# Nahum (נחום, Nachum) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Nahum 1 _Yahweh, de na-ijverige El, komt tegen Nineve_ ### De last over Nineve **1:1** De last over Nineve. Het boek van het visioen van Nahum, de Elkosjiet. Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = de last | נִֽינְוֵ֑ה (nineve) = over Nineve | סֵ֧פֶר (sefer) = het boek van | חֲז֛וֹן (chazon) = het visioen van | נַח֖וּם (nachum) = Nahum | הָאֶלְקֹשִֽׁי (haelqoshi) = de Elkosjiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: het woord komt van het werkwoord ‘dragen’ of ‘optillen’. In de profeten staat het boven een zwaar woord van Yahweh over een volk of een stad. Het kan ook ‘uitspraak’ betekenen. Wij laten ‘last’ staan en gebruiken ‘godsspraak’ alleen voor de formule ‘godsspraak van Yahweh’ (2:14). Voetnoot : נִינְוֵה (Nineve) was de hoofdstad van Assyrië; zie ook Jon. 1:2. Voetnoot : הָאֶלְקֹשִׁי (ha-Elqoshi), ‘de Elkosjiet’: iemand uit Elkosj. Waar Elkosj lag, weten wij niet. Buiten dit vers wordt de naam niet genoemd. Zie ook: Gen 10:11; Jona 1:2; Nah 2:9; Sef 2:13; Zach 9:1 ### Yahweh is een na-ijverige El **1:2** Yahweh is een na-ijverige El en Hij neemt wraak. Yahweh neemt wraak; Hij is vol grimmigheid. Yahweh neemt wraak op Zijn tegenstanders, en Hij koestert wrok tegen Zijn vijanden. Brontekst: אֵ֣ל (el) = een El | קַנּ֤וֹא (qano) = na-ijverig | וְנֹקֵם֙ (venoqem) = en neemt wraak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נֹקֵ֥ם (noqem) = neemt wraak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וּבַ֣עַל (uvaal) = en vol van | חֵמָ֑ה (chema) = grimmigheid | נֹקֵ֤ם (noqem) = neemt wraak | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְצָרָ֔יו (letsarav) = op Zijn tegenstanders | וְנוֹטֵ֥ר (venoter) = en koestert wrok | ה֖וּא (hu) = Hij | לְאֹיְבָֽיו (leoyevav) = tegen Zijn vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַנּוֹא (qanno), ‘na-ijverig’: zoals in Exod. 20:5 en Deut. 4:24. De El is na-ijverig voor Zijn volk en laat Zijn eer niet aan een ander. Voetnoot : נֹקֵם (noqem), ‘Hij neemt wraak’: in dit vers staat het drie keer. Het gaat om rechtspraak van Yahweh zelf, zoals in Deut. 32:35. Voetnoot : בַּעַל חֵמָה (ba’al chemah), ‘vol grimmigheid’: letterlijk ‘heer van grimmigheid’. Voetnoot : נֹטֵר (noter), ‘wrok koesteren’: hetzelfde werkwoord als in Lev. 19:18, waar het verboden is aan mensen. Voetnoot : Vanaf dit vers lijkt het gedicht gedeeltelijk op een alfabetisch lied: opeenvolgende regels beginnen met opeenvolgende letters van het Hebreeuwse alfabet. De reeks is niet volledig; wij vertalen de tekst zoals hij er staat. Zie ook: Ex 20:5; Ex 34:14; Lev 19:18; Deut 4:24; Deut 32:35; Ps 94:1; Jes 42:13; Zach 8:2 **1:3** Yahweh is langzaam tot toorn en groot van kracht. Maar de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig. Yahweh heeft Zijn weg in wervelwind en storm, en wolken zijn het stof van Zijn voeten. Brontekst: יְהֹוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶ֤רֶךְ (erekh) = langzaam | אַפַּ֨יִם֙ (apayim) = tot toorn | וּגְדָל (ugedal) = en groot van | כֹּ֔חַ (koach) = kracht | וְנַקֵּ֖ה (venaqe) = en onschuldig houden | לֹ֣א (lo) = niet | יְנַקֶּ֑ה (yenaqe) = zal Hij houden | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּסוּפָ֤ה (besufa) = in wervelwind | וּבִשְׂעָרָה֙ (uvisara) = en in storm | דַּרְכּ֔וֹ (darko) = Zijn weg | וְעָנָ֖ן (veanan) = en wolk | אֲבַ֥ק (avaq) = stof van | רַגְלָֽיו (raglav) = Zijn voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 34:6–7: ‘langzaam tot toorn’ en ‘de schuldige niet onschuldig houden’. Het Hebreeuws zegt hier alleen ‘onschuldig houden zal Hij niet onschuldig houden’. Wij vullen ‘de schuldige’ aan, zoals in Exod. 34:7. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is וגדול (ug’dol), ‘en groot is’. Het voorgelezen woord (qere) is וּגְדָל (ug’dal), ‘en groot van’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 34:6–7; Ex 34:7; Ps 103:8; Ps 104:3; Ps 147:5; Neh 9:17 **1:4** Hij scheldt de zee uit en laat haar opdrogen. Alle rivieren maakt Hij droog. Basan en de Karmel verwelken, en de bloesem van de Libanon verwelkt. Brontekst: גּוֹעֵ֤ר (goer) = Hij die scheldt | בַּיָּם֙ (bayam) = de zee uit | וַֽיַּבְּשֵׁ֔הוּ (vayabeshehu) = en laat haar opdrogen | וְכָל (vekhal) = en alle | הַנְּהָר֖וֹת (haneharot) = de rivieren | הֶֽחֱרִ֑יב (hecheriv) = maakt Hij droog | אֻמְלַ֤ל (umlal) = verwelkt | בָּשָׁן֙ (bashan) = Basan | וְכַרְמֶ֔ל (vekharmel) = en de Karmel | וּפֶ֥רַח (uferach) = en de bloesem van | לְבָנ֖וֹן (levanon) = de Libanon | אֻמְלָֽל (umlal) = verwelkt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּשָׁן (Basan) en כַּרְמֶל (Karmel) waren vruchtbare streken; de Libanon was een bergland met bossen. Als ze verwelken, is dat het teken van Yahweh’s macht over de natuur. De Karmel is hier de bergrug aan de kust. Zie ook: Ps 104:7; Ps 106:9; Ps 114:3; Ps 114:5; Jes 33:9 **1:5** De bergen beven voor Hem en de heuvels smelten weg. De aarde heft zich op voor Zijn aangezicht, de wereld en allen die erin wonen. Brontekst: הָרִים֙ (harim) = de bergen | רָעֲשׁ֣וּ (raashu) = beven | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = voor Hem | וְהַגְּבָע֖וֹת (vehagevaot) = en de heuvels | הִתְמֹגָ֑גוּ (hitmogagu) = smelten weg | וַתִּשָּׂ֤א (vatisa) = en heft zich op | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | מִפָּנָ֔יו (mipanav) = voor Zijn aangezicht | וְתֵבֵ֖ל (vetevel) = en de wereld | וְכָל (vekhal) = en allen | יֹ֥שְׁבֵי (yoshevei) = die wonen | בָֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתִּשָּׂא (vattissa), ‘heft zich op’: het werkwoord (נָשָׂא, nasa) betekent ‘optillen’ of ‘dragen’. De zin kan ook bedoelen dat de aarde beeft of opzwelt voor Hem. Wij houden het letterlijk. Zie ook: Re 5:5; 2 Sam 22:8; Mi 1:4; Jer 4:24; Hab 3:10 **1:6** Wie kan standhouden voor Zijn verbolgenheid? Wie kan opstaan tegenover de gloed van Zijn toorn? Zijn grimmigheid wordt uitgegoten als vuur, en de rotsen worden door Hem afgebroken. Brontekst: לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor | זַעְמוֹ֙ (zamo) = Zijn verbolgenheid | מִ֣י (mi) = wie | יַֽעֲמ֔וֹד (yaamod) = kan standhouden | וּמִ֥י (umi) = en wie | יָק֖וּם (yaqum) = kan opstaan | בַּחֲר֣וֹן (bacharon) = in de gloed van | אַפּ֑וֹ (apo) = Zijn toorn | חֲמָתוֹ֙ (chamato) = Zijn grimmigheid | נִתְּכָ֣ה (nitekha) = wordt uitgegoten | כָאֵ֔שׁ (kaesh) = als vuur | וְהַצֻּרִ֖ים (vehatsurim) = en de rotsen | נִתְּצ֥וּ (nitetsu) = worden afgebroken | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = door Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:22–23; Ps 76:8; Nah 1:2; Jer 10:10; Mal 3:2 ### Yahweh is goed **1:7** Yahweh is goed, een burcht op de dag van benauwdheid. Hij kent wie bij Hem schuilen. Brontekst: ט֣וֹב (tov) = goed | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְמָע֖וֹז (lemaoz) = tot een burcht | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | צָרָ֑ה (tsara) = benauwdheid | וְיֹדֵ֖עַ (veyodea) = en Hij kent | חֹ֥סֵי (chosei) = wie schuilen | בֽוֹ (bo) = bij Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָעוֹז (ma’oz), ‘burcht’: een sterke plaats om te schuilen, zoals in Joël 4:16. Voetnoot : חֹסֵי בוֹ (chosei vo), ‘wie bij Hem schuilen’: letterlijk ‘de schuilenden bij Hem’. Zie ook: Ps 91:1–2; Joël 4:16; Klaagl 3:25; Joh 10:14; Joh 10:27; 2 Tim 2:19 **1:8** Met een overstromende vloed maakt Hij een volslagen einde aan haar plaats, en Zijn vijanden jaagt Hij de duisternis in. Brontekst: וּבְשֶׁ֣טֶף (uveshetef) = en met een vloed van | עֹבֵ֔ר (over) = overstromende | כָּלָ֖ה (kala) = een volslagen einde | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = maakt Hij | מְקוֹמָ֑הּ (meqomah) = haar plaats | וְאֹיְבָ֖יו (veoyevav) = en Zijn vijanden | יְרַדֶּף (yeradef) = jaagt Hij na | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘haar plaats’. Wie of wat met ‘haar’ bedoeld wordt, laat het vers open; in dit gedicht gaat het over Nineve en de vijanden van Yahweh. Voetnoot : יְרַדֶּף חֹשֶׁךְ (yeraddef choshekh), ‘jaagt Hij de duisternis in’: letterlijk ‘duisternis jaagt Hij na’. De zin is moeilijk. Een andere lezing is: ‘duisternis zal hen achtervolgen’. Zie ook: Job 30:15; Amos 8:8; Jes 8:22; Jes 28:17; Ezech 13:13 ### Hij maakt een volslagen einde **1:9** Wat bedenken jullie tegen Yahweh? Hij maakt een volslagen einde. De benauwdheid zal geen tweede keer opkomen. Brontekst: מַה (ma) = wat | תְּחַשְּׁבוּן֙ (techashevun) = bedenken jullie | אֶל (el) = tegen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כָּלָ֖ה (kala) = een volslagen einde | ה֣וּא (hu) = Hij | עֹשֶׂ֑ה (ose) = maakt | לֹֽא (lo) = niet | תָק֥וּם (taqum) = zal opkomen | פַּעֲמַ֖יִם (paamayim) = tweemaal | צָרָֽה (tsara) = benauwdheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers richt de profeet zich tot de vijanden van Yahweh. Het meervoud ‘jullie’ is hier de aangesproken groep. Voetnoot : לֹא תָקוּם פַּעֲמַיִם צָרָה (lo taqum pa’amayim tsarah), ‘de benauwdheid zal geen tweede keer opkomen’: de ramp is zo volledig dat ze niet nog een keer nodig is. Zie ook: Ps 2:1–4; Ps 21:12; Ps 33:10; Spr 21:30; 2 Kor 10:5 **1:10** Want zij zijn als verstrengelde doornen en als dronkaards, dronken van hun drank. Zij worden verteerd als helemaal droog stro. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | עַד (ad) = tot (zoals) | סִירִ֣ים (sirim) = doornen | סְבֻכִ֔ים (sevukhim) = verstrengeld | וּכְסָבְאָ֖ם (ukhesaveam) = en als hun drank | סְבוּאִ֑ים (sevuim) = dronken | אֻ֨כְּל֔וּ (ukelu) = worden verteerd | כְּקַ֥שׁ (keqash) = als stro | יָבֵ֖שׁ (yavesh) = droog | מָלֵֽא (male) = volkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is in het Hebreeuws zeer moeilijk. Letterlijk: ‘want tot aan doornen verstrengeld, en als hun drank, dronken; zij worden verteerd als droog stro, vol’. Wij vertalen zo dicht mogelijk bij die woorden. De betekenis blijft onzeker. Zie ook: 2 Sam 23:6–7; Jes 5:24; Mi 7:4; Nah 3:11; Mal 3:19 **1:11** Uit jou is er een uitgegaan die kwaad bedacht tegen Yahweh, een raadgever van Belial. Brontekst: מִמֵּ֣ךְ (mimekh) = uit jou | יָצָ֔א (yatsa) = is uitgegaan | חֹשֵׁ֥ב (choshev) = die bedacht | עַל (al) = tegen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | רָעָ֑ה (raa) = kwaad | יֹעֵ֖ץ (yoets) = een raadgever van | בְּלִיָּֽעַל (beliyaal) = Belial Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (Belial), ‘Belial’: letterlijk ‘waardeloosheid’ of ‘onheil’. Zo ook in 1 Sam. 2:12 en Richt. 19:22. Wie hier bedoeld wordt, noemt de tekst niet. In de context is het de vijand van Yahweh en van Zijn volk. Voetnoot : מִמֵּךְ (mimmekh), ‘uit jou’: de aangesprokene is vrouwelijk. Het kan Nineve zijn. Zie ook: Re 19:22; 1 Sam 2:12; 2 Kon 18:30; 2 Kon 19:22–25; 2 Kron 13:7; 2 Kron 32:15–19; Nah 1:9 ### Yahweh spreekt **1:12** Zo zegt Yahweh: **„Al zijn zij in volle sterkte en zo talrijk, toch worden zij afgemaaid en gaan zij voorbij. Ik heb je verdrukt. Ik zal je niet meer verdrukken.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = al | שְׁלֵמִים֙ (shelemim) = in volle sterkte | וְכֵ֣ן (vekhen) = en zo | רַבִּ֔ים (rabim) = talrijk | וְכֵ֥ן (vekhen) = en zo | נָגֹ֖זּוּ (nagozu) = worden afgemaaid | וְעָבָ֑ר (veavar) = en zij gaan voorbij | וְעִ֨נִּתִ֔ךְ (veinitikh) = en Ik heb je verdrukt | לֹ֥א (lo) = niet | אֲעַנֵּ֖ךְ (aanekh) = zal Ik je verdrukken | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zo zegt Yahweh’ is hier verhalend en staat zwart. Wat Yahweh daarna zegt, staat rood tot en met vers 14. Aangesproken wordt in vers 12–13 vrouwelijk (‘je’): waarschijnlijk Juda. In vers 14 is de aangesprokene mannelijk: waarschijnlijk de koning van Assyrië. De tekst noemt geen namen; wij houden ‘je’ aan. Voetnoot : נִגֹּזּוּ (niggozzu), ‘afgemaaid’: letterlijk ‘geschoren’, zoals een schaap wordt geschoren of gras wordt gemaaid. Voetnoot : עִנִּיתִךְ (initikh), ‘Ik heb je verdrukt’: van het werkwoord עָנָה (anah), ‘verdrukken’: zoals in Gen. 15:13 en Exod. 1:11–12. Zie ook: Gen 15:13; Ex 1:11–12; Joël 2:19; Jes 7:20; Jes 17:14; Jes 30:19; Jes 31:8; Nah 1:14 **1:13** **Nu breek Ik zijn juk van je af en Ik scheur je banden stuk.** Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | אֶשְׁבֹּ֥ר (eshbor) = zal Ik breken | מֹטֵ֖הוּ (motehu) = zijn juk | מֵֽעָלָ֑יִךְ (mealayikh) = van op jou | וּמוֹסְרֹתַ֖יִךְ (umoserotayikh) = en je banden | אֲנַתֵּֽק (anateq) = zal Ik stukscheuren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֹטֵהוּ (motehu), ‘zijn juk’: het juk van de verdrukker. Het woord ‘zijn’ slaat terug op de vijand uit vers 12. Zie ook: Ps 107:14; Jes 9:3; Jes 10:27; Jes 14:25; Nah 1:12; Jer 2:20 **1:14** **Yahweh heeft over jou geboden: Van jouw naam zal geen nageslacht meer gezaaid worden. Uit het huis van je goden roei Ik het gesneden beeld en het gegoten beeld uit. Ik maak je graf, want je bent verachtelijk.”** Brontekst: וְצִוָּ֤ה (vetsiva) = en heeft geboden | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | יִזָּרַ֥ע (yizara) = zal gezaaid worden | מִשִּׁמְךָ֖ (mishimkha) = van jouw naam | ע֑וֹד (od) = meer | מִבֵּ֨ית (mibeit) = uit het huis van | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = je goden | אַכְרִ֨ית (akhrit) = roei Ik uit | פֶּ֧סֶל (pesel) = gesneden beeld | וּמַסֵּכָ֛ה (umasekha) = en gegoten beeld | אָשִׂ֥ים (asim) = maak Ik | קִבְרֶ֖ךָ (qivrekha) = je graf | כִּ֥י (ki) = want | קַלּֽוֹתָ (qalota) = je bent verachtelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְצִוָּה (vetsivvah), ‘heeft geboden’: Yahweh heeft een bevel gegeven; wat Hij gebiedt volgt direct. Dit gedeelte is Yahweh’s eigen toespraak. Daarom staat ook het woord over Hem in de derde persoon rood, zoals in Hos. 1:7. Voetnoot : לֹא יִזָּרַע מִשִּׁמְךָ עוֹד (lo yizzara mishimkha od), ‘van jouw naam zal geen nageslacht meer gezaaid worden’: letterlijk ‘er wordt niet meer gezaaid van jouw naam’. Het huis van de aangesprokene zal geen nageslacht meer hebben. Voetnoot : אֱלֹהֶיךָ (elohekha), ‘je goden’: hier staat het meervoud van Elohim voor de afgoden van de aangesprokene. Voetnoot : פֶּסֶל (pesel), ‘gesneden beeld’, en מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’. Voetnoot : קַלּוֹתָ (qallota), ‘je bent verachtelijk’: letterlijk ‘je bent licht’. Het kan ook ‘je bent gering’ betekenen. Zie ook: Ps 71:3; Ps 109:13; Spr 10:7; Hos 1:7; Jes 46:1–2; Mi 5:12 ## Nahum 2 _De val van Nineve_ ### De boodschapper op de bergen **2:1** Zie, op de bergen de voeten van de boodschapper die vrede laat horen! Vier je feesten, Juda, los je geloften in. Want Belial zal niet meer door je heen trekken. Hij is helemaal uitgeroeid. Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | עַל (al) = op | הֶהָרִ֜ים (heharim) = de bergen | רַגְלֵ֤י (raglei) = de voeten van | מְבַשֵּׂר֙ (mevaser) = de boodschapper | מַשְׁמִ֣יעַ (mashmia) = die laat horen | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | חָגִּ֧י (chagi) = vier | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | חַגַּ֖יִךְ (chagayikh) = je feesten | שַׁלְּמִ֣י (shalemi) = los in | נְדָרָ֑יִךְ (nedarayikh) = je geloften | כִּי֩ (ki) = want | לֹ֨א (lo) = niet | יוֹסִ֥יף (yosif) = zal meer | ע֛וֹד (od) = verder | לַֽעֲבָר (laavar) = doortrekken | בָּ֥ךְ (bakh) = door jou | בְּלִיַּ֖עַל (beliyaal) = Belial | כֻּלֹּ֥ה (kulo) = helemaal | נִכְרָֽת (nikhrat) = is uitgeroeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Versnummering: dit vers is in het Hebreeuws Nah. 2:1; in Nederlandse Bijbels is het Nah. 1:15. Het Hebreeuwse Nah. 2:2–14 is in Nederlandse Bijbels Nah. 2:1–13. Wij volgen de Hebreeuwse telling. Voetnoot : מְבַשֵּׂר (mevasser), ‘boodschapper’: iemand die goed nieuws brengt. Vergelijk Jes. 52:7. Voetnoot : בְּלִיַּעַל (Belial): zie 1:11. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is לעבור (la’avor), ‘door te trekken’. Het voorgelezen woord (qere) is לַעֲבָר (la’avar), ‘door te gaan’. Beide betekenen hetzelfde: ‘door je heen trekken’. Wij volgen de qere. Zie ook: Jes 29:7–8; Jes 40:9–10; Jes 52:7; Nah 1:15; Nah 2:2–14; Hand 10:36; Rom 10:15 ### De verstrooier trekt op **2:2** De verstrooier trekt tegen je op. Bewaak de vesting, houd de weg in het oog, maak je heupen sterk en versterk je kracht met alle macht. Brontekst: עָלָ֥ה (ala) = trekt op | מֵפִ֛יץ (mefits) = een verstrooier | עַל (al) = tegen | פָּנַ֖יִךְ (panayikh) = je gezicht | נָצ֣וֹר (natsor) = bewaak | מְצֻרָ֑ה (metsura) = de vesting | צַפֵּה (tsape) = houd in het oog | דֶ֨רֶךְ֙ (derekh) = de weg | חַזֵּ֣ק (chazeq) = maak sterk | מָתְנַ֔יִם (matenayim) = de heupen | אַמֵּ֥ץ (amets) = versterk | כֹּ֖חַ (koach) = kracht | מְאֹֽד (meod) = met alle macht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵפִיץ (mefits), ‘verstrooier’: iemand die uiteenslaat of verspreidt. Wie bedoeld wordt, zegt het vers niet; het is de aanvaller van Nineve. Voetnoot : De aansporingen in dit vers zijn een spottende oproep aan de verdedigers van Nineve. Zie ook: 2 Kron 25:8; Joël 4:9–11; Jer 50:23; Jer 51:11–12; Jer 51:20–23 **2:3** Want Yahweh herstelt de trots van Jakob, zoals de trots van Israël. Want plunderaars hebben hen geplunderd en hun ranken verwoest. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | שָׁ֤ב (shav) = heeft hersteld | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | גְּא֣וֹן (geon) = de trots van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | כִּגְא֖וֹן (kigon) = als de trots van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֤י (ki) = want | בְקָקוּם֙ (beqaqum) = hebben geplunderd | בֹּֽקְקִ֔ים (boqeqim) = plunderaars | וּזְמֹרֵיהֶ֖ם (uzemoreihem) = en hun ranken | שִׁחֵֽתוּ (shichetu) = hebben verwoest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּאוֹן (ga’on), ‘trots’: hetzelfde woord als in ‘de trots van Jakob’ in Amos 6:8 en 8:7. In Amos 6:8 verwerpt Yahweh die trots; hier herstelt Hij haar. Voetnoot : זְמֹרֵיהֶם (zemoreihem), ‘hun ranken’: de ranken van de wijnstok, een beeld voor het volk. Het vers noemt geen naam van de plunderaars. Zie ook: Ps 80:13–14; Amos 6:8; Amos 8:7; Jes 60:15; Sef 3:11; Jer 25:29; Ezech 37:23 ### De legers komen **2:4** Het schild van zijn helden is rood gemaakt. De krijgslieden zijn in karmozijn gekleed. De wagens flonkeren als vuur van staal op de dag dat hij zich gereedmaakt. De lansen van cipressenhout zwaaien. Brontekst: מָגֵ֨ן (magen) = het schild van | גִּבֹּרֵ֜יהוּ (giboreihu) = zijn helden | מְאָדָּ֗ם (meadam) = is rood gemaakt | אַנְשֵׁי (anshei) = de mannen van | חַ֨יִל֙ (chayil) = kracht | מְתֻלָּעִ֔ים (metulaim) = in karmozijn gekleed | בְּאֵשׁ (beesh) = in vuur van | פְּלָד֥וֹת (peladot) = staal | הָרֶ֖כֶב (harekhev) = de wagens | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הֲכִינ֑וֹ (hakhino) = zijn voorbereiding | וְהַבְּרֹשִׁ֖ים (vehaberoshim) = en de cipressen | הָרְעָֽלוּ (harealu) = zwaaien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers beschrijft de aanvallers van Nineve. Het Hebreeuws is hier moeilijk en bevat zeldzame woorden. Voetnoot : פְּלָדוֹת (peladot), ‘staal’: de betekenis is onzeker. Het woord staat nergens anders; het kan ‘staal’ of ‘fakkels’ betekenen. Voetnoot : הַבְּרֹשִׁים (habberoshim), ‘de cipressen’: letterlijk ‘de cipressen’, bedoeld zijn waarschijnlijk lansen met een schacht van cipressenhout. Ook dat is onzeker. Voetnoot : הֻרְעָלוּ (hor’alu), ‘zwaaien’: het werkwoord staat nergens anders; de betekenis volgt uit het verband. Zie ook: Jes 14:8; Jes 63:1–3; Ezech 23:14–15; Zach 6:2; Openb 6:4 **2:5** De wagens razen door de straten en stormen over de pleinen heen en weer. Hun aanblik is als van fakkels. Als bliksems schieten ze voort. Brontekst: בַּֽחוּצוֹת֙ (bachutsot) = op de straten | יִתְהוֹלְל֣וּ (yitholelu) = razen | הָרֶ֔כֶב (harekhev) = de wagens | יִֽשְׁתַּקְשְׁק֖וּן (yishtaqshequn) = stormen heen en weer | בָּרְחֹב֑וֹת (barechovot) = over de pleinen | מַרְאֵיהֶן֙ (mareihen) = hun aanblik | כַּלַּפִּידִ֔ם (kalapidim) = als fakkels | כַּבְּרָקִ֖ים (kaberaqim) = als bliksems | יְרוֹצֵֽצוּ (yerotsetsu) = schieten voort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוּצוֹת (chutsot), ‘straten’, en רְחֹבוֹת (rechovot), ‘pleinen’: zoals in Amos 5:16. Zie ook: Amos 5:16; Jes 37:24; Jes 66:15; Nah 3:2–3; Jer 4:13; Ezech 26:10 **2:6** Hij gedenkt zijn edelen. Zij struikelen onderweg. Zij haasten zich naar haar muur, en de beschutting wordt opgesteld. Brontekst: יִזְכֹּר֙ (yizkor) = hij gedenkt | אַדִּירָ֔יו (adirav) = zijn edelen | יִכָּשְׁל֖וּ (yikashelu) = zij struikelen | בַּהֲלִֽיכָתָ֑ם (bahalikhatam) = onderweg | יְמַֽהֲרוּ֙ (yemaharu) = zij haasten zich | חֽוֹמָתָ֔הּ (chomatah) = naar haar muur | וְהֻכַ֖ן (vehukhan) = en wordt opgesteld | הַסֹּכֵֽךְ (hasokhekh) = de beschutting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִזְכֹּר (yizkor), ‘hij gedenkt’: hij roept zijn edelen te binnen en roept hen op. Wie ‘hij’ is, zegt het vers niet: de koning van Nineve of de aanvaller. Voetnoot : הַסֹּכֵךְ (hassokekh), ‘de beschutting’: een schutdak voor wie een muur bestormt. Het woord komt nergens anders voor; de betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is בהלכותם (behalkhotam), ‘in hun gaan’. Het voorgelezen woord (qere) is בַּהֲלִיכָתָם (bahalikhatam), ‘in hun gaan’. Beide betekenen ‘onderweg’. Wij volgen de qere. Zie ook: Jes 5:27; Nah 3:3; Nah 3:18; Jer 46:12; Jer 51:27–28 ### De poorten gaan open **2:7** De poorten van de rivieren gaan open, en het paleis smelt weg. Brontekst: שַׁעֲרֵ֥י (shaarei) = de poorten van | הַנְּהָר֖וֹת (haneharot) = de rivieren | נִפְתָּ֑חוּ (niftachu) = gaan open | וְהַֽהֵיכָ֖ל (vehaheikhal) = en het paleis | נָמֽוֹג (namog) = smelt weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעֲרֵי הַנְּהָרוֹת (sha’arei hanneharot), ‘de poorten van de rivieren’: waarschijnlijk de waterpoorten van de stad. Het vers zegt niet hoe ze opengaan. Voetnoot : הַהֵיכָל (hahekhal), ‘het paleis’: het woord kan ook ‘tempel’ betekenen. Hier bedoelt de tekst waarschijnlijk het koninklijk paleis. Zie ook: Jes 45:1–2; 2 Petr 3:10–11 **2:8** Het staat vast: zij wordt in ballingschap gevoerd, zij wordt weggeleid. Haar dienaressen kreunen als duiven en slaan zich op de borst. Brontekst: וְהֻצַּ֖ב (vehutsav) = en het staat vast | גֻּלְּתָ֣ה (guleta) = zij wordt in ballingschap gevoerd | הֹֽעֲלָ֑תָה (hoalata) = zij wordt weggeleid | וְאַמְהֹתֶ֗יהָ (veamhoteiha) = en haar dienaressen | מְנַֽהֲגוֹת֙ (menahagot) = kreunen | כְּק֣וֹל (keqol) = als de stem van | יוֹנִ֔ים (yonim) = duiven | מְתֹפְפֹ֖ת (metofefot) = slaan | עַל (al) = op | לִבְבֵהֶֽן (livvehen) = hun hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהֻצַּב (vehuttsav), ‘het staat vast’: letterlijk ‘het is vastgesteld’. Het woord kan ook een naam zijn, ‘Hutsav’; de tekst zegt dat niet. Het Hebreeuws zegt ook niet wie ‘zij’ is: de stad Nineve of haar koningin. Voetnoot : גֻלְּתָה (gullatah), ‘zij wordt in ballingschap gevoerd’: het werkwoord kan ook ‘ontbloot worden’ betekenen. Wij houden het eerste aan, omdat ‘weggeleid’ direct volgt. Voetnoot : מְתֹפְפֹת (metofefot), ‘slaan’: ze slaan op hun hart (borst) als teken van rouw. Zie ook: Jes 32:12; Jes 38:14; Jes 59:11; Luc 23:27; Luc 23:48 ### Nineve loopt leeg **2:9** Nineve is als een waterpoel, al zolang zij bestaat. En zij vluchten. „Blijf staan! Blijf staan!” Maar niemand draait zich om. Brontekst: וְנִינְוֵ֥ה (venineve) = en Nineve | כִבְרֵֽכַת (kivrekhat) = als een poel van | מַ֖יִם (mayim) = water | מִ֣ימֵי (mimei) = van de dagen van | הִ֑יא (hi) = zij | וְהֵ֣מָּה (vehema) = en zij | נָסִ֔ים (nasim) = vluchten | עִמְד֥וּ (imdu) = blijf staan | עֲמֹ֖דוּ (amodu) = blijf staan | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַפְנֶֽה (mafne) = die zich omdraait Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: מִימֵי הִיא (mimei hi), ‘al zolang zij bestaat’: letterlijk ‘van haar dagen af’. De zin is moeilijk; hij kan ook betekenen dat het water uit de stad weg stroomt. Wij houden de woorden aan. Zie ook: Jes 48:20; Nah 3:17; Jer 46:5; Jer 51:13; Openb 17:15 **2:10** Plunder het zilver! Plunder het goud! Er is geen einde aan de voorraad, aan de rijkdom van alle kostbare voorwerpen. Brontekst: בֹּ֥זּוּ (bozu) = plunder | כֶ֖סֶף (kesef) = zilver | בֹּ֣זּוּ (bozu) = plunder | זָהָ֑ב (zahav) = goud | וְאֵ֥ין (veein) = en er is geen | קֵ֨צֶה֙ (qetse) = einde | לַתְּכוּנָ֔ה (latekhuna) = aan de voorraad | כָּבֹ֕ד (kavod) = rijkdom | מִכֹּ֖ל (mikol) = van alle | כְּלִ֥י (keli) = voorwerpen van | חֶמְדָּֽה (chemda) = kostbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּכוּנָה (tekhunah), ‘voorraad’: iets dat is opgeslagen of klaargezet. Het woord komt weinig voor. Voetnoot : כָּבֵד (kaved), ‘rijkdom’: letterlijk ‘zwaar’ of ‘gewicht’; de zin zegt dat de buit zwaar is aan kostbare voorwerpen. Zie ook: 2 Kron 36:10; Jes 33:4; Nah 2:13–14; Jer 51:56; Dan 11:8 **2:11** Leegte, verwoesting en kaalslag! Het hart smelt, de knieën knikken en in alle heupen is pijn. Alle gezichten verbleken. Brontekst: בּוּקָ֥ה (buqa) = leegte | וּמְבוּקָ֖ה (umevuqa) = en verwoesting | וּמְבֻלָּקָ֑ה (umevulaqa) = en kaalslag | וְלֵ֨ב (velev) = en het hart | נָמֵ֜ס (names) = smelt | וּפִ֣ק (ufiq) = en knikken | בִּרְכַּ֗יִם (birkayim) = knieën | וְחַלְחָלָה֙ (vechalchala) = en pijn | בְּכָל (bekhal) = in alle | מָתְנַ֔יִם (matenayim) = heupen | וּפְנֵ֥י (ufenei) = en de gezichten van | כֻלָּ֖ם (kulam) = allen | קִבְּצ֥וּ (qibetsu) = verzamelen | פָארֽוּר (parur) = faror (verbleken) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בּוּקָה וּמְבוּקָה וּמְבֻלָּקָה (buqah umevuqah umevullaqah), ‘leegte, verwoesting en kaalslag’: drie woorden met hetzelfde klankspel, van het werkwoord ‘leegmaken’. Voetnoot : חַלְחָלָה (chalchalah), ‘pijn’: letterlijk een kronkelende pijn, zoals bij een barende vrouw. Voetnoot : קִבְּצוּ פָארוּר (qibtsu faror), ‘alle gezichten verbleken’: letterlijk ‘verzamelen faror’. De betekenis van het woord is onzeker. Wij vertalen als in Joël 2:6. Zie ook: Ps 22:15; Joël 2:6; Jes 13:7–8; Jer 30:6; Dan 5:6 ### Het hol van de leeuwen **2:12** Waar is het hol van de leeuwen, en de weide die voor de jonge leeuwen was? Daar liepen de leeuw en de leeuwin, het leeuwenjong, en niemand joeg hen schrik aan. Brontekst: אַיֵּה֙ (aye) = waar is | מְע֣וֹן (meon) = het hol van | אֲרָי֔וֹת (arayot) = de leeuwen | וּמִרְעֶ֥ה (umire) = en de weide | ה֖וּא (hu) = die | לַכְּפִרִ֑ים (lakefirim) = voor de jonge leeuwen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | הָלַךְ֩ (halakh) = liep | אַרְיֵ֨ה (arye) = de leeuw | לָבִ֥יא (lavi) = de leeuwin | שָׁ֛ם (sham) = daar | גּ֥וּר (gur) = het jong van | אַרְיֵ֖ה (arye) = een leeuw | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַחֲרִֽיד (macharid) = die schrik aanjoeg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De leeuw is een beeld voor de macht en de roofzucht van Assyrië. Het Hebreeuws gebruikt verschillende woorden: אֲרִי (ari), ‘leeuw’, כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’, לָבִיא (lavi), ‘leeuwin’, en גּוּר (gur), ‘welp’. Zie ook: Jes 5:29; Jes 31:4; Sef 3:3; Jer 2:15; Jer 4:7 **2:13** De leeuw roofde genoeg voor zijn welpen en wurgde voor zijn leeuwinnen. Hij vulde zijn holen met prooi en zijn schuilplaatsen met verscheurd vlees. Brontekst: אַרְיֵ֤ה (arye) = de leeuw | טֹרֵף֙ (toref) = roofde | בְּדֵ֣י (bedei) = genoeg voor | גֹֽרוֹתָ֔יו (gorotav) = zijn welpen | וּמְחַנֵּ֖ק (umechaneq) = en wurgde | לְלִבְאֹתָ֑יו (lelivotav) = voor zijn leeuwinnen | וַיְמַלֵּא (vaymale) = en vulde | טֶ֣רֶף (teref) = prooi | חֹרָ֔יו (chorav) = zijn holen | וּמְעֹֽנֹתָ֖יו (umeonotav) = en zijn schuilplaatsen | טְרֵפָֽה (terefa) = verscheurd vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טֶרֶף (teref), ‘prooi’, en טְרֵפָה (terefah), ‘verscheurd vlees’: vergelijk Exod. 22:30. Zie ook: Ex 22:30; Ps 17:12; Jes 10:6–14; Jer 51:34 ### Ik ben tegen je **2:14** **„Zie, Ik ben tegen je, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Ik laat haar wagens in rook opgaan en het zwaard zal je jonge leeuwen verteren. Ik roei je prooi uit het land uit. De stem van je boodschappers zal niet meer gehoord worden.”** Brontekst: הִנְנִ֣י (hinni) = zie Ik | אֵלַ֗יִךְ (elayikh) = ben tegen jou | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְהִבְעַרְתִּ֤י (vehivarti) = en Ik laat in vlammen opgaan | בֶֽעָשָׁן֙ (beashan) = in rook | רִכְבָּ֔הּ (rikhbah) = haar wagens | וּכְפִירַ֖יִךְ (ukhefirayikh) = en je jonge leeuwen | תֹּ֣אכַל (tokhal) = zal verteren | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | וְהִכְרַתִּ֤י (vehikhrati) = en Ik roei uit | מֵאֶ֨רֶץ֙ (meerets) = uit het land | טַרְפֵּ֔ךְ (tarpekh) = je prooi | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִשָּׁמַ֥ע (yishama) = zal gehoord worden | ע֖וֹד (od) = meer | ק֥וֹל (qol) = de stem van | מַלְאָכֵֽכֵה (malakhekhe) = je boodschappers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profetische boeken. Zij geeft aan dat Yahweh zelf spreekt. Wij zetten Zijn woorden rood. Voetnoot : צְבָאוֹת (Tsevaot) vertalen wij overal als ‘legermachten’, zoals in Yahweh van de legermachten (1 Sam. 1:3). Voetnoot : הִנְנִי אֵלַיִךְ (hineni elayikh), ‘Ik ben tegen je’: een vaste dreigzin van Yahweh. De aangesprokene is vrouwelijk: Nineve. Daarna volgt ‘haar wagens’ in de derde persoon; het Hebreeuws wisselt hier. Voetnoot : כְּפִירַיִךְ (kefirayikh), ‘je jonge leeuwen’: de strijders van Nineve, in het beeld van vers 12–13. Voetnoot : מַלְאָכֵכָה (mal’akhekhah), ‘je boodschappers’: de gezanten van Assyrië, die eisen stelden aan andere volken. Zie ook: Joz 11:9; 1 Sam 1:3; Ps 46:10; 2 Kon 19:23; Nah 2:12–13; Nah 3:5; Jer 21:13 ## Nahum 3 _Het einde van Nineve_ ### Wee de stad van bloed **3:1** Wee de stad van bloed! Zij is vol leugen en roof. De prooi laat zij nooit los. Brontekst: ה֖וֹי (hoy) = wee | עִ֣יר (ir) = stad van | דָּמִ֑ים (damim) = bloed | כֻּלָּ֗הּ (kulah) = geheel | כַּ֤חַשׁ (kachash) = leugen | פֶּ֨רֶק֙ (pereq) = roof | מְלֵאָ֔ה (melea) = vol | לֹ֥א (lo) = niet | יָמִ֖ישׁ (yamish) = laat los | טָֽרֶף (taref) = prooi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִיר דָּמִים (ir damim), ‘stad van bloed’: een stad die bloed vergiet, zoals in Ezech. 22:2. Voetnoot : הוֹי (hoy), ‘wee’: een klaagroep over iemand die ten dode is opgeschreven; dezelfde roep als in Amos 5:18. Zie ook: Amos 5:18; Hos 4:2; Sef 3:1–3; Hab 2:12; Ezech 22:2–3; Ezech 24:6–9 **3:2** Het geluid van de zweep, het geluid van dreunende wielen, van jagende paarden en springende wagens. Brontekst: ק֣וֹל (qol) = geluid van | שׁ֔וֹט (shot) = zweep | וְק֖וֹל (veqol) = en geluid van | רַ֣עַשׁ (raash) = gedreun van | אוֹפָ֑ן (ofan) = wiel | וְס֣וּס (vesus) = en paard | דֹּהֵ֔ר (doher) = jagend | וּמֶרְכָּבָ֖ה (umerkava) = en wagen | מְרַקֵּדָֽה (meraqeda) = springend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 2–3 beschrijven de aanval in beelden en geluiden: zweep, wielen, paarden, wagens, zwaarden, speren. Het zijn losse woorden zonder werkwoorden; wij houden dat zo. Zie ook: Job 39:22–25; Re 5:22; Jes 9:4; Nah 2:4–5; Jer 47:3 **3:3** De ruiter stormt omhoog. De vlam van het zwaard en de bliksem van de speer! Een menigte gesneuvelden, een zware hoop lijken, en aan de lichamen is geen einde. Zij struikelen over hun lichamen. Brontekst: פָּרָ֣שׁ (parash) = ruiter | מַעֲלֶ֗ה (maale) = stormt omhoog | וְלַ֤הַב (velahav) = en vlam van | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = zwaard | וּבְרַ֣ק (uveraq) = en bliksem van | חֲנִ֔ית (chanit) = speer | וְרֹ֥ב (verov) = en menigte van | חָלָ֖ל (chalal) = gesneuvelden | וְכֹ֣בֶד (vekhoved) = en zware | פָּ֑גֶר (pager) = hoop lijken | וְאֵ֥ין (veein) = en er is geen | קֵ֨צֶה֙ (qetse) = einde | לַגְּוִיָּ֔ה (lageviya) = aan de lichamen | וְכָשְׁל֖וּ (vekhashelu) = en zij struikelen | בִּגְוִיָּתָֽם (bigviyatam) = over hun lichamen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּגֶר (peger), ‘lijk’, en גְּוִיָּה (geviyyah), ‘lichaam’: twee woorden voor een dode. Wij houden het onderscheid. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יכשלו (yikashelu), ‘zij struikelen’. Het voorgelezen woord (qere) is וְכָשְׁלוּ (vekhashelu), ‘en zij struikelen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Gen 3:24; Jes 34:3; Jes 37:36; Hab 3:11; Ezech 39:4 ### De hoer **3:4** Dat is vanwege de vele hoererijen van de hoer. Zij is bekoorlijk en een meesteres van de toverij. Zij verkoopt volken met haar hoererijen en geslachten met haar toverijen. Brontekst: מֵרֹב֙ (merov) = vanwege de menigte van | זְנוּנֵ֣י (zenunei) = hoererijen van | זוֹנָ֔ה (zona) = de hoer | ט֥וֹבַת (tovat) = bekoorlijk van | חֵ֖ן (chen) = gunst | בַּעֲלַ֣ת (baalat) = meesteres van | כְּשָׁפִ֑ים (keshafim) = toverijen | הַמֹּכֶ֤רֶת (hamokheret) = die verkoopt | גּוֹיִם֙ (goyim) = volken | בִּזְנוּנֶ֔יהָ (biznuneiha) = met haar hoererijen | וּמִשְׁפָּח֖וֹת (umishpachot) = en geslachten | בִּכְשָׁפֶֽיהָ (bikhshafeiha) = met haar toverijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זוֹנָה (zonah), ‘hoer’: een beeld voor Nineve dat met zijn macht en rijkdom volken aan zich bond. Het Hebreeuws gebruikt hier hetzelfde woord als Hosea voor ontrouw aan Yahweh (Hos. 1:2). Voetnoot : כְּשָׁפִים (keshafim), ‘toverijen’: zoals Exod. 22:17 het verbiedt. Voetnoot : הַמֹּכֶרֶת (hammokheret), ‘die verkoopt’: de hoer maakt volken tot haar bezit. Hoe dat gebeurde, zegt de tekst niet. Voetnoot : ‘Dat is’ aan het begin van het vers vullen wij aan; het Hebreeuws begint met ‘vanwege de vele hoererijen van de hoer’. Zie ook: Ex 22:17; Hos 1:2; Jes 47:9; Jes 47:12–13; Openb 17:1–5; Openb 18:2–3; Openb 18:23 ### Ik ben tegen je **3:5** **„Zie, Ik ben tegen je, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Ik sla je zomen op tot over je gezicht. Ik laat de volken je naaktheid zien en de koninkrijken je schande.** Brontekst: הִנְנִ֣י (hinni) = zie Ik | אֵלַ֗יִךְ (elayikh) = ben tegen jou | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְגִלֵּיתִ֥י (vegileiti) = en Ik sla op | שׁוּלַ֖יִךְ (shulayikh) = je zomen | עַל (al) = over | פָּנָ֑יִךְ (panayikh) = je gezicht | וְהַרְאֵיתִ֤י (vehareiti) = en Ik laat zien | גוֹיִם֙ (goyim) = volken | מַעְרֵ֔ךְ (marekh) = je naaktheid | וּמַמְלָכ֖וֹת (umamlakhot) = en koninkrijken | קְלוֹנֵֽךְ (qelonekh) = je schande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה צְבָאוֹת (ne’um Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie 2:14. Ook de dreigzin ‘Ik ben tegen je’ is dezelfde als in 2:14. Voetnoot : שׁוּלַיִךְ (shulayikh), ‘je zomen’: de onderkant van een kleed. Als de zomen worden opgeslagen, is een vrouw naakt en te schande gemaakt; vergelijk Hos. 2:12. Zie ook: Hos 2:12; Jes 47:2–3; Jer 13:22; Jer 13:26; Ezech 16:37; Ezech 23:29 **3:6** **Ik gooi gruwelen op je, Ik onteer je en Ik maak je tot een schouwspel.** Brontekst: וְהִשְׁלַכְתִּ֥י (vehishlakhti) = en Ik werp | עָלַ֛יִךְ (alayikh) = op jou | שִׁקֻּצִ֖ים (shiqutsim) = gruwelen | וְנִבַּלְתִּ֑יךְ (venibaltikh) = en Ik onteer je | וְשַׂמְתִּ֖יךְ (vesamtikh) = en Ik maak je | כְּרֹֽאִי (keroi) = tot een schouwspel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁקֻּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelen’: het woord voor afschuwelijke dingen, vaak voor afgoden (2 Kon. 23:13). Hier worden zij als vuil op haar gegooid. Voetnoot : נִבַּלְתִּיךְ (nibbaltikh), ‘Ik onteer je’: het werkwoord betekent ‘een dwaas of een nietswaardige maken’. Zie ook: Job 9:31; Ps 38:6–8; 2 Kon 23:13; Nah 1:14; Jer 51:37; Mal 2:9 **3:7** **Het zal gebeuren: allen die je zien, vluchten van je weg en zeggen: ‘Nineve is verwoest! Wie zal haar beklagen?’ Waar zal Ik troosters voor je zoeken?”** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | כָל (kal) = allen | רֹאַ֨יִךְ֙ (roayikh) = die je zien | יִדּ֣וֹד (yidod) = vluchten | מִמֵּ֔ךְ (mimekh) = van jou | וְאָמַר֙ (veamar) = en zij zeggen | שָׁדְּדָ֣ה (shadeda) = is verwoest | נִֽינְוֵ֔ה (nineve) = Nineve | מִ֖י (mi) = wie | יָנ֣וּד (yanud) = zal beklagen | לָ֑הּ (lah) = haar | מֵאַ֛יִן (meayin) = waar vandaan | אֲבַקֵּ֥שׁ (avaqesh) = zal Ik zoeken | מְנַחֲמִ֖ים (menachamim) = troosters | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: Dit vers zit nog in de toespraak van Yahweh. Wat de mensen zeggen, staat tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: Num 16:34; Jes 51:19; Jer 15:5; Jer 51:9; Openb 18:10 ### Nineve en No-Amon **3:8** Ben jij beter dan No-Amon, die aan de Nijlarmen woonde? Water was rondom haar. Haar voorwal was de zee, en haar muur kwam uit de zee. Brontekst: הֲתֵֽיטְבִי֙ (hateitevi) = ben je beter | מִנֹּ֣א (mino) = dan No | אָמ֔וֹן (amon) = Amon | הַיֹּֽשְׁבָה֙ (hayosheva) = die woonde | בַּיְאֹרִ֔ים (bayorim) = bij de Nijlarmen | מַ֖יִם (mayim) = water | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | לָ֑הּ (lah) = haar | אֲשֶׁר (asher) = die | חֵ֣יל (cheil) = voorwal | יָ֔ם (yam) = zee | מִיָּ֖ם (miyam) = uit de zee | חוֹמָתָֽהּ (chomatah) = haar muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie No-Amon (Thebe): No-Amon is Thebe, de oude hoofdstad van Opper-Egypte, bij het huidige Luxor, aan de Nijl. Voetnoot Uitleg: נֹא אָמוֹן (No-Amon): de stad Thebe in het zuiden van Egypte. De naam is ‘stad van Amon’, naar de Egyptische god. De stad lag aan de Nijl. Voetnoot : יְאֹרִים (ye’orim), ‘Nijlarmen’: het Hebreeuwse woord voor de Nijl is יְאֹר (ye’or); in het meervoud zijn het de armen en kanalen van de rivier. Voetnoot : חֵיל (chel), ‘voorwal’: de lage buitenmuur vóór de eigenlijke stadsmuur. Zie ook: Amos 6:2; Jes 19:5–10; Jer 46:25–26; Ezech 30:14–16; Ezech 31:2–3 **3:9** Kush was haar kracht, en Egypte, zonder einde. Put en de Libiërs waren je hulp. Brontekst: כּ֥וּשׁ (kush) = Kush | עָצְמָ֛ה (atsema) = was haar kracht | וּמִצְרַ֖יִם (umitsrayim) = en Egypte | וְאֵ֣ין (veein) = en er is geen | קֵ֑צֶה (qetse) = einde | פּ֣וּט (put) = Put | וְלוּבִ֔ים (veluvim) = en Libiërs | הָי֖וּ (hayu) = waren | בְּעֶזְרָתֵֽךְ (beezratekh) = je hulp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כּוּשׁ (Kush) lag ten zuiden van Egypte. פּוּט (Put) wordt in Gen. 10:6 genoemd; ook in 1 Kron. 1:8. De ligging van Put is onzeker. De Libiërs (לוּבִים, Luvim) worden ook in 2 Kron. 12:3 genoemd. Zie ook: Gen 10:6; 1 Kron 1:8; 2 Kron 12:3; Jes 20:5; Jer 46:9; Ezech 27:10; Ezech 30:5 **3:10** Ook zij moest in ballingschap gaan, in gevangenschap. Ook haar kleine kinderen werden verpletterd aan het begin van alle straten. Over haar geëerden wierpen zij het lot, en al haar groten werden in boeien gelegd. Brontekst: גַּם (gam) = ook | הִ֗יא (hi) = zij | לַגֹּלָה֙ (lagola) = in ballingschap | הָלְכָ֣ה (halekha) = ging | בַשֶּׁ֔בִי (bashevi) = in gevangenschap | גַּ֧ם (gam) = ook | עֹלָלֶ֛יהָ (olaleiha) = haar kleine kinderen | יְרֻטְּשׁ֖וּ (yeruteshu) = werden verpletterd | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = aan het begin van | כָּל (kal) = alle | חוּצ֑וֹת (chutsot) = straten | וְעַל (veal) = en over | נִכְבַּדֶּ֨יהָ֙ (nikhbadeiha) = haar geëerden | יַדּ֣וּ (yadu) = wierpen zij | גוֹרָ֔ל (goral) = het lot | וְכָל (vekhal) = en al | גְּדוֹלֶ֖יהָ (gedoleiha) = haar groten | רֻתְּק֥וּ (rutequ) = werden gelegd | בַזִּקִּֽים (baziqim) = in boeien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹרָל (goral), ‘het lot’: zoals in Joël 4:3. Het lot werd geworpen om de gevangenen te verdelen. Voetnoot : זִקִּים (zikkim), ‘boeien’: ketens voor handen of voeten. Zie ook: Joël 4:3; Hos 14:1; Jes 13:16; Jes 20:4; Ob 1:11 **3:11** Ook jij zult dronken worden. Je zult verborgen zijn. Ook jij zult een burcht zoeken tegen de vijand. Brontekst: גַּם (gam) = ook | אַ֣תְּ (at) = jij | תִּשְׁכְּרִ֔י (tishkeri) = zult dronken worden | תְּהִ֖י (tehi) = zult zijn | נַֽעֲלָמָ֑ה (naalama) = verborgen | גַּם (gam) = ook | אַ֛תְּ (at) = jij | תְּבַקְשִׁ֥י (tevaqshi) = zult zoeken | מָע֖וֹז (maoz) = een burcht | מֵאוֹיֵֽב (meoyev) = tegen de vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶעְלָמָה (ne’lamah), ‘verborgen’: het woord kan ook ‘buiten bewustzijn’ betekenen. Wij houden het letterlijke ‘verborgen’ aan. Voetnoot : מָעוֹז (ma’oz), ‘burcht’: zie 1:7. Zie ook: Jes 2:10; Jes 49:26; Nah 1:10; Luc 23:30; Openb 6:15–17 ### Al je vestingen **3:12** Al je vestingen zijn vijgenbomen met eerste vruchten. Als ze geschud worden, vallen ze in de mond van wie ze eet. Brontekst: כָּ֨ל (kal) = al | מִבְצָרַ֔יִךְ (mivtsarayikh) = je vestingen | תְּאֵנִ֖ים (teenim) = vijgenbomen | עִם (im) = met | בִּכּוּרִ֑ים (bikurim) = eerste vruchten | אִם (im) = als | יִנּ֕וֹעוּ (yinou) = ze geschud worden | וְנָפְל֖וּ (venafelu) = dan vallen ze | עַל (al) = in | פִּ֥י (pi) = de mond van | אוֹכֵֽל (okhel) = wie eet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerste vruchten’: de eerste, rijpe vijgen. Zij vallen bij de minste schudding in de mond van wie ze wil eten. Zo valt ook Nineve. Zie ook: Jes 28:4; Hab 1:10; Openb 6:13 **3:13** Zie, je volk is in je midden als vrouwen. Voor je vijanden gaan de poorten van je land wijd open. Het vuur heeft je grendels verteerd. Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | עַמֵּ֤ךְ (amekh) = je volk | נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | בְּקִרְבֵּ֔ךְ (beqirbekh) = in je midden | לְאֹ֣יְבַ֔יִךְ (leoyevayikh) = voor je vijanden | פָּת֥וֹחַ (patoach) = wijd | נִפְתְּח֖וּ (niftechu) = zijn geopend | שַׁעֲרֵ֣י (shaarei) = de poorten van | אַרְצֵ֑ךְ (artsekh) = je land | אָכְלָ֥ה (akhela) = heeft verteerd | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | בְּרִיחָֽיִך (berichayikh) = je grendels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׁים (nashim), ‘vrouwen’: een beeld voor zwakke, weerloze soldaten. De poorten gaan ‘wijd open’ (letterlijk ‘open, ze zijn geopend’): een Hebreeuwse versterking. Zie ook: Jes 19:16; Jes 45:1–2; Nah 2:7; Jer 50:37; Jer 51:30 **3:14** Schep water voor de belegering. Versterk je vestingen. Ga in de klei en stamp de leem. Grijp de baksteenvorm stevig vast. Brontekst: מֵ֤י (mei) = water van | מָצוֹר֙ (matsor) = belegering | שַֽׁאֲבִי (shaavi) = schep | לָ֔ךְ (lakh) = voor jezelf | חַזְּקִ֖י (chazeqi) = versterk | מִבְצָרָ֑יִךְ (mivtsarayikh) = je vestingen | בֹּ֧אִי (boi) = ga | בַטִּ֛יט (batit) = in de klei | וְרִמְסִ֥י (verimsi) = en stamp | בַחֹ֖מֶר (bachomer) = in de leem | הַחֲזִ֥יקִי (hachaziqi) = grijp stevig vast | מַלְבֵּֽן (malben) = de baksteenvorm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is weer een spottende aansporing aan de verdedigers, zoals in 2:2. Voetnoot : מַלְבֵּן (malben), ‘baksteenvorm’: het woord komt nergens anders voor; de betekenis (een vorm of oven voor bakstenen) is onzeker. Zie ook: 2 Kron 32:3–4; Jes 8:9; Nah 2:2; Jer 46:3–4; Jer 46:9 ### Het vuur verteert je **3:15** Daar verteert het vuur je, het zwaard roeit je uit, het verteert je als de vreter. Maak je talrijk als de vreter, maak je talrijk als de sprinkhaan! Brontekst: שָׁ֚ם (sham) = daar | תֹּאכְלֵ֣ךְ (tokhlekh) = zal je verteren | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | תַּכְרִיתֵ֣ךְ (takhritekh) = zal je uitroeien | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | תֹּאכְלֵ֖ךְ (tokhlekh) = zal je verteren | כַּיָּ֑לֶק (kayaleq) = als de vreter | הִתְכַּבֵּ֣ד (hitkabed) = maak je talrijk | כַּיֶּ֔לֶק (kayeleq) = als de vreter | הִֽתְכַּבְּדִ֖י (hitkabedi) = maak je talrijk | כָּאַרְבֶּֽה (kaarbe) = als de sprinkhaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Joël 1:4 en 2:25 voor de namen van de sprinkhanen. Hier staan יֶלֶק (yeleq), ‘vreter’, en אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’. Voetnoot : הִתְכַּבֵּד (hitkabbed), ‘maak je talrijk’: letterlijk ‘maak je zwaar’. Het is een spottend bevel: wees zo talrijk als sprinkhanen; het baat niet. Zie ook: Ex 10:13–15; Joël 1:4; Joël 2:25; Nah 2:14; Nah 3:13 **3:16** Je kooplieden heb je talrijker gemaakt dan de sterren van de hemel. De vreter ontvelt zich en vliegt weg. Brontekst: הִרְבֵּית֙ (hirbeit) = heb je talrijk gemaakt | רֹֽכְלַ֔יִךְ (rokhelayikh) = je kooplieden | מִכּוֹכְבֵ֖י (mikokhevei) = meer dan de sterren van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | יֶ֥לֶק (yeleq) = de vreter | פָּשַׁ֖ט (pashat) = ontvelt zich | וַיָּעֹֽף (vayaof) = en vliegt weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹכְלַיִךְ (rokhlayikh), ‘je kooplieden’: handelaren die rijkdom brachten. De vreter ‘ontvelt zich’ (פָּשַׁט, pashat, ‘uitkleden’): hij werpt zijn omhulsel af en vliegt weg; zo verdwijnen de rijkdommen. Zie ook: Gen 15:5; Gen 22:17; Jer 33:22; Neh 9:23 **3:17** Je vorsten zijn als de sprinkhaan, je bevelhebbers als een zwerm sprinkhanen, die zich op koude dagen in de omheiningen legeren. Zodra de zon opkomt, vliegen ze weg. Hun plaats is niet bekend. Waar zijn zij? Brontekst: מִנְּזָרַ֨יִךְ֙ (minezarayikh) = je vorsten | כָּֽאַרְבֶּ֔ה (kaarbe) = zijn als de sprinkhaan | וְטַפְסְרַ֖יִךְ (vetafserayikh) = en je bevelhebbers | כְּג֣וֹב (kegov) = als een zwerm van | גֹּבָ֑י (govay) = sprinkhanen | הַֽחוֹנִ֤ים (hachonim) = die zich legeren | בַּגְּדֵרוֹת֙ (bagederot) = in de omheiningen | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | קָרָ֔ה (qara) = koude | שֶׁ֤מֶשׁ (shemesh) = de zon | זָֽרְחָה֙ (zarecha) = komt op | וְנוֹדַ֔ד (venodad) = en zij vliegen weg | וְלֹֽא (velo) = en niet | נוֹדַ֥ע (noda) = is bekend | מְקוֹמ֖וֹ (meqomo) = hun plaats | אַיָּֽם (ayam) = waar zijn zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹבַי גּוֹבָי (gov govai), ‘een zwerm sprinkhanen’: het woord komt weinig voor; de betekenis volgt uit het verband. Voetnoot : טַפְסָרַיִךְ (tafsarayikh), ‘je bevelhebbers’: een zeldzaam woord voor een hoge ambtenaar of aanvoerder. De betekenis volgt uit het verband. Zie ook: Jer 51:27; Openb 9:7 ### Er is geen verlichting voor je breuk **3:18** Je herders sluimeren, koning van Assyrië. Je edelen liggen neer. Je volk is over de bergen verspreid, en niemand verzamelt het. Brontekst: נָמ֤וּ (namu) = sluimeren | רֹעֶ֨יךָ֙ (roeikha) = je herders | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | יִשְׁכְּנ֖וּ (yishkenu) = liggen neer | אַדִּירֶ֑יךָ (adireikha) = je edelen | נָפֹ֧שׁוּ (nafoshu) = zijn verspreid | עַמְּךָ֛ (amekha) = je volk | עַל (al) = op | הֶהָרִ֖ים (heharim) = de bergen | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מְקַבֵּֽץ (meqabets) = die verzamelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: נָמוּ (namu), ‘sluimeren’: de herders (de leiders) zijn in slaap gevallen; ‘sluimeren’ kan ook een beeld zijn voor de slaap van de dood. Het Hebreeuws laat dat open. Voetnoot : אַשּׁוּר (Ashur), ‘Assyrië’: de koning van Assyrië is hier de aangesprokene. Zie ook: Ps 76:6–7; 1 Kon 22:17; Jes 13:14; Jer 50:18; Jer 51:57 **3:19** Er is geen verlichting voor je breuk. Je wond is pijnlijk. Allen die het bericht over jou horen, klappen in de handen over jou. Want over wie is je kwaad niet voortdurend heen gegaan? Brontekst: אֵין (ein) = er is geen | כֵּהָ֣ה (keha) = verlichting | לְשִׁבְרֶ֔ךָ (leshivrekha) = voor je breuk | נַחְלָ֖ה (nachla) = is pijnlijk | מַכָּתֶ֑ךָ (makatekha) = je wond | כֹּ֣ל (kol) = allen | שֹׁמְעֵ֣י (shomeei) = die horen | שִׁמְעֲךָ֗ (shimakha) = het bericht over jou | תָּ֤קְעוּ (taqeu) = slaan | כַף֙ (kaf) = de hand | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = over jou | כִּ֗י (ki) = want | עַל (al) = over | מִ֛י (mi) = wie | לֹֽא (lo) = niet | עָבְרָ֥ה (avera) = is heengegaan | רָעָתְךָ֖ (raatekha) = je kwaad | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחְלָה מַכָּתֶךָ (nachlah makkatekha), ‘je wond is pijnlijk’: het werkwoord (חָלָה, chalah) betekent ‘ziek zijn’. De wond is dus ziek of ongeneeslijk. Voetnoot : תָּקְעוּ כָף (taqe’u khaf), ‘klappen in de handen’: een teken van spot en vreugde bij de val van een tiran. Voetnoot : רָעָתֶךָ (ra’atekha), ‘je kwaad’: het kwaad van Nineve, zoals in Jon. 1:2. Het boek eindigt met een vraag aan Nineve. Zie ook: Job 27:23; Jes 37:18; Mi 1:9; Jer 46:11; Klaagl 2:15