# Micha (מיכה, Mikhah) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Micha 1 _Yahweh komt neer: het oordeel over Samaria en de klaagzang over de steden van Juda_ **1:1** Het woord van Yahweh dat tot Micha, de Moreshiet, kwam in de dagen van Jotam, Achaz en Hizkia, koningen van Juda. Dit is wat hij zag over Samaria en Jeruzalem. Brontekst: דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֗ה (haya) = kwam | אֶל (el) = tot | מִיכָה֙ (mikha) = Micha | הַמֹּ֣רַשְׁתִּ֔י (hamorashti) = de Moreshiet | בִּימֵ֥י (bimei) = in de dagen van | יוֹתָ֛ם (yotam) = Jotam | אָחָ֥ז (achaz) = Achaz | יְחִזְקִיָּ֖ה (yechizqiya) = Hizkia | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁר (asher) = dat | חָזָ֥ה (chaza) = hij zag | עַל (al) = over | שֹׁמְר֖וֹן (shomeron) = Samaria | וִירֽוּשָׁלִָֽם (virushalaim) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moreshet-Gat (Tel Goded?; ligging onzeker): Moreshet-Gat, de woonplaats van Micha, lag in het laagland van Juda, waarschijnlijk bij Tel Goded. Dit is niet helemaal zeker. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִיכָה (Mikhah), ‘Micha’: een korte vorm van ‘Mikayahu’, ‘wie is als Yahweh?’ (vergelijk 7:18). Voetnoot : הַמֹּרַשְׁתִּי (hammorashti), ‘de Moreshiet’: uit Moreset-Gat (vers 14), een plaats in het laagland van Juda. Voetnoot : Jotam, Achaz en Hizkia: zie 2 Kon. 15:32, 16:1 en 18:1. Samaria was de hoofdstad van het noordelijke rijk, Jeruzalem die van Juda. Voetnoot : חָזָה (chazah), ‘zien’: het zien van een visioen. Zie ook: 2 Kon 15:32; 2 Kon 16:1; 2 Kon 18:1; 2 Kron 27:1–9; Amos 1:1; Hos 1:1; Jes 1:1; Mi 1:14; Jer 26:18 ### Yahweh komt uit Zijn tempel **1:2** Hoor, alle volken. Luister, aarde en alles wat haar vervult. Heer Yahweh zij een getuige tegen jullie, de Heer vanuit Zijn heilige tempel. Brontekst: שִׁמְעוּ֙ (shimu) = hoort | עַמִּ֣ים (amim) = volken | כֻּלָּ֔ם (kulam) = allemaal | הַקְשִׁ֖יבִי (haqshivi) = luister | אֶ֣רֶץ (erets) = aarde | וּמְלֹאָ֑הּ (umeloah) = en wat haar vervult | וִיהִי֩ (vihi) = en zij | אֲדֹנָ֨י (adonay) = Heer | יְהוִ֤ה (Yahweh) = Yahweh | בָּכֶם֙ (bakhem) = tegen jullie | לְעֵ֔ד (leed) = tot getuige | אֲדֹנָ֖י (adonay) = de Heer | מֵהֵיכַ֥ל (meheikhal) = vanuit de tempel van | קָדְשֽׁוֹ (qadesho) = Zijn heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’. Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’ (zie ook Amos 1:8). Het tweede ‘de Heer’ is alleen Adonai. Voetnoot : בָּכֶם (bakhem), ‘tegen jullie’: het voorzetsel kan ook ‘onder’ of ‘in’ jullie betekenen. Hier getuigt Yahweh tegen de volken en tegen Zijn eigen volk. Voetnoot : הֵיכַל קָדְשׁוֹ (heikhal qodsho), ‘Zijn heilige tempel’: dit kan de tempel in Jeruzalem zijn of Yahweh’s woning in de hemel; zie Ps. 11:4. Zie ook: Ps 11:4; Amos 1:8; Jes 1:2; Jer 22:29; Mal 3:5; Openb 2:7 **1:3** Want zie, Yahweh gaat uit van Zijn plaats. Hij daalt neer en treedt op de hoogten van de aarde. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יֹצֵ֣א (yotse) = gaat uit | מִמְּקוֹמ֑וֹ (mimeqomo) = van Zijn plaats | וְיָרַ֥ד (veyarad) = en daalt neer | וְדָרַ֖ךְ (vedarakh) = en treedt | עַל (al) = op | בָּ֥מֳתֵי (bamotei) = de hoogten van | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמֳתֵי אָרֶץ (bamotey arets), ‘de hoogten van de aarde’: Yahweh treedt op de bergtoppen; vergelijk Amos 4:13. Het woord בָּמוֹת (bamot) is hetzelfde als ‘hoogten’ voor offerplaatsen in vers 5. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is במותי; het te lezen woord (qere) is בָּמֳתֵי (bamotey), ‘hoogten van’. De geschreven vorm is een volle spelling (met waw) van hetzelfde woord; de betekenis is gelijk. Wij volgen het qere. Zie ook: Deut 32:13; Ps 115:3; Amos 4:13; Jes 26:21; Mi 1:5; Hab 3:19 **1:4** De bergen smelten onder Hem weg en de dalen splijten open, als was voor het vuur, als water dat een helling afstroomt. Brontekst: וְנָמַ֤סּוּ (venamasu) = en smelten weg | הֶֽהָרִים֙ (heharim) = de bergen | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = onder Hem | וְהָעֲמָקִ֖ים (vehaamaqim) = en de dalen | יִתְבַּקָּ֑עוּ (yitbaqau) = splijten open | כַּדּוֹנַג֙ (kadonag) = als was | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | הָאֵ֔שׁ (haesh) = het vuur | כְּמַ֖יִם (kemayim) = als water | מֻגָּרִ֥ים (mugarim) = dat wordt uitgegoten | בְּמוֹרָֽד (bemorad) = op een helling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bergen die smelten en dalen die splijten zijn beelden van Yahweh’s komst. Vergelijk Ps. 97:5 en Amos 9:5. Zie ook: Re 5:4; Ps 97:5; Amos 9:5; Jes 63:19–64:2; Nah 1:5; Hab 3:6 **1:5** Dit alles is om de overtreding van Jakob en om de zonden van het huis van Israël. Wat is de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wat zijn de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem? Brontekst: בְּפֶ֤שַׁע (befesha) = om de overtreding van | יַֽעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | כָּל (kal) = alles | זֹ֔את (zot) = dit | וּבְחַטֹּ֖אות (uvechatovt) = en om de zonden van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מִֽי (mi) = wat | פֶ֣שַׁע (pesha) = de overtreding van | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | הֲלוֹא֙ (halo) = is niet | שֹֽׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | וּמִי֙ (umi) = en wat | בָּמ֣וֹת (bamot) = de hoogten van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | הֲל֖וֹא (halo) = is niet | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ‘Jakob’ en ‘het huis van Israël’ zijn hier het volk van het noordelijke rijk, met Samaria als hoofdstad. ‘Juda’ heeft Jeruzalem als hoofdstad. Voetnoot : פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’: ook ‘opstand’. חַטָּאות (chatta’ot), ‘zonden’. Voetnoot : בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: de offerplaatsen op heuvels. De profeet zegt dat Jeruzalem zelf de ‘hoogte’ van Juda is: het middelpunt van de afgoderij. Zie ook: 1 Kon 13:32; 2 Kon 17:7–23; Amos 8:14; Jer 2:19; 1 Tess 2:15–16 ### Samaria wordt een puinhoop **1:6** **„Ik maak Samaria tot een puinhoop op het veld, tot een plaats om wijngaarden te planten. Ik giet haar stenen uit in het dal en leg haar fundamenten bloot.** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֥י (vesamti) = en Ik zal maken | שֹׁמְר֛וֹן (shomeron) = Samaria | לְעִ֥י (lei) = tot een puinhoop van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | לְמַטָּ֣עֵי (lemataei) = tot plaatsen om te planten | כָ֑רֶם (karem) = wijngaard | וְהִגַּרְתִּ֤י (vehigarti) = en Ik zal uitgieten | לַגַּי֙ (lagay) = in het dal | אֲבָנֶ֔יהָ (avaneiha) = haar stenen | וִיסֹדֶ֖יהָ (visodeiha) = en haar fundamenten | אֲגַלֶּֽה (agale) = Ik zal blootleggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt Yahweh zelf; Zijn woorden staan rood tot en met vers 7. Samaria viel in 722 voor Chr.; zie 2 Kon. 17:5–6. Voetnoot : לְעִי הַשָּׂדֶה (le’i hassadeh), ‘tot een puinhoop op het veld’: de stad wordt een hoop stenen. Voetnoot : וְהִגַּרְתִּי (vehiggarti), ‘Ik giet uit’: de stenen worden de helling af gestort, in het dal. Zie ook: 2 Kon 17:5–6; 2 Kon 19:25; Amos 5:11; Mi 1:7; Mi 3:12; Klaagl 4:1; Ezech 13:14 **1:7** **Al haar gesneden beelden worden stukgeslagen en al haar hoerenloon wordt met vuur verbrand. Al haar afgodsbeelden maak Ik tot een woestenij. Want van hoerenloon heeft zij ze verzameld, en tot hoerenloon keren ze terug.”** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | פְּסִילֶ֣יהָ (pesileiha) = haar gesneden beelden | יֻכַּ֗תּוּ (yukatu) = worden stukgeslagen | וְכָל (vekhal) = en al | אֶתְנַנֶּ֨יהָ֙ (etnaneiha) = haar hoerenloon | יִשָּׂרְפ֣וּ (yisarefu) = wordt verbrand | בָאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | וְכָל (vekhal) = en al | עֲצַבֶּ֖יהָ (atsabeiha) = haar afgodsbeelden | אָשִׂ֣ים (asim) = Ik zal maken | שְׁמָמָ֑ה (shemama) = tot een woestenij | כִּ֠י (ki) = want | מֵאֶתְנַ֤ן (meetnan) = van het loon van | זוֹנָה֙ (zona) = een hoer | קִבָּ֔צָה (qibatsa) = zij heeft verzameld | וְעַד (vead) = en tot | אֶתְנַ֥ן (etnan) = het loon van | זוֹנָ֖ה (zona) = een hoer | יָשֽׁוּבוּ (yashuvu) = keren ze terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּסִילִים (pesilim), ‘gesneden beelden’; אֶתְנַן (etnan), ‘hoerenloon’: het loon van een hoer (zie Deut. 23:19); עֲצַבִּים (atsabbim), ‘afgodsbeelden’. Voetnoot : Hoererij is hier een beeld voor afgoderij. Wat zij als loon voor hun afgoderij verzamelden, gaat opnieuw naar anderen: het keert terug tot hoerenloon. Zie ook: Deut 23:19; Hos 2:14; Hos 8:6; Hos 10:5–6; Openb 18:3 ### De klaagzang van de profeet **1:8** Daarom wil ik klagen en jammeren. Ik wil ontkleed en naakt gaan. Ik hef een klaagzang aan als de jakhalzen en een rouwklacht als de dochters van de struisvogel. Brontekst: עַל (al) = over | זֹאת֙ (zot) = dit | אֶסְפְּדָ֣ה (espeda) = ik zal klagen | וְאֵילִ֔ילָה (veeilila) = en ik zal jammeren | אֵילְכָ֥ה (eilekha) = ik zal gaan | שׁוֹלָ֖ל (sholal) = ontkleed | וְעָר֑וֹם (vearom) = en naakt | אֶעֱשֶׂ֤ה (eese) = ik zal aanheffen | מִסְפֵּד֙ (misped) = een klaagzang als | כַּתַּנִּ֔ים (katanim) = van jakhalzen | וְאֵ֖בֶל (veevel) = en een rouwklacht | כִּבְנ֥וֹת (kivnot) = als dochters van | יַעֲנָֽה (yaana) = de struisvogel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf vers 8 spreekt de profeet zelf; vandaar ‘ik’ met kleine letter. Voetnoot : תַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’; בְּנוֹת יַעֲנָה (benot ya’anah), ‘dochters van de struisvogel’: dieren van de woestenij met een klagende roep. Vergelijk Job 30:29. Voetnoot : שׁוֹלָל (sholal), ‘ontkleed’: ook ‘beroofd’ of ‘barrevoets’. Het woord is zeldzaam; vergelijk Job 12:17. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is שילל (shilal); het te lezen woord (qere) is שׁוֹלָל (sholal). Wij volgen het qere. Zie ook: Job 12:17; Job 30:29; Jes 13:21; Jes 20:2–4; Jes 22:4; Jer 48:36–39 **1:9** Want haar slagen zijn ongeneeslijk. Ze zijn gekomen tot Juda. Ze reiken tot de poort van mijn volk, tot Jeruzalem. Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | אֲנוּשָׁ֖ה (anusha) = ongeneeslijk | מַכּוֹתֶ֑יהָ (makoteiha) = haar slagen | כִּי (ki) = want | בָ֨אָה֙ (baa) = het is gekomen | עַד (ad) = tot | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | נָגַ֛ע (naga) = het reikt | עַד (ad) = tot | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort van | עַמִּ֖י (ami) = mijn volk | עַד (ad) = tot | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲנוּשָׁה (anushah), ‘ongeneeslijk’: een wond die niet geneest. De ramp van Samaria bereikt Juda en Jeruzalem; zie 2 Kon. 18:13. Voetnoot : ‘Mijn volk’ klinkt hier uit de mond van de profeet. Zie ook: 2 Kon 18:13; 2 Kron 32:1–23; Jes 8:7–8; Mi 1:12; Jer 15:18; Jer 30:11–15 ### Wentel je in het stof **1:10** Vertel het niet in Gat. Huil helemaal niet. In Bet-le-Afra, wentel je in het stof. Brontekst: בְּגַת֙ (begat) = in Gat | אַל (al) = niet | תַּגִּ֔ידוּ (tagidu) = vertelt het | בָּכ֖וֹ (bakho) = weent | אַל (al) = niet | תִּבְכּ֑וּ (tivku) = huilt | בְּבֵ֣ית (beveit) = in Bet | לְעַפְרָ֔ה (leafra) = le-Afra | עָפָ֖ר (afar) = stof | הִתְפַּלָּֽשִׁי (hitpalashi) = wentel je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi. Dit is niet geheel zeker. Voetnoot Uitleg: Vers 10–16 noemen steden in het laagland van Juda. Bij veel namen is er een woordspel met de betekenis van de naam. Wij geven dat in de voetnoten aan. Voetnoot : בְּגַת אַל־תַּגִּידוּ (begat al taggidu), ‘vertel het niet in Gat’: vergelijk David in 2 Sam. 1:20. Het woord ‘Gat’ klinkt als ‘vertel’ (תַּגִּידוּ, taggidu). Voetnoot : בֵּית לְעַפְרָה (Bet le’Afrah), ‘Bet-le-Afra’: ‘huis van stof’. עָפָר (afar) is ‘stof’. Voetnoot : בְּכוּ אַל־תִּבְכּוּ (bekhu al tivku), letterlijk ‘weent, weent niet’: het Hebreeuws is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij vertalen: ‘Huil helemaal niet’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is התפלשתי (hitpalashti), ‘ik wentel mij’; het te lezen woord (qere) is הִתְפַּלְשִׁי (hitpalshi), ‘wentel je’. Wij volgen het qere. Zie ook: Job 2:8; Joz 18:23; 2 Sam 1:20; Amos 6:10; Jer 6:26 **1:11** Trek heen, bewoonster van Safir, in naaktheid en schande. De bewoonster van Saänan komt er niet uit. De rouwklacht van Bet-Haëtsel neemt van jullie zijn standplaats weg. Brontekst: עִבְרִ֥י (ivri) = trek voorbij | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | יוֹשֶׁ֥בֶת (yoshevet) = bewoonster van | שָׁפִ֖יר (shafir) = Safir | עֶרְיָה (erya) = naaktheid | בֹ֑שֶׁת (boshet) = schande | לֹ֤א (lo) = niet | יָֽצְאָה֙ (yatsea) = is uitgetrokken | יוֹשֶׁ֣בֶת (yoshevet) = bewoonster van | צַֽאֲנָ֔ן (tsaanan) = Saänan | מִסְפַּד֙ (mispad) = rouwklacht van | בֵּ֣ית (beit) = Bet | הָאֵ֔צֶל (haetsel) = Haëtsel | יִקַּ֥ח (yiqach) = hij neemt | מִכֶּ֖ם (mikem) = van jullie | עֶמְדָּתֽוֹ (emdato) = zijn standplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁפִיר (Shafir), ‘Safir’: ‘schoon’. צַאֲנָן (Tsa’anan), ‘Saänan’: klinkt als ‘uittrekken’ (יָצָא, yatsa). בֵּית הָאֵצֶל (Bet haEtsel), ‘Bet-Haëtsel’: ‘huis van de nabijheid’. Voetnoot : עָמְדָתוֹ (amdato), ‘zijn standplaats’: het Hebreeuws van deze zin is moeilijk; de betekenis is onzeker. Mogelijk gaat het om de steun of bescherming die Bet-Haëtsel zijn buren niet meer kan geven. Zie ook: Jes 16:2; Jes 20:4; Jes 47:2–3; Nah 3:5; Jer 48:6 **1:12** Want de bewoonster van Marot kronkelt van pijn om het goede. Onheil is van Yahweh neergedaald tot aan de poort van Jeruzalem. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | חָ֥לָֽה (chala) = zij kronkelt | לְט֖וֹב (letov) = om het goede | יוֹשֶׁ֣בֶת (yoshevet) = bewoonster van | מָר֑וֹת (marot) = Marot | כִּֽי (ki) = want | יָ֤רַד (yarad) = is neergedaald | רָע֙ (ra) = onheil | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְשַׁ֖עַר (leshaar) = tot de poort van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מָרוֹת (Marot), ‘Marot’: klinkt als מָרָה (marah), ‘bitter’. חָלָה (chalah), ‘kronkelen’: van pijn of van verwachting; het kan ook ‘wachten’ betekenen. Zie ook: Amos 3:6; Jes 59:9–11; Mi 1:9; Jer 8:15; Jer 14:19 **1:13** Span het snelle paard voor de wagen, bewoonster van Lachis. Zij is het begin van de zonde voor Dochter Sion, want in jou zijn de overtredingen van Israël gevonden. Brontekst: רְתֹ֧ם (retom) = span aan | הַמֶּרְכָּבָ֛ה (hamerkava) = de wagen | לָרֶ֖כֶשׁ (larekhesh) = het snelle paard | יוֹשֶׁ֣בֶת (yoshevet) = bewoonster van | לָכִ֑ישׁ (lakhish) = Lachis | רֵאשִׁ֨ית (reshit) = begin van | חַטָּ֥את (chatat) = zonde | הִיא֙ (hi) = zij | לְבַת (levat) = voor de dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | כִּי (ki) = want | בָ֥ךְ (bakh) = in jou | נִמְצְא֖וּ (nimtseu) = zijn gevonden | פִּשְׁעֵ֥י (pishei) = overtredingen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לָרֶכֶשׁ (larekhesh), ‘het snelle paard’: het woord klinkt als לָכִישׁ (Lakhish), ‘Lachis’. Lachis was een sterke vestingstad van Juda (2 Kon. 18:14; 2 Kron. 11:9). Voetnoot : רֵאשִׁית חַטָּאת (reshit chatta’t), ‘begin van de zonde’: het Hebreeuws zegt niet waarom Lachis het begin is van de zonde voor Jeruzalem. Voetnoot : בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: een beeld voor Jeruzalem en haar inwoners. Zie ook: Joz 10:3; 2 Kon 8:18; 2 Kon 18:14; 2 Kon 18:17; 2 Kron 11:9; 2 Kron 32:9; Openb 2:20 **1:14** Daarom geef je afscheidsgeschenken aan Moreset-Gat. De huizen van Achzib worden een bedrieglijke beek voor de koningen van Israël. Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | תִּתְּנִ֣י (titeni) = je zult geven | שִׁלּוּחִ֔ים (shiluchim) = afscheidsgeschenken | עַ֖ל (al) = aan | מוֹרֶ֣שֶׁת (moreshet) = Moreset | גַּ֑ת (gat) = Gat | בָּתֵּ֤י (batei) = de huizen van | אַכְזִיב֙ (akhziv) = Achzib | לְאַכְזָ֔ב (leakhzav) = tot een bedrieglijke beek | לְמַלְכֵ֖י (lemalkhei) = voor de koningen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Achzib (laagland van Juda; ligging onzeker): Dit Achzib lag in het laagland van Juda (Jozua 15:44), mogelijk bij Tel el-Beida. Het is niet de stad Achzib aan de kust. De ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שִׁלּוּחִים (shilluchim), ‘afscheidsgeschenken’: de gift die een vader meegeeft als zijn dochter wegtrekt (vergelijk 1 Kon. 9:16). Moreset-Gat wordt als het ware weggegeven. Voetnoot : אַכְזִיב (Akhzib), ‘Achzib’, en אַכְזָב (akhzav), ‘bedrieglijk’: een woordspel. Een ‘bedrieglijke beek’ is een beek die in de zomer droogvalt (vergelijk Jer. 15:18). Zie ook: Joz 15:44; Ps 62:10; Ps 118:8–9; 1 Kon 9:16; 2 Kon 16:8; Jer 15:18 **1:15** **„Opnieuw breng Ik de bezitnemer over je, bewoonster van Maresa.”** Tot Adullam zal de heerlijkheid van Israël komen. Brontekst: עֹ֗ד (od) = nog | הַיֹּרֵשׁ֙ (hayoresh) = de bezitnemer | אָ֣בִי (avi) = Ik zal brengen | לָ֔ךְ (lakh) = over jou | יוֹשֶׁ֖בֶת (yoshevet) = bewoonster van | מָֽרֵשָׁ֑ה (maresha) = Maresa | עַד (ad) = tot | עֲדֻּלָּ֥ם (adulam) = Adullam | יָב֖וֹא (yavo) = zal komen | כְּב֥וֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela. Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: הַיֹּרֵשׁ (hayyoresh), ‘de bezitnemer’: iemand die bezit neemt van wat van anderen was; hier de veroveraar. Het klinkt als מָרֵשָׁה (Mareshah), ‘Maresa’. Het kan ook ‘de erfgenaam’ betekenen. Voetnoot : עֲדֻלָּם (Adullam): de plaats waar David zich verborg (1 Sam. 22:1). De ‘heerlijkheid van Israël’ zijn mogelijk de leiders die daar een schuilplaats zoeken. Voetnoot : De woorden van Yahweh gaan tot ‘Maresa’; het slot is weer van de profeet. Zie ook: Joz 12:15; Joz 15:35; Joz 15:44; 1 Sam 22:1; 2 Kron 11:7 **1:16** Maak je kaal en scheer je haar af om de kinderen van je genot. Maak je kaalheid breed als die van de arend, want zij zijn van je weggevoerd in ballingschap. Brontekst: קָרְחִ֣י (qarechi) = maak kaal | וָגֹ֔זִּי (vagozi) = en scheer | עַל (al) = om | בְּנֵ֖י (benei) = de kinderen van | תַּעֲנוּגָ֑יִךְ (taanugayikh) = je genot | הַרְחִ֤בִי (harchivi) = maak breed | קָרְחָתֵךְ֙ (qarechatekh) = je kaalheid | כַּנֶּ֔שֶׁר (kanesher) = als de arend | כִּ֥י (ki) = want | גָל֖וּ (galu) = zijn weggevoerd | מִמֵּֽךְ (mimekh) = van jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zich kaal scheren was een teken van rouw; vergelijk Job 1:20. Voetnoot : נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’: hier waarschijnlijk een gier met een kale kop. Voetnoot : De vrouw die hier wordt aangesproken is Jeruzalem of de stad Juda; haar kinderen worden in ballingschap weggevoerd. Zie ook: Job 1:20; Amos 8:10; Jes 22:12; Jer 7:29; Jer 16:6 ## Micha 2 _Wee over wie akkers roven; Yahweh verzamelt de overgeblevenen van Jakob_ ### Wee hen die onheil bedenken **2:1** Wee hen die onheil bedenken en kwaad bewerken op hun bedden. In het licht van de ochtend voeren zij het uit, want het ligt in de macht van hun hand. Brontekst: ה֧וֹי (hoy) = wee | חֹֽשְׁבֵי (choshevei) = bedenkers van | אָ֛וֶן (aven) = onheil | וּפֹ֥עֲלֵי (ufoalei) = en bewerkers van | רָ֖ע (ra) = kwaad | עַל (al) = op | מִשְׁכְּבוֹתָ֑ם (mishkevotam) = hun bedden | בְּא֤וֹר (beor) = bij het licht van | הַבֹּ֨קֶר֙ (haboqer) = de ochtend | יַעֲשׂ֔וּהָ (yaasuha) = zij doen het | כִּ֥י (ki) = want | יֶשׁ (yesh) = het is | לְאֵ֖ל (leel) = in de macht van El | יָדָֽם (yadam) = hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹי (hoy), ‘wee’: een kreet die een aanklacht en een aankondiging van oordeel inleidt. Voetnoot : יֶשׁ־לְאֵל יָדָם (yesh le’el yadam), letterlijk ‘het is voor El, hun hand’: een gezegde voor ‘het ligt in hun macht’; vergelijk Gen. 31:29 en Deut. 28:32. Zie ook: Gen 31:29; Deut 28:32; Ps 7:15–17; Ps 36:5; Hos 7:6–7; Jes 32:7; Nah 1:11 **2:2** Zij begeren akkers en roven ze, ze begeren huizen en nemen ze weg. Zij onderdrukken een man en zijn huis, een mens en zijn erfdeel. Brontekst: וְחָמְד֤וּ (vechamedu) = en zij begeren | שָׂדוֹת֙ (sadot) = akkers | וְגָזָ֔לוּ (vegazalu) = en zij roven | וּבָתִּ֖ים (uvatim) = en huizen | וְנָשָׂ֑אוּ (venasau) = en nemen weg | וְעָֽשְׁקוּ֙ (veashequ) = en zij onderdrukken | גֶּ֣בֶר (gever) = een man | וּבֵית֔וֹ (uveito) = en zijn huis | וְאִ֖ישׁ (veish) = en een mens | וְנַחֲלָתֽוֹ (venachalato) = en zijn erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rijken pakken het erfdeel van de gewone families af. Het land was de erfenis van elke familie (zie Num. 36:7); vergelijk 1 Kon. 21 (Nabot). Zie ook: Num 36:7; Amos 8:4; Jes 5:8; Mi 3:9; Jer 22:17; Ezech 18:12 **2:3** Daarom, zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik bedenk onheil tegen deze familie. Daaruit zullen jullie je nek niet losmaken en jullie zullen niet rechtop lopen, want het is een tijd van onheil.”** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | חֹשֵׁ֛ב (choshev) = Ik bedenk | עַל (al) = over | הַמִּשְׁפָּחָ֥ה (hamishpacha) = de familie | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | רָעָ֑ה (raa) = onheil | אֲ֠שֶׁר (asher) = waaruit | לֹֽא (lo) = niet | תָמִ֨ישׁוּ (tamishu) = jullie zullen losmaken | מִשָּׁ֜ם (misham) = vandaar | צַוְּארֹֽתֵיכֶ֗ם (tsaveroteikhem) = jullie nekken | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תֵֽלְכוּ֙ (telekhu) = jullie zullen gaan | רוֹמָ֔ה (roma) = rechtop | כִּ֛י (ki) = want | עֵ֥ת (et) = tijd van | רָעָ֖ה (raa) = onheil | הִֽיא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De inleiding ‘zo zegt Yahweh’ is zwart; wat Yahweh zelf zegt, is rood. Voetnoot : מִשְׁפָּחָה (mishpachah), ‘familie’: hier het hele volk, gezien als één familie. Voetnoot : רוּמָה (rumah), ‘rechtop’: letterlijk ‘hoog’; hoogmoedig of fier. Het woord komt alleen hier voor. Zie ook: Amos 5:13; Jes 2:11–12; Jer 8:3; Jer 18:11; Klaagl 5:5 **2:4** Op die dag zal men over jullie een spotlied aanheffen en een bittere klacht laten klinken. Men zegt: „Wij zijn volkomen verwoest! Hij ruilt het erfdeel van mijn volk om. Hoe neemt Hij het van mij weg! Aan de afvallige verdeelt Hij onze akkers.” Brontekst: בַּיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | יִשָּׂ֧א (yisa) = zal aanheffen | עֲלֵיכֶ֣ם (aleikhem) = over jullie | מָשָׁ֗ל (mashal) = een spotlied | וְנָהָ֨ה (venaha) = en men zal jammeren | נְהִ֤י (nehi) = een klacht | נִֽהְיָה֙ (nihya) = een bittere | אָמַר֙ (amar) = hij zegt | שָׁד֣וֹד (shadod) = verwoest | נְשַׁדֻּ֔נוּ (neshadunu) = wij zijn verwoest | חֵ֥לֶק (cheleq) = het deel van | עַמִּ֖י (ami) = mijn volk | יָמִ֑יר (yamir) = Hij ruilt om | אֵ֚יךְ (eikh) = hoe | יָמִ֣ישׁ (yamish) = Hij neemt weg | לִ֔י (li) = van mij | לְשׁוֹבֵ֥ב (leshovev) = aan de afvallige | שָׂדֵ֖ינוּ (sadeinu) = onze akkers | יְחַלֵּֽק (yechaleq) = Hij verdeelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 4 is van de profeet; de woorden van de spotters staan tussen aanhalingstekens. Het Hebreeuws zegt niet duidelijk wie ‘Hij’ is: vermoedelijk Yahweh, over wie het volk spottend spreekt. Voetnoot : מָשָׁל (mashal), ‘spotlied’ of ‘spreuk’; נְהִי נִהְיָה (nehi nihyah), ‘een bittere klacht’: een zeldzame woordgroep, de betekenis is onzeker. Voetnoot : לְשׁוֹבֵב (leshovev), ‘aan de afvallige’: hij die zich afkeert. Het kan hier ook een volk of een persoon zijn die het land overneemt. Zie ook: Num 23:7; Deut 28:29; Mi 1:15; Jer 9:9; Hab 2:6 **2:5** Daarom zul je niemand hebben die het meetsnoer bij loting uitwerpt in de gemeente van Yahweh. Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | לֹֽא (lo) = niet | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לְךָ֔ (lekha) = voor jou | מַשְׁלִ֥יךְ (mashlikh) = werper van | חֶ֖בֶל (chevel) = een meetsnoer | בְּגוֹרָ֑ל (begoral) = door het lot | בִּקְהַ֖ל (biqhal) = in de gemeente van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Het meetsnoer bij loting uitwerpen’ is het verdelen van land met een snoer en het lot (vergelijk Joz. 18:4–6). Wie zijn erfdeel verloren heeft, heeft geen deel meer aan het land van de gemeente van Yahweh. Zie ook: Deut 23:9; Deut 32:8; Joz 18:4; Joz 18:10; Neh 7:61 ### Verzet tegen de profeet **2:6** „Profeteer niet”, profeteren zij. „Men moet hierover niet profeteren. De smaad wijkt niet.” Brontekst: אַל (al) = niet | תַּטִּ֖פוּ (tatifu) = profeteert | יַטִּיפ֑וּן (yatifun) = zij profeteren | לֹֽא (lo) = niet | יַטִּ֣פוּ (yatifu) = men moet profeteren | לָאֵ֔לֶּה (laele) = over deze dingen | לֹ֥א (lo) = niet | יִסַּ֖ג (yisag) = wijkt | כְּלִמּֽוֹת (kelimot) = de smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַטִּיפוּ (hatipu), ‘profeteren’: letterlijk ‘druppelen’; vergelijk Amos 7:16, waar Amasja hetzelfde werkwoord gebruikt. De hoorders willen niet dat Micha profeteert. Voetnoot : Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk. Mogelijk is de zin: ‘Zij mogen hierover niet profeteren; de smaad weegt niet af’. De betekenis van het slot is onzeker. Zie ook: Amos 2:12; Amos 7:13; Amos 7:16; Jes 30:10; Ezech 3:26; Hand 5:40 **2:7** Mag dat gezegd worden, huis van Jakob? Is de geest van Yahweh te kort geworden? Zijn dit Zijn daden? **„Doen Mijn woorden niet goed aan wie oprecht wandelt?** Brontekst: הֶאָמ֣וּר (heamur) = gezegd | בֵּֽית (beit) = huis van | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | הֲקָצַר֙ (haqatsar) = is verkort | ר֣וּחַ (ruach) = de geest van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = of | אֵ֖לֶּה (ele) = dit | מַעֲלָלָ֑יו (maalalav) = zijn daden | הֲל֤וֹא (halo) = zijn niet | דְבָרַ֨י (devaray) = Mijn woorden | יֵיטִ֔יבוּ (yeitivu) = doen goed | עִ֖ם (im) = aan | הַיָּשָׁ֥ר (hayashar) = de oprechte | הוֹלֵֽךְ (holekh) = wandelend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘geest’: ook ‘adem’ of ‘geduld’. De vraag is of Yahweh te kort van adem of van geduld is gekomen. Voetnoot : Vanaf ‘Doen Mijn woorden’ spreekt Yahweh zelf; Zijn woorden staan rood tot en met vers 10. Zie ook: Ps 15:2; Ps 84:12; Jes 50:2; Mi 2:10; Jer 15:16; Zach 4:6 **2:8** **Maar gisteren nog stond Mijn volk op als een vijand. Van de mantel trekken jullie het kleed af van wie zorgeloos voorbijgaan, van hen die terugkeren uit de oorlog.** Brontekst: וְאֶתְמ֗וּל (veetmul) = en gisteren | עַמִּי֙ (ami) = mijn volk | לְאוֹיֵ֣ב (leoyev) = als vijand | יְקוֹמֵ֔ם (yeqomem) = staat op | מִמּ֣וּל (mimul) = tegenover | שַׂלְמָ֔ה (salma) = de mantel | אֶ֖דֶר (eder) = het kleed | תַּפְשִׁט֑וּן (tafshitun) = jullie trekken af | מֵעֹבְרִ֣ים (meoverim) = van wie voorbijgaan | בֶּ֔טַח (betach) = zorgeloos | שׁוּבֵ֖י (shuvei) = van wie terugkeren | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk en waarschijnlijk beschadigd. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij vertalen zo letterlijk als mogelijk is. Voetnoot : שַׂלְמָה (salmah) en אַדֶּרֶת (adderet), ‘mantel’ en ‘kleed’: kledingstukken; de roof van de kleding van reizigers die zich veilig voelen. Zie ook: 2 Sam 20:19; Ps 55:21; Ps 120:6–7; 2 Kron 28:5–8; Jes 9:20 **2:9** **De vrouwen van Mijn volk verdrijven jullie uit hun fijne huis. Van hun jonge kinderen nemen jullie Mijn luister voor eeuwig weg.** Brontekst: נְשֵׁ֤י (neshei) = de vrouwen van | עַמִּי֙ (ami) = mijn volk | תְּגָ֣רְשׁ֔וּן (tegareshun) = jullie verdrijven | מִבֵּ֖ית (mibeit) = uit het huis van | תַּֽעֲנֻגֶ֑יהָ (taanugeiha) = haar genot | מֵעַל֙ (meal) = van op | עֹֽלָלֶ֔יהָ (olaleiha) = haar jonge kinderen | תִּקְח֥וּ (tiqchu) = jullie nemen | הֲדָרִ֖י (hadari) = Mijn luister | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Mijn luister’ (הֲדָרִי, hadari) is het eigen sieraad van Yahweh: wat Hij Zijn volk had gegeven. Het wordt de kinderen ontnomen. Zie ook: Hab 2:14; Ezech 39:21; Zach 2:9; Luc 20:47; 2 Kor 3:18 **2:10** **Sta op en ga, want dit is de rustplaats niet. Om de onreinheid komt verwoesting, een zware verwoesting.”** Brontekst: ק֣וּמוּ (qumu) = staat op | וּלְכ֔וּ (ulekhu) = en gaat | כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | זֹ֖את (zot) = dit | הַמְּנוּחָ֑ה (hamenucha) = de rustplaats | בַּעֲב֥וּר (baavur) = vanwege | טָמְאָ֛ה (tamea) = de onreinheid | תְּחַבֵּ֖ל (techabel) = zij zal verwoesten | וְחֶ֥בֶל (vechevel) = en verwoesting | נִמְרָֽץ (nimrats) = zwaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 20:22–26; Deut 12:9; Ps 106:38; 2 Kon 17:6; Heb 4:1–9 **2:11** Stel dat een man achter de wind aan loopt en leugens verzint. Hij zegt: „Ik zal voor jou profeteren over wijn en sterke drank.” Dan zou hij de profeet van dit volk zijn. Brontekst: לוּ (lu) = als | אִ֞ישׁ (ish) = een man | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = die loopt | ר֨וּחַ֙ (ruach) = wind | וָשֶׁ֣קֶר (vasheqer) = en leugen | כִּזֵּ֔ב (kizev) = hij verzint | אַטִּ֣ף (atif) = ik zal profeteren | לְךָ֔ (lekha) = voor jou | לַיַּ֖יִן (layayin) = over wijn | וְלַשֵּׁכָ֑ר (velashekhar) = en sterke drank | וְהָיָ֥ה (vehaya) = dan zal hij zijn | מַטִּ֖יף (matif) = de profeet van | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָלַךְ רוּחַ (halakh ruach), ‘die achter de wind aan loopt’: ook ‘die in de geest wandelt’. Waarschijnlijk wordt het eerste bedoeld: iemand die leeg, ijdel praat. Voetnoot : Dit vers is van de profeet. Het sluit bij de woorden van de tegenstanders van vers 6 aan: wie wijn en sterke drank belooft, is de profeet die zij willen. Zie ook: Jes 30:10–11; Mi 2:6; Jer 5:31; Jer 23:17; 2 Kor 11:13–15; Rom 16:18 ### Ik zal Jakob verzamelen **2:12** **„Ik zal je, Jakob, zeker helemaal verzamelen. Ik zal de overgeblevenen van Israël zeker bijeenbrengen. Ik zet hen samen als schapen in de kooi, als een kudde midden in haar weide. Het gonst van mensen.”** Brontekst: אָסֹ֨ף (asof) = verzamelen | אֶאֱסֹ֜ף (eesof) = Ik zal verzamelen | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | כֻּלָּ֗ךְ (kulakh) = jou allemaal | קַבֵּ֤ץ (qabets) = bijeenbrengen | אֲקַבֵּץ֙ (aqabets) = Ik zal bijeenbrengen | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = het de overgeblevenen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | יַ֥חַד (yachad) = samen | אֲשִׂימֶ֖נּוּ (asimenu) = Ik zal hen zetten | כְּצֹ֣אן (ketson) = als schapen | בָּצְרָ֑ה (batsera) = in Bozra | כְּעֵ֨דֶר֙ (keeder) = als een kudde | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | הַדָּֽבְר֔וֹ (hadavero) = de weide | תְּהִימֶ֖נָה (tehimena) = zij gonzen | מֵאָדָֽם (meadam) = van mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית יִשְׂרָאֵל (she’erit Yisra’el), ‘de overgeblevenen van Israël’: wie na het oordeel overblijft; vergelijk Amos 5:15 (‘het overblijfsel van Jozef’). Dit is een belofte van herstel. Voetnoot : בָּצְרָה (botsrah), ‘in de kooi’: een schaapskooi; het woord klinkt als de plaatsnaam Bozra in Edom. Voetnoot : הַדָּבְרוֹ (haddovro), ‘haar weide’: het woord is zeldzaam; de betekenis is onzeker. Zie ook: Amos 5:15; Hos 2:2; Mi 4:6–7; Mi 5:6; Jer 31:7–10; Ezech 37:21 **2:13** De doorbreker trekt voor hen uit. Zij breken door, trekken de poort door en gaan erdoor naar buiten. Hun koning trekt voor hen uit, en Yahweh aan hun hoofd. Brontekst: עָלָ֤ה (ala) = is opgetrokken | הַפֹּרֵץ֙ (haporets) = de doorbreker | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = voor hen | פָּֽרְצוּ֙ (paretsu) = zij breken door | וַֽיַּעֲבֹ֔רוּ (vayaavoru) = en zij trekken door | שַׁ֖עַר (shaar) = de poort | וַיֵּ֣צְאוּ (vayetseu) = en zij gaan naar buiten | ב֑וֹ (bo) = erdoor | וַיַּעֲבֹ֤ר (vayaavor) = en trekt voort | מַלְכָּם֙ (malkam) = hun koning | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = voor hen | וַיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | בְּרֹאשָֽׁם (berosham) = aan hun hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפֹּרֵץ (happorets), ‘de doorbreker’: iemand die de weg vrijmaakt, een leider die de muur doorbreekt. Het is Yahweh zelf, of een door Hem gezonden leider. Voetnoot : מַלְכָּם (malkam), ‘hun koning’: dit is waarschijnlijk Yahweh zelf, die in het tweede deel van de zin bij Zijn naam wordt genoemd. Zie ook: Jes 45:1–2; Jes 52:12; Zach 9:14–15; Joh 10:27–30; Heb 2:14–15 ## Micha 3 _Tegen de leiders, de profeten en de priesters; Sion wordt een akker_ ### Tegen de hoofden van Jakob **3:1** Ik zei: Hoor toch, hoofden van Jakob en leiders van het huis van Israël. Is het niet aan jullie om het recht te kennen? Brontekst: וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | שִׁמְעוּ (shimu) = hoort | נָא֙ (na) = toch | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וּקְצִינֵ֖י (uqetsinei) = en leiders van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הֲל֣וֹא (halo) = is niet | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | לָדַ֖עַת (ladaat) = om te kennen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁפָּֽט (hamishpat) = het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 1 is van de profeet: ‘ik’ is Micha. Dat geldt ook voor de verzen 2–4 en 6–12; alleen in vers 5 spreekt Yahweh zelf. Voetnoot : הַמִּשְׁפָּט (hammishpat), ‘het recht’: wat de leiders moeten kennen en handhaven. Zie ook: Ps 14:4; Ps 82:1–5; Hos 5:1; Jes 1:10; Mi 3:5; Jer 5:4–5 **3:2** Jullie haten het goede en hebben het kwade lief. Jullie rukken hun huid van hen af, en het vlees van hun beenderen. Brontekst: שֹׂ֥נְאֵי (soneei) = haters van | ט֖וֹב (tov) = het goede | וְאֹ֣הֲבֵי (veohavei) = en liefhebbers van | רָ֑ע (ra) = het kwade | גֹּזְלֵ֤י (gozelei) = rovers van | עוֹרָם֙ (oram) = hun huid | מֵֽעֲלֵיהֶ֔ם (mealeihem) = van hen af | וּשְׁאֵרָ֖ם (usheeram) = en hun vlees | מֵעַ֥ל (meal) = van op | עַצְמוֹתָֽם (atsmotam) = hun beenderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een beeld van roofzucht: de leiders vreten hun eigen volk op als een slachtdier. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is רעה (ra’ah) en het te lezen woord (qere) is רָע (ra). Beide betekenen ‘het kwade’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 53:5; Spr 28:4; 1 Kon 21:20; Ezech 22:27; Rom 12:9 **3:3** Jullie eten het vlees van mijn volk. Jullie trekken hun huid van hen af en breken hun beenderen. Jullie hakken ze in stukken, zoals in een pot, zoals vlees in een ketel. Brontekst: וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en die | אָכְלוּ֮ (akhelu) = zij eten | שְׁאֵ֣ר (sheer) = het vlees van | עַמִּי֒ (ami) = mijn volk | וְעוֹרָם֙ (veoram) = en hun huid | מֵעֲלֵיהֶ֣ם (mealeihem) = van hen af | הִפְשִׁ֔יטוּ (hifshitu) = zij trekken af | וְאֶת (veet) = en | עַצְמֹֽתֵיהֶ֖ם (atsmoteihem) = hun beenderen | פִּצֵּ֑חוּ (pitsechu) = zij breken | וּפָרְשׂוּ֙ (ufaresu) = en zij hakken in stukken | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | בַּסִּ֔יר (basir) = in een pot | וּכְבָשָׂ֖ר (ukhevasar) = en als vlees | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | קַלָּֽחַת (qalachat) = een ketel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרַשׂ (parash) is hier ‘in stukken hakken’; het werkwoord is zeldzaam en de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Het beeld loopt door uit vers 2: de leiders slachten hun volk als vlees voor de pot. Zie ook: Ps 14:4; Mi 3:2; Sef 3:3; Ezech 11:3; Ezech 11:6–7 **3:4** Dan zullen zij tot Yahweh roepen, maar Hij zal hun niet antwoorden. Hij zal in die tijd Zijn aangezicht voor hen verbergen, omdat zij met hun daden kwaad hebben gedaan. Brontekst: אָ֚ז (az) = dan | יִזְעֲק֣וּ (yizaqu) = zij zullen roepen | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | יַעֲנֶ֖ה (yaane) = Hij zal antwoorden | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | וְיַסְתֵּ֨ר (veyaster) = en Hij zal verbergen | פָּנָ֤יו (panav) = Zijn aangezicht | מֵהֶם֙ (mehem) = voor hen | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֔יא (hahi) = die | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = omdat | הֵרֵ֖עוּ (hereu) = zij hebben kwaad gedaan | מַעַלְלֵיהֶֽם (maalleihem) = hun daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zijn aangezicht verbergen’ is dezelfde uitdrukking als in Deut. 31:17–18: Yahweh keert Zich af en antwoordt niet. Zie ook: Deut 31:17–18; Ps 18:42; Spr 1:28; Jes 1:15; Ezech 8:18 ### Tegen de profeten **3:5** Zo zegt Yahweh over de profeten: **„Zij misleiden Mijn volk. Zij bijten met hun tanden en roepen: ‘Vrede!’ Maar wie hun niets in de mond geeft, tegen hem heiligen zij een oorlog.”** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | הַנְּבִיאִ֖ים (haneviim) = de profeten | הַמַּתְעִ֣ים (hamatim) = die misleiden | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֑י (ami) = mijn volk | הַנֹּשְׁכִ֤ים (hanoshekhim) = die bijten | בְּשִׁנֵּיהֶם֙ (beshineihem) = met hun tanden | וְקָרְא֣וּ (veqareu) = en zij roepen | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | וַאֲשֶׁר֙ (vaasher) = en wie | לֹא (lo) = niet | יִתֵּ֣ן (yiten) = geeft | עַל (al) = in | פִּיהֶ֔ם (pihem) = hun mond | וְקִדְּשׁ֥וּ (veqideshu) = en zij heiligen | עָלָ֖יו (alav) = tegen hem | מִלְחָמָֽה (milchama) = een oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers staat een woord van Yahweh zelf: ‘Mijn volk’. De inleiding ‘Zo zegt Yahweh’ is zwart. Voetnoot : הַנְּשִׁכִים בְּשִׁנֵּיהֶם (hannoshkhim beshinneyhem), ‘die met hun tanden bijten’: wie hun eten geeft, krijgt een boodschap van vrede. Voetnoot : קִדְּשׁוּ מִלְחָמָה (qiddeshu milchamah), ‘zij heiligen een oorlog’: een oorlog werd met een offer en een wijding begonnen. De profeten verklaren hem aan wie hun niets geeft. Zie ook: Jes 9:14–15; Jer 6:14; Jer 14:14–15; Ezech 13:10–16; Ezech 22:25–29 **3:6** Daarom wordt het nacht voor jullie, zonder visioen, en duisternis voor jullie, zonder waarzegging. De zon gaat onder over de profeten en de dag wordt zwart boven hen. Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | לַ֤יְלָה (layla) = nacht | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | מֵֽחָז֔וֹן (mechazon) = zonder visioen | וְחָשְׁכָ֥ה (vechashekha) = en duisternis | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | מִקְּסֹ֑ם (miqesom) = zonder waarzegging | וּבָ֤אָה (uvaa) = en zij gaat onder | הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙ (hashemesh) = de zon | עַל (al) = over | הַנְּבִיאִ֔ים (haneviim) = de profeten | וְקָדַ֥ר (veqadar) = en wordt zwart | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = boven hen | הַיּֽוֹם (hayom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘visioen’ (חָזוֹן, chazon) en de ‘waarzegging’ (קֶסֶם, qesem) worden de profeten ontnomen: de zon gaat voor hen onder. Zie ook: Amos 8:9–10; Jes 8:20–22; Jes 29:10; Jes 59:10; Ezech 13:22–23 **3:7** De zieners worden beschaamd en de waarzeggers staan voor schut. Zij allen bedekken hun bovenlip, want er is geen antwoord van Elohim. Brontekst: וּבֹ֣שׁוּ (uvoshu) = en zij worden beschaamd | הַחֹזִ֗ים (hachozim) = de zieners | וְחָֽפְרוּ֙ (vechaferu) = en zij staan voor schut | הַקֹּ֣סְמִ֔ים (haqosemim) = de waarzeggers | וְעָט֥וּ (veatu) = en zij bedekken | עַל (al) = over | שָׂפָ֖ם (safam) = de bovenlip | כֻּלָּ֑ם (kulam) = allen | כִּ֛י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = er is niet | מַעֲנֵ֖ה (maane) = antwoord van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹזִים (chozim), ‘zieners’, en קֹסְמִים (qosmim), ‘waarzeggers’: de profeten die zonder opdracht van Yahweh spreken. Voetnoot : עָטָה עַל־שָׂפָם (atah al safam), ‘de bovenlip bedekken’: een teken van rouw en schaamte, zoals bij een melaatse in Lev. 13:45. Zie ook: Lev 13:45; 1 Sam 28:6; Amos 8:11; Jes 44:25; Jes 47:12–14; Zach 13:4 ### Ik ben vervuld van kracht **3:8** Maar ik ben vervuld van kracht, van de geest van Yahweh, van recht en van sterkte. Zo maak ik Jakob zijn overtreding bekend en Israël zijn zonde. Brontekst: וְאוּלָ֗ם (veulam) = maar | אָנֹכִ֞י (anokhi) = ik | מָלֵ֤אתִי (maleti) = ben vervuld | כֹ֨חַ֙ (koach) = kracht | אֶת (et) = met | ר֣וּחַ (ruach) = de geest van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמִשְׁפָּ֖ט (umishpat) = en recht | וּגְבוּרָ֑ה (ugevura) = en sterkte | לְהַגִּ֤יד (lehagid) = om bekend te maken | לְיַֽעֲקֹב֙ (leyaaqov) = aan Jakob | פִּשְׁע֔וֹ (pisho) = zijn overtreding | וּלְיִשְׂרָאֵ֖ל (uleyisrael) = en aan Israël | חַטָּאתֽוֹ (chatato) = zijn zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Micha zet zijn eigen werk tegenover dat van de valse profeten: hij is door de geest van Yahweh vervuld. Het Hebreeuws heeft hier ‘kracht met (et) de geest van Yahweh’; wij nemen aan dat de geest de bron van de kracht is. Zie ook: Jes 11:2–3; Jes 58:1; Jer 15:19–21; 1 Kor 2:4; 1 Kor 2:12–13 ### Sion wordt omgeploegd **3:9** Hoor dit toch, hoofden van het huis van Jakob en leiders van het huis van Israël. Jullie verafschuwen het recht en verdraaien alles wat recht is. Brontekst: שִׁמְעוּ (shimu) = hoort | נָ֣א (na) = toch | זֹ֗את (zot) = dit | רָאשֵׁי֙ (rashei) = hoofden van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וּקְצִינֵ֖י (uqetsinei) = en leiders van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הַֽמֲתַעֲבִ֣ים (hamataavim) = die verafschuwen | מִשְׁפָּ֔ט (mishpat) = recht | וְאֵ֥ת (veet) = en | כָּל (kal) = alles | הַיְשָׁרָ֖ה (hayshara) = wat recht is | יְעַקֵּֽשׁוּ (yeaqeshu) = zij verdraaien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:15; Deut 27:19; Ps 58:2–3; Spr 17:15; Jes 1:23 **3:10** Jullie bouwen Sion met bloed en Jeruzalem met onrecht. Brontekst: בֹּנֶ֥ה (bone) = bouwend | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | בְּדָמִ֑ים (bedamim) = met bloed | וִירוּשָׁלִַ֖ם (virushalaim) = en Jeruzalem | בְּעַוְלָֽה (beavla) = met onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בָּנָה (bonah), ‘bouwend’: een deelwoord, dus ‘jullie die … bouwen’. Het bouwen met bloed en onrecht verwijst naar bouwwerken die met dwangarbeid of geweld tot stand komen. Zie ook: Sef 3:3; Jer 22:13–17; Hab 2:9–12; Ezech 22:25–28; Mat 27:25 **3:11** Haar hoofden spreken recht voor een steekpenning, haar priesters geven onderricht voor loon en haar profeten waarzeggen voor geld. Toch steunen zij op Yahweh en zeggen: „Is Yahweh niet in ons midden? Het kwaad komt niet over ons.” Brontekst: רָאשֶׁ֣יהָ (rasheiha) = haar hoofden | בְּשֹׁ֣חַד (beshochad) = voor een steekpenning | יִשְׁפֹּ֗טוּ (yishpotu) = zij spreken recht | וְכֹהֲנֶ֨יהָ֙ (vekhohaneiha) = en haar priesters | בִּמְחִ֣יר (bimchir) = voor loon | יוֹר֔וּ (yoru) = zij geven onderricht | וּנְבִיאֶ֖יהָ (unevieiha) = en haar profeten | בְּכֶ֣סֶף (bekhesef) = voor geld | יִקְסֹ֑מוּ (yiqsomu) = zij waarzeggen | וְעַל (veal) = en op | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יִשָּׁעֵ֣נוּ (yishaenu) = zij steunen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | הֲל֤וֹא (halo) = is niet | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּקִרְבֵּ֔נוּ (beqirbenu) = in ons midden | לֹֽא (lo) = niet | תָב֥וֹא (tavo) = komt | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = over ons | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: zoals in Deut. 16:19. Voetnoot : Het volk verlaat zich op Yahweh en op de tempel, terwijl het onrecht doet. Zie ook: Deut 16:19; Jes 1:23; Mi 3:5; Jer 6:13; Jer 7:4; Hand 8:18–20 **3:12** Daarom wordt Sion om jullie wil als een akker omgeploegd. Jeruzalem wordt een hoop puin en de berg van het Huis een bosrijke hoogte. Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | בִּגְלַלְכֶ֔ם (biglalkhem) = om jullie wil | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | שָׂדֶ֣ה (sade) = als een akker | תֵֽחָרֵ֑שׁ (techaresh) = wordt omgeploegd | וִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (virushalaim) = en Jeruzalem | עִיִּ֣ין (iyin) = tot puinhopen | תִּֽהְיֶ֔ה (tihye) = wordt | וְהַ֥ר (vehar) = en de berg van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het Huis | לְבָמ֥וֹת (levamot) = tot hoogten van | יָֽעַר (yaar) = bos Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers wordt aangehaald in Jer. 26:18. Het verwijst naar de tijd van Hizkia. Voetnoot : עִיִּין (iyyin), ‘puinhoop’: een hoop stenen, zoals Samaria in 1:6. Voetnoot : הַר הַבַּיִת (har habbayit), ‘de berg van het Huis’: de tempelberg. Voetnoot : בָּמוֹת יַעַר (bamot ya’ar), ‘bosrijke hoogte’: een heuvel die door bos is overwoekerd. Zie ook: Ps 79:1; Ps 107:34; Mi 4:1–2; Jer 26:18; Mat 24:2 ## Micha 4 _De berg van Yahweh, de kreupele en de barende Dochter Sion_ ### De berg van het huis van Yahweh **4:1** Het zal gebeuren in de laatste dagen. De berg van het huis van Yahweh zal vaststaan op de top van de bergen en zelf verheven zijn boven de heuvels. Volken zullen naar hem toe stromen. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּאַחֲרִ֣ית (beacharit) = in het laatste van | הַיָּמִ֗ים (hayamim) = de dagen | יִ֠הְיֶה (yihye) = zal zijn | הַ֣ר (har) = de berg van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | נָכוֹן֙ (nakhon) = vaststaand | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = op de top van | הֶהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | וְנִשָּׂ֥א (venisa) = en verheven | ה֖וּא (hu) = hij | מִגְּבָע֑וֹת (migevaot) = boven heuvels | וְנָהֲר֥וּ (venaharu) = en zullen stromen | עָלָ֖יו (alav) = naar hem toe | עַמִּֽים (amim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de toekomst waarin Yahweh Zijn plan voltooit. Zie ook Gen. 49:1 en Hos. 3:5. Voetnoot : נָכוֹן (nachon), ‘vaststaan’: de berg van Yahweh staat vast en is de belangrijkste van alle bergen. Voetnoot : Deze drie verzen lijken sterk op Jes. 2:2–4. Waar het Hebreeuws gelijk is, is de Nederlandse tekst gelijk. Verschillen in vers 1: Micha heeft het extra woord הוּא (hu), ‘hij’ (de berg), daarom ‘en zelf verheven zijn’; Jesaja heeft ‘alle volken’ (כָּל הַגּוֹיִם), Micha alleen ‘volken’ (עַמִּים); Jesaja heeft אֵלָיו (elav), Micha עָלָיו (alav), beide ‘naar hem toe’. Vers 4 en 5 staan niet in Jesaja. Zie ook: Gen 49:1; Ps 22:28; Hos 3:5; Jes 2:1–4; Jes 2:2–4; Mi 4:4; Mi 4:5; Jer 3:17; Zach 14:16–21; Hand 2:17 **4:2** Vele volken zullen gaan en zeggen: „Kom, laten wij opgaan naar de berg van Yahweh en naar het huis van de Elohim van Jakob. Hij zal ons onderwijzen over Zijn wegen, en wij zullen op Zijn paden gaan. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van Yahweh uit Jeruzalem.” Brontekst: וְֽהָלְכ֞וּ (vehalekhu) = en zullen gaan | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֗ים (rabim) = vele | וְאָֽמְרוּ֙ (veameru) = en zullen zeggen | לְכ֣וּ (lekhu) = komt | וְנַעֲלֶ֣ה (venaale) = en laten wij opgaan | אֶל (el) = naar | הַר (har) = de berg van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶל (veel) = en naar | בֵּית֙ (beit) = het huis van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְיוֹרֵ֨נוּ֙ (veyorenu) = en Hij zal ons onderwijzen | מִדְּרָכָ֔יו (miderakhav) = over Zijn wegen | וְנֵלְכָ֖ה (venelekha) = en laten wij gaan | בְּאֹֽרְחֹתָ֑יו (beorechotav) = op Zijn paden | כִּ֤י (ki) = want | מִצִּיּוֹן֙ (mitsiyon) = uit Sion | תֵּצֵ֣א (tetse) = zal uitgaan | תוֹרָ֔ה (tora) = wet | וּדְבַר (udevar) = en het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִירוּשָׁלִָֽם (mirushalaim) = uit Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. Uit Sion komt het onderwijs van Yahweh voor de volken. Voetnoot : נַעֲלֶה (na’aleh), ‘laten wij opgaan’: Jeruzalem ligt hoog; men gaat altijd ‘omhoog’ naar de berg van Yahweh. Voetnoot : De volken spreken hier zelf; hun woorden staan tussen aanhalingstekens, tot en met ‘Jeruzalem’. Voetnoot : Verschillen met Jes. 2:3: Micha heeft גּוֹיִם רַבִּים (goyim rabbim) waar Jesaja עַמִּים רַבִּים (ammim rabbim) heeft, beide ‘vele volken’; en Micha heeft ‘en naar het huis’ (וְאֶל, ve’el) waar Jesaja alleen ‘naar het huis’ heeft. Zie ook: Jes 2:3; Jes 54:13; Jer 31:6; Zach 14:8–9; Hand 1:8 **4:3** Hij zal rechtspreken tussen vele volken en machtige volken terechtwijzen, tot ver weg. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Volk zal tegen volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. Brontekst: וְשָׁפַ֗ט (veshafat) = en Hij zal rechtspreken | בֵּ֚ין (bein) = tussen | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | וְהוֹכִ֛יחַ (vehokhiach) = en zal terechtwijzen | לְגוֹיִ֥ם (legoyim) = volken | עֲצֻמִ֖ים (atsumim) = machtige | עַד (ad) = tot | רָח֑וֹק (rachoq) = ver weg | וְכִתְּת֨וּ (vekhitetu) = en zij zullen omsmeden | חַרְבֹתֵיהֶ֜ם (charvoteihem) = hun zwaarden | לְאִתִּ֗ים (leitim) = tot ploegscharen | וַחֲנִיתֹֽתֵיהֶם֙ (vachanitoteihem) = en hun speren | לְמַזְמֵר֔וֹת (lemazmerot) = tot snoeimessen | לֹֽא (lo) = niet | יִשְׂא֞וּ (yisu) = zal opheffen | גּ֤וֹי (goy) = volk | אֶל (el) = tegen | גּוֹי֙ (goy) = volk | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וְלֹא (velo) = en niet | יִלְמְד֥וּן (yilmedun) = zullen leren | ע֖וֹד (od) = meer | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִתִּים (ittim), ‘ploegscharen’, en מַזְמֵרוֹת (mazmerot), ‘snoeimessen’: werktuigen voor de landbouw. Joël 4:10 zegt het omgekeerde. Voetnoot : עֲצֻמִּים (atsumim), ‘machtige’: volken die sterk zijn. Het Hebreeuws van dit vers verschilt in enkele woorden van Jes. 2:4: daar staat ‘tussen de volken’ en ‘vele volken’, hier ‘tussen vele volken’ en ‘machtige volken tot ver weg’. Wij houden de Nederlandse woorden gelijk waar het Hebreeuws gelijk is. Zie ook: Joël 4:9–16; Joël 4:10; Hos 2:20; Jes 2:4; Mat 25:31–32; Hand 17:31 **4:4** Ieder zal wonen onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, en niemand jaagt hen schrik aan. Want de mond van Yahweh van de legermachten heeft het gesproken. Brontekst: וְיָשְׁב֗וּ (veyashevu) = en zij zullen wonen | אִ֣ישׁ (ish) = man | תַּ֧חַת (tachat) = onder | גַּפְנ֛וֹ (gafno) = zijn wijnstok | וְתַ֥חַת (vetachat) = en onder | תְּאֵנָת֖וֹ (teenato) = zijn vijgenboom | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand | מַחֲרִ֑יד (macharid) = die schrik aanjaagt | כִּי (ki) = want | פִ֛י (pi) = de mond van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | דִּבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom wonen is een beeld van vrede en veiligheid. Zie ook 1 Kon. 5:5. Voetnoot : צְבָאוֹת (tsevaot), ‘legers’: Yahweh is de Aanvoerder van de hemelse legers. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’. Zie ook: 1 Kon 5:5; Jes 1:20; Jes 58:14; Ezech 39:26; Zach 3:10 **4:5** Want alle volken gaan, ieder in de naam van zijn god. Maar wij zullen gaan in de naam van Yahweh, onze Elohim, voor eeuwig en altijd. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | כָּל (kal) = alle | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = volken | יֵלְכ֕וּ (yelekhu) = gaan | אִ֖ישׁ (ish) = man | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn god | וַאֲנַ֗חְנוּ (vaanachnu) = maar wij | נֵלֵ֛ךְ (nelekh) = zullen gaan | בְּשֵׁם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לְעוֹלָ֥ם (leolam) = voor eeuwig | וָעֶֽד (vaed) = en altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵלְכוּ (yelekhu), ‘zullen gaan’, en נֵלֵךְ (nelekh), ‘wij zullen gaan’: het Hebreeuws heeft bij beide dezelfde werkwoordsvorm, die ook de toekomst kan aanduiden. Wij vertalen de volken in de tegenwoordige tijd en ‘wij’ in de toekomende tijd, omdat de volken hun eigen weg nu al gaan. Voetnoot : לְעוֹלָם וָעֶד (le’olam va’ed), ‘voor eeuwig en altijd’. Zie ook: Joz 24:15; Ps 145:1–2; Jes 2:5; Zach 10:12; Kol 3:17 ### Yahweh verzamelt de kreupele **4:6** **„Op die dag, godsspraak van Yahweh, zal Ik de kreupele verzamelen. Wie verdreven is, breng Ik bijeen, en ook wie Ik kwaad heb gedaan.** Brontekst: בַּיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֹֽסְפָה֙ (osefa) = Ik zal verzamelen | הַצֹּ֣לֵעָ֔ה (hatsolea) = de kreupele | וְהַנִּדָּחָ֖ה (vehanidacha) = en de verdrevene | אֲקַבֵּ֑צָה (aqabetsa) = Ik zal bijeenbrengen | וַאֲשֶׁ֖ר (vaasher) = en wie | הֲרֵעֹֽתִי (hareoti) = Ik kwaad heb gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten. Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt. Wij zetten de formule in rood als ze midden in Zijn woorden staat. Voetnoot : הַצֹּלֵעָה (hatsol’ah), ‘de kreupele’: de vrouw die hinkt. Zo hinkte Jakob na zijn worsteling (Gen. 32:32). Zie ook: Gen 32:32; Ps 147:2; Jes 56:8; Sef 3:19; Ezech 34:12–17; Joh 10:16 **4:7** **Ik maak van de kreupele de overgeblevenen, en van wie ver weggedreven was een machtig volk.”** En Yahweh zal koning over hen zijn op de berg Sion, van nu af en voor eeuwig. Brontekst: וְשַׂמְתִּ֤י (vesamti) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | הַצֹּֽלֵעָה֙ (hatsolea) = de kreupele | לִשְׁאֵרִ֔ית (lisherit) = tot de overgeblevenen | וְהַנַּהֲלָאָ֖ה (vehanahalaa) = en wie ver weggedreven was | לְג֣וֹי (legoy) = tot een volk | עָצ֑וּם (atsum) = machtig | וּמָלַ֨ךְ (umalakh) = en zal koning zijn | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | בְּהַ֣ר (behar) = op de berg | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | מֵעַתָּ֖ה (meata) = van nu af | וְעַד (vead) = en tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De godsspraak loopt tot ‘een machtig volk’. Vanaf ‘En Yahweh zal koning over hen zijn’ spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon; die woorden staan zwart. Dat is onzeker. Voetnoot : שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: wie na het oordeel overblijft. Zie ook 5:6. Zie ook: Jes 24:23; Mi 2:12; Mi 5:6–7; Dan 7:14; Luc 1:33 **4:8** En jij, toren van de kudde, Ofel van Dochter Sion: tot jou zal het komen. De vroegere heerschappij komt, het koningschap voor Dochter Jeruzalem. Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | מִגְדַּל (migdal) = toren van | עֵ֗דֶר (eder) = de kudde | עֹ֛פֶל (ofel) = Ofel | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | עָדֶ֣יךָ (adeikha) = tot jou | תֵּאתֶ֑ה (tete) = zal het komen | וּבָאָ֗ה (uvaa) = en zal komen | הַמֶּמְשָׁלָה֙ (hamemshala) = de heerschappij | הָרִ֣אשֹׁנָ֔ה (harishona) = de vroegere | מַמְלֶ֖כֶת (mamlekhet) = het koningschap | לְבַ֥ת (levat) = voor dochter van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ofel (Jeruzalem): De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg in Jeruzalem. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִגְדַּל־עֵדֶר (migdal-eder), ‘toren van de kudde’: zie ook Gen. 35:21. עֹפֶל (Ofel) is de heuvel van Jeruzalem ten zuiden van de tempelberg. Beide namen noemen de verheven plaats van Sion. Voetnoot : בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem als vrouw. Het woord ‘Dochter’ keert terug in vers 10 en 13. Zie ook: Gen 35:21; Jes 1:26; Mi 4:10; Mi 4:13; Dan 2:44; Zach 9:10; Zach 9:12; Openb 22:5 ### Barensweeën en bevrijding **4:9** Nu, waarom schreeuw je zo luid? Is er geen koning in jou? Of is je raadsman verloren gegaan, dat weeën je grijpen als een barende? Brontekst: עַתָּ֕ה (ata) = nu | לָ֥מָּה (lama) = waarom | תָרִ֖יעִי (tarii) = schreeuw je | רֵ֑עַ (rea) = luid | הֲמֶ֣לֶךְ (hamelekh) = is de koning | אֵֽין (ein) = er niet | בָּ֗ךְ (bakh) = in jou | אִֽם (im) = of | יוֹעֲצֵךְ֙ (yoatsekh) = je raadsman | אָבָ֔ד (avad) = is verloren gegaan | כִּֽי (ki) = dat | הֶחֱזִיקֵ֥ךְ (hecheziqekh) = zij grijpen je | חִ֖יל (chil) = weeën | כַּיּוֹלֵדָֽה (kayoleda) = als een barende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet wie de koning en de raadsman zijn. Het kan wijzen op de val van het koningshuis. Jeruzalem schreeuwt als een vrouw in barensnood. Voetnoot : אָבַד (avad), ‘verloren gaan’: zo ook in 7:2. Zie ook: Hos 10:3; Hos 13:10–11; Jes 3:1–7; Jer 8:19; Klaagl 4:20 **4:10** Kronkel je en baar, Dochter Sion, als een barende. Want nu moet je de stad uit en in het open veld wonen. Je komt tot in Babel. Daar word je bevrijd, daar verlost Yahweh je uit de hand van je vijanden. Brontekst: ח֧וּלִי (chuli) = kronkel je | וָגֹ֛חִי (vagochi) = en baar | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | כַּיּֽוֹלֵדָ֑ה (kayoleda) = als een barende | כִּֽי (ki) = want | עַתָּה֩ (ata) = nu | תֵצְאִ֨י (tetsei) = zul je uittrekken | מִקִּרְיָ֜ה (miqirya) = uit de stad | וְשָׁכַ֣נְתְּ (veshakhant) = en zul je wonen | בַּשָּׂדֶ֗ה (basade) = in het veld | וּבָ֤את (uvat) = en zul je komen | עַד (ad) = tot | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | שָׁ֣ם (sham) = daar | תִּנָּצֵ֔לִי (tinatseli) = word je bevrijd | שָׁ֚ם (sham) = daar | יִגְאָלֵ֣ךְ (yigalekh) = zal Hij je verlossen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִכַּ֖ף (mikaf) = uit de hand van | אֹיְבָֽיִךְ (oyevayikh) = je vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בָּבֶל (Bavel), ‘Babel’: Babel is hier de plaats van de ballingschap, waar de bevrijding begint. Wanneer dit zou gebeuren, noemt de tekst niet. Voetnoot : גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: de verlosser (go’el) koopt een familielid terug. Zie ook Lev. 25:25. נָצַל (natsal), ‘bevrijden’, staat eerder in dit vers. Zie ook: Lev 25:25; Hos 2:16; Hos 13:13; Jes 43:14; Jes 48:20; Jes 52:9–12 ### Volken tegen Sion **4:11** Nu zijn vele volken tegen je verzameld. Zij zeggen: „Laat haar bezoedeld worden, en laat onze ogen zich aan Sion vergapen.” Brontekst: וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | נֶאֶסְפ֥וּ (neesfu) = zijn verzameld | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = tegen jou | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | הָאֹמְרִ֣ים (haomerim) = die zeggen | תֶּחֱנָ֔ף (techenaf) = laat haar bezoedeld worden | וְתַ֥חַז (vetachaz) = en laat zien | בְּצִיּ֖וֹן (betsiyon) = op Sion | עֵינֵֽינוּ (eineinu) = onze ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: תֶּחֱנַף (techenaf), ‘bezoedeld worden’: ontwijd of verontreinigd. וְתֶחֱזֶה (vetechezeh), ‘laat kijken’: dit werkwoord betekent vaak kijken met leedvermaak; daarom ‘zich vergapen’. Zie ook: Jes 5:25–30; Mi 7:10; Jer 52:4; Klaagl 2:15–16; Ob 1:12 **4:12** Maar zij kennen de gedachten van Yahweh niet en begrijpen Zijn besluit niet. Want Hij heeft hen verzameld als schoven naar de dorsvloer. Brontekst: וְהֵ֗מָּה (vehema) = maar zij | לֹ֤א (lo) = niet | יָֽדְעוּ֙ (yadeu) = kennen | מַחְשְׁב֣וֹת (machshevot) = de gedachten van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הֵבִ֖ינוּ (hevinu) = begrijpen | עֲצָת֑וֹ (atsato) = Zijn besluit | כִּ֥י (ki) = want | קִבְּצָ֖ם (qibetsam) = Hij heeft hen verzameld | כֶּעָמִ֥יר (keamir) = als schoven | גֹּֽרְנָה (gorena) = naar de dorsvloer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָמִיר (amir), ‘schoof’: gemaaid koren. De volken denken te plunderen, maar Yahweh heeft hen verzameld als koren om te dorsen (vers 13). Zie ook: Joël 4:12–13; Jes 55:8; Mi 4:13; Jer 29:11; Luc 3:17; Rom 11:33–34 **4:13** **„Sta op en dors, Dochter Sion. Want Ik maak je hoorn van ijzer en je hoeven van brons. Je zult vele volken vermorzelen.”** Hun roof zal ik voor Yahweh aan de ban wijden, en hun bezit voor de Heer van heel de aarde. Brontekst: ק֧וּמִי (qumi) = sta op | וָד֣וֹשִׁי (vadoshi) = en dors | בַת (bat) = dochter van | צִיּ֗וֹן (tsiyon) = Sion | כִּֽי (ki) = want | קַרְנֵ֞ךְ (qarnekh) = je hoorn | אָשִׂ֤ים (asim) = Ik zal maken | בַּרְזֶל֙ (barzel) = ijzer | וּפַרְסֹתַ֨יִךְ֙ (ufarsotayikh) = en je hoeven | אָשִׂ֣ים (asim) = Ik zal maken | נְחוּשָׁ֔ה (nechusha) = brons | וַהֲדִקּ֖וֹת (vahadiqot) = en je zult vermorzelen | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | וְהַחֲרַמְתִּ֤י (vehacharamti) = en ik zal aan de ban wijden | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | בִּצְעָ֔ם (bitsam) = hun roof | וְחֵילָ֖ם (vecheilam) = en hun bezit | לַאֲד֥וֹן (laadon) = voor de Heer van | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: beeld van kracht, zoals bij een stier. פַּרְסָה (parsah), ‘hoef’: de hoeven van de dorsende os (Deut. 25:4). Voetnoot : וְהַחֲרַמְתִּי (vehacharamti), ‘en Ik zal aan de ban wijden’: de roof wordt volledig aan Yahweh gewijd. Zie Joz. 6:17. Voetnoot : Wij lezen ‘Sta op en dors’ tot ‘vermorzelen’ als woorden van Yahweh. De laatste zin spreekt over Yahweh in de derde persoon; daarom staat die zwart, als woorden van de profeet. Dat is onzeker. Zie ook: Deut 25:4; Joz 6:17; Jes 18:7; Jes 23:18; Jes 41:15–16; Dan 2:44; Openb 21:24–26 **4:14** Verzamel je nu in benden, dochter van de benden. Men heeft een beleg tegen ons gelegd. Met de stok slaan zij de rechter van Israël op de wang. Brontekst: עַתָּה֙ (ata) = nu | תִּתְגֹּדְדִ֣י (titgodedi) = verzamel je in benden | בַת (bat) = dochter van | גְּד֔וּד (gedud) = de benden | מָצ֖וֹר (matsor) = een beleg | שָׂ֣ם (sam) = heeft men gelegd | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = tegen ons | בַּשֵּׁ֨בֶט֙ (bashevet) = met de stok | יַכּ֣וּ (yaku) = zij slaan | עַֽל (al) = op | הַלְּחִ֔י (halechi) = de wang | אֵ֖ת (et) = (obj.) | שֹׁפֵ֥ט (shofet) = de rechter van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Nederlandse telling is dit vers 5:1. Hebr. 5:1–14 is NL 5:2–15. Voetnoot : תִּתְגֹּדְדִי (titgodedi), ‘verzamel je in benden’: het werkwoord kan ook ‘jezelf insnijden’ betekenen, een rouwgebruik (Deut. 14:1). Wij kiezen ‘benden’ omdat er in dit vers ook een beleg is. Voetnoot : שֹׁפֵט יִשְׂרָאֵל (shofet Yisrael), ‘de rechter van Israël’: de heerser van het volk, hier waarschijnlijk de koning. Zie ook: Job 16:10; Deut 14:1; Mi 4:5; Klaagl 3:30; Mat 26:67; Joh 18:22; Joh 19:3; Heb 5:1–14 ## Micha 5 _De heerser uit Betlehem en de overgeblevenen van Jakob_ ### Uit Betlehem komt een heerser **5:1** **„En jij, Betlehem Efrata, klein om onder de geslachten van Juda te zijn: uit jou zal voor Mij voortkomen wie heerser zal zijn over Israël. Zijn oorsprong is uit de oertijd, uit de dagen van de eeuwigheid.”** Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | בֵּֽית (beit) = huis van | לֶ֣חֶם (lechem) = brood | אֶפְרָ֗תָה (efrata) = Efrata | צָעִיר֙ (tsair) = klein | לִֽהְיוֹת֙ (lihyot) = om te zijn | בְּאַלְפֵ֣י (bealfei) = onder de geslachten van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | מִמְּךָ֙ (mimekha) = uit jou | לִ֣י (li) = voor Mij | יֵצֵ֔א (yetse) = zal voortkomen | לִֽהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | מוֹשֵׁ֖ל (moshel) = heerser | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = over Israël | וּמוֹצָאֹתָ֥יו (umotsaotav) = en zijn oorsprong | מִקֶּ֖דֶם (miqedem) = uit de oertijd | מִימֵ֥י (mimei) = uit de dagen van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: In de Nederlandse telling is dit vers 5:2. Hebr. 5:1–14 is NL 5:2–15. Voetnoot : בֵּית־לֶחֶם אֶפְרָתָה (Bet-Lechem Efrata), ‘Betlehem Efrata’: Efrata is een andere naam voor Betlehem (Gen. 35:19; 48:7). Het was een klein stadje in Juda. Voetnoot : אֲלָפִים (alafim), ‘duizenden’: het woord is ook de naam van een onderdeel van een stam, een ‘geslacht’ of ‘familie’ (zie Richt. 6:15, ‘mijn familie’). Wij vertalen hier ‘geslachten’. Voetnoot : מוֹשֵׁל (moshel), ‘heerser’: een leider met gezag. מוֹצָאֹת (motsa’ot), ‘oorsprong’: letterlijk ‘uitgangen’. Het gaat om een afkomst van lang geleden. Het Hebreeuws zegt niet wie bedoeld wordt. Zie ook Matt. 2:6. Zie ook: Gen 35:19; Gen 48:7; Gen 49:10; Re 6:15; Jes 9:5–6; Mi 5:5; Mat 2:6; Luc 1:31–33; Joh 7:42; Heb 5:1–14 **5:2** Daarom geeft Hij hen prijs, tot de tijd dat de barende heeft gebaard. Dan keert de rest van zijn broers terug naar de zonen van Israël. Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | יִתְּנֵ֔ם (yitenem) = geeft Hij hen prijs | עַד (ad) = tot | עֵ֥ת (et) = de tijd | יוֹלֵדָ֖ה (yoleda) = dat de barende | יָלָ֑דָה (yalada) = heeft gebaard | וְיֶ֣תֶר (veyeter) = en de rest van | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | יְשׁוּב֖וּן (yeshuvun) = zal terugkeren | עַל (al) = naar | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֹלֵדָה (yoledah), ‘de barende’: het Hebreeuws noemt geen naam. Vergelijk de barende Dochter Sion in 4:9–10. Zie ook Jes. 7:14. Voetnoot : יִתְּנֵם (yittenem), ‘Hij geeft hen prijs’: Yahweh laat Zijn volk een tijd in de macht van anderen. Zie ook: Jes 7:14; Mi 4:7; Mi 4:9–10; Mat 1:21; Rom 9:27–28; Openb 12:1–2 **5:3** Hij zal optreden en weiden in de kracht van Yahweh, in de majesteit van de naam van Yahweh, zijn Elohim. Zij zullen wonen, want nu zal hij groot zijn tot de einden van de aarde. Brontekst: וְעָמַ֗ד (veamad) = en hij zal staan | וְרָעָה֙ (veraa) = en weiden | בְּעֹ֣ז (beoz) = in de kracht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בִּגְא֕וֹן (bigon) = in de majesteit van | שֵׁ֖ם (shem) = de naam van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn Elohim | וְיָשָׁ֕בוּ (veyashavu) = en zij zullen wonen | כִּֽי (ki) = want | עַתָּ֥ה (ata) = nu | יִגְדַּ֖ל (yigdal) = zal hij groot zijn | עַד (ad) = tot | אַפְסֵי (afsei) = de einden van | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְרָעָה (vera’ah), ‘en hij zal weiden’: de heerser is een herder voor zijn volk. Hetzelfde werkwoord staat in vers 5. Wij schrijven ‘hij’ en ‘zijn’ met een kleine letter voor deze heerser. Voetnoot : וְיָשָׁבוּ (veyashavu), ‘en zij zullen wonen’: het werkwoord kan ook ‘blijven wonen’ betekenen. Zie ook: Ps 23:1–2; Jes 40:10–11; Mi 5:5; Mi 7:14; Luc 1:32; Openb 11:15 **5:4** Deze zal vrede zijn. Wanneer Assyrië ons land binnenkomt en wanneer het onze paleizen betreedt, stellen wij zeven herders tegen hem op, en acht vorsten van de mensen. Brontekst: וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | זֶ֖ה (ze) = deze | שָׁל֑וֹם (shalom) = vrede | אַשּׁ֣וּר (ashur) = Assyrië | כִּֽי (ki) = wanneer | יָב֣וֹא (yavo) = het komt | בְאַרְצֵ֗נוּ (beartsenu) = in ons land | וְכִ֤י (vekhi) = en wanneer | יִדְרֹךְ֙ (yidrokh) = het betreedt | בְּאַרְמְנֹתֵ֔ינוּ (bearmenoteinu) = onze paleizen | וַהֲקֵמֹ֤נוּ (vahaqemonu) = dan stellen wij op | עָלָיו֙ (alav) = tegen hem | שִׁבְעָ֣ה (shiva) = zeven | רֹעִ֔ים (roim) = herders | וּשְׁמֹנָ֖ה (ushemona) = en acht | נְסִיכֵ֥י (nesikhei) = vorsten van | אָדָֽם (adam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: זֶה שָׁלוֹם (zeh shalom), ‘deze zal vrede zijn’: de heerser zelf is de vrede. Voetnoot : Assyrië is de grote macht van de tijd van Micha. ‘Zeven … acht’ is een beeld voor ‘meer dan genoeg’, zoals ‘drie … vier’ in Amos 1:3. Voetnoot : נְסִיכֵי אָדָם (nesikhe adam), ‘vorsten van de mensen’: leiders uit het volk. Zie ook: Job 5:19; Amos 1:3; Zach 9:10; Zach 10:3; Luc 2:14; Joh 14:27 **5:5** Zij zullen het land Assyrië weiden met het zwaard, en het land van Nimrod bij zijn poorten. Hij zal ons bevrijden van Assyrië, wanneer het ons land binnenkomt en wanneer het onze grenzen betreedt. Brontekst: וְרָע֞וּ (verau) = en zij zullen weiden | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֤רֶץ (erets) = het land | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | בַּחֶ֔רֶב (bacherev) = met het zwaard | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | נִמְרֹ֖ד (nimrod) = Nimrod | בִּפְתָחֶ֑יהָ (biftacheiha) = bij zijn poorten | וְהִצִּיל֙ (vehitsil) = en hij zal bevrijden | מֵֽאַשּׁ֔וּר (meashur) = van Assyrië | כִּֽי (ki) = wanneer | יָב֣וֹא (yavo) = het komt | בְאַרְצֵ֔נוּ (beartsenu) = in ons land | וְכִ֥י (vekhi) = en wanneer | יִדְרֹ֖ךְ (yidrokh) = het betreedt | בִּגְבוּלֵֽנוּ (bigvulenu) = onze grenzen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אֶרֶץ נִמְרֹד (erets Nimrod), ‘het land van Nimrod’: de streek die Nimrod beheerste, Babel en Assur (Gen. 10:8–12). Hier is het een naam voor Assyrië. Voetnoot : בִּפְתָחֶיהָ (bifticheha), ‘bij zijn poorten’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘met getrokken zwaard’ zijn. Zie ook: Gen 10:8–11; 2 Kon 15:29; Jes 10:5–12; Jes 14:25; Luc 1:74 ### De overgeblevenen van Jakob **5:6** De overgeblevenen van Jakob zullen te midden van vele volken zijn als dauw van Yahweh, als regenbuien op het gras. Die wachten niet op een man en hopen niet op de mensenkinderen. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en zal zijn | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = de overgeblevenen van | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | בְּקֶ֨רֶב֙ (beqerev) = te midden van | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | כְּטַל֙ (ketal) = als dauw | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּרְבִיבִ֖ים (kirvivim) = als regenbuien | עֲלֵי (alei) = op | עֵ֑שֶׂב (esev) = gras | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְקַוֶּה֙ (yeqave) = wacht | לְאִ֔ישׁ (leish) = op een man | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְיַחֵ֖ל (yeyachel) = hoopt | לִבְנֵ֥י (livnei) = op de zonen van | אָדָֽם (adam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית יַעֲקֹב (she’erit Ya’aqov), ‘de overgeblevenen van Jakob’: wie van het volk na het oordeel overblijft. Voetnoot : De dauw en de regen hangen niet van mensen af: zo komt de zegen alleen van Yahweh. Zie ook: Deut 32:2; Ps 72:6; Hos 14:6; Jes 44:3; Mi 5:2 **5:7** De overgeblevenen van Jakob zullen onder de volken zijn, te midden van vele volken. Zij zullen zijn als een leeuw onder de dieren van het woud, als een jonge leeuw tussen de kudden schapen. Wanneer hij erdoor trekt, vertrapt hij en verscheurt hij, en niemand bevrijdt. Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en zal zijn | שְׁאֵרִ֨ית (sheerit) = de overgeblevenen van | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | בַּגּוֹיִ֗ם (bagoyim) = onder de volken | בְּקֶ֨רֶב֙ (beqerev) = te midden van | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | כְּאַרְיֵה֙ (kearye) = als een leeuw | בְּבַהֲמ֣וֹת (bevahamot) = onder de dieren van | יַ֔עַר (yaar) = het woud | כִּכְפִ֖יר (kikhfir) = als een jonge leeuw | בְּעֶדְרֵי (beedrei) = tussen de kudden van | צֹ֑אן (tson) = schapen | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אִם (im) = als | עָבַ֛ר (avar) = hij trekt erdoor | וְרָמַ֥ס (veramas) = en vertrapt | וְטָרַ֖ף (vetaraf) = en verscheurt | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַצִּֽיל (matsil) = die bevrijdt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: een sterk dier. De overgeblevenen zijn een gevaar voor de volken; in vers 6 zijn zij een zegen. Beide beelden horen bij elkaar. Zie ook: Hos 5:14; Mi 4:13; Mi 5:6; Ob 1:18–19; Zach 9:15; Zach 10:5 **5:8** Je hand zal verheven zijn boven je tegenstanders, en al je vijanden zullen worden uitgeroeid. Brontekst: תָּרֹ֥ם (tarom) = zal verheven zijn | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | עַל (al) = boven | צָרֶ֑יךָ (tsareikha) = je tegenstanders | וְכָל (vekhal) = en al | אֹיְבֶ֖יךָ (oyeveikha) = je vijanden | יִכָּרֵֽתוּ (yikaretu) = zullen worden uitgeroeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 10:12; Ps 21:9; Jes 11:14; Jes 14:2–4; Jes 26:11 ### Yahweh zuivert Zijn volk **5:9** **„Het zal gebeuren op die dag, godsspraak van Yahweh: Ik roei je paarden uit je midden uit en vernietig je wagens.** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | בַיּוֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | סוּסֶ֖יךָ (suseikha) = je paarden | מִקִּרְבֶּ֑ךָ (miqirbekha) = uit je midden | וְהַאֲבַדְתִּ֖י (vehaavadti) = en Ik zal vernietigen | מַרְכְּבֹתֶֽיךָ (markevoteikha) = je wagens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh zelf tot en met vers 14. De woorden staan rood. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie 4:6. Zie ook: Ps 20:8–9; Ps 33:16–17; Hos 14:4; Jes 2:7; Mi 5:14; Zach 9:10 **5:10** **Ik roei de steden van je land uit en breek al je vestingen af.** Brontekst: וְהִכְרַתִּ֖י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | אַרְצֶ֑ךָ (artsekha) = je land | וְהָרַסְתִּ֖י (veharasti) = en Ik zal afbreken | כָּל (kal) = al | מִבְצָרֶֽיךָ (mivtsareikha) = je vestingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Amos 5:9; Jes 2:12–17; Jes 6:11; Ezech 38:11; Zach 4:6 **5:11** **Ik roei de toverijen uit je hand uit, en je zult geen waarzeggers hebben.** Brontekst: וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | כְשָׁפִ֖ים (keshafim) = toverijen | מִיָּדֶ֑ךָ (miyadekha) = uit je hand | וּֽמְעוֹנְנִ֖ים (umeonenim) = en waarzeggers | לֹ֥א (lo) = niet | יִֽהְיוּ (yihyu) = zullen zijn | לָֽךְ (lakh) = bij jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּשָׁפִים (keshafim), ‘toverijen’, en מְעוֹנְנִים (me’onenim), ‘waarzeggers’: beide zijn verboden in Deut. 18:10–11. Zie ook: Deut 18:10–12; Jes 2:20; Jes 8:19–20; Openb 19:20; Openb 22:15 **5:12** **Ik roei je gesneden beelden en je gewijde stenen uit je midden uit. Je zult je niet meer buigen voor het werk van je handen.** Brontekst: וְהִכְרַתִּ֧י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | פְסִילֶ֛יךָ (pesileikha) = je gesneden beelden | וּמַצֵּבוֹתֶ֖יךָ (umatsevoteikha) = en je gewijde stenen | מִקִּרְבֶּ֑ךָ (miqirbekha) = uit je midden | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִשְׁתַּחֲוֶ֥ה (tishtachave) = zul je je neerbuigen | ע֖וֹד (od) = meer | לְמַעֲשֵׂ֥ה (lemaase) = voor het werk van | יָדֶֽיךָ (yadeikha) = je handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּסִילִים (pesilim), ‘gesneden beelden’, en מַצֵּבוֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: afgodendienst die Yahweh uit het volk verwijdert. Zie ook Deut. 7:5. Zie ook: Deut 7:5; Hos 14:9; Jes 2:8; Ezech 6:9; Ezech 36:25; Ezech 37:23 **5:13** **Ik ruk je heilige palen uit je midden los en vernietig je steden.** Brontekst: וְנָתַשְׁתִּ֥י (venatashti) = en Ik zal uitrukken | אֲשֵׁירֶ֖יךָ (asheireikha) = je heilige palen | מִקִּרְבֶּ֑ךָ (miqirbekha) = uit je midden | וְהִשְׁמַדְתִּ֖י (vehishmadti) = en Ik zal vernietigen | עָרֶֽיךָ (areikha) = je steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen bij een heiligdom, zoals in 2 Kon. 18:4. Voetnoot Lezing: עָרֶיךָ (areykha), ‘je steden’: sommige oude vertalingen lezen anders. De Masoretische tekst heeft ‘je steden’, en dat volgen wij. Zie ook: Ex 34:13; 2 Kon 18:4 **5:14** **Ik zal in toorn en woede wraak nemen op de volken die niet hebben geluisterd.”** Brontekst: וְעָשִׂ֜יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | בְּאַ֧ף (beaf) = in toorn | וּבְחֵמָ֛ה (uvechema) = en in woede | נָקָ֖ם (naqam) = wraak | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁמֵֽעוּ (shameu) = hebben geluisterd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָקָם (naqam), ‘wraak’: Yahweh brengt het recht terug. Het gaat om de volken die niet hebben geluisterd naar Hem. Zie ook: Ps 149:7; Jes 65:12; Mi 5:7; 2 Tess 1:8 ## Micha 6 _De rechtszaak van Yahweh tegen Zijn volk_ ### De rechtszaak van Yahweh **6:1** Hoor toch wat Yahweh zegt: **„Sta op, voer de rechtszaak voor de bergen, en laat de heuvels je stem horen.”** Brontekst: שִׁמְעוּ (shimu) = hoort | נָ֕א (na) = toch | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֹמֵ֑ר (omer) = zegt | ק֚וּם (qum) = sta op | רִ֣יב (riv) = voer een rechtszaak | אֶת (et) = voor | הֶהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | וְתִשְׁמַ֥עְנָה (vetishmana) = en laat horen | הַגְּבָע֖וֹת (hagevaot) = de heuvels | קוֹלֶֽךָ (qolekha) = je stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִיב (riv), ‘rechtszaak’: Yahweh treedt op als aanklager tegen Zijn volk. Het woord keert terug in vers 2. Voetnoot : אֵת (et) in ‘voor de bergen’ kan ‘met’ of ‘voor’ betekenen. Wij nemen aan dat de bergen de getuigen zijn. Voetnoot : ‘Hoor toch wat Yahweh zegt’ is van de profeet en staat zwart. Wat Yahweh dan zegt, staat rood, hoewel er geen ‘Ik’ in vers 1 staat. Dat is onzeker. Zie ook: Deut 32:1; Ps 50:4; Mi 1:2; Mi 6:2; Jer 22:29; Ezech 36:1 **6:2** Hoor de rechtszaak van Yahweh, bergen, en jullie, duurzame grondvesten van de aarde. Want Yahweh heeft een rechtszaak met Zijn volk, en Hij zal met Israël redetwisten. Brontekst: שִׁמְע֤וּ (shimu) = hoort | הָרִים֙ (harim) = bergen | אֶת (et) = (obj.) | רִ֣יב (riv) = de rechtszaak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָאֵתָנִ֖ים (vehaetanim) = en jullie duurzame | מֹ֣סְדֵי (mosedei) = grondvesten van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | כִּ֣י (ki) = want | רִ֤יב (riv) = een rechtszaak | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | עִם (im) = met | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | וְעִם (veim) = en met | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יִתְוַכָּֽח (yitvakach) = zal Hij redetwisten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֵתָנִים (ha’etanim), ‘de duurzame’: wat standhoudt en niet wankelt. De bergen zijn de vaste grondvesten van de aarde. Voetnoot : וְיִתְוַכָּח (veyitvakkach), ‘en Hij zal redetwisten’: Hij brengt Zijn zaak naar voren en wijst terecht. Zie ook: 2 Sam 22:8; Hos 4:1; Hos 12:3; Jes 1:18; Jer 2:9 **6:3** **„Mijn volk, wat heb Ik jou gedaan, en waarmee heb Ik je vermoeid? Getuig tegen Mij.** Brontekst: עַמִּ֛י (ami) = mijn volk | מֶה (me) = wat | עָשִׂ֥יתִי (asiti) = heb Ik gedaan | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | וּמָ֣ה (uma) = en waarmee | הֶלְאֵתִ֑יךָ (heletikha) = heb Ik je vermoeid | עֲנֵ֥ה (ane) = getuig | בִּֽי (bi) = tegen Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲנֵה בִי (aneh vi), ‘getuig tegen Mij’: het werkwoord ענה (anah) betekent ‘antwoorden’ en ook ‘getuigen’. Het volk mag Yahweh beschuldigen, als het kan. Zie ook: Ps 50:7; Ps 81:14; Jes 43:22–23; Jer 2:5; Jer 2:31 **6:4** **Want Ik heb je uit het land Egypte laten optrekken en uit het slavenhuis heb Ik je vrijgekocht. Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam voor je uit gezonden.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | הֶעֱלִתִ֨יךָ֙ (heelitikha) = Ik heb je laten optrekken | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וּמִבֵּ֥ית (umibeit) = en uit het huis van | עֲבָדִ֖ים (avadim) = slaven | פְּדִיתִ֑יךָ (peditikha) = Ik heb je vrijgekocht | וָאֶשְׁלַ֣ח (vaeshlach) = en Ik heb gezonden | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je uit | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | וּמִרְיָֽם (umiryam) = en Mirjam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בֵּית עֲבָדִים (beit avadim), ‘slavenhuis’: zo ook Deut. 7:8. פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’: de slaaf wordt losgekocht. Voetnoot : Mirjam wordt hier genoemd naast Mozes en Aäron. Zie Exod. 15:20. Zie ook: Ex 12:51; Ex 15:20–21; Deut 7:8; Ps 136:10–11; Jes 63:9–12 **6:5** **Mijn volk, denk toch terug aan wat Balak, de koning van Moab, beraamde, en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde. Denk aan de tocht van Sittim tot Gilgal, zodat je de daden van gerechtigheid van Yahweh leert kennen.”** Brontekst: עַמִּ֗י (ami) = mijn volk | זְכָר (zekhar) = gedenk | נָא֙ (na) = toch | מַה (ma) = wat | יָּעַ֗ץ (yaats) = beraamde | בָּלָק֙ (balaq) = Balak | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וּמֶה (ume) = en wat | עָנָ֥ה (ana) = antwoordde | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בִּלְעָ֣ם (bilam) = Bileam | בֶּן (ben) = zoon van | בְּע֑וֹר (beor) = Beor | מִן (min) = van | הַשִּׁטִּים֙ (hashitim) = Sittim | עַד (ad) = tot | הַגִּלְגָּ֔ל (hagilgal) = Gilgal | לְמַ֕עַן (lemaan) = opdat | דַּ֖עַת (daat) = je kent | צִדְק֥וֹת (tsidqot) = de daden van gerechtigheid van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Sittim: Sittim (Abel-Sittim) lag op de vlakte ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie Gilgal (bij Jericho; ligging onzeker): Gilgal was het eerste kamp van Israël in het land, ten oosten van Jericho (Jozua 4:19). De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Balak, de koning van Moab, liet Bileam het volk vervloeken. Yahweh keerde de vloek in een zegen (Num. 22–24). Sittim is de plaats waar Israël toen kampeerde (Num. 25:1). Gilgal is de plaats waar het volk na de Jordaan kampeerde (Joz. 4:19). Het Hebreeuws zegt alleen ‘van Sittim tot Gilgal’; wij vullen ‘denk aan de tocht’ aan. Het is de tocht over de Jordaan. Voetnoot : צִדְקוֹת יְהוָה (tsidqot Yahweh), ‘de daden van gerechtigheid van Yahweh’: het meervoud noemt Zijn rechtvaardige daden voor Zijn volk. Zo ook Richt. 5:11 en 1 Sam. 12:7. Zie ook: Num 25:1; Joz 4:19; Joz 5:9–10; Re 5:11; 1 Sam 12:7; 2 Petr 2:15 ### Wat vraagt Yahweh? **6:6** Waarmee zal ik Yahweh tegemoet treden en mij buigen voor de Elohim in de hoogte? Zal ik Hem tegemoet treden met brandoffers, met eenjarige kalveren? Brontekst: בַּמָּה֙ (bama) = waarmee | אֲקַדֵּ֣ם (aqadem) = zal ik tegemoet treden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִכַּ֖ף (ikaf) = zal ik mij buigen | לֵאלֹהֵ֣י (lelohei) = voor de Elohim van | מָר֑וֹם (marom) = de hoogte | הַאֲקַדְּמֶ֣נּוּ (haaqademenu) = zal ik Hem tegemoet treden | בְעוֹל֔וֹת (beolot) = met brandoffers | בַּעֲגָלִ֖ים (baagalim) = met kalveren | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | שָׁנָֽה (shana) = een jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt iemand van het volk. De tekst zegt niet wie. Daarom staan er geen aanhalingstekens. Voetnoot : אֱלֹהֵי מָרוֹם (Elohe marom), ‘de Elohim in de hoogte’: dezelfde Elohim als Yahweh. Voetnoot : עוֹלוֹת (olot), ‘brandoffers’: zie Lev. 1. Zie ook: Ps 40:7–9; Ps 51:18–19; Dan 3:26; Hand 2:37; Rom 10:2–3 **6:7** Heeft Yahweh behagen in duizenden rammen, in tienduizenden stromen olie? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn buik voor de zonde van mijn ziel? Brontekst: הֲיִרְצֶ֤ה (hayirtse) = heeft behagen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּאַלְפֵ֣י (bealfei) = aan duizenden | אֵילִ֔ים (eilim) = rammen | בְּרִֽבְב֖וֹת (berivvot) = aan tienduizenden | נַֽחֲלֵי (nachalei) = stromen van | שָׁ֑מֶן (shamen) = olie | הַאֶתֵּ֤ן (haeten) = zal ik geven | בְּכוֹרִי֙ (bekhori) = mijn eerstgeborene | פִּשְׁעִ֔י (pishi) = voor mijn overtreding | פְּרִ֥י (peri) = de vrucht van | בִטְנִ֖י (bitni) = mijn buik | חַטַּ֥את (chatat) = voor de zonde van | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vraag gaat steeds verder: van dieren naar olie, en dan naar de eerstgeborene. Het offeren van kinderen is verboden (Deut. 18:10). Het antwoord staat in vers 8. Voetnoot : נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: het gaat om het leven van de spreker zelf. Zie ook: Deut 18:10; 1 Sam 15:22; Ps 50:9; Ps 51:18; 2 Kon 16:3; Hos 6:6; Mi 6:8 **6:8** Hij heeft je bekendgemaakt, mens, wat goed is. Wat vraagt Yahweh van je, behalve recht te doen, trouw lief te hebben en bescheiden te wandelen met je Elohim? Brontekst: הִגִּ֥יד (higid) = Hij heeft bekendgemaakt | לְךָ֛ (lekha) = aan jou | אָדָ֖ם (adam) = mens | מַה (ma) = wat | טּ֑וֹב (tov) = goed | וּמָֽה (uma) = en wat | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | דּוֹרֵ֣שׁ (doresh) = vraagt | מִמְּךָ֗ (mimekha) = van jou | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | עֲשׂ֤וֹת (asot) = te doen | מִשְׁפָּט֙ (mishpat) = recht | וְאַ֣הֲבַת (veahavat) = en liefhebben | חֶ֔סֶד (chesed) = trouw | וְהַצְנֵ֥עַ (vehatsnea) = en bescheiden | לֶ֖כֶת (lekhet) = te wandelen | עִם (im) = met | אֱלֹהֶֽיךָ (eloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲשׂוֹת מִשְׁפָּט (asot mishpat), ‘recht doen’, אַהֲבַת חֶסֶד (ahavat chesed), ‘trouw liefhebben’, en הַצְנֵעַ לֶכֶת (hatsne’a lekhet), ‘bescheiden wandelen’: het woord ‘bescheiden’ komt maar zelden voor. Het betekent niet hoogmoedig zijn. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Hij’ is. Wij bedoelen Yahweh. Zie ook: Deut 10:12–13; Spr 21:3; Hos 6:6; Jer 22:3; Kol 3:12 ### De stem van Yahweh roept tot de stad **6:9** De stem van Yahweh roept tot de stad, en degelijk beleid ziet Uw naam. Hoor de stok, en wie hem heeft bestemd. Brontekst: ק֤וֹל (qol) = stem van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לָעִ֣יר (lair) = tot de stad | יִקְרָ֔א (yiqra) = roept | וְתוּשִׁיָּ֖ה (vetushiya) = en degelijk beleid | יִרְאֶ֣ה (yire) = ziet | שְׁמֶ֑ךָ (shemekha) = Uw naam | שִׁמְע֥וּ (shimu) = hoort | מַטֶּ֖ה (mate) = de stok | וּמִ֥י (umi) = en wie | יְעָדָֽהּ (yeadah) = heeft hem bestemd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוּשִׁיָּה (tushiyyah), ‘degelijk beleid’: zoals in Spr. 2:7. מַטֶּה (matteh), ‘stok’: het straffende middel. Ook ‘stam’ is mogelijk. Voetnoot Lezing: Dit vers is moeilijk. Wij lezen ‘Uw naam’ als een zin van de profeet tot Yahweh. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Spr 2:7; Hos 14:10; Jes 26:11; Jes 30:27; Sef 3:2; Openb 3:19 **6:10** **„Is er nog in het huis van de goddeloze een schat van goddeloosheid en een te kleine efa, vervloekt?** Brontekst: ע֗וֹד (od) = nog | הַאִשׁ֙ (haish) = is er | בֵּ֣ית (beit) = huis van | רָשָׁ֔ע (rasha) = de goddeloze | אֹצְר֖וֹת (otserot) = schatten van | רֶ֑שַׁע (resha) = goddeloosheid | וְאֵיפַ֥ת (veeifat) = en een efa van | רָז֖וֹן (razon) = te klein | זְעוּמָֽה (zeuma) = vervloekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֵשׁ (ha’esh), ‘het vuur’ of ‘is er nog’: het woord is moeilijk. Wij lezen het als een vraag ‘is er nog’. Voetnoot : אֵיפַת רָזוֹן (efat razon), ‘een te kleine efa’: de efa is een inhoudsmaat (ongeveer 22 liter). Bij een kleinere maat krijgt de koper minder dan hij betaalt. Zie Lev. 19:35–36. Voetnoot : Vanaf vers 10 laten wij het rood doorlopen tot het eind van het hoofdstuk, als één godsspraak. In 10 en 12 staat geen ‘Ik’. Dat is onzeker. Zie ook: Lev 19:35–36; Spr 20:10; Spr 21:6; Amos 3:10; Amos 8:5–6; Jer 5:26–27 **6:11** **Kan Ik zuiver zijn met een weegschaal van goddeloosheid en met een zak vol gewichten van bedrog?** Brontekst: הַאֶזְכֶּ֖ה (haezke) = kan Ik zuiver zijn | בְּמֹ֣אזְנֵי (bemoznei) = met een weegschaal van | רֶ֑שַׁע (resha) = goddeloosheid | וּבְכִ֖יס (uvekhis) = en met een zak van | אַבְנֵ֥י (avnei) = gewichten van | מִרְמָֽה (mirma) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַבְנֵי מִרְמָה (avne mirmah), ‘stenen van bedrog’: gewichten van steen, waarmee de verkoper het gewicht vervalst (Deut. 25:13–16). Zie ook: Lev 19:36; Deut 25:13–16; Spr 16:11; Hos 12:8 **6:12** **Haar rijken zijn vol van geweld, haar bewoners spreken leugens, en hun tong is bedrog in hun mond.** Brontekst: אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarvan | עֲשִׁירֶ֨יהָ֙ (ashireiha) = haar rijken | מָלְא֣וּ (maleu) = zijn vol van | חָמָ֔ס (chamas) = geweld | וְיֹשְׁבֶ֖יהָ (veyosheveiha) = en haar bewoners | דִּבְּרוּ (diberu) = spreken | שָׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | וּלְשׁוֹנָ֖ם (uleshonam) = en hun tong | רְמִיָּ֥ה (remiya) = bedrog | בְּפִיהֶֽם (befihem) = in hun mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָמָס (chamas), ‘geweld’: onrecht tegenover anderen. Zie ook Amos 3:10. Zie ook: Amos 3:10; Hos 7:13; Jes 1:23; Jes 3:8; Mi 2:1–2; Jer 9:7 ### Het oordeel **6:13** **Ook Ik heb je ziek gemaakt door je te slaan, door je te verwoesten om je zonden.** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֖י (ani) = Ik | הֶחֱלֵ֣יתִי (hecheleiti) = heb ziek gemaakt | הַכּוֹתֶ֑ךָ (hakotekha) = door je te slaan | הַשְׁמֵ֖ם (hashmem) = door te verwoesten | עַל (al) = vanwege | חַטֹּאתֶֽךָ (chatotekha) = je zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחֱלֵיתִי (hecheleti), ‘Ik heb ziek gemaakt’: het werkwoord kan ook ‘Ik ben begonnen’ betekenen. Wij kiezen ‘ziek maken’. Zie ook: Lev 26:16; Deut 28:21–22; Ps 107:17–18; Hos 14:1; Hand 12:23 **6:14** **Jij zult eten, maar niet verzadigd worden. Je leegte blijft in je binnenste. Je zult wegbrengen, maar niet in veiligheid brengen. En wat je in veiligheid brengt, geef Ik aan het zwaard.** Brontekst: אַתָּ֤ה (ata) = jij | תֹאכַל֙ (tokhal) = zult eten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִשְׂבָּ֔ע (tisba) = zult verzadigd worden | וְיֶשְׁחֲךָ֖ (veyeshchakha) = en je leegte | בְּקִרְבֶּ֑ךָ (beqirbekha) = in je binnenste | וְתַסֵּג֙ (vetaseg) = en je zult verplaatsen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַפְלִ֔יט (taflit) = in veiligheid brengen | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | תְּפַלֵּ֖ט (tefalet) = je in veiligheid brengt | לַחֶ֥רֶב (lacherev) = aan het zwaard | אֶתֵּֽן (eten) = geef Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶשְׁחֲךָ (yeshchakha), ‘je leegte’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘je honger’ of ‘je zwakte’ zijn. Voetnoot : Het vloekbeeld van eten zonder verzadigd te worden en zaaien zonder oogsten staat ook in Lev. 26:26 en Deut. 28:38–40. Zie ook: Lev 26:26; Deut 28:38–40; Hos 4:10; Jes 30:6; Jes 65:13; Ezech 4:16–17 **6:15** **Jij zult zaaien, maar niet oogsten. Jij zult olijven treden, maar je niet met olie zalven. Jij zult most persen, maar geen wijn drinken.** Brontekst: אַתָּ֥ה (ata) = jij | תִזְרַ֖ע (tizra) = zult zaaien | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִקְצ֑וֹר (tiqtsor) = zult oogsten | אַתָּ֤ה (ata) = jij | תִדְרֹֽךְ (tidrokh) = zult treden | זַ֨יִת֙ (zayit) = olijf | וְלֹא (velo) = en niet | תָס֣וּךְ (tasukh) = zult zalven | שֶׁ֔מֶן (shemen) = olie | וְתִיר֖וֹשׁ (vetirosh) = en most | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִשְׁתֶּה (tishte) = zult drinken | יָּֽיִן (yayin) = wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’: druivensap dat nog niet gegist is. Het vloekbeeld is dat men zaait, perst en oogst, maar niet geniet. Zie ook Deut. 28:39–40. Zie ook: Deut 28:38–40; Deut 28:39–40; Amos 5:11; Sef 1:13; Jer 12:13; Hag 1:6 **6:16** **Men houdt de voorschriften van Omri en al het werk van het huis van Achab, en jullie wandelen in hun plannen. Zo maak Ik je tot een verwoesting en haar bewoners tot een voorwerp van gesis. De smaad van Mijn volk zullen jullie dragen.”** Brontekst: וְיִשְׁתַּמֵּ֞ר (veyishtamer) = en wordt gehouden | חֻקּ֣וֹת (chuqot) = de voorschriften van | עָמְרִ֗י (ameri) = Omri | וְכֹל֙ (vekhol) = en al | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = het werk van | בֵית (beit) = het huis van | אַחְאָ֔ב (achav) = Achab | וַתֵּלְכ֖וּ (vatelekhu) = en jullie wandelen | בְּמֹֽעֲצוֹתָ֑ם (bemoatsotam) = in hun plannen | לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | תִּתִּ֨י (titi) = Ik zal maken | אֹתְךָ֜ (otekha) = jou | לְשַׁמָּ֗ה (leshama) = tot verwoesting | וְיֹשְׁבֶ֨יהָ֙ (veyosheveiha) = en haar bewoners | לִשְׁרֵקָ֔ה (lishreqa) = tot gesis | וְחֶרְפַּ֥ת (vecherpat) = en de smaad van | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | תִּשָּֽׂאוּ (tisau) = zullen jullie dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Omri en Achab waren koningen van Israël (1 Kon. 16:25–26; 16:30–33). Hun ‘voorschriften’ en ‘plannen’ zijn de afgoderij en het onrecht van hun huis. Voetnoot : שְׁרֵקָה (shereqah), ‘gesis’: men sist of fluit over een ruïne uit schrik en spot. Voetnoot Lezing: ‘Mijn volk’ (ammi): sommige oude vertalingen lezen ‘volken’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 44:14; 1 Kon 16:25–33; 1 Kon 16:30; Jes 25:8; Jer 7:24; Jer 51:51 ## Micha 7 _Klacht van de profeet, vertrouwen op Yahweh en de lofzang op Zijn vergeving_ ### Wee mij **7:1** Wee mij! Want ik ben geworden als bij het inzamelen van het zomerfruit, als bij de nalezing van de druivenoogst. Er is geen tros om te eten, geen eerste vijg waar mijn ziel naar verlangt. Brontekst: אַ֣לְלַי (allay) = wee | לִ֗י (li) = mij | כִּ֤י (ki) = want | הָיִ֨יתִי֙ (hayiti) = ben ik geworden | כְּאָסְפֵּי (keaspei) = als bij het inzamelen van | קַ֔יִץ (qayits) = zomerfruit | כְּעֹלְלֹ֖ת (keolelot) = als bij de nalezing van | בָּצִ֑יר (batsir) = de druivenoogst | אֵין (ein) = er is geen | אֶשְׁכּ֣וֹל (eshkol) = tros | לֶאֱכ֔וֹל (leekhol) = om te eten | בִּכּוּרָ֖ה (bikura) = eerste vijg | אִוְּתָ֥ה (iveta) = verlangt | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַיִץ (qayits), ‘zomerfruit’: zie ook Amos 8:1. De spreker is als iemand die na de oogst door de wijngaard gaat en niets meer vindt. Voetnoot : בִּכּוּרָה (bikkurah), ‘eerste vijg’: een vijg die als eerste rijp wordt. Dit is een lekkernij. Zie ook: Amos 8:1; Hos 9:10; Jes 17:6; Jes 24:13; Jes 28:4; Jer 4:31 **7:2** De trouwe is uit het land verloren gegaan, en er is geen oprechte meer onder de mensen. Allen liggen op de loer voor bloed. Ieder jaagt op zijn broer met een net. Brontekst: אָבַ֤ד (avad) = is verloren gegaan | חָסִיד֙ (chasid) = de trouwe | מִן (min) = uit | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְיָשָׁ֥ר (veyashar) = en oprechte | בָּאָדָ֖ם (baadam) = onder de mensen | אָ֑יִן (ayin) = er is geen | כֻּלָּם֙ (kulam) = allen | לְדָמִ֣ים (ledamim) = op bloed | יֶאֱרֹ֔בוּ (yeerovu) = liggen op de loer | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | אָחִ֖יהוּ (achihu) = zijn broer | יָצ֥וּדוּ (yatsudu) = jagen zij | חֵֽרֶם (cherem) = met een net Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָסִיד (chasid), ‘de trouwe’: iemand die trouw (חֶסֶד, chesed) toont aan Yahweh en aan zijn naaste. Voetnoot : חֵרֶם (cherem), ‘net’: hier is het een jachtnet. Elders is het woord ‘ban’ (zie 4:13). Zie ook: Ps 12:2; Ps 14:1–3; Jes 57:1; Jes 59:7; Jer 5:26 **7:3** Hun handen zijn op het kwaad gericht, om het goed uit te voeren. De vorst eist, en de rechter oordeelt tegen betaling. De grote, hijzelf, spreekt de begeerte van zijn ziel uit, en zij vlechten het ineen. Brontekst: עַל (al) = op | הָרַ֤ע (hara) = het kwaad | כַּפַּ֨יִם֙ (kapayim) = handen | לְהֵיטִ֔יב (leheitiv) = om goed te doen | הַשַּׂ֣ר (hasar) = de vorst | שֹׁאֵ֔ל (shoel) = eist | וְהַשֹּׁפֵ֖ט (vehashofet) = en de rechter | בַּשִׁלּ֑וּם (bashilum) = tegen betaling | וְהַגָּד֗וֹל (vehagadol) = en de grote | דֹּבֵ֨ר (dover) = spreekt | הַוַּ֥ת (havat) = de begeerte van | נַפְשׁ֛וֹ (nafsho) = zijn ziel | ה֖וּא (hu) = hij | וַֽיְעַבְּתֽוּהָ (vayabetuha) = en zij vlechten het ineen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk en de betekenis is niet zeker. Het gaat om machthebbers die samen onrecht doen. Voetnoot : בְּשִׁלּוּם (beshillum), ‘tegen betaling’: het Hebreeuws heeft ‘in vrede’ of ‘voor een beloning’. Wij lezen omkoping. Dat is onzeker. Voetnoot : הַוַּת נַפְשׁוֹ (havvat nafsho), ‘de begeerte van zijn ziel’: wat hij wil hebben, ook als het onrecht is. Zie ook: Spr 4:16–17; Amos 5:12; Mi 3:11; Jer 8:10; 1 Kor 4:5 **7:4** Hun beste is als een doornstruik, de oprechtste is erger dan een doornhaag. De dag van je wachters, je bestraffing, is gekomen. Nu zal hun verwarring er zijn. Brontekst: טוֹבָ֣ם (tovam) = hun beste | כְּחֵ֔דֶק (kechedeq) = als een doornstruik | יָשָׁ֖ר (yashar) = de oprechte | מִמְּסוּכָ֑ה (mimesukha) = dan een doornhaag | י֤וֹם (yom) = de dag van | מְצַפֶּ֨יךָ֙ (metsapeikha) = je wachters | פְּקֻדָּתְךָ֣ (pequdatekha) = je bestraffing | בָ֔אָה (baa) = is gekomen | עַתָּ֥ה (ata) = nu | תִהְיֶ֖ה (tihye) = zal zijn | מְבוּכָתָֽם (mevukhatam) = hun verwarring Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶדֶק (chedeq), ‘doornstruik’, en מְסוּכָה (mesukhah), ‘doornhaag’: stekelige planten. Het beeld is dat zelfs de beste mensen pijn doen. Voetnoot : מְצַפֶּיךָ (metsappeykha), ‘je wachters’: de profeten, die Israël waarschuwen. Hun dag is de dag van het oordeel. Voetnoot : פְּקֻדָּה (peqquddah), ‘bestraffing’: zo ook Hos. 9:7. Zie ook: 2 Sam 23:6–7; Hos 9:7–8; Jes 10:3; Jes 22:5; Ezech 2:6 ### Geen vertrouwen meer **7:5** Geloof een vriend niet. Vertrouw niet op een vertrouweling. Bewaak de deuren van je mond voor haar die in je schoot ligt. Brontekst: אַל (al) = niet | תַּאֲמִ֣ינוּ (taaminu) = geloof | בְרֵ֔עַ (berea) = een vriend | אַֽל (al) = niet | תִּבְטְח֖וּ (tivtechu) = vertrouw | בְּאַלּ֑וּף (bealuf) = op een vertrouweling | מִשֹּׁכֶ֣בֶת (mishokhevet) = van haar die ligt in | חֵיקֶ֔ךָ (cheiqekha) = je schoot | שְׁמֹ֖ר (shemor) = bewaak | פִּתְחֵי (pitchei) = de deuren van | פִֽיךָ (pikha) = je mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַלּוּף (alluf), ‘vertrouweling’: iemand die dicht bij je staat. Het gaat om een kring waarin zelfs de echtgenote niet te vertrouwen is. Zie ook: Job 6:14–15; Re 16:5–20; Ps 118:8–9; Jer 9:3; Mat 10:16 **7:6** Want de zoon veracht zijn vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder. De vijanden van een man zijn de mannen van zijn eigen huis. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | בֵן֙ (ben) = zoon | מְנַבֵּ֣ל (menabel) = veracht | אָ֔ב (av) = vader | בַּ֚ת (bat) = dochter | קָמָ֣ה (qama) = staat op | בְאִמָּ֔הּ (beimah) = tegen haar moeder | כַּלָּ֖ה (kala) = schoondochter | בַּחֲמֹתָ֑הּ (bachamotah) = tegen haar schoonmoeder | אֹיְבֵ֥י (oyevei) = vijanden van | אִ֖ישׁ (ish) = man | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | בֵיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Matt. 10:35–36. Zie ook: Ps 41:10; Ezech 22:7; Mat 10:21; Mat 10:35–36; Luc 12:53 ### Ik zie uit naar Yahweh **7:7** Maar ik, ik zal uitzien naar Yahweh. Ik zal wachten op de Elohim van mijn redding. Mijn Elohim zal mij horen. Brontekst: וַאֲנִי֙ (vaani) = maar ik | בַּיהוָ֣ה (baYahweh) = op Yahweh | אֲצַפֶּ֔ה (atsape) = zal uitzien | אוֹחִ֖ילָה (ochila) = zal wachten | לֵאלֹהֵ֣י (lelohei) = op de Elohim van | יִשְׁעִ֑י (yishi) = mijn redding | יִשְׁמָעֵ֖נִי (yishmaeni) = zal mij horen | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶשַׁע (yesha), ‘redding’: Yahweh is de Elohim die redt. De profeet blijft op Hem wachten, ook nu niemand te vertrouwen is. Zie ook: Ps 27:12–14; Ps 37:7; Jes 45:22; Klaagl 3:25–26; 1 Joh 5:14–15 **7:8** Verheug je niet over mij, mijn vijandin. Al ben ik gevallen, ik sta op. Al zit ik in het donker, Yahweh is een licht voor mij. Brontekst: אַֽל (al) = niet | תִּשְׂמְחִ֤י (tismechi) = verheug je | אֹיַ֨בְתִּי֙ (oyavti) = mijn vijandin | לִ֔י (li) = over mij | כִּ֥י (ki) = al | נָפַ֖לְתִּי (nafalti) = ben ik gevallen | קָ֑מְתִּי (qamti) = ik sta op | כִּֽי (ki) = al | אֵשֵׁ֣ב (eshev) = zit ik | בַּחֹ֔שֶׁךְ (bachoshekh) = in het donker | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | א֥וֹר (or) = een licht | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Mijn vijandin’ is een vrouwelijk woord. Het is waarschijnlijk een stad of een volk dat spot met Israël (vers 10). Zie ook: Ps 27:1; Ps 107:10–15; Ps 112:4; Jes 9:1; Mi 7:10; Joh 8:12 **7:9** De gramschap van Yahweh moet ik dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd, totdat Hij mijn rechtszaak voert en mijn recht doet. Hij brengt mij uit naar het licht. Ik zal Zijn gerechtigheid zien. Brontekst: זַ֤עַף (zaaf) = de gramschap van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶשָּׂ֔א (esa) = zal ik dragen | כִּ֥י (ki) = want | חָטָ֖אתִי (chatati) = ik heb gezondigd | ל֑וֹ (lo) = tegen Hem | עַד֩ (ad) = totdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יָרִ֤יב (yariv) = Hij voert | רִיבִי֙ (rivi) = mijn rechtszaak | וְעָשָׂ֣ה (veasa) = en Hij doet | מִשְׁפָּטִ֔י (mishpati) = mijn recht | יוֹצִיאֵ֣נִי (yotsieni) = Hij brengt mij uit | לָא֔וֹר (laor) = naar het licht | אֶרְאֶ֖ה (ere) = zal ik zien | בְּצִדְקָתֽוֹ (betsidqato) = Zijn gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זַעַף (za’af), ‘gramschap’: de verontwaardiging van Yahweh. De spreker, de profeet namens het volk, neemt de schuld op zich en wacht op Zijn recht. Voetnoot : בִּצְדָקָתוֹ (bitsdaqato), ‘Zijn gerechtigheid’: Yahweh herstelt het recht en brengt het volk uit het donker naar het licht. Zie ook: 1 Sam 24:16; Ps 37:6; 2 Tess 1:5–10; 1 Kor 4:5; Heb 12:6–7 **7:10** Mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken, zij die tegen mij zei: „Waar is Yahweh, je Elohim?” Mijn ogen zullen naar haar kijken. Nu wordt zij vertrapt als modder op de straten. Brontekst: וְתֵרֶ֤א (vetere) = en zal zien | אֹיַ֨בְתִּי֙ (oyavti) = mijn vijandin | וּתְכַסֶּ֣הָ (utekhaseha) = en zal bedekken | בוּשָׁ֔ה (busha) = schaamte | הָאֹמְרָ֣ה (haomera) = zij die zei | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | אַיּ֖וֹ (ayo) = waar is | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑יִךְ (elohayikh) = je Elohim | עֵינַי֙ (einay) = mijn ogen | תִּרְאֶ֣ינָּה (tireina) = zullen kijken | בָּ֔הּ (bah) = naar haar | עַתָּ֛ה (ata) = nu | תִּֽהְיֶ֥ה (tihye) = zal zij zijn | לְמִרְמָ֖ס (lemirmas) = tot vertrapping | כְּטִ֥יט (ketit) = als modder van | חוּצֽוֹת (chutsot) = de straten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַיּוֹ (ayyo), ‘waar is’: de spottende vraag van de vijanden, zoals in Ps. 42:4 en Ps. 79:10. Zie ook: 2 Sam 22:43; Ps 18:43; Ps 42:4; Ps 42:11; Ps 79:10; Jer 50:33–34; Zach 10:5 ### Een dag om te bouwen **7:11** Een dag om je muren te bouwen! Op die dag zal de grens ver weg zijn. Brontekst: י֖וֹם (yom) = een dag | לִבְנ֣וֹת (livnot) = om te bouwen | גְּדֵרָ֑יִךְ (gederayikh) = je muren | י֥וֹם (yom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | יִרְחַק (yirchaq) = zal ver zijn | חֹֽק (choq) = de grens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹק (choq), ‘grens’: het woord betekent ook ‘verordening’ of ‘bepaling’. De betekenis is onzeker. Wij lezen: de grens van het land wordt ver verlegd. Zie ook: Amos 9:11–15; Jes 54:11; Neh 2:8; Neh 2:17; Neh 3:38 **7:12** Op die dag komt men tot bij jou, van Assyrië en de steden van Egypte, van Egypte tot de Rivier, van zee tot zee en van berg tot berg. Brontekst: י֥וֹם (yom) = op de dag | הוּא֙ (hu) = die | וְעָדֶ֣יךָ (veadeikha) = en tot jou | יָב֔וֹא (yavo) = zal men komen | לְמִנִּ֥י (lemini) = vanuit | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | וְעָרֵ֣י (vearei) = en de steden van | מָצ֑וֹר (matsor) = Egypte | וּלְמִנִּ֤י (ulemini) = en vanuit | מָצוֹר֙ (matsor) = Egypte | וְעַד (vead) = en tot | נָהָ֔ר (nahar) = de Rivier | וְיָ֥ם (veyam) = en zee | מִיָּ֖ם (miyam) = van zee | וְהַ֥ר (vehar) = en berg | הָהָֽר (hahar) = van de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land. De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: מָצוֹר (matsor), ‘Egypte’: dit woord voor Egypte komt ook voor in 2 Kon. 19:24. Het gewone woord is מִצְרַיִם (Mitsrayim). Voetnoot : הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat. Voetnoot : Het onderwerp van ‘komt men’ noemt de tekst niet. Wij kiezen ‘men’. Zie ook: 2 Kon 19:24; Hos 11:11; Jes 11:16; Jes 19:23–25; Jes 27:12–13; Jer 3:18 **7:13** En het land wordt een woestenij vanwege zijn bewoners, om de vrucht van hun daden. Brontekst: וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zal worden | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | לִשְׁמָמָ֖ה (lishmama) = tot woestenij | עַל (al) = vanwege | יֹֽשְׁבֶ֑יהָ (yosheveiha) = zijn bewoners | מִפְּרִ֖י (miperi) = om de vrucht van | מַֽעַלְלֵיהֶֽם (maalleihem) = hun daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 5:22; Jes 3:10–11; Mi 6:13; Jer 17:10; Jer 25:11 ### Weid Uw volk **7:14** Weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfdeel, die alleen woont in het woud, midden in Karmel. Laat hen weiden in Basan en Gilead, zoals in de dagen van lang geleden. Brontekst: רְעֵ֧ה (ree) = weid | עַמְּךָ֣ (amekha) = Uw volk | בְשִׁבְטֶ֗ךָ (beshivtekha) = met Uw staf | צֹ֚אן (tson) = de kudde van | נַֽחֲלָתֶ֔ךָ (nachalatekha) = Uw erfdeel | שֹׁכְנִ֣י (shokheni) = die woont | לְבָדָ֔ד (levadad) = alleen | יַ֖עַר (yaar) = in het woud | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | כַּרְמֶ֑ל (karmel) = Karmel | יִרְע֥וּ (yiru) = laat hen weiden | בָשָׁ֛ן (bashan) = in Basan | וְגִלְעָ֖ד (vegilad) = en Gilead | כִּימֵ֥י (kimei) = zoals de dagen van | עוֹלָֽם (olam) = lang geleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Karmel (ligging onzeker): Met het woud midden in Karmel is waarschijnlijk de Karmel bij Haifa bedoeld, of een vruchtbare boomgaard in het algemeen. Dit is niet zeker. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: רְעֵה (re’eh), ‘weid’: de profeet vraagt Yahweh om als herder voor Zijn volk te zorgen. Zie ook 5:3. Voetnoot : כַּרְמֶל (Karmel): het woord betekent ook ‘boomgaard’ of ‘vruchtbaar land’. Het kan hier de berg zijn of een vruchtbare streek. Voetnoot : בָּשָׁן (Bashan) en גִּלְעָד (Gil’ad): vruchtbare weidestreken ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Ps 23:1–4; Ps 100:3; Jes 40:11; Mi 5:3; Joh 10:27–30 **7:15** **„Zoals in de dagen van je uittocht uit het land Egypte zal Ik hem wonderen laten zien.”** Brontekst: כִּימֵ֥י (kimei) = zoals de dagen van | צֵאתְךָ֖ (tsetkha) = je uittocht | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אַרְאֶ֖נּוּ (arenu) = Ik zal hem laten zien | נִפְלָאֽוֹת (niflaot) = wonderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Wij lezen dit vers als het antwoord van Yahweh. De woorden staan rood. Dat is onzeker; het kan ook van de profeet zijn. Voetnoot : נִפְלָאוֹת (nifla’ot), ‘wonderen’: zoals in de uittocht uit Egypte (Exod. 15:11). Zie ook: Ex 3:20; Ex 15:11; Ps 78:12–72; Jes 11:16; Jes 51:9; Jer 23:7–8 **7:16** Volken zullen het zien en beschaamd zijn over al hun kracht. Zij leggen de hand op de mond, en hun oren worden doof. Brontekst: יִרְא֤וּ (yiru) = zullen zien | גוֹיִם֙ (goyim) = volken | וְיֵבֹ֔שׁוּ (veyevoshu) = en zullen beschaamd zijn | מִכֹּ֖ל (mikol) = over al | גְּבֽוּרָתָ֑ם (gevuratam) = hun kracht | יָשִׂ֤ימוּ (yasimu) = zullen leggen | יָד֙ (yad) = hand | עַל (al) = op | פֶּ֔ה (pe) = mond | אָזְנֵיהֶ֖ם (azeneihem) = hun oren | תֶּחֱרַֽשְׁנָה (techerashna) = zullen doof worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De hand op de mond leggen’ is een teken van stilte en verbazing, zoals in Job 29:9 en 40:4. Zie ook: Job 29:9–10; Job 40:4; Jes 26:11; Jes 52:15; Mi 5:7 **7:17** Zij likken stof als een slang, als kruipend gedierte van de aarde. Zij beven uit hun burchten. Naar Yahweh, onze Elohim, komen zij sidderend, en voor U zijn zij bang. Brontekst: יְלַחֲכ֤וּ (yelachakhu) = zij zullen likken | עָפָר֙ (afar) = stof | כַּנָּחָ֔שׁ (kanachash) = als een slang | כְּזֹחֲלֵ֣י (kezochalei) = als kruipende dieren van | אֶ֔רֶץ (erets) = de aarde | יִרְגְּז֖וּ (yirgezu) = zij zullen beven | מִמִּסְגְּרֹֽתֵיהֶ֑ם (mimisgeroteihem) = uit hun burchten | אֶל (el) = naar | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | יִפְחָ֔דוּ (yifchadu) = zij zullen sidderen | וְיִֽרְא֖וּ (veyiru) = en zij zullen vrezen | מִמֶּֽךָּ (mimeka) = voor U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Stof likken’ is een beeld van onderwerping, zoals de slang in Gen. 3:14. Voetnoot : מִסְגְּרוֹתֵיהֶם (misgerotehem), ‘hun burchten’: schuilplaatsen waar zij zich veilig voelden. Zie ook: Gen 3:14–15; Ps 18:46; Ps 72:9; Jes 49:23; Openb 6:15–17 ### Wie is een El als U? **7:18** Wie is een El als U, Die schuld vergeeft en voorbijgaat aan de overtreding van de overgeblevenen van Zijn erfdeel? Hij houdt Zijn toorn niet voor altijd vast, want Hij heeft behagen in trouw. Brontekst: מִי (mi) = wie | אֵ֣ל (el) = een El | כָּמ֗וֹךָ (kamokha) = als U | נֹשֵׂ֤א (nose) = Die vergeeft | עָוֺן֙ (avon) = schuld | וְעֹבֵ֣ר (veover) = en gaat voorbij | עַל (al) = aan | פֶּ֔שַׁע (pesha) = overtreding van | לִשְׁאֵרִ֖ית (lisherit) = de overgeblevenen van | נַחֲלָת֑וֹ (nachalato) = Zijn erfdeel | לֹא (lo) = niet | הֶחֱזִ֤יק (hecheziq) = houdt vast | לָעַד֙ (laad) = voor altijd | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | כִּֽי (ki) = want | חָפֵ֥ץ (chafets) = heeft behagen | חֶ֖סֶד (chesed) = trouw | הֽוּא (hu) = Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִי־אֵל כָּמוֹךָ (mi El kamokha), ‘wie is een El als U’: een lofzang op Yahweh. In het Hebreeuws is het ook een woordspel op de naam Micha (מִיכָה, ‘wie is zoals Yah’). Voetnoot : נֹשֵׂא עָוֺן (nose avon), ‘Die schuld vergeeft’: het werkwoord נָשָׂא (nasa) betekent ‘dragen’. Wij vertalen hier ‘vergeven’, zoals in Exod. 34:7. Voetnoot : Vergelijk Exod. 34:6–7, Joël 2:13 en Jona 4:2. Zie ook: Ex 34:6–7; Ex 34:7; Ps 103:8–9; Joël 2:13; Jona 4:2; Jes 43:25; Jes 44:22; Jer 50:20; Ef 2:4–5 **7:19** Hij zal opnieuw Zich over ons ontfermen. Hij zal onze schuld onderwerpen. En U zult al hun zonden in de diepten van de zee werpen. Brontekst: יָשׁ֣וּב (yashuv) = Hij zal terugkeren | יְרַֽחֲמֵ֔נוּ (yerachamenu) = Hij zal Zich ontfermen over ons | יִכְבֹּ֖שׁ (yikhbosh) = Hij zal onderwerpen | עֲוֺֽנֹתֵ֑ינוּ (avonoteinu) = onze schuld | וְתַשְׁלִ֛יךְ (vetashlikh) = en U zult werpen | בִּמְצֻל֥וֹת (bimtsulot) = in de diepten van | יָ֖ם (yam) = zee | כָּל (kal) = al | חַטֹּאותָֽם (chatovtam) = hun zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִכְבֹּשׁ (yikhbosh), ‘onderwerpen’: schuld wordt onder Zijn voeten gebracht. Hetzelfde werkwoord kan ook ‘vertrappen’ betekenen. Voetnoot Lezing: In dit vers wisselt de aanspreking: eerst ‘Hij’, dan ‘U’. Ook ‘onze schuld’ en ‘hun zonden’ wisselen. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Jes 38:17; Jes 43:25; Jer 31:34; Jer 50:20; Rom 6:14 **7:20** U zult waarheid geven aan Jakob en trouw aan Abraham, zoals U aan onze vaders hebt gezworen sinds de dagen van weleer. Brontekst: תִּתֵּ֤ן (titen) = U zult geven | אֱמֶת֙ (emet) = waarheid | לְיַֽעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = aan Jakob | חֶ֖סֶד (chesed) = trouw | לְאַבְרָהָ֑ם (leavraham) = aan Abraham | אֲשֶׁר (asher) = die | נִשְׁבַּ֥עְתָּ (nishbata) = U hebt gezworen | לַאֲבֹתֵ֖ינוּ (laavoteinu) = aan onze vaders | מִ֥ימֵי (mimei) = sinds de dagen van | קֶֽדֶם (qedem) = weleer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh heeft Abraham gezworen: zie Gen. 22:16–18. אֱמֶת (emet), ‘waarheid’, en חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: twee woorden voor Yahweh’s betrouwbaarheid. Zie ook: Gen 17:7–8; Gen 22:16–18; Gen 28:13–14; Jer 33:25–26; Luc 1:72–74; Hand 3:25–26