha) = en haar poorten | אֻכְּל֥וּ (ukelu) = verteerd waren | בָאֵֽשׁ (baesh) = door vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dalpoort (ligging onzeker): De Dalpoort lag in de westelijke of zuidwestelijke muur van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Zie Mestpoort (ligging onzeker): De Mestpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij het dal van Hinnom. De precieze plaats is niet zeker. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Nehemia trekt ’s nachts langs de muur, van de Dalpoort naar de Mestpoort. De ligging van alle poorten, bronnen en vijvers is niet zeker. Voetnoot : עֵין הַתַּנִּין (ein hatannin), ‘Drakenbron’ of ‘Bron van het monster’. De naam is niet elders bekend. De ligging is onzeker. Voetnoot : שַׁעַר הָאַשְׁפֹּת (sha’ar ha’ashpot), ‘Mestpoort’: een poort waar het vuil wordt afgevoerd. Zie ook 3:13–14. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft המפרוצים als één woord. De voorgelezen tekst (qere) heeft הֵם פְּרוּצִים (hem perutsim), ‘zij waren doorbroken’. Wij volgen het qere. Zie ook: 2 Kron 26:9; Neh 1:3; Neh 2:3; Neh 2:17; Neh 3:13–14 **2:14** Ik trok verder naar de Bronpoort en naar de Koningsvijver. Maar er was geen plaats voor het dier om onder mij door te komen. Brontekst: וָאֶֽעֱבֹר֙ (vaeevor) = en ik ging verder | אֶל (el) = naar | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הָעַ֔יִן (haayin) = de Bron | וְאֶל (veel) = en naar | בְּרֵכַ֖ת (berekhat) = de vijver van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֵין (veein) = en niet was | מָק֥וֹם (maqom) = plaats | לַבְּהֵמָ֖ה (labehema) = voor het dier | לַעֲבֹ֥ר (laavor) = om door te gaan | תַּחְתָּֽי (tachtay) = onder mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bronpoort (ligging onzeker): De Bronpoort lag aan de zuidoostkant van Jeruzalem, bij de vijver van Siloam. De precieze plaats is niet zeker. Zie Koningsvijver (ligging onzeker): De Koningsvijver lag in het zuiden van Jeruzalem, bij de Siloam. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הָעַיִן (sha’ar ha’ayin), ‘Bronpoort’, en בְּרֵכַת הַמֶּלֶךְ (berekhat hamelekh), ‘Koningsvijver’: bij het zuidoostelijke deel van de stad. Mogelijk dezelfde vijver als de Vijver van Sjelach in 3:15. De ligging is onzeker. Het puin is zo dicht dat het dier niet verder kan. Zie ook: 2 Kon 18:17; 2 Kon 20:20; 2 Kron 32:30; Neh 3:15 **2:15** 's Nachts ging ik door het beekdal omhoog en onderzocht de muur. Daarna keerde ik om en kwam door de Dalpoort binnen. Zo keerde ik terug. Brontekst: וָאֱהִ֨י (vaehi) = en ik was | עֹלֶ֤ה (ole) = omhoog gaand | בַנַּ֨חַל֙ (banachal) = door het beekdal | לַ֔יְלָה (layla) = 's nachts | וָאֱהִ֥י (vaehi) = en ik was | שֹׂבֵ֖ר (sover) = onderzoekend | בַּחוֹמָ֑ה (bachoma) = de muur | וָאָשׁ֗וּב (vaashuv) = en ik keerde om | וָאָב֛וֹא (vaavo) = en ik kwam binnen | בְּשַׁ֥עַר (beshaar) = door de poort van | הַגַּ֖יְא (hagay) = de vallei | וָאָשֽׁוּב (vaashuv) = en ik keerde terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dalpoort (ligging onzeker): De Dalpoort lag in de westelijke of zuidwestelijke muur van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: נַחַל (nachal), ‘beekdal’: het dal ten oosten van Jeruzalem, het Kidrondal (zie Jer. 31:40). De ligging komt uit de context. Zie ook: 2 Sam 15:23; Jer 31:38–40; Jer 31:40; Joh 18:1 **2:16** De bestuurders wisten niet waarheen ik gegaan was en wat ik deed. Aan de Joden, de priesters, de edelen, de bestuurders en de overige werkers had ik tot dan toe niets verteld. Brontekst: וְהַסְּגָנִ֗ים (vehaseganim) = en de bestuurders | לֹ֤א (lo) = niet | יָדְעוּ֙ (yadeu) = wisten | אָ֣נָה (ana) = waarheen | הָלַ֔כְתִּי (halakhti) = ik was gegaan | וּמָ֖ה (uma) = en wat | אֲנִ֣י (ani) = ik | עֹשֶׂ֑ה (ose) = deed | וְלַיְּהוּדִ֨ים (velayehudim) = en aan de Joden | וְלַכֹּהֲנִ֜ים (velakohanim) = en aan de priesters | וְלַחֹרִ֣ים (velachorim) = en aan de edelen | וְלַסְּגָנִ֗ים (velaseganim) = en aan de bestuurders | וּלְיֶ֨תֶר֙ (uleyeter) = en aan de rest van | עֹשֵׂ֣ה (ose) = wie deden | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | עַד (ad) = tot | כֵּ֖ן (ken) = zo | לֹ֥א (lo) = niet | הִגַּֽדְתִּי (higadti) = had ik verteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַסְּגָנִים (hasegannim), ‘de bestuurders’: Perzische of Joodse functionarissen. Wij vertalen steeds ‘bestuurders’. Voetnoot : הַחֹרִים (hachorim), ‘de edelen’: de vooraanstaanden. Het woord heeft de betekenis ‘vrije mensen’ of ‘edelen’. ### Laten wij de muur herbouwen **2:17** Ik zei tegen hen: „Jullie zien de ellende waarin wij verkeren. Jeruzalem ligt in puin en haar poorten zijn door vuur verbrand. Kom, laten wij de muur van Jeruzalem herbouwen. Dan zijn wij geen schande meer.” Brontekst: וָאוֹמַ֣ר (vaomar) = en ik zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | אַתֶּ֤ם (atem) = jullie | רֹאִים֙ (roim) = zien | הָרָעָה֙ (haraa) = de ellende | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarin | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | בָ֔הּ (bah) = daarin zijn | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | חֲרֵבָ֔ה (chareva) = in puin ligt | וּשְׁעָרֶ֖יהָ (usheareiha) = en haar poorten | נִצְּת֣וּ (nitsetu) = zijn verbrand | בָאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | לְכ֗וּ (lekhu) = komt | וְנִבְנֶה֙ (venivne) = en laten wij herbouwen | אֶת (et) = (obj.) | חוֹמַ֣ת (chomat) = de muur van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְלֹא (velo) = en niet | נִהְיֶ֥ה (nihye) = zullen wij zijn | ע֖וֹד (od) = meer | חֶרְפָּֽה (cherpa) = schande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֶרְפָּה (cherpah), ‘schande’: het woord uit 1:3 keert terug. Nehemia roept de aanwezigen op de muur te herbouwen, zodat de smaad ophoudt. Zie ook: Ps 79:4; Jes 35:3–4; Klaagl 3:45–46; Ezech 5:14; Neh 1:3 **2:18** Ik vertelde hun hoe de hand van mijn Elohim goed over mij was geweest. Ik vertelde hun ook de woorden van de koning die hij tegen mij had gesproken. Zij zeiden: „Laten wij opstaan en bouwen.” Zo versterkten zij hun handen voor het goede werk. Brontekst: וָאַגִּ֨יד (vaagid) = en ik vertelde | לָהֶ֜ם (lahem) = hun | אֶת (et) = (obj.) | יַ֣ד (yad) = de hand van | אֱלֹהַ֗י (elohay) = mijn Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | הִיא֙ (hi) = zij | טוֹבָ֣ה (tova) = goed was | עָלַ֔י (alay) = over mij | וְאַף (veaf) = en ook | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָֽמַר (amar) = had gesproken | לִ֑י (li) = tot mij | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | נָק֣וּם (naqum) = laten wij opstaan | וּבָנִ֔ינוּ (uvaninu) = en bouwen | וַיְחַזְּק֥וּ (vaychazequ) = en zij versterkten | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | לַטּוֹבָֽה (latova) = voor het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְחַזְּקוּ יְדֵיהֶם לַטּוֹבָה (vaychazzequ yedehem latovah), ‘zij versterkten hun handen voor het goede (werk)’: een uitdrukking voor moed geven en aan het werk gaan (zie Ezra 6:22 en Neh. 6:9). Zie ook: 1 Kron 19:13; 2 Kron 32:5; Ezra 6:22; Hag 1:13–14; Neh 6:9; Ef 6:10; Fil 2:13 **2:19** Sanballat de Choroniet, Tobia, de Ammonitische knecht, en Gesjem de Arabier hoorden het. Zij bespotten en verachtten ons. Zij zeiden: „Wat is dit wat jullie doen? Komen jullie in opstand tegen de koning?” Brontekst: וַיִּשְׁמַע֩ (vayishma) = en hoorde | סַנְבַלַּ֨ט (sanvalat) = Sanballat | הַחֹרֹנִ֜י (hachoroni) = de Choroniet | וְטֹבִיָּ֣ה (vetoviya) = en Tobia | הָעֶ֣בֶד (haeved) = de knecht | הָֽעַמּוֹנִ֗י (haamoni) = de Ammoniet | וְגֶ֨שֶׁם֙ (vegeshem) = en Gesjem | הָֽעַרְבִ֔י (haarvi) = de Arabier | וַיַּלְעִ֣גוּ (vayaligu) = en zij bespotten | לָ֔נוּ (lanu) = ons | וַיִּבְז֖וּ (vayivzu) = en verachtten | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = ons | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zeiden | מָֽה (ma) = wat | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | עֹשִׂ֔ים (osim) = doen | הַעַ֥ל (haal) = is het tegen | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | מֹרְדִֽים (moredim) = in opstand komend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֶּשֶׁם הָעַרְבִי (Geshem ha’Arvi), ‘Gesjem de Arabier’: een Arabische leider. Hij komt ook voor in 6:1, 2 en 6 (in 6:6 als Gasmu). Voetnoot : וַיִּלְעֲגוּ (vayil’agu), ‘zij bespotten’: hetzelfde werkwoord als in 3:33. Zie ook: Ps 44:14–15; Ps 80:7; Neh 6:1–2; Neh 6:6; Mar 5:40 **2:20** Ik antwoordde hun: „De Elohim van de hemel, Hij zal ons laten slagen. Wij, Zijn knechten, staan op en bouwen. Maar jullie hebben geen deel, geen aanspraak en geen herinnering in Jeruzalem.” Brontekst: וָאָשִׁ֨יב (vaashiv) = en ik antwoordde | אוֹתָ֜ם (otam) = hen | דָּבָ֗ר (davar) = een woord | וָאוֹמַ֤ר (vaomar) = en ik zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | ה֚וּא (hu) = Hij | יַצְלִ֣יחַֽ (yatsliach) = zal laten slagen | לָ֔נוּ (lanu) = ons | וַאֲנַ֥חְנוּ (vaanachnu) = en wij | עֲבָדָ֖יו (avadav) = Zijn knechten | נָק֣וּם (naqum) = staan op | וּבָנִ֑ינוּ (uvaninu) = en bouwen | וְלָכֶ֗ם (velakhem) = en voor jullie | אֵֽין (ein) = niet is | חֵ֧לֶק (cheleq) = deel | וּצְדָקָ֛ה (utsedaqa) = en aanspraak | וְזִכָּר֖וֹן (vezikaron) = en herinnering | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֵלֶק וּצְדָקָה וְזִכָּרוֹן (cheleq utsedaqah vezikkaron), ‘deel, aanspraak en herinnering’: Nehemia zegt dat zij geen deel, geen wettelijke aanspraak en geen blijvende naam in Jeruzalem hebben. Het woord צְדָקָה (tsedaqah), elders ‘gerechtigheid’, betekent hier ‘recht’ of ‘aanspraak’. Zie ook: Jes 56:5; Ezra 4:3; Neh 2:4; Hand 8:21; Hand 10:31 ## Nehemia 3 _De bouwers van de muur; Sanballat spot (Hebr. 3:33–38 = NL 4:1–6)_ ### De Schaapspoort en de Vissenpoort **3:1** Eljasib, de hogepriester, stond op met zijn broeders, de priesters. Zij bouwden de Schaapspoort. Zij heiligden haar en plaatsten haar deuren. Zij heiligden haar tot aan de Toren van de Honderd, tot aan de Toren van Chananeël. Brontekst: וַיָּ֡קָם (vayaqam) = en stond op | אֶלְיָשִׁיב֩ (elyashiv) = Eljasib | הַכֹּהֵ֨ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֜וֹל (hagadol) = de hogepriester | וְאֶחָ֣יו (veechav) = en zijn broeders | הַכֹּהֲנִ֗ים (hakohanim) = de priesters | וַיִּבְנוּ֙ (vayivnu) = en zij bouwden | אֶת (et) = (obj.) | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הַצֹּ֔אן (hatson) = de Schapen | הֵ֣מָּה (hema) = zij | קִדְּשׁ֔וּהוּ (qideshuhu) = heiligden haar | וַֽיַּעֲמִ֖ידוּ (vayaamidu) = en zij plaatsten | דַּלְתֹתָ֑יו (daltotav) = haar deuren | וְעַד (vead) = en tot | מִגְדַּ֤ל (migdal) = de toren van | הַמֵּאָה֙ (hamea) = de Honderd | קִדְּשׁ֔וּהוּ (qideshuhu) = zij heiligden haar | עַ֖ד (ad) = tot | מִגְדַּ֥ל (migdal) = de toren van | חֲנַנְאֵֽל (chananel) = Chananeël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Schaapspoort (ligging onzeker): De Schaapspoort lag in de noordoostelijke muur van Jeruzalem, bij de tempel. De precieze plaats is niet zeker. Zie Toren van Chananel (ligging onzeker): De Toren van Chananel stond aan de noordkant van Jeruzalem, bij de Schaapspoort. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: אלישׁיב (Elyashiv), ‘Eljasib’: de hogepriester van die tijd; zijn huis wordt genoemd in de verzen 20 en 21. Zijn zoon Jojada staat in 12:10–11. Voetnoot : Dit hoofdstuk beschrijft de muur in een rondgang, beginnend en eindigend bij de Schaapspoort. De ligging van veel poorten en torens is niet zeker. Voetnoot : שַׁעַר הַצֹּאן (sha’ar hatson), ‘Schaapspoort’: waarschijnlijk een poort in het noordoosten van de stad, bij de tempel. De ligging is niet zeker. Voetnoot : קִדְּשׁוּהוּ (qiddeshuhu), ‘zij heiligden haar’: de priesters wijden dit deel van de muur aan Elohim. Alleen deze poort wordt zo genoemd. Voetnoot : מִגְדַּל הַמֵּאָה (migdal hameah), ‘Toren van de Honderd’, en מִגְדַּל חֲנַנְאֵל (migdal Chanan’el), ‘Toren van Chananeël’: torens bij de noordzijde. Of ‘honderd’ een getal of een naam is, is onzeker. Voor Chananeël zie Jer. 31:38. Voetnoot : Het Hebreeuws gebruikt in dit hoofdstuk het werkwoord חִזֵּק (chizzeq), ‘herstellen’ of ‘versterken’. Wij vertalen steeds ‘herstellen’; alleen bij de eerste poorten staat ‘bouwen’ (בָּנָה, banah). Zie ook: Jer 31:38; Zach 14:10; Neh 12:39; Neh 13:28; Joh 5:2 **3:2** Naast hem bouwden de mannen van Jericho. Naast hen bouwde Zakkur, de zoon van Imri. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָד֥וֹ (yado) = hem | בָנ֖וּ (banu) = bouwden | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | יְרֵח֑וֹ (yerecho) = Jericho | וְעַל (veal) = en naast | יָד֣וֹ (yado) = hem | בָנָ֔ה (bana) = bouwde | זַכּ֖וּר (zakur) = Zakkur | בֶּן (ben) = zoon van | אִמְרִֽי (imri) = Imri Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘naast hem’ (עַל־יָדוֹ, al yado): de bouwer die aansluit op het vorige stuk. Zo ook in de verzen 4–10 en verder. Voetnoot : יְרִחוֹ (Yericho), ‘Jericho’: mannen uit Jericho bouwen mee; ook de mensen uit steden buiten Jeruzalem werken aan de muur (zie ook Tekoa, Gibeon, Mizpa, Zanoach, Keïla, Bet-Hakkerem en Bet-Tsur). Zie ook: Ezra 2:34; Neh 7:36; Neh 10:13 **3:3** De Vissenpoort bouwden de zonen van Hassenaä. Zij balkten haar. Zij plaatsten haar deuren, sloten en grendels. Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הַדָּגִ֔ים (hadagim) = de Vissen | בָּנ֖וּ (banu) = bouwden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַסְּנָאָ֑ה (hasenaa) = Hassenaä | הֵ֣מָּה (hema) = zij | קֵר֔וּהוּ (qeruhu) = balkten haar | וַֽיַּעֲמִ֨ידוּ֙ (vayaamidu) = en zij plaatsten | דַּלְתֹתָ֔יו (daltotav) = haar deuren | מַנְעוּלָ֖יו (manulav) = haar sloten | וּבְרִיחָֽיו (uverichav) = en haar grendels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הַדָּגִים (sha’ar hadagim), ‘Vissenpoort’: waarschijnlijk in het noorden van de stad, waar vis werd aangevoerd (zie 13:16, 2 Kron. 33:14 en Zef. 1:10). De ligging is onzeker. Voetnoot : הַסְּנָאָה (Hassenaa), ‘Hassenaä’: een geslacht of plaats. Zonder lidwoord staat de naam als Senaä in Ezra 2:35 en Neh. 7:38. Het Hebreeuws zegt dat de ‘zonen van Hassenaä’ bouwden. Voetnoot : קֵרוּהוּ (qeruhu), ‘zij balkten haar’: het werkwoord קָרָה (qarah) betekent ‘balken leggen’. Het staat ook in 2:8 (‘balken maken’). Zie ook: 2 Kron 33:14; Sef 1:10; Ezra 2:35; Neh 2:8; Neh 6:1; Neh 7:38; Neh 12:39 **3:4** Naast hen herstelde Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkoz. Naast hen herstelde Mesjullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesjezabeël. Naast hen herstelde Zadok, de zoon van Baäna. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָדָ֣ם (yadam) = hen | הֶחֱזִ֗יק (hecheziq) = herstelde | מְרֵמ֤וֹת (meremot) = Meremot | בֶּן (ben) = zoon van | אוּרִיָּה֙ (uriya) = Uria | בֶּן (ben) = zoon van | הַקּ֔וֹץ (haqots) = Hakkoz | וְעַל (veal) = en naast | יָדָ֣ם (yadam) = hen | הֶחֱזִ֔יק (hecheziq) = herstelde | מְשֻׁלָּ֥ם (meshulam) = Mesjullam | בֶּן (ben) = zoon van | בֶּרֶכְיָ֖ה (berekhya) = Berechja | בֶּן (ben) = zoon van | מְשֵׁיזַבְאֵ֑ל (mesheizavel) = Mesjezabeël | וְעַל (veal) = en naast | יָדָ֣ם (yadam) = hen | הֶֽחֱזִ֔יק (hecheziq) = herstelde | צָד֖וֹק (tsadoq) = Zadok | בֶּֽן (ben) = zoon van | בַּעֲנָֽא (baana) = Baäna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרֵמוֹת בֶּן־אוּרִיָּה בֶּן־הַקּוֹץ (Meremot ben Uriyyah ben Haqqots), ‘Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkoz’: dezelfde Meremot herstelt in vers 21 een tweede stuk. Hakkoz is een priestergeslacht (1 Kron. 24:10). Meremot, de zoon van Uria, staat ook in Ezra 8:33. Wij schrijven ‘Hakkoz’ zoals in 1 Kron. 24:10. Zie ook: 1 Kron 24:10; Ezra 8:33; Neh 3:21; Neh 10:8; Neh 10:16 **3:5** Naast hen herstelden de Tekoïeten. Hun edelen brachten hun nek niet onder de dienst van hun heren. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָדָ֖ם (yadam) = hen | הֶחֱזִ֣יקוּ (hecheziqu) = herstelden | הַתְּקוֹעִ֑ים (hateqoim) = de Tekoïeten | וְאַדִּֽירֵיהֶם֙ (veadireihem) = en hun edelen | לֹא (lo) = niet | הֵבִ֣יאוּ (heviu) = brachten | צַוָּרָ֔ם (tsavaram) = hun nek | בַּעֲבֹדַ֖ת (baavodat) = in de dienst van | אֲדֹנֵיהֶֽם (adoneihem) = hun heren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתְּקוֹעִים (hatteqo’im), ‘de Tekoïeten’: mannen uit Tekoa, ten zuiden van Betlehem. Zij herstellen ook een tweede stuk (vers 27). Voetnoot : אַדִּירֵיהֶם (addireihem), ‘hun edelen’: hun aanzienlijken. Zij weigerden mee te werken. Voetnoot : צוּרָם (tsuram), ‘hun nek’: het Hebreeuws heeft een woord dat meestal ‘rots’ betekent. Hier wordt het opgevat als ‘nek’, in de uitdrukking ‘hun nek niet buigen’. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : בַּעֲבֹדַת אֲדֹנֵיהֶם (ba’avodat adoneihem), ‘in de dienst van hun heren’: waarschijnlijk de dienst van Nehemia en de leiders. De tekst zegt het niet. Zie ook: Re 5:23; 2 Sam 14:2; Jer 27:2; Neh 3:27; 1 Tim 6:17–18 ### De Oude Poort **3:6** De Oude Poort herstelden Jojada, de zoon van Paseach, en Mesjullam, de zoon van Besodja. Zij balkten haar. Zij plaatsten haar deuren, sloten en grendels. Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | שַׁ֨עַר (shaar) = de poort van | הַיְשָׁנָ֜ה (hayshana) = de Oude | הֶחֱזִ֗יקוּ (hecheziqu) = herstelden | יֽוֹיָדָע֙ (yoyada) = Jojada | בֶּן (ben) = zoon van | פָּסֵ֔חַ (paseach) = Paseach | וּמְשֻׁלָּ֖ם (umeshulam) = en Mesjullam | בֶּן (ben) = zoon van | בְּסֽוֹדְיָ֑ה (besodeya) = Besodja | הֵ֣מָּה (hema) = zij | קֵר֔וּהוּ (qeruhu) = balkten haar | וַֽיַּעֲמִ֨ידוּ֙ (vayaamidu) = en zij plaatsten | דַּלְתֹתָ֔יו (daltotav) = haar deuren | וּמַנְעֻלָ֖יו (umanulav) = en haar sloten | וּבְרִיחָֽיו (uverichav) = en haar grendels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הַיְשָׁנָה (sha’ar hayeshanah), ‘Oude Poort’: de betekenis van het woord is onzeker (‘de oude’ of de naam van een plaats). Zie ook 12:39. Wij vertalen ‘Oude Poort’. Voetnoot : יוידע (Yoyada), ‘Jojada’: de naam is een verkorte vorm van Yehoyada (Jojada in 1 Kon. 1:8). Wij schrijven ‘Jojada’. Voetnoot : מַנְעוּלָיו (man’ulav), ‘zijn sloten’, en בְּרִיחָיו (berichav), ‘zijn grendels’: de vergrendeling van een poort. Zie ook: 1 Kon 1:8; Neh 12:39 **3:7** Naast hen herstelden Melatja de Gibeoniet en Jadon de Meronotiet, mannen van Gibeon en Mizpa. Zij herstelden tot aan de zetel van de landvoogd van het gebied over de rivier. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָדָ֨ם (yadam) = hen | הֶחֱזִ֜יק (hecheziq) = herstelde | מְלַטְיָ֣ה (melatya) = Melatja | הַגִּבְעֹנִ֗י (hagivoni) = de Gibeoniet | וְיָדוֹן֙ (veyadon) = en Jadon | הַמֵּרֹ֣נֹתִ֔י (hameronoti) = de Meronotiet | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | גִבְע֖וֹן (givon) = Gibeon | וְהַמִּצְפָּ֑ה (vehamitspa) = en Mizpa | לְכִסֵּ֕א (lekhise) = tot de zetel van | פַּחַ֖ת (pachat) = de landvoogd van | עֵ֥בֶר (ever) = het gebied over | הַנָּהָֽר (hanahar) = de rivier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: גִּבְעוֹן (Giv’on), ‘Gibeon’, en מִצְפָּה (Mitspah), ‘Mizpa’: twee steden ten noorden van Jeruzalem. Hun mannen herstellen tot ‘de zetel van de landvoogd’. Voetnoot : כִּסֵּא פַּחַת עֵבֶר הַנָּהָר (kisse pachat ever hanahar), ‘de zetel van de landvoogd van het gebied over de rivier’: de plek in Jeruzalem waar de Perzische landvoogd verbleef als hij kwam. Het Hebreeuws zegt niet waar dit was. Zie ook: Joz 9:3–27; 2 Sam 21:2; 2 Kron 16:6; Neh 2:7–8; Neh 3:19 **3:8** Naast hem herstelde Uzziël, de zoon van Charhaja, van de goudsmeden. Naast hem herstelde Chananja, een van de zalfbereiders. Zij lieten Jeruzalem staan tot aan de brede muur. Brontekst: עַל (al) = naast | יָד֣וֹ (yado) = hem | הֶחֱזִ֗יק (hecheziq) = herstelde | עֻזִּיאֵ֤ל (uziel) = Uzziël | בֶּֽן (ben) = zoon van | חַרְהֲיָה֙ (charhaya) = Charhaja | צֽוֹרְפִ֔ים (tsorefim) = goudsmeden | וְעַל (veal) = en naast | יָד֣וֹ (yado) = hem | הֶחֱזִ֔יק (hecheziq) = herstelde | חֲנַנְיָ֖ה (chananya) = Chananja | בֶּן (ben) = zoon van | הָרַקָּחִ֑ים (haraqachim) = de zalfbereiders | וַיַּֽעַזְבוּ֙ (vayaazvu) = en zij lieten staan | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | עַ֖ד (ad) = tot | הַחוֹמָ֥ה (hachoma) = de muur | הָרְחָבָֽה (harechava) = de brede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיַּעַזְבוּ (vayya’azvu), ‘zij lieten staan’: letterlijk ‘zij verlieten’. De betekenis is onzeker. Sommigen vatten het op als ‘zij herstelden’ of als ‘zij lieten het (al bestaande) liggen’. Wij vertalen ‘lieten staan’. Voetnoot : הַחוֹמָה הָרְחָבָה (hachomah harechavah), ‘de brede muur’: een breed stuk muur, vermoedelijk in het westen van de stad. De ligging is niet zeker. Voetnoot : הָרַקָּחִים (haraqqachim), ‘de zalfbereiders’: mensen die geurige zalven maken (zoals in Pred. 10:1). Zie ook: Gen 50:2; Ex 30:25; Pred 10:1; Neh 3:31–32; Neh 12:38 **3:9** Naast hen herstelde Refaja, de zoon van Chur, overste van de helft van het district Jeruzalem. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָדָ֤ם (yadam) = hen | הֶחֱזִיק֙ (hecheziq) = herstelde | רְפָיָ֣ה (refaya) = Refaja | בֶן (ben) = zoon van | ח֔וּר (chur) = Chur | שַׂ֕ר (sar) = overste van | חֲצִ֖י (chatsi) = de helft van | פֶּ֥לֶךְ (pelekh) = het district | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פֶּלֶךְ (pelekh), ‘district’, en שַׂר (sar), ‘overste’: een bestuurlijk deel van de provincie. Wij vertalen steeds ‘district’. Jeruzalem was verdeeld in twee delen, elk onder een overste (zie ook vers 12). Zie ook: Neh 3:12; Neh 3:17 **3:10** Naast hen herstelde Jedaja, de zoon van Charumaf, tegenover zijn huis. Naast hem herstelde Chattoes, de zoon van Chasjabneja. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָדָ֧ם (yadam) = hen | הֶחֱזִ֛יק (hecheziq) = herstelde | יְדָיָ֥ה (yedaya) = Jedaja | בֶן (ben) = zoon van | חֲרוּמַ֖ף (charumaf) = Charumaf | וְנֶ֣גֶד (veneged) = en tegenover | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וְעַל (veal) = en naast | יָד֣וֹ (yado) = hem | הֶחֱזִ֔יק (hecheziq) = herstelde | חַטּ֖וּשׁ (chatush) = Chattoes | בֶּן (ben) = zoon van | חֲשַׁבְנְיָֽה (chashavneya) = Chasjabneja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 3:23; Neh 3:28–30; Neh 10:5 **3:11** Een tweede stuk herstelden Malkia, de zoon van Charim, en Chasjub, de zoon van Pachat-Moab. Zij herstelden ook de Toren van de Ovens. Brontekst: מִדָּ֣ה (mida) = stuk | שֵׁנִ֗ית (shenit) = tweede | הֶחֱזִיק֙ (hecheziq) = herstelde | מַלְכִּיָּ֣ה (malkiya) = Malkia | בֶן (ben) = zoon van | חָרִ֔ם (charim) = Charim | וְחַשּׁ֖וּב (vechashuv) = en Chasjub | בֶּן (ben) = zoon van | פַּחַ֣ת (pachat) = Pachat | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | מִגְדַּ֥ל (migdal) = de toren van | הַתַּנּוּרִֽים (hatanurim) = de Ovens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִגְדַּל הַתַּנּוּרִים (migdal hatannurim), ‘Toren van de Ovens’: een toren in het westen van de stad (12:38). De ligging is onzeker. Voetnoot : פַּחַת מוֹאָב (Pachat Mo’av), ‘Pachat-Moab’: een geslacht; de naam betekent letterlijk ‘landvoogd van Moab’. Zo ook Ezra 2:6. Voetnoot : מִדָּה שֵׁנִית (middah sheniyt), ‘een tweede stuk’: dezelfde bouwers herstellen een tweede deel (zie ook de verzen 19–21, 24, 27 en 30). Zie ook: Ezra 2:6; Neh 7:11; Neh 10:6; Neh 10:15; Neh 12:38 **3:12** Naast hem herstelde Sjallum, de zoon van Hallochesj, overste van de helft van het district Jeruzalem, hij en zijn dochters. Brontekst: וְעַל (veal) = en naast | יָד֣וֹ (yado) = hem | הֶחֱזִ֗יק (hecheziq) = herstelde | שַׁלּוּם֙ (shalum) = Sjallum | בֶּן (ben) = zoon van | הַלּוֹחֵ֔שׁ (halochesh) = Hallochesj | שַׂ֕ר (sar) = overste van | חֲצִ֖י (chatsi) = de helft van | פֶּ֣לֶךְ (pelekh) = het district | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | ה֖וּא (hu) = hij | וּבְנוֹתָֽיו (uvenotav) = en zijn dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וּבְנוֹתָיו (uvenotav), ‘en zijn dochters’: de dochters van Sjallum herstellen mee. Vrouwen worden verder in dit hoofdstuk niet genoemd. Zie ook: Ex 35:25; Neh 3:9; Neh 3:14–18; Hand 21:8–9; Fil 4:3 ### De Dalpoort en de Mestpoort **3:13** De Dalpoort herstelde Chanoen met de inwoners van Zanoach. Zij bouwden haar en plaatsten haar deuren, sloten en grendels. Ook herstelden zij duizend el van de muur, tot aan de Mestpoort. Brontekst: אֵת֩ (et) = (obj.) | שַׁ֨עַר (shaar) = de poort van | הַגַּ֜יְא (hagay) = de Vallei | הֶחֱזִ֣יק (hecheziq) = herstelde | חָנוּן֮ (chanun) = Chanoen | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en de inwoners van | זָנוֹחַ֒ (zanoach) = Zanoach | הֵ֣מָּה (hema) = zij | בָנ֔וּהוּ (banuhu) = bouwden haar | וַֽיַּעֲמִ֨ידוּ֙ (vayaamidu) = en zij plaatsten | דַּלְתֹתָ֔יו (daltotav) = haar deuren | מַנְעֻלָ֖יו (manulav) = haar sloten | וּבְרִיחָ֑יו (uverichav) = en haar grendels | וְאֶ֤לֶף (veelef) = en duizend | אַמָּה֙ (ama) = el | בַּחוֹמָ֔ה (bachoma) = in de muur | עַ֖ד (ad) = tot | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort van | הָשֲׁפֽוֹת (hashafot) = de Mest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dalpoort (ligging onzeker): De Dalpoort lag in de westelijke of zuidwestelijke muur van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Zie Zanoach: Zanoach wordt gezocht bij Khirbet Zanu', in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. Zie Mestpoort (ligging onzeker): De Mestpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij het dal van Hinnom. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הַגַּיְא (sha’ar hagay), ‘Dalpoort’: een poort in het westen of zuidwesten van de stad (2:13, 15). De ligging is niet zeker. Voetnoot : אֶלֶף אַמָּה (elef ammah), ‘duizend el’: een el (אַמָּה, ammah) is ongeveer 45–52 cm; duizend el is dus ongeveer 450–520 meter. De omrekening is bij benadering. Het is een lang stuk muur. Voetnoot : שַׁעַר הָאַשְׁפּוֹת (sha’ar ha’ashpot), ‘Mestpoort’: zie 2:13. Zie ook: Joz 15:34; 1 Kron 4:18; 2 Kron 26:9; Neh 2:13; Neh 11:30 **3:14** De Mestpoort herstelde Malkia, de zoon van Rechab, overste van het district Bet-Hakkerem. Hij bouwde haar en plaatste haar deuren, sloten en grendels. Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הָאַשְׁפּ֗וֹת (haashpot) = de Mest | הֶחֱזִיק֙ (hecheziq) = herstelde | מַלְכִּיָּ֣ה (malkiya) = Malkia | בֶן (ben) = zoon van | רֵכָ֔ב (rekhav) = Rechab | שַׂ֖ר (sar) = overste van | פֶּ֣לֶךְ (pelekh) = het district | בֵּית (beit) = Bet | הַכָּ֑רֶם (hakarem) = Hakkerem | ה֣וּא (hu) = hij | יִבְנֶ֔נּוּ (yivnenu) = bouwde haar | וְיַעֲמִיד֙ (veyaamid) = en plaatste | דַּלְתֹתָ֔יו (daltotav) = haar deuren | מַנְעֻלָ֖יו (manulav) = haar sloten | וּבְרִיחָֽיו (uverichav) = en haar grendels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mestpoort (ligging onzeker): De Mestpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij het dal van Hinnom. De precieze plaats is niet zeker. Zie Bet-Hakkerem (Ramat Rachel?; ligging onzeker): Bet-Hakkerem (‘huis van de wijngaard’) lag op een hoogte tussen Jeruzalem en Tekoa, waarschijnlijk bij Ramat Rachel. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: בֵּית הַכֶּרֶם (Bet haKerem), ‘Bet-Hakkerem’: letterlijk ‘huis van de wijngaard’; een plaats in Juda, bekend uit Jer. 6:1. De ligging is onzeker. Zie ook: Jer 6:1; Neh 2:13; Neh 3:9; Neh 3:12–13; Neh 3:15–18 ### De Bronpoort **3:15** De Bronpoort herstelde Sjallun, de zoon van Kol-Choze, overste van het district Mizpa. Hij bouwde haar, overdekte haar en plaatste haar deuren, sloten en grendels. Ook herstelde hij de muur van de Vijver van Sjelach, bij de tuin van de koning. Hij herstelde tot aan de trappen die van de stad van David naar beneden gaan. Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | שַׁ֨עַר (shaar) = de poort van | הָעַ֜יִן (haayin) = de Bron | הֶ֠חֱזִיק (hecheziq) = herstelde | שַׁלּ֣וּן (shalun) = Sjallun | בֶּן (ben) = zoon van | כָּל (kal) = Kol | חֹזֶה֮ (choze) = Choze | שַׂ֣ר (sar) = overste van | פֶּ֣לֶךְ (pelekh) = het district | הַמִּצְפָּה֒ (hamitspa) = Mizpa | ה֤וּא (hu) = hij | יִבְנֶ֨נּוּ֙ (yivnenu) = bouwde haar | וִיטַֽלְלֶ֔נּוּ (vitallenu) = en overdekte haar | וְיַעֲמִיד֙ (veyaamid) = en plaatste | דַּלְתֹתָ֔יו (daltotav) = haar deuren | מַנְעֻלָ֖יו (manulav) = haar sloten | וּבְרִיחָ֑יו (uverichav) = en haar grendels | וְ֠אֵת (veet) = en (obj.) | חוֹמַ֞ת (chomat) = de muur van | בְּרֵכַ֤ת (berekhat) = de vijver van | הַשֶּׁ֨לַח֙ (hashelach) = Sjelach | לְגַן (legan) = bij de tuin van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְעַד (vead) = en tot | הַֽמַּעֲל֔וֹת (hamaalot) = de trappen | הַיּוֹרְד֖וֹת (hayoredot) = die afdalen | מֵעִ֥יר (meir) = van de stad van | דָּוִֽיד (david) = David Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bronpoort (ligging onzeker): De Bronpoort lag aan de zuidoostkant van Jeruzalem, bij de vijver van Siloam. De precieze plaats is niet zeker. Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie Vijver van Sjelach (Siloam): De Vijver van Sjelach is de vijver van Siloam, in het zuiden van Jeruzalem. Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam. De precieze plaats is niet bekend. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שַׁלּוּן (Shallun), ‘Sjallun’: niet dezelfde naam als Sjallum in vers 12. Het Hebreeuws schrijft hier een andere uitgang. Voetnoot : כָּל־חֹזֶה (Kol Chozeh), ‘Kol-Choze’: letterlijk ‘alles ziet’. De naam komt ook voor in Neh. 11:5. Voetnoot : בְּרֵכַת הַשֶּׁלַח (berekhat hashelach), ‘Vijver van Sjelach’: vermoedelijk dezelfde plaats als de Siloah (vergelijk Jes. 8:6). De ligging is onzeker. Voetnoot : גַּן־הַמֶּלֶךְ (gan hamelekh), ‘tuin van de koning’: vergelijk 2 Kon. 25:4. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ויעמידו (vaya’amidu), ‘en zij plaatsten’. De voorgelezen tekst (qere) heeft וְיַעֲמִיד (veya’amid), ‘en hij plaatste’. Wij volgen het qere. Zie ook: 2 Kon 25:4; Jes 8:6; Neh 2:14; Neh 3:12; Neh 11:5; Neh 12:37; Luc 13:4; Joh 9:7 ### De muur bij de stad van David **3:16** Na hem herstelde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van de helft van het district Bet-Tsur. Hij herstelde tot tegenover de graven van David, tot de gegraven vijver en tot het Huis van de Helden. Brontekst: אַחֲרָ֤יו (acharav) = na hem | הֶחֱזִיק֙ (hecheziq) = herstelde | נְחֶמְיָ֣ה (nechemya) = Nehemia | בֶן (ben) = zoon van | עַזְבּ֔וּק (azbuq) = Azbuk | שַׂ֕ר (sar) = overste van | חֲצִ֖י (chatsi) = de helft van | פֶּ֣לֶךְ (pelekh) = het district | בֵּֽית (beit) = Bet | צ֑וּר (tsur) = Tsur | עַד (ad) = tot | נֶ֨גֶד֙ (neged) = tegenover | קִבְרֵ֣י (qivrei) = de graven van | דָוִ֔יד (david) = David | וְעַד (vead) = en tot | הַבְּרֵכָה֙ (haberekha) = de vijver | הָעֲשׂוּיָ֔ה (haasuya) = de gegraven | וְעַ֖ד (vead) = en tot | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַגִּבֹּרִֽים (hagiborim) = de helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Tsur: Bet-Tsur (Khirbet et-Tubeiqa) lag in het bergland van Juda, ongeveer 6 km ten noorden van Hebron. Voetnoot Uitleg: Deze Nehemia, de zoon van Azbuk, is niet de schrijver van dit boek (de zoon van Chakalja, 1:1). Voetnoot : בֵּית־צוּר (Bet Tsur), ‘Bet-Tsur’: een plaats in het bergland van Juda, ten zuiden van Jeruzalem (Joz. 15:58). Voetnoot : קִבְרֵי דָוִיד (qivre David), ‘graven van David’: de koninklijke graven in de stad van David (1 Kon. 2:10). De exacte plek is onzeker. Voetnoot : הַבְּרֵכָה הָעֲשׂוּיָה (habberekhah ha’asuyah), ‘de gegraven vijver’: letterlijk ‘de gemaakte vijver’. Welke vijver bedoeld is, is niet zeker. Voetnoot : בֵּית הַגִּבּוֹרִים (bet haggibborim), ‘Huis van de Helden’: vermoedelijk de kazerne van Davids helden. De ligging is onzeker. Zie ook: Joz 15:58; 1 Kon 2:10; 2 Kon 20:20; Neh 3:9; Neh 3:12; Hand 2:29 **3:17** Na hem herstelden de Levieten: Rechum, de zoon van Bani. Naast hem herstelde Chasjabja, overste van de helft van het district Keïla, voor zijn district. Brontekst: אַחֲרָ֛יו (acharav) = na hem | הֶחֱזִ֥יקוּ (hecheziqu) = herstelden | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | רְח֣וּם (rechum) = Rechum | בֶּן (ben) = zoon van | בָּנִ֑י (bani) = Bani | עַל (al) = naast | יָד֣וֹ (yado) = hem | הֶחֱזִ֗יק (hecheziq) = herstelde | חֲשַׁבְיָ֛ה (chashavya) = Chasjabja | שַׂר (sar) = overste van | חֲצִי (chatsi) = de helft van | פֶ֥לֶךְ (pelekh) = het district | קְעִילָ֖ה (qeila) = Keïla | לְפִלְכּֽוֹ (lefilko) = voor zijn district Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: רְחוּם (Rechum), ‘Rechum’: een Leviet; niet dezelfde als Rechum in Ezra 4:8–9. De namen komen vaker voor. Voetnoot : קְעִילָה (Qe’ilah), ‘Keïla’: een stad in het bergland van Juda (Joz. 15:44; 1 Sam. 23). Het district Keïla was in twee delen verdeeld (zie ook vers 18). Zie ook: Joz 15:44; 1 Sam 23:1–13; 1 Kron 23:4; Ezra 4:8–9; Neh 3:16; Neh 3:18 **3:18** Na hem herstelden hun broeders: Bavvai, de zoon van Chenadad, overste van de helft van het district Keïla. Brontekst: אַחֲרָיו֙ (acharav) = na hem | הֶחֱזִ֣יקוּ (hecheziqu) = herstelden | אֲחֵיהֶ֔ם (acheihem) = hun broeders | בַּוַּ֖י (bavay) = Bavvai | בֶּן (ben) = zoon van | חֵנָדָ֑ד (chenadad) = Chenadad | שַׂ֕ר (sar) = overste van | חֲצִ֖י (chatsi) = de helft van | פֶּ֥לֶךְ (pelekh) = het district | קְעִילָֽה (qeila) = Keïla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: בַּוַּי (Bavvai), ‘Bavvai’: in vers 24 heet de zoon van Chenadad Binnoei. Sommige oude vertalingen lezen hier ook ‘Binnoei’. Wij volgen de Hebreeuwse tekst. Voetnoot : אֲחֵיהֶם (acheihem), ‘hun broeders’: de Levieten uit vers 17. Zie ook: Neh 3:17; Neh 3:24 **3:19** Naast hem herstelde Ezer, de zoon van Jesua, overste van Mizpa, een tweede stuk, tegenover de opgang naar het wapenhuis bij de hoek. Brontekst: וַיְחַזֵּ֨ק (vaychazeq) = en herstelde | עַל (al) = naast | יָד֜וֹ (yado) = hem | עֵ֧זֶר (ezer) = Ezer | בֶּן (ben) = zoon van | יֵשׁ֛וּעַ (yeshua) = Jesua | שַׂ֥ר (sar) = overste van | הַמִּצְפָּ֖ה (hamitspa) = Mizpa | מִדָּ֣ה (mida) = stuk | שֵׁנִ֑ית (shenit) = tweede | מִנֶּ֕גֶד (mineged) = tegenover | עֲלֹ֥ת (alot) = de opgang naar | הַנֶּ֖שֶׁק (hanesheq) = het wapenhuis | הַמִּקְצֹֽעַ (hamiqtsoa) = de hoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: הַמִּצְפָּה (hammitspah), ‘Mizpa’: de stad ten noorden van Jeruzalem, ook genoemd in de verzen 7 en 15. Of het steeds dezelfde plaats is, zegt de tekst niet. Voetnoot : נֵשֶׁק (neshek), ‘wapens’: ‘het wapenhuis’ is een plaats waar wapens werden bewaard; vergelijk Jes. 22:8. Zie ook: 2 Kron 26:9; Jes 22:8; Neh 10:10; Neh 12:8 **3:20** Na hem herstelde Baruch, de zoon van Zakkai, vol ijver een tweede stuk. Dat liep van de hoek tot de ingang van het huis van Eljasib, de hogepriester. Brontekst: אַחֲרָ֨יו (acharav) = na hem | הֶחֱרָ֧ה (hechera) = met ijver | הֶחֱזִ֛יק (hecheziq) = herstelde | בָּר֥וּךְ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | זַכַּ֖י (zakay) = Zakkai | מִדָּ֣ה (mida) = stuk | שֵׁנִ֑ית (shenit) = tweede | מִן (min) = vanaf | הַ֨מִּקְצ֔וֹעַ (hamiqtsoa) = de hoek | עַד (ad) = tot | פֶּ֨תַח֙ (petach) = de ingang van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אֶלְיָשִׁ֔יב (elyashiv) = Eljasib | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | הַגָּדֽוֹל (hagadol) = de hoge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחֱרָה (hecherah), ‘vol ijver’: het werkwoord חָרָה (charah) betekent ‘ontbranden’. Het Hebreeuws zegt dat Baruch ‘ontbrandde’. Wij vertalen ‘vol ijver’. Voetnoot : מִן הַמִּקְצוֹעַ (min hammiqtso’a), ‘van de hoek’: de hoek van de muur bij het wapenhuis. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft זבי (Zabbai). De voorgelezen tekst (qere) heeft זַכַּי (Zakkai). Wij volgen het qere. Zie ook: Pred 9:10; Neh 3:1; Neh 12:22–23; Neh 13:28; Rom 12:11 **3:21** Na hem herstelde Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkoz, een tweede stuk. Dat liep van de ingang van het huis van Eljasib tot het einde van het huis van Eljasib. Brontekst: אַחֲרָ֣יו (acharav) = na hem | הֶחֱזִ֗יק (hecheziq) = herstelde | מְרֵמ֧וֹת (meremot) = Meremot | בֶּן (ben) = zoon van | אוּרִיָּ֛ה (uriya) = Uria | בֶּן (ben) = zoon van | הַקּ֖וֹץ (haqots) = Hakkoz | מִדָּ֣ה (mida) = stuk | שֵׁנִ֑ית (shenit) = tweede | מִפֶּ֨תַח֙ (mipetach) = vanaf de ingang van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אֶלְיָשִׁ֔יב (elyashiv) = Eljasib | וְעַד (vead) = en tot | תַּכְלִ֖ית (takhlit) = het einde van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֶלְיָשִֽׁיב (elyashiv) = Eljasib Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:61; Neh 7:63 **3:22** Na hem herstelden de priesters, de mannen van de Vlakte. Brontekst: וְאַחֲרָ֛יו (veacharav) = en na hem | הֶחֱזִ֥יקוּ (hecheziqu) = herstelden | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | הַכִּכָּֽר (hakikar) = de Vlakte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכִּכָּר (hakkikkar), ‘de Vlakte’: de streek rond de Jordaan, of de omgeving van Jeruzalem. Welke priesters bedoeld zijn, zegt de tekst niet. Het woord komt ook voor in 12:28. Zie ook: Neh 6:2; Neh 12:28 **3:23** Na hen herstelden Benjamin en Chasjub, tegenover hun huis. Na hen herstelde Azarja, de zoon van Maäseja, de zoon van Ananja, naast zijn huis. Brontekst: אַחֲרָ֨יו (acharav) = na hen | הֶחֱזִ֧יק (hecheziq) = herstelde | בִּנְיָמִ֛ן (binyamin) = Benjamin | וְחַשּׁ֖וּב (vechashuv) = en Chasjub | נֶ֣גֶד (neged) = tegenover | בֵּיתָ֑ם (beitam) = hun huis | אַחֲרָ֣יו (acharav) = na hen | הֶחֱזִ֗יק (hecheziq) = herstelde | עֲזַרְיָ֧ה (azarya) = Azarja | בֶן (ben) = zoon van | מַעֲשֵׂיָ֛ה (maaseya) = Maäseja | בֶּן (ben) = zoon van | עֲנָֽנְיָ֖ה (ananeya) = Ananja | אֵ֥צֶל (etsel) = naast | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 3:10; Neh 3:29–30; Neh 8:4; Neh 8:7; Neh 10:3 **3:24** Na hem herstelde Binnoei, de zoon van Chenadad, een tweede stuk, van het huis van Azarja tot de hoek en tot de bocht. Brontekst: אַחֲרָ֣יו (acharav) = na hem | הֶחֱזִ֗יק (hecheziq) = herstelde | בִּנּ֛וּי (binuy) = Binnoei | בֶּן (ben) = zoon van | חֵנָדָ֖ד (chenadad) = Chenadad | מִדָּ֣ה (mida) = stuk | שֵׁנִ֑ית (shenit) = tweede | מִבֵּ֣ית (mibeit) = vanaf het huis van | עֲזַרְיָ֔ה (azarya) = Azarja | עַד (ad) = tot | הַמִּקְצ֖וֹעַ (hamiqtsoa) = de hoek | וְעַד (vead) = en tot | הַפִּנָּֽה (hapina) = de bocht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּקְצוֹעַ (hammiqtso’a), ‘de hoek’, en הַפִּנָּה (happinnah), ‘de bocht’: twee woorden voor een hoek in de muur. Het ene staat voor een uitspringende hoek, het andere voor een draai van de muur. De betekenis is bij benadering. Zie ook: Neh 3:11; Neh 3:19; Neh 3:27; Neh 10:10 **3:25** Palal, de zoon van Uzai, herstelde tegenover de hoek en de toren die uitsteekt uit het bovenste huis van de koning, bij de wachthof. Na hem herstelde Pedaja, de zoon van Parosj. Brontekst: פָּלָ֣ל (palal) = Palal | בֶּן (ben) = zoon van | אוּזַי֮ (uzay) = Uzai | מִנֶּ֣גֶד (mineged) = tegenover | הַמִּקְצוֹעַ֒ (hamiqtsoa) = de hoek | וְהַמִּגְדָּ֗ל (vehamigdal) = en de toren | הַיּוֹצֵא֙ (hayotse) = die uitsteekt | מִבֵּ֤ית (mibeit) = uit het huis van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הָֽעֶלְי֔וֹן (haelyon) = het bovenste | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | לַחֲצַ֣ר (lachatsar) = bij de hof van | הַמַּטָּרָ֑ה (hamatara) = de wacht | אַחֲרָ֖יו (acharav) = na hem | פְּדָיָ֥ה (pedaya) = Pedaja | בֶן (ben) = zoon van | פַּרְעֹֽשׁ (parosh) = Parosj Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft in dit vers geen werkwoord; ‘herstelde’ is aangevuld uit de verzen 4–24. Voetnoot : חֲצַר הַמַּטָּרָה (chatsar hammattarah), ‘de wachthof’: de hof van de bewaking bij het paleis van de koning (Jer. 32:2). De ligging is onzeker. Voetnoot : פַּרְעֹשׁ (Par’osh), ‘Parosj’: een geslacht van wie nakomelingen terugkeerden (Ezra 2:3). Zie ook: Jer 32:2; Jer 33:1; Jer 37:21; Ezra 2:3; Neh 12:39 ### De Ofel en de Paardenpoort **3:26** De tempeldienaren woonden op de Ofel, tot tegenover de Waterpoort aan de oostkant en de toren die uitsteekt. Brontekst: וְהַ֨נְּתִינִ֔ים (vehanetinim) = en de tempeldienaren | הָי֥וּ (hayu) = waren | יֹשְׁבִ֖ים (yoshevim) = wonend | בָּעֹ֑פֶל (baofel) = op de Ofel | עַ֠ד (ad) = tot | נֶ֜גֶד (neged) = tegenover | שַׁ֤עַר (shaar) = de poort van | הַמַּ֨יִם֙ (hamayim) = het Water | לַמִּזְרָ֔ח (lamizrach) = naar het oosten | וְהַמִּגְדָּ֖ל (vehamigdal) = en de toren | הַיּוֹצֵֽא (hayotse) = die uitsteekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ofel (Jeruzalem): De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg in Jeruzalem. Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: הַנְּתִינִים (hanetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’, mensen die aan de tempel waren gegeven om te dienen (zie Ezra 2:43). Wij vertalen steeds ‘tempeldienaren’. Zij woonden op de Ofel, de heuvel ten zuiden van de tempel. Voetnoot : הָעֹפֶל (ha’ofel), ‘de Ofel’: een heuvel in het zuidoosten van de stad, ten zuiden van de tempelberg (2 Kron. 27:3). Voetnoot : שַׁעַר הַמַּיִם (sha’ar hamayim), ‘Waterpoort’: een poort in het oosten van de stad, bij de bron Gihon. De ligging is onzeker. Zie ook: 2 Kron 27:3; 2 Kron 33:14; Ezra 2:43; Neh 8:1; Neh 8:3; Neh 11:21; Neh 12:37 **3:27** Na hem herstelden de Tekoïeten een tweede stuk, tegenover de grote toren die uitsteekt, tot aan de muur van de Ofel. Brontekst: אַחֲרָ֛יו (acharav) = na hem | הֶחֱזִ֥יקוּ (hecheziqu) = herstelden | הַתְּקֹעִ֖ים (hateqoim) = de Tekoïeten | מִדָּ֣ה (mida) = stuk | שֵׁנִ֑ית (shenit) = tweede | מִנֶּ֜גֶד (mineged) = tegenover | הַמִּגְדָּ֤ל (hamigdal) = de toren | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = de grote | הַיּוֹצֵ֔א (hayotse) = die uitsteekt | וְעַ֖ד (vead) = en tot | חוֹמַ֥ת (chomat) = de muur van | הָעֹֽפֶל (haofel) = de Ofel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ofel (Jeruzalem): De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg in Jeruzalem. Zie ook: Neh 3:5 **3:28** Boven de Paardenpoort herstelden de priesters, ieder tegenover zijn eigen huis. Brontekst: מֵעַ֣ל (meal) = boven | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הַסּוּסִ֗ים (hasusim) = de Paarden | הֶחֱזִ֨יקוּ֙ (hecheziqu) = herstelden | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | לְנֶ֥גֶד (leneged) = tegenover | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Paardenpoort (ligging onzeker): De Paardenpoort was een poort van Jeruzalem bij het huis van de koning. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הַסּוּסִים (sha’ar hassusim), ‘Paardenpoort’: een poort in het oosten van de stad, bij het paleis (Jer. 31:40). De ligging is onzeker. Zie ook: 2 Kon 11:16; 2 Kron 23:15; Jer 31:40; Neh 3:10; Neh 3:23 **3:29** Na hen herstelde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. Na hem herstelde Sjemaja, de zoon van Sjekanja, de bewaker van de Oostpoort. Brontekst: אַחֲרָ֧יו (acharav) = na hem | הֶחֱזִ֛יק (hecheziq) = herstelde | צָד֥וֹק (tsadoq) = Zadok | בֶּן (ben) = zoon van | אִמֵּ֖ר (imer) = Immer | נֶ֣גֶד (neged) = tegenover | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וְאַחֲרָ֤יו (veacharav) = en na hem | הֶחֱזִיק֙ (hecheziq) = herstelde | שְׁמַֽעְיָ֣ה (shemaya) = Sjemaja | בֶן (ben) = zoon van | שְׁכַנְיָ֔ה (shekhanya) = Sjekanja | שֹׁמֵ֖ר (shomer) = bewaker van | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort van | הַמִּזְרָֽח (hamizrach) = het Oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Oostpoort (ligging onzeker): De Oostpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de tempel. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הַמִּזְרָח (sha’ar hammizrach), ‘Oostpoort’: de poort aan de oostzijde van de stad, vermoedelijk dichtbij de tempel. De ligging is onzeker. Zie ook: Jer 19:2; Ezra 2:37; Ezra 10:2; Neh 7:40 **3:30** Na hem herstelden Chananja, de zoon van Sjelemja, en Chanoen, de zesde zoon van Salaf, een tweede stuk. Na hem herstelde Mesjullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn kamer. Brontekst: אַחֲרָ֨יו (acharav) = na hem | הֶחֱזִ֜יק (hecheziq) = herstelde | חֲנַנְיָ֣ה (chananya) = Chananja | בֶן (ben) = zoon van | שֶׁלֶמְיָ֗ה (shelemya) = Sjelemja | וְחָנ֧וּן (vechanun) = en Chanoen | בֶּן (ben) = zoon van | צָלָ֛ף (tsalaf) = Salaf | הַשִּׁשִּׁ֖י (hashishi) = de zesde | מִדָּ֣ה (mida) = stuk | שֵׁנִ֑י (sheni) = tweede | אַחֲרָ֣יו (acharav) = na hem | הֶחֱזִ֗יק (hecheziq) = herstelde | מְשֻׁלָּם֙ (meshulam) = Mesjullam | בֶּן (ben) = zoon van | בֶּ֣רֶכְיָ֔ה (berekhya) = Berechja | נֶ֖גֶד (neged) = tegenover | נִשְׁכָּתֽוֹ (nishkato) = zijn kamer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁשִּׁי (shishshi), ‘de zesde’: Chanoen is de zesde zoon van Salaf. Voetnoot : נִשְׁכָּתוֹ (nishkato), ‘zijn kamer’: een vertrek bij het huis; zie ook 12:44 en 13:7. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft אחרי (acharei), ‘na’. De voorgelezen tekst (qere) heeft אַחֲרָיו (acharav), ‘na hem’. Wij volgen het qere. **3:31** Na hem herstelde Malkia, de zoon van de goudsmid, tot het huis van de tempeldienaren en de kooplieden. Dat was tegenover de Inspectiepoort en reikte tot de bovenkamer van de hoek. Brontekst: אַחֲרָ֣יו (acharav) = na hem | הֶחֱזִ֗יק (hecheziq) = herstelde | מַלְכִּיָּה֙ (malkiya) = Malkia | בֶּן (ben) = zoon van | הַצֹּ֣רְפִ֔י (hatsorefi) = de goudsmid | עַד (ad) = tot | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַנְּתִינִ֖ים (hanetinim) = de tempeldienaren | וְהָרֹכְלִ֑ים (veharokhelim) = en de kooplieden | נֶ֚גֶד (neged) = tegenover | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הַמִּפְקָ֔ד (hamifqad) = de Inspectie | וְעַ֖ד (vead) = en tot | עֲלִיַּ֥ת (aliyat) = de bovenkamer van | הַפִּנָּֽה (hapina) = de hoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Inspectiepoort (ligging onzeker): De Inspectiepoort lag in de oostelijke muur van Jeruzalem, ten noorden van de tempelberg. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הַמִּפְקָד (sha’ar hammifqad), ‘Inspectiepoort’: de naam komt van het werkwoord פָּקַד (paqad), ‘inspecteren’ of ‘tellen’. De ligging is onzeker; vermoedelijk in het noordoosten van de stad. Voetnoot : הָרֹכְלִים (harokhelim), ‘de kooplieden’: handelaren, vaak rondtrekkende. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft אחרי (acharei), ‘na’. De voorgelezen tekst (qere) heeft אַחֲרָיו (acharav), ‘na hem’. Wij volgen het qere. Zie ook: Neh 3:8; Neh 3:32 **3:32** Tussen de bovenkamer van de hoek en de Schaapspoort herstelden de goudsmeden en de kooplieden. Brontekst: וּבֵ֨ין (uvein) = en tussen | עֲלִיַּ֤ת (aliyat) = de bovenkamer van | הַפִּנָּה֙ (hapina) = de hoek | לְשַׁ֣עַר (leshaar) = en de poort van | הַצֹּ֔אן (hatson) = de Schapen | הֶחֱזִ֥יקוּ (hecheziqu) = herstelden | הַצֹּרְפִ֖ים (hatsorefim) = de goudsmeden | וְהָרֹכְלִֽים (veharokhelim) = en de kooplieden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Schaapspoort (ligging onzeker): De Schaapspoort lag in de noordoostelijke muur van Jeruzalem, bij de tempel. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Neh 3:1; Neh 3:8; Neh 3:31; Neh 12:39; Joh 5:2 ### Sanballat en Tobia spotten **3:33** Toen Sanballat hoorde dat wij de muur aan het bouwen waren, werd hij woedend en zeer boos. Hij bespotte de Joden. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֧ר (kaasher) = toen | שָׁמַ֣ע (shama) = hoorde | סַנְבַלַּ֗ט (sanvalat) = Sanballat | כִּֽי (ki) = dat | אֲנַ֤חְנוּ (anachnu) = wij | בוֹנִים֙ (bonim) = bouwend zijn | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣חוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | וַיִּ֣חַר (vayichar) = en hij werd woedend | ל֔וֹ (lo) = voor hem | וַיִּכְעַ֖ס (vayikhas) = en werd boos | הַרְבֵּ֑ה (harbe) = zeer | וַיַּלְעֵ֖ג (vayaleg) = en bespotte | עַל (al) = de | הַיְּהוּדִֽים (hayehudim) = Joden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint de Nederlandse telling van hoofdstuk 4: Hebr. 3:33–38 = NL 4:1–6, en Hebr. 4:1–17 = NL 4:7–23. In deze vertaling volgen wij de Hebreeuwse indeling. Voetnoot : Sanballat de Choroniet is ook genoemd in 2:10 en 2:19. Zie ook: Ps 35:15–16; Neh 2:10; Neh 2:19; Hand 5:17; Heb 3:33–38; Heb 4:1–17; Heb 11:36 **3:34** Hij zei in het bijzijn van zijn broeders en het leger van Samaria: „Wat doen die zwakke Joden? Zal men hun dit laten doen? Zullen zij offeren? Zullen zij in één dag klaar zijn? Zullen zij de stenen weer levend maken uit de stofhopen van het puin, terwijl ze verbrand zijn?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֶחָ֗יו (echav) = zijn broeders | וְחֵיל֙ (vecheil) = en het leger van | שֹֽׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מָ֛ה (ma) = wat | הַיְּהוּדִ֥ים (hayehudim) = de Joden | הָאֲמֵלָלִ֖ים (haamelalim) = de zwakke | עֹשִׂ֑ים (osim) = doen | הֲיַעַזְב֨וּ (hayaazvu) = zal men toelaten | לָהֶ֤ם (lahem) = hun | הֲיִזְבָּ֨חוּ֙ (hayizbachu) = zullen zij offeren | הַיְכַלּ֣וּ (haykhalu) = zullen zij voltooien | בַיּ֔וֹם (bayom) = op een dag | הַיְחַיּ֧וּ (haychayu) = zullen zij levend maken | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲבָנִ֛ים (haavanim) = de stenen | מֵעֲרֵמ֥וֹת (mearemot) = uit de hopen van | הֶעָפָ֖ר (heafar) = het stof | וְהֵ֥מָּה (vehema) = terwijl zij | שְׂרוּפֽוֹת (serufot) = verbrand zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: חֵיל שֹׁמְרוֹן (chel Shomron), ‘het leger van Samaria’: Sanballat was bestuurder in Samaria, de hoofdstad van de provincie ten noorden van Juda. Voetnoot : הָאֲמֵלָלִים (ha’amelalim), ‘de zwakke’: een woord voor mensen die verwelkt of krachteloos zijn. Het is hier spot. Voetnoot : הֲיַעַזְבוּ לָהֶם (hayya’azvu lahem), ‘zal men hun dit laten doen’: de betekenis van deze woorden is onzeker; letterlijk ‘zullen zij zich aan hen overlaten’. Voetnoot : הֲיִזְבָּחוּ (hayizbachu), ‘zullen zij offeren’: waarop Sanballat doelt is niet zeker. Misschien bedoelt hij dat zij met een offer de voltooiing willen vieren. Zie ook: 1 Sam 17:43–44; Ezra 4:9–10; Zach 12:8; Neh 4:4; 1 Kor 1:27 **3:35** Tobia de Ammoniet stond naast hem. Hij zei: „Wat zij ook bouwen: als een vos erop klimt, breekt hij hun stenen muur door.” Brontekst: וְטוֹבִיָּ֥ה (vetoviya) = en Tobia | הָעַמֹּנִ֖י (haamoni) = de Ammoniet | אֶצְל֑וֹ (etslo) = naast hem | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | גַּ֚ם (gam) = ook | אֲשֶׁר (asher) = wat | הֵ֣ם (hem) = zij | בּוֹנִ֔ים (bonim) = bouwen | אִם (im) = als | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = klimt | שׁוּעָ֔ל (shual) = een vos | וּפָרַ֖ץ (ufarats) = en breekt door | חוֹמַ֥ת (chomat) = de muur van | אַבְנֵיהֶֽם (avneihem) = hun stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּעָל (shu’al), ‘vos’: een licht dier. Tobia’s spot is dat een vos de muur al omver zou lopen. Zie ook: 1 Kon 20:10; 1 Kon 20:18; 2 Kon 18:23; Neh 2:10; Neh 2:19 ### Nehemia’s gebed tegen de spotters **3:36** Hoor, onze Elohim, want wij zijn een voorwerp van verachting geworden. Breng hun smaad terug op hun eigen hoofd. Geef hen over tot buit in een land van gevangenschap. Brontekst: שְׁמַ֤ע (shema) = hoor | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | כִּֽי (ki) = want | הָיִ֣ינוּ (hayinu) = wij zijn geworden | בוּזָ֔ה (buza) = tot verachting | וְהָשֵׁ֥ב (vehashev) = en breng terug | חֶרְפָּתָ֖ם (cherpatam) = hun smaad | אֶל (el) = op | רֹאשָׁ֑ם (rosham) = hun hoofd | וּתְנֵ֥ם (utenem) = en geef hen | לְבִזָּ֖ה (leviza) = tot buit | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | שִׁבְיָֽה (shivya) = gevangenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is NL 4:4 in de Nederlandse telling (zie vers 33). Voetnoot : Dit gebed is een verwensing van de vijanden en een klacht aan Elohim. Nehemia vraagt niet om zelf wraak te nemen. Vergelijk Ps. 79:12 en Jer. 18:23. Voetnoot : בִּזָּה (bizzah), ‘verachting’, en שִׁבְיָה (shivyah), ‘gevangenschap’: woorden uit de ellende van de ballingschap. Zie ook: 1 Sam 17:26; Ps 79:12; Ps 123:3–4; Spr 3:34; Hos 12:15; Jer 18:23; Neh 3:33 **3:37** Bedek hun schuld niet en laat hun zonde niet voor Uw aangezicht uitgewist worden, want zij hebben de bouwers tot woede geprikkeld. Brontekst: וְאַל (veal) = en niet | תְּכַס֙ (tekhas) = bedek | עַל (al) = over | עֲוֺנָ֔ם (avonam) = hun schuld | וְחַטָּאתָ֖ם (vechatatam) = en hun zonde | מִלְּפָנֶ֣יךָ (milefaneikha) = voor U | אַל (al) = niet | תִּמָּחֶ֑ה (timache) = laat uitgewist worden | כִּ֥י (ki) = want | הִכְעִ֖יסוּ (hikhisu) = zij hebben getergd | לְנֶ֥גֶד (leneged) = tegenover | הַבּוֹנִֽים (habonim) = de bouwers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאַל־תְּכַס עַל־עונם (ve’al tekhas al avonam), ‘bedek hun schuld niet’: een bede dat Elohim hun schuld niet vergeeft. Het werkwoord כָּסָה (kasah) betekent ‘bedekken’ (zoals in Ps. 32:1). Zie ook: Ps 32:1; Ps 69:28–29; Ps 109:14; Jes 44:22; Jer 18:23; 2 Tim 4:14 **3:38** Wij bouwden de muur en heel de muur werd tot de helft ervan aaneengesloten. Het volk had zin om te werken. Brontekst: וַנִּבְנֶה֙ (vanivne) = en wij bouwden | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣חוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | וַתִּקָּשֵׁ֥ר (vatiqasher) = en werd samengevoegd | כָּל (kal) = heel | הַחוֹמָ֖ה (hachoma) = de muur | עַד (ad) = tot | חֶצְיָ֑הּ (chetsyah) = de helft ervan | וַיְהִ֧י (vayhi) = en het was | לֵ֦ב (lev) = een hart | לָעָ֖ם (laam) = voor het volk | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te werken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘het volk had een hart om te werken’: zij hadden zin en moed. Zie ook: 1 Kron 29:3; 1 Kron 29:17–18; Neh 6:15; Fil 2:13; Heb 13:21 ## Nehemia 4 _Tegenstand en wacht bij de muur (Hebr. 4:1–17 = NL 4:7–23)_ ### De vijanden smeden een complot **4:1** Toen Sanballat, Tobia, de Arabieren, de Ammonieten en de Asdodieten hoorden dat de muren van Jeruzalem hersteld werden, werden zij zeer boos. Want de bressen begonnen te worden gedicht. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כַאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = toen | שָׁמַ֣ע (shama) = hoorde | סַנְבַלַּ֡ט (sanvalat) = Sanballat | וְ֠טוֹבִיָּה (vetoviya) = en Tobia | וְהָעַרְבִ֨ים (vehaarvim) = en de Arabieren | וְהָעַמֹּנִ֜ים (vehaamonim) = en de Ammonieten | וְהָאַשְׁדּוֹדִ֗ים (vehaashdodim) = en de Asdodieten | כִּֽי (ki) = dat | עָלְתָ֤ה (aleta) = omhoog kwam | אֲרוּכָה֙ (arukha) = herstel | לְחֹמ֣וֹת (lechomot) = van de muren van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | כִּי (ki) = want | הֵחֵ֥לּוּ (hechelu) = begonnen | הַפְּרֻצִ֖ים (haperutsim) = de bressen | לְהִסָּתֵ֑ם (lehisatem) = om gedicht te worden | וַיִּ֥חַר (vayichar) = en werd boos | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Hier begint hoofdstuk 4 in de Hebreeuwse telling (Hebr. 4:1–17 = NL 4:7–23). Voetnoot : הָעַרְבִים (ha’arvim), ‘de Arabieren’: bewoners van de Arabische streken ten zuiden en oosten van Juda; Gesjem de Arabier is genoemd in 2:19. Voetnoot : הָאַשְׁדּוֹדִים (ha’ashdodim), ‘de Asdodieten’: bewoners van Asdod, een Filistijnse stad in het westen (zie ook 13:23–24). Voetnoot : אֲרֻכָה (arukhah), ‘herstel’: letterlijk ‘verlenging’, een woord voor genezing van een wond. Hier betekent het: de bressen in de muur worden gedicht. Zie ook Jer. 8:22 en 30:17. Zie ook: Amos 1:13; Jer 8:22; Jer 30:17; Neh 2:10; Neh 3:33; Hand 5:33; Heb 4:1–17; Openb 12:12–13 **4:2** Zij smeedden allen samen een complot om tegen Jeruzalem te strijden en daar verwarring te stichten. Brontekst: וַיִּקְשְׁר֤וּ (vayiqsheru) = en zij smeedden een complot | כֻלָּם֙ (kulam) = allen | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | לָב֖וֹא (lavo) = om te komen | לְהִלָּחֵ֣ם (lehilachem) = om te strijden | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = tegen Jeruzalem | וְלַעֲשׂ֥וֹת (velaasot) = en om te maken | ל֖וֹ (lo) = daarin | תּוֹעָֽה (toa) = verwarring Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: תּוֹעָה (to’ah), ‘verwarring’: een woord voor dwaling of onrust. De betekenis is hier niet geheel zeker. Wij vertalen ‘verwarring’. Zie ook: Ps 2:1–3; Ps 83:4–12; Jes 8:9–10; Jer 20:10; Hand 23:12–13 **4:3** Wij baden tot onze Elohim. Vanwege hen stelden wij dag en nacht een wacht tegen hen op. Brontekst: וַנִּתְפַּלֵּ֖ל (vanitpalel) = en wij baden | אֶל (el) = tot | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וַנַּעֲמִ֨יד (vanaamid) = en wij stelden op | מִשְׁמָ֧ר (mishmar) = een wacht | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = tegen hen | יוֹמָ֥ם (yomam) = overdag | וָלַ֖יְלָה (valayla) = en 's nachts | מִפְּנֵיהֶֽם (mipeneihem) = vanwege hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gebed en wacht gaan samen: Nehemia bidt en stelt een bewaking op. Vergelijk vers 8 en vers 14. Zie ook: Ps 50:15; Neh 4:8; Neh 4:14; Mat 26:41; Luc 6:11–12; Hand 4:24–30; 1 Petr 5:8 ### De moeheid van Juda **4:4** Juda zei: „De kracht van de lastdrager is bezweken en er is veel puin. Wij kunnen niet aan de muur bouwen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | כָּשַׁל֙ (kashal) = is bezweken | כֹּ֣חַ (koach) = de kracht van | הַסַּבָּ֔ל (hasabal) = de lastdrager | וְהֶעָפָ֖ר (veheafar) = en het puin | הַרְבֵּ֑ה (harbe) = veel | וַאֲנַ֨חְנוּ֙ (vaanachnu) = en wij | לֹ֣א (lo) = niet | נוּכַ֔ל (nukhal) = kunnen | לִבְנ֖וֹת (livnot) = bouwen | בַּחוֹמָֽה (bachoma) = aan de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַסַּבָּל (hassabbal), ‘de lastdrager’: iemand die de stenen en het puin draagt. Het werk gaat mank doordat de dragers uitgeput zijn. Voetnoot : עָפָר (afar), ‘puin’: letterlijk ‘stof’ of ‘aarde’; hier de verbrijzelde stenen en het afval dat weggedragen moet worden. Zie ook: Num 13:31; Ps 11:1–2; 2 Kron 2:17; Ezech 29:18; Hag 1:2 **4:5** Onze tegenstanders zeiden: „Zij zullen het niet weten en niet zien, totdat wij midden onder hen zijn. Dan doden wij hen en maken wij een einde aan het werk.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | צָרֵ֗ינוּ (tsareinu) = onze tegenstanders | לֹ֤א (lo) = niet | יֵדְעוּ֙ (yedeu) = zullen zij weten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִרְא֔וּ (yiru) = zullen zij zien | עַ֛ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָב֥וֹא (navo) = wij komen | אֶל (el) = naar | תּוֹכָ֖ם (tokham) = hun midden | וַהֲרַגְנ֑וּם (vaharagnum) = en wij doden hen | וְהִשְׁבַּ֖תְנוּ (vehishbatnu) = en wij doen ophouden | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּלָאכָֽה (hamelakha) = het werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vijanden beramen een overval. Hun woorden komen via de Joden die naast hen wonen bij Nehemia (vers 6). Zie ook: 2 Sam 17:2; Ps 56:7; Jes 47:11; Neh 4:6; Hand 23:21; 1 Tess 5:2 **4:6** Toen de Joden die naast hen woonden kwamen, zeiden zij wel tien keer tegen ons: „Van alle plaatsen, waarheen jullie ook terugkeren, komen zij tegen ons op.” Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = toen | בָּ֣אוּ (bau) = kwamen | הַיְּהוּדִ֔ים (hayehudim) = de Joden | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die wonen | אֶצְלָ֑ם (etslam) = naast hen | וַיֹּ֤אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | לָ֨נוּ֙ (lanu) = tot ons | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | פְּעָמִ֔ים (peamim) = keer | מִכָּל (mikal) = van alle | הַמְּקֹמ֖וֹת (hameqomot) = de plaatsen | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | תָּשׁ֥וּבוּ (tashuvu) = jullie terugkeren | עָלֵֽינוּ (aleinu) = tegen ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk Hebreeuws. Letterlijk staat er: ‘zij zeiden tegen ons tien keer: van alle plaatsen waarheen jullie terugkeren tegen ons’. De zin is onvolledig. Zij lijkt te zeggen dat de Joden uit alle omliggende plaatsen berichten brengen over de aanvallers. Zeker is dat niet. Wij vertalen zo letterlijk mogelijk. Voetnoot : עֶשֶׂר פְּעָמִים (eser pe’amim), ‘tien keer’: dat wil zeggen ‘steeds weer’. Zie ook: Gen 31:7; Gen 31:41; Job 19:3; Num 14:22 ### Wachtposten bij de muur **4:7** Ik stelde mannen op de laagste plaatsen achter de muur, op de open plekken. Ik stelde het volk op, per familie, met hun zwaarden, speren en bogen. Brontekst: וָֽאַעֲמִ֞יד (vaaamid) = en ik stelde op | מִֽתַּחְתִּיּ֧וֹת (mitachtiyot) = de laagste plaatsen | לַמָּק֛וֹם (lamaqom) = op de plek | מֵאַחֲרֵ֥י (meacharei) = achter | לַחוֹמָ֖ה (lachoma) = de muur | בַּצְּחִיחִ֑ים (batsechichim) = op de open plekken | וָֽאַעֲמִ֤יד (vaaamid) = en ik stelde op | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֙ (haam) = het volk | לְמִשְׁפָּח֔וֹת (lemishpachot) = per familie | עִם (im) = met | חַרְבֹתֵיהֶ֛ם (charvoteihem) = hun zwaarden | רָמְחֵיהֶ֖ם (ramecheihem) = hun speren | וְקַשְּׁתֹתֵיהֶֽם (veqashetoteihem) = en hun bogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִתַּחְתִּיּוֹת (mitachtiyyot), ‘de laagste plaatsen’, en צְחִיחִים (tsechichim), ‘open plekken’ (letterlijk ‘kale plekken’, vergelijk Ezech. 24:7): de plaatsen waar de muur het laagst of het kwetsbaarst is. Zie ook: Gen 32:13–20; Hoogl 3:7–8; Ezech 24:7; Neh 4:11–12; 1 Kor 14:20; Ef 6:11–20 **4:8** Ik zag het en stond op. Ik zei tegen de edelen, de bestuurders en de rest van het volk: „Wees niet bang voor hen. Denk aan de Heer, de grote en ontzagwekkende. Vecht voor jullie broeders, jullie zonen en dochters, jullie vrouwen en jullie huizen.” Brontekst: וָאֵ֣רֶא (vaere) = en ik zag | וָאָק֗וּם (vaaqum) = en ik stond op | וָאֹמַ֞ר (vaomar) = en ik zei | אֶל (el) = tot | הַחֹרִ֤ים (hachorim) = de edelen | וְאֶל (veel) = en tot | הַסְּגָנִים֙ (haseganim) = de bestuurders | וְאֶל (veel) = en tot | יֶ֣תֶר (yeter) = de rest van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֖וּ (tireu) = wees bang | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = voor hen | אֶת (et) = (obj.) | אֲדֹנָ֞י (adonay) = de Heer | הַגָּד֤וֹל (hagadol) = de grote | וְהַנּוֹרָא֙ (vehanora) = en ontzagwekkende | זְכֹ֔רוּ (zekhoru) = gedenkt | וְהִֽלָּחֲמ֗וּ (vehilachamu) = en strijdt | עַל (al) = voor | אֲחֵיכֶם֙ (acheikhem) = jullie broeders | בְּנֵיכֶ֣ם (beneikhem) = jullie zonen | וּבְנֹתֵיכֶ֔ם (uvenoteikhem) = en jullie dochters | נְשֵׁיכֶ֖ם (nesheikhem) = jullie vrouwen | וּבָתֵּיכֶֽם (uvateikhem) = en jullie huizen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: het Hebreeuws noemt Yahweh hier niet. Zie 1:5 en 1:11. Zie ook: Num 14:9; 2 Sam 10:12; Ps 66:3; Jes 41:10–14; Heb 13:6 **4:9** Onze vijanden hoorden dat het ons bekend was geworden en dat Elohim hun raad had verijdeld. Toen keerden wij allen terug naar de muur, ieder naar zijn werk. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | כַּֽאֲשֶׁר (kaasher) = toen | שָׁמְע֤וּ (shameu) = hoorden | אוֹיְבֵ֨ינוּ֙ (oyeveinu) = onze vijanden | כִּי (ki) = dat | נ֣וֹדַֽע (noda) = bekend was geworden | לָ֔נוּ (lanu) = aan ons | וַיָּ֥פֶר (vayafer) = en verijdelde | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | עֲצָתָ֑ם (atsatam) = hun raad | וַנָּ֤שָׁב (vanashav) = en wij keerden terug | כֻּלָּ֨נוּ֙ (kulanu) = allen | אֶל (el) = naar | הַ֣חוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = naar | מְלַאכְתּֽוֹ (melakhto) = zijn werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּפֶר הָאֱלֹהִים (vayyafer ha’Elohim), ‘Elohim verijdelde’: zoals in Ps. 33:10. Wij vertalen steeds ‘raad’ voor de plannen van mensen. Zie ook: Job 5:12–13; 2 Sam 17:14; Ps 33:10–11; Jes 44:25; Rom 12:11 ### Bouwen met het wapen in de hand **4:10** Vanaf die dag deed de helft van mijn jongens het werk. De andere helft hield speren, schilden, bogen en pantsers vast. De oversten stonden achter heel het huis van Juda. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | מִן (min) = vanaf | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | חֲצִ֣י (chatsi) = de helft van | נְעָרַי֮ (nearay) = mijn jongens | עֹשִׂ֣ים (osim) = doend | בַּמְּלָאכָה֒ (bamelakha) = het werk | וְחֶצְיָ֗ם (vechetsyam) = en de helft | מַחֲזִיקִים֙ (machaziqim) = houdend vast | וְהָרְמָחִ֣ים (veharemachim) = en de speren | הַמָּגִנִּ֔ים (hamaginim) = de schilden | וְהַקְּשָׁת֖וֹת (vehaqeshatot) = en de bogen | וְהַשִּׁרְיֹנִ֑ים (vehashiryonim) = en de pantsers | וְהַ֨שָּׂרִ֔ים (vehasarim) = en de oversten | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | כָּל (kal) = heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְעָרַי (ne’aray), ‘mijn jongens’: Nehemia’s eigen dienaren of gevolg; zo ook de verzen 16 en 17. Of het soldaten zijn, zegt de tekst niet. Voetnoot : הַשִּׁרְיֹנִים (hasheryonim), ‘de pantsers’: lichaamsbescherming. Het woord שִׁרְיוֹן (shiryon) is een pantser of borstharnas (zoals 1 Sam. 17:5). Voetnoot : הַשָּׂרִים (hassarim), ‘de oversten’: de leiders. Zij staan achter het volk als steun. Zie ook: 1 Sam 17:5; Ps 101:6; Neh 4:17; Neh 5:15–16 **4:11** Wie aan de muur bouwden en wie lasten droegen en laadden, deden met de ene hand het werk. Met de andere hielden zij het wapen vast. Brontekst: הַבּוֹנִ֧ים (habonim) = die bouwen | בַּחוֹמָ֛ה (bachoma) = aan de muur | וְהַנֹּשְׂאִ֥ים (vehanoseim) = en die dragen | בַּסֶּ֖בֶל (basevel) = de last | עֹמְשִׂ֑ים (omesim) = ladend | בְּאַחַ֤ת (beachat) = met één | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | עֹשֶׂ֣ה (ose) = doend | בַמְּלָאכָ֔ה (bamelakha) = het werk | וְאַחַ֖ת (veachat) = en één | מַחֲזֶ֥קֶת (machazeqet) = houdend vast | הַשָּֽׁלַח (hashalach) = het wapen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹמְסִים (omesim), ‘laadden’: het werkwoord עָמַס (amas) betekent ‘beladen’. De zin is gedrongen: de dragers en de beladers werken met één hand en houden met de andere het wapen. Voetnoot : שֶׁלַח (shelach), ‘wapen’: ook het woord voor ‘werpwapen’ (Joël 2:8, 2 Kron. 23:10). De betekenis is hier niet geheel zeker. Zie ook: 2 Kron 23:10; Joël 2:8; 1 Kor 16:13; 2 Kor 6:7; Ef 6:11–20; 2 Tim 2:3; 2 Tim 4:7 **4:12** Ieder van de bouwers had zijn zwaard om zijn heupen gegord en bouwde zo. De bazuinblazer stond naast mij. Brontekst: וְהַ֨בּוֹנִ֔ים (vehabonim) = en de bouwers | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | חַרְבּ֛וֹ (charbo) = zijn zwaard | אֲסוּרִ֥ים (asurim) = gebonden | עַל (al) = om | מָתְנָ֖יו (matenav) = zijn heupen | וּבוֹנִ֑ים (uvonim) = en bouwend | וְהַתּוֹקֵ֥עַ (vehatoqea) = en de blazer | בַּשּׁוֹפָ֖ר (bashofar) = op de ramshoorn | אֶצְלִֽי (etsli) = naast mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתּוֹקֵעַ בַּשּׁוֹפָר (hattoqea bashofar), ‘de blazer op de ramshoorn’: de man die bij gevaar op de ramshoorn blaast. Wij vertalen steeds ‘ramshoorn’. Hij staat naast Nehemia. Zie ook: Num 10:9; 2 Kron 13:12–17 ### Onze Elohim zal voor ons strijden **4:13** Ik zei tegen de edelen, de bestuurders en de rest van het volk: „Het werk is groot en uitgestrekt. Wij zijn op de muur verspreid, ver van elkaar. Brontekst: וָאֹמַ֞ר (vaomar) = en ik zei | אֶל (el) = tot | הַחֹרִ֤ים (hachorim) = de edelen | וְאֶל (veel) = en tot | הַסְּגָנִים֙ (haseganim) = de bestuurders | וְאֶל (veel) = en tot | יֶ֣תֶר (yeter) = de rest van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הַמְּלָאכָ֥ה (hamelakha) = het werk | הַרְבֵּ֖ה (harbe) = groot | וּרְחָבָ֑ה (urechava) = en uitgestrekt | וַאֲנַ֗חְנוּ (vaanachnu) = en wij | נִפְרָדִים֙ (nifradim) = verspreid | עַל (al) = op | הַ֣חוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | רְחוֹקִ֖ים (rechoqim) = ver | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | מֵאָחִֽיו (meachiv) = van zijn broeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִפְרָדִים (nifradim), ‘verspreid’: de werkers zijn over de muur uitgespreid. De ramshoorn moet hen verzamelen. **4:14** Op de plek waar jullie het geluid van de ramshoorn horen, daar zullen jullie je bij ons verzamelen. Onze Elohim zal voor ons strijden.” Brontekst: בִּמְק֗וֹם (bimqom) = op de plek | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | תִּשְׁמְעוּ֙ (tishmeu) = jullie horen | אֶת (et) = (obj.) | ק֣וֹל (qol) = het geluid van | הַשּׁוֹפָ֔ר (hashofar) = de ramshoorn | שָׁ֖מָּה (shama) = daar | תִּקָּבְצ֣וּ (tiqavetsu) = verzamel jullie | אֵלֵ֑ינוּ (eleinu) = bij ons | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | יִלָּ֥חֶם (yilachem) = zal strijden | לָֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵינוּ יִלָּחֶם לָנוּ (Eloheinu yillachem lanu), ‘onze Elohim zal voor ons strijden’: vergelijk Exod. 14:14 en Deut. 3:22. Zie ook: Ex 14:14; Deut 1:30; Deut 3:22; Deut 20:4; Joz 23:10 **4:15** Zo deden wij het werk, terwijl de helft van hen speren vasthield, vanaf het ochtendgloren tot de sterren verschenen. Brontekst: וַאֲנַ֖חְנוּ (vaanachnu) = en wij | עֹשִׂ֣ים (osim) = werkend | בַּמְּלָאכָ֑ה (bamelakha) = aan het werk | וְחֶצְיָ֗ם (vechetsyam) = en de helft van hen | מַחֲזִיקִים֙ (machaziqim) = houdend vast | בָּֽרְמָחִ֔ים (baremachim) = speren | מֵעֲל֣וֹת (mealot) = vanaf het opkomen van | הַשַּׁ֔חַר (hashachar) = het ochtendgloren | עַ֖ד (ad) = tot | צֵ֥את (tset) = het verschijnen van | הַכּוֹכָבִֽים (hakokhavim) = de sterren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעֲלוֹת הַשַּׁחַר (me’alot hashachar), ‘vanaf het ochtendgloren’: letterlijk ‘vanaf het opkomen van de dageraad’. Voetnoot : עַד צֵאת הַכּוֹכָבִים (ad tset hakokhavim), ‘tot de sterren verschenen’: letterlijk ‘tot het uitgaan van de sterren’. Zie ook: Gal 6:9; 1 Kor 15:10; 1 Kor 15:58; Kol 1:29 **4:16** Ook zei ik in die tijd tegen het volk: „Laat ieder met zijn jongen in Jeruzalem overnachten. Dan zijn zij 's nachts een wacht voor ons en overdag werkers.” Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | בָּעֵ֤ת (baet) = in de tijd | הַהִיא֙ (hahi) = die | אָמַ֣רְתִּי (amarti) = zei ik | לָעָ֔ם (laam) = tot het volk | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | וְנַעֲר֔וֹ (venaaro) = en zijn jongen | יָלִ֖ינוּ (yalinu) = laten overnachten | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְהָֽיוּ (vehayu) = en zij zijn | לָ֧נוּ (lanu) = voor ons | הַלַּ֛יְלָה (halayla) = 's nachts | מִשְׁמָ֖ר (mishmar) = een wacht | וְהַיּ֥וֹם (vehayom) = en overdag | מְלָאכָֽה (melakha) = werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נַעֲרוֹ (na’aro), ‘zijn jongen’: ieder neemt zijn dienaar mee naar de stad, zodat het dorp niet leeg is en de wacht sterker. Zie ook: Neh 11:1–2 **4:17** Ik en mijn broers en mijn jongens en de mannen van de wacht die achter mij aan stonden: wij deden onze kleren niet uit. Ieder had zijn wapen bij zich, ook bij het water. Brontekst: וְאֵ֨ין (veein) = en niet | אֲנִ֜י (ani) = ik | וְאַחַ֣י (veachay) = en mijn broers | וּנְעָרַ֗י (unearay) = en mijn jongens | וְאַנְשֵׁ֤י (veanshei) = en de mannen van | הַמִּשְׁמָר֙ (hamishmar) = de wacht | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אַחֲרַ֔י (acharay) = achter mij | אֵין (ein) = niet | אֲנַ֥חְנוּ (anachnu) = wij | פֹשְׁטִ֖ים (poshetim) = uitdoend | בְּגָדֵ֑ינוּ (begadeinu) = onze kleren | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | שִׁלְח֥וֹ (shilcho) = zijn wapen | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Letterlijk staat er: ‘en niet ik en mijn broers en mijn jongens en de mannen van de wacht die achter mij, niet wij uitdoend onze kleren, ieder zijn wapen het water’. Het slot (שִׁלְחוֹ הַמָּיִם, shilcho hammayim) is onzeker. Het kan betekenen dat ieder zijn wapen bij zich had, ook als hij naar het water ging. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij vertalen ‘ieder had zijn wapen bij zich, ook bij het water’. Zie ook: Re 5:11; Re 9:48; Neh 5:16; Neh 7:2; 1 Kor 15:10 ## Nehemia 5 _Het geschreeuw van de armen; Nehemia en de schulden_ ### Het geschreeuw van het volk **5:1** Er klonk een groot geschreeuw van het volk en van hun vrouwen tegen hun broeders, de Joden. Brontekst: וַתְּהִ֨י (vatehi) = en was | צַעֲקַ֥ת (tsaaqat) = geschreeuw van | הָעָ֛ם (haam) = het volk | וּנְשֵׁיהֶ֖ם (unesheihem) = en hun vrouwen | גְּדוֹלָ֑ה (gedola) = groot | אֶל (el) = tegen | אֲחֵיהֶ֖ם (acheihem) = hun broeders | הַיְּהוּדִֽים (hayehudim) = de Joden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het geschreeuw gaat over schuld en gebrek aan brood (de verzen 2–5). Ook de vrouwen laten zich horen. Voetnoot : הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Joden’: de inwoners van Juda. Het zijn hier de armen onder het volk. Nehemia noemt hen ‘onze broeders’ (vers 8). Zie ook: Deut 15:7–11; Jes 5:7; Neh 5:8; Luc 18:7; Hand 7:26; Jak 5:4 **5:2** Er waren er die zeiden: „Wij, onze zonen en onze dochters, zijn met velen. Laten wij koren nemen, dan kunnen wij eten en leven.” Brontekst: וְיֵשׁ֙ (veyesh) = en er waren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֹמְרִ֔ים (omerim) = zeggenden | בָּנֵ֥ינוּ (baneinu) = onze zonen | וּבְנֹתֵ֖ינוּ (uvenoteinu) = en onze dochters | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | רַבִּ֑ים (rabim) = velen | וְנִקְחָ֥ה (veniqcha) = en laat ons nemen | דָגָ֖ן (dagan) = koren | וְנֹאכְלָ֥ה (venokhla) = en laat ons eten | וְנִחְיֶֽה (venichye) = en laat ons leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּגָן (dagan), ‘koren’: graan, het gewone voedsel. Er zijn drie groepen mensen met drie klachten (verzen 2, 3 en 4): te weinig eten, verpande grond, belasting. Zie ook: Gen 42:2; Gen 43:8; Ps 127:3–5; Ps 128:2–4; Mal 2:2 **5:3** Er waren er die zeiden: „Wij verpanden onze velden, onze wijngaarden en onze huizen. Laten wij koren nemen tegen de honger.” Brontekst: וְיֵשׁ֙ (veyesh) = en er waren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֹמְרִ֔ים (omerim) = zeggenden | שְׂדֹתֵ֛ינוּ (sedoteinu) = onze velden | וּכְרָמֵ֥ינוּ (ukherameinu) = en onze wijngaarden | וּבָתֵּ֖ינוּ (uvateinu) = en onze huizen | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | עֹרְבִ֑ים (orevim) = verpanden | וְנִקְחָ֥ה (veniqcha) = en laat ons nemen | דָגָ֖ן (dagan) = koren | בָּרָעָֽב (baraav) = tegen de honger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹרְבִים (orvim), ‘wij verpanden’: wij geven als onderpand. Door de honger moeten zij hun grond en huizen inzetten om koren te krijgen. Zie ook: Gen 47:15–25; Lev 25:35–39; Deut 15:7; Mal 3:8–11 **5:4** Er waren er die zeiden: „Wij hebben geld geleend voor de belasting van de koning, op onze velden en onze wijngaarden. Brontekst: וְיֵשׁ֙ (veyesh) = en er waren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֹמְרִ֔ים (omerim) = zeggenden | לָוִ֥ינוּ (lavinu) = wij hebben geleend | כֶ֖סֶף (kesef) = geld | לְמִדַּ֣ת (lemidat) = voor de belasting van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | שְׂדֹתֵ֖ינוּ (sedoteinu) = onze velden | וּכְרָמֵֽינוּ (ukherameinu) = en onze wijngaarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִדַּת הַמֶּלֶךְ (middat hamelekh), ‘belasting van de koning’: letterlijk ‘maat van de koning’. Bedoeld is de belasting die aan de Perzische koning betaald moest worden. Dit vers gaat door in vers 5. Zie ook: Deut 28:47–48; Joz 16:10; Ezra 4:13; Ezra 4:20; Neh 5:5; Neh 9:37 **5:5** Nu is ons vlees als het vlees van onze broeders. Onze zonen zijn als hun zonen. Maar zie, wij onderwerpen onze zonen en onze dochters als slaven. Sommige van onze dochters zijn al onderworpen. Wij kunnen er niets aan doen, want onze velden en onze wijngaarden zijn van anderen.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | כִּבְשַׂ֤ר (kivsar) = als het vlees van | אַחֵ֨ינוּ֙ (acheinu) = onze broeders | בְּשָׂרֵ֔נוּ (besarenu) = ons vlees | כִּבְנֵיהֶ֖ם (kivneihem) = als hun zonen | בָּנֵ֑ינוּ (baneinu) = onze zonen | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | כֹ֠בְשִׁים (koveshim) = onderwerpen | אֶת (et) = (obj.) | בָּנֵ֨ינוּ (baneinu) = onze zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹתֵ֜ינוּ (benoteinu) = onze dochters | לַעֲבָדִ֗ים (laavadim) = tot slaven | וְיֵ֨שׁ (veyesh) = en er zijn | מִבְּנֹתֵ֤ינוּ (mibenoteinu) = van onze dochters | נִכְבָּשׁוֹת֙ (nikhbashot) = onderworpen | וְאֵ֣ין (veein) = en er is niet | לְאֵ֣ל (leel) = tot macht | יָדֵ֔נוּ (yadenu) = onze hand | וּשְׂדֹתֵ֥ינוּ (usedoteinu) = en onze velden | וּכְרָמֵ֖ינוּ (ukherameinu) = en onze wijngaarden | לַאֲחֵרִֽים (laacherim) = aan anderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּבְשִׁים (kovshim), ‘wij onderwerpen’: het werkwoord kavash betekent ‘onder de voet brengen’. Hier gaat het om kinderen die als slaaf in dienst gaan om een schuld te betalen. Voetnoot : וְאֵין לְאֵל יָדֵנוּ (ve’en le’el yadenu), ‘wij kunnen er niets aan doen’: letterlijk ‘er is niet tot macht van onze hand’. Vergelijk Deut. 28:32. Zie ook: Gen 29:14; Gen 37:27; Lev 25:39–43; Deut 28:32; 2 Kon 4:1; Jes 58:7 ### Nehemia treedt op tegen de schuldeisers **5:6** Ik werd zeer boos toen ik hun geschreeuw en deze woorden hoorde. Brontekst: וַיִּ֥חַר (vayichar) = en ontbrandde | לִ֖י (li) = voor mij | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = toen | שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = ik hoorde | אֶת (et) = (obj.) | זַֽעֲקָתָ֔ם (zaaqatam) = hun geschreeuw | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nehemia zegt: ‘Ik werd zeer boos’. Het Hebreeuws heeft letterlijk ‘het ontbrandde voor mij zeer’. Zie ook: Ex 11:8; Num 16:15; Neh 13:8; Neh 13:25; Ef 4:26 **5:7** Mijn hart hield raad in mij. Ik trad op tegen de edelen en de bestuurders. Ik zei tegen hen: „Jullie leggen een last op, ieder zijn broeder, als schuldeisers.” Ik riep tegen hen een grote vergadering bijeen. Brontekst: וַיִּמָּלֵ֨ךְ (vayimalekh) = en overlegde | לִבִּ֜י (libi) = mijn hart | עָלַ֗י (alay) = in mij | וָאָרִ֨יבָה֙ (vaariva) = en ik trad op | אֶת (et) = (obj.) | הַחֹרִ֣ים (hachorim) = de edelen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַסְּגָנִ֔ים (haseganim) = de bestuurders | וָאֹמְרָ֣ה (vaomera) = en ik zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tegen hen | מַשָּׁ֥א (masha) = last | אִישׁ (ish) = ieder | בְּאָחִ֖יו (beachiv) = op zijn broeder | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | נֹשִׁ֑ים (noshim) = schuldeisers | וָאֶתֵּ֥ן (vaeten) = en ik stelde | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tegen hen | קְהִלָּ֥ה (qehila) = een vergadering | גְדוֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּמָּלֵךְ לִבִּי עָלַי (vayyimmalekh libbi alay), ‘mijn hart hield raad in mij’: Nehemia overlegt met zichzelf voordat hij handelt. Voetnoot : מַשָּׂא (massa), ‘last’: wat een ander wordt opgelegd. Hier gaat het om wat schuldeisers van hun broeders eisen: de last van schuld en rente. Het woord is verwant met נשא (nasa), ‘dragen’. In de profetenboeken staat hetzelfde woord voor een profetie die als een last op iemand rust (zoals in Jes. 13:1). Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft נשאים (nosse’im), ‘dragers’. De voorgelezen tekst (qere) heeft נֹשִׁים (noshim), ‘schuldeisers’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ex 22:24; Lev 19:15; Lev 25:36; Deut 23:20–21; Jes 13:1; Ezech 22:12 **5:8** Ik zei tegen hen: „Wij hebben, voor zover wij konden, onze broeders gekocht, de Joden die aan de volken verkocht werden. En jullie, jullie verkopen zelf jullie broeders, zodat zij aan ons verkocht worden!” Zij zwegen en vonden geen woord. Brontekst: וָאֹמְרָ֣ה (vaomera) = en ik zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tegen hen | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | קָ֠נִינוּ (qaninu) = hebben gekocht | אֶת (et) = (obj.) | אַחֵ֨ינוּ (acheinu) = onze broeders | הַיְּהוּדִ֜ים (hayehudim) = de Joden | הַנִּמְכָּרִ֤ים (hanimkarim) = die verkocht werden | לַגּוֹיִם֙ (lagoyim) = aan de volken | כְּדֵ֣י (kedei) = naar | בָ֔נוּ (banu) = ons vermogen | וְגַם (vegam) = en ook | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | תִּמְכְּר֥וּ (timkeru) = verkopen | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֵיכֶ֖ם (acheikhem) = jullie broeders | וְנִמְכְּרוּ (venimkeru) = zodat zij verkocht worden | לָ֑נוּ (lanu) = aan ons | וַֽיַּחֲרִ֔ישׁוּ (vayacharishu) = en zij zwegen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מָצְא֖וּ (matseu) = vonden zij | דָּבָֽר (davar) = een woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָנִינוּ (qaninu), ‘wij hebben gekocht’: Het werkwoord is ‘kopen’ (qanah), niet pada ‘vrijkopen’. Bedoeld is dat Nehemia en de zijnen Joden terugkochten die aan de volken waren verkocht. Het Hebreeuws zegt dit niet met een eigen woord. Voetnoot : כְּדֵי בָנוּ (kedei vanu), ‘voor zover wij konden’: letterlijk ‘naar wat in ons is’. Zie ook: Lev 25:47–49; Deut 24:7; 1 Kor 8:11; 2 Kor 8:12; Rom 14:15 **5:9** Ik zei: „Wat jullie doen, is niet goed. Moeten jullie niet wandelen in de vrees voor onze Elohim, vanwege de smaad van de volken, onze vijanden? Brontekst: וָאוֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | לֹא (lo) = niet | ט֥וֹב (tov) = goed | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het ding | אֲשֶׁר (asher) = dat | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | עֹשִׂ֑ים (osim) = doen | הֲל֞וֹא (halo) = niet | בְּיִרְאַ֤ת (beyirat) = in de vrees van | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | תֵּלֵ֔כוּ (telekhu) = zullen jullie wandelen | מֵחֶרְפַּ֖ת (mecherpat) = vanwege de smaad van | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | אוֹיְבֵֽינוּ (oyeveinu) = onze vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’: de schande die anderen over je uitspreken. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ויאמר (vayyomer), ‘en hij zei’. De voorgelezen tekst (qere) heeft וָאוֹמַר (va’omar), ‘en ik zei’. Wij volgen het qere. Zie ook: Lev 25:36; 2 Sam 12:14; Spr 18:5; Rom 2:24; 1 Petr 2:12 **5:10** Ook ik, mijn broeders en mijn jongens lenen hun geld en koren uit. Laten wij deze last toch loslaten. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִי֙ (ani) = ik | אַחַ֣י (achay) = mijn broeders | וּנְעָרַ֔י (unearay) = en mijn jongens | נֹשִׁ֥ים (noshim) = lenen uit | בָּהֶ֖ם (bahem) = aan hen | כֶּ֣סֶף (kesef) = geld | וְדָגָ֑ן (vedagan) = en koren | נַֽעַזְבָה (naazva) = laat ons loslaten | נָּ֖א (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּשָּׁ֥א (hamasha) = de last | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nehemia rekent zichzelf, zijn broeders en zijn jongens onder de schuldeisers. Zo geeft hij het voorbeeld. Voetnoot : נַעַזְבָה (na’azvah), ‘laten wij loslaten’: de last laten liggen, de schuld niet innen. Zie ook: Ex 22:24–26; 1 Kor 9:12–18; 2 Kor 5:11; 2 Kor 6:1; Filem 1:8–9 **5:11** Geef hun vandaag nog hun velden, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen terug. Geef ook het honderdste deel terug van het geld, het koren, de most en de olie dat jullie van hen vorderen.” Brontekst: הָשִׁיבוּ֩ (hashivu) = geef terug | נָ֨א (na) = toch | לָהֶ֜ם (lahem) = aan hen | כְּהַיּ֗וֹם (kehayom) = zoals vandaag | שְׂדֹתֵיהֶ֛ם (sedoteihem) = hun velden | כַּרְמֵיהֶ֥ם (karmeihem) = hun wijngaarden | זֵיתֵיהֶ֖ם (zeiteihem) = hun olijfgaarden | וּבָתֵּיהֶ֑ם (uvateihem) = en hun huizen | וּמְאַ֨ת (umeat) = en het honderdste deel van | הַכֶּ֤סֶף (hakesef) = het geld | וְהַדָּגָן֙ (vehadagan) = en het koren | הַתִּיר֣וֹשׁ (hatirosh) = de most | וְהַיִּצְהָ֔ר (vehayitshar) = en de olie | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | נֹשִׁ֥ים (noshim) = vorderen | בָּהֶֽם (bahem) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמְאַת (ume’at), ‘en het honderdste deel van’: waarschijnlijk een rente van een honderdste deel, vermoedelijk per maand. Dat staat er niet. Het Hebreeuws kan ook gelezen worden als ‘en van’. Voetnoot : הַתִּירוֹשׁ (hatirosh), ‘de most’: druivensap dat nog niet gegist is. הַיִּצְהָר (hayitshar), ‘de olie’: olijfolie. Zie ook: Lev 5:23–24; 1 Sam 12:3; 2 Sam 12:6; Jes 58:6; Neh 5:3–4 **5:12** Zij zeiden: „Wij geven het terug en vragen niets meer van hen. Zo zullen wij doen, zoals u zegt.” Ik riep de priesters en liet hen zweren dat zij naar dit woord zouden doen. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | נָשִׁ֗יב (nashiv) = wij zullen teruggeven | וּמֵהֶם֙ (umehem) = en van hen | לֹ֣א (lo) = niet | נְבַקֵּ֔שׁ (nevaqesh) = wij zullen eisen | כֵּ֣ן (ken) = zo | נַעֲשֶׂ֔ה (naase) = wij zullen doen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | אַתָּ֣ה (ata) = u | אוֹמֵ֑ר (omer) = zegt | וָאֶקְרָא֙ (vaeqra) = en ik riep | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | וָֽאַשְׁבִּיעֵ֔ם (vaashbiem) = en ik liet hen zweren | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = volgens het woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De priesters nemen de eed af. Wie zweert, bindt zich voor Elohim aan zijn woord. Zie ook: Jer 34:8–10; Ezra 10:5; Ezra 10:12; Mat 19:21–22; Mat 26:63 **5:13** Ook schudde ik de plooi van mijn kleed uit. Ik zei: „Zo moge Elohim iedere man uitschudden die dit woord niet uitvoert, uit zijn huis en uit zijn arbeid. Zo moge hij uitgeschud en leeg zijn.” De hele vergadering zei: „Amen!” Zij prezen Yahweh. Het volk deed naar dit woord. Brontekst: גַּם (gam) = ook | חָצְנִ֣י (chatseni) = mijn plooi | נָעַ֗רְתִּי (naarti) = ik schudde uit | וָֽאֹמְרָ֡ה (vaomera) = en ik zei | כָּ֣כָה (kakha) = zo | יְנַעֵ֪ר (yenaer) = schudde uit | הָֽאֱלֹהִ֟ים (haElohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = iedere | הָאִישׁ֩ (haish) = man | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָקִ֜ים (yaqim) = uitvoert | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | מִבֵּיתוֹ֙ (mibeito) = uit zijn huis | וּמִ֣יגִיע֔וֹ (umigio) = en uit zijn arbeid | וְכָ֛כָה (vekhakha) = en zo | יִהְיֶ֥ה (yihye) = moge zijn | נָע֖וּר (naur) = uitgeschud | וָרֵ֑ק (vareq) = en leeg | וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | כָֽל (kal) = heel | הַקָּהָ֜ל (haqahal) = de vergadering | אָמֵ֗ן (amen) = amen | וַֽיְהַלְלוּ֙ (vayhallu) = en zij prezen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | הָעָ֖ם (haam) = het volk | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = naar het woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָצְנִי (chotsni), ‘de plooi van mijn kleed’: de vouw bij de borst, waarin men dingen draagt. Het uitschudden is een tekenhandeling die het oordeel verbeeldt. Voetnoot : אָמֵן (amen), ‘amen’: ‘het is zo’. Het volk antwoordt zo ook in Deut. 27:15–26. Zie ook: Num 5:22; Deut 27:15–26; 1 Kron 16:36; Zach 5:3–4; Mat 10:14; Hand 18:6 ### Nehemia en het brood van de landvoogd **5:14** De koning had mij opdracht gegeven hun landvoogd te zijn in het land Juda. Vanaf die dag heb ik het brood van de landvoogd niet gegeten. Dat was van het twintigste jaar tot het tweeëndertigste jaar van koning Artachsasta, twaalf jaar lang. Ik heb het niet gegeten, en mijn broeders ook niet. Brontekst: גַּ֞ם (gam) = ook | מִיּ֣וֹם (miyom) = vanaf de dag | אֲשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֣ה (tsiva) = hij gebood | אֹתִ֗י (oti) = mij | לִהְי֣וֹת (lihyot) = om te zijn | פֶּחָם֮ (pecham) = hun landvoogd | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | יְהוּדָה֒ (yehuda) = Juda | מִשְּׁנַ֣ת (mishenat) = vanaf het jaar | עֶשְׂרִ֗ים (esrim) = twintig | וְ֠עַד (vead) = en tot | שְׁנַ֨ת (shenat) = het jaar | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | וּשְׁתַּ֨יִם֙ (ushtayim) = en twee | לְאַרְתַּחְשַׁ֣סְתְּא (leartachshaste) = van Artachsasta | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | שְׁתֵּ֣ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֑ה (esre) = tien | אֲנִ֣י (ani) = ik | וְאַחַ֔י (veachay) = en mijn broeders | לֶ֥חֶם (lechem) = brood van | הַפֶּ֖חָה (hapecha) = de landvoogd | לֹ֥א (lo) = niet | אָכַֽלְתִּי (akhalti) = heb ik gegeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: פֶּחָה (pechah), ‘landvoogd’: de bestuurder van een gebied namens de Perzische koning. Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij gebood’. Bedoeld is waarschijnlijk de koning. Voetnoot : Artachsasta wordt vaak verbonden met Artaxerxes I; zeker is dat uit de tekst zelf niet. Het twintigste jaar is hetzelfde jaar als in 1:1 en 2:1. Voetnoot : לֶחֶם הַפֶּחָה (lechem hapechah), ‘het brood van de landvoogd’: wat de landvoogd van het volk als onderhoud mocht eisen. Zie ook: Neh 2:1; Neh 13:6; 2 Tess 3:8–9; 1 Kor 9:4–15; 1 Kor 9:18 **5:15** De vroegere landvoogden vóór mij maakten het volk een zware last. Zij namen van hen brood en wijn, bovendien veertig sikkel zilver. Ook hun jongens voerden de baas over het volk. Maar ik deed dat niet, vanwege de vrees voor Elohim. Brontekst: וְהַפַּחוֹת֩ (vehapachot) = en de landvoogden | הָרִאשֹׁנִ֨ים (harishonim) = de vroegere | אֲשֶׁר (asher) = die | לְפָנַ֜י (lefanay) = voor mij | הִכְבִּ֣ידוּ (hikhbidu) = maakten zwaar | עַל (al) = op | הָעָ֗ם (haam) = het volk | וַיִּקְח֨וּ (vayiqchu) = en namen | מֵהֶ֜ם (mehem) = van hen | בְּלֶ֤חֶם (belechem) = brood | וָיַ֨יִן֙ (vayayin) = en wijn | אַחַר֙ (achar) = bovendien | כֶּֽסֶף (kesef) = zilver | שְׁקָלִ֣ים (sheqalim) = sikkel | אַרְבָּעִ֔ים (arbaim) = veertig | גַּ֥ם (gam) = ook | נַעֲרֵיהֶ֖ם (naareihem) = hun jongens | שָׁלְט֣וּ (shaletu) = voerden de baas | עַל (al) = over | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַאֲנִי֙ (vaani) = maar ik | לֹא (lo) = niet | עָשִׂ֣יתִי (asiti) = deed | כֵ֔ן (ken) = zo | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | יִרְאַ֥ת (yirat) = de vrees van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחַר (achar), ‘bovendien’: letterlijk ‘na’. Het kan ook ‘afgezien van’ betekenen. Of de veertig sikkel per dag, per maand of eenmalig werden geëist, zegt de tekst niet. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram. Voetnoot : שָׁלְטוּ (shalatu), ‘zij voerden de baas’: zij heersten. Zie ook: Job 31:23; Spr 16:6; Pred 12:13–14; Jes 50:10; Neh 5:9 **5:16** Ook hield ik mij vast aan het werk aan deze muur. Wij kochten geen akker. Al mijn jongens waren daar verzameld voor het werk. Brontekst: וְ֠גַם (vegam) = en ook | בִּמְלֶ֜אכֶת (bimlekhet) = in het werk van | הַחוֹמָ֤ה (hachoma) = de muur | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | הֶחֱזַ֔קְתִּי (hechezaqti) = hield ik vast | וְשָׂדֶ֖ה (vesade) = en een akker | לֹ֣א (lo) = niet | קָנִ֑ינוּ (qaninu) = kochten wij | וְכָל (vekhal) = en al | נְעָרַ֔י (nearay) = mijn jongens | קְבוּצִ֥ים (qevutsim) = verzameld | שָׁ֖ם (sham) = daar | עַל (al) = voor | הַמְּלָאכָֽה (hamelakha) = het werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחֱזַקְתִּי (hechezaqti), ‘ik hield vast’: ik hield mij aan het werk vast. Nehemia gebruikte zijn tijd niet voor eigen winst. Hij en zijn jongens kochten geen grond. Zie ook: Hand 20:33–35; Gal 6:9; 1 Tess 2:5–6; 1 Kor 15:58; Fil 2:20–21 **5:17** De Joden en de bestuurders, honderdvijftig man, en zij die uit de volken rondom ons naar ons toe kwamen, waren aan mijn tafel. Brontekst: וְהַיְּהוּדִ֨ים (vehayehudim) = en de Joden | וְהַסְּגָנִ֜ים (vehaseganim) = en de bestuurders | מֵאָ֧ה (mea) = honderd | וַחֲמִשִּׁ֣ים (vachamishim) = en vijftig | אִ֗ישׁ (ish) = man | וְהַבָּאִ֥ים (vehabaim) = en die kwamen | אֵלֵ֛ינוּ (eleinu) = naar ons | מִן (min) = uit | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = die | סְבִיבֹתֵ֖ינוּ (sevivoteinu) = rondom ons | עַל (al) = aan | שֻׁלְחָנִֽי (shulchani) = mijn tafel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Honderdvijftig man aan Nehemia’s tafel: het Hebreeuws noemt geen werkwoord. Wij schrijven ‘waren aan mijn tafel’. Zie ook: 2 Sam 9:7; 1 Kon 18:19; Jes 32:8; Rom 12:13; 1 Petr 4:9–10 **5:18** Wat voor één dag werd klaargemaakt, was: één rund en zes uitgelezen schapen. Ook vogels werden voor mij klaargemaakt. Om de tien dagen was er wijn van allerlei soort in overvloed. Toch eiste ik het brood van de landvoogd niet. Want de dienst woog zwaar op dit volk. Brontekst: וַאֲשֶׁר֩ (vaasher) = en wat | הָיָ֨ה (haya) = was | נַעֲשֶׂ֜ה (naase) = klaargemaakt | לְי֣וֹם (leyom) = voor één dag | אֶחָ֗ד (echad) = één | שׁ֣וֹר (shor) = rund | אֶחָ֞ד (echad) = één | צֹ֠אן (tson) = schaap | שֵׁשׁ (shesh) = zes | בְּרֻר֤וֹת (berurot) = uitgelezene | וְצִפֳּרִים֙ (vetsiporim) = en vogels | נַֽעֲשׂוּ (naasu) = werden klaargemaakt | לִ֔י (li) = voor mij | וּבֵ֨ין (uvein) = en om de | עֲשֶׂ֧רֶת (aseret) = tien | יָמִ֛ים (yamim) = dagen | בְּכָל (bekhal) = van allerlei | יַ֖יִן (yayin) = wijn | לְהַרְבֵּ֑ה (leharbe) = in overvloed | וְעִם (veim) = en met | זֶ֗ה (ze) = dit | לֶ֤חֶם (lechem) = brood van | הַפֶּחָה֙ (hapecha) = de landvoogd | לֹ֣א (lo) = niet | בִקַּ֔שְׁתִּי (biqashti) = eiste ik | כִּֽי (ki) = want | כָֽבְדָ֥ה (kaveda) = zwaar woog | הָעֲבֹדָ֖ה (haavoda) = de dienst | עַל (al) = op | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרֻרוֹת (berurot), ‘uitgelezen’: uitgezocht, de beste. Het Hebreeuws heeft ‘één rund, kleinvee, zes uitgelezene’; wij lezen ‘zes uitgelezen schapen’. Voetnoot : בְּכָל־יַיִן לְהַרְבֵּה (bekhol-yayin leharbeh), ‘wijn van allerlei soort in overvloed’: letterlijk ‘in alle wijn, in overvloed’. Zie ook: Ps 37:21; Ps 37:26; 1 Kon 5:2–3; Neh 5:14–15 **5:19** Gedenk mij ten goede, mijn Elohim, voor alles wat ik voor dit volk gedaan heb. Brontekst: זָכְרָה (zakhera) = gedenk | לִּ֥י (li) = mij | אֱלֹהַ֖י (elohay) = mijn Elohim | לְטוֹבָ֑ה (letova) = ten goede | כֹּ֥ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = ik deed | עַל (al) = voor | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָכְרָה־לִּי (zokhrah-li), ‘gedenk mij’: een kort gebed, zoals ook 6:14. Nehemia vraagt Elohim zijn werk niet te vergeten. Zie ook: Ps 106:4; Jer 29:11; Neh 13:14; Neh 13:22; Neh 13:31 ## Nehemia 6 _De muur wordt voltooid ondanks de vijanden_ ### De vijanden willen Nehemia in Ono ontmoeten **6:1** Sanballat, Tobia, Gesjem de Arabier en de rest van onze vijanden hoorden dat ik de muur had gebouwd. Er was geen bres in overgebleven. Tot op die tijd had ik de deuren nog niet in de poorten geplaatst. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כַאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = toen | נִשְׁמַ֣ע (nishma) = werd gehoord | לְסַנְבַלַּ֣ט (lesanvalat) = aan Sanballat | וְ֠טוֹבִיָּה (vetoviya) = en Tobia | וּלְגֶ֨שֶׁם (ulegeshem) = en Gesjem | הָֽעַרְבִ֜י (haarvi) = de Arabier | וּלְיֶ֣תֶר (uleyeter) = en de rest van | אֹֽיְבֵ֗ינוּ (oyeveinu) = onze vijanden | כִּ֤י (ki) = dat | בָנִ֨יתִי֙ (baniti) = ik had gebouwd | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣חוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | וְלֹא (velo) = en niet | נ֥וֹתַר (notar) = bleef over | בָּ֖הּ (bah) = in haar | פָּ֑רֶץ (parets) = bres | גַּ֚ם (gam) = ook | עַד (ad) = tot | הָעֵ֣ת (haet) = de tijd | הַהִ֔יא (hahi) = die | דְּלָת֖וֹת (delatot) = deuren | לֹא (lo) = niet | הֶעֱמַ֥דְתִּי (heemadti) = had ik geplaatst | בַשְּׁעָרִֽים (bashearim) = in de poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sanballat, Tobia en Gesjem de Arabier (haaravi) zijn de tegenstanders van de bouw. Zij komen ook in de volgende verzen voor. Voetnoot : Bijna alles is af: alleen de deuren in de poorten ontbreken nog. In 7:1 worden zij geplaatst. Zie ook: Neh 2:10; Neh 2:19; Neh 3:3; Neh 3:33; Neh 3:38–4:1 **6:2** Sanballat en Gesjem stuurden bericht naar mij: „Kom, laten wij samen bijeenkomen in Kefirim, in de vlakte van Ono.” Zij bedachten mij kwaad te doen. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en stuurde | סַנְבַלַּ֤ט (sanvalat) = Sanballat | וְגֶ֨שֶׁם֙ (vegeshem) = en Gesjem | אֵלַ֣י (elay) = naar mij | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לְכָ֞ה (lekha) = kom | וְנִֽוָּעֲדָ֥ה (venivaada) = en laat ons samenkomen | יַחְדָּ֛ו (yachdav) = samen | בַּכְּפִירִ֖ים (bakefirim) = in Kefirim | בְּבִקְעַ֣ת (beviqat) = in de vlakte van | אוֹנ֑וֹ (ono) = Ono | וְהֵ֨מָּה֙ (vehema) = en zij | חֹֽשְׁבִ֔ים (choshevim) = bedachten | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | לִ֖י (li) = mij | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ono (ligging onzeker): Ono lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem; Kafr Ana wordt genoemd. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: כְּפִירִים (kefirim), ‘Kefirim’: een plaatsnaam of het woord ‘dorpen’. De tekst laat dat open. Wij laten de naam staan. Voetnoot : בִּקְעַת אוֹנוֹ (biqat Ono), ‘vlakte van Ono’: Ono lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem; de precieze plaats is onzeker. Voetnoot : Voor Nehemia is het een val: zij roepen hem weg van Jeruzalem en van de muur. Zie ook: 1 Kron 8:12; Ps 12:3; Ps 37:12; Spr 26:24–26; Neh 11:35 **6:3** Ik stuurde boden naar hen met de woorden: „Ik doe een groot werk en kan niet afdalen. Waarom zou het werk stilliggen, als ik het laat varen en naar jullie afdaal?” Brontekst: וָאֶשְׁלְחָ֨ה (vaeshlecha) = en ik stuurde | עֲלֵיהֶ֤ם (aleihem) = naar hen | מַלְאָכִים֙ (malakhim) = boden | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מְלָאכָ֤ה (melakha) = werk | גְדוֹלָה֙ (gedola) = groot | אֲנִ֣י (ani) = ik | עֹשֶׂ֔ה (ose) = doe | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אוּכַ֖ל (ukhal) = kan ik | לָרֶ֑דֶת (laredet) = afdalen | לָ֣מָּה (lama) = waarom | תִשְׁבַּ֤ת (tishbat) = zou stilliggen | הַמְּלָאכָה֙ (hamelakha) = het werk | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = als | אַרְפֶּ֔הָ (arpeha) = ik het laat varen | וְיָרַדְתִּ֖י (veyaradti) = en ik afdaal | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = naar jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאָכִים (mal’akhim), ‘boden’: gewone boodschappers, geen engelen. Voetnoot : Nehemia noemt zijn taak ‘een groot werk’. Hij wil het niet laten liggen. Zie ook: Pred 9:10; Mat 10:16; Luc 14:30; Joh 9:4; 1 Tim 4:15–16 **6:4** Zij stuurden mij viermaal hetzelfde bericht. Ik antwoordde hun telkens op dezelfde manier. Brontekst: וַיִּשְׁלְח֥וּ (vayishlechu) = en zij stuurden | אֵלַ֛י (elay) = naar mij | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = naar het woord | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | פְּעָמִ֑ים (peamim) = keer | וָאָשִׁ֥יב (vaashiv) = en ik antwoordde | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = naar het woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 16:10; Spr 7:21; Luc 18:5; Gal 2:5; 1 Kor 15:58 ### De open brief van Sanballat **6:5** Voor de vijfde keer stuurde Sanballat zijn jongen met hetzelfde bericht naar mij. Hij had een open brief in zijn hand. Brontekst: וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en stuurde | אֵלַ֨י (elay) = naar mij | סַנְבַלַּ֜ט (sanvalat) = Sanballat | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = naar het woord | הַזֶּ֛ה (haze) = dit | פַּ֥עַם (paam) = keer | חֲמִישִׁ֖ית (chamishit) = vijfde | אֶֽת (et) = (obj.) | נַעֲר֑וֹ (naaro) = zijn jongen | וְאִגֶּ֥רֶת (veigeret) = en een brief | פְּתוּחָ֖ה (petucha) = open | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִגֶּרֶת פְּתוּחָה (iggeret petuchah), ‘een open brief’: een brief werd gewoonlijk verzegeld. Een open brief kan door iedereen gelezen worden. Zo wordt de aantijging ook onder het volk verspreid. Zie ook: 2 Kon 18:26–28; 2 Tess 2:10; 2 Kor 2:11; 2 Kor 11:13–15; Ef 6:11 **6:6** In de brief stond: „Onder de volken is gehoord, en Gasmu zegt het ook, dat jij en de Joden opstand beramen. Daarom ben jij de muur aan het bouwen. En jij wordt volgens deze woorden hun koning. Brontekst: כָּת֣וּב (katuv) = geschreven | בָּ֗הּ (bah) = daarin | בַּגּוֹיִ֤ם (bagoyim) = onder de volken | נִשְׁמָע֙ (nishma) = is gehoord | וְגַשְׁמ֣וּ (vegashmu) = en Gasmu | אֹמֵ֔ר (omer) = heeft gezegd | אַתָּ֤ה (ata) = jij | וְהַיְּהוּדִים֙ (vehayehudim) = en de Joden | חֹשְׁבִ֣ים (choshevim) = zijn van plan | לִמְר֔וֹד (limrod) = om in opstand te komen | עַל (al) = om | כֵּ֛ן (ken) = dit | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בוֹנֶ֖ה (bone) = bouwt | הַחוֹמָ֑ה (hachoma) = de muur | וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | הֹוֶ֤ה (hove) = wordt | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | לְמֶ֔לֶךְ (lemelekh) = tot koning | כַּדְּבָרִ֖ים (kadevarim) = volgens de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּשְׁמוּ (Gashmu): een andere spelling van Gesjem (verzen 1 en 2). Hij is waarschijnlijk dezelfde man. Voetnoot : De beschuldiging is opstand tegen de Perzische koning: Nehemia zou koning willen worden. Dat staat niet in Nehemia’s eigen woorden. Zie ook: Ezra 4:12; Neh 2:19; Mat 5:11; Rom 3:8; 1 Petr 3:16 **6:7** Ook heb jij profeten aangesteld om in Jeruzalem over jou uit te roepen: ‘Er is een koning in Juda!’ Nu zal de koning deze woorden horen. Kom dus, laten wij samen overleggen.” Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | נְבִיאִ֡ים (neviim) = profeten | הֶעֱמַ֣דְתָּ (heemadta) = heb je aangesteld | לִקְרֹא֩ (liqro) = om uit te roepen | עָלֶ֨יךָ (aleikha) = over jou | בִֽירוּשָׁלִַ֜ם (birushaliam) = in Jeruzalem | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | מֶ֚לֶךְ (melekh) = een koning | בִּֽיהוּדָ֔ה (bihuda) = in Juda | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | יִשָּׁמַ֣ע (yishama) = zal horen | לַמֶּ֔לֶךְ (lamelekh) = de koning | כַּדְּבָרִ֣ים (kadevarim) = volgens de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | לְכָ֔ה (lekha) = kom | וְנִֽוָּעֲצָ֖ה (venivaatsa) = en laat ons overleggen | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het ‘uitroepen’ van een koning is een bekend gebruik (zoals 1 Kon. 1:34). De brief wil de Perzische koning ervan overtuigen dat het in Jeruzalem gevaarlijk wordt. Zie ook: 2 Sam 15:10–12; Spr 26:24–26; 1 Kon 1:18; 1 Kon 1:25; 1 Kon 1:34; Hand 23:15 **6:8** Ik stuurde naar hem de woorden: „Er is niets gebeurd van deze dingen die jij zegt. Uit je eigen hart bedenk je ze.” Brontekst: וָאֶשְׁלְחָ֤ה (vaeshlecha) = en ik stuurde | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹ֤א (lo) = niet | נִֽהְיָה֙ (nihya) = is gebeurd | כַּדְּבָרִ֣ים (kadevarim) = zoals de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | אַתָּ֣ה (ata) = jij | אוֹמֵ֑ר (omer) = zegt | כִּ֥י (ki) = want | מִֽלִּבְּךָ֖ (milibekha) = uit je hart | אַתָּ֥ה (ata) = jij | בוֹדָֽאם (bodam) = bedenkt ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:4; Ps 52:4; Jes 59:4; Mat 12:34; Hand 24:12–13 **6:9** Want zij allen wilden ons bang maken. Zij zeiden: „Hun handen zullen slap worden bij het werk, zodat het niet gedaan wordt.” Nu dan, versterk mijn handen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֻלָּ֗ם (kulam) = zij allen | מְיָֽרְאִ֤ים (meyareim) = maakten bang | אוֹתָ֨נוּ֙ (otanu) = ons | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יִרְפּ֧וּ (yirpu) = zullen slap worden | יְדֵיהֶ֛ם (yedeihem) = hun handen | מִן (min) = van | הַמְּלָאכָ֖ה (hamelakha) = het werk | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תֵעָשֶׂ֑ה (tease) = zal gedaan worden | וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | חַזֵּ֥ק (chazeq) = versterk | אֶת (et) = (obj.) | יָדָֽי (yaday) = mijn handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְעַתָּה חַזֵּק אֶת־יָדָי (ve’attah chazzeq et-yadai), ‘Nu dan, versterk mijn handen’: een kort gebed. Er staat geen aanspreking bij. Sommige oude vertalingen lezen een werkwoord in de eerste persoon (‘ik versterkte’). Zie ook: 1 Sam 30:6; Ps 138:3; 2 Kor 12:9; Ef 6:10; 1 Petr 5:10 ### Sjemaja en het huis van Elohim **6:10** Ik ging naar het huis van Sjemaja ben Delaja ben Mehetabeel. Hij hield zich opgesloten. Hij zei: „Laten wij samenkomen in het huis van Elohim, binnen in de tempel. Laten wij de deuren van de tempel sluiten. Want zij komen je doden. Ja, ’s nachts komen zij je doden.” Brontekst: וַאֲנִי (vaani) = en ik | בָ֗אתִי (bati) = kwam | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | שְֽׁמַֽעְיָ֧ה (shemaya) = Sjemaja | בֶן (ben) = zoon van | דְּלָיָ֛ה (delaya) = Delaja | בֶּן (ben) = zoon van | מְהֵֽיטַבְאֵ֖ל (meheitavel) = Mehetabeel | וְה֣וּא (vehu) = en hij | עָצ֑וּר (atsur) = opgesloten | וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en hij zei | נִוָּעֵד֩ (nivaed) = laten wij samenkomen | אֶל (el) = naar | בֵּ֨ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֜ים (haElohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | הַֽהֵיכָ֗ל (haheikhal) = de tempel | וְנִסְגְּרָה֙ (venisgera) = en laten wij sluiten | דַּלְת֣וֹת (daltot) = de deuren van | הַהֵיכָ֔ל (haheikhal) = de tempel | כִּ֚י (ki) = want | בָּאִ֣ים (baim) = zij komen | לְהָרְגֶ֔ךָ (leharegekha) = om je te doden | וְלַ֖יְלָה (velayla) = en ’s nachts | בָּאִ֥ים (baim) = zij komen | לְהָרְגֶֽךָ (leharegekha) = om je te doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָצוּר (atsur), ‘opgesloten’: Sjemaja houdt zich in zijn huis op. De reden staat er niet bij. Mogelijk is het een teken: een profeet die een boodschap uitbeeldt. Voetnoot : הֵיכָל (heikhal), ‘tempel’: het gebouw zelf. Het ‘huis van Elohim’ is hier dezelfde plaats. Zie ook: Ps 12:3; Ps 37:12; 2 Kon 9:8; Jer 36:5; Mat 7:15 **6:11** Ik zei: „Zou een man als ik op de vlucht slaan? En wie, zoals ik, zou naar de tempel gaan en in leven blijven? Ik ga niet naar binnen.” Brontekst: וָאֹמְרָ֗ה (vaomera) = en ik zei | הַאִ֤ישׁ (haish) = de man | כָּמ֨וֹנִי֙ (kamoni) = zoals ik | יִבְרָ֔ח (yivrach) = zou vluchten | וּמִ֥י (umi) = en wie | כָמ֛וֹנִי (kamoni) = zoals ik | אֲשֶׁר (asher) = die | יָב֥וֹא (yavo) = zou binnengaan | אֶל (el) = naar | הַהֵיכָ֖ל (haheikhal) = de tempel | וָחָ֑י (vachay) = en leven | לֹ֖א (lo) = niet | אָבֽוֹא (avo) = zal ik binnengaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nehemia is geen priester. Het binnengaan van de tempel was aan de priesters voorbehouden. Vergelijk Num. 18:7: ‘De vreemde die nadert, moet gedood worden.’ Zie ook: Num 18:7; Ps 11:1–2; Ps 112:6; Spr 28:1; Hand 21:13; Fil 2:17 **6:12** Ik merkte dat Elohim hem niet had gestuurd. Want hij sprak deze profetie tegen mij uit, maar Tobia en Sanballat hadden hem gehuurd. Brontekst: וָאַכִּ֕ירָה (vaakira) = en ik onderscheidde | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | לֹֽא (lo) = niet | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | שְׁלָח֑וֹ (shelacho) = had hem gestuurd | כִּ֤י (ki) = want | הַנְּבוּאָה֙ (hanevua) = de profetie | דִּבֶּ֣ר (diber) = sprak hij | עָלַ֔י (alay) = tegen mij | וְטוֹבִיָּ֥ה (vetoviya) = en Tobia | וְסַנְבַלַּ֖ט (vesanvalat) = en Sanballat | שְׂכָרֽוֹ (sekharo) = hadden hem gehuurd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nehemia herkent dat de profetie niet van Elohim komt: Tobia en Sanballat hebben Sjemaja gehuurd. Zie ook: Ezech 13:22; 1 Tim 3:3; Tit 1:7; 1 Petr 5:2; Openb 18:13 **6:13** Hij was gehuurd, zodat ik bang zou worden, zo zou handelen en zou zondigen. Dan hadden zij een kwade naam tegen mij, om mij te belasteren. Brontekst: לְמַ֤עַן (lemaan) = opdat | שָׂכוּר֙ (sakhur) = gehuurd | ה֔וּא (hu) = hij was | לְמַֽעַן (lemaan) = opdat | אִירָ֥א (ira) = ik bang zou worden | וְאֶֽעֱשֶׂה (veeese) = en zou doen | כֵּ֖ן (ken) = zo | וְחָטָ֑אתִי (vechatati) = en zou zondigen | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zou zijn | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | לְשֵׁ֣ם (leshem) = tot een naam | רָ֔ע (ra) = kwaad | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | יְחָֽרְפֽוּנִי (yecharefuni) = zij mij zouden belasteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְחָטָאתִי (vechata’ti), ‘en zou zondigen’: de tempel binnengaan zou tegen het gebod zijn. Zo zouden zij Nehemia kunnen belasteren. Zie ook: Jer 20:10; Neh 6:6; Jak 4:17; 2 Kor 11:12; 2 Tim 1:7 **6:14** Gedenk, mijn Elohim, Tobia en Sanballat naar deze daden van hen. Gedenk ook Noadja, de profetes, en de andere profeten die mij bang wilden maken. Brontekst: זָכְרָ֧ה (zakhera) = gedenk | אֱלֹהַ֛י (elohay) = mijn Elohim | לְטוֹבִיָּ֥ה (letoviya) = Tobia | וּלְסַנְבַלַּ֖ט (ulesanvalat) = en Sanballat | כְּמַעֲשָׂ֣יו (kemaasav) = naar zijn daden | אֵ֑לֶּה (ele) = deze | וְגַ֨ם (vegam) = en ook | לְנוֹעַדְיָ֤ה (lenoadya) = Noadja | הַנְּבִיאָה֙ (hanevia) = de profetes | וּלְיֶ֣תֶר (uleyeter) = en de rest van | הַנְּבִיאִ֔ים (haneviim) = de profeten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָי֖וּ (hayu) = waren | מְיָֽרְאִ֥ים (meyareim) = bang makend | אוֹתִֽי (oti) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָכְרָה (zokhrah), ‘gedenk’: een kort gebed, zoals 5:19. Voetnoot : כְּמַעֲשָׂיו (kemaasav), ‘naar zijn daden’: het Hebreeuws heeft hier het enkelvoud. Wij schrijven ‘naar deze daden van hen’, omdat Tobia en Sanballat samen worden genoemd. Voetnoot : נֹעַדְיָה (Noadyah), ‘Noadja’: een profetes. Haar naam komt alleen hier voor. Zie ook: Jer 14:18; Jer 18:20–23; Neh 3:36–37; Neh 13:29; 2 Tim 4:14–15 ### De muur is klaar **6:15** De muur werd voltooid op de vijfentwintigste van Elul, in tweeënvijftig dagen. Brontekst: וַתִּשְׁלַם֙ (vatishlam) = en werd voltooid | הַֽחוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | בְּעֶשְׂרִ֥ים (beesrim) = op twintig | וַחֲמִשָּׁ֖ה (vachamisha) = en vijf | לֶאֱל֑וּל (leelul) = van Elul | לַחֲמִשִּׁ֥ים (lachamishim) = in vijftig | וּשְׁנַ֖יִם (ushenayim) = en twee | יֽוֹם (yom) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלוּל (Elul): de zesde maand van het jaar, ongeveer augustus–september. Voetnoot : De muur is in tweeënvijftig dagen af. Dat is het getal van de tekst. Zie ook: Ps 1:3; Dan 9:25; Ezra 6:15; Neh 3:33–34 **6:16** Toen al onze vijanden het hoorden en alle volken rondom ons het zagen, vielen zij zeer in hun eigen ogen. Zij erkenden dat dit werk door onze Elohim was gedaan. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = toen | שָֽׁמְעוּ֙ (shameu) = hoorden | כָּל (kal) = al | א֣וֹיְבֵ֔ינוּ (oyeveinu) = onze vijanden | וַיִּֽרְא֗וּ (vayiru) = en zagen | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | סְבִֽיבֹתֵ֔ינוּ (sevivoteinu) = rondom ons | וַיִּפְּל֥וּ (vayipelu) = en zij vielen | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | בְּעֵינֵיהֶ֑ם (beeineihem) = in hun ogen | וַיֵּ֣דְע֔וּ (vayedeu) = en zij erkenden | כִּ֚י (ki) = dat | מֵאֵ֣ת (meet) = door | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | נֶעֶשְׂתָ֖ה (neesta) = werd gedaan | הַמְּלָאכָ֥ה (hamelakha) = het werk | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּפְּלוּ מְאֹד בְּעֵינֵיהֶם (vayyipplu me’od beeineihem), ‘zij vielen zeer in hun eigen ogen’: zij verloren hun eigen zelfvertrouwen en aanzien. Wij laten het beeld staan. Zie ook: Joz 5:1; Ps 126:2; Neh 2:10; Neh 3:33; Neh 4:1 ### De brieven van Tobia **6:17** Ook in die dagen stuurden de edelen van Juda veel brieven naar Tobia. En de brieven van Tobia kwamen bij hen. Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֗ם (hahem) = die | מַרְבִּ֞ים (marbim) = vermeerderden | חֹרֵ֤י (chorei) = de edelen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אִגְּרֹ֣תֵיהֶ֔ם (igeroteihem) = hun brieven | הוֹלְכ֖וֹת (holekhot) = gingen | עַל (al) = naar | טוֹבִיָּ֑ה (toviya) = Tobia | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en die van | לְטוֹבִיָּ֖ה (letoviya) = Tobia | בָּא֥וֹת (baot) = kwamen | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹרֵי (chorei), ‘edelen’: de leidende mannen van Juda, zoals in 5:7. Voetnoot : מַרְבִּים (marbim), ‘veel’: letterlijk ‘vermeerderend’. Er gaan steeds meer brieven heen en weer. Zie ook: Mi 7:1–6; Neh 3:5; Neh 5:7; Neh 13:28; Mat 24:10–12 **6:18** Want velen in Juda waren door een eed aan hem verbonden. Hij was een schoonzoon van Sjechanja ben Arach. Zijn zoon Johanan had de dochter van Mesjullam ben Berechja tot vrouw genomen. Brontekst: כִּי (ki) = want | רַבִּ֣ים (rabim) = velen | בִּֽיהוּדָ֗ה (bihuda) = in Juda | בַּעֲלֵ֤י (baalei) = heren van | שְׁבוּעָה֙ (shevua) = een eed | ל֔וֹ (lo) = aan hem | כִּי (ki) = want | חָתָ֥ן (chatan) = schoonzoon | ה֖וּא (hu) = hij | לִשְׁכַנְיָ֣ה (lishkhanya) = van Sjechanja | בֶן (ben) = zoon van | אָרַ֑ח (arach) = Arach | וִֽיהוֹחָנָ֣ן (vihochanan) = en Johanan | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | לָקַ֕ח (laqach) = nam | אֶת (et) = (obj.) | בַּת (bat) = dochter van | מְשֻׁלָּ֖ם (meshulam) = Mesjullam | בֶּ֥ן (ben) = zoon van | בֶּֽרֶכְיָֽה (berekhya) = Berechja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעֲלֵי שְׁבוּעָה (baalei shevuah), ‘door een eed verbonden’: letterlijk ‘heren van een eed’. Voetnoot : Tobia’s zoon Johanan was getrouwd met de dochter van Mesjullam (zie 3:4 en 3:30). De huwelijken verbinden Tobia met families in Jeruzalem. Zie ook: Ezra 2:5; Neh 3:4; Neh 3:30; Neh 7:10 **6:19** Ook spraken zij in mijn bijzijn over zijn goede daden. En mijn woorden brachten zij naar hem over. Tobia stuurde brieven om mij bang te maken. Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | טוֹבֹתָ֗יו (tovotav) = zijn goede daden | הָי֤וּ (hayu) = zij waren | אֹמְרִים֙ (omerim) = zeggend | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor mij | וּדְבָרַ֕י (udevaray) = en mijn woorden | הָי֥וּ (hayu) = zij waren | מוֹצִיאִ֖ים (motsiim) = naar buiten brengend | ל֑וֹ (lo) = aan hem | אִגְּר֛וֹת (igerot) = brieven | שָׁלַ֥ח (shalach) = stuurde | טוֹבִיָּ֖ה (toviya) = Tobia | לְיָֽרְאֵֽנִי (leyareeni) = om mij bang te maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טוֹבֹתָיו (tovotav), ‘zijn goede daden’: zijn vrienden prijzen hem bij Nehemia. Tegelijk melden zij Tobia wat Nehemia zegt. Zo is Tobia’s bedreiging voortdurend. Zie ook: Spr 28:4; Jes 37:10–14; Neh 6:9; Joh 15:19; Hand 4:18–21 ## Nehemia 7 _De poorten, het geslachtsregister en de lijst van wie terugkeerde_ ### De stad wordt bewaakt **7:1** Toen de muur gebouwd was, plaatste ik de deuren. De poortwachters, de zangers en de Levieten werden aangesteld. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = toen | נִבְנְתָה֙ (nivneta) = werd gebouwd | הַחוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | וָאַעֲמִ֖יד (vaaamid) = en ik plaatste | הַדְּלָת֑וֹת (hadelatot) = de deuren | וַיִּפָּֽקְד֛וּ (vayipaqedu) = en werden aangesteld | הַשּׁוֹעֲרִ֥ים (hashoarim) = de poortwachters | וְהַמְשֹׁרְרִ֖ים (vehamshorerim) = en de zangers | וְהַלְוִיִּֽם (vehalviyim) = en de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד (paqad), ‘aanstellen’: het werkwoord betekent ook ‘tellen’ of ‘opzoeken’. Hier gaat het om de aanstelling van de dienst: de poortwachters bewaken de poorten, de zangers en Levieten dienen bij de tempel. Voetnoot : De deuren staan nu in de poorten (vergelijk 6:1). Zie ook: 2 Kron 31:2; Ezra 3:8; Neh 6:1; Neh 6:15; Neh 11:3 **7:2** Ik gaf Chanani, mijn broer, en Chananja, de bevelhebber van de burcht, het bevel over Jeruzalem. Want hij was als een man van waarheid en vreesde Elohim meer dan velen. Brontekst: וָאֲצַוֶּ֞ה (vaatsave) = en ik gaf bevel | אֶת (et) = (obj.) | חֲנָ֣נִי (chanani) = Chanani | אָחִ֗י (achi) = mijn broer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲנַנְיָ֛ה (chananya) = Chananja | שַׂ֥ר (sar) = bevelhebber van | הַבִּירָ֖ה (habira) = de burcht | עַל (al) = over | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | כִּי (ki) = want | הוּא֙ (hu) = hij | כְּאִ֣ישׁ (keish) = als een man van | אֱמֶ֔ת (emet) = waarheid | וְיָרֵ֥א (veyare) = en hij vreesde | אֶת (et) = (obj.) | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | מֵרַבִּֽים (merabim) = meer dan velen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֲנָנִי (Chanani), ‘Chanani’, en חֲנַנְיָה (Chananja): twee verschillende namen. Chanani is Nehemia’s broer; Chananja is de bevelhebber van de burcht. Voetnoot : הַבִּירָה (habirah), ‘de burcht’: een versterkt gebouw, hier bij de stad. Voetnoot : כְּאִישׁ אֱמֶת (ke’ish emet), ‘als een man van waarheid’: een betrouwbare man. Zie ook: Ps 101:6; Neh 1:2; Neh 2:8; Neh 10:24; Mat 25:21 **7:3** Ik zei tegen hen: „De poorten van Jeruzalem mogen niet geopend worden voordat de zon heet is. Terwijl de wachters nog op hun post staan, moeten de deuren gesloten en vergrendeld worden. Stel wachtposten aan uit de inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn eigen post en ieder tegenover zijn eigen huis.” Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en ik zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tegen hen | לֹ֣א (lo) = niet | יִפָּֽתְח֞וּ (yipatechu) = mogen worden geopend | שַׁעֲרֵ֤י (shaarei) = poorten van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | עַד (ad) = tot | חֹ֣ם (chom) = heet wordt | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | וְעַ֨ד (vead) = en terwijl | הֵ֥ם (hem) = zij | עֹמְדִ֛ים (omedim) = nog staan | יָגִ֥יפוּ (yagifu) = zal men sluiten | הַדְּלָת֖וֹת (hadelatot) = de deuren | וֶאֱחֹ֑זוּ (veechozu) = en grendelen | וְהַעֲמֵ֗יד (vehaameid) = en stel aan | מִשְׁמְרוֹת֙ (mishmerot) = wachtposten | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | בְּמִשְׁמָר֔וֹ (bemishmaro) = op zijn post | וְאִ֖ישׁ (veish) = en ieder | נֶ֥גֶד (neged) = tegenover | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עַד חֹם הַשֶּׁמֶשׁ (ad chom hashemesh), ‘voordat de zon heet is’: de poorten gaan pas laat in de ochtend open. Voetnoot : וְעַד הֵם עֹמְדִים (ve’ad hem omedim), ‘terwijl zij nog staan’: dit stuk is moeilijk. Wij lezen: terwijl de wachters nog op hun post staan, worden de deuren gesloten. Anderen lezen: totdat zij gaan staan, dat wil zeggen: totdat de wachtposten bezet zijn. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ויאמר (vayyomer), ‘en hij zei’. De voorgelezen tekst (qere) heeft וָאֹמַר (va’omar), ‘en ik zei’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 127:1; Neh 3:23; Neh 3:28–30; Neh 13:19; Mat 10:16 ### De stad is groot, het volk gering **7:4** De stad was wijd en groot, maar het volk daarin was gering. Er waren geen huizen herbouwd. Brontekst: וְהָעִ֞יר (vehair) = en de stad | רַחֲבַ֤ת (rachavat) = wijd van | יָדַ֨יִם֙ (yadayim) = handen | וּגְדוֹלָ֔ה (ugedola) = en groot | וְהָעָ֥ם (vehaam) = en het volk | מְעַ֖ט (meat) = weinig | בְּתוֹכָ֑הּ (betokhah) = in haar midden | וְאֵ֥ין (veein) = en er waren niet | בָּתִּ֖ים (batim) = huizen | בְּנוּיִֽם (benuyim) = gebouwd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְחַבַת יָדַיִם (rechavat yadayim), ‘wijd’: letterlijk ‘wijd van handen’, dat wil zeggen ruim van omvang. Voetnoot : De stad is groot, maar nog bijna leeg. Daarom is een inschrijving nodig (vers 5). Zie ook: Jes 58:12; Hag 1:4–6; Neh 7:5; Mat 6:33 ### Het boek met de geslachtsregisters **7:5** Mijn Elohim gaf het mij in het hart om de edelen, de bestuurders en het volk te verzamelen, om hen naar geslacht in te schrijven. Ik vond het boek met de geslachtsregisters van hen die als eersten waren opgetrokken. Daarin vond ik geschreven: Brontekst: וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en gaf | אֱלֹהַי֙ (elohay) = mijn Elohim | אֶל (el) = in | לִבִּ֔י (libi) = mijn hart | וָאֶקְבְּצָ֞ה (vaeqbetsa) = en ik verzamelde | אֶת (et) = (obj.) | הַחֹרִ֧ים (hachorim) = de edelen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַסְּגָנִ֛ים (haseganim) = de bestuurders | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לְהִתְיַחֵ֑שׂ (lehityaches) = om in te schrijven naar geslacht | וָֽאֶמְצָ֗א (vaemtsa) = en ik vond | סֵ֤פֶר (sefer) = het boek van | הַיַּ֨חַשׂ֙ (hayachas) = de geslachtsregisters van | הָעוֹלִ֣ים (haolim) = hen die opgingen | בָּרִאשׁוֹנָ֔ה (barishona) = in het begin | וָאֶמְצָ֖א (vaemtsa) = en ik vond | כָּת֥וּב (katuv) = geschreven | בּֽוֹ (bo) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהִתְיַחֵשׂ (lehityachesh), ‘om in te schrijven naar geslacht’: het volk wordt geteld en ingedeeld volgens zijn afkomst. Voetnoot : סֵפֶר הַיַּחַשׂ (sefer hayachas), ‘het boek met de geslachtsregisters’: een lijst van wie als eersten waren opgetrokken. Wat daarin staat, volgt in de verzen 6–72. Zie ook: 1 Kron 9:1–9; Neh 5:19; 1 Kor 15:10; 2 Kor 3:5; 2 Kor 8:16 ### De lijst van wie uit de ballingschap terugkeerde **7:6** Dit zijn de mensen van de provincie die uit de gevangenschap van de ballingen optrokken. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hen weggevoerd. Zij keerden terug naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn eigen stad. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַמְּדִינָ֗ה (hamedina) = de provincie | הָעֹלִים֙ (haolim) = die opgingen | מִשְּׁבִ֣י (mishevi) = uit de gevangenen van | הַגּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingschap | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֶגְלָ֔ה (hegla) = had weggevoerd | נְבוּכַדְנֶצַּ֖ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | וַיָּשׁ֧וּבוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | לִֽירוּשָׁלִַ֛ם (lirushaliam) = naar Jeruzalem | וְלִיהוּדָ֖ה (velihuda) = en naar Juda | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְעִירֽוֹ (leiro) = naar zijn stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Neh. 7:6–72 is bijna dezelfde lijst als Ezra 2:1–70. Waar het Hebreeuws gelijk is, hebben wij dezelfde Nederlandse woorden gebruikt. Waar het Hebreeuws verschilt, staat per vers een voetnoot. De verschillen zijn vooral getallen en spellingen van namen. Voetnoot : מְדִינָה (medinah), ‘provincie’: het gebied Juda als deel van het Perzische rijk. Voetnoot : Ezra 2:1 heeft ‘naar Babel’ bij ‘weggevoerd’. Neh. 7:6 heeft dat niet. Zie ook: 2 Kon 25:11; Jer 39:1–18; Jer 52:1–34; Ezra 2:1–70; Ezra 5:8 ### De leiders **7:7** Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azarja, Raämja, Nachamani, Mordechai, Bilsjan, Misperet, Bigvai, Nechum en Baäna. Dit is het aantal van de mannen van het volk Israël: Brontekst: הַבָּאִ֣ים (habaim) = die kwamen | עִם (im) = met | זְרֻבָּבֶ֗ל (zerubavel) = Zerubbabel | יֵשׁ֡וּעַ (yeshua) = Jesua | נְחֶמְיָ֡ה (nechemya) = Nehemia | עֲ֠זַרְיָה (azarya) = Azarja | רַֽעַמְיָ֨ה (raamya) = Raämja | נַחֲמָ֜נִי (nachamani) = Nachamani | מָרְדֳּכַ֥י (mardokhay) = Mordechai | בִּלְשָׁ֛ן (bilshan) = Bilsjan | מִסְפֶּ֥רֶת (misperet) = Misperet | בִּגְוַ֖י (bigvay) = Bigvai | נְח֣וּם (nechum) = Nechum | בַּעֲנָ֑ה (baana) = Baäna | מִסְפַּ֕ר (mispar) = aantal van | אַנְשֵׁ֖י (anshei) = de mannen van | עַ֥ם (am) = het volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staan twaalf namen. Ezra 2:2 heeft er elf. Ezra heeft Seraja (hier Azarja), Reëlaja (hier Raämja), Mispar (hier Misperet) en Rechum (hier Nechum), en Ezra mist Nachamani. Voetnoot : נְחֶמְיָה (Nechemjah), ‘Nehemia’: de tekst zegt niet of deze Nehemia dezelfde is als de landvoogd (zie Neh. 5:14; 8:9). Zie ook: Ezech 1:11; Ezra 2:2; Hag 1:1; Zach 3:1–3; Neh 5:14; Neh 8:9; Neh 12:7 ### De zonen van families en de mannen van steden **7:8** De zonen van Parosj: 2.172. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | פַרְעֹ֔שׁ (parosh) = Parosj | אַלְפַּ֕יִם (alpayim) = tweeduizend | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | וְשִׁבְעִ֥ים (veshivim) = en zeventig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי (bene), ‘zonen van’: een afstammeling of lid van een familie. De lijst noemt families (‘zonen van’) en steden (‘mannen van’). Dit vers staat gelijk aan Ezra 2:3. Zie ook: Ezra 2:3; Ezra 8:3; Neh 10:15; Neh 10:26 **7:9** De zonen van Sefatja: 372. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שְׁפַטְיָ֔ה (shefatya) = Sefatja | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:4; Ezra 8:8 **7:10** De zonen van Arach: 652. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אָרַ֔ח (arach) = Arach | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:5 heeft hier 775, niet 652. Zie ook: Ezra 2:5; Neh 6:18 **7:11** De zonen van Pachat-Moab, van de zonen van Jesua en Joab: 2.818. Brontekst: בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | פַחַ֥ת (pachat) = stadhouder van | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | לִבְנֵ֥י (livnei) = van de zonen van | יֵשׁ֖וּעַ (yeshua) = Jesua | וְיוֹאָ֑ב (veyoav) = en Joab | אַלְפַּ֕יִם (alpayim) = tweeduizend | וּשְׁמֹנֶ֥ה (ushemone) = en acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שְׁמֹנָ֥ה (shemona) = acht | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחַת מוֹאָב (pachat Mo’av), ‘Pachat-Moab’: letterlijk ‘stadhouder van Moab’. Het is hier de naam van een familie. Voetnoot : Ezra 2:6 heeft 2.812, niet 2.818. Zie ook: Ezra 2:6; Neh 8:4; Neh 10:15 **7:12** De zonen van Elam: 1.254. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עֵילָ֔ם (eilam) = Elam | אֶ֕לֶף (elef) = duizend | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:7; Ezra 8:7; Ezra 10:26 **7:13** De zonen van Zattu: 845. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | זַתּ֔וּא (zatu) = Zattu | שְׁמֹנֶ֥ה (shemone) = acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:8 heeft 945, niet 845. Zie ook: Ezra 2:8 **7:14** De zonen van Zakkai: 760. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | זַכָּ֔י (zakay) = Zakkai | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְשִׁשִּֽׁים (veshishim) = en zestig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:9 **7:15** De zonen van Binnui: 648. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנּ֔וּי (binuy) = Binnui | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat Binnui (בִּנּוּי) met 648. Ezra 2:10 heeft Bani met 642. Zie ook: Ezra 2:10 **7:16** De zonen van Bebai: 628. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בֵבָ֔י (bevay) = Bebai | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:11 heeft 623, niet 628. Zie ook: Ezra 2:11 **7:17** De zonen van Azgad: 2.322. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַזְגָּ֔ד (azgad) = Azgad | אַלְפַּ֕יִם (alpayim) = tweeduizend | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:12 heeft 1.222, niet 2.322. Zie ook: Ezra 2:12 **7:18** De zonen van Adonikam: 667. Brontekst: בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | אֲדֹ֣נִיקָ֔ם (adoniqam) = Adonikam | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | וְשִׁבְעָֽה (veshiva) = en zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:13 heeft 666, niet 667. Zie ook: Ezra 2:13 **7:19** De zonen van Bigvai: 2.067. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִגְוָ֔י (bigvay) = Bigvai | אַלְפַּ֖יִם (alpayim) = tweeduizend | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | וְשִׁבְעָֽה (veshiva) = en zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:14 heeft 2.056, niet 2.067. Zie ook: Ezra 2:14 **7:20** De zonen van Adin: 655. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עָדִ֔ין (adin) = Adin | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:15 heeft 454, niet 655. Zie ook: Ezra 2:15 **7:21** De zonen van Ater, van Hizkia: 98. Brontekst: בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | אָטֵ֥ר (ater) = Ater | לְחִזְקִיָּ֖ה (lechizqiya) = van Hizkia | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:16 **7:22** De zonen van Chasjum: 328. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | חָשֻׁ֔ם (chashum) = Chasjum | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier loopt de volgorde anders dan in Ezra 2. Chasjum staat hier voor Bezai; in Ezra 2:17–19 staat hij na Jora. Ezra 2:19 heeft 223, niet 328. Zie ook: Ezra 2:17–19; Ezra 2:19 **7:23** De zonen van Bezai: 324. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בֵצָ֔י (betsay) = Bezai | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:17 heeft 323, niet 324. Zie ook: Ezra 2:17 **7:24** De zonen van Charif: 112. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | חָרִ֔יף (charif) = Charif | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרִיף (Charif), ‘Charif’: Ezra 2:18 heeft op deze plaats Jora (יוֹרָה), ook met 112. Waarschijnlijk is het dezelfde groep onder een andere naam. Zie ook: Ezra 2:18 **7:25** De zonen van Gibeon: 95. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | גִבְע֖וֹן (givon) = Gibeon | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Hier staat Gibeon (גִּבְעוֹן), de naam van een plaats. Ezra 2:20 heeft Gibbar (גִּבָּר). Het getal is 95 in beide; waarschijnlijk is het dezelfde groep. Zie ook: Ezra 2:20 **7:26** De mannen van Betlehem en Netofa: 188. Brontekst: אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | בֵֽית (beit) = huis van | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = brood | וּנְטֹפָ֔ה (unetofa) = en Netofa | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | שְׁמֹנִ֥ים (shemonim) = tachtig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem. Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Neh. 7:26 noemt Betlehem en Netofa samen: 188. Ezra 2:21–22 noemt ze apart: Betlehem 123 en Netofa 56, samen 179. Zie ook: Ezra 2:21–22 **7:27** De mannen van Anatot: 128. Brontekst: אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | עֲנָת֔וֹת (anatot) = Anatot | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Jes 10:30; Jer 1:1; Jer 11:21; Ezra 2:23 **7:28** De mannen van Bet-Azmavet: 42. Brontekst: אַנְשֵׁ֥י (anshei) = de mannen van | בֵית (beit) = huis van | עַזְמָ֖וֶת (azmavet) = Azmavet | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Azmavet (Hizma): Azmavet (Bet-Azmavet) is het huidige Hizma, ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Voetnoot Uitleg: Hier staat Bet-Azmavet (בֵּית עַזְמָוֶת, ‘huis van Azmavet’). Ezra 2:24 heeft ‘zonen van Azmavet’. Het getal is 42 in beide. Zie ook: Ezra 2:24 **7:29** De mannen van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot: 743. Brontekst: אַנְשֵׁ֨י (anshei) = de mannen van | קִרְיַ֤ת (qiryat) = stad van | יְעָרִים֙ (yearim) = wouden | כְּפִירָ֣ה (kefira) = Kefira | וּבְאֵר֔וֹת (uveerot) = en Beërot | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Zie Kefira: Kefira wordt gezocht bij Khirbet Kefireh, ten westen van Gibeon. Zie Beërot (ligging onzeker): Beërot wordt gezocht bij el-Bireh, ten noorden van Jeruzalem. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: קִרְיַת יְעָרִים (Qiryat Yearim), ‘Kirjat-Jearim’, ‘stad van wouden’. Ezra 2:25 schrijft Kirjat-Arim (קִרְיַת עָרִים). Het is dezelfde plaats. Zie ook: Joz 9:17; Joz 18:25; Re 18:12; Ezra 2:25 **7:30** De mannen van Rama en Geba: 621. Brontekst: אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | הָֽרָמָה֙ (harama) = Rama | וָגָ֔בַע (vagava) = en Geba | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאֶחָֽד (veechad) = en een Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Zie ook: Joz 18:24–25; Ezra 2:26 **7:31** De mannen van Mikmas: 122. Brontekst: אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | מִכְמָ֔ס (mikhmas) = Mikmas | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Zie ook: 1 Sam 13:5; 1 Sam 13:23; Jes 10:28; Ezra 2:27 **7:32** De mannen van Betel en Ai: 123. Brontekst: אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | בֵֽית (beit) = huis van | אֵל֙ (el) = El | וְהָעָ֔י (vehaay) = en Ai | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Ezra 2:28 heeft 223, niet 123. Zie ook: Joz 8:9; Joz 8:17; Ezra 2:28 **7:33** De mannen van de andere Nebo: 52. Brontekst: אַנְשֵׁ֥י (anshei) = de mannen van | נְב֛וֹ (nevo) = Nebo | אַחֵ֖ר (acher) = andere | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat ‘de andere Nebo’ (נְבוֹ אַחֵר), om hem te onderscheiden van een andere plaats met die naam. Ezra 2:29 heeft alleen ‘Nebo’. Voetnoot : In Ezra 2:30 staan nog ‘de zonen van Magbis: 156’. Die regel ontbreekt hier. Zie ook: Ezra 2:29; Ezra 2:30 **7:34** De zonen van de andere Elam: 1.254. Brontekst: בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | עֵילָ֣ם (eilam) = Elam | אַחֵ֔ר (acher) = andere | אֶ֕לֶף (elef) = duizend | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De andere Elam’ is hier dezelfde familienaam als in vers 12, met ‘andere’ erbij, zoals in Ezra 2:31. Het getal is gelijk aan dat van vers 12: 1.254. Zie ook: Ezra 2:31; Neh 7:12 **7:35** De zonen van Charim: 320. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | חָרִ֔ם (charim) = Charim | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְעֶשְׂרִֽים (veesrim) = en twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:32; Ezra 10:31 **7:36** De zonen van Jericho: 345. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְרֵח֔וֹ (yerecho) = Jericho | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Jericho staat hier vóór Lod, Chadid en Ono (vers 37). In Ezra 2:33–34 is de volgorde andersom. Zie ook: Ezra 2:33–34; Ezra 2:34; Neh 7:37 **7:37** De zonen van Lod, Chadid en Ono: 721. Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | לֹד֙ (lod) = Lod | חָדִ֣יד (chadid) = Chadid | וְאוֹנ֔וֹ (veono) = en Ono | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | וְאֶחָֽד (veechad) = en een Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Lod: Lod (later Lydda) lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Lod. Zie Chadid (Hadid): Chadid (Hadid) lag in het laagland van Benjamin, ten oosten van Lod, bij het huidige el-Haditha. Zie Ono (ligging onzeker): Ono lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem; Kafr Ana wordt genoemd. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Ezra 2:33 heeft 725, niet 721. Voetnoot : חָדִיד (Chadid): een plaats of familie, zoals Lod en Ono. Zie ook: 1 Kron 8:12; Ezra 2:33; Neh 6:2; Neh 11:34–35 **7:38** De zonen van Senaä: 3.930. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | סְנָאָ֔ה (senaa) = Senaä | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizend | תְּשַׁ֥ע (tesha) = negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וּשְׁלֹשִֽׁים (usheloshim) = en dertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:35 heeft 3.630, niet 3.930. Zie ook: Ezra 2:35 ### De priesters **7:39** De priesters: de zonen van Jedaja, van het huis van Jesua: 973. Brontekst: הַֽכֹּהֲנִ֑ים (hakohanim) = de priesters | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יְדַֽעְיָה֙ (yedaya) = Jedaja | לְבֵ֣ית (leveit) = van het huis van | יֵשׁ֔וּעַ (yeshua) = Jesua | תְּשַׁ֥ע (tesha) = negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier beginnen de priesters. De getallen van de verzen 39–42 zijn gelijk aan Ezra 2:36–39: 973, 1.052, 1.247 en 1.017. Samen zijn het 4.289 priesters. Zie ook: 1 Kron 24:7–19; Ezra 2:36 **7:40** De zonen van Immer: 1.052. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אִמֵּ֔ר (imer) = Immer | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 24:14; Ezra 2:37 **7:41** De zonen van Pasjchur: 1.247. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | פַשְׁח֔וּר (pashchur) = Pasjchur | אֶ֕לֶף (elef) = duizend | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וְשִׁבְעָֽה (veshiva) = en zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:12; 1 Kron 24:9; Ezra 2:38; Ezra 10:22 **7:42** De zonen van Charim: 1.017. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | חָרִ֔ם (charim) = Charim | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 24:8; Ezra 2:39; Ezra 10:31 ### De Levieten, zangers en poortwachters **7:43** De Levieten: de zonen van Jesua, van Kadmiël, van de zonen van Hodewa: 74. Brontekst: הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יֵשׁ֧וּעַ (yeshua) = Jesua | לְקַדְמִיאֵ֛ל (leqadmiel) = van Kadmiël | לִבְנֵ֥י (livnei) = van de zonen van | לְהוֹדְוָ֖ה (lehodeva) = Hodewa | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:43 schrijft Hodewa (הוֹדְוָה) en ‘van Kadmiël’. Ezra 2:40 schrijft Hodavja (הוֹדַוְיָה) en ‘en Kadmiël’. Het is dezelfde naam; het getal is 74 in beide. Zie ook: Ezra 2:40; Neh 3:9 **7:44** De zangers: de zonen van Asaf: 148. Brontekst: הַֽמְשֹׁרְרִ֑ים (hamshorerim) = de zangers | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אָסָ֔ף (asaf) = Asaf | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:41 heeft 128, niet 148. Zie ook: 1 Kron 25:2; Ezra 2:41 **7:45** De poortwachters: de zonen van Sjallum, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkub, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai: 138. Brontekst: הַשֹּֽׁעֲרִ֗ים (hashoarim) = de poortwachters | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | שַׁלּ֤וּם (shalum) = Sjallum | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | אָטֵר֙ (ater) = Ater | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | טַלְמֹ֣ן (talmon) = Talmon | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | עַקּ֔וּב (aquv) = Akkub | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חֲטִיטָ֖א (chatita) = Chatita | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שֹׁבָ֑י (shovay) = Sjobai | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat 138. Ezra 2:42 heeft 139 en het woord ‘samen’ (הַכֹּל). De zes namen zijn dezelfde. Zie ook: 1 Kron 26:1–32; Ezra 2:42 ### De tempeldienaren en de dienaren van Salomo **7:46** De tempeldienaren: de zonen van Ziecha, de zonen van Chasjefa, de zonen van Tabbaot, Brontekst: הַנְּתִינִ֑ים (hanetinim) = de tempeldienaren | בְּנֵי (benei) = de zonen van | צִחָ֥א (tsicha) = Ziecha | בְנֵי (benei) = de zonen van | חֲשֻׂפָ֖א (chasufa) = Chasjefa | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | טַבָּעֽוֹת (tabaot) = Tabbaot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּתִינִים (hannetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’, mensen die aan de tempel waren gegeven om te dienen. Voetnoot : Neh. 7:46–56 noemt 32 namen. Ezra 2:43–54 noemt er 35. In Ezra staan extra: Akkub (2:45), Chagab (2:46) en Asna (2:50). Enkele namen zijn anders geschreven: hier Chasjefa, Kiros, Sia, Chakufa en Bazlit. Zie ook: Lev 27:2–8; Joz 9:23–27; 1 Kron 9:2; Ezra 2:43 **7:47** de zonen van Kiros, de zonen van Sia, de zonen van Padon, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | קֵירֹ֥ס (qeiros) = Kiros | בְּנֵי (benei) = de zonen van | סִיעָ֖א (sia) = Sia | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | פָדֽוֹן (padon) = Padon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:44 **7:48** de zonen van Lebana, de zonen van Chagaba, de zonen van Salmai, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | לְבָנָ֥ה (levana) = Lebana | בְנֵי (benei) = de zonen van | חֲגָבָ֖ה (chagava) = Chagaba | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | שַׁלְמָֽי (shalmay) = Salmai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:45–46 **7:49** de zonen van Chanan, de zonen van Giddel, de zonen van Gachar, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | חָנָ֥ן (chanan) = Chanan | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גִדֵּ֖ל (gidel) = Giddel | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גָֽחַר (gachar) = Gachar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:50** de zonen van Reaja, de zonen van Resin, de zonen van Nekoda, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאָיָ֥ה (reaya) = Reaja | בְנֵי (benei) = de zonen van | רְצִ֖ין (retsin) = Resin | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | נְקוֹדָֽא (neqoda) = Nekoda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:51** de zonen van Gazzam, de zonen van Uzza, de zonen van Paseach, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | גַזָּ֥ם (gazam) = Gazzam | בְּנֵי (benei) = de zonen van | עֻזָּ֖א (uza) = Uzza | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | פָסֵֽחַ (paseach) = Paseach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:49 **7:52** de zonen van Besai, de zonen van de Meünim, de zonen van de Nefisjesim, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | בֵסַ֥י (besay) = Besai | בְּנֵי (benei) = de zonen van | מְעוּנִ֖ים (meunim) = de Meünim | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | נְפִֽישְׁסִֽים (nefishesim) = de Nefisjesim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְעוּנִים (Me’unim), ‘de Meünim’: de naam van een groep. Meer zegt de tekst er niet over. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft נפושסים (Nefushsim). De voorgelezen tekst (qere) heeft נְפִישְׁסִים (Nefisjesim). Wij volgen het qere. Zie ook: Ezra 2:50 **7:53** de zonen van Bakbuk, de zonen van Chakufa, de zonen van Charchur, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | בַקְבּ֥וּק (baqbuq) = Bakbuk | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | חֲקוּפָ֖א (chaqufa) = Chakufa | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חַרְחֽוּר (charchur) = Charchur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:54** de zonen van Bazlit, de zonen van Mechida, de zonen van Charsja, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | בַצְלִ֥ית (batslit) = Bazlit | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | מְחִידָ֖א (mechida) = Mechida | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חַרְשָֽׁא (charsha) = Charsja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:52 **7:55** de zonen van Barkos, de zonen van Sisera, de zonen van Temach, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | בַרְק֥וֹס (barqos) = Barkos | בְּֽנֵי (benei) = de zonen van | סִֽיסְרָ֖א (sisera) = Sisera | בְּנֵי (benei) = de zonen van | תָֽמַח (tamach) = Temach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:53 **7:56** de zonen van Nesiach en de zonen van Chatifa. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | נְצִ֖יחַ (netsiach) = Nesiach | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חֲטִיפָֽא (chatifa) = Chatifa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:57** De zonen van de dienaren van Salomo: de zonen van Sotai, de zonen van Soferet, de zonen van Perida, Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | עַבְדֵ֣י (avdei) = dienaren van | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | בְּנֵי (benei) = de zonen van | סוֹטַ֥י (sotay) = Sotai | בְּנֵי (benei) = de zonen van | סוֹפֶ֖רֶת (soferet) = Soferet | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | פְרִידָֽא (perida) = Perida Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze lijst staat gelijk aan Ezra 2:55–57, behalve de spelling van enkele namen. Hier staan Soferet (Ezra: Hassoferet), Perida (Ezra: Peruda), Jaala (Ezra: Jaäla) en Amon (Ezra: Ami). Zie ook: Ezra 2:55; Neh 11:3 **7:58** de zonen van Jaala, de zonen van Darkon, de zonen van Giddel, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | יַעְלָ֥א (yala) = Jaala | בְנֵי (benei) = de zonen van | דַרְק֖וֹן (darqon) = Darkon | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | גִדֵּֽל (gidel) = Giddel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:56 **7:59** de zonen van Sefatja, de zonen van Chattil, de zonen van Pocheret-Hassebajim en de zonen van Amon. Brontekst: בְּנֵ֧י (benei) = de zonen van | שְׁפַטְיָ֣ה (shefatya) = Sefatja | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | חַטִּ֗יל (chatil) = Chattil | בְּנֵ֛י (benei) = de zonen van | פֹּכֶ֥רֶת (pokheret) = Pocheret | הַצְּבָיִ֖ים (hatsevayim) = Hassebajim | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | אָמֽוֹן (amon) = Amon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:57 **7:60** Alle tempeldienaren en zonen van de dienaren van Salomo: 392. Brontekst: כָּל (kal) = alle | הַ֨נְּתִינִ֔ים (hanetinim) = de tempeldienaren | וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | עַבְדֵ֣י (avdei) = dienaren van | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het totaal is 392, gelijk aan Ezra 2:58. De afzonderlijke families hebben in de tekst geen getal. Zie ook: Ezra 2:58 ### Wie zijn afkomst niet kon aantonen **7:61** Dit zijn zij die optrokken uit Tel-Melach, Tel-Charsja, Kerub, Addon en Immer. Zij konden niet aantonen dat het huis van hun vaders en hun nageslacht uit Israël kwam. Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dezen | הָֽעוֹלִים֙ (haolim) = die optrokken | מִתֵּ֥ל (mitel) = uit Tel | מֶ֨לַח֙ (melach) = Melach | תֵּ֣ל (tel) = Tel | חַרְשָׁ֔א (charsha) = Charsja | כְּר֥וּב (keruv) = Kerub | אַדּ֖וֹן (adon) = Addon | וְאִמֵּ֑ר (veimer) = en Immer | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָכְל֗וּ (yakhelu) = konden zij | לְהַגִּ֤יד (lehagid) = aantonen | בֵּית (beit) = het huis van | אֲבוֹתָם֙ (avotam) = hun vaders | וְזַרְעָ֔ם (vezaram) = en hun nageslacht | אִ֥ם (im) = of | מִיִּשְׂרָאֵ֖ל (miyisrael) = uit Israël | הֵֽם (hem) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat Addon (אַדּוֹן). Ezra 2:59 heeft Addan (אַדָּן). Het is dezelfde plaats. Voetnoot : Tel-Melach, Tel-Charsja, Kerub, Addon en Immer zijn plaatsen in Babylonië. De ligging is niet bekend. Of Kerub en Addon twee plaatsen zijn of één, laat de tekst open. Zie ook: Ezra 2:59 **7:62** De zonen van Delaja, de zonen van Tobia en de zonen van Nekoda: 642. Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | דְלָיָ֥ה (delaya) = Delaja | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | טוֹבִיָּ֖ה (toviya) = Tobia | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | נְקוֹדָ֑א (neqoda) = Nekoda | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְאַרְבָּעִ֥ים (vearbaim) = en veertig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra 2:60 heeft 652, niet 642. Zie ook: Ezra 2:60 **7:63** Van de priesters: de zonen van Chobaja, de zonen van Hakkoz en de zonen van Barzillai. Barzillai had een vrouw genomen van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, en werd naar hun naam genoemd. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חֳבַיָּ֖ה (chovaya) = Chobaja | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַקּ֑וֹץ (haqots) = Hakkoz | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בַרְזִלַּ֗י (barzilay) = Barzillai | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לָ֠קַח (laqach) = nam | מִבְּנ֞וֹת (mibenot) = van de dochters van | בַּרְזִלַּ֤י (barzilay) = Barzillai | הַגִּלְעָדִי֙ (hagiladi) = de Gileadiet | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | וַיִּקָּרֵ֖א (vayiqare) = en werd genoemd | עַל (al) = naar | שְׁמָֽם (shemam) = hun naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat ‘Van de priesters’ (וּמִן הַכֹּהֲנִים). Ezra 2:61 heeft ‘Van de zonen van de priesters’. De drie familienamen zijn dezelfde. Voetnoot : Barzillai de Gileadiet komt ook voor in 2 Sam. 17:27 en 19:32. Het Hebreeuws zegt niet hoe deze priester met hem verwant is. Zie ook: 2 Sam 17:27; 2 Sam 19:32–34; 1 Kon 2:7; Ezra 2:61–63 **7:64** Zij zochten hun inschrijving in het geslachtsregister, maar die werd niet gevonden. Daarom werden zij als onrein buiten het priesterschap gehouden. Brontekst: אֵ֗לֶּה (ele) = dezen | בִּקְשׁ֧וּ (biqshu) = zochten | כְתָבָ֛ם (ketavam) = hun inschrijving | הַמִּתְיַחְשִׂ֖ים (hamityachsim) = de ingeschrevenen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נִמְצָ֑א (nimtsa) = werd gevonden | וַיְגֹֽאֲל֖וּ (vaygoalu) = en zij werden onrein verklaard | מִן (min) = van | הַכְּהֻנָּֽה (hakehuna) = het priesterschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְגֹאֲלוּ (vayego’alu), ‘zij werden onrein verklaard’: dit werkwoord is verwant met גאל in de zin van ‘bezoedelen’. Het is niet het werkwoord ga’al, ‘verlossen’. Zij werden uitgesloten van het priesterschap. Voetnoot : Ezra 2:62 heeft hier een meervoudig werkwoord (נִמְצָאוּ), Neh. 7:64 een enkelvoud (נִמְצָא). Wij vertalen beide: ‘die werd niet gevonden’. Zie ook: 1 Kron 9:1; Ezra 2:62; Neh 7:5; Neh 13:29; Mat 22:11–13; Mat 25:11–12 **7:65** De Tirsjata zei tegen hen dat zij niet van het hoogheilige mochten eten, totdat de priester zou opstaan met Urim en Tummim. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | הַתִּרְשָׁ֨תָא֙ (hatirshata) = de Tirsjata | לָהֶ֔ם (lahem) = tegen hen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יֹאכְל֖וּ (yokhlu) = zij mogen eten | מִקֹּ֣דֶשׁ (miqodesh) = van het heilige van | הַקֳּדָשִׁ֑ים (haqodashim) = de heiligen | עַ֛ד (ad) = totdat | עֲמֹ֥ד (amod) = opstaat | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | לְאוּרִ֥ים (leurim) = met Urim | וְתוּמִּֽים (vetumim) = en Tummim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתִּרְשָׁתָא (hattirshata), ‘de Tirsjata’: een Perzische titel van de gouverneur. De tekst noemt zijn naam niet. Voetnoot : קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (qodesh haqodashim), ‘het hoogheilige’: wat alleen priesters mochten eten. Voetnoot : אוּרִים וְתֻמִּים (Urim vetummim): zie Exod. 28:30. Neh. 7:65 heeft ‘de priester’ (met lidwoord); Ezra 2:63 heeft ‘een priester’. Zie ook: Ex 28:30; Deut 33:8; Ezra 2:63; Neh 8:9; Neh 10:2 ### Het totaal en de gaven **7:66** De hele vergadering bij elkaar telde 42.360. Brontekst: כָּל (kal) = heel | הַקָּהָ֖ל (haqahal) = de vergadering | כְּאֶחָ֑ד (keechad) = als een | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | רִבּ֔וֹא (ribo) = tienduizend | אַלְפַּ֖יִם (alpayim) = tweeduizend | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | וְשִׁשִּֽׁים (veshishim) = en zestig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het totaal is 42.360, gelijk aan Ezra 2:64. De getallen van de lijst tellen niet op tot dit totaal. Volgens de getallen van Nehemia 7 zijn het 25.406 (families en steden), 4.289 (priesters), 74 (Levieten), 148 (zangers), 138 (poortwachters), 392 (tempeldienaren en dienaren van Salomo) en 642 (vers 62): samen 31.089. Wij laten de getallen staan zoals zij er staan. Zie ook: Ezra 2:64; Neh 7:62 **7:67** Daarnaast waren er hun dienaren en dienaressen: 7.337. Zij hadden ook zangers en zangeressen: 245. Brontekst: מִ֠לְּבַד (milevad) = behalve | עַבְדֵיהֶ֤ם (avdeihem) = hun dienaren | וְאַמְהֹֽתֵיהֶם֙ (veamhoteihem) = en hun dienaressen | אֵ֔לֶּה (ele) = dezen | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizend | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וְשִׁבְעָ֑ה (veshiva) = en zeven | וְלָהֶ֗ם (velahem) = en voor hen | מְשֹֽׁרֲרִים֙ (meshorarim) = zangers | וּמְשֹׁ֣רֲר֔וֹת (umeshorarot) = en zangeressen | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | וְאַרְבָּעִ֥ים (vearbaim) = en veertig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staan 245 zangers en zangeressen. Ezra 2:65 heeft 200. Zie ook: Jes 45:1–2; Jer 27:7; Ezra 2:65 **7:68** Kamelen: 435. Ezels: 6.720. Brontekst: גְּמַלִּ֕ים (gemalim) = kamelen | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וַחֲמִשָּׁ֑ה (vachamisha) = en vijf | חֲמֹרִ֕ים (chamorim) = ezels | שֵׁ֣שֶׁת (sheshet) = zes | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizend | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְעֶשְׂרִֽים (veesrim) = en twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van dit vers noemt alleen kamelen en ezels. Ezra 2:66 heeft ook paarden (736) en muildieren (245). Sommige oude vertalingen hebben die twee hier wel. Zie ook: Ezra 2:66–67 **7:69** Een deel van de hoofden van de vaderhuizen gaf voor het werk. De Tirsjata gaf aan de schatkist 1.000 darieken goud, 50 sprengschalen en 530 priesterkleden. Brontekst: וּמִקְצָת֙ (umiqtsat) = en een deel van | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הָֽאָב֔וֹת (haavot) = de vaderhuizen | נָתְנ֖וּ (natenu) = gaven | לַמְּלָאכָ֑ה (lamelakha) = voor het werk | הַתִּרְשָׁ֜תָא (hatirshata) = de Tirsjata | נָתַ֣ן (natan) = gaf | לָאוֹצָ֗ר (laotsar) = aan de schatkist | זָהָ֞ב (zahav) = goud | דַּרְכְּמֹנִ֥ים (darkemonim) = darieken | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | מִזְרָק֣וֹת (mizraqot) = sprengschalen | חֲמִשִּׁ֔ים (chamishim) = vijftig | כָּתְנוֹת֙ (katenot) = gewaden van | כֹּֽהֲנִ֔ים (kohanim) = priesters | שְׁלֹשִׁ֖ים (sheloshim) = dertig | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De gaven in de verzen 69–71 verschillen van Ezra 2:68–69. Daar staat één totaal van 61.000 darieken, 5.000 minen en 100 priesterkleden. Hier staan drie groepen: de Tirsjata (vers 69), sommige hoofden van de vaderhuizen (vers 70) en de rest van het volk (vers 71). Voetnoot : דַּרְכְּמוֹן (darkemon), ‘dariek’: waarschijnlijk een Perzische gouden munt. Het gewicht staat niet vast. Voetnoot : מִזְרָקוֹת (mizraqot), ‘sprengschalen’: schalen om bloed of vloeistof uit te gieten, zoals in de tempel. Voetnoot : שְׁלֹשִׁים וְחָמֵשׁ מֵאוֹת (sheloshim vechamesh me’ot), ‘dertig en vijfhonderd’: wij lezen dat als 530. De tekst noemt het zelfstandig naamwoord bij ‘honderd’ niet. Wij nemen ‘priesterkleden’ over. Zie ook: Ezra 2:68–69; Neh 7:70; Neh 7:71 **7:70** Van de hoofden van de vaderhuizen gaven zij aan de schatkist van het werk: 20.000 darieken goud en 2.200 minen zilver. Brontekst: וּמֵֽרָאשֵׁ֣י (umerashei) = en van de hoofden van | הָֽאָב֗וֹת (haavot) = de vaderhuizen | נָֽתְנוּ֙ (natenu) = gaven | לְאוֹצַ֣ר (leotsar) = aan de schatkist van | הַמְּלָאכָ֔ה (hamelakha) = het werk | זָהָ֕ב (zahav) = goud | דַּרְכְּמוֹנִ֖ים (darkemonim) = darieken | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | רִבּ֑וֹת (ribot) = tienduizend | וְכֶ֕סֶף (vekhesef) = en zilver | מָנִ֖ים (manim) = minen | אַלְפַּ֥יִם (alpayim) = tweeduizend | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁתֵּי רִבּוֹת (shete ribbot), ‘twintigduizend’: letterlijk ‘twee tienduizendtallen’. Voetnoot : מָנֶה (maneh), ‘mina’: zie 1 Kon. 10:17. De omrekening staat niet vast. Zie ook: Ex 12:22; Num 7:2–86; 1 Kon 10:17; 2 Kron 4:11; Neh 7:65; Neh 8:9 **7:71** Wat de rest van het volk gaf: 20.000 darieken goud, 2.000 minen zilver en 67 priesterkleden. Brontekst: וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en wat | נָתְנוּ֮ (natenu) = gaven | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = de rest van | הָעָם֒ (haam) = het volk | זָהָ֗ב (zahav) = goud | דַּרְכְּמוֹנִים֙ (darkemonim) = darieken | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | רִבּ֔וֹא (ribo) = tienduizend | וְכֶ֖סֶף (vekhesef) = en zilver | מָנִ֣ים (manim) = minen | אַלְפָּ֑יִם (alpayim) = tweeduizend | וְכָתְנֹ֥ת (vekhatenot) = en een gewaad van | כֹּֽהֲנִ֖ים (kohanim) = priesters | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | וְשִׁבְעָֽה (veshiva) = en zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁתֵּי רִבּוֹא (shete ribbo), ‘twintigduizend’. Samen geven zij volgens Neh. 7 dus 41.000 darieken, 4.200 minen en 597 priesterkleden. Ezra 2:69 noemt 61.000 darieken, 5.000 minen en 100 priesterkleden. Zie ook: Job 34:19; Ezra 2:69; Luc 21:1–4; 2 Kor 8:12 ### De vestiging in de steden **7:72** De priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, een deel van het volk, de tempeldienaren en heel Israël gingen wonen in hun steden. Toen de zevende maand aanbrak, woonden de Israëlieten in hun steden. Brontekst: וַיֵּשְׁב֣וּ (vayeshevu) = en gingen wonen | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֡ם (vehalviyim) = en de Levieten | וְהַשּׁוֹעֲרִים֩ (vehashoarim) = en de poortwachters | וְהַמְשֹׁרְרִ֨ים (vehamshorerim) = en de zangers | וּמִן (umin) = en van | הָעָ֧ם (haam) = het volk | וְהַנְּתִינִ֛ים (vehanetinim) = en de tempeldienaren | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּעָרֵיהֶ֑ם (beareihem) = in hun steden | וַיִּגַּע֙ (vayiga) = en het naderde | הַחֹ֣דֶשׁ (hachodesh) = de maand | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּעָרֵיהֶֽם (beareihem) = in hun steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers sluit aan op Ezra 2:70. Neh. 7:72 noemt de poortwachters en de zangers in een andere volgorde en voegt er een zin aan toe: de zevende maand brak aan. Het verhaal gaat door in hoofdstuk 8. Zie ook: Ezra 2:70 ## Nehemia 8 _Ezra leest de wet voor en het feest van de hutten_ ### Ezra leest de wet voor **8:1** Heel het volk verzamelde zich als één man op het plein voor de Waterpoort. Zij zeiden tegen Ezra, de schriftgeleerde, dat hij het boek van de wet van Mozes moest brengen. Yahweh had die wet aan Israël geboden. Brontekst: וַיֵּאָסְפ֤וּ (vayeasefu) = en verzamelden zich | כָל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | כְּאִ֣ישׁ (keish) = als een man | אֶחָ֔ד (echad) = één | אֶל (el) = naar | הָ֣רְח֔וֹב (harechov) = het plein | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שַֽׁעַר (shaar) = de poort van | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | לְעֶזְרָ֣א (leezra) = aan Ezra | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schriftgeleerde | לְהָבִ֗יא (lehavi) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | סֵ֨פֶר֙ (sefer) = het boek van | תּוֹרַ֣ת (torat) = de wet van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: רְחוֹב (rechov), ‘plein’: een brede open ruimte in een stad. Het volk komt bijeen op het plein voor de Waterpoort. De Waterpoort komt ook voor in Neh. 3:26. Voetnoot : סֵפֶר תּוֹרַת מֹשֶׁה (sefer torat Mosheh), ‘het boek van de wet van Mozes’: wij laten open hoeveel van de wet dit boek bevatte. Zie ook Deut. 31:9–13, waar Mozes beveelt de wet voor heel het volk voor te lezen. Voetnoot : הַסֹּפֵר (hasofer), ‘de schriftgeleerde’: iemand die de geschriften kent, bewaart en uitlegt. Zie ook Ezra 7:6. Zie ook: Deut 31:9–13; 2 Kron 34:15; Ezra 7:6; Ezra 7:11; Neh 3:26; Mat 13:52 **8:2** Ezra, de priester, bracht de wet voor de vergadering: voor mannen en vrouwen en voor iedereen die kon verstaan wat hij hoorde. Het was de eerste dag van de zevende maand. Brontekst: וַיָּבִ֣יא (vayavi) = en bracht | עֶזְרָ֣א (ezra) = Ezra | הַ֠כֹּהֵן (hakohen) = de priester | אֶֽת (et) = (obj.) | הַתּוֹרָ֞ה (hatora) = de wet | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor | הַקָּהָל֙ (haqahal) = de vergadering | מֵאִ֣ישׁ (meish) = van man | וְעַד (vead) = tot | אִשָּׁ֔ה (isha) = vrouw | וְכֹ֖ל (vekhol) = en allen | מֵבִ֣ין (mevin) = verstaand | לִשְׁמֹ֑עַ (lishmoa) = om te horen | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag | אֶחָ֖ד (echad) = eerste | לַחֹ֥דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשְּׁבִיעִֽי (hashevii) = de zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקָּהָל (haqqahal), ‘de vergadering’: de verzamelde gemeenschap. Het volk is hier bij elkaar op de eerste dag van de zevende maand. Zie Lev. 23:24 voor die dag. Voetnoot : מֵבִין לִשְׁמֹעַ (mevin lishmo’a), ‘iemand die kan verstaan wat hij hoort’: ook kinderen die het konden begrijpen hoorden erbij. Zie ook: Lev 23:24; Num 29:1; Deut 17:18; Jes 28:9; Mal 2:7 **8:3** Hij las eruit voor op het plein voor de Waterpoort, van het eerste licht tot halverwege de dag. Hij las voor ten overstaan van de mannen en de vrouwen en van allen die het konden verstaan. De oren van heel het volk waren gericht op het boek van de wet. Brontekst: וַיִּקְרָא (vayiqra) = en las voor | בוֹ֩ (bo) = daaruit | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor | הָרְח֜וֹב (harechov) = het plein | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שַֽׁעַר (shaar) = de poort van | הַמַּ֗יִם (hamayim) = het water | מִן (min) = van | הָאוֹר֙ (haor) = het licht | עַד (ad) = tot | מַחֲצִ֣ית (machatsit) = de helft van | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | נֶ֛גֶד (neged) = tegenover | הָאֲנָשִׁ֥ים (haanashim) = de mannen | וְהַנָּשִׁ֖ים (vehanashim) = en de vrouwen | וְהַמְּבִינִ֑ים (vehamevinim) = en wie konden verstaan | וְאָזְנֵ֥י (veazenei) = en de oren van | כָל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶל (el) = naar | סֵ֥פֶר (sefer) = het boek van | הַתּוֹרָֽה (hatora) = de wet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: מִן הָאוֹר עַד מַחֲצִית הַיּוֹם (min ha’or ad machatsit hayyom), ‘van het licht tot de helft van de dag’: van het eerste ochtendlicht tot ongeveer het midden van de dag. Zie ook: Luc 4:16–20; Luc 8:18; Heb 2:1–3; Openb 2:29; Openb 3:22 **8:4** Ezra, de schriftgeleerde, stond op een houten podium dat zij voor deze gelegenheid hadden gemaakt. Naast hem stonden aan zijn rechterhand Mattitja, Sjema, Anaja, Uria, Hilkia en Maäseja. Aan zijn linkerhand stonden Pedaja, Misjaël, Malkia, Chasjum, Chasjbaddana, Zacharia en Mesjullam. Brontekst: וַֽיַּעֲמֹ֞ד (vayaamod) = en stond | עֶזְרָ֣א (ezra) = Ezra | הַסֹּפֵ֗ר (hasofer) = de schriftgeleerde | עַֽל (al) = op | מִגְדַּל (migdal) = een toren van | עֵץ֮ (ets) = hout | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשׂ֣וּ (asu) = hadden gemaakt | לַדָּבָר֒ (ladavar) = voor de gelegenheid | וַיַּֽעֲמֹ֣ד (vayaamod) = en stonden | אֶצְל֡וֹ (etslo) = naast hem | מַתִּתְיָ֡ה (matitya) = Mattitja | וְשֶׁ֡מַע (veshema) = en Sjema | וַ֠עֲנָיָה (vaanaya) = en Anaja | וְאוּרִיָּ֧ה (veuriya) = en Uria | וְחִלְקִיָּ֛ה (vechilqiya) = en Hilkia | וּמַעֲשֵׂיָ֖ה (umaaseya) = en Maäseja | עַל (al) = aan | יְמִינ֑וֹ (yemino) = zijn rechterhand | וּמִשְּׂמֹאל֗וֹ (umisemolo) = en aan zijn linkerhand | פְּ֠דָיָה (pedaya) = Pedaja | וּמִֽישָׁאֵ֧ל (umishael) = en Misjaël | וּמַלְכִּיָּ֛ה (umalkiya) = en Malkia | וְחָשֻׁ֥ם (vechashum) = en Chasjum | וְחַשְׁבַּדָּ֖נָה (vechashbadana) = en Chasjbaddana | זְכַרְיָ֥ה (zekharya) = Zacharia | מְשֻׁלָּֽם (meshulam) = Mesjullam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִגְדַּל עֵץ (migdal ets), ‘toren van hout’: een hoog houten bouwsel. Wij vertalen ‘podium’, omdat het om een verhoging gaat waarop Ezra boven het volk stond (vers 5). Voetnoot : לַדָּבָר (laddavar), ‘voor de zaak’: letterlijk ‘voor het woord’. Het kan betekenen: voor deze gelegenheid, of om vanaf te spreken. Wij vertalen ‘voor deze gelegenheid’. Voetnoot : Het Hebreeuws noemt zes mannen rechts van Ezra en zeven links. De namen zijn die van mannen van het volk. Sommige namen komen ook voor in Neh. 10 en 11. Zie ook: Neh 8:5; Neh 10:4; Neh 10:19; Neh 10:21; Neh 11:5; Neh 12:13 **8:5** Ezra opende het boek voor de ogen van heel het volk, want hij stond boven heel het volk. Toen hij het opende, stond heel het volk op. Brontekst: וַיִּפְתַּ֨ח (vayiftach) = en opende | עֶזְרָ֤א (ezra) = Ezra | הַסֵּ֨פֶר֙ (hasefer) = het boek | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | כָל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כִּֽי (ki) = want | מֵעַ֥ל (meal) = boven | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | הָיָ֑ה (haya) = was hij | וּכְפִתְח֖וֹ (ukhefitcho) = en bij zijn openen | עָֽמְד֥וּ (amedu) = stonden | כָל (kal) = heel | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 3:20; 1 Kon 8:14; Luc 4:16–17 **8:6** Ezra zegende Yahweh, de grote Elohim. Heel het volk antwoordde met opgeheven handen: „Amen, amen!” Zij bogen zich diep en wierpen zich neer voor Yahweh, met het gezicht naar de grond. Brontekst: וַיְבָ֣רֶךְ (vayvarekh) = en zegende | עֶזְרָ֔א (ezra) = Ezra | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | הַגָּד֑וֹל (hagadol) = de grote | וַיַּֽעֲנ֨וּ (vayaanu) = en antwoordden | כָל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אָמֵ֤ן (amen) = amen | אָמֵן֙ (amen) = amen | בְּמֹ֣עַל (bemoal) = met opheffen van | יְדֵיהֶ֔ם (yedeihem) = hun handen | וַיִּקְּד֧וּ (vayiqedu) = en bogen zich | וַיִּשְׁתַּחֲוֻּ֛ (vayishtachavu) = en wierpen zich neer | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אַפַּ֥יִם (apayim) = met het gezicht | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָמֵן אָמֵן (amen amen), ‘amen, amen’: de herhaling versterkt het ‘ja, het is waar’ van het volk. Vergelijk Ps. 106:48 en Ps. 72:19. Voetnoot : וַיִּקְּדוּ וַיִּשְׁתַּחֲווּ (vayyiqqedu vayyishtachavu), ‘zij bogen zich en wierpen zich neer’: twee woorden voor diep buigen, in eerbied voor Yahweh. Zie ook: Ex 4:31; Ps 72:19; Ps 106:48; 2 Kron 20:18; Klaagl 3:41; 1 Tim 2:8; Openb 7:11 **8:7** Jesua, Bani, Sjerebja, Jamin, Akkub, Sjabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan, Pelaja en de Levieten lieten het volk de wet begrijpen. Het volk bleef op zijn plaats staan. Brontekst: וְיֵשׁ֡וּעַ (veyeshua) = en Jesua | וּבָנִ֡י (uvani) = en Bani | וְשֵׁרֵ֥בְיָ֣ה (veshereveya) = en Sjerebja | יָמִ֡ין (yamin) = Jamin | עַקּ֡וּב (aquv) = Akkub | שַׁבְּתַ֣י (shabetay) = Sjabbetai | הֽוֹדִיָּ֡ה (hodiya) = Hodia | מַעֲשֵׂיָ֡ה (maaseya) = Maäseja | קְלִיטָ֣א (qelita) = Kelita | עֲזַרְיָה֩ (azarya) = Azarja | יוֹזָבָ֨ד (yozavad) = Jozabad | חָנָ֤ן (chanan) = Chanan | פְּלָאיָה֙ (pelaya) = Pelaja | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | מְבִינִ֥ים (mevinim) = die lieten begrijpen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לַתּוֹרָ֑ה (latora) = de wet | וְהָעָ֖ם (vehaam) = en het volk | עַל (al) = op | עָמְדָֽם (amedam) = hun plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְבִינִים (mevinim), ‘die deden begrijpen’: de Levieten verdeelden zich over het volk en maakten duidelijk wat er stond. De namen zijn die van de Levieten. Sommige komen ook voor in Neh. 10:10–14 (Hebr.). Voetnoot : וְהָעָם עַל עָמְדָם (vehaam al omdam), ‘en het volk stond op zijn plaats’: het volk bleef staan terwijl er werd uitgelegd. Zie ook: Lev 10:11; Ezra 10:22–23; Neh 3:23; Neh 9:4; Neh 10:10–14; Mal 2:7 **8:8** Zij lazen voor uit het boek, de wet van Elohim. Zij deden dat duidelijk en gaven er de betekenis van, zodat men begreep wat er werd voorgelezen. Brontekst: וַֽיִּקְרְא֥וּ (vayiqreu) = en lazen voor | בַסֵּ֛פֶר (basefer) = uit het boek | בְּתוֹרַ֥ת (betorat) = uit de wet van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | מְפֹרָ֑שׁ (meforash) = duidelijk | וְשׂ֣וֹם (vesom) = en gaven | שֶׂ֔כֶל (sekhel) = betekenis | וַיָּבִ֖ינוּ (vayavinu) = en zij begrepen | בַּמִּקְרָֽא (bamiqra) = het voorgelezene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְפֹרָשׁ (meforash), ‘duidelijk’: het woord kan ook ‘uiteengezet’ of ‘vertaald’ betekenen. Of hier een vertaling in het Aramees bedoeld is, laat de tekst open. Wij vertalen ‘duidelijk’. Voetnoot : וְשׂוֹם שֶׂכֶל (vesom sekhel), ‘en zij gaven betekenis’: letterlijk ‘en zij legden inzicht’. Het gaat om uitleg bij wat werd voorgelezen. Zie ook: Hab 2:2; Luc 24:27; Luc 24:45; Hand 17:2–3; Hand 28:23 ### Een heilige dag: vreugde in plaats van tranen **8:9** Nehemia, dat is de Tirsjata, en Ezra, de priester en schriftgeleerde, en de Levieten die het volk lieten begrijpen, spraken heel het volk toe. „Deze dag is heilig voor Yahweh, jullie Elohim. Rouw niet en huil niet.” Want heel het volk huilde toen het de woorden van de wet hoorde. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | נְחֶמְיָ֣ה (nechemya) = Nehemia | ה֣וּא (hu) = hij | הַתִּרְשָׁ֡תָא (hatirshata) = de Tirsjata | וְעֶזְרָ֣א (veezra) = en Ezra | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַסֹּפֵ֡ר (hasofer) = de schriftgeleerde | וְהַלְוִיִּם֩ (vehalviyim) = en de Levieten | הַמְּבִינִ֨ים (hamevinim) = die lieten begrijpen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֜ם (haam) = het volk | לְכָל (lekhal) = tot heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | הַיּ֤וֹם (hayom) = de dag | קָדֹֽשׁ (qadosh) = heilig | הוּא֙ (hu) = hij is | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אַל (al) = niet | תִּֽתְאַבְּל֖וּ (titabelu) = rouw | וְאַל (veal) = en niet | תִּבְכּ֑וּ (tivku) = huil | כִּ֤י (ki) = want | בוֹכִים֙ (bokhim) = huilend | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כְּשָׁמְעָ֖ם (keshameam) = bij hun horen | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַתּוֹרָֽה (hatora) = de wet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתִּרְשָׁתָא (hattirshata), ‘de Tirsjata’: een Perzische titel van de gouverneur. Zie ook Ezra 2:63 en Neh. 10:2 (Hebr.). In Neh. 5:14 heet Nehemia ‘landvoogd’ (pechah), een ander woord. Het werkwoord is enkelvoud (‘en hij zei’), omdat Nehemia als eerste wordt genoemd; Ezra en de Levieten spreken met hem mee. Voetnoot : הַיּוֹם קָדֹשׁ (hayyom qadosh), ‘de dag is heilig’: de eerste dag van de zevende maand is een rustdag (Lev. 23:24–25; Num. 29:1). Zie ook: Lev 23:24–25; Num 29:1; Deut 12:12; Deut 16:11; Ezra 2:63; Neh 5:14; Neh 7:65; Neh 7:70; Neh 8:2; Neh 10:2 **8:10** Hij zei tegen hen: „Ga, eet vette gerechten en drink zoete dranken. Stuur porties aan wie niets heeft klaargemaakt. Want deze dag is heilig voor onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde van Yahweh is jullie kracht.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לָהֶ֡ם (lahem) = tot hen | לְכוּ֩ (lekhu) = gaat | אִכְל֨וּ (ikhlu) = eet | מַשְׁמַנִּ֜ים (mashmanim) = vette gerechten | וּשְׁת֣וּ (ushetu) = en drink | מַֽמְתַקִּ֗ים (mamtaqim) = zoete dranken | וְשִׁלְח֤וּ (veshilchu) = en stuur | מָנוֹת֙ (manot) = porties | לְאֵ֣ין (leein) = aan wie niet | נָכ֣וֹן (nakhon) = klaar is | ל֔וֹ (lo) = voor hem | כִּֽי (ki) = want | קָד֥וֹשׁ (qadosh) = heilig | הַיּ֖וֹם (hayom) = de dag | לַאֲדֹנֵ֑ינוּ (laadoneinu) = voor onze Heer | וְאַל (veal) = en niet | תֵּ֣עָצֵ֔בוּ (teatsevu) = wees bedroefd | כִּֽי (ki) = want | חֶדְוַ֥ת (chedvat) = de vreugde van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הִ֥יא (hi) = hij | מָֽעֻזְּכֶֽם (mauzekhem) = jullie kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשְׁמַנִּים (mashmannim), ‘vette gerechten’, en מַמְתַקִּים (mamtaqqim), ‘zoete dranken’: het gaat om het beste voedsel en drinken. Dit is een feestmaal. Voetnoot : מָנוֹת (manot), ‘porties’: gedeelde stukken eten. Zie ook Est. 9:19 en 9:22. Voetnoot : לַאדֹנֵינוּ (ladonenu), ‘voor onze Heer’: het is Yahweh die hier ‘onze Heer’ heet. Zie Neh. 1:11 voor ‘Heer’ zonder Yahweh. Voetnoot : חֶדְוַת יְהוָה (chedvat Yahweh), ‘de vreugde van Yahweh’: de vreugde die Yahweh geeft, of de vreugde in Yahweh. Het Hebreeuws laat beide toe. Wij laten dat open. Voetnoot : מָעֻזְּכֶם (ma’uzzekhem), ‘jullie kracht’: ook ‘schuilplaats’ of ‘toevlucht’. Zie ook: Ps 28:7–8; Spr 17:22; Pred 9:7; Jes 12:1–3; Est 9:19; Est 9:22; Neh 1:11; 2 Kor 12:8–9 **8:11** De Levieten brachten heel het volk tot rust met de woorden: „Wees stil, want deze dag is heilig. Wees niet bedroefd.” Brontekst: וְהַלְוִיִּ֞ם (vehalviyim) = en de Levieten | מַחְשִׁ֤ים (machshim) = brachten tot rust | לְכָל (lekhal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | לֵאמֹ֣ר (lemor) = zeggend | הַ֔סּוּ (hasu) = wees stil | כִּ֥י (ki) = want | הַיּ֖וֹם (hayom) = de dag | קָדֹ֑שׁ (qadosh) = heilig | וְאַל (veal) = en niet | תֵּעָצֵֽבוּ (teatsevu) = wees bedroefd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 13:30 **8:12** Heel het volk ging eten en drinken, porties sturen en een groot vreugdefeest vieren. Want zij hadden de woorden begrepen die hun bekend waren gemaakt. Brontekst: וַיֵּלְכ֨וּ (vayelekhu) = en gingen | כָל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | לֶאֱכֹ֤ל (leekhol) = om te eten | וְלִשְׁתּוֹת֙ (velishtot) = en te drinken | וּלְשַׁלַּ֣ח (uleshalach) = en te sturen | מָנ֔וֹת (manot) = porties | וְלַעֲשׂ֖וֹת (velaasot) = en te maken | שִׂמְחָ֣ה (simcha) = vreugde | גְדוֹלָ֑ה (gedola) = grote | כִּ֤י (ki) = want | הֵבִ֨ינוּ֙ (hevinu) = hadden begrepen | בַּדְּבָרִ֔ים (badevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הוֹדִ֖יעוּ (hodiu) = waren bekendgemaakt | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 119:72; Ps 119:130; Ps 119:171; Ps 119:174; Luc 24:32 ### Het feest van de hutten **8:13** Op de tweede dag kwamen de hoofden van de vaderhuizen van heel het volk, de priesters en de Levieten bijeen bij Ezra, de schriftgeleerde. Zij wilden inzicht krijgen in de woorden van de wet. Brontekst: וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשֵּׁנִ֡י (hasheni) = tweede | נֶאֶסְפוּ֩ (neesfu) = verzamelden zich | רָאשֵׁ֨י (rashei) = de hoofden van | הָאָב֜וֹת (haavot) = de vaderhuizen | לְכָל (lekhal) = van heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | אֶל (el) = bij | עֶזְרָ֖א (ezra) = Ezra | הַסֹּפֵ֑ר (hasofer) = de schriftgeleerde | וּלְהַשְׂכִּ֖יל (ulehaskil) = en om inzicht te krijgen | אֶל (el) = in | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | הַתּוֹרָֽה (hatora) = de wet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָאשֵׁי הָאָבוֹת (rashe ha’avot), ‘de hoofden van de vaderhuizen’: de leiders van de families. Zie ook Ezra 1:5. Zie ook: Spr 2:1–6; Spr 8:33–34; Spr 12:1; Ezra 1:5; Neh 8:7–8; Mar 6:33–34 **8:14** Zij vonden in de wet geschreven wat Yahweh door Mozes had geboden. De zonen van Israël moeten tijdens het feest in de zevende maand in hutten wonen. Brontekst: וַֽיִּמְצְא֖וּ (vayimtseu) = en zij vonden | כָּת֣וּב (katuv) = geschreven | בַּתּוֹרָ֑ה (batora) = in de wet | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | צִוָּ֤ה (tsiva) = had geboden | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | יֵשְׁב֨וּ (yeshevu) = zouden wonen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | בַּסֻּכּ֛וֹת (basukot) = in hutten | בֶּחָ֖ג (bechag) = op het feest | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁבִיעִֽי (hashevii) = de zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gebod over de hutten staat in Lev. 23:39–43. Het Hebreeuws geeft hier een samenvatting van dat gebod. Zie ook: Gen 33:17; Lev 23:34; Lev 23:39–43; Lev 23:40–43; Deut 16:13–15; Zach 14:16–19 **8:15** Ook moesten zij in al hun steden en in Jeruzalem laten horen en laten uitroepen: „Ga naar het gebergte. Haal takken van de olijfboom, takken van de wilde olijf, takken van de mirte, palmtakken en takken van bomen met dicht loof. Maak daarmee hutten, zoals geschreven staat.” Brontekst: וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en dat | יַשְׁמִ֗יעוּ (yashmiu) = zij moesten laten horen | וְיַעֲבִ֨ירוּ (veyaaviru) = en laten uitroepen | ק֥וֹל (qol) = een stem | בְּכָל (bekhal) = in al | עָרֵיהֶם֮ (areihem) = hun steden | וּבִירוּשָׁלִַ֣ם (uvirushaliam) = en in Jeruzalem | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggend | צְא֣וּ (tseu) = ga | הָהָ֗ר (hahar) = naar het gebergte | וְהָבִ֨יאוּ֙ (vehaviu) = en breng | עֲלֵי (alei) = takken van | זַ֨יִת֙ (zayit) = olijfbomen | וַעֲלֵי (vaalei) = en takken van | עֵ֣ץ (ets) = boom van | שֶׁ֔מֶן (shemen) = olie | וַעֲלֵ֤י (vaalei) = en takken van | הֲדַס֙ (hadas) = mirte | וַעֲלֵ֣י (vaalei) = en takken van | תְמָרִ֔ים (temarim) = palmen | וַעֲלֵ֖י (vaalei) = en takken van | עֵ֣ץ (ets) = boom van | עָבֹ֑ת (avot) = dicht loof | לַעֲשֹׂ֥ת (laasot) = om te maken | סֻכֹּ֖ת (sukot) = hutten | כַּכָּתֽוּב (kakatuv) = zoals geschreven staat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עֲלֵי עֵץ שֶׁמֶן (ale ets shemen), ‘takken van de oliehoutboom’: dat is waarschijnlijk de wilde olijf. Het gewone woord voor ‘olijfboom’ is זַיִת (zayit). Wij vertalen ‘olijfboom’ en ‘wilde olijf’. Voetnoot : עֵץ עָבֹת (ets avot), ‘boom met dicht loof’: zoals in Lev. 23:40. Voetnoot : De lijst van bomen wijkt af van Lev. 23:40 (daar: de vrucht van prachtige bomen, palmtakken, een tak van een boom met dicht loof en wilgen van de beek). Hier dienen de takken om hutten van te maken. Zie ook: Gen 8:11; Lev 23:4; Lev 23:40; Deut 16:16; Re 9:48–49 **8:16** Het volk ging erop uit en bracht takken mee. Zij maakten zich hutten, ieder op zijn eigen dak en op hun binnenplaatsen. Ook maakten zij hutten in de voorhoven van het huis van Elohim, op het plein van de Waterpoort en op het plein van de Efraïmpoort. Brontekst: וַיֵּצְא֣וּ (vayetseu) = en gingen uit | הָעָם֮ (haam) = het volk | וַיָּבִיאוּ֒ (vayaviu) = en brachten | וַיַּעֲשׂוּ֩ (vayaasu) = en maakten | לָהֶ֨ם (lahem) = voor zich | סֻכּ֜וֹת (sukot) = hutten | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | עַל (al) = op | גַּגּוֹ֙ (gago) = zijn dak | וּבְחַצְרֹ֣תֵיהֶ֔ם (uvechatsroteihem) = en op hun binnenplaatsen | וּבְחַצְר֖וֹת (uvechatsrot) = en in de voorhoven van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וּבִרְחוֹב֙ (uvirchov) = en op het plein van | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | וּבִרְח֖וֹב (uvirchov) = en op het plein van | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon. De precieze plaats is niet zeker. Zie Efraïmpoort (ligging onzeker): De Efraïmpoort was een poort in de noordmuur van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: חָצֵר (chatser): wij vertalen ‘binnenplaats’ bij de huizen en ‘voorhof’ bij het huis van Elohim. Het is hetzelfde Hebreeuwse woord. Voetnoot : שַׁעַר הַמַּיִם (sha’ar hammayim), ‘Waterpoort’, en שַׁעַר אֶפְרַיִם (sha’ar Efrayim), ‘Efraïmpoort’: poorten in de muur van Jeruzalem. Zie ook 2 Kon. 14:13 voor de Efraïmpoort. Zie ook: 2 Kon 14:13; Jer 32:29; Neh 3:26; Neh 12:37; Neh 12:39 **8:17** Heel de vergadering van hen die uit de ballingschap waren teruggekeerd, maakte hutten en woonde in die hutten. Want sinds de dagen van Jozua, de zoon van Nun, hadden de zonen van Israël dit tot op die dag niet gedaan. Er was zeer grote vreugde. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂ֣וּ (vayaasu) = en maakten | כָֽל (kal) = heel | הַ֠קָּהָל (haqahal) = de vergadering | הַשָּׁבִ֨ים (hashavim) = die terugkeerden | מִן (min) = uit | הַשְּׁבִ֥י (hashevi) = de ballingschap | סֻכּוֹת֮ (sukot) = hutten | וַיֵּשְׁב֣וּ (vayeshevu) = en woonden | בַסֻּכּוֹת֒ (basukot) = in de hutten | כִּ֣י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | עָשׂ֡וּ (asu) = hadden gedaan | מִימֵי֩ (mimei) = sinds de dagen van | יֵשׁ֨וּעַ (yeshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֥וּן (nun) = Nun | כֵּן֙ (ken) = zo | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en was | שִׂמְחָ֖ה (simcha) = vreugde | גְּדוֹלָ֥ה (gedola) = groot | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵשׁוּעַ בִּן נוּן (Yeshua bin Nun), ‘Jozua, de zoon van Nun’: de Hebreeuwse naam is hier Jesua. Het gaat om Jozua, de opvolger van Mozes. Zie Joz. 1:1. Voetnoot : Het feest van de hutten wordt ook genoemd in 2 Kron. 8:13 en in Ezra 3:4. Wij laten staan wat het Hebreeuws zegt: zo was het sinds de dagen van Jozua niet meer gevierd. Zie ook: Joz 1:1; 2 Kron 7:8–10; 2 Kron 8:13; 2 Kron 30:21–23; 2 Kron 30:26; Ezra 3:4 **8:18** Dag na dag las hij voor uit het boek van de wet van Elohim, van de eerste dag tot de laatste dag. Zij vierden het feest zeven dagen. Op de achtste dag was er een slotsamenkomst, volgens het recht. Brontekst: וַ֠יִּקְרָא (vayiqra) = en las voor | בְּסֵ֨פֶר (besefer) = uit het boek van | תּוֹרַ֤ת (torat) = de wet van | הָאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | י֣וֹם (yom) = dag | בְּי֔וֹם (beyom) = op dag | מִן (min) = van | הַיּוֹם֙ (hayom) = de dag | הָֽרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הָאַחֲר֑וֹן (haacharon) = de laatste | וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en zij maakten | חָג֙ (chag) = feest | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | וּבַיּ֧וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁמִינִ֛י (hashemini) = de achtste | עֲצֶ֖רֶת (atseret) = slotsamenkomst | כַּמִּשְׁפָּֽט (kamishpat) = volgens het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצֶרֶת (atseret), ‘slotsamenkomst’: de samenkomst op de achtste dag. Zie ook Lev. 23:36 en Num. 29:35. Voetnoot : כַּמִּשְׁפָּט (kammishpat), ‘volgens het recht’: volgens de bepaling in de wet. Zie ook Lev. 23:33–36. Voetnoot : Het onderwerp van ‘hij las’ is niet genoemd. Het is waarschijnlijk Ezra. Zie ook: Lev 23:33–36; Lev 23:36; Num 29:35; Deut 31:10–13; Joh 7:37 ## Nehemia 9 _De boete en het gebed van de Levieten_ ### Een dag van vasten en belijdenis **9:1** Op de vierentwintigste dag van deze maand kwamen de zonen van Israël bijeen. Zij vastten, droegen rouwkleed en hadden aarde op zich. Brontekst: וּבְיוֹם֩ (uveyom) = en op de dag | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֜ה (vearbaa) = en vier | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | נֶאֶסְפ֤וּ (neesfu) = verzamelden zich | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּצ֣וֹם (betsom) = met vasten | וּבְשַׂקִּ֔ים (uvesaqim) = en met rouwkleed | וַאֲדָמָ֖ה (vaadama) = en aarde | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂקִּים (saqqim), ‘rouwkleed’: grof kleed dat men bij rouw en boete droeg. Aarde op het hoofd hoort bij diepe rouw. Zie ook Jozua 7:6 en 1 Sam. 4:12. Voetnoot : Het feest van de hutten duurde zeven dagen, met een slotsamenkomst op de achtste dag (Neh. 8:18). Volgens Lev. 23:34–36 loopt dat van de vijftiende tot en met de tweeëntwintigste van de zevende maand. De vierentwintigste dag volgt daar kort op. De maand is waarschijnlijk de zevende (Neh. 8:14). De tekst zegt alleen ‘deze maand’. Zie ook: Lev 23:34–36; Joz 7:6; 1 Sam 4:12; Ezra 8:23; Neh 8:2; Neh 8:14; Neh 8:18; Hand 13:2–3 **9:2** Het nageslacht van Israël scheidde zich af van alle vreemden. Zij gingen staan en beleden hun zonden en de schuld van hun vaders. Brontekst: וַיִּבָּֽדְלוּ֙ (vayibadelu) = en scheidden zich af | זֶ֣רַע (zera) = het nageslacht van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִכֹּ֖ל (mikol) = van alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | נֵכָ֑ר (nekhar) = het vreemde | וַיַּעַמְד֗וּ (vayaamdu) = en stonden | וַיִּתְוַדּוּ֙ (vayitvadu) = en beleden | עַל (al) = over | חַטֹּ֣אתֵיהֶ֔ם (chatoteihem) = hun zonden | וַעֲוֺנ֖וֹת (vaavonot) = en de schuld van | אֲבֹתֵיהֶֽם (avoteihem) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶרַע יִשְׂרָאֵל (zera Yisrael), ‘het nageslacht van Israël’, en בְּנֵי נֵכָר (benei nekhar), ‘zonen van het vreemde’, dat wil zeggen vreemden of buitenlanders. Zie ook Neh. 13:1–3 en Ezra 9–10. Zie ook: Dan 9:3–10; Dan 9:20; Ezra 10:11; Neh 13:1–3; Neh 13:3; Neh 13:30 **9:3** Zij gingen op hun plaats staan. Een vierde deel van de dag lazen zij voor uit het boek van de wet van Yahweh, hun Elohim. Een vierde deel beleden zij hun zonden en wierpen zich neer voor Yahweh, hun Elohim. Brontekst: וַיָּק֨וּמוּ֙ (vayaqumu) = en stonden op | עַל (al) = op | עָמְדָ֔ם (amedam) = hun plaats | וַֽיִּקְרְא֗וּ (vayiqreu) = en lazen voor | בְּסֵ֨פֶר (besefer) = uit het boek van | תּוֹרַ֧ת (torat) = de wet van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun Elohim | רְבִעִ֣ית (reviit) = een vierde deel van | הַיּ֑וֹם (hayom) = de dag | וּרְבִעִית֙ (ureviit) = en een vierde deel | מִתְוַדִּ֣ים (mitvadim) = belijdend | וּמִֽשְׁתַּחֲוִ֔ים (umishtachavim) = en zich neerwerpend | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 8:3–4; Neh 8:7–8 **9:4** Op de verhoging van de Levieten stonden Jesua, Bani, Kadmiël, Sjebanja, Bunni, Sjerebja, Bani en Kenani. Zij riepen met luide stem tot Yahweh, hun Elohim. Brontekst: וַיָּ֜קָם (vayaqam) = en stond op | עַֽל (al) = op | מַֽעֲלֵ֣ה (maale) = de verhoging van | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | יֵשׁ֨וּעַ (yeshua) = Jesua | וּבָנִ֜י (uvani) = en Bani | קַדְמִיאֵ֧ל (qadmiel) = Kadmiël | שְׁבַנְיָ֛ה (shevanya) = Sjebanja | בֻּנִּ֥י (buni) = Bunni | שֵׁרֵבְיָ֖ה (shereveya) = Sjerebja | בָּנִ֣י (bani) = Bani | כְנָ֑נִי (kenani) = Kenani | וַֽיִּזְעֲקוּ֙ (vayizaqu) = en zij riepen | בְּק֣וֹל (beqol) = met stem | גָּד֔וֹל (gadol) = luid | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲלֶה (ma’aleh), ‘verhoging’: van het werkwoord ‘opstijgen’, dus een trap of verhoogde plaats. Het is niet zeker hoe het eruitzag. Het woord is verwant aan het woord voor het podium in Neh. 8:4, maar het is een ander woord. Voetnoot : De namen: Bani komt twee keer voor, Bunni (בֻּנִּי) eenmaal. Sommige namen staan ook in Neh. 8:7 en 10:10–14 (Hebr.). Zie ook: 2 Kron 20:19; Neh 8:4; Neh 8:7; Neh 9:5; Neh 10:10–14; Neh 12:8 ### Het gebed van de Levieten **9:5** De Levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Chasjabneja, Sjerebja, Hodia, Sjebanja en Petachja zeiden: „Sta op, zegen Yahweh, jullie Elohim, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Laat men Uw heerlijke naam zegenen, die verheven is boven alle zegen en lofzang. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | הַלְוִיִּ֡ם (halviyim) = de Levieten | יֵשׁ֣וּעַ (yeshua) = Jesua | וְ֠קַדְמִיאֵל (veqadmiel) = en Kadmiël | בָּנִ֨י (bani) = Bani | חֲשַׁבְנְיָ֜ה (chashavneya) = Chasjabneja | שֵׁרֵֽבְיָ֤ה (shereveya) = Sjerebja | הֽוֹדִיָּה֙ (hodiya) = Hodia | שְׁבַנְיָ֣ה (shevanya) = Sjebanja | פְתַֽחְיָ֔ה (petachya) = Petachja | ק֗וּמוּ (qumu) = sta op | בָּרֲכוּ֙ (barakhu) = zegen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | מִן (min) = van | הָעוֹלָ֖ם (haolam) = de eeuwigheid | עַד (ad) = tot | הָעוֹלָ֑ם (haolam) = de eeuwigheid | וִיבָֽרְכוּ֙ (vivarekhu) = en laat zegenen | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | כְּבוֹדֶ֔ךָ (kevodekha) = Uw heerlijkheid | וּמְרוֹמַ֥ם (umeromam) = en verheven | עַל (al) = boven | כָּל (kal) = alle | בְּרָכָ֖ה (berakha) = zegen | וּתְהִלָּֽה (utehila) = en lofzang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten spreken eerst tot het volk (‘Sta op, zegen Yahweh’) en gaan dan over in het gebed (‘Uw heerlijke naam’). Het gebed loopt door tot en met vers 37. Wij zetten het gebed tussen aanhalingstekens; het is zwart, omdat mensen spreken. Voetnoot : מִן הָעוֹלָם עַד הָעוֹלָם (min ha’olam ad ha’olam), ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’: zoals in Ps. 106:48, 90:2 en 103:17. Voetnoot : וִיבָרְכוּ (vivarekhu), ‘en laat men zegenen’: de vorm is een wens. Sommigen lezen het als een gewone verleden tijd (‘en zij zegenden’). Wij volgen de vorm van de wens, die bij het gebed past. Zie ook: Ps 90:2; Ps 103:1–2; Ps 103:17; Ps 106:2; Ps 106:48; Neh 9:37; Mat 11:25; 2 Kor 4:6; 1 Petr 1:3 ### U alleen bent Yahweh **9:6** U alleen bent Yahweh. U hebt de hemel gemaakt, de hemel van de hemelen met heel hun leger. U hebt de aarde gemaakt en alles wat erop is, de zeeën en alles wat erin is. U geeft hun allen het leven. Het leger van de hemel werpt zich voor U neer. Brontekst: אַתָּה (ata) = U | ה֣וּא (hu) = Hij | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | לְבַדֶּךָ֒ (levadekha) = U alleen | אַתָּ֣ה (ata) = U | עָשִׂ֡יתָ (asita) = hebt gemaakt | אֶֽת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַיִם֩ (hashamayim) = de hemel | שְׁמֵ֨י (shemei) = de hemel van | הַשָּׁמַ֜יִם (hashamayim) = de hemelen | וְכָל (vekhal) = en heel | צְבָאָ֗ם (tsevaam) = hun leger | הָאָ֜רֶץ (haarets) = de aarde | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = erop is | הַיַּמִּים֙ (hayamim) = de zeeën | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בָּהֶ֔ם (bahem) = erin is | וְאַתָּ֖ה (veata) = en U | מְחַיֶּ֣ה (mechaye) = geeft leven aan | אֶת (et) = (obj.) | כֻּלָּ֑ם (kulam) = hen allen | וּצְבָ֥א (utseva) = en het leger van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | לְךָ֥ (lekha) = voor U | מִשְׁתַּחֲוִֽים (mishtachavim) = zich neerwerpend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמֵי הַשָּׁמַיִם (shemei hashshamayim), ‘de hemel van de hemelen’: de hoogste hemel. Zie ook Deut. 10:14, 1 Kon. 8:27 en Ps. 148:4. Voetnoot : צְבָאָם (tsevaam), ‘hun leger’: de sterren en de hemelse machten. Zie ook Gen. 2:1 en Deut. 4:19. Zie ook: Gen 1:1; Gen 2:1; Deut 4:19; Deut 6:4; Deut 10:14; Ps 148:4; 1 Kon 8:27; Jes 37:16; Openb 4:11 ### Abraham en het verbond **9:7** U bent Yahweh, de Elohim die Abram heeft gekozen. U hebt hem uit Ur van de Chaldeeën geleid en hem de naam Abraham gegeven. Brontekst: אַתָּה (ata) = U | הוּא֙ (hu) = Hij | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בָּחַ֨רְתָּ֙ (bacharta) = hebt gekozen | בְּאַבְרָ֔ם (beavram) = Abram | וְהוֹצֵאת֖וֹ (vehotseto) = en hebt hem geleid | מֵא֣וּר (meur) = uit Ur van | כַּשְׂדִּ֑ים (kasdim) = de Chaldeeën | וְשַׂ֥מְתָּ (vesamta) = en hebt gegeven | שְּׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | אַבְרָהָֽם (avraham) = Abraham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ur: Ur lag in het zuiden van Mesopotamië, bij het huidige Tell el-Mukajjar in Irak, ten westen van de oude loop van de Eufraat. Voetnoot Uitleg: אוּר כַּשְׂדִּים (Ur Kasdim), ‘Ur van de Chaldeeën’: zie Gen. 11:28, 11:31 en 15:7. Dat Abram door Yahweh uit Ur is geleid, staat in Gen. 15:7. Voetnoot : Zijn naam Abram werd Abraham (Gen. 17:5). Zie ook: Gen 11:28; Gen 11:31; Gen 15:7; Gen 17:5; Jes 41:8–9; Jes 51:2; Hand 7:2–4 **9:8** U vond zijn hart betrouwbaar voor Uw aangezicht. U sloot met hem het verbond om het land van de Kanaäniet, de Hethiet, de Amoriet, de Perizziet, de Jebusiet en de Girgasiet te geven. Aan zijn nageslacht zou U het geven. U hebt Uw woorden waargemaakt, want U bent rechtvaardig. Brontekst: וּמָצָ֣אתָ (umatsata) = en U vond | אֶת (et) = (obj.) | לְבָבוֹ֮ (levavo) = zijn hart | נֶאֱמָ֣ן (neeman) = betrouwbaar | לְפָנֶיךָ֒ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | וְכָר֨וֹת (vekharot) = en sloot | עִמּ֜וֹ (imo) = met hem | הַבְּרִ֗ית (haberit) = het verbond | לָתֵ֡ת (latet) = om te geven | אֶת (et) = (obj.) | אֶרֶץ֩ (erets) = het land van | הַכְּנַעֲנִ֨י (hakenaani) = de Kanaäniet | הַחִתִּ֜י (hachiti) = de Hethiet | הָאֱמֹרִ֧י (haemori) = de Amoriet | וְהַפְּרִזִּ֛י (vehaperizi) = en de Perizziet | וְהַיְבוּסִ֥י (vehayvusi) = en de Jebusiet | וְהַגִּרְגָּשִׁ֖י (vehagirgashi) = en de Girgasiet | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | לְזַרְע֑וֹ (lezaro) = aan zijn nageslacht | וַתָּ֨קֶם֙ (vataqem) = en U liet opstaan | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרֶ֔יךָ (devareikha) = Uw woorden | כִּ֥י (ki) = want | צַדִּ֖יק (tsadiq) = rechtvaardig | אָֽתָּה (ata) = U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶאֱמָן (ne’eman), ‘betrouwbaar’: dit staat bij Abrahams hart; zie Gen. 15:6 en Gen. 22. Het zijn zes volken, zoals in Exod. 3:8 en 23:23. Daar staat de Chiwwiet, hier de Girgasiet. Deut. 7:1 noemt zeven volken en Gen. 15:19–21 tien. Voetnoot : צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: U hebt Uw woord gehouden. Zie ook: Gen 12:7; Gen 15:6; Gen 15:18–21; Gen 15:19–21; Ex 3:8; Ex 23:23; Deut 7:1; Joz 23:14; Heb 6:18 ### Egypte en de zee **9:9** U zag de ellende van onze vaders in Egypte. U hoorde hun noodkreet bij de Rietzee. Brontekst: וַתֵּ֛רֶא (vatere) = en U zag | אֶת (et) = (obj.) | עֳנִ֥י (oni) = de ellende van | אֲבֹתֵ֖ינוּ (avoteinu) = onze vaders | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זַעֲקָתָ֥ם (zaaqatam) = hun noodkreet | שָׁמַ֖עְתָּ (shamata) = U hoorde | עַל (al) = bij | יַם (yam) = de zee | סֽוּף (suf) = van riet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Voetnoot Uitleg: יַם סוּף (yam suf), ‘Rietzee’: zie Exod. 14–15. Zie ook Exod. 3:7 voor Yahweh die de ellende ziet en de noodkreet hoort. Zie ook: Ex 2:25; Ex 3:7–9; Ex 3:16; Ex 14:10–14; Hand 7:34 **9:10** U deed tekenen en wonderen aan farao, aan al zijn dienaren en aan heel het volk van zijn land. Want U wist dat zij hen overmoedig hadden behandeld. U maakte U een naam, die er nog is tot op deze dag. Brontekst: וַ֠תִּתֵּן (vatiten) = en U gaf | אֹתֹ֨ת (otot) = tekenen | וּמֹֽפְתִ֜ים (umofetim) = en wonderen | בְּפַרְעֹ֤ה (befaro) = aan farao | וּבְכָל (uvekhal) = en aan alle | עֲבָדָיו֙ (avadav) = zijn dienaren | וּבְכָל (uvekhal) = en aan alle | עַ֣ם (am) = volk van | אַרְצ֔וֹ (artso) = zijn land | כִּ֣י (ki) = want | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = U wist | כִּ֥י (ki) = dat | הֵזִ֖ידוּ (hezidu) = zij hadden overmoedig gehandeld | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = tegen hen | וַתַּֽעַשׂ (vataas) = en U maakte | לְךָ֥ (lekha) = voor U | שֵׁ֖ם (shem) = een naam | כְּהַיּ֥וֹם (kehayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵזִידוּ (hezidu), ‘zij handelden overmoedig’: het werkwoord betekent ook ‘opzettelijk en hooghartig handelen’. Zie ook Exod. 18:11. Voetnoot : וַתַּעַשׂ לְךָ שֵׁם (vatta’as lekha shem), ‘en U maakte U een naam’: een bekende naam, die tot op deze dag blijft. Zie Jes. 63:12 en Jer. 32:20. Zie ook: Ex 5:2; Ex 14:1–31; Ex 18:11; Jes 63:12; Jer 32:20; Dan 9:15 **9:11** U spleet de zee voor hun ogen, en zij gingen midden door de zee over het droge. Hun achtervolgers wierp U in de diepte, als een steen in geweldige wateren. Brontekst: וְהַיָּם֙ (vehayam) = en de zee | בָּקַ֣עְתָּ (baqata) = U hebt gespleten | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = voor hen | וַיַּֽעַבְר֥וּ (vayaavru) = en zij gingen over | בְתוֹךְ (betokh) = midden in | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | בַּיַּבָּשָׁ֑ה (bayabasha) = op het droge | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | רֹ֨דְפֵיהֶ֜ם (rodefeihem) = hun achtervolgers | הִשְׁלַ֧כְתָּ (hishlakhta) = U wierp | בִמְצוֹלֹ֛ת (bimtsolot) = in de diepten | כְּמוֹ (kemo) = als | אֶ֖בֶן (even) = een steen | בְּמַ֥יִם (bemayim) = in wateren | עַזִּֽים (azim) = geweldige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Exod. 14:21–29 en 15:5, 10. In Exod. 15:5 staat ‘als een steen’ en in 15:10 ‘als lood in geweldige wateren’. Voetnoot : מְצוֹלוֹת (metsolot), ‘diepten’: de diepten van de zee. Zie ook: Ex 14:21–22; Ex 14:27–28; Ex 15:5; Ps 78:13; Ps 114:3–5; Jes 63:11–13 **9:12** Met een wolkkolom leidde U hen overdag. Met een vuurkolom leidde U hen ’s nachts, om hun de weg te verlichten die zij moesten gaan. Brontekst: וּבְעַמּ֣וּד (uveamud) = en met een kolom van | עָנָ֔ן (anan) = wolk | הִנְחִיתָ֖ם (hinchitam) = U leidde hen | יוֹמָ֑ם (yomam) = overdag | וּבְעַמּ֥וּד (uveamud) = en met een kolom van | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | לַ֔יְלָה (layla) = ’s nachts | לְהָאִ֣יר (lehair) = om te verlichten | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | אֶת (et) = (obj.) | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יֵֽלְכוּ (yelekhu) = zij zouden gaan | בָֽהּ (bah) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:21–22; Ex 14:19–20; Ps 78:14; Ps 143:8; Neh 9:19 ### Sinaï en de woestijn **9:13** Op de berg Sinaï daalde U af en sprak met hen uit de hemel. U gaf hun juiste rechtsregels en ware wetten, goede voorschriften en geboden. Brontekst: וְעַ֤ל (veal) = en op | הַר (har) = de berg | סִינַי֙ (sinay) = Sinaï | יָרַ֔דְתָּ (yaradta) = U daalde af | וְדַבֵּ֥ר (vedaber) = en U sprak | עִמָּהֶ֖ם (imahem) = met hen | מִשָּׁמָ֑יִם (mishamayim) = uit de hemel | וַתִּתֵּ֨ן (vatiten) = en U gaf | לָהֶ֜ם (lahem) = hun | מִשְׁפָּטִ֤ים (mishpatim) = rechtsregels | יְשָׁרִים֙ (yesharim) = juiste | וְתוֹר֣וֹת (vetorot) = en wetten van | אֱמֶ֔ת (emet) = waarheid | חֻקִּ֥ים (chuqim) = voorschriften | וּמִצְוֺ֖ת (umitsvot) = en geboden | טוֹבִֽים (tovim) = goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: Zie Exod. 19–20 en Deut. 4:36. Voetnoot : מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsregels’: meervoud van ‘recht’ (mishpat). Het zijn afzonderlijke bepalingen. תּוֹרוֹת אֱמֶת (torot emet), ‘wetten van waarheid’: wetten die betrouwbaar zijn. Zie ook: Ex 19:11; Ex 20:1; Deut 4:36; Ps 119:127–128; Ps 119:160; Rom 7:12–14 **9:14** Uw heilige sabbat maakte U hun bekend. Geboden, voorschriften en een wet droeg U hun op door de hand van Mozes, Uw knecht. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁבַּ֥ת (shabat) = de sabbat van | קָדְשְׁךָ֖ (qadeshekha) = Uw heiligheid | הוֹדַ֣עַתָ (hodaata) = U maakte bekend | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | וּמִצְו֤וֹת (umitsvot) = en geboden | וְחֻקִּים֙ (vechuqim) = en voorschriften | וְתוֹרָ֔ה (vetora) = en een wet | צִוִּ֣יתָ (tsivita) = U droeg op | לָהֶ֔ם (lahem) = aan hen | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | עַבְדֶּֽךָ (avdekha) = Uw knecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De sabbat wordt hier apart genoemd, vóór de geboden, voorschriften en de wet. Zie Exod. 16:23–30, 20:8–11 en 31:13–17. Zie ook: Gen 2:3; Ex 16:23; Ex 20:8–11; Ezech 20:12; Ezech 20:20 **9:15** Brood uit de hemel gaf U hun voor hun honger. Water liet U voor hen uit een rots komen voor hun dorst. U zei hun dat zij moesten binnengaan om het land in bezit te nemen. Daarvoor had U Uw hand opgeheven om het hun te geven. Brontekst: וְ֠לֶחֶם (velechem) = en brood | מִשָּׁמַ֜יִם (mishamayim) = uit de hemel | נָתַ֤תָּה (natata) = U gaf | לָהֶם֙ (lahem) = hun | לִרְעָבָ֔ם (liravam) = voor hun honger | וּמַ֗יִם (umayim) = en water | מִסֶּ֛לַע (misela) = uit een rots | הוֹצֵ֥אתָ (hotseta) = U liet uitgaan | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לִצְמָאָ֑ם (litsmaam) = voor hun dorst | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en U zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tot hen | לָבוֹא֙ (lavo) = om binnen te gaan | לָרֶ֣שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָשָׂ֥אתָ (nasata) = U had opgeheven | אֶת (et) = (obj.) | יָדְךָ֖ (yadekha) = Uw hand | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לָהֶֽם (lahem) = hun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Exod. 16:4 (brood uit de hemel) en Exod. 17:6, Num. 20:8 (water uit de rots). נָשָׂאתָ אֶת יָדְךָ (nasata et yadkha), ‘U had Uw hand opgeheven’: de hand opheffen is een eed. Zie ook Exod. 6:8 en Deut. 32:40. Zie ook: Ex 6:8; Ex 16:4; Ex 16:14–15; Ex 17:6; Num 20:8; Deut 1:8; Deut 32:40; 1 Kor 10:3–4 ### Het gegoten kalf **9:16** Maar zij, onze vaders, waren overmoedig en maakten hun nek hard. Zij luisterden niet naar Uw geboden. Brontekst: וְהֵ֥ם (vehem) = en zij | וַאֲבֹתֵ֖ינוּ (vaavoteinu) = en onze vaders | הֵזִ֑ידוּ (hezidu) = handelden overmoedig | וַיַּקְשׁוּ֙ (vayaqshu) = en maakten hard | אֶת (et) = (obj.) | עָרְפָּ֔ם (arpam) = hun nek | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = luisterden | אֶל (el) = naar | מִצְוֺתֶֽיךָ (mitsvoteikha) = Uw geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:27; Ps 81:12–15; Neh 9:29; Rom 2:5; Heb 3:15 **9:17** Zij weigerden te luisteren en dachten niet aan Uw wonderen, die U onder hen had gedaan. Zij maakten hun nek hard. In hun weerspannigheid kozen zij een leider om terug te keren naar hun slavernij. Maar U bent een Elohim van vergevingen, genadig en barmhartig, langzaam tot toorn en rijk aan trouw. U hebt hen niet verlaten. Brontekst: וַיְמָאֲנ֣וּ (vaymaanu) = en weigerden | לִשְׁמֹ֗עַ (lishmoa) = om te luisteren | וְלֹא (velo) = en niet | זָכְר֤וּ (zakheru) = dachten aan | נִפְלְאֹתֶ֨יךָ֙ (nifleoteikha) = Uw wonderen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשִׂ֣יתָ (asita) = U had gedaan | עִמָּהֶ֔ם (imahem) = bij hen | וַיַּקְשׁוּ֙ (vayaqshu) = en maakten hard | אֶת (et) = (obj.) | עָרְפָּ֔ם (arpam) = hun nek | וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en kozen | רֹ֛אשׁ (rosh) = een hoofd | לָשׁ֥וּב (lashuv) = om terug te keren | לְעַבְדֻתָ֖ם (leavdutam) = naar hun slavernij | בְּמִרְיָ֑ם (bemiryam) = in hun weerspannigheid | וְאַתָּה֩ (veata) = en U | אֱל֨וֹהַּ (eloha) = een Elohim van | סְלִיח֜וֹת (selichot) = vergevingen | חַנּ֧וּן (chanun) = genadig | וְרַח֛וּם (verachum) = en barmhartig | אֶֽרֶךְ (erekh) = langzaam tot | אַפַּ֥יִם (apayim) = toorn | וְרַב (verav) = en rijk aan | חֶ֖סֶד (chesed) = trouw | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עֲזַבְתָּֽם (azavtam) = U verliet hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמִרְיָם (bemiryam), ‘in hun weerspannigheid’: zo staat het in de tekst. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘in Egypte’; vergelijk Num. 14:4, waar het volk zegt: ‘Laten we een leider kiezen en naar Egypte teruggaan.’ Voetnoot : אֱלוֹהַּ סְלִיחוֹת (Eloah selichot), ‘een Elohim van vergevingen’: Eloah is een enkelvoudige vorm van Elohim (zie Ps. 143:10). Over vergeving: Ps. 130:4 en Dan. 9:9. Voetnoot : חַנּוּן וְרַחוּם אֶרֶךְ אַפַּיִם וְרַב חֶסֶד (channun verachum erekh appayim verav chesed), ‘genadig en barmhartig, langzaam tot toorn en rijk aan trouw’: dit is de belijdenis uit Exod. 34:6. Zie ook Num. 14:18, Ps. 103:8, Joël 2:13 en Jona 4:2. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat voor ‘trouw’ een extra ‘en’; de leestekst (qere) heeft dat niet. Wij volgen de leestekst. Het Nederlands verandert niet. Zie ook: Ex 34:6; Num 14:4; Num 14:18; Ps 86:5; Ps 86:15; Ps 103:8; Ps 130:4; Ps 143:10; Ps 145:8–9; Joël 2:13; Jona 4:2; Mi 7:18–19; Dan 9:9 **9:18** Zij maakten zich zelfs een gegoten kalf. Zij zeiden: ‘Dit is je Elohim, die je uit Egypte heeft opgevoerd’, en zij begingen grote lasteringen. Brontekst: אַ֗ף (af) = ook | כִּֽי (ki) = wanneer | עָשׂ֤וּ (asu) = zij maakten | לָהֶם֙ (lahem) = voor zich | עֵ֣גֶל (egel) = een kalf van | מַסֵּכָ֔ה (masekha) = metaal | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | זֶ֣ה (ze) = dit | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶעֶלְךָ֖ (heelkha) = heeft opgevoerd | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַֽיַּעֲשׂ֔וּ (vayaasu) = en deden | נֶאָצ֖וֹת (neatsot) = lasteringen | גְּדֹלֽוֹת (gedolot) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: עֵגֶל מַסֵּכָה (egel massekhah), ‘gegoten kalf’: zie Exod. 32:4, 8. Voetnoot : נָאָצוֹת (na’atsot), ‘lasteringen’: het werkwoord ‘lasteren’ of ‘minachten’. Het volk minachtte Yahweh door het kalf. Voetnoot : In het Hebreeuws loopt de zin door in vers 19 (‘U verliet hen toch niet’). Wij hebben hem in korte zinnen gezet. Zie ook: Ex 32:4–8; Ex 32:31–32; Deut 9:12–16; Ps 106:19–23; Ezech 20:7–44; Neh 9:19 **9:19** Toch verliet U hen in Uw grote barmhartigheid niet in de woestijn. De wolkkolom week overdag niet van hen, om hen op de weg te leiden. De vuurkolom week ’s nachts niet, om hun de weg te verlichten die zij moesten gaan. Brontekst: וְאַתָּה֙ (veata) = en U | בְּרַחֲמֶ֣יךָ (berachameikha) = in Uw barmhartigheden | הָֽרַבִּ֔ים (harabim) = de vele | לֹ֥א (lo) = niet | עֲזַבְתָּ֖ם (azavtam) = verliet hen | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | אֶת (et) = (obj.) | עַמּ֣וּד (amud) = de kolom van | הֶ֠עָנָן (heanan) = de wolk | לֹא (lo) = niet | סָ֨ר (sar) = week | מֵעֲלֵיהֶ֤ם (mealeihem) = van hen | בְּיוֹמָם֙ (beyomam) = overdag | לְהַנְחֹתָ֣ם (lehanchotam) = om hen te leiden | בְּהַדֶּ֔רֶךְ (behaderekh) = op de weg | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמּ֨וּד (amud) = de kolom van | הָאֵ֤שׁ (haesh) = het vuur | בְּלַ֨יְלָה֙ (belayla) = ’s nachts | לְהָאִ֣יר (lehair) = om te verlichten | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יֵֽלְכוּ (yelekhu) = zij zouden gaan | בָֽהּ (bah) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Exod. 13:21–22 en Num. 14:14. Zie ook: Ex 13:21–22; Num 14:14; Ps 106:45; Neh 9:12; Neh 9:27; Mal 3:6 **9:20** Uw goede Geest gaf U om hun inzicht te geven. Uw manna onthield U hun mond niet. Water gaf U hun voor hun dorst. Brontekst: וְרוּחֲךָ֨ (veruchakha) = en Uw Geest | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = de goede | נָתַ֖תָּ (natata) = U gaf | לְהַשְׂכִּילָ֑ם (lehaskilam) = om hen inzicht te geven | וּמַנְךָ֙ (umankha) = en Uw manna | לֹא (lo) = niet | מָנַ֣עְתָּ (manata) = U onthield | מִפִּיהֶ֔ם (mipihem) = van hun mond | וּמַ֛יִם (umayim) = en water | נָתַ֥תָּה (natata) = U gaf | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | לִצְמָאָֽם (litsmaam) = voor hun dorst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחֲךָ הַטּוֹבָה (ruchakha hattovah), ‘Uw goede Geest’: de Geest van Yahweh, die inzicht geeft. Zie Num. 11:17, 11:25 en Ps. 143:10. Wij schrijven ‘Geest’ met een hoofdletter, omdat het de Geest van Yahweh is. Voetnoot : מָן (mann), ‘manna’: Exod. 16:14–15, 31–35. Water uit de rots: Exod. 17:6. Zie ook: Ex 16:14–15; Ex 17:6; Num 11:17; Num 11:25; Ps 143:10; Jes 63:11–14; Joh 4:10; 2 Petr 1:21 **9:21** Veertig jaar lang onderhield U hen in de woestijn. Zij kwamen niets tekort. Hun mantels werden niet oud en hun voeten zwollen niet op. Brontekst: וְאַרְבָּעִ֥ים (vearbaim) = en veertig | שָׁנָ֛ה (shana) = jaar | כִּלְכַּלְתָּ֥ם (kilkaltam) = U onderhield hen | בַּמִּדְבָּ֖ר (bamidbar) = in de woestijn | לֹ֣א (lo) = niet | חָסֵ֑רוּ (chaseru) = hadden tekort | שַׂלְמֹֽתֵיהֶם֙ (salmoteihem) = hun mantels | לֹ֣א (lo) = niet | בָל֔וּ (balu) = werden oud | וְרַגְלֵיהֶ֖ם (veragleihem) = en hun voeten | לֹ֥א (lo) = niet | בָצֵֽקוּ (batsequ) = zwollen op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Deut. 2:7 en 8:4 over de veertig jaar, waarin hun kleren niet oud werden en hun voeten niet opzwollen. Zie ook: Num 14:33–34; Deut 2:7; Deut 8:4; Deut 29:4; Ps 34:11 ### Het land in bezit **9:22** U gaf hun koninkrijken en volken en verdeelde die over hen, hoek na hoek. Zij namen het land van Sichon in bezit, het land van de koning van Chesbon, en het land van Og, de koning van Basan. Brontekst: וַתִּתֵּ֨ן (vatiten) = en U gaf | לָהֶ֤ם (lahem) = hun | מַמְלָכוֹת֙ (mamlakhot) = koninkrijken | וַעֲמָמִ֔ים (vaamamim) = en volken | וַֽתַּחְלְקֵ֖ם (vatachleqem) = en U verdeelde ze | לְפֵאָ֑ה (lefea) = naar elke hoek | וַיִּֽירְשׁ֞וּ (vayireshu) = en zij namen in bezit | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | סִיח֗וֹן (sichon) = Sichon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = het land van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | חֶשְׁבּ֔וֹן (cheshbon) = Chesbon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶ֖רֶץ (erets) = het land van | ע֥וֹג (og) = Og | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | הַבָּשָֽׁן (habashan) = Basan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: לַפֵּאָה (lape’ah), ‘naar elke hoek’: letterlijk ‘naar de hoek’. Het kan betekenen: elk volk kreeg zijn deel, ‘hoek na hoek’. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Sichon en Og: Num. 21:21–35 en Deut. 2:26–3:11. Zie ook: Num 21:21–35; Deut 2:26–3:11; Deut 32:26; Joz 10:11; Ps 78:65; Ps 135:10–12 **9:23** Hun zonen maakte U talrijk als de sterren van de hemel. U bracht hen in het land waarvan U hun vaders had gezegd dat zij erheen zouden gaan om het in bezit te nemen. Brontekst: וּבְנֵיהֶ֣ם (uveneihem) = en hun zonen | הִרְבִּ֔יתָ (hirbita) = U maakte talrijk | כְּכֹכְבֵ֖י (kekhokhevei) = als de sterren van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וַתְּבִיאֵם֙ (vateviem) = en U bracht hen | אֶל (el) = naar | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | אָמַ֥רְתָּ (amarta) = U had gezegd | לַאֲבֹתֵיהֶ֖ם (laavoteihem) = tegen hun vaders | לָב֥וֹא (lavo) = om binnen te gaan | לָרָֽשֶׁת (larashet) = om in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:7; Gen 15:5; Gen 22:17; Gen 26:3; 1 Kron 27:23 **9:24** De zonen kwamen en namen het land in bezit. U onderwierp de bewoners van het land, de Kanaänieten, voor hen. U gaf hen in hun hand, met hun koningen en de volken van het land, om met hen te doen wat zij wilden. Brontekst: וַיָּבֹ֤אוּ (vayavou) = en kwamen | הַבָּנִים֙ (habanim) = de zonen | וַיִּֽירְשׁ֣וּ (vayireshu) = en namen in bezit | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וַתַּכְנַ֨ע (vatakhna) = en U onderwierp | לִפְנֵיהֶ֜ם (lifneihem) = voor hen | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֤י (yoshevei) = de bewoners van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | הַכְּנַ֣עֲנִ֔ים (hakenaanim) = de Kanaänieten | וַֽתִּתְּנֵ֖ם (vatitenem) = en U gaf hen | בְּיָדָ֑ם (beyadam) = in hun hand | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכֵיהֶם֙ (malkheihem) = hun koningen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַֽמְמֵ֣י (ammei) = de volken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | בָּהֶ֖ם (bahem) = met hen | כִּרְצוֹנָֽם (kirtsonam) = naar hun wil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתַּכְנַע (vatakhna), ‘en U onderwierp’: het werkwoord ‘onderwerpen’. De Kanaänieten zijn hier de bewoners van het land in het algemeen. Zie ook: Joz 11:23; Joz 18:1; Joz 21:43; 1 Kron 22:18; Ps 44:3–4 **9:25** Zij veroverden versterkte steden en vruchtbare grond. Zij namen huizen in bezit die vol waren van alles wat goed is, uitgehouwen putten, wijngaarden, olijfbomen en vruchtbomen in overvloed. Zij aten, werden verzadigd en werden vet. Door Uw grote goedheid leefden zij in weelde. Brontekst: וַֽיִּלְכְּד֞וּ (vayilkedu) = en zij veroverden | עָרִ֣ים (arim) = steden | בְּצֻרוֹת֮ (betsurot) = versterkte | וַאֲדָמָ֣ה (vaadama) = en grond | שְׁמֵנָה֒ (shemena) = vette | וַיִּֽירְשׁ֡וּ (vayireshu) = en namen in bezit | בָּתִּ֣ים (batim) = huizen | מְלֵֽאִים (meleim) = vol van | כָּל (kal) = alles | ט֠וּב (tuv) = goeds | בֹּר֨וֹת (borot) = putten | חֲצוּבִ֜ים (chatsuvim) = uitgehouwen | כְּרָמִ֧ים (keramim) = wijngaarden | וְזֵיתִ֛ים (vezeitim) = en olijfbomen | וְעֵ֥ץ (veets) = en bomen van | מַאֲכָ֖ל (maakhal) = voedsel | לָרֹ֑ב (larov) = in overvloed | וַיֹּאכְל֤וּ (vayokhlu) = en aten | וַֽיִּשְׂבְּעוּ֙ (vayisbeu) = en werden verzadigd | וַיַּשְׁמִ֔ינוּ (vayashminu) = en werden vet | וַיִּֽתְעַדְּנ֖וּ (vayitadenu) = en leefden in weelde | בְּטוּבְךָ֥ (betuvekha) = door Uw goedheid | הַגָּדֽוֹל (hagadol) = de grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּרוֹת חֲצוּבִים (borot chatsuvim), ‘uitgehouwen putten’: putten of waterreservoirs in de rots. Zie ook Deut. 6:10–11, waar Yahweh zelf de steden, huizen en putten geeft. Voetnoot : וַיִּתְעַדְּנוּ (vayit’addenu), ‘en zij leefden in weelde’: van dezelfde wortel als ‘Eden’. Zie ook: Deut 3:5; Deut 6:10–12; Deut 32:15; Ezech 20:6; Neh 9:35 ### Opstand en redding, telkens opnieuw **9:26** Maar zij waren ongehoorzaam en kwamen in opstand tegen U. Zij wierpen Uw wet achter hun rug. Uw profeten, die tegen hen getuigden om hen naar U terug te brengen, doodden zij. Zij begingen grote lasteringen. Brontekst: וַיַּמְר֨וּ (vayamru) = en waren ongehoorzaam | וַֽיִּמְרְד֜וּ (vayimredu) = en kwamen in opstand | בָּ֗ךְ (bakh) = tegen U | וַיַּשְׁלִ֤כוּ (vayashlikhu) = en wierpen | אֶת (et) = (obj.) | תּוֹרָֽתְךָ֙ (toratekha) = Uw wet | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | גַוָּ֔ם (gavam) = hun rug | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נְבִיאֶ֣יךָ (nevieikha) = Uw profeten | הָרָ֔גוּ (haragu) = doodden zij | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵעִ֥ידוּ (heidu) = getuigden | בָ֖ם (bam) = tegen hen | לַהֲשִׁיבָ֣ם (lahashivam) = om hen terug te brengen | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = naar U | וַֽיַּעֲשׂ֔וּ (vayaasu) = en deden | נֶאָצ֖וֹת (neatsot) = lasteringen | גְּדוֹלֹֽת (gedolot) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּשְׁלִכוּ אֶת תּוֹרָתְךָ אַחֲרֵי גַוָּם (vayashlikhu et toratkha acharei gavvam), ‘zij wierpen Uw wet achter hun rug’: zij namen haar niet meer serieus. Zie ook 1 Kon. 14:9 en Ezech. 23:35. Voetnoot : Uw profeten doodden zij: zie 1 Kon. 18:4, 19:10 en 2 Kron. 24:21. Zie ook: Re 2:11–12; 1 Kon 14:9; 1 Kon 18:4; 1 Kon 19:10; 2 Kron 24:21; Ezech 23:35; Neh 9:18; Hand 7:52 **9:27** Toen gaf U hen in de hand van hun vijanden, die hen onderdrukten. In de tijd van hun nood riepen zij tot U. U hoorde het uit de hemel. In Uw grote barmhartigheid gaf U hun redders, die hen redden uit de hand van hun vijanden. Brontekst: וַֽתִּתְּנֵם֙ (vatitenem) = en U gaf hen | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | צָֽרֵיהֶ֔ם (tsareihem) = hun vijanden | וַיָּצֵ֖רוּ (vayatseru) = en zij onderdrukten | לָהֶ֑ם (lahem) = hen | וּבְעֵ֤ת (uveet) = en in de tijd van | צָֽרָתָם֙ (tsaratam) = hun nood | יִצְעֲק֣וּ (yitsaqu) = riepen zij | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot U | וְאַתָּה֙ (veata) = en U | מִשָּׁמַ֣יִם (mishamayim) = uit de hemel | תִּשְׁמָ֔ע (tishma) = hoorde | וּֽכְרַחֲמֶ֣יךָ (ukherachameikha) = en naar Uw barmhartigheden | הָֽרַבִּ֗ים (harabim) = de vele | תִּתֵּ֤ן (titen) = gaf U | לָהֶם֙ (lahem) = hun | מֽוֹשִׁיעִ֔ים (moshiim) = redders | וְיוֹשִׁיע֖וּם (veyoshium) = en zij redden hen | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | צָרֵיהֶֽם (tsareihem) = hun vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹשִׁיעִים (moshi’im), ‘redders’: zoals de richters. Zie Richt. 2:16 en 3:9, 15. Het werkwoord is ‘redden’ (hoshia). Zie ook: Re 2:16; Re 3:9; Re 10:15–16; Ps 106:41–45; 2 Kon 13:5; 2 Kon 14:27; Dan 9:10–14 **9:28** Zodra zij rust hadden, deden zij weer wat kwaad is voor Uw aangezicht. Dan liet U hen in de hand van hun vijanden, die over hen heersten. Dan keerden zij terug en riepen U aan. U hoorde het uit de hemel en bevrijdde hen, vele malen, in Uw barmhartigheid. Brontekst: וּכְנ֣וֹחַ (ukhenoach) = en bij het rusten | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | יָשׁ֕וּבוּ (yashuvu) = keerden zij weer | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | רַ֖ע (ra) = kwaad | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | וַתַּֽעַזְבֵ֞ם (vataazvem) = en U liet hen | בְּיַ֤ד (beyad) = in de hand van | אֹֽיְבֵיהֶם֙ (oyeveihem) = hun vijanden | וַיִּרְדּ֣וּ (vayirdu) = en zij heersten | בָהֶ֔ם (bahem) = over hen | וַיָּשׁ֨וּבוּ֙ (vayashuvu) = en zij keerden terug | וַיִּזְעָק֔וּךָ (vayizaqukha) = en riepen U aan | וְאַתָּ֞ה (veata) = en U | מִשָּׁמַ֧יִם (mishamayim) = uit de hemel | תִּשְׁמַ֛ע (tishma) = hoorde | וְתַצִּילֵ֥ם (vetatsilem) = en U bevrijdde hen | כְּֽרַחֲמֶ֖יךָ (kerachameikha) = naar Uw barmhartigheden | רַבּ֥וֹת (rabot) = vele | עִתִּֽים (itim) = malen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het patroon van het boek Richteren: rust, kwaad doen, onderdrukking, roepen, redding. Zie Richt. 2:18–19. Voetnoot : וַתַּצִּילֵם (vattatsilem), ‘en U bevrijdde hen’: het werkwoord ‘bevrijden’ (hitsil). Zie ook: Re 2:18–19; Re 3:11–12; Re 3:30; Re 4:1; Re 5:31–6:1; 1 Kon 8:33–34 **9:29** U waarschuwde hen om hen terug te brengen naar Uw wet. Maar zij waren overmoedig en luisterden niet naar Uw geboden. Zij zondigden tegen Uw rechtsregels, waardoor een mens leeft als hij ze doet. Zij hielden hun schouder weerspannig, maakten hun nek hard en luisterden niet. Brontekst: וַתָּ֨עַד (vataad) = en U waarschuwde | בָּהֶ֜ם (bahem) = hen | לַהֲשִׁיבָ֣ם (lahashivam) = om hen terug te brengen | אֶל (el) = naar | תּוֹרָתֶ֗ךָ (toratekha) = Uw wet | וְהֵ֨מָּה (vehema) = en zij | הֵזִ֜ידוּ (hezidu) = handelden overmoedig | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁמְע֤וּ (shameu) = luisterden | לְמִצְוֺתֶ֨יךָ֙ (lemitsvoteikha) = naar Uw geboden | וּבְמִשְׁפָּטֶ֣יךָ (uvemishpateikha) = en tegen Uw rechtsregels | חָֽטְאוּ (chateu) = zondigden | בָ֔ם (bam) = tegen die | אֲשֶׁר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = doet | אָדָ֖ם (adam) = een mens | וְחָיָ֣ה (vechaya) = en leeft | בָהֶ֑ם (bahem) = door ze | וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en zij gaven | כָתֵף֙ (katef) = een schouder | סוֹרֶ֔רֶת (soreret) = weerspannige | וְעָרְפָּ֥ם (vearpam) = en hun nek | הִקְשׁ֖וּ (hiqshu) = maakten hard | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמֵֽעוּ (shameu) = luisterden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֶׁר יַעֲשֶׂה אָדָם וְחָיָה בָהֶם (asher ya’aseh adam vechayah vahem), ‘waardoor een mens leeft als hij ze doet’: zie Lev. 18:5. Zie ook Ezech. 20:11. Voetnoot : וַיִּתְּנוּ כָתֵף סוֹרֶרֶת (vayittenu khatef sorerret), ‘zij hielden hun schouder weerspannig’: het beeld is van een rund dat zich aan het juk onttrekt. Zie ook Hos. 4:16 en Zach. 7:11. Zie ook: Lev 18:5; Hos 4:16; Jer 43:2; Ezech 20:11; Zach 7:11; Neh 9:10; Neh 9:16; Neh 9:26 **9:30** Vele jaren had U geduld met hen. U waarschuwde hen door Uw Geest, door Uw profeten, maar zij luisterden niet. Toen gaf U hen in de hand van de volken van de landen. Brontekst: וַתִּמְשֹׁ֤ךְ (vatimshokh) = en U rekte uit | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | שָׁנִ֣ים (shanim) = jaren | רַבּ֔וֹת (rabot) = vele | וַתָּ֨עַד (vataad) = en U waarschuwde | בָּ֧ם (bam) = hen | בְּרוּחֲךָ֛ (beruchakha) = door Uw Geest | בְּיַד (beyad) = door de hand van | נְבִיאֶ֖יךָ (nevieikha) = Uw profeten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | הֶאֱזִ֑ינוּ (heezinu) = luisterden zij | וַֽתִּתְּנֵ֔ם (vatitenem) = en U gaf hen | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | עַמֵּ֥י (amei) = de volken van | הָאֲרָצֹֽת (haaratsot) = de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתִּמְשֹׁךְ (vattimshokh), ‘en U rekte uit’: U bleef lang geduld hebben, letterlijk ‘trok het uit’. Voetnoot : עַמֵּי הָאֲרָצֹת (ammei ha’aratsot), ‘de volken van de landen’: de volken om Israël heen. Zie ook: 2 Kon 17:13–18; 2 Kron 36:15–16; Jes 63:10; Hand 7:51; Rom 2:4 **9:31** Maar in Uw grote barmhartigheid maakte U geen einde aan hen en verliet U hen niet. Want U bent een genadige en barmhartige El. Brontekst: וּֽבְרַחֲמֶ֧יךָ (uverachameikha) = en in Uw barmhartigheden | הָרַבִּ֛ים (harabim) = de vele | לֹֽא (lo) = niet | עֲשִׂיתָ֥ם (asitam) = U maakte hen | כָּלָ֖ה (kala) = een einde | וְלֹ֣א (velo) = en niet | עֲזַבְתָּ֑ם (azavtam) = U verliet hen | כִּ֛י (ki) = want | אֵֽל (el) = een El | חַנּ֥וּן (chanun) = genadig | וְרַח֖וּם (verachum) = en barmhartig | אָֽתָּה (ata) = U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּלָה (kalah), ‘einde’: een volledige vernietiging. Zie ook Jer. 4:27 en 30:11. Zie ook: Ex 34:6–7; Ps 103:8–9; Jer 4:27; Jer 30:11; Klaagl 3:22; Neh 9:17 ### Nu dan: zie onze nood **9:32** Nu dan, onze Elohim, grote, sterke en ontzagwekkende El, die het verbond en de trouw bewaart. Laat al de moeite die ons heeft getroffen niet gering zijn voor Uw aangezicht. Het trof onze koningen, onze oversten, onze priesters, onze profeten en onze vaders. Het trof heel Uw volk, sinds de dagen van de koningen van Assyrië tot op deze dag. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | אֱ֠לֹהֵינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הָאֵ֨ל (hael) = de El | הַגָּד֜וֹל (hagadol) = de grote | הַגִּבּ֣וֹר (hagibor) = de sterke | וְהַנּוֹרָא֮ (vehanora) = en de ontzagwekkende | שׁוֹמֵ֣ר (shomer) = die bewaart | הַבְּרִ֣ית (haberit) = het verbond | וְהַחֶסֶד֒ (vehachesed) = en de trouw | אַל (al) = niet | יִמְעַ֣ט (yimat) = laat gering zijn | לְפָנֶ֡יךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַתְּלָאָ֣ה (hatelaa) = de moeite | אֲֽשֶׁר (asher) = dat | מְ֠צָאַתְנוּ (metsaatnu) = heeft ons getroffen | לִמְלָכֵ֨ינוּ (limlakheinu) = voor onze koningen | לְשָׂרֵ֧ינוּ (lesareinu) = voor onze oversten | וּלְכֹהֲנֵ֛ינוּ (ulekhohaneinu) = en voor onze priesters | וְלִנְבִיאֵ֥נוּ (velinvienu) = en voor onze profeten | וְלַאֲבֹתֵ֖ינוּ (velaavoteinu) = en voor onze vaders | וּלְכָל (ulekhal) = en voor heel | עַמֶּ֑ךָ (amekha) = Uw volk | מִימֵי֙ (mimei) = sinds de dagen van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: הַתְּלָאָה (hatte’alah), ‘de moeite’: wat een volk aan tegenslag en nood doorstaat. Dezelfde woorden staan in Num. 20:14; zie ook Exod. 18:8. Wij houden ‘moeite’ aan. Voetnoot : מַלְכֵי אַשּׁוּר (malkhei Ashur), ‘de koningen van Assyrië’: de Assyrische koningen. Zie 2 Kon. 15:19, 17:6. Voetnoot : שֹׁמֵר הַבְּרִית וְהַחֶסֶד (shomer haberit vehachesed), ‘die het verbond en de trouw bewaart’: zie Deut. 7:9 en 1 Kon. 8:23. Zie ook: Ex 18:8; Num 20:14; Deut 7:9; 1 Kon 8:23; 2 Kon 15:19; 2 Kon 17:6; Mi 7:18–20; Dan 9:4; Dan 9:8; Neh 1:5 **9:33** U bent rechtvaardig in alles wat over ons is gekomen, want U hebt naar de waarheid gehandeld. Wij echter hebben goddeloos gehandeld. Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en U | צַדִּ֔יק (tsadiq) = rechtvaardig | עַ֖ל (al) = in | כָּל (kal) = alles | הַבָּ֣א (haba) = wat kwam | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = over ons | כִּֽי (ki) = want | אֱמֶ֥ת (emet) = waarheid | עָשִׂ֖יתָ (asita) = U hebt gedaan | וַאֲנַ֥חְנוּ (vaanachnu) = en wij | הִרְשָֽׁעְנוּ (hirshaenu) = hebben goddeloos gehandeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’. הִרְשָׁעְנוּ (hirsha’nu), ‘wij hebben goddeloos gehandeld’: het is het tegenovergestelde van ‘rechtvaardig’. Zie ook Dan. 9:5 en Ps. 106:6. Zie ook: Gen 18:25; Job 34:23; Ps 106:6; Ps 119:137; Dan 9:5–14 **9:34** Onze koningen, onze oversten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan. Zij letten niet op Uw geboden en Uw getuigenissen, waarmee U hen hebt gewaarschuwd. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מְלָכֵ֤ינוּ (melakheinu) = onze koningen | שָׂרֵ֨ינוּ֙ (sareinu) = onze oversten | כֹּהֲנֵ֣ינוּ (kohaneinu) = onze priesters | וַאֲבֹתֵ֔ינוּ (vaavoteinu) = en onze vaders | לֹ֥א (lo) = niet | עָשׂ֖וּ (asu) = deden | תּוֹרָתֶ֑ךָ (toratekha) = Uw wet | וְלֹ֤א (velo) = en niet | הִקְשִׁ֨יבוּ֙ (hiqshivu) = letten op | אֶל (el) = naar | מִצְוֺתֶ֔יךָ (mitsvoteikha) = Uw geboden | וּלְעֵ֣דְוֺתֶ֔יךָ (uleedevoteikha) = en naar Uw getuigenissen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | הַעִידֹ֖תָ (haidota) = U waarschuwde | בָּהֶֽם (bahem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:21; 2 Kon 17:13; 2 Kon 17:15; Jer 29:19; Neh 9:30 **9:35** Zij dienden U niet in hun koninkrijk, ondanks Uw grote goedheid die U hun gaf. Ook niet in het ruime en vruchtbare land dat U voor hen had gelegd. Zij keerden zich niet af van hun slechte daden. Brontekst: וְהֵ֣ם (vehem) = en zij | בְּמַלְכוּתָם֩ (bemalkhutam) = in hun koninkrijk | וּבְטוּבְךָ֨ (uvetuvekha) = en in Uw goedheid | הָרָ֜ב (harav) = de grote | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֣תָּ (natata) = U gaf | לָהֶ֗ם (lahem) = hun | וּבְאֶ֨רֶץ (uveerets) = en in het land | הָרְחָבָ֧ה (harechava) = het ruime | וְהַשְּׁמֵנָ֛ה (vehashemena) = en het vruchtbare | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥תָּ (natata) = U gaf | לִפְנֵיהֶ֖ם (lifneihem) = voor hen | לֹ֣א (lo) = niet | עֲבָד֑וּךָ (avadukha) = dienden U | וְֽלֹא (velo) = en niet | שָׁ֔בוּ (shavu) = keerden terug | מִמַּֽעַלְלֵיהֶ֖ם (mimaalleihem) = van hun daden | הָרָעִֽים (haraim) = de slechte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 8:7–10; Deut 28:47; Deut 32:12–15; Jer 5:19; Neh 9:25 **9:36** Zie, wij zijn vandaag slaven. Zie, in het land dat U aan onze vaders gaf om zijn vrucht en zijn goede gaven te eten, zijn wij slaven. Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | אֲנַ֥חְנוּ (anachnu) = wij | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | עֲבָדִ֑ים (avadim) = slaven | וְהָאָ֜רֶץ (vehaarets) = en het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֣תָּה (natata) = U gaf | לַאֲבֹתֵ֗ינוּ (laavoteinu) = aan onze vaders | לֶאֱכֹ֤ל (leekhol) = om te eten | אֶת (et) = (obj.) | פִּרְיָהּ֙ (piryah) = zijn vrucht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | טוּבָ֔הּ (tuvah) = zijn goede | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | אֲנַ֥חְנוּ (anachnu) = wij | עֲבָדִ֖ים (avadim) = slaven | עָלֶֽיהָ (aleiha) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבָדִים (avadim), ‘slaven’: het woord is hetzelfde als ‘knechten’ (zoals in 1:6). Wij vertalen hier ‘slaven’, omdat het om onderworpenheid aan vreemde koningen gaat (vers 37). Zie ook: Deut 28:48; 2 Kron 12:8; Ezra 9:9; Neh 9:37 **9:37** Zijn opbrengst maakt de koningen rijk die U vanwege onze zonden over ons hebt gesteld. Zij heersen over ons lichaam en over ons vee, naar hun wil. Wij zitten in grote nood.” Brontekst: וּתְבוּאָתָ֣הּ (utevuatah) = en zijn opbrengst | מַרְבָּ֗ה (marba) = maakt rijk | לַמְּלָכִ֛ים (lamelakhim) = de koningen | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥תָּה (natata) = U hebt gesteld | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = over ons | בְּחַטֹּאותֵ֑ינוּ (bechatovteinu) = om onze zonden | וְעַ֣ל (veal) = en over | גְּ֠וִיֹּתֵינוּ (geviyoteinu) = ons lichaam | מֹשְׁלִ֤ים (moshelim) = heersen zij | וּבִבְהֶמְתֵּ֨נוּ֙ (uvivhemtenu) = en over ons vee | כִּרְצוֹנָ֔ם (kirtsonam) = naar hun wil | וּבְצָרָ֥ה (uvetsara) = en in nood | גְדוֹלָ֖ה (gedola) = grote | אֲנָֽחְנוּ (anachenu) = wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּוִיֹּתֵינוּ (geviyyotenu), ‘ons lichaam’: het woord kan ook ‘lijf’ of ‘persoon’ betekenen. Het Hebreeuws zegt dat de koningen over ons lichaam en ons vee heersen ‘naar hun wil’ (kirtsonam). Voetnoot : Het gebed eindigt hier. Het verhaal gaat verder in Neh. 10:1 (Hebr.), dat in Nederlandse Bijbels Neh. 9:38 is. Zie ook: Deut 28:33; Deut 28:48; Ezra 4:13; Ezra 7:24; Neh 9:38; Neh 10:1; Joh 8:33 ## Nehemia 10 _De verbintenis van het volk_ ### De overeenkomst wordt verzegeld **10:1** Vanwege dit alles sluiten wij een vaste overeenkomst. Wij schrijven haar op. Op het verzegelde stuk staan onze oversten, onze Levieten en onze priesters. Brontekst: וּבְכָל (uvekhal) = en vanwege alles | זֹ֕את (zot) = dit | אֲנַ֛חְנוּ (anachnu) = wij | כֹּרְתִ֥ים (koretim) = sluitend | אֲמָנָ֖ה (amana) = een vaste overeenkomst | וְכֹתְבִ֑ים (vekhotevim) = en schrijvend | וְעַל֙ (veal) = en op | הֶֽחָת֔וּם (hechatum) = het verzegelde | שָׂרֵ֥ינוּ (sareinu) = onze oversten | לְוִיֵּ֖נוּ (leviyenu) = onze Levieten | כֹּהֲנֵֽינוּ (kohaneinu) = onze priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tellingen verschillen. Hebr. 10:1 is in Nederlandse Bijbels Neh. 9:38. Hebr. 10:2–40 is Neh. 10:1–39. Wij volgen de Hebreeuwse telling. Voetnoot : אֲמָנָה (amanah), ‘vaste overeenkomst’: een betrouwbare, bindende afspraak, van hetzelfde grondwoord als ‘amen’ en ‘trouw’. Zie ook Neh. 11:23. Voetnoot : הֶחָתוּם (hechatum), ‘het verzegelde’: het stuk waarop de namen en de zegels van de ondertekenaars stonden. Voetnoot : בְּכָל זֹאת (bekhol zot), ‘vanwege dit alles’: een terugblik op het gebed in Neh. 9. Het Hebreeuws kan ook ‘ondanks dit alles’ betekenen. Wij laten het open. Zie ook: 2 Kron 23:16; 2 Kron 34:31; Ezra 10:3; Neh 9:38; Neh 10:2; Neh 10:30; Neh 11:23; Heb 10:1; Heb 10:2–40 ### Wie haar verzegelden: Nehemia en de priesters **10:2** Op de verzegelde stukken staan: Nehemia, de Tirsjata, de zoon van Chakalja, en Zidkia. Brontekst: וְעַ֖ל (veal) = en op | הַחֲתוּמִ֑ים (hachatumim) = de verzegelden | נְחֶמְיָ֧ה (nechemya) = Nehemia | הַתִּרְשָׁ֛תָא (hatirshata) = de Tirsjata | בֶּן (ben) = zoon van | חֲכַלְיָ֖ה (chakhalya) = Chakalja | וְצִדְקִיָּֽה (vetsidqiya) = en Zidkia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier wijkt de telling af: Hebr. 10:2 is Neh. 10:1 in Nederlandse Bijbels. Voetnoot : הַתִּרְשָׁתָא (hattirshata), ‘de Tirsjata’: de titel van Nehemia; zie Neh. 8:9. Nehemia noemt zich in 5:14 ‘landvoogd’ (pechah), een ander woord. Voetnoot : De lijst in de verzen 2–28 begint met Nehemia en gaat dan over naar de families. De namen in de verzen 3–9 komen deels overeen met de priestergeslachten in Neh. 12:1–7. De spelling kan verschillen, omdat het Hebreeuws verschilt. Zie ook: Ezra 2:63; Neh 1:1; Neh 7:70; Neh 8:9; Neh 10:1; Neh 12:1–7; Heb 10:2 **10:3** Seraja, Azarja en Jeremia. Brontekst: שְׂרָיָ֥ה (seraya) = Seraja | עֲזַרְיָ֖ה (azarya) = Azarja | יִרְמְיָֽה (yirmeya) = Jeremia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְמְיָה (Yirmeyah), ‘Jeremia’: een priester, niet de profeet. Wij schrijven de naam zoals in Neh. 12:1. Zie ook: Neh 3:23; Neh 11:11; Neh 12:1; Neh 12:33–34 **10:4** Pasjchur, Amarja en Malkia. Brontekst: פַּשְׁח֥וּר (pashchur) = Pasjchur | אֲמַרְיָ֖ה (amarya) = Amarja | מַלְכִּיָּֽה (malkiya) = Malkia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 3:11; Neh 8:4; Neh 11:12; Neh 12:2; Neh 12:13 **10:5** Chattusj, Sjebanja en Malluk. Brontekst: חַטּ֥וּשׁ (chatush) = Chattusj | שְׁבַנְיָ֖ה (shevanya) = Sjebanja | מַלּֽוּךְ (malukh) = Malluk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 3:10; Neh 12:2; Neh 12:14 **10:6** Charim, Meremot en Obadja. Brontekst: חָרִ֥ם (charim) = Charim | מְרֵמ֖וֹת (meremot) = Meremot | עֹֽבַדְיָֽה (ovadya) = Obadja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Meremot (מְרֵמוֹת) is dezelfde naam als in Neh. 3:4, 3:21 en Ezra 8:33. Zie ook: Ezra 8:33; Neh 3:4; Neh 3:11; Neh 3:21; Neh 12:3 **10:7** Daniël, Ginneton en Baruch. Brontekst: דָּנִיֵּ֥אל (daniyel) = Daniël | גִּנְּת֖וֹן (gineton) = Ginneton | בָּרֽוּךְ (barukh) = Baruch Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּנִיֵּאל (Daniye’el), ‘Daniël’: een priester, niet de profeet van het boek Daniël. Voetnoot : גִּנְּתוֹן (Ginneton): zo is de naam hier geschreven; in Neh. 12:4 staat een verwante vorm. Zie ook: Neh 3:20; Neh 12:4 **10:8** Mesjullam, Abia en Mijamin. Brontekst: מְשֻׁלָּ֥ם (meshulam) = Mesjullam | אֲבִיָּ֖ה (aviya) = Abia | מִיָּמִֽן (miyamin) = Mijamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 8:4; Neh 11:11; Neh 12:4–5; Neh 12:17; Neh 12:41 **10:9** Maäzja, Bilgai en Sjemaja. Dit zijn de priesters. Brontekst: מַֽעַזְיָ֥ה (maazya) = Maäzja | בִלְגַּ֖י (bilgay) = Bilgai | שְׁמַֽעְיָ֑ה (shemaya) = Sjemaja | אֵ֖לֶּה (ele) = dit zijn | הַכֹּהֲנִֽים (hakohanim) = de priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er zijn 21 priesters genoemd: Seraja, Azarja, Jeremia, Pasjchur, Amarja, Malkia, Chattusj, Sjebanja, Malluk, Charim, Meremot, Obadja, Daniël, Ginneton, Baruch, Mesjullam, Abia, Mijamin, Maäzja, Bilgai en Sjemaja. Nehemia is als eerste ondertekenaar genoemd (vers 2). Zie ook: Ezra 10:21; Neh 3:29; Neh 10:2; Neh 12:5–6; Neh 12:18; Neh 12:42 ### De Levieten **10:10** En de Levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnoei, uit de zonen van Chenadad, en Kadmiël. Brontekst: וְֽהַלְוִיִּ֑ם (vehalviyim) = en de Levieten | וְיֵשׁ֨וּעַ֙ (veyeshua) = en Jesua | בֶּן (ben) = zoon van | אֲזַנְיָ֔ה (azanya) = Azanja | בִּנּ֕וּי (binuy) = Binnoei | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = uit de zonen van | חֵנָדָ֖ד (chenadad) = Chenadad | קַדְמִיאֵֽל (qadmiel) = Kadmiël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten: Jesua en Binnoei, Kadmiël (vers 10), Sjebanja, Hodia, Kelita, Pelaja en Chanan (vers 11), Micha, Rechob en Chasjabja (vers 12), Zakkur, Sjerebja en Sjebanja (vers 13), Hodia, Bani en Beninu (vers 14). Veel namen staan ook in Neh. 8:7 en 9:4–5. Voetnoot : בִּנּוּי (Binnuy), ‘Binnoei’: dezelfde naam als in Ezra 8:33 en 10:30. Voetnoot : חֵנָדָד (Chenadad): een Levitische familie; zie Ezra 3:9 en Neh. 3:18 en 3:24. Zie ook: Ezra 3:9; Ezra 8:33; Ezra 10:30; Neh 3:18–19; Neh 3:24; Neh 8:7; Neh 9:4; Neh 10:11; Neh 10:12; Neh 10:13; Neh 10:14; Neh 12:8; Neh 12:24 **10:11** En hun broers: Sjebanja, Hodia, Kelita, Pelaja en Chanan. Brontekst: וַאֲחֵיהֶ֑ם (vaacheihem) = en hun broers | שְׁבַנְיָ֧ה (shevanya) = Sjebanja | הֽוֹדִיָּ֛ה (hodiya) = Hodia | קְלִיטָ֖א (qelita) = Kelita | פְּלָאיָ֥ה (pelaya) = Pelaja | חָנָֽן (chanan) = Chanan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 10:23; Neh 8:7; Neh 9:4–5 **10:12** Micha, Rechob en Chasjabja. Brontekst: מִיכָ֥א (mikha) = Micha | רְח֖וֹב (rechov) = Rechob | חֲשַׁבְיָֽה (chashavya) = Chasjabja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 8:19; Ezra 8:24; Neh 11:15; Neh 11:22; Neh 12:24 **10:13** Zakkur, Sjerebja en Sjebanja. Brontekst: זַכּ֥וּר (zakur) = Zakkur | שֵׁרֵֽבְיָ֖ה (shereveya) = Sjerebja | שְׁבַנְיָֽה (shevanya) = Sjebanja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 8:7; Neh 9:4; Neh 12:8 **10:14** Hodia, Bani en Beninu. Brontekst: הוֹדִיָּ֥ה (hodiya) = Hodia | בָנִ֖י (bani) = Bani | בְּנִֽינוּ (beninu) = Beninu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De hoofden van het volk **10:15** De hoofden van het volk: Parosj, Pachat-Moab, Elam, Zattu en Bani. Brontekst: רָאשֵׁ֖י (rashei) = de hoofden van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | פַּרְעֹשׁ֙ (parosh) = Parosj | פַּחַ֣ת (pachat) = Pachat | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | עֵילָ֥ם (eilam) = Elam | זַתּ֖וּא (zatu) = Zattu | בָּנִֽי (bani) = Bani Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָאשֵׁי הָעָם (rashe ha’am), ‘de hoofden van het volk’: de leiders van de grote families. De eerste namen (Parosj, Pachat-Moab, Elam, Zattu, Bani) zijn dezelfde families als in Ezra 2:3–10 en Neh. 7:8–14. Voetnoot : פַּחַת מוֹאָב (Pachat Moab): een familienaam, letterlijk ‘bestuurder van Moab’. Zo is de naam ook in Neh. 3:11 geschreven. Zie ook: Ezra 2:3–70; Neh 3:11; Neh 7:8; Neh 7:11–13; Neh 7:15 **10:16** Bunni, Azgad en Bebai. Brontekst: בֻּנִּ֥י (buni) = Bunni | עַזְגָּ֖ד (azgad) = Azgad | בֵּבָֽי (bevay) = Bebai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:11–12; Ezra 8:11–12; Ezra 10:28; Neh 7:16–17 **10:17** Adonia, Bigvai en Adin. Brontekst: אֲדֹנִיָּ֥ה (adoniya) = Adonia | בִגְוַ֖י (bigvay) = Bigvai | עָדִֽין (adin) = Adin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:14–16; Ezra 8:14; Neh 7:19–21 **10:18** Ater, Hizkia en Azzur. Brontekst: אָטֵ֥ר (ater) = Ater | חִזְקִיָּ֖ה (chizqiya) = Hizkia | עַזּֽוּר (azur) = Azzur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:19** Hodia, Chasjum en Bezai. Brontekst: הוֹדִיָּ֥ה (hodiya) = Hodia | חָשֻׁ֖ם (chashum) = Chasjum | בֵּצָֽי (betsay) = Bezai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:17–70; Neh 7:22–73 **10:20** Chariph, Anatot en Nebai. Brontekst: חָרִ֥יף (charif) = Chariph | עֲנָת֖וֹת (anatot) = Anatot | נֵיבָֽי (neivay) = Nebai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: עֲנָתוֹת (Anatot): hier is dit de naam van een man, niet van de stad Anatot. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat נובי (Novai), in de leestekst (qere) נֵיבָי (Nevai). Wij volgen de leestekst: ‘Nebai’. **10:21** Magpiasj, Mesjullam en Chezir. Brontekst: מַגְפִּיעָ֥שׁ (magpiash) = Magpiasj | מְשֻׁלָּ֖ם (meshulam) = Mesjullam | חֵזִֽיר (chezir) = Chezir Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:22** Mesjezabeël, Zadok en Jaddua. Brontekst: מְשֵׁיזַבְאֵ֥ל (mesheizavel) = Mesjezabeël | צָד֖וֹק (tsadoq) = Zadok | יַדּֽוּעַ (yadua) = Jaddua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mesjezabeël is dezelfde naam als in Neh. 3:4 en Neh. 11:24. Zie ook: Neh 3:4; Neh 11:24 **10:23** Pelatja, Chanan en Anaja. Brontekst: פְּלַטְיָ֥ה (pelatya) = Pelatja | חָנָ֖ן (chanan) = Chanan | עֲנָיָֽה (anaya) = Anaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:24** Hosea, Chananja en Chasjub. Brontekst: הוֹשֵׁ֥עַ (hoshea) = Hosea | חֲנַנְיָ֖ה (chananya) = Chananja | חַשּֽׁוּב (chashuv) = Chasjub Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:25** Hallochesj, Pilcha en Sjobek. Brontekst: הַלּוֹחֵ֥שׁ (halochesh) = Hallochesj | פִּלְחָ֖א (pilcha) = Pilcha | שׁוֹבֵֽק (shoveq) = Sjobek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:26** Rechum, Chasjabna en Maäseja. Brontekst: רְח֥וּם (rechum) = Rechum | חֲשַׁבְנָ֖ה (chashavna) = Chasjabna | מַעֲשֵׂיָֽה (maaseya) = Maäseja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 3:17–32 **10:27** Achia, Chanan en Anan. Brontekst: וַאֲחִיָּ֥ה (vaachiya) = Achia | חָנָ֖ן (chanan) = Chanan | עָנָֽן (anan) = Anan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:28** Malluk, Charim en Baäna. Brontekst: מַלּ֥וּךְ (malukh) = Malluk | חָרִ֖ם (charim) = Charim | בַּעֲנָֽה (baana) = Baäna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De eed van het volk **10:29** De rest van het volk: de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempeldienaren en ieder die zich had afgescheiden van de volken van de landen om de wet van Elohim te volgen. Ook hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, ieder die kennis had en inzicht, Brontekst: וּשְׁאָ֣ר (ushear) = en de rest van | הָעָ֡ם (haam) = het volk | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | הַ֠לְוִיִּם (halviyim) = de Levieten | הַשּׁוֹעֲרִ֨ים (hashoarim) = de poortwachters | הַמְשֹׁרְרִ֜ים (hamshorerim) = de zangers | הַנְּתִינִ֗ים (hanetinim) = de tempeldienaren | וְֽכָל (vekhal) = en ieder | הַנִּבְדָּ֞ל (hanivdal) = die zich afscheidde | מֵעַמֵּ֤י (meamei) = van de volken van | הָאֲרָצוֹת֙ (haaratsot) = de landen | אֶל (el) = naar | תּוֹרַ֣ת (torat) = de wet van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | נְשֵׁיהֶ֖ם (nesheihem) = hun vrouwen | בְּנֵיהֶ֣ם (beneihem) = hun zonen | וּבְנֹתֵיהֶ֑ם (uvenoteihem) = en hun dochters | כֹּ֖ל (kol) = ieder | יוֹדֵ֥עַ (yodea) = kennende | מֵבִֽין (mevin) = verstaand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 29 en 30 vormen één zin: ‘De rest van het volk … houden vast aan hun broeders’. De werkwoorden staan pas in vers 30. Voetnoot : הַנְּתִינִים (hannetinim), ‘de tempeldienaren’: zij die de Levieten bij de tempeldienst hielpen; zie ook Ezra 2:43 en Neh. 3:26, 11:21. Voetnoot : הַנִּבְדָּל (hannivdal), ‘die zich afscheidde’: wie zich losmaakte van de gebruiken van de volken om de wet van Elohim te volgen. Vergelijk Ezra 6:21. Voetnoot : כֹּל יוֹדֵעַ מֵבִין (kol yode’a mevin), ‘ieder die kennis had en inzicht’: ook kinderen, die konden begrijpen, deden mee. Zie Neh. 8:2. Zie ook: Pred 5:1; Jer 4:2; Ezra 2:43; Ezra 6:21; Neh 3:26; Neh 8:2; Neh 9:2; Neh 10:30; Neh 11:21; 2 Kor 6:14–17; Rom 1:1 **10:30** houden vast aan hun broeders, hun edelen. Zij komen onder een vloek en leggen een eed af. Zij zullen leven naar de wet van Elohim, die door Mozes, de dienaar van Elohim, is gegeven. Zij zullen alle geboden van Yahweh, onze Heer, bewaren en doen, en Zijn rechtsregels en Zijn voorschriften. Brontekst: מַחֲזִיקִ֣ים (machaziqim) = zij houden vast | עַל (al) = aan | אֲחֵיהֶם֮ (acheihem) = hun broeders | אַדִּירֵיהֶם֒ (adireihem) = hun edelen | וּבָאִ֞ים (uvaim) = en komen | בְּאָלָ֣ה (beala) = onder een vloek | וּבִשְׁבוּעָ֗ה (uvishvua) = en onder een eed | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te leven | בְּתוֹרַ֣ת (betorat) = naar de wet van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נִתְּנָ֔ה (nitena) = is gegeven | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = de dienaar van | הָֽאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וְלִשְׁמ֣וֹר (velishmor) = en om te bewaren | וְלַעֲשׂ֗וֹת (velaasot) = en te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מִצְוֺת֙ (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֲדֹנֵ֔ינוּ (adoneinu) = onze Heer | וּמִשְׁפָּטָ֖יו (umishpatav) = en Zijn rechtsregels | וְחֻקָּֽיו (vechuqav) = en Zijn voorschriften Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַדִּירֵיהֶם (addireihem), ‘hun edelen’: de vooraanstaanden. Zij binden zich samen met hun broeders. Voetnoot : בָּאָלָה וּבִשְׁבוּעָה (ba’alah uvishvu’ah), ‘onder een vloek en onder een eed’: zij nemen een eed op zich en roepen de vloek over zichzelf af als zij hem breken. Vergelijk Num. 5:21 en Deut. 29:11–20. Voetnoot : עֶבֶד הָאֱלֹהִים (eved ha’Elohim), ‘dienaar van Elohim’: zo heet Mozes ook in 2 Kron. 24:9. Zie ook: Num 5:21; Deut 29:11–20; Ps 119:106; 2 Kron 24:9; 2 Kron 34:31; Ezech 36:27; Joh 15:14; Tit 2:11–14 ### Geen gemengde huwelijken, rust op de sabbat en in het zevende jaar **10:31** En wij zullen onze dochters niet geven aan de volken van het land, en hun dochters niet nemen voor onze zonen. Brontekst: וַאֲשֶׁ֛ר (vaasher) = en dat | לֹא (lo) = niet | נִתֵּ֥ן (niten) = wij zullen geven | בְּנֹתֵ֖ינוּ (benoteinu) = onze dochters | לְעַמֵּ֣י (leamei) = aan de volken van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹ֣תֵיהֶ֔ם (benoteihem) = hun dochters | לֹ֥א (lo) = niet | נִקַּ֖ח (niqach) = wij zullen nemen | לְבָנֵֽינוּ (levaneinu) = voor onze zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbod op huwelijken met de volken van het land staat in Exod. 34:16 en Deut. 7:3. Zie ook Ezra 9–10 en Neh. 13:23–27. Zie ook: Ex 34:16; Deut 7:3; Ezra 9:1–3; Ezra 9:12–14; Ezra 10:10–12; Neh 13:23–27 **10:32** En de volken van het land komen op de sabbat koopwaar en allerlei graan verkopen. Van hen zullen wij niets kopen, op de sabbat of op een heilige dag. In het zevende jaar zullen wij het land met rust laten en van elke schuldeis afzien. Brontekst: וְעַמֵּ֣י (veamei) = en de volken van | הָאָ֡רֶץ (haarets) = het land | הַֽמְבִיאִים֩ (hamviim) = die brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּקָּח֨וֹת (hamaqachot) = de koopwaar | וְכָל (vekhal) = en alle | שֶׁ֜בֶר (shever) = graan | בְּי֤וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּת֙ (hashabat) = de sabbat | לִמְכּ֔וֹר (limkor) = om te verkopen | לֹא (lo) = niet | נִקַּ֥ח (niqach) = wij zullen kopen | מֵהֶ֛ם (mehem) = van hen | בַּשַּׁבָּ֖ת (bashabat) = op de sabbat | וּבְי֣וֹם (uveyom) = en op een dag | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heilig | וְנִטֹּ֛שׁ (venitosh) = en wij zullen afzien van | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁנָ֥ה (hashana) = het jaar | הַשְּׁבִיעִ֖ית (hasheviit) = het zevende | וּמַשָּׁ֥א (umasha) = en de schuldeis van | כָל (kal) = elke | יָֽד (yad) = hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַמֵּי הָאָרֶץ (ammei ha’arets), ‘de volken van het land’: de bevolkingsgroepen om Juda heen, niet de eigen mensen van het land. Voetnoot : וְנָטֹשׁ אֶת הַשָּׁנָה הַשְּׁבִיעִית (venatosh et hashshanah hashsheviit), ‘en wij zullen afzien van het zevende jaar’: het land blijft in dat jaar onbewerkt, zie Exod. 23:10–11 en Lev. 25:2–7. Voetnoot : מַשָּׂא כָל יָד (massa khol yad), ‘de schuldeis van elke hand’: het opeisen van wat iemand schuldig is; zie Deut. 15:1–3. De betekenis van ‘massa’ is hier ‘het opleggen van een eis’. Voetnoot : Voor de sabbat en het verbod op handel, zie Neh. 13:15–22. Zie ook: Ex 20:10; Ex 23:10–11; Lev 23:3; Lev 25:2–7; Deut 15:1–3; Jer 17:21–22; Neh 13:15–22 ### De zorg voor het huis van onze Elohim **10:33** Wij leggen onszelf geboden op: wij geven elk jaar een derde deel van een sikkel voor de dienst van het huis van onze Elohim. Brontekst: וְהֶעֱמַ֤דְנוּ (veheemadnu) = en wij stellen | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = over ons | מִצְוֺ֔ת (mitsvot) = geboden | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | עָלֵ֛ינוּ (aleinu) = op ons | שְׁלִשִׁ֥ית (shelishit) = een derde van | הַשֶּׁ֖קֶל (hasheqel) = de sikkel | בַּשָּׁנָ֑ה (bashana) = per jaar | לַעֲבֹדַ֖ת (laavodat) = voor de dienst van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלִשִׁית הַשֶּׁקֶל (shelishit hasheqel), ‘een derde van een sikkel’: een sikkel is ongeveer 11,4 gram zilver; een derde sikkel is dus ongeveer 3,8 gram. In Exod. 30:11–16 is de bijdrage een halve sikkel. Het Hebreeuws zegt niet waarom het hier een derde is. Zie ook: Gen 28:22; Ex 30:11–16; Spr 3:9; Mat 17:24–27; 2 Kor 8:12 **10:34** Dat is voor het toonbrood, voor het voortdurende graanoffer en het voortdurende brandoffer, voor de sabbatten, de nieuwe manen en de vastgestelde tijden. Het is ook voor de heilige gaven en voor de zondoffers om verzoening te doen voor Israël. Het is ook voor al het werk aan het huis van onze Elohim. Brontekst: לְלֶ֣חֶם (lelechem) = voor het brood van | הַֽמַּעֲרֶ֡כֶת (hamaarekhet) = de schikking | וּמִנְחַ֣ת (uminchat) = en het graanoffer van | הַתָּמִ֣יד (hatamid) = het voortdurende | וּלְעוֹלַ֣ת (uleolat) = en voor het brandoffer van | הַ֠תָּמִיד (hatamid) = het voortdurende | הַשַּׁבָּת֨וֹת (hashabatot) = de sabbatten | הֶחֳדָשִׁ֜ים (hechodashim) = de nieuwe manen | לַמּוֹעֲדִ֗ים (lamoadim) = voor de vastgestelde tijden | וְלַקֳּדָשִׁים֙ (velaqodashim) = en voor de heilige gaven | וְלַ֣חַטָּא֔וֹת (velachataot) = en voor de zondoffers | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְכֹ֖ל (vekhol) = en al | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = het werk van | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶחֶם הַמַּעֲרֶכֶת (lechem hamma’arekhet), ‘het brood van de schikking’, dat is het toonbrood: Lev. 24:5–9. Voetnoot : מִנְחַת הַתָּמִיד (minchat hattamid) en עֹלַת הַתָּמִיד (olat hattamid), ‘het voortdurende graanoffer’ en ‘het voortdurende brandoffer’: Num. 28:3–8. Voetnoot : De sabbatten, nieuwe manen en vastgestelde tijden: Num. 28:9–29:39. Voetnoot : הַקֳּדָשִׁים (haqqodashim), ‘de heilige gaven’: wat aan Yahweh is toegewijd. Zie ook: Lev 24:5–6; Num 28:1–29; Num 28:3–8; Num 28:9–29:39; 2 Kron 2:3; 2 Kron 24:5–14; Heb 10:11 ### Hout, eerstelingen en tienden **10:35** Wij hebben ook het lot geworpen over de offergave van het hout: de priesters, de Levieten en het volk. Elk vaderhuis moet op vastgestelde tijden, jaar na jaar, hout brengen naar het huis van onze Elohim. Dat hout is om te branden op het altaar van Yahweh, onze Elohim, zoals in de wet geschreven staat. Brontekst: וְהַגּוֹרָל֨וֹת (vehagoralot) = en de loten | הִפַּ֜לְנוּ (hipalnu) = wij hebben geworpen | עַל (al) = over | קֻרְבַּ֣ן (qurban) = de offergave van | הָעֵצִ֗ים (haetsim) = het hout | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּם֮ (halviyim) = de Levieten | וְהָעָם֒ (vehaam) = en het volk | לְ֠הָבִיא (lehavi) = om te brengen | לְבֵ֨ית (leveit) = naar het huis van | אֱלֹהֵ֧ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לְבֵית (leveit) = naar het huis van | אֲבֹתֵ֛ינוּ (avoteinu) = onze vaders | לְעִתִּ֥ים (leitim) = op tijden | מְזֻמָּנִ֖ים (mezumanim) = vastgestelde | שָׁנָ֣ה (shana) = jaar | בְשָׁנָ֑ה (beshana) = per jaar | לְבַעֵ֗ר (levaer) = om te branden | עַל (al) = op | מִזְבַּח֙ (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | כַּכָּת֖וּב (kakatuv) = zoals geschreven staat | בַּתּוֹרָֽה (batora) = in de wet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָרְבַּן הָעֵצִים (qorban ha’etsim), ‘de offergave van het hout’: hout voor het vuur op het altaar. Voor het vuur dat steeds moet branden, zie Lev. 6:5–6. Het lot bepaalt welk vaderhuis wanneer hout brengt. Zie ook Neh. 13:31. Voetnoot : לַעִתִּים מְזֻמָּנִים (la’ittim mezummanim), ‘op vastgestelde tijden’: afgesproken tijden, die jaarlijks terugkomen. Zie ook: Lev 6:5–6; 1 Kron 24:7; Spr 18:18; Jes 40:16; Neh 13:31 **10:36** En wij zullen jaar na jaar de eerstelingen van onze grond en van alle vrucht van elke boom brengen naar het huis van Yahweh. Brontekst: וּלְהָבִ֞יא (ulehavi) = en om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | בִּכּוּרֵ֣י (bikurei) = de eerstelingen van | אַדְמָתֵ֗נוּ (admatenu) = onze grond | וּבִכּוּרֵ֛י (uvikurei) = en de eerstelingen van | כָּל (kal) = alle | פְּרִ֥י (peri) = vrucht van | כָל (kal) = alle | עֵ֖ץ (ets) = boom | שָׁנָ֣ה (shana) = jaar | בְשָׁנָ֑ה (beshana) = per jaar | לְבֵ֖ית (leveit) = naar het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּכּוּרֵי (bikkurei), ‘eerstelingen’: de eerste opbrengst van de grond. Zie Exod. 23:19, Num. 18:12–13 en Deut. 26:1–11. Zie ook: Ex 23:19; Ex 34:26; Lev 19:23–26; Num 18:12; Deut 26:1–11; Deut 26:2 **10:37** En wij zullen de eerstgeborenen van onze zonen en van ons vee brengen, zoals in de wet geschreven staat. Ook de eerstgeborenen van ons rundvee en ons kleinvee brengen wij naar het huis van onze Elohim. Wij brengen ze naar de priesters die dienst doen in het huis van onze Elohim. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּכֹר֤וֹת (bekhorot) = de eerstgeborenen van | בָּנֵ֨ינוּ֙ (baneinu) = onze zonen | וּבְהֶמְתֵּ֔ינוּ (uvehemteinu) = en ons vee | כַּכָּת֖וּב (kakatuv) = zoals geschreven staat | בַּתּוֹרָ֑ה (batora) = in de wet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּכוֹרֵ֨י (bekhorei) = de eerstgeborenen van | בְקָרֵ֜ינוּ (beqareinu) = ons rundvee | וְצֹאנֵ֗ינוּ (vetsoneinu) = en ons kleinvee | לְהָבִיא֙ (lehavi) = om te brengen | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לַכֹּ֣הֲנִ֔ים (lakohanim) = naar de priesters | הַמְשָׁרְתִ֖ים (hamsharetim) = die dienen | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכֹרוֹת (bekhorot), ‘eerstgeborenen’: de eerstgeborenen van mensen en vee zijn voor Yahweh; zie Exod. 13:2, 13:12–15 en Num. 18:15–17. Zie ook: Ex 13:2; Ex 13:12–15; Ex 34:19; Lev 27:26–27; Num 18:15–17; Gal 6:6 **10:38** Wij brengen naar de priesters, naar de kamers van het huis van onze Elohim: het eerste van ons deeg, onze heffingen, de vrucht van alle bomen, de nieuwe wijn en de olie. De tiende van onze grond brengen wij naar de Levieten. Zij, de Levieten, innen de tiende in alle steden waar wij het land bewerken. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | רֵאשִׁ֣ית (reshit) = het eerste van | עֲרִיסֹתֵ֣ינוּ (arisoteinu) = ons deeg | וּ֠תְרוּמֹתֵינוּ (uterumoteinu) = en onze heffingen | וּפְרִ֨י (uferi) = en de vrucht van | כָל (kal) = alle | עֵ֜ץ (ets) = bomen | תִּיר֣וֹשׁ (tirosh) = de nieuwe wijn | וְיִצְהָ֗ר (veyitshar) = en de olie | נָבִ֤יא (navi) = wij zullen brengen | לַכֹּהֲנִים֙ (lakohanim) = naar de priesters | אֶל (el) = naar | לִשְׁכ֣וֹת (lishkhot) = de kamers van | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וּמַעְשַׂ֥ר (umasar) = en de tiende van | אַדְמָתֵ֖נוּ (admatenu) = onze grond | לַלְוִיִּ֑ם (lalviyim) = naar de Levieten | וְהֵם֙ (vehem) = en zij | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | הַֽמְעַשְּׂרִ֔ים (hamaserim) = die de tiende innen | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in alle | עָרֵ֥י (arei) = steden van | עֲבֹדָתֵֽנוּ (avodatenu) = ons werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲרִיסָה (arisah), ‘deeg’: het woord komt ook voor in Num. 15:20–21 en Ezech. 44:30. De betekenis is niet helemaal zeker; het gaat om het eerste van het deeg of grof meel. Voetnoot : תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’. Voetnoot : תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘nieuwe wijn’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’. Voetnoot : מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’: de tiende van de opbrengst gaat naar de Levieten; Num. 18:21–24 en Deut. 14:22–29. Voetnoot : עָבֹדָה (avodah), ‘werk’: het werk op het land. De Levieten innen de tiende in de steden waar het volk het land bewerkt. Zie ook: Lev 23:17; Num 15:20–21; Num 18:21; Deut 14:22–29; Deut 26:2; Ezech 44:30; Neh 13:5; Neh 13:9 **10:39** De priester, de zoon van Aäron, zal bij de Levieten zijn wanneer de Levieten de tiende innen. De Levieten brengen de tiende van de tiende omhoog naar het huis van onze Elohim, naar de kamers van het schathuis. Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en zal zijn | הַכֹּהֵ֧ן (hakohen) = de priester | בֶּֽן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | עִם (im) = met | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | בַּעְשֵׂ֣ר (baser) = bij het innen van de tiende door | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | וְהַלְוִיִּ֞ם (vehalviyim) = en de Levieten | יַעֲל֨וּ (yaalu) = zullen omhoog brengen | אֶת (et) = (obj.) | מַעֲשַׂ֤ר (maasar) = de tiende van | הַֽמַּעֲשֵׂר֙ (hamaaser) = de tiende | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | אֶל (el) = naar | הַלְּשָׁכ֖וֹת (haleshakhot) = de kamers | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het huis van | הָאוֹצָֽר (haotsar) = het schathuis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲשַׂר הַמַּעֲשֵׂר (ma’asar hamma’aser), ‘de tiende van de tiende’: wat de Levieten uit hun tiende aan de priesters afstaan; zie Num. 18:25–29. Voetnoot : לִשְׁכָה (lishkah), ‘kamer’: een kamer in het huis van Elohim voor het bewaren van gaven. בֵּית הָאוֹצָר (bet ha’otsar), ‘het schathuis’: de ruimte of het deel van het huis voor voorraden. Zie ook: Num 18:25–29; Num 18:26–28; 1 Kron 9:26; 2 Kron 31:11–12; Neh 13:12–13 ### Wij zullen het huis van onze Elohim niet verlaten **10:40** Want naar de kamers brengen de zonen van Israël en de zonen van Levi de heffing van het graan, de nieuwe wijn en de olie. Daar zijn de voorwerpen van het heiligdom en de priesters die dienst doen, de poortwachters en de zangers. Wij zullen het huis van onze Elohim niet verlaten. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֶל (el) = naar | הַ֠לְּשָׁכוֹת (haleshakhot) = de kamers | יָבִ֨יאוּ (yaviu) = zullen brengen | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | הַלֵּוִ֗י (halevi) = Levi | אֶת (et) = (obj.) | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = de heffing van | הַדָּגָן֮ (hadagan) = het graan | הַתִּיר֣וֹשׁ (hatirosh) = de nieuwe wijn | וְהַיִּצְהָר֒ (vehayitshar) = en de olie | וְשָׁם֙ (vesham) = en daar | כְּלֵ֣י (kelei) = de voorwerpen van | הַמִּקְדָּ֔שׁ (hamiqdash) = het heiligdom | וְהַכֹּהֲנִים֙ (vehakohanim) = en de priesters | הַמְשָׁ֣רְתִ֔ים (hamsharetim) = die dienen | וְהַשּׁוֹעֲרִ֖ים (vehashoarim) = en de poortwachters | וְהַמְשֹׁרְרִ֑ים (vehamshorerim) = en de zangers | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נַעֲזֹ֖ב (naazov) = wij zullen verlaten | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit laatste vers eindigt met de belofte ‘wij zullen het huis van onze Elohim niet verlaten’. Wat wordt beloofd, is dat men de gaven blijft brengen, zodat de dienst doorgaat. Zie ook Neh. 13:11. Zie ook: Num 18:30; Deut 12:6–11; Deut 14:23–27; 2 Kron 31:12; Neh 13:11; Heb 10:25 ## Nehemia 11 _De bewoners van Jeruzalem en van de steden van Juda_ ### Wie in Jeruzalem gaat wonen **11:1** De oversten van het volk woonden in Jeruzalem. Het overige volk wierp loten. Zo kwam één van de tien om in Jeruzalem te wonen, de heilige stad. De negen andere delen bleven in de steden. Brontekst: וַיֵּשְׁב֥וּ (vayeshevu) = en zij woonden | שָׂרֵֽי (sarei) = oversten van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וּשְׁאָ֣ר (ushear) = en het overige van | הָ֠עָם (haam) = het volk | הִפִּ֨ילוּ (hipilu) = wierpen | גוֹרָל֜וֹת (goralot) = loten | לְהָבִ֣יא (lehavi) = om te laten komen | אֶחָ֣ד (echad) = een | מִן (min) = van | הָעֲשָׂרָ֗ה (haasara) = de tien | לָשֶׁ֨בֶת֙ (lashevet) = om te wonen | בִּֽירוּשָׁלִַ֨ם֙ (birushaliam) = in Jeruzalem | עִ֣יר (ir) = stad van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid | וְתֵ֥שַׁע (vetesha) = en negen | הַיָּד֖וֹת (hayadot) = de delen | בֶּעָרִֽים (bearim) = in de steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Jeruzalem was na de terugkeer nog weinig bewoond (zie Neh. 7:4). Daarom werd er geloot: één van de tien zou in de stad wonen. Voetnoot : גּוֹרָלוֹת (goralot), ‘loten’: een lot beslist, zoals in 1 Kron. 24:5 bij de afdelingen van de priesters. Voetnoot : עִיר הַקֹּדֶשׁ (ir haqodesh), ‘de heilige stad’: Jeruzalem, de stad van het huis van Yahweh. Zie ook: 1 Kron 24:5; Jes 48:2; Jes 52:1; Neh 7:4; Neh 10:35; Neh 11:18; Mat 4:5 **11:2** Het volk zegende alle mannen die zich vrijwillig aanboden om in Jeruzalem te wonen. Brontekst: וַֽיְבָרֲכ֖וּ (vayvarakhu) = en zegende | הָעָ֑ם (haam) = het volk | לְכֹל֙ (lekhol) = alle | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | הַמִּֽתְנַדְּבִ֔ים (hamitnadevim) = die zich vrijwillig aanboden | לָשֶׁ֖בֶת (lashevet) = om te wonen | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De vrijwilligers komen bovenop de geloste mensen. Het volk zegent hen omdat zij de zware taak op zich nemen om in de stad te gaan wonen. Zie ook: Job 29:13; Job 31:20; Deut 24:13; Re 5:9; 2 Kor 8:16–17 ### De hoofden van de provincie **11:3** Dit zijn de hoofden van de provincie die in Jeruzalem woonden. In de steden van Juda woonde ieder op zijn eigen bezit, in hun steden. Dat waren Israël, de priesters, de Levieten, de tempeldienaren en de zonen van de dienaren van Salomo. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הַמְּדִינָ֔ה (hamedina) = de provincie | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָשְׁב֖וּ (yashevu) = woonden | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וּבְעָרֵ֣י (uvearei) = en in de steden van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | יָֽשְׁב֞וּ (yashevu) = woonden | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | בַּאֲחֻזָּתוֹ֙ (baachuzato) = op zijn bezit | בְּעָ֣רֵיהֶ֔ם (beareihem) = in hun steden | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | הַכֹּהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֣ם (vehalviyim) = en de Levieten | וְהַנְּתִינִ֔ים (vehanetinim) = en de tempeldienaren | וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | עַבְדֵ֥י (avdei) = dienaren van | שְׁלֹמֹֽה (shelomo) = Salomo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: Deze lijst loopt parallel met 1 Kron. 9:2–17. De namen en de getallen zijn niet overal gelijk; wij vertalen ieder hoofdstuk zoals het Hebreeuws er staat. Voetnoot : הַנְּתִינִים (hannetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’ (Hebreeuws ‘de Netinim’), mensen die aan de tempeldienst waren gegeven. Zie Ezra 2:43 en 1 Kron. 9:2. Voetnoot : בְּנֵי עַבְדֵי שְׁלֹמֹה (bene avde shelomoh), ‘de zonen van de dienaren van Salomo’: een aparte groep naast de tempeldienaren, ook in Ezra 2:55. Zie ook: 1 Kron 9:1–34; 1 Kron 9:2–17; Ezra 2:1; Ezra 2:43; Ezra 2:55–58; Neh 7:73 ### Van de zonen van Juda **11:4** In Jeruzalem woonden sommigen van de zonen van Juda en sommigen van de zonen van Benjamin. Van de zonen van Juda: Ataja, zoon van Uzzia, zoon van Zecharja, zoon van Amarja, zoon van Sjefatja, zoon van Mahalalel, van de zonen van Peres, Brontekst: וּבִֽירוּשָׁלִַ֨ם֙ (uvirushaliam) = en in Jeruzalem | יָֽשְׁב֔וּ (yashevu) = woonden | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en van de zonen van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | יְ֠הוּדָה (yehuda) = Juda | עֲתָיָ֨ה (ataya) = Ataja | בֶן (ben) = zoon van | עֻזִּיָּ֜ה (uziya) = Uzzia | בֶּן (ben) = zoon van | זְכַרְיָ֧ה (zekharya) = Zecharja | בֶן (ben) = zoon van | אֲמַרְיָ֛ה (amarya) = Amarja | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁפַטְיָ֥ה (shefatya) = Sjefatja | בֶן (ben) = zoon van | מַהֲלַלְאֵ֖ל (mahalalel) = Mahalalel | מִבְּנֵי (mibenei) = van de zonen van | פָֽרֶץ (parets) = Peres Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פֶּרֶץ (perets), ‘Peres’, was een zoon van Juda (Gen. 38:29). In 1 Kron. 9:4 staat een andere lijst, met Utai als eerste. Zie ook: Gen 38:29; Ruth 4:18; 1 Kron 9:3–9; 1 Kron 9:4; Mat 1:3; Luc 3:33 **11:5** en Maäseja, zoon van Baruch, zoon van Kol-Choze, zoon van Chazaja, zoon van Adaja, zoon van Jojarib, zoon van Zecharja, de zoon van de Selaniet. Brontekst: וּמַעֲשֵׂיָ֣ה (umaaseya) = en Maäseja | בֶן (ben) = zoon van | בָּר֣וּךְ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | כָּל (kal) = Kol | חֹ֠זֶה (choze) = Choze | בֶּן (ben) = zoon van | חֲזָיָ֨ה (chazaya) = Chazaja | בֶן (ben) = zoon van | עֲדָיָ֧ה (adaya) = Adaja | בֶן (ben) = zoon van | יוֹיָרִ֛יב (yoyariv) = Jojarib | בֶּן (ben) = zoon van | זְכַרְיָ֖ה (zekharya) = Zecharja | בֶּן (ben) = zoon van | הַשִּׁלֹנִֽי (hashiloni) = de Selaniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשִּׁלֹנִי (hashiloni), ‘de Selaniet’: een afstammeling van Sela, de zoon van Juda (Gen. 38:5; Num. 26:20). Zo vertalen wij ook in 1 Kron. 9:5. Zie ook: Gen 38:5; Num 26:20; 1 Kron 4:21; 1 Kron 9:5; Neh 3:15 **11:6** Alle zonen van Peres die in Jeruzalem woonden: 468 dappere mannen. Brontekst: כָּל (kal) = alle | בְּנֵי (benei) = zonen van | פֶ֕רֶץ (perets) = Peres | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die woonden | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֛וֹת (meot) = honderd | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | וּשְׁמֹנָ֖ה (ushemona) = en acht | אַנְשֵׁי (anshei) = mannen van | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי חָיִל (anshe chayil), ‘dappere mannen’: mannen met kracht, geschikt voor het leger. Zij zijn de verdedigers van de stad. ### Van de zonen van Benjamin **11:7** Dit zijn de zonen van Benjamin: Sallu, zoon van Mesjullam, zoon van Joëd, zoon van Pedaja, zoon van Kolaja, zoon van Maäseja, zoon van Itiël, zoon van Jesaja. Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | סַלֻּ֡א (salu) = Sallu | בֶּן (ben) = zoon van | מְשֻׁלָּ֡ם (meshulam) = Mesjullam | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹעֵ֡ד (yoed) = Joëd | בֶּן (ben) = zoon van | פְּדָיָה֩ (pedaya) = Pedaja | בֶן (ben) = zoon van | ק֨וֹלָיָ֧ה (qolaya) = Kolaja | בֶן (ben) = zoon van | מַעֲשֵׂיָ֛ה (maaseya) = Maäseja | בֶּן (ben) = zoon van | אִֽיתִיאֵ֖ל (itiel) = Itiël | בֶּן (ben) = zoon van | יְשַֽׁעְיָֽה (yeshaya) = Jesaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ook voor de zonen van Benjamin geeft 1 Kron. 9:7–9 een andere lijst. De namen verschillen en de getallen ook. Zie ook: 1 Kron 9:7–9 **11:8** En na hem Gabbai en Sallai: 928. Brontekst: וְאַחֲרָ֖יו (veacharav) = en na hem | גַּבַּ֣י (gabay) = Gabbai | סַלָּ֑י (salay) = Sallai | תְּשַׁ֥ע (tesha) = negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:9** Joël, de zoon van Zichri, was hun opzichter. Juda, de zoon van Hassenua, was de tweede over de stad. Brontekst: וְיוֹאֵ֥ל (veyoel) = en Joël | בֶּן (ben) = zoon van | זִכְרִ֖י (zikhri) = Zichri | פָּקִ֣יד (paqid) = opzichter | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = over hen | וִיהוּדָ֧ה (vihuda) = en Juda | בֶן (ben) = zoon van | הַסְּנוּאָ֛ה (hasenua) = Hassenua | עַל (al) = tweede | הָעִ֖יר (hair) = over | מִשְׁנֶֽה (mishne) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקִיד (paqid), ‘opzichter’, en מִשְׁנֶה (mishneh), ‘tweede’: Joël was de opzichter van de mannen van Benjamin; Juda was de tweede in rang over de stad. Zie ook: 1 Kron 9:7 ### De priesters **11:10** Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, en Jachin, Brontekst: מִן (min) = van | הַֽכֹּהֲנִ֑ים (hakohanim) = de priesters | יְדַֽעְיָ֥ה (yedaya) = Jedaja | בֶן (ben) = zoon van | יוֹיָרִ֖יב (yoyariv) = Jojarib | יָכִֽין (yakhin) = Jachin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft ‘Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin’. In 1 Kron. 9:10 staan ‘Jedaja, Jojarib en Jachin’ als drie namen. Wij volgen het Hebreeuws van dit vers en laten het tweede ‘en’ bij Jachin staan. Zie ook: 1 Kron 9:10; Ezra 2:36; Ezra 8:16; Neh 7:39; Neh 12:19 **11:11** Seraja, zoon van Hilkia, zoon van Mesjullam, zoon van Zadok, zoon van Merajot, zoon van Achitub, leider van het huis van Elohim, Brontekst: שְׂרָיָ֨ה (seraya) = Seraja | בֶן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּ֜ה (chilqiya) = Hilkia | בֶּן (ben) = zoon van | מְשֻׁלָּ֣ם (meshulam) = Mesjullam | בֶּן (ben) = zoon van | צָד֗וֹק (tsadoq) = Zadok | בֶּן (ben) = zoon van | מְרָיוֹת֙ (merayot) = Merajot | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיט֔וּב (achituv) = Achitub | נְגִ֖ד (negid) = leider van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Seraja heet hier de zoon van Hilkia. In 1 Kron. 9:11 staat in dezelfde reeks de naam Azaria. De Masoretische tekst heeft in beide boeken een eigen vorm; wij laten dat zo. Voetnoot : נָגִיד (nagid), ‘leider’: de leider van het huis van Elohim, de hoogste priester die over de tempel gesteld was. Zo vertalen wij ook in 1 Kron. 9:11. Zie ook: 1 Kron 5:33–40; 1 Kron 9:11; 2 Kron 19:11; Ezra 7:1–5; Hand 5:24 **11:12** en hun broeders, die het werk voor het huis deden: 822. En Adaja, zoon van Jerocham, zoon van Pelalja, zoon van Amsi, zoon van Zecharja, zoon van Pasjchur, zoon van Malkia, Brontekst: וַאֲחֵיהֶ֗ם (vaacheihem) = en hun broeders | עֹשֵׂ֤י (osei) = die deden | הַמְּלָאכָה֙ (hamelakha) = het werk | לַבַּ֔יִת (labayit) = voor het huis | שְׁמֹנֶ֥ה (shemone) = acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | וּשְׁנָ֑יִם (ushenayim) = en twee | וַ֠עֲדָיָה (vaadaya) = en Adaja | בֶּן (ben) = zoon van | יְרֹחָ֤ם (yerocham) = Jerocham | בֶּן (ben) = zoon van | פְּלַלְיָה֙ (pelalya) = Pelalja | בֶּן (ben) = zoon van | אַמְצִ֣י (amtsi) = Amsi | בֶן (ben) = zoon van | זְכַרְיָ֔ה (zekharya) = Zecharja | בֶּן (ben) = zoon van | פַּשְׁח֖וּר (pashchur) = Pasjchur | בֶּן (ben) = zoon van | מַלְכִּיָּֽה (malkiya) = Malkia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het getal 822 is het aantal priesters dat in de tempel werkte. Het Hebreeuws zegt ‘die het werk voor het huis deden’: de dienst in en bij het huis van Elohim. Zie ook: 1 Kron 9:12–13 **11:13** en zijn broeders, hoofden van de vaderhuizen: 242. En Amasjsai, zoon van Azareël, zoon van Achzai, zoon van Mesjillemot, zoon van Immer, Brontekst: וְאֶחָיו֙ (veechav) = en zijn broeders | רָאשִׁ֣ים (rashim) = hoofden | לְאָב֔וֹת (leavot) = voor de vaderhuizen | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | וּשְׁנָ֑יִם (ushenayim) = en twee | וַעֲמַשְׁסַ֧י (vaamashsay) = en Amasjsai | בֶּן (ben) = zoon van | עֲזַרְאֵ֛ל (azarel) = Azareël | בֶּן (ben) = zoon van | אַחְזַ֥י (achzay) = Achzai | בֶּן (ben) = zoon van | מְשִׁלֵּמ֖וֹת (meshilemot) = Mesjillemot | בֶּן (ben) = zoon van | אִמֵּֽר (imer) = Immer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:14** en hun broeders, dappere krijgers: 128. Hun opzichter was Zabdiël, de zoon van Haggedolim. Brontekst: וַאֲחֵיהֶם֙ (vaacheihem) = en hun broeders | גִּבּ֣וֹרֵי (giborei) = helden van | חַ֔יִל (chayil) = kracht | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | וּשְׁמֹנָ֑ה (ushemona) = en acht | וּפָקִ֣יד (ufaqid) = en opzichter | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | זַבְדִּיאֵ֖ל (zavdiel) = Zabdiël | בֶּן (ben) = zoon van | הַגְּדוֹלִֽים (hagedolim) = de groten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּדוֹלִים (gedolim), ‘groten’: met het lidwoord haggedolim. Het kan een naam zijn, ‘Haggedolim’, of ‘van de groten’. Wij schrijven het als naam. De betekenis is niet zeker. ### De Levieten **11:15** Van de Levieten: Sjemaja, zoon van Chasjub, zoon van Azrikam, zoon van Chasjabja, zoon van Bunni, Brontekst: וּמִֽן (umin) = en van | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | שְׁמַעְיָ֧ה (shemaya) = Sjemaja | בֶן (ben) = zoon van | חַשּׁ֛וּב (chashuv) = Chasjub | בֶּן (ben) = zoon van | עַזְרִיקָ֥ם (azriqam) = Azrikam | בֶּן (ben) = zoon van | חֲשַׁבְיָ֖ה (chashavya) = Chasjabja | בֶּן (ben) = zoon van | בּוּנִּֽי (buni) = Bunni Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:14; 1 Kron 9:19 **11:16** en Sjabbetai en Jozabad, van de hoofden van de Levieten. Zij waren aangesteld over het werk aan de buitenkant van het huis van Elohim. Brontekst: וְשַׁבְּתַ֨י (veshabetay) = en Sjabbetai | וְיוֹזָבָ֜ד (veyozavad) = en Jozabad | עַל (al) = over | הַמְּלָאכָ֤ה (hamelakha) = het werk | הַחִֽיצֹנָה֙ (hachitsona) = de buitenste | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | מֵרָאשֵׁ֖י (merashei) = van de hoofden van | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַחִיצֹנָה (hachitsonah), ‘de buitenste’: het werk aan de buitenkant van het huis van Elohim, dus buiten het heiligdom zelf. Wat dat werk was, zegt de tekst niet. Zie ook: 1 Kron 26:20; 1 Kron 26:29; Ezra 8:33; Neh 8:7; Hand 6:2–3 **11:17** Mattanja, zoon van Micha, zoon van Zabdi, zoon van Asaf, was het hoofd. Hij begon met de dankzegging bij het gebed. Bakbukja was de tweede onder zijn broeders. En Abda was de zoon van Sjammua, zoon van Galal, zoon van Jedutun. Brontekst: וּמַתַּנְיָ֣ה (umatanya) = en Mattanja | בֶן (ben) = zoon van | מִ֠יכָה (mikha) = Micha | בֶּן (ben) = zoon van | זַבְדִּ֨י (zavdi) = Zabdi | בֶן (ben) = zoon van | אָסָ֜ף (asaf) = Asaf | רֹ֗אשׁ (rosh) = hoofd van | הַתְּחִלָּה֙ (hatechila) = het begin | יְהוֹדֶ֣ה (yehode) = hij dankte | לַתְּפִלָּ֔ה (latefila) = bij het gebed | וּבַקְבֻּקְיָ֖ה (uvaqbuqya) = en Bakbukja | מִשְׁנֶ֣ה (mishne) = tweede | מֵאֶחָ֑יו (meechav) = van zijn broeders | וְעַבְדָּא֙ (veavda) = en Abda | בֶּן (ben) = zoon van | שַׁמּ֔וּעַ (shamua) = Sjammua | בֶּן (ben) = zoon van | גָּלָ֖ל (galal) = Galal | בֶּן (ben) = zoon van | יְדוּתֽוּן (yedutun) = Jedutun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹאשׁ הַתְּחִלָּה (rosh hattechillah), ‘het hoofd van het begin’: Mattanja leidde de dankzegging aan het begin van het gebed. De betekenis van de zin is niet zeker. In 1 Kron. 9:15 staat een kortere reeks. Voetnoot : יְהוֹדֶה (yehodeh), ‘hij dankte’: het werkwoord יָדָה (yadah) betekent ‘danken’ en ‘loven’. Het lijkt in schrift op de naam Juda (יְהוּדָה, yehudah), maar hier is het een werkwoord. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ידיתון (yedithun). De voorgelezen tekst (qere) heeft יְדוּתוּן (yedutun), ‘Jedutun’. Wij volgen het qere, zoals in 1 Kron. 9:16. Zie ook: 1 Kron 9:15; 1 Kron 9:16; 1 Kron 16:41; Neh 12:8–9; Neh 12:25; Fil 4:6 **11:18** Alle Levieten in de heilige stad: 284. Brontekst: כָּל (kal) = alle | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | בְּעִ֣יר (beir) = in de stad van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | שְׁמֹנִ֥ים (shemonim) = tachtig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 11:13; Dan 9:24; Neh 11:1; Openb 11:2; Openb 21:2 ### De poortwachters **11:19** De poortwachters: Akkub, Talmon en hun broeders, die de wacht hielden bij de poorten: 172. Brontekst: וְהַשּֽׁוֹעֲרִים֙ (vehashoarim) = en de poortwachters | עַקּ֣וּב (aquv) = Akkub | טַלְמ֔וֹן (talmon) = Talmon | וַאֲחֵיהֶ֖ם (vaacheihem) = en hun broeders | הַשֹּׁמְרִ֣ים (hashomerim) = de wachters | בַּשְּׁעָרִ֑ים (bashearim) = bij de poorten | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Akkub en Talmon staan ook in 1 Kron. 9:17 onder de poortwachters. Daar is Sjallum het hoofd. Zie ook: 1 Kron 9:17–22; Ps 84:11; Neh 7:45; Neh 12:25 ### Het overige Israël **11:20** Het overige Israël, de priesters en de Levieten waren in alle steden van Juda, ieder op zijn eigen erfdeel. Brontekst: וּשְׁאָ֨ר (ushear) = en het overige van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | הַכֹּהֲנִ֤ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | בְּכָל (bekhal) = in alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | בְּנַחֲלָתֽוֹ (benachalato) = op zijn erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie ook: Neh 11:3 **11:21** De tempeldienaren woonden op de Ofel. Ziha en Gisjpa waren over de tempeldienaren gesteld. Brontekst: וְהַנְּתִינִ֖ים (vehanetinim) = en de tempeldienaren | יֹשְׁבִ֣ים (yoshevim) = woonden | בָּעֹ֑פֶל (baofel) = op de Ofel | וְצִיחָ֥א (vetsicha) = en Ziha | וְגִשְׁפָּ֖א (vegishpa) = en Gisjpa | עַל (al) = over | הַנְּתִינִֽים (hanetinim) = de tempeldienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ofel (Jeruzalem): De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg in Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: עֹפֶל (ofel), ‘Ofel’: een heuvel in het zuiden van de oude stad. De tempeldienaren woonden daar al volgens Neh. 3:26. Voetnoot : צִיחָא וְגִשְׁפָּא (tsicha vegishpa), ‘Ziha en Gisjpa’: twee mannen, vermoedelijk hoofden van de tempeldienaren. Een Ziha staat ook in Ezra 2:43. Zie ook: 2 Kron 27:3; Ezra 2:43; Neh 3:26; Neh 3:31 ### De leiding van de Levieten **11:22** De opzichter van de Levieten in Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, zoon van Chasjabja, zoon van Mattanja, zoon van Micha, van de zonen van Asaf, de zangers. Hij stond over het werk van het huis van Elohim. Brontekst: וּפְקִ֤יד (ufeqid) = en opzichter van | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushaliam) = in Jeruzalem | עֻזִּ֤י (uzi) = Uzzi | בֶן (ben) = zoon van | בָּנִי֙ (bani) = Bani | בֶּן (ben) = zoon van | חֲשַׁבְיָ֔ה (chashavya) = Chasjabja | בֶּן (ben) = zoon van | מַתַּנְיָ֖ה (matanya) = Mattanja | בֶּן (ben) = zoon van | מִיכָ֑א (mikha) = Micha | מִבְּנֵ֤י (mibenei) = van de zonen van | אָסָף֙ (asaf) = Asaf | הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים (hamshorerim) = de zangers | לְנֶ֖גֶד (leneged) = tegenover | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = het werk van | בֵּית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Asaf was een zanger uit de tijd van David (1 Kron. 6:24). De zonen van Asaf bleven de zangers van het huis van Elohim. Zie ook: 1 Kron 6:24; Neh 3:17; Neh 11:9; Neh 11:11; Neh 12:35; Neh 12:42 **11:23** Want er was een bevel van de koning over hen. En er was een vaste regeling voor de zangers: elke dag wat die dag vroeg. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מִצְוַ֥ת (mitsvat) = bevel van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = over hen | וַאֲמָנָ֥ה (vaamana) = en vaste regeling | עַל (al) = over | הַמְשֹׁרְרִ֖ים (hamshorerim) = de zangers | דְּבַר (devar) = zaak van | י֥וֹם (yom) = dag | בְּיוֹמֽוֹ (beyomo) = op zijn dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִצְוַת הַמֶּלֶךְ (mitsvat hamelekh), ‘een bevel van de koning’: de tekst zegt niet welke koning. Dat kan de Perzische koning zijn of David (zie Neh. 12:24 en 12:45). Wij laten het open. Voetnoot : אֲמָנָה (amanah), ‘vaste regeling’: een vaste afspraak voor het onderhoud van de zangers. Voetnoot : דְּבַר יוֹם בְּיוֹמוֹ (devar yom beyomo), ‘elke dag wat die dag vroeg’: letterlijk ‘de zaak van een dag op zijn dag’. Zie ook: 1 Kron 9:33; Ezra 6:8–9; Ezra 7:20–24; Neh 12:24; Neh 12:45; Neh 12:47 **11:24** Petachja was een zoon van Mesjezabeël, van de zonen van Zerach, de zoon van Juda. Hij stond aan de zijde van de koning in elke zaak van het volk. Brontekst: וּפְתַֽחְיָ֨ה (ufetachya) = en Petachja | בֶּן (ben) = zoon van | מְשֵֽׁיזַבְאֵ֜ל (mesheizavel) = Mesjezabeël | מִבְּנֵי (mibenei) = van de zonen van | זֶ֤רַח (zerach) = Zerach | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | לְיַ֣ד (leyad) = aan de zijde van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְכָל (lekhal) = voor elke | דָּבָ֖ר (davar) = zaak | לָעָֽם (laam) = van het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Petachja stond ‘aan de zijde van de koning’ (לְיַד הַמֶּלֶךְ, leyad hamelekh). Hij hield zich vermoedelijk bezig met de zaken van het volk bij het Perzische hof. De tekst zegt het niet. Zie ook: Gen 38:30; Num 26:20; 1 Kron 18:17; 1 Kron 23:28; Neh 10:22 ### De steden van Juda **11:25** Wat de dorpen met hun velden betreft: sommigen van de zonen van Juda woonden in Kirjat-Arba en de dorpen daarbij, in Dibon en de dorpen daarbij, en in Jekabseël en de dorpen daarbij, Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | הַחֲצֵרִ֖ים (hachatserim) = de dorpen | בִּשְׂדֹתָ֑ם (bisdotam) = met hun velden | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | יָֽשְׁב֞וּ (yashevu) = woonden | בְּקִרְיַ֤ת (beqiryat) = in Kirjat | הָֽאַרְבַּע֙ (haarba) = Arba | וּבְנֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen | וּבְדִיבֹן֙ (uvedivon) = en in Dibon | וּבְנֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen | וּבִֽיקַּבְצְאֵ֖ל (uviqavtseel) = en in Jekabseël | וַחֲצֵרֶֽיהָ (vachatsereiha) = en haar dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: בְּנֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dorpen’: letterlijk ‘haar dochters’, dat zijn de kleinere plaatsen rondom een stad. Wij schrijven ‘de dorpen daarbij’. Voetnoot : קִרְיַת הָאַרְבַּע (qiryat ha’arba), ‘Kirjat-Arba’: de oude naam van Hebron (Gen. 23:2). Voetnoot : De lijst van de plaatsen in Juda gaat van het zuiden naar het noorden. Vergelijk Joz. 15:21–62. Sommige namen zijn hier anders gespeld, zoals Jekabseël (Joz. 15:21 Kabseël). Zie ook: Gen 23:2; Joz 14:15; Joz 15:21–22 **11:26** in Jesua, Molada en Bet-Pelet, Brontekst: וּבְיֵשׁ֥וּעַ (uveyeshua) = en in Jesua | וּבְמוֹלָדָ֖ה (uvemolada) = en in Molada | וּבְבֵ֥ית (uveveit) = en in Bet | פָּֽלֶט (palet) = Pelet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Molada: Molada wordt gezocht bij Tel Malhata, in de Negev. Voetnoot Uitleg: Jesua is hier de naam van een plaats in het zuiden van Juda, niet de priester Jesua. De ligging is niet zeker. Molada staat ook in Joz. 15:26. Zie ook: Joz 15:26–27; Joz 19:2 **11:27** in Chazar-Sjoeal, Beër-Sjeba en de dorpen daarbij, Brontekst: וּבַחֲצַ֥ר (uvachatsar) = en in Chazar | שׁוּעָ֛ל (shual) = Sjoeal | וּבִבְאֵ֥ר (uviver) = en in Beër | שֶׁ֖בַע (sheva) = Sjeba | וּבְנֹתֶֽיהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Chazar-Sjoeal (חֲצַר שׁוּעָל, chatsar shual) betekent ‘erf van de jakhals’. Het ligt in het zuiden van Juda, bij de grens met Edom (Joz. 15:28). Zie ook: Gen 21:31; Gen 26:33; Joz 15:28; Joz 19:3; Re 20:1 **11:28** in Siklag, Mekona en de dorpen daarbij, Brontekst: וּבְצִֽקְלַ֥ג (uvetsiqlag) = en in Siklag | וּבִמְכֹנָ֖ה (uvimkhona) = en in Mekona | וּבִבְנֹתֶֽיהָ (uvivnoteiha) = en haar dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Siklag (ligging onzeker): Siklag lag in de Negev. Tel Sera en Tel Halif zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Zie ook: Joz 15:31; 1 Sam 27:6 **11:29** in En-Rimmon, Zora en Jarmut, Brontekst: וּבְעֵ֥ין (uveein) = en in En | רִמּ֛וֹן (rimon) = Rimmon | וּבְצָרְעָ֖ה (uvetsarea) = en in Zora | וּבְיַרְמֽוּת (uveyarmut) = en in Jarmut Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Zie Jarmut: Jarmut wordt gezocht bij Khirbet Jarmuk, in de Sefela. Zie ook: Joz 12:11; Joz 15:32–33; Joz 15:35; Joz 19:41; Re 13:25 **11:30** Zanoach, Adullam en hun dorpen, Lachis met zijn velden en Azeka met de dorpen daarbij. Zij sloegen hun kamp op van Beër-Sjeba tot het dal van Hinnom. Brontekst: זָנֹ֤חַ (zanoach) = Zanoach | עֲדֻלָּם֙ (adulam) = Adullam | וְחַצְרֵיהֶ֔ם (vechatsreihem) = en hun dorpen | לָכִישׁ֙ (lakhish) = Lachis | וּשְׂדֹתֶ֔יהָ (usedoteiha) = en haar velden | עֲזֵקָ֖ה (azeqa) = Azeka | וּבְנֹתֶ֑יהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen | וַיַּחֲנ֥וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | מִבְּאֵֽר (mibeer) = van Beër | שֶׁ֖בַע (sheva) = Sjeba | עַד (ad) = tot | גֵּֽיא (gei) = dal van | הִנֹּֽם (hinom) = Hinnom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zanoach: Zanoach wordt gezocht bij Khirbet Zanu', in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela. Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: וַיַּחֲנוּ (vayachanu), ‘zij sloegen hun kamp op’: de mensen van Juda woonden verspreid van Beër-Sjeba in het zuiden tot het dal van Hinnom bij Jeruzalem. Het dal van Hinnom ligt ten zuiden van de oude stad en vormde de grens tussen Juda en Benjamin (Joz. 15:8). Zie ook: Joz 10:3; Joz 12:15; Joz 15:8; Joz 15:39; Jes 37:8 ### De steden van Benjamin **11:31** De zonen van Benjamin woonden vanaf Geba: in Mikmas, Aja, Betel en de dorpen daarbij, Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | מִגָּ֑בַע (migava) = van Geba | מִכְמָ֣שׂ (mikhmas) = Mikmas | וְעַיָּ֔ה (veaya) = en Aja | וּבֵֽית (uveit) = en Bet | אֵ֖ל (el) = El | וּבְנֹתֶֽיהָ (uvenoteiha) = en haar dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Zie Aja (Ai; ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers volgen de plaatsen van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. Zij liggen in het gebied van Joz. 18:21–28. Zie ook: Gen 28:19; Joz 8:9; Joz 18:21–28; 1 Sam 13:11; Jes 10:28; Neh 7:30–32 **11:32** in Anatot, Nob en Ananja, Brontekst: עֲנָת֥וֹת (anatot) = Anatot | נֹ֖ב (nov) = Nob | עֲנָֽנְיָֽה (ananeya) = Ananja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg). Dit is niet zeker. Zie ook: Joz 21:18; 1 Sam 21:2; 1 Sam 22:19; Jes 10:30; Neh 7:27 **11:33** in Chasor, Rama en Gittajim, Brontekst: חָצ֥וֹר (chatsor) = Chasor | רָמָ֖ה (rama) = Rama | גִּתָּֽיִם (gitayim) = Gittajim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Voetnoot Uitleg: Chasor in Benjamin is niet de stad Chasor in het noorden van het land (Joz. 11:1). Het is een andere plaats met dezelfde naam. Zie ook: Joz 11:1; Joz 18:25; 1 Sam 7:17; 2 Sam 4:3; Mat 2:18 **11:34** in Chadid, Zeboïm en Neballat, Brontekst: חָדִ֥יד (chadid) = Chadid | צְבֹעִ֖ים (tsevoim) = Zeboïm | נְבַלָּֽט (nevalat) = Neballat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chadid (Hadid): Chadid (Hadid) lag in het laagland van Benjamin, ten oosten van Lod, bij het huidige el-Haditha. Zie Neballat (Beit Nabala): Neballat is het huidige Beit Nabala, bij Lod, in het laagland van Benjamin. Zie ook: 1 Sam 13:18 **11:35** in Lod, Ono en het dal van de ambachtslieden. Brontekst: לֹ֥ד (lod) = Lod | וְאוֹנ֖וֹ (veono) = en Ono | גֵּ֥י (gei) = dal van | הַחֲרָשִֽׁים (hacharashim) = de ambachtslieden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Lod: Lod (later Lydda) lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Lod. Zie Ono (ligging onzeker): Ono lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem; Kafr Ana wordt genoemd. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: גֵּי הָחָרָשִׁים (ge hacharashim), ‘het dal van de ambachtslieden’: een dal bij Lod en Ono waar ambachtslieden werkten. Dezelfde plaats staat in 1 Kron. 4:14. Zie ook: 1 Kron 4:14; 1 Kron 8:12; Neh 7:37 **11:36** Van de Levieten waren enkele afdelingen van Juda bij Benjamin gevoegd. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | מַחְלְק֥וֹת (machleqot) = afdelingen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לְבִנְיָמִֽין (levinyamin) = voor Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft ‘van de Levieten: afdelingen van Juda voor Benjamin’. De betekenis is niet zeker. Waarschijnlijk gaat het om Levietische afdelingen die in Juda hoorden en bij Benjamin woonden. Zie ook: Gen 49:7; Joz 21:1–45; 1 Kron 6:39–66 ## Nehemia 12 _De priesters en Levieten, en de inwijding van de muur_ ### De priesters en Levieten bij Zerubbabel **12:1** Dit zijn de priesters en de Levieten die met Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en met Jesua optrokken: Seraja, Jeremia, Ezra, Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָל֛וּ (alu) = optrokken | עִם (im) = met | זְרֻבָּבֶ֥ל (zerubavel) = Zerubbabel | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁאַלְתִּיאֵ֖ל (shealtiel) = Sjealtiël | וְיֵשׁ֑וּעַ (veyeshua) = en Jesua | שְׂרָיָ֥ה (seraya) = Seraja | יִרְמְיָ֖ה (yirmeya) = Jeremia | עֶזְרָֽא (ezra) = Ezra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en de priester Jesua leidden de eerste terugkeer uit Babel (Ezra 2:2). Dit vers begint een lijst van priesters, die doorloopt tot vers 7. Er zijn 22 namen, en Neh. 10:3–9 noemt 21 priesters. Voetnoot : יִרְמְיָה (yirmeyah), ‘Jeremia’: dezelfde naam als die van de profeet. De tekst zegt niet dat het dezelfde man is. Zie ook: Ezra 2:1–2; Ezra 2:2; Hag 1:1; Zach 4:6–10; Neh 10:3–9; Neh 12:7; Neh 12:12–21 **12:2** Amarja, Malluk, Chattusj, Brontekst: אֲמַרְיָ֥ה (amarya) = Amarja | מַלּ֖וּךְ (malukh) = Malluk | חַטּֽוּשׁ (chatush) = Chattusj Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen in de verzen 2–7 komen terug in de verzen 12–21, vaak in een iets andere vorm: Malluk (vers 2) en Meliku (vers 14), Sjekanja (vers 3) en Sjebanja (vers 14), Rechum (vers 3) en Charim (vers 15), Meremot (vers 3) en Merajot (vers 15), Ginnetoi (vers 4) en Ginnton (vers 16), Mijamin (vers 5) en Minjamin (vers 17), Maädja (vers 5) en Moädja (vers 17), Sallu (vers 7) en Sallai (vers 20). Wij schrijven elke naam zoals het Hebreeuws hem geeft. Het zijn waarschijnlijk dezelfde families. Zie ook: Neh 12:3; Neh 12:4; Neh 12:5; Neh 12:7; Neh 12:14; Neh 12:15; Neh 12:16; Neh 12:17; Neh 12:20 **12:3** Sjekanja, Rechum, Meremot, Brontekst: שְׁכַנְיָ֥ה (shekhanya) = Sjekanja | רְחֻ֖ם (rechum) = Rechum | מְרֵמֹֽת (meremot) = Meremot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:4** Iddo, Ginnetoi, Abija, Brontekst: עִדּ֥וֹא (ido) = Iddo | גִנְּת֖וֹי (ginetoy) = Ginnetoi | אֲבִיָּֽה (aviya) = Abija Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 1:5 **12:5** Mijamin, Maädja, Bilga, Brontekst: מִיָּמִ֥ין (miyamin) = Mijamin | מַֽעַדְיָ֖ה (maadya) = Maädja | בִּלְגָּֽה (bilga) = Bilga Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:6** Sjemaja, Jojarib, Jedaja, Brontekst: שְׁמַֽעְיָ֥ה (shemaya) = Sjemaja | וְיוֹיָרִ֖יב (veyoyariv) = en Jojarib | יְדַֽעְיָֽה (yedaya) = Jedaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:10; Neh 11:10 **12:7** Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja. Dit waren de hoofden van de priesters en hun broeders in de dagen van Jesua. Brontekst: סַלּ֣וּ (salu) = Sallu | עָמ֔וֹק (amoq) = Amok | חִלְקִיָּ֖ה (chilqiya) = Hilkia | יְדַֽעְיָ֑ה (yedaya) = Jedaja | אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | רָאשֵׁ֧י (rashei) = hoofden van | הַכֹּהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | וַאֲחֵיהֶ֖ם (vaacheihem) = en hun broeders | בִּימֵ֥י (bimei) = in de dagen van | יֵשֽׁוּעַ (yeshua) = Jesua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De lijst eindigt hier. De hoofden van de priesters waren in de dagen van Jesua, de zoon van Jehozadak (vers 26). Zie ook: 1 Kron 24:18; Ezra 3:2; Hag 1:1; Zach 3:1; Neh 12:1; Neh 12:26 **12:8** De Levieten waren Jesua, Binnui, Kadmiël, Sjerebja, Juda en Mattanja. Hij en zijn broeders stonden over de dankliederen. Brontekst: וְהַלְוִיִּ֗ם (vehalviyim) = en de Levieten | יֵשׁ֧וּעַ (yeshua) = Jesua | בִּנּ֛וּי (binuy) = Binnui | קַדְמִיאֵ֥ל (qadmiel) = Kadmiël | שֵׁרֵבְיָ֖ה (shereveya) = Sjerebja | יְהוּדָ֣ה (yehuda) = Juda | מַתַּנְיָ֑ה (matanya) = Mattanja | עַֽל (al) = over | הֻיְּד֖וֹת (huyedot) = de dankliederen | ה֥וּא (hu) = hij | וְאֶחָֽיו (veechav) = en zijn broeders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיְדוֹת (hayyedot), ‘de dankliederen’: het woord komt van יָדָה (yadah), ‘danken’. Het kan de dankzegging als dienst bedoelen of een koor dat dankt. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : הוּא (hu), ‘hij’: het Hebreeuws gebruikt het enkelvoud. Waarschijnlijk is Mattanja de leider (zie 11:17). Zie ook: Neh 7:48; Neh 9:4; Neh 11:17; Neh 11:22; Neh 12:24 **12:9** Bakbukja en Unni, hun broeders, stonden tegenover hen bij de wachtdiensten. Brontekst: וּבַקְבֻּֽקְיָ֨ה (uvaqbuqya) = en Bakbukja | וְעֻנִּ֧י (veuni) = en Unni | אֲחֵיהֶ֛ם (acheihem) = hun broeders | לְנֶגְדָּ֖ם (lenegdam) = tegenover hen | לְמִשְׁמָרֽוֹת (lemishmarot) = bij de wachtdiensten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעֻמָּתָם (leummatam), ‘tegenover hen’: de twee groepen stonden tegenover elkaar bij de wachtdiensten. Zie ook vers 24. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ועני (ve’ani). De voorgelezen tekst (qere) heeft וְעֻנִּי (ve’unni), ‘en Unni’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 134:1–3; Neh 12:24 ### Van Jesua tot Jaddua **12:10** Jesua verwekte Jojakim. Jojakim verwekte Eljasib. Eljasib verwekte Jojada. Brontekst: וְיֵשׁ֖וּעַ (veyeshua) = en Jesua | הוֹלִ֣יד (holid) = verwekte | אֶת (et) = (obj.) | יֽוֹיָקִ֑ים (yoyaqim) = Jojakim | וְיֽוֹיָקִים֙ (veyoyaqim) = en Jojakim | הוֹלִ֣יד (holid) = verwekte | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְיָשִׁ֔יב (elyashiv) = Eljasib | וְאֶלְיָשִׁ֖יב (veelyashiv) = en Eljasib | אֶת (et) = (obj.) | יוֹיָדָֽע (yoyada) = Jojada Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹיָקִים (yoyaqim), ‘Jojakim’: een priester, de zoon van Jesua. Hij is een andere man dan koning Jojakim (יְהוֹיָקִים, yehoyaqim), de zoon van Josia. Wij schrijven beide ‘Jojakim’. Voetnoot : הוֹלִיד (holid), ‘verwekte’: in genealogieën betekent dit soms ‘werd voorvader van’. Er zijn mogelijk generaties overgeslagen. Eljasib was hogepriester in de dagen van Nehemia (Neh. 3:1). Zie ook: 1 Kron 5:29–41; Neh 3:1; Neh 12:26; Neh 13:4; Neh 13:7; Neh 13:28 **12:11** Jojada verwekte Jonatan. Jonatan verwekte Jaddua. Brontekst: וְיוֹיָדָע֙ (veyoyada) = en Jojada | הוֹלִ֣יד (holid) = verwekte | אֶת (et) = (obj.) | יוֹנָתָ֔ן (yonatan) = Jonatan | וְיוֹנָתָ֖ן (veyonatan) = en Jonatan | הוֹלִ֥יד (holid) = verwekte | אֶת (et) = (obj.) | יַדּֽוּעַ (yadua) = Jaddua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַדּוּעַ (yaddua), ‘Jaddua’: de laatste naam in deze reeks. Vers 22 noemt hem opnieuw. Jonatan in dit vers is waarschijnlijk dezelfde als Johanan in de verzen 22–23 (Johanan, de zoon van Eljasib; vergelijk Ezra 10:6). De tekst zegt dat niet. Zie ook: Ezra 10:6; Neh 12:22 ### De hoofden van de priesterfamilies **12:12** In de dagen van Jojakim waren dit de priesters, hoofden van de vaderhuizen: voor Seraja was dat Meraja, voor Jeremia Chananja, Brontekst: וּבִימֵי֙ (uvimei) = en in de dagen van | יֽוֹיָקִ֔ים (yoyaqim) = Jojakim | הָי֥וּ (hayu) = waren | כֹהֲנִ֖ים (kohanim) = priesters | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הָאָב֑וֹת (haavot) = de vaderhuizen | לִשְׂרָיָ֣ה (lisraya) = voor Seraja | מְרָיָ֔ה (meraya) = Meraja | לְיִרְמְיָ֖ה (leyirmeya) = voor Jeremia | חֲנַנְיָֽה (chananya) = Chananja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de hoofden van de priesterfamilies in de dagen van Jojakim, de zoon van Jesua. Bij iedere familie uit de verzen 1–7 staat nu de naam van het hoofd van die familie. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt alleen ‘voor Seraja, Meraja’. Wij voegen ‘was dat’ toe in dit vers. In de verzen 13–21 laten wij het weg. Zie ook: 1 Kron 9:33–34; 1 Kron 15:12; 1 Kron 24:6–31; Neh 12:22 **12:13** voor Ezra Mesjullam, voor Amarja Johanan, Brontekst: לְעֶזְרָ֣א (leezra) = voor Ezra | מְשֻׁלָּ֔ם (meshulam) = Mesjullam | לַאֲמַרְיָ֖ה (laamarya) = voor Amarja | יְהוֹחָנָֽן (yehochanan) = Johanan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:14** voor Meliku Jonatan, voor Sjebanja Jozef, Brontekst: לִמְלִ֨יכוּ֙ (limlikhu) = voor Meliku | יֽוֹנָתָ֔ן (yonatan) = Jonatan | לִשְׁבַנְיָ֖ה (lishvanya) = voor Sjebanja | יוֹסֵֽף (yosef) = Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft לְמַלּוּכִי (lemalluki), ‘voor Malluki’. De voorgelezen tekst (qere) heeft לִמְלִיכוּ (limliku), ‘voor Meliku’. Wij volgen het qere. **12:15** voor Charim Adna, voor Merajot Chelkai, Brontekst: לְחָרִ֣ם (lecharim) = voor Charim | עַדְנָ֔א (adna) = Adna | לִמְרָי֖וֹת (limrayot) = voor Merajot | חֶלְקָֽי (chelqay) = Chelkai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:16** voor Iddo Zecharja, voor Ginnton Mesjullam, Brontekst: לְעִדּ֥וֹא (leido) = voor Iddo | זְכַרְיָ֖ה (zekharya) = Zecharja | לְגִנְּת֥וֹן (legineton) = voor Ginnton | מְשֻׁלָּֽם (meshulam) = Mesjullam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft לְעִדִּיא (le’iddi’a). De voorgelezen tekst (qere) heeft לְעִדּוֹא (le’iddo), ‘voor Iddo’. Wij volgen het qere. **12:17** voor Abija Zichri, voor Minjamin, voor Moädja Piltai, Brontekst: לַאֲבִיָּ֖ה (laaviya) = voor Abija | זִכְרִ֑י (zikhri) = Zichri | לְמִ֨נְיָמִ֔ין (leminyamin) = voor Minjamin | לְמוֹעַדְיָ֖ה (lemoadya) = voor Moädja | פִּלְטָֽי (piltay) = Piltai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft ‘voor Abija Zichri, voor Minjamin, voor Moädja Piltai’. Bij Minjamin staat geen naam van het hoofd. De tekst is hier waarschijnlijk niet volledig; wij laten het zo. **12:18** voor Bilga Sjammua, voor Sjemaja Jehonatan, Brontekst: לְבִלְגָּ֣ה (levilga) = voor Bilga | שַׁמּ֔וּעַ (shamua) = Sjammua | לִֽשְׁמַעְיָ֖ה (lishmaya) = voor Sjemaja | יְהוֹנָתָֽן (yehonatan) = Jehonatan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:19** voor Jojarib Mattenai, voor Jedaja Uzzi, Brontekst: וּלְיוֹיָרִ֣יב (uleyoyariv) = en voor Jojarib | מַתְּנַ֔י (matenay) = Mattenai | לִֽידַֽעְיָ֖ה (lidaya) = voor Jedaja | עֻזִּֽי (uzi) = Uzzi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:20** voor Sallai Kallai, voor Amok Eber, Brontekst: לְסַלַּ֥י (lesalay) = voor Sallai | קַלָּ֖י (qalay) = Kallai | לְעָמ֥וֹק (leamoq) = voor Amok | עֵֽבֶר (ever) = Eber Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:21** voor Hilkia Chasjabja, voor Jedaja Netanel. Brontekst: לְחִלְקִיָּ֣ה (lechilqiya) = voor Hilkia | חֲשַׁבְיָ֔ה (chashavya) = Chasjabja | לִֽידַֽעְיָ֖ה (lidaya) = voor Jedaja | נְתַנְאֵֽל (netanel) = Netanel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De Levieten in de registers **12:22** De Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, Johanan en Jaddua opgeschreven als hoofden van de vaderhuizen. Ook de priesters werden opgeschreven, tot aan het koningschap van Darius de Pers. Brontekst: הַלְוִיִּם֩ (halviyim) = de Levieten | בִּימֵ֨י (bimei) = in de dagen van | אֶלְיָשִׁ֜יב (elyashiv) = Eljasib | יוֹיָדָ֤ע (yoyada) = Jojada | וְיוֹחָנָן֙ (veyochanan) = en Johanan | וְיַדּ֔וּעַ (veyadua) = en Jaddua | כְּתוּבִ֖ים (ketuvim) = opgeschreven | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | אָב֑וֹת (avot) = vaderhuizen | וְהַכֹּ֣הֲנִ֔ים (vehakohanim) = en de priesters | עַל (al) = tot | מַלְכ֖וּת (malkhut) = het koningschap van | דָּרְיָ֥וֶשׁ (dareyavesh) = Darius | הַפָּֽרְסִֽי (haparesi) = de Pers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers en het volgende noemen de reeks hogepriesters Eljasib, Jojada, Johanan en Jaddua, zoals in de verzen 10–11. Voetnoot : דָּרְיָוֶשׁ הַפָּרְסִי (daryavesh happarsi), ‘Darius de Pers’: de tekst zegt niet welke Darius. Er waren meer Perzische koningen met die naam. Zie ook: Neh 12:10–13 **12:23** De zonen van Levi, de hoofden van de vaderhuizen, werden opgeschreven in het dagboek, tot in de dagen van Johanan, de zoon van Eljasib. Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | לֵוִי֙ (levi) = Levi | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | הָֽאָב֔וֹת (haavot) = de vaderhuizen | כְּתוּבִ֕ים (ketuvim) = opgeschreven | עַל (al) = in | סֵ֖פֶר (sefer) = boek van | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | וְעַד (vead) = en tot | יְמֵ֖י (yemei) = de dagen van | יֽוֹחָנָ֥ן (yochanan) = Johanan | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְיָשִֽׁיב (elyashiv) = Eljasib Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divre hayyamim), ‘het boek van de woorden van de dagen’: wij vertalen ‘het dagboek’, zoals in Koningen en Kronieken. De tekst zegt niet dat het ons boek Kronieken is. Mogelijk gaat het om een officieel register. Zie ook: 1 Kron 9:14–44 **12:24** De hoofden van de Levieten waren Chasjabja, Sjerebja en Jesua, de zoon van Kadmiël. Hun broeders stonden tegenover hen om te loven en te danken, volgens het gebod van David, de man van Elohim. De ene wachtdienst stond tegenover de andere. Brontekst: וְרָאשֵׁ֣י (verashei) = en hoofden van | הַ֠לְוִיִּם (halviyim) = de Levieten | חֲשַׁבְיָ֨ה (chashavya) = Chasjabja | שֵֽׁרֵבְיָ֜ה (shereveya) = Sjerebja | וְיֵשׁ֤וּעַ (veyeshua) = en Jesua | בֶּן (ben) = zoon van | קַדְמִיאֵל֙ (qadmiel) = Kadmiël | וַאֲחֵיהֶ֣ם (vaacheihem) = en hun broeders | לְנֶגְדָּ֔ם (lenegdam) = tegenover hen | לְהַלֵּ֣ל (lehalel) = om te loven | לְהוֹד֔וֹת (lehodot) = om te danken | בְּמִצְוַ֖ת (bemitsvat) = naar het gebod van | דָּוִ֣יד (david) = David | אִישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | מִשְׁמָ֖ר (mishmar) = wachtdienst | לְעֻמַּ֥ת (leumat) = tegenover | מִשְׁמָֽר (mishmar) = wachtdienst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמִצְוַת דָּוִיד אִישׁ הָאֱלֹהִים (bemitsvat david ish ha’Elohim), ‘volgens het gebod van David, de man van Elohim’: David stelde de zangers aan (1 Kron. 25). Voetnoot : מִשְׁמָר לְעֻמַּת מִשְׁמָר (mishmar le’ummat mishmar), ‘de ene wachtdienst tegenover de andere’: de groepen zongen afwisselend, ieder tegenover de ander. Zie ook: 1 Kron 25:1–26; 2 Kron 8:14; Neh 9:4; Neh 10:10–14; Neh 12:8–9 **12:25** Mattanja, Bakbukja, Obadja, Mesjullam, Talmon en Akkub waren poortwachters. Zij hielden de wacht bij de voorraadkamers van de poorten. Brontekst: מַתַּנְיָ֧ה (matanya) = Mattanja | וּבַקְבֻּֽקְיָ֛ה (uvaqbuqya) = en Bakbukja | עֹבַדְיָ֥ה (ovadya) = Obadja | מְשֻׁלָּ֖ם (meshulam) = Mesjullam | טַלְמ֣וֹן (talmon) = Talmon | עַקּ֑וּב (aquv) = Akkub | שֹׁמְרִ֤ים (shomerim) = wachters | שֽׁוֹעֲרִים֙ (shoarim) = poortwachters | מִשְׁמָ֔ר (mishmar) = wachtdienst | בַּאֲסֻפֵּ֖י (baasupei) = bij de voorraadkamers van | הַשְּׁעָרִֽים (hashearim) = de poorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲסֻפֵּי (asuppe), ‘voorraadkamers’: de woorden komen van אָסַף (asaf), ‘verzamelen’. Het zijn kamers bij de poorten waar voorraad werd bewaard (zie 1 Kron. 26:15). Zie ook: 1 Kron 9:14–17; 1 Kron 26:12; 1 Kron 26:15; Neh 11:17–19; Neh 12:8–9 **12:26** Dezen waren er in de dagen van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Jehozadak. Zij waren er ook in de dagen van Nehemia, de landvoogd, en van Ezra, de priester, de schriftgeleerde. Brontekst: אֵ֕לֶּה (ele) = dezen | בִּימֵ֛י (bimei) = in de dagen van | יוֹיָקִ֥ים (yoyaqim) = Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֵשׁ֖וּעַ (yeshua) = Jesua | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹצָדָ֑ק (yotsadaq) = Jehozadak | וּבִימֵי֙ (uvimei) = en in de dagen van | נְחֶמְיָ֣ה (nechemya) = Nehemia | הַפֶּחָ֔ה (hapecha) = de landvoogd | וְעֶזְרָ֥א (veezra) = en Ezra | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | הַסּוֹפֵֽר (hasofer) = de schriftgeleerde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹצָדָק (yotsadaq), ‘Jehozadak’: de vader van Jesua. Hij werd door Nebukadnezar weggevoerd (1 Kron. 5:41). Wij schrijven ‘Jehozadak’ zoals in 1 Kron. Voetnoot : הַפֶּחָה (happechah), ‘de landvoogd’: de titel van Nehemia (Neh. 5:14). Voetnoot : הַסֹּפֵר (hassofer), ‘de schriftgeleerde’: letterlijk ‘de schrijver’. Ezra kende de Torah van Mozes (Ezra 7:6). Zie ook: 1 Kron 5:41; Ezra 7:6; Ezra 7:11; Neh 5:14; Neh 8:9 ### De inwijding van de muur **12:27** Bij de inwijding van de muur van Jeruzalem zocht men de Levieten op, uit al hun woonplaatsen. Men wilde hen naar Jeruzalem brengen om de inwijding te houden, met vreugde, met dankliederen en zang, met bekkens, harpen en lieren. Brontekst: וּבַחֲנֻכַּ֞ת (uvachanukat) = en bij de inwijding van | חוֹמַ֣ת (chomat) = muur van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushaliam) = Jeruzalem | בִּקְשׁ֤וּ (biqshu) = zochten zij | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | מִכָּל (mikal) = uit alle | מְק֣וֹמֹתָ֔ם (meqomotam) = hun plaatsen | לַהֲבִיאָ֖ם (lahaviam) = om hen te brengen | לִֽירוּשָׁלִָ֑ם (lirushaliam) = naar Jeruzalem | לַעֲשֹׂ֨ת (laasot) = om te houden | חֲנֻכָּ֤ה (chanuka) = inwijding | וְשִׂמְחָה֙ (vesimcha) = en vreugde | וּבְתוֹד֣וֹת (uvetodot) = en met dankliederen | וּבְשִׁ֔יר (uveshir) = en met zang | מְצִלְתַּ֖יִם (metsiltayim) = bekkens | נְבָלִ֥ים (nevalim) = harpen | וּבְכִנֹּרֽוֹת (uvekhinorot) = en met lieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֲנֻכָּה (chanukkah), ‘inwijding’: de muur werd aan Elohim gewijd. De bouw was eerder voltooid (Neh. 6:15). Tussen de voltooiing en de inwijding ligt dus tijd. Voetnoot : מְצִלְתַּיִם נְבָלִים כִּנֹּרוֹת (metsiltayim nevalim kinnorot), ‘bekkens, harpen en lieren’: zoals in 1 Kron. 15:16. Zie ook: Deut 20:5; 1 Kron 15:16; 1 Kron 15:28; 2 Kron 5:13; 2 Kron 29:30; Neh 6:15 **12:28** De zonen van de zangers verzamelden zich uit de omtrek rondom Jeruzalem en uit de dorpen van de Netofatieten, Brontekst: וַיֵּאָ֣סְפ֔וּ (vayeasefu) = en verzamelden zich | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | הַמְשֹׁרְרִ֑ים (hamshorerim) = de zangers | וּמִן (umin) = en uit | הַכִּכָּר֙ (hakikar) = de omtrek | סְבִיב֣וֹת (sevivot) = rondom | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וּמִן (umin) = en uit | חַצְרֵ֖י (chatsrei) = dorpen van | נְטֹפָתִֽי (netofati) = de Netofatieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem. Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: הַכִּכָּר (hakikkar), ‘de omtrek’: het vlakke land rondom Jeruzalem. Voetnoot : נְטֹפָתִי (netofati), ‘de Netofatieten’: de bewoners van Netofa, bij Betlehem (1 Kron. 2:54). Zie ook: 1 Kron 2:54; 1 Kron 9:16; Neh 6:2 **12:29** uit Bet-Gilgal en uit de velden van Geba en Azmavet. Want de zangers hadden dorpen voor zich gebouwd rondom Jeruzalem. Brontekst: וּמִבֵּית֙ (umibeit) = en uit Bet | הַגִּלְגָּ֔ל (hagilgal) = Gilgal | וּמִשְּׂד֥וֹת (umisedot) = en uit de velden van | גֶּ֖בַע (geva) = Geba | וְעַזְמָ֑וֶת (veazmavet) = en Azmavet | כִּ֣י (ki) = want | חֲצֵרִ֗ים (chatserim) = dorpen | בָּנ֤וּ (banu) = bouwden | לָהֶם֙ (lahem) = voor zich | הַמְשֹׁ֣רֲרִ֔ים (hamshorarim) = de zangers | סְבִיב֖וֹת (sevivot) = rondom | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Zie Azmavet (Hizma): Azmavet (Bet-Azmavet) is het huidige Hizma, ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בֵּית הַגִּלְגָּל (bet haggilgal), ‘Bet-Gilgal’: een plaats bij Jeruzalem. De ligging is niet zeker. Voetnoot : Geba en Azmavet liggen in Benjamin, ten noorden van Jeruzalem (zie 11:31; Ezra 2:24). Zie ook: Joz 5:9; Joz 21:17; 1 Kron 6:45; Ezra 2:24; Neh 11:31 **12:30** De priesters en de Levieten reinigden zich. Zij reinigden het volk, de poorten en de muur. Brontekst: וַיִּֽטַּהֲר֔וּ (vayitaharu) = en reinigden zich | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֑ם (vehalviyim) = en de Levieten | וַֽיְטַהֲרוּ֙ (vaytaharu) = en reinigden | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשְּׁעָרִ֖ים (hashearim) = de poorten | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | הַחוֹמָֽה (hachoma) = de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:5; Ex 19:10; 2 Kron 29:5; Ezra 6:21; Neh 13:30 ### De twee dankkoren op de muur **12:31** Ik liet de oversten van Juda boven op de muur komen. Ik liet twee grote dankkoren opstellen, met optochten. Het ene ging aan de rechterkant, boven op de muur, naar de Mestpoort. Brontekst: וָאַעֲלֶה֙ (vaaale) = en ik liet komen | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | מֵעַ֖ל (meal) = van boven | לַחוֹמָ֑ה (lachoma) = op de muur | וָאַעֲמִ֡ידָה (vaaamida) = en ik liet staan | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | תוֹדֹת֩ (todot) = dankkoren | גְּדוֹלֹ֨ת (gedolot) = grote | וְתַהֲלֻכֹ֤ת (vetahalukhot) = en optochten | לַיָּמִין֙ (layamin) = naar rechts | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | לַחוֹמָ֔ה (lachoma) = op de muur | לְשַׁ֖עַר (leshaar) = naar de poort van | הָאַשְׁפֹּֽת (haashpot) = de mest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mestpoort (ligging onzeker): De Mestpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij het dal van Hinnom. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: תּוֹדֹת (todot), ‘dankkoren’: letterlijk ‘dankzeggingen’. Het zijn groepen die dankten, zongen en in optocht liepen. Voetnoot : שַׁעַר הָאַשְׁפֹּת (sha’ar ha’ashpot), ‘de Mestpoort’: letterlijk ‘poort van de asbulten’ of ‘mesthopen’. Ook Neh. 3:14. De ligging is in het zuiden van de stad. Zie ook: 1 Kron 13:1; Neh 2:13; Neh 3:13–14; Neh 3:14; Neh 12:38; Neh 12:40 **12:32** Achter hen aan ging Hosjaja, met de helft van de oversten van Juda, Brontekst: וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en ging | אַחֲרֵיהֶם֙ (achareihem) = achter hen | הוֹשַׁ֣עְיָ֔ה (hoshaya) = Hosjaja | וַחֲצִ֖י (vachatsi) = en de helft van | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:33** met Azaria, Ezra en Mesjullam, Brontekst: וַעֲזַרְיָ֥ה (vaazarya) = en Azaria | עֶזְרָ֖א (ezra) = Ezra | וּמְשֻׁלָּֽם (umeshulam) = en Mesjullam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 10:3–8 **12:34** Juda, Benjamin, Sjemaja en Jeremia. Brontekst: יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֔ן (uvinyamin) = en Benjamin | וּֽשְׁמַֽעְיָ֖ה (ushemaya) = en Sjemaja | וְיִרְמְיָֽה (veyirmeya) = en Jeremia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:35** Van de zonen van de priesters gingen er met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonatan, zoon van Sjemaja, zoon van Mattanja, zoon van Michaja, zoon van Zakkur, zoon van Asaf, Brontekst: וּמִבְּנֵ֥י (umibenei) = en van de zonen van | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | בַּחֲצֹצְר֑וֹת (bachatsotserot) = met trompetten | זְכַרְיָ֨ה (zekharya) = Zecharja | בֶן (ben) = zoon van | יֽוֹנָתָ֜ן (yonatan) = Jonatan | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁמַֽעְיָ֗ה (shemaya) = Sjemaja | בֶּן (ben) = zoon van | מַתַּנְיָה֙ (matanya) = Mattanja | בֶּן (ben) = zoon van | מִ֣יכָיָ֔ה (mikhaya) = Michaja | בֶּן (ben) = zoon van | זַכּ֖וּר (zakur) = Zakkur | בֶּן (ben) = zoon van | אָסָֽף (asaf) = Asaf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲצֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’: de zilveren trompetten van Num. 10:2, die priesters bliezen. Zie ook: Num 10:2–10; Joz 6:4; 1 Kron 6:24–28; 1 Kron 26:10–11; 2 Kron 5:12 **12:36** en zijn broeders Sjemaja, Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Netanel, Juda en Chanani, met de instrumenten van David, de man van Elohim. Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hen uit. Brontekst: וְֽאֶחָ֡יו (veechav) = en zijn broeders | שְֽׁמַעְיָ֡ה (shemaya) = Sjemaja | וַעֲזַרְאֵ֡ל (vaazarel) = en Azareël | מִֽלֲלַ֡י (milalay) = Milalai | גִּֽלֲלַ֡י (gilalay) = Gilalai | מָעַ֞י (maay) = Maäi | נְתַנְאֵ֤ל (netanel) = Netanel | וִֽיהוּדָה֙ (vihuda) = en Juda | חֲנָ֔נִי (chanani) = Chanani | בִּכְלֵי (bikhlei) = met instrumenten van | שִׁ֥יר (shir) = lied van | דָּוִ֖יד (david) = David | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וְעֶזְרָ֥א (veezra) = en Ezra | הַסּוֹפֵ֖ר (hasofer) = de schriftgeleerde | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּכְלֵי שִׁיר דָּוִיד (bikhle shir david), ‘met de instrumenten van het lied van David’: de instrumenten die David voor de dienst had laten maken (1 Kron. 23:5; 2 Kron. 29:26). Voetnoot : Ezra ging voor het eerste dankkoor uit. Zie ook: 1 Kron 23:5; 2 Kron 8:14; 2 Kron 29:26; Amos 6:5; Ezra 8:1; Neh 12:24 **12:37** Bij de Bronpoort gingen zij recht voor zich uit omhoog, over de trappen van de stad van David. Zij gingen bij de opgang van de muur, boven het huis van David, tot aan de Waterpoort in het oosten. Brontekst: וְעַל֩ (veal) = en bij | שַׁ֨עַר (shaar) = poort van | הָעַ֜יִן (haayin) = de Bron | וְנֶגְדָּ֗ם (venegdam) = en recht voor zich uit | עָלוּ֙ (alu) = gingen zij op | עַֽל (al) = langs | מַעֲלוֹת֙ (maalot) = trappen van | עִ֣יר (ir) = stad van | דָּוִ֔יד (david) = David | בַּֽמַּעֲלֶ֖ה (bamaale) = bij de opgang | לַחוֹמָ֑ה (lachoma) = naar de muur | מֵעַל֙ (meal) = boven | לְבֵ֣ית (leveit) = het huis van | דָּוִ֔יד (david) = David | וְעַ֛ד (vead) = en tot | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het Water | מִזְרָֽח (mizrach) = oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bronpoort (ligging onzeker): De Bronpoort lag aan de zuidoostkant van Jeruzalem, bij de vijver van Siloam. De precieze plaats is niet zeker. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שַׁעַר הָעַיִן (sha’ar ha’ayin), ‘de Bronpoort’: Neh. 3:15. Voetnoot : וְנֶגְדָּם (venegdam), ‘recht voor zich uit’: letterlijk ‘en tegenover hen’. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : שַׁעַר הַמַּיִם (sha’ar hammayim), ‘de Waterpoort’: Neh. 3:26. Zie ook: Neh 2:14; Neh 3:15; Neh 3:26; Neh 8:1; Neh 8:3; Neh 8:16 **12:38** Het tweede dankkoor ging in tegenovergestelde richting. Ik volgde het, met de helft van het volk, boven op de muur. Wij gingen boven de Toren van de Ovens tot aan de brede muur, Brontekst: וְהַתּוֹדָ֧ה (vehatoda) = en het dankkoor | הַשֵּׁנִ֛ית (hashenit) = het tweede | הַהוֹלֶ֥כֶת (haholekhet) = dat ging | לְמ֖וֹאל (lemol) = naar de overkant | וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | אַחֲרֶ֑יהָ (achareiha) = achter haar | וַחֲצִ֨י (vachatsi) = en de helft van | הָעָ֜ם (haam) = het volk | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | לְהַחוֹמָ֗ה (lehachoma) = op de muur | מֵעַל֙ (meal) = boven | לְמִגְדַּ֣ל (lemigdal) = de toren van | הַתַּנּוּרִ֔ים (hatanurim) = de ovens | וְעַ֖ד (vead) = en tot | הַחוֹמָ֥ה (hachoma) = de muur | הָרְחָבָֽה (harechava) = de brede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְמוֹאול (lemo’ol), ‘in tegenovergestelde richting’: het tweede koor ging de andere kant op, tegen het eerste in, tot beide koren elkaar bij het huis van Elohim ontmoetten. Voetnoot : מִגְדַּל הַתַּנּוּרִים (migdal hattannurim), ‘de Toren van de Ovens’: Neh. 3:11. Voetnoot : הַחוֹמָה הָרְחָבָה (hachomah harechavah), ‘de brede muur’: Neh. 3:8. Zie ook: Neh 3:8; Neh 3:11; Neh 12:31 **12:39** boven de Efraïmpoort, de Oude Poort en de Vissenpoort, de Toren van Chananeël en de Toren van de Honderd, tot aan de Schaapspoort. Zij bleven staan bij de Poort van de Wacht. Brontekst: וּמֵעַ֣ל (umeal) = en boven | לְשַֽׁעַר (leshaar) = poort van | אֶ֠פְרַיִם (efrayim) = Efraïm | וְעַל (veal) = en bij | שַׁ֨עַר (shaar) = poort | הַיְשָׁנָ֜ה (hayshana) = de oude | וְעַל (veal) = en bij | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הַדָּגִ֗ים (hadagim) = de vissen | וּמִגְדַּ֤ל (umigdal) = en toren van | חֲנַנְאֵל֙ (chananel) = Chananeël | וּמִגְדַּ֣ל (umigdal) = en toren van | הַמֵּאָ֔ה (hamea) = de honderd | וְעַ֖ד (vead) = en tot | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הַצֹּ֑אן (hatson) = de schapen | וְעָ֣מְד֔וּ (veamedu) = en zij bleven staan | בְּשַׁ֖עַר (beshaar) = bij de poort van | הַמַּטָּרָֽה (hamatara) = de wacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Efraïmpoort (ligging onzeker): De Efraïmpoort was een poort in de noordmuur van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Zie Toren van Chananel (ligging onzeker): De Toren van Chananel stond aan de noordkant van Jeruzalem, bij de Schaapspoort. De precieze plaats is niet zeker. Zie Schaapspoort (ligging onzeker): De Schaapspoort lag in de noordoostelijke muur van Jeruzalem, bij de tempel. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Dit vers noemt poorten en torens langs de noord- en oostmuur: de Efraïmpoort (Neh. 8:16), de Oude Poort (Neh. 3:6), de Vissenpoort (Neh. 3:3), de Toren van Chananeël en de Toren van de Honderd (Neh. 3:1), de Schaapspoort (Neh. 3:1). Voetnoot : שַׁעַר הַמַּטָּרָה (sha’ar hammattarah), ‘de Poort van de Wacht’: het woord מַטָּרָה (mattarah) betekent ‘wacht’ of ‘gevangenis’. De ligging is niet zeker. Zie ook: Neh 3:1; Neh 3:3; Neh 3:6; Neh 3:25; Neh 8:16 **12:40** Zo stelden de twee dankkoren zich op bij het huis van Elohim. Ik deed dat ook, met de helft van de bestuurders die bij mij waren, Brontekst: וַֽתַּעֲמֹ֛דְנָה (vataamodena) = en stonden | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | הַתּוֹדֹ֖ת (hatodot) = de dankkoren | בְּבֵ֣ית (beveit) = bij het huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וַאֲנִ֕י (vaani) = en ik | וַחֲצִ֥י (vachatsi) = en de helft van | הַסְּגָנִ֖ים (haseganim) = de bestuurders | עִמִּֽי (imi) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַסְּגָנִים (hasseganim), ‘de bestuurders’: de leidinggevenden. Zo vertalen wij ook in Neh. 2:16. Zie ook: Ps 42:5; Ps 47:7–10; Ps 134:1–3; Neh 2:16; Neh 12:31–32 **12:41** en de priesters Eljakim, Maäseja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zecharja en Chananja, met trompetten, Brontekst: וְהַכֹּהֲנִ֡ים (vehakohanim) = en de priesters | אֶלְיָקִ֡ים (elyaqim) = Eljakim | מַעֲשֵׂיָ֡ה (maaseya) = Maäseja | מִ֠נְיָמִין (minyamin) = Minjamin | מִיכָיָ֧ה (mikhaya) = Michaja | אֶלְיוֹעֵינַ֛י (elyoeinay) = Eljoënai | זְכַרְיָ֥ה (zekharya) = Zecharja | חֲנַנְיָ֖ה (chananya) = Chananja | בַּחֲצֹצְרֽוֹת (bachatsotserot) = met trompetten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:42** en Maäseja, Sjemaja, Eleazar, Uzzi, Johanan, Malkia, Elam en Ezer. De zangers lieten zich horen, met Jizrachja als leider. Brontekst: וּמַעֲשֵׂיָ֨ה (umaaseya) = en Maäseja | וּֽשְׁמַֽעְיָ֜ה (ushemaya) = en Sjemaja | וְאֶלְעָזָ֧ר (veelazar) = en Eleazar | וְעֻזִּ֛י (veuzi) = en Uzzi | וִֽיהוֹחָנָ֥ן (vihochanan) = en Johanan | וּמַלְכִּיָּ֖ה (umalkiya) = en Malkia | וְעֵילָ֣ם (veeilam) = en Elam | וָעָ֑זֶר (vaazer) = en Ezer | וַיַּשְׁמִ֨יעוּ֙ (vayashmiu) = en lieten horen | הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים (hamshorerim) = de zangers | וְיִֽזְרַחְיָ֖ה (veyizrachya) = en Jizrachja | הַפָּקִֽיד (hapaqid) = de opzichter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּשְׁמִיעוּ (vayashmi’u), ‘zij lieten zich horen’: de zangers lieten hun stem klinken, onder leiding van Jizrachja, de opzichter. Zie ook: Ps 81:2; Ps 95:1; Ps 100:1–2; Jes 12:5–6; Neh 11:14 ### Blijdschap en de aandelen voor de dienst **12:43** Op die dag brachten zij grote slachtoffers en waren zij blij. Want Elohim had hun grote vreugde gegeven. Ook de vrouwen en de kinderen waren blij. De vreugde van Jeruzalem werd van ver gehoord. Brontekst: וַיִּזְבְּח֣וּ (vayizbechu) = en zij slachtten | בַיּוֹם (bayom) = op de dag | הַ֠הוּא (hahu) = die | זְבָחִ֨ים (zevachim) = slachtoffers | גְּדוֹלִ֜ים (gedolim) = grote | וַיִּשְׂמָ֗חוּ (vayismachu) = en zij verheugden zich | כִּ֤י (ki) = want | הָאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | שִׂמְּחָם֙ (simecham) = had hen verheugd | שִׂמְחָ֣ה (simcha) = vreugde | גְדוֹלָ֔ה (gedola) = grote | וְגַ֧ם (vegam) = en ook | הַנָּשִׁ֛ים (hanashim) = de vrouwen | וְהַיְלָדִ֖ים (vehayladim) = en de kinderen | שָׂמֵ֑חוּ (samechu) = verheugden zich | וַתִּשָּׁמַ֛ע (vatishama) = en werd gehoord | שִׂמְחַ֥ת (simchat) = vreugde van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | מֵרָחֽוֹק (merachoq) = van ver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Elohim zelf had hun de grote vreugde gegeven. Het Hebreeuws zegt: ‘Elohim had hen verheugd met grote vreugde’. Zie ook: Ps 92:5; Ps 148:11–13; 2 Kron 7:10; Jer 31:13; Ezra 3:13 **12:44** Op die dag werden mannen aangesteld over de voorraadkamers voor de heffingen, de eerstelingen en de tienden. Zij moesten daarin verzamelen, uit de velden van de steden, de aandelen die de Torah geeft voor de priesters en de Levieten. Want Juda was blij over de priesters en de Levieten die dienst deden. Brontekst: וַיִּפָּקְד֣וּ (vayipaqedu) = en zij stelden aan | בַיּוֹם֩ (bayom) = op de dag | הַה֨וּא (hahu) = die | אֲנָשִׁ֜ים (anashim) = mannen | עַל (al) = over | הַנְּשָׁכ֗וֹת (haneshakhot) = de kamers | לָא֨וֹצָר֥וֹת (laotsarot) = voor de voorraadkamers | לַתְּרוּמוֹת֮ (laterumot) = voor de heffingen | לָרֵאשִׁ֣ית (lareshit) = voor de eerstelingen | וְלַמַּֽעַשְׂרוֹת֒ (velamaasrot) = en voor de tienden | לִכְנ֨וֹס (likhnos) = om te verzamelen | בָּהֶ֜ם (bahem) = daarin | לִשְׂדֵ֤י (lisdei) = uit de velden van | הֶעָרִים֙ (hearim) = de steden | מְנָא֣וֹת (menaot) = de aandelen van | הַתּוֹרָ֔ה (hatora) = de Torah | לַכֹּהֲנִ֖ים (lakohanim) = voor de priesters | וְלַלְוִיִּ֑ם (velalviyim) = en voor de Levieten | כִּ֚י (ki) = want | שִׂמְחַ֣ת (simchat) = vreugde van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עַל (al) = over | הַכֹּהֲנִ֥ים (hakohanim) = de priesters | וְעַל (veal) = en over | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | הָעֹמְדִֽים (haomedim) = die dienden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁכּוֹת (nishkot), ‘kamers’ en אוֹצָרוֹת (otsarot), ‘voorraadkamers’: de kamers in het huis van Elohim waar de gaven werden bewaard (Neh. 13:5). Voetnoot : תְּרוּמוֹת (terumot), ‘heffingen’; רֵאשִׁית (reshit), ‘eerstelingen’; מַעְשְׂרוֹת (ma’asrot), ‘tienden’. Vergelijk Num. 18:8–32 en Deut. 18:3–4. Voetnoot : מְנָאוֹת הַתּוֹרָה (menaot hattorah), ‘de aandelen van de Torah’: het deel dat de Torah aan de priesters en de Levieten toekent. Voetnoot : הָעֹמְדִים (ha’omdim), ‘die dienst deden’: letterlijk ‘die stonden’, dat is: die in dienst stonden. Zie ook: Num 3:10; Num 18:8–32; Deut 18:3–4; 2 Kron 31:11–13; Jes 40:31; Neh 10:38–40; Neh 13:5; Neh 13:12–13 **12:45** Zij hielden de wacht van hun Elohim en de wacht van de reiniging. Ook de zangers en de poortwachters deden dat, volgens het gebod van David en van Salomo, zijn zoon. Brontekst: וַֽיִּשְׁמְר֞וּ (vayishmeru) = en zij hielden | מִשְׁמֶ֤רֶת (mishmeret) = wacht van | אֱלֹֽהֵיהֶם֙ (eloheihem) = hun Elohim | וּמִשְׁמֶ֣רֶת (umishmeret) = en wacht van | הַֽטָּהֳרָ֔ה (hatahora) = de reiniging | וְהַמְשֹׁרְרִ֖ים (vehamshorerim) = en de zangers | וְהַשֹּׁעֲרִ֑ים (vehashoarim) = en de poortwachters | כְּמִצְוַ֥ת (kemitsvat) = naar het gebod van | דָּוִ֖יד (david) = David | שְׁלֹמֹ֥ה (shelomo) = Salomo | בְנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת הַטָּהֳרָה (mishmeret hattohorah), ‘de wacht van de reiniging’: de zorg voor reinheid van het huis en van de mensen. Vergelijk Lev. 15:31. Zie ook: Lev 15:31; 1 Kron 23:28; 1 Kron 25:1–26; 2 Kron 23:6 **12:46** Want al in de dagen van David en Asaf waren er van oudsher hoofden van de zangers. Er was een lied van lofzang en dankzegging aan Elohim. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | בִימֵ֥י (bimei) = in de dagen van | דָוִ֛יד (david) = David | וְאָסָ֖ף (veasaf) = en Asaf | מִקֶּ֑דֶם (miqedem) = van oudsher | רָאשֵׁי֙ (rashei) = hoofden van | הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים (hamshorerim) = de zangers | וְשִׁיר (veshir) = en lied van | תְּהִלָּ֥ה (tehila) = lofzang | וְהֹד֖וֹת (vehodot) = en dankzegging | לֵֽאלֹהִֽים (lElohim) = aan Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft ראש (rosh), ‘hoofd’. De voorgelezen tekst (qere) heeft רָאשֵׁי (rashe), ‘hoofden’. Wij volgen het qere. Zie ook: 1 Kron 25:1–31; Ps 73:1; Ps 83:2; 2 Kron 29:30 **12:47** Heel Israël gaf in de dagen van Zerubbabel en in de dagen van Nehemia de aandelen voor de zangers en de poortwachters. Elke dag gaf men wat die dag vroeg. Zij heiligden het voor de Levieten, en de Levieten heiligden het voor de zonen van Aäron. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵל֩ (yisrael) = Israël | בִּימֵ֨י (bimei) = in de dagen van | זְרֻבָּבֶ֜ל (zerubavel) = Zerubbabel | וּבִימֵ֣י (uvimei) = en in de dagen van | נְחֶמְיָ֗ה (nechemya) = Nehemia | נֹֽתְנִ֛ים (notenim) = gaven | מְנָי֛וֹת (menayot) = aandelen van | הַמְשֹׁרְרִ֥ים (hamshorerim) = de zangers | וְהַשֹּׁעֲרִ֖ים (vehashoarim) = en de poortwachters | דְּבַר (devar) = zaak van | י֣וֹם (yom) = dag | בְּיוֹמ֑וֹ (beyomo) = op zijn dag | וּמַקְדִּשִׁים֙ (umaqdishim) = en zij heiligden | לַלְוִיִּ֔ם (lalviyim) = voor de Levieten | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | מַקְדִּשִׁ֖ים (maqdishim) = heiligden | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | אַהֲרֹֽן (aharon) = Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמַקְדִּשִׁים (umaqdishim), ‘zij heiligden’: zij wijdden het aan Elohim of zetten het als heilig apart. De Levieten gaven vervolgens een tiende van hun deel aan de priesters (Num. 18:26–28). Zie ook: Num 18:21–29; Num 18:26–28; Neh 11:23; Neh 12:1; Neh 12:12; Neh 13:10–12 ## Nehemia 13 _De hervormingen van Nehemia_ ### De gemengde schare wordt afgescheiden **13:1** Op die dag werd uit het boek van Mozes voorgelezen, in de oren van het volk. Daarin werd geschreven gevonden dat een Ammoniet en een Moabiet nooit in de vergadering van Elohim mogen komen, tot in eeuwigheid. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | נִקְרָ֛א (niqra) = werd voorgelezen | בְּסֵ֥פֶר (besefer) = uit het boek van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וְנִמְצָא֙ (venimtsa) = en werd gevonden | כָּת֣וּב (katuv) = geschreven | בּ֔וֹ (bo) = daarin | אֲ֠שֶׁר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יָב֨וֹא (yavo) = zal komen | עַמֹּנִ֧י (amoni) = een Ammoniet | וּמֹאָבִ֛י (umoavi) = en een Moabiet | בִּקְהַ֥ל (biqhal) = in de vergadering van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden over de Ammoniet en de Moabiet staan in Deut. 23:4–5. Wij vertalen hier zoals daar: ‘vergadering’ (קָהָל, qahal) en ‘tot in eeuwigheid’ (עַד עוֹלָם, ad olam). Voetnoot : סֵפֶר מֹשֶׁה (sefer mosheh), ‘het boek van Mozes’: de Torah. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet welke dag ‘die dag’ is. Het hoofdstuk begint zonder datum, in de tijd na de inwijding van de muur (Neh. 12). Zie ook: Deut 23:4–6; Deut 31:11–12; 2 Kon 23:2; Neh 9:3; Neh 13:23 **13:2** Want zij waren de Israëlieten niet met brood en water tegemoetgekomen. Zij hadden Bileam tegen hen ingehuurd om hen te vervloeken. Maar onze Elohim veranderde de vloek in een zegen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֧א (lo) = niet | קִדְּמ֛וּ (qidemu) = kwamen tegemoet | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּלֶּ֣חֶם (balechem) = met brood | וּבַמָּ֑יִם (uvamayim) = en met water | וַיִּשְׂכֹּ֨ר (vayiskor) = en huurde in | עָלָ֤יו (alav) = tegen hen | אֶת (et) = (obj.) | בִּלְעָם֙ (bilam) = Bileam | לְקַֽלְל֔וֹ (leqallo) = om hem te vervloeken | וַיַּהֲפֹ֧ךְ (vayahafokh) = en veranderde | אֱלֹהֵ֛ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הַקְּלָלָ֖ה (haqelala) = de vloek | לִבְרָכָֽה (livrakha) = in zegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bileam, de zoon van Beor, werd ingehuurd door Balak, de koning van Moab (Num. 22:5–6; Deut. 23:5–6). Elohim veranderde de vloek in een zegen (Num. 23–24). Zie ook: Num 22:5–6; Deut 23:5–6; Deut 23:6; Joz 24:9–10; Ps 109:28; Mi 6:5; Mat 25:40 **13:3** Toen zij de Torah hoorden, scheidden zij heel de gemengde schare van Israël af. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | כְּשָׁמְעָ֣ם (keshameam) = toen zij hoorden | אֶת (et) = (obj.) | הַתּוֹרָ֑ה (hatora) = de Torah | וַיַּבְדִּ֥ילוּ (vayavdilu) = en zij scheidden af | כָל (kal) = alle | עֵ֖רֶב (erev) = gemengde schare | מִיִּשְׂרָאֵֽל (miyisrael) = van Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵרֶב (erev), ‘gemengde schare’: mensen van andere afkomst die bij Israël waren gaan horen. Zo vertalen wij ook in Exod. 12:38. Voetnoot : הַתּוֹרָה (hattorah), ‘de Torah’: wat zo-even uit het boek van Mozes was voorgelezen. Zie ook: Ex 12:38; Num 11:4; Neh 9:2; Neh 10:29; Jak 1:27 ### Tobia en de kamer in het huis van Elohim **13:4** Vóór dit was Eljasib, de priester, gesteld over de kamer van het huis van onze Elohim. Hij was een verwant van Tobia. Brontekst: וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor | מִזֶּ֔ה (mize) = dit | אֶלְיָשִׁיב֙ (elyashiv) = Eljasib | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | נָת֖וּן (natun) = gesteld | בְּלִשְׁכַּ֣ת (belishkat) = over de kamer van | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | קָר֖וֹב (qarov) = verwant | לְטוֹבִיָּֽה (letoviya) = aan Tobia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eljasib de priester is waarschijnlijk dezelfde als de hogepriester uit Neh. 3:1 en 12:10. Het Hebreeuws zegt ‘de priester’ en geeft hem hier geen titel van hogepriester. Voetnoot : נָתוּן (natun), ‘gesteld’: letterlijk ‘gegeven’, dat is: toevertrouwd. Het gaat om de zorg voor de kamers van het huis. Voetnoot : טוֹבִיָּה (toviyyah), ‘Tobia’: de Ammoniet, de tegenstander van Nehemia (Neh. 2:10, 19). De band tussen Eljasib en Tobia blijkt ook uit Neh. 6:17–19. Voetnoot : קָרוֹב (qarov), ‘verwant’: letterlijk ‘dichtbij’. Het kan familie betekenen of een nauwe band. De tekst zegt niet hoe zij verwant waren. Zie ook: Neh 2:10; Neh 3:1; Neh 6:17–18; Neh 12:10; Neh 12:44; Neh 13:28 **13:5** Hij had voor hem een grote kamer gemaakt. Daar legde men vroeger het graanoffer, de wierook en de voorwerpen neer. Ook de tiende van het graan, de nieuwe wijn en de olie lag daar, wat voorgeschreven was voor de Levieten, de zangers en de poortwachters. En de heffing voor de priesters. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | ל֜וֹ (lo) = voor hem | לִשְׁכָּ֣ה (lishka) = een kamer | גְדוֹלָ֗ה (gedola) = grote | וְשָׁ֣ם (vesham) = en daar | הָי֪וּ (hayu) = waren | לְפָנִ֟ים (lefanim) = vroeger | נֹ֠תְנִים (notenim) = die legden | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָ֨ה (hamincha) = het graanoffer | הַלְּבוֹנָ֜ה (halevona) = de wierook | וְהַכֵּלִ֗ים (vehakelim) = en de voorwerpen | וּמַעְשַׂ֤ר (umasar) = en de tiende van | הַדָּגָן֙ (hadagan) = het graan | הַתִּיר֣וֹשׁ (hatirosh) = de nieuwe wijn | וְהַיִּצְהָ֔ר (vehayitshar) = en de olie | מִצְוַת֙ (mitsvat) = wat voorgeschreven was voor | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | וְהַמְשֹׁרְרִ֖ים (vehamshorerim) = en de zangers | וְהַשֹּׁעֲרִ֑ים (vehashoarim) = en de poortwachters | וּתְרוּמַ֖ת (uterumat) = en de heffing van | הַכֹּהֲנִֽים (hakohanim) = de priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers somt op wat in deze kamers werd bewaard: het graanoffer, de wierook, de voorwerpen, de tiende en de heffing. Vergelijk Neh. 10:38–40 en Num. 18:8–32. Voetnoot : נֹתְנִים (notenim), ‘legde men neer’: een deelwoord in het meervoud, letterlijk ‘gevende’. Wij begrijpen: men legde daar neer. Zie ook: Num 18:8–32; Num 18:21–24; 2 Kron 34:11; Neh 10:38–40; Neh 10:39; Neh 12:44 **13:6** Tijdens dit alles was ik niet in Jeruzalem. Want in het tweeëndertigste jaar van Artachsasta, de koning van Babel, was ik naar de koning gegaan. Na enige tijd kreeg ik verlof van de koning. Brontekst: וּבְכָל (uvekhal) = en in al | זֶ֕ה (ze) = dit | לֹ֥א (lo) = niet | הָיִ֖יתִי (hayiti) = was ik | בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | כִּ֡י (ki) = want | בִּשְׁנַת֩ (bishnat) = in het jaar | שְׁלֹשִׁ֨ים (sheloshim) = dertig | וּשְׁתַּ֜יִם (ushtayim) = en twee | לְאַרְתַּחְשַׁ֤סְתְּא (leartachshaste) = van Artachsasta | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | בָּ֣אתִי (bati) = kwam ik | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּלְקֵ֥ץ (uleqets) = en na het einde van | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | נִשְׁאַ֥לְתִּי (nishalti) = kreeg ik verlof | מִן (min) = van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: אַרְתַּחְשַׁסְתָּא מֶלֶךְ בָּבֶל (artachshasta melekh bavel), ‘Artachsasta, de koning van Babel’: Artachsasta was koning van Perzië. Hij regeerde ook over Babel. Vergelijk Ezra 6:22, waar Darius ‘koning van Assyrië’ heet. Voetnoot : נִשְׁאַלְתִּי (nish’alti), ‘kreeg ik verlof’: letterlijk ‘werd ik gevraagd’. Het werkwoord שָׁאַל (sha’al) betekent ‘vragen’. De zin bedoelt dat Nehemia om verlof vroeg en het kreeg; de tekst zegt het niet nader. Zie ook: Ex 32:1; 2 Kron 24:17–18; Ezra 6:22; Neh 2:1; Neh 5:14 **13:7** Ik kwam in Jeruzalem en zag het kwaad dat Eljasib voor Tobia had gedaan. Hij had voor hem een kamer gemaakt in de voorhoven van het huis van Elohim. Brontekst: וָאָב֖וֹא (vaavo) = en ik kwam | לִֽירוּשָׁלִָ֑ם (lirushaliam) = naar Jeruzalem | וָאָבִ֣ינָה (vaavina) = en ik begreep | בָרָעָ֗ה (baraa) = het kwaad | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עָשָׂ֤ה (asa) = had gedaan | אֶלְיָשִׁיב֙ (elyashiv) = Eljasib | לְט֣וֹבִיָּ֔ה (letoviya) = voor Tobia | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = door te maken | לוֹ֙ (lo) = voor hem | נִשְׁכָּ֔ה (nishka) = een kamer | בְּחַצְרֵ֖י (bechatsrei) = in de voorhoven van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נִשְׁכָּה (nishkah), ‘kamer’: een ander woord dan לִשְׁכָּה (lishkah) in vers 4 en 5. Beide betekenen kamer in het huis van Elohim. Wij vertalen beide ‘kamer’. Voetnoot : חַצְרֵי בֵּית הָאֱלֹהִים (chatsre bet ha’Elohim), ‘de voorhoven van het huis van Elohim’: de ruimten rondom het eigenlijke huis. Zie ook: Klaagl 1:10; Neh 13:1; Neh 13:4; Neh 13:5; Mat 21:12–13; 1 Kor 1:11 **13:8** Het beviel mij zeer slecht. Ik wierp al het huisraad van Tobia buiten de kamer. Brontekst: וַיֵּ֥רַֽע (vayera) = en het was kwaad | לִ֖י (li) = in mijn ogen | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וָֽאַשְׁלִ֜יכָה (vaashlikha) = en ik wierp | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֧י (kelei) = voorwerpen van | בֵית (beit) = het huis van | טוֹבִיָּ֛ה (toviya) = Tobia | הַח֖וּץ (hachuts) = de buitenkant | מִן (min) = uit | הַלִּשְׁכָּֽה (halishka) = de kamer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלֵי בֵית טוֹבִיָּה (kele bet toviyyah), ‘de voorwerpen van het huis van Tobia’: het huisraad, de bezittingen van Tobia in de kamer. Zie ook: Ps 69:10; Ezra 9:3–4; Ezra 10:1; Mar 11:15–17; Joh 2:13–17 **13:9** Ik gaf bevel en men reinigde de kamers. Daarna bracht ik de voorwerpen van het huis van Elohim daar terug, met het graanoffer en de wierook. Brontekst: וָאֹ֣מְרָ֔ה (vaomera) = en ik zei | וַֽיְטַהֲר֖וּ (vaytaharu) = en zij reinigden | הַלְּשָׁכ֑וֹת (haleshakhot) = de kamers | וָאָשִׁ֣יבָה (vaashiva) = en ik bracht terug | שָּׁ֗ם (sham) = daar | כְּלֵי֙ (kelei) = voorwerpen van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָ֖ה (hamincha) = het graanoffer | וְהַלְּבוֹנָֽה (vehalevona) = en de wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft ‘ik zei, en zij reinigden’. Wij schrijven ‘ik gaf bevel en men reinigde’. De kamers waren onrein geworden door Tobia en zijn bezittingen. Zie ook: 2 Kron 29:5; 2 Kron 29:15–19; Neh 12:45 ### De aandelen van de Levieten **13:10** Ik hoorde ook dat de aandelen van de Levieten niet waren gegeven. De Levieten en de zangers die het werk deden, waren allemaal naar hun akker gevlucht. Brontekst: וָאֵ֣דְעָ֔ה (vaedea) = en ik wist | כִּֽי (ki) = dat | מְנָי֥וֹת (menayot) = aandelen van | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | לֹ֣א (lo) = niet | נִתָּ֑נָה (nitana) = waren gegeven | וַיִּבְרְח֧וּ (vayivrechu) = en vluchtten | אִישׁ (ish) = ieder | לְשָׂדֵ֛הוּ (lesadehu) = naar zijn akker | הַלְוִיִּ֥ם (halviyim) = de Levieten | וְהַמְשֹׁרְרִ֖ים (vehamshorerim) = en de zangers | עֹשֵׂ֥י (osei) = die deden | הַמְּלָאכָֽה (hamelakha) = het werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְנָיוֹת (menayot), ‘aandelen’: het deel dat de Levieten toekwam, zie Neh. 12:44 en 12:47. Voetnoot : Zonder hun aandeel konden de Levieten en de zangers niet van hun dienst leven. Zij gingen terug naar hun akker. Zie ook: Num 35:2; Neh 10:38; Neh 12:44; Neh 12:47; Mal 3:8; 1 Tim 5:17–18 **13:11** Ik twistte met de bestuurders en zei: „Waarom is het huis van Elohim verlaten?” Ik verzamelde hen en stelde hen weer op hun post. Brontekst: וָאָרִ֨יבָה֙ (vaariva) = en ik twistte met | אֶת (et) = (obj.) | הַסְּגָנִ֔ים (haseganim) = de bestuurders | וָאֹ֣מְרָ֔ה (vaomera) = en ik zei | מַדּ֖וּעַ (madua) = waarom | נֶעֱזַ֣ב (neezav) = is verlaten | בֵּית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וָֽאֶ֨קְבְּצֵ֔ם (vaeqbetsem) = en ik verzamelde hen | וָֽאַעֲמִדֵ֖ם (vaaamidem) = en ik stelde hen op | עַל (al) = op | עָמְדָֽם (amedam) = hun post Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָאָרִיבָה (va’arivah), ‘ik twistte met’: het werkwoord רִיב (riv) betekent ‘twisten’, een woordenstrijd voeren. Nehemia beschuldigt de bestuurders. Zo vertalen wij ook in de verzen 17 en 25. Voetnoot : הַסְּגָנִים (hasseganim), ‘de bestuurders’: zie Neh. 12:40. Zie ook: 1 Sam 2:17; Neh 5:6–13; Neh 10:40; Neh 12:40; Neh 13:17; Neh 13:25 **13:12** Heel Juda bracht de tiende van het graan, de nieuwe wijn en de olie naar de voorraadkamers. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | הֵבִ֜יאוּ (heviu) = bracht | מַעְשַׂ֧ר (masar) = tiende van | הַדָּגָ֛ן (hadagan) = het graan | וְהַתִּיר֥וֹשׁ (vehatirosh) = en de nieuwe wijn | וְהַיִּצְהָ֖ר (vehayitshar) = en de olie | לָאוֹצָרֽוֹת (laotsarot) = naar de voorraadkamers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 18:20–26; Deut 14:22; Neh 10:38–40; Neh 12:44; Mal 3:10 **13:13** Als beheerders over de voorraadkamers stelde ik aan: Sjelemja, de priester, Zadok, de schriftgeleerde, en Pedaja, van de Levieten. Naast hen stond Chanan, de zoon van Zakkur, zoon van Mattanja. Want zij werden betrouwbaar geacht. Het was hun taak om aan hun broeders uit te delen. Brontekst: וָאוֹצְרָ֣ה (vaotsera) = en ik stelde beheerders aan | עַל (al) = over | א֠וֹצָרוֹת (otsarot) = voorraadkamers | שֶׁלֶמְיָ֨ה (shelemya) = Sjelemja | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | וְצָד֣וֹק (vetsadoq) = en Zadok | הַסּוֹפֵ֗ר (hasofer) = de schriftgeleerde | וּפְדָיָה֙ (ufedaya) = en Pedaja | מִן (min) = van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | וְעַל (veal) = en bij | יָדָ֔ם (yadam) = hun hand | חָנָ֥ן (chanan) = Chanan | בֶּן (ben) = zoon van | זַכּ֖וּר (zakur) = Zakkur | בֶּן (ben) = zoon van | מַתַּנְיָ֑ה (matanya) = Mattanja | כִּ֤י (ki) = want | נֶאֱמָנִים֙ (neemanim) = betrouwbaar | נֶחְשָׁ֔בוּ (nechshavu) = werden geacht | וַעֲלֵיהֶ֖ם (vaaleihem) = en op hen | לַחֲלֹ֥ק (lachaloq) = om te verdelen | לַאֲחֵיהֶֽם (laacheihem) = aan hun broeders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjelemja, Zadok en Pedaja zijn de drie beheerders. Zadok heet hier ‘de schriftgeleerde’ (הַסֹּפֵר, hassofer), letterlijk ‘de schrijver’. Wij vertalen zo ook bij Ezra in Neh. 12:26. Voetnoot : נֶאֱמָנִים נֶחְשָׁבוּ (ne’emanim nechshavu), ‘zij werden betrouwbaar geacht’: de beheerders werden gekozen om hun betrouwbaarheid. Voetnoot : לַחֲלֹק לַאֲחֵיהֶם (lachaloq la’acheihem), ‘om aan hun broeders uit te delen’: de aandelen van de Levieten en de priesters. Zie ook: 2 Kon 22:7; Neh 7:2; Neh 12:26; Hand 6:1; Hand 6:3; 1 Kor 4:2 **13:14** Gedenk mij hierom, mijn Elohim. Wis mijn daden van trouw niet uit, die ik heb gedaan voor het huis van mijn Elohim en voor zijn diensten. Brontekst: זָכְרָה (zakhera) = gedenk | לִּ֥י (li) = mij | אֱלֹהַ֖י (elohay) = mijn Elohim | עַל (al) = om | זֹ֑את (zot) = dit | וְאַל (veal) = en niet | תֶּ֣מַח (temach) = wis uit | חֲסָדַ֗י (chasaday) = mijn daden van trouw | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשִׂ֛יתִי (asiti) = ik deed | בְּבֵ֥ית (beveit) = voor het huis van | אֱלֹהַ֖י (elohay) = mijn Elohim | וּבְמִשְׁמָרָֽיו (uvemishmarav) = en voor zijn diensten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָכְרָה לִּי (zokhrah li), ‘gedenk mij’: de eerste van de gebeden in dit hoofdstuk. Nehemia bidt zo ook in Neh. 5:19 en 6:14. Voetnoot : חֲסָדַי (chasadai), ‘mijn daden van trouw’: het meervoud van חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Hier gaat het om wat Nehemia uit trouw voor het huis van Elohim heeft gedaan. Voetnoot : מִשְׁמָרָיו (mishmarav), ‘zijn diensten’: letterlijk ‘zijn wachtdiensten’, de beurten van priesters en Levieten in het huis van Elohim. Zie ook: Ps 122:6–9; Ezra 7:20; Neh 5:19; Neh 6:14; Neh 13:22; Neh 13:31; Heb 6:10 ### De sabbat **13:15** In die dagen zag ik in Juda mensen die op de sabbat de wijnpersen traden. Anderen brachten korenhopen binnen en laadden ze op ezels. Ook wijn, druiven, vijgen en allerlei lasten brachten zij op de sabbatdag naar Jeruzalem. Ik waarschuwde hen op de dag dat zij proviand verkochten. Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in dagen | הָהֵ֡מָּה (hahema) = die | רָאִ֣יתִי (raiti) = zag ik | בִֽיהוּדָ֣ה (bihuda) = in Juda | דֹּֽרְכִֽים (dorekhim) = treders van | גִּתּ֣וֹת (gitot) = wijnpersen | בַּשַּׁבָּ֡ת (bashabat) = op de sabbat | וּמְבִיאִ֣ים (umeviim) = en die binnenbrachten | הָעֲרֵמ֣וֹת (haaremot) = de hopen | וְֽעֹמְסִ֪ים (veomesim) = en die laadden | עַל (al) = op | הַחֲמֹרִ֟ים (hachamorim) = de ezels | וְאַף (veaf) = en ook | יַ֜יִן (yayin) = wijn | עֲנָבִ֤ים (anavim) = druiven | וּתְאֵנִים֙ (uteenim) = en vijgen | וְכָל (vekhal) = en alle | מַשָּׂ֔א (masa) = last | וּמְבִיאִ֥ים (umeviim) = en die binnenbrachten | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = naar Jeruzalem | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | וָאָעִ֕יד (vaaid) = en ik waarschuwde | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag | מִכְרָ֥ם (mikhram) = van hun verkoop | צָֽיִד (tsayid) = proviand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: דֹּרְכִים גִּתּוֹת (dorekhim gittot), ‘de wijnpersen treden’: druiven treden in de pers. Het gebod van de sabbat staat in Exod. 20:8–10 en Deut. 5:12–14. Voetnoot : עֲרֵמוֹת (aremot), ‘korenhopen’: hopen van graan. Voetnoot : צָיִד (tsayid), ‘proviand’: het woord betekent meestal ‘jacht’ of ‘wild’, en daarna ‘voedsel’. Hier is het voedsel dat men verkocht. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Ex 20:8–10; Ex 34:21; Deut 5:12–14; Jes 58:13; Jer 17:21–22; Neh 10:32; Neh 13:21 **13:16** Ook de Tyriërs woonden daar. Zij brachten vis en allerlei koopwaar binnen. Zij verkochten die op de sabbat aan de zonen van Juda, in Jeruzalem. Brontekst: וְהַצֹּרִים֙ (vehatsorim) = en de Tyriërs | יָ֣שְׁבוּ (yashevu) = woonden | בָ֔הּ (bah) = daarin | מְבִיאִ֥ים (meviim) = die binnenbrachten | דָּ֖אג (dag) = vis | וְכָל (vekhal) = en alle | מֶ֑כֶר (mekher) = koopwaar | וּמֹכְרִ֧ים (umokherim) = en verkochten | בַּשַּׁבָּ֛ת (bashabat) = op de sabbat | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וּבִירוּשָׁלִָֽם (uvirushaliam) = en in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַצֹּרִים (hatsorim), ‘de Tyriërs’: mannen uit Tyrus, de havenstad aan de kust. Zij woonden in Jeruzalem en handelden daar. Voetnoot : הַדָּאג (haddaag), ‘vis’: een ongewone spelling, met alef, van het gewone woord דָּג (dag). Zie ook: Ex 23:12; Deut 5:14 **13:17** Ik twistte met de edelen van Juda en zei tegen hen: „Wat is dit voor kwaad dat jullie doen? Jullie ontheiligen de sabbatdag! Brontekst: וָאָרִ֕יבָה (vaariva) = en ik twistte met | אֵ֖ת (et) = (obj.) | חֹרֵ֣י (chorei) = de edelen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וָאֹמְרָ֣ה (vaomera) = en ik zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tot hen | מָֽה (ma) = wat | הַדָּבָ֨ר (hadavar) = de zaak | הָרָ֤ע (hara) = het kwaad | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | עֹשִׂ֔ים (osim) = doen | וּֽמְחַלְּלִ֖ים (umechalelim) = en ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | י֥וֹם (yom) = dag van | הַשַּׁבָּֽת (hashabat) = de sabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹרֵי יְהוּדָה (chore yehudah), ‘de edelen van Juda’: vooraanstaande mannen. Zo vertalen wij het woord overal. Voetnoot : וּמְחַלְּלִים (umechallelim), ‘ontheiligen’: het werkwoord חִלֵּל (chillel) betekent ‘gewoon maken’, het heilige als niet heilig behandelen. Zie ook: Mi 3:9; Jer 22:2–23; Neh 5:7; Neh 13:11; Neh 13:25 **13:18** Hebben jullie vaders niet zo gedaan? Onze Elohim bracht al dit kwaad over ons en over deze stad. En jullie voegen nog brandende toorn toe over Israël, door de sabbat te ontheiligen.” Brontekst: הֲל֨וֹא (halo) = niet | כֹ֤ה (ko) = zo | עָשׂוּ֙ (asu) = deden | אֲבֹ֣תֵיכֶ֔ם (avoteikhem) = jullie vaders | וַיָּבֵ֨א (vayave) = en liet komen | אֱלֹהֵ֜ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | עָלֵ֗ינוּ (aleinu) = over ons | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֣ה (haraa) = het kwaad | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וְעַ֖ל (veal) = en over | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וְאַתֶּ֞ם (veatem) = en jullie | מוֹסִיפִ֤ים (mosifim) = voegen toe | חָרוֹן֙ (charon) = brandende toorn | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְחַלֵּ֖ל (lechalel) = door te ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁבָּֽת (hashabat) = de sabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nehemia herinnert aan wat de vaderen deden en aan het kwaad dat Elohim over de stad bracht, de verwoesting van Jeruzalem. Vergelijk Jer. 17:21–27. Voetnoot : חֲרוֹן (charon), ‘brandende toorn’: de gloed van de toorn. Zie ook: Lev 26:18; Num 32:14; Joz 22:17–18; Jer 17:21–23; Zach 1:4–6 **13:19** Toen de poorten van Jeruzalem in de schaduw kwamen, vóór de sabbat, gaf ik bevel. De deuren werden gesloten. Ik zei dat zij pas na de sabbat geopend mochten worden. Enkele van mijn jongens stelde ik aan over de poorten, zodat er op de sabbatdag geen last binnenkwam. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = toen | צָֽלֲלוּ֩ (tsalalu) = werden schaduw | שַׁעֲרֵ֨י (shaarei) = poorten van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushaliam) = Jeruzalem | לִפְנֵ֣י (lifnei) = vóór | הַשַּׁבָּ֗ת (hashabat) = de sabbat | וָאֹֽמְרָה֙ (vaomera) = en ik zei | וַיִּסָּגְר֣וּ (vayisageru) = en zij sloten | הַדְּלָת֔וֹת (hadelatot) = de deuren | וָאֹ֣מְרָ֔ה (vaomera) = en ik zei | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | לֹ֣א (lo) = niet | יִפְתָּח֔וּם (yiftachum) = zij zouden openen ze | עַ֖ד (ad) = tot | אַחַ֣ר (achar) = na | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | וּמִנְּעָרַ֗י (uminearay) = en van mijn jongens | הֶֽעֱמַ֨דְתִּי֙ (heemadti) = stelde ik aan | עַל (al) = over | הַשְּׁעָרִ֔ים (hashearim) = de poorten | לֹא (lo) = niet | יָב֥וֹא (yavo) = zou komen | מַשָּׂ֖א (masa) = last | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּֽת (hashabat) = de sabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: צָלְלוּ (tsalelu), ‘kwamen in de schaduw’: het werkwoord betekent ‘schaduw geven’, ‘donker worden’. Het is de avond voor de sabbat, bij zonsondergang. Voetnoot : מַשָּׂא (massa), ‘last’: alles wat men op de rug of op een ezel binnenbracht. Zie ook Neh. 5:7 en vergelijk Jer. 17:21–22. Zie ook: Ex 31:14–17; Lev 23:22; Lev 23:32; Jer 17:19–22; Jer 17:21–22; Neh 5:7; Neh 7:3 **13:20** De kooplieden en de verkopers van allerlei koopwaar overnachtten een of twee keer buiten Jeruzalem. Brontekst: וַיָּלִ֨ינוּ (vayalinu) = en overnachtten | הָרֹכְלִ֜ים (harokhelim) = de kooplieden | וּמֹכְרֵ֧י (umokherei) = en verkopers van | כָל (kal) = alle | מִמְכָּ֛ר (mimkar) = koopwaar | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לִירוּשָׁלִָ֖ם (lirushaliam) = Jeruzalem | פַּ֥עַם (paam) = eenmaal | וּשְׁתָּֽיִם (ushtayim) = en tweemaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רֹכְלִים (rokhelim), ‘kooplieden’: handelaars die rondgingen met koopwaar. **13:21** Ik waarschuwde hen en zei: „Waarom overnachten jullie voor de muur? Als jullie dat opnieuw doen, leg ik de hand aan jullie.” Vanaf die tijd kwamen zij niet meer op de sabbat. Brontekst: וָאָעִ֣ידָה (vaaida) = en ik waarschuwde | בָהֶ֗ם (bahem) = hen | וָאֹמְרָ֤ה (vaomera) = en ik zei | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | מַדּ֜וּעַ (madua) = waarom | אַתֶּ֤ם (atem) = jullie | לֵנִים֙ (lenim) = overnachten | נֶ֣גֶד (neged) = voor | הַחוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | אִם (im) = als | תִּשְׁנ֕וּ (tishnu) = jullie het herhalen | יָ֖ד (yad) = hand | אֶשְׁלַ֣ח (eshlach) = zal ik leggen | בָּכֶ֑ם (bakhem) = aan jullie | מִן (min) = van | הָעֵ֣ת (haet) = de tijd | הַהִ֔יא (hahi) = die | לֹא (lo) = niet | בָ֖אוּ (bau) = kwamen zij | בַּשַּׁבָּֽת (bashabat) = op de sabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִם תִּשְׁנוּ (im tishnu), ‘als jullie het herhalen’: het werkwoord שָׁנָה (shanah) betekent hier ‘opnieuw doen’. Voetnoot : יָד אֶשְׁלַח בָּכֶם (yad eshlach bakhem), ‘ik zal de hand aan jullie leggen’: ik zal ingrijpen. De tekst zegt niet hoe. Zie ook: Ezra 7:26; Neh 13:15; Rom 13:3–4; 1 Petr 2:14 **13:22** Ik zei tegen de Levieten dat zij zich moesten reinigen en de poorten moesten bewaken, om de sabbatdag te heiligen. Gedenk mij ook dit, mijn Elohim, en heb medelijden met mij naar de grootheid van Uw trouw. Brontekst: וָאֹמְרָ֣ה (vaomera) = en ik zei | לַלְוִיִּ֗ם (lalviyim) = aan de Levieten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יִֽהְי֤וּ (yihyu) = zij zouden zijn | מִֽטַּהֲרִים֙ (mitaharim) = zich reinigende | וּבָאִים֙ (uvaim) = en komende | שֹׁמְרִ֣ים (shomerim) = bewakend | הַשְּׁעָרִ֔ים (hashearim) = de poorten | לְקַדֵּ֖שׁ (leqadesh) = om te heiligen | אֶת (et) = (obj.) | י֣וֹם (yom) = dag van | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | גַּם (gam) = ook | זֹאת֙ (zot) = dit | זָכְרָה (zakhera) = gedenk | לִּ֣י (li) = mij | אֱלֹהַ֔י (elohay) = mijn Elohim | וְח֥וּסָה (vechusa) = en heb medelijden | עָלַ֖י (alay) = met mij | כְּרֹ֥ב (kerov) = naar de grootheid van | חַסְדֶּֽךָ (chasdekha) = Uw trouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Levieten moesten zich reinigen en de poorten bewaken. Zo werd de sabbat ‘geheiligd’ (לְקַדֵּשׁ, leqaddesh). Voetnoot : וְחוּסָה (vechusah), ‘heb medelijden’: het werkwoord חוּס (chus) betekent ‘sparen’ of ‘medelijden hebben’. Voetnoot : חַסְדֶּךָ (chasdekha), ‘Uw trouw’: chesed, ‘trouw’. U is hier Elohim. Zie ook: 2 Kon 23:4; 2 Kron 29:30; Neh 12:30; Neh 13:14; Neh 13:31 ### De gemengde huwelijken **13:23** Ook zag ik in die dagen Joden die Asdodische, Ammonitische en Moabitische vrouwen hadden laten wonen. Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֗ם (hahem) = die | רָאִ֤יתִי (raiti) = zag ik | אֶת (et) = (obj.) | הַיְּהוּדִים֙ (hayehudim) = de Joden | הֹשִׁ֗יבוּ (hoshivu) = die lieten wonen | נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | אַשְׁדֳּדִיּ֔וֹת (ashdodiyot) = Asdodische | עַמֳּנִיּ֖וֹת (amoniyot) = Ammonitische | מוֹאֲבִיּֽוֹת (moaviyot) = Moabitische Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹשִׁיבוּ (hoshivu), ‘hadden laten wonen’: het werkwoord ישׁב (yashav) betekent ‘wonen’. Hier: zij hadden de vrouwen bij zich in huis genomen. Voetnoot : De vrouwen komen uit Asdod (Filistijns gebied), Ammon en Moab. Vergelijk Neh. 13:1 en Ezra 9:1–2. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft אשדודיות (ashdodiyyot) en עמוניות (ammoniyyot). De voorgelezen tekst (qere) heeft de spelling אַשְׁדֳּדִיּוֹת en עַמֳּנִיּוֹת. Het verschil zit alleen in de klinkers; de betekenis is gelijk. Wij volgen het qere. Zie ook: Ezra 9:1–2; Ezra 10:10; Neh 10:31; Neh 13:1; 2 Kor 6:14 **13:24** De helft van hun kinderen sprak Asdodisch. Zij konden niet Joods spreken, maar spraken de taal van het ene of het andere volk. Brontekst: וּבְנֵיהֶ֗ם (uveneihem) = en hun kinderen | חֲצִי֙ (chatsi) = de helft | מְדַבֵּ֣ר (medaber) = sprekend | אַשְׁדּוֹדִ֔ית (ashdodit) = Asdodisch | וְאֵינָ֥ם (veeinam) = en niet | מַכִּירִ֖ים (makirim) = kennend | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = om te spreken | יְהוּדִ֑ית (yehudit) = Joods | וְכִלְשׁ֖וֹן (vekhilshon) = en als de taal van | עַ֥ם (am) = volk | וָעָֽם (vaam) = en volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוּדִית (yehudit), ‘Joods’: de taal van Juda, het Hebreeuws. In 2 Kon. 18:26 vertalen wij ‘Judees’; in dit boek schrijven wij ‘Joden’ en ‘Joods’. Voetnoot : אַשְׁדּוֹדִית (ashdodit), ‘Asdodisch’: de taal van Asdod. De kinderen spraken de taal van hun moeders. Voetnoot : De tekst zegt niet welke taal ‘het ene of het andere volk’ spreekt. Zie ook: 2 Kon 18:26; Sef 3:9 **13:25** Ik twistte met hen en vervloekte hen. Ik sloeg enkele mannen van hen en trok hun haar uit. Ik liet hen zweren bij Elohim: „Jullie zullen jullie dochters niet aan hun zonen geven. Jullie zullen niet van hun dochters nemen, voor jullie zonen of voor jullie zelf. Brontekst: וָאָרִ֤יב (vaariv) = en ik twistte | עִמָּם֙ (imam) = met hen | וָאֲקַֽלְלֵ֔ם (vaaqallem) = en vervloekte hen | וָאַכֶּ֥ה (vaake) = en sloeg | מֵהֶ֛ם (mehem) = van hen | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mannen | וָֽאֶמְרְטֵ֑ם (vaemretem) = en trok hun haar uit | וָאַשְׁבִּיעֵ֣ם (vaashbiem) = en liet hen zweren | בֵּֽאלֹהִ֗ים (bElohim) = bij Elohim | אִם (im) = als | תִּתְּנ֤וּ (titenu) = jullie geven | בְנֹֽתֵיכֶם֙ (benoteikhem) = jullie dochters | לִבְנֵיהֶ֔ם (livneihem) = aan hun zonen | וְאִם (veim) = en als | תִּשְׂאוּ֙ (tisu) = jullie nemen | מִבְּנֹ֣תֵיהֶ֔ם (mibenoteihem) = van hun dochters | לִבְנֵיכֶ֖ם (livneikhem) = voor jullie zonen | וְלָכֶֽם (velakhem) = en voor jullie zelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָאֲמַרְטֵם (va’amartem), ‘ik trok hun haar uit’: het werkwoord מָרַט (marat) betekent ‘kaal maken’ of ‘uittrekken’. Ezra deed dit bij zichzelf (Ezra 9:3). Voetnoot : אִם תִּתְּנוּ (im tittenu), ‘jullie zullen niet geven’: letterlijk ‘als jullie geven’. Het is een eedformule: de zin die erachter hoort, wordt niet uitgesproken. Wij schrijven het als verbod. Vergelijk Deut. 7:3. Voetnoot : De aanhaling loopt door tot en met vers 27. Zie ook: Deut 7:3; Ezra 9:3; Ezra 10:5; Neh 10:30–31; Neh 13:11; Neh 13:17; Neh 13:27 **13:26** Heeft Salomo, de koning van Israël, niet juist hierdoor gezondigd? Onder de vele volken was er geen koning zoals hij. Hij was geliefd bij zijn Elohim, en Elohim maakte hem koning over heel Israël. Toch brachten de vreemde vrouwen ook hem tot zonde. Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = niet | עַל (al) = om | אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | חָטָֽא (chata) = zondigde | שְׁלֹמֹ֣ה (shelomo) = Salomo | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֡ל (yisrael) = Israël | וּבַגּוֹיִ֣ם (uvagoyim) = en onder de volken | הָרַבִּים֩ (harabim) = vele | לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֨ה (haya) = was | מֶ֜לֶךְ (melekh) = koning | כָּמֹ֗הוּ (kamohu) = zoals hij | וְאָה֤וּב (veahuv) = en geliefd | לֵֽאלֹהָיו֙ (lelohav) = bij zijn Elohim | הָיָ֔ה (haya) = was hij | וַיִּתְּנֵ֣הוּ (vayitenehu) = en gaf hem | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | גַּם (gam) = ook | אוֹת֣וֹ (oto) = hem | הֶחֱטִ֔יאוּ (hechetiu) = deden zondigen | הַנָּשִׁ֖ים (hanashim) = de vrouwen | הַנָּכְרִיּֽוֹת (hanakheriyot) = vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Over Salomo en zijn vreemde vrouwen, zie 1 Kon. 11:1–8. Voetnoot : וְאָהוּב לֵאלֹהָיו (ve’ahuv le’lohav), ‘geliefd bij zijn Elohim’: zoals Salomo bij zijn geboorte ‘geliefd van Yahweh’ werd genoemd (2 Sam. 12:24–25). Zie ook: 2 Sam 12:24–25; Pred 7:26; 1 Kon 3:13; 1 Kon 11:1–8; 2 Kron 1:12 **13:27** En moet men van jullie horen dat jullie al dit grote kwaad doen? Dat jullie trouweloos zijn tegenover onze Elohim en vreemde vrouwen laten wonen?” Brontekst: וְלָכֶ֣ם (velakhem) = en jullie | הֲנִשְׁמַ֗ע (hanishma) = moet men horen | לַעֲשֹׂת֙ (laasot) = te doen | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֤ה (haraa) = het kwaad | הַגְּדוֹלָה֙ (hagedola) = grote | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | לִמְעֹ֖ל (limol) = om trouweloos te zijn | בֵּֽאלֹהֵ֑ינוּ (beloheinu) = tegenover onze Elohim | לְהֹשִׁ֖יב (lehoshiv) = om te laten wonen | נָשִׁ֥ים (nashim) = vrouwen | נָכְרִיּֽוֹת (nakheriyot) = vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִמְעֹל (lim’ol), ‘trouweloos zijn’: ma’al, ‘trouweloosheid’, zoals in 2 Kron. 36:14 en Ezra 9:2. Voetnoot : De aanhaling van Nehemia’s woorden eindigt hier. In het Hebreeuws is vers 27 een vraag. Zie ook: 1 Sam 30:24; 2 Kron 36:14; Ezra 9:2; Ezra 10:2 ### Het priesterschap wordt gereinigd **13:28** Een van de zonen van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, was schoonzoon van Sanballat, de Choroniet. Ik joeg hem van mij weg. Brontekst: וּמִבְּנֵ֨י (umibenei) = en van de zonen van | יוֹיָדָ֤ע (yoyada) = Jojada | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְיָשִׁיב֙ (elyashiv) = Eljasib | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de hoge | חָתָ֖ן (chatan) = schoonzoon | לְסַנְבַלַּ֣ט (lesanvalat) = van Sanballat | הַחֹרֹנִ֑י (hachoroni) = de Choroniet | וָאַבְרִיחֵ֖הוּ (vaavrichehu) = en ik joeg hem weg | מֵעָלָֽי (mealay) = van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jojada is de zoon van Eljasib, de hogepriester (zie Neh. 12:10–11). Een van zijn zonen was de schoonzoon van Sanballat. De tekst noemt zijn naam niet. Voetnoot : סַנְבַלַּט הַחֹרֹנִי (sanballat hachoroni), ‘Sanballat de Choroniet’: de tegenstander van Nehemia (Neh. 2:10). Choron kan Bet-Choron zijn, ten noordwesten van Jeruzalem, of Choronajim in Moab. Dat is niet zeker. Voetnoot : וָאַבְרִיחֵהוּ (va’avrichehu), ‘ik joeg hem weg’: het werkwoord בָּרַח (barach) betekent ‘vluchten’; hier ‘laten vluchten’. Zie ook: Neh 2:10; Neh 2:19; Neh 3:1; Neh 6:17–19; Neh 12:10–11; Neh 12:22 **13:29** Gedenk hun, mijn Elohim, de bezoedeling van het priesterschap en van het verbond van het priesterschap en van de Levieten. Brontekst: זָכְרָ֥ה (zakhera) = gedenk | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | אֱלֹהָ֑י (elohay) = mijn Elohim | עַ֚ל (al) = om | גָּאֳלֵ֣י (gaolei) = de bezoedeling van | הַכְּהֻנָּ֔ה (hakehuna) = het priesterschap | וּבְרִ֥ית (uverit) = en het verbond van | הַכְּהֻנָּ֖ה (hakehuna) = het priesterschap | וְהַלְוִיִּֽם (vehalviyim) = en de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּאֳלֵי (ga’ole), ‘de bezoedeling van’: het werkwoord גָּאַל (ga’al) betekent hier ‘bezoedelen’ en is een ander woord dan ga’al, ‘verlossen’. Voetnoot : בְּרִית הַכְּהֻנָּה (berit hakkehunnah), ‘het verbond van het priesterschap’: het verbond met Pinechas, Num. 25:12–13. Zie ook: Lev 21:1–7; Num 16:9–10; Num 25:12–13; Neh 6:14; Mal 2:4–8 **13:30** Ik reinigde hen van alles wat vreemd was. Ik stelde wachtdiensten in voor de priesters en de Levieten, ieder in zijn eigen werk. Brontekst: וְטִֽהַרְתִּ֖ים (vetihartim) = en ik reinigde hen | מִכָּל (mikal) = van alles | נֵכָ֑ר (nekhar) = vreemds | וָאַעֲמִ֧ידָה (vaaamida) = en ik stelde in | מִשְׁמָר֛וֹת (mishmarot) = wachtdiensten | לַכֹּהֲנִ֥ים (lakohanim) = voor de priesters | וְלַלְוִיִּ֖ם (velalviyim) = en voor de Levieten | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | בִּמְלַאכְתּֽוֹ (bimlakhto) = in zijn werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְטִהַרְתִּים מִכָּל נֵכָר (vetiharetim mikkol nekhar), ‘ik reinigde hen van alles wat vreemd was’: alles wat uit een ander volk of van de mensen van buiten kwam. De tekst noemt de kamer van Tobia en de gemengde huwelijken. Zie ook: 1 Kron 23:1–26; Neh 10:31; Neh 12:1–26 **13:31** Zo ook voor de offergave van het hout op vastgestelde tijden en voor de eerstelingen. Gedenk mij, mijn Elohim, ten goede. Brontekst: וּלְקֻרְבַּ֧ן (ulequrban) = en voor de offergave van | הָעֵצִ֛ים (haetsim) = het hout | בְּעִתִּ֥ים (beitim) = op tijden | מְזֻמָּנ֖וֹת (mezumanot) = vastgestelde | וְלַבִּכּוּרִ֑ים (velabikurim) = en voor de eerstelingen | זָכְרָה (zakhera) = gedenk | לִּ֥י (li) = mij | אֱלֹהַ֖י (elohay) = mijn Elohim | לְטוֹבָֽה (letova) = ten goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֻרְבַּן הָעֵצִים (qurban ha’etsim), ‘de offergave van het hout’: hout voor het altaar op vastgestelde tijden, zoals Neh. 10:35. Voetnoot : בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerstelingen’: de eerste vruchten. Zie Neh. 10:36. Voetnoot : לְטוֹבָה (letovah), ‘ten goede’: zoals in Neh. 5:19. Dit is het laatste gebed van het boek. Zie ook: Ps 25:7; Ps 26:8–9; Ps 106:4; Neh 5:19; Neh 10:35; Neh 10:36; Neh 13:14; Neh 13:22