# Matteüs (Κατὰ Ματθαῖον, Kata Matthaion) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Matteüs 1 _Yeshua de Messias_ ### De afstamming van Yeshua **1:1** Dit is het boek van de geschiedenis van Yeshua de Messias, zoon van David, zoon van Abraham. Brontekst: Βίβλος (Biblos) = boek | γενέσεως (geneseos) = van oorsprong | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua | χριστοῦ (christou) = van de Messias | υἱοῦ (huiou) = zoon van | Δαυὶδ (Dauid) = David | υἱοῦ (huiou) = zoon van | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βίβλος γενέσεως (biblos geneseos), ‘boek van de oorsprong’, zijn dezelfde woorden als in de Griekse vertaling van Genesis 2:4 en 5:1. Matteüs begint zo met een nieuw begin. Χριστός (christos), ‘gezalfde’, is het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘Messias’. David en Abraham zijn de twee mensen aan wie Elohim een belofte deed (2 Sam. 7:12–16 en Gen. 12:3). Zie ook: Gen 2:4; Gen 5:1; Gen 12:3; 2 Sam 7:12–16 **1:2** Abraham werd de vader van Isaak. Isaak werd de vader van Jakob. Jakob werd de vader van Juda en zijn broers. Brontekst: Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰσαάκ (Isaak) = Isaak | Ἰσαὰκ (Isaak) = Isaak | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰακώβ (Iakob) = Jakob | Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰούδαν (Ioudan) = Juda | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = (de) | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγέννησεν (egennesen), ‘verwekte’, is vertaald als ‘werd de vader van’, zoals in Genesis 5. Het kan ook ‘voorvader van’ betekenen: niet elke schakel hoeft de directe zoon te zijn. **1:3** Juda werd de vader van Peres en Zerach, bij Tamar. Peres werd de vader van Chezron. Chezron werd de vader van Ram. Brontekst: Ἰούδας (Ioudas) = Juda | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Φαρὲς (Phares) = Peres | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = (de) | Ζάρα (Zara) = Zerach | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = (de) | Θαμάρ (Thamar) = Tamar | Φαρὲς (Phares) = Peres | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἑσρώμ (Hesrom) = Chezron | Ἑσρὼμ (Hesrom) = Chezron | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἀράμ (Aram) = Ram Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Θαμάρ (Tamar): zie Gen. 38. Matteüs noemt in de lijst vier vrouwen: Tamar, Rachab, Rut en de vrouw van Uria. **1:4** Ram werd de vader van Amminadab. Amminadab werd de vader van Nachsjon. Nachsjon werd de vader van Salmon. Brontekst: Ἀρὰμ (Aram) = Ram | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἀμιναδάβ (Aminadab) = Amminadab | Ἀμιναδὰβ (Aminadab) = Amminadab | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ναασσών (Naasson) = Nachsjon | Ναασσὼν (Naasson) = Nachsjon | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Σαλμών (Salmon) = Salmon Bron: SBLGNT **1:5** Salmon werd de vader van Boaz, bij Rachab. Boaz werd de vader van Obed, bij Rut. Obed werd de vader van Isaï. Brontekst: Σαλμὼν (Salmon) = Salmon | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Βόες (Boes) = Boaz | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = (de) | Ῥαχάβ (Rhachab) = Rachab | Βόες (Boes) = Boaz | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰωβὴδ (Iobed) = Obed | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = (de) | Ῥούθ (Rhouth) = Rut | Ἰωβὴδ (Iobed) = Obed | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰεσσαί (Iessai) = Isaï Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ῥαχάβ (Rachab) is de vrouw uit Jericho (Joz. 2:1). Ῥούθ (Rut) is de Moabitische vrouw van wie het boek Rut vertelt (Rut 4:13–22). Zie ook: Joz 2:1; Ruth 4:13–22 **1:6** Isaï werd de vader van koning David. David werd de vader van Salomo, bij de vrouw van Uria. Brontekst: Ἰεσσαὶ (Iessai) = Isaï | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Δαυὶδ (Dauid) = David | τὸν (ton) = (de) | βασιλέα (basilea) = koning | Δαυὶδ (Dauid) = David | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Σολομῶνα (Solomona) = Salomo | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = (de) | τοῦ (tou) = (die) van | Οὐρίου (Ouriou) = Uria Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘bij die van Uria’; ‘vrouw’ is aangevuld. Bathseba wordt niet bij naam genoemd (2 Sam. 11:3; 12:24). Zie ook: 2 Sam 11:3; 2 Sam 12:24 **1:7** Salomo werd de vader van Rehabeam. Rehabeam werd de vader van Abia. Abia werd de vader van Asaf. Brontekst: Σολομὼν (Solomon) = Salomo | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ῥοβοάμ (Rhoboam) = Rehabeam | Ῥοβοὰμ (Rhoboam) = Rehabeam | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἀβιά (Abia) = Abia | Ἀβιὰ (Abia) = Abia | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἀσάφ (Asaph) = Asaf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἀσάφ (Asaf) is de lezing van de oudste handschriften (SBLGNT). De Textus Receptus en de Byzantijnse tekst lezen Ἀσά (Asa), de koning (1 Kron. 3:10). Zie ook: 1 Kron 3:10 **1:8** Asaf werd de vader van Josafat. Josafat werd de vader van Joram. Joram werd de vader van Uzzia. Brontekst: Ἀσὰφ (Asaph) = Asaf | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰωσαφάτ (Iosaphat) = Josafat | Ἰωσαφὰτ (Iosaphat) = Josafat | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰωράμ (Ioram) = Joram | Ἰωρὰμ (Ioram) = Joram | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ὀζίαν (Ozian) = Uzzia Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Tussen Joram en Uzzia laat Matteüs drie koningen weg: Achazia, Joas en Amazia (1 Kron. 3:11–12). Dat past bij ἐγέννησεν als ‘voorvader van’. Zie ook: 1 Kron 3:11–12 **1:9** Uzzia werd de vader van Jotam. Jotam werd de vader van Achaz. Achaz werd de vader van Hizkia. Brontekst: Ὀζίας (Ozias) = Uzzia | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰωαθάμ (Ioatham) = Jotam | Ἰωαθὰμ (Ioatham) = Jotam | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἀχάζ (Achaz) = Achaz | Ἀχὰζ (Achaz) = Achaz | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἑζεκίαν (Hezekian) = Hizkia Bron: SBLGNT **1:10** Hizkia werd de vader van Manasse. Manasse werd de vader van Amos. Amos werd de vader van Josia. Brontekst: Ἑζεκίας (Hezekias) = Hizkia | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Μανασσῆ (Manasse) = Manasse | Μανασσῆς (Manasses) = Manasse | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἀμώς (Amos) = Amos | Ἀμὼς (Amos) = Amos | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰωσίαν (Iosian) = Josia Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἀμώς (Amos) is de lezing van de oudste handschriften (SBLGNT). De Textus Receptus en de Byzantijnse tekst lezen Ἀμών (Amon), de koning (1 Kron. 3:14). Zie ook: 1 Kron 3:14 **1:11** Josia werd de vader van Jechonia en zijn broers, ten tijde van de ballingschap in Babel. Brontekst: Ἰωσίας (Iosias) = Josia | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰεχονίαν (Iechonian) = Jechonia | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = (de) | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐπὶ (epi) = bij | τῆς (tes) = de | μετοικεσίας (metoikesias) = ballingschap | Βαβυλῶνος (Babylonos) = van Babel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετοικεσία (metoikesia) is ‘wegvoering, verplaatsing naar een ander land’; hier de ballingschap in Babel (2 Kon. 24:14–16). Tussen Josia en Jechonia laat Matteüs Jojakim weg (1 Kron. 3:15–16). Zie ook: 1 Kron 3:15–16; 2 Kon 24:14–16 **1:12** Na de ballingschap in Babel werd Jechonia de vader van Sealtiël. Sealtiël werd de vader van Zerubbabel. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = maar | τὴν (ten) = de | μετοικεσίαν (metoikesian) = ballingschap | Βαβυλῶνος (Babylonos) = van Babel | Ἰεχονίας (Iechonias) = Jechonia | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Σαλαθιήλ (Salathiel) = Sealtiël | Σαλαθιὴλ (Salathiel) = Sealtiël | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ζοροβαβέλ (Zorobabel) = Zerubbabel Bron: SBLGNT **1:13** Zerubbabel werd de vader van Abiud. Abiud werd de vader van Eljakim. Eljakim werd de vader van Azor. Brontekst: Ζοροβαβὲλ (Zorobabel) = Zerubbabel | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἀβιούδ (Abioud) = Abiud | Ἀβιοὺδ (Abioud) = Abiud | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἐλιακίμ (Eliakim) = Eljakim | Ἐλιακὶμ (Eliakim) = Eljakim | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἀζώρ (Azor) = Azor Bron: SBLGNT **1:14** Azor werd de vader van Sadok. Sadok werd de vader van Achim. Achim werd de vader van Eliud. Brontekst: Ἀζὼρ (Azor) = Azor | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Σαδώκ (Sadok) = Sadok | Σαδὼκ (Sadok) = Sadok | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἀχίμ (Achim) = Achim | Ἀχὶμ (Achim) = Achim | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἐλιούδ (Elioud) = Eliud Bron: SBLGNT **1:15** Eliud werd de vader van Eleazar. Eleazar werd de vader van Mattan. Mattan werd de vader van Jakob. Brontekst: Ἐλιοὺδ (Elioud) = Eliud | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἐλεάζαρ (Eleazar) = Eleazar | Ἐλεάζαρ (Eleazar) = Eleazar | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ματθάν (Matthan) = Mattan | Ματθὰν (Matthan) = Mattan | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰακώβ (Iakob) = Jakob Bron: SBLGNT **1:16** Jakob werd de vader van Jozef, de man van Maria. Uit haar werd Yeshua geboren, die de Messias wordt genoemd. Brontekst: Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | δὲ (de) = maar | ἐγέννησεν (egennesen) = verwekte | τὸν (ton) = (de) | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | τὸν (ton) = (de) | ἄνδρα (andra) = man | Μαρίας (Marias) = van Maria | ἐξ (ex) = uit | ἧς (hes) = wie | ἐγεννήθη (egennethe) = werd geboren | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | λεγόμενος (legomenos) = genoemd | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξ ἧς (ex hes), ‘uit wie’, is vrouwelijk: Yeshua wordt geboren uit Maria. Jozef wordt hier niet als vader van Yeshua genoemd, maar als ‘de man van Maria’. **1:17** Alle generaties zijn dus: van Abraham tot David 14 generaties, van David tot de ballingschap in Babel 14 generaties en van de ballingschap in Babel tot de Messias 14 generaties. Brontekst: Πᾶσαι (Pasai) = alle | οὖν (oun) = dus | αἱ (hai) = de | γενεαὶ (geneai) = generaties | ἀπὸ (apo) = van | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | ἕως (heos) = tot | Δαυὶδ (Dauid) = David | γενεαὶ (geneai) = generaties | δεκατέσσαρες (dekatessares) = 14 | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | Δαυὶδ (Dauid) = David | ἕως (heos) = tot | τῆς (tes) = de | μετοικεσίας (metoikesias) = ballingschap | Βαβυλῶνος (Babylonos) = van Babel | γενεαὶ (geneai) = generaties | δεκατέσσαρες (dekatessares) = 14 | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | μετοικεσίας (metoikesias) = ballingschap | Βαβυλῶνος (Babylonos) = van Babel | ἕως (heos) = tot | τοῦ (tou) = de | χριστοῦ (christou) = Messias | γενεαὶ (geneai) = generaties | δεκατέσσαρες (dekatessares) = 14 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Matteüs telt drie keer 14 generaties. Dat lukt als men één naam twee keer telt: David (eind van de eerste en begin van de tweede reeks) of Jechonia (eind van de tweede en begin van de derde reeks). Het getal 14 is ook de waarde van de Hebreeuwse letters van de naam David (דוד: 4 + 6 + 4). ### De geboorte van Yeshua **1:18** De geboorte van Yeshua de Messias ging zo. Zijn moeder Maria was verloofd met Jozef. Voordat ze samenkwamen, bleek ze zwanger te zijn door de Heilige Geest. Brontekst: Τοῦ (Tou) = van de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | χριστοῦ (christou) = Messias | ἡ (he) = de | γένεσις (genesis) = geboorte | οὕτως (houtos) = zo | ἦν (en) = was | μνηστευθείσης (mnesteutheises) = verloofd zijnde | τῆς (tes) = de | μητρὸς (metros) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Μαρίας (Marias) = Maria | τῷ (to) = aan | Ἰωσήφ (Ioseph) = Jozef | πρὶν (prin) = voordat | ἢ (e) = of | συνελθεῖν (synelthein) = samenkomen | αὐτοὺς (autous) = zij | εὑρέθη (heurethe) = werd gevonden | ἐν (en) = in | γαστρὶ (gastri) = buik | ἔχουσα (echousa) = hebbend | ἐκ (ek) = uit | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἁγίου (hagiou) = heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μνηστευθείσης (mnesteutheises), ‘verloofd’: een verloving was bij de Joden al bindend; er was een scheidingsbrief nodig om haar te laten gaan. συνελθεῖν (synelthein), ‘samenkomen’: het samengaan van een verloofd paar, waaronder gemeenschap. Zie 1:25. ἐκ πνεύματος ἁγίου (ek pneumatos hagiou) is ‘uit de Heilige Geest’. De Heilige Geest is de Geest van Elohim uit Genesis 1:2. Zie ook: Gen 1:2 **1:19** Jozef, haar man, was een rechtvaardig mens en wilde haar niet openlijk te schande maken. In het geheim besloot hij haar weg te sturen. Brontekst: Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | ἀνὴρ (aner) = man | αὐτῆς (autes) = haar | δίκαιος (dikaios) = rechtvaardig | ὢν (on) = zijnde | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | θέλων (thelon) = willend | αὐτὴν (auten) = haar | δειγματίσαι (deigmatisai) = te schande maken | ἐβουλήθη (eboulethe) = hij besloot | λάθρᾳ (lathra) = in het geheim | ἀπολῦσαι (apolysai) = wegsturen | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardig’, is een man die de wet van Elohim trouw volgt. δειγματίσαι (deigmatisai) is ‘openlijk te schande maken’. **1:20** Terwijl hij hierover nadacht, zie: een engel van Yahweh verscheen hem in een droom en zei: „Jozef, zoon van David, wees niet bang om Maria als je vrouw bij je te nemen. Want wat in haar verwekt is, is uit de Heilige Geest. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐνθυμηθέντος (enthymethentos) = nadenkend | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄγγελος (angelos) = engel | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | κατ’ (kat’) = in | ὄναρ (onar) = droom | ἐφάνη (ephane) = verscheen | αὐτῷ (auto) = hem | λέγων (legon) = zeggend | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | υἱὸς (huios) = zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David | μὴ (me) = niet | φοβηθῇς (phobethes) = wees bang | παραλαβεῖν (paralabein) = tot je nemen | Μαρίαν (Marian) = Maria | τὴν (ten) = de | γυναῖκά (gynaika) = vrouw | σου (sou) = jouw | τὸ (to) = wat | γὰρ (gar) = want | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = haar | γεννηθὲν (gennethen) = verwekt | ἐκ (ek) = uit | πνεύματός (pneumatos) = Geest | ἐστιν (estin) = is | ἁγίου (hagiou) = heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κυρίου (kyriou), ‘van de Heer’, is vertaald als Yahweh: zo geeft de Griekse Bijbel het Hebreeuwse JHWH weer. **1:21** Ze zal een zoon baren en jij moet Hem de naam Yeshua geven. Want Hij zal Zijn volk redden van hun zonden.” Brontekst: τέξεται (texetai) = zij zal baren | δὲ (de) = maar | υἱὸν (huion) = zoon | καὶ (kai) = en | καλέσεις (kaleseis) = jij zult geven | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | αὐτὸς (autos) = Hij | γὰρ (gar) = want | σώσει (sosei) = zal redden | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ἁμαρτιῶν (hamartion) = zonden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰησοῦς (Iesous) is het Griekse woord voor het Hebreeuwse יְהוֹשֻׁעַ (Yehoshua) of יֵשׁוּעַ (Yeshua): ‘Yahweh redt’. Dat past bij σώσει (sosei), ‘zal redden’: de naam legt uit wat Hij zal doen. **1:22** Dit alles is gebeurd, opdat vervuld zou worden wat Yahweh door de profeet gezegd heeft: Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | ὅλον (holon) = alles | γέγονεν (gegonen) = is gebeurd | ἵνα (hina) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gesprokene | ὑπὸ (hypo) = door | κυρίου (kyriou) = Yahweh | διὰ (dia) = via | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend Bron: SBLGNT **1:23** **„Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en ze zullen Hem Immanuël noemen.”** Vertaald betekent dat: „Elohim is met ons.” Brontekst: Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἡ (he) = de | παρθένος (parthenos) = maagd | ἐν (en) = in | γαστρὶ (gastri) = buik | ἕξει (hexei) = zal hebben | καὶ (kai) = en | τέξεται (texetai) = zal baren | υἱόν (huion) = zoon | καὶ (kai) = en | καλέσουσιν (kalesousin) = ze zullen noemen | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἐμμανουήλ (Emmanouel) = Immanuël | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | μεθερμηνευόμενον (methermeneuomenon) = vertaald | Μεθ’ (Meth’) = met | ἡμῶν (hemon) = ons | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het is een citaat uit Jesaja 7:14. In het Hebreeuws staat daar הָעַלְמָה (ha’almah), ‘de jonge vrouw’; de Griekse vertaling (Septuaginta) heeft παρθένος (parthenos), ‘maagd’, en Matteüs volgt die. עִמָּנוּ אֵל (immanu El), ‘Elohim is met ons’, staat ook in Jesaja 8:8 en 8:10. Letterlijk staat er: ‘ze zullen zijn naam Immanuël noemen’. Immanuël is een naam met een betekenis, in dit geval een titel; de persoonlijke naam van het kind is Yeshua (1:21, 1:25). Zie ook: Jes 7:14; Jes 8:8; Jes 8:10 **1:24** Jozef werd wakker uit de slaap, deed wat de engel van Yahweh hem had opgedragen en nam zijn vrouw bij zich. Brontekst: ἐγερθεὶς (egertheis) = wakker geworden | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | ὕπνου (hypnou) = slaap | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ὡς (hos) = zoals | προσέταξεν (prosetaxen) = droeg op | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | καὶ (kai) = en | παρέλαβεν (parelaben) = nam bij zich | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **1:25** Jozef had geen gemeenschap met haar, totdat ze een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Yeshua. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐγίνωσκεν (eginosken) = hij kende | αὐτὴν (auten) = haar | ἕως (heos) = tot | οὗ (hou) = dat | ἔτεκεν (eteken) = zij baarde | υἱόν (huion) = zoon | καὶ (kai) = en | ἐκάλεσεν (ekalesen) = hij noemde | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen onderwerp; ‘Jozef’ is aangevuld. In de Textus Receptus en de Byzantijnse tekst staat hier ‘haar eerstgeboren zoon’ (τὸν υἱὸν αὐτῆς τὸν πρωτότοκον); de oudste handschriften (SBLGNT) hebben alleen ‘een zoon’. ## Matteüs 2 _De magiërs, de vlucht naar Egypte en de terugkeer naar Nazaret_ ### Magiërs zoeken de koning van de Joden **2:1** Toen Yeshua geboren was in Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie: magiërs uit het oosten kwamen aan in Jeruzalem. Brontekst: Τοῦ (Tou) = (de) | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | γεννηθέντος (gennethentos) = geboren zijnde | ἐν (en) = in | Βηθλέεμ (Bethleem) = Betlehem | τῆς (tes) = (de) | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | ἐν (en) = in | ἡμέραις (hemerais) = dagen | Ἡρῴδου (Herodou) = van Herodes | τοῦ (tou) = (de) | βασιλέως (basileos) = koning | ἰδοὺ (idou) = zie | μάγοι (magoi) = magiërs | ἀπὸ (apo) = uit | ἀνατολῶν (anatolon) = het oosten | παρεγένοντο (paregenonto) = kwamen aan | εἰς (eis) = in | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: μάγοι (magoi), ‘magiërs’: in die tijd geleerden uit het oosten die de sterren en dromen bestudeerden. Het Grieks noemt geen aantal en geen namen. Voetnoot : Ἡρῴδης (Herodes) is de koning over Judea in de tijd van Yeshua’s geboorte. Voetnoot : Zie ook Luc. 2:1–7. Zie ook: Luc 2:1–7 **2:2** Zij zeiden: „Waar is de koning van de Joden die geboren is? Want wij hebben Zijn ster gezien in het oosten, en wij zijn gekomen om ons voor Hem neer te buigen.” Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Ποῦ (Pou) = waar | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | τεχθεὶς (techtheis) = geboren | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | εἴδομεν (eidomen) = wij zagen | γὰρ (gar) = want | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὸν (ton) = de | ἀστέρα (astera) = ster | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | ἀνατολῇ (anatole) = oosten | καὶ (kai) = en | ἤλθομεν (elthomen) = wij kwamen | προσκυνῆσαι (proskynesai) = om neer te buigen | αὐτῷ (auto) = voor Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνατολή (anatole) betekent ‘oosten’ en ook ‘opkomst’. De magiërs kunnen dus bedoelen ‘Zijn ster bij zijn opkomst’ of ‘Zijn ster in het oosten’. Wij vertalen ‘in het oosten’, zoals in 2:1 en 2:9. Voetnoot : προσκυνῆσαι (proskynesai), ‘zich neerbuigen’: zich diep buigen voor iemand. Het woord drukt eerbied voor een koning uit, maar ook aanbidding van Elohim. Het komt overeen met het Hebreeuwse הִשְׁתַּחֲוָה (hishtachavah), ‘zich neerbuigen’, zoals in onze vertaling van het Oude Testament. Wij vertalen het overal zo (2:8, 2:11, 4:9–10). **2:3** Toen koning Herodes dit hoorde, raakte hij van streek, en heel Jeruzalem met hem. Brontekst: ἀκούσας (akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ἐταράχθη (etarachthe) = raakte van streek | καὶ (kai) = en | πᾶσα (pasa) = heel | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **2:4** Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en vroeg hun waar de Messias geboren wordt. Brontekst: καὶ (kai) = en | συναγαγὼν (synagagon) = bijeenroepend | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | ἐπυνθάνετο (epynthaneto) = hij vroeg | παρ’ (par’) = bij | αὐτῶν (auton) = hen | ποῦ (pou) = waar | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | γεννᾶται (gennatai) = wordt geboren Bron: SBLGNT **2:5** Zij zeiden tegen hem: „In Betlehem in Judea. Want zo staat het geschreven door de profeet: Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ἐν (En) = in | Βηθλέεμ (Bethleem) = Betlehem | τῆς (tes) = (de) | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | οὕτως (houtos) = zo | γὰρ (gar) = want | γέγραπται (gegraptai) = is geschreven | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. **2:6** **‘En jij, Betlehem, land van Juda, bent geenszins de kleinste onder de leiders van Juda. Want uit jou zal een leider voortkomen, die Mijn volk Israël zal weiden.’**” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | σύ (sy) = jij | Βηθλέεμ (Bethleem) = Betlehem | γῆ (ge) = land | Ἰούδα (Iouda) = van Juda | οὐδαμῶς (oudamos) = geenszins | ἐλαχίστη (elachiste) = kleinste | εἶ (ei) = ben je | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | ἡγεμόσιν (hegemosin) = leiders | Ἰούδα (Iouda) = van Juda | ἐκ (ek) = uit | σοῦ (sou) = jou | γὰρ (gar) = want | ἐξελεύσεται (exeleusetai) = zal voortkomen | ἡγούμενος (hegoumenos) = leider | ὅστις (hostis) = die | ποιμανεῖ (poimanei) = zal weiden | τὸν (ton) = de | λαόν (laon) = volk | μου (mou) = Mijn | τὸν (ton) = de | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Het citaat volgt Micha 5:1 (Hebreeuwse telling), met aan het slot woorden uit 2 Sam. 5:2 (‘Jij zult Mijn volk Israël weiden’). Het Hebreeuws heeft ‘Betlehem Efrata, klein om onder de geslachten van Juda te zijn’; de Griekse tekst heeft ‘land van Juda’ en ‘geenszins de kleinste onder de leiders van Juda’. Voetnoot : ἡγεμών (hegemon) en ἡγούμενος (hegoumenos): ‘leider’. Zie ook: 2 Sam 5:2; Mi 5:1 ### Herodes onderzoekt in het geheim **2:7** Toen riep Herodes in het geheim de magiërs en vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verscheen. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | λάθρᾳ (lathra) = in het geheim | καλέσας (kalesas) = roepend | τοὺς (tous) = de | μάγους (magous) = magiërs | ἠκρίβωσεν (ekribosen) = hij vroeg na | παρ’ (par’) = bij | αὐτῶν (auton) = hen | τὸν (ton) = de | χρόνον (chronon) = tijd | τοῦ (tou) = van de | φαινομένου (phainomenou) = verschijnende | ἀστέρος (asteros) = ster Bron: SBLGNT **2:8** Hij stuurde hen naar Betlehem en zei: „Ga en onderzoek nauwkeurig naar het kind. Als jullie Hem gevonden hebben, laat het mij weten, zodat ook ik kan komen om mij voor Hem neer te buigen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | πέμψας (pempsas) = sturend | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = naar | Βηθλέεμ (Bethleem) = Betlehem | εἶπεν (eipen) = hij zei | Πορευθέντες (Poreuthentes) = gegaan zijnde | ἐξετάσατε (exetasate) = onderzoek | ἀκριβῶς (akribos) = nauwkeurig | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | παιδίου (paidiou) = kind | ἐπὰν (epan) = als | δὲ (de) = maar | εὕρητε (heurete) = jullie vinden | ἀπαγγείλατέ (apangeilate) = meld | μοι (moi) = mij | ὅπως (hopos) = opdat | κἀγὼ (kago) = ook ik | ἐλθὼν (elthon) = komend | προσκυνήσω (proskyneso) = ik zal neerbuigen | αὐτῷ (auto) = voor Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. ### De ster wijst de weg naar het kind **2:9** Zij hoorden de koning aan en gingen op weg. En zie: de ster die zij in het oosten hadden gezien, ging voor hen uit tot hij boven de plaats kwam waar het kind was. Daar bleef hij staan. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | τοῦ (tou) = de | βασιλέως (basileos) = koning | ἐπορεύθησαν (eporeuthesan) = gingen | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ὁ (ho) = de | ἀστὴρ (aster) = ster | ὃν (hon) = die | εἶδον (eidon) = zij zagen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | ἀνατολῇ (anatole) = oosten | προῆγεν (proegen) = ging voor | αὐτούς (autous) = hen | ἕως (heos) = tot | ἐλθὼν (elthon) = komend | ἐστάθη (estathe) = bleef staan | ἐπάνω (epano) = boven | οὗ (hou) = waar | ἦν (en) = was | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind Bron: SBLGNT **2:10** Toen zij de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde. Brontekst: ἰδόντες (idontes) = ziende | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = de | ἀστέρα (astera) = ster | ἐχάρησαν (echaresan) = verheugden zich | χαρὰν (charan) = vreugde | μεγάλην (megalen) = grote | σφόδρα (sphodra) = zeer Bron: SBLGNT **2:11** Zij gingen het huis in en zagen het kind met Maria, Zijn moeder. Zij vielen neer en bogen zich voor Hem neer. Zij openden hun schatkisten en boden Hem geschenken aan: goud, wierook en mirre. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = komend | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | εἶδον (eidon) = zagen | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | μετὰ (meta) = met | Μαρίας (Marias) = Maria | τῆς (tes) = de | μητρὸς (metros) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | πεσόντες (pesontes) = neergevallen | προσεκύνησαν (prosekynesan) = bogen zich neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem | καὶ (kai) = en | ἀνοίξαντες (anoixantes) = openend | τοὺς (tous) = de | θησαυροὺς (thesaurous) = schatkisten | αὐτῶν (auton) = hun | προσήνεγκαν (prosenenkan) = brachten aan | αὐτῷ (auto) = Hem | δῶρα (dora) = geschenken | χρυσὸν (chryson) = goud | καὶ (kai) = en | λίβανον (libanon) = wierook | καὶ (kai) = en | σμύρναν (smyrnan) = mirre Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λίβανος (libanos), ‘wierook’, en σμύρνα (smyrna), ‘mirre’, zijn geurige harsen. Goud en wierook worden samen genoemd in Jes. 60:6; zie ook Ps. 72:10–11. Zie ook: Ps 72:10–11; Jes 60:6 **2:12** In een droom kregen zij de aanwijzing om niet terug te gaan naar Herodes. Zij vertrokken langs een andere weg naar hun land. Brontekst: καὶ (kai) = en | χρηματισθέντες (chrematisthentes) = een aanwijzing gekregen hebbend | κατ’ (kat’) = in | ὄναρ (onar) = droom | μὴ (me) = niet | ἀνακάμψαι (anakampsai) = terug te keren | πρὸς (pros) = naar | Ἡρῴδην (Heroden) = Herodes | δι’ (di’) = langs | ἄλλης (alles) = andere | ὁδοῦ (hodou) = weg | ἀνεχώρησαν (anechoresan) = vertrokken | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | χώραν (choran) = land | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χρηματισθέντες (chrematisthentes): het werkwoord χρηματίζω (chrematizo) wordt gebruikt voor een mededeling of aanwijzing van Elohim. Wij vertalen ‘de aanwijzing krijgen’, ook in 2:22. ### De vlucht naar Egypte **2:13** Nadat zij vertrokken waren, zie: een engel van Yahweh verscheen aan Jozef in een droom en zei: „Sta op. Neem het kind en Zijn moeder met je mee en vlucht naar Egypte. Blijf daar tot ik het je zeg. Want Herodes gaat het kind zoeken om het om te brengen.” Brontekst: Ἀναχωρησάντων (Anachoresanton) = vertrokken zijnde | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄγγελος (angelos) = engel | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | φαίνεται (phainetai) = verschijnt | κατ’ (kat’) = in | ὄναρ (onar) = droom | τῷ (to) = aan de | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | λέγων (legon) = zeggend | Ἐγερθεὶς (Egertheis) = opgestaan zijnde | παράλαβε (paralabe) = neem | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | φεῦγε (pheuge) = vlucht | εἰς (eis) = naar | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte | καὶ (kai) = en | ἴσθι (isthi) = wees | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἕως (heos) = tot | ἂν (an) = (ooit) | εἴπω (eipo) = ik zeg | σοι (soi) = je | μέλλει (mellei) = staat op het punt | γὰρ (gar) = want | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ζητεῖν (zetein) = te zoeken | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | τοῦ (tou) = om | ἀπολέσαι (apolesai) = om te brengen | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **2:14** Hij stond op, nam ’s nachts het kind en Zijn moeder met zich mee en vertrok naar Egypte. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἐγερθεὶς (egertheis) = opgestaan zijnde | παρέλαβε (parelabe) = nam | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | νυκτὸς (nyktos) = van de nacht | καὶ (kai) = en | ἀνεχώρησεν (anechoresen) = vertrok | εἰς (eis) = naar | Αἴγυπτον (Aigypton) = Egypte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **2:15** Daar bleef hij tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden wat Yahweh door de profeet gezegd heeft: **„Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἕως (heos) = tot | τῆς (tes) = de | τελευτῆς (teleutes) = dood | Ἡρῴδου (Herodou) = van Herodes | ἵνα (hina) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gesprokene | ὑπὸ (hypo) = door | κυρίου (kyriou) = Yahweh | διὰ (dia) = via | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend | Ἐξ (Ex) = uit | Αἰγύπτου (Aigyptou) = Egypte | ἐκάλεσα (ekalesa) = ik riep | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = zoon | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het citaat is Hos. 11:1. In Hosea staat ‘Toen Israël een jongen was, had Ik hem lief, en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen’: Elohim noemt daar het volk Israël Zijn zoon (zie ook Exod. 4:22). Matteüs past de woorden toe op Yeshua. Wij schrijven ‘zoon’ met een kleine letter, omdat de woorden in Hosea over Israël gaan. Voetnoot : κυρίου (kyriou), ‘van de Heer’, is vertaald als Yahweh, zoals in 1:22 en 1:20. Zie ook: Ex 4:22; Hos 11:1 ### De moord op de jongens van Betlehem **2:16** Toen Herodes zag dat de magiërs hem voor de gek hadden gehouden, werd hij zeer woedend. Hij zond mensen uit en liet alle jongens doden die in Betlehem en in heel haar gebied waren, van twee jaar en jonger. Dat was volgens de tijd die hij van de magiërs precies had nagevraagd. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ἰδὼν (idon) = ziende | ὅτι (hoti) = dat | ἐνεπαίχθη (enepaichthe) = hij werd voor de gek gehouden | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | μάγων (magon) = magiërs | ἐθυμώθη (ethymothe) = werd woedend | λίαν (lian) = zeer | καὶ (kai) = en | ἀποστείλας (aposteilas) = zendend | ἀνεῖλεν (aneilen) = doodde | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | παῖδας (paidas) = jongens | τοὺς (tous) = de | ἐν (en) = in | Βηθλέεμ (Bethleem) = Betlehem | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | πᾶσι (pasi) = alle | τοῖς (tois) = de | ὁρίοις (horiois) = gebieden | αὐτῆς (autes) = haar | ἀπὸ (apo) = van | διετοῦς (dietous) = tweejarige | καὶ (kai) = en | κατωτέρω (katotero) = daaronder | κατὰ (kata) = naar | τὸν (ton) = de | χρόνον (chronon) = tijd | ὃν (hon) = die | ἠκρίβωσεν (ekribosen) = hij navroeg | παρὰ (para) = van | τῶν (ton) = de | μάγων (magon) = magiërs Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ἀποστείλας ἀνεῖλεν (aposteilas aneilen), letterlijk ‘zendend doodde hij’. Wij vullen ‘mensen’ en ‘liet’ aan, omdat het Nederlands dat nodig heeft. Voetnoot : παῖδες (paides) kan ‘kinderen’ of ‘jongens’ betekenen; wij vertalen ‘jongens’. Het aantal wordt niet genoemd. Voetnoot : διετοῦς (dietous), ‘van twee jaar’: de tijd die Herodes van de magiërs te weten was gekomen (2:7). **2:17** Toen werd vervuld wat gezegd is door Jeremia, de profeet: Brontekst: τότε (tote) = toen | ἐπληρώθη (eplerothe) = werd vervuld | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gesprokene | διὰ (dia) = door | Ἰερεμίου (Ieremiou) = Jeremia | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend Bron: SBLGNT **2:18** „Een stem is gehoord in Rama, geween en veel weeklagen. Rachel beweende haar kinderen. Zij wilde zich niet laten troosten, want zij zijn er niet meer.” Brontekst: Φωνὴ (Phone) = stem | ἐν (en) = in | Ῥαμὰ (Rhama) = Rama | ἠκούσθη (ekousthe) = werd gehoord | κλαυθμὸς (klauthmos) = geween | καὶ (kai) = en | ὀδυρμὸς (odyrmos) = weeklagen | πολύς (polys) = veel | Ῥαχὴλ (Rhachel) = Rachel | κλαίουσα (klaiousa) = wenend | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἤθελεν (ethelen) = wilde | παρακληθῆναι (paraklethenai) = getroost te worden | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | εἰσίν (eisin) = zijn zij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jer. 31:15. De Griekse tekst heeft ‘geween en veel weeklagen’; het Hebreeuws heeft ‘een weeklacht, bitter geween’. Rama ligt in het gebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. Rachel is de moeder van Jozef en Benjamin. Volgens Gen. 35:19 werd zij begraven aan de weg naar Efrat, dat is Betlehem. 1 Sam. 10:2 noemt haar graf in het gebied van Benjamin. Zie ook: Gen 35:19; 1 Sam 10:2; Jer 31:15 ### De terugkeer naar Nazaret **2:19** Toen Herodes gestorven was, zie: een engel van Yahweh verscheen aan Jozef in een droom in Egypte, Brontekst: Τελευτήσαντος (Teleutesantos) = gestorven zijnde | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = de | Ἡρῴδου (Herodou) = Herodes | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄγγελος (angelos) = engel | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | φαίνεται (phainetai) = verschijnt | κατ’ (kat’) = in | ὄναρ (onar) = droom | τῷ (to) = aan de | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | ἐν (en) = in | Αἰγύπτῳ (Aigypto) = Egypte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **2:20** en zei: „Sta op, neem het kind en Zijn moeder met je mee en ga naar het land Israël. Want zij die het kind het leven wilden ontnemen, zijn gestorven.” Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Ἐγερθεὶς (Egertheis) = opgestaan zijnde | παράλαβε (paralabe) = neem | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | πορεύου (poreuou) = ga | εἰς (eis) = naar | γῆν (gen) = land | Ἰσραήλ (Israel) = Israël | τεθνήκασιν (tethnekasin) = zijn gestorven | γὰρ (gar) = want | οἱ (hoi) = zij | ζητοῦντες (zetountes) = zoekenden | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | τοῦ (tou) = van het | παιδίου (paidiou) = kind Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὴν ψυχήν (ten psychen), ‘de ziel’: in de Hebreeuwse uitdrukking ‘iemands ziel zoeken’ betekent dat iemand naar het leven staan. Wij vertalen ‘het leven ontnemen’, zoals in Exod. 4:19. Zie ook: Ex 4:19 **2:21** Hij stond op, nam het kind en Zijn moeder met zich mee en kwam in het land Israël. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἐγερθεὶς (egertheis) = opgestaan zijnde | παρέλαβε (parelabe) = nam | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = kwam binnen | εἰς (eis) = in | γῆν (gen) = land | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT **2:22** Toen hij hoorde dat Archelaüs in Judea koning was in plaats van zijn vader Herodes, was hij bang om daarheen te gaan. In een droom kreeg hij een aanwijzing, en hij vertrok naar het gebied van Galilea. Brontekst: ἀκούσας (akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = dat | Ἀρχέλαος (Archelaos) = Archelaüs | βασιλεύει (basileuei) = is koning | τῆς (tes) = over de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | ἀντὶ (anti) = in plaats van | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ἡρῴδου (Herodou) = Herodes | ἐφοβήθη (ephobethe) = was bang | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἀπελθεῖν (apelthein) = heen te gaan | χρηματισθεὶς (chrematistheis) = een aanwijzing gekregen hebbend | δὲ (de) = maar | κατ’ (kat’) = in | ὄναρ (onar) = droom | ἀνεχώρησεν (anechoresen) = vertrok | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | μέρη (mere) = gebieden | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Ἀρχέλαος (Archelaos), ‘Archelaüs’, was een zoon van Herodes en volgde hem op in Judea. **2:23** Hij kwam en ging wonen in een stad die Nazaret heet, opdat vervuld zou worden wat door de profeten gezegd is: „Hij zal Nazoreeër genoemd worden.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = komend | κατῴκησεν (katokesen) = ging wonen | εἰς (eis) = in | πόλιν (polin) = stad | λεγομένην (legomenen) = genoemd | Ναζαρέτ (Nazaret) = Nazaret | ὅπως (hopos) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gesprokene | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | προφητῶν (propheton) = profeten | ὅτι (hoti) = dat | Ναζωραῖος (Nazoraios) = Nazoreeër | κληθήσεται (klethesetai) = zal worden genoemd Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret. Dit citaat staat niet letterlijk in een profetenboek; Matteüs zegt ‘de profeten’ in het meervoud. Het woord klinkt aan op het Hebreeuwse נֵצֶר (netser), ‘scheut’ (Jes. 11:1), en op ‘nazireeër’ (Richt. 13:5), maar Matteüs zegt niet welk vers hij bedoelt. Wij kunnen dit niet vaststellen. Zie ook: Re 13:5; Jes 11:1 ## Matteüs 3 _Johannes de Doper en de doop van Yeshua_ ### Johannes de Doper in de woestijn **3:1** In die dagen kwam Johannes de Doper en verkondigde in de woestijn van Judea, Brontekst: Ἐν (En) = in | δὲ (de) = maar | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἐκείναις (ekeinais) = die | παραγίνεται (paraginetai) = kwam | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ὁ (ho) = de | βαπτιστὴς (baptistes) = doper | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | τῆς (tes) = van de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Woestijn van Judea: De woestijn van Judea is het dorre gebied tussen het bergland van Judea en de Dode Zee, met de benedenloop van de Jordaan. De plek waar Johannes optrad, wordt niet precies genoemd. Voetnoot Uitleg: βαπτιστής (baptistes), ‘doper’, van βαπτίζω (baptizo), ‘onderdompelen, dopen’. κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen’: als een heraut een boodschap uitroepen; wij vertalen het overal zo. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:2–8; Luc. 3:1–18; Joh. 1:19–28. Zie ook: Mar 1:2–8; Luc 3:1–18; Joh 1:19–28 **3:2** en zei: „Bekeer jullie, want het koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγων (legon) = zeggend | Μετανοεῖτε (Metanoeite) = bekeer jullie | ἤγγικεν (engiken) = is nabij gekomen | γὰρ (gar) = want | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετανοεῖτε (metanoeite), ‘bekeer jullie’, van μετανοέω (metanoeo): van denken veranderen. Het gaat om een andere richting in denken en leven, een terugkeer tot Elohim, zoals het Hebreeuwse שׁוּב (shuv), ‘zich omkeren’ (Joël 2:12). Voetnoot : βασιλεία τῶν οὐρανῶν (basileia ton ouranon), ‘het koninkrijk van de hemelen’: ‘hemelen’ staat in het meervoud, zoals het Hebreeuwse שָׁמַיִם (shamayim). Matteüs schrijft elders ook ‘het koninkrijk van Elohim’ (Matt. 12:28). Voetnoot : ἤγγικεν (engiken), ‘is nabij gekomen’, staat in de voltooide tijd: het is dichtbij gekomen en is er nu. Zie ook: Joël 2:12; Mat 12:28 **3:3** Want dit is degene over wie gesproken is door de profeet Jesaja, toen hij zei: „Een stem van iemand die roept in de woestijn: ‘Maak de weg van Yahweh gereed, maak Zijn paden recht.’” Brontekst: οὗτος (houtos) = dit | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = degene | ῥηθεὶς (rhetheis) = gesprokene | διὰ (dia) = door | Ἠσαΐου (Esaiou) = Jesaja | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend | Φωνὴ (Phone) = stem | βοῶντος (boontos) = van een roepende | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | Ἑτοιμάσατε (Hetoimasate) = maak gereed | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | εὐθείας (eutheias) = recht | ποιεῖτε (poieite) = maak | τὰς (tas) = de | τρίβους (tribous) = paden | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 40:3. Het Hebreeuws heeft ‘Een stem roept: baan in de woestijn de weg van Yahweh’; de Griekse tekst heeft ‘Een stem van iemand die roept in de woestijn’ en verbindt ‘in de woestijn’ dus met de roepende. κυρίου (kyriou), ‘van de Heer’, is vertaald als Yahweh, zoals in het Hebreeuws (יהוה). Voetnoot : Zie ook Mal. 3:1; Mark. 1:2–3; Luc. 3:4–6; Joh. 1:23. Zie ook: Jes 40:3; Mal 3:1; Mar 1:2–3; Luc 3:4–6; Joh 1:23 **3:4** Johannes droeg zelf kleding van kamelenhaar en een leren gordel om zijn heupen. Sprinkhanen en wilde honing waren zijn voedsel. Brontekst: αὐτὸς (autos) = hij zelf | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | εἶχεν (eichen) = had | τὸ (to) = de | ἔνδυμα (endyma) = kleding | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀπὸ (apo) = van | τριχῶν (trichon) = haren | καμήλου (kamelou) = van een kameel | καὶ (kai) = en | ζώνην (zonen) = gordel | δερματίνην (dermatinen) = leren | περὶ (peri) = om | τὴν (ten) = de | ὀσφὺν (osphyn) = heupen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | τροφὴ (trophe) = voedsel | ἦν (en) = was | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀκρίδες (akrides) = sprinkhanen | καὶ (kai) = en | μέλι (meli) = honing | ἄγριον (agrion) = wilde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ook Elia droeg een leren gordel om zijn heupen (2 Kon. 1:8). Voetnoot : ἀκρίδες (akrides), ‘sprinkhanen’: dieren die volgens Lev. 11:22 gegeten mochten worden. Zie ook: Lev 11:22; 2 Kon 1:8 **3:5** Toen trokken Jeruzalem en heel Judea en heel de omgeving van de Jordaan naar hem toe. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἐξεπορεύετο (exeporeueto) = trok uit | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | πᾶσα (pasa) = heel | ἡ (he) = de | Ἰουδαία (Ioudaia) = Judea | καὶ (kai) = en | πᾶσα (pasa) = heel | ἡ (he) = de | περίχωρος (perichoros) = omgeving | τοῦ (tou) = van de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **3:6** Zij werden door hem gedoopt in de rivier de Jordaan en beleden hun zonden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐβαπτίζοντο (ebaptizonto) = werden gedoopt | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | Ἰορδάνῃ (Iordane) = Jordaan | ποταμῷ (potamo) = rivier | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = hem | ἐξομολογούμενοι (exomologoumenoi) = belijdend | τὰς (tas) = de | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. ### Johannes tegen de Farizeeën en Sadduceeën **3:7** Johannes zag veel Farizeeën en Sadduceeën naar zijn doop komen. Hij zei tegen hen: „Nageslacht van adders, wie heeft jullie erop gewezen om te vluchten voor de komende toorn? Brontekst: Ἰδὼν (Idon) = ziende | δὲ (de) = maar | πολλοὺς (pollous) = velen | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | Σαδδουκαίων (Saddoukaion) = Sadduceeën | ἐρχομένους (erchomenous) = komend | ἐπὶ (epi) = naar | τὸ (to) = de | βάπτισμα (baptisma) = doop | αὐτοῦ (autou) = zijn | εἶπεν (eipen) = hij zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Γεννήματα (Gennemata) = nageslacht | ἐχιδνῶν (echidnon) = van adders | τίς (tis) = wie | ὑπέδειξεν (hypedeixen) = wees erop | ὑμῖν (hymin) = jullie | φυγεῖν (phygein) = te vluchten | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | μελλούσης (mellouses) = komende | ὀργῆς (orges) = toorn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Φαρισαῖοι (Farizeeën) en Σαδδουκαῖοι (Sadduceeën) waren twee groepen in het Joodse volk, met verschillende opvattingen over de wet en de overlevering. Voetnoot : ἐχιδνῶν (echidnon), ‘van adders’: gifslangen. γεννήματα (gennemata), ‘nageslacht’: zoals het Hebreeuwse זֶרַע (zera) in Jes. 1:4, ‘nageslacht van kwaaddoeners’. Zie ook: Jes 1:4 **3:8** Breng dan vrucht voort die bij de bekering past. Brontekst: ποιήσατε (poiesate) = breng voort | οὖν (oun) = dus | καρπὸν (karpon) = vrucht | ἄξιον (axion) = passend | τῆς (tes) = bij de | μετανοίας (metanoias) = bekering Bron: SBLGNT **3:9** En denk er niet aan om bij jullie zelf te zeggen: ‘Wij hebben Abraham als vader.’ Want ik zeg jullie: Elohim kan uit deze stenen kinderen voor Abraham doen opstaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | δόξητε (doxete) = denk | λέγειν (legein) = te zeggen | ἐν (en) = bij | ἑαυτοῖς (heautois) = jullie zelf | Πατέρα (Patera) = vader | ἔχομεν (echomen) = wij hebben | τὸν (ton) = de | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | λέγω (lego) = ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | δύναται (dynatai) = kan | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | λίθων (lithon) = stenen | τούτων (touton) = deze | ἐγεῖραι (egeirai) = doen opstaan | τέκνα (tekna) = kinderen | τῷ (to) = voor de | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham Bron: SBLGNT **3:10** De bijl ligt al aan de wortel van de bomen. Elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. Brontekst: ἤδη (ede) = al | δὲ (de) = maar | ἡ (he) = de | ἀξίνη (axine) = bijl | πρὸς (pros) = bij | τὴν (ten) = de | ῥίζαν (rhizan) = wortel | τῶν (ton) = van de | δένδρων (dendron) = bomen | κεῖται (keitai) = ligt | πᾶν (pan) = elke | οὖν (oun) = dus | δένδρον (dendron) = boom | μὴ (me) = niet | ποιοῦν (poioun) = voortbrengend | καρπὸν (karpon) = vrucht | καλὸν (kalon) = goede | ἐκκόπτεται (ekkoptetai) = wordt omgehakt | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | πῦρ (pyr) = vuur | βάλλεται (balletai) = wordt geworpen Bron: SBLGNT ### Hij die na mij komt **3:11** Ik doop jullie met water tot bekering. Maar Hij die na mij komt, is sterker dan ik. Ik ben niet waardig om Zijn sandalen te dragen. Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en vuur. Brontekst: Ἐγὼ (Ego) = ik | μὲν (men) = wel | ὑμᾶς (hymas) = jullie | βαπτίζω (baptizo) = doop | ἐν (en) = in | ὕδατι (hydati) = water | εἰς (eis) = tot | μετάνοιαν (metanoian) = bekering | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = mij | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | ἰσχυρότερός (ischyroteros) = sterker | μού (mou) = dan ik | ἐστιν (estin) = is | οὗ (hou) = van wie | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἱκανὸς (hikanos) = waardig | τὰ (ta) = de | ὑποδήματα (hypodemata) = sandalen | βαστάσαι (bastasai) = te dragen | αὐτὸς (autos) = Hij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | βαπτίσει (baptisei) = zal dopen | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = Geest | ἁγίῳ (hagio) = heilige | καὶ (kai) = en | πυρί (pyri) = vuur Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱκανός (hikanos), ‘geschikt, goed genoeg’: wij vertalen ‘waardig’. ἐν ὕδατι (en hydati): ‘in water’ of ‘met water’; het Grieks ἐν kan beide betekenen. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:7–8; Luc. 3:16; Joh. 1:26–27. Zie ook: Mar 1:7–8; Luc 3:16; Joh 1:26–27 **3:12** Zijn wan is in Zijn hand. Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen en Zijn graan in de schuur verzamelen. Het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.” Brontekst: οὗ (hou) = van wie | τὸ (to) = de | πτύον (ptyon) = wan | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | χειρὶ (cheiri) = hand | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | διακαθαριεῖ (diakathariei) = zal grondig reinigen | τὴν (ten) = de | ἅλωνα (halona) = dorsvloer | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | συνάξει (synaxei) = zal verzamelen | τὸν (ton) = het | σῖτον (siton) = graan | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | ἀποθήκην (apotheken) = schuur | τὸ (to) = het | δὲ (de) = maar | ἄχυρον (achyron) = kaf | κατακαύσει (katakausei) = zal verbranden | πυρὶ (pyri) = met vuur | ἀσβέστῳ (asbesto) = onuitblusbaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πτύον (ptyon), ‘wan’: een soort vork of schop om gedorst graan in de wind te gooien, zodat het kaf wegwaait. ἅλων (halon), ‘dorsvloer’: de vlakke plek waar het graan werd gedorst. ἄχυρον (achyron), ‘kaf’: de lege doppen van het graan. Voetnoot : Zie ook Luc. 3:17. Zie ook: Luc 3:17 ### Yeshua wordt gedoopt **3:13** Toen kwam Yeshua uit Galilea naar de Jordaan, naar Johannes, om door hem gedoopt te worden. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | παραγίνεται (paraginetai) = komt | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | ἐπὶ (epi) = naar | τὸν (ton) = de | Ἰορδάνην (Iordanen) = Jordaan | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τοῦ (tou) = om | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt te worden | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 1:9–11; Luc. 3:21–22; Joh. 1:29–34. Zie ook: Mar 1:9–11; Luc 3:21–22; Joh 1:29–34 **3:14** Maar Johannes probeerde Hem tegen te houden en zei: „Ik heb het nodig om door U gedoopt te worden, en komt U naar mij?” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | διεκώλυεν (diekolyen) = probeerde tegen te houden | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγων (legon) = zeggend | Ἐγὼ (Ego) = ik | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχω (echo) = heb | ὑπὸ (hypo) = door | σοῦ (sou) = U | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt te worden | καὶ (kai) = en | σὺ (sy) = U | ἔρχῃ (erche) = komt | πρός (pros) = naar | με (me) = mij Bron: SBLGNT **3:15** Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Laat het nu gebeuren, want zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen.”** Toen liet hij Hem begaan. Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem | Ἄφες (Aphes) = laat gebeuren | ἄρτι (arti) = nu | οὕτως (houtos) = zo | γὰρ (gar) = want | πρέπον (prepon) = passend | ἐστὶν (estin) = is | ἡμῖν (hemin) = ons | πληρῶσαι (plerosai) = te vervullen | πᾶσαν (pasan) = alle | δικαιοσύνην (dikaiosynen) = gerechtigheid | τότε (tote) = toen | ἀφίησιν (aphiesin) = laat begaan | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’: wat in de ogen van Elohim goed en recht is. ἡμῖν (hemin), ‘ons’: Yeshua en Johannes samen. πρέπον (prepon), ‘passend, gepast’. **3:16** Toen Yeshua gedoopt was, kwam Hij meteen uit het water omhoog. En zie: de hemelen gingen open, en Hij zag de Geest van Elohim als een duif neerdalen en op Hem komen. Brontekst: βαπτισθεὶς (baptistheis) = gedoopt zijnde | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀνέβη (anebe) = kwam omhoog | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = het | ὕδατος (hydatos) = water | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἠνεῴχθησαν (eneochthesan) = gingen open | οἱ (hoi) = de | οὐρανοί (ouranoi) = hemelen | καὶ (kai) = en | εἶδεν (eiden) = Hij zag | πνεῦμα (pneuma) = Geest | θεοῦ (theou) = van Elohim | καταβαῖνον (katabainon) = neerdalend | ὡσεὶ (hosei) = als | περιστερὰν (peristeran) = duif | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij εἶδεν (eiden), ‘zag’, geen onderwerp. Wij lezen Yeshua, omdat Hij zojuist uit het water is gekomen; zie ook Joh. 1:32–33, waar Johannes getuigt dat hij de Geest zag neerdalen. Voetnoot : πνεῦμα θεοῦ (pneuma theou), ‘Geest van Elohim’: zie Gen. 1:2, waar de Geest van Elohim boven het water zweefde, en Jes. 42:1. Zie ook: Gen 1:2; Jes 42:1; Joh 1:32–33 **3:17** En zie: een stem uit de hemelen zei: **„Dit is Mijn geliefde Zoon, in wie Ik behagen heb.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | φωνὴ (phone) = stem | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | λέγουσα (legousa) = zeggend | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = Zoon | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | ἀγαπητός (agapetos) = geliefde | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = wie | εὐδόκησα (eudokesa) = Ik heb behagen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt alleen ‘een stem uit de hemelen’. Wij lezen de stem van de Vader, omdat de stem zegt ‘Mijn Zoon’. De woorden doen denken aan Ps. 2:7 (‘Mijn zoon ben jij’) en Jes. 42:1 (‘Mijn uitverkorene, in wie Mijn ziel behagen heeft’). ἀγαπητός (agapetos), ‘geliefde’: vergelijk Gen. 22:2, ‘je zoon, je enige, die je liefhebt’. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:11; Luc. 3:22. Zie ook: Gen 22:2; Ps 2:7; Jes 42:1; Mar 1:11; Luc 3:22 ## Matteüs 4 _De verzoeking in de woestijn en de eerste leerlingen_ ### Yeshua wordt op de proef gesteld **4:1** Toen werd Yeshua door de Geest naar de woestijn geleid om door de duivel op de proef gesteld te worden. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀνήχθη (anechthe) = werd geleid | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἔρημον (eremon) = woestijn | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | πειρασθῆναι (peirasthenai) = op de proef gesteld te worden | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | διαβόλου (diabolou) = duivel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: het woord kan ook ‘verleiden’ betekenen. Het Hebreeuwse נִסָּה (nissah) betekent ‘op de proef stellen’ (Gen. 22:1; Deut. 8:2). Voetnoot : διάβολος (diabolos), ‘duivel’, is letterlijk ‘beschuldiger, lasteraar’. In 4:10 heet hij Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’, van het Hebreeuwse שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:12–13; Luc. 4:1–13. Zie ook: Gen 22:1; Deut 8:2; Mar 1:12–13; Luc 4:1–13 **4:2** Hij vastte 40 dagen en 40 nachten, en kreeg daarna honger. Brontekst: καὶ (kai) = en | νηστεύσας (nesteusas) = gevast hebbend | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 | καὶ (kai) = en | νύκτας (nyktas) = nachten | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 | ὕστερον (hysteron) = daarna | ἐπείνασεν (epeinasen) = kreeg honger Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: 40 dagen en 40 nachten komen ook voor bij Mozes op de berg (Exod. 34:28; Deut. 9:9) en bij Elia onderweg naar de berg Horeb (1 Kon. 19:8). Zie ook: Ex 34:28; Deut 9:9; 1 Kon 19:8 **4:3** Degene die Hem op de proef stelde, kwam naar Hem toe en zei: _„Als U Zoon van Elohim bent, zeg dat deze stenen broden worden.”_ Brontekst: καὶ (kai) = en | προσελθὼν (proselthon) = naderend | ὁ (ho) = de | πειράζων (peirazon) = op de proef stellende | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Εἰ (Ei) = als | υἱὸς (huios) = Zoon | εἶ (ei) = ben | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰπὲ (eipe) = zeg | ἵνα (hina) = dat | οἱ (hoi) = de | λίθοι (lithoi) = stenen | οὗτοι (houtoi) = deze | ἄρτοι (artoi) = broden | γένωνται (genontai) = worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ πειράζων (ho peirazon), ‘degene die op de proef stelt’: de duivel uit 4:1 en 4:5. **4:4** Hij antwoordde en zei: **„Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van elk woord dat uitgaat door de mond van Elohim.’”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Γέγραπται (Gegraptai) = er staat geschreven | Οὐκ (Ouk) = niet | ἐπ’ (ep’) = op | ἄρτῳ (arto) = brood | μόνῳ (mono) = alleen | ζήσεται (zesetai) = zal leven | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐπὶ (epi) = op | παντὶ (panti) = elk | ῥήματι (rhemati) = woord | ἐκπορευομένῳ (ekporeuomeno) = uitgaand | διὰ (dia) = door | στόματος (stomatos) = mond | θεοῦ (theou) = van Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Deut. 8:3. Het Hebreeuws heeft ‘de mens leeft van alles wat uit de mond van Yahweh komt’; de Griekse tekst heeft ‘van elk woord dat door de mond van Elohim uitgaat’. De woorden gaan in Deuteronomium over Israël in de woestijn (Deut. 8:2–3). Zie ook: Deut 8:2–3; Deut 8:3 **4:5** Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en zette Hem op de rand van de tempel. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | παραλαμβάνει (paralambanei) = neemt mee | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | διάβολος (diabolos) = duivel | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἁγίαν (hagian) = heilige | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | ἔστησεν (estesen) = zette | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = de | πτερύγιον (pterygion) = rand | τοῦ (tou) = van de | ἱεροῦ (hierou) = tempel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁγία πόλις (hagia polis), ‘de heilige stad’, is Jeruzalem (Neh. 11:1; Jes. 52:1). ἱερόν (hieron), ‘tempel’, is het hele tempelterrein. Voetnoot : πτερύγιον (pterygion) is letterlijk ‘vleugeltje’. Het gaat om een uitstekende hoek of rand van het tempelcomplex. Welk punt bedoeld is, is niet zeker. Zie ook: Jes 52:1; Neh 11:1 **4:6** En hij zei tegen Hem: _„Als U Zoon van Elohim bent, werp Uzelf naar beneden. Want er staat geschreven: ‘Aan Zijn engelen zal Hij opdracht geven over U, en op handen zullen zij U dragen, opdat U Uw voet niet tegen een steen stoot.’”_ Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Εἰ (Ei) = als | υἱὸς (huios) = Zoon | εἶ (ei) = ben | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | βάλε (bale) = werp | σεαυτὸν (seauton) = Uzelf | κάτω (kato) = naar beneden | γέγραπται (gegraptai) = er staat geschreven | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | Τοῖς (Tois) = aan de | ἀγγέλοις (angelois) = engelen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐντελεῖται (enteleitai) = zal opdracht geven | περὶ (peri) = over | σοῦ (sou) = U | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = op | χειρῶν (cheiron) = handen | ἀροῦσίν (arousin) = zullen dragen | σε (se) = U | μήποτε (mepote) = opdat niet | προσκόψῃς (proskopses) = U stoot | πρὸς (pros) = tegen | λίθον (lithon) = steen | τὸν (ton) = de | πόδα (poda) = voet | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Ps. 91:11–12. De duivel laat ‘om je te beschermen op al je wegen’ weg. In de aanhaling staat ‘U’, omdat de duivel de woorden op Yeshua toepast. Zie ook: Ps 91:11–12 **4:7** Yeshua zei tegen hem: **„Er staat ook geschreven: ‘Je mag Yahweh, je Elohim, niet op de proef stellen.’”** Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Πάλιν (Palin) = opnieuw | γέγραπται (gegraptai) = er staat geschreven | Οὐκ (Ouk) = niet | ἐκπειράσεις (ekpeiraseis) = zult op de proef stellen | κύριον (kyrion) = Yahweh | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Deut. 6:16. In Deuteronomium volgt: ‘zoals je Hem bij Massa op de proef hebt gesteld’ (zie ook Exod. 17:7). ἐκπειράζω (ekpeirazo) is een sterkere vorm van πειράζω (4:1): ‘helemaal op de proef stellen’. Zie ook: Ex 17:7; Deut 6:16 **4:8** Opnieuw nam de duivel Hem mee, naar een zeer hoge berg, en liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien en hun heerlijkheid. Brontekst: Πάλιν (Palin) = opnieuw | παραλαμβάνει (paralambanei) = neemt mee | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | διάβολος (diabolos) = duivel | εἰς (eis) = naar | ὄρος (oros) = berg | ὑψηλὸν (hypselon) = hoge | λίαν (lian) = zeer | καὶ (kai) = en | δείκνυσιν (deiknysin) = toont | αὐτῷ (auto) = Hem | πάσας (pasas) = alle | τὰς (tas) = de | βασιλείας (basileias) = koninkrijken | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **4:9** En hij zei tegen Hem: _„Dit alles zal ik U geven, als U neervalt en zich voor mij neerbuigt.”_ Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ταῦτά (Tauta) = dit | σοι (soi) = aan U | πάντα (panta) = alles | δώσω (doso) = zal ik geven | ἐὰν (ean) = als | πεσὼν (peson) = neervallend | προσκυνήσῃς (proskyneses) = U zich neerbuigt | μοι (moi) = voor mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσκυνήσῃς (proskynesas), ‘je neerbuigt’: zie 2:2. De duivel vraagt wat Deut. 6:13 alleen voor Yahweh bestemt; zie 4:10. Zie ook: Deut 6:13 **4:10** Toen zei Yeshua tegen hem: **„Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: ‘Voor Yahweh, je Elohim, moet je je neerbuigen, en Hem alleen moet je dienen.’”** Brontekst: τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ὕπαγε (Hypage) = ga weg | Σατανᾶ (Satana) = Satan | γέγραπται (gegraptai) = er staat geschreven | γάρ (gar) = want | Κύριον (Kyrion) = Yahweh | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | σου (sou) = je | προσκυνήσεις (proskyneseis) = zult neerbuigen | καὶ (kai) = en | αὐτῷ (auto) = Hem | μόνῳ (mono) = alleen | λατρεύσεις (latreuseis) = zult dienen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Deut. 6:13. Het Hebreeuws heeft ‘Yahweh, je Elohim, moet je vrezen. Hem moet je dienen’; de Griekse tekst heeft ‘je neerbuigen’ en voegt ‘alleen’ toe. κύριον (kyrion), ‘Heer’, is vertaald als Yahweh, zoals in 3:3. λατρεύω (latreuo), ‘dienen’: dienst aan Elohim. Zie ook: Deut 6:13 **4:11** Toen verliet de duivel Hem, en zie: engelen kwamen naar Hem toe en dienden Hem. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἀφίησιν (aphiesin) = verlaat | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | διάβολος (diabolos) = duivel | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | προσῆλθον (proselthon) = kwamen | καὶ (kai) = en | διηκόνουν (diekonoun) = dienden | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT ### Yeshua gaat naar Galilea **4:12** Toen Hij hoorde dat Johannes was overgeleverd, vertrok Hij naar Galilea. Brontekst: Ἀκούσας (Akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = dat | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | παρεδόθη (paredothe) = werd overgeleverd | ἀνεχώρησεν (anechoresen) = vertrok | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: παρεδόθη (paredothe), ‘werd overgeleverd’: aan de autoriteiten uitgeleverd, hier waarschijnlijk gevangengezet. Zie ook Mark. 1:14. Zie ook: Mar 1:14 **4:13** Hij verliet Nazaret, kwam en ging wonen in Kapernaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali, Brontekst: καὶ (kai) = en | καταλιπὼν (katalipon) = achterlatend | τὴν (ten) = de | Ναζαρὰ (Nazara) = Nazaret | ἐλθὼν (elthon) = komend | κατῴκησεν (katokesen) = ging wonen | εἰς (eis) = in | Καφαρναοὺμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | τὴν (ten) = de | παραθαλασσίαν (parathalassian) = aan zee gelegen | ἐν (en) = in | ὁρίοις (horiois) = gebieden | Ζαβουλὼν (Zaboulon) = van Zebulon | καὶ (kai) = en | Νεφθαλίμ (Nephthalim) = Naftali Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Zie Zebulon: Zebulon is het stamgebied in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea. Zie Naftali: Naftali is het stamgebied in het noorden van Galilea, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Voetnoot Uitleg: Ναζαρά (Nazara) is een andere spelling van Ναζαρέτ (Nazaret, 2:23). Καφαρναούμ (Kafarnaoem) is het Hebreeuwse ‘dorp van Nachum’ (Kefar Nachum). Zebulon en Naftali zijn de twee stamgebieden in het noorden (Joz. 19:10–16 en 19:32–39). Zie ook: Joz 19:10–16; Joz 19:32 **4:14** opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet Jesaja: Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gesprokene | διὰ (dia) = door | Ἠσαΐου (Esaiou) = Jesaja | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend Bron: SBLGNT **4:15** „Land van Zebulon en land van Naftali, de weg langs de zee, aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de volken: Brontekst: Γῆ (Ge) = land | Ζαβουλὼν (Zaboulon) = van Zebulon | καὶ (kai) = en | γῆ (ge) = land | Νεφθαλίμ (Nephthalim) = van Naftali | ὁδὸν (hodon) = weg | θαλάσσης (thalasses) = van de zee | πέραν (peran) = aan de overkant | τοῦ (tou) = van de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan | Γαλιλαία (Galilaia) = Galilea | τῶν (ton) = van de | ἐθνῶν (ethnon) = volken Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zebulon: Zebulon is het stamgebied in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea. Zie Naftali: Naftali is het stamgebied in het noorden van Galilea, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. **4:16** Het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien. Voor hen die zaten in het land en de schaduw van de dood, is hun een licht opgegaan.” Brontekst: ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | ὁ (ho) = het | καθήμενος (kathemenos) = zittende | ἐν (en) = in | σκοτίᾳ (skotia) = duisternis | φῶς (phos) = licht | εἶδεν (eiden) = zag | μέγα (mega) = groot | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = voor de | καθημένοις (kathemenois) = zittenden | ἐν (en) = in | χώρᾳ (chora) = land | καὶ (kai) = en | σκιᾷ (skia) = schaduw | θανάτου (thanatou) = van de dood | φῶς (phos) = licht | ἀνέτειλεν (aneteilen) = is opgegaan | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 8:23–9:1 (Hebreeuwse telling; in de Nederlandse telling is dit 9:1–2). Het Hebreeuws heeft ‘het volk dat in de duisternis liep’ en ‘wie in het land van diepe schaduw woonden’; de Griekse tekst heeft ‘het volk dat in duisternis zat’ en ‘zaten in het land en de schaduw van de dood’. σκιὰ θανάτου (skia thanatou), ‘schaduw van de dood’, geeft het Hebreeuwse צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’, weer. Matteüs laat ook de zin vooraf uit Jes. 8:23 weg, over de ‘minachting’ van het land Zebulon en het land Naftali. Voetnoot : ἔθνη (ethne), ‘volken’: ook ‘de heidenen’, de niet-Joden. Zie ook: Jes 8:23–9:1 **4:17** Vanaf die tijd begon Yeshua te verkondigen en te zeggen: **„Bekeer jullie, want het koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen.”** Brontekst: Ἀπὸ (Apo) = vanaf | τότε (tote) = toen | ἤρξατο (erxato) = begon | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | κηρύσσειν (keryssein) = te verkondigen | καὶ (kai) = en | λέγειν (legein) = te zeggen | Μετανοεῖτε (Metanoeite) = bekeer jullie | ἤγγικεν (engiken) = is nabij gekomen | γὰρ (gar) = want | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden als bij Johannes in 3:2. Zie ook Mark. 1:14–15. Zie ook: Mar 1:14–15 ### De roeping van de eerste leerlingen **4:18** Terwijl Hij langs de zee van Galilea liep, zag Hij twee broers: Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Zij wierpen een net in de zee, want zij waren vissers. Brontekst: Περιπατῶν (Peripaton) = wandelend | δὲ (de) = maar | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | εἶδεν (eiden) = zag | δύο (dyo) = twee | ἀδελφούς (adelphous) = broers | Σίμωνα (Simona) = Simon | τὸν (ton) = de | λεγόμενον (legomenon) = genoemde | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἀνδρέαν (Andrean) = Andreas | τὸν (ton) = de | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | βάλλοντας (ballontas) = werpend | ἀμφίβληστρον (amphiblestron) = net | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | ἁλιεῖς (halieis) = vissers Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: Πέτρος (Petros), ‘Petrus’, is Grieks voor ‘rots’; zie Matt. 16:18 en Joh. 1:42. Voetnoot : θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het gaat hier om het meer van Galilea, in het Hebreeuws de ‘zee van Kinneret’ (Num. 34:11). Voetnoot : Zie ook Mark. 1:16–20; Luc. 5:1–11. Zie ook: Num 34:11; Mat 16:18; Mar 1:16–20; Luc 5:1–11; Joh 1:42 **4:19** Hij zei tegen hen: **„Kom achter Mij aan, en Ik zal jullie vissers van mensen maken.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Δεῦτε (Deute) = kom | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = Mij | καὶ (kai) = en | ποιήσω (poieso) = zal maken | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἁλιεῖς (halieis) = vissers | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen Bron: SBLGNT **4:20** Meteen lieten zij de netten achter en volgden Hem. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀφέντες (aphentes) = achterlatend | τὰ (ta) = de | δίκτυα (diktya) = netten | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT **4:21** Hij ging vandaar verder en zag twee andere broers: Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Zij waren met hun vader Zebedeüs in de boot, terwijl zij hun netten herstelden. Hij riep hen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προβὰς (probas) = verder gaand | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | εἶδεν (eiden) = zag | ἄλλους (allous) = andere | δύο (dyo) = twee | ἀδελφούς (adelphous) = broers | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | τὸν (ton) = de | τοῦ (tou) = van de | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = Zebedeüs | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = de | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πλοίῳ (ploio) = boot | μετὰ (meta) = met | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = Zebedeüs | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = vader | αὐτῶν (auton) = hun | καταρτίζοντας (katartizontas) = herstellend | τὰ (ta) = de | δίκτυα (diktya) = netten | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | ἐκάλεσεν (ekalesen) = riep | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰάκωβος (Iakobos) is de Griekse vorm van Jakob; wij schrijven ‘Jakobus’, om hem te onderscheiden van de aartsvader. καταρτίζω (katartizo), ‘herstellen’: in orde brengen. **4:22** Meteen lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀφέντες (aphentes) = achterlatend | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | αὐτῶν (auton) = hun | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT ### Yeshua geneest en onderwijst in heel Galilea **4:23** Hij trok door heel Galilea. Hij onderwees in hun synagogen, verkondigde de goede boodschap van het koninkrijk en genas elke ziekte en elke kwaal onder het volk. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | περιῆγεν (periegen) = trok rond | ἐν (en) = in | ὅλῃ (hole) = hele | τῇ (te) = de | Γαλιλαίᾳ (Galilaia) = Galilea | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | τὸ (to) = de | εὐαγγέλιον (euangelion) = goede boodschap | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | καὶ (kai) = en | θεραπεύων (therapeuon) = genezend | πᾶσαν (pasan) = elke | νόσον (noson) = ziekte | καὶ (kai) = en | πᾶσαν (pasan) = elke | μαλακίαν (malakian) = kwaal | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | λαῷ (lao) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: εὐαγγέλιον (euangelion), ‘goede boodschap’: het bericht dat Elohim Koning is; het Hebreeuwse werkwoord בָּשַׂר (basar), ‘goed nieuws brengen’, staat in Jes. 52:7 en Jes. 61:1. Voetnoot : συναγωγή (synagoge), ‘samenkomst’: de plaats waar de Joden samenkwamen om de Schrift te lezen en te bespreken. Zie ook: Jes 52:7; Jes 61:1 **4:24** Het nieuws over Hem ging tot in heel Syrië. Zij brachten bij Hem allen die ziek waren, gekweld door allerlei ziekten en pijnen: door demonen bezeten, maanziek en verlamd. En Hij genas hen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging | ἡ (he) = het | ἀκοὴ (akoe) = nieuws | αὐτοῦ (autou) = over Hem | εἰς (eis) = naar | ὅλην (holen) = heel | τὴν (ten) = de | Συρίαν (Syrian) = Syrië | καὶ (kai) = en | προσήνεγκαν (prosenenkan) = brachten | αὐτῷ (auto) = aan Hem | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | κακῶς (kakos) = slecht | ἔχοντας (echontas) = hebbenden | ποικίλαις (poikilais) = verschillende | νόσοις (nosois) = ziekten | καὶ (kai) = en | βασάνοις (basanois) = pijnen | συνεχομένους (synechomenous) = gekweld | δαιμονιζομένους (daimonizomenous) = door demonen bezeten | καὶ (kai) = en | σεληνιαζομένους (seleniazomenous) = maanzieken | καὶ (kai) = en | παραλυτικούς (paralytikous) = verlamden | καὶ (kai) = en | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad. De grenzen waren niet scherp. Voetnoot Uitleg: σεληνιάζομαι (seleniazomai), ‘maanziek zijn’, van σελήνη (selene), ‘maan’: men verbond deze ziekte met de maan. Het gaat vermoedelijk om aanvallen zoals bij epilepsie, maar dat is niet zeker. δαιμονίζομαι (daimonizomai), ‘door een demon bezeten zijn’. **4:25** Veel menigten volgden Hem, uit Galilea, de Decapolis, Jeruzalem, Judea en van de overkant van de Jordaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem | ὄχλοι (ochloi) = menigten | πολλοὶ (polloi) = vele | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | Δεκαπόλεως (Dekapoleos) = Decapolis | καὶ (kai) = en | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | καὶ (kai) = en | πέραν (peran) = overkant | τοῦ (tou) = van de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Decapolis (ligging onzeker): De Decapolis (‘tien steden’) was een groep Griekse steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, nu in Jordanië, Syrië en Israël. De omvang is niet exact vast te stellen. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Overkant van de Jordaan (Perea; ligging onzeker): ‘De overkant van de Jordaan’ is het gebied ten oosten van de Jordaan, tegenover Judea. Later heette dit gebied Perea. De precieze grenzen zijn niet vast te stellen. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Δεκάπολις (Dekapolis), ‘Tien Steden’: een gebied van tien steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan. ## Matteüs 5 _De bergrede: gelukkig, zout en licht, en de wet_ ### Yeshua op de berg **5:1** Toen Hij de menigten zag, ging Hij de berg op. En toen Hij was gaan zitten, kwamen Zijn leerlingen naar Hem toe. Brontekst: Ἰδὼν (Idon) = ziende | δὲ (de) = maar | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἀνέβη (anebe) = ging omhoog | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | καὶ (kai) = en | καθίσαντος (kathisantos) = gaan zittend | αὐτοῦ (autou) = Hij | προσῆλθαν (proselthan) = kwamen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὄρος (oros), ‘berg’: het Grieks heeft ‘de berg’ met lidwoord. Welke berg het is, wordt niet gezegd. Voetnoot : De toespraak die hier begint, loopt door tot en met Matt. 7:27; in 7:28–29 sluit de verteller haar af. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:17–20. Zie ook: Mat 7:27; Luc 6:17–20 **5:2** Hij opende Zijn mond, onderwees hen en zei: Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀνοίξας (anoixas) = openend | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐδίδασκεν (edidasken) = onderwees | αὐτοὺς (autous) = hen | λέγων (legon) = zeggend Bron: SBLGNT ### Gelukkig **5:3** **„Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk van de hemelen.** Brontekst: Μακάριοι (Makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | πτωχοὶ (ptochoi) = armen | τῷ (to) = in de | πνεύματι (pneumati) = geest | ὅτι (hoti) = want | αὐτῶν (auton) = van hen | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μακάριοι (makarioi), ‘gelukkig’: dit past bij het Hebreeuwse אַשְׁרֵי (ashre), ‘gelukkig’, zoals in Ps. 1:1. Wij vertalen het hier net zo als daar. Voetnoot : πτωχοὶ τῷ πνεύματι (ptochoi to pneumati), ‘armen van geest’: een πτωχός (ptochos) is iemand die niets heeft en alles van anderen moet verwachten. De woorden ‘in de geest’ zeggen waarin zij arm zijn. Vergelijk Jes. 66:2, ‘de ellendige, gebroken van geest, die beeft voor Mijn woord’, en Jes. 61:1. Voetnoot : βασιλεία τῶν οὐρανῶν: zie Matt. 3:2. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:20–23. Zie ook: Ps 1:1; Jes 61:1; Jes 66:2; Mat 3:2; Luc 6:20–23 **5:4** **Gelukkig de rouwenden, want zij zullen getroost worden.** Brontekst: μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | πενθοῦντες (penthountes) = rouwenden | ὅτι (hoti) = want | αὐτοὶ (autoi) = zij | παρακληθήσονται (paraklethesontai) = zullen getroost worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πενθοῦντες (penthountes), ‘rouwenden’: vergelijk Jes. 61:2–3, waar Yahweh de rouwenden troost. Voetnoot : παρακληθήσονται (parakletesontai), ‘zij zullen getroost worden’: het Grieks heeft hier een lijdende vorm en noemt niet wie troost. In Jes. 61:2 is dat Yahweh. Zo ook in 5:6 en 5:9. Zie ook: Jes 61:2–3 **5:5** **Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde erven.** Brontekst: μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | πραεῖς (praeis) = zachtmoedigen | ὅτι (hoti) = want | αὐτοὶ (autoi) = zij | κληρονομήσουσι (kleronomesousi) = zullen erven | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πραεῖς (praeis), ‘zachtmoedigen’. Ps. 37:11 zegt in het Hebreeuws: ‘de nederigen (עֲנָוִים, anavim) zullen het land erven’. Hier staat ‘zij zullen de aarde erven’: γῆ (ge) betekent zowel ‘land’ als ‘aarde’. Wij vertalen in de bergrede overal ‘aarde’ (zie 5:13, 5:18, 5:35). Zie ook: Ps 37:11 **5:6** **Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.** Brontekst: μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | πεινῶντες (peinontes) = hongerenden | καὶ (kai) = en | διψῶντες (dipsontes) = dorstenden | τὴν (ten) = de | δικαιοσύνην (dikaiosynen) = gerechtigheid | ὅτι (hoti) = want | αὐτοὶ (autoi) = zij | χορτασθήσονται (chortasthesontai) = zullen verzadigd worden Bron: SBLGNT **5:7** **Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ontvangen.** Brontekst: μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | ἐλεήμονες (eleemones) = barmhartigen | ὅτι (hoti) = want | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἐλεηθήσονται (eleethesontai) = zullen barmhartigheid ontvangen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐλεήμονες (eleemones), ‘barmhartigen’, van ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’. Vergelijk het Hebreeuwse חֶסֶד (chesed), dat wij met ‘trouw’ vertalen, in Hos. 6:6: ‘Ik heb behagen in trouw’. Zie ook: Hos 6:6 **5:8** **Gelukkig de zuiveren van hart, want zij zullen Elohim zien.** Brontekst: μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | καθαροὶ (katharoi) = zuiveren | τῇ (te) = van het | καρδίᾳ (kardia) = hart | ὅτι (hoti) = want | αὐτοὶ (autoi) = zij | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | ὄψονται (opsontai) = zullen zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καθαροὶ τῇ καρδίᾳ (katharoi te kardia), ‘zuiver van hart’: vergelijk Ps. 24:4, ‘wie onschuldige handen en een zuiver hart heeft’, en Ps. 73:1. Zie ook: Ps 24:4; Ps 73:1 **5:9** **Gelukkig de vredestichters, want zij zullen zonen van Elohim genoemd worden.** Brontekst: μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | εἰρηνοποιοί (eirenopoioi) = vredestichters | ὅτι (hoti) = want | αὐτοὶ (autoi) = zij | υἱοὶ (huioi) = zonen | θεοῦ (theou) = van Elohim | κληθήσονται (klethesontai) = zullen genoemd worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰρηνοποιοί (eirenopoioi), ‘vredestichters’: wie vrede (Hebreeuws שָׁלוֹם, shalom) tot stand brengt. Dit woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. Voetnoot : υἱοὶ θεοῦ (huioi theou), ‘zonen van Elohim’: het Grieks heeft hier geen lidwoord. Vergelijk 5:45, ‘zonen van jullie Vader’. **5:10** **Gelukkig zij die vervolgd zijn omwille van gerechtigheid, want van hen is het koninkrijk van de hemelen.** Brontekst: μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | δεδιωγμένοι (dediogmenoi) = vervolgden | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | δικαιοσύνης (dikaiosynes) = gerechtigheid | ὅτι (hoti) = want | αὐτῶν (auton) = van hen | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT **5:11** **Gelukkig zijn jullie wanneer zij jullie beschimpen en vervolgen en, omwille van Mij, met leugens allerlei kwaad over jullie zeggen.** Brontekst: μακάριοί (makarioi) = gelukkig | ἐστε (este) = zijn jullie | ὅταν (hotan) = wanneer | ὀνειδίσωσιν (oneidisosin) = zij beschimpen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καὶ (kai) = en | διώξωσιν (dioxosin) = zij vervolgen | καὶ (kai) = en | εἴπωσιν (eiposin) = zij zeggen | πᾶν (pan) = alles | πονηρὸν (poneron) = kwaad | καθ’ (kath’) = tegen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ψευδόμενοι (pseudomenoi) = liegend | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt Yeshua de leerlingen rechtstreeks aan met ‘jullie’. Voetnoot : ὀνειδίζω (oneidizo), ‘beschimpen’. ψευδόμενοι (pseudomenoi), letterlijk ‘liegend’: wij vertalen ‘met leugens’. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:22–23. Zie ook: Luc 6:22–23 **5:12** **Verheug jullie en jubel, want jullie loon in de hemelen is groot. Zo hebben zij immers de profeten vervolgd die vóór jullie waren.** Brontekst: χαίρετε (chairete) = verheug jullie | καὶ (kai) = en | ἀγαλλιᾶσθε (agalliasthe) = jubel | ὅτι (hoti) = want | ὁ (ho) = het | μισθὸς (misthos) = loon | ὑμῶν (hymon) = jullie | πολὺς (polys) = groot | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | οὕτως (houtos) = zo | γὰρ (gar) = want | ἐδίωξαν (edioxan) = zij vervolgden | τοὺς (tous) = de | προφήτας (prophetas) = profeten | τοὺς (tous) = die | πρὸ (pro) = vóór | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ook de profeten werden vervolgd, bijvoorbeeld Elia (1 Kon. 19:10), Jeremia (Jer. 20:2) en Zacharia, de zoon van de priester Joiada (2 Kron. 24:20–21). Zie ook: 1 Kon 19:10; 2 Kron 24:20–21; Jer 20:2 ### Zout van de aarde en licht van de wereld **5:13** **Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout smaakloos wordt, waarmee zal het dan gezouten worden? Het is nergens meer goed voor, behalve om buiten te worden gegooid en door de mensen vertrapt te worden.** Brontekst: Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | ἐστε (este) = zijn | τὸ (to) = het | ἅλας (halas) = zout | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | τὸ (to) = het | ἅλας (halas) = zout | μωρανθῇ (moranthe) = smaakloos wordt | ἐν (en) = met | τίνι (tini) = wat | ἁλισθήσεται (halisthesetai) = zal gezouten worden | εἰς (eis) = tot | οὐδὲν (ouden) = niets | ἰσχύει (ischyei) = is het goed | ἔτι (eti) = nog | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | βληθὲν (blethen) = geworpen | ἔξω (exo) = buiten | καταπατεῖσθαι (katapateisthai) = vertrapt te worden | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἅλας (halas), ‘zout’: zout geeft smaak en bewaart. Bij offers hoorde zout; vergelijk Lev. 2:13, ‘het zout van het verbond van je Elohim’. Voetnoot : μωρανθῇ (moranthe) komt van μωρός (moros), ‘dwaas’. Van zout gezegd betekent het ‘smaakloos worden’. ἁλισθήσεται (halisthesetai): ‘gezouten worden’. Voetnoot : Zie ook Mark. 9:50; Luc. 14:34–35. Zie ook: Lev 2:13; Mar 9:50; Luc 14:34–35 **5:14** **Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.** Brontekst: Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | ἐστε (este) = zijn | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | πόλις (polis) = stad | κρυβῆναι (krybenai) = verborgen worden | ἐπάνω (epano) = boven | ὄρους (orous) = berg | κειμένη (keimene) = liggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φῶς τοῦ κόσμου (phos tou kosmou), ‘licht van de wereld’: vergelijk Jes. 42:6 (‘een licht voor de volken’) en Jes. 49:6 (‘een licht van de volken’). Zie ook: Jes 42:6; Jes 49:6 **5:15** **Men steekt ook geen lamp aan en zet hem onder de korenmaat, maar op de lampenstandaard. Dan geeft hij licht aan allen in het huis.** Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | καίουσιν (kaiousin) = zij steken aan | λύχνον (lychnon) = lamp | καὶ (kai) = en | τιθέασιν (titheasin) = zij zetten | αὐτὸν (auton) = hem | ὑπὸ (hypo) = onder | τὸν (ton) = de | μόδιον (modion) = korenmaat | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | λυχνίαν (lychnian) = lampenstandaard | καὶ (kai) = en | λάμπει (lampei) = hij geeft licht | πᾶσιν (pasin) = aan allen | τοῖς (tois) = die | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μόδιος (modios), ‘korenmaat’: een Romeinse maat voor graan, ongeveer 9 liter, ook gebruikt als vat of deksel. λυχνία (lychnia), ‘lampenstandaard’. Voetnoot : Het Grieks heeft hier geen onderwerp (‘zij steken aan’); wij schrijven ‘men’. Voetnoot : Zie ook Mark. 4:21; Luc. 8:16; Luc. 11:33. Zie ook: Mar 4:21; Luc 8:16; Luc 11:33 **5:16** **Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, zodat zij jullie goede werken zien en jullie Vader in de hemelen verheerlijken.** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | λαμψάτω (lampsato) = laat schijnen | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ὅπως (hopos) = zodat | ἴδωσιν (idosin) = zij zien | ὑμῶν (hymon) = jullie | τὰ (ta) = de | καλὰ (kala) = goede | ἔργα (erga) = werken | καὶ (kai) = en | δοξάσωσιν (doxasosin) = zij verheerlijken | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | τὸν (ton) = die | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πατήρ (pater), ‘Vader’: Yeshua noemt Elohim in de bergrede vaak zo, als ‘jullie Vader’ en als ‘Mijn Vader’. Vergelijk Deut. 32:6 (‘Is Hij niet je vader?’), Jes. 63:16 en Ps. 103:13. Voetnoot : δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: wij vertalen het overal zo (ook 6:2). Zie ook: Deut 32:6; Ps 103:13; Jes 63:16 ### Yeshua en de wet **5:17** **Denk niet dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om af te schaffen, maar om te vervullen.** Brontekst: Μὴ (Me) = niet | νομίσητε (nomisete) = denk | ὅτι (hoti) = dat | ἦλθον (elthon) = Ik kwam | καταλῦσαι (katalysai) = af te schaffen | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | ἢ (e) = of | τοὺς (tous) = de | προφήτας (prophetas) = profeten | οὐκ (ouk) = niet | ἦλθον (elthon) = Ik kwam | καταλῦσαι (katalysai) = af te schaffen | ἀλλὰ (alla) = maar | πληρῶσαι (plerosai) = te vervullen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νόμος (nomos), ‘wet’: het Hebreeuwse תּוֹרָה (torah), ‘onderwijzing, wet’. ‘De wet of de profeten’ staat voor de hele Schrift (zie ook 7:12 en 22:40). Voetnoot : καταλῦσαι (katalysai), ‘afschaffen’, letterlijk ‘losmaken, afbreken’. πληρῶσαι (plerosai), ‘vervullen’: vol maken, tot zijn doel brengen. **5:18** **Want voorwaar, Ik zeg jullie: tot de hemel en de aarde voorbijgaan, zal geen enkele jota of streepje van de wet voorbijgaan, tot alles gebeurd is.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | γὰρ (gar) = want | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = (ooit) | παρέλθῃ (parelthe) = voorbijgaat | ὁ (ho) = de | οὐρανὸς (ouranos) = hemel | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | γῆ (ge) = aarde | ἰῶτα (iota) = jota | ἓν (hen) = één | ἢ (e) = of | μία (mia) = één | κεραία (keraia) = streepje | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | παρέλθῃ (parelthe) = voorbijgaat | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | νόμου (nomou) = wet | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = (ooit) | πάντα (panta) = alles | γένηται (genetai) = gebeurt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: een Hebreeuws woord (אָמֵן) dat ‘het is waar, het is zeker’ betekent. Yeshua zet het vaak vóór Zijn woorden; wij vertalen het overal met ‘voorwaar’. Voetnoot : ἰῶτα (iota) is de kleinste letter van het Griekse alfabet, hier voor de kleinste Hebreeuwse letter י (yod). κεραία (keraia), letterlijk ‘hoorntje’, is een klein streepje aan een letter. Voetnoot : Zie ook Luc. 16:17. Zie ook: Luc 16:17 **5:19** **Wie dus één van deze kleinste geboden ongeldig maakt en de mensen zo onderwijst, zal de kleinste genoemd worden in het koninkrijk van de hemelen. Maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het koninkrijk van de hemelen.** Brontekst: ὃς (hos) = wie | ἐὰν (ean) = als | οὖν (oun) = dus | λύσῃ (lyse) = ongeldig maakt | μίαν (mian) = één | τῶν (ton) = van de | ἐντολῶν (entolon) = geboden | τούτων (touton) = deze | τῶν (ton) = de | ἐλαχίστων (elachiston) = kleinste | καὶ (kai) = en | διδάξῃ (didaxe) = onderwijst | οὕτως (houtos) = zo | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | ἐλάχιστος (elachistos) = kleinste | κληθήσεται (klethesetai) = zal genoemd worden | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = (ooit) | ποιήσῃ (poiese) = doet | καὶ (kai) = en | διδάξῃ (didaxe) = onderwijst | οὗτος (houtos) = deze | μέγας (megas) = groot | κληθήσεται (klethesetai) = zal genoemd worden | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λύσῃ (lyse), ‘ongeldig maakt’, letterlijk ‘losmaakt’: een gebod buiten werking stellen. Het Grieks heeft bij ‘doet en onderwijst’ geen voorwerp; wij schrijven ‘ze’ (de geboden). **5:20** **Want Ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën, gaan jullie beslist niet het koninkrijk van de hemelen binnen.** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | περισσεύσῃ (perisseuse) = overtreft | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἡ (he) = de | δικαιοσύνη (dikaiosyne) = gerechtigheid | πλεῖον (pleion) = meer | τῶν (ton) = dan de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | εἰσέλθητε (eiselthete) = zullen binnengaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: περισσεύσῃ πλεῖον (perisseuse pleion), ‘groter is dan’, letterlijk ‘meer dan genoeg is, meer dan’. Zie Matt. 3:7 voor de Farizeeën. Zie ook: Mat 3:7 ### Over moorden en boosheid **5:21** **Jullie hebben gehoord dat tegen de ouden is gezegd: ‘Je zult niet moorden. Wie moordt, zal schuldig zijn voor het gerecht.’** Brontekst: Ἠκούσατε (Ekousate) = jullie hebben gehoord | ὅτι (hoti) = dat | ἐρρέθη (errethe) = is gezegd | τοῖς (tois) = aan de | ἀρχαίοις (archaiois) = ouden | Οὐ (Ou) = niet | φονεύσεις (phoneuseis) = je zult moorden | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = (ooit) | φονεύσῃ (phoneuse) = moordt | ἔνοχος (enochos) = schuldig | ἔσται (estai) = zal zijn | τῇ (te) = aan het | κρίσει (krisei) = gerecht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φονεύω (phoneuo), ‘moorden’: het Hebreeuwse רָצַח (ratsach) in Exod. 20:13 en Deut. 5:17, waar wij ook ‘moorden’ hebben. ἔνοχος (enochos), ‘schuldig’: gebonden aan, onderworpen aan. κρίσις (krisis), ‘gerecht, oordeel’: hier de plaatselijke rechtbank. Voetnoot : De woorden ‘Wie moordt, zal schuldig zijn voor het gerecht’ staan zo niet in het Hebreeuws; vergelijk Exod. 21:12 en Lev. 24:17, waar de doodslager gedood moet worden. Zie ook: Ex 20:13; Ex 21:12; Lev 24:17; Deut 5:17 **5:22** **Maar Ik zeg jullie: ieder die boos is op zijn broer, zal schuldig zijn voor het gerecht. Wie tegen zijn broer zegt: ‘Rakà’, zal schuldig zijn voor de Raad. En wie zegt: ‘Dwaas’, zal schuldig zijn aan de Gehenna van het vuur.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | ὀργιζόμενος (orgizomenos) = boos is | τῷ (to) = op de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἔνοχος (enochos) = schuldig | ἔσται (estai) = zal zijn | τῇ (te) = aan het | κρίσει (krisei) = gerecht | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = (ooit) | εἴπῃ (eipe) = zegt | τῷ (to) = tegen de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ῥακά (Rhaka) = Rakà | ἔνοχος (enochos) = schuldig | ἔσται (estai) = zal zijn | τῷ (to) = aan de | συνεδρίῳ (synedrio) = Raad | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = (ooit) | εἴπῃ (eipe) = zegt | Μωρέ (More) = Dwaas | ἔνοχος (enochos) = schuldig | ἔσται (estai) = zal zijn | εἰς (eis) = aan | τὴν (ten) = de | γέενναν (geennan) = Gehenna | τοῦ (tou) = van het | πυρός (pyros) = vuur Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀργίζομαι (orgizomai), ‘boos zijn’. Ῥακά (raka) is Aramees, een scheldwoord, vermoedelijk ‘leeghoofd’. συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: de hoogste Joodse rechtbank in Jeruzalem, het Sanhedrin. μωρέ (more), ‘dwaas’. Voetnoot : γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: van het Hebreeuwse גֵּי הִנֹּם (ge hinnom), ‘dal van Hinnom’, ten zuiden van Jeruzalem (Joz. 15:8). Daar werden kinderen verbrand (Jer. 7:31–32); de naam werd een aanduiding voor de plaats van het oordeel. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat na ‘zijn broer’ de toevoeging ‘zonder reden’ (εἰκῇ, eike). De SBLGNT heeft dat woord niet; wij vertalen het niet. Zie ook: Joz 15:8; Jer 7:31–32 **5:23** **Als je dus je gave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broer iets tegen je heeft,** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | οὖν (oun) = dus | προσφέρῃς (prospheres) = je brengt | τὸ (to) = het | δῶρόν (doron) = gave | σου (sou) = je | ἐπὶ (epi) = naar | τὸ (to) = het | θυσιαστήριον (thysiasterion) = altaar | κἀκεῖ (kakei) = en daar | μνησθῇς (mnesthes) = je herinnert | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | ἀδελφός (adelphos) = broer | σου (sou) = je | ἔχει (echei) = heeft | τι (ti) = iets | κατὰ (kata) = tegen | σοῦ (sou) = jou Bron: SBLGNT **5:24** **laat je gave daar voor het altaar liggen en ga heen. Verzoen je eerst met je broer. Kom dan en breng je gave.** Brontekst: ἄφες (aphes) = laat | ἐκεῖ (ekei) = daar | τὸ (to) = het | δῶρόν (doron) = gave | σου (sou) = je | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τοῦ (tou) = het | θυσιαστηρίου (thysiasteriou) = altaar | καὶ (kai) = en | ὕπαγε (hypage) = ga heen | πρῶτον (proton) = eerst | διαλλάγηθι (diallagethi) = verzoen je | τῷ (to) = met de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | ἐλθὼν (elthon) = komend | πρόσφερε (prosphere) = breng | τὸ (to) = het | δῶρόν (doron) = gave | σου (sou) = je Bron: SBLGNT **5:25** **Wees je tegenpartij snel goedgezind, zolang je met hem onderweg bent. Anders levert je tegenpartij je uit aan de rechter en de rechter aan de gerechtsdienaar, en word je in de gevangenis geworpen.** Brontekst: ἴσθι (isthi) = wees | εὐνοῶν (eunoon) = goedgezind | τῷ (to) = aan de | ἀντιδίκῳ (antidiko) = tegenpartij | σου (sou) = je | ταχὺ (tachy) = snel | ἕως (heos) = zolang | ὅτου (hotou) = als | εἶ (ei) = je bent | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | μήποτέ (mepote) = anders | σε (se) = je | παραδῷ (parado) = levert uit | ὁ (ho) = de | ἀντίδικος (antidikos) = tegenpartij | τῷ (to) = aan de | κριτῇ (krite) = rechter | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | κριτὴς (krites) = rechter | τῷ (to) = aan de | ὑπηρέτῃ (hyperete) = gerechtsdienaar | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | φυλακὴν (phylaken) = gevangenis | βληθήσῃ (blethese) = je wordt geworpen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀντίδικος (antidikos), ‘tegenpartij’ in een rechtszaak. κριτής (krites), ‘rechter’. ὑπηρέτης (hyperetes), ‘gerechtsdienaar’: iemand die de uitspraak uitvoert. Voetnoot : Zie ook Luc. 12:58–59. Zie ook: Luc 12:58–59 **5:26** **Voorwaar, Ik zeg je: je komt daar beslist niet uit, totdat je het laatste kwadrant hebt betaald.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | σοι (soi) = je | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἐξέλθῃς (exelthes) = je komt uit | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = (ooit) | ἀποδῷς (apodos) = je betaalt | τὸν (ton) = het | ἔσχατον (eschaton) = laatste | κοδράντην (kodranten) = kwadrant Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοδράντης (kodrantes) is het Latijnse quadrans, de kleinste Romeinse koperen munt: een kwart van een as, ongeveer 1/64 van een denarie. Een denarie was ongeveer het loon voor een dag werk. Wij schrijven ‘kwadrant’. ### Over overspel **5:27** **Jullie hebben gehoord dat gezegd is: ‘Je zult geen overspel plegen.’** Brontekst: Ἠκούσατε (Ekousate) = jullie hebben gehoord | ὅτι (hoti) = dat | ἐρρέθη (errethe) = is gezegd | Οὐ (Ou) = niet | μοιχεύσεις (moicheuseis) = je zult overspel plegen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μοιχεύω (moicheuo), ‘overspel plegen’: Exod. 20:14; Deut. 5:18. Zie ook: Ex 20:14; Deut 5:18 **5:28** **Maar Ik zeg jullie: ieder die naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft al overspel met haar gepleegd in zijn hart.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | βλέπων (blepon) = kijkt naar | γυναῖκα (gynaika) = een vrouw | πρὸς (pros) = om | τὸ (to) = het | ἐπιθυμῆσαι (epithymesai) = te begeren | αὐτὴν (auten) = haar | ἤδη (ede) = al | ἐμοίχευσεν (emoicheusen) = heeft overspel gepleegd | αὐτὴν (auten) = met haar | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιθυμέω (epithymeo), ‘begeren’: het Hebreeuwse חָמַד (chamad) in Exod. 20:17. γυνή (gyne) betekent ‘vrouw’ en ‘echtgenote’; wij kiezen ‘vrouw’. Zie ook: Ex 20:17 ### Over verleiding **5:29** **Als je rechteroog je laat struikelen, ruk het uit en werp het van je weg. Want het is beter voor je dat één van je lichaamsdelen verloren gaat en niet heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt.** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = het | ὀφθαλμός (ophthalmos) = oog | σου (sou) = je | ὁ (ho) = het | δεξιὸς (dexios) = rechter | σκανδαλίζει (skandalizei) = laat struikelen | σε (se) = je | ἔξελε (exele) = ruk uit | αὐτὸν (auton) = het | καὶ (kai) = en | βάλε (bale) = werp | ἀπὸ (apo) = van | σοῦ (sou) = je | συμφέρει (sympherei) = het is beter | γάρ (gar) = want | σοι (soi) = voor je | ἵνα (hina) = opdat | ἀπόληται (apoletai) = verloren gaat | ἓν (hen) = één | τῶν (ton) = van de | μελῶν (melon) = lichaamsdelen | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ὅλον (holon) = heel | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | σου (sou) = je | βληθῇ (blethe) = geworpen wordt | εἰς (eis) = in | γέενναν (geennan) = Gehenna Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκανδαλίζω (skandalizo), ‘laten struikelen’, van σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok, valstrik’. Yeshua spreekt hier in sterke beeldspraak. γέεννα: zie 5:22. Voetnoot : Zie ook Matt. 18:8–9; Mark. 9:43–48. Zie ook: Mat 18:8–9; Mar 9:43–48 **5:30** **En als je rechterhand je laat struikelen, hak haar af en werp haar van je weg. Want het is beter voor je dat één van je lichaamsdelen verloren gaat en niet heel je lichaam naar de Gehenna gaat.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | ἡ (he) = de | δεξιά (dexia) = rechter | σου (sou) = je | χεὶρ (cheir) = hand | σκανδαλίζει (skandalizei) = laat struikelen | σε (se) = je | ἔκκοψον (ekkopson) = hak af | αὐτὴν (auten) = haar | καὶ (kai) = en | βάλε (bale) = werp | ἀπὸ (apo) = van | σοῦ (sou) = je | συμφέρει (sympherei) = het is beter | γάρ (gar) = want | σοι (soi) = voor je | ἵνα (hina) = opdat | ἀπόληται (apoletai) = verloren gaat | ἓν (hen) = één | τῶν (ton) = van de | μελῶν (melon) = lichaamsdelen | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ὅλον (holon) = heel | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | σου (sou) = je | εἰς (eis) = naar | γέενναν (geennan) = Gehenna | ἀπέλθῃ (apelthe) = weggaat Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat aan het eind ‘geworpen wordt in de Gehenna’, zoals in vers 29. De SBLGNT heeft ‘naar de Gehenna gaat’. Zie ook: Mat 5:29 ### Over wegsturen **5:31** **Er is ook gezegd: ‘Wie zijn vrouw wegstuurt, moet haar een scheidingsbrief geven.’** Brontekst: Ἐρρέθη (Errethe) = er is gezegd | δέ (de) = maar | Ὃς (Hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | ἀπολύσῃ (apolyse) = wegstuurt | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | δότω (doto) = laat geven | αὐτῇ (aute) = aan haar | ἀποστάσιον (apostasion) = scheidingsbrief Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποστάσιον (apostasion), ‘scheidingsbrief’: in Deut. 24:1 het Hebreeuwse סֵפֶר כְּרִיתֻת (sefer keritut). ἀπολύω (apolyo), ‘wegsturen’: in Deut. 24:1 het Hebreeuwse שִׁלַּח (shillach). Voetnoot : Zie ook Deut. 24:1–4. Zie ook: Deut 24:1 **5:32** **Maar Ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw wegstuurt, behalve op grond van ontucht, laat haar overspel plegen. En wie met een weggestuurde vrouw trouwt, pleegt overspel.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | ἀπολύων (apolyon) = wegstuurt | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | παρεκτὸς (parektos) = behalve | λόγου (logou) = zaak van | πορνείας (porneias) = ontucht | ποιεῖ (poiei) = laat | αὐτὴν (auten) = haar | μοιχευθῆναι (moicheuthenai) = overspel plegen | καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἐὰν (ean) = als | ἀπολελυμένην (apolelymenen) = weggestuurde | γαμήσῃ (gamese) = trouwt | μοιχᾶται (moichatai) = pleegt overspel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele ontrouw of onreinheid, in brede zin. Vergelijk Deut. 24:1, ‘iets schaamtevols’ (עֶרְוַת דָּבָר, ervat davar). Voetnoot : μοιχευθῆναι (moicheuthenai) is een lijdende vorm: letterlijk ‘dat overspel met haar gepleegd wordt’. Wij vertalen ‘laat haar overspel plegen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 19:9; Mark. 10:11–12; Luc. 16:18. Zie ook: Deut 24:1; Mat 19:9; Mar 10:11–12; Luc 16:18 ### Over zweren **5:33** **Jullie hebben ook gehoord dat tegen de ouden is gezegd: ‘Je zult geen valse eed zweren, maar je zult aan Yahweh je eden nakomen.’** Brontekst: Πάλιν (Palin) = opnieuw | ἠκούσατε (ekousate) = jullie hebben gehoord | ὅτι (hoti) = dat | ἐρρέθη (errethe) = is gezegd | τοῖς (tois) = aan de | ἀρχαίοις (archaiois) = ouden | Οὐκ (Ouk) = niet | ἐπιορκήσεις (epiorkeseis) = je zult vals zweren | ἀποδώσεις (apodoseis) = je zult nakomen | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = Yahweh | τοὺς (tous) = de | ὅρκους (horkous) = eden | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is geen letterlijk citaat, maar een samenvatting van Lev. 19:12, Num. 30:3 en Deut. 23:22–24. κυρίῳ (kyrio), ‘voor de Heer’, vertalen wij als Yahweh, omdat de woorden uit de Hebreeuwse Schrift komen (יהוה). Voetnoot : ἐπιορκέω (epiorkeo), ‘vals zweren’: bij een eed liegen. Zie ook: Lev 19:12; Num 30:3; Deut 23:22–24 **5:34** **Maar Ik zeg jullie: zweer helemaal niet, niet bij de hemel, want die is de troon van Elohim,** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | μὴ (me) = niet | ὀμόσαι (omosai) = te zweren | ὅλως (holos) = helemaal | μήτε (mete) = noch | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = de | οὐρανῷ (ourano) = hemel | ὅτι (hoti) = want | θρόνος (thronos) = troon | ἐστὶν (estin) = is | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **5:35** **niet bij de aarde, want die is de voetbank van Zijn voeten, niet bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning.** Brontekst: μήτε (mete) = noch | ἐν (en) = bij | τῇ (te) = de | γῇ (ge) = aarde | ὅτι (hoti) = want | ὑποπόδιόν (hypopodion) = voetbank | ἐστιν (estin) = is | τῶν (ton) = van de | ποδῶν (podon) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn | μήτε (mete) = noch | εἰς (eis) = bij | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | ὅτι (hoti) = want | πόλις (polis) = stad | ἐστὶν (estin) = is | τοῦ (tou) = van de | μεγάλου (megalou) = grote | βασιλέως (basileos) = Koning Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 66:1, ‘De hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank van Mijn voeten’, en Ps. 48:3, ‘de stad van de grote Koning’. Wie zweert bij hemel, aarde of Jeruzalem, zweert in feite bij Elohim. Zie ook: Ps 48:3; Jes 66:1 **5:36** **Zweer ook niet bij je hoofd, want je kunt niet één haar wit of zwart maken.** Brontekst: μήτε (mete) = noch | ἐν (en) = bij | τῇ (te) = het | κεφαλῇ (kephale) = hoofd | σου (sou) = je | ὀμόσῃς (omoses) = zweer | ὅτι (hoti) = want | οὐ (ou) = niet | δύνασαι (dynasai) = je kunt | μίαν (mian) = één | τρίχα (tricha) = haar | λευκὴν (leuken) = wit | ποιῆσαι (poiesai) = maken | ἢ (e) = of | μέλαιναν (melainan) = zwart Bron: SBLGNT **5:37** **Laat jullie woord ‘ja, ja’ zijn en ‘nee, nee’. Wat meer is dan dit, komt van de boze.** Brontekst: ἔστω (esto) = laat zijn | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | ὑμῶν (hymon) = jullie | ναὶ (nai) = ja | ναί (nai) = ja | οὒ (ou) = nee | οὔ (ou) = nee | τὸ (to) = het | δὲ (de) = maar | περισσὸν (perisson) = meerdere | τούτων (touton) = dan dit | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πονηροῦ (ponerou) = boze | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ναὶ ναί (nai nai), ‘ja, ja’, en οὒ οὔ (ou ou), ‘nee, nee’. Voetnoot : τοῦ πονηροῦ (tou ponerou), ‘van de boze’: het Grieks kan mannelijk zijn (‘de boze’, de tegenstander) of onzijdig (‘het kwade’). Wij vertalen ‘de boze’, ook in 5:39 en 6:13. Voetnoot : Zie ook Jak. 5:12. Zie ook: Jak 5:12 ### Over vergelding **5:38** **Jullie hebben gehoord dat gezegd is: ‘Oog voor oog en tand voor tand.’** Brontekst: Ἠκούσατε (Ekousate) = jullie hebben gehoord | ὅτι (hoti) = dat | ἐρρέθη (errethe) = is gezegd | Ὀφθαλμὸν (Ophthalmon) = oog | ἀντὶ (anti) = voor | ὀφθαλμοῦ (ophthalmou) = oog | καὶ (kai) = en | ὀδόντα (odonta) = tand | ἀντὶ (anti) = voor | ὀδόντος (odontos) = tand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 21:24; Lev. 24:20; Deut. 19:21. In het Oude Testament begrenst deze regel de vergelding in de rechtspraak: er mag niet meer worden teruggedaan dan er is aangedaan. Zie ook: Ex 21:24; Lev 24:20; Deut 19:21 **5:39** **Maar Ik zeg jullie: verzet je niet tegen de boze. Maar wie je op je rechterwang slaat, keer ook de andere naar hem toe.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | μὴ (me) = niet | ἀντιστῆναι (antistenai) = je te verzetten | τῷ (to) = tegen de | πονηρῷ (ponero) = boze | ἀλλ’ (all’) = maar | ὅστις (hostis) = wie | σε (se) = je | ῥαπίζει (rhapizei) = slaat | εἰς (eis) = op | τὴν (ten) = de | δεξιὰν (dexian) = rechter | σιαγόνα (siagona) = wang | στρέψον (strepson) = keer | αὐτῷ (auto) = naar hem | καὶ (kai) = ook | τὴν (ten) = de | ἄλλην (allen) = andere Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀντιστῆναι (antistenai), ‘zich verzetten’. τῷ πονηρῷ (to ponero), ‘de boze’: ook hier mannelijk of onzijdig, zie 5:37. ῥαπίζω (rapizo), ‘slaan’, hier op de wang. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:29. Zie ook: Luc 6:29 **5:40** **En wie een rechtszaak tegen je wil voeren en je onderkleed wil nemen, laat hem ook je mantel.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan wie | θέλοντί (thelonti) = wil | σοι (soi) = je | κριθῆναι (krithenai) = rechtszaak voeren | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | χιτῶνά (chitona) = onderkleed | σου (sou) = je | λαβεῖν (labein) = nemen | ἄφες (aphes) = laat | αὐτῷ (auto) = hem | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = de | ἱμάτιον (himation) = mantel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χιτών (chiton), ‘onderkleed’: het kledingstuk op het lichaam. ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed. Vergelijk Exod. 22:25–26: een mantel die als pand is genomen, moet vóór zonsondergang worden teruggegeven. Zie ook: Ex 22:25–26 **5:41** **En wie je dwingt één mijl mee te gaan, ga twee mijl met hem mee.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅστις (hostis) = wie | σε (se) = je | ἀγγαρεύσει (angareusei) = dwingt | μίλιον (milion) = mijl | ἕν (hen) = één | ὕπαγε (hypage) = ga | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | δύο (dyo) = twee Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγγαρεύω (angareuo), ‘dwingen’: iemand verplichten tot een dienst, bijvoorbeeld een last dragen. Hetzelfde werkwoord staat in Matt. 27:32. μίλιον (milion), ‘mijl’: de Romeinse mijl van 1000 passen, ongeveer 1,5 kilometer. Zie ook: Mat 27:32 **5:42** **Geef aan wie je vraagt, en wend je niet af van wie van je wil lenen.** Brontekst: τῷ (to) = aan wie | αἰτοῦντί (aitounti) = vraagt | σε (se) = je | δός (dos) = geef | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = aan wie | θέλοντα (thelonta) = wil | ἀπὸ (apo) = van | σοῦ (sou) = je | δανίσασθαι (danisasthai) = lenen | μὴ (me) = niet | ἀποστραφῇς (apostraphes) = je afwendt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δανίζομαι (danizomai), ‘lenen’: vergelijk Deut. 15:8, ‘je moet je hand zeker voor hem openen en hem zeker lenen’. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:30. Zie ook: Deut 15:8; Luc 6:30 ### Over liefde voor vijanden **5:43** **Jullie hebben gehoord dat gezegd is: ‘Heb je naaste lief en haat je vijand.’** Brontekst: Ἠκούσατε (Ekousate) = jullie hebben gehoord | ὅτι (hoti) = dat | ἐρρέθη (errethe) = is gezegd | Ἀγαπήσεις (Agapeseis) = je zult liefhebben | τὸν (ton) = de | πλησίον (plesion) = naaste | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | μισήσεις (miseseis) = je zult haten | τὸν (ton) = de | ἐχθρόν (echthron) = vijand | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Lev. 19:18 zegt: ‘Heb je naaste lief als jezelf.’ πλησίον (plesion), ‘naaste’, is het Hebreeuwse רֵעַ (rea). De woorden ‘en haat je vijand’ staan niet in Lev. 19:18. Zie ook: Lev 19:18 **5:44** **Maar Ik zeg jullie: heb jullie vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen,** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀγαπᾶτε (agapate) = heb lief | τοὺς (tous) = de | ἐχθροὺς (echthrous) = vijanden | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | προσεύχεσθε (proseuchesthe) = bid | ὑπὲρ (hyper) = voor | τῶν (ton) = hen | διωκόντων (diokonton) = die vervolgen | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 6:27–28; Luc. 6:35. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) is dit vers langer: er staan extra regels bij (zoals ‘zegen wie jullie vervloeken’ en ‘doe goed aan wie jullie haten’). In de oudste handschriften ontbreken ze; wij vertalen alleen wat in de SBLGNT staat. Zie ook: Luc 6:27–28; Luc 6:35 **5:45** **zodat jullie zonen worden van jullie Vader in de hemelen. Want Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.** Brontekst: ὅπως (hopos) = zodat | γένησθε (genesthe) = jullie worden | υἱοὶ (huioi) = zonen | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | τοῦ (tou) = die | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | ὅτι (hoti) = want | τὸν (ton) = de | ἥλιον (helion) = zon | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἀνατέλλει (anatellei) = laat opgaan | ἐπὶ (epi) = over | πονηροὺς (ponerous) = bozen | καὶ (kai) = en | ἀγαθοὺς (agathous) = goeden | καὶ (kai) = en | βρέχει (brechei) = laat regenen | ἐπὶ (epi) = over | δικαίους (dikaious) = rechtvaardigen | καὶ (kai) = en | ἀδίκους (adikous) = onrechtvaardigen Bron: SBLGNT **5:46** **Want als jullie liefhebben wie jullie liefhebben, welk loon hebben jullie dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | γὰρ (gar) = want | ἀγαπήσητε (agapesete) = jullie liefhebben | τοὺς (tous) = hen | ἀγαπῶντας (agapontas) = die liefhebben | ὑμᾶς (hymas) = jullie | τίνα (tina) = welk | μισθὸν (misthon) = loon | ἔχετε (echete) = hebben jullie | οὐχὶ (ouchi) = niet | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | τελῶναι (telonai) = tollenaars | τὸ (to) = het | αὐτὸ (auto) = zelfde | ποιοῦσιν (poiousin) = doen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τελῶναι (telonai), ‘tollenaars’: mannen die voor de Romeinse overheid tol en belasting inden. Veel mensen verachtten hen. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:9–13; Luc. 6:32. Zie ook: Mat 9:9–13; Luc 6:32 **5:47** **En als jullie alleen jullie broers groeten, wat doen jullie dan meer? Doen ook de mensen van de volken niet hetzelfde?** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | ἀσπάσησθε (aspasesthe) = jullie groeten | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | ὑμῶν (hymon) = jullie | μόνον (monon) = alleen | τί (ti) = wat | περισσὸν (perisson) = meer | ποιεῖτε (poieite) = doen jullie | οὐχὶ (ouchi) = niet | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἐθνικοὶ (ethnikoi) = mensen van de volken | τὸ (to) = het | αὐτὸ (auto) = zelfde | ποιοῦσιν (poiousin) = doen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐθνικοί (ethnikoi), ‘mensen van de volken’: niet-Joden, van ἔθνος (ethnos), ‘volk’. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier ‘tollenaars’ (τελῶναι) in plaats van ‘de mensen van de volken’. **5:48** **Jullie moeten dus volmaakt zijn, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.** Brontekst: Ἔσεσθε (Esesthe) = jullie zullen zijn | οὖν (oun) = dus | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | τέλειοι (teleioi) = volmaakt | ὡς (hos) = zoals | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὁ (ho) = de | οὐράνιος (ouranios) = hemelse | τέλειός (teleios) = volmaakt | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τέλειος (teleios), ‘volmaakt’: volledig, heel, zonder tekort. Vergelijk Deut. 18:13, ‘Je moet onberispelijk zijn bij Yahweh, je Elohim’, en Lev. 19:2, ‘Heilig moeten jullie zijn’. Voetnoot : Ἔσεσθε (esesthe) staat in de toekomende tijd en werkt hier als gebod: ‘jullie moeten zijn’. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:36. Zie ook: Lev 19:2; Deut 18:13; Luc 6:36 ## Matteüs 6 _De bergrede: aalmoezen, gebed, vasten en zorgen_ ### Gerechtigheid in het verborgene **6:1** **Pas op dat jullie jullie gerechtigheid niet doen voor de mensen, om door hen bekeken te worden. Anders hebben jullie geen loon bij jullie Vader in de hemelen.** Brontekst: Προσέχετε (Prosechete) = pas op | δὲ (de) = maar | τὴν (ten) = de | δικαιοσύνην (dikaiosynen) = gerechtigheid | ὑμῶν (hymon) = jullie | μὴ (me) = niet | ποιεῖν (poiein) = te doen | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | πρὸς (pros) = met het oog op | τὸ (to) = het | θεαθῆναι (theathenai) = bekeken te worden | αὐτοῖς (autois) = door hen | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μή (me) = niet | γε (ge) = immers | μισθὸν (misthon) = loon | οὐκ (ouk) = niet | ἔχετε (echete) = hebben jullie | παρὰ (para) = bij | τῷ (to) = de | πατρὶ (patri) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | τῷ (to) = die | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’: hier het doen van Elohims wil in daden. In 6:2–18 volgen drie voorbeelden: geven, bidden en vasten. Voetnoot : θεαθῆναι (theathenai), ‘bekeken te worden’: als bij een schouwspel. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier ‘aalmoes’ (ἐλεημοσύνη, eleemosyne) in plaats van ‘gerechtigheid’. De SBLGNT heeft ‘gerechtigheid’; het volgende vers begint met de aalmoes. ### Aalmoezen geven **6:2** **Wanneer je dus een aalmoes geeft, blaas dan niet de bazuin voor je uit. Zo doen de huichelaars in de synagogen en op de straten, om door de mensen verheerlijkt te worden. Voorwaar, Ik zeg jullie: zij hebben hun loon volledig ontvangen.** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | οὖν (oun) = dus | ποιῇς (poies) = je doet | ἐλεημοσύνην (eleemosynen) = aalmoes | μὴ (me) = niet | σαλπίσῃς (salpises) = blaas de bazuin | ἔμπροσθέν (emprosthen) = voor | σου (sou) = je | ὥσπερ (hosper) = zoals | οἱ (hoi) = de | ὑποκριταὶ (hypokritai) = huichelaars | ποιοῦσιν (poiousin) = doen | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ῥύμαις (rhymais) = straten | ὅπως (hopos) = opdat | δοξασθῶσιν (doxasthosin) = zij verheerlijkt worden | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀπέχουσιν (apechousin) = zij hebben ontvangen | τὸν (ton) = het | μισθὸν (misthon) = loon | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐλεημοσύνη (eleemosyne), ‘aalmoes’, van ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’: een gift aan een arme. Voetnoot : ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: oorspronkelijk een toneelspeler, iemand die een rol speelt. συναγωγή (synagoge), ‘synagoge’: de plaats waar de Joodse gemeenschap samenkomt. ῥύμη (rhyme), ‘straat’. Voetnoot : σαλπίσῃς (salpises), letterlijk ‘blaas op de bazuin’, is beeldspraak voor: de aandacht op jezelf vestigen. Voetnoot : ἀπέχουσιν (apechousin), ‘zij hebben volledig ontvangen’: dit is de taal van een ontvangstbewijs. **6:3** **Maar als jij een aalmoes geeft, laat je linkerhand dan niet weten wat je rechterhand doet,** Brontekst: σοῦ (sou) = jij | δὲ (de) = maar | ποιοῦντος (poiountos) = doend | ἐλεημοσύνην (eleemosynen) = aalmoes | μὴ (me) = niet | γνώτω (gnoto) = laat weten | ἡ (he) = de | ἀριστερά (aristera) = linker | σου (sou) = je | τί (ti) = wat | ποιεῖ (poiei) = doet | ἡ (he) = de | δεξιά (dexia) = rechter | σου (sou) = je Bron: SBLGNT **6:4** **zodat je aalmoes in het verborgene is. En je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je vergelden.** Brontekst: ὅπως (hopos) = zodat | ᾖ (e) = is | σου (sou) = je | ἡ (he) = de | ἐλεημοσύνη (eleemosyne) = aalmoes | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | κρυπτῷ (krypto) = verborgene | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | σου (sou) = je | ὁ (ho) = die | βλέπων (blepon) = ziet | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | κρυπτῷ (krypto) = verborgene | ἀποδώσει (apodosei) = zal vergelden | σοι (soi) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat aan het eind ‘openlijk’ (ἐν τῷ φανερῷ, en to phanero), ook in 6:6 en 6:18. De SBLGNT heeft dat niet; wij vertalen het niet. ### Bidden **6:5** **En wanneer jullie bidden, wees dan niet zoals de huichelaars. Zij bidden graag staand in de synagogen en op de hoeken van de brede straten, om zich aan de mensen te laten zien. Voorwaar, Ik zeg jullie: zij hebben hun loon volledig ontvangen.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | προσεύχησθε (proseuchesthe) = jullie bidden | οὐκ (ouk) = niet | ἔσεσθε (esesthe) = jullie zullen zijn | ὡς (hos) = zoals | οἱ (hoi) = de | ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars | ὅτι (hoti) = want | φιλοῦσιν (philousin) = zij houden ervan | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = op | ταῖς (tais) = de | γωνίαις (goniais) = hoeken | τῶν (ton) = van de | πλατειῶν (plateion) = brede straten | ἑστῶτες (hestotes) = staand | προσεύχεσθαι (proseuchesthai) = te bidden | ὅπως (hopos) = opdat | φανῶσιν (phanosin) = zij zichtbaar zijn | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀπέχουσι (apechousi) = zij hebben ontvangen | τὸν (ton) = het | μισθὸν (misthon) = loon | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πλατεῖα (plateia), ‘brede straat’; in 6:2 staat ῥύμη (rhyme), ‘straat’. **6:6** **Maar jij, wanneer je bidt, ga je binnenkamer in, sluit je deur en bid tot je Vader, die in het verborgene is. En je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je vergelden.** Brontekst: σὺ (sy) = jij | δὲ (de) = maar | ὅταν (hotan) = wanneer | προσεύχῃ (proseuche) = je bidt | εἴσελθε (eiselthe) = ga binnen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ταμεῖόν (tameion) = binnenkamer | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | κλείσας (kleisas) = sluitend | τὴν (ten) = de | θύραν (thyran) = deur | σου (sou) = je | πρόσευξαι (proseuxai) = bid | τῷ (to) = tot de | πατρί (patri) = Vader | σου (sou) = je | τῷ (to) = die | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | κρυπτῷ (krypto) = verborgene | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | σου (sou) = je | ὁ (ho) = die | βλέπων (blepon) = ziet | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | κρυπτῷ (krypto) = verborgene | ἀποδώσει (apodosei) = zal vergelden | σοι (soi) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ταμεῖον (tameion), ‘binnenkamer’: een kamer binnen in het huis, vaak een voorraadkamer. Vergelijk Jes. 26:20, ‘ga je kamers binnen en sluit je deur achter je’. Zie ook: Jes 26:20 **6:7** **Wanneer jullie bidden, babbel dan niet, zoals de mensen van de volken. Zij denken namelijk dat zij verhoord worden door hun vele woorden.** Brontekst: Προσευχόμενοι (Proseuchomenoi) = biddend | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | βατταλογήσητε (battalogesete) = babbel | ὥσπερ (hosper) = zoals | οἱ (hoi) = de | ἐθνικοί (ethnikoi) = mensen van de volken | δοκοῦσιν (dokousin) = zij denken | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = door | τῇ (te) = de | πολυλογίᾳ (polylogia) = veelheid van woorden | αὐτῶν (auton) = hun | εἰσακουσθήσονται (eisakousthesontai) = zij zullen verhoord worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βατταλογέω (battalogeo), ‘babbelen’: dezelfde klanken eindeloos herhalen. Het woord is waarschijnlijk klanknabootsend. Voetnoot : ἐθνικοί (ethnikoi), ‘mensen van de volken’: zie 5:47. **6:8** **Word dus niet zoals zij. Want jullie Vader weet wat jullie nodig hebben, voordat jullie Hem erom vragen.** Brontekst: μὴ (me) = niet | οὖν (oun) = dus | ὁμοιωθῆτε (homoiothete) = word gelijk | αὐτοῖς (autois) = aan hen | οἶδεν (oiden) = weet | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὧν (hon) = wat | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχετε (echete) = jullie hebben | πρὸ (pro) = voordat | τοῦ (tou) = het | ὑμᾶς (hymas) = jullie | αἰτῆσαι (aitesai) = vragen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT ### Zo moeten jullie bidden **6:9** **Zo moeten jullie dan bidden: ‘Onze Vader in de hemelen, laat Uw naam geheiligd worden.** Brontekst: Οὕτως (Houtos) = zo | οὖν (oun) = dus | προσεύχεσθε (proseuchesthe) = bid | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | Πάτερ (Pater) = Vader | ἡμῶν (hemon) = onze | ὁ (ho) = die | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | ἁγιασθήτω (hagiastheto) = laat geheiligd worden | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit gebed heet ook wel het ‘Onze Vader’. Voetnoot : ἁγιασθήτω (hagiastheto), ‘laat geheiligd worden’: een lijdende vorm. Vergelijk Ezech. 36:23, waar Elohim zegt: ‘Ik zal Mijn grote naam heiligen’. Voetnoot : Zie ook Luc. 11:2–4. Zie ook: Ezech 36:23; Luc 11:2–4 **6:10** **Laat Uw koninkrijk komen. Laat Uw wil gebeuren, zoals in de hemel, zo ook op aarde.** Brontekst: ἐλθέτω (eltheto) = laat komen | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | σου (sou) = Uw | γενηθήτω (genetheto) = laat gebeuren | τὸ (to) = de | θέλημά (thelema) = wil | σου (sou) = Uw | ὡς (hos) = zoals | ἐν (en) = in | οὐρανῷ (ourano) = hemel | καὶ (kai) = ook | ἐπὶ (epi) = op | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT **6:11** **Geef ons vandaag ons brood voor de komende dag.** Brontekst: τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | ἡμῶν (hemon) = ons | τὸν (ton) = het | ἐπιούσιον (epiousion) = voor de komende dag | δὸς (dos) = geef | ἡμῖν (hemin) = ons | σήμερον (semeron) = vandaag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιούσιος (epiousios), ‘voor de komende dag’: dit woord komt in het Nieuwe Testament alleen in dit gebed voor (hier en in Luc. 11:3) en de betekenis is onzeker. Mogelijk is het ‘voor de dag die komt’ (van ἐπιέναι, epienai, ‘aankomen’), of ‘noodzakelijk voor het bestaan’. Wij kiezen de eerste mogelijkheid. Voetnoot : Vergelijk Exod. 16:4, het brood voor elke dag, en Spr. 30:8, ‘het brood dat mij is toegemeten’. Zie ook: Ex 16:4; Spr 30:8; Luc 11:3 **6:12** **En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars hebben vergeven.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄφες (aphes) = vergeef | ἡμῖν (hemin) = ons | τὰ (ta) = de | ὀφειλήματα (opheilemata) = schulden | ἡμῶν (hemon) = onze | ὡς (hos) = zoals | καὶ (kai) = ook | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἀφήκαμεν (aphekamen) = hebben vergeven | τοῖς (tois) = aan de | ὀφειλέταις (opheiletais) = schuldenaars | ἡμῶν (hemon) = onze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀφείλημα (opheilema), ‘schuld’; in 6:14–15 staat παράπτωμα (paraptoma), ‘overtreding’. Het gaat om dezelfde zaak: wat openstaat tegenover Elohim en mensen. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat ‘zoals ook wij vergeven’ (tegenwoordige tijd). De SBLGNT heeft de verleden tijd: ‘hebben vergeven’. **6:13** **En breng ons niet in beproeving, maar bevrijd ons van de boze.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | εἰσενέγκῃς (eisenenkes) = breng binnen | ἡμᾶς (hemas) = ons | εἰς (eis) = in | πειρασμόν (peirasmon) = beproeving | ἀλλὰ (alla) = maar | ῥῦσαι (rhysai) = bevrijd | ἡμᾶς (hemas) = ons | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | πονηροῦ (ponerou) = boze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: het hoort bij πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’ (zie 4:1). τοῦ πονηροῦ (tou ponerou): ‘de boze’ of ‘het kwade’, zie 5:37. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een afsluiting: ‘Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.’ In de oudste handschriften ontbreekt die; wij vertalen alleen wat in de SBLGNT staat. ### Vergeving **6:14** **Want als jullie de mensen hun overtredingen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | γὰρ (gar) = want | ἀφῆτε (aphete) = jullie vergeven | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | τὰ (ta) = de | παραπτώματα (paraptomata) = overtredingen | αὐτῶν (auton) = hun | ἀφήσει (aphesei) = zal vergeven | καὶ (kai) = ook | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὁ (ho) = de | οὐράνιος (ouranios) = hemelse Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 18:21–35; Mark. 11:25. Zie ook: Mat 18:21–35; Mar 11:25 **6:15** **Maar als jullie de mensen niet vergeven, zal ook jullie Vader jullie overtredingen niet vergeven.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | ἀφῆτε (aphete) = jullie vergeven | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | οὐδὲ (oude) = ook niet | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἀφήσει (aphesei) = zal vergeven | τὰ (ta) = de | παραπτώματα (paraptomata) = overtredingen | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT ### Vasten **6:16** **Wanneer jullie vasten, wees dan niet somber zoals de huichelaars. Zij maken hun gezicht onherkenbaar, om zich aan de mensen te laten zien terwijl zij vasten. Voorwaar, Ik zeg jullie: zij hebben hun loon volledig ontvangen.** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | νηστεύητε (nesteuete) = jullie vasten | μὴ (me) = niet | γίνεσθε (ginesthe) = wees | ὡς (hos) = zoals | οἱ (hoi) = de | ὑποκριταὶ (hypokritai) = huichelaars | σκυθρωποί (skythropoi) = somber | ἀφανίζουσιν (aphanizousin) = zij maken onherkenbaar | γὰρ (gar) = want | τὰ (ta) = de | πρόσωπα (prosopa) = gezichten | αὐτῶν (auton) = hun | ὅπως (hopos) = opdat | φανῶσιν (phanosin) = zij zichtbaar zijn | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | νηστεύοντες (nesteuontes) = vastend | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀπέχουσιν (apechousin) = zij hebben ontvangen | τὸν (ton) = het | μισθὸν (misthon) = loon | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks speelt met woorden: ἀφανίζουσιν (aphanizousin), ‘zij maken onherkenbaar’, en φανῶσιν (phanosin), ‘zij zichtbaar zijn’. De huichelaars maken hun gezicht onherkenbaar om gezien te worden. Voetnoot : νηστεύω (nesteuo), ‘vasten’. **6:17** **Maar jij, wanneer je vast, zalf je hoofd en was je gezicht,** Brontekst: σὺ (sy) = jij | δὲ (de) = maar | νηστεύων (nesteuon) = vastend | ἄλειψαί (aleipsai) = zalf | σου (sou) = je | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | πρόσωπόν (prosopon) = gezicht | σου (sou) = je | νίψαι (nipsai) = was Bron: SBLGNT **6:18** **zodat je je niet aan de mensen laat zien terwijl je vast, maar aan je Vader die in het verborgene is. En je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je vergelden.** Brontekst: ὅπως (hopos) = opdat | μὴ (me) = niet | φανῇς (phanes) = je zichtbaar bent | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | νηστεύων (nesteuon) = vastend | ἀλλὰ (alla) = maar | τῷ (to) = aan de | πατρί (patri) = Vader | σου (sou) = je | τῷ (to) = die | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | κρυφαίῳ (kryphaio) = verborgene | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | σου (sou) = je | ὁ (ho) = die | βλέπων (blepon) = ziet | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | κρυφαίῳ (kryphaio) = verborgene | ἀποδώσει (apodosei) = zal vergelden | σοι (soi) = je Bron: SBLGNT ### Schatten in de hemel **6:19** **Verzamel voor jullie geen schatten op de aarde, waar mot en roest ze vernietigen en waar dieven inbreken en stelen.** Brontekst: Μὴ (Me) = niet | θησαυρίζετε (thesaurizete) = verzamel | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | θησαυροὺς (thesaurous) = schatten | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ὅπου (hopou) = waar | σὴς (ses) = mot | καὶ (kai) = en | βρῶσις (brosis) = roest | ἀφανίζει (aphanizei) = vernietigt | καὶ (kai) = en | ὅπου (hopou) = waar | κλέπται (kleptai) = dieven | διορύσσουσιν (dioryssousin) = breken in | καὶ (kai) = en | κλέπτουσιν (kleptousin) = stelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βρῶσις (brosis), letterlijk ‘het eten, vraat’: wat spijs en stoffen aantast. Wij vertalen ‘roest’. θησαυρίζω (thesaurizo), ‘schatten verzamelen’. Voetnoot : Zie ook Luc. 12:33–34. Zie ook: Luc 12:33–34 **6:20** **Verzamel voor jullie schatten in de hemel, waar mot noch roest ze vernietigt en waar dieven niet inbreken en niet stelen.** Brontekst: θησαυρίζετε (thesaurizete) = verzamel | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | θησαυροὺς (thesaurous) = schatten | ἐν (en) = in | οὐρανῷ (ourano) = hemel | ὅπου (hopou) = waar | οὔτε (oute) = noch | σὴς (ses) = mot | οὔτε (oute) = noch | βρῶσις (brosis) = roest | ἀφανίζει (aphanizei) = vernietigt | καὶ (kai) = en | ὅπου (hopou) = waar | κλέπται (kleptai) = dieven | οὐ (ou) = niet | διορύσσουσιν (dioryssousin) = breken in | οὐδὲ (oude) = en niet | κλέπτουσιν (kleptousin) = stelen Bron: SBLGNT **6:21** **Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.** Brontekst: ὅπου (hopou) = waar | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | θησαυρός (thesauros) = schat | σου (sou) = je | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = ook | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | σου (sou) = je Bron: SBLGNT ### Het oog, de lamp van het lichaam **6:22** **De lamp van het lichaam is het oog. Als je oog dus zuiver is, zal heel je lichaam vol licht zijn.** Brontekst: Ὁ (Ho) = de | λύχνος (lychnos) = lamp | τοῦ (tou) = van het | σώματός (somatos) = lichaam | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = het | ὀφθαλμός (ophthalmos) = oog | ἐὰν (ean) = als | οὖν (oun) = dus | ᾖ (e) = is | ὁ (ho) = het | ὀφθαλμός (ophthalmos) = oog | σου (sou) = je | ἁπλοῦς (haplous) = zuiver | ὅλον (holon) = heel | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | σου (sou) = je | φωτεινὸν (photeinon) = vol licht | ἔσται (estai) = zal zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁπλοῦς (haplous), ‘zuiver’: eenvoudig, ongedeeld, zonder bijbedoeling. Vergelijk Spr. 22:9, ‘Wie goed van oog is, wordt gezegend, want hij geeft van zijn brood aan de geringe’. Voetnoot : Zie ook Luc. 11:34–36. Zie ook: Spr 22:9; Luc 11:34–36 **6:23** **Maar als je oog slecht is, zal heel je lichaam vol duisternis zijn. Als dus het licht in jou duisternis is, hoe groot is dan de duisternis!** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = het | ὀφθαλμός (ophthalmos) = oog | σου (sou) = je | πονηρὸς (poneros) = slecht | ᾖ (e) = is | ὅλον (holon) = heel | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | σου (sou) = je | σκοτεινὸν (skoteinon) = vol duisternis | ἔσται (estai) = zal zijn | εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | τὸ (to) = dat | ἐν (en) = in | σοὶ (soi) = jou | σκότος (skotos) = duisternis | ἐστίν (estin) = is | τὸ (to) = de | σκότος (skotos) = duisternis | πόσον (poson) = hoe groot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πονηρός (poneros), ‘slecht’. Vergelijk Spr. 23:6, ‘iemand met een boos oog’: een gierigaard. Zie ook: Spr 23:6 ### Elohim of Mammon **6:24** **Niemand kan twee heren dienen. Want hij zal of de een haten en de ander liefhebben, of zich aan de een vasthouden en de ander verachten. Jullie kunnen niet Elohim dienen en Mammon.** Brontekst: Οὐδεὶς (Oudeis) = niemand | δύναται (dynatai) = kan | δυσὶ (dysi) = aan twee | κυρίοις (kyriois) = heren | δουλεύειν (douleuein) = dienen | ἢ (e) = of | γὰρ (gar) = want | τὸν (ton) = de | ἕνα (hena) = een | μισήσει (misesei) = zal haten | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | ἕτερον (heteron) = ander | ἀγαπήσει (agapesei) = zal liefhebben | ἢ (e) = of | ἑνὸς (henos) = aan een | ἀνθέξεται (anthexetai) = zal zich vasthouden | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = de | ἑτέρου (heterou) = ander | καταφρονήσει (kataphronesei) = zal verachten | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = jullie kunnen | θεῷ (theo) = Elohim | δουλεύειν (douleuein) = dienen | καὶ (kai) = en | μαμωνᾷ (mamona) = Mammon Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘heer’, is hier een meester of eigenaar; δουλεύω (douleuo), ‘dienen’, is dienen als een knecht (δοῦλος, doulos): iemand die helemaal bij zijn heer hoort. Voetnoot : μαμωνᾶς (mamonas), ‘Mammon’: een Aramees woord voor bezit en rijkdom. Het staat hier als een heer waarnaar iemand zich richt. Voetnoot : Zie ook Luc. 16:13. Zie ook: Luc 16:13 ### Geen zorgen maken **6:25** **Daarom zeg Ik jullie: wees niet bezorgd over jullie leven, over wat jullie zullen eten, en niet over jullie lichaam, over wat jullie zullen aantrekken. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleding?** Brontekst: Διὰ (Dia) = vanwege | τοῦτο (touto) = dit | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | μὴ (me) = niet | μεριμνᾶτε (merimnate) = wees bezorgd | τῇ (te) = over het | ψυχῇ (psyche) = leven | ὑμῶν (hymon) = jullie | τί (ti) = wat | φάγητε (phagete) = jullie zullen eten | μηδὲ (mede) = noch | τῷ (to) = over het | σώματι (somati) = lichaam | ὑμῶν (hymon) = jullie | τί (ti) = wat | ἐνδύσησθε (endysesthe) = jullie zullen aantrekken | οὐχὶ (ouchi) = niet | ἡ (he) = het | ψυχὴ (psyche) = leven | πλεῖόν (pleion) = meer | ἐστι (esti) = is | τῆς (tes) = dan het | τροφῆς (trophes) = voedsel | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | τοῦ (tou) = dan de | ἐνδύματος (endymatos) = kleding Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’: het Hebreeuwse נֶפֶשׁ (nefesh). Voetnoot : Zie ook Luc. 12:22–31. Zie ook: Luc 12:22–31 **6:26** **Kijk naar de vogels van de hemel: zij zaaien niet, zij oogsten niet en zij verzamelen niet in schuren, en jullie hemelse Vader voedt hen. Zijn jullie niet meer waard dan zij?** Brontekst: ἐμβλέψατε (emblepsate) = kijk | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | σπείρουσιν (speirousin) = zij zaaien | οὐδὲ (oude) = en niet | θερίζουσιν (therizousin) = zij oogsten | οὐδὲ (oude) = en niet | συνάγουσιν (synagousin) = zij verzamelen | εἰς (eis) = in | ἀποθήκας (apothekas) = schuren | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὁ (ho) = de | οὐράνιος (ouranios) = hemelse | τρέφει (trephei) = voedt | αὐτά (auta) = hen | οὐχ (ouch) = niet | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | μᾶλλον (mallon) = meer | διαφέρετε (diapherete) = zijn waard | αὐτῶν (auton) = dan zij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 147:9, ‘Hij geeft het vee zijn voedsel, en de jonge raven wanneer zij roepen’, en Job 38:41. Zie ook: Job 38:41; Ps 147:9 **6:27** **Wie van jullie kan, door zich zorgen te maken, één el aan zijn lengte toevoegen?** Brontekst: τίς (tis) = wie | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | μεριμνῶν (merimnon) = zich zorgen makend | δύναται (dynatai) = kan | προσθεῖναι (prostheinai) = toevoegen | ἐπὶ (epi) = aan | τὴν (ten) = de | ἡλικίαν (helikian) = lengte | αὐτοῦ (autou) = zijn | πῆχυν (pechyn) = el | ἕνα (hena) = één Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πῆχυς (pechys), ‘el’: ongeveer 45 centimeter. ἡλικία (helikia) kan ‘lengte’ en ‘levensduur’ betekenen. Wij kiezen ‘lengte’; een el aan je leven toevoegen is ook mogelijk. **6:28** **En waarom zijn jullie bezorgd over kleding? Bekijk goed de lelies van het veld, hoe zij groeien. Zij zwoegen niet en zij spinnen niet.** Brontekst: καὶ (kai) = en | περὶ (peri) = over | ἐνδύματος (endymatos) = kleding | τί (ti) = waarom | μεριμνᾶτε (merimnate) = zijn jullie bezorgd | καταμάθετε (katamathete) = bekijk goed | τὰ (ta) = de | κρίνα (krina) = lelies | τοῦ (tou) = van het | ἀγροῦ (agrou) = veld | πῶς (pos) = hoe | αὐξάνουσιν (auxanousin) = zij groeien | οὐ (ou) = niet | κοπιῶσιν (kopiosin) = zij zwoegen | οὐδὲ (oude) = en niet | νήθουσιν (nethousin) = zij spinnen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίνον (krinon), ‘lelie’: een bloem van het veld; welke soort bedoeld wordt, is niet te zeggen. κοπιάω (kopiao), ‘zwoegen’. νήθω (netho), ‘spinnen’. **6:29** **Maar Ik zeg jullie: zelfs Salomo was in al zijn heerlijkheid niet gekleed als een van deze.** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐδὲ (oude) = zelfs niet | Σολομὼν (Solomon) = Salomo | ἐν (en) = in | πάσῃ (pase) = al | τῇ (te) = de | δόξῃ (doxe) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = zijn | περιεβάλετο (periebaleto) = was gekleed | ὡς (hos) = als | ἓν (hen) = één | τούτων (touton) = van deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 10:4–7, waar de koningin van Sjeba de pracht van Salomo en zijn hof ziet. Zie ook: 1 Kon 10:4–7 **6:30** **Het gras van het veld is er vandaag en wordt morgen in de oven geworpen. Als Elohim dat zo kleedt, zal Hij jullie dan niet veel meer kleden, jullie kleingelovigen?** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = het | χόρτον (chorton) = gras | τοῦ (tou) = van het | ἀγροῦ (agrou) = veld | σήμερον (semeron) = vandaag | ὄντα (onta) = zijnde | καὶ (kai) = en | αὔριον (aurion) = morgen | εἰς (eis) = in | κλίβανον (klibanon) = oven | βαλλόμενον (ballomenon) = geworpen wordend | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | οὕτως (houtos) = zo | ἀμφιέννυσιν (amphiennysin) = kleedt | οὐ (ou) = niet | πολλῷ (pollo) = veel | μᾶλλον (mallon) = meer | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὀλιγόπιστοι (oligopistoi) = kleingelovigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 40:6–8 en Ps. 103:15–16, waar de mens als gras is. κλίβανος (klibanos), ‘oven’: een bakoven, waarin gras als brandstof kon dienen. Voetnoot : ὀλιγόπιστοι (oligopistoi), ‘kleingelovigen’, van ὀλίγος (oligos), ‘weinig’, en πίστις (pistis), ‘geloof’. Zie ook Matt. 8:26; Matt. 14:31; Matt. 16:8. Zie ook: Ps 103:15–16; Jes 40:6–8; Mat 8:26; Mat 14:31; Mat 16:8 **6:31** **Wees dus niet bezorgd en zeg niet: ‘Wat zullen wij eten?’ of: ‘Wat zullen wij drinken?’ of: ‘Waarmee zullen wij ons kleden?’** Brontekst: μὴ (me) = niet | οὖν (oun) = dus | μεριμνήσητε (merimnesete) = wees bezorgd | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τί (Ti) = wat | φάγωμεν (phagomen) = zullen wij eten | ἤ (e) = of | Τί (Ti) = wat | πίωμεν (piomen) = zullen wij drinken | ἤ (e) = of | Τί (Ti) = wat | περιβαλώμεθα (peribalometha) = zullen wij ons kleden Bron: SBLGNT **6:32** **Want al deze dingen jagen de volken na. Jullie hemelse Vader weet immers dat jullie dit alles nodig hebben.** Brontekst: πάντα (panta) = alles | γὰρ (gar) = want | ταῦτα (tauta) = dit | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | ἐπιζητοῦσιν (epizetousin) = jagen na | οἶδεν (oiden) = weet | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὁ (ho) = de | οὐράνιος (ouranios) = hemelse | ὅτι (hoti) = dat | χρῄζετε (chrezete) = jullie nodig hebben | τούτων (touton) = van deze | ἁπάντων (hapanton) = allemaal Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθνη (ethne), ‘volken’: de mensen buiten Israël. ἐπιζητέω (epizeteo), ‘najagen’: vergelijk ζητέω (zeteo), ‘zoeken’, in het volgende vers. **6:33** **Zoek eerst het koninkrijk en Zijn gerechtigheid, en dit alles zal jullie erbij gegeven worden.** Brontekst: ζητεῖτε (zeteite) = zoek | δὲ (de) = maar | πρῶτον (proton) = eerst | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | δικαιοσύνην (dikaiosynen) = gerechtigheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | προστεθήσεται (prostethesetai) = zal erbij gegeven worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat na ‘het koninkrijk’ het woord ‘van Elohim’. De SBLGNT heeft dat niet; wij vertalen het niet. **6:34** **Wees dus niet bezorgd over morgen, want morgen zal zich zorgen maken over zichzelf. Voor de dag is zijn eigen kwaad genoeg.** Brontekst: μὴ (me) = niet | οὖν (oun) = dus | μεριμνήσητε (merimnesete) = wees bezorgd | εἰς (eis) = om | τὴν (ten) = de | αὔριον (aurion) = morgen | ἡ (he) = de | γὰρ (gar) = want | αὔριον (aurion) = morgen | μεριμνήσει (merimnesei) = zal zorgen | αὑτῆς (hautes) = over zichzelf | ἀρκετὸν (arketon) = genoeg | τῇ (te) = voor de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἡ (he) = het | κακία (kakia) = kwaad | αὐτῆς (autes) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κακία (kakia), ‘kwaad’: hier de moeite en narigheid van de dag. αὔριον (aurion), ‘morgen’. ## Matteüs 7 _De bergrede: oordelen, vragen, de nauwe poort en het huis op de rots_ ### Niet oordelen **7:1** **Oordeel niet, zodat jullie niet geoordeeld worden.** Brontekst: Μὴ (Me) = niet | κρίνετε (krinete) = oordeel | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | κριθῆτε (krithete) = jullie geoordeeld worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίνω (krino), ‘oordelen’: ook ‘veroordelen’. In 7:1–2 volgt een lijdende vorm (‘geoordeeld worden’); het Grieks noemt niet wie oordeelt. Voetnoot : Zie ook Mark. 4:24; Luc. 6:37–38. Zie ook: Mar 4:24; Luc 6:37–38 **7:2** **Want met het oordeel waarmee jullie oordelen, zullen jullie geoordeeld worden, en met de maat waarmee jullie meten, zal jullie worden toegemeten.** Brontekst: ἐν (en) = met | ᾧ (ho) = welk | γὰρ (gar) = want | κρίματι (krimati) = oordeel | κρίνετε (krinete) = jullie oordelen | κριθήσεσθε (krithesesthe) = jullie zullen geoordeeld worden | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = met | ᾧ (ho) = welke | μέτρῳ (metro) = maat | μετρεῖτε (metreite) = jullie meten | μετρηθήσεται (metrethesetai) = zal toegemeten worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT **7:3** **Waarom zie je de splinter in het oog van je broer, maar merk je de balk in je eigen oog niet op?** Brontekst: τί (ti) = waarom | δὲ (de) = maar | βλέπεις (blepeis) = zie je | τὸ (to) = de | κάρφος (karphos) = splinter | τὸ (to) = die | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ὀφθαλμῷ (ophthalmo) = oog | τοῦ (tou) = van de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer | σου (sou) = je | τὴν (ten) = de | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | σῷ (so) = eigen | ὀφθαλμῷ (ophthalmo) = oog | δοκὸν (dokon) = balk | οὐ (ou) = niet | κατανοεῖς (katanoeis) = merk je op Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κάρφος (karphos), ‘splinter’: een klein stukje hout of stro. δοκός (dokos), ‘balk’: een dragende balk van een dak. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:41–42. Zie ook: Luc 6:41–42 **7:4** **Of hoe zul je tegen je broer zeggen: ‘Laat mij de splinter uit je oog halen’? En zie: de balk zit in je eigen oog!** Brontekst: ἢ (e) = of | πῶς (pos) = hoe | ἐρεῖς (ereis) = zul je zeggen | τῷ (to) = aan de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | σου (sou) = je | Ἄφες (Aphes) = laat | ἐκβάλω (ekbalo) = ik haal uit | τὸ (to) = de | κάρφος (karphos) = splinter | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ὀφθαλμοῦ (ophthalmou) = oog | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἡ (he) = de | δοκὸς (dokos) = balk | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ὀφθαλμῷ (ophthalmo) = oog | σοῦ (sou) = je Bron: SBLGNT **7:5** **Huichelaar, haal eerst de balk uit je eigen oog. Dan zul je scherp zien om de splinter uit het oog van je broer te halen.** Brontekst: ὑποκριτά (hypokrita) = huichelaar | ἔκβαλε (ekbale) = haal uit | πρῶτον (proton) = eerst | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ὀφθαλμοῦ (ophthalmou) = oog | σοῦ (sou) = je | τὴν (ten) = de | δοκόν (dokon) = balk | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | διαβλέψεις (diablepseis) = zul je scherp zien | ἐκβαλεῖν (ekbalein) = uit te halen | τὸ (to) = de | κάρφος (karphos) = splinter | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ὀφθαλμοῦ (ophthalmou) = oog | τοῦ (tou) = van de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: zie 6:2. **7:6** **Geef het heilige niet aan de honden en werp jullie parels niet voor de zwijnen. Anders vertrappen zij ze met hun voeten, keren zich om en verscheuren jullie.** Brontekst: Μὴ (Me) = niet | δῶτε (dote) = geef | τὸ (to) = het | ἅγιον (hagion) = heilige | τοῖς (tois) = aan de | κυσίν (kysin) = honden | μηδὲ (mede) = en niet | βάλητε (balete) = werp | τοὺς (tous) = de | μαργαρίτας (margaritas) = parels | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τῶν (ton) = de | χοίρων (choiron) = zwijnen | μήποτε (mepote) = anders | καταπατήσουσιν (katapatesousin) = zullen vertrappen | αὐτοὺς (autous) = ze | ἐν (en) = met | τοῖς (tois) = de | ποσὶν (posin) = voeten | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | στραφέντες (straphentes) = omkerend | ῥήξωσιν (rhexosin) = zullen verscheuren | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Honden en zwijnen golden als onrein; vergelijk Lev. 11:7 voor het varken. ‘Het heilige’ (τὸ ἅγιον, to hagion) is wat voor Elohim apart is gezet. Zie ook: Lev 11:7 ### Vragen, zoeken en kloppen **7:7** **Vraag, en het zal jullie gegeven worden. Zoek, en jullie zullen vinden. Klop, en er zal voor jullie opengedaan worden.** Brontekst: Αἰτεῖτε (Aiteite) = vraag | καὶ (kai) = en | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ζητεῖτε (zeteite) = zoek | καὶ (kai) = en | εὑρήσετε (heuresete) = jullie zullen vinden | κρούετε (krouete) = klop | καὶ (kai) = en | ἀνοιγήσεται (anoigesetai) = zal opengedaan worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jer. 29:13, ‘Jullie zullen Mij zoeken en vinden’. Voetnoot : Zie ook Luc. 11:9–13. Zie ook: Jer 29:13; Luc 11:9–13 **7:8** **Want ieder die vraagt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en voor wie klopt, zal er opengedaan worden.** Brontekst: πᾶς (pas) = ieder | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = die | αἰτῶν (aiton) = vraagt | λαμβάνει (lambanei) = ontvangt | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = die | ζητῶν (zeton) = zoekt | εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan wie | κρούοντι (krouonti) = klopt | ἀνοιγήσεται (anoigesetai) = zal opengedaan worden Bron: SBLGNT **7:9** **Of welke man onder jullie zal zijn zoon een steen geven, als die hem om brood vraagt?** Brontekst: ἢ (e) = of | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ἐξ (ex) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ὃν (hon) = die | αἰτήσει (aitesei) = zal vragen | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἄρτον (arton) = brood | μὴ (me) = toch niet | λίθον (lithon) = steen | ἐπιδώσει (epidosei) = zal geven | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **7:10** **Of, als hij om een vis vraagt, zal hij hem dan een slang geven?** Brontekst: ἢ (e) = of | καὶ (kai) = ook | ἰχθὺν (ichthyn) = vis | αἰτήσει (aitesei) = hij vraagt | μὴ (me) = toch niet | ὄφιν (ophin) = slang | ἐπιδώσει (epidosei) = zal hij geven | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **7:11** **Als jullie dan, die slecht zijn, weten hoe je goede gaven aan jullie kinderen geeft: hoeveel meer zal jullie Vader in de hemelen goede dingen geven aan wie Hem erom vragen!** Brontekst: εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | πονηροὶ (poneroi) = slecht | ὄντες (ontes) = zijnde | οἴδατε (oidate) = jullie weten | δόματα (domata) = gaven | ἀγαθὰ (agatha) = goede | διδόναι (didonai) = te geven | τοῖς (tois) = aan de | τέκνοις (teknois) = kinderen | ὑμῶν (hymon) = jullie | πόσῳ (poso) = hoeveel | μᾶλλον (mallon) = meer | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὁ (ho) = die | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | δώσει (dosei) = zal geven | ἀγαθὰ (agatha) = goede dingen | τοῖς (tois) = aan hen die | αἰτοῦσιν (aitousin) = vragen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πονηρός (poneros), ‘slecht’; zie 5:37. Yeshua zet de mensen hier tegenover de Vader. ### Wat de wet en de profeten zeggen **7:12** **Alles wat jullie dus willen dat de mensen voor jullie doen, doe dat ook zo voor hen. Want dit is de wet en de profeten.** Brontekst: Πάντα (Panta) = alles | οὖν (oun) = dus | ὅσα (hosa) = wat | ἐὰν (ean) = (ooit) | θέλητε (thelete) = jullie willen | ἵνα (hina) = dat | ποιῶσιν (poiosin) = doen | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ποιεῖτε (poieite) = doe | αὐτοῖς (autois) = aan hen | οὗτος (houtos) = dit | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | νόμος (nomos) = wet | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De wet en de profeten’: zie 5:17. Vergelijk Lev. 19:18, ‘Heb je naaste lief als jezelf’. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:31. Zie ook: Lev 19:18; Luc 6:31 ### De nauwe poort **7:13** **Ga binnen door de nauwe poort. Want breed is de poort en ruim is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die erdoor binnengaan.** Brontekst: Εἰσέλθατε (Eiselthate) = ga binnen | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | στενῆς (stenes) = nauwe | πύλης (pyles) = poort | ὅτι (hoti) = want | πλατεῖα (plateia) = breed | ἡ (he) = de | πύλη (pyle) = poort | καὶ (kai) = en | εὐρύχωρος (eurychoros) = ruim | ἡ (he) = de | ὁδὸς (hodos) = weg | ἡ (he) = de | ἀπάγουσα (apagousa) = die leidt | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ἀπώλειαν (apoleian) = verderf | καὶ (kai) = en | πολλοί (polloi) = velen | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | εἰσερχόμενοι (eiserchomenoi) = binnengaan | δι’ (di’) = door | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Twee wegen, een van leven en een van dood: vergelijk Deut. 30:15, ‘het leven en het goede, de dood en het kwade’, en Ps. 1:6. Voetnoot : ἀπώλεια (apoleia), ‘verderf’. Voetnoot : Zie ook Luc. 13:23–24. Zie ook: Deut 30:15; Ps 1:6; Luc 13:23–24 **7:14** **Want nauw is de poort en smal is de weg die naar het leven leidt, en weinigen zijn het die haar vinden.** Brontekst: ὅτι (hoti) = want | στενὴ (stene) = nauw | ἡ (he) = de | πύλη (pyle) = poort | καὶ (kai) = en | τεθλιμμένη (tethlimmene) = smal | ἡ (he) = de | ὁδὸς (hodos) = weg | ἡ (he) = de | ἀπάγουσα (apagousa) = die leidt | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ζωήν (zoen) = leven | καὶ (kai) = en | ὀλίγοι (oligoi) = weinigen | εἰσὶν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | εὑρίσκοντες (heuriskontes) = vinden | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT ### Valse profeten **7:15** **Pas op voor de valse profeten, die in schaapskleren naar jullie toe komen, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn.** Brontekst: Προσέχετε (Prosechete) = pas op | ἀπὸ (apo) = voor | τῶν (ton) = de | ψευδοπροφητῶν (pseudopropheton) = valse profeten | οἵτινες (hoitines) = die | ἔρχονται (erchontai) = komen | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐν (en) = in | ἐνδύμασι (endymasi) = kleding | προβάτων (probaton) = van schapen | ἔσωθεν (esothen) = van binnen | δέ (de) = maar | εἰσιν (eisin) = zijn | λύκοι (lykoi) = wolven | ἅρπαγες (harpages) = roofzuchtige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψευδοπροφήτης (pseudoprophetes), ‘valse profeet’. Vergelijk Ezech. 22:27, waar de oversten ‘als wolven’ zijn, en Deut. 13:2–6 over een profeet die tot andere goden oproept. Zie ook: Deut 13:2–6; Ezech 22:27 **7:16** **Aan hun vruchten zullen jullie hen herkennen. Plukt men soms druiven van doornen of vijgen van distels?** Brontekst: ἀπὸ (apo) = aan | τῶν (ton) = de | καρπῶν (karpon) = vruchten | αὐτῶν (auton) = hun | ἐπιγνώσεσθε (epignosesthe) = jullie zullen herkennen | αὐτούς (autous) = hen | μήτι (meti) = soms | συλλέγουσιν (syllegousin) = plukken zij | ἀπὸ (apo) = van | ἀκανθῶν (akanthon) = doornen | σταφυλὰς (staphylas) = druiven | ἢ (e) = of | ἀπὸ (apo) = van | τριβόλων (tribolon) = distels | σῦκα (syka) = vijgen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄκανθαι (akanthai), ‘doornen’; τρίβολοι (triboloi), ‘distels’. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:33; Luc. 6:43–44. Zie ook: Mat 12:33; Luc 6:43–44 **7:17** **Zo brengt elke goede boom goede vruchten voort, maar de rotte boom brengt slechte vruchten voort.** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | πᾶν (pan) = elke | δένδρον (dendron) = boom | ἀγαθὸν (agathon) = goede | καρποὺς (karpous) = vruchten | καλοὺς (kalous) = goede | ποιεῖ (poiei) = brengt voort | τὸ (to) = de | δὲ (de) = maar | σαπρὸν (sapron) = rotte | δένδρον (dendron) = boom | καρποὺς (karpous) = vruchten | πονηροὺς (ponerous) = slechte | ποιεῖ (poiei) = brengt voort Bron: SBLGNT **7:18** **Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen, en een rotte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.** Brontekst: οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | δένδρον (dendron) = boom | ἀγαθὸν (agathon) = goede | καρποὺς (karpous) = vruchten | πονηροὺς (ponerous) = slechte | ποιεῖν (poiein) = voortbrengen | οὐδὲ (oude) = en niet | δένδρον (dendron) = boom | σαπρὸν (sapron) = rotte | καρποὺς (karpous) = vruchten | καλοὺς (kalous) = goede | ποιεῖν (poiein) = voortbrengen Bron: SBLGNT **7:19** **Elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.** Brontekst: πᾶν (pan) = elke | δένδρον (dendron) = boom | μὴ (me) = niet | ποιοῦν (poioun) = voortbrengend | καρπὸν (karpon) = vrucht | καλὸν (kalon) = goede | ἐκκόπτεται (ekkoptetai) = wordt omgehakt | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | πῦρ (pyr) = vuur | βάλλεται (balletai) = wordt geworpen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden zegt Johannes de Doper in Matt. 3:10. Zie ook: Mat 3:10 **7:20** **Aan hun vruchten zullen jullie hen dus herkennen.** Brontekst: ἄρα (ara) = dus | γε (ge) = immers | ἀπὸ (apo) = aan | τῶν (ton) = de | καρπῶν (karpon) = vruchten | αὐτῶν (auton) = hun | ἐπιγνώσεσθε (epignosesthe) = jullie zullen herkennen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT ### Zeggen en doen **7:21** **Niet ieder die tegen Mij zegt: ‘Heer, Heer’, zal het koninkrijk van de hemelen binnengaan, maar wie de wil doet van Mijn Vader in de hemelen.** Brontekst: Οὐ (Ou) = niet | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | λέγων (legon) = zegt | μοι (moi) = tegen Mij | Κύριε (Kyrie) = Heer | κύριε (kyrie) = Heer | εἰσελεύσεται (eiseleusetai) = zal binnengaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ἀλλ’ (all’) = maar | ὁ (ho) = die | ποιῶν (poion) = doet | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | τοῦ (tou) = die | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘Heer’: de aanspreking van Yeshua. Wie Hem zo aanspreekt, moet ook doen wat Hij zegt. θέλημα (thelema), ‘wil’. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:46. Zie ook: Luc 6:46 **7:22** **Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: ‘Heer, Heer, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd, in Uw naam demonen uitgedreven en in Uw naam vele krachtige daden gedaan?’** Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | ἐροῦσίν (erousin) = zullen zeggen | μοι (moi) = tegen Mij | ἐν (en) = op | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | Κύριε (Kyrie) = Heer | κύριε (kyrie) = Heer | οὐ (ou) = niet | τῷ (to) = in de | σῷ (so) = Uw | ὀνόματι (onomati) = naam | ἐπροφητεύσαμεν (epropheteusamen) = hebben wij geprofeteerd | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = in de | σῷ (so) = Uw | ὀνόματι (onomati) = naam | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἐξεβάλομεν (exebalomen) = hebben wij uitgedreven | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = in de | σῷ (so) = Uw | ὀνόματι (onomati) = naam | δυνάμεις (dynameis) = krachtige daden | πολλὰς (pollas) = vele | ἐποιήσαμεν (epoiesamen) = hebben wij gedaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Op die dag’ is de dag van het oordeel; vergelijk ‘de dag van Yahweh’ in Joël 1:15 en Joël 2:1. δυνάμεις (dynameis), ‘krachtige daden’: wonderen. Voetnoot : Zie ook Luc. 13:26–27. Zie ook: Joël 1:15; Joël 2:1; Luc 13:26–27 **7:23** **Dan zal Ik hun verklaren: ‘Ik heb jullie nooit gekend. Ga weg van Mij, jullie die de wetteloosheid doen.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | ὁμολογήσω (homologeso) = zal Ik verklaren | αὐτοῖς (autois) = aan hen | ὅτι (hoti) = dat | Οὐδέποτε (Oudepote) = nooit | ἔγνων (egnon) = Ik heb gekend | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἀποχωρεῖτε (apochoreite) = ga weg | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = Mij | οἱ (hoi) = zij die | ἐργαζόμενοι (ergazomenoi) = doen | τὴν (ten) = de | ἀνομίαν (anomian) = wetteloosheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 6:9, ‘Wijk van mij, alle werkers van onheil’. ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’, letterlijk ‘zonder wet’. ὁμολογέω (homologeo), ‘verklaren’: openlijk zeggen. Zie ook: Ps 6:9 ### Het huis op de rots **7:24** **Ieder dus die deze woorden van Mij hoort en ze doet, zal lijken op een verstandige man, die zijn huis op de rots bouwde.** Brontekst: Πᾶς (Pas) = ieder | οὖν (oun) = dus | ὅστις (hostis) = wie | ἀκούει (akouei) = hoort | μου (mou) = van Mij | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | καὶ (kai) = en | ποιεῖ (poiei) = doet | αὐτούς (autous) = ze | ὁμοιωθήσεται (homoiothesetai) = zal lijken op | ἀνδρὶ (andri) = man | φρονίμῳ (phronimo) = verstandige | ὅστις (hostis) = die | ᾠκοδόμησεν (okodomesen) = bouwde | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | πέτραν (petran) = rots Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πέτρα (petra), ‘rots’. Vergelijk Spr. 10:25, ‘de rechtvaardige is een eeuwig fundament’. φρόνιμος (phronimos), ‘verstandig’; μωρός (moros), ‘dwaas’, zie 5:22. Voetnoot : Zie ook Luc. 6:47–49. Zie ook: Spr 10:25; Luc 6:47–49 **7:25** **En de regen kwam neer en de rivieren kwamen en de winden waaiden en vielen dat huis aan. En het viel niet, want het was op de rots gefundeerd.** Brontekst: καὶ (kai) = en | κατέβη (katebe) = kwam neer | ἡ (he) = de | βροχὴ (broche) = regen | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | οἱ (hoi) = de | ποταμοὶ (potamoi) = rivieren | καὶ (kai) = en | ἔπνευσαν (epneusan) = waaiden | οἱ (hoi) = de | ἄνεμοι (anemoi) = winden | καὶ (kai) = en | προσέπεσαν (prosepesan) = vielen aan | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | ἐκείνῃ (ekeine) = dat | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔπεσεν (epesen) = viel | τεθεμελίωτο (tethemelioto) = het was gefundeerd | γὰρ (gar) = want | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | πέτραν (petran) = rots Bron: SBLGNT **7:26** **En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal lijken op een dwaze man, die zijn huis op het zand bouwde.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | ἀκούων (akouon) = hoort | μου (mou) = van Mij | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ποιῶν (poion) = doet | αὐτοὺς (autous) = ze | ὁμοιωθήσεται (homoiothesetai) = zal lijken op | ἀνδρὶ (andri) = man | μωρῷ (moro) = dwaze | ὅστις (hostis) = die | ᾠκοδόμησεν (okodomesen) = bouwde | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = het | ἄμμον (ammon) = zand Bron: SBLGNT **7:27** **En de regen kwam neer en de rivieren kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis. En het viel, en zijn val was groot.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | κατέβη (katebe) = kwam neer | ἡ (he) = de | βροχὴ (broche) = regen | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | οἱ (hoi) = de | ποταμοὶ (potamoi) = rivieren | καὶ (kai) = en | ἔπνευσαν (epneusan) = waaiden | οἱ (hoi) = de | ἄνεμοι (anemoi) = winden | καὶ (kai) = en | προσέκοψαν (prosekopsan) = sloegen tegen | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | ἐκείνῃ (ekeine) = dat | καὶ (kai) = en | ἔπεσεν (epesen) = viel | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἡ (he) = de | πτῶσις (ptosis) = val | αὐτῆς (autes) = haar | μεγάλη (megale) = groot Bron: SBLGNT ### De menigten staan versteld **7:28** Toen Yeshua deze woorden had beëindigd, stonden de menigten versteld van Zijn onderwijs. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ὅτε (hote) = toen | ἐτέλεσεν (etelesen) = beëindigde | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto) = stonden versteld | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = het | διδαχῇ (didache) = onderwijs | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een bijna gelijke formule staat in Matt. 11:1; Matt. 13:53; Matt. 19:1 en Matt. 26:1: ‘En het gebeurde toen Yeshua … had beëindigd’. Voetnoot : ἐκπλήσσομαι (ekplessomai), ‘versteld staan’: zo overweldigd zijn dat je niet weet wat je moet zeggen. Zie ook: Mat 11:1; Mat 13:53; Mat 19:1; Mat 26:1 **7:29** Want Hij onderwees hen als iemand met gezag, en niet zoals hun schriftgeleerden. Brontekst: ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | αὐτοὺς (autous) = hen | ὡς (hos) = als | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχων (echon) = hebbend | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | ὡς (hos) = als | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te spreken en te beslissen. γραμματεύς (grammateus), ‘schriftgeleerde’: zie 5:20. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:22. Voetnoot Lezing: Latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) hebben alleen ‘de schriftgeleerden’, zonder ‘hun’. Zie ook: Mar 1:22 ## Matteüs 8 _Genezingen, de storm op de zee en de bezetenen bij de Gadarenen_ ### Yeshua maakt een melaatse rein **8:1** Toen Hij van de berg was afgedaald, volgden veel menigten Hem. Brontekst: Καταβάντος (Katabantos) = toen Hij was afgedaald | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | ὄρους (orous) = berg | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem | ὄχλοι (ochloi) = menigten | πολλοί (polloi) = veel Bron: SBLGNT **8:2** En zie: een melaatse kwam naar Hem toe en boog zich voor Hem neer. Hij zei: „Heer, als U wilt, kunt U mij rein maken.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | λεπρὸς (lepros) = melaatse | προσελθὼν (proselthon) = naderend | προσεκύνει (prosekynei) = boog zich neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem | λέγων (legon) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἐὰν (ean) = als | θέλῃς (theles) = U wilt | δύνασαί (dynasai) = kunt U | με (me) = mij | καθαρίσαι (katharisai) = rein maken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λεπρός (lepros), ‘melaatse’: iemand met een huidziekte die volgens de wet onrein was en buiten het kamp moest wonen (Lev. 13:45–46). προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zie 2:2. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:40–45; Luc. 5:12–16. Zie ook: Lev 13:45–46; Mar 1:40–45; Luc 5:12–16 **8:3** Hij stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: **„Ik wil. Word rein.”** Meteen werd zijn melaatsheid gereinigd. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκτείνας (ekteinas) = uitstrekkend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | αὐτοῦ (autou) = hem | λέγων (legon) = zeggend | Θέλω (Thelo) = Ik wil | καθαρίσθητι (katharistheti) = word rein | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἐκαθαρίσθη (ekatharisthe) = werd gereinigd | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἡ (he) = de | λέπρα (lepra) = melaatsheid Bron: SBLGNT **8:4** Yeshua zei tegen hem: **„Pas op dat je het aan niemand vertelt. Ga heen, laat je aan de priester zien en breng de gave die Mozes heeft opgedragen, als getuigenis voor hen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ὅρα (Hora) = pas op | μηδενὶ (medeni) = niemand | εἴπῃς (eipes) = zeg | ἀλλὰ (alla) = maar | ὕπαγε (hypage) = ga heen | σεαυτὸν (seauton) = jezelf | δεῖξον (deixon) = laat zien | τῷ (to) = aan de | ἱερεῖ (hierei) = priester | καὶ (kai) = en | προσένεγκον (prosenenkon) = breng | τὸ (to) = de | δῶρον (doron) = gave | ὃ (ho) = die | προσέταξεν (prosetaxen) = droeg op | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | εἰς (eis) = tot | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis | αὐτοῖς (autois) = voor hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Wat Mozes opdroeg voor wie rein verklaard wordt, staat in Lev. 14:2–32. δῶρον (doron), ‘gave’. μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’: een bewijs voor de priesters dat de man rein is. Zie ook: Lev 14:2–32 ### Het geloof van de hoofdman over honderd **8:5** Toen Hij Kapernaüm binnenging, kwam een hoofdman over honderd naar Hem toe en smeekte Hem. Brontekst: Εἰσελθόντος (Eiselthontos) = toen Hij binnenkwam | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hij | εἰς (eis) = in | Καφαρναοὺμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | προσῆλθεν (proselthen) = kwam naar | αὐτῷ (auto) = Hem | ἑκατόνταρχος (hekatontarchos) = hoofdman over honderd | παρακαλῶν (parakalon) = smeken | αὐτὸν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: ἑκατόνταρχος (hekatontarchos), ‘hoofdman over honderd’: een officier in het Romeinse leger die ongeveer 100 soldaten onder zich had. Kapernaüm: zie 4:13. Voetnoot : Zie ook Luc. 7:1–10; Joh. 4:46–54. Zie ook: Luc 7:1–10; Joh 4:46–54 **8:6** De hoofdman zei: „Heer, mijn knecht ligt verlamd in huis en wordt vreselijk gekweld.” Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγων (legon) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | ὁ (ho) = de | παῖς (pais) = knecht | μου (mou) = mijn | βέβληται (bebletai) = ligt | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | παραλυτικός (paralytikos) = verlamd | δεινῶς (deinos) = vreselijk | βασανιζόμενος (basanizomenos) = gekweld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παῖς (pais) betekent ‘kind’ of ‘knecht’. Hier gaat het om een knecht van de hoofdman; in vers 9 spreekt de hoofdman over zijn δοῦλος (doulos), ‘knecht’; letterlijk is dat ‘slaaf’. Wij vertalen beide woorden als ‘knecht’. Zie ook: Mat 8:9 **8:7** Yeshua zei tegen hem: **„Ik zal komen en hem genezen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ἐγὼ (Ego) = ik | ἐλθὼν (elthon) = komend | θεραπεύσω (therapeuso) = zal genezen | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **8:8** De hoofdman antwoordde en zei: „Heer, ik ben niet waardig dat U onder mijn dak komt. Zeg alleen een woord, en mijn knecht zal genezen worden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | ἑκατόνταρχος (hekatontarchos) = hoofdman | ἔφη (ephe) = zei | Κύριε (Kyrie) = Heer | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἱκανὸς (hikanos) = waardig | ἵνα (hina) = dat | μου (mou) = mijn | ὑπὸ (hypo) = onder | τὴν (ten) = het | στέγην (stegen) = dak | εἰσέλθῃς (eiselthes) = U komt | ἀλλὰ (alla) = maar | μόνον (monon) = alleen | εἰπὲ (eipe) = zeg | λόγῳ (logo) = een woord | καὶ (kai) = en | ἰαθήσεται (iathesetai) = zal genezen worden | ὁ (ho) = de | παῖς (pais) = knecht | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **8:9** Want ook ik ben een man die onder gezag staat, en ik heb soldaten onder mij. Ik zeg tegen de een: ‘Ga’, en hij gaat. Tegen een ander: ‘Kom’, en hij komt. En tegen mijn knecht: ‘Doe dit’, en hij doet het.” Brontekst: καὶ (kai) = en | γὰρ (gar) = want | ἐγὼ (ego) = ik | ἄνθρωπός (anthropos) = man | εἰμι (eimi) = ben | ὑπὸ (hypo) = onder | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχων (echon) = hebbend | ὑπ’ (hyp’) = onder | ἐμαυτὸν (emauton) = mijzelf | στρατιώτας (stratiotas) = soldaten | καὶ (kai) = en | λέγω (lego) = ik zeg | τούτῳ (touto) = tot deze | Πορεύθητι (Poreutheti) = ga | καὶ (kai) = en | πορεύεται (poreuetai) = hij gaat | καὶ (kai) = en | ἄλλῳ (allo) = tot een ander | Ἔρχου (Erchou) = kom | καὶ (kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = hij komt | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = tot de | δούλῳ (doulo) = knecht | μου (mou) = mijn | Ποίησον (Poieson) = doe | τοῦτο (touto) = dit | καὶ (kai) = en | ποιεῖ (poiei) = hij doet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om bevel te geven. Wij vertalen het overal als ‘gezag’. **8:10** Toen Yeshua dit hoorde, verwonderde Hij Zich. Hij zei tegen hen die Hem volgden: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden.** Brontekst: ἀκούσας (akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐθαύμασεν (ethaumasen) = verwonderde Zich | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | τοῖς (tois) = tot de | ἀκολουθοῦσιν (akolouthousin) = volgenden | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | παρ’ (par’) = bij | οὐδενὶ (oudeni) = niemand | τοσαύτην (tosauten) = zo groot | πίστιν (pistin) = geloof | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | εὗρον (heuron) = heb gevonden Bron: SBLGNT **8:11** **En Ik zeg jullie: velen zullen komen uit het oosten en het westen. Zij zullen met Abraham, Isaak en Jakob aan tafel zitten in het koninkrijk van de hemelen.** Brontekst: λέγω (lego) = ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | πολλοὶ (polloi) = velen | ἀπὸ (apo) = uit | ἀνατολῶν (anatolon) = oosten | καὶ (kai) = en | δυσμῶν (dysmon) = westen | ἥξουσιν (hexousin) = zullen komen | καὶ (kai) = en | ἀνακλιθήσονται (anaklithesontai) = zullen aan tafel zitten | μετὰ (meta) = met | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | καὶ (kai) = en | Ἰσαὰκ (Isaak) = Isaak | καὶ (kai) = en | Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνακλιθήσονται (anaklithesontai) betekent letterlijk ‘zullen liggen’: men lag bij een maaltijd op rustbanken. Wij schrijven ‘aan tafel zitten’; ‘aan tafel’ voegt het Nederlands toe. Zie ook Ps. 107:3 en Jes. 43:5, waar Elohim mensen verzamelt uit het oosten en het westen. Voetnoot : Zie ook Luc. 13:28–29. Zie ook: Ps 107:3; Jes 43:5; Luc 13:28–29 **8:12** **Maar de zonen van het koninkrijk zullen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden.”** Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | υἱοὶ (huioi) = zonen | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | ἐκβληθήσονται (ekblethesontai) = zullen worden uitgeworpen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | σκότος (skotos) = duisternis | τὸ (to) = de | ἐξώτερον (exoteron) = buitenste | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = het | κλαυθμὸς (klauthmos) = geween | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | βρυγμὸς (brygmos) = knarsen | τῶν (ton) = van de | ὀδόντων (odonton) = tanden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ υἱοὶ τῆς βασιλείας (hoi huioi tes basileias), ‘de zonen van het koninkrijk’: zij die het koninkrijk als erfdeel hadden. ‘Zonen van’ is een Hebreeuwse manier van spreken. βρυγμὸς τῶν ὀδόντων (brygmos ton odonton), ‘het knarsen van de tanden’. **8:13** Yeshua zei tegen de hoofdman: **„Ga heen. Laat het jou gebeuren, zoals je geloofd hebt.”** En op dat uur werd de knecht genezen. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τῷ (to) = tot de | ἑκατοντάρχῃ (hekatontarche) = hoofdman over honderd | Ὕπαγε (Hypage) = ga heen | ὡς (hos) = zoals | ἐπίστευσας (episteusas) = je hebt geloofd | γενηθήτω (genetheto) = laat gebeuren | σοι (soi) = jou | καὶ (kai) = en | ἰάθη (iathe) = werd genezen | ὁ (ho) = de | παῖς (pais) = knecht | ἐν (en) = op | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | ἐκείνῃ (ekeine) = dat Bron: SBLGNT ### De schoonmoeder van Petrus **8:14** Toen Yeshua in het huis van Petrus kwam, zag Hij de schoonmoeder van Petrus liggen. Zij had koorts. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = komend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | Πέτρου (Petrou) = van Petrus | εἶδεν (eiden) = zag | τὴν (ten) = de | πενθερὰν (pentheran) = schoonmoeder | αὐτοῦ (autou) = zijn | βεβλημένην (beblemenen) = liggend | καὶ (kai) = en | πυρέσσουσαν (pyressousan) = koorts hebbend Bron: SBLGNT **8:15** Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar. Zij stond op en diende Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | ἀφῆκεν (apheken) = verliet | αὐτὴν (auten) = haar | ὁ (ho) = de | πυρετός (pyretos) = koorts | καὶ (kai) = en | ἠγέρθη (egerthe) = stond op | καὶ (kai) = en | διηκόνει (diekonei) = diende | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 1:29–31; Luc. 4:38–39. Voetnoot Lezing: Wij volgen de SBLGNT: ‘zij diende Hem’ (αὐτῷ, auto). In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat ‘zij diende hen’ (αὐτοῖς, autois). Zie ook: Mar 1:29–31; Luc 4:38–39 ### Veel zieken worden genezen **8:16** Toen het avond geworden was, brachten zij veel mensen die door demonen bezeten waren bij Hem. Met een woord dreef Hij de geesten uit, en Hij genas allen die ziek waren, Brontekst: Ὀψίας (Opsias) = avond | δὲ (de) = maar | γενομένης (genomenes) = geworden | προσήνεγκαν (prosenenkan) = brachten | αὐτῷ (auto) = bij Hem | δαιμονιζομένους (daimonizomenous) = door demonen bezetenen | πολλούς (pollous) = veel | καὶ (kai) = en | ἐξέβαλεν (exebalen) = dreef uit | τὰ (ta) = de | πνεύματα (pneumata) = geesten | λόγῳ (logo) = met een woord | καὶ (kai) = en | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = de | κακῶς (kakos) = slecht | ἔχοντας (echontas) = hebbenden | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 1:32–34; Luc. 4:40–41. Zie ook: Mar 1:32–34; Luc 4:40–41 **8:17** opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet Jesaja: „Hij heeft onze zwakheden genomen en onze ziekten gedragen.” Brontekst: ὅπως (hopos) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gesprokene | διὰ (dia) = door | Ἠσαΐου (Esaiou) = Jesaja | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend | Αὐτὸς (Autos) = Hij | τὰς (tas) = de | ἀσθενείας (astheneias) = zwakheden | ἡμῶν (hemon) = onze | ἔλαβεν (elaben) = nam | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | νόσους (nosous) = ziekten | ἐβάστασεν (ebastasen) = droeg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 53:4. Het Hebreeuws heeft ‘onze ziekten heeft hij gedragen, en onze pijnen heeft hij op zich genomen’. De Griekse tekst heeft ‘Hij nam onze zwakheden en droeg onze ziekten’. ἀσθένεια (astheneia), ‘zwakheid’; νόσος (nosos), ‘ziekte’. Zie ook: Jes 53:4 ### Wat het kost om Yeshua te volgen **8:18** Toen Yeshua veel menigten om Zich heen zag, gaf Hij bevel om naar de overkant te gaan. Brontekst: Ἰδὼν (Idon) = ziend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πολλοὺς (pollous) = veel | ὄχλους (ochlous) = menigten | περὶ (peri) = rondom | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = gaf bevel | ἀπελθεῖν (apelthein) = te vertrekken | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant Bron: SBLGNT **8:19** Een schriftgeleerde kwam naar Hem toe en zei: „Leraar, ik zal U volgen, waar U ook heen gaat.” Brontekst: καὶ (kai) = en | προσελθὼν (proselthon) = naderend | εἷς (heis) = een | γραμματεὺς (grammateus) = schriftgeleerde | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | ἀκολουθήσω (akoloutheso) = ik zal volgen | σοι (soi) = U | ὅπου (hopou) = waar | ἐὰν (ean) = ook | ἀπέρχῃ (aperche) = U heen gaat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γραμματεύς (grammateus), ‘schriftgeleerde’: iemand die de Schrift kende en uitlegde. διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’. Voetnoot : Zie ook Luc. 9:57–58. Zie ook: Luc 9:57–58 **8:20** Yeshua zei tegen hem: **„De vossen hebben holen en de vogels van de hemel hebben nesten. Maar de Mensenzoon heeft geen plaats waar Hij Zijn hoofd kan neerleggen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Αἱ (Hai) = de | ἀλώπεκες (alopekes) = vossen | φωλεοὺς (pholeous) = holen | ἔχουσιν (echousin) = hebben | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | κατασκηνώσεις (kataskenoseis) = nesten | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft | ποῦ (pou) = waar | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | κλίνῃ (kline) = Hij neerlegt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: Yeshua noemt Zichzelf zo. De naam komt uit Dan. 7:13, ‘iemand als een mensenzoon’ (Aramees בַּר אֱנָשׁ, bar enash). Letterlijk betekent het ‘zoon van een mens’. Wij schrijven overal ‘de Mensenzoon’. Voetnoot : κατασκήνωσις (kataskenosis), ‘nest, verblijfplaats’. Zie ook: Dan 7:13 **8:21** Een ander van de leerlingen zei tegen Hem: „Heer, sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.” Brontekst: ἕτερος (heteros) = een ander | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἐπίτρεψόν (epitrepson) = sta toe | μοι (moi) = mij | πρῶτον (proton) = eerst | ἀπελθεῖν (apelthein) = heen te gaan | καὶ (kai) = en | θάψαι (thapsai) = te begraven | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 9:59–60. Zie ook: Luc 9:59–60 **8:22** Yeshua zei tegen hem: **„Volg Mij, en laat de doden hun eigen doden begraven.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ἀκολούθει (Akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij | καὶ (kai) = en | ἄφες (aphes) = laat | τοὺς (tous) = de | νεκροὺς (nekrous) = doden | θάψαι (thapsai) = te begraven | τοὺς (tous) = de | ἑαυτῶν (heauton) = hun eigen | νεκρούς (nekrous) = doden Bron: SBLGNT ### Yeshua bedaart de storm **8:23** Toen Hij in een boot stapte, volgden Zijn leerlingen Hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐμβάντι (embanti) = instappend | αὐτῷ (auto) = Hem | εἰς (eis) = in | πλοῖον (ploion) = boot | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **8:24** En zie: er kwam een grote storm op de zee, zodat de boot door de golven overspoeld werd. Maar Hij sliep. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | σεισμὸς (seismos) = storm | μέγας (megas) = grote | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | θαλάσσῃ (thalasse) = zee | ὥστε (hoste) = zodat | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | καλύπτεσθαι (kalyptesthai) = werd overspoeld | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | κυμάτων (kymaton) = golven | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | δὲ (de) = maar | ἐκάθευδεν (ekatheuden) = sliep Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: σεισμός (seismos) betekent ‘schudding, beving’; hier is het een hevige storm op het water. θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het gaat om het meer van Galilea; zie 4:18. γαλήνη (galene) in vers 26 is een volkomen windstilte. Voetnoot : Zie ook Mark. 4:35–41; Luc. 8:22–25. Zie ook: Mat 8:26; Mar 4:35–41; Luc 8:22–25 **8:25** Zij kwamen naar Hem toe, maakten Hem wakker en zeiden: „Heer, red ons! Wij komen om!” Brontekst: καὶ (kai) = en | προσελθόντες (proselthontes) = naderend | ἤγειραν (egeiran) = maakten wakker | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | σῶσον (soson) = red (ons) | ἀπολλύμεθα (apollymetha) = wij komen om Bron: SBLGNT **8:26** Hij zei tegen hen: **„Waarom zijn jullie bang, kleingelovigen?”** Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee. Er kwam een grote windstilte. Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τί (Ti) = wat | δειλοί (deiloi) = bang | ἐστε (este) = zijn jullie | ὀλιγόπιστοι (oligopistoi) = kleingelovigen | τότε (tote) = toen | ἐγερθεὶς (egertheis) = opstaand | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | τοῖς (tois) = de | ἀνέμοις (anemois) = winden | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = de | θαλάσσῃ (thalasse) = zee | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = kwam | γαλήνη (galene) = windstilte | μεγάλη (megale) = grote Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: ὀλιγόπιστος (oligopistos), ‘kleingelovige’: iemand met weinig geloof. **8:27** De mensen verwonderden zich en zeiden: „Wat voor iemand is Hij, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzamen?” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | ἐθαύμασαν (ethaumasan) = verwonderden zich | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ποταπός (Potapos) = wat voor iemand | ἐστιν (estin) = is | οὗτος (houtos) = Deze | ὅτι (hoti) = dat | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἄνεμοι (anemoi) = winden | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | θάλασσα (thalassa) = zee | αὐτῷ (auto) = Hem | ὑπακούουσιν (hypakouousin) = gehoorzamen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. ### De bezetenen in het gebied van de Gadarenen **8:28** Toen Hij aan de overkant kwam, in het gebied van de Gadarenen, kwamen twee door demonen bezeten mannen Hem tegemoet, uit de graven. Zij waren zeer gevaarlijk, zodat niemand over die weg kon gaan. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐλθόντος (elthontos) = gekomen | αὐτοῦ (autou) = Hem | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | χώραν (choran) = gebied | τῶν (ton) = van de | Γαδαρηνῶν (Gadarenon) = Gadarenen | ὑπήντησαν (hypentesan) = ontmoetten | αὐτῷ (auto) = Hem | δύο (dyo) = twee | δαιμονιζόμενοι (daimonizomenoi) = door demonen bezetenen | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μνημείων (mnemeion) = graven | ἐξερχόμενοι (exerchomenoi) = uitkomend | χαλεποὶ (chalepoi) = gevaarlijk | λίαν (lian) = zeer | ὥστε (hoste) = zodat | μὴ (me) = niet | ἰσχύειν (ischyein) = kon | τινὰ (tina) = iemand | παρελθεῖν (parelthein) = voorbijgaan | διὰ (dia) = over | τῆς (tes) = de | ὁδοῦ (hodou) = weg | ἐκείνης (ekeines) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Gebied van de Gadarenen (Gadara; ligging onzeker): Gadara (Umm Qais) lag ongeveer 10 km ten zuidoosten van het meer van Galilea, in het huidige Jordanië. Het gebied van de Gadarenen reikte mogelijk tot aan het meer. De precieze plek is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Gadara ligt ten zuidoosten van het meer van Galilea. μνημεῖον (mnemeion), ‘graf’: een grafkamer, vaak uitgehouwen in de rots. Voetnoot : Zie ook Mark. 5:1–20; Luc. 8:26–39. Voetnoot Lezing: Wij volgen de SBLGNT: ‘de Gadarenen’ (Γαδαρηνῶν, Gadarenon). In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat ‘de Gergesenen’ (Γεργεσηνῶν, Gergesenon). Zie ook: Mar 5:1–20; Luc 8:26–39 **8:29** En zie: zij schreeuwden: _„Wat hebben wij met U te maken, Zoon van Elohim? Bent U hierheen gekomen om ons vóór de tijd te kwellen?”_ Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἔκραξαν (ekraxan) = schreeuwden | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τί (Ti) = wat | ἡμῖν (hemin) = ons | καὶ (kai) = en | σοί (soi) = U | υἱὲ (huie) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἦλθες (elthes) = kwam U | ὧδε (hode) = hierheen | πρὸ (pro) = vóór | καιροῦ (kairou) = de tijd | βασανίσαι (basanisai) = te kwellen | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τί ἡμῖν καὶ σοί (ti hemin kai soi), ‘wat hebben wij met U te maken’, is een Hebreeuwse uitdrukking; zie Richt. 11:12 en 1 Kon. 17:18. βασανίζω (basanizo), ‘kwellen’. Zie ook: Re 11:12; 1 Kon 17:18 **8:30** Een eind van hen vandaan graasde een kudde van veel varkens. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | μακρὰν (makran) = ver | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἀγέλη (agele) = kudde | χοίρων (choiron) = varkens | πολλῶν (pollon) = veel | βοσκομένη (boskomene) = grazend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Varkens zijn volgens de wet onrein (Lev. 11:7; Deut. 14:8). Zie ook: Lev 11:7; Deut 14:8 **8:31** De demonen smeekten Hem: _„Als U ons uitdrijft, zend ons in de kudde varkens.”_ Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | δαίμονες (daimones) = demonen | παρεκάλουν (parekaloun) = smeekten | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Εἰ (Ei) = als | ἐκβάλλεις (ekballeis) = U uitdrijft | ἡμᾶς (hemas) = ons | ἀπόστειλον (aposteilon) = zend | ἡμᾶς (hemas) = ons | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | ἀγέλην (agelen) = kudde | τῶν (ton) = van de | χοίρων (choiron) = varkens Bron: SBLGNT **8:32** Hij zei tegen hen: **„Ga heen.”** Zij kwamen eruit en gingen in de varkens. En zie: de hele kudde stortte zich van de steile helling in de zee en stierf in het water. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὑπάγετε (Hypagete) = gaat heen | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgekomen | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | εἰς (eis) = in | τοὺς (tous) = de | χοίρους (choirous) = varkens | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ὥρμησεν (hormesen) = stormde | πᾶσα (pasa) = hele | ἡ (he) = de | ἀγέλη (agele) = kudde | κατὰ (kata) = van | τοῦ (tou) = de | κρημνοῦ (kremnou) = steile helling | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | καὶ (kai) = en | ἀπέθανον (apethanon) = stierven | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | ὕδασιν (hydasin) = wateren Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: κρημνός (kremnos), ‘steile helling’: een steile oever of rotswand. **8:33** De herders vluchtten. Zij gingen naar de stad en vertelden alles, ook wat met de door demonen bezeten mannen was gebeurd. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | βόσκοντες (boskontes) = herders | ἔφυγον (ephygon) = vluchtten | καὶ (kai) = en | ἀπελθόντες (apelthontes) = weggegaan | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | πάντα (panta) = alles | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = wat | τῶν (ton) = van de | δαιμονιζομένων (daimonizomenon) = door demonen bezetenen Bron: SBLGNT **8:34** En zie: heel de stad ging Yeshua tegemoet. Toen zij Hem zagen, smeekten zij Hem uit hun gebied weg te gaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | πᾶσα (pasa) = hele | ἡ (he) = de | πόλις (polis) = stad | ἐξῆλθεν (exelthen) = kwam uit | εἰς (eis) = tot | ὑπάντησιν (hypantesin) = ontmoeting | τῷ (to) = met de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἰδόντες (idontes) = ziende | αὐτὸν (auton) = Hem | παρεκάλεσαν (parekalesan) = smeekten | ὅπως (hopos) = opdat | μεταβῇ (metabe) = Hij zou vertrekken | ἀπὸ (apo) = uit | τῶν (ton) = de | ὁρίων (horion) = gebieden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT ## Matteüs 9 _Vergeving, de roeping van Matteüs, opwekking en genezingen_ ### Yeshua vergeeft en geneest een verlamde **9:1** Hij stapte in een boot, stak over en kwam in Zijn eigen stad. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐμβὰς (embas) = instappend | εἰς (eis) = in | πλοῖον (ploion) = boot | διεπέρασεν (dieperasen) = stak over | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | ἰδίαν (idian) = eigen | πόλιν (polin) = stad Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm (Zijn eigen stad): Met ‘Zijn eigen stad’ wordt waarschijnlijk Kapernaüm bedoeld (zie Matteüs 4:13), aan de noordwestkant van het meer van Galilea. De naam staat hier niet in de tekst. Voetnoot Uitleg: ‘Zijn eigen stad’ is Kapernaüm; zie 4:13. **9:2** En zie: zij brachten een verlamde bij Hem, liggend op een bed. Toen Yeshua hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: **„Heb moed, kind. Je zonden worden vergeven.”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | προσέφερον (prosepheron) = brachten | αὐτῷ (auto) = bij Hem | παραλυτικὸν (paralytikon) = verlamde | ἐπὶ (epi) = op | κλίνης (klines) = bed | βεβλημένον (beblemenon) = liggend | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὴν (ten) = het | πίστιν (pistin) = geloof | αὐτῶν (auton) = hun | εἶπεν (eipen) = zei | τῷ (to) = tegen de | παραλυτικῷ (paralytiko) = verlamde | Θάρσει (Tharsei) = heb moed | τέκνον (teknon) = kind | ἀφίενταί (aphientai) = worden vergeven | σου (sou) = jouw | αἱ (hai) = de | ἁμαρτίαι (hamartiai) = zonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφίημι (aphiemi), ‘vergeven’: letterlijk ‘loslaten, wegsturen’. παραλυτικός (paralytikos), ‘verlamde’. Voetnoot : Zie ook Mark. 2:1–12; Luc. 5:17–26. Zie ook: Mar 2:1–12; Luc 5:17–26 **9:3** En zie: enkele schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: „Deze lastert.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδού (idou) = zie | τινες (tines) = enkele | τῶν (ton) = van de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | εἶπαν (eipan) = zeiden | ἐν (en) = bij | ἑαυτοῖς (heautois) = zichzelf | Οὗτος (Houtos) = deze | βλασφημεῖ (blasphemei) = lastert Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βλασφημέω (blasphemeo), ‘lasteren’: kwaad spreken, hier over Elohim, omdat alleen Elohim zonden vergeeft. **9:4** Yeshua kende hun gedachten en zei: **„Waarom denken jullie kwaad in jullie harten?** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰδὼς (eidos) = wetend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὰς (tas) = de | ἐνθυμήσεις (enthymeseis) = gedachten | αὐτῶν (auton) = hun | εἶπεν (eipen) = zei | Ἱνατί (Hinati) = waarom | ἐνθυμεῖσθε (enthymeisthe) = denken jullie | πονηρὰ (ponera) = kwaad | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | καρδίαις (kardiais) = harten | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT **9:5** **Wat is gemakkelijker: te zeggen ‘Je zonden worden vergeven’, of te zeggen ‘Sta op en loop’?** Brontekst: τί (ti) = wat | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | εὐκοπώτερον (eukopoteron) = gemakkelijker | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | Ἀφίενταί (Aphientai) = worden vergeven | σου (sou) = jouw | αἱ (hai) = de | ἁμαρτίαι (hamartiai) = zonden | ἢ (e) = of | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | Ἔγειρε (Egeire) = sta op | καὶ (kai) = en | περιπάτει (peripatei) = loop Bron: SBLGNT **9:6** **Maar opdat jullie weten dat de Mensenzoon op de aarde gezag heeft om zonden te vergeven —”** zei Hij toen tegen de verlamde: **„Sta op, pak je bed en ga naar huis.”** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | δὲ (de) = maar | εἰδῆτε (eidete) = jullie weten | ὅτι (hoti) = dat | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχει (echei) = heeft | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἀφιέναι (aphienai) = te vergeven | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = tegen de | παραλυτικῷ (paralytiko) = verlamde | Ἐγερθεὶς (Egertheis) = opgestaan | ἆρόν (aron) = pak | σου (sou) = jouw | τὴν (ten) = het | κλίνην (klinen) = bed | καὶ (kai) = en | ὕπαγε (hypage) = ga heen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκόν (oikon) = huis | σου (sou) = jouw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Mensenzoon: zie 8:20. De zin breekt na ‘vergeven’ af en gaat verder met de woorden tot de verlamde; wij laten dat zo staan (ook Mark. 2:10 doet dat). ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: zie 8:9. Zie ook: Mar 2:10 **9:7** En hij stond op en ging naar zijn huis. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγερθεὶς (egertheis) = opgestaan | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **9:8** Toen de menigten dit zagen, werden zij bevreesd. Zij verheerlijkten Elohim, die zulk gezag aan mensen had gegeven. Brontekst: ἰδόντες (idontes) = ziende | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bevreesd | καὶ (kai) = en | ἐδόξασαν (edoxasan) = verheerlijkten | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | τὸν (ton) = de | δόντα (donta) = gegeven hebbende | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | τοιαύτην (toiauten) = zulk | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen Bron: SBLGNT ### De roeping van Matteüs **9:9** Terwijl Yeshua vandaar verderging, zag Hij een man zitten bij het tolkantoor, die Matteüs genoemd werd. Hij zei tegen hem: **„Volg Mij.”** En hij stond op en volgde Hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | παράγων (paragon) = voorbijgaand | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | εἶδεν (eiden) = zag | ἄνθρωπον (anthropon) = man | καθήμενον (kathemenon) = zittend | ἐπὶ (epi) = bij | τὸ (to) = het | τελώνιον (telonion) = tolkantoor | Μαθθαῖον (Maththaion) = Matteüs | λεγόμενον (legomenon) = genoemd | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἀκολούθει (Akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij | καὶ (kai) = en | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἠκολούθησεν (ekolouthesen) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τελώνης (telones), ‘tollenaar’: iemand die voor de Romeinse overheid belasting en tol innde. In Matt. 10:3 heet Matteüs ‘de tollenaar’. Voetnoot : Zie ook Mark. 2:13–17; Luc. 5:27–32. Zie ook: Mat 10:3; Mar 2:13–17; Luc 5:27–32 **9:10** Toen Hij in het huis aan tafel zat, zie: veel tollenaars en zondaars kwamen en zaten met Yeshua en Zijn leerlingen aan tafel. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἀνακειμένου (anakeimenou) = aan tafel zittend | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | πολλοὶ (polloi) = veel | τελῶναι (telonai) = tollenaars | καὶ (kai) = en | ἁμαρτωλοὶ (hamartoloi) = zondaars | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | συνανέκειντο (synanekeinto) = zaten mee aan tafel | τῷ (to) = met de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = met de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie 8:11 voor ‘aan tafel zitten’. **9:11** Toen de Farizeeën dit zagen, zeiden zij tegen Zijn leerlingen: „Waarom eet jullie leraar met de tollenaars en zondaars?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδόντες (idontes) = ziende | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ἔλεγον (elegon) = zeiden | τοῖς (tois) = tegen de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Διὰ (Dia) = waarom | τί (ti) = (waarom) | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | τελωνῶν (telonon) = tollenaars | καὶ (kai) = en | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = zondaars | ἐσθίει (esthiei) = eet | ὁ (ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT **9:12** Toen Hij het hoorde, zei Hij: **„Wie gezond zijn, hebben geen arts nodig, maar wie ziek zijn.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀκούσας (akousas) = horend | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐ (Ou) = niet | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχουσιν (echousin) = hebben | οἱ (hoi) = de | ἰσχύοντες (ischyontes) = gezonden | ἰατροῦ (iatrou) = van een arts | ἀλλὰ (alla) = maar | οἱ (hoi) = de | κακῶς (kakos) = slecht | ἔχοντες (echontes) = hebbenden Bron: SBLGNT **9:13** **Ga heen en leer wat dit betekent: ‘Barmhartigheid wil Ik, en geen slachtoffer.’ Want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.”** Brontekst: πορευθέντες (poreuthentes) = gegaan zijnde | δὲ (de) = maar | μάθετε (mathete) = leer | τί (ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | Ἔλεος (Eleos) = barmhartigheid | θέλω (thelo) = Ik wil | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | θυσίαν (thysian) = slachtoffer | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἦλθον (elthon) = ik kwam | καλέσαι (kalesai) = te roepen | δικαίους (dikaious) = rechtvaardigen | ἀλλὰ (alla) = maar | ἁμαρτωλούς (hamartolous) = zondaars Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Hos. 6:6. Het Hebreeuws heeft ‘Ik heb behagen in trouw (חֶסֶד, chesed) en niet in slachtoffers (זֶבַח, zevach)’; de Griekse tekst heeft ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’, en θυσία (thysia), ‘slachtoffer’. Wij vertalen ἔλεος overal als ‘barmhartigheid’ (zo ook 5:7, 12:7 en 23:23). Voetnoot : δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardige’. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat na ‘zondaars’ nog ‘tot bekering’; de SBLGNT heeft dat niet. Zie ook: Hos 6:6 ### Over het vasten **9:14** Toen kwamen de leerlingen van Johannes naar Hem toe en zeiden: „Waarom vasten wij en de Farizeeën vaak, maar vasten Uw leerlingen niet?” Brontekst: Τότε (Tote) = toen | προσέρχονται (proserchontai) = komen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | λέγοντες (legontes) = zeggend | Διὰ (Dia) = waarom | τί (ti) = (waarom) | ἡμεῖς (hemeis) = wij | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | νηστεύομεν (nesteuomen) = vasten | πολλά (polla) = vaak | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | σου (sou) = Uw | οὐ (ou) = niet | νηστεύουσιν (nesteuousin) = vasten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νηστεύω (nesteuo), ‘vasten’: een tijd lang niet eten, om Elohim te zoeken of te rouwen. Voetnoot : Zie ook Mark. 2:18–22; Luc. 5:33–39. Zie ook: Mar 2:18–22; Luc 5:33–39 **9:15** Yeshua zei tegen hen: **„Kunnen de bruiloftsgasten rouwen zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen dagen komen dat de bruidegom van hen weggenomen wordt. Dan zullen zij vasten.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Μὴ (Me) = toch niet | δύνανται (dynantai) = kunnen | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | τοῦ (tou) = van de | νυμφῶνος (nymphonos) = bruidskamer | πενθεῖν (penthein) = rouwen | ἐφ’ (eph’) = zolang | ὅσον (hoson) = als | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | νυμφίος (nymphios) = bruidegom | ἐλεύσονται (eleusontai) = zullen komen | δὲ (de) = maar | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ὅταν (hotan) = wanneer | ἀπαρθῇ (aparthe) = weggenomen wordt | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ὁ (ho) = de | νυμφίος (nymphios) = bruidegom | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | νηστεύσουσιν (nesteusousin) = zullen vasten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Letterlijk ‘de zonen van de bruidskamer’: de gasten bij de bruiloft. νυμφίος (nymphios), ‘bruidegom’. **9:16** **Niemand zet een lap ongekrompen stof op een oude mantel. Want de lap scheurt los van de mantel, en de scheur wordt erger.** Brontekst: οὐδεὶς (oudeis) = niemand | δὲ (de) = maar | ἐπιβάλλει (epiballei) = zet | ἐπίβλημα (epiblema) = lap | ῥάκους (rhakous) = van stof | ἀγνάφου (agnaphou) = ongekrompen | ἐπὶ (epi) = op | ἱματίῳ (himatio) = mantel | παλαιῷ (palaio) = oude | αἴρει (airei) = neemt weg | γὰρ (gar) = want | τὸ (to) = de | πλήρωμα (pleroma) = aanvulling | αὐτοῦ (autou) = ervan | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | ἱματίου (himatiou) = mantel | καὶ (kai) = en | χεῖρον (cheiron) = erger | σχίσμα (schisma) = scheur | γίνεται (ginetai) = wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥάκος ἄγναφον (rakos agnaphon), ‘lap ongekrompen stof’: stof die nog niet gewassen en gevold was en daarom bij het wassen inkrimpt. πλήρωμα (pleroma) is wat iets opvult, hier de ingezette lap. ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed. **9:17** **Men doet ook geen nieuwe wijn in oude wijnzakken. Anders scheuren de zakken, loopt de wijn eruit en gaan de zakken verloren. Maar men doet nieuwe wijn in nieuwe wijnzakken, en beide blijven bewaard.”** Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | βάλλουσιν (ballousin) = doen | οἶνον (oinon) = wijn | νέον (neon) = nieuwe | εἰς (eis) = in | ἀσκοὺς (askous) = wijnzakken | παλαιούς (palaious) = oude | εἰ (ei) = anders | δὲ (de) = maar | μή (me) = niet | γε (ge) = althans | ῥήγνυνται (rhegnyntai) = scheuren | οἱ (hoi) = de | ἀσκοί (askoi) = wijnzakken | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | οἶνος (oinos) = wijn | ἐκχεῖται (ekcheitai) = wordt uitgegoten | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀσκοὶ (askoi) = wijnzakken | ἀπόλλυνται (apollyntai) = gaan verloren | ἀλλὰ (alla) = maar | βάλλουσιν (ballousin) = doen | οἶνον (oinon) = wijn | νέον (neon) = nieuwe | εἰς (eis) = in | ἀσκοὺς (askous) = wijnzakken | καινούς (kainous) = nieuwe | καὶ (kai) = en | ἀμφότεροι (amphoteroi) = beide | συντηροῦνται (synterountai) = blijven bewaard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀσκός (askos), ‘wijnzak’: een zak van dierenhuid waarin wijn bewaard werd. Nieuwe wijn gist nog en rekt de huid uit; een oude, harde zak scheurt dan. ### De dochter van de leider en de vrouw met bloedvloeiing **9:18** Terwijl Hij dit tegen hen zei, zie: een leider kwam, boog zich voor Hem neer en zei: „Mijn dochter is zojuist gestorven. Maar kom, leg Uw hand op haar, en zij zal leven.” Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = dit | αὐτοῦ (autou) = Hij | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄρχων (archon) = leider | εἷς (heis) = een | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | προσεκύνει (prosekynei) = boog zich neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem | λέγων (legon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἡ (He) = de | θυγάτηρ (thygater) = dochter | μου (mou) = mijn | ἄρτι (arti) = zojuist | ἐτελεύτησεν (eteleutesen) = is gestorven | ἀλλὰ (alla) = maar | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | ἐπίθες (epithes) = leg | τὴν (ten) = de | χεῖρά (cheira) = hand | σου (sou) = Uw | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτήν (auten) = haar | καὶ (kai) = en | ζήσεται (zesetai) = zal leven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχων (archon), ‘leider’: wij vertalen het woord zo ook in 9:34. De man komt Yeshua vragen om zijn dochter. προσκυνέω: zie 2:2. Voetnoot : Zie ook Mark. 5:21–43; Luc. 8:40–56. Zie ook: Mar 5:21–43; Luc 8:40–56 **9:19** Yeshua stond op en volgde hem, en Zijn leerlingen ook. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγερθεὶς (egertheis) = opgestaan | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | αὐτῷ (auto) = hem | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **9:20** En zie: een vrouw die twaalf jaar bloedvloeiing had, kwam van achteren naar Hem toe en raakte de kwast van Zijn mantel aan. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | γυνὴ (gyne) = vrouw | αἱμορροοῦσα (haimorroousa) = bloedvloeiing hebbend | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἔτη (ete) = jaren | προσελθοῦσα (proselthousa) = naderend | ὄπισθεν (opisthen) = van achteren | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | τοῦ (tou) = de | κρασπέδου (kraspedou) = kwast | τοῦ (tou) = van de | ἱματίου (himatiou) = mantel | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een vrouw met langdurig bloedverlies was volgens de wet onrein (Lev. 15:25–27). κράσπεδον (kraspedon), ‘kwast’: de kwasten aan de hoeken van het bovenkleed (Num. 15:38–39; Deut. 22:12). Zie ook: Lev 15:25–27; Num 15:38–39; Deut 22:12 **9:21** Want zij zei bij zichzelf: „Als ik alleen maar Zijn mantel aanraak, zal ik gered worden.” Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = zei | γὰρ (gar) = want | ἐν (en) = bij | ἑαυτῇ (heaute) = zichzelf | Ἐὰν (Ean) = als | μόνον (monon) = alleen | ἅψωμαι (hapsomai) = ik aanraak | τοῦ (tou) = de | ἱματίου (himatiou) = mantel | αὐτοῦ (autou) = Zijn | σωθήσομαι (sothesomai) = zal gered worden Bron: SBLGNT **9:22** Yeshua draaide Zich om, zag haar en zei: **„Heb moed, dochter. Je geloof heeft je gered.”** En vanaf dat uur werd de vrouw gered. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | στραφεὶς (strapheis) = omgedraaid | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | αὐτὴν (auten) = haar | εἶπεν (eipen) = zei | Θάρσει (Tharsei) = heb moed | θύγατερ (thygater) = dochter | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | σου (sou) = jouw | σέσωκέν (sesoken) = heeft gered | σε (se) = je | καὶ (kai) = en | ἐσώθη (esothe) = werd gered | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἀπὸ (apo) = vanaf | τῆς (tes) = het | ὥρας (horas) = uur | ἐκείνης (ekeines) = dat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σῴζω (sozo), ‘redden’: het woord kan ook ‘genezen’ betekenen. Wij vertalen het overal als ‘redden’. **9:23** Toen Yeshua in het huis van de leider kwam, zag Hij de fluitspelers en de menigte in opschudding. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = komend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | τοῦ (tou) = van de | ἄρχοντος (archontos) = leider | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | τοὺς (tous) = de | αὐλητὰς (auletas) = fluitspelers | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | θορυβούμενον (thoryboumenon) = in opschudding Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αὐλητής (auletes), ‘fluitspeler’: bij een begrafenis werden fluitspelers en klaagvrouwen ingehuurd. **9:24** Hij zei: **„Ga weg, want het meisje is niet gestorven, maar slaapt.”** En zij lachten Hem uit. Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = zei | Ἀναχωρεῖτε (Anachoreite) = ga weg | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἀπέθανεν (apethanen) = is gestorven | τὸ (to) = het | κοράσιον (korasion) = meisje | ἀλλὰ (alla) = maar | καθεύδει (katheudei) = slaapt | καὶ (kai) = en | κατεγέλων (kategelon) = lachten uit | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναχωρέω (anachoreo): zie 2:12, ‘vertrekken’; hier als bevel ‘ga weg’. **9:25** Toen de menigte naar buiten was gebracht, ging Hij naar binnen en pakte haar hand. En het meisje stond op. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | δὲ (de) = maar | ἐξεβλήθη (exeblethe) = werd uitgedreven | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengaand | ἐκράτησεν (ekratesen) = pakte | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | ἠγέρθη (egerthe) = stond op | τὸ (to) = het | κοράσιον (korasion) = meisje Bron: SBLGNT **9:26** Het bericht hierover ging uit over heel dat land. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἡ (he) = het | φήμη (pheme) = bericht | αὕτη (haute) = dit | εἰς (eis) = naar | ὅλην (holen) = hele | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ἐκείνην (ekeinen) = dat Bron: SBLGNT ### Twee blinden en een stomme man **9:27** Terwijl Yeshua vandaar verderging, volgden twee blinden Hem. Zij schreeuwden en zeiden: „Ontferm U over ons, Zoon van David!” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | παράγοντι (paragonti) = voorbijgaand | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem | δύο (dyo) = twee | τυφλοὶ (typhloi) = blinden | κράζοντες (krazontes) = schreeuwend | καὶ (kai) = en | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἐλέησον (Eleeson) = ontferm U over | ἡμᾶς (hemas) = ons | υἱὲ (huie) = Zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Zoon van David’ is een titel van de verwachte koning uit het huis van David (2 Sam. 7:12–16; zie Matt. 1:1). ἐλεέω (eleeo), ‘zich ontfermen’: verwant met ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’ in 9:13. Zie ook: 2 Sam 7:12–16; Mat 1:1 **9:28** Toen Hij in het huis gekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. Yeshua zei tegen hen: **„Geloven jullie dat Ik dit kan doen?”** Zij zeiden tegen Hem: „Ja, Heer.” Brontekst: ἐλθόντι (elthonti) = gekomen zijnde | δὲ (de) = maar | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | τυφλοί (typhloi) = blinden | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Πιστεύετε (Pisteuete) = geloven jullie | ὅτι (hoti) = dat | δύναμαι (dynamai) = ik kan | τοῦτο (touto) = dit | ποιῆσαι (poiesai) = doen | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ναί (Nai) = ja | κύριε (kyrie) = Heer Bron: SBLGNT **9:29** Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: **„Laat het jullie gebeuren overeenkomstig jullie geloof.”** Brontekst: τότε (tote) = toen | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | τῶν (ton) = de | ὀφθαλμῶν (ophthalmon) = ogen | αὐτῶν (auton) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Κατὰ (Kata) = naar | τὴν (ten) = het | πίστιν (pistin) = geloof | ὑμῶν (hymon) = jullie | γενηθήτω (genetheto) = laat gebeuren | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT **9:30** Hun ogen gingen open. Yeshua sprak hen streng toe en zei: **„Pas op dat niemand het te weten komt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠνεῴχθησαν (eneochthesan) = gingen open | αὐτῶν (auton) = hun | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοί (ophthalmoi) = ogen | καὶ (kai) = en | ἐνεβριμήθη (enebrimethe) = sprak streng toe | αὐτοῖς (autois) = hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγων (legon) = zeggend | Ὁρᾶτε (Horate) = pas op | μηδεὶς (medeis) = niemand | γινωσκέτω (ginosketo) = laat weten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμβριμάομαι (embrimaomai), ‘streng toespreken’: letterlijk ‘snuiven’, een sterk, waarschuwend bevel. **9:31** Maar zij gingen weg en maakten Hem bekend in heel dat land. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | διεφήμισαν (diephemisan) = maakten bekend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | ὅλῃ (hole) = hele | τῇ (te) = het | γῇ (ge) = land | ἐκείνῃ (ekeine) = dat Bron: SBLGNT **9:32** Terwijl zij weggingen, zie: zij brachten een stomme man bij Hem, die door een demon bezeten was. Brontekst: Αὐτῶν (Auton) = zij | δὲ (de) = maar | ἐξερχομένων (exerchomenon) = uitgaand | ἰδοὺ (idou) = zie | προσήνεγκαν (prosenenkan) = brachten | αὐτῷ (auto) = bij Hem | ἄνθρωπον (anthropon) = man | κωφὸν (kophon) = stomme | δαιμονιζόμενον (daimonizomenon) = door een demon bezeten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κωφός (kophos), ‘stom’; het woord kan ook ‘doof’ betekenen. Hier spreekt de man na zijn genezing (vers 33), dus wij vertalen ‘stom’. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:22–24; Luc. 11:14–15. Zie ook: Mat 9:33; Mat 12:22–24; Luc 11:14–15 **9:33** Toen de demon was uitgedreven, sprak de stomme. De menigten verwonderden zich en zeiden: „Nog nooit is zoiets in Israël te zien geweest.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκβληθέντος (ekblethentos) = uitgedreven zijnde | τοῦ (tou) = de | δαιμονίου (daimoniou) = demon | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | ὁ (ho) = de | κωφός (kophos) = stomme | καὶ (kai) = en | ἐθαύμασαν (ethaumasan) = verwonderden zich | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | λέγοντες (legontes) = zeggend | Οὐδέποτε (Oudepote) = nooit | ἐφάνη (ephane) = is verschenen | οὕτως (houtos) = zo | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT **9:34** Maar de Farizeeën zeiden: „Door de leider van de demonen drijft Hij de demonen uit.” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Ἐν (En) = door | τῷ (to) = de | ἄρχοντι (archonti) = leider | τῶν (ton) = van de | δαιμονίων (daimonion) = demonen | ἐκβάλλει (ekballei) = drijft uit | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De leider van de demonen’: zie Matt. 10:25, Beëlzebul. Voetnoot : Zie ook Mark. 3:22. Zie ook: Mat 10:25; Mar 3:22 ### De oogst is groot **9:35** Yeshua trok alle steden en dorpen door. Hij onderwees in hun synagogen, verkondigde de goede boodschap van het koninkrijk en genas elke ziekte en elke kwaal. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | περιῆγεν (periegen) = trok rond | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὰς (tas) = de | πόλεις (poleis) = steden | πάσας (pasas) = alle | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | κώμας (komas) = dorpen | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | τὸ (to) = de | εὐαγγέλιον (euangelion) = goede boodschap | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | καὶ (kai) = en | θεραπεύων (therapeuon) = genezend | πᾶσαν (pasan) = elke | νόσον (noson) = ziekte | καὶ (kai) = en | πᾶσαν (pasan) = elke | μαλακίαν (malakian) = kwaal Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Bijna dezelfde woorden als in 4:23. Voetnoot : Zie ook Mark. 6:6. Zie ook: Mar 6:6 **9:36** Toen Hij de menigten zag, kreeg Hij medelijden met hen, omdat zij afgemat en neergeworpen waren, als schapen zonder herder. Brontekst: Ἰδὼν (Idon) = ziend | δὲ (de) = maar | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἐσπλαγχνίσθη (esplanchnisthe) = kreeg medelijden | περὶ (peri) = over | αὐτῶν (auton) = hen | ὅτι (hoti) = omdat | ἦσαν (esan) = waren | ἐσκυλμένοι (eskylmenoi) = afgemat | καὶ (kai) = en | ἐρριμμένοι (errimmenoi) = neergeworpen | ὡσεὶ (hosei) = als | πρόβατα (probata) = schapen | μὴ (me) = niet | ἔχοντα (echonta) = hebbende | ποιμένα (poimena) = herder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden krijgen’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, waar men de diepste gevoelens zocht; vergelijk het Hebreeuwse רַחֲמִים (rachamim). Schapen zonder herder: Num. 27:17; 1 Kon. 22:17; Ezech. 34:5. ἐσκυλμένοι (eskylmenoi) kan ‘afgemat, mishandeld’ betekenen; ἐρριμμένοι (errimmenoi) ‘neergeworpen, verlaten’. Voetnoot : Zie ook Mark. 6:34. Zie ook: Num 27:17; 1 Kon 22:17; Ezech 34:5; Mar 6:34 **9:37** Toen zei Hij tegen Zijn leerlingen: **„De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders.** Brontekst: τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | τοῖς (tois) = tegen de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ὁ (Ho) = de | μὲν (men) = enerzijds | θερισμὸς (therismos) = oogst | πολύς (polys) = groot | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = anderzijds | ἐργάται (ergatai) = arbeiders | ὀλίγοι (oligoi) = weinig Bron: SBLGNT **9:38** **Vraag dus aan de Heer van de oogst of Hij arbeiders wil uitsturen naar Zijn oogst.”** Brontekst: δεήθητε (deethete) = vraag | οὖν (oun) = dus | τοῦ (tou) = aan de | κυρίου (kyriou) = Heer | τοῦ (tou) = van de | θερισμοῦ (therismou) = oogst | ὅπως (hopos) = opdat | ἐκβάλῃ (ekbale) = Hij uitstuurt | ἐργάτας (ergatas) = arbeiders | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | θερισμὸν (therismon) = oogst | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De Heer van de oogst’ is Elohim. ἐκβάλλω (ekballo) betekent meestal ‘uitdrijven’, hier ‘uitsturen’. Voetnoot : Zie ook Luc. 10:2. Zie ook: Luc 10:2 ## Matteüs 10 _De uitzending van de twaalf apostelen_ ### Yeshua roept Zijn twaalf leerlingen **10:1** Hij riep Zijn twaalf leerlingen bij Zich. Hij gaf hun gezag over onreine geesten, om ze uit te drijven en om elke ziekte en elke kwaal te genezen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij Zich roepend | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | πνευμάτων (pneumaton) = over geesten | ἀκαθάρτων (akatharton) = onreine | ὥστε (hoste) = zodat | ἐκβάλλειν (ekballein) = uit te drijven | αὐτὰ (auta) = ze | καὶ (kai) = en | θεραπεύειν (therapeuein) = te genezen | πᾶσαν (pasan) = elke | νόσον (noson) = ziekte | καὶ (kai) = en | πᾶσαν (pasan) = elke | μαλακίαν (malakian) = kwaal Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: zie 8:9. ἀκάθαρτος (akathartos), ‘onrein’: een onreine geest is een boze geest. De twaalf leerlingen vormen een getal dat doet denken aan de twaalf stammen van Israël. Voetnoot : Zie ook Mark. 6:7; Luc. 9:1–2. Zie ook: Mar 6:7; Luc 9:1–2 **10:2** Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: eerst Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus de zoon van Zebedeüs en zijn broer Johannes, Brontekst: τῶν (ton) = van de | δὲ (de) = maar | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἀποστόλων (apostolon) = apostelen | τὰ (ta) = de | ὀνόματά (onomata) = namen | ἐστιν (estin) = zijn | ταῦτα (tauta) = deze | πρῶτος (protos) = eerst | Σίμων (Simon) = Simon | ὁ (ho) = die | λεγόμενος (legomenos) = genoemd | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἀνδρέας (Andreas) = Andreas | ὁ (ho) = de | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ἰάκωβος (Iakobos) = Jakobus | ὁ (ho) = de | τοῦ (tou) = van de | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = Zebedeüs | καὶ (kai) = en | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ὁ (ho) = de | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden wordt. Zie ook Mark. 3:13–19; Luc. 6:12–16. Zie ook: Mar 3:13–19; Luc 6:12–16 **10:3** Filippus en Bartolomeüs, Tomas en Matteüs de tollenaar, Jakobus de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, Brontekst: Φίλιππος (Philippos) = Filippus | καὶ (kai) = en | Βαρθολομαῖος (Bartholomaios) = Bartolomeüs | Θωμᾶς (Thomas) = Tomas | καὶ (kai) = en | Μαθθαῖος (Maththaios) = Matteüs | ὁ (ho) = de | τελώνης (telones) = tollenaar | Ἰάκωβος (Iakobos) = Jakobus | ὁ (ho) = de | τοῦ (tou) = van de | Ἁλφαίου (Halphaiou) = Alfeüs | καὶ (kai) = en | Θαδδαῖος (Thaddaios) = Taddeüs Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἀλφαῖος (Alfeüs) is een nieuwe naam in ons boek. Matteüs de tollenaar: zie 9:9. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier ‘Lebbeüs, bijgenaamd Taddeüs’; de SBLGNT heeft alleen ‘Taddeüs’. **10:4** Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Hem ook heeft overgeleverd. Brontekst: Σίμων (Simon) = Simon | ὁ (ho) = de | Καναναῖος (Kananaios) = Zeloot | καὶ (kai) = en | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | ὁ (ho) = de | Ἰσκαριώτης (Iskariotes) = Iskariot | ὁ (ho) = die | καὶ (kai) = ook | παραδοὺς (paradous) = overleverde | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Καναναῖος (Kananaios) komt van een Aramees woord voor ‘ijveraar’ (qan’ana); het betekent dus niet ‘uit Kana’. Wij vertalen ‘de Zeloot’ (ζηλωτής, zelotes), zoals Luc. 6:15 en Mark. 3:18 hem noemen. Voetnoot : Ἰσκαριώτης (Iskariotes), ‘Iskariot’: waarschijnlijk ‘man uit Kerijot’ (vergelijk Joz. 15:25); dat is niet zeker. παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: zie 4:12. Zie ook: Joz 15:25; Mar 3:18; Luc 6:15 ### De opdracht aan de twaalf **10:5** Deze twaalf zond Yeshua uit en gaf hun opdracht: **„Ga niet de weg van de volken op. Ga geen stad van de Samaritanen binnen.** Brontekst: Τούτους (Toutous) = dezen | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond uit | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | παραγγείλας (parangeilas) = opdracht gevend | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Εἰς (Eis) = naar | ὁδὸν (hodon) = weg | ἐθνῶν (ethnon) = van volken | μὴ (me) = niet | ἀπέλθητε (apelthete) = ga | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = naar | πόλιν (polin) = stad | Σαμαριτῶν (Samariton) = van Samaritanen | μὴ (me) = niet | εἰσέλθητε (eiselthete) = ga binnen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθνος (ethnos), ‘volk’; in het meervoud ‘de volken’: de niet-Joden. De Samaritanen woonden in het gebied van Samaria; zie 2 Kon. 17:24–41. Zie ook: 2 Kon 17:24–41 **10:6** **Ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël.** Brontekst: πορεύεσθε (poreuesthe) = ga | δὲ (de) = maar | μᾶλλον (mallon) = liever | πρὸς (pros) = naar | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | τὰ (ta) = de | ἀπολωλότα (apololota) = verloren | οἴκου (oikou) = van het huis | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De verloren schapen van het huis van Israël’: vergelijk Jer. 50:6, ‘Mijn volk was een kudde verloren schapen’. Zie ook: Jer 50:6 **10:7** **Verkondig onderweg: ‘Het koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen.’** Brontekst: πορευόμενοι (poreuomenoi) = gaand | δὲ (de) = maar | κηρύσσετε (keryssete) = verkondig | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἤγγικεν (Engiken) = is nabij gekomen | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden als in 3:2 en 4:17. **10:8** **Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit. Gratis hebben jullie ontvangen, geef gratis.** Brontekst: ἀσθενοῦντας (asthenountas) = zieken | θεραπεύετε (therapeuete) = genees | νεκροὺς (nekrous) = doden | ἐγείρετε (egeirete) = wek op | λεπροὺς (leprous) = melaatsen | καθαρίζετε (katharizete) = maak rein | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἐκβάλλετε (ekballete) = drijf uit | δωρεὰν (dorean) = gratis | ἐλάβετε (elabete) = jullie hebben ontvangen | δωρεὰν (dorean) = gratis | δότε (dote) = geef Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 10:9. λεπρός (lepros), ‘melaatse’: zie 8:2. Zie ook: Luc 10:9 **10:9** **Schaf geen goud, zilver of koper aan voor in jullie gordels,** Brontekst: μὴ (me) = niet | κτήσησθε (ktesesthe) = schaf aan | χρυσὸν (chryson) = goud | μηδὲ (mede) = noch | ἄργυρον (argyron) = zilver | μηδὲ (mede) = noch | χαλκὸν (chalkon) = koper | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | ζώνας (zonas) = gordels | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Wij vertalen κτάομαι (ktaomai) letterlijk als ‘aanschaffen’. χαλκός (chalkos) is ‘koper’ en staat hier voor koperen munten. ζώνη (zone), ‘gordel’: een band om het middel, waarin men geld kon dragen. **10:10** **en geen reistas voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen en geen staf. Want de arbeider is zijn voedsel waard.** Brontekst: μὴ (me) = niet | πήραν (peran) = reistas | εἰς (eis) = voor | ὁδὸν (hodon) = onderweg | μηδὲ (mede) = noch | δύο (dyo) = twee | χιτῶνας (chitonas) = hemden | μηδὲ (mede) = noch | ὑποδήματα (hypodemata) = sandalen | μηδὲ (mede) = noch | ῥάβδον (rhabdon) = staf | ἄξιος (axios) = waard | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | ἐργάτης (ergates) = arbeider | τῆς (tes) = van het | τροφῆς (trophes) = voedsel | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πήρα (pera), ‘reistas’: een tas voor onderweg. χιτών (chiton), ‘hemd’: het lange kledingstuk dat men onder de mantel droeg. τροφή (trophe), ‘voedsel’: zie 3:4. Voetnoot : Zie ook Mark. 6:8–9; Luc. 9:3; Luc. 10:4. Zie ook: Mar 6:8–9; Luc 9:3; Luc 10:4 **10:11** **In welke stad of welk dorp jullie ook binnengaan, onderzoek wie daar waardig is, en blijf daar tot jullie weggaan.** Brontekst: εἰς (eis) = in | ἣν (hen) = welke | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | πόλιν (polin) = stad | ἢ (e) = of | κώμην (komen) = dorp | εἰσέλθητε (eiselthete) = jullie binnengaan | ἐξετάσατε (exetasate) = onderzoek | τίς (tis) = wie | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = haar | ἄξιός (axios) = waardig | ἐστιν (estin) = is | κἀκεῖ (kakei) = en daar | μείνατε (meinate) = blijf | ἕως (heos) = tot | ἂν (an) = ook | ἐξέλθητε (exelthete) = jullie weggaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄξιος (axios), ‘waardig’: iemand die bereid is jullie te ontvangen. **10:12** **Als jullie het huis binnengaan, groet het.** Brontekst: εἰσερχόμενοι (eiserchomenoi) = binnengaand | δὲ (de) = maar | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | ἀσπάσασθε (aspasasthe) = groet | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT **10:13** **Als het huis waardig is, laat jullie vrede erover komen. Maar als het niet waardig is, laat jullie vrede dan naar jullie terugkeren.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | μὲν (men) = wel | ᾖ (e) = is | ἡ (he) = het | οἰκία (oikia) = huis | ἀξία (axia) = waardig | ἐλθάτω (elthato) = laat komen | ἡ (he) = de | εἰρήνη (eirene) = vrede | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτήν (auten) = het | ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | ᾖ (e) = is | ἀξία (axia) = waardig | ἡ (he) = de | εἰρήνη (eirene) = vrede | ὑμῶν (hymon) = jullie | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐπιστραφήτω (epistrapheto) = laat terugkeren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: het Hebreeuwse שָׁלוֹם (shalom), het groeten en zegenen met vrede. **10:14** **Wie jullie niet ontvangt en niet naar jullie woorden luistert: ga naar buiten, uit dat huis of die stad. Schud het stof van jullie voeten.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = ook | μὴ (me) = niet | δέξηται (dexetai) = ontvangt | ὑμᾶς (hymas) = jullie | μηδὲ (mede) = noch | ἀκούσῃ (akouse) = luistert naar | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐξερχόμενοι (exerchomenoi) = naar buiten gaand | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = het | οἰκίας (oikias) = huis | ἢ (e) = of | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | ἐκείνης (ekeines) = dat | ἐκτινάξατε (ektinaxate) = schud af | τὸν (ton) = het | κονιορτὸν (koniorton) = stof | τῶν (ton) = van de | ποδῶν (podon) = voeten | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het stof van de voeten schudden was een teken dat men niets met die plaats te maken wilde hebben. Voetnoot : Zie ook Mark. 6:10–11; Luc. 9:4–5; Luc. 10:5–12. Zie ook: Mar 6:10–11; Luc 9:4–5; Luc 10:5–12 **10:15** **Voorwaar, Ik zeg jullie: het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀνεκτότερον (anektoteron) = draaglijker | ἔσται (estai) = zal zijn | γῇ (ge) = land | Σοδόμων (Sodomon) = van Sodom | καὶ (kai) = en | Γομόρρων (Gomorron) = Gomorra | ἐν (en) = op | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | κρίσεως (kriseos) = van oordeel | ἢ (e) = dan | τῇ (te) = voor de | πόλει (polei) = stad | ἐκείνῃ (ekeine) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Sodom en Gomorra: zie Gen. 19:24–25. κρίσις (krisis), ‘oordeel’. Zie ook: Gen 19:24–25 ### Schapen te midden van wolven **10:16** **Zie, Ik zend jullie als schapen te midden van wolven. Wees dus verstandig als de slangen en zuiver als de duiven.** Brontekst: Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἐγὼ (ego) = Ik | ἀποστέλλω (apostello) = zend | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὡς (hos) = als | πρόβατα (probata) = schapen | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | λύκων (lykon) = van wolven | γίνεσθε (ginesthe) = wees | οὖν (oun) = dus | φρόνιμοι (phronimoi) = verstandig | ὡς (hos) = als | οἱ (hoi) = de | ὄφεις (opheis) = slangen | καὶ (kai) = en | ἀκέραιοι (akeraioi) = zuiver | ὡς (hos) = als | αἱ (hai) = de | περιστεραί (peristerai) = duiven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀκέραιος (akeraios), ‘zuiver’: onvermengd, zonder bedrog. φρόνιμος (phronimos), ‘verstandig’: slim in wat men doet. **10:17** **Pas op voor de mensen, want zij zullen jullie overleveren aan raden en jullie geselen in hun synagogen.** Brontekst: προσέχετε (prosechete) = pas op | δὲ (de) = maar | ἀπὸ (apo) = voor | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | παραδώσουσιν (paradosousin) = zullen overleveren | γὰρ (gar) = want | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰς (eis) = aan | συνέδρια (synedria) = raden | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | αὐτῶν (auton) = hun | μαστιγώσουσιν (mastigosousin) = zullen geselen | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέδριον (synedrion), ‘raad’: hier in het meervoud, dus plaatselijke raden die recht spraken. Vergelijk ‘de Raad’ in 5:22. μαστιγόω (mastigoo), ‘geselen’: met een zweep slaan. Voetnoot : Zie ook Mark. 13:9–13. Zie ook: Mar 13:9–13 **10:18** **Ook zullen jullie omwille van Mij voor stadhouders en koningen gebracht worden, tot een getuigenis voor hen en voor de volken.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = voor | ἡγεμόνας (hegemonas) = stadhouders | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = en | βασιλεῖς (basileis) = koningen | ἀχθήσεσθε (achthesesthe) = zullen worden gebracht | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | ἐμοῦ (emou) = Mij | εἰς (eis) = tot | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis | αὐτοῖς (autois) = voor hen | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = voor de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: een bestuurder die namens de keizer een gebied regeerde. Zo heet ook Pilatus in 27:2. μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’: zie 8:4. **10:19** **Maar wanneer zij jullie overleveren, maak je dan geen zorgen over hoe of wat jullie moeten spreken. Want op dat uur zal jullie gegeven worden wat jullie moeten spreken.** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | παραδῶσιν (paradosin) = zij overleveren | ὑμᾶς (hymas) = jullie | μὴ (me) = niet | μεριμνήσητε (merimnesete) = maak je zorgen | πῶς (pos) = hoe | ἢ (e) = of | τί (ti) = wat | λαλήσητε (lalesete) = jullie spreken | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = dat | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | τί (ti) = wat | λαλήσητε (lalesete) = jullie spreken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 13:11; Luc. 12:11–12. Zie ook: Mar 13:11; Luc 12:11–12 **10:20** **Want jullie zijn het niet die spreken, maar de Geest van jullie Vader spreekt in jullie.** Brontekst: οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐστε (este) = zijn | οἱ (hoi) = de | λαλοῦντες (lalountes) = sprekenden | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | τὸ (to) = de | λαλοῦν (laloun) = sprekende | ἐν (en) = in | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Jullie Vader’ is Elohim; ‘de Geest’ is de Geest van Elohim, zoals in 3:16. **10:21** **Een broer zal zijn broer overleveren aan de dood, en een vader zijn kind. Kinderen zullen tegen hun ouders opstaan en hen ter dood brengen.** Brontekst: παραδώσει (paradosei) = zal overleveren | δὲ (de) = maar | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | εἰς (eis) = tot | θάνατον (thanaton) = dood | καὶ (kai) = en | πατὴρ (pater) = vader | τέκνον (teknon) = kind | καὶ (kai) = en | ἐπαναστήσονται (epanastesontai) = zullen opstaan | τέκνα (tekna) = kinderen | ἐπὶ (epi) = tegen | γονεῖς (goneis) = ouders | καὶ (kai) = en | θανατώσουσιν (thanatosousin) = zullen ter dood brengen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Micha 7:6, dat in vers 35–36 wordt aangehaald. Voetnoot : Zie ook Mark. 13:12; Luc. 21:16. Zie ook: Mi 7:6; Mat 10:35–36; Mar 13:12; Luc 21:16 **10:22** **Jullie zullen door allen gehaat worden vanwege Mijn naam. Maar wie standhoudt tot het einde, die zal gered worden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔσεσθε (esesthe) = zult zijn | μισούμενοι (misoumenoi) = gehaat | ὑπὸ (hypo) = door | πάντων (panton) = allen | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ὑπομείνας (hypomeinas) = standgehouden hebbende | εἰς (eis) = tot | τέλος (telos) = einde | οὗτος (houtos) = die | σωθήσεται (sothesetai) = zal gered worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 13:13; Luc. 21:17. Zie ook: Mar 13:13; Luc 21:17 **10:23** **Wanneer zij jullie vervolgen in deze stad, vlucht naar de volgende. Voorwaar, Ik zeg jullie: jullie zullen beslist niet klaar zijn met de steden van Israël voordat de Mensenzoon komt.** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | διώκωσιν (diokosin) = zij vervolgen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | ταύτῃ (taute) = deze | φεύγετε (pheugete) = vlucht | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἑτέραν (heteran) = andere | ἀμὴν (amen) = voorwaar | γὰρ (gar) = want | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | τελέσητε (telesete) = zult afmaken | τὰς (tas) = de | πόλεις (poleis) = steden | τοῦ (tou) = van het | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = ook | ἔλθῃ (elthe) = komt | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τελέω (teleo), ‘voltooien, ten einde brengen’: wij vertalen letterlijk ‘klaar zijn met’. Wat Yeshua met de komst van de Mensenzoon bedoelt, laat de tekst open. Over de Mensenzoon: zie 8:20 en Dan. 7:13. Zie ook: Dan 7:13 ### Wees niet bang **10:24** **Een leerling staat niet boven de leraar, en een knecht niet boven zijn heer.** Brontekst: Οὐκ (Ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | μαθητὴς (mathetes) = leerling | ὑπὲρ (hyper) = boven | τὸν (ton) = de | διδάσκαλον (didaskalon) = leraar | οὐδὲ (oude) = noch | δοῦλος (doulos) = knecht | ὑπὲρ (hyper) = boven | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 6:40; Joh. 13:16; Joh. 15:20. Zie ook: Luc 6:40; Joh 13:16; Joh 15:20 **10:25** **Het is genoeg voor de leerling dat hij wordt als zijn leraar, en voor de knecht dat hij wordt als zijn heer. Als zij de heer van het huis Beëlzebul hebben genoemd, hoeveel te meer zijn huisgenoten!** Brontekst: ἀρκετὸν (arketon) = genoeg | τῷ (to) = voor de | μαθητῇ (mathete) = leerling | ἵνα (hina) = dat | γένηται (genetai) = wordt | ὡς (hos) = als | ὁ (ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | ὡς (hos) = als | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | εἰ (ei) = als | τὸν (ton) = de | οἰκοδεσπότην (oikodespoten) = heer van het huis | Βεελζεβοὺλ (Beelzeboul) = Beëlzebul | ἐπεκάλεσαν (epekalesan) = hebben genoemd | πόσῳ (poso) = hoeveel | μᾶλλον (mallon) = meer | τοὺς (tous) = de | οἰκιακοὺς (oikiakous) = huisgenoten | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Βεελζεβούλ (Beelzeboul), ‘Beëlzebul’: de naam lijkt op Baäl-Zebub, de god van Ekron (2 Kon. 1:2–3). De betekenis is niet zeker. οἰκοδεσπότης (oikodespotes) is de heer van het huis; Yeshua bedoelt Zichzelf. οἰκιακοί (oikiakoi), ‘huisgenoten’. Voetnoot : Vergelijk 9:34. Zie ook: 2 Kon 1:2–3 **10:26** **Wees dus niet bang voor hen. Want er is niets bedekt wat niet onthuld zal worden, en niets verborgen wat niet bekend zal worden.** Brontekst: Μὴ (Me) = niet | οὖν (oun) = dus | φοβηθῆτε (phobethete) = wees bang | αὐτούς (autous) = voor hen | οὐδὲν (ouden) = niets | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | κεκαλυμμένον (kekalymmenon) = bedekt | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἀποκαλυφθήσεται (apokalyphthesetai) = onthuld zal worden | καὶ (kai) = en | κρυπτὸν (krypton) = verborgen | ὃ (ho) = wat | οὐ (ou) = niet | γνωσθήσεται (gnosthesetai) = bekend zal worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποκαλύπτω (apokalypto), ‘onthullen’: het bedekte wegnemen. Voetnoot : Zie ook Mark. 4:22; Luc. 12:2–9. Zie ook: Mar 4:22; Luc 12:2–9 **10:27** **Wat Ik jullie zeg in het donker, zeg dat in het licht. En wat jullie in het oor horen, verkondig dat vanaf de daken.** Brontekst: ὃ (ho) = wat | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | σκοτίᾳ (skotia) = donker | εἴπατε (eipate) = zeg | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | φωτί (photi) = licht | καὶ (kai) = en | ὃ (ho) = wat | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | οὖς (ous) = oor | ἀκούετε (akouete) = jullie horen | κηρύξατε (keryxate) = verkondig | ἐπὶ (epi) = op | τῶν (ton) = de | δωμάτων (domaton) = daken Bron: SBLGNT **10:28** **Wees niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden. Wees liever bang voor Hem die zowel ziel als lichaam kan laten omkomen in de Gehenna.** Brontekst: καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang | ἀπὸ (apo) = voor | τῶν (ton) = de | ἀποκτεννόντων (apoktennonton) = doden | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | τὴν (ten) = de | δὲ (de) = maar | ψυχὴν (psychen) = ziel | μὴ (me) = niet | δυναμένων (dynamenon) = kunnen | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = doden | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang | δὲ (de) = maar | μᾶλλον (mallon) = liever | τὸν (ton) = de | δυνάμενον (dynamenon) = kunnende | καὶ (kai) = zowel | ψυχὴν (psychen) = ziel | καὶ (kai) = als | σῶμα (soma) = lichaam | ἀπολέσαι (apolesai) = laten omkomen | ἐν (en) = in | γεέννῃ (geenne) = Gehenna Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche) kan ‘ziel’ en ‘leven’ betekenen. Hier staat het tegenover het lichaam, dus ‘ziel’; in vers 39 vertalen wij ‘leven’. γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: van het Hebreeuwse גֵּי הִנֹּם (ge-hinnom), het dal van Hinnom ten zuiden van Jeruzalem (Joz. 15:8; Jer. 7:31). Zie ook: Joz 15:8; Jer 7:31; Mat 10:39 **10:29** **Worden niet twee mussen voor een assarion verkocht? En niet één van hen valt op de grond zonder jullie Vader.** Brontekst: οὐχὶ (ouchi) = niet | δύο (dyo) = twee | στρουθία (strouthia) = mussen | ἀσσαρίου (assariou) = voor een assarion | πωλεῖται (poleitai) = worden verkocht | καὶ (kai) = en | ἓν (hen) = één | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | οὐ (ou) = niet | πεσεῖται (peseitai) = zal vallen | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond | ἄνευ (aneu) = zonder | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀσσάριον (assarion): een kleine koperen munt, ongeveer een zestiende deel van een denarie. Een denarie was ongeveer het loon voor een dag werk. στρουθίον (strouthion), ‘mus’: een klein vogeltje. **10:30** **Van jullie zijn zelfs alle haren van het hoofd geteld.** Brontekst: ὑμῶν (hymon) = van jullie | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | αἱ (hai) = de | τρίχες (triches) = haren | τῆς (tes) = van het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd | πᾶσαι (pasai) = alle | ἠριθμημέναι (erithmemenai) = geteld | εἰσίν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT **10:31** **Wees dus niet bang: jullie zijn meer waard dan veel mussen.** Brontekst: μὴ (me) = niet | οὖν (oun) = dus | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang | πολλῶν (pollon) = veel | στρουθίων (strouthion) = mussen | διαφέρετε (diapherete) = zijn meer waard | ὑμεῖς (hymeis) = jullie Bron: SBLGNT ### Belijden en verloochenen **10:32** **Ieder dus die Mij belijdt voor de mensen, ook Ik zal hem belijden voor Mijn Vader in de hemelen.** Brontekst: Πᾶς (Pas) = ieder | οὖν (oun) = dus | ὅστις (hostis) = wie | ὁμολογήσει (homologesei) = zal belijden | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ὁμολογήσω (homologeso) = zal belijden | κἀγὼ (kago) = ook Ik | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | τοῦ (tou) = die | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Letterlijk ‘belijdt in Mij’; dat is een Semitische manier van zeggen. ‘Mijn Vader’ is Elohim. Voetnoot : Zie ook Luc. 12:8–9. Zie ook: Luc 12:8–9 **10:33** **Maar wie Mij verloochent voor de mensen, ook die zal Ik verloochenen voor Mijn Vader in de hemelen.** Brontekst: ὅστις (hostis) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | ἀρνήσηταί (arnesetai) = zal verloochenen | με (me) = Mij | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ἀρνήσομαι (arnesomai) = zal verloochenen | κἀγὼ (kago) = ook Ik | αὐτὸν (auton) = hem | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | τοῦ (tou) = die | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT ### Het zwaard en het kruis **10:34** **Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede op de aarde te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.** Brontekst: Μὴ (Me) = niet | νομίσητε (nomisete) = denk | ὅτι (hoti) = dat | ἦλθον (elthon) = Ik kwam | βαλεῖν (balein) = te brengen | εἰρήνην (eirenen) = vrede | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = aarde | οὐκ (ouk) = niet | ἦλθον (elthon) = Ik kwam | βαλεῖν (balein) = te brengen | εἰρήνην (eirenen) = vrede | ἀλλὰ (alla) = maar | μάχαιραν (machairan) = zwaard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: een kort zwaard. Voetnoot : Zie ook Luc. 12:51–53. Zie ook: Luc 12:51–53 **10:35** **Want Ik ben gekomen om een mens tegen zijn vader te verdelen, en een dochter tegen haar moeder, en een schoondochter tegen haar schoonmoeder.** Brontekst: ἦλθον (elthon) = Ik kwam | γὰρ (gar) = want | διχάσαι (dichasai) = te verdelen | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | θυγατέρα (thygatera) = dochter | κατὰ (kata) = tegen | τῆς (tes) = de | μητρὸς (metros) = moeder | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | νύμφην (nymphen) = schoondochter | κατὰ (kata) = tegen | τῆς (tes) = de | πενθερᾶς (pentheras) = schoonmoeder | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Micha 7:6. Het Hebreeuws heeft ‘de zoon veracht zijn vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder’; de Griekse tekst heeft ‘een mens tegen zijn vader’ en ‘verdelen’ (διχάζω, dichazo). Vers 36 geeft het slot van Micha 7:6. Zie ook: Mi 7:6; Mat 10:36 **10:36** **En de vijanden van de mens zijn zijn huisgenoten.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐχθροὶ (echthroi) = vijanden | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | οἱ (hoi) = de | οἰκιακοὶ (oikiakoi) = huisgenoten | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **10:37** **Wie vader of moeder meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waard. En wie zoon of dochter meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waard.** Brontekst: ὁ (ho) = de | φιλῶν (philon) = liefhebbende | πατέρα (patera) = vader | ἢ (e) = of | μητέρα (metera) = moeder | ὑπὲρ (hyper) = boven | ἐμὲ (eme) = Mij | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | μου (mou) = Mij | ἄξιος (axios) = waard | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | φιλῶν (philon) = liefhebbende | υἱὸν (huion) = zoon | ἢ (e) = of | θυγατέρα (thygatera) = dochter | ὑπὲρ (hyper) = boven | ἐμὲ (eme) = Mij | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | μου (mou) = Mij | ἄξιος (axios) = waard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φιλέω (phileo), ‘liefhebben’. Voetnoot : Zie ook Luc. 14:26–27. Zie ook: Luc 14:26–27 **10:38** **En wie zijn kruis niet neemt en achter Mij aan volgt, is Mij niet waard.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | οὐ (ou) = niet | λαμβάνει (lambanei) = neemt | τὸν (ton) = het | σταυρὸν (stauron) = kruis | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀκολουθεῖ (akolouthei) = volgt | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = Mij | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | μου (mou) = Mij | ἄξιος (axios) = waard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σταυρός (stauros), ‘kruis’: de paal of balk waaraan de Romeinen mensen terechtstelden. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:24; Mark. 8:34. Zie ook: Mat 16:24; Mar 8:34 **10:39** **Wie zijn leven vindt, zal het verliezen. En wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.** Brontekst: ὁ (ho) = de | εὑρὼν (heuron) = vindende | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀπολέσει (apolesei) = zal verliezen | αὐτήν (auten) = het | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἀπολέσας (apolesas) = verliezende | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | ἐμοῦ (emou) = Mij | εὑρήσει (heuresei) = zal vinden | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’: zie vers 28. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:25; Mark. 8:35; Luc. 17:33; Joh. 12:25. Zie ook: Mat 10:28; Mat 16:25; Mar 8:35; Luc 17:33; Joh 12:25 ### Ontvangen en loon **10:40** **Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.** Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δεχόμενος (dechomenos) = ontvangende | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐμὲ (eme) = Mij | δέχεται (dechetai) = ontvangt | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἐμὲ (eme) = Mij | δεχόμενος (dechomenos) = ontvangende | δέχεται (dechetai) = ontvangt | τὸν (ton) = de | ἀποστείλαντά (aposteilanta) = gezonden hebbende | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δέχομαι (dechomai), ‘ontvangen’: als gast welkom heten. ‘Hem die Mij gezonden heeft’ is de Vader. Voetnoot : Zie ook Luc. 10:16. Zie ook: Luc 10:16 **10:41** **Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is, zal het loon van een profeet krijgen. En wie een rechtvaardige ontvangt omdat hij een rechtvaardige is, zal het loon van een rechtvaardige krijgen.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δεχόμενος (dechomenos) = ontvangende | προφήτην (propheten) = profeet | εἰς (eis) = in | ὄνομα (onoma) = naam | προφήτου (prophetou) = van een profeet | μισθὸν (misthon) = loon | προφήτου (prophetou) = van een profeet | λήμψεται (lempsetai) = zal krijgen | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | δεχόμενος (dechomenos) = ontvangende | δίκαιον (dikaion) = rechtvaardige | εἰς (eis) = in | ὄνομα (onoma) = naam | δικαίου (dikaiou) = van een rechtvaardige | μισθὸν (misthon) = loon | δικαίου (dikaiou) = van een rechtvaardige | λήμψεται (lempsetai) = zal krijgen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς ὄνομα (eis onoma), letterlijk ‘in de naam van’: wij schrijven ‘omdat hij een profeet is’. μισθός (misthos), ‘loon’. **10:42** **En wie een van deze kleinen alleen een beker koud water te drinken geeft omdat hij een leerling is: voorwaar, Ik zeg jullie, hij zal zijn loon beslist niet verliezen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = ook | ποτίσῃ (potise) = te drinken geeft | ἕνα (hena) = één | τῶν (ton) = van de | μικρῶν (mikron) = kleinen | τούτων (touton) = deze | ποτήριον (poterion) = beker | ψυχροῦ (psychrou) = van koud | μόνον (monon) = alleen | εἰς (eis) = in | ὄνομα (onoma) = naam | μαθητοῦ (mathetou) = van een leerling | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἀπολέσῃ (apolese) = zal verliezen | τὸν (ton) = het | μισθὸν (misthon) = loon | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft alleen ψυχροῦ (psychrou), ‘koud’; ‘water’ voegt het Nederlands toe. ‘Deze kleinen’ zijn de leerlingen. Zie ook Mark. 9:41. Zie ook: Mar 9:41 ## Matteüs 11 _Johannes de Doper, wee over de steden en rust voor wie vermoeid zijn_ ### Yeshua onderwijst in de steden **11:1** Toen Yeshua Zijn opdrachten aan Zijn twaalf leerlingen had beëindigd, ging Hij vandaar weg om te onderwijzen en te verkondigen in hun steden. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ὅτε (hote) = toen | ἐτέλεσεν (etelesen) = beëindigde | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | διατάσσων (diatasson) = opdragend | τοῖς (tois) = aan de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | μετέβη (metebe) = ging weg | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | τοῦ (tou) = om | διδάσκειν (didaskein) = te onderwijzen | καὶ (kai) = en | κηρύσσειν (keryssein) = te verkondigen | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | πόλεσιν (polesin) = steden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT ### De vraag van Johannes de Doper **11:2** Johannes hoorde in de gevangenis over de werken van de Messias en stuurde door zijn leerlingen een boodschap. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ἀκούσας (akousas) = horend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | δεσμωτηρίῳ (desmoterio) = gevangenis | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | τοῦ (tou) = van de | χριστοῦ (christou) = Messias | πέμψας (pempsas) = stuurde | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Johannes zat in de gevangenis: zie Matt. 4:12. Het Grieks heeft ‘stuurde door zijn leerlingen’ zonder voorwerp en gaat in vers 3 verder met ‘zei tegen Hem’; wij voegen ‘een boodschap’ toe en schrijven in vers 3 ‘Johannes zei’ om het onderwerp duidelijk te maken. Voetnoot : Zie ook Luc. 7:18–35. Zie ook: Mat 4:12; Mat 11:3; Luc 7:18–35 **11:3** Johannes zei tegen Hem: „Bent U degene die komen zou, of moeten wij op een ander wachten?” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | ἢ (e) = of | ἕτερον (heteron) = een ander | προσδοκῶμεν (prosdokomen) = verwachten wij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ ἐρχόμενος (ho erchomenos), ‘degene die komt’: een aanduiding voor de beloofde die zou komen; vergelijk Ps. 118:26, ‘Gezegend is hij die komt in de naam van Yahweh’. Wij vertalen ‘degene die komen zou’. Zie ook: Ps 118:26 **11:4** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Ga en vertel Johannes wat jullie horen en zien:** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Πορευθέντες (Poreuthentes) = gaande | ἀπαγγείλατε (apangeilate) = vertel | Ἰωάννῃ (Ioanne) = aan Johannes | ἃ (ha) = wat | ἀκούετε (akouete) = jullie horen | καὶ (kai) = en | βλέπετε (blepete) = jullie zien Bron: SBLGNT **11:5** **blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en armen krijgen de goede boodschap gebracht.** Brontekst: τυφλοὶ (typhloi) = blinden | ἀναβλέπουσιν (anablepousin) = zien weer | καὶ (kai) = en | χωλοὶ (choloi) = kreupelen | περιπατοῦσιν (peripatousin) = lopen | λεπροὶ (leproi) = melaatsen | καθαρίζονται (katharizontai) = worden gereinigd | καὶ (kai) = en | κωφοὶ (kophoi) = doven | ἀκούουσιν (akouousin) = horen | καὶ (kai) = en | νεκροὶ (nekroi) = doden | ἐγείρονται (egeirontai) = worden opgewekt | καὶ (kai) = en | πτωχοὶ (ptochoi) = armen | εὐαγγελίζονται (euangelizontai) = krijgen de goede boodschap Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De opsomming doet denken aan Jes. 35:5–6, Jes. 29:18 en Jes. 61:1. λεπροί (lepri), ‘melaatsen’: mensen met de huidziekte uit Lev. 13–14. πτωχοί (ptochoi), ‘armen’: Jes. 61:1 heeft ‘nederigen’. Zie ook: Jes 29:18; Jes 35:5–6; Jes 61:1 **11:6** **En gelukkig is wie niet over Mij struikelt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | μακάριός (makarios) = gelukkig | ἐστιν (estin) = is | ὃς (hos) = wie | ἐὰν (ean) = indien | μὴ (me) = niet | σκανδαλισθῇ (skandalisthe) = struikelt | ἐν (en) = over | ἐμοί (emoi) = Mij Bron: SBLGNT ### Yeshua over Johannes de Doper **11:7** Terwijl zij weggingen, begon Yeshua tegen de menigten over Johannes te zeggen: **„Wat zijn jullie naar de woestijn gegaan om te zien? Een riet dat door de wind heen en weer wordt geschud?** Brontekst: Τούτων (Touton) = van hen | δὲ (de) = maar | πορευομένων (poreuomenon) = gaande | ἤρξατο (erxato) = begon | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγειν (legein) = te zeggen | τοῖς (tois) = tot de | ὄχλοις (ochlois) = menigten | περὶ (peri) = over | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | Τί (Ti) = wat | ἐξήλθατε (exelthate) = gingen jullie uit | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἔρημον (eremon) = woestijn | θεάσασθαι (theasasthai) = om te zien | κάλαμον (kalamon) = riet | ὑπὸ (hypo) = door | ἀνέμου (anemou) = wind | σαλευόμενον (saleuomenon) = heen en weer geschud Bron: SBLGNT **11:8** **Maar wat zijn jullie gaan zien? Een man in zachte kleren? Zie, wie zachte kleren dragen, zijn in de huizen van de koningen.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | τί (ti) = wat | ἐξήλθατε (exelthate) = gingen jullie uit | ἰδεῖν (idein) = om te zien | ἄνθρωπον (anthropon) = man | ἐν (en) = in | μαλακοῖς (malakois) = zachte | ἠμφιεσμένον (emphiesmenon) = gekleed | ἰδοὺ (idou) = zie | οἱ (hoi) = die | τὰ (ta) = de | μαλακὰ (malaka) = zachte | φοροῦντες (phorountes) = dragen | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οἴκοις (oikois) = huizen | τῶν (ton) = van de | βασιλέων (basileon) = koningen | εἰσίν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT **11:9** **Maar wat zijn jullie gaan zien? Een profeet? Ja, Ik zeg jullie: meer zelfs dan een profeet.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | τί (ti) = wat | ἐξήλθατε (exelthate) = gingen jullie uit | προφήτην (propheten) = profeet | ἰδεῖν (idein) = om te zien | ναί (nai) = ja | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | καὶ (kai) = en | περισσότερον (perissoteron) = meer | προφήτου (prophetou) = dan een profeet Bron: SBLGNT **11:10** **Dit is degene over wie geschreven is: ‘Zie, Ik zend Mijn bode voor je uit; hij zal je weg voor je bereiden.’** Brontekst: οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | περὶ (peri) = over | οὗ (hou) = wie | γέγραπται (gegraptai) = geschreven is | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἐγὼ (ego) = Ik | ἀποστέλλω (apostello) = zend | τὸν (ton) = de | ἄγγελόν (angelon) = bode | μου (mou) = Mijn | πρὸ (pro) = voor | προσώπου (prosopou) = aangezicht | σου (sou) = je | ὃς (hos) = die | κατασκευάσει (kataskeuasei) = zal bereiden | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | σου (sou) = je | ἔμπροσθέν (emprosthen) = voor | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat komt uit Mal. 3:1 en Exod. 23:20. Het Hebreeuws van Mal. 3:1 heeft ‘Mijn bode, en hij zal de weg voor Mij banen’; de Griekse tekst heeft ‘voor je uit … je weg voor je’. ἄγγελος (angelos), ‘bode’: ook ‘engel’. Wij lezen het citaat als woorden van Yahweh en zetten het daarom rood. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:2; Luc. 7:27. Zie ook: Ex 23:20; Mal 3:1; Mar 1:2; Luc 7:27 **11:11** **Voorwaar, Ik zeg jullie: onder wie door vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. Maar de kleinste in het koninkrijk van de hemelen is groter dan hij.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | οὐκ (ouk) = niet | ἐγήγερται (egegertai) = is opgestaan | ἐν (en) = onder | γεννητοῖς (gennetois) = geborenen | γυναικῶν (gynaikon) = van vrouwen | μείζων (meizon) = groter | Ἰωάννου (Ioannou) = dan Johannes | τοῦ (tou) = de | βαπτιστοῦ (baptistou) = doper | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | μικρότερος (mikroteros) = kleinste | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | μείζων (meizon) = groter | αὐτοῦ (autou) = dan hij | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μικρότερος (mikroteros), letterlijk ‘kleinere’: wij lezen ‘de kleinste’. Voetnoot : Zie ook Luc. 7:28. Zie ook: Luc 7:28 **11:12** **Vanaf de dagen van Johannes de Doper tot nu toe lijdt het koninkrijk van de hemelen geweld, en geweldplegers rukken het naar zich toe.** Brontekst: ἀπὸ (apo) = vanaf | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | τοῦ (tou) = de | βαπτιστοῦ (baptistou) = doper | ἕως (heos) = tot | ἄρτι (arti) = nu | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | βιάζεται (biazetai) = lijdt geweld | καὶ (kai) = en | βιασταὶ (biastai) = geweldplegers | ἁρπάζουσιν (harpazousin) = rukken naar zich toe | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βιάζεται (biazetai) kan lijdend zijn (‘het wordt geweld aangedaan’) of met kracht binnendringen (‘het dringt met geweld binnen’). Wij kiezen ‘lijdt geweld’ en laten de keuze verder open. ἁρπάζουσιν (harpazousin), ‘rukken naar zich toe’: wegrukken, grijpen. Voetnoot : Zie ook Luc. 16:16. Zie ook: Luc 16:16 **11:13** **Want alle profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes.** Brontekst: πάντες (pantes) = alle | γὰρ (gar) = want | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | νόμος (nomos) = wet | ἕως (heos) = tot | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | ἐπροφήτευσαν (epropheteusan) = profeteerden Bron: SBLGNT **11:14** **En als jullie het willen aannemen: hij is Elia, die komen zou.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | θέλετε (thelete) = jullie willen | δέξασθαι (dexasthai) = aannemen | αὐτός (autos) = hij zelf | ἐστιν (estin) = is | Ἠλίας (Elias) = Elia | ὁ (ho) = die | μέλλων (mellon) = gaat | ἔρχεσθαι (erchesthai) = komen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Mal. 3:23, ‘Zie, Ik zend jullie Elia, de profeet’ (in de Nederlandse telling 4:5). Zie ook Matt. 17:10–13. Zie ook: Mal 3:23; Mat 17:10–13 **11:15** **Wie oren heeft, laat hem horen.** Brontekst: ὁ (ho) = die | ἔχων (echon) = hebbend | ὦτα (ota) = oren | ἀκουέτω (akoueto) = laat horen Bron: SBLGNT ### Deze generatie **11:16** **Met wie zal Ik deze generatie vergelijken? Zij is gelijk aan kinderen die op de markten zitten en tegen de anderen roepen:** Brontekst: Τίνι (Tini) = met wie | δὲ (de) = maar | ὁμοιώσω (homoioso) = zal Ik vergelijken | τὴν (ten) = de | γενεὰν (genean) = generatie | ταύτην (tauten) = deze | ὁμοία (homoia) = gelijk | ἐστὶν (estin) = is | παιδίοις (paidiois) = kinderen | καθημένοις (kathemenois) = zittende | ἐν (en) = op | ταῖς (tais) = de | ἀγοραῖς (agorais) = markten | ἃ (ha) = die | προσφωνοῦντα (prosphonounta) = roepend | τοῖς (tois) = tegen de | ἑτέροις (heterois) = anderen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γενεά (genea), ‘generatie’: ook ‘geslacht, tijdgenoten’. Voetnoot : Zie ook Luc. 7:31–35. Zie ook: Luc 7:31–35 **11:17** **Zij zeggen: ‘Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld, en jullie hebben niet gedanst. Wij hebben een klaaglied gezongen, en jullie hebben niet gerouwd.’** Brontekst: λέγουσιν (legousin) = zeggen | Ηὐλήσαμεν (Eylesamen) = wij speelden op de fluit | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ὠρχήσασθε (orchesasthe) = dansten jullie | ἐθρηνήσαμεν (ethrenesamen) = wij zongen een klaaglied | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐκόψασθε (ekopsasthe) = rouwden jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκόψασθε (ekopsasthe), ‘jullie rouwden’, van κόπτομαι (koptomai): uit rouw op de borst slaan en weeklagen. Het gaat om kinderspel: bruiloft (fluit) en begrafenis (klaaglied) naspelen. **11:18** **Want Johannes kwam, hij at niet en dronk niet, en zij zeggen: ‘Hij heeft een demon.’** Brontekst: ἦλθεν (elthen) = kwam | γὰρ (gar) = want | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | μήτε (mete) = noch | ἐσθίων (esthion) = etend | μήτε (mete) = noch | πίνων (pinon) = drinkend | καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zij zeggen | Δαιμόνιον (Daimonion) = demon | ἔχει (echei) = heeft hij Bron: SBLGNT **11:19** **De Mensenzoon kwam, at en dronk. En zij zeggen: ‘Zie, een mens, een veelvraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaars en zondaars!’ Maar de wijsheid is gerechtvaardigd door haar werken.”** Brontekst: ἦλθεν (elthen) = kwam | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐσθίων (esthion) = etend | καὶ (kai) = en | πίνων (pinon) = drinkend | καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zij zeggen | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | φάγος (phagos) = veelvraat | καὶ (kai) = en | οἰνοπότης (oinopotes) = wijnzuiper | τελωνῶν (telonon) = van tollenaars | φίλος (philos) = vriend | καὶ (kai) = en | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = van zondaars | καὶ (kai) = en | ἐδικαιώθη (edikaiothe) = is gerechtvaardigd | ἡ (he) = de | σοφία (sophia) = wijsheid | ἀπὸ (apo) = door | τῶν (ton) = de | ἔργων (ergon) = werken | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐδικαιώθη (edikaiothe), ‘is gerechtvaardigd’: rechtvaardig bevonden. ### Wee over de steden die zich niet bekeerden **11:20** Toen begon Hij de steden te verwijten waar de meeste van Zijn krachten gebeurd waren, omdat zij zich niet bekeerd hadden. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ἤρξατο (erxato) = begon | ὀνειδίζειν (oneidizein) = te verwijten | τὰς (tas) = de | πόλεις (poleis) = steden | ἐν (en) = in | αἷς (hais) = welke | ἐγένοντο (egenonto) = gebeurden | αἱ (hai) = de | πλεῖσται (pleistai) = meeste | δυνάμεις (dynameis) = krachten | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὅτι (hoti) = omdat | οὐ (ou) = niet | μετενόησαν (metenoesan) = zij bekeerden zich Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δυνάμεις (dynameis), ‘krachten’: krachtige werken, wonderen. **11:21** **„Wee je, Chorazin! Wee je, Betsaïda! Want als in Tyrus en Sidon de krachten gebeurd waren die onder jullie gebeurd zijn, dan hadden zij zich allang bekeerd in rouwkleed en as.** Brontekst: Οὐαί (Ouai) = wee | σοι (soi) = je | Χοραζίν (Chorazin) = Chorazin | οὐαί (ouai) = wee | σοι (soi) = je | Βηθσαϊδά (Bethsaida) = Betsaïda | ὅτι (hoti) = want | εἰ (ei) = als | ἐν (en) = in | Τύρῳ (Tyro) = Tyrus | καὶ (kai) = en | Σιδῶνι (Sidoni) = Sidon | ἐγένοντο (egenonto) = gebeurden | αἱ (hai) = de | δυνάμεις (dynameis) = krachten | αἱ (hai) = die | γενόμεναι (genomenai) = gebeurd zijn | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | πάλαι (palai) = allang | ἂν (an) = zou | ἐν (en) = in | σάκκῳ (sakko) = rouwkleed | καὶ (kai) = en | σποδῷ (spodo) = as | μετενόησαν (metenoesan) = zij bekeerden zich Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Chorazin: Chorazin (Khirbet Karazeh) lag in het noorden van het meer van Galilea, ten noorden van Kapernaüm. De ligging is waarschijnlijk. Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan. Ook el-Araj is voorgesteld. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: Χοραζίν (Chorazin) en Βηθσαϊδά (Betsaïda) lagen bij het meer van Galilea. σάκκος (sakkos), ‘rouwkleed’: grove stof die men uit rouw of boete droeg, samen met as; vergelijk Jona 3:5. Tyrus en Sidon waren heidense steden aan de kust; zie ook Jes. 23. Voetnoot : Zie ook Luc. 10:13–15. Zie ook: Jona 3:5; Luc 10:13–15 **11:22** **Maar Ik zeg jullie: voor Tyrus en Sidon zal het draaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor jullie.** Brontekst: πλὴν (plen) = echter | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | Τύρῳ (Tyro) = voor Tyrus | καὶ (kai) = en | Σιδῶνι (Sidoni) = Sidon | ἀνεκτότερον (anektoteron) = draaglijker | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐν (en) = op | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | κρίσεως (kriseos) = van oordeel | ἢ (e) = dan | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. **11:23** **En jij, Kapernaüm, zul je tot de hemel verhoogd worden? Tot in het dodenrijk zul je neerdalen! Want als in Sodom de krachten gebeurd waren die in jou gebeurd zijn, dan zou het gebleven zijn tot vandaag.** Brontekst: καὶ (kai) = en | σύ (sy) = jij | Καφαρναούμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | μὴ (me) = niet | ἕως (heos) = tot | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ὑψωθήσῃ (hypsothese) = zul je verhoogd worden | ἕως (heos) = tot | ᾅδου (hadou) = dodenrijk | καταβήσῃ (katabese) = zul je neerdalen | ὅτι (hoti) = want | εἰ (ei) = als | ἐν (en) = in | Σοδόμοις (Sodomois) = Sodom | ἐγενήθησαν (egenethesan) = gebeurden | αἱ (hai) = de | δυνάμεις (dynameis) = krachten | αἱ (hai) = die | γενόμεναι (genomenai) = gebeurd zijn | ἐν (en) = in | σοί (soi) = jou | ἔμεινεν (emeinen) = zou gebleven zijn | ἂν (an) = zou | μέχρι (mechri) = tot | τῆς (tes) = de | σήμερον (semeron) = vandaag Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit lijkt op Jes. 14:13–15, waar de koning van Babel naar de hemel wil opstijgen maar naar Sjeol wordt neergebracht. ᾅδης (hades), ‘dodenrijk’: het Hebreeuwse שְׁאוֹל (Sjeol). Voetnoot : Het Grieks heeft bij ἔμεινεν (emeinen), ‘zou gebleven zijn’, geen onderwerp. Wij lezen: Sodom zou gebleven zijn; zie Gen. 19:24, waar Sodom werd vernietigd. Wij schrijven ‘het’. Zie ook: Gen 19:24; Jes 14:13–15 **11:24** **Maar Ik zeg jullie dat het voor het land van Sodom draaglijker zal zijn op de dag van het oordeel dan voor jou.”** Brontekst: πλὴν (plen) = echter | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | γῇ (ge) = voor het land | Σοδόμων (Sodomon) = van Sodom | ἀνεκτότερον (anektoteron) = draaglijker | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐν (en) = op | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | κρίσεως (kriseos) = van oordeel | ἢ (e) = dan | σοί (soi) = voor jou Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. ### Yeshua prijst de Vader **11:25** Op dat moment antwoordde Yeshua. Hij zei: **„Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en de aarde. Want U hebt deze dingen verborgen voor wijzen en verstandigen, en U hebt ze onthuld aan kleine kinderen.** Brontekst: Ἐν (En) = in | ἐκείνῳ (ekeino) = die | τῷ (to) = de | καιρῷ (kairo) = tijd | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐξομολογοῦμαί (Exomologoumai) = Ik prijs | σοι (soi) = U | πάτερ (pater) = Vader | κύριε (kyrie) = Heer | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | ὅτι (hoti) = want | ἔκρυψας (ekrypsas) = U verborg | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ἀπὸ (apo) = voor | σοφῶν (sophon) = wijzen | καὶ (kai) = en | συνετῶν (syneton) = verstandigen | καὶ (kai) = en | ἀπεκάλυψας (apekalypsas) = U onthulde | αὐτὰ (auta) = die | νηπίοις (nepiois) = aan kleine kinderen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξομολογοῦμαι (exomologoumai), ‘Ik prijs U’: ook ‘Ik belijd U openlijk’. κύριε (kyrie), ‘Heer’: een aanspreking van de Vader, geen citaat uit het Oude Testament. νήπιοι (nepioi), ‘kleine kinderen’: kinderen die nog niet kunnen redeneren. Voetnoot : Zie ook Luc. 10:21–22. Zie ook: Luc 10:21–22 **11:26** **Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen.** Brontekst: ναί (nai) = ja | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | ὅτι (hoti) = want | οὕτως (houtos) = zo | εὐδοκία (eudokia) = welbehagen | ἐγένετο (egeneto) = werd | ἔμπροσθέν (emprosthen) = voor | σου (sou) = U Bron: SBLGNT **11:27** **Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader. Niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en degene aan wie de Zoon het wil onthullen.** Brontekst: Πάντα (Panta) = alles | μοι (moi) = aan Mij | παρεδόθη (paredothe) = is overgegeven | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐπιγινώσκει (epiginoskei) = kent | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | οὐδὲ (oude) = ook niet | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | τις (tis) = iemand | ἐπιγινώσκει (epiginoskei) = kent | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | καὶ (kai) = en | ᾧ (ho) = aan wie | ἐὰν (ean) = indien | βούληται (bouletai) = wil | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | ἀποκαλύψαι (apokalypsai) = onthullen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιγινώσκει (epiginoskei), ‘kent’: volledig, door en door kennen. Het Grieks heeft bij ‘wil onthullen’ geen voorwerp; wij vertalen ‘het’. Voetnoot : Zie ook Luc. 10:22. Zie ook: Luc 10:22 ### Kom naar Mij **11:28** **Kom naar Mij, allen die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, en Ik zal jullie laten rusten.** Brontekst: Δεῦτε (Deute) = kom | πρός (pros) = naar | με (me) = Mij | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = die | κοπιῶντες (kopiontes) = zich afmattenden | καὶ (kai) = en | πεφορτισμένοι (pephortismenoi) = beladenen | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἀναπαύσω (anapauso) = zal laten rusten | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT **11:29** **Neem Mijn juk op jullie en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en jullie zullen rust vinden voor jullie ziel.** Brontekst: ἄρατε (arate) = neem op | τὸν (ton) = het | ζυγόν (zygon) = juk | μου (mou) = Mijn | ἐφ’ (eph’) = op | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καὶ (kai) = en | μάθετε (mathete) = leer | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = Mij | ὅτι (hoti) = want | πραΰς (praus) = zachtmoedig | εἰμι (eimi) = ben | καὶ (kai) = en | ταπεινὸς (tapeinos) = nederig | τῇ (te) = in het | καρδίᾳ (kardia) = hart | καὶ (kai) = en | εὑρήσετε (heuresete) = jullie zullen vinden | ἀνάπαυσιν (anapausin) = rust | ταῖς (tais) = voor de | ψυχαῖς (psychais) = ziel | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζυγός (zygos), ‘juk’: het hout waarmee dieren samen een last trekken; ook een beeld van onderricht en dienst. ‘Rust voor jullie ziel’ is gelijk aan Jer. 6:16. Zie ook: Jer 6:16 **11:30** **Want Mijn juk is goed en Mijn last is licht.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | ζυγός (zygos) = juk | μου (mou) = Mijn | χρηστὸς (chrestos) = goed | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | φορτίον (phortion) = last | μου (mou) = Mijn | ἐλαφρόν (elaphron) = licht | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT ## Matteüs 12 _De sabbat, de Knecht van Yahweh en het teken van Jona_ ### De leerlingen plukken aren op de sabbat **12:1** In die tijd ging Yeshua op de sabbat door de korenvelden. Zijn leerlingen kregen honger en begonnen aren af te plukken en te eten. Brontekst: Ἐν (En) = in | ἐκείνῳ (ekeino) = die | τῷ (to) = de | καιρῷ (kairo) = tijd | ἐπορεύθη (eporeuthe) = ging | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τοῖς (tois) = op de | σάββασιν (sabbasin) = sabbat | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | σπορίμων (sporimon) = korenvelden | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐπείνασαν (epeinasan) = kregen honger | καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | τίλλειν (tillein) = af te plukken | στάχυας (stachyas) = aren | καὶ (kai) = en | ἐσθίειν (esthiein) = te eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπόριμα (sporima), ‘korenvelden’: akkers met gezaaid graan. Aren plukken van het graan van een ander was toegestaan (Deut. 23:26; NL 23:25). De Farizeeën rekenden het plukken en eten op de sabbat tot verboden werk; zie Exod. 20:10. Voetnoot : Zie ook Mark. 2:23–28; Luc. 6:1–5. Zie ook: Ex 20:10; Deut 23:26; Mar 2:23–28; Luc 6:1–5 **12:2** Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden zij tegen Hem: „Zie, Uw leerlingen doen wat op de sabbat niet geoorloofd is.” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ἰδόντες (idontes) = ziende | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ἰδοὺ (Idou) = zie | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | σου (sou) = Uw | ποιοῦσιν (poiousin) = doen | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔξεστιν (exestin) = geoorloofd is | ποιεῖν (poiein) = te doen | ἐν (en) = op | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat Bron: SBLGNT **12:3** Hij zei tegen hen: **„Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij honger had, hij en zij die bij hem waren?** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Οὐκ (Ouk) = niet | ἀνέγνωτε (anegnote) = lazen jullie | τί (ti) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | Δαυὶδ (Dauid) = David | ὅτε (hote) = toen | ἐπείνασεν (epeinasen) = had honger | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het verhaal staat in 1 Sam. 21:2–7 (NL 21:1–6): David kreeg van de priester het heilige brood. Zie ook: 1 Sam 21:2–7 **12:4** **Hoe hij het huis van Elohim binnenging en zij het toonbrood aten. Dat mocht hij niet eten, en zij die bij hem waren ook niet, maar alleen de priesters.** Brontekst: πῶς (pos) = hoe | εἰσῆλθεν (eiselthen) = binnenging | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἄρτους (artous) = broden | τῆς (tes) = van de | προθέσεως (protheseos) = schikking | ἔφαγον (ephagon) = aten zij | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἐξὸν (exon) = geoorloofd | ἦν (en) = was | αὐτῷ (auto) = voor hem | φαγεῖν (phagein) = te eten | οὐδὲ (oude) = ook niet | τοῖς (tois) = voor die | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | τοῖς (tois) = voor de | ἱερεῦσιν (hiereusin) = priesters | μόνοις (monois) = alleen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρτοι τῆς προθέσεως (artoi tes protheseos), letterlijk ‘broden van de voorlegging’: het toonbrood, twaalf koeken die elke sabbat vers voor het aangezicht van Yahweh werden gelegd (Lev. 24:5–9). Alleen de priesters mochten ervan eten. Het Grieks heeft hier ‘zij aten’ (meervoud) naast ‘hij ging binnen’. Zie ook: Lev 24:5–9 **12:5** **Of hebben jullie in de wet niet gelezen dat de priesters op de sabbat in de tempel de sabbat ontheiligen en toch onschuldig zijn?** Brontekst: ἢ (e) = of | οὐκ (ouk) = niet | ἀνέγνωτε (anegnote) = lazen jullie | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | νόμῳ (nomo) = wet | ὅτι (hoti) = dat | τοῖς (tois) = op de | σάββασιν (sabbasin) = sabbat | οἱ (hoi) = de | ἱερεῖς (hiereis) = priesters | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | τὸ (to) = de | σάββατον (sabbaton) = sabbat | βεβηλοῦσιν (bebelousin) = ontheiligen | καὶ (kai) = en | ἀναίτιοί (anaitioi) = onschuldig | εἰσιν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Num. 28:9–10: op de sabbat moesten de priesters extra offers brengen. Zie ook: Num 28:9–10 **12:6** **Maar Ik zeg jullie dat hier iets groters is dan de tempel.** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | τοῦ (tou) = dan de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | μεῖζόν (meizon) = groter | ἐστιν (estin) = is | ὧδε (hode) = hier Bron: SBLGNT **12:7** **Als jullie hadden geweten wat het is: ‘Barmhartigheid wil Ik, en geen slachtoffer’, dan hadden jullie de onschuldigen niet veroordeeld.** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | ἐγνώκειτε (egnokeite) = jullie hadden geweten | τί (ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | Ἔλεος (Eleos) = barmhartigheid | θέλω (thelo) = Ik wil | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | θυσίαν (thysian) = slachtoffer | οὐκ (ouk) = niet | ἂν (an) = zou | κατεδικάσατε (katedikasate) = jullie hadden veroordeeld | τοὺς (tous) = de | ἀναιτίους (anaitious) = onschuldigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Hos. 6:6; zie ook Matt. 9:13. Het Hebreeuws heeft חֶסֶד (chesed), ‘trouw’; de Griekse tekst heeft ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’. Wij volgen de Griekse tekst van het evangelie. Zie ook: Hos 6:6; Mat 9:13 **12:8** **Want de Mensenzoon is heer van de sabbat.”** Brontekst: κύριος (kyrios) = heer | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | τοῦ (tou) = van de | σαββάτου (sabbatou) = sabbat | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘heer’: eigenaar, wie over iets beslist. Het gaat niet om een citaat uit het Oude Testament; daarom schrijven wij ‘heer’ met kleine letter. ### De man met de verschrompelde hand **12:9** Hij ging vandaar weg en kwam in hun synagoge. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | μεταβὰς (metabas) = weggaand | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | συναγωγὴν (synagogen) = synagoge | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **12:10** En zie: daar was een man met een verschrompelde hand. Om Hem te kunnen beschuldigen, vroegen zij Hem: „Is het geoorloofd op de sabbat te genezen?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | χεῖρα (cheira) = hand | ἔχων (echon) = hebbend | ξηράν (xeran) = verschrompelde | καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησαν (eperotesan) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Εἰ (Ei) = of | ἔξεστι (exesti) = geoorloofd is | τοῖς (tois) = op de | σάββασιν (sabbasin) = sabbat | θεραπεύειν (therapeuein) = te genezen | ἵνα (hina) = opdat | κατηγορήσωσιν (kategoresosin) = zij zouden beschuldigen | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ξηράν (xeran), ‘verschrompeld’: uitgedroogd, verlamd. Voetnoot : Zie ook Mark. 3:1–6; Luc. 6:6–11. Zie ook: Mar 3:1–6; Luc 6:6–11 **12:11** Hij zei tegen hen: **„Welk mens is er onder jullie die één schaap heeft? En als dat op de sabbat in een put valt, zal hij het dan niet vastpakken en eruit halen?** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τίς (Tis) = wie | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ὃς (hos) = die | ἕξει (hexei) = zal hebben | πρόβατον (probaton) = schaap | ἕν (hen) = één | καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | ἐμπέσῃ (empese) = valt | τοῦτο (touto) = dit | τοῖς (tois) = op de | σάββασιν (sabbasin) = sabbat | εἰς (eis) = in | βόθυνον (bothynon) = put | οὐχὶ (ouchi) = niet | κρατήσει (kratesei) = zal vastpakken | αὐτὸ (auto) = het | καὶ (kai) = en | ἐγερεῖ (egerei) = zal oprichten Bron: SBLGNT **12:12** **Hoeveel meer is een mens waard dan een schaap! Daarom is het geoorloofd om op de sabbat goed te doen.”** Brontekst: πόσῳ (poso) = hoeveel | οὖν (oun) = dus | διαφέρει (diapherei) = verschilt | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | προβάτου (probatou) = van een schaap | ὥστε (hoste) = daarom | ἔξεστιν (exestin) = geoorloofd is | τοῖς (tois) = op de | σάββασιν (sabbasin) = sabbat | καλῶς (kalos) = goed | ποιεῖν (poiein) = te doen Bron: SBLGNT **12:13** Toen zei Hij tegen de man: **„Steek je hand uit.”** De man stak hem uit, en hij werd hersteld, gezond als de andere. Brontekst: τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = mens | Ἔκτεινόν (Ekteinon) = steek uit | σου (sou) = je | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | καὶ (kai) = en | ἐξέτεινεν (exeteinen) = stak uit | καὶ (kai) = en | ἀπεκατεστάθη (apekatestathe) = werd hersteld | ὑγιὴς (hygies) = gezond | ὡς (hos) = als | ἡ (he) = de | ἄλλη (alle) = andere Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ‘stak uit’ geen onderwerp; wij schrijven ‘de man’, om verwarring met Yeshua te voorkomen. **12:14** De Farizeeën gingen naar buiten en hielden raad tegen Hem, hoe zij Hem konden ombrengen. Brontekst: ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgaande | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | συμβούλιον (symboulion) = raad | ἔλαβον (elabon) = namen | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὅπως (hopos) = opdat | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπολέσωσιν (apolesosin) = zouden ombrengen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπολέσωσιν (apolesosin), ‘ombrengen’: ook ‘vernietigen’. ### Yeshua, de Knecht die Yahweh heeft uitgekozen **12:15** Yeshua merkte het en vertrok vandaar. Velen volgden Hem, en Hij genas hen allen. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | γνοὺς (gnous) = wetend | ἀνεχώρησεν (anechoresen) = vertrok | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | καὶ (kai) = en | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem | πολλοί (polloi) = velen | καὶ (kai) = en | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas | αὐτοὺς (autous) = hen | πάντας (pantas) = allen Bron: SBLGNT **12:16** Hij bestrafte hen, zodat zij Hem niet bekend zouden maken, Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | αὐτοῖς (autois) = hun | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | φανερὸν (phaneron) = bekend | αὐτὸν (auton) = Hem | ποιήσωσιν (poiesosin) = zouden maken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπετίμησεν (epetimesen), ‘bestrafte’: hier met de kracht van een streng bevel, ‘sprak scherp toe’. **12:17** opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet Jesaja: Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gesprokene | διὰ (dia) = door | Ἠσαΐου (Esaiou) = Jesaja | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend Bron: SBLGNT **12:18** **„Zie, Mijn Knecht, die Ik heb uitgekozen, Mijn Geliefde, in wie Mijn ziel behagen heeft. Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal aan de volken het recht verkondigen.** Brontekst: Ἰδοὺ (Idou) = zie | ὁ (ho) = de | παῖς (pais) = Knecht | μου (mou) = Mijn | ὃν (hon) = die | ᾑρέτισα (heretisa) = Ik koos | ὁ (ho) = de | ἀγαπητός (agapetos) = Geliefde | μου (mou) = Mijn | εἰς (eis) = in | ὃν (hon) = wie | εὐδόκησεν (eudokesen) = behaagde | ἡ (he) = de | ψυχή (psyche) = ziel | μου (mou) = Mijn | θήσω (theso) = Ik zal leggen | τὸ (to) = de | πνεῦμά (pneuma) = Geest | μου (mou) = Mijn | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | κρίσιν (krisin) = recht | τοῖς (tois) = aan de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | ἀπαγγελεῖ (apangelei) = zal verkondigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 42:1–4. Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:1 ‘Zie, Mijn Knecht, die Ik steun, Mijn uitverkorene’; de Griekse tekst heeft ‘Mijn Knecht, die Ik heb uitgekozen, Mijn Geliefde’. In het Hebreeuws ‘brengt Hij het recht uit naar de volken’, in het Grieks ‘zal Hij de volken het recht verkondigen’. παῖς (pais), ‘knecht’: ook ‘kind’; wij kiezen ‘Knecht’ zoals in Jesaja. De woorden ‘in wie Mijn ziel behagen heeft’ klinken als Matt. 3:17 en 17:5. Wij zetten het citaat rood, omdat Yahweh er in de eerste persoon in spreekt. Zie ook: Jes 42:1–4; Mat 3:17; Mat 17:5 **12:19** **Hij zal niet twisten en niet schreeuwen, en niemand zal Zijn stem op de pleinen horen.** Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἐρίσει (erisei) = zal twisten | οὐδὲ (oude) = noch | κραυγάσει (kraugasei) = zal schreeuwen | οὐδὲ (oude) = noch | ἀκούσει (akousei) = zal horen | τις (tis) = iemand | ἐν (en) = op | ταῖς (tais) = de | πλατείαις (plateiais) = pleinen | τὴν (ten) = de | φωνὴν (phonen) = stem | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:2 ‘Hij roept niet en verheft zijn stem niet’; de Griekse tekst heeft ‘Hij zal niet twisten en niet schreeuwen’ en ‘op de pleinen’ in plaats van ‘op straat’. Zie ook: Jes 42:2 **12:20** **Een geknakt riet zal Hij niet breken en een rokende vlaspit zal Hij niet doven, totdat Hij het recht tot overwinning brengt.** Brontekst: κάλαμον (kalamon) = riet | συντετριμμένον (syntetrimmenon) = geknakt | οὐ (ou) = niet | κατεάξει (kateaxei) = zal breken | καὶ (kai) = en | λίνον (linon) = vlaspit | τυφόμενον (typhomenon) = rokende | οὐ (ou) = niet | σβέσει (sbesei) = zal doven | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = zou | ἐκβάλῃ (ekbale) = uitbrengt | εἰς (eis) = tot | νῖκος (nikos) = overwinning | τὴν (ten) = het | κρίσιν (krisin) = recht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:3 ‘een zwak brandende vlaspit’ en ‘naar waarheid brengt Hij het recht uit’; de Griekse tekst heeft ‘een rokende vlaspit’ en ‘totdat Hij het recht tot overwinning brengt’. Zie ook: Jes 42:3 **12:21** **En op Zijn naam zullen volken hopen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | τῷ (to) = op de | ὀνόματι (onomati) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἔθνη (ethne) = volken | ἐλπιοῦσιν (elpiousin) = zullen hopen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:4 ‘De eilanden wachten op zijn wet’; de Griekse tekst heeft ‘op Zijn naam zullen volken hopen’. Zie ook: Jes 42:4 ### Genezing en beschuldiging: Beëlzebul **12:22** Toen werd een bezeten man bij Hem gebracht, blind en stom. Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | προσηνέχθη (prosenechthe) = werd gebracht | αὐτῷ (auto) = aan Hem | δαιμονιζόμενος (daimonizomenos) = bezeten | τυφλὸς (typhlos) = blind | καὶ (kai) = en | κωφός (kophos) = stom | καὶ (kai) = en | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas | αὐτόν (auton) = hem | ὥστε (hoste) = zodat | τὸν (ton) = de | κωφὸν (kophon) = stomme | λαλεῖν (lalein) = sprak | καὶ (kai) = en | βλέπειν (blepein) = zag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κωφός (kophos) betekent ‘doof’ of ‘stom’, of beide. Hier spreekt de man na zijn genezing, daarom schrijven wij ‘stom’; in Matt. 11:5 gaat het om horen en schrijven wij ‘doven’. Zie ook: Mat 11:5 **12:23** Alle menigten stonden versteld en zeiden: „Zou dit soms de zoon van David zijn?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξίσταντο (existanto) = stonden versteld | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Μήτι (Meti) = soms | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | Δαυίδ (Dauid) = David Bron: SBLGNT **12:24** Toen de Farizeeën het hoorden, zeiden zij: „Deze drijft de demonen alleen uit door Beëlzebul, de leider van de demonen.” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | εἶπον (eipon) = zeiden | Οὗτος (Houtos) = deze | οὐκ (ouk) = niet | ἐκβάλλει (ekballei) = drijft uit | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἐν (en) = door | τῷ (to) = de | Βεελζεβοὺλ (Beelzeboul) = Beëlzebul | ἄρχοντι (archonti) = leider | τῶν (ton) = van de | δαιμονίων (daimonion) = demonen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Βεελζεβούλ (Beëlzebul): de naam van de leider van de demonen. De betekenis is onzeker; vergelijk Baäl-Zebub, de god van Ekron (2 Kon. 1:2). Voetnoot : Zie ook Mark. 3:22–27; Luc. 11:14–23. Zie ook: 2 Kon 1:2; Mar 3:22–27; Luc 11:14–23 **12:25** Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen hen: **„Elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest. En elke stad of elk huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet standhouden.** Brontekst: εἰδὼς (eidos) = wetend | δὲ (de) = maar | τὰς (tas) = de | ἐνθυμήσεις (enthymeseis) = gedachten | αὐτῶν (auton) = hun | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Πᾶσα (Pasa) = elk | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | μερισθεῖσα (meristheisa) = verdeeld | καθ’ (kath’) = tegen | ἑαυτῆς (heautes) = zichzelf | ἐρημοῦται (eremoutai) = wordt verwoest | καὶ (kai) = en | πᾶσα (pasa) = elke | πόλις (polis) = stad | ἢ (e) = of | οἰκία (oikia) = huis | μερισθεῖσα (meristheisa) = verdeeld | καθ’ (kath’) = tegen | ἑαυτῆς (heautes) = zichzelf | οὐ (ou) = niet | σταθήσεται (stathesetai) = zal standhouden Bron: SBLGNT **12:26** **En als Satan Satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld. Hoe zal dan zijn koninkrijk standhouden?** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | ὁ (ho) = de | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | τὸν (ton) = de | Σατανᾶν (Satanan) = Satan | ἐκβάλλει (ekballei) = uitdrijft | ἐφ’ (eph’) = tegen | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ἐμερίσθη (emeristhe) = was verdeeld | πῶς (pos) = hoe | οὖν (oun) = dan | σταθήσεται (stathesetai) = zal standhouden | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **12:27** **En als Ik de demonen uitdrijf door Beëlzebul, door wie drijven jullie zonen ze dan uit? Daarom zullen zij jullie rechters zijn.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐν (en) = door | Βεελζεβοὺλ (Beelzeboul) = Beëlzebul | ἐκβάλλω (ekballo) = uitdrijf | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐν (en) = door | τίνι (tini) = wie | ἐκβάλλουσιν (ekballousin) = drijven uit | διὰ (dia) = door | τοῦτο (touto) = dit | αὐτοὶ (autoi) = zij | κριταὶ (kritai) = rechters | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱοὶ ὑμῶν (huioi hymon), ‘jullie zonen’: de eigen mensen of leerlingen van de Farizeeën. **12:28** **Maar als Ik de demonen uitdrijf door de Geest van Elohim, dan is het koninkrijk van Elohim bij jullie gekomen.** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = door | πνεύματι (pneumati) = Geest | θεοῦ (theou) = van Elohim | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐκβάλλω (ekballo) = uitdrijf | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἄρα (ara) = dan | ἔφθασεν (ephthasen) = is gekomen | ἐφ’ (eph’) = tot | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Matteüs schrijft meestal ‘het koninkrijk van de hemelen’ (Matt. 3:2); hier staat ‘het koninkrijk van Elohim’. ἔφθασεν (ephthasen), ‘is gekomen’: het is aangekomen, het heeft jullie bereikt. Zie ook: Mat 3:2 **12:29** **Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn spullen roven, als hij de sterke niet eerst bindt? Pas dan zal hij zijn huis leegroven.** Brontekst: ἢ (e) = of | πῶς (pos) = hoe | δύναταί (dynatai) = kan | τις (tis) = iemand | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnengaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | τοῦ (tou) = van de | ἰσχυροῦ (ischyrou) = sterke | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | σκεύη (skeue) = spullen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἁρπάσαι (harpasai) = roven | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | πρῶτον (proton) = eerst | δήσῃ (dese) = bindt | τὸν (ton) = de | ἰσχυρόν (ischyron) = sterke | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | διαρπάσει (diarpasei) = zal leegroven Bron: SBLGNT **12:30** **Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij verzamelt, verstrooit.** Brontekst: ὁ (ho) = die | μὴ (me) = niet | ὢν (on) = zijnde | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | κατ’ (kat’) = tegen | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = die | μὴ (me) = niet | συνάγων (synagon) = verzamelend | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | σκορπίζει (skorpizei) = verstrooit Bron: SBLGNT **12:31** **Daarom zeg Ik jullie: elke zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering tegen de Geest zal niet vergeven worden.** Brontekst: διὰ (dia) = door | τοῦτο (touto) = dit | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | πᾶσα (pasa) = elke | ἁμαρτία (hamartia) = zonde | καὶ (kai) = en | βλασφημία (blasphemia) = lastering | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = zal vergeven worden | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = van de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | βλασφημία (blasphemia) = lastering | οὐκ (ouk) = niet | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = zal vergeven worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βλασφημία (blasphemia), ‘lastering’: kwaadspreken, vooral over Elohim. Het Grieks heeft ‘de lastering van de Geest’; wij vertalen ‘lastering tegen de Geest’. Voetnoot : Zie ook Mark. 3:28–30; Luc. 12:10. Zie ook: Mar 3:28–30; Luc 12:10 **12:32** **En wie een woord spreekt tegen de Mensenzoon, hem zal het vergeven worden. Maar wie spreekt tegen de Heilige Geest, hem zal het niet vergeven worden, niet in deze eeuw en niet in de komende.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἐὰν (ean) = indien | εἴπῃ (eipe) = spreekt | λόγον (logon) = woord | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = zal vergeven worden | αὐτῷ (auto) = aan hem | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = zou | εἴπῃ (eipe) = spreekt | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | τοῦ (tou) = de | ἁγίου (hagiou) = heilige | οὐκ (ouk) = niet | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = zal vergeven worden | αὐτῷ (auto) = aan hem | οὔτε (oute) = noch | ἐν (en) = in | τούτῳ (touto) = deze | τῷ (to) = de | αἰῶνι (aioni) = eeuw | οὔτε (oute) = noch | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | μέλλοντι (mellonti) = komende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰών (aion), ‘eeuw’: een tijdperk. ‘Deze eeuw’ is de tegenwoordige tijd, ‘de komende’ de tijd die komt. ### Een boom wordt gekend aan zijn vrucht **12:33** **Maak de boom goed en zijn vrucht goed, of maak de boom slecht en zijn vrucht slecht. Want aan de vrucht wordt de boom gekend.** Brontekst: Ἢ (E) = of | ποιήσατε (poiesate) = maakt | τὸ (to) = de | δένδρον (dendron) = boom | καλὸν (kalon) = goed | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | καρπὸν (karpon) = vrucht | αὐτοῦ (autou) = zijn | καλόν (kalon) = goed | ἢ (e) = of | ποιήσατε (poiesate) = maakt | τὸ (to) = de | δένδρον (dendron) = boom | σαπρὸν (sapron) = slecht | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | καρπὸν (karpon) = vrucht | αὐτοῦ (autou) = zijn | σαπρόν (sapron) = slecht | ἐκ (ek) = uit | γὰρ (gar) = want | τοῦ (tou) = de | καρποῦ (karpou) = vrucht | τὸ (to) = de | δένδρον (dendron) = boom | γινώσκεται (ginosketai) = wordt gekend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σαπρός (sapros), ‘slecht’: eigenlijk ‘rot, bedorven’. Voetnoot : Zie ook Matt. 7:16–20; Luc. 6:43–45. Zie ook: Mat 7:16–20; Luc 6:43–45 **12:34** **Nageslacht van adders, hoe kunnen jullie goede dingen spreken, terwijl jullie slecht zijn? Want de mond spreekt uit de overvloed van het hart.** Brontekst: γεννήματα (gennemata) = nageslacht | ἐχιδνῶν (echidnon) = van adders | πῶς (pos) = hoe | δύνασθε (dynasthe) = kunnen jullie | ἀγαθὰ (agatha) = goede dingen | λαλεῖν (lalein) = spreken | πονηροὶ (poneroi) = slecht | ὄντες (ontes) = zijnde | ἐκ (ek) = uit | γὰρ (gar) = want | τοῦ (tou) = de | περισσεύματος (perisseumatos) = overvloed | τῆς (tes) = van het | καρδίας (kardias) = hart | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | λαλεῖ (lalei) = spreekt Bron: SBLGNT **12:35** **De goede mens brengt uit de goede schat goede dingen voort, en de slechte mens brengt uit de slechte schat slechte dingen voort.** Brontekst: ὁ (ho) = de | ἀγαθὸς (agathos) = goede | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ἀγαθοῦ (agathou) = goede | θησαυροῦ (thesaurou) = schat | ἐκβάλλει (ekballei) = brengt voort | ἀγαθά (agatha) = goede dingen | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πονηρὸς (poneros) = slechte | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πονηροῦ (ponerou) = slechte | θησαυροῦ (thesaurou) = schat | ἐκβάλλει (ekballei) = brengt voort | πονηρά (ponera) = slechte dingen Bron: SBLGNT **12:36** **Maar Ik zeg jullie: van elk nutteloos woord dat de mensen spreken, zullen zij rekenschap afleggen op de dag van het oordeel.** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | πᾶν (pan) = elk | ῥῆμα (rhema) = woord | ἀργὸν (argon) = nutteloos | ὃ (ho) = dat | λαλήσουσιν (lalesousin) = zullen spreken | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | ἀποδώσουσιν (apodosousin) = zullen afleggen | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = het | λόγον (logon) = rekenschap | ἐν (en) = op | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | κρίσεως (kriseos) = van oordeel Bron: SBLGNT **12:37** **Want op grond van je woorden word je rechtvaardig verklaard, en op grond van je woorden word je veroordeeld.”** Brontekst: ἐκ (ek) = uit | γὰρ (gar) = want | τῶν (ton) = de | λόγων (logon) = woorden | σου (sou) = je | δικαιωθήσῃ (dikaiothese) = zul worden gerechtvaardigd | καὶ (kai) = en | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | λόγων (logon) = woorden | σου (sou) = je | καταδικασθήσῃ (katadikasthese) = zul worden veroordeeld Bron: SBLGNT ### Het teken van Jona **12:38** Toen antwoordden enkele schriftgeleerden en Farizeeën Hem: „Leraar, wij willen een teken van U zien.” Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | αὐτῷ (auto) = Hem | τινες (tines) = enkelen | τῶν (ton) = van de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | λέγοντες (legontes) = zeggend | Διδάσκαλε (Didaskale) = leraar | θέλομεν (thelomen) = wij willen | ἀπὸ (apo) = van | σοῦ (sou) = U | σημεῖον (semeion) = teken | ἰδεῖν (idein) = zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σημεῖον (semeion), ‘teken’: een wonder dat iets bewijst. **12:39** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Een slechte en overspelige generatie vraagt om een teken. Maar er zal haar geen teken gegeven worden, behalve het teken van de profeet Jona.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Γενεὰ (Genea) = generatie | πονηρὰ (ponera) = slechte | καὶ (kai) = en | μοιχαλὶς (moichalis) = overspelige | σημεῖον (semeion) = teken | ἐπιζητεῖ (epizetei) = zoekt | καὶ (kai) = en | σημεῖον (semeion) = teken | οὐ (ou) = niet | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | αὐτῇ (aute) = aan haar | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken | Ἰωνᾶ (Iona) = van Jona | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 16:1–4; Luc. 11:29–32. μοιχαλίς (moichalis), ‘overspelig’: een beeld voor ontrouw aan Elohim, zoals in de profetenboeken. Zie ook: Mat 16:1–4; Luc 11:29–32 **12:40** **Want zoals Jona 3 dagen en 3 nachten in de buik van de grote vis was, zo zal de Mensenzoon 3 dagen en 3 nachten in het hart van de aarde zijn.** Brontekst: ὥσπερ (hosper) = zoals | γὰρ (gar) = want | ἦν (en) = was | Ἰωνᾶς (Ionas) = Jona | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | κοιλίᾳ (koilia) = buik | τοῦ (tou) = van de | κήτους (ketous) = grote vis | τρεῖς (treis) = 3 | ἡμέρας (hemeras) = dagen | καὶ (kai) = en | τρεῖς (treis) = 3 | νύκτας (nyktas) = nachten | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | τρεῖς (treis) = 3 | ἡμέρας (hemeras) = dagen | καὶ (kai) = en | τρεῖς (treis) = 3 | νύκτας (nyktas) = nachten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Jona 2:1 (NL 1:17): ‘Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van de vis.’ κῆτος (ketos), ‘grote vis’: een groot zeedier. Zie ook: Jona 2:1 **12:41** **Mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel, samen met deze generatie, en zullen haar veroordelen. Want zij bekeerden zich op de verkondiging van Jona. En zie: hier is meer dan Jona.** Brontekst: ἄνδρες (andres) = mannen | Νινευῖται (Nineuitai) = van Nineve | ἀναστήσονται (anastesontai) = zullen opstaan | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | κρίσει (krisei) = oordeel | μετὰ (meta) = met | τῆς (tes) = de | γενεᾶς (geneas) = generatie | ταύτης (tautes) = deze | καὶ (kai) = en | κατακρινοῦσιν (katakrinousin) = zullen veroordelen | αὐτήν (auten) = haar | ὅτι (hoti) = omdat | μετενόησαν (metenoesan) = zij bekeerden zich | εἰς (eis) = tot | τὸ (to) = de | κήρυγμα (kerygma) = verkondiging | Ἰωνᾶ (Iona) = van Jona | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | πλεῖον (pleion) = meer | Ἰωνᾶ (Iona) = dan Jona | ὧδε (hode) = hier Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: Zie Jona 3:5: de mannen van Nineve geloofden in Elohim en bekeerden zich. Zie ook: Jona 3:5 **12:42** **De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel, samen met deze generatie, en zal haar veroordelen. Want zij kwam van de uiteinden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen. En zie: hier is meer dan Salomo.** Brontekst: βασίλισσα (basilissa) = koningin | νότου (notou) = van het zuiden | ἐγερθήσεται (egerthesetai) = zal opgewekt worden | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | κρίσει (krisei) = oordeel | μετὰ (meta) = met | τῆς (tes) = de | γενεᾶς (geneas) = generatie | ταύτης (tautes) = deze | καὶ (kai) = en | κατακρινεῖ (katakrinei) = zal veroordelen | αὐτήν (auten) = haar | ὅτι (hoti) = omdat | ἦλθεν (elthen) = kwam | ἐκ (ek) = van | τῶν (ton) = de | περάτων (peraton) = uiteinden | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | ἀκοῦσαι (akousai) = om te horen | τὴν (ten) = de | σοφίαν (sophian) = wijsheid | Σολομῶνος (Solomonos) = van Salomo | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | πλεῖον (pleion) = meer | Σολομῶνος (Solomonos) = dan Salomo | ὧδε (hode) = hier Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie 1 Kon. 10:1–10: de koningin van Sjeba kwam om de wijsheid van Salomo te horen. ‘Het zuiden’: het Grieks heeft νότος (notos), ‘zuiden’. Zie ook: 1 Kon 10:1–10 ### De terugkeer van de onreine geest **12:43** **Wanneer de onreine geest uit de mens is weggegaan, gaat hij door dorre plaatsen, op zoek naar rust, maar hij vindt die niet.** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | τὸ (to) = de | ἀκάθαρτον (akatharton) = onreine | πνεῦμα (pneuma) = geest | ἐξέλθῃ (exelthe) = uitgaat | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | διέρχεται (dierchetai) = gaat | δι’ (di’) = door | ἀνύδρων (anydron) = waterloze | τόπων (topon) = plaatsen | ζητοῦν (zetoun) = zoekend | ἀνάπαυσιν (anapausin) = rust | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | εὑρίσκει (heuriskei) = vindt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 11:24–26. ἀκάθαρτον πνεῦμα (akatharton pneuma), ‘onreine geest’: een demon. Zie ook: Luc 11:24–26 **12:44** **Dan zegt hij: ‘Ik zal terugkeren naar mijn huis, vanwaar ik ben weggegaan.’ En als hij komt, vindt hij het leeg, aangeveegd en versierd.** Brontekst: τότε (tote) = dan | λέγει (legei) = zegt | Εἰς (Eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκόν (oikon) = huis | μου (mou) = mijn | ἐπιστρέψω (epistrepso) = zal terugkeren | ὅθεν (hothen) = vanwaar | ἐξῆλθον (exelthon) = ging uit | καὶ (kai) = en | ἐλθὸν (elthon) = gekomen | εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | σχολάζοντα (scholazonta) = leegstaand | σεσαρωμένον (sesaromenon) = aangeveegd | καὶ (kai) = en | κεκοσμημένον (kekosmemenon) = versierd Bron: SBLGNT **12:45** **Dan gaat hij en neemt zeven andere geesten mee die slechter zijn dan hijzelf. Zij gaan naar binnen en wonen daar. Dan wordt het einde van die mens erger dan het begin. Zo zal het ook gaan met deze slechte generatie.”** Brontekst: τότε (tote) = dan | πορεύεται (poreuetai) = gaat | καὶ (kai) = en | παραλαμβάνει (paralambanei) = neemt mee | μεθ’ (meth’) = met | ἑαυτοῦ (heautou) = zichzelf | ἑπτὰ (hepta) = zeven | ἕτερα (hetera) = andere | πνεύματα (pneumata) = geesten | πονηρότερα (ponerotera) = slechter | ἑαυτοῦ (heautou) = dan zichzelf | καὶ (kai) = en | εἰσελθόντα (eiselthonta) = binnengegaan | κατοικεῖ (katoikei) = wonen | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = en | γίνεται (ginetai) = wordt | τὰ (ta) = de | ἔσχατα (eschata) = laatste dingen | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐκείνου (ekeinou) = die | χείρονα (cheirona) = erger | τῶν (ton) = dan de | πρώτων (proton) = eerste | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = ook | τῇ (te) = aan de | γενεᾷ (genea) = generatie | ταύτῃ (taute) = deze | τῇ (te) = de | πονηρᾷ (ponera) = slechte Bron: SBLGNT ### Yeshua’s moeder en broers **12:46** Terwijl Hij nog tot de menigten sprak, zie: Zijn moeder en Zijn broers stonden buiten en wilden met Hem spreken. Brontekst: Ἔτι (Eti) = nog | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hem | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | τοῖς (tois) = tot de | ὄχλοις (ochlois) = menigten | ἰδοὺ (idou) = zie | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἱστήκεισαν (heistekeisan) = stonden | ἔξω (exo) = buiten | ζητοῦντες (zetountes) = zoekend | αὐτῷ (auto) = met Hem | λαλῆσαι (lalesai) = te spreken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: ook ‘broers en zussen’; zie ook Matt. 13:55–56. Voetnoot : Zie ook Mark. 3:31–35; Luc. 8:19–21. Zie ook: Mat 13:55–56; Mar 3:31–35; Luc 8:19–21 **12:47** Iemand zei tegen Hem: „Zie, Uw moeder en Uw broers staan buiten en willen met U spreken.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δέ (de) = maar | τις (tis) = iemand | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | σου (sou) = Uw | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | σου (sou) = Uw | ἔξω (exo) = buiten | ἑστήκασιν (hestekasin) = staan | ζητοῦντές (zetountes) = zoekend | σοι (soi) = met U | λαλῆσαι (lalesai) = te spreken Bron: SBLGNT **12:48** Hij antwoordde degene die het zei: **„Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broers?”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | τῷ (to) = aan degene | λέγοντι (legonti) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Τίς (Tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | τίνες (tines) = wie | εἰσὶν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **12:49** En Hij stak Zijn hand uit naar Zijn leerlingen en zei: **„Zie, Mijn moeder en Mijn broers!** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκτείνας (ekteinas) = uitstrekkend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐπὶ (epi) = naar | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἶπεν (eipen) = zei | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **12:50** **Want wie de wil doet van Mijn Vader in de hemelen, die is Mijn broer en zus en moeder.”** Brontekst: ὅστις (hostis) = wie | γὰρ (gar) = want | ἂν (an) = indien | ποιήσῃ (poiese) = doet | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | τοῦ (tou) = die | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | αὐτός (autos) = hij | μου (mou) = Mijn | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | καὶ (kai) = en | ἀδελφὴ (adelphe) = zus | καὶ (kai) = en | μήτηρ (meter) = moeder | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘de wil van Mijn Vader die in de hemelen is’. ## Matteüs 13 _Gelijkenissen over het koninkrijk van de hemelen_ ### De gelijkenis van de zaaier **13:1** Op diezelfde dag verliet Yeshua het huis en ging bij de zee zitten. Brontekst: Ἐν (En) = in | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐκείνῃ (ekeine) = die | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgaande | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τῆς (tes) = uit het | οἰκίας (oikias) = huis | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | παρὰ (para) = bij | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het meer van Galilea; zie Matt. 4:18. Zie ook: Mat 4:18 **13:2** Veel menigten kwamen bij Hem samen, zodat Hij in een boot stapte en ging zitten. De hele menigte stond op het strand. Brontekst: καὶ (kai) = en | συνήχθησαν (synechthesan) = werden verzameld | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = Hem | ὄχλοι (ochloi) = menigten | πολλοί (polloi) = vele | ὥστε (hoste) = zodat | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = in | πλοῖον (ploion) = boot | ἐμβάντα (embanta) = instappend | καθῆσθαι (kathesthai) = te zitten | καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = het | αἰγιαλὸν (aigialon) = strand | εἱστήκει (heistekei) = stond Bron: SBLGNT **13:3** Hij sprak veel tot hen in gelijkenissen en zei: **„Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | αὐτοῖς (autois) = tot hen | πολλὰ (polla) = veel | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | λέγων (legon) = zeggend | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ὁ (ho) = de | σπείρων (speiron) = zaaiende | τοῦ (tou) = om | σπείρειν (speirein) = te zaaien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: een verhaal of vergelijking waarmee iets over het koninkrijk duidelijk wordt gemaakt; het is verwant aan het Hebreeuwse מָשָׁל (mashal). Voetnoot : Zie ook Mark. 4:1–9; Luc. 8:4–8. Zie ook: Mar 4:1–9; Luc 8:4–8 **13:4** **En terwijl hij zaaide, viel een deel langs de weg. De vogels kwamen en aten het op.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | σπείρειν (speirein) = zaaien | αὐτὸν (auton) = hij | ἃ (ha) = wat | μὲν (men) = wel | ἔπεσεν (epesen) = viel | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | καὶ (kai) = en | ἐλθόντα (elthonta) = gekomen | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | κατέφαγεν (katephagen) = aten op | αὐτά (auta) = het Bron: SBLGNT **13:5** **Een ander deel viel op rotsgrond, waar het niet veel aarde had. Het kwam meteen op, omdat het geen diepe aarde had.** Brontekst: ἄλλα (alla) = ander | δὲ (de) = maar | ἔπεσεν (epesen) = viel | ἐπὶ (epi) = op | τὰ (ta) = de | πετρώδη (petrode) = rotsachtige | ὅπου (hopou) = waar | οὐκ (ouk) = niet | εἶχεν (eichen) = had | γῆν (gen) = aarde | πολλήν (pollen) = veel | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἐξανέτειλεν (exaneteilen) = kwam op | διὰ (dia) = door | τὸ (to) = het | μὴ (me) = niet | ἔχειν (echein) = hebben | βάθος (bathos) = diepte | γῆς (ges) = van aarde Bron: SBLGNT **13:6** **Toen de zon opkwam, werd het verschroeid, en omdat het geen wortel had, verdorde het.** Brontekst: ἡλίου (heliou) = zon | δὲ (de) = maar | ἀνατείλαντος (anateilantos) = opgaande | ἐκαυματίσθη (ekaumatisthe) = werd verschroeid | καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = door | τὸ (to) = het | μὴ (me) = niet | ἔχειν (echein) = hebben | ῥίζαν (rhizan) = wortel | ἐξηράνθη (exeranthe) = verdorde Bron: SBLGNT **13:7** **Een ander deel viel tussen de doornen, en de doornen groeiden op en verstikten het.** Brontekst: ἄλλα (alla) = ander | δὲ (de) = maar | ἔπεσεν (epesen) = viel | ἐπὶ (epi) = op | τὰς (tas) = de | ἀκάνθας (akanthas) = doornen | καὶ (kai) = en | ἀνέβησαν (anebesan) = kwamen op | αἱ (hai) = de | ἄκανθαι (akanthai) = doornen | καὶ (kai) = en | ἔπνιξαν (epnixan) = verstikten | αὐτά (auta) = het Bron: SBLGNT **13:8** **Een ander deel viel op de goede grond en gaf vrucht: het ene 100, het andere 60 en het andere 30.** Brontekst: ἄλλα (alla) = ander | δὲ (de) = maar | ἔπεσεν (epesen) = viel | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond | τὴν (ten) = de | καλὴν (kalen) = goede | καὶ (kai) = en | ἐδίδου (edidou) = gaf | καρπόν (karpon) = vrucht | ὃ (ho) = wat | μὲν (men) = wel | ἑκατὸν (hekaton) = 100 | ὃ (ho) = wat | δὲ (de) = maar | ἑξήκοντα (hexekonta) = 60 | ὃ (ho) = wat | δὲ (de) = maar | τριάκοντα (triakonta) = 30 Bron: SBLGNT **13:9** **Wie oren heeft, laat hem horen.”** Brontekst: ὁ (ho) = die | ἔχων (echon) = hebbend | ὦτα (ota) = oren | ἀκουέτω (akoueto) = laat horen Bron: SBLGNT ### Waarom Yeshua in gelijkenissen spreekt **13:10** De leerlingen kwamen naar Hem toe en zeiden: „Waarom spreekt U tot hen in gelijkenissen?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσελθόντες (proselthontes) = naderend | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Διὰ (Dia) = om | τί (ti) = wat | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | λαλεῖς (laleis) = spreekt U | αὐτοῖς (autois) = tot hen Bron: SBLGNT **13:11** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Aan jullie is gegeven de geheimen van het koninkrijk van de hemelen te kennen. Maar aan hen is het niet gegeven.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὅτι (Hoti) = dat | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | δέδοται (dedotai) = is gegeven | γνῶναι (gnonai) = te kennen | τὰ (ta) = de | μυστήρια (mysteria) = geheimen | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ἐκείνοις (ekeinois) = aan die | δὲ (de) = maar | οὐ (ou) = niet | δέδοται (dedotai) = is gegeven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μυστήρια (mysteria), ‘geheimen’: wat verborgen is en alleen bekend wordt wanneer Elohim het openbaart. **13:12** **Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloed hebben. Maar van wie niet heeft, zal ook wat hij heeft weggenomen worden.** Brontekst: ὅστις (hostis) = wie | γὰρ (gar) = want | ἔχει (echei) = heeft | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | αὐτῷ (auto) = aan hem | καὶ (kai) = en | περισσευθήσεται (perisseuthesetai) = zal overvloed hebben | ὅστις (hostis) = wie | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft | καὶ (kai) = ook | ὃ (ho) = wat | ἔχει (echei) = heeft | ἀρθήσεται (arthesetai) = zal weggenomen worden | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 25:29; Mark. 4:25; Luc. 8:18. Zie ook: Mat 25:29; Mar 4:25; Luc 8:18 **13:13** **Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen: omdat zij kijken en toch niet zien, en horen en toch niet horen en niet begrijpen.** Brontekst: διὰ (dia) = door | τοῦτο (touto) = dit | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | αὐτοῖς (autois) = tot hen | λαλῶ (lalo) = spreek Ik | ὅτι (hoti) = omdat | βλέποντες (blepontes) = ziende | οὐ (ou) = niet | βλέπουσιν (blepousin) = zien zij | καὶ (kai) = en | ἀκούοντες (akouontes) = horende | οὐκ (ouk) = niet | ἀκούουσιν (akouousin) = horen zij | οὐδὲ (oude) = noch | συνίουσιν (syniousin) = begrijpen zij Bron: SBLGNT **13:14** **In hen wordt de profetie van Jesaja vervuld. Die zegt: ‘Met het gehoor zullen jullie horen en toch beslist niet begrijpen, en kijkend zullen jullie kijken en toch beslist niet zien.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναπληροῦται (anapleroutai) = wordt vervuld | αὐτοῖς (autois) = in hen | ἡ (he) = de | προφητεία (propheteia) = profetie | Ἠσαΐου (Esaiou) = van Jesaja | ἡ (he) = die | λέγουσα (legousa) = zegt | Ἀκοῇ (Akoe) = met het gehoor | ἀκούσετε (akousete) = zullen jullie horen | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | συνῆτε (synete) = begrijpen jullie | καὶ (kai) = en | βλέποντες (blepontes) = ziend | βλέψετε (blepsete) = zullen jullie kijken | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἴδητε (idete) = zien jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 6:9–10. Het Hebreeuws is een opdracht aan de profeet: ‘Luister en luister, maar begrijp niet’, en: ‘Maak het hart van dit volk vet’. De Griekse tekst heeft: ‘Met het gehoor zullen jullie horen’ en: ‘Het hart van dit volk is vet geworden’. Voetnoot : Zie ook Mark. 4:12; Luc. 8:10; Joh. 12:40. Zie ook: Jes 6:9–10; Mar 4:12; Luc 8:10; Joh 12:40 **13:15** **Want het hart van dit volk is vet geworden. Met hun oren horen zij zwaar, en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet met hun ogen zien, met hun oren horen en met hun hart begrijpen, en niet terugkeren en Ik hen niet genees.’** Brontekst: ἐπαχύνθη (epachynthe) = werd vet | γὰρ (gar) = want | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | τούτου (toutou) = dit | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = met de | ὠσὶν (osin) = oren | βαρέως (bareos) = zwaar | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden zij | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | αὐτῶν (auton) = hun | ἐκάμμυσαν (ekammysan) = sloten zij | μήποτε (mepote) = opdat niet | ἴδωσιν (idosin) = zien zij | τοῖς (tois) = met de | ὀφθαλμοῖς (ophthalmois) = ogen | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = met de | ὠσὶν (osin) = oren | ἀκούσωσιν (akousosin) = horen zij | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = met het | καρδίᾳ (kardia) = hart | συνῶσιν (synosin) = begrijpen zij | καὶ (kai) = en | ἐπιστρέψωσιν (epistrepsosin) = terugkeren zij | καὶ (kai) = en | ἰάσομαι (iasomai) = zal Ik genezen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιστρέψωσιν (epistrepsosin), ‘terugkeren’: zich omkeren naar Elohim, het Hebreeuwse שׁוּב (shuv). Het woord voor ‘zich bekeren’, μετανοέω, staat hier niet. De woorden ‘Ik hen niet genees’ spreekt Yahweh; daarom schrijven wij ‘Ik’ met hoofdletter. **13:16** **Maar gelukkig zijn jullie ogen, omdat zij zien, en jullie oren, omdat zij horen.** Brontekst: ὑμῶν (hymon) = van jullie | δὲ (de) = maar | μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοὶ (ophthalmoi) = ogen | ὅτι (hoti) = omdat | βλέπουσιν (blepousin) = zien | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | ὦτα (ota) = oren | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὅτι (hoti) = omdat | ἀκούουσιν (akouousin) = horen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 10:23–24. Zie ook: Luc 10:23–24 **13:17** **Want voorwaar, Ik zeg jullie: veel profeten en rechtvaardigen verlangden te zien wat jullie zien, maar zagen het niet. Zij verlangden te horen wat jullie horen, maar hoorden het niet.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | γὰρ (gar) = want | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | πολλοὶ (polloi) = velen | προφῆται (prophetai) = profeten | καὶ (kai) = en | δίκαιοι (dikaioi) = rechtvaardigen | ἐπεθύμησαν (epethymesan) = verlangden | ἰδεῖν (idein) = te zien | ἃ (ha) = wat | βλέπετε (blepete) = jullie zien | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | εἶδαν (eidan) = zagen zij | καὶ (kai) = en | ἀκοῦσαι (akousai) = te horen | ἃ (ha) = wat | ἀκούετε (akouete) = jullie horen | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden zij Bron: SBLGNT ### Uitleg van de gelijkenis van de zaaier **13:18** **Luister dan naar de gelijkenis van de zaaier.** Brontekst: Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | οὖν (oun) = dan | ἀκούσατε (akousate) = luister | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | τοῦ (tou) = van de | σπείραντος (speirantos) = zaaier Bron: SBLGNT **13:19** **Bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort en het niet begrijpt, komt de boze en rukt weg wat in zijn hart gezaaid is. Dit is degene die langs de weg gezaaid is.** Brontekst: παντὸς (pantos) = van ieder | ἀκούοντος (akouontos) = horend | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | συνιέντος (synientos) = begrijpend | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | πονηρὸς (poneros) = boze | καὶ (kai) = en | ἁρπάζει (harpazei) = rukt weg | τὸ (to) = het | ἐσπαρμένον (esparmenon) = gezaaide | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | αὐτοῦ (autou) = zijn | οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = degene | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | σπαρείς (spareis) = gezaaid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πονηρός (poneros), ‘de boze’: letterlijk ‘de slechte’; hier de tegenstander van Elohim. Voetnoot : Zie ook Mark. 4:13–20; Luc. 8:11–15. Zie ook: Mar 4:13–20; Luc 8:11–15 **13:20** **Degene die op de rotsgrond gezaaid is, dit is wie het woord hoort en het meteen met vreugde aanneemt.** Brontekst: ὁ (ho) = degene | δὲ (de) = maar | ἐπὶ (epi) = op | τὰ (ta) = de | πετρώδη (petrode) = rotsgrond | σπαρείς (spareis) = gezaaid | οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = degene | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἀκούων (akouon) = horend | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | μετὰ (meta) = met | χαρᾶς (charas) = vreugde | λαμβάνων (lambanon) = aannemend | αὐτόν (auton) = het Bron: SBLGNT **13:21** **Hij heeft echter geen wortel in zichzelf, maar houdt het maar kort vol. Zodra verdrukking of vervolging komt vanwege het woord, struikelt hij meteen.** Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft | δὲ (de) = maar | ῥίζαν (rhizan) = wortel | ἐν (en) = in | ἑαυτῷ (heauto) = zichzelf | ἀλλὰ (alla) = maar | πρόσκαιρός (proskairos) = tijdelijk | ἐστιν (estin) = is | γενομένης (genomenes) = gekomen zijnde | δὲ (de) = maar | θλίψεως (thlipseos) = verdrukking | ἢ (e) = of | διωγμοῦ (diogmou) = vervolging | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | εὐθὺς (euthys) = meteen | σκανδαλίζεται (skandalizetai) = struikelt Bron: SBLGNT **13:22** **Degene die tussen de doornen gezaaid is, dit is wie het woord hoort. Maar de zorg van deze eeuw en de verleiding van de rijkdom verstikt het woord, en het wordt vruchteloos.** Brontekst: ὁ (ho) = degene | δὲ (de) = maar | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | ἀκάνθας (akanthas) = doornen | σπαρείς (spareis) = gezaaid | οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = degene | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἀκούων (akouon) = horend | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | μέριμνα (merimna) = zorg | τοῦ (tou) = van de | αἰῶνος (aionos) = eeuw | τούτου (toutou) = deze | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | ἀπάτη (apate) = verleiding | τοῦ (tou) = van de | πλούτου (ploutou) = rijkdom | συμπνίγει (sympnigei) = verstikt | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | καὶ (kai) = en | ἄκαρπος (akarpos) = vruchteloos | γίνεται (ginetai) = wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰών (aion), ‘eeuw’: een tijdperk; zie ook Matt. 12:32. Zie ook: Mat 12:32 **13:23** **Degene die op de goede grond gezaaid is, dit is wie het woord hoort en begrijpt. Die draagt dan ook vrucht en brengt voort: het ene 100, het andere 60, het andere 30.”** Brontekst: ὁ (ho) = degene | δὲ (de) = maar | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | καλὴν (kalen) = goede | γῆν (gen) = grond | σπαρείς (spareis) = gezaaid | οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = degene | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἀκούων (akouon) = horend | καὶ (kai) = en | συνιείς (synieis) = begrijpend | ὃς (hos) = die | δὴ (de) = waarlijk | καρποφορεῖ (karpophorei) = draagt vrucht | καὶ (kai) = en | ποιεῖ (poiei) = brengt voort | ὃ (ho) = wat | μὲν (men) = wel | ἑκατὸν (hekaton) = 100 | ὃ (ho) = wat | δὲ (de) = maar | ἑξήκοντα (hexekonta) = 60 | ὃ (ho) = wat | δὲ (de) = maar | τριάκοντα (triakonta) = 30 Bron: SBLGNT ### Het onkruid tussen het graan **13:24** Hij legde hun een andere gelijkenis voor. Hij zei: **„Het koninkrijk van de hemelen is te vergelijken met een man die goed zaad in zijn akker zaaide.** Brontekst: Ἄλλην (Allen) = andere | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | παρέθηκεν (paretheken) = legde voor | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Ὡμοιώθη (Homoiothe) = is vergeleken | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ἀνθρώπῳ (anthropo) = met een mens | σπείραντι (speiranti) = zaaiend | καλὸν (kalon) = goed | σπέρμα (sperma) = zaad | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀγρῷ (agro) = akker | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζιζάνια (zizania), ‘onkruid’: waarschijnlijk een onkruid dat in het groen op graan lijkt. **13:25** **Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid tussen het graan en ging weg.** Brontekst: ἐν (en) = in | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = het | καθεύδειν (katheudein) = slapen | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | ἦλθεν (elthen) = kwam | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὁ (ho) = de | ἐχθρὸς (echthros) = vijand | καὶ (kai) = en | ἐπέσπειρεν (epespeiren) = zaaide erbij | ζιζάνια (zizania) = onkruid | ἀνὰ (ana) = te | μέσον (meson) = midden | τοῦ (tou) = van het | σίτου (sitou) = graan | καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg Bron: SBLGNT **13:26** **Toen het gewas opkwam en vrucht droeg, verscheen ook het onkruid.** Brontekst: ὅτε (hote) = toen | δὲ (de) = maar | ἐβλάστησεν (eblastesen) = spruitte | ὁ (ho) = het | χόρτος (chortos) = gewas | καὶ (kai) = en | καρπὸν (karpon) = vrucht | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | τότε (tote) = toen | ἐφάνη (ephane) = verscheen | καὶ (kai) = ook | τὰ (ta) = het | ζιζάνια (zizania) = onkruid Bron: SBLGNT **13:27** **De knechten van de heer van het huis kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Heer, hebt u geen goed zaad gezaaid in uw akker? Waar komt het onkruid dan vandaan?’** Brontekst: προσελθόντες (proselthontes) = naderend | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | δοῦλοι (douloi) = knechten | τοῦ (tou) = van de | οἰκοδεσπότου (oikodespotou) = heer van het huis | εἶπον (eipon) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot hem | Κύριε (Kyrie) = heer | οὐχὶ (ouchi) = niet | καλὸν (kalon) = goed | σπέρμα (sperma) = zaad | ἔσπειρας (espeiras) = zaaide u | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | σῷ (so) = uw | ἀγρῷ (agro) = akker | πόθεν (pothen) = waar vandaan | οὖν (oun) = dan | ἔχει (echei) = heeft het | ζιζάνια (zizania) = onkruid Bron: SBLGNT **13:28** **Hij zei tegen hen: ‘Een vijand heeft dit gedaan.’ De knechten zeiden tegen hem: ‘Wilt u dan dat wij weggaan en het bijeenrapen?’** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἔφη (ephe) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ἐχθρὸς (Echthros) = vijand | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | τοῦτο (touto) = dit | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | δοῦλοι (douloi) = knechten | αὐτῷ (auto) = tot hem | λέγουσιν (legousin) = zeggen | Θέλεις (Theleis) = wilt u | οὖν (oun) = dan | ἀπελθόντες (apelthontes) = weggaand | συλλέξωμεν (syllexomen) = wij verzamelen | αὐτά (auta) = het Bron: SBLGNT **13:29** **Hij zei: ‘Nee, anders trekken jullie, terwijl jullie het onkruid bijeenrapen, tegelijk met het onkruid ook het graan uit.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δέ (de) = maar | φησιν (phesin) = zegt | Οὔ (Ou) = nee | μήποτε (mepote) = anders | συλλέγοντες (syllegontes) = bijeenrapend | τὰ (ta) = het | ζιζάνια (zizania) = onkruid | ἐκριζώσητε (ekrizosete) = trekken jullie uit | ἅμα (hama) = tegelijk | αὐτοῖς (autois) = met hen | τὸν (ton) = het | σῖτον (siton) = graan Bron: SBLGNT **13:30** **Laat beide samen opgroeien tot de oogst. In de tijd van de oogst zal ik tegen de maaiers zeggen: „Verzamel eerst het onkruid en bind het in bundels om het te verbranden. Maar verzamel het graan in mijn schuur.”’”** Brontekst: ἄφετε (aphete) = laat | συναυξάνεσθαι (synauxanesthai) = laten samen groeien | ἀμφότερα (amphotera) = beide | μέχρι (mechri) = tot | τοῦ (tou) = de | θερισμοῦ (therismou) = oogst | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | καιρῷ (kairo) = tijd | τοῦ (tou) = van de | θερισμοῦ (therismou) = oogst | ἐρῶ (ero) = zal ik zeggen | τοῖς (tois) = aan de | θερισταῖς (theristais) = maaiers | Συλλέξατε (Syllexate) = verzamel | πρῶτον (proton) = eerst | τὰ (ta) = het | ζιζάνια (zizania) = onkruid | καὶ (kai) = en | δήσατε (desate) = bind | αὐτὰ (auta) = het | εἰς (eis) = in | δέσμας (desmas) = bundels | πρὸς (pros) = om | τὸ (to) = te | κατακαῦσαι (katakausai) = verbranden | αὐτά (auta) = het | τὸν (ton) = het | δὲ (de) = maar | σῖτον (siton) = graan | συναγάγετε (synagagete) = verzamel | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | ἀποθήκην (apotheken) = schuur | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT ### Het mosterdzaadje en het zuurdesem **13:31** Hij legde hun een andere gelijkenis voor. Hij zei: **„Het koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje dat een man nam en in zijn akker zaaide.** Brontekst: Ἄλλην (Allen) = andere | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | παρέθηκεν (paretheken) = legde voor | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Ὁμοία (Homoia) = gelijk | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | κόκκῳ (kokko) = aan een zaadje | σινάπεως (sinapeos) = van mosterd | ὃν (hon) = dat | λαβὼν (labon) = nemend | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἔσπειρεν (espeiren) = zaaide | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀγρῷ (agro) = akker | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 4:30–32; Luc. 13:18–19. De vogels die nestelen in de takken doen denken aan Ezech. 17:23, Ezech. 31:6 en Dan. 4:9, waar de vogels wonen in een grote boom. Zie ook: Ezech 17:23; Ezech 31:6; Dan 4:9; Mar 4:30–32; Luc 13:18–19 **13:32** **Het is wel het kleinste van alle zaden. Maar wanneer het gegroeid is, is het groter dan de tuingewassen. En het wordt een boom, zodat de vogels van de hemel komen en in zijn takken nestelen.”** Brontekst: ὃ (ho) = wat | μικρότερον (mikroteron) = kleiner | μέν (men) = wel | ἐστιν (estin) = is | πάντων (panton) = van alle | τῶν (ton) = de | σπερμάτων (spermaton) = zaden | ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | αὐξηθῇ (auxethe) = gegroeid is | μεῖζον (meizon) = groter | τῶν (ton) = dan de | λαχάνων (lachanon) = tuingewassen | ἐστὶν (estin) = is | καὶ (kai) = en | γίνεται (ginetai) = wordt | δένδρον (dendron) = boom | ὥστε (hoste) = zodat | ἐλθεῖν (elthein) = komen | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | κατασκηνοῦν (kataskenoun) = nestelen | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | κλάδοις (kladois) = takken | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λάχανα (lachana), ‘tuingewassen’: groenten en kruiden. **13:33** Hij vertelde hun een andere gelijkenis: **„Het koninkrijk van de hemelen is gelijk aan zuurdesem. Dat nam een vrouw en verborg in 3 maten meel, totdat het geheel doorzuurd was.”** Brontekst: Ἄλλην (Allen) = andere | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὁμοία (Homoia) = gelijk | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ζύμῃ (zyme) = aan zuurdesem | ἣν (hen) = dat | λαβοῦσα (labousa) = nemend | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἐνέκρυψεν (enekrypsen) = verborg | εἰς (eis) = in | ἀλεύρου (aleurou) = meel | σάτα (sata) = maten | τρία (tria) = 3 | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = dat | ἐζυμώθη (ezymothe) = doorzuurd werd | ὅλον (holon) = geheel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 13:20–21. σάτον (saton), ‘maat’: de Griekse naam voor de Hebreeuwse se’a, ongeveer 7 liter. 3 maten zijn dus ongeveer 22 liter meel (een efa); vergelijk Gen. 18:6, ‘drie maten meel’. Zie ook: Gen 18:6; Luc 13:20–21 **13:34** Dit alles zei Yeshua in gelijkenissen tot de menigten. Zonder gelijkenis sprak Hij niets tot hen, Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = deze | πάντα (panta) = alle | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | τοῖς (tois) = tot de | ὄχλοις (ochlois) = menigten | καὶ (kai) = en | χωρὶς (choris) = zonder | παραβολῆς (paraboles) = gelijkenis | οὐδὲν (ouden) = niets | ἐλάλει (elalei) = sprak | αὐτοῖς (autois) = tot hen Bron: SBLGNT **13:35** zodat vervuld werd wat gezegd is door de profeet: „Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen. Ik zal uitspreken wat verborgen was sinds de grondlegging.” Brontekst: ὅπως (hopos) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gesprokene | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend | Ἀνοίξω (Anoixo) = ik zal openen | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | μου (mou) = mijn | ἐρεύξομαι (ereuxomai) = ik zal uitspreken | κεκρυμμένα (kekrymmena) = verborgen dingen | ἀπὸ (apo) = sinds | καταβολῆς (kataboles) = grondlegging Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Ps. 78:2, een psalm van Asaf. Het Hebreeuws heeft ‘ik open mijn mond met een spreuk; ik laat raadsels uit de oudheid stromen’; de Griekse tekst heeft ‘ik zal mijn mond openen in gelijkenissen’ en ‘ik zal uitspreken wat verborgen was sinds de grondlegging’. καταβολή (katabole), ‘grondlegging’: het leggen van een fundament. Zie ook: Ps 78:2 ### Uitleg van de gelijkenis van het onkruid **13:36** Toen liet Hij de menigten achter en ging het huis binnen. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en zeiden: „Leg ons de gelijkenis van het onkruid in de akker uit.” Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ἀφεὶς (apheis) = latend gaan | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | καὶ (kai) = en | προσῆλθον (proselthon) = kwamen tot | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λέγοντες (legontes) = zeggend | Διασάφησον (Diasapheson) = leg uit | ἡμῖν (hemin) = aan ons | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | τῶν (ton) = van het | ζιζανίων (zizanion) = onkruid | τοῦ (tou) = van de | ἀγροῦ (agrou) = akker Bron: SBLGNT **13:37** Hij antwoordde en zei: **„Wie het goede zaad zaait, is de Mensenzoon.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Ὁ (Ho) = de | σπείρων (speiron) = zaaiende | τὸ (to) = het | καλὸν (kalon) = goede | σπέρμα (sperma) = zaad | ἐστὶν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT **13:38** **De akker is de wereld. Het goede zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk. Het onkruid, dat zijn de zonen van de boze.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀγρός (agros) = akker | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | τὸ (to) = het | δὲ (de) = maar | καλὸν (kalon) = goede | σπέρμα (sperma) = zaad | οὗτοί (houtoi) = deze | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τὰ (ta) = het | δὲ (de) = maar | ζιζάνιά (zizania) = onkruid | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | τοῦ (tou) = van de | πονηροῦ (ponerou) = boze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόσμος (kosmos), ‘wereld’: de bewoonde wereld, de mensen. υἱοί (huioi), ‘zonen’: wie bij het koninkrijk of bij de boze hoort. **13:39** **De vijand die het gezaaid heeft, is de duivel. De oogst is de voleinding van de eeuw, en de maaiers zijn engelen.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἐχθρὸς (echthros) = vijand | ὁ (ho) = die | σπείρας (speiras) = zaaiende | αὐτά (auta) = hen | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | διάβολος (diabolos) = duivel | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | θερισμὸς (therismos) = oogst | συντέλεια (synteleia) = voleinding | αἰῶνός (aionos) = van de eeuw | ἐστιν (estin) = is | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | θερισταὶ (theristai) = maaiers | ἄγγελοί (angeloi) = engelen | εἰσιν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συντέλεια (synteleia), ‘voleinding’: het einde, de afsluiting; zie ook Matt. 24:3 en 28:20. Zie ook: Mat 24:3; Mat 28:20 **13:40** **Zoals het onkruid dus bijeengebracht en met vuur verbrand wordt, zo zal het zijn bij de voleinding van de eeuw.** Brontekst: ὥσπερ (hosper) = zoals | οὖν (oun) = dus | συλλέγεται (syllegetai) = wordt verzameld | τὰ (ta) = het | ζιζάνια (zizania) = onkruid | καὶ (kai) = en | πυρὶ (pyri) = met vuur | καίεται (kaietai) = wordt verbrand | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐν (en) = bij | τῇ (te) = de | συντελείᾳ (synteleia) = voleinding | τοῦ (tou) = van de | αἰῶνος (aionos) = eeuw Bron: SBLGNT **13:41** **De Mensenzoon zal Zijn engelen zenden, en zij zullen uit Zijn koninkrijk alle struikelblokken bijeenbrengen, en wie wetteloosheid doen.** Brontekst: ἀποστελεῖ (apostelei) = zal zenden | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | τοὺς (tous) = de | ἀγγέλους (angelous) = engelen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | συλλέξουσιν (syllexousin) = zullen bijeenbrengen | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | αὐτοῦ (autou) = Zijn | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | σκάνδαλα (skandala) = struikelblokken | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = degenen | ποιοῦντας (poiountas) = doende | τὴν (ten) = de | ἀνομίαν (anomian) = wetteloosheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκάνδαλα (skandala), ‘struikelblokken’: alles wat mensen laat struikelen. ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’: leven zonder de wet van Elohim. **13:42** **En zij zullen hen in de vuuroven werpen. Daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | βαλοῦσιν (balousin) = zullen werpen | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | κάμινον (kaminon) = oven | τοῦ (tou) = van het | πυρός (pyros) = vuur | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = het | κλαυθμὸς (klauthmos) = geween | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | βρυγμὸς (brygmos) = knarsen | τῶν (ton) = van de | ὀδόντων (odonton) = tanden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κάμινος (kaminos), ‘oven’: een stookoven; vergelijk Dan. 3:6. Zie ook: Dan 3:6 **13:43** **Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft, laat hem horen.** Brontekst: Τότε (Tote) = dan | οἱ (hoi) = de | δίκαιοι (dikaioi) = rechtvaardigen | ἐκλάμψουσιν (eklampsousin) = zullen stralen | ὡς (hos) = als | ὁ (ho) = de | ἥλιος (helios) = zon | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = Vader | αὐτῶν (auton) = hun | ὁ (ho) = die | ἔχων (echon) = hebbend | ὦτα (ota) = oren | ἀκουέτω (akoueto) = laat horen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit lijkt op Dan. 12:3: de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel. Zie ook: Dan 12:3 ### De schat, de parel en het sleepnet **13:44** **Het koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een schat die verborgen ligt in de akker. Een man vond hem en verborg hem. Van vreugde gaat hij heen, verkoopt alles wat hij heeft en koopt die akker.** Brontekst: Ὁμοία (Homoia) = gelijk | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | θησαυρῷ (thesauro) = aan een schat | κεκρυμμένῳ (kekrymmeno) = verborgen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀγρῷ (agro) = akker | ὃν (hon) = die | εὑρὼν (heuron) = vindend | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἔκρυψεν (ekrypsen) = verborg | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | χαρᾶς (charas) = vreugde | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὑπάγει (hypagei) = gaat heen | καὶ (kai) = en | πωλεῖ (polei) = verkoopt | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | ἔχει (echei) = heeft | καὶ (kai) = en | ἀγοράζει (agorazei) = koopt | τὸν (ton) = de | ἀγρὸν (agron) = akker | ἐκεῖνον (ekeinon) = die Bron: SBLGNT **13:45** **Weer is het koninkrijk van de hemelen gelijk aan een koopman die mooie parels zoekt.** Brontekst: Πάλιν (Palin) = weer | ὁμοία (homoia) = gelijk | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ἀνθρώπῳ (anthropo) = aan een mens | ἐμπόρῳ (emporo) = koopman | ζητοῦντι (zetounti) = zoekend | καλοὺς (kalous) = mooie | μαργαρίτας (margaritas) = parels Bron: SBLGNT **13:46** **Toen hij één kostbare parel vond, ging hij weg, verkocht alles wat hij had en kocht hem.** Brontekst: εὑρὼν (heuron) = vindend | δὲ (de) = maar | ἕνα (hena) = één | πολύτιμον (polytimon) = kostbare | μαργαρίτην (margariten) = parel | ἀπελθὼν (apelthon) = weggaand | πέπρακεν (pepraken) = verkocht | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | εἶχεν (eichen) = had | καὶ (kai) = en | ἠγόρασεν (egorasen) = kocht | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **13:47** **Weer is het koninkrijk van de hemelen gelijk aan een sleepnet dat in de zee werd geworpen en allerlei soorten bijeenbracht.** Brontekst: Πάλιν (Palin) = weer | ὁμοία (homoia) = gelijk | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | σαγήνῃ (sagene) = aan een sleepnet | βληθείσῃ (bletheise) = geworpen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | καὶ (kai) = en | ἐκ (ek) = uit | παντὸς (pantos) = elk | γένους (genous) = soort | συναγαγούσῃ (synagagouse) = verzameld hebbend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σαγήνη (sagene), ‘sleepnet’: een groot net dat door het water wordt getrokken en alles vangt. **13:48** **Toen het vol was, trokken zij het op het strand, gingen zitten en verzamelden het goede in manden. Het slechte wierpen zij weg.** Brontekst: ἣν (hen) = dat | ὅτε (hote) = toen | ἐπληρώθη (eplerothe) = vol werd | ἀναβιβάσαντες (anabibasantes) = optrekkend | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = het | αἰγιαλὸν (aigialon) = strand | καὶ (kai) = en | καθίσαντες (kathisantes) = zittend | συνέλεξαν (synelexan) = verzamelden | τὰ (ta) = het | καλὰ (kala) = goede | εἰς (eis) = in | ἄγγη (ange) = manden | τὰ (ta) = het | δὲ (de) = maar | σαπρὰ (sapra) = slechte | ἔξω (exo) = buiten | ἔβαλον (ebalon) = wierpen Bron: SBLGNT **13:49** **Zo zal het zijn bij de voleinding van de eeuw: de engelen zullen uitgaan en de slechten afscheiden uit het midden van de rechtvaardigen.** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐν (en) = bij | τῇ (te) = de | συντελείᾳ (synteleia) = voleinding | τοῦ (tou) = van de | αἰῶνος (aionos) = eeuw | ἐξελεύσονται (exeleusontai) = zullen uitgaan | οἱ (hoi) = de | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | καὶ (kai) = en | ἀφοριοῦσιν (aphoriousin) = zullen afscheiden | τοὺς (tous) = de | πονηροὺς (ponerous) = slechten | ἐκ (ek) = uit | μέσου (mesou) = midden | τῶν (ton) = van de | δικαίων (dikaion) = rechtvaardigen Bron: SBLGNT **13:50** **En zij zullen hen in de vuuroven werpen. Daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | βαλοῦσιν (balousin) = zullen werpen | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | κάμινον (kaminon) = oven | τοῦ (tou) = van het | πυρός (pyros) = vuur | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = het | κλαυθμὸς (klauthmos) = geween | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | βρυγμὸς (brygmos) = knarsen | τῶν (ton) = van de | ὀδόντων (odonton) = tanden Bron: SBLGNT ### Nieuwe en oude dingen **13:51** **„Hebben jullie dit alles begrepen?”** Zij zeiden tegen Hem: „Ja.” Brontekst: Συνήκατε (Synekate) = hebben begrepen jullie | ταῦτα (tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | λέγουσιν (legousin) = zij zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ναί (Nai) = ja Bron: SBLGNT **13:52** Hij zei tegen hen: **„Daarom is elke schriftgeleerde die leerling is geworden voor het koninkrijk van de hemelen gelijk aan een man die heer van een huis is. Die haalt uit zijn schat nieuwe en oude dingen tevoorschijn.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Διὰ (Dia) = door | τοῦτο (touto) = dit | πᾶς (pas) = elke | γραμματεὺς (grammateus) = schriftgeleerde | μαθητευθεὶς (matheteutheis) = leerling geworden | τῇ (te) = voor het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ὅμοιός (homoios) = gelijk | ἐστιν (estin) = is | ἀνθρώπῳ (anthropo) = aan een mens | οἰκοδεσπότῃ (oikodespote) = heer van het huis | ὅστις (hostis) = die | ἐκβάλλει (ekballei) = haalt tevoorschijn | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | θησαυροῦ (thesaurou) = schat | αὐτοῦ (autou) = zijn | καινὰ (kaina) = nieuwe | καὶ (kai) = en | παλαιά (palaia) = oude Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαθητευθείς (matheteutheis), ‘leerling geworden’: tot leerling gemaakt, onderwezen; vergelijk het werkwoord in Matt. 28:19. Zie ook: Mat 28:19 ### Yeshua in Zijn vaderstad **13:53** Toen Yeshua deze gelijkenissen had beëindigd, vertrok Hij vandaar. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ὅτε (hote) = toen | ἐτέλεσεν (etelesen) = beëindigde | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὰς (tas) = de | παραβολὰς (parabolas) = gelijkenissen | ταύτας (tautas) = deze | μετῆρεν (meteren) = vertrok | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar Bron: SBLGNT **13:54** Hij kwam in Zijn vaderstad en onderwees hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden. Zij zeiden: „Waar heeft deze man deze wijsheid en deze krachten vandaan? Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = komend | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | πατρίδα (patrida) = vaderstad | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐδίδασκεν (edidasken) = onderwees | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | αὐτῶν (auton) = hun | ὥστε (hoste) = zodat | ἐκπλήσσεσθαι (ekplessesthai) = versteld staan | αὐτοὺς (autous) = zij | καὶ (kai) = en | λέγειν (legein) = zeggen | Πόθεν (Pothen) = waarvandaan | τούτῳ (touto) = aan deze | ἡ (he) = de | σοφία (sophia) = wijsheid | αὕτη (haute) = deze | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | δυνάμεις (dynameis) = krachten Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret (Zijn vaderstad): Met ‘Zijn vaderstad’ wordt waarschijnlijk Nazaret bedoeld (zie Matteüs 2:23 en Markus 1:9), in Neder-Galilea. De naam staat hier niet in de tekst. Voetnoot Uitleg: πατρίς (patris), ‘vaderstad’: de eigen woonplaats; hier Nazaret (zie Matt. 2:23). Voetnoot : Zie ook Mark. 6:1–6; Luc. 4:16–30. Zie ook: Mat 2:23; Mar 6:1–6; Luc 4:16–30 **13:55** Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet Zijn moeder niet Maria, en Zijn broers Jakobus, Jozef, Simon en Judas? Brontekst: οὐχ (ouch) = niet | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | τοῦ (tou) = van de | τέκτονος (tektonos) = timmerman | υἱός (huios) = zoon | οὐχ (ouch) = niet | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λέγεται (legetai) = heet | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἰάκωβος (Iakobos) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | καὶ (kai) = en | Σίμων (Simon) = Simon | καὶ (kai) = en | Ἰούδας (Ioudas) = Judas Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τέκτων (tekton), ‘timmerman’: ook ‘handwerker, bouwer’. ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’. Μαριάμ (Mariam) is de naam Maria. Judas is hier een broer van Yeshua, niet Judas Iskariot. Voetnoot : Zie ook Mark. 6:3. Zie ook: Mar 6:3 **13:56** En Zijn zussen, zijn zij niet allemaal bij ons? Waar heeft deze man dan dit alles vandaan?” Brontekst: καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | ἀδελφαὶ (adelphai) = zussen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | οὐχὶ (ouchi) = niet | πᾶσαι (pasai) = alle | πρὸς (pros) = bij | ἡμᾶς (hemas) = ons | εἰσιν (eisin) = zijn | πόθεν (pothen) = waarvandaan | οὖν (oun) = dan | τούτῳ (touto) = aan deze | ταῦτα (tauta) = deze dingen | πάντα (panta) = alle Bron: SBLGNT **13:57** En zij struikelden over Hem. Yeshua zei tegen hen: **„Een profeet is niet zonder eer, behalve in zijn vaderstad en in zijn huis.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐσκανδαλίζοντο (eskandalizonto) = struikelden | ἐν (en) = over | αὐτῷ (auto) = Hem | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | προφήτης (prophetes) = profeet | ἄτιμος (atimos) = zonder eer | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πατρίδι (patridi) = vaderstad | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret (Zijn vaderstad): Met ‘Zijn vaderstad’ wordt waarschijnlijk Nazaret bedoeld (zie Matteüs 2:23 en Markus 1:9), in Neder-Galilea. De naam staat hier niet in de tekst. **13:58** En Hij deed daar niet veel krachten, vanwege hun ongeloof. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ἐκεῖ (ekei) = daar | δυνάμεις (dynameis) = krachten | πολλὰς (pollas) = vele | διὰ (dia) = vanwege | τὴν (ten) = het | ἀπιστίαν (apistian) = ongeloof | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπιστία (apistia), ‘ongeloof’: gebrek aan geloof, van πίστις (pistis), ‘geloof’. ## Matteüs 14 _De dood van Johannes de Doper, 5000 mannen en Yeshua op de zee_ ### Herodes hoort over Yeshua **14:1** In die tijd hoorde Herodes, de viervorst, het bericht over Yeshua. Brontekst: Ἐν (En) = in | ἐκείνῳ (ekeino) = die | τῷ (to) = de | καιρῷ (kairo) = tijd | ἤκουσεν (ekousen) = hoorde | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ὁ (ho) = de | τετραάρχης (tetraarches) = viervorst | τὴν (ten) = het | ἀκοὴν (akoen) = bericht | Ἰησοῦ (Iesou) = over Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τετραάρχης (tetraarches), ‘viervorst’: heerser over een deel van een gebied, letterlijk een vierde deel. Hier is het Herodes Antipas, een zoon van de Herodes uit 2:1. Hij regeerde over Galilea. Voetnoot : Zie ook Mark. 6:14–29; Luc. 9:7–9. Zie ook: Mar 6:14–29; Luc 9:7–9 **14:2** Herodes zei tegen zijn knechten: „Dit is Johannes de Doper. Johannes zelf is opgewekt uit de doden, en daarom werken de krachten in hem.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | τοῖς (tois) = tegen de | παισὶν (paisin) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ὁ (ho) = de | βαπτιστής (baptistes) = doper | αὐτὸς (autos) = hij zelf | ἠγέρθη (egerthe) = is opgewekt | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | νεκρῶν (nekron) = doden | καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = vanwege | τοῦτο (touto) = dit | αἱ (hai) = de | δυνάμεις (dynameis) = krachten | ἐνεργοῦσιν (energousin) = werken | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παῖς (pais), ‘knecht’: iemand die de koning dient. δυνάμεις (dynameis), ‘krachten’: krachtige werken, wonderen. ### De dood van Johannes de Doper **14:3** Want Herodes had Johannes gegrepen, hem gebonden en in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | γὰρ (gar) = want | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | κρατήσας (kratesas) = gegrepen hebbend | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | ἔδησεν (edesen) = bond | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | φυλακῇ (phylake) = gevangenis | ἀπέθετο (apetheto) = zette | διὰ (dia) = vanwege | Ἡρῳδιάδα (Herodiada) = Herodias | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | Φιλίππου (Philippou) = van Filippus | τοῦ (tou) = de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Herodias was de vrouw van Filippus, een broer van Herodes. **14:4** Johannes zei namelijk steeds tegen hem: „Het is u niet geoorloofd haar te hebben.” Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = zei steeds | γὰρ (gar) = want | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔξεστίν (exestin) = is geoorloofd | σοι (soi) = u | ἔχειν (echein) = te hebben | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Johannes verwijst naar de wet over de vrouw van een broer (Lev. 18:16; 20:21). Zie ook: Lev 18:16; Lev 20:21 **14:5** Herodes wilde hem doden, maar hij was bang voor de menigte, omdat zij hem voor een profeet hielden. Brontekst: καὶ (kai) = en | θέλων (thelon) = willend | αὐτὸν (auton) = hem | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = doden | ἐφοβήθη (ephobethe) = was bang | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ὅτι (hoti) = omdat | ὡς (hos) = als | προφήτην (propheten) = profeet | αὐτὸν (auton) = hem | εἶχον (eichon) = hielden Bron: SBLGNT **14:6** Toen Herodes zijn verjaardag vierde, danste de dochter van Herodias in het midden. Zij viel bij Herodes in de smaak. Brontekst: γενεσίοις (genesiois) = verjaardag | δὲ (de) = maar | γενομένοις (genomenois) = gevierd wordend | τοῦ (tou) = van de | Ἡρῴδου (Herodou) = Herodes | ὠρχήσατο (orchesato) = danste | ἡ (he) = de | θυγάτηρ (thygater) = dochter | τῆς (tes) = van de | Ἡρῳδιάδος (Herodiados) = Herodias | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | μέσῳ (meso) = midden | καὶ (kai) = en | ἤρεσεν (eresen) = viel in de smaak | τῷ (to) = bij de | Ἡρῴδῃ (Herode) = Herodes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γενέσια (genesia), ‘verjaardagsfeest’: het feest op de geboortedag. **14:7** Daarom beloofde hij haar onder ede te geven wat zij ook zou vragen. Brontekst: ὅθεν (hothen) = daarom | μετὰ (meta) = met | ὅρκου (horkou) = eed | ὡμολόγησεν (homologesen) = beloofde | αὐτῇ (aute) = haar | δοῦναι (dounai) = te geven | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = ook maar | αἰτήσηται (aitesetai) = zij zou vragen Bron: SBLGNT **14:8** Aangezet door haar moeder zei zij: „Geef mij hier op een schaal het hoofd van Johannes de Doper.” Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | προβιβασθεῖσα (probibastheisa) = aangezet | ὑπὸ (hypo) = door | τῆς (tes) = de | μητρὸς (metros) = moeder | αὐτῆς (autes) = haar | Δός (Dos) = geef | μοι (moi) = mij | φησίν (phesin) = zegt zij | ὧδε (hode) = hier | ἐπὶ (epi) = op | πίνακι (pinaki) = schaal | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | τοῦ (tou) = de | βαπτιστοῦ (baptistou) = doper Bron: SBLGNT **14:9** De koning werd bedroefd. Vanwege de eden en de tafelgenoten gaf hij bevel het te geven. Brontekst: καὶ (kai) = en | λυπηθεὶς (lypetheis) = bedroefd geworden | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | διὰ (dia) = vanwege | τοὺς (tous) = de | ὅρκους (horkous) = eden | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | συνανακειμένους (synanakeimenous) = tafelgenoten | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = gaf bevel | δοθῆναι (dothenai) = het te geven Bron: SBLGNT **14:10** Herodes stuurde iemand en liet Johannes in de gevangenis onthoofden. Brontekst: καὶ (kai) = en | πέμψας (pempsas) = gestuurd hebbend | ἀπεκεφάλισεν (apekephalisen) = onthoofdde | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | φυλακῇ (phylake) = gevangenis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In het Grieks staat: ‘hij stuurde en onthoofdde Johannes’. Wij hebben ‘iemand’ en ‘liet’ aangevuld, omdat het Nederlands een uitvoerder nodig heeft. **14:11** Het hoofd van Johannes werd op een schaal gebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠνέχθη (enechthe) = werd gebracht | ἡ (he) = het | κεφαλὴ (kephale) = hoofd | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐπὶ (epi) = op | πίνακι (pinaki) = schaal | καὶ (kai) = en | ἐδόθη (edothe) = werd gegeven | τῷ (to) = aan het | κορασίῳ (korasio) = meisje | καὶ (kai) = en | ἤνεγκεν (enenken) = bracht het | τῇ (te) = aan de | μητρὶ (metri) = moeder | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT **14:12** De leerlingen van Johannes kwamen, namen het lichaam mee en begroeven hem. Daarna gingen zij naar Yeshua en vertelden het Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | προσελθόντες (proselthontes) = gekomen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἦραν (eran) = namen weg | τὸ (to) = het | πτῶμα (ptoma) = lichaam | καὶ (kai) = en | ἔθαψαν (ethapsan) = begroeven | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = vertelden | τῷ (to) = aan | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT ### Yeshua geeft 5000 mannen te eten **14:13** Toen Yeshua dat hoorde, vertrok Hij vandaar in een boot naar een verlaten plaats, om apart te zijn. De menigten hoorden het en volgden Hem te voet vanuit de steden. Brontekst: Ἀκούσας (Akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀνεχώρησεν (anechoresen) = vertrok | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | ἐν (en) = in | πλοίῳ (ploio) = boot | εἰς (eis) = naar | ἔρημον (eremon) = verlaten | τόπον (topon) = plaats | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | καὶ (kai) = en | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem | πεζῇ (peze) = te voet | ἀπὸ (apo) = vanuit | τῶν (ton) = de | πόλεων (poleon) = steden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔρημος τόπος (eremos topos), ‘verlaten plaats’: een onbewoonde plek. Welke plaats het is, is niet bekend. Voetnoot : Zie ook Mark. 6:30–44; Luc. 9:10–17; Joh. 6:1–13. Zie ook: Mar 6:30–44; Luc 9:10–17; Joh 6:1–13 **14:14** Toen Hij uitstapte, zag Hij een grote menigte. Hij kreeg medelijden met hen en genas hun zieken. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | εἶδεν (eiden) = zag | πολὺν (polyn) = grote | ὄχλον (ochlon) = menigte | καὶ (kai) = en | ἐσπλαγχνίσθη (esplanchnisthe) = kreeg medelijden | ἐπ’ (ep’) = met | αὐτοῖς (autois) = hen | καὶ (kai) = en | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas | τοὺς (tous) = de | ἀρρώστους (arrostous) = zieken | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξελθών (exelthon) is letterlijk ‘naar buiten komend’. Wij nemen aan dat Yeshua uit de boot stapt. Voetnoot : σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden hebben’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, de plaats van de diepe gevoelens. **14:15** Toen het avond werd, kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: „Deze plaats is verlaten en het is al laat. Stuur de menigten weg, zodat zij naar de dorpen gaan en eten voor zichzelf kopen.” Brontekst: ὀψίας (opsias) = avond | δὲ (de) = maar | γενομένης (genomenes) = geworden | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἔρημός (Eremos) = verlaten | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | τόπος (topos) = plaats | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | ἤδη (ede) = al | παρῆλθεν (parelthen) = is voorbij | ἀπόλυσον (apolyson) = stuur weg | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἵνα (hina) = opdat | ἀπελθόντες (apelthontes) = weggegaan | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | κώμας (komas) = dorpen | ἀγοράσωσιν (agorasosin) = zij kopen | ἑαυτοῖς (heautois) = voor zichzelf | βρώματα (bromata) = voedsel Bron: SBLGNT **14:16** Yeshua zei tegen hen: **„Zij hoeven niet weg te gaan. Geef hun zelf te eten.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Οὐ (Ou) = niet | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχουσιν (echousin) = hebben zij | ἀπελθεῖν (apelthein) = weg te gaan | δότε (dote) = geef | αὐτοῖς (autois) = hun | ὑμεῖς (hymeis) = jullie zelf | φαγεῖν (phagein) = te eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑμεῖς (hymeis), ‘jullie’, staat in het Grieks erbij en legt nadruk. Wij vertalen dat met ‘zelf’: ‘geef hun zelf te eten’. **14:17** Zij zeiden tegen Hem: „Wij hebben hier alleen 5 broden en 2 vissen.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔχομεν (echomen) = hebben wij | ὧδε (hode) = hier | εἰ (ei) = tenzij | μὴ (me) = alleen | πέντε (pente) = 5 | ἄρτους (artous) = broden | καὶ (kai) = en | δύο (dyo) = 2 | ἰχθύας (ichthyas) = vissen Bron: SBLGNT **14:18** Hij zei: **„Breng ze hier bij Mij.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Φέρετέ (Pherete) = breng | μοι (moi) = mij | ὧδε (hode) = hier | αὐτούς (autous) = ze Bron: SBLGNT **14:19** Hij gaf de menigten opdracht in het gras te gaan zitten. Hij nam de 5 broden en de 2 vissen, keek op naar de hemel en sprak de zegen uit. Hij brak de broden en gaf ze aan de leerlingen. De leerlingen gaven ze aan de menigten. Brontekst: καὶ (kai) = en | κελεύσας (keleusas) = bevelend | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἀνακλιθῆναι (anaklithenai) = te gaan zitten | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = het | χόρτου (chortou) = gras | λαβὼν (labon) = genomen hebbend | τοὺς (tous) = de | πέντε (pente) = 5 | ἄρτους (artous) = broden | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | δύο (dyo) = 2 | ἰχθύας (ichthyas) = vissen | ἀναβλέψας (anablepsas) = opgekeken hebbend | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | εὐλόγησεν (eulogesen) = zegende | καὶ (kai) = en | κλάσας (klasas) = gebroken hebbend | ἔδωκεν (edoken) = gaf | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | τοὺς (tous) = de | ἄρτους (artous) = broden | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | τοῖς (tois) = aan de | ὄχλοις (ochlois) = menigten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνακλιθῆναι (anaklithenai) is letterlijk ‘neerliggen’, zoals men aan tafel lag. Hier zit of ligt de menigte in het gras. **14:20** Allen aten en werden verzadigd. Zij namen op wat er overbleef van de stukken: twaalf manden vol. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔφαγον (ephagon) = aten | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = en | ἐχορτάσθησαν (echortasthesan) = werden verzadigd | καὶ (kai) = en | ἦραν (eran) = namen op | τὸ (to) = wat | περισσεῦον (perisseuon) = overbleef | τῶν (ton) = van de | κλασμάτων (klasmaton) = stukken | δώδεκα (dodeka) = twaalf | κοφίνους (kophinous) = manden | πλήρεις (plereis) = vol Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόφινος (kophinos), ‘mand’: een mand van gevlochten materiaal. In 15:37 staat een ander woord, σπυρίς (spyris); wij vertalen dat als ‘grote mand’. In 16:9–10 houdt Yeshua beide woorden uit elkaar. **14:21** Zij die aten, waren ongeveer 5000 mannen, zonder vrouwen en kinderen. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἐσθίοντες (esthiontes) = etenden | ἦσαν (esan) = waren | ἄνδρες (andres) = mannen | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | πεντακισχίλιοι (pentakischilioi) = 5000 | χωρὶς (choris) = zonder | γυναικῶν (gynaikon) = vrouwen | καὶ (kai) = en | παιδίων (paidion) = kinderen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄνδρες (andres), ‘mannen’: het getal telt alleen de volwassen mannen. ### Yeshua loopt over de zee **14:22** Meteen dwong Hij de leerlingen in de boot te stappen en voor Hem uit naar de overkant te gaan, totdat Hij de menigten had weggestuurd. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἠνάγκασεν (enankasen) = dwong | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | ἐμβῆναι (embenai) = in te stappen | εἰς (eis) = in | πλοῖον (ploion) = boot | καὶ (kai) = en | προάγειν (proagein) = voor te gaan | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = hij | ἀπολύσῃ (apolyse) = had weggestuurd | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten Bron: SBLGNT **14:23** Nadat Hij de menigten had weggestuurd, ging Hij de berg op om apart te bidden. Toen het avond geworden was, was Hij daar alleen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπολύσας (apolysas) = weggestuurd hebbend | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἀνέβη (anebe) = ging op | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | προσεύξασθαι (proseuxasthai) = om te bidden | ὀψίας (opsias) = avond | δὲ (de) = maar | γενομένης (genomenes) = geworden | μόνος (monos) = alleen | ἦν (en) = was | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT **14:24** De boot was al vele stadiën van het land verwijderd en werd door de golven geteisterd, want de wind was tegen. Brontekst: τὸ (to) = de | δὲ (de) = maar | πλοῖον (ploion) = boot | ἤδη (ede) = al | σταδίους (stadious) = stadiën | πολλοὺς (pollous) = vele | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | γῆς (ges) = land | ἀπεῖχεν (apeichen) = was verwijderd | βασανιζόμενον (basanizomenon) = geteisterd | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | κυμάτων (kymaton) = golven | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | ἐναντίος (enantios) = tegen | ὁ (ho) = de | ἄνεμος (anemos) = wind Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een stadie (στάδιον) is ongeveer 185 meter. **14:25** In de vierde nachtwake kwam Hij naar hen toe, lopend over de zee. Brontekst: τετάρτῃ (tetarte) = vierde | δὲ (de) = maar | φυλακῇ (phylake) = nachtwake | τῆς (tes) = van de | νυκτὸς (nyktos) = nacht | ἦλθεν (elthen) = kwam | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | περιπατῶν (peripaton) = lopend | ἐπὶ (epi) = over | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: De nacht was verdeeld in vier wakes. De vierde nachtwake is ongeveer van drie tot zes uur ’s ochtends. Voetnoot : θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het gaat om het meer van Galilea, in het Hebreeuws de ‘zee van Kinneret’ (Num. 34:11). Zie ook: Num 34:11 **14:26** Toen de leerlingen Hem over de zee zagen lopen, schrokken zij en zeiden: „Het is een spook!” Van angst schreeuwden zij het uit. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐπὶ (epi) = over | τῆς (tes) = de | θαλάσσης (thalasses) = zee | περιπατοῦντα (peripatounta) = lopend | ἐταράχθησαν (etarachthesan) = schrokken | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Φάντασμά (Phantasma) = spook | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | φόβου (phobou) = angst | ἔκραξαν (ekraxan) = schreeuwden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: φάντασμα (phantasma), ‘spook’: een verschijning van iemand of iets dat er niet echt is. **14:27** Meteen sprak Yeshua tot hen en zei: **„Heb moed! Ik ben het. Wees niet bang.”** Brontekst: εὐθὺς (euthys) = meteen | δὲ (de) = maar | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγων (legon) = zeggend | Θαρσεῖτε (Tharseite) = heb moed | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | μὴ (me) = niet | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi) is letterlijk ‘Ik ben’. In dit verband betekent het ‘Ik ben het’. **14:28** Petrus antwoordde Hem: „Heer, als U het bent, beveel mij naar U toe te komen over het water.” Brontekst: Ἀποκριθεὶς (Apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = Hem | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἶπεν (eipen) = zei | Κύριε (Kyrie) = Heer | εἰ (ei) = als | σὺ (sy) = U | εἶ (ei) = bent | κέλευσόν (keleuson) = beveel | με (me) = mij | ἐλθεῖν (elthein) = te komen | πρὸς (pros) = naar | σὲ (se) = U | ἐπὶ (epi) = over | τὰ (ta) = de | ὕδατα (hydata) = wateren Bron: SBLGNT **14:29** Hij zei: **„Kom.”** Petrus stapte uit de boot, liep over het water en ging naar Yeshua toe. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐλθέ (Elthe) = kom | καὶ (kai) = en | καταβὰς (katabas) = afgedaald | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | πλοίου (ploiou) = boot | Πέτρος (Petros) = Petrus | περιεπάτησεν (periepatesen) = liep | ἐπὶ (epi) = over | τὰ (ta) = de | ὕδατα (hydata) = wateren | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT **14:30** Maar toen hij de sterke wind zag, werd hij bang. Petrus begon te zinken en riep: „Heer, red mij!” Brontekst: βλέπων (blepon) = kijkend | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = naar de | ἄνεμον (anemon) = wind | ἰσχυρὸν (ischyron) = sterke | ἐφοβήθη (ephobethe) = werd bang | καὶ (kai) = en | ἀρξάμενος (arxamenos) = beginnend | καταποντίζεσθαι (katapontizesthai) = te zinken | ἔκραξεν (ekraxen) = riep | λέγων (legon) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | σῶσόν (soson) = red | με (me) = mij Bron: SBLGNT **14:31** Meteen stak Yeshua Zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei tegen hem: **„Kleingelovige, waarom twijfelde je?”** Brontekst: εὐθέως (eutheos) = meteen | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐκτείνας (ekteinas) = uitstrekkend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ἐπελάβετο (epelabeto) = greep vast | αὐτοῦ (autou) = hem | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ὀλιγόπιστε (Oligopiste) = kleingelovige | εἰς (eis) = tot | τί (ti) = wat | ἐδίστασας (edistasas) = twijfelde je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀλιγόπιστος (oligopistos), ‘kleingelovige’: iemand met weinig geloof. **14:32** Toen zij in de boot stapten, ging de wind liggen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναβάντων (anabanton) = opgestapt zijnde | αὐτῶν (auton) = zij | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | ἐκόπασεν (ekopasen) = ging liggen | ὁ (ho) = de | ἄνεμος (anemos) = wind Bron: SBLGNT **14:33** Zij die in de boot zaten, bogen zich voor Hem neer en zeiden: „Werkelijk, U bent Zoon van Elohim.” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πλοίῳ (ploio) = boot | προσεκύνησαν (prosekynesan) = bogen zich neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἀληθῶς (Alethos) = werkelijk | θεοῦ (theou) = van Elohim | υἱὸς (huios) = Zoon | εἶ (ei) = bent U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zie 2:2. θεοῦ υἱός (theou huios), ‘Zoon van Elohim’, staat zonder lidwoord, zoals in 4:3. ### Yeshua geneest de zieken van Gennesaret **14:34** Zij staken over en kwamen aan land bij Gennesaret. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | διαπεράσαντες (diaperasantes) = overgestoken zijnde | ἦλθον (elthon) = kwamen | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | εἰς (eis) = naar | Γεννησαρέτ (Gennesaret) = Gennesaret Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Gennesaret: Gennesaret is de vruchtbare vlakte aan de noordwestkant van het meer van Galilea, ten zuiden van Kapernaüm. Voetnoot Uitleg: Γεννησαρέτ (Gennesaret) is een vruchtbare vlakte aan de westkant van het meer van Galilea. **14:35** De mannen van die plaats herkenden Hem en zonden bericht naar heel die omgeving. Zij brachten alle zieken bij Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπιγνόντες (epignontes) = herkend hebbend | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | ἄνδρες (andres) = mannen | τοῦ (tou) = van de | τόπου (topou) = plaats | ἐκείνου (ekeinou) = die | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | εἰς (eis) = naar | ὅλην (holen) = hele | τὴν (ten) = de | περίχωρον (perichoron) = omgeving | ἐκείνην (ekeinen) = die | καὶ (kai) = en | προσήνεγκαν (prosenenkan) = brachten | αὐτῷ (auto) = bij Hem | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | κακῶς (kakos) = slecht | ἔχοντας (echontas) = hebbenden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘zij zonden naar heel die omgeving’. Wij hebben ‘bericht’ aangevuld. **14:36** Zij smeekten Hem of zij alleen de kwast van Zijn mantel mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden gered. Brontekst: καὶ (kai) = en | παρεκάλουν (parekaloun) = smeekten | αὐτὸν (auton) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | μόνον (monon) = alleen | ἅψωνται (hapsontai) = zij zouden aanraken | τοῦ (tou) = de | κρασπέδου (kraspedou) = kwast | τοῦ (tou) = van de | ἱματίου (himatiou) = mantel | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ὅσοι (hosoi) = allen die | ἥψαντο (hepsanto) = raakten aan | διεσώθησαν (diesothesan) = werden gered Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κράσπεδον (kraspedon), ‘kwast’ of ‘rand’: de Israëlieten moesten kwasten maken aan de hoeken van hun kleren (Num. 15:38–39; Deut. 22:12). Voetnoot : διασῴζω (diasozo), ‘gered worden’: hier gaat het om redding van de ziekte, dus genezing. Zie ook: Num 15:38–39; Deut 22:12 ## Matteüs 15 _Rein en onrein, de Kanaänitische vrouw en 4000 mannen_ ### De overlevering van de oudsten **15:1** Toen kwamen Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem naar Yeshua en zeiden: Brontekst: Τότε (Tote) = toen | προσέρχονται (proserchontai) = komen naar | τῷ (to) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἀπὸ (apo) = uit | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | λέγοντες (legontes) = zeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 7:1–23. Zie ook: Mar 7:1–23 **15:2** „Waarom overtreden Uw leerlingen de overlevering van de oudsten? Zij wassen hun handen namelijk niet wanneer zij brood eten.” Brontekst: Διὰ (Dia) = vanwege | τί (ti) = wat | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | σου (sou) = Uw | παραβαίνουσιν (parabainousin) = overtreden | τὴν (ten) = de | παράδοσιν (paradosin) = overlevering | τῶν (ton) = van de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | νίπτονται (niptontai) = wassen | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | αὐτῶν (auton) = hun | ὅταν (hotan) = wanneer | ἄρτον (arton) = brood | ἐσθίωσιν (esthiosin) = zij eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παράδοσις (paradosis), ‘overlevering’: wat van de ene generatie aan de volgende is doorgegeven. Het wassen van de handen gaat hier om rituele reinheid, niet om hygiëne. Voetnoot : ἄρτον ἐσθίωσιν (arton esthiosin), ‘brood eten’, betekent: een maaltijd houden. **15:3** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Waarom overtreden ook jullie het gebod van Elohim vanwege jullie overlevering?** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Διὰ (Dia) = vanwege | τί (ti) = wat | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | παραβαίνετε (parabainete) = overtreden | τὴν (ten) = het | ἐντολὴν (entolen) = gebod | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | διὰ (dia) = vanwege | τὴν (ten) = de | παράδοσιν (paradosin) = overlevering | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT **15:4** **Want Elohim heeft gezegd: ‘Eer je vader en je moeder.’ En: ‘Wie kwaad spreekt over zijn vader of moeder, moet zeker sterven.’** Brontekst: ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | θεὸς (theos) = Elohim | εἶπεν (eipen) = zei | Τίμα (Tima) = eer | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | καί (kai) = en | Ὁ (Ho) = de | κακολογῶν (kakologon) = kwaad sprekende | πατέρα (patera) = vader | ἢ (e) = of | μητέρα (metera) = moeder | θανάτῳ (thanato) = met de dood | τελευτάτω (teleutato) = moet sterven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het eerste citaat is Exod. 20:12 (ook Deut. 5:16), het tweede Exod. 21:17 (ook Lev. 20:9). κακολογέω (kakologeo), ‘kwaad spreken over’, geeft het Hebreeuwse מְקַלֵּל (meqallel), ‘wie vervloekt’, weer. Het Hebreeuws heeft ‘moet zeker gedood worden’; de Griekse tekst heeft θανάτῳ τελευτάτω (thanato teleutato), letterlijk ‘laat hij de dood sterven’. Zie ook: Ex 20:12; Ex 21:17; Lev 20:9; Deut 5:16 **15:5** **Maar jullie zeggen: ‘Wie tegen zijn vader of moeder zegt: „Wat je van mij als hulp had kunnen krijgen, is een offergave,”** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | λέγετε (legete) = zeggen | Ὃς (Hos) = wie | ἂν (an) = ook maar | εἴπῃ (eipe) = zegt | τῷ (to) = tegen de | πατρὶ (patri) = vader | ἢ (e) = of | τῇ (te) = tegen de | μητρί (metri) = moeder | Δῶρον (Doron) = offergave | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = ook maar | ἐξ (ex) = van | ἐμοῦ (emou) = mij | ὠφεληθῇς (ophelethes) = je geholpen wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δῶρον (doron), ‘gave’: hier een gave die aan Elohim is gewijd. Het Hebreeuwse woord is קָרְבָּן (qorban), ‘offergave’ (Lev. 1:2). Wie zijn bezit zo noemt, zegt dat het aan Elohim toebehoort en dus niet meer voor zijn ouders beschikbaar is. De zin breekt hier in het Grieks af en loopt door in vers 6. Voetnoot : Zie ook Mark. 7:11. Zie ook: Lev 1:2; Mat 15:6; Mar 7:11 **15:6** **die hoeft zijn vader niet te eren.’ En jullie hebben het woord van Elohim krachteloos gemaakt vanwege jullie overlevering.** Brontekst: οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist niet | τιμήσει (timesei) = zal eren | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἠκυρώσατε (ekyrosate) = maakten krachteloos | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | διὰ (dia) = vanwege | τὴν (ten) = de | παράδοσιν (paradosin) = overlevering | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οὐ μὴ τιμήσει (ou me timesei) is letterlijk ‘hij zal zijn vader beslist niet eren’. Wij vertalen ‘die hoeft zijn vader niet te eren’, omdat het om vrijstelling van de plicht gaat. ἀκυρόω (akyroo), ‘krachteloos maken’: het gezag ontnemen. **15:7** **Huichelaars! Terecht heeft Jesaja over jullie geprofeteerd, toen hij zei:** Brontekst: ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars | καλῶς (kalos) = terecht | ἐπροφήτευσεν (epropheteusen) = profeteerde | περὶ (peri) = over | ὑμῶν (hymon) = jullie | Ἠσαΐας (Esaias) = Jesaja | λέγων (legon) = zeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: letterlijk iemand die een rol speelt. **15:8** **‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij verwijderd.** Brontekst: Ὁ (Ho) = het | λαὸς (laos) = volk | οὗτος (houtos) = dit | τοῖς (tois) = met de | χείλεσίν (cheilesin) = lippen | με (me) = Mij | τιμᾷ (tima) = eert | ἡ (he) = het | δὲ (de) = maar | καρδία (kardia) = hart | αὐτῶν (auton) = hun | πόρρω (porro) = ver | ἀπέχει (apechei) = houdt zich | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 29:13. Het Hebreeuws heeft ‘en hun ontzag voor Mij is een aangeleerd gebod van mensen geworden’; de Griekse tekst heeft ‘tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn’. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften beginnen het citaat met ‘Dit volk nadert Mij met zijn mond en’. Die woorden staan wel in het Hebreeuws van Jes. 29:13; de SBLGNT heeft ze hier niet. Zie ook: Jes 29:13 **15:9** **Tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn.’”** Brontekst: μάτην (maten) = tevergeefs | δὲ (de) = maar | σέβονταί (sebontai) = vereren | με (me) = Mij | διδάσκοντες (didaskontes) = onderwijzend | διδασκαλίας (didaskalias) = leringen | ἐντάλματα (entalmata) = geboden | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen Bron: SBLGNT ### Wat de mens onrein maakt **15:10** Hij riep de menigte bij Zich en zei tegen hen: **„Luister en begrijp.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = geroepen hebbend | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἀκούετε (Akouete) = luister | καὶ (kai) = en | συνίετε (syniete) = begrijp Bron: SBLGNT **15:11** **Niet wat de mond ingaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitgaat, dat maakt de mens onrein.”** Brontekst: οὐ (ou) = niet | τὸ (to) = het | εἰσερχόμενον (eiserchomenon) = binnengaande | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | κοινοῖ (koinoi) = maakt onrein | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸ (to) = het | ἐκπορευόμενον (ekporeuomenon) = uitgaande | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | στόματος (stomatos) = mond | τοῦτο (touto) = dit | κοινοῖ (koinoi) = maakt onrein | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοινόω (koinoo), ‘onrein maken’: letterlijk ‘gewoon, gemeen maken’. Het gaat om rituele onreinheid. **15:12** Toen kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: „Weet U dat de Farizeeën struikelden toen zij dit woord hoorden?” Brontekst: Τότε (Tote) = toen | προσελθόντες (proselthontes) = gekomen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Οἶδας (Oidas) = weet U | ὅτι (hoti) = dat | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἐσκανδαλίσθησαν (eskandalisthesan) = struikelden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκανδαλίζω (skandalizo), ‘doen struikelen’: in het passieve ‘struikelen’; hier: aanstoot nemen, geschokt of gekwetst zijn. Wij houden ‘struikelen’ aan, zoals in Matt. 11:6 en 13:21. Zie ook: Mat 11:6; Mat 13:21 **15:13** Hij antwoordde en zei: **„Elke plant die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal ontworteld worden.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Πᾶσα (Pasa) = elke | φυτεία (phyteia) = plant | ἣν (hen) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἐφύτευσεν (ephyteusen) = plantte | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | οὐράνιος (ouranios) = hemelse | ἐκριζωθήσεται (ekrizothesetai) = zal ontworteld worden Bron: SBLGNT **15:14** **Laat hen begaan. Zij zijn blinde leiders van blinden. Als een blinde een blinde leidt, vallen beiden in een kuil.”** Brontekst: ἄφετε (aphete) = laat | αὐτούς (autous) = hen | τυφλοί (typhloi) = blind | εἰσιν (eisin) = zijn | ὁδηγοὶ (hodegoi) = leiders | τυφλῶν (typhlon) = van blinden | τυφλὸς (typhlos) = blinde | δὲ (de) = maar | τυφλὸν (typhlon) = blinde | ἐὰν (ean) = als | ὁδηγῇ (hodege) = leidt | ἀμφότεροι (amphoteroi) = beiden | εἰς (eis) = in | βόθυνον (bothynon) = kuil | πεσοῦνται (pesountai) = zullen vallen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 6:39. Zie ook: Luc 6:39 **15:15** Petrus antwoordde en zei tegen Hem: „Leg ons deze gelijkenis uit.” Brontekst: Ἀποκριθεὶς (Apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Φράσον (Phrason) = leg uit | ἡμῖν (hemin) = ons | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ταύτην (tauten) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: hier het korte beeldwoord uit vers 11. Zie ook: Mat 15:11 **15:16** Hij zei: **„Zijn ook jullie nog zonder inzicht?** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀκμὴν (Akmen) = nog | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἀσύνετοί (asynetoi) = zonder inzicht | ἐστε (este) = zijn Bron: SBLGNT **15:17** **Begrijpen jullie niet dat alles wat de mond ingaat, in de buik terechtkomt en in de beerput wordt uitgeworpen?** Brontekst: οὐ (ou) = niet | νοεῖτε (noeite) = begrijpen jullie | ὅτι (hoti) = dat | πᾶν (pan) = alles | τὸ (to) = wat | εἰσπορευόμενον (eisporeuomenon) = binnengaat | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | κοιλίαν (koilian) = buik | χωρεῖ (chorei) = terechtkomt | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | ἀφεδρῶνα (aphedrona) = beerput | ἐκβάλλεται (ekballetai) = wordt uitgeworpen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφεδρών (aphedron), ‘beerput’: de plaats waar uitwerpselen worden gebracht, het toilet. **15:18** **Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart. En dat maakt de mens onrein.** Brontekst: τὰ (ta) = wat | δὲ (de) = maar | ἐκπορευόμενα (ekporeuomena) = uitgaat | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | στόματος (stomatos) = mond | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | καρδίας (kardias) = hart | ἐξέρχεται (exerchetai) = komt voort | κἀκεῖνα (kakeina) = en dat | κοινοῖ (koinoi) = maakt onrein | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens Bron: SBLGNT **15:19** **Want uit het hart komen kwade gedachten, moorden, overspel, ontucht, diefstallen, valse getuigenissen en lasteringen.** Brontekst: ἐκ (ek) = uit | γὰρ (gar) = want | τῆς (tes) = het | καρδίας (kardias) = hart | ἐξέρχονται (exerchontai) = komen voort | διαλογισμοὶ (dialogismoi) = gedachten | πονηροί (poneroi) = kwade | φόνοι (phonoi) = moorden | μοιχεῖαι (moicheiai) = overspel | πορνεῖαι (porneiai) = ontucht | κλοπαί (klopai) = diefstallen | ψευδομαρτυρίαι (pseudomartyriai) = valse getuigenissen | βλασφημίαι (blasphemiai) = lasteringen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele omgang buiten het huwelijk. μοιχεία (moicheia) is ‘overspel’. **15:20** **Dit is wat de mens onrein maakt. Maar eten met ongewassen handen maakt de mens niet onrein.”** Brontekst: ταῦτά (tauta) = dit | ἐστιν (estin) = is | τὰ (ta) = wat | κοινοῦντα (koinounta) = onrein maakt | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | τὸ (to) = het | δὲ (de) = maar | ἀνίπτοις (aniptois) = met ongewassen | χερσὶν (chersin) = handen | φαγεῖν (phagein) = eten | οὐ (ou) = niet | κοινοῖ (koinoi) = maakt onrein | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens Bron: SBLGNT ### De Kanaänitische vrouw **15:21** Yeshua verliet die plaats en vertrok naar het gebied van Tyrus en Sidon. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀνεχώρησεν (anechoresen) = vertrok | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | μέρη (mere) = streken | Τύρου (Tyrou) = van Tyrus | καὶ (kai) = en | Σιδῶνος (Sidonos) = van Sidon Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 7:24–30. Zie ook: Mar 7:24–30 **15:22** En zie: een Kanaänitische vrouw kwam uit dat gebied en riep: „Ontferm U over mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is ernstig door een demon bezeten.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | γυνὴ (gyne) = vrouw | Χαναναία (Chananaia) = Kanaänitische | ἀπὸ (apo) = uit | τῶν (ton) = de | ὁρίων (horion) = grenzen | ἐκείνων (ekeinon) = die | ἐξελθοῦσα (exelthousa) = uitgegaan | ἔκραζεν (ekrazen) = riep | λέγουσα (legousa) = zeggend | Ἐλέησόν (Eleeson) = ontferm U | με (me) = over mij | κύριε (kyrie) = Heer | υἱὸς (huios) = Zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David | ἡ (he) = de | θυγάτηρ (thygater) = dochter | μου (mou) = mijn | κακῶς (kakos) = ernstig | δαιμονίζεται (daimonizetai) = is bezeten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Χαναναία (Chananaia), ‘Kanaänitisch’: afkomstig uit het oude land Kanaän. Zij noemt Yeshua ‘Zoon van David’, een titel van de Messias (zie Matt. 1:1). Voetnoot : δαιμονίζομαι (daimonizomai), ‘door een demon bezeten zijn’. Zie ook: Mat 1:1 **15:23** Maar Hij antwoordde haar geen woord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: „Stuur haar weg, want zij roept achter ons aan.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῇ (aute) = haar | λόγον (logon) = woord | καὶ (kai) = en | προσελθόντες (proselthontes) = gekomen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἠρώτουν (erotoun) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἀπόλυσον (Apolyson) = stuur weg | αὐτήν (auten) = haar | ὅτι (hoti) = want | κράζει (krazei) = roept | ὄπισθεν (opisthen) = achter | ἡμῶν (hemon) = ons Bron: SBLGNT **15:24** Hij antwoordde en zei: **„Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐκ (Ouk) = niet | ἀπεστάλην (apestalen) = ben gezonden | εἰ (ei) = tenzij | μὴ (me) = alleen | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | τὰ (ta) = de | ἀπολωλότα (apololota) = verloren | οἴκου (oikou) = huis van | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 10:6. Over verloren schapen: Jer. 50:6; Ezech. 34:16. Zie ook: Jer 50:6; Ezech 34:16; Mat 10:6 **15:25** Maar zij kwam, boog zich voor Hem neer en zei: „Heer, help mij.” Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | ἐλθοῦσα (elthousa) = gekomen | προσεκύνει (prosekynei) = boog zich neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem | λέγουσα (legousa) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | βοήθει (boethei) = help | μοι (moi) = mij Bron: SBLGNT **15:26** Hij antwoordde en zei: **„Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en aan de hondjes te gooien.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | καλὸν (kalon) = goed | λαβεῖν (labein) = te nemen | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | τῶν (ton) = van de | τέκνων (teknon) = kinderen | καὶ (kai) = en | βαλεῖν (balein) = te werpen | τοῖς (tois) = aan de | κυναρίοις (kynariois) = hondjes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κυνάριον (kynarion), ‘hondje’: een verkleinwoord van κύων (kyon), ‘hond’. **15:27** Zij zei: „Ja, Heer, want ook de hondjes eten van de kruimels die van de tafel van hun heren vallen.” Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ναί (Nai) = ja | κύριε (kyrie) = Heer | καὶ (kai) = ook | γὰρ (gar) = want | τὰ (ta) = de | κυνάρια (kynaria) = hondjes | ἐσθίει (esthiei) = eten | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ψιχίων (psichion) = kruimels | τῶν (ton) = de | πιπτόντων (piptonton) = vallende | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | τραπέζης (trapezes) = tafel | τῶν (ton) = van de | κυρίων (kyrion) = heren | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριοι (kyrioi), ‘heren’: hier de eigenaars van de hondjes. Dit is hetzelfde woord als ‘Heer’, maar nu met kleine letter. **15:28** Toen antwoordde Yeshua en zei tegen haar: **„O vrouw, groot is jouw geloof! Laat het voor jou gebeuren zoals je wilt.”** En haar dochter werd vanaf dat uur genezen. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tegen haar | Ὦ (O) = o | γύναι (gynai) = vrouw | μεγάλη (megale) = groot | σου (sou) = jouw | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | γενηθήτω (genetheto) = laat gebeuren | σοι (soi) = voor jou | ὡς (hos) = zoals | θέλεις (theleis) = je wilt | καὶ (kai) = en | ἰάθη (iathe) = werd genezen | ἡ (he) = de | θυγάτηρ (thygater) = dochter | αὐτῆς (autes) = haar | ἀπὸ (apo) = vanaf | τῆς (tes) = het | ὥρας (horas) = uur | ἐκείνης (ekeines) = dat Bron: SBLGNT ### Yeshua geneest veel mensen **15:29** Yeshua ging vandaar verder en kwam bij de zee van Galilea. Hij ging de berg op en zat daar. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | μεταβὰς (metabas) = verder gegaan | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἦλθεν (elthen) = kwam | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | ἀναβὰς (anabas) = opgegaan | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 7:31–37. Zie ook: Mar 7:31–37 **15:30** Veel menigten kwamen naar Hem toe. Zij hadden stommen, blinden, kreupelen, verminkten en vele anderen bij zich. Zij legden hen neer aan Zijn voeten, en Hij genas hen. Brontekst: καὶ (kai) = en | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | ὄχλοι (ochloi) = menigten | πολλοὶ (polloi) = vele | ἔχοντες (echontes) = hebbend | μεθ’ (meth’) = bij | ἑαυτῶν (heauton) = zich | κωφούς (kophous) = stommen | τυφλούς (typhlous) = blinden | χωλούς (cholous) = kreupelen | κυλλούς (kyllous) = verminkten | καὶ (kai) = en | ἑτέρους (heterous) = anderen | πολλούς (pollous) = vele | καὶ (kai) = en | ἔρριψαν (erripsan) = wierpen neer | αὐτοὺς (autous) = hen | παρὰ (para) = bij | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κωφός (kophos), ‘stom’: het woord kan ‘doof’ of ‘stom’ betekenen, of beide. In vers 31 spreken zij, daarom schrijven wij ‘stommen’, zoals in Matt. 12:22; in Matt. 11:5 gaat het om horen en staat ‘doven’. κυλλός (kyllos), ‘verminkt’: met een misvormd of onbruikbaar lidmaat; de precieze betekenis is niet zeker. Zie ook: Mat 11:5; Mat 12:22; Mat 15:31 **15:31** De menigte verwonderde zich toen zij zagen dat stommen spraken, verminkten gezond waren, kreupelen liepen en blinden zagen. En zij verheerlijkten Elohim van Israël. Brontekst: ὥστε (hoste) = zodat | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | θαυμάσαι (thaumasai) = zich verwonderde | βλέποντας (blepontas) = ziend | κωφοὺς (kophous) = doofstommen | λαλοῦντας (lalountas) = sprekend | κυλλοὺς (kyllous) = verminkten | ὑγιεῖς (hygieis) = gezond | καὶ (kai) = en | χωλοὺς (cholous) = kreupelen | περιπατοῦντας (peripatountas) = lopend | καὶ (kai) = en | τυφλοὺς (typhlous) = blinden | βλέποντας (blepontas) = ziend | καὶ (kai) = en | ἐδόξασαν (edoxasan) = verheerlijkten | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | Ἰσραήλ (Israel) = van Israël Bron: SBLGNT ### Yeshua geeft 4000 mannen te eten **15:32** Yeshua riep Zijn leerlingen bij Zich en zei: **„Ik heb medelijden met de menigte. Want zij blijven al 3 dagen bij Mij en hebben niets te eten. Ik wil hen niet hongerig wegsturen, anders bezwijken zij onderweg.”** Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = geroepen hebbend | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἶπεν (eipen) = zei | Σπλαγχνίζομαι (Splanchnizomai) = ik heb medelijden | ἐπὶ (epi) = met | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ὅτι (hoti) = omdat | ἤδη (ede) = al | ἡμέραι (hemerai) = dagen | τρεῖς (treis) = 3 | προσμένουσίν (prosmenousin) = zij blijven | μοι (moi) = bij Mij | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔχουσιν (echousin) = hebben | τί (ti) = wat | φάγωσιν (phagosin) = zij zouden eten | καὶ (kai) = en | ἀπολῦσαι (apolysai) = weg te sturen | αὐτοὺς (autous) = hen | νήστεις (nesteis) = hongerig | οὐ (ou) = niet | θέλω (thelo) = wil Ik | μήποτε (mepote) = anders | ἐκλυθῶσιν (eklythosin) = zij bezwijken | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden hebben’: zie 14:14. Voetnoot : Zie ook Mark. 8:1–10. Zie ook: Mar 8:1–10 **15:33** De leerlingen zeiden tegen Hem: „Waar kunnen wij in een verlaten streek zoveel broden vandaan halen om zo’n grote menigte te verzadigen?” Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | Πόθεν (Pothen) = waar vandaan | ἡμῖν (hemin) = voor ons | ἐν (en) = in | ἐρημίᾳ (eremia) = verlaten streek | ἄρτοι (artoi) = broden | τοσοῦτοι (tosoutoi) = zoveel | ὥστε (hoste) = zodat | χορτάσαι (chortasai) = te verzadigen | ὄχλον (ochlon) = menigte | τοσοῦτον (tosouton) = zo grote Bron: SBLGNT **15:34** Yeshua zei tegen hen: **„Hoeveel broden hebben jullie?”** Zij zeiden: „Zeven, en een paar visjes.” Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Πόσους (Posous) = hoeveel | ἄρτους (artous) = broden | ἔχετε (echete) = hebben jullie | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἑπτά (Hepta) = zeven | καὶ (kai) = en | ὀλίγα (oliga) = een paar | ἰχθύδια (ichthydia) = visjes Bron: SBLGNT **15:35** Hij gaf de menigte opdracht op de grond te gaan zitten. Brontekst: καὶ (kai) = en | παραγγείλας (parangeilas) = bevelend | τῷ (to) = aan de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | ἀναπεσεῖν (anapesein) = te gaan zitten | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond Bron: SBLGNT **15:36** Hij nam de 7 broden en de vissen, dankte, brak ze en gaf ze aan de leerlingen. De leerlingen gaven ze aan de menigten. Brontekst: ἔλαβεν (elaben) = nam | τοὺς (tous) = de | ἑπτὰ (hepta) = 7 | ἄρτους (artous) = broden | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἰχθύας (ichthyas) = vissen | καὶ (kai) = en | εὐχαριστήσας (eucharistesas) = gedankt hebbend | ἔκλασεν (eklasen) = brak | καὶ (kai) = en | ἐδίδου (edidou) = gaf | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | τοῖς (tois) = aan de | ὄχλοις (ochlois) = menigten Bron: SBLGNT **15:37** Allen aten en werden verzadigd. Zij namen op wat er overbleef van de stukken: 7 grote manden vol. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔφαγον (ephagon) = aten | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = en | ἐχορτάσθησαν (echortasthesan) = werden verzadigd | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | περισσεῦον (perisseuon) = overblijvende | τῶν (ton) = van de | κλασμάτων (klasmaton) = stukken | ἦραν (eran) = namen op | ἑπτὰ (hepta) = 7 | σπυρίδας (spyridas) = grote manden | πλήρεις (plereis) = vol Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπυρίς (spyris), ‘grote mand’: zie 14:20. **15:38** Zij die aten, waren 4000 mannen, zonder vrouwen en kinderen. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἐσθίοντες (esthiontes) = etenden | ἦσαν (esan) = waren | τετρακισχίλιοι (tetrakischilioi) = 4000 | ἄνδρες (andres) = mannen | χωρὶς (choris) = zonder | γυναικῶν (gynaikon) = vrouwen | καὶ (kai) = en | παιδίων (paidion) = kinderen Bron: SBLGNT **15:39** Nadat Hij de menigten had weggestuurd, stapte Hij in de boot en kwam in het gebied van Magadan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπολύσας (apolysas) = weggestuurd hebbend | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἐνέβη (enebe) = stapte in | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = in | τὰ (ta) = de | ὅρια (horia) = gebieden | Μαγαδάν (Magadan) = Magadan Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Magadan (Magdala?; ligging onzeker): De ligging van Magadan is onzeker. Meestal wordt gedacht aan Magdala (Migdal), aan de westkant van het meer van Galilea; sommige oude handschriften hebben ‘Magdala’. Voetnoot Uitleg: Μαγαδάν (Magadan) komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. De ligging is onzeker. Voetnoot Lezing: Sommige oude handschriften hebben ‘Magdala’. ## Matteüs 16 _Het zuurdesem, Petrus’ belijdenis en de eerste aankondiging van het lijden_ ### Het teken uit de hemel **16:1** Farizeeën en Sadduceeën kwamen naar Hem toe. Zij stelden Hem op de proef en vroegen Hem hun een teken uit de hemel te laten zien. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσελθόντες (proselthontes) = gekomen | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | Σαδδουκαῖοι (Saddoukaioi) = Sadduceeën | πειράζοντες (peirazontes) = op de proef stellend | ἐπηρώτησαν (eperotesan) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | σημεῖον (semeion) = teken | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἐπιδεῖξαι (epideixai) = te laten zien | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: zie 4:1. Voetnoot : Zie ook Mark. 8:11–13; Luc. 11:16. Zie ook: Mar 8:11–13; Luc 11:16 **16:2** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Als het avond geworden is, zeggen jullie: ‘Mooi weer, want de hemel is vuurrood.’** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὀψίας (Opsias) = avond | γενομένης (genomenes) = geworden | λέγετε (legete) = zeggen jullie | Εὐδία (Eudia) = mooi weer | πυρράζει (pyrrazei) = is vuurrood | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | οὐρανός (ouranos) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In sommige oude handschriften ontbreken de woorden vanaf ‘Als het avond geworden is’ tot en met het einde van vers 3. Wij vertalen ze, omdat ze in de SBLGNT staan. Zie ook: Mat 16:3 **16:3** **En ’s ochtends: ‘Vandaag slecht weer, want de hemel is somber en vuurrood.’ Het aanzien van de hemel weten jullie te beoordelen. Maar de tekenen van de tijden kunnen jullie niet.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πρωΐ (proi) = ’s ochtends | Σήμερον (Semeron) = vandaag | χειμών (cheimon) = slecht weer | πυρράζει (pyrrazei) = is vuurrood | γὰρ (gar) = want | στυγνάζων (stygnazon) = somber | ὁ (ho) = de | οὐρανός (ouranos) = hemel | τὸ (to) = het | μὲν (men) = wel | πρόσωπον (prosopon) = aanzien | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | γινώσκετε (ginoskete) = weten jullie | διακρίνειν (diakrinein) = te beoordelen | τὰ (ta) = de | δὲ (de) = maar | σημεῖα (semeia) = tekenen | τῶν (ton) = van de | καιρῶν (kairon) = tijden | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = kunnen jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χειμών (cheimon), ‘slecht weer’: winterweer, regen of storm. Voetnoot : Zie ook Luc. 12:54–56. Zie ook: Luc 12:54–56 **16:4** **Een slechte en overspelige generatie vraagt om een teken. Maar er zal haar geen teken gegeven worden, behalve het teken van Jona.”** Hij liet hen achter en ging weg. Brontekst: Γενεὰ (Genea) = generatie | πονηρὰ (ponera) = slechte | καὶ (kai) = en | μοιχαλὶς (moichalis) = overspelige | σημεῖον (semeion) = teken | ἐπιζητεῖ (epizetei) = zoekt | καὶ (kai) = en | σημεῖον (semeion) = teken | οὐ (ou) = niet | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | αὐτῇ (aute) = aan haar | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken | Ἰωνᾶ (Iona) = van Jona | καὶ (kai) = en | καταλιπὼν (katalipon) = achtergelaten hebbend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het ‘teken van Jona’ verwijst naar Jona 2:1 (Hebreeuwse telling; in de Nederlandse telling is dit 1:17): Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van de vis. Voetnoot : μοιχαλίς (moichalis), ‘overspelig’: ontrouw aan Elohim, zoals de profeten het volk beschrijven (bijv. Hos. 2:4). Voetnoot : Zie ook Matt. 12:38–41; Luc. 11:29–32. Zie ook: Jona 2:1; Hos 2:4; Mat 12:38–41; Luc 11:29–32 ### Het zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën **16:5** Toen de leerlingen naar de overkant waren gegaan, hadden zij vergeten brood mee te nemen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant | ἐπελάθοντο (epelathonto) = vergaten | ἄρτους (artous) = broden | λαβεῖν (labein) = mee te nemen Bron: SBLGNT **16:6** Yeshua zei tegen hen: **„Let op en pas op voor het zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὁρᾶτε (Horate) = let op | καὶ (kai) = en | προσέχετε (prosechete) = pas op | ἀπὸ (apo) = voor | τῆς (tes) = het | ζύμης (zymes) = zuurdesem | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | Σαδδουκαίων (Saddoukaion) = Sadduceeën Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζύμη (zyme), ‘zuurdesem’: oud deeg dat zuur geworden is en een heel deeg doet rijzen. In vers 12 begrijpen de leerlingen dat Yeshua de leer van de Farizeeën en Sadduceeën bedoelt. Voetnoot : Zie ook Mark. 8:14–21. Zie ook: Mat 16:12; Mar 8:14–21 **16:7** Zij overlegden onder elkaar en zeiden: „Wij hebben geen brood meegenomen.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | διελογίζοντο (dielogizonto) = overlegden | ἐν (en) = onder | ἑαυτοῖς (heautois) = elkaar | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἄρτους (Artous) = broden | οὐκ (ouk) = niet | ἐλάβομεν (elabomen) = namen mee Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν ἑαυτοῖς (en heautois) is letterlijk ‘in zichzelf’: zij overleggen onder elkaar. **16:8** Yeshua merkte het en zei: **„Kleingelovigen, waarom overleggen jullie onder elkaar dat jullie geen brood hebben meegenomen?** Brontekst: γνοὺς (gnous) = wetend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Τί (Ti) = wat | διαλογίζεσθε (dialogizesthe) = overleggen jullie | ἐν (en) = onder | ἑαυτοῖς (heautois) = elkaar | ὀλιγόπιστοι (oligopistoi) = kleingelovigen | ὅτι (hoti) = dat | ἄρτους (artous) = broden | οὐκ (ouk) = niet | ἐλάβετε (elabete) = namen jullie mee Bron: SBLGNT **16:9** **Begrijpen jullie het nog niet? Denken jullie ook niet aan de 5 broden voor de 5000, en hoeveel manden jullie hebben opgenomen?** Brontekst: οὔπω (oupo) = nog niet | νοεῖτε (noeite) = begrijpen jullie | οὐδὲ (oude) = ook niet | μνημονεύετε (mnemoneuete) = denken jullie aan | τοὺς (tous) = de | πέντε (pente) = 5 | ἄρτους (artous) = broden | τῶν (ton) = van de | πεντακισχιλίων (pentakischilion) = 5000 | καὶ (kai) = en | πόσους (posous) = hoeveel | κοφίνους (kophinous) = manden | ἐλάβετε (elabete) = namen jullie op Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόφινος (kophinos), ‘mand’, en σπυρίς (spyris), ‘grote mand’, staan hier weer uit elkaar zoals bij de 5000 in 14:20 (κόφινοι) en bij de 4000 in 15:37 (σπυρίδες). **16:10** **En ook niet aan de 7 broden voor de 4000, en hoeveel grote manden jullie hebben opgenomen?** Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | τοὺς (tous) = de | ἑπτὰ (hepta) = 7 | ἄρτους (artous) = broden | τῶν (ton) = van de | τετρακισχιλίων (tetrakischilion) = 4000 | καὶ (kai) = en | πόσας (posas) = hoeveel | σπυρίδας (spyridas) = grote manden | ἐλάβετε (elabete) = namen jullie op Bron: SBLGNT **16:11** **Hoe begrijpen jullie niet dat Ik niet over brood tot jullie sprak? Pas op voor het zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën.”** Brontekst: πῶς (pos) = hoe | οὐ (ou) = niet | νοεῖτε (noeite) = begrijpen jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | περὶ (peri) = over | ἄρτων (arton) = broden | εἶπον (eipon) = zei Ik | ὑμῖν (hymin) = tot jullie | προσέχετε (prosechete) = pas op | δὲ (de) = maar | ἀπὸ (apo) = voor | τῆς (tes) = het | ζύμης (zymes) = zuurdesem | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | Σαδδουκαίων (Saddoukaion) = Sadduceeën Bron: SBLGNT **16:12** Toen begrepen zij dat Hij niet had gezegd op te passen voor het zuurdesem van brood, maar voor de leer van de Farizeeën en Sadduceeën. Brontekst: τότε (tote) = toen | συνῆκαν (synekan) = begrepen zij | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | εἶπεν (eipen) = zei Hij | προσέχειν (prosechein) = op te passen | ἀπὸ (apo) = voor | τῆς (tes) = het | ζύμης (zymes) = zuurdesem | τῶν (ton) = van de | ἄρτων (arton) = broden | ἀλλὰ (alla) = maar | ἀπὸ (apo) = voor | τῆς (tes) = de | διδαχῆς (didaches) = leer | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | Σαδδουκαίων (Saddoukaion) = Sadduceeën Bron: SBLGNT ### Petrus belijdt dat Yeshua de Messias is **16:13** Toen Yeshua in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij Zijn leerlingen: **„Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?”** Brontekst: Ἐλθὼν (Elthon) = gekomen | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | μέρη (mere) = streken | Καισαρείας (Kaisareias) = van Caesarea | τῆς (tes) = van de | Φιλίππου (Philippou) = Filippus | ἠρώτα (erota) = vroeg | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λέγων (legon) = zeggend | Τίνα (Tina) = wie | λέγουσιν (legousin) = zeggen | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | εἶναι (einai) = dat is | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea Filippi: Caesarea Filippi (Banyas) lag aan de voet van de Hermon, bij een bron van de Jordaan, op de Golanhoogte. Voetnoot Uitleg: Καισάρεια ἡ Φιλίππου (Kaisareia he Philippou), ‘Caesarea Filippi’, is letterlijk ‘Caesarea van Filippus’: een stad aan de voet van de berg Hermon. Voetnoot : υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 8:20 en Dan. 7:13. Voetnoot : Zie ook Mark. 8:27–30; Luc. 9:18–21. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben, de Mensenzoon?’ De SBLGNT heeft ‘Ik’ hier niet. Zie ook: Dan 7:13; Mar 8:27–30; Luc 9:18–21 **16:14** Zij zeiden: „Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, en nog anderen Jeremia of een van de profeten.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Οἱ (Hoi) = sommigen | μὲν (men) = wel | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = de | βαπτιστήν (baptisten) = doper | ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | Ἠλίαν (Elian) = Elia | ἕτεροι (heteroi) = anderen | δὲ (de) = maar | Ἰερεμίαν (Ieremian) = Jeremia | ἢ (e) = of | ἕνα (hena) = een | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Over Elia, die vóór de dag van Yahweh wordt gezonden: Mal. 3:23 (Hebreeuwse telling; in de Nederlandse telling is dit 4:5). Zie ook: Mal 3:23 **16:15** Hij zei tegen hen: **„En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | τίνα (tina) = wie | με (me) = Mij | λέγετε (legete) = zeggen jullie | εἶναι (einai) = dat Ik ben Bron: SBLGNT **16:16** Simon Petrus antwoordde en zei: „U bent de Messias, de Zoon van de levende Elohim.” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἶπεν (eipen) = zei | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τοῦ (tou) = de | ζῶντος (zontos) = levende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χριστός (christos), ‘gezalfde’, is het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘Messias’; zie 1:1. θεοῦ τοῦ ζῶντος (theou tou zontos), ‘van de levende Elohim’: zie Deut. 5:26. Zie ook: Deut 5:26 **16:17** Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Gelukkig ben je, Simon Bar-Jona. Want vlees en bloed hebben het je niet onthuld, maar Mijn Vader in de hemelen.** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Μακάριος (Makarios) = gelukkig | εἶ (ei) = ben je | Σίμων (Simon) = Simon | Βαριωνᾶ (Bariona) = Bar-Jona | ὅτι (hoti) = want | σὰρξ (sarx) = vlees | καὶ (kai) = en | αἷμα (haima) = bloed | οὐκ (ouk) = niet | ἀπεκάλυψέν (apekalypsen) = heeft onthuld | σοι (soi) = je | ἀλλ’ (all’) = maar | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = die | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Βαριωνᾶ (Bariona) is Aramees: bar is ‘zoon’, dus ‘zoon van Jona’. σὰρξ καὶ αἷμα (sarx kai haima), ‘vlees en bloed’, is een uitdrukking voor mensen. **16:18** **Ook Ik zeg je: jij bent Petrus, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen. De poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.** Brontekst: κἀγὼ (kago) = en ook Ik | δέ (de) = maar | σοι (soi) = je | λέγω (lego) = zeg | ὅτι (hoti) = dat | σὺ (sy) = jij | εἶ (ei) = bent | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = op | ταύτῃ (taute) = deze | τῇ (te) = de | πέτρᾳ (petra) = rots | οἰκοδομήσω (oikodomeso) = zal bouwen | μου (mou) = Mijn | τὴν (ten) = de | ἐκκλησίαν (ekklesian) = gemeente | καὶ (kai) = en | πύλαι (pylai) = poorten | ᾅδου (hadou) = van het dodenrijk | οὐ (ou) = niet | κατισχύσουσιν (katischysousin) = zullen overweldigen | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Πέτρος (Petros) en πέτρα (petra) betekenen allebei ‘rots’; Petros is de mannelijke vorm. Het Aramese woord is Κηφᾶς (Kefas), ‘rots’ (zie Joh. 1:42). Voetnoot : ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: letterlijk ‘de bijeengeroepenen’. In oude Griekse vertalingen van het Oude Testament staat dit woord vaak voor het Hebreeuwse קָהָל (qahal), ‘vergadering’ (bijv. Deut. 9:10). Voetnoot : ᾅδης (hades), ‘dodenrijk’: in oude Griekse vertalingen van het Oude Testament staat dit woord vaak voor het Hebreeuwse שְׁאוֹל (Sjeol). Zie ook: Deut 9:10; Joh 1:42 **16:19** **Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemelen geven. Alles wat je op de aarde bindt, zal in de hemelen gebonden zijn. En alles wat je op de aarde losmaakt, zal in de hemelen losgemaakt zijn.”** Brontekst: δώσω (doso) = zal geven | σοι (soi) = je | τὰς (tas) = de | κλεῖδας (kleidas) = sleutels | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | καὶ (kai) = en | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = ook | δήσῃς (deses) = je bindt | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἔσται (estai) = zal zijn | δεδεμένον (dedemenon) = gebonden | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | καὶ (kai) = en | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = ook | λύσῃς (lyses) = je losmaakt | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἔσται (estai) = zal zijn | λελυμένον (lelymenon) = losgemaakt | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κλείς (kleis), ‘sleutel’: een sleutel geeft toegang en gezag, zoals de ‘sleutel van het huis van David’ in Jes. 22:22. Voetnoot : δήσῃς (deses), ‘je bindt’, en λύσῃς (lyses), ‘je losmaakt’: in het Grieks volgt een omschreven tijd, ‘zal gebonden zijn’ en ‘zal losgemaakt zijn’. Voetnoot : Zie ook Matt. 18:18. Zie ook: Jes 22:22; Mat 18:18 **16:20** Toen gaf Hij de leerlingen de strenge opdracht aan niemand te zeggen dat Hij de Messias was. Brontekst: τότε (tote) = toen | διεστείλατο (diesteilato) = gebood Hij streng | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | ἵνα (hina) = opdat | μηδενὶ (medeni) = aan niemand | εἴπωσιν (eiposin) = zij zouden zeggen | ὅτι (hoti) = dat | αὐτός (autos) = Hij | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT ### Yeshua kondigt Zijn lijden aan **16:21** Vanaf die tijd begon Yeshua Zijn leerlingen te laten zien dat Hij naar Jeruzalem moest gaan. Hij moest veel lijden van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, gedood worden en op de derde dag opgewekt worden. Brontekst: Ἀπὸ (Apo) = vanaf | τότε (tote) = toen | ἤρξατο (erxato) = begon | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | δεικνύειν (deiknyein) = te laten zien | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὅτι (hoti) = dat | δεῖ (dei) = het is nodig | αὐτὸν (auton) = Hij | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | ἀπελθεῖν (apelthein) = weg te gaan | καὶ (kai) = en | πολλὰ (polla) = veel | παθεῖν (pathein) = te lijden | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | καὶ (kai) = en | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | ἀποκτανθῆναι (apoktanthenai) = gedood te worden | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | τρίτῃ (trite) = derde | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐγερθῆναι (egerthenai) = opgewekt te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἐγερθῆναι (egerthenai), ‘opgewekt worden’: een lijdende vorm; wie opwekt, wordt niet genoemd. Voetnoot : Zie ook Mark. 8:31–38; 9:1; Luc. 9:22–27. Zie ook: Mar 8:31–38; Mar 9:1; Luc 9:22–27 **16:22** Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen: „Nooit, Heer! Dit zal U beslist niet overkomen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | προσλαβόμενος (proslabomenos) = meegenomen hebbend | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἤρξατο (erxato) = begon | ἐπιτιμᾶν (epitiman) = te bestraffen | αὐτῷ (auto) = Hem | λέγων (legon) = zeggend | Ἵλεώς (Hileos) = genadig | σοι (soi) = voor U | κύριε (kyrie) = Heer | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist niet | ἔσται (estai) = zal zijn | σοι (soi) = U | τοῦτο (touto) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἵλεώς σοι (hileos soi) is letterlijk ‘genadig voor U’. Het is een uitroep in de zin van: ‘moge dit ver van U blijven’. ἐπιτιμάω (epitimao), ‘bestraffen’: een scherpe terechtwijzing. Wij vertalen het zo in Matt. 8:26; 16:22; 17:18; 19:13 en 20:31. Zie ook: Mat 8:26; Mat 17:18; Mat 19:13; Mat 20:31 **16:23** Hij draaide zich om en zei tegen Petrus: **„Ga weg, achter Mij, Satan! Je bent een struikelblok voor Mij, want je denkt niet aan wat van Elohim is, maar aan wat van mensen is.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | στραφεὶς (strapheis) = omgedraaid | εἶπεν (eipen) = zei | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | Ὕπαγε (Hypage) = ga weg | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = Mij | Σατανᾶ (Satana) = Satan | σκάνδαλον (skandalon) = struikelblok | εἶ (ei) = bent | ἐμοῦ (emou) = voor Mij | ὅτι (hoti) = want | οὐ (ou) = niet | φρονεῖς (phroneis) = denk je | τὰ (ta) = aan wat | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἀλλὰ (alla) = maar | τὰ (ta) = aan wat | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀπίσω μου (opiso mou), ‘achter Mij’, staat ook in 4:19 (‘kom achter Mij aan’) en in 16:24. Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’, is hier de naam waarmee Yeshua Petrus aanspreekt; zie 4:10. σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’. ### Wie Yeshua wil volgen **16:24** Toen zei Yeshua tegen Zijn leerlingen: **„Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.** Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Εἴ (Ei) = als | τις (tis) = iemand | θέλει (thelei) = wil | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = Mij | ἐλθεῖν (elthein) = komen | ἀπαρνησάσθω (aparnesastho) = laat hij verloochenen | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | καὶ (kai) = en | ἀράτω (arato) = laat hij opnemen | τὸν (ton) = het | σταυρὸν (stauron) = kruis | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀκολουθείτω (akoloutheito) = laat hij volgen | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σταυρός (stauros), ‘kruis’: het paal- of kruisvormige werktuig waaraan de Romeinen veroordeelden terechtstelden. Voetnoot : Zie ook Mark. 8:34–38; 9:1; Luc. 9:23–27. Zie ook: Mar 8:34–38; Mar 9:1; Luc 9:23–27 **16:25** **Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. En wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.** Brontekst: ὃς (hos) = wie | γὰρ (gar) = want | ἐὰν (ean) = ook maar | θέλῃ (thele) = wil | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | σῶσαι (sosai) = redden | ἀπολέσει (apolesei) = zal verliezen | αὐτήν (auten) = het | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | ἀπολέσῃ (apolese) = verliest | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | ἐμοῦ (emou) = Mij | εὑρήσει (heuresei) = zal vinden | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’ of ‘ziel’: de levende mens zelf. Wij vertalen het als ‘leven’, zoals in 2:20. Het Hebreeuwse woord is נֶפֶשׁ (nefesh). **16:26** **Want wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zijn leven kwijtraakt? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven?** Brontekst: τί (ti) = wat | γὰρ (gar) = want | ὠφεληθήσεται (ophelethesetai) = zal baten | ἄνθρωπος (anthropos) = een mens | ἐὰν (ean) = als | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ὅλον (holon) = hele | κερδήσῃ (kerdese) = wint | τὴν (ten) = het | δὲ (de) = maar | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | ζημιωθῇ (zemiothe) = kwijtraakt | ἢ (e) = of | τί (ti) = wat | δώσει (dosei) = zal geven | ἄνθρωπος (anthropos) = een mens | ἀντάλλαγμα (antallagma) = ruil | τῆς (tes) = van het | ψυχῆς (psyches) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **16:27** **Want de Mensenzoon staat op het punt te komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, samen met Zijn engelen. Dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daad.** Brontekst: μέλλει (mellei) = staat op het punt | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἔρχεσθαι (erchesthai) = te komen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | δόξῃ (doxe) = heerlijkheid | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = Vader | αὐτοῦ (autou) = Zijn | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ἀγγέλων (angelon) = engelen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | ἀποδώσει (apodosei) = zal vergelden | ἑκάστῳ (hekasto) = ieder | κατὰ (kata) = naar | τὴν (ten) = de | πρᾶξιν (praxin) = daad | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De laatste zin lijkt op Ps. 62:13 (in de Nederlandse telling 62:12) en Spr. 24:12. Over de Mensenzoon die komt: Dan. 7:13. Zie ook: Ps 62:13; Spr 24:12; Dan 7:13 **16:28** **Voorwaar, Ik zeg jullie: sommigen van hen die hier staan, zullen de dood beslist niet proeven voordat zij de Mensenzoon in Zijn koninkrijk zien komen.”** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = zeg Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | εἰσίν (eisin) = zijn | τινες (tines) = sommigen | τῶν (ton) = van hen | ὧδε (hode) = hier | ἑστώτων (hestoton) = die staan | οἵτινες (hoitines) = die | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist niet | γεύσωνται (geusontai) = zullen proeven | θανάτου (thanatou) = dood | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = ze | ἴδωσιν (idosin) = zien | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De dood proeven’ is een uitdrukking voor sterven. Over de Mensenzoon die komt en een koninkrijk ontvangt: Dan. 7:13–14. Zie ook: Dan 7:13–14 ## Matteüs 17 _Yeshua op de berg, de maanzieke jongen en de belasting van twee drachmen_ ### Yeshua verandert van gedaante op de berg **17:1** Na zes dagen nam Yeshua Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes met Zich mee. Hij bracht hen apart een hoge berg op. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | μεθ’ (meth’) = na | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἓξ (hex) = zes | παραλαμβάνει (paralambanei) = neemt mee | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὸν (ton) = (de) | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = (de) | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀναφέρει (anapherei) = brengt omhoog | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = naar | ὄρος (oros) = berg | ὑψηλὸν (hypselon) = hoge | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks noemt de berg niet. Wij kunnen niet vaststellen welke berg bedoeld is. Voetnoot : κατ’ ἰδίαν (kat’ idian), ‘apart’: alleen met de drie leerlingen. Voetnoot : Zie ook Mark. 9:2–13; Luc. 9:28–36. Zie ook: Mar 9:2–13; Luc 9:28–36 **17:2** Voor hun ogen werd Hij van gedaante veranderd. Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht. Brontekst: καὶ (kai) = en | μετεμορφώθη (metemorphothe) = werd van gedaante veranderd | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | ἔλαμψεν (elampsen) = straalde | τὸ (to) = het | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὡς (hos) = als | ὁ (ho) = de | ἥλιος (helios) = zon | τὰ (ta) = de | δὲ (de) = maar | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐγένετο (egeneto) = werden | λευκὰ (leuka) = wit | ὡς (hos) = als | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετεμορφώθη (metemorphothe), ‘werd van gedaante veranderd’, van μεταμορφόω (metamorphoo): de vorm van Zijn verschijning veranderde. **17:3** En zie: Mozes en Elia verschenen aan hen, in gesprek met Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ὤφθη (ophthe) = verscheen | αὐτοῖς (autois) = aan hen | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | καὶ (kai) = en | Ἠλίας (Elias) = Elia | συλλαλοῦντες (syllalountes) = pratend | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT **17:4** Petrus antwoordde en zei tegen Yeshua: „Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als U wilt, zal ik hier drie hutten maken: één voor U, één voor Mozes en één voor Elia.” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἶπεν (eipen) = zei | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Κύριε (Kyrie) = Heer | καλόν (kalon) = goed | ἐστιν (estin) = is | ἡμᾶς (hemas) = ons | ὧδε (hode) = hier | εἶναι (einai) = te zijn | εἰ (ei) = als | θέλεις (theleis) = U wilt | ποιήσω (poieso) = zal ik maken | ὧδε (hode) = hier | τρεῖς (treis) = drie | σκηνάς (skenas) = hutten | σοὶ (soi) = voor U | μίαν (mian) = één | καὶ (kai) = en | Μωϋσεῖ (Moysei) = voor Mozes | μίαν (mian) = één | καὶ (kai) = en | Ἠλίᾳ (Elia) = voor Elia | μίαν (mian) = één Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκηνάς (skenas), ‘hutten’: het Griekse woord betekent ook ‘tent’. Wij vertalen ‘hutten’, zoals bij het feest van de hutten (Lev. 23:42–43). Zie ook: Lev 23:42–43 **17:5** Terwijl hij nog sprak, zie: een stralende wolk overschaduwde hen. En zie: een stem uit de wolk zei: **„Dit is Mijn geliefde Zoon, in wie Ik behagen heb. Luister naar Hem.”** Brontekst: ἔτι (eti) = nog | αὐτοῦ (autou) = Hem | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | ἰδοὺ (idou) = zie | νεφέλη (nephele) = wolk | φωτεινὴ (photeine) = stralende | ἐπεσκίασεν (epeskiasen) = overschaduwde | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | φωνὴ (phone) = stem | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | νεφέλης (nepheles) = wolk | λέγουσα (legousa) = zeggend | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = Zoon | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | ἀγαπητός (agapetos) = geliefde | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = wie | εὐδόκησα (eudokesa) = Ik heb behagen | ἀκούετε (akouete) = luister | αὐτοῦ (autou) = naar Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt ‘een stem uit de wolk’. Wij lezen de stem van de Vader, zoals bij Matt. 3:17. ἀκούετε αὐτοῦ (akouete autou), ‘luister naar Hem’: vergelijk Deut. 18:15 (‘Naar hem moet je luisteren’). Zie ook Ps. 2:7; Jes. 42:1. Zie ook: Deut 18:15; Ps 2:7; Jes 42:1; Mat 3:17 **17:6** Toen de leerlingen dit hoorden, vielen zij op hun gezicht en werden zeer bang. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἔπεσαν (epesan) = vielen | ἐπὶ (epi) = op | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bang | σφόδρα (sphodra) = zeer Bron: SBLGNT **17:7** Yeshua kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: **„Sta op en wees niet bang.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσῆλθεν (proselthen) = kwam naar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἁψάμενος (hapsamenos) = aanrakend | αὐτῶν (auton) = hen | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐγέρθητε (Egerthete) = sta op | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang Bron: SBLGNT **17:8** Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand, behalve Yeshua alleen. Brontekst: ἐπάραντες (eparantes) = opslaand | δὲ (de) = maar | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | αὐτῶν (auton) = hun | οὐδένα (oudena) = niemand | εἶδον (eidon) = zagen | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | αὐτὸν (auton) = Hem | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | μόνον (monon) = alleen Bron: SBLGNT ### Elia moet eerst komen **17:9** Terwijl zij van de berg afdaalden, gaf Yeshua hun de opdracht: **„Vertel niemand over dit visioen, totdat de Mensenzoon uit de doden is opgewekt.”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | καταβαινόντων (katabainonton) = afdalend | αὐτῶν (auton) = zij | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ὄρους (orous) = berg | ἐνετείλατο (eneteilato) = gebood | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγων (legon) = zeggend | Μηδενὶ (Medeni) = aan niemand | εἴπητε (eipete) = vertel | τὸ (to) = het | ὅραμα (horama) = visioen | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = dat | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | ἐγερθῇ (egerthe) = wordt opgewekt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὅραμα (horama), ‘visioen’: iets wat de leerlingen gezien hebben. Voetnoot : υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 8:20 en Dan. 7:13. Zie ook: Dan 7:13 **17:10** De leerlingen vroegen Hem: „Waarom zeggen de schriftgeleerden dan dat Elia eerst moet komen?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησαν (eperotesan) = ondervroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τί (Ti) = waarom | οὖν (oun) = dan | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | λέγουσιν (legousin) = zeggen | ὅτι (hoti) = dat | Ἠλίαν (Elian) = Elia | δεῖ (dei) = het is nodig | ἐλθεῖν (elthein) = te komen | πρῶτον (proton) = eerst Bron: SBLGNT **17:11** Hij antwoordde en zei: **„Elia komt wel en zal alles herstellen.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Ἠλίας (Elias) = Elia | μὲν (men) = wel | ἔρχεται (erchetai) = komt | καὶ (kai) = en | ἀποκαταστήσει (apokatastesei) = zal herstellen | πάντα (panta) = alles Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het verwachte komen van Elia volgt Mal. 3:23–24; in de Nederlandse telling is dit 4:5–6. Het Hebreeuws heeft daar ‘Elia, de profeet’ en zegt dat hij het hart van de vaders naar de zonen terugbrengt. ἀποκαταστήσει (apokatastesei), ‘zal herstellen’. Zie ook: Mal 3:23–24 **17:12** **Maar Ik zeg jullie dat Elia al gekomen is. Zij hebben hem niet herkend, maar hebben met hem gedaan wat zij maar wilden. Zo staat ook de Mensenzoon op het punt door hen te lijden.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | Ἠλίας (Elias) = Elia | ἤδη (ede) = al | ἦλθεν (elthen) = kwam | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐπέγνωσαν (epegnosan) = herkenden | αὐτὸν (auton) = hem | ἀλλὰ (alla) = maar | ἐποίησαν (epoiesan) = deden | ἐν (en) = met | αὐτῷ (auto) = hem | ὅσα (hosa) = alles wat | ἠθέλησαν (ethelesan) = zij wilden | οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | μέλλει (mellei) = staat op het punt | πάσχειν (paschein) = te lijden | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Met ‘Elia al gekomen’ bedoelt Yeshua Johannes de Doper, zoals vers 13 zegt. Zie ook Matt. 11:14. Zie ook: Mat 11:14; Mat 17:13 **17:13** Toen begrepen de leerlingen dat Hij over Johannes de Doper tot hen sprak. Brontekst: τότε (tote) = toen | συνῆκαν (synekan) = begrepen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ὅτι (hoti) = dat | περὶ (peri) = over | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | τοῦ (tou) = de | βαπτιστοῦ (baptistou) = Doper | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen Bron: SBLGNT ### De genezing van de maanzieke jongen **17:14** Toen zij bij de menigte kwamen, kwam een man naar Hem toe, die voor Hem op zijn knieën viel Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐλθόντων (elthonton) = gekomen zijnde | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | προσῆλθεν (proselthen) = kwam naar | αὐτῷ (auto) = Hem | ἄνθρωπος (anthropos) = man | γονυπετῶν (gonypeton) = knielend | αὐτὸν (auton) = voor Hem Bron: SBLGNT **17:15** en zei: „Heer, ontferm U over mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt ernstig. Vaak valt hij namelijk in het vuur en vaak in het water. Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγων (legon) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἐλέησόν (eleeson) = ontferm U | μου (mou) = mijn | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = zoon | ὅτι (hoti) = want | σεληνιάζεται (seleniazetai) = is maanziek | καὶ (kai) = en | κακῶς (kakos) = ernstig | πάσχει (paschei) = lijdt | πολλάκις (pollakis) = vaak | γὰρ (gar) = namelijk | πίπτει (piptei) = valt | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | πῦρ (pyr) = vuur | καὶ (kai) = en | πολλάκις (pollakis) = vaak | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σεληνιάζεται (seleniazetai), ‘is maanziek’: zoals bij Matt. 4:24. Het woord komt van σελήνη (selene), ‘maan’. Het beschrijft een ziekte met aanvallen; wij kunnen niet vaststellen welke ziekte het was. Zie ook: Mat 4:24 **17:16** Ik heb hem naar Uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | προσήνεγκα (prosenenka) = ik bracht | αὐτὸν (auton) = hem | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | σου (sou) = Uw | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠδυνήθησαν (edynethesan) = konden | αὐτὸν (auton) = hem | θεραπεῦσαι (therapeusai) = genezen Bron: SBLGNT **17:17** Yeshua antwoordde en zei: **„O ongelovige en verdraaide generatie! Hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang zal Ik jullie nog verdragen? Breng hem hier bij Mij.”** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ὦ (O) = o | γενεὰ (genea) = generatie | ἄπιστος (apistos) = ongelovig | καὶ (kai) = en | διεστραμμένη (diestrammene) = verdraaid | ἕως (heos) = tot | πότε (pote) = wanneer | μεθ’ (meth’) = bij | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔσομαι (esomai) = zal Ik zijn | ἕως (heos) = tot | πότε (pote) = wanneer | ἀνέξομαι (anexomai) = zal Ik verdragen | ὑμῶν (hymon) = jullie | φέρετέ (pherete) = breng | μοι (moi) = aan Mij | αὐτὸν (auton) = hem | ὧδε (hode) = hier Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γενεὰ ἄπιστος καὶ διεστραμμένη (genea apistos kai diestrammene), ‘ongelovige en verdraaide generatie’: dit klinkt aan op Deut. 32:5 (‘een verdraaid en kronkelig geslacht’; het Hebreeuwse woord is dor). Wij vertalen γενεά in Matteüs overal ‘generatie’. Zie ook: Deut 32:5 **17:18** Yeshua bestrafte hem, en de demon ging uit hem. De jongen werd genezen vanaf dat uur. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | τὸ (to) = de | δαιμόνιον (daimonion) = demon | καὶ (kai) = en | ἐθεραπεύθη (etherapeuthe) = werd genezen | ὁ (ho) = de | παῖς (pais) = jongen | ἀπὸ (apo) = vanaf | τῆς (tes) = het | ὥρας (horas) = uur | ἐκείνης (ekeines) = dat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπετίμησεν (epetimesen), ‘bestrafte’: het woord voor een scherpe terechtwijzing. Het Grieks heeft ‘hem’; dat is de demon. παῖς (pais), ‘jongen’: hier de zoon van de man (vers 15). Voetnoot : Zie ook Mark. 9:14–29; Luc. 9:37–43. Zie ook: Mat 17:15; Mar 9:14–29; Luc 9:37–43 **17:19** Toen kwamen de leerlingen apart naar Yeshua toe en zeiden: „Waarom konden wij hem niet uitdrijven?” Brontekst: Τότε (Tote) = toen | προσελθόντες (proselthontes) = naderend | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | εἶπον (eipon) = zeiden | Διὰ (Dia) = door | τί (ti) = wat | ἡμεῖς (hemeis) = wij | οὐκ (ouk) = niet | ἠδυνήθημεν (edynethemen) = konden | ἐκβαλεῖν (ekbalein) = uitdrijven | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT **17:20** Hij zei tegen hen: **„Vanwege jullie weinig geloof. Want voorwaar, Ik zeg jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, zullen jullie tegen deze berg zeggen: ‘Ga van hier naar daar’. En hij zal gaan. En niets zal voor jullie onmogelijk zijn.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Διὰ (Dia) = door | τὴν (ten) = de | ὀλιγοπιστίαν (oligopistian) = weinig geloof | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἀμὴν (amen) = voorwaar | γὰρ (gar) = want | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐὰν (ean) = als | ἔχητε (echete) = jullie hebben | πίστιν (pistin) = geloof | ὡς (hos) = als | κόκκον (kokkon) = zaadje | σινάπεως (sinapeos) = van mosterd | ἐρεῖτε (ereite) = jullie zullen zeggen | τῷ (to) = tegen de | ὄρει (orei) = berg | τούτῳ (touto) = deze | Μετάβα (Metaba) = ga weg | ἔνθεν (enthen) = van hier | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = en | μεταβήσεται (metabesetai) = zal gaan | καὶ (kai) = en | οὐδὲν (ouden) = niets | ἀδυνατήσει (adynatesei) = zal onmogelijk zijn | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀλιγοπιστία (oligopistia), ‘weinig geloof’: het woord is samengesteld uit ‘weinig’ en ‘geloof’. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:21; Mark. 11:22–23; Luc. 17:5–6. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt na dit vers een vers 21 dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Zie ook: Mat 17:21; Mat 21:21; Mar 11:22–23; Luc 17:5–6 ### Yeshua kondigt Zijn lijden opnieuw aan **17:22** Toen zij samen in Galilea waren, zei Yeshua tegen hen: **„De Mensenzoon staat op het punt overgeleverd te worden in handen van mensen.** Brontekst: Συστρεφομένων (Systrephomenon) = samenkomend | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | Γαλιλαίᾳ (Galilaia) = Galilea | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Μέλλει (Mellei) = staat op het punt | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | παραδίδοσθαι (paradidosthai) = overgeleverd te worden | εἰς (eis) = in | χεῖρας (cheiras) = handen | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Συστρεφομένων (Systrephomenon), ‘samen waren’: het werkwoord betekent ‘zich verzamelen’ of ‘samen rondtrekken’. Voetnoot : παραδίδοσθαι (paradidosthai), ‘overgeleverd worden’, zoals bij Matt. 4:12. Zie ook Mark. 9:30–32; Luc. 9:43–45. Zie ook: Mat 4:12; Mar 9:30–32; Luc 9:43–45 **17:23** **Zij zullen Hem doden, en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.”** Zij werden zeer bedroefd. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκτενοῦσιν (apoktenousin) = zullen doden | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | τρίτῃ (trite) = derde | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐγερθήσεται (egerthesetai) = zal worden opgewekt | καὶ (kai) = en | ἐλυπήθησαν (elypethesan) = werden bedroefd | σφόδρα (sphodra) = zeer Bron: SBLGNT ### De belasting van twee drachmen **17:24** Toen zij in Kapernaüm kwamen, gingen zij die de twee drachmen innen naar Petrus toe en zeiden: „Betaalt jullie leraar de twee drachmen niet?” Brontekst: Ἐλθόντων (Elthonton) = gekomen zijnde | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | εἰς (eis) = in | Καφαρναοὺμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | οἱ (hoi) = de | τὰ (ta) = de | δίδραχμα (didrachma) = twee drachmen | λαμβάνοντες (lambanontes) = innend | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ὁ (Ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | ὑμῶν (hymon) = jullie | οὐ (ou) = niet | τελεῖ (telei) = betaalt | τὰ (ta) = de | δίδραχμα (didrachma) = twee drachmen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: δίδραχμα (didrachma), ‘twee drachmen’: een drachme is een Griekse zilveren munt, ongeveer het loon van een dag (ongeveer 3,4 gram zilver). Twee drachmen zijn ongeveer een halve sikkel; zie de heffing voor Yahweh in Exod. 30:13–16. Het Grieks zegt niet met zoveel woorden dat het om de tempel gaat. Zie ook: Ex 30:13–16 **17:25** Petrus zei: „Ja.” Toen hij het huis binnenging, kwam Yeshua hem voor en zei: **„Wat denk je, Simon? Van wie ontvangen de koningen van de aarde tol of hoofdbelasting: van hun zonen of van de vreemden?”** Brontekst: λέγει (legei) = hij zegt | Ναί (Nai) = ja | καὶ (kai) = en | ἐλθόντα (elthonta) = binnengekomen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | προέφθασεν (proephthasen) = kwam voor | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγων (legon) = zeggend | Τί (Ti) = wat | σοι (soi) = je | δοκεῖ (dokei) = lijkt | Σίμων (Simon) = Simon | οἱ (hoi) = de | βασιλεῖς (basileis) = koningen | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | ἀπὸ (apo) = van | τίνων (tinon) = wie | λαμβάνουσιν (lambanousin) = ontvangen | τέλη (tele) = tol | ἢ (e) = of | κῆνσον (kenson) = hoofdbelasting | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | υἱῶν (huion) = zonen | αὐτῶν (auton) = hun | ἢ (e) = of | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ἀλλοτρίων (allotrion) = vreemden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κῆνσος (kensos), ‘hoofdbelasting’: een belasting per persoon. τέλη (tele), ‘tol’: belasting op goederen. προέφθασεν (proephthasen), ‘kwam voor’: Yeshua sprak eerst. **17:26** Toen hij zei: „Van de vreemden”, zei Yeshua tegen hem: **„Dan zijn de zonen dus vrij.** Brontekst: εἰπόντος (eipontos) = sprekend | δέ (de) = maar | Ἀπὸ (Apo) = van | τῶν (ton) = de | ἀλλοτρίων (allotrion) = vreemden | ἔφη (ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἄρα (Ara) = dan | γε (ge) = zeker | ἐλεύθεροί (eleutheroi) = vrij | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = de | υἱοί (huioi) = zonen Bron: SBLGNT **17:27** **Maar opdat wij hen niet laten struikelen: ga naar de zee, werp een hengel uit en neem de eerste vis die opkomt. Als je zijn mond opent, zul je een statér vinden. Neem die en geef hem aan hen, voor Mij en voor jou.”** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | σκανδαλίσωμεν (skandalisomen) = wij laten struikelen | αὐτούς (autous) = hen | πορευθεὶς (poreutheis) = gaand | εἰς (eis) = naar | θάλασσαν (thalassan) = zee | βάλε (bale) = werp | ἄγκιστρον (ankistron) = hengel | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | ἀναβάντα (anabanta) = opgekomen | πρῶτον (proton) = eerste | ἰχθὺν (ichthyn) = vis | ἆρον (aron) = neem | καὶ (kai) = en | ἀνοίξας (anoixas) = openend | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | αὐτοῦ (autou) = zijn | εὑρήσεις (heureseis) = je zult vinden | στατῆρα (statera) = statér | ἐκεῖνον (ekeinon) = die | λαβὼν (labon) = nemend | δὸς (dos) = geef | αὐτοῖς (autois) = aan hen | ἀντὶ (anti) = in plaats van | ἐμοῦ (emou) = Mij | καὶ (kai) = en | σοῦ (sou) = jou Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: θάλασσα (thalassa), ‘zee’: hier de zee van Galilea, die eigenlijk een meer is. Voetnoot : σκανδαλίσωμεν (skandalisomen), ‘laten struikelen’, van σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’. Voetnoot : στατήρ (stater): een zilveren munt van vier drachmen, ongeveer 14 gram zilver. Dat is genoeg voor twee mensen: twee keer twee drachmen. ## Matteüs 18 _De grootste in het koninkrijk, het verdwaalde schaap en de onbarmhartige knecht_ ### Wie is de grootste in het koninkrijk? **18:1** Op datzelfde uur kwamen de leerlingen naar Yeshua toe en vroegen: „Wie is dan de grootste in het koninkrijk van de hemelen?” Brontekst: Ἐν (En) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = dat | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τίς (Tis) = wie | ἄρα (ara) = dan | μείζων (meizon) = grootste | ἐστὶν (estin) = is | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 9:33–37; Luc. 9:46–48. Zie ook: Mar 9:33–37; Luc 9:46–48 **18:2** Yeshua riep een kind bij Zich en zette het in hun midden. Brontekst: καὶ (kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = roepend bij | παιδίον (paidion) = kind | ἔστησεν (estesen) = zette | αὐτὸ (auto) = het | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **18:3** Hij zei: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: als jullie je niet omkeren en worden als de kinderen, zullen jullie beslist niet binnengaan in het koninkrijk van de hemelen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | στραφῆτε (straphete) = omkeren | καὶ (kai) = en | γένησθε (genesthe) = worden | ὡς (hos) = als | τὰ (ta) = de | παιδία (paidia) = kinderen | οὐ (ou) = beslist | μὴ (me) = niet | εἰσέλθητε (eiselthete) = binnengaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στραφῆτε (straphete), ‘jullie omkeren’: het werkwoord betekent ‘zich omdraaien’, een omkeer. Vergelijk ‘zich bekeren’ (zie Matt. 3:2). Voetnoot : παιδία (paidia), ‘kinderen’: kleine kinderen. Voetnoot : Zie ook Mark. 10:15; Luc. 18:17. Zie ook: Mat 3:2; Mar 10:15; Luc 18:17 **18:4** **Wie zichzelf dus nederig maakt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemelen.** Brontekst: ὅστις (hostis) = wie | οὖν (oun) = dus | ταπεινώσει (tapeinosei) = nederig zal maken | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ὡς (hos) = als | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | τοῦτο (touto) = dit | οὗτός (houtos) = die | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | μείζων (meizon) = grootste | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT **18:5** **En wie één zo’n kind ontvangt in Mijn naam, ontvangt Mij.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἐὰν (ean) = indien | δέξηται (dexetai) = ontvangt | ἓν (hen) = één | παιδίον (paidion) = kind | τοιοῦτο (toiouto) = zo’n | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | ἐμὲ (eme) = Mij | δέχεται (dechetai) = ontvangt Bron: SBLGNT ### Waarschuwing voor struikelblokken **18:6** **Maar wie één van deze kleinen die in Mij geloven laat struikelen: het is beter voor hem dat een ezelsmolensteen om zijn nek wordt gehangen en dat hij verdronken wordt in de diepte van de zee.** Brontekst: Ὃς (Hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = indien | σκανδαλίσῃ (skandalise) = laat struikelen | ἕνα (hena) = één | τῶν (ton) = van de | μικρῶν (mikron) = kleinen | τούτων (touton) = deze | τῶν (ton) = de | πιστευόντων (pisteuonton) = geloven | εἰς (eis) = in | ἐμέ (eme) = Mij | συμφέρει (sympherei) = is beter | αὐτῷ (auto) = voor hem | ἵνα (hina) = dat | κρεμασθῇ (kremasthe) = gehangen wordt | μύλος (mylos) = molensteen | ὀνικὸς (onikos) = van een ezel | εἰς (eis) = om | τὸν (ton) = de | τράχηλον (trachelon) = nek | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | καταποντισθῇ (katapontisthe) = verdronken wordt | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πελάγει (pelagei) = diepte | τῆς (tes) = van de | θαλάσσης (thalasses) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκανδαλίσῃ (skandalise), ‘laat struikelen’, van σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’: iets waardoor iemand valt of van de weg afraakt. Wij vertalen het overal zo. Voetnoot : μύλος ὀνικός (mylos onikos), ‘ezelsmolensteen’: een molensteen die door een ezel gedraaid werd, dus een zeer grote steen. πέλαγος (pelagos), ‘diepte’: het open water. Voetnoot : Zie ook Mark. 9:42; Luc. 17:1–2. Zie ook: Mar 9:42; Luc 17:1–2 **18:7** **Wee de wereld vanwege de struikelblokken! Want het is noodzakelijk dat de struikelblokken komen. Maar wee de mens door wie het struikelblok komt.** Brontekst: οὐαὶ (ouai) = wee | τῷ (to) = aan de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | ἀπὸ (apo) = vanwege | τῶν (ton) = de | σκανδάλων (skandalon) = struikelblokken | ἀνάγκη (ananke) = noodzaak | γὰρ (gar) = want | ἐλθεῖν (elthein) = te komen | τὰ (ta) = de | σκάνδαλα (skandala) = struikelblokken | πλὴν (plen) = maar | οὐαὶ (ouai) = wee | τῷ (to) = aan de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = mens | δι’ (di’) = door | οὗ (hou) = wie | τὸ (to) = het | σκάνδαλον (skandalon) = struikelblok | ἔρχεται (erchetai) = komt Bron: SBLGNT **18:8** **Als je hand of je voet je laat struikelen, hak hem af en werp hem van je weg. Het is beter voor je verminkt of kreupel het leven binnen te gaan dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden.** Brontekst: Εἰ (Ei) = als | δὲ (de) = maar | ἡ (he) = de | χείρ (cheir) = hand | σου (sou) = je | ἢ (e) = of | ὁ (ho) = de | πούς (pous) = voet | σου (sou) = je | σκανδαλίζει (skandalizei) = laat struikelen | σε (se) = je | ἔκκοψον (ekkopson) = hak af | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | βάλε (bale) = werp | ἀπὸ (apo) = van | σοῦ (sou) = je | καλόν (kalon) = goed | σοί (soi) = voor je | ἐστιν (estin) = is | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | ζωὴν (zoen) = leven | κυλλὸν (kyllon) = verminkt | ἢ (e) = of | χωλόν (cholon) = kreupel | ἢ (e) = of | δύο (dyo) = twee | χεῖρας (cheiras) = handen | ἢ (e) = of | δύο (dyo) = twee | πόδας (podas) = voeten | ἔχοντα (echonta) = hebbend | βληθῆναι (blethenai) = geworpen te worden | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | πῦρ (pyr) = vuur | τὸ (to) = het | αἰώνιον (aionion) = eeuwige Bron: SBLGNT **18:9** **En als je oog je laat struikelen, ruk het uit en werp het van je weg. Het is beter voor je met één oog het leven binnen te gaan dan met twee ogen in de Gehenna van het vuur geworpen te worden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | ὁ (ho) = het | ὀφθαλμός (ophthalmos) = oog | σου (sou) = je | σκανδαλίζει (skandalizei) = laat struikelen | σε (se) = je | ἔξελε (exele) = ruk uit | αὐτὸν (auton) = het | καὶ (kai) = en | βάλε (bale) = werp | ἀπὸ (apo) = van | σοῦ (sou) = je | καλόν (kalon) = goed | σοί (soi) = voor je | ἐστιν (estin) = is | μονόφθαλμον (monophthalmon) = eenogig | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | ζωὴν (zoen) = leven | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | ἢ (e) = of | δύο (dyo) = twee | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | ἔχοντα (echonta) = hebbend | βληθῆναι (blethenai) = geworpen te worden | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | γέενναν (geennan) = Gehenna | τοῦ (tou) = van het | πυρός (pyros) = vuur Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: de Griekse vorm van het Hebreeuwse ‘dal van de zoon van Hinnom’ (Joz. 15:8; in Jer. 7:31 ‘Ben-Hinnom’), het dal bij Jeruzalem waar kinderen werden verbrand (Jer. 7:31). Het wordt in de evangeliën gebruikt voor de plaats van het oordeel. Vergelijk ‘hun vuur zal niet gedoofd worden’ (Jes. 66:24). Voetnoot : Zie ook Matt. 5:29–30; Mark. 9:43–48. Zie ook: Joz 15:8; Jes 66:24; Jer 7:31; Mat 5:29–30; Mar 9:43–48 **18:10** **Pas op dat jullie niet één van deze kleinen verachten. Want Ik zeg jullie dat hun engelen in de hemelen voortdurend het gezicht zien van Mijn Vader die in de hemelen is.** Brontekst: Ὁρᾶτε (Horate) = pas op | μὴ (me) = niet | καταφρονήσητε (kataphronesete) = verachten | ἑνὸς (henos) = één | τῶν (ton) = van de | μικρῶν (mikron) = kleinen | τούτων (touton) = deze | λέγω (lego) = Ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οἱ (hoi) = de | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | αὐτῶν (auton) = hun | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | διὰ (dia) = door | παντὸς (pantos) = alles | βλέπουσι (blepousi) = zien | τὸ (to) = het | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | τοῦ (tou) = die | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ ἄγγελοι αὐτῶν (hoi angeloi auton), ‘hun engelen’: het Grieks zegt niet meer dan dat de kleinen engelen hebben die voortdurend bij de Vader zijn. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers 11 dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Zie ook: Mat 18:11 ### Het verdwaalde schaap **18:12** **Wat denken jullie? Als een mens 100 schapen heeft en één van hen dwaalt af, laat hij dan niet de 99 op de bergen achter? En gaat hij niet het dwalende zoeken?** Brontekst: τί (ti) = wat | ὑμῖν (hymin) = jullie | δοκεῖ (dokei) = lijkt | ἐὰν (ean) = als | γένηταί (genetai) = zijn | τινι (tini) = aan een | ἀνθρώπῳ (anthropo) = mens | ἑκατὸν (hekaton) = honderd | πρόβατα (probata) = schapen | καὶ (kai) = en | πλανηθῇ (planethe) = dwaalt af | ἓν (hen) = één | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | οὐχὶ (ouchi) = niet | ἀφήσει (aphesei) = zal laten | τὰ (ta) = de | ἐνενήκοντα (enenekonta) = negentig | ἐννέα (ennea) = negen | ἐπὶ (epi) = op | τὰ (ta) = de | ὄρη (ore) = bergen | καὶ (kai) = en | πορευθεὶς (poreutheis) = gaand | ζητεῖ (zetei) = zoekt | τὸ (to) = het | πλανώμενον (planomenon) = dwalende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ezech. 34:6 (‘Mijn schapen dwalen rond over alle bergen’) en Ps. 119:176. Voetnoot : Zie ook Luc. 15:3–7. Zie ook: Ps 119:176; Ezech 34:6; Luc 15:3–7 **18:13** **En als hij het vindt, voorwaar, Ik zeg jullie: hij verheugt zich meer over dat ene dan over de 99 die niet zijn afgedwaald.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = indien | γένηται (genetai) = het gebeurt | εὑρεῖν (heurein) = te vinden | αὐτό (auto) = het | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | χαίρει (chairei) = verheugt zich | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτῷ (auto) = het | μᾶλλον (mallon) = meer | ἢ (e) = dan | ἐπὶ (epi) = over | τοῖς (tois) = de | ἐνενήκοντα (enenekonta) = negentig | ἐννέα (ennea) = negen | τοῖς (tois) = de | μὴ (me) = niet | πεπλανημένοις (peplanemenois) = afgedwaalden Bron: SBLGNT **18:14** **Zo is het niet de wil van jullie Vader in de hemelen dat één van deze kleinen verloren gaat.** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | θέλημα (thelema) = wil | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | τοῦ (tou) = die | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | ἵνα (hina) = dat | ἀπόληται (apoletai) = verloren gaat | ἓν (hen) = één | τῶν (ton) = van de | μικρῶν (mikron) = kleinen | τούτων (touton) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔμπροσθεν (emprosthen), ‘voor’, letterlijk ‘voor het gezicht van’: wat voor de Vader telt. Wij vertalen ‘het is de wil van jullie Vader’. ### Als een broer zondigt **18:15** **Als je broer tegen je zondigt, ga heen en wijs hem terecht, tussen jou en hem alleen. Als hij naar je luistert, heb je je broer gewonnen.** Brontekst: Ἐὰν (Ean) = als | δὲ (de) = maar | ἁμαρτήσῃ (hamartese) = zondigt | εἰς (eis) = tegen | σὲ (se) = jou | ὁ (ho) = de | ἀδελφός (adelphos) = broer | σου (sou) = je | ὕπαγε (hypage) = ga | ἔλεγξον (elenxon) = wijs terecht | αὐτὸν (auton) = hem | μεταξὺ (metaxy) = tussen | σοῦ (sou) = jou | καὶ (kai) = en | αὐτοῦ (autou) = hem | μόνου (monou) = alleen | ἐάν (ean) = als | σου (sou) = naar je | ἀκούσῃ (akouse) = luistert | ἐκέρδησας (ekerdesas) = je hebt gewonnen | τὸν (ton) = de | ἀδελφόν (adelphon) = broer | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔλεγξον (elenxon), ‘wijs terecht’: iemand duidelijk maken wat hij fout doet. Vergelijk Lev. 19:17 (‘Je moet je volksgenoot zeker terechtwijzen’). Voetnoot : ἐκέρδησας (ekerdesas), ‘je hebt gewonnen’: je hebt je broer teruggewonnen. Voetnoot : Zie ook Luc. 17:3. Zie ook: Lev 19:17; Luc 17:3 **18:16** **Maar als hij niet luistert, neem dan nog één of twee mee, zodat elke zaak vaststaat op het woord van twee of drie getuigen.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | ἀκούσῃ (akouse) = luistert | παράλαβε (paralabe) = neem mee | μετὰ (meta) = met | σοῦ (sou) = jou | ἔτι (eti) = nog | ἕνα (hena) = één | ἢ (e) = of | δύο (dyo) = twee | ἵνα (hina) = opdat | ἐπὶ (epi) = op | στόματος (stomatos) = mond | δύο (dyo) = twee | μαρτύρων (martyron) = getuigen | ἢ (e) = of | τριῶν (trion) = drie | σταθῇ (stathe) = vaststaat | πᾶν (pan) = elk | ῥῆμα (rhema) = woord Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De regel van de twee of drie getuigen komt uit Deut. 19:15. ῥῆμα (rhema) is ‘woord’ en ook ‘zaak’; het Hebreeuwse דָּבָר (davar) heeft beide betekenissen. Zie ook: Deut 19:15 **18:17** **Maar als hij weigert naar hen te luisteren, zeg het dan aan de gemeente. En als hij ook weigert naar de gemeente te luisteren, laat hij dan voor je zijn als iemand uit de volken en als de tollenaar.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | παρακούσῃ (parakouse) = niet wil luisteren | αὐτῶν (auton) = naar hen | εἰπὸν (eipon) = zeg | τῇ (te) = aan de | ἐκκλησίᾳ (ekklesia) = gemeente | ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | τῆς (tes) = van de | ἐκκλησίας (ekklesias) = gemeente | παρακούσῃ (parakouse) = niet wil luisteren | ἔστω (esto) = laat hij zijn | σοι (soi) = voor jou | ὥσπερ (hosper) = zoals | ὁ (ho) = de | ἐθνικὸς (ethnikos) = iemand uit de volken | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | τελώνης (telones) = tollenaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: letterlijk ‘de bijeengeroepenen’. Zie ook de Uitleg bij Matt. 16:18. Voetnoot : ἐθνικός (ethnikos): iemand uit de volken, een niet-Jood. τελώνης (telones), ‘tollenaar’: iemand die voor de Romeinen tol innam; veel Joden verachtten hem. Zie ook: Mat 16:18 **18:18** **Voorwaar, Ik zeg jullie: alles wat jullie op de aarde binden, zal in de hemel gebonden zijn. En alles wat jullie op de aarde losmaken, zal in de hemel losgemaakt zijn.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅσα (hosa) = alles wat | ἐὰν (ean) = indien | δήσητε (desete) = jullie binden | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἔσται (estai) = zal zijn | δεδεμένα (dedemena) = gebonden | ἐν (en) = in | οὐρανῷ (ourano) = hemel | καὶ (kai) = en | ὅσα (hosa) = alles wat | ἐὰν (ean) = indien | λύσητε (lysete) = jullie losmaken | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἔσται (estai) = zal zijn | λελυμένα (lelymena) = losgemaakt | ἐν (en) = in | οὐρανῷ (ourano) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De woorden over ‘binden’ en ‘losmaken’ komen ook voor in Matt. 16:19, daar gericht tot Petrus alleen; hier zijn ze tot alle leerlingen gericht. De werkwoordsvorm is ‘zal gebonden zijn’ en ‘zal losgemaakt zijn’. Zie ook: Mat 16:19 **18:19** **Opnieuw, voorwaar, Ik zeg jullie: als twee van jullie het op de aarde eens worden over elke zaak die zij vragen, zal het hun gebeuren. Dat komt van Mijn Vader die in de hemelen is.** Brontekst: Πάλιν (Palin) = opnieuw | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐὰν (ean) = als | δύο (dyo) = twee | συμφωνήσωσιν (symphonesosin) = het eens zijn | ἐξ (ex) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | περὶ (peri) = over | παντὸς (pantos) = elke | πράγματος (pragmatos) = zaak | οὗ (hou) = die | ἐὰν (ean) = indien | αἰτήσωνται (aitesontai) = zij vragen | γενήσεται (genesetai) = zal gebeuren | αὐτοῖς (autois) = hun | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | τοῦ (tou) = die | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συμφωνήσωσιν (symphonesosin), ‘het eens worden’: letterlijk ‘samen klinken’. **18:20** **Want waar twee of drie verzameld zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden.”** Brontekst: οὗ (hou) = waar | γάρ (gar) = want | εἰσιν (eisin) = zijn | δύο (dyo) = twee | ἢ (e) = of | τρεῖς (treis) = drie | συνηγμένοι (synegmenoi) = verzameld | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἐμὸν (emon) = Mijn | ὄνομα (onoma) = naam | ἐκεῖ (ekei) = daar | εἰμι (eimi) = ben Ik | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὸ ἐμὸν ὄνομα (eis to emon onoma), ‘in Mijn naam’: letterlijk ‘naar Mijn naam toe’. Zij komen samen met Mijn naam als doel. ### Vergeven, zeventigmaal zeven **18:21** Toen kwam Petrus naar Hem toe en zei: „Heer, hoe vaak zal mijn broer tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven? Tot zevenmaal?” Brontekst: Τότε (Tote) = toen | προσελθὼν (proselthon) = naderend | αὐτῷ (auto) = Hem | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἶπεν (eipen) = zei | Κύριε (Kyrie) = Heer | ποσάκις (posakis) = hoe vaak | ἁμαρτήσει (hamartesei) = zal zondigen | εἰς (eis) = tegen | ἐμὲ (eme) = mij | ὁ (ho) = de | ἀδελφός (adelphos) = broer | μου (mou) = mijn | καὶ (kai) = en | ἀφήσω (apheso) = zal ik vergeven | αὐτῷ (auto) = hem | ἕως (heos) = tot | ἑπτάκις (heptakis) = zevenmaal Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφήσω (aphiso), ‘vergeven’: het werkwoord ἀφίημι (aphiemi) betekent ‘laten gaan’ en ‘kwijtschelden’. Wij vertalen ‘vergeven’ bij zonde (18:21, 18:35) en ‘kwijtschelden’ bij schuld (18:27, 18:32). Voetnoot : Zie ook Luc. 17:3–4. Zie ook: Luc 17:3–4 **18:22** Yeshua zei tegen hem: **„Ik zeg je niet: tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven.** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐ (Ou) = niet | λέγω (lego) = Ik zeg | σοι (soi) = je | ἕως (heos) = tot | ἑπτάκις (heptakis) = zevenmaal | ἀλλὰ (alla) = maar | ἕως (heos) = tot | ἑβδομηκοντάκις (hebdomekontakis) = zeventigmaal | ἑπτά (hepta) = zeven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἑβδομηκοντάκις ἑπτά (hebdomekontakis hepta), ‘zeventigmaal zeven’: het Grieks kan 70 × 7 = 490 betekenen of 70 en 7, dus 77. Het doet denken aan Gen. 4:24 (‘77 keer’). In elk geval bedoelt Yeshua: zonder tellen. Zie ook: Gen 4:24 ### De gelijkenis van de onbarmhartige knecht **18:23** **Daarom is het koninkrijk van de hemelen gelijk geworden aan een mens, een koning, die met zijn knechten wilde afrekenen.** Brontekst: Διὰ (Dia) = door | τοῦτο (touto) = dit | ὡμοιώθη (homoiothe) = werd gelijk | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ἀνθρώπῳ (anthropo) = aan een mens | βασιλεῖ (basilei) = koning | ὃς (hos) = die | ἠθέλησεν (ethelesen) = wilde | συνᾶραι (synarai) = afrekenen | λόγον (logon) = rekenschap | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | δούλων (doulon) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: het Grieks woord kan ook ‘slaaf’ betekenen. Wij vertalen ‘knecht’ (Hebreeuws eved) en σύνδουλος (syndoulos) als ‘medeknecht’. κύριος (kyrios) is hier ‘heer’ met een kleine letter: de eigenaar of meester. **18:24** **Toen hij begon af te rekenen, werd er één bij hem gebracht die 10.000 talenten schuldig was.** Brontekst: ἀρξαμένου (arxamenou) = beginnend | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | συναίρειν (synairein) = afrekenen | προσηνέχθη (prosenechthe) = werd gebracht | αὐτῷ (auto) = aan hem | εἷς (heis) = één | ὀφειλέτης (opheiletes) = schuldenaar | μυρίων (myrion) = van 10.000 | ταλάντων (talanton) = talenten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τάλαντον (talanton), ‘talent’: een gewicht van ongeveer 34 kg zilver; 10.000 talenten zijn dus ongeveer 340.000 kg. Een talent is ongeveer 6000 denarie. Een denarie was ongeveer het loon van een dag; de schuld is daarom onbetaalbaar groot. **18:25** **Omdat hij niet kon terugbetalen, beval de heer dat hij verkocht moest worden, met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij had. Zo moest er worden terugbetaald.** Brontekst: μὴ (me) = niet | ἔχοντος (echontos) = hebbend | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | ἀποδοῦναι (apodounai) = terug te betalen | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | πραθῆναι (prathenai) = verkocht te worden | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | ἔχει (echei) = hij heeft | καὶ (kai) = en | ἀποδοθῆναι (apodothenai) = terugbetaald te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft een lijdende vorm: ‘en terugbetaald worden’. Wij maken er een eigen zin van en vullen ‘zo’ aan, omdat het Nederlands dat nodig heeft. **18:26** **De knecht viel dus neer en boog zich voor hem neer. Hij zei: ‘Heb geduld met mij, en ik zal u alles terugbetalen.’** Brontekst: πεσὼν (peson) = vallend | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | προσεκύνει (prosekynei) = boog zich neer | αὐτῷ (auto) = voor hem | λέγων (legon) = zeggend | Μακροθύμησον (Makrothymeson) = heb geduld | ἐπ’ (ep’) = met | ἐμοί (emoi) = mij | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | ἀποδώσω (apodoso) = zal ik terugbetalen | σοι (soi) = aan u Bron: SBLGNT **18:27** **De heer van die knecht kreeg medelijden, liet hem gaan en schold hem de lening kwijt.** Brontekst: σπλαγχνισθεὶς (splanchnistheis) = medelijden krijgend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τοῦ (tou) = van de | δούλου (doulou) = knecht | ἐκείνου (ekeinou) = die | ἀπέλυσεν (apelysen) = liet gaan | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | δάνειον (daneion) = lening | ἀφῆκεν (apheken) = schold kwijt | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπλαγχνισθείς (splanchnistheis), ‘medelijden krijgend’: het woord komt van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, de plaats van diepe gevoelens. Zie ook Matt. 14:14. Voetnoot : δάνειον (daneion), ‘lening’. Zie ook: Mat 14:14 **18:28** **Toen die knecht naar buiten ging, vond hij één van zijn medeknechten, die hem 100 denarie schuldig was. Hij greep hem vast, wurgde hem en zei: ‘Betaal terug wat je schuldig bent.’** Brontekst: ἐξελθὼν (exelthon) = naar buiten gaand | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | εὗρεν (heuren) = vond | ἕνα (hena) = één | τῶν (ton) = van de | συνδούλων (syndoulon) = medeknechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὃς (hos) = die | ὤφειλεν (opheilen) = schuldig was | αὐτῷ (auto) = hem | ἑκατὸν (hekaton) = 100 | δηνάρια (denaria) = denarie | καὶ (kai) = en | κρατήσας (kratesas) = grijpend | αὐτὸν (auton) = hem | ἔπνιγεν (epnigen) = wurgde | λέγων (legon) = zeggend | Ἀπόδος (Apodos) = betaal terug | εἴ (ei) = als | τι (ti) = iets | ὀφείλεις (opheileis) = je schuldig bent Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon van een dag. 100 denarie is dus ongeveer 100 dagloon, tegenover 10.000 talenten (ongeveer 60 miljoen denarie). Voetnoot : ἔπνιγεν (epnigen), ‘wurgde’: hij greep hem bij de keel. **18:29** **Zijn medeknecht viel dus neer en smeekte hem: ‘Heb geduld met mij, en ik zal je terugbetalen.’** Brontekst: πεσὼν (peson) = vallend | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | σύνδουλος (syndoulos) = medeknecht | αὐτοῦ (autou) = zijn | παρεκάλει (parekalei) = smeekte | αὐτὸν (auton) = hem | λέγων (legon) = zeggend | Μακροθύμησον (Makrothymeson) = heb geduld | ἐπ’ (ep’) = met | ἐμοί (emoi) = mij | καὶ (kai) = en | ἀποδώσω (apodoso) = zal ik terugbetalen | σοι (soi) = aan je Bron: SBLGNT **18:30** **Maar hij wilde niet. Hij ging weg en wierp hem in de gevangenis, totdat hij zou terugbetalen wat verschuldigd was.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | ἤθελεν (ethelen) = wilde | ἀλλὰ (alla) = maar | ἀπελθὼν (apelthon) = weggaand | ἔβαλεν (ebalen) = wierp | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = in | φυλακὴν (phylaken) = gevangenis | ἕως (heos) = tot | οὗ (hou) = dat | ἀποδῷ (apodo) = hij terugbetaalt | τὸ (to) = het | ὀφειλόμενον (opheilomenon) = verschuldigde Bron: SBLGNT **18:31** **Toen zijn medeknechten zagen wat er gebeurd was, werden zij zeer bedroefd. Zij gingen naar hun heer en vertelden hem alles wat er gebeurd was.** Brontekst: ἰδόντες (idontes) = ziend | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | σύνδουλοι (syndouloi) = medeknechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὰ (ta) = het | γενόμενα (genomena) = gebeurde | ἐλυπήθησαν (elypethesan) = werden bedroefd | σφόδρα (sphodra) = zeer | καὶ (kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = gaand | διεσάφησαν (diesaphesan) = maakten duidelijk | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = heer | ἑαυτῶν (heauton) = hun eigen | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = het | γενόμενα (genomena) = gebeurde Bron: SBLGNT **18:32** **Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tegen hem: ‘Slechte knecht! Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij smeekte.** Brontekst: τότε (tote) = toen | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = roepend bij | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Δοῦλε (Doule) = knecht | πονηρέ (ponere) = slechte | πᾶσαν (pasan) = heel | τὴν (ten) = de | ὀφειλὴν (opheilen) = schuld | ἐκείνην (ekeinen) = die | ἀφῆκά (apheka) = schold ik kwijt | σοι (soi) = aan je | ἐπεὶ (epei) = omdat | παρεκάλεσάς (parekalesas) = smeekte je | με (me) = mij Bron: SBLGNT **18:33** **Moest ook jij je niet ontfermen over je medeknecht, zoals ik mij over jou heb ontfermd?’** Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἔδει (edei) = was nodig | καὶ (kai) = ook | σὲ (se) = jij | ἐλεῆσαι (eleesai) = te ontfermen | τὸν (ton) = de | σύνδουλόν (syndoulon) = medeknecht | σου (sou) = je | ὡς (hos) = zoals | κἀγὼ (kago) = ook ik | σὲ (se) = jou | ἠλέησα (eleesa) = ontfermde Bron: SBLGNT **18:34** **En zijn heer werd boos en leverde hem over aan de folteraars, totdat hij alles zou terugbetalen wat verschuldigd was.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὀργισθεὶς (orgistheis) = boos geworden | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | παρέδωκεν (paredoken) = leverde over | αὐτὸν (auton) = hem | τοῖς (tois) = aan de | βασανισταῖς (basanistais) = folteraars | ἕως (heos) = tot | οὗ (hou) = dat | ἀποδῷ (apodo) = hij terugbetaalt | πᾶν (pan) = alles | τὸ (to) = het | ὀφειλόμενον (opheilomenon) = verschuldigde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βασανισταῖς (basanistais), ‘folteraars’: bewakers die gevangenen pijnigden om te laten betalen. **18:35** **Zo zal ook Mijn hemelse Vader met jullie doen, als ieder van jullie zijn broer niet vergeeft vanuit jullie harten.”** Brontekst: Οὕτως (Houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | οὐράνιος (ouranios) = hemelse | ποιήσει (poiesei) = zal doen | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | ἀφῆτε (aphete) = jullie vergeven | ἕκαστος (hekastos) = ieder | τῷ (to) = aan de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | καρδιῶν (kardion) = harten | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 6:14–15. Zie ook: Mat 6:14–15 ## Matteüs 19 _Huwelijk en scheiding, de kinderen en de rijke jongeman_ ### Yeshua gaat naar het gebied van Judea **19:1** Toen Yeshua deze woorden had beëindigd, vertrok Hij uit Galilea en kwam in het gebied van Judea, aan de overkant van de Jordaan. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ὅτε (hote) = toen | ἐτέλεσεν (etelesen) = had beëindigd | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | μετῆρεν (meteren) = vertrok | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = in | τὰ (ta) = de | ὅρια (horia) = gebied | τῆς (tes) = van de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | πέραν (peran) = aan de overkant | τοῦ (tou) = van de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Judea aan de overkant van de Jordaan (Perea?; ligging onzeker): Matteüs 19:1 zegt dat Yeshua in het gebied van Judea kwam, aan de overkant van de Jordaan. Daarmee wordt meestal het gebied ten oosten van de Jordaan bedoeld (later Perea genoemd). De zin en de grenzen zijn niet zeker. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Het Grieks begint met ‘Het gebeurde, toen’, een formule die ook de Hebreeuwse verhalen kennen. Matteüs gebruikt haar vijf keer aan het einde van een toespraak van Yeshua: Matt. 7:28; 11:1; 13:53; 19:1; 26:1. Wij laten ‘het gebeurde’ in de vertaling weg; in de woord-voor-woordweergave staat het wel. Voetnoot : πέραν τοῦ Ἰορδάνου (peran tou Iordanou), ‘aan de overkant van de Jordaan’: zoals in Matt. 4:25. Voetnoot : Zie ook Mark. 10:1. Zie ook: Mat 4:25; Mat 7:28; Mat 11:1; Mat 13:53; Mat 26:1; Mar 10:1 **19:2** Veel menigten volgden Hem, en Hij genas hen daar. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem | ὄχλοι (ochloi) = menigten | πολλοί (polloi) = veel | καὶ (kai) = en | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT ### De Farizeeën vragen naar scheiding **19:3** Farizeeën kwamen naar Hem toe. Zij stelden Hem op de proef en zeiden: „Is het toegestaan dat een man zijn vrouw wegstuurt om welke reden dan ook?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | πειράζοντες (peirazontes) = op de proef stellend | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | λέγοντες (legontes) = zeggend | Εἰ (Ei) = of | ἔξεστιν (exestin) = toegestaan is | ἀνθρώπῳ (anthropo) = aan een mens | ἀπολῦσαι (apolysai) = weg te sturen | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | κατὰ (kata) = om | πᾶσαν (pasan) = elke | αἰτίαν (aitian) = reden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειράζοντες (peirazontes), ‘op de proef stellend’: zoals bij Matt. 4:1. ἀπολῦσαι (apolysai), ‘wegsturen’: het woord voor het wegsturen van een vrouw in Deut. 24:1. Voetnoot : Zie ook Mark. 10:2–12. Zie ook: Deut 24:1; Mat 4:1; Mar 10:2–12 **19:4** Hij antwoordde en zei: **„Hebben jullie niet gelezen dat Hij die hen schiep, hen van het begin af mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt,** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐκ (Ouk) = niet | ἀνέγνωτε (anegnote) = lazen jullie | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = Hij | κτίσας (ktisas) = die schiep | ἀπ’ (ap’) = van | ἀρχῆς (arches) = begin | ἄρσεν (arsen) = mannelijk | καὶ (kai) = en | θῆλυ (thely) = vrouwelijk | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | αὐτοὺς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κτίσας (ho ktisas), ‘Hij die schiep’: Elohim als Schepper. ἄρσεν καὶ θῆλυ (arsen kai thely), ‘mannelijk en vrouwelijk’: zie Gen. 1:27 en Gen. 5:2. Zie ook: Gen 1:27; Gen 5:2 **19:5** **en dat Hij zei: ‘Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en de twee zullen tot één vlees worden’?** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἕνεκα (Heneka) = omwille van | τούτου (toutou) = dit | καταλείψει (kataleipsei) = zal verlaten | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | καὶ (kai) = en | κολληθήσεται (kollethesetai) = zal zich hechten | τῇ (te) = aan de | γυναικὶ (gynaiki) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | οἱ (hoi) = de | δύο (dyo) = twee | εἰς (eis) = tot | σάρκα (sarka) = vlees | μίαν (mian) = één Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Gen. 2:24. Matteüs zegt dat Elohim deze woorden sprak. Het Hebreeuws heeft ‘zij worden tot één vlees’; de Griekse tekst heeft ‘de twee zullen tot één vlees worden’, dus met ‘de twee’ erbij. Het Hebreeuws heeft ‘een man’ (אִישׁ, ish); de Griekse tekst heeft ἄνθρωπος (anthropos), ‘een mens’. Voetnoot : Zie ook Mark. 10:7–9. Zie ook: Gen 2:24; Mar 10:7–9 **19:6** **Zo zijn zij niet langer twee, maar één vlees. Wat Elohim dus heeft samengevoegd, mag een mens niet scheiden.”** Brontekst: ὥστε (hoste) = zodat | οὐκέτι (ouketi) = niet langer | εἰσὶν (eisin) = zijn | δύο (dyo) = twee | ἀλλὰ (alla) = maar | σὰρξ (sarx) = vlees | μία (mia) = één | ὃ (ho) = wat | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | συνέζευξεν (synezeuxen) = onder één juk bracht | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | μὴ (me) = niet | χωριζέτω (chorizeto) = laat scheiden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέζευξεν (synezeuxen), ‘heeft samengevoegd’, letterlijk ‘onder één juk gebracht’: het beeld van twee dieren die samen onder één juk gaan. **19:7** Zij zeiden tegen Hem: „Waarom heeft Mozes dan opgedragen een scheidingsbrief te geven en haar weg te sturen?” Brontekst: λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | Τί (Ti) = waarom | οὖν (oun) = dan | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | ἐνετείλατο (eneteilato) = gebood | δοῦναι (dounai) = te geven | βιβλίον (biblion) = brief | ἀποστασίου (apostasiou) = van scheiding | καὶ (kai) = en | ἀπολῦσαι (apolysai) = weg te sturen | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βιβλίον ἀποστασίου (biblion apostasiou), ‘scheidingsbrief’: zie Deut. 24:1–4. Zie ook: Deut 24:1–4 **19:8** Hij zei tegen hen: **„Mozes heeft jullie vanwege jullie hardheid van hart toegestaan jullie vrouwen weg te sturen. Maar van het begin af is het niet zo geweest.** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | ὅτι (hoti) = dat | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | πρὸς (pros) = vanwege | τὴν (ten) = de | σκληροκαρδίαν (sklerokardian) = hardheid van hart | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐπέτρεψεν (epetrepsen) = stond toe | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀπολῦσαι (apolysai) = weg te sturen | τὰς (tas) = de | γυναῖκας (gynaikas) = vrouwen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἀπ’ (ap’) = van | ἀρχῆς (arches) = begin | δὲ (de) = maar | οὐ (ou) = niet | γέγονεν (gegonen) = is geweest | οὕτως (houtos) = zo Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκληροκαρδία (sklerokardia), ‘hardheid van hart’: een hart dat zich niet laat leiden. Yeshua noemt Deut. 24:1–4 een toegeving (‘toegestaan’), geen gebod. Zie ook: Deut 24:1–4 **19:9** **Ik zeg jullie: wie zijn vrouw wegstuurt, anders dan om ontucht, en een andere trouwt, pleegt overspel. En wie een weggestuurde trouwt, pleegt overspel.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = indien | ἀπολύσῃ (apolyse) = wegstuurt | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | μὴ (me) = niet | ἐπὶ (epi) = om | πορνείᾳ (porneia) = ontucht | καὶ (kai) = en | γαμήσῃ (gamese) = trouwt | ἄλλην (allen) = een andere | μοιχᾶται (moichatai) = pleegt overspel | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = wie | ἀπολελυμένην (apolelymenen) = een weggestuurde | γαμήσας (gamesas) = trouwt | μοιχᾶται (moichatai) = pleegt overspel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele ontrouw of onreinheid in brede zin. Het Grieks zegt niet nauwkeuriger welke daad bedoeld wordt. Het woord staat ook in Matt. 5:32 en 15:19; wij vertalen het overal zo. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:31–32; Mark. 10:11–12; Luc. 16:18; 1 Kor. 7:10–11. Zie ook: Mat 5:31–32; Mat 5:32; Mat 15:19; Mar 10:11–12; Luc 16:18; 1 Kor 7:10–11 ### Het woord over eunuchen **19:10** De leerlingen zeiden tegen Hem: „Als de zaak van de man met de vrouw zo is, is het niet beter te trouwen.” Brontekst: Λέγουσιν (Legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | Εἰ (Ei) = als | οὕτως (houtos) = zo | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = de | αἰτία (aitia) = zaak | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = man | μετὰ (meta) = met | τῆς (tes) = de | γυναικός (gynaikos) = vrouw | οὐ (ou) = niet | συμφέρει (sympherei) = is beter | γαμῆσαι (gamesai) = te trouwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰτία (aitia), ‘zaak’: ook ‘reden’ of ‘oorzaak’; in 19:3 staat hetzelfde woord als ‘reden’. De leerlingen bedoelen: als dit de stand van zaken is tussen een man en zijn vrouw. **19:11** Hij zei tegen hen: **„Niet allen kunnen dit woord aannemen, maar zij aan wie het gegeven is.** Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Οὐ (Ou) = niet | πάντες (pantes) = allen | χωροῦσι (chorousi) = nemen aan | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦτον (touton) = dit | ἀλλ’ (all’) = maar | οἷς (hois) = aan wie | δέδοται (dedotai) = is gegeven Bron: SBLGNT **19:12** **Want er zijn eunuchen die zo uit de moederschoot geboren zijn. Er zijn eunuchen die door mensen tot eunuch gemaakt zijn. En er zijn eunuchen die zichzelf tot eunuch hebben gemaakt omwille van het koninkrijk van de hemelen. Wie het kan aannemen, laat hem het aannemen.”** Brontekst: εἰσὶν (eisin) = zijn | γὰρ (gar) = want | εὐνοῦχοι (eunouchoi) = eunuchen | οἵτινες (hoitines) = die | ἐκ (ek) = uit | κοιλίας (koilias) = schoot | μητρὸς (metros) = moeder | ἐγεννήθησαν (egennethesan) = werden geboren | οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = en | εἰσὶν (eisin) = zijn | εὐνοῦχοι (eunouchoi) = eunuchen | οἵτινες (hoitines) = die | εὐνουχίσθησαν (eunouchisthesan) = tot eunuch gemaakt werden | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | καὶ (kai) = en | εἰσὶν (eisin) = zijn | εὐνοῦχοι (eunouchoi) = eunuchen | οἵτινες (hoitines) = die | εὐνούχισαν (eunouchisan) = maakten tot eunuch | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | διὰ (dia) = omwille van | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ὁ (ho) = wie | δυνάμενος (dynamenos) = kan | χωρεῖν (chorein) = aannemen | χωρείτω (choreito) = laat hem aannemen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐνοῦχος (eunouchos), ‘eunuch’: een man die geen kinderen kan krijgen of ervan afziet. Het Grieks noemt drie groepen met hetzelfde woord. Het woord εὐνουχίσθησαν (eunouchisthesan) betekent ‘tot eunuch gemaakt werden’. Vergelijk Jes. 56:3–5, waar ons Hebreeuws ‘hofdienaars’ heeft. Zie ook: Jes 56:3–5 ### Yeshua legt de kinderen de handen op **19:13** Toen werden kinderen bij Hem gebracht, opdat Hij hun de handen zou opleggen en zou bidden. De leerlingen bestraften hen. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | προσηνέχθησαν (prosenechthesan) = werden gebracht | αὐτῷ (auto) = aan Hem | παιδία (paidia) = kinderen | ἵνα (hina) = opdat | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐπιθῇ (epithe) = Hij oplegt | αὐτοῖς (autois) = hun | καὶ (kai) = en | προσεύξηται (proseuxetai) = Hij bidt | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἐπετίμησαν (epetimesan) = bestraften | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT **19:14** Yeshua zei: **„Laat de kinderen en houd hen niet tegen om naar Mij toe te komen. Want van mensen zoals zij is het koninkrijk van de hemelen.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ἄφετε (Aphete) = laat | τὰ (ta) = de | παιδία (paidia) = kinderen | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | κωλύετε (kolyete) = houd tegen | αὐτὰ (auta) = hen | ἐλθεῖν (elthein) = te komen | πρός (pros) = naar | με (me) = Mij | τῶν (ton) = van de | γὰρ (gar) = want | τοιούτων (toiouton) = zulke | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τῶν τοιούτων (ton toiouton), ‘van zulke’: van wie zijn zoals deze kinderen. Het Grieks heeft alleen ‘van zulken’; ‘mensen’ vullen wij aan omdat het Nederlands een zelfstandig naamwoord nodig heeft. Voetnoot : Zie ook Mark. 10:13–16; Luc. 18:15–17. Zie ook: Mar 10:13–16; Luc 18:15–17 **19:15** Hij legde hun de handen op en ging vandaar verder. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπιθεὶς (epitheis) = oplegend | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | αὐτοῖς (autois) = hun | ἐπορεύθη (eporeuthe) = ging | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar Bron: SBLGNT ### De rijke jongeman **19:16** En zie: iemand kwam naar Hem toe en zei: „Leraar, wat voor goeds moet ik doen om eeuwig leven te hebben?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | εἷς (heis) = één | προσελθὼν (proselthon) = naderend | αὐτῷ (auto) = Hem | εἶπεν (eipen) = zei | Διδάσκαλε (Didaskale) = leraar | τί (ti) = wat | ἀγαθὸν (agathon) = goeds | ποιήσω (poieso) = zal ik doen | ἵνα (hina) = opdat | σχῶ (scho) = ik heb | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 10:17–31; Luc. 18:18–30. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat in vers 16 ‘Goede leraar’ en luidt vers 17: ‘Waarom noem je Mij goed? Niemand is goed, behalve één: Elohim.’ Wij vertalen de SBLGNT. Zie ook: Mat 19:17; Mar 10:17–31; Luc 18:18–30 **19:17** Hij zei tegen hem: **„Waarom vraag je Mij naar het goede? Eén is de Goede. Maar als je het leven wilt binnengaan, houd de geboden.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = hem | Τί (Ti) = waarom | με (me) = Mij | ἐρωτᾷς (erotas) = vraag je | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | ἀγαθοῦ (agathou) = goede | εἷς (heis) = één | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | ἀγαθός (agathos) = goede | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | θέλεις (theleis) = je wilt | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | ζωὴν (zoen) = leven | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | τήρησον (tereson) = houd | τὰς (tas) = de | ἐντολάς (entolas) = geboden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt: ‘Eén is de Goede’, zonder te noemen wie. Vergelijk Deut. 6:4 (‘Yahweh is één’). ἐντολάς (entolas), ‘geboden’. Zie ook: Deut 6:4 **19:18** Die man zei tegen Hem: „Welke?” Yeshua zei: **„Dit: ‘Je zult niet moorden’, ‘je zult geen overspel plegen’, ‘je zult niet stelen’, ‘je zult geen valse getuigenis afleggen’,** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | Ποίας (Poias) = welke | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Τὸ (To) = dit | Οὐ (Ou) = niet | φονεύσεις (phoneuseis) = zult moorden | Οὐ (Ou) = niet | μοιχεύσεις (moicheuseis) = zult overspel plegen | Οὐ (Ou) = niet | κλέψεις (klepseis) = zult stelen | Οὐ (Ou) = niet | ψευδομαρτυρήσεις (pseudomartyreseis) = zult vals getuigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De geboden komen uit Exod. 20:12–16 en Deut. 5:16–20. Wij volgen de woorden van onze Exodus. Zie ook: Ex 20:12–16; Deut 5:16–20 **19:19** **‘eer je vader en je moeder’ en ‘je zult je naaste liefhebben als jezelf’.”** Brontekst: Τίμα (Tima) = eer | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | καὶ (kai) = en | Ἀγαπήσεις (Agapeseis) = zult liefhebben | τὸν (ton) = de | πλησίον (plesion) = naaste | σου (sou) = je | ὡς (hos) = als | σεαυτόν (seauton) = jezelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het laatste gebod is Lev. 19:18. In het Hebreeuws is dat ‘Heb je naaste lief als jezelf’; het Grieks heeft hier de toekomende tijd, zoals bij de andere geboden. Zie ook Matt. 22:39. Zie ook: Lev 19:18; Mat 22:39 **19:20** De jongeman zei tegen Hem: „Dit alles heb ik onderhouden. Waarin schiet ik nog tekort?” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | ὁ (ho) = de | νεανίσκος (neaniskos) = jongeman | Πάντα (Panta) = alles | ταῦτα (tauta) = dit | ἐφύλαξα (ephylaxa) = heb ik onderhouden | τί (ti) = wat | ἔτι (eti) = nog | ὑστερῶ (hystero) = schiet ik tekort Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat in vers 20 ook ‘van mijn jeugd af’. Dat staat niet in de SBLGNT. **19:21** Yeshua zei tegen hem: **„Als je volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop je bezit en geef het aan de armen. En je zult een schat hebben in de hemelen. En kom, volg Mij.”** Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Εἰ (Ei) = als | θέλεις (theleis) = je wilt | τέλειος (teleios) = volmaakt | εἶναι (einai) = zijn | ὕπαγε (hypage) = ga | πώλησόν (poleson) = verkoop | σου (sou) = je | τὰ (ta) = het | ὑπάρχοντα (hyparchonta) = bezit | καὶ (kai) = en | δὸς (dos) = geef | πτωχοῖς (ptochois) = aan armen | καὶ (kai) = en | ἕξεις (hexeis) = je zult hebben | θησαυρὸν (thesauron) = schat | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | καὶ (kai) = en | δεῦρο (deuro) = kom | ἀκολούθει (akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τέλειος (teleios), ‘volmaakt’: heel, compleet. Het Hebreeuwse woord erachter is תָּמִים (tamim), ‘onberispelijk’ (Deut. 18:13). Zie ook Matt. 5:48. Voetnoot : τὰ ὑπάρχοντα (ta hyparchonta), ‘bezit’: wat iemand heeft. Zie ook: Deut 18:13; Mat 5:48 **19:22** Toen de jongeman dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg. Want hij had veel goederen. Brontekst: ἀκούσας (akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | νεανίσκος (neaniskos) = jongeman | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | λυπούμενος (lypoumenos) = bedroefd | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | ἔχων (echon) = hebbend | κτήματα (ktemata) = goederen | πολλά (polla) = veel Bron: SBLGNT ### Rijkdom en het koninkrijk **19:23** Yeshua zei tegen Zijn leerlingen: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: een rijke zal met moeite het koninkrijk van de hemelen binnengaan.** Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | πλούσιος (plousios) = rijke | δυσκόλως (dyskolos) = met moeite | εἰσελεύσεται (eiseleusetai) = zal binnengaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen Bron: SBLGNT **19:24** **Opnieuw zeg Ik jullie: het is gemakkelijker dat een kameel door het gaatje van een naald gaat dan dat een rijke het koninkrijk van Elohim binnengaat.”** Brontekst: πάλιν (palin) = opnieuw | δὲ (de) = maar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | εὐκοπώτερόν (eukopoteron) = gemakkelijker | ἐστιν (estin) = is | κάμηλον (kamelon) = kameel | διὰ (dia) = door | τρυπήματος (trypematos) = gaatje | ῥαφίδος (rhaphidos) = van naald | εἰσελθεῖν (eiselthein) = door te gaan | ἢ (e) = dan | πλούσιον (plousion) = rijke | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τρυπήματος ῥαφίδος (trypematos rhaphidos), ‘gaatje van een naald’: een beeld voor iets wat niet kan. Matteüs gebruikt hier ‘het koninkrijk van de hemelen’ (19:23) en ‘het koninkrijk van Elohim’ vlak na elkaar. **19:25** Toen de leerlingen dit hoorden, waren zij zeer verbaasd en zeiden: „Wie kan dan gered worden?” Brontekst: ἀκούσαντες (akousantes) = horend | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto) = waren verbaasd | σφόδρα (sphodra) = zeer | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τίς (Tis) = wie | ἄρα (ara) = dan | δύναται (dynatai) = kan | σωθῆναι (sothenai) = gered worden Bron: SBLGNT **19:26** Yeshua keek hen aan en zei tegen hen: **„Bij mensen is dit onmogelijk, maar bij Elohim is alles mogelijk.”** Brontekst: ἐμβλέψας (emblepsas) = aankijkend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Παρὰ (Para) = bij | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | τοῦτο (touto) = dit | ἀδύνατόν (adynaton) = onmogelijk | ἐστιν (estin) = is | παρὰ (para) = bij | δὲ (de) = maar | θεῷ (theo) = Elohim | πάντα (panta) = alles | δυνατά (dynata) = mogelijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Gen. 18:14 (‘Is er iets te wonderlijk voor Yahweh?’) en Jer. 32:17. Zie ook: Gen 18:14; Jer 32:17 ### De beloning voor wie Yeshua volgt **19:27** Toen antwoordde Petrus en zei tegen Hem: „Zie, wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Wat zal er dan voor ons zijn?” Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἀφήκαμεν (aphekamen) = lieten achter | πάντα (panta) = alles | καὶ (kai) = en | ἠκολουθήσαμέν (ekolouthesamen) = volgden | σοι (soi) = U | τί (ti) = wat | ἄρα (ara) = dan | ἔσται (estai) = zal zijn | ἡμῖν (hemin) = voor ons Bron: SBLGNT **19:28** Yeshua zei tegen hen: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: bij de wedergeboorte, wanneer de Mensenzoon op de troon van Zijn heerlijkheid zit, zullen ook jullie die Mij gevolgd zijn op twaalf tronen zitten. Jullie zullen de twaalf stammen van Israël oordelen.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οἱ (hoi) = die | ἀκολουθήσαντές (akolouthesantes) = gevolgd zijn | μοι (moi) = Mij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | παλιγγενεσίᾳ (palingenesia) = wedergeboorte | ὅταν (hotan) = wanneer | καθίσῃ (kathise) = zit | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐπὶ (epi) = op | θρόνου (thronou) = troon | δόξης (doxes) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καθήσεσθε (kathesesthe) = zullen zitten | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐπὶ (epi) = op | δώδεκα (dodeka) = twaalf | θρόνους (thronous) = tronen | κρίνοντες (krinontes) = oordelend | τὰς (tas) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | φυλὰς (phylas) = stammen | τοῦ (tou) = van de | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παλιγγενεσία (paliggenesia), ‘wedergeboorte’: letterlijk ‘opnieuw geboren worden’, een nieuw begin. Dit is de enige plaats in de evangeliën waar het woord staat; Matteüs zegt niet meer dan hier staat. Voetnoot : κρίνοντες (krinontes), ‘oordelend’: een deelwoord; wij maken er een eigen zin van. Het Hebreeuwse שָׁפַט (shafat) betekent ‘recht spreken’ en ook ‘besturen’. Voetnoot : Zie ook Luc. 22:28–30. Zie ook: Luc 22:28–30 **19:29** **En ieder die huizen, of broers, of zussen, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers heeft achtergelaten omwille van Mijn naam, zal honderdvoudig ontvangen en eeuwig leven erven.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = ieder | ὅστις (hostis) = wie | ἀφῆκεν (apheken) = achterliet | οἰκίας (oikias) = huizen | ἢ (e) = of | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | ἢ (e) = of | ἀδελφὰς (adelphas) = zussen | ἢ (e) = of | πατέρα (patera) = vader | ἢ (e) = of | μητέρα (metera) = moeder | ἢ (e) = of | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | ἢ (e) = of | τέκνα (tekna) = kinderen | ἢ (e) = of | ἀγροὺς (agrous) = akkers | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | τοῦ (tou) = de | ὀνόματός (onomatos) = naam | μου (mou) = Mijn | ἑκατονταπλασίονα (hekatontaplasiona) = honderdvoudig | λήμψεται (lempsetai) = zal ontvangen | καὶ (kai) = en | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | κληρονομήσει (kleronomesei) = zal erven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De herhaalde ‘of’ staat zo in het Grieks. Zie ook Mark. 10:29–30; Luc. 18:29–30. Zie ook: Mar 10:29–30; Luc 18:29–30 **19:30** **Maar velen die eerste zijn, zullen laatste zijn, en velen die laatste zijn, zullen eerste zijn.** Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | δὲ (de) = maar | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | πρῶτοι (protoi) = eersten | ἔσχατοι (eschatoi) = laatsten | καὶ (kai) = en | ἔσχατοι (eschatoi) = laatsten | πρῶτοι (protoi) = eersten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘velen’ één keer; het Nederlands herhaalt het. Dezelfde woorden staan in omgekeerde volgorde in Matt. 20:16. De toespraak loopt door in Matt. 20:1–16. Voetnoot : Zie ook Mark. 10:31. Zie ook: Mat 20:1–16; Mat 20:16; Mar 10:31 ## Matteüs 20 _De arbeiders in de wijngaard, het lijden aangekondigd en de blinden bij Jericho_ ### De arbeiders in de wijngaard **20:1** **Want het koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een man die landeigenaar was. Hij ging vroeg in de morgen uit om arbeiders in te huren voor zijn wijngaard.** Brontekst: Ὁμοία (Homoia) = gelijk | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ἀνθρώπῳ (anthropo) = aan een man | οἰκοδεσπότῃ (oikodespote) = landeigenaar | ὅστις (hostis) = die | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἅμα (hama) = tegelijk | πρωῒ (proi) = vroeg in de morgen | μισθώσασθαι (misthosasthai) = in te huren | ἐργάτας (ergatas) = arbeiders | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | ἀμπελῶνα (ampelona) = wijngaard | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκοδεσπότης (oikodespotes), ‘heer van het huis’: de eigenaar van een huis met zijn land. Wij schrijven ‘landeigenaar’. Voetnoot : De toespraak loopt door vanaf Matt. 19:30; ‘want’ verbindt de gelijkenis met de woorden over eersten en laatsten. De wijngaard is ook in Jes. 5:1–7 een beeld voor Israël. Voetnoot : Zie ook Matt. 19:30; 20:16. Zie ook: Jes 5:1–7; Mat 19:30; Mat 20:16 **20:2** **Hij kwam met de arbeiders een denarie per dag overeen en zond hen naar zijn wijngaard.** Brontekst: συμφωνήσας (symphonesas) = overeengekomen | δὲ (de) = maar | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ἐργατῶν (ergaton) = arbeiders | ἐκ (ek) = voor | δηναρίου (denariou) = een denarie | τὴν (ten) = de | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | ἀμπελῶνα (ampelona) = wijngaard | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt van ongeveer 3,9 gram. Het was in die tijd ongeveer het loon voor één dag werk. **20:3** **Rond het derde uur ging hij uit en zag anderen zonder werk op het marktplein staan.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgaand | περὶ (peri) = rond | τρίτην (triten) = derde | ὥραν (horan) = uur | εἶδεν (eiden) = zag | ἄλλους (allous) = anderen | ἑστῶτας (hestotas) = staande | ἐν (en) = op | τῇ (te) = het | ἀγορᾷ (agora) = marktplein | ἀργούς (argous) = zonder werk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De uren worden geteld vanaf zonsopgang. Het derde uur is ongeveer 9 uur ’s morgens, het zesde ongeveer 12 uur ’s middags, het negende ongeveer 15 uur en het elfde ongeveer 17 uur. Voetnoot : ἀγορά (agora), ‘marktplein’: de plek in de stad waar men handel dreef en waar werklozen op werk wachtten. ἀργός (argos), ‘zonder werk’. **20:4** **Ook tegen hen zei hij: ‘Ga ook jullie naar de wijngaard, en wat rechtvaardig is, zal ik jullie geven.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκείνοις (ekeinois) = aan hen | εἶπεν (eipen) = zei | Ὑπάγετε (Hypagete) = ga | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | ἀμπελῶνα (ampelona) = wijngaard | καὶ (kai) = en | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = als | ᾖ (e) = is | δίκαιον (dikaion) = rechtvaardig | δώσω (doso) = zal ik geven | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT **20:5** **Zij gingen. Rond het zesde en het negende uur ging hij opnieuw uit en deed hetzelfde.** Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen | πάλιν (palin) = opnieuw | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgaand | περὶ (peri) = rond | ἕκτην (hekten) = zesde | καὶ (kai) = en | ἐνάτην (enaten) = negende | ὥραν (horan) = uur | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ὡσαύτως (hosautos) = evenzo Bron: SBLGNT **20:6** **Rond het elfde uur ging hij uit en vond anderen staan, en hij zei tegen hen: ‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’** Brontekst: περὶ (peri) = rond | δὲ (de) = maar | τὴν (ten) = het | ἑνδεκάτην (hendekaten) = elfde | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgaand | εὗρεν (heuren) = vond | ἄλλους (allous) = anderen | ἑστῶτας (hestotas) = staande | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τί (Ti) = waarom | ὧδε (hode) = hier | ἑστήκατε (hestekate) = staan jullie | ὅλην (holen) = hele | τὴν (ten) = de | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἀργοί (argoi) = zonder werk Bron: SBLGNT **20:7** **Zij zeiden tegen hem: ‘Niemand heeft ons ingehuurd.’ Hij zei tegen hen: ‘Ga ook jullie naar de wijngaard.’** Brontekst: λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ὅτι (Hoti) = dat | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἡμᾶς (hemas) = ons | ἐμισθώσατο (emisthosato) = huurde in | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὑπάγετε (Hypagete) = ga | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | ἀμπελῶνα (ampelona) = wijngaard Bron: SBLGNT **20:8** **Toen het avond werd, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: ‘Roep de arbeiders. Betaal hun het loon, te beginnen bij de laatsten tot en met de eersten.’** Brontekst: ὀψίας (opsias) = avond | δὲ (de) = maar | γενομένης (genomenes) = geworden | λέγει (legei) = zegt | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τοῦ (tou) = van de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard | τῷ (to) = aan de | ἐπιτρόπῳ (epitropo) = rentmeester | αὐτοῦ (autou) = zijn | Κάλεσον (Kaleson) = roep | τοὺς (tous) = de | ἐργάτας (ergatas) = arbeiders | καὶ (kai) = en | ἀπόδος (apodos) = betaal | αὐτοῖς (autois) = hun | τὸν (ton) = het | μισθὸν (misthon) = loon | ἀρξάμενος (arxamenos) = beginnend | ἀπὸ (apo) = bij | τῶν (ton) = de | ἐσχάτων (eschaton) = laatsten | ἕως (heos) = tot | τῶν (ton) = de | πρώτων (proton) = eersten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπίτροπος (epitropos), ‘rentmeester’: iemand aan wie de eigenaar het beheer van zijn zaken toevertrouwt. **20:9** **Zij die rond het elfde uur waren gekomen, kregen ieder een denarie.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | οἱ (hoi) = zij | περὶ (peri) = rond | τὴν (ten) = het | ἑνδεκάτην (hendekaten) = elfde | ὥραν (horan) = uur | ἔλαβον (elabon) = ontvingen | ἀνὰ (ana) = elk | δηνάριον (denarion) = denarie Bron: SBLGNT **20:10** **Toen de eersten kwamen, dachten zij dat zij meer zouden krijgen. Ook zij kregen ieder een denarie.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | οἱ (hoi) = de | πρῶτοι (protoi) = eersten | ἐνόμισαν (enomisan) = dachten | ὅτι (hoti) = dat | πλεῖον (pleion) = meer | λήμψονται (lempsontai) = zullen ontvangen | καὶ (kai) = en | ἔλαβον (elabon) = ontvingen | τὸ (to) = het | ἀνὰ (ana) = elk | δηνάριον (denarion) = denarie | καὶ (kai) = ook | αὐτοί (autoi) = zij Bron: SBLGNT **20:11** **Toen zij het ontvingen, mopperden zij tegen de landeigenaar** Brontekst: λαβόντες (labontes) = ontvangen hebbend | δὲ (de) = maar | ἐγόγγυζον (egongyzon) = mopperden | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | οἰκοδεσπότου (oikodespotou) = landeigenaar Bron: SBLGNT **20:12** **en zeiden: ‘Deze laatsten hebben één uur gewerkt. U hebt hen aan ons gelijkgemaakt, die de last van de dag en de hitte hebben gedragen.’** Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Οὗτοι (Houtoi) = deze | οἱ (hoi) = de | ἔσχατοι (eschatoi) = laatsten | μίαν (mian) = één | ὥραν (horan) = uur | ἐποίησαν (epoiesan) = deden | καὶ (kai) = en | ἴσους (isous) = gelijk | αὐτοὺς (autous) = hen | ἡμῖν (hemin) = aan ons | ἐποίησας (epoiesas) = maakte u | τοῖς (tois) = degenen | βαστάσασι (bastasasi) = die gedragen hebben | τὸ (to) = de | βάρος (baros) = last | τῆς (tes) = van de | ἡμέρας (hemeras) = dag | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | καύσωνα (kausona) = hitte Bron: SBLGNT **20:13** **Hij antwoordde een van hen: ‘Vriend, ik doe je geen onrecht. Ben je niet een denarie met mij overeengekomen?** Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ἑνὶ (heni) = aan een | αὐτῶν (auton) = van hen | εἶπεν (eipen) = zei | Ἑταῖρε (Hetaire) = vriend | οὐκ (ouk) = niet | ἀδικῶ (adiko) = doe ik onrecht | σε (se) = je | οὐχὶ (ouchi) = niet | δηναρίου (denariou) = een denarie | συνεφώνησάς (synephonesas) = kwam je overeen | μοι (moi) = met mij Bron: SBLGNT **20:14** **Neem wat van jou is en ga. Ik wil aan deze laatste evenveel geven als aan jou.** Brontekst: ἆρον (aron) = neem | τὸ (to) = het | σὸν (son) = jouwe | καὶ (kai) = en | ὕπαγε (hypage) = ga | θέλω (thelo) = ik wil | δὲ (de) = maar | τούτῳ (touto) = aan deze | τῷ (to) = de | ἐσχάτῳ (eschato) = laatste | δοῦναι (dounai) = geven | ὡς (hos) = zoals | καὶ (kai) = ook | σοί (soi) = aan jou Bron: SBLGNT **20:15** **Mag ik met het mijne niet doen wat ik wil? Of is je oog boos, omdat ik goed ben?’** Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἔξεστίν (exestin) = is toegestaan | μοι (moi) = mij | ὃ (ho) = wat | θέλω (thelo) = ik wil | ποιῆσαι (poiesai) = doen | ἐν (en) = met | τοῖς (tois) = het | ἐμοῖς (emois) = mijne | ἢ (e) = of | ὁ (ho) = het | ὀφθαλμός (ophthalmos) = oog | σου (sou) = je | πονηρός (poneros) = boos | ἐστιν (estin) = is | ὅτι (hoti) = omdat | ἐγὼ (ego) = ik | ἀγαθός (agathos) = goed | εἰμι (eimi) = ben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀφθαλμὸς πονηρός (ophthalmos poneros), ‘boos oog’: een afgunstige blik van iemand die een ander het goede niet gunt. Zie Deut. 15:9; Spr. 23:6; 28:22. Zie ook: Deut 15:9; Spr 23:6; Spr 28:22 **20:16** **Zo zullen de laatsten eersten zijn en de eersten laatsten.”** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | οἱ (hoi) = de | ἔσχατοι (eschatoi) = laatsten | πρῶτοι (protoi) = eersten | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρῶτοι (protoi) = eersten | ἔσχατοι (eschatoi) = laatsten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 19:30; Mark. 10:31; Luc. 13:30. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften volgt hier nog: ‘Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.’ Dat staat niet in de SBLGNT; wij vertalen het niet. Vergelijk Matt. 22:14. Zie ook: Mat 19:30; Mat 22:14; Mar 10:31; Luc 13:30 ### Yeshua kondigt Zijn lijden aan **20:17** Toen Yeshua opging naar Jeruzalem, nam Hij de twaalf leerlingen apart. Onderweg zei Hij tegen hen: Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀναβαίνων (anabainon) = opgaand | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | παρέλαβεν (parelaben) = nam mee | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | κατ’ (kat’) = volgens | ἰδίαν (idian) = eigen | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 10:32–34; Luc. 18:31–34. Zie ook: Mar 10:32–34; Luc 18:31–34 **20:18** **„Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. De Mensenzoon zal worden overgeleverd aan de hogepriesters en schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen.** Brontekst: Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἀναβαίνομεν (anabainomen) = gaan op | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | παραδοθήσεται (paradothesetai) = zal worden overgeleverd | τοῖς (tois) = aan de | ἀρχιερεῦσιν (archiereusin) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | γραμματεῦσιν (grammateusin) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | κατακρινοῦσιν (katakrinousin) = zullen veroordelen | αὐτὸν (auton) = Hem | θανάτῳ (thanato) = tot de dood Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **20:19** **Zij zullen Hem overleveren aan de volken om Hem te bespotten, te geselen en te kruisigen, en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | παραδώσουσιν (paradosousin) = zullen overleveren | αὐτὸν (auton) = Hem | τοῖς (tois) = aan de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | εἰς (eis) = tot | τὸ (to) = het | ἐμπαῖξαι (empaixai) = bespotten | καὶ (kai) = en | μαστιγῶσαι (mastigosai) = geselen | καὶ (kai) = en | σταυρῶσαι (staurosai) = kruisigen | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | τρίτῃ (trite) = derde | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐγερθήσεται (egerthesetai) = zal worden opgewekt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθνη (ethne), ‘volken’: hier de niet-Joden. ### Het verzoek van de moeder van de zonen van Zebedeüs **20:20** Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Hem toe. Zij boog zich neer en vroeg Hem iets. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | προσῆλθεν (proselthen) = kwam naar | αὐτῷ (auto) = Hem | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | τῶν (ton) = van de | υἱῶν (huion) = zonen | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = van Zebedeüs | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | υἱῶν (huion) = zonen | αὐτῆς (autes) = haar | προσκυνοῦσα (proskynousa) = zich neerbuigend | καὶ (kai) = en | αἰτοῦσά (aitousa) = vragend | τι (ti) = iets | παρ’ (par’) = van | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zebedeüs was de vader van Jakobus en Johannes (Matt. 4:21). προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zich diep buigen voor iemand met gezag. Voetnoot : Zie ook Mark. 10:35–45; daar vragen de zonen het zelf. Zie ook: Mat 4:21; Mar 10:35–45 **20:21** Hij zei tegen haar: **„Wat wil je?”** Zij zei tegen Hem: „Zeg dat deze twee zonen van mij in Uw koninkrijk mogen zitten, de een aan Uw rechterhand en de ander aan Uw linkerhand.” Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tot haar | Τί (Ti) = wat | θέλεις (theleis) = wil je | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Εἰπὲ (Eipe) = zeg | ἵνα (hina) = dat | καθίσωσιν (kathisosin) = zouden zitten | οὗτοι (houtoi) = deze | οἱ (hoi) = de | δύο (dyo) = twee | υἱοί (huioi) = zonen | μου (mou) = mijn | εἷς (heis) = een | ἐκ (ek) = uit | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | σου (sou) = Uw | καὶ (kai) = en | εἷς (heis) = een | ἐξ (ex) = uit | εὐωνύμων (euonymon) = linkerhand | σου (sou) = Uw | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐώνυμος (euonymos), ‘links’: letterlijk ‘goed benoemd’, een vriendelijke omschrijving voor de linkerkant. De plaatsen rechts en links van een koning waren de eervolste. **20:22** Yeshua antwoordde: **„Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie de beker drinken die Ik ga drinken?”** Zij zeiden tegen Hem: „Wij kunnen het.” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐκ (Ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = weten jullie | τί (ti) = wat | αἰτεῖσθε (aiteisthe) = vragen jullie | δύνασθε (dynasthe) = kunnen jullie | πιεῖν (piein) = drinken | τὸ (to) = de | ποτήριον (poterion) = beker | ὃ (ho) = die | ἐγὼ (ego) = Ik | μέλλω (mello) = sta op het punt | πίνειν (pinein) = te drinken | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Δυνάμεθα (Dynametha) = wij kunnen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ποτήριον (poterion), ‘beker’: een beeld voor het lot dat Elohim iemand te drinken geeft, hier het lijden. Zie Jes. 51:17; Jer. 25:15; Ps. 75:9 (in de Nederlandse telling is dit 75:8); Matt. 26:39. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften volgt hier nog: ‘en gedoopt worden met de doop waarmee Ik gedoopt word’. Dat staat niet in de SBLGNT; wij vertalen het niet. Zie ook: Ps 75:9; Jes 51:17; Jer 25:15; Mat 26:39 **20:23** Hij zei tegen hen: **„Mijn beker zullen jullie drinken. Maar zitten aan Mijn rechterhand en aan Mijn linkerhand is niet aan Mij om te geven. Het is voor hen voor wie het bereid is door Mijn Vader.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τὸ (To) = de | μὲν (men) = wel | ποτήριόν (poterion) = beker | μου (mou) = Mijn | πίεσθε (piesthe) = zullen drinken jullie | τὸ (to) = het | δὲ (de) = maar | καθίσαι (kathisai) = zitten | ἐκ (ek) = uit | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = uit | εὐωνύμων (euonymon) = linkerhand | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐμὸν (emon) = het Mijne | δοῦναι (dounai) = geven | ἀλλ’ (all’) = maar | οἷς (hois) = aan wie | ἡτοίμασται (hetoimastai) = is bereid | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **20:24** Toen de 10 dit hoorden, werden zij verontwaardigd over de twee broers. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | οἱ (hoi) = de | δέκα (deka) = tien | ἠγανάκτησαν (eganaktesan) = werden verontwaardigd | περὶ (peri) = over | τῶν (ton) = de | δύο (dyo) = twee | ἀδελφῶν (adelphon) = broers Bron: SBLGNT ### Groot zijn is dienen **20:25** Yeshua riep hen bij Zich. Hij zei: **„Jullie weten dat de heersers van de volken hen overheersen en dat de groten macht over hen laten gelden.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij Zich roepend | αὐτοὺς (autous) = hen | εἶπεν (eipen) = zei | Οἴδατε (Oidate) = weten jullie | ὅτι (hoti) = dat | οἱ (hoi) = de | ἄρχοντες (archontes) = heersers | τῶν (ton) = van de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | κατακυριεύουσιν (katakyrieuousin) = overheersen | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μεγάλοι (megaloi) = groten | κατεξουσιάζουσιν (katexousiazousin) = laten macht gelden over | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 10:41–45; Luc. 22:24–27. Zie ook: Mar 10:41–45; Luc 22:24–27 **20:26** **Zo zal het onder jullie niet zijn. Maar wie onder jullie groot wil worden, zal jullie dienaar zijn.** Brontekst: οὐχ (ouch) = niet | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀλλ’ (all’) = maar | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = ook | θέλῃ (thele) = wil | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | μέγας (megas) = groot | γενέσθαι (genesthai) = worden | ἔσται (estai) = zal zijn | ὑμῶν (hymon) = jullie | διάκονος (diakonos) = dienaar Bron: SBLGNT **20:27** **En wie onder jullie de eerste wil zijn, zal jullie knecht zijn,** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = ook | θέλῃ (thele) = wil | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | εἶναι (einai) = zijn | πρῶτος (protos) = eerste | ἔσται (estai) = zal zijn | ὑμῶν (hymon) = jullie | δοῦλος (doulos) = knecht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάκονος (diakonos), ‘dienaar’ (vers 26), en δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk iemand die van zijn heer is, een slaaf. Het tweede woord is het sterkste. Zie ook: Mat 20:26 **20:28** **zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losgeld voor velen.”** Brontekst: ὥσπερ (hosper) = zoals | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | οὐκ (ouk) = niet | ἦλθεν (elthen) = is gekomen | διακονηθῆναι (diakonethenai) = gediend te worden | ἀλλὰ (alla) = maar | διακονῆσαι (diakonesai) = te dienen | καὶ (kai) = en | δοῦναι (dounai) = te geven | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λύτρον (lytron) = losgeld | ἀντὶ (anti) = voor | πολλῶν (pollon) = velen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λύτρον (lytron), ‘losgeld’: de prijs om iemand vrij te kopen of vrij te laten. Zie Exod. 21:30; Ps. 49:8–9; Jes. 53:10–12, waar ook ‘de velen’ voorkomen. ψυχή (psyche), ‘leven’: het Hebreeuwse נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel, leven’. Voetnoot : Zie ook Mark. 10:45. Zie ook: Ex 21:30; Ps 49:8–9; Jes 53:10–12; Mar 10:45 ### Twee blinden bij Jericho **20:29** Toen zij Jericho verlieten, volgde een grote menigte Hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐκπορευομένων (ekporeuomenon) = uittrekkend | αὐτῶν (auton) = zij | ἀπὸ (apo) = uit | Ἰεριχὼ (Iericho) = Jericho | ἠκολούθησεν (ekolouthesen) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολύς (polys) = grote Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 10:46–52; Luc. 18:35–43. Zie ook: Mar 10:46–52; Luc 18:35–43 **20:30** En zie: twee blinden die langs de weg zaten, hoorden dat Yeshua voorbijkwam en riepen: „Heer, ontferm U over ons, Zoon van David!” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | δύο (dyo) = twee | τυφλοὶ (typhloi) = blinden | καθήμενοι (kathemenoi) = zittend | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | παράγει (paragei) = voorbijkomt | ἔκραξαν (ekraxan) = riepen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἐλέησον (eleeson) = ontferm U | ἡμᾶς (hemas) = over ons | υἱὸς (huios) = Zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱὸς Δαυίδ (hyios David), ‘Zoon van David’: een titel voor de Messias, de beloofde nakomeling van David (Matt. 1:1). Matteüs noemt twee blinden; zie ook Matt. 9:27. Voetnoot : ἐλέησον (eleeson), ‘ontferm U’: zie Matt. 15:22 en 17:15. Zie ook: Mat 1:1; Mat 9:27; Mat 15:22; Mat 17:15 **20:31** De menigte bestrafte hen: zij moesten zwijgen. Maar zij riepen nog harder: „Heer, ontferm U over ons, Zoon van David!” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | αὐτοῖς (autois) = hen | ἵνα (hina) = opdat | σιωπήσωσιν (siopesosin) = zouden zwijgen | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | μεῖζον (meizon) = harder | ἔκραξαν (ekraxan) = riepen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἐλέησον (eleeson) = ontferm U | ἡμᾶς (hemas) = over ons | υἱὸς (huios) = Zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David Bron: SBLGNT **20:32** Yeshua bleef staan, riep hen en zei: **„Wat willen jullie dat Ik voor jullie doe?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | στὰς (stas) = stilstaand | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐφώνησεν (ephonesen) = riep | αὐτοὺς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Τί (Ti) = wat | θέλετε (thelete) = willen jullie | ποιήσω (poieso) = dat Ik doe | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT **20:33** Zij zeiden tegen Hem: „Heer, dat onze ogen geopend worden.” Brontekst: λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἵνα (hina) = dat | ἀνοιγῶσιν (anoigosin) = geopend worden | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοὶ (ophthalmoi) = ogen | ἡμῶν (hemon) = onze Bron: SBLGNT **20:34** Yeshua kreeg medelijden en raakte hun ogen aan. Meteen konden zij weer zien, en zij volgden Hem. Brontekst: σπλαγχνισθεὶς (splanchnistheis) = medelijden krijgend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | τῶν (ton) = de | ὀμμάτων (ommaton) = ogen | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀνέβλεψαν (aneblepsan) = konden zien | καὶ (kai) = en | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπλαγχνισθείς (splanchnistheis), ‘medelijden krijgend’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, de plaats van diepe gevoelens. Zie ook Matt. 14:14. Zie ook: Mat 14:14 ## Matteüs 21 _De intocht in Jeruzalem, de tempel en de gelijkenissen_ ### De intocht in Jeruzalem **21:1** Toen zij Jeruzalem naderden en bij Betfage kwamen, aan de Olijfberg, zond Yeshua twee leerlingen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἤγγισαν (engisan) = naderden | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | εἰς (eis) = naar | Βηθφαγὴ (Bethphage) = Betfage | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | Ὄρος (Oros) = Berg | τῶν (ton) = van de | Ἐλαιῶν (Elaion) = Olijven | τότε (tote) = toen | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | δύο (dyo) = twee | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Betfage (ligging onzeker): Betfage lag op of aan de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker; van oudsher wordt het gezocht bij et-Tur. Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν (Oros ton Elaion), letterlijk ‘Berg van de Olijven’: wij schrijven ‘Olijfberg’. Voetnoot : Zie ook Mark. 11:1–11; Luc. 19:28–40; Joh. 12:12–19. Zie ook: Mar 11:1–11; Luc 19:28–40; Joh 12:12–19 **21:2** Hij zei tegen hen: **„Ga naar het dorp tegenover jullie. Meteen zullen jullie een vastgebonden ezelin vinden en een veulen bij haar. Maak ze los en breng ze naar Mij toe.** Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Πορεύεσθε (Poreuesthe) = ga | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | κώμην (komen) = dorp | τὴν (ten) = het | κατέναντι (katenanti) = tegenover | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | εὑρήσετε (heuresete) = zullen vinden | ὄνον (onon) = ezelin | δεδεμένην (dedemenen) = vastgebonden | καὶ (kai) = en | πῶλον (polon) = veulen | μετ’ (met’) = met | αὐτῆς (autes) = haar | λύσαντες (lysantes) = losmakend | ἀγάγετέ (agagete) = breng | μοι (moi) = naar Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὄνος (onos) kan ‘ezel’ of ‘ezelin’ zijn; ‘vastgebonden’ (δεδεμένην, dedemenen) is vrouwelijk, dus hier gaat het om een ezelin. πῶλος (polos), ‘veulen’: een jong dier. **21:3** **Als iemand iets tegen jullie zegt, zeg dan: ‘Hun Heer heeft ze nodig.’ Meteen zal hij ze zenden.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | εἴπῃ (eipe) = zegt | τι (ti) = iets | ἐρεῖτε (ereite) = zullen jullie zeggen | ὅτι (hoti) = dat | Ὁ (Ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | αὐτῶν (auton) = hun | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχει (echei) = heeft | εὐθὺς (euthys) = meteen | δὲ (de) = maar | ἀποστελεῖ (apostelei) = zal zenden | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: het kan Yeshua zelf zijn, maar ook ‘hun heer’, de eigenaar van de dieren. Wij lezen Yeshua; ‘hun’ slaat op de dieren. **21:4** Dit is gebeurd, opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet: Brontekst: Τοῦτο (Touto) = dit | δὲ (de) = maar | γέγονεν (gegonen) = is gebeurd | ἵνα (hina) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gezegde | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat in vers 5 voegt twee profetische woorden samen: Jes. 62:11 en Zach. 9:9. Matteüs noemt geen naam, alleen ‘de profeet’. Zie ook: Jes 62:11; Zach 9:9; Mat 21:5 **21:5** „Zeg tegen Dochter Sion: ‘Zie, je koning komt naar je toe, zachtmoedig en gezeten op een ezel en op een veulen, het jong van een lastdier.’” Brontekst: Εἴπατε (Eipate) = zeg | τῇ (te) = aan de | θυγατρὶ (thygatri) = dochter | Σιών (Sion) = Sion | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ὁ (ho) = de | βασιλεύς (basileus) = koning | σου (sou) = je | ἔρχεταί (erchetai) = komt | σοι (soi) = naar je toe | πραῢς (praus) = zachtmoedig | καὶ (kai) = en | ἐπιβεβηκὼς (epibebekos) = gezeten | ἐπὶ (epi) = op | ὄνον (onon) = ezel | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = op | πῶλον (polon) = veulen | υἱὸν (huion) = jong | ὑποζυγίου (hypozygiou) = van een lastdier Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van Zach. 9:9 heeft ‘rechtvaardig en gered, arm’; de Griekse tekst heeft πραΰς (praus), ‘zachtmoedig’. Het Hebreeuws zegt ‘op een ezel, op een jonge ezel, een jong van ezelinnen’; de Griekse tekst zegt ‘op een ezel en op een veulen, het jong van een lastdier’. Het begin, ‘Zeg tegen Dochter Sion’, staat in Jes. 62:11. Zie ook: Jes 62:11; Zach 9:9 **21:6** De leerlingen gingen en deden zoals Yeshua hun had opgedragen. Brontekst: πορευθέντες (poreuthentes) = gegaan zijnde | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | καὶ (kai) = en | ποιήσαντες (poiesantes) = gedaan hebbend | καθὼς (kathos) = zoals | συνέταξεν (synetaxen) = had opgedragen | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT **21:7** Zij brachten de ezelin en het veulen, legden de mantels erop en Hij ging erbovenop zitten. Brontekst: ἤγαγον (egagon) = brachten | τὴν (ten) = de | ὄνον (onon) = ezelin | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | πῶλον (polon) = veulen | καὶ (kai) = en | ἐπέθηκαν (epethekan) = legden | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτῶν (auton) = hen | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = mantels | καὶ (kai) = en | ἐπεκάθισεν (epekathisen) = ging zitten | ἐπάνω (epano) = bovenop | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ἐπάνω αὐτῶν (epano auton), ‘bovenop hen’. Dat kan de mantels zijn of de beide dieren. Wij vertalen ‘erbovenop’. **21:8** De zeer grote menigte spreidde haar mantels uit op de weg. Anderen hakten takken van de bomen en spreidden die uit op de weg. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | πλεῖστος (pleistos) = grootste | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἔστρωσαν (estrosan) = spreidden uit | ἑαυτῶν (heauton) = hun eigen | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = mantels | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | ἔκοπτον (ekopton) = hakten | κλάδους (kladous) = takken | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | δένδρων (dendron) = bomen | καὶ (kai) = en | ἐστρώννυον (estronnyon) = spreidden uit | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed. Kleren op de weg leggen was een eerbewijs aan een koning, vergelijk 2 Kon. 9:13. Zie ook: 2 Kon 9:13 **21:9** De menigten die voor Hem uit gingen en die Hem volgden, riepen: „Hosanna aan de Zoon van David! Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh! Hosanna in de hoogste hoogten!” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ὄχλοι (ochloi) = menigten | οἱ (hoi) = de | προάγοντες (proagontes) = voorgaande | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀκολουθοῦντες (akolouthountes) = volgende | ἔκραζον (ekrazon) = riepen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ὡσαννὰ (Hosanna) = Hosanna | τῷ (to) = aan de | υἱῷ (huio) = Zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David | Εὐλογημένος (Eulogemenos) = gezegend | ὁ (ho) = Hij die | ἐρχόμενος (erchomenos) = komt | ἐν (en) = in | ὀνόματι (onomati) = naam | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | Ὡσαννὰ (Hosanna) = Hosanna | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | ὑψίστοις (hypsistois) = hoogste hoogten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὡσαννά (hosanna) komt van het Hebreeuwse הוֹשִׁיעָה נָּא (hoshia na), ‘red toch’ (Ps. 118:25). Het werd een jubelroep. Het citaat is Ps. 118:25–26; daar staat ‘hij die komt’, wij schrijven ‘Hij’, omdat de menigte over Yeshua spreekt. Voetnoot : ὑψίστοις (hypsistois), ‘in de hoogste’: het Grieks heeft geen zelfstandig naamwoord; wij schrijven ‘hoogten’, zoals in Mark. 11:10. Zie ook: Ps 118:25; Mar 11:10 **21:10** Toen Hij Jeruzalem binnenkwam, kwam de hele stad in beroering. Zij zei: „Wie is dit?” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσελθόντος (eiselthontos) = binnengaand | αὐτοῦ (autou) = Hij | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | ἐσείσθη (eseisthe) = kwam in beroering | πᾶσα (pasa) = hele | ἡ (he) = de | πόλις (polis) = stad | λέγουσα (legousa) = zeggend | Τίς (Tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | οὗτος (houtos) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἐσείσθη (eseisthe), ‘kwam in beroering’: letterlijk ‘werd door elkaar geschud’, zoals bij een aardbeving. **21:11** De menigten zeiden: „Dit is de profeet Yeshua, die van Nazaret in Galilea komt.” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ὄχλοι (ochloi) = menigten | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | προφήτης (prophetes) = profeet | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = die | ἀπὸ (apo) = van | Ναζαρὲθ (Nazareth) = Nazaret | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Ναζαρέθ (Nazareth) is een andere spelling van Ναζαρέτ (Nazaret, Matt. 2:23). Zie ook: Mat 2:23 ### Yeshua in de tempel **21:12** Yeshua ging de tempel binnen en joeg allen naar buiten die in de tempel verkochten en kochten. Hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de zetels van de duivenverkopers om. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ἱερόν (hieron) = tempel | καὶ (kai) = en | ἐξέβαλεν (exebalen) = joeg naar buiten | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | πωλοῦντας (polountas) = verkopers | καὶ (kai) = en | ἀγοράζοντας (agorazontas) = kopers | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | τραπέζας (trapezas) = tafels | τῶν (ton) = van de | κολλυβιστῶν (kollybiston) = geldwisselaars | κατέστρεψεν (katestrepsen) = gooide om | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | καθέδρας (kathedras) = zetels | τῶν (ton) = van degenen | πωλούντων (polounton) = die verkochten | τὰς (tas) = de | περιστεράς (peristeras) = duiven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelterrein. κολλυβιστής (kollybistes), ‘geldwisselaar’: iemand die geld wisselde voor wie in de tempel iets moest betalen. Voetnoot : Zie ook Mark. 11:15–17; Luc. 19:45–46; Joh. 2:13–17. Zie ook: Mar 11:15–17; Luc 19:45–46; Joh 2:13–17 **21:13** Hij zei tegen hen: **„Er staat geschreven: ‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd.’ Maar jullie maken er een rovershol van.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Γέγραπται (Gegraptai) = er staat geschreven | Ὁ (Ho) = het | οἶκός (oikos) = huis | μου (mou) = Mijn | οἶκος (oikos) = huis | προσευχῆς (proseuches) = van gebed | κληθήσεται (klethesetai) = zal worden genoemd | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = het | ποιεῖτε (poieite) = maken | σπήλαιον (spelaion) = hol | λῃστῶν (leston) = van rovers Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het eerste citaat is Jes. 56:7 (‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken’); ‘rovershol’ komt uit Jer. 7:11. Zie ook: Jes 56:7; Jer 7:11 **21:14** In de tempel kwamen blinden en kreupelen naar Hem toe, en Hij genas hen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | τυφλοὶ (typhloi) = blinden | καὶ (kai) = en | χωλοὶ (choloi) = kreupelen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | καὶ (kai) = en | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **21:15** De hogepriesters en de schriftgeleerden zagen de tekenen die Hij deed. Zij zagen ook de kinderen die in de tempel riepen: „Hosanna aan de Zoon van David!” Zij werden verontwaardigd. Brontekst: ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | τὰ (ta) = de | θαυμάσια (thaumasia) = tekenen | ἃ (ha) = die | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | παῖδας (paidas) = kinderen | τοὺς (tous) = die | κράζοντας (krazontas) = roepende | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | καὶ (kai) = en | λέγοντας (legontas) = zeggende | Ὡσαννὰ (Hosanna) = Hosanna | τῷ (to) = aan de | υἱῷ (huio) = Zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David | ἠγανάκτησαν (eganaktesan) = werden verontwaardigd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θαυμάσια (thaumasia), ‘tekenen’: letterlijk ‘wonderlijke dingen’; wij vertalen het zoals σημεῖον (semeion), ‘teken’. παῖδες (paides), ‘kinderen’: het woord kan ook ‘knechten’ betekenen. ἠγανάκτησαν (eganaktesan), ‘werden verontwaardigd’: hetzelfde woord als in Matt. 20:24. Zie ook: Mat 20:24 **21:16** Zij zeiden tegen Hem: „Hoort U wat dezen zeggen?” Yeshua zei tegen hen: **„Ja. Hebben jullie nooit gelezen: ‘Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U lof bereid’?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ἀκούεις (Akoueis) = hoort U | τί (ti) = wat | οὗτοι (houtoi) = dezen | λέγουσιν (legousin) = zeggen | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ναί (Nai) = ja | οὐδέποτε (oudepote) = nooit | ἀνέγνωτε (anegnote) = hebben jullie gelezen | ὅτι (hoti) = dat | Ἐκ (Ek) = uit | στόματος (stomatos) = mond | νηπίων (nepion) = van kleine kinderen | καὶ (kai) = en | θηλαζόντων (thelazonton) = van zuigelingen | κατηρτίσω (katertiso) = hebt U bereid | αἶνον (ainon) = lof Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Ps. 8:3; in de Nederlandse telling is dit 8:2. Het Hebreeuws heeft ‘kracht’ (עֹז, oz); de Griekse tekst heeft αἶνος (ainos), ‘lof’. Zie ook: Ps 8:3 **21:17** Hij liet hen achter, ging de stad uit naar Betanië en overnachtte daar. Brontekst: καὶ (kai) = en | καταλιπὼν (katalipon) = achterlatend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | εἰς (eis) = naar | Βηθανίαν (Bethanian) = Betanië | καὶ (kai) = en | ηὐλίσθη (eylisthe) = overnachtte | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. ### De vijgenboom verdort **21:18** Toen Hij vroeg in de morgen naar de stad terugging, kreeg Hij honger. Brontekst: Πρωῒ (Proi) = vroeg in de morgen | δὲ (de) = maar | ἐπανάγων (epanagon) = teruggaand | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | ἐπείνασεν (epeinasen) = kreeg honger Bron: SBLGNT **21:19** Hij zag langs de weg een vijgenboom, ging ernaartoe en vond er niets dan alleen bladeren. Hij zei ertegen: **„Laat er van jou nooit meer vrucht komen, voor eeuwig.”** En meteen verdorde de vijgenboom. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziende | συκῆν (syken) = vijgenboom | μίαν (mian) = één | ἐπὶ (epi) = aan | τῆς (tes) = de | ὁδοῦ (hodou) = weg | ἦλθεν (elthen) = ging | ἐπ’ (ep’) = naar | αὐτήν (auten) = haar | καὶ (kai) = en | οὐδὲν (ouden) = niets | εὗρεν (heuren) = vond | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = haar | εἰ (ei) = tenzij | μὴ (me) = niet | φύλλα (phylla) = bladeren | μόνον (monon) = alleen | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = tot haar | Μηκέτι (Meketi) = niet meer | ἐκ (ek) = uit | σοῦ (sou) = jou | καρπὸς (karpos) = vrucht | γένηται (genetai) = laat komen | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | καὶ (kai) = en | ἐξηράνθη (exeranthe) = verdorde | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | ἡ (he) = de | συκῆ (syke) = vijgenboom Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 11:12–14. Zie ook: Mar 11:12–14 **21:20** Toen de leerlingen dat zagen, verbaasden zij zich en zeiden: „Hoe is de vijgenboom meteen verdord?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἐθαύμασαν (ethaumasan) = verwonderden zich | λέγοντες (legontes) = zeggend | Πῶς (Pos) = hoe | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | ἐξηράνθη (exeranthe) = verdorde | ἡ (he) = de | συκῆ (syke) = vijgenboom Bron: SBLGNT **21:21** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: als jullie geloof hebben en niet twijfelen, zullen jullie niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd. Zelfs als jullie tegen deze berg zeggen: ‘Word opgeheven en word in de zee geworpen’, zal het gebeuren.** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = zeg Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐὰν (ean) = als | ἔχητε (echete) = hebben jullie | πίστιν (pistin) = geloof | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | διακριθῆτε (diakrithete) = twijfelen jullie | οὐ (ou) = niet | μόνον (monon) = alleen | τὸ (to) = het | τῆς (tes) = van de | συκῆς (sykes) = vijgenboom | ποιήσετε (poiesete) = zullen doen | ἀλλὰ (alla) = maar | κἂν (kan) = zelfs als | τῷ (to) = aan de | ὄρει (orei) = berg | τούτῳ (touto) = deze | εἴπητε (eipete) = zeggen jullie | Ἄρθητι (Artheti) = word opgeheven | καὶ (kai) = en | βλήθητι (bletheti) = word geworpen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | γενήσεται (genesetai) = zal gebeuren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διακρίνομαι (diakrinomai), ‘twijfelen’: letterlijk ‘binnenin gescheiden zijn’. Vergelijk Matt. 17:20. Voetnoot : Zie ook Mark. 11:20–24. Zie ook: Mat 17:20; Mar 11:20–24 **21:22** **En alles wat jullie in het gebed vragen, zullen jullie ontvangen als jullie geloven.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | ἂν (an) = ook | αἰτήσητε (aitesete) = vragen jullie | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | προσευχῇ (proseuche) = gebed | πιστεύοντες (pisteuontes) = gelovend | λήμψεσθε (lempsesthe) = zullen ontvangen Bron: SBLGNT ### De vraag naar Zijn gezag **21:23** Toen Hij de tempel was binnengegaan, kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe terwijl Hij onderwees. Zij zeiden: „Met welk gezag doet U dit? En wie heeft U dit gezag gegeven?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐλθόντος (elthontos) = gekomen zijnde | αὐτοῦ (autou) = Hij | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | διδάσκοντι (didaskonti) = onderwijzend | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἐν (En) = in | ποίᾳ (poia) = welk | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ποιεῖς (poieis) = doet U | καὶ (kai) = en | τίς (tis) = wie | σοι (soi) = U | ἔδωκεν (edoken) = gaf | τὴν (ten) = het | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ταύτην (tauten) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te handelen. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: de leiders van het volk. Voetnoot : Zie ook Mark. 11:27–33; Luc. 20:1–8. Zie ook: Mar 11:27–33; Luc 20:1–8 **21:24** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Ook Ik zal jullie één vraag stellen. Als jullie Mij die beantwoorden, zal Ik jullie ook zeggen met welk gezag Ik dit doe.** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ἐρωτήσω (Eroteso) = zal vragen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | κἀγὼ (kago) = ook Ik | λόγον (logon) = woord | ἕνα (hena) = één | ὃν (hon) = dat | ἐὰν (ean) = als | εἴπητέ (eipete) = zeggen jullie | μοι (moi) = Mij | κἀγὼ (kago) = ook Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐρῶ (ero) = zal zeggen | ἐν (en) = in | ποίᾳ (poia) = welk | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ποιῶ (poio) = doe Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λόγον (logon), letterlijk ‘woord’: hier een vraag. **21:25** **De doop van Johannes: waar kwam die vandaan? Uit de hemel of van mensen?”** Zij overlegden onder elkaar en zeiden: „Als wij zeggen: ‘Uit de hemel’, zal Hij tegen ons zeggen: ‘Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?’ Brontekst: τὸ (to) = de | βάπτισμα (baptisma) = doop | τὸ (to) = die | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | πόθεν (pothen) = waar vandaan | ἦν (en) = was | ἐξ (ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἢ (e) = of | ἐξ (ex) = uit | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | διελογίζοντο (dielogizonto) = overlegden | ἐν (en) = onder | ἑαυτοῖς (heautois) = elkaar | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἐὰν (Ean) = als | εἴπωμεν (eipomen) = zeggen wij | Ἐξ (Ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | ἡμῖν (hemin) = tot ons | Διὰ (Dia) = om | τί (ti) = wat | οὖν (oun) = dan | οὐκ (ouk) = niet | ἐπιστεύσατε (episteusate) = geloofden jullie | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Uit de hemel’: ‘de hemel’ is een omschrijving voor Elohim, zoals in ‘het koninkrijk van de hemelen’ (Matt. 3:2). Zie ook: Mat 3:2 **21:26** Maar als wij zeggen: ‘Van mensen’, dan zijn wij bang voor de menigte, want zij houden allemaal Johannes voor een profeet.” Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | εἴπωμεν (eipomen) = zeggen wij | Ἐξ (Ex) = uit | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | φοβούμεθα (phoboumetha) = zijn bang voor | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | πάντες (pantes) = allen | γὰρ (gar) = want | ὡς (hos) = als | προφήτην (propheten) = profeet | ἔχουσιν (echousin) = houden | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes Bron: SBLGNT **21:27** Zij antwoordden Yeshua: „Wij weten het niet.” Ook Hij zei tegen hen: **„Ook Ik zeg jullie niet met welk gezag Ik dit doe.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθέντες (apokrithentes) = antwoordend | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | εἶπαν (eipan) = zeiden | Οὐκ (Ouk) = niet | οἴδαμεν (oidamen) = weten wij | ἔφη (ephe) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | καὶ (kai) = ook | αὐτός (autos) = Hij zelf | Οὐδὲ (Oude) = ook niet | ἐγὼ (ego) = Ik | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐν (en) = in | ποίᾳ (poia) = welk | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ποιῶ (poio) = doe Bron: SBLGNT ### Gelijkenis van de twee kinderen **21:28** **„Wat denken jullie? Een man had twee kinderen. Hij ging naar de eerste en zei: ‘Kind, ga vandaag werken in de wijngaard.’** Brontekst: Τί (Ti) = wat | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | δοκεῖ (dokei) = lijkt | ἄνθρωπος (anthropos) = man | εἶχεν (eichen) = had | τέκνα (tekna) = kinderen | δύο (dyo) = twee | προσελθὼν (proselthon) = gegaan naar | τῷ (to) = de | πρώτῳ (proto) = eerste | εἶπεν (eipen) = zei | Τέκνον (Teknon) = kind | ὕπαγε (hypage) = ga | σήμερον (semeron) = vandaag | ἐργάζου (ergazou) = werk | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀμπελῶνι (ampeloni) = wijngaard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τέκνον (teknon), ‘kind’: het Grieks zegt ‘kinderen’, al zijn het hier zonen. De gelijkenis staat alleen bij Matteüs. **21:29** **Die antwoordde: ‘Ik wil niet.’ Maar later kreeg hij spijt en ging.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐ (Ou) = niet | θέλω (thelo) = ik wil | ὕστερον (hysteron) = later | δὲ (de) = maar | μεταμεληθεὶς (metameletheis) = spijt gekregen hebbend | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μεταμεληθείς (metameletheis), ‘spijt gekregen’, is een ander woord dan μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’ (Matt. 3:2). Zie ook: Mat 3:2 **21:30** **Maar hij ging naar de tweede en zei hetzelfde. Die antwoordde: ‘Ik ga, heer.’ Maar hij ging niet.** Brontekst: προσελθὼν (proselthon) = gegaan naar | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = de | δευτέρῳ (deutero) = tweede | εἶπεν (eipen) = zei | ὡσαύτως (hosautos) = evenzo | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐγώ (Ego) = ik | κύριε (kyrie) = heer | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft Ἐγώ, κύριε (ego, kyrie), letterlijk ‘Ik, heer’. Wij vullen ‘ga’ aan. ‘Heer’ staat met kleine letter, want het kind spreekt zijn vader aan. **21:31** **Wie van de twee heeft de wil van de vader gedaan?”** Zij zeiden: „De eerste.” Yeshua zei tegen hen: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: de tollenaars en de prostituees gaan jullie voor, het koninkrijk van Elohim binnen.** Brontekst: τίς (tis) = wie | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | δύο (dyo) = twee | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = vader | λέγουσιν (legousin) = zeggen | Ὁ (Ho) = de | πρῶτος (protos) = eerste | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = zeg Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οἱ (hoi) = de | τελῶναι (telonai) = tollenaars | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | πόρναι (pornai) = prostituees | προάγουσιν (proagousin) = gaan voor | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τελῶναι (telonai), ‘tollenaars’: mannen die belasting inden voor de Romeinen. πόρναι (pornai), ‘prostituees’. προάγουσιν (proagousin), ‘gaan voor’: zij gaan het koninkrijk eerder binnen dan de leiders; het woord kan ook ‘gaan voorbij’ betekenen. Voetnoot Lezing: In sommige oude handschriften staan de twee kinderen in omgekeerde volgorde, en dan is ook het antwoord anders. Wij volgen de SBLGNT. **21:32** **Want Johannes kwam naar jullie op de weg van gerechtigheid, en jullie geloofden hem niet. De tollenaars en de prostituees geloofden hem. Maar jullie hebben het gezien en toch geen spijt gekregen, om hem daarna te geloven.”** Brontekst: ἦλθεν (elthen) = kwam | γὰρ (gar) = want | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐν (en) = op | ὁδῷ (hodo) = weg | δικαιοσύνης (dikaiosynes) = van gerechtigheid | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐπιστεύσατε (episteusate) = geloofden jullie | αὐτῷ (auto) = hem | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | τελῶναι (telonai) = tollenaars | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | πόρναι (pornai) = prostituees | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | αὐτῷ (auto) = hem | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | οὐδὲ (oude) = zelfs niet | μετεμελήθητε (metemelethete) = kregen spijt | ὕστερον (hysteron) = later | τοῦ (tou) = van het | πιστεῦσαι (pisteusai) = geloven | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁδὸς δικαιοσύνης (hodos dikaiosynes), ‘weg van gerechtigheid’: een leven zoals Elohim het goed en recht vindt (Matt. 3:15). Zie ook: Mat 3:15 ### Gelijkenis van de wijngaard en de pachters **21:33** **„Luister naar een andere gelijkenis. Er was een man die landeigenaar was. Hij plantte een wijngaard, zette er een omheining omheen, groef er een wijnpers in en bouwde een toren. Hij verpachtte hem aan pachters en reisde naar het buitenland.** Brontekst: Ἄλλην (Allen) = andere | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ἀκούσατε (akousate) = luister | Ἄνθρωπος (Anthropos) = man | ἦν (en) = was | οἰκοδεσπότης (oikodespotes) = landeigenaar | ὅστις (hostis) = die | ἐφύτευσεν (ephyteusen) = plantte | ἀμπελῶνα (ampelona) = wijngaard | καὶ (kai) = en | φραγμὸν (phragmon) = omheining | αὐτῷ (auto) = hem | περιέθηκεν (perietheken) = zette omheen | καὶ (kai) = en | ὤρυξεν (oryxen) = groef | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem | ληνὸν (lenon) = wijnpers | καὶ (kai) = en | ᾠκοδόμησεν (okodomesen) = bouwde | πύργον (pyrgon) = toren | καὶ (kai) = en | ἐξέδετο (exedeto) = verpachtte | αὐτὸν (auton) = hem | γεωργοῖς (georgois) = aan pachters | καὶ (kai) = en | ἀπεδήμησεν (apedemesen) = reisde naar het buitenland Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γεωργός (georgos), ‘pachter’: iemand die het land bewerkt. ἐκδίδωμι (ekdidomi), ‘verpachten’: in pacht geven. ληνός (lenos), ‘wijnpers’: een uitgehouwen kuil of trog om druiven te persen. Het beeld komt uit Jes. 5:1–7: daar zijn de wijngaard, de toren en de wijnpers beelden voor Israël. Voetnoot : οἰκοδεσπότης (oikodespotes), ‘heer van het huis’: zie Matt. 20:1, waar wij ‘landeigenaar’ schrijven. Voetnoot : Zie ook Mark. 12:1–12; Luc. 20:9–19. Zie ook: Jes 5:1–7; Mat 20:1; Mar 12:1–12; Luc 20:9–19 **21:34** **Toen de tijd van de vruchten naderde, zond hij zijn knechten naar de pachters om zijn vruchten te ontvangen.** Brontekst: ὅτε (hote) = toen | δὲ (de) = maar | ἤγγισεν (engisen) = naderde | ὁ (ho) = de | καιρὸς (kairos) = tijd | τῶν (ton) = van de | καρπῶν (karpon) = vruchten | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | τοὺς (tous) = de | δούλους (doulous) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | γεωργοὺς (georgous) = pachters | λαβεῖν (labein) = te ontvangen | τοὺς (tous) = de | καρποὺς (karpous) = vruchten | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **21:35** **De pachters pakten zijn knechten. De een sloegen zij, de ander doodden zij, en nog een stenigden zij.** Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβόντες (labontes) = pakkend | οἱ (hoi) = de | γεωργοὶ (georgoi) = pachters | τοὺς (tous) = de | δούλους (doulous) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὃν (hon) = wie | μὲν (men) = wel | ἔδειραν (edeiran) = sloegen | ὃν (hon) = wie | δὲ (de) = maar | ἀπέκτειναν (apekteinan) = doodden | ὃν (hon) = wie | δὲ (de) = maar | ἐλιθοβόλησαν (elithobolesan) = stenigden Bron: SBLGNT **21:36** **Opnieuw zond hij andere knechten, meer dan de eersten, en zij deden met hen hetzelfde.** Brontekst: πάλιν (palin) = opnieuw | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | ἄλλους (allous) = andere | δούλους (doulous) = knechten | πλείονας (pleionas) = meer | τῶν (ton) = dan de | πρώτων (proton) = eersten | καὶ (kai) = en | ἐποίησαν (epoiesan) = deden | αὐτοῖς (autois) = met hen | ὡσαύτως (hosautos) = evenzo Bron: SBLGNT **21:37** **Daarna zond hij zijn zoon naar hen toe en zei: ‘Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.’** Brontekst: ὕστερον (hysteron) = later | δὲ (de) = maar | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = zoon | αὐτοῦ (autou) = zijn | λέγων (legon) = zeggend | Ἐντραπήσονται (Entrapesontai) = zullen ontzag hebben voor | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = zoon | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐντρέπομαι (entrepomai), ‘ontzag hebben voor’: iemand eerbied tonen. **21:38** **Toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: ‘Dit is de erfgenaam. Kom, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.’** Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | γεωργοὶ (georgoi) = pachters | ἰδόντες (idontes) = ziende | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = zoon | εἶπον (eipon) = zeiden | ἐν (en) = onder | ἑαυτοῖς (heautois) = elkaar | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | κληρονόμος (kleronomos) = erfgenaam | δεῦτε (deute) = kom | ἀποκτείνωμεν (apokteinomen) = laten wij doden | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | σχῶμεν (schomen) = laten wij hebben | τὴν (ten) = de | κληρονομίαν (kleronomian) = erfenis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **21:39** **Zij pakten hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.** Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβόντες (labontes) = pakkend | αὐτὸν (auton) = hem | ἐξέβαλον (exebalon) = wierpen uit | ἔξω (exo) = buiten | τοῦ (tou) = van de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard | καὶ (kai) = en | ἀπέκτειναν (apekteinan) = doodden Bron: SBLGNT **21:40** **Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen?”** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | οὖν (oun) = dus | ἔλθῃ (elthe) = komt | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τοῦ (tou) = van de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard | τί (ti) = wat | ποιήσει (poiesei) = zal doen | τοῖς (tois) = aan de | γεωργοῖς (georgois) = pachters | ἐκείνοις (ekeinois) = die Bron: SBLGNT **21:41** Zij zeiden tegen Hem: „Die slechte mensen zal hij op slechte wijze ombrengen. De wijngaard zal hij verpachten aan andere pachters, die hem de vruchten op hun tijd zullen geven.” Brontekst: λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Κακοὺς (Kakous) = slechte | κακῶς (kakos) = slecht | ἀπολέσει (apolesei) = zal vernietigen | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | ἀμπελῶνα (ampelona) = wijngaard | ἐκδώσεται (ekdosetai) = zal verpachten | ἄλλοις (allois) = aan andere | γεωργοῖς (georgois) = pachters | οἵτινες (hoitines) = die | ἀποδώσουσιν (apodosousin) = zullen geven | αὐτῷ (auto) = hem | τοὺς (tous) = de | καρποὺς (karpous) = vruchten | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | καιροῖς (kairois) = tijden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Κακοὺς κακῶς (kakous kakos) is een woordspeling: ‘slechte mensen, op slechte wijze’. **21:42** Yeshua zei tegen hen: **„Hebben jullie nooit gelezen in de Schriften: ‘De steen die de bouwers verwierpen, die is tot hoeksteen geworden. Dit is van Yahweh gekomen, en het is wonderbaar in onze ogen’?** Brontekst: Λέγει (Legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐδέποτε (Oudepote) = nooit | ἀνέγνωτε (anegnote) = hebben jullie gelezen | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | γραφαῖς (graphais) = Schriften | Λίθον (Lithon) = steen | ὃν (hon) = die | ἀπεδοκίμασαν (apedokimasan) = verwierpen | οἱ (hoi) = de | οἰκοδομοῦντες (oikodomountes) = bouwers | οὗτος (houtos) = deze | ἐγενήθη (egenethe) = is geworden | εἰς (eis) = tot | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | γωνίας (gonias) = van hoek | παρὰ (para) = van | κυρίου (kyriou) = Yahweh | ἐγένετο (egeneto) = is gekomen | αὕτη (haute) = dit | καὶ (kai) = en | ἔστιν (estin) = is | θαυμαστὴ (thaumaste) = wonderbaar | ἐν (en) = in | ὀφθαλμοῖς (ophthalmois) = ogen | ἡμῶν (hemon) = onze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Ps. 118:22–23. κεφαλὴν γωνίας (kephalen gonias), letterlijk ‘hoofd van de hoek’: de hoeksteen, zoals het Hebreeuwse רֹאשׁ פִּנָּה (rosh pinnah). αὕτη (haute), ‘dit’, is vrouwelijk in het Grieks; wij lezen het als ‘dit gebeuren’. Voetnoot : Zie ook Mark. 12:10–11; Luc. 20:17. Zie ook: Ps 118:22–23; Mar 12:10–11; Luc 20:17 **21:43** **Daarom zeg Ik jullie: het koninkrijk van Elohim zal van jullie worden weggenomen en gegeven worden aan een volk dat de vruchten ervan voortbrengt.** Brontekst: διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | λέγω (lego) = zeg Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἀρθήσεται (arthesetai) = zal worden weggenomen | ἀφ’ (aph’) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | δοθήσεται (dothesetai) = zal worden gegeven | ἔθνει (ethnei) = aan een volk | ποιοῦντι (poiounti) = voortbrengend | τοὺς (tous) = de | καρποὺς (karpous) = vruchten | αὐτῆς (autes) = ervan Bron: SBLGNT **21:44** **Wie op deze steen valt, zal verbrijzeld worden. Op wie hij valt, die zal hij vermalen.”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὁ (ho) = die | πεσὼν (peson) = gevallen | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = de | λίθον (lithon) = steen | τοῦτον (touton) = deze | συνθλασθήσεται (synthlasthesetai) = zal worden verbrijzeld | ἐφ’ (eph’) = op | ὃν (hon) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | πέσῃ (pese) = valt | λικμήσει (likmesei) = zal vermalen | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Jes. 8:14–15 (een steen om aan te stoten; ‘zij vallen, worden verbrijzeld’) en Dan. 2:34–35 (de steen die het beeld vermaalt). λικμάω (likmao), ‘vermalen’: letterlijk ‘wannen’, graan in de wind gooien zodat het kaf wegwaait (vergelijk Matt. 3:12). Voetnoot : Zie ook Luc. 20:18. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften ontbreekt dit vers. Wij volgen de SBLGNT, die het wel heeft. Zie ook: Jes 8:14–15; Dan 2:34–35; Mat 3:12; Luc 20:18 **21:45** Toen de hogepriesters en de Farizeeën Zijn gelijkenissen hoorden, begrepen zij dat Hij over hen sprak. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | τὰς (tas) = de | παραβολὰς (parabolas) = gelijkenissen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἔγνωσαν (egnosan) = begrepen | ὅτι (hoti) = dat | περὶ (peri) = over | αὐτῶν (auton) = hen | λέγει (legei) = spreekt Bron: SBLGNT **21:46** Zij wilden Hem grijpen, maar waren bang voor de menigten, want die hielden Hem voor een profeet. Brontekst: καὶ (kai) = en | ζητοῦντες (zetountes) = zoekend | αὐτὸν (auton) = Hem | κρατῆσαι (kratesai) = te grijpen | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bang voor | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἐπεὶ (epei) = omdat | εἰς (eis) = als | προφήτην (propheten) = profeet | αὐτὸν (auton) = Hem | εἶχον (eichon) = hielden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 12:12; Luc. 20:19. Zie ook: Mar 12:12; Luc 20:19 ## Matteüs 22 _Het bruiloftsmaal, de vragen van de tegenstanders en de Zoon van David_ ### Gelijkenis van het bruiloftsmaal **22:1** Yeshua antwoordde en sprak opnieuw tot hen in gelijkenissen: Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πάλιν (palin) = opnieuw | εἶπεν (eipen) = zei | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | αὐτοῖς (autois) = tot hen | λέγων (legon) = zeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 14:15–24; die gelijkenis over een groot maal lijkt hierop, maar verschilt sterk. Zie ook: Luc 14:15–24 **22:2** **„Het koninkrijk van de hemelen is te vergelijken met een man die koning was en die een bruiloft gaf voor zijn zoon.** Brontekst: Ὡμοιώθη (Homoiothe) = is gelijk geworden | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ἀνθρώπῳ (anthropo) = aan een man | βασιλεῖ (basilei) = koning | ὅστις (hostis) = die | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | γάμους (gamous) = bruiloft | τῷ (to) = voor de | υἱῷ (huio) = zoon | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γάμος (gamos), ‘bruiloft’: het bruiloftsfeest; het woord staat in het Grieks in het meervoud. **22:3** **De koning zond zijn knechten om de genodigden voor de bruiloft te roepen, maar zij wilden niet komen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | τοὺς (tous) = de | δούλους (doulous) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | καλέσαι (kalesai) = te roepen | τοὺς (tous) = de | κεκλημένους (keklemenous) = genodigden | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | γάμους (gamous) = bruiloft | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἤθελον (ethelon) = wilden | ἐλθεῖν (elthein) = komen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κεκλημένοι (keklemenoi), ‘genodigden’: letterlijk ‘degenen die geroepen zijn’. Het is afgeleid van hetzelfde werkwoord als κλητοί (kletoi), ‘geroepenen’, in vers 14. Zie ook: Mat 22:14 **22:4** **Opnieuw zond hij andere knechten en zei: ‘Zeg tegen de genodigden: „Zie, mijn maaltijd heb ik klaargemaakt. Mijn stieren en mijn gemeste dieren zijn geslacht, en alles is klaar. Kom naar de bruiloft.”’** Brontekst: πάλιν (palin) = opnieuw | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | ἄλλους (allous) = andere | δούλους (doulous) = knechten | λέγων (legon) = zeggend | Εἴπατε (Eipate) = zeg | τοῖς (tois) = aan de | κεκλημένοις (keklemenois) = genodigden | Ἰδοὺ (Idou) = zie | τὸ (to) = het | ἄριστόν (ariston) = maaltijd | μου (mou) = mijn | ἡτοίμακα (hetoimaka) = heb klaargemaakt | οἱ (hoi) = de | ταῦροί (tauroi) = stieren | μου (mou) = mijn | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | σιτιστὰ (sitista) = gemeste dieren | τεθυμένα (tethymena) = geslacht | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | ἕτοιμα (hetoima) = klaar | δεῦτε (deute) = kom | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | γάμους (gamous) = bruiloft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄριστον (ariston), ‘maaltijd’: het hoofdmaal van de dag. σιτιστά (sitista), ‘gemeste dieren’: vee dat voor een feest vetgemest is. **22:5** **Zij trokken zich er niets van aan en gingen weg, de een naar zijn eigen akker en de ander naar zijn handel.** Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἀμελήσαντες (amelesantes) = zich niets aantrekkend | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | ὃς (hos) = de een | μὲν (men) = wel | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | ἴδιον (idion) = eigen | ἀγρόν (agron) = akker | ὃς (hos) = de ander | δὲ (de) = maar | ἐπὶ (epi) = naar | τὴν (ten) = de | ἐμπορίαν (emporian) = handel | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **22:6** **De anderen grepen zijn knechten, mishandelden hen en doodden hen.** Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | λοιποὶ (loipoi) = overigen | κρατήσαντες (kratesantes) = grijpend | τοὺς (tous) = de | δούλους (doulous) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὕβρισαν (hybrisan) = mishandelden | καὶ (kai) = en | ἀπέκτειναν (apekteinan) = doodden Bron: SBLGNT **22:7** **De koning werd woedend. Hij stuurde zijn troepen, bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | βασιλεὺς (basileus) = koning | ὠργίσθη (orgisthe) = werd woedend | καὶ (kai) = en | πέμψας (pempsas) = sturend | τὰ (ta) = de | στρατεύματα (strateumata) = troepen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀπώλεσεν (apolesen) = bracht om | τοὺς (tous) = de | φονεῖς (phoneis) = moordenaars | ἐκείνους (ekeinous) = die | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | αὐτῶν (auton) = hun | ἐνέπρησεν (enepresen) = stak in brand Bron: SBLGNT **22:8** **Toen zei hij tegen zijn knechten: ‘De bruiloft is klaar, maar de genodigden waren het niet waard.** Brontekst: τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | τοῖς (tois) = aan de | δούλοις (doulois) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ὁ (Ho) = de | μὲν (men) = wel | γάμος (gamos) = bruiloft | ἕτοιμός (hetoimos) = klaar | ἐστιν (estin) = is | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | κεκλημένοι (keklemenoi) = genodigden | οὐκ (ouk) = niet | ἦσαν (esan) = waren | ἄξιοι (axioi) = waardig Bron: SBLGNT **22:9** **Ga dus naar de kruispunten van de wegen en nodig voor de bruiloft uit wie jullie ook vinden.’** Brontekst: πορεύεσθε (poreuesthe) = ga | οὖν (oun) = dus | ἐπὶ (epi) = naar | τὰς (tas) = de | διεξόδους (diexodous) = uitgangen | τῶν (ton) = van de | ὁδῶν (hodon) = wegen | καὶ (kai) = en | ὅσους (hosous) = zovelen | ἐὰν (ean) = als | εὕρητε (heurete) = vinden jullie | καλέσατε (kalesate) = nodig uit | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | γάμους (gamous) = bruiloft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διέξοδοι (diexodoi), ‘uitgangen’: plaatsen waar wegen de stad uitlopen of elkaar kruisen. Wij vertalen ‘kruispunten’. **22:10** **Die knechten gingen de wegen op en brachten allen bijeen die zij vonden, zowel boze als goede mensen. De bruiloft werd vol met gasten.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | οἱ (hoi) = de | δοῦλοι (douloi) = knechten | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = die | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | ὁδοὺς (hodous) = wegen | συνήγαγον (synegagon) = brachten bijeen | πάντας (pantas) = allen | οὓς (hous) = die | εὗρον (heuron) = vonden | πονηρούς (ponerous) = boze | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = als | ἀγαθούς (agathous) = goede | καὶ (kai) = en | ἐπλήσθη (eplesthe) = werd vol | ὁ (ho) = de | γάμος (gamos) = bruiloft | ἀνακειμένων (anakeimenon) = van aanliggenden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνακείμενοι (anakeimenoi), ‘aanliggenden’: gasten die aan tafel lagen. Wij schrijven ‘gasten’. πονηρός (poneros), ‘boos’, en ἀγαθός (agathos), ‘goed’. **22:11** **Toen de koning binnenkwam om de gasten te bekijken, zag hij daar een man die geen bruiloftskleed aanhad.** Brontekst: εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengaand | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | θεάσασθαι (theasasthai) = te bekijken | τοὺς (tous) = de | ἀνακειμένους (anakeimenous) = aanliggenden | εἶδεν (eiden) = zag | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἄνθρωπον (anthropon) = man | οὐκ (ouk) = niet | ἐνδεδυμένον (endedymenon) = gekleed | ἔνδυμα (endyma) = kleed | γάμου (gamou) = van bruiloft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔνδυμα γάμου (endyma gamou), ‘bruiloftskleed’: feestkleding. De gelijkenis zegt niet waar het kleed vandaan kwam. **22:12** **En hij zei tegen hem: ‘Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleed?’ Maar hij zweeg.** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ἑταῖρε (Hetaire) = vriend | πῶς (pos) = hoe | εἰσῆλθες (eiselthes) = kwam je binnen | ὧδε (hode) = hier | μὴ (me) = niet | ἔχων (echon) = hebbend | ἔνδυμα (endyma) = kleed | γάμου (gamou) = van bruiloft | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἐφιμώθη (ephimothe) = werd het zwijgen opgelegd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἑταῖρος (hetairos), ‘vriend’: een vriendelijke of afstandelijke aanspreking, zoals in Matt. 20:13. ἐφιμώθη (ephimothe), ‘zweeg’: letterlijk ‘kreeg een muilband om’; hij werd het zwijgen opgelegd. Zie ook: Mat 20:13 **22:13** **Toen zei de koning tegen de dienaren: ‘Bind zijn voeten en handen vast en werp hem in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden.’** Brontekst: τότε (tote) = toen | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | εἶπεν (eipen) = zei | τοῖς (tois) = aan de | διακόνοις (diakonois) = dienaren | Δήσαντες (Desantes) = gebonden hebbend | αὐτοῦ (autou) = zijn | πόδας (podas) = voeten | καὶ (kai) = en | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐκβάλετε (ekbalete) = werp uit | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | σκότος (skotos) = duisternis | τὸ (to) = de | ἐξώτερον (exoteron) = buitenste | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = het | κλαυθμὸς (klauthmos) = geween | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | βρυγμὸς (brygmos) = knarsen | τῶν (ton) = van de | ὀδόντων (odonton) = tanden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάκονος (diakonos), ‘dienaar’ (vergelijk Matt. 20:26). ‘Het geween en het knarsen van de tanden’ komt vaker voor bij Matteüs; zie ook Matt. 8:12; 13:42; 13:50; 24:51; 25:30. Zie ook: Mat 8:12; Mat 13:42; Mat 13:50; Mat 20:26; Mat 24:51; Mat 25:30 **22:14** **Want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.”** Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | γάρ (gar) = want | εἰσιν (eisin) = zijn | κλητοὶ (kletoi) = geroepenen | ὀλίγοι (oligoi) = weinigen | δὲ (de) = maar | ἐκλεκτοί (eklektoi) = uitverkorenen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κλητός (kletos), ‘geroepen’, en ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkoren’: uitgekozen. Zie ook Matt. 20:16. Zie ook: Mat 20:16 ### De belasting voor de keizer **22:15** Toen gingen de Farizeeën heen en hielden raad om Hem met een woord in de val te lokken. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | πορευθέντες (poreuthentes) = heengegaan | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | συμβούλιον (symboulion) = raad | ἔλαβον (elabon) = hielden | ὅπως (hopos) = opdat | αὐτὸν (auton) = Hem | παγιδεύσωσιν (pagideusosin) = in de val zouden lokken | ἐν (en) = met | λόγῳ (logo) = woord Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 12:13–17; Luc. 20:20–26. Zie ook: Mar 12:13–17; Luc 20:20–26 **22:16** Zij zonden hun leerlingen naar Hem toe, samen met de Herodianen. Zij zeiden: „Leraar, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van Elohim in waarheid onderwijst. U trekt zich van niemand iets aan, want U kijkt niet naar het gezicht van mensen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποστέλλουσιν (apostellousin) = zenden | αὐτῷ (auto) = naar Hem | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτῶν (auton) = hun | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | Ἡρῳδιανῶν (Herodianon) = Herodianen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Διδάσκαλε (Didaskale) = leraar | οἴδαμεν (oidamen) = weten wij | ὅτι (hoti) = dat | ἀληθὴς (alethes) = waarachtig | εἶ (ei) = bent U | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐν (en) = in | ἀληθείᾳ (aletheia) = waarheid | διδάσκεις (didaskeis) = onderwijst U | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μέλει (melei) = is het een zorg | σοι (soi) = voor U | περὶ (peri) = over | οὐδενός (oudenos) = niemand | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | βλέπεις (blepeis) = kijkt U | εἰς (eis) = naar | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἡρῳδιανοί (Herodianoi), ‘Herodianen’: aanhangers van het huis van Herodes. οὐ βλέπεις εἰς πρόσωπον ἀνθρώπων (ou blepeis eis prosopon anthropon), letterlijk ‘U kijkt niet naar het gezicht van mensen’: U kiest niemands kant op grond van zijn aanzien. Vergelijk Lev. 19:15. Zie ook: Lev 19:15 **22:17** Zeg ons dus wat U denkt: is het geoorloofd belasting aan de keizer te geven, of niet?” Brontekst: εἰπὸν (eipon) = zeg | οὖν (oun) = dus | ἡμῖν (hemin) = ons | τί (ti) = wat | σοι (soi) = aan U | δοκεῖ (dokei) = lijkt | ἔξεστιν (exestin) = is geoorloofd | δοῦναι (dounai) = te geven | κῆνσον (kenson) = belasting | Καίσαρι (Kaisari) = aan de keizer | ἢ (e) = of | οὔ (ou) = niet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κῆνσος (kensos), ‘belasting’: van het Latijnse census, de hoofdelijke belasting die aan Rome werd betaald. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: de titel van de Romeinse heerser. **22:18** Yeshua doorzag hun boosheid en zei: **„Waarom stellen jullie Mij op de proef, huichelaars?** Brontekst: γνοὺς (gnous) = wetend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὴν (ten) = de | πονηρίαν (ponerian) = boosheid | αὐτῶν (auton) = hun | εἶπεν (eipen) = zei | Τί (Ti) = waarom | με (me) = Mij | πειράζετε (peirazete) = stellen jullie op de proef | ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars Bron: SBLGNT **22:19** **Laat Mij de munt voor de belasting zien.”** Zij brachten Hem een denarie. Brontekst: ἐπιδείξατέ (epideixate) = toon | μοι (moi) = aan Mij | τὸ (to) = de | νόμισμα (nomisma) = munt | τοῦ (tou) = van de | κήνσου (kensou) = belasting | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | προσήνεγκαν (prosenenkan) = brachten | αὐτῷ (auto) = Hem | δηνάριον (denarion) = denarie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt van ongeveer 3,9 gram, met het beeld en de naam van de keizer. **22:20** Hij zei tegen hen: **„Van wie zijn dit beeld en dit opschrift?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τίνος (Tinos) = van wie | ἡ (he) = het | εἰκὼν (eikon) = beeld | αὕτη (haute) = dit | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | ἐπιγραφή (epigraphe) = opschrift Bron: SBLGNT **22:21** Zij zeiden tegen Hem: „Van de keizer.” Toen zei Hij tegen hen: **„Geef dan aan de keizer terug wat van de keizer is, en aan Elohim wat van Elohim is.”** Brontekst: λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Καίσαρος (Kaisaros) = van de keizer | τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ἀπόδοτε (Apodote) = geef terug | οὖν (oun) = dus | τὰ (ta) = wat | Καίσαρος (Kaisaros) = van de keizer | Καίσαρι (Kaisari) = aan de keizer | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = wat | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπόδοτε (apodote), ‘geef terug’: wat men schuldig is, geeft men terug. **22:22** Toen zij dat hoorden, waren zij verbaasd. Zij lieten Hem achter en gingen weg. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | ἐθαύμασαν (ethaumasan) = verwonderden zich | καὶ (kai) = en | ἀφέντες (aphentes) = achtergelaten hebbend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπῆλθαν (apelthan) = gingen weg Bron: SBLGNT ### De vraag over de opstanding **22:23** Op die dag kwamen Sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is. Zij vroegen Hem: Brontekst: Ἐν (En) = op | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | Σαδδουκαῖοι (Saddoukaioi) = Sadduceeën | λέγοντες (legontes) = zeggend | μὴ (me) = niet | εἶναι (einai) = te zijn | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησαν (eperotesan) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σαδδουκαῖοι (Saddoukaioi), ‘Sadduceeën’, ontkenden de opstanding van de doden. Voetnoot : Zie ook Mark. 12:18–27; Luc. 20:27–40. Zie ook: Mar 12:18–27; Luc 20:27–40 **22:24** „Leraar, Mozes heeft gezegd: ‘Als iemand sterft zonder kinderen te hebben, zal zijn broer met zijn vrouw trouwen en nageslacht opwekken voor zijn broer.’ Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Διδάσκαλε (Didaskale) = leraar | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐάν (Ean) = als | τις (tis) = iemand | ἀποθάνῃ (apothane) = sterft | μὴ (me) = niet | ἔχων (echon) = hebbend | τέκνα (tekna) = kinderen | ἐπιγαμβρεύσει (epigambreusei) = zal als zwager trouwen | ὁ (ho) = de | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀναστήσει (anastesei) = zal opwekken | σπέρμα (sperma) = nageslacht | τῷ (to) = aan de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Deut. 25:5–6 en vergelijk Gen. 38:8. Het Hebreeuws van Deut. 25:5 heeft ‘zoon’ (בֵּן, ben); de Griekse tekst heeft τέκνα (tekna), ‘kinderen’. ἐπιγαμβρεύω (epigambreuo), ‘als zwager trouwen’: de plicht van de broer van een overledene. Zie ook: Gen 38:8; Deut 25:5–6 **22:25** Nu waren er bij ons 7 broers. De eerste trouwde en stierf, en omdat hij geen nageslacht had, liet hij zijn vrouw achter voor zijn broer. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = maar | παρ’ (par’) = bij | ἡμῖν (hemin) = ons | ἑπτὰ (hepta) = 7 | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πρῶτος (protos) = eerste | γήμας (gemas) = getrouwd hebbend | ἐτελεύτησεν (eteleutesen) = stierf | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἔχων (echon) = hebbend | σπέρμα (sperma) = nageslacht | ἀφῆκεν (apheken) = liet achter | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | τῷ (to) = aan de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **22:26** Hetzelfde gebeurde met de tweede en de derde, tot en met de zevende. Brontekst: ὁμοίως (homoios) = evenzo | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | δεύτερος (deuteros) = tweede | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | τρίτος (tritos) = derde | ἕως (heos) = tot | τῶν (ton) = de | ἑπτά (hepta) = zeven Bron: SBLGNT **22:27** Als laatste van allen stierf de vrouw. Brontekst: ὕστερον (hysteron) = later | δὲ (de) = maar | πάντων (panton) = van allen | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf | ἡ (he) = de | γυνή (gyne) = vrouw Bron: SBLGNT **22:28** Van wie van de 7 zal zij dan bij de opstanding de vrouw zijn? Want allen hebben haar als vrouw gehad.” Brontekst: ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀναστάσει (anastasei) = opstanding | οὖν (oun) = dus | τίνος (tinos) = van wie | τῶν (ton) = van de | ἑπτὰ (hepta) = 7 | ἔσται (estai) = zal zijn | γυνή (gyne) = vrouw | πάντες (pantes) = allen | γὰρ (gar) = want | ἔσχον (eschon) = hadden | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ἔσχον αὐτήν (eschon auten), ‘zij hadden haar’. Wij vullen ‘als vrouw’ aan. **22:29** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Jullie dwalen, omdat jullie de Schriften niet kennen en ook de kracht van Elohim niet.** Brontekst: Ἀποκριθεὶς (Apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Πλανᾶσθε (Planasthe) = dwalen jullie | μὴ (me) = niet | εἰδότες (eidotes) = wetend | τὰς (tas) = de | γραφὰς (graphas) = Schriften | μηδὲ (mede) = noch | τὴν (ten) = de | δύναμιν (dynamin) = kracht | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πλανάομαι (planaomai), ‘dwalen’: de verkeerde weg gaan. δύναμις (dynamis), ‘kracht’. **22:30** **Want bij de opstanding trouwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk gegeven, maar zij zijn als engelen van Elohim in de hemel.** Brontekst: ἐν (en) = in | γὰρ (gar) = want | τῇ (te) = de | ἀναστάσει (anastasei) = opstanding | οὔτε (oute) = noch | γαμοῦσιν (gamousin) = trouwen zij | οὔτε (oute) = noch | γαμίζονται (gamizontai) = worden uitgehuwelijkt | ἀλλ’ (all’) = maar | ὡς (hos) = als | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | θεοῦ (theou) = van Elohim | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | οὐρανῷ (ourano) = hemel | εἰσιν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γαμίζονται (gamizontai), ‘worden ten huwelijk gegeven’: dit zegt men van vrouwen, die door hun familie worden uitgehuwelijkt. **22:31** **Hebben jullie over de opstanding van de doden niet gelezen wat door Elohim tot jullie is gezegd? Hij zei:** Brontekst: περὶ (peri) = over | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = de | ἀναστάσεως (anastaseos) = opstanding | τῶν (ton) = van de | νεκρῶν (nekron) = doden | οὐκ (ouk) = niet | ἀνέγνωτε (anegnote) = hebben jullie gelezen | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gezegde | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | λέγοντος (legontos) = zeggend Bron: SBLGNT **22:32** **‘Ik ben de Elohim van Abraham, de Elohim van Isaak en de Elohim van Jakob.’ Hij is niet de Elohim van doden, maar van levenden.”** Brontekst: Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | Ἀβραὰμ (Abraam) = van Abraham | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | Ἰσαὰκ (Isaak) = van Isaak | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | Ἰακώβ (Iakob) = van Jakob | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | νεκρῶν (nekron) = van doden | ἀλλὰ (alla) = maar | ζώντων (zonton) = van levenden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Exod. 3:6. Het Hebreeuws heeft ‘Ik ben Elohim van je vader, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob’; de Griekse tekst heeft geen ‘van je vader’ en zet bij elke naam een lidwoord. Zie ook: Ex 3:6 **22:33** Toen de menigten dit hoorden, stonden zij versteld van Zijn onderwijs. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto) = stonden versteld | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = het | διδαχῇ (didache) = onderwijs | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT ### Het grootste gebod **22:34** Toen de Farizeeën hoorden dat Hij de Sadduceeën de mond had gesnoerd, kwamen zij bijeen. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | δὲ (de) = maar | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | ὅτι (hoti) = dat | ἐφίμωσεν (ephimosen) = de mond snoerde | τοὺς (tous) = de | Σαδδουκαίους (Saddoukaious) = Sadduceeën | συνήχθησαν (synechthesan) = kwamen bijeen | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | αὐτό (auto) = zelfde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φιμόω (phimoo), ‘de mond snoeren’: letterlijk ‘een muilband omdoen’ (vergelijk vers 12). Zie ook: Mat 22:12 **22:35** Een van hen, een wetgeleerde, vroeg Hem om Hem op de proef te stellen: Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | εἷς (heis) = een | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | νομικὸς (nomikos) = wetgeleerde | πειράζων (peirazon) = op de proef stellend | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νομικός (nomikos), ‘wetgeleerde’: iemand die de wet van Mozes kent en uitlegt. Voetnoot : Zie ook Mark. 12:28–34; Luc. 10:25–28. Zie ook: Mar 12:28–34; Luc 10:25–28 **22:36** „Leraar, welk gebod in de wet is het grootste?” Brontekst: Διδάσκαλε (Didaskale) = leraar | ποία (poia) = welk | ἐντολὴ (entole) = gebod | μεγάλη (megale) = groot | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | νόμῳ (nomo) = wet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νόμος (nomos), ‘wet’: de Torah, de eerste vijf boeken van de Schrift. μεγάλη (megale), ‘groot’: het kan ook ‘grootste’ betekenen; in vers 38 staat ‘het grote’. Zie ook: Mat 22:38 **22:37** Hij zei tegen hem: **„Je moet Yahweh, je Elohim, liefhebben met heel je hart en met heel je ziel en met heel je verstand.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἔφη (ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ἀγαπήσεις (Agapeseis) = zult liefhebben | κύριον (kyrion) = Yahweh | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | σου (sou) = je | ἐν (en) = in | ὅλῃ (hole) = heel | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ὅλῃ (hole) = heel | τῇ (te) = de | ψυχῇ (psyche) = ziel | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ὅλῃ (hole) = heel | τῇ (te) = het | διανοίᾳ (dianoia) = verstand | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Deut. 6:5: ‘met heel je hart, met heel je ziel en met heel je kracht’. De Griekse tekst heeft διάνοια (dianoia), ‘verstand’, in plaats van ‘kracht’ en herhaalt ‘met’. ψυχή (psyche), ‘ziel’: het Hebreeuwse נֶפֶשׁ (nefesh). Zie ook: Deut 6:5 **22:38** **Dit is het grote en eerste gebod.** Brontekst: αὕτη (haute) = dit | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | μεγάλη (megale) = grote | καὶ (kai) = en | πρώτη (prote) = eerste | ἐντολή (entole) = gebod Bron: SBLGNT **22:39** **Het tweede is daaraan gelijk: ‘Je moet je naaste liefhebben als jezelf.’** Brontekst: Δευτέρα (Deutera) = tweede | δὲ (de) = maar | ὁμοία (homoia) = gelijk | αὐτῇ (aute) = aan haar | Ἀγαπήσεις (Agapeseis) = zult liefhebben | τὸν (ton) = de | πλησίον (plesion) = naaste | σου (sou) = je | ὡς (hos) = als | σεαυτόν (seauton) = jezelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Lev. 19:18. Zie ook: Lev 19:18 **22:40** **Aan deze twee geboden hangen heel de wet en de profeten.”** Brontekst: ἐν (en) = in | ταύταις (tautais) = deze | ταῖς (tais) = de | δυσὶν (dysin) = twee | ἐντολαῖς (entolais) = geboden | ὅλος (holos) = hele | ὁ (ho) = de | νόμος (nomos) = wet | κρέμαται (krematai) = hangt | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De wet en de profeten’ is de naam voor de Schrift van die tijd. ### Wiens zoon is de Messias? **22:41** Toen de Farizeeën bijeen waren, vroeg Yeshua hun: Brontekst: Συνηγμένων (Synegmenon) = bijeengekomen | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | αὐτοὺς (autous) = hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT **22:42** **„Wat denken jullie over de Messias? Wiens zoon is Hij?”** Zij zeiden tegen Hem: „Van David.” Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Τί (Ti) = wat | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | δοκεῖ (dokei) = lijkt | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | χριστοῦ (christou) = Messias | τίνος (tinos) = wiens | υἱός (huios) = zoon | ἐστιν (estin) = is | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Τοῦ (Tou) = van de | Δαυίδ (Dauid) = David Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Wij schrijven ‘Hij’ en ‘Hem’ met hoofdletter, omdat Matteüs de Messias met Yeshua gelijkstelt (Matt. 1:1). De Farizeeën denken aan een nakomeling van David. Voetnoot : Zie ook Mark. 12:35–37; Luc. 20:41–44. Zie ook: Mat 1:1; Mar 12:35–37; Luc 20:41–44 **22:43** Hij zei tegen hen: **„Hoe noemt David Hem dan in de Geest Heer? David zegt:** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Πῶς (Pos) = hoe | οὖν (oun) = dus | Δαυὶδ (Dauid) = David | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = Geest | καλεῖ (kalei) = noemt | αὐτὸν (auton) = Hem | κύριον (kyrion) = Heer | λέγων (legon) = zeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν πνεύματι (en pneumati), ‘in de Geest’: wij lezen de Geest van Elohim. In Mark. 12:36 staat ἐν τῷ πνεύματι τῷ ἁγίῳ (en to pneumati to hagio), ‘in de Heilige Geest’. Zie ook: Mar 12:36 **22:44** **‘Yahweh zei tegen mijn Heer: „Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik je vijanden onder je voeten leg.”’** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | κύριος (kyrios) = Yahweh | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | μου (mou) = mijn | Κάθου (Kathou) = zit | ἐκ (ek) = uit | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | μου (mou) = Mijn | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = ooit | θῶ (tho) = leg Ik | τοὺς (tous) = de | ἐχθρούς (echthrous) = vijanden | σου (sou) = je | ὑποκάτω (hypokato) = onder | τῶν (ton) = van de | ποδῶν (podon) = voeten | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Ps. 110:1. Het Hebreeuws heeft ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer’ en ‘totdat Ik je vijanden zet als voetbank voor je voeten’; de Griekse tekst heeft ‘Yahweh zei’ en ‘onder je voeten’. Zie ook: Ps 110:1 **22:45** **Als David Hem dus Heer noemt, hoe is Hij dan zijn zoon?”** Brontekst: εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | Δαυὶδ (Dauid) = David | καλεῖ (kalei) = noemt | αὐτὸν (auton) = Hem | κύριον (kyrion) = Heer | πῶς (pos) = hoe | υἱὸς (huios) = zoon | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **22:46** Niemand kon Hem een woord antwoorden. Ook durfde niemand Hem vanaf die dag nog iets te vragen. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐδύνατο (edynato) = kon | ἀποκριθῆναι (apokrithenai) = te antwoorden | αὐτῷ (auto) = Hem | λόγον (logon) = woord | οὐδὲ (oude) = ook niet | ἐτόλμησέν (etolmesen) = durfde | τις (tis) = iemand | ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἐκείνης (ekeines) = die | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐπερωτῆσαι (eperotesai) = te vragen | αὐτὸν (auton) = Hem | οὐκέτι (ouketi) = niet meer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 12:34. Zie ook: Mar 12:34 ## Matteüs 23 _Yeshua spreekt over de schriftgeleerden en Farizeeën en klaagt over Jeruzalem_ ### Doe niet wat zij doen **23:1** Toen sprak Yeshua tot de menigten en tot Zijn leerlingen Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | τοῖς (tois) = tot de | ὄχλοις (ochlois) = menigten | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = tot de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 12:38–40; Luc. 11:37–54; 20:45–47. Voetnoot : De toespraak die in vers 2 begint, loopt in dit evangelie door tot en met Matt. 25:46, met een onderbreking in Matt. 24:1–3. Zie ook: Mat 23:2; Mat 24:1–3; Mat 25:46; Mar 12:38–40; Luc 11:37–54; Luc 20:45 **23:2** en zei: **„Op de zetel van Mozes zijn de schriftgeleerden en de Farizeeën gaan zitten.** Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Ἐπὶ (Epi) = op | τῆς (tes) = de | Μωϋσέως (Moyseos) = van Mozes | καθέδρας (kathedras) = zetel | ἐκάθισαν (ekathisan) = zijn gaan zitten | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καθέδρα (kathedra), ‘zetel’: de plaats van waaruit de wet van Mozes werd uitgelegd. Het gaat om gezag over de uitleg; of er een echte zetel bedoeld is, is niet zeker. **23:3** **Alles wat zij jullie dus zeggen, doe het en houd het. Maar doe niet naar hun daden, want zij zeggen het wel, maar doen het niet.** Brontekst: πάντα (panta) = alles | οὖν (oun) = dus | ὅσα (hosa) = wat | ἐὰν (ean) = ook | εἴπωσιν (eiposin) = zij zeggen | ὑμῖν (hymin) = jullie | ποιήσατε (poiesate) = doe | καὶ (kai) = en | τηρεῖτε (tereite) = houd | κατὰ (kata) = naar | δὲ (de) = maar | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = daden | αὐτῶν (auton) = hun | μὴ (me) = niet | ποιεῖτε (poieite) = doe | λέγουσιν (legousin) = zij zeggen | γὰρ (gar) = want | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | ποιοῦσιν (poiousin) = doen zij Bron: SBLGNT **23:4** **Zij binden zware lasten samen en leggen die op de schouders van de mensen. Maar zelf willen zij ze niet met hun vinger verplaatsen.** Brontekst: δεσμεύουσιν (desmeuousin) = zij binden samen | δὲ (de) = maar | φορτία (phortia) = lasten | βαρέα (barea) = zware | καὶ (kai) = en | ἐπιτιθέασιν (epititheasin) = leggen op | ἐπὶ (epi) = op | τοὺς (tous) = de | ὤμους (omous) = schouders | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | αὐτοὶ (autoi) = zijzelf | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = met de | δακτύλῳ (daktylo) = vinger | αὐτῶν (auton) = hun | οὐ (ou) = niet | θέλουσιν (thelousin) = willen | κινῆσαι (kinesai) = verplaatsen | αὐτά (auta) = ze Bron: SBLGNT ### Zij doen alles om gezien te worden **23:5** **Al hun daden doen zij om gezien te worden door de mensen. Want zij maken hun gebedsdoosjes breed en hun kwasten groot.** Brontekst: πάντα (panta) = alle | δὲ (de) = maar | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = daden | αὐτῶν (auton) = hun | ποιοῦσιν (poiousin) = doen zij | πρὸς (pros) = om | τὸ (to) = te | θεαθῆναι (theathenai) = gezien te worden | τοῖς (tois) = door de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | πλατύνουσι (platynousi) = zij maken breed | γὰρ (gar) = want | τὰ (ta) = de | φυλακτήρια (phylakteria) = gebedsdoosjes | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | μεγαλύνουσι (megalynousi) = zij maken groot | τὰ (ta) = de | κράσπεδα (kraspeda) = kwasten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φυλακτήρια (phylakteria), ‘gebedsdoosjes’: kleine doosjes met teksten uit de wet, aan de arm en op het voorhoofd gedragen. Dit komt voort uit Exod. 13:9 en Deut. 6:8 (‘een teken op je hand’, ‘een gedachtenis’ of ‘band tussen je ogen’); het Hebreeuws heet תְּפִלִּין (tefillin). Voetnoot : κράσπεδα (kraspeda), ‘kwasten’: de kwasten aan de hoeken van het kleed, Hebreeuws צִיצִת (tsitsit); zie Num. 15:38–39 en Deut. 22:12. Zie ook: Ex 13:9; Num 15:38–39; Deut 6:8; Deut 22:12 **23:6** **Zij houden van de ereplaats bij de maaltijden en van de voorste zetels in de synagogen,** Brontekst: φιλοῦσι (philousi) = zij houden van | δὲ (de) = maar | τὴν (ten) = de | πρωτοκλισίαν (protoklisian) = ereplaats | ἐν (en) = bij | τοῖς (tois) = de | δείπνοις (deipnois) = maaltijden | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | πρωτοκαθεδρίας (protokathedrias) = voorste zetels | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen Bron: SBLGNT **23:7** **van de begroetingen op de markten en ervan om door de mensen ‘rabbi’ genoemd te worden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἀσπασμοὺς (aspasmous) = begroetingen | ἐν (en) = op | ταῖς (tais) = de | ἀγοραῖς (agorais) = markten | καὶ (kai) = en | καλεῖσθαι (kaleisthai) = om genoemd te worden | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | Ῥαββί (Rhabbi) = rabbi Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: een Hebreeuws-Aramees woord, letterlijk ‘mijn grote’, als aanspreking van een leraar. ### Eén is jullie leraar **23:8** **Maar jullie: laat je niet ‘rabbi’ noemen. Want één is jullie leraar, en jullie zijn allemaal broers.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | κληθῆτε (klethete) = laat noemen | Ῥαββί (Rhabbi) = rabbi | εἷς (heis) = één | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὁ (ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | πάντες (pantes) = allen | δὲ (de) = maar | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | ἐστε (este) = zijn Bron: SBLGNT **23:9** **En noem geen vader van jullie op de aarde. Want één is jullie Vader, de hemelse.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πατέρα (patera) = vader | μὴ (me) = niet | καλέσητε (kalesete) = noem | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | εἷς (heis) = één | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὁ (ho) = de | οὐράνιος (ouranios) = hemelse Bron: SBLGNT **23:10** **Laat je ook niet leidsman noemen, want één is jullie leidsman: de Messias.** Brontekst: μηδὲ (mede) = en niet | κληθῆτε (klethete) = laat noemen | καθηγηταί (kathegetai) = leidslieden | ὅτι (hoti) = want | καθηγητὴς (kathegetes) = leidsman | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐστιν (estin) = is | εἷς (heis) = één | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καθηγητής (kathegetes), ‘leidsman’: iemand die de weg wijst en onderricht. διδάσκαλος (didaskalos) in vers 8 vertalen wij ‘leraar’. Zie ook: Mat 23:8 **23:11** **De grootste onder jullie zal jullie dienaar zijn.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | μείζων (meizon) = grootste | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔσται (estai) = zal zijn | ὑμῶν (hymon) = jullie | διάκονος (diakonos) = dienaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάκονος (diakonos), ‘dienaar’. Voor δοῦλος (doulos) schrijven wij ‘knecht’; zie Matt. 24:45. Zie ook: Mat 24:45 **23:12** **Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.** Brontekst: ὅστις (hostis) = wie | δὲ (de) = maar | ὑψώσει (hypsosei) = zal verhogen | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ταπεινωθήσεται (tapeinothesetai) = zal vernederd worden | καὶ (kai) = en | ὅστις (hostis) = wie | ταπεινώσει (tapeinosei) = zal vernederen | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ὑψωθήσεται (hypsothesetai) = zal verhoogd worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 14:11; 18:14. Zie ook: Luc 14:11; Luc 18:14 ### Wee jullie, huichelaars **23:13** **Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie sluiten het koninkrijk van de hemelen af voor de mensen. Jullie gaan zelf niet naar binnen, en wie naar binnen wil gaan, laten jullie niet binnengaan.** Brontekst: Οὐαὶ (Ouai) = wee | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars | ὅτι (hoti) = omdat | κλείετε (kleiete) = jullie sluiten af | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | γὰρ (gar) = want | οὐκ (ouk) = niet | εἰσέρχεσθε (eiserchesthe) = gaan binnen | οὐδὲ (oude) = en niet | τοὺς (tous) = wie | εἰσερχομένους (eiserchomenous) = binnengaan | ἀφίετε (aphiete) = laten jullie | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Οὐαί (ouai), ‘wee’: een uitroep van smart, die een oordeel aankondigt; vergelijk het Hebreeuwse הוֹי (hoj) in Jes. 5:8. ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: iemand die een rol speelt. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Voetnoot : Zie ook Luc. 11:52. Zie ook: Jes 5:8; Luc 11:52 **23:15** **Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie trekken over zee en over land om één proseliet te maken. En wanneer hij het geworden is, maken jullie hem tot een zoon van de Gehenna, twee keer zozeer als jullie zelf.** Brontekst: Οὐαὶ (Ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars | ὅτι (hoti) = omdat | περιάγετε (periagete) = jullie trekken rond | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = het | ξηρὰν (xeran) = droge land | ποιῆσαι (poiesai) = te maken | ἕνα (hena) = één | προσήλυτον (proselyton) = proseliet | καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | γένηται (genetai) = hij is geworden | ποιεῖτε (poieite) = maakt jullie | αὐτὸν (auton) = hem | υἱὸν (huion) = zoon | γεέννης (geennes) = van de Gehenna | διπλότερον (diploteron) = tweemaal zozeer | ὑμῶν (hymon) = als jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσήλυτος (proselytos), ‘proseliet’: iemand uit de volken die zich bij het Joodse volk voegt. Voetnoot : γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: zie Matt. 5:22. Het is hier een beeld van het oordeel. ‘Zoon van de Gehenna’ is iemand die daarvoor bestemd is. Zie ook: Mat 5:22 ### Blinde gidsen **23:16** **Wee jullie, blinde gidsen, die zeggen: ‘Wie zweert bij het heiligdom, dat is niets. Maar wie zweert bij het goud van het heiligdom, is gebonden.’** Brontekst: Οὐαὶ (Ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὁδηγοὶ (hodegoi) = gidsen | τυφλοὶ (typhloi) = blinde | οἱ (hoi) = die | λέγοντες (legontes) = zeggen | Ὃς (Hos) = wie | ἂν (an) = ook | ὀμόσῃ (omose) = zweert | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | ναῷ (nao) = heiligdom | οὐδέν (ouden) = niets | ἐστιν (estin) = is het | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | ὀμόσῃ (omose) = zweert | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | χρυσῷ (chryso) = goud | τοῦ (tou) = van het | ναοῦ (naou) = heiligdom | ὀφείλει (opheilei) = is gebonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ναός (naos), ‘heiligdom’: het gebouw zelf; ἱερόν (hieron), ‘tempel’, is heel het terrein. ὀφείλει (opheilei), ‘is gebonden’, letterlijk ‘is schuldig’: is verplicht zijn eed na te komen. **23:17** **Dwazen en blinden! Wat is groter: het goud, of het heiligdom dat het goud heilig maakt?** Brontekst: μωροὶ (moroi) = dwazen | καὶ (kai) = en | τυφλοί (typhloi) = blinden | τίς (tis) = wat | γὰρ (gar) = want | μείζων (meizon) = groter | ἐστίν (estin) = is | ὁ (ho) = het | χρυσὸς (chrysos) = goud | ἢ (e) = of | ὁ (ho) = het | ναὸς (naos) = heiligdom | ὁ (ho) = dat | ἁγιάσας (hagiasas) = heilig maakt | τὸν (ton) = het | χρυσόν (chryson) = goud Bron: SBLGNT **23:18** **En: ‘Wie zweert bij het altaar, dat is niets. Maar wie zweert bij de gave die erop ligt, is gebonden.’** Brontekst: καί (kai) = en | Ὃς (Hos) = wie | ἂν (an) = ook | ὀμόσῃ (omose) = zweert | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | θυσιαστηρίῳ (thysiasterio) = altaar | οὐδέν (ouden) = niets | ἐστιν (estin) = is het | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | ὀμόσῃ (omose) = zweert | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = de | δώρῳ (doro) = gave | τῷ (to) = die | ἐπάνω (epano) = erboven ligt | αὐτοῦ (autou) = het | ὀφείλει (opheilei) = is gebonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θυσιαστήριον (thysiasterion), ‘altaar’. δῶρον (doron), ‘gave’: wat men aan Elohim aanbiedt. **23:19** **Blinden! Wat is groter: de gave, of het altaar dat de gave heilig maakt?** Brontekst: τυφλοί (typhloi) = blinden | τί (ti) = wat | γὰρ (gar) = want | μεῖζον (meizon) = groter | τὸ (to) = de | δῶρον (doron) = gave | ἢ (e) = of | τὸ (to) = het | θυσιαστήριον (thysiasterion) = altaar | τὸ (to) = dat | ἁγιάζον (hagiazon) = heilig maakt | τὸ (to) = de | δῶρον (doron) = gave Bron: SBLGNT **23:20** **Wie dus zweert bij het altaar, zweert erbij en bij alles wat erop ligt.** Brontekst: ὁ (ho) = die | οὖν (oun) = dus | ὀμόσας (omosas) = zweert | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | θυσιαστηρίῳ (thysiasterio) = altaar | ὀμνύει (omnyei) = zweert | ἐν (en) = bij | αὐτῷ (auto) = het | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = bij | πᾶσι (pasi) = alles | τοῖς (tois) = wat | ἐπάνω (epano) = erboven ligt | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT **23:21** **En wie zweert bij het heiligdom, zweert erbij en bij Hem die erin woont.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = die | ὀμόσας (omosas) = zweert | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | ναῷ (nao) = heiligdom | ὀμνύει (omnyei) = zweert | ἐν (en) = bij | αὐτῷ (auto) = het | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = Hem die | κατοικοῦντι (katoikounti) = woont | αὐτόν (auton) = erin Bron: SBLGNT **23:22** **En wie zweert bij de hemel, zweert bij de troon van Elohim en bij Hem die erop zit.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = die | ὀμόσας (omosas) = zweert | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = de | οὐρανῷ (ourano) = hemel | ὀμνύει (omnyei) = zweert | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = de | θρόνῳ (throno) = troon | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = Hem die | καθημένῳ (kathemeno) = zit | ἐπάνω (epano) = erboven | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT ### De tiende van munt en dille **23:23** **Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie geven de tiende van munt, dille en komijn. Maar het zwaarste van de wet hebben jullie laten liggen: het recht, de barmhartigheid en het geloof. Dit had men moeten doen, zonder dat andere na te laten.** Brontekst: Οὐαὶ (Ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars | ὅτι (hoti) = omdat | ἀποδεκατοῦτε (apodekatoute) = jullie geven de tiende van | τὸ (to) = de | ἡδύοσμον (hedyosmon) = munt | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | ἄνηθον (anethon) = dille | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | κύμινον (kyminon) = komijn | καὶ (kai) = en | ἀφήκατε (aphekate) = hebben laten liggen | τὰ (ta) = het | βαρύτερα (barytera) = zwaarste | τοῦ (tou) = van de | νόμου (nomou) = wet | τὴν (ten) = het | κρίσιν (krisin) = recht | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | ἔλεος (eleos) = barmhartigheid | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = het | πίστιν (pistin) = geloof | ταῦτα (tauta) = dit | ἔδει (edei) = moest | ποιῆσαι (poiesai) = gedaan worden | κἀκεῖνα (kakeina) = en dat andere | μὴ (me) = niet | ἀφιέναι (aphienai) = nalaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποδεκατόω (apodekatoo), ‘de tiende geven van’: zie Lev. 27:30 en Deut. 14:22. ἡδύοσμον (hedyosmon), ‘munt’, ἄνηθον (anethon), ‘dille’ en κύμινον (kyminon), ‘komijn’ zijn keukenkruiden. Voetnoot : ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’: vergelijk Hos. 6:6 en Micha 6:8, waar ons Hebreeuws חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, heeft. πίστις (pistis) is ‘geloof’, maar kan ook ‘trouw’ betekenen, vergelijk אֱמוּנָה (emunah). Voetnoot : Zie ook Luc. 11:42. Zie ook: Lev 27:30; Deut 14:22; Hos 6:6; Mi 6:8; Luc 11:42 **23:24** **Blinde gidsen! Jullie zeven de mug uit en slikken de kameel door.** Brontekst: ὁδηγοὶ (hodegoi) = gidsen | τυφλοί (typhloi) = blinde | οἱ (hoi) = die | διϋλίζοντες (diylizontes) = uitzeven | τὸν (ton) = de | κώνωπα (konopa) = mug | τὴν (ten) = de | δὲ (de) = maar | κάμηλον (kamelon) = kameel | καταπίνοντες (katapinontes) = doorslikken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διϋλίζω (diylizo), ‘uitzeven’: door een doek of zeef gieten, zodat er niets in blijft. De kameel is onrein (Lev. 11:4); wemelende gevleugelde dieren zijn afschuwelijk (Lev. 11:20–23). Zie ook: Lev 11:4; Lev 11:20–23 ### Schoon van buiten, vuil van binnen **23:25** **Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie reinigen de buitenkant van de beker en van de schaal, maar van binnen zijn ze vol roof en gebrek aan zelfbeheersing.** Brontekst: Οὐαὶ (Ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars | ὅτι (hoti) = omdat | καθαρίζετε (katharizete) = jullie reinigen | τὸ (to) = de | ἔξωθεν (exothen) = buitenkant | τοῦ (tou) = van de | ποτηρίου (poteriou) = beker | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van de | παροψίδος (paropsidos) = schaal | ἔσωθεν (esothen) = binnenin | δὲ (de) = maar | γέμουσιν (gemousin) = zijn vol | ἐξ (ex) = van | ἁρπαγῆς (harpages) = roof | καὶ (kai) = en | ἀκρασίας (akrasias) = gebrek aan zelfbeheersing Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παροψίς (paropsis), ‘schaal’. ἀκρασία (akrasia), ‘gebrek aan zelfbeheersing’. Voetnoot : Zie ook Luc. 11:39–41. Zie ook: Luc 11:39–41 **23:26** **Blinde Farizeeër! Reinig eerst de binnenkant van de beker en van de schaal, zodat ook de buitenkant ervan rein wordt.** Brontekst: Φαρισαῖε (Pharisaie) = Farizeeër | τυφλέ (typhle) = blinde | καθάρισον (katharison) = reinig | πρῶτον (proton) = eerst | τὸ (to) = de | ἐντὸς (entos) = binnenkant | τοῦ (tou) = van de | ποτηρίου (poteriou) = beker | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van de | παροψίδος (paropsidos) = schaal | ἵνα (hina) = opdat | γένηται (genetai) = wordt | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = de | ἐκτὸς (ektos) = buitenkant | αὐτοῦ (autou) = ervan | καθαρόν (katharon) = rein Bron: SBLGNT **23:27** **Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie lijken op witgepleisterde graven, die van buiten mooi zijn, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid.** Brontekst: Οὐαὶ (Ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars | ὅτι (hoti) = omdat | παρομοιάζετε (paromoiazete) = jullie lijken op | τάφοις (taphois) = graven | κεκονιαμένοις (kekoniamenois) = witgepleisterde | οἵτινες (hoitines) = die | ἔξωθεν (exothen) = van buiten | μὲν (men) = wel | φαίνονται (phainontai) = schijnen | ὡραῖοι (horaioi) = mooi | ἔσωθεν (esothen) = van binnen | δὲ (de) = maar | γέμουσιν (gemousin) = zijn vol | ὀστέων (osteon) = van botten | νεκρῶν (nekron) = van doden | καὶ (kai) = en | πάσης (pases) = van alle | ἀκαθαρσίας (akatharsias) = onreinheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κεκονιαμένοις (kekoniamenois), ‘witgepleisterd’: met kalk wit gemaakt. Wie een graf aanraakt, wordt onrein (Num. 19:16). Voetnoot : Zie ook Luc. 11:44. Zie ook: Num 19:16; Luc 11:44 **23:28** **Zo lijken ook jullie van buiten rechtvaardig voor de mensen, maar van binnen zijn jullie vol huichelarij en wetteloosheid.** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἔξωθεν (exothen) = van buiten | μὲν (men) = wel | φαίνεσθε (phainesthe) = schijnen | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | δίκαιοι (dikaioi) = rechtvaardig | ἔσωθεν (esothen) = van binnen | δέ (de) = maar | ἐστε (este) = zijn | μεστοὶ (mestoi) = vol | ὑποκρίσεως (hypokriseos) = van huichelarij | καὶ (kai) = en | ἀνομίας (anomias) = van wetteloosheid Bron: SBLGNT ### De graven van de profeten **23:29** **Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie bouwen de graven van de profeten en versieren de gedenktekens van de rechtvaardigen.** Brontekst: Οὐαὶ (Ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars | ὅτι (hoti) = omdat | οἰκοδομεῖτε (oikodomeite) = jullie bouwen | τοὺς (tous) = de | τάφους (taphous) = graven | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten | καὶ (kai) = en | κοσμεῖτε (kosmeite) = versieren | τὰ (ta) = de | μνημεῖα (mnemeia) = gedenktekens | τῶν (ton) = van de | δικαίων (dikaion) = rechtvaardigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 11:47–48. Zie ook: Luc 11:47–48 **23:30** **En jullie zeggen: ‘Als wij in de dagen van onze vaders hadden geleefd, zouden wij geen deelgenoten van hen zijn geweest in het bloed van de profeten.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγετε (legete) = zeggen jullie | Εἰ (Ei) = als | ἤμεθα (emetha) = wij waren | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | τῶν (ton) = van de | πατέρων (pateron) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | οὐκ (ouk) = niet | ἂν (an) = zouden | ἤμεθα (emetha) = wij zijn geweest | αὐτῶν (auton) = hun | κοινωνοὶ (koinonoi) = deelgenoten | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | αἵματι (haimati) = bloed | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten Bron: SBLGNT **23:31** **Zo getuigen jullie tegen jullie zelf dat jullie zonen zijn van hen die de profeten hebben vermoord.** Brontekst: ὥστε (hoste) = zodat | μαρτυρεῖτε (martyreite) = getuigen jullie | ἑαυτοῖς (heautois) = tegen jullie zelf | ὅτι (hoti) = dat | υἱοί (huioi) = zonen | ἐστε (este) = jullie zijn | τῶν (ton) = van de | φονευσάντων (phoneusanton) = vermoorders | τοὺς (tous) = de | προφήτας (prophetas) = profeten Bron: SBLGNT **23:32** **Maak dan ook jullie de maat van jullie vaders vol!** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | πληρώσατε (plerosate) = maak vol | τὸ (to) = de | μέτρον (metron) = maat | τῶν (ton) = van de | πατέρων (pateron) = vaders | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μέτρον (metron), ‘maat’: vergelijk Gen. 15:16, waar de schuld van de Amorieten nog niet ‘vol’ is. Zie ook: Gen 15:16 **23:33** **Slangen, nageslacht van adders! Hoe zullen jullie vluchten voor het oordeel van de Gehenna?** Brontekst: ὄφεις (opheis) = slangen | γεννήματα (gennemata) = nageslacht | ἐχιδνῶν (echidnon) = van adders | πῶς (pos) = hoe | φύγητε (phygete) = zullen jullie vluchten | ἀπὸ (apo) = voor | τῆς (tes) = het | κρίσεως (kriseos) = oordeel | τῆς (tes) = van de | γεέννης (geennes) = Gehenna Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γεννήματα ἐχιδνῶν (gennemata echidnon), ‘nageslacht van adders’: dezelfde woorden als bij Johannes de Doper in Matt. 3:7. Zie ook: Mat 3:7 ### Het bloed komt over deze generatie **23:34** **Daarom, zie: Ik zend profeten, wijzen en schriftgeleerden naar jullie toe. Sommigen van hen zullen jullie doden en kruisigen. Anderen van hen zullen jullie geselen in jullie synagogen en van stad tot stad vervolgen.** Brontekst: διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | ἰδοὺ (idou) = zie | ἐγὼ (ego) = Ik | ἀποστέλλω (apostello) = zend | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie | προφήτας (prophetas) = profeten | καὶ (kai) = en | σοφοὺς (sophous) = wijzen | καὶ (kai) = en | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἀποκτενεῖτε (apokteneite) = zullen jullie doden | καὶ (kai) = en | σταυρώσετε (staurosete) = kruisigen | καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | μαστιγώσετε (mastigosete) = zullen jullie geselen | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | διώξετε (dioxete) = zullen jullie vervolgen | ἀπὸ (apo) = van | πόλεως (poleos) = stad | εἰς (eis) = naar | πόλιν (polin) = stad Bron: SBLGNT **23:35** **Dit gebeurt, opdat over jullie al het rechtvaardige bloed komt dat op de aarde wordt vergoten. Dat loopt vanaf het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja. Hem hebben jullie vermoord tussen het heiligdom en het altaar.** Brontekst: ὅπως (hopos) = opdat | ἔλθῃ (elthe) = komt | ἐφ’ (eph’) = over | ὑμᾶς (hymas) = jullie | πᾶν (pan) = al | αἷμα (haima) = bloed | δίκαιον (dikaion) = rechtvaardig | ἐκχυννόμενον (ekchynnomenon) = vergoten wordend | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἀπὸ (apo) = vanaf | τοῦ (tou) = het | αἵματος (haimatos) = bloed | Ἅβελ (Habel) = van Abel | τοῦ (tou) = de | δικαίου (dikaiou) = rechtvaardige | ἕως (heos) = tot | τοῦ (tou) = het | αἵματος (haimatos) = bloed | Ζαχαρίου (Zachariou) = van Zacharia | υἱοῦ (huiou) = zoon | Βαραχίου (Barachiou) = van Berechja | ὃν (hon) = die | ἐφονεύσατε (ephoneusate) = vermoordden jullie | μεταξὺ (metaxy) = tussen | τοῦ (tou) = het | ναοῦ (naou) = heiligdom | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = het | θυσιαστηρίου (thysiasteriou) = altaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Abel: Gen. 4:8–10. Over Zacharia: twee mannen komen in aanmerking, Zacharia, de zoon van Joiada, die gestenigd werd in de voorhof van het huis van Yahweh (2 Kron. 24:20–22), en de profeet Zacharia, de zoon van Berechja (Zach. 1:1). Het Grieks noemt ‘de zoon van Berechja’. Wij beslissen dit niet. Voetnoot : Zie ook Luc. 11:49–51. Zie ook: Gen 4:8–10; 2 Kron 24:20–22; Zach 1:1; Luc 11:49–51 **23:36** **Voorwaar, Ik zeg jullie: dit alles zal komen over deze generatie.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἥξει (hexei) = zal komen | ταῦτα (tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | ἐπὶ (epi) = over | τὴν (ten) = de | γενεὰν (genean) = generatie | ταύτην (tauten) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γενεά (genea), ‘generatie’: de tijdgenoten; het woord kan ook ‘geslacht’ betekenen. Hetzelfde woord staat in Matt. 24:34. Zie ook: Mat 24:34 ### Jeruzalem, Jeruzalem **23:37** **Jeruzalem, Jeruzalem, jij die de profeten doodt en degenen stenigt die naar haar gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik jouw kinderen willen bijeenbrengen, zoals een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels. Maar jullie hebben niet gewild.** Brontekst: Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ἡ (he) = de | ἀποκτείνουσα (apokteinousa) = doodende | τοὺς (tous) = de | προφήτας (prophetas) = profeten | καὶ (kai) = en | λιθοβολοῦσα (lithobolousa) = stenigende | τοὺς (tous) = de | ἀπεσταλμένους (apestalmenous) = gezondenen | πρὸς (pros) = naar | αὐτήν (auten) = haar | ποσάκις (posakis) = hoe vaak | ἠθέλησα (ethelesa) = heb Ik gewild | ἐπισυναγαγεῖν (episynagagein) = bijeen te brengen | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | σου (sou) = jouw | ὃν (hon) = op welke | τρόπον (tropon) = wijze | ὄρνις (ornis) = hen | ἐπισυνάγει (episynagei) = bijeenbrengt | τὰ (ta) = de | νοσσία (nossia) = kuikens | αὐτῆς (autes) = haar | ὑπὸ (hypo) = onder | τὰς (tas) = de | πτέρυγας (pterygas) = vleugels | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠθελήσατε (ethelesate) = hebben jullie gewild Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Grieks gaat van ‘jouw’ (de stad, enkelvoud) over op ‘jullie’ (haar inwoners). Voetnoot : ὄρνις (ornis), ‘hen’: eigenlijk ‘vogel’; hier de hen met haar kuikens. Beschutting onder vleugels is een beeld uit de Psalmen: Ps. 17:8; 91:4. Voetnoot : Zie ook Luc. 13:34–35. Zie ook: Ps 17:8; Ps 91:4; Luc 13:34–35 **23:38** **Zie, jullie huis wordt aan jullie overgelaten, verlaten.** Brontekst: ἰδοὺ (idou) = zie | ἀφίεται (aphietai) = wordt overgelaten | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὁ (ho) = het | οἶκος (oikos) = huis | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔρημος (eremos) = verlaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Jullie huis’ kan de tempel, de stad of het volk bedoelen; vergelijk Jer. 22:5, ‘dit huis zal een ruïne worden’. ἔρημος (eremos), ‘verlaten’, is ook het woord voor ‘woestijn’ (Matt. 3:1). Zie ook: Jer 22:5; Mat 3:1 **23:39** **Want Ik zeg jullie: vanaf nu zullen jullie Mij beslist niet zien, totdat jullie zeggen: ‘Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh.’”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | μή (me) = beslist | με (me) = Mij | ἴδητε (idete) = zien | ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἄρτι (arti) = nu | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = ooit | εἴπητε (eipete) = zeggen | Εὐλογημένος (Eulogemenos) = gezegend | ὁ (ho) = Hij die | ἐρχόμενος (erchomenos) = komt | ἐν (en) = in | ὀνόματι (onomati) = naam | κυρίου (kyriou) = van Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Citaat uit Ps. 118:26. κυρίου (kyriou) is vertaald als Yahweh, zoals in het Hebreeuws (יהוה). Zie ook Matt. 21:9; Luc. 13:35; 19:38. Zie ook: Ps 118:26; Mat 21:9; Luc 13:35; Luc 19:38 ## Matteüs 24 _Yeshua spreekt op de Olijfberg over de tijd van het einde_ ### De tempel zal worden afgebroken **24:1** Yeshua verliet de tempel en ging verder. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe om Hem de gebouwen van de tempel te laten zien. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = verlatend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | ἐπορεύετο (eporeueto) = ging verder | καὶ (kai) = en | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐπιδεῖξαι (epideixai) = te tonen | αὐτῷ (auto) = Hem | τὰς (tas) = de | οἰκοδομὰς (oikodomas) = gebouwen | τοῦ (tou) = van de | ἱεροῦ (hierou) = tempel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱερόν (hieron), ‘tempel’: heel het tempelterrein met zijn gebouwen. Voetnoot : Zie ook Mark. 13:1–2; Luc. 21:5–6. Zie ook: Mar 13:1–2; Luc 21:5–6 **24:2** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Zien jullie dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg jullie: hier zal geen steen op een andere steen gelaten worden die niet afgebroken wordt.”** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Οὐ (Ou) = niet | βλέπετε (blepete) = zien jullie | ταῦτα (tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἀφεθῇ (aphethe) = zal gelaten worden | ὧδε (hode) = hier | λίθος (lithos) = steen | ἐπὶ (epi) = op | λίθον (lithon) = steen | ὃς (hos) = die | οὐ (ou) = niet | καταλυθήσεται (katalythesetai) = zal afgebroken worden Bron: SBLGNT ### De vraag van de leerlingen **24:3** Terwijl Hij op de Olijfberg zat, kwamen de leerlingen apart naar Hem toe. Zij zeiden: „Zeg ons wanneer dit zal zijn, en wat het teken is van Uw komst en van het einde van de eeuw.” Brontekst: Καθημένου (Kathemenou) = zittend | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = de | Ὄρους (Orous) = Berg | τῶν (ton) = van de | Ἐλαιῶν (Elaion) = Olijven | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | λέγοντες (legontes) = zeggend | Εἰπὸν (Eipon) = zeg | ἡμῖν (hemin) = ons | πότε (pote) = wanneer | ταῦτα (tauta) = dit | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = en | τί (ti) = wat | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken | τῆς (tes) = van de | σῆς (ses) = Uw | παρουσίας (parousias) = komst | καὶ (kai) = en | συντελείας (synteleias) = einde | τοῦ (tou) = van de | αἰῶνος (aionos) = eeuw Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: παρουσία (parousia), ‘komst’: het woord kan ook ‘aanwezigheid’ betekenen. αἰών (aion), ‘eeuw’: een tijdperk, een wereldtijd (zie Matt. 12:32), Hebreeuws עוֹלָם (olam). συντέλεια (synteleia), ‘einde, voltooiing’. Voetnoot : Zie ook Mark. 13:3–4; Luc. 21:7. Zie ook: Mat 12:32; Mar 13:3–4; Luc 21:7 ### Pas op voor misleiding **24:4** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Pas op dat niemand jullie misleidt.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Βλέπετε (Blepete) = pas op | μή (me) = dat | τις (tis) = niet | ὑμᾶς (hymas) = iemand | πλανήσῃ (planese) = jullie misleidt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 13:5–37; Luc. 21:8–36. Zie ook: Mar 13:5–37; Luc 21:8–36 **24:5** **Want velen zullen komen onder Mijn naam en zeggen: ‘Ik ben de Messias.’ En zij zullen velen misleiden.** Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | γὰρ (gar) = want | ἐλεύσονται (eleusontai) = zullen komen | ἐπὶ (epi) = onder | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | καὶ (kai) = en | πολλοὺς (pollous) = velen | πλανήσουσιν (planesousin) = zullen misleiden Bron: SBLGNT **24:6** **Jullie zullen horen van oorlogen en van geruchten over oorlogen. Pas op dat jullie niet in paniek raken. Want dat moet gebeuren, maar het einde is er nog niet.** Brontekst: μελλήσετε (mellesete) = jullie zullen gaan | δὲ (de) = maar | ἀκούειν (akouein) = horen | πολέμους (polemous) = oorlogen | καὶ (kai) = en | ἀκοὰς (akoas) = geruchten | πολέμων (polemon) = over oorlogen | ὁρᾶτε (horate) = kijk | μὴ (me) = niet | θροεῖσθε (throeisthe) = raak in paniek | δεῖ (dei) = moet | γὰρ (gar) = want | γενέσθαι (genesthai) = gebeuren | ἀλλ’ (all’) = maar | οὔπω (oupo) = nog niet | ἐστὶν (estin) = is | τὸ (to) = het | τέλος (telos) = einde Bron: SBLGNT **24:7** **Want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk. Er zullen hongersnoden en aardbevingen zijn op verschillende plaatsen.** Brontekst: ἐγερθήσεται (egerthesetai) = zal opstaan | γὰρ (gar) = want | ἔθνος (ethnos) = volk | ἐπὶ (epi) = tegen | ἔθνος (ethnos) = volk | καὶ (kai) = en | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | ἐπὶ (epi) = tegen | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | καὶ (kai) = en | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | λιμοὶ (limoi) = hongersnoden | καὶ (kai) = en | σεισμοὶ (seismoi) = aardbevingen | κατὰ (kata) = op | τόπους (topous) = plaatsen Bron: SBLGNT **24:8** **Dit alles is het begin van de barensweeën.** Brontekst: πάντα (panta) = alles | δὲ (de) = maar | ταῦτα (tauta) = dit | ἀρχὴ (arche) = begin | ὠδίνων (odinon) = van barensweeën Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὠδίν (odin), ‘barensweeën’: de weeën van een vrouw die bevalt; een beeld voor pijn vóór een nieuw begin. Zie Jes. 13:8 en 26:17–18. Zie ook: Jes 13:8; Jes 26:17 ### Verdrukking en volharding **24:9** **Dan zullen zij jullie overleveren aan de verdrukking en jullie doden. Jullie zullen door alle volken gehaat worden vanwege Mijn naam.** Brontekst: Τότε (Tote) = dan | παραδώσουσιν (paradosousin) = zullen overleveren | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰς (eis) = aan | θλῖψιν (thlipsin) = verdrukking | καὶ (kai) = en | ἀποκτενοῦσιν (apoktenousin) = zullen doden | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καὶ (kai) = en | ἔσεσθε (esesthe) = zullen zijn | μισούμενοι (misoumenoi) = gehaat | ὑπὸ (hypo) = door | πάντων (panton) = alle | τῶν (ton) = de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **24:10** **Dan zullen velen struikelen. Zij zullen elkaar overleveren en elkaar haten.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | σκανδαλισθήσονται (skandalisthesontai) = zullen struikelen | πολλοὶ (polloi) = velen | καὶ (kai) = en | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | παραδώσουσιν (paradosousin) = zullen overleveren | καὶ (kai) = en | μισήσουσιν (misesousin) = zullen haten | ἀλλήλους (allelous) = elkaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκανδαλίζομαι (skandalizomai), ‘struikelen’: ten val komen, afvallen; van σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’, een voorwerp waarover men struikelt. **24:11** **Vele valse profeten zullen opstaan en velen misleiden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλοὶ (polloi) = velen | ψευδοπροφῆται (pseudoprophetai) = valse profeten | ἐγερθήσονται (egerthesontai) = zullen opstaan | καὶ (kai) = en | πλανήσουσιν (planesousin) = zullen misleiden | πολλούς (pollous) = velen Bron: SBLGNT **24:12** **Doordat de wetteloosheid toeneemt, zal de liefde van velen koud worden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = door | τὸ (to) = het | πληθυνθῆναι (plethynthenai) = toenemen | τὴν (ten) = de | ἀνομίαν (anomian) = wetteloosheid | ψυγήσεται (psygesetai) = zal koud worden | ἡ (he) = de | ἀγάπη (agape) = liefde | τῶν (ton) = van de | πολλῶν (pollon) = velen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’: het leven zonder of tegen de wet (νόμος, nomos) van Elohim. **24:13** **Maar wie volhoudt tot het einde, die zal gered worden.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ὑπομείνας (hypomeinas) = volhoudende | εἰς (eis) = tot | τέλος (telos) = einde | οὗτος (houtos) = deze | σωθήσεται (sothesetai) = zal gered worden Bron: SBLGNT **24:14** **Deze goede boodschap van het koninkrijk zal verkondigd worden in heel de bewoonde wereld, tot een getuigenis voor alle volken. En dan zal het einde komen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | κηρυχθήσεται (kerychthesetai) = zal verkondigd worden | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = de | εὐαγγέλιον (euangelion) = goede boodschap | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | ἐν (en) = in | ὅλῃ (hole) = hele | τῇ (te) = de | οἰκουμένῃ (oikoumene) = bewoonde wereld | εἰς (eis) = tot | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis | πᾶσιν (pasin) = aan alle | τοῖς (tois) = de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | ἥξει (hexei) = zal komen | τὸ (to) = het | τέλος (telos) = einde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκουμένη (oikoumene), ‘bewoonde wereld’: heel de aarde waar mensen wonen. ### De gruwel van de verwoesting **24:15** **Wanneer jullie dus de gruwel van de verwoesting zien, waarover gesproken is door de profeet Daniël, staand op een heilige plaats (wie leest, moet het begrijpen),** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | οὖν (oun) = dus | ἴδητε (idete) = jullie zien | τὸ (to) = de | βδέλυγμα (bdelygma) = gruwel | τῆς (tes) = van de | ἐρημώσεως (eremoseos) = verwoesting | τὸ (to) = die | ῥηθὲν (rhethen) = gesproken | διὰ (dia) = door | Δανιὴλ (Daniel) = Daniël | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | ἑστὸς (hestos) = staande | ἐν (en) = op | τόπῳ (topo) = plaats | ἁγίῳ (hagio) = heilige | ὁ (ho) = wie | ἀναγινώσκων (anaginoskon) = leest | νοείτω (noeito) = moet begrijpen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βδέλυγμα τῆς ἐρημώσεως (bdelygma tes eremoseos), ‘gruwel van de verwoesting’: een verwijzing naar Daniël. Ons Hebreeuws heeft ‘het verwoestende gruwelbeeld’ (Dan. 11:31; 12:11) en een soortgelijke uitdrukking in Dan. 9:27. Voetnoot : ὁ ἀναγινώσκων νοείτω (ho anaginoskon noeito), ‘wie leest, moet het begrijpen’: dit kan een opmerking van Yeshua of van Matteüs zijn. Wij houden het bij de woorden van Yeshua. Voetnoot : Zie ook Mark. 13:14. Zie ook: Dan 9:27; Dan 11:31; Dan 12:11; Mar 13:14 **24:16** **moeten zij die in Judea zijn, dan naar de bergen vluchten.** Brontekst: τότε (tote) = dan | οἱ (hoi) = zij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Ἰουδαίᾳ (Ioudaia) = Judea | φευγέτωσαν (pheugetosan) = laten vluchten | ἐπὶ (epi) = naar | τὰ (ta) = de | ὄρη (ore) = bergen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. **24:17** **Wie op het dak is, mag niet naar beneden komen om de dingen uit zijn huis te halen.** Brontekst: ὁ (ho) = wie | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = het | δώματος (domatos) = dak | μὴ (me) = niet | καταβάτω (katabato) = mag afdalen | ἆραι (arai) = te halen | τὰ (ta) = de dingen | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | οἰκίας (oikias) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **24:18** **En wie op het veld is, mag niet teruggaan om zijn mantel te halen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = wie | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ἀγρῷ (agro) = veld | μὴ (me) = niet | ἐπιστρεψάτω (epistrepsato) = mag terugkeren | ὀπίσω (opiso) = terug | ἆραι (arai) = te halen | τὸ (to) = de | ἱμάτιον (himation) = mantel | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **24:19** **Wee de zwangere vrouwen en de vrouwen die zogen in die dagen!** Brontekst: οὐαὶ (ouai) = wee | δὲ (de) = maar | ταῖς (tais) = de | ἐν (en) = in | γαστρὶ (gastri) = buik | ἐχούσαις (echousais) = zwangeren | καὶ (kai) = en | ταῖς (tais) = de | θηλαζούσαις (thelazousais) = zogenden | ἐν (en) = in | ἐκείναις (ekeinais) = die | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θηλάζω (thelazo), ‘zogen’: borstvoeding geven. Het Grieks heeft hier vrouwelijke vormen; wij schrijven ‘vrouwen’. **24:20** **Bid dat jullie vlucht niet in de winter plaatsvindt, en ook niet op sabbat.** Brontekst: προσεύχεσθε (proseuchesthe) = bid | δὲ (de) = maar | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | γένηται (genetai) = plaatsvindt | ἡ (he) = de | φυγὴ (phyge) = vlucht | ὑμῶν (hymon) = jullie | χειμῶνος (cheimonos) = in de winter | μηδὲ (mede) = noch | σαββάτῳ (sabbato) = op sabbat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σάββατον (sabbaton), ‘sabbat’: de rustdag, de zevende dag (Exod. 20:8–11). Zie ook: Ex 20:8–11 **24:21** **Want er zal dan grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld tot nu toe. Zoiets zal er ook nooit meer zijn.** Brontekst: ἔσται (estai) = zal zijn | γὰρ (gar) = want | τότε (tote) = dan | θλῖψις (thlipsis) = verdrukking | μεγάλη (megale) = grote | οἵα (hoia) = zoals | οὐ (ou) = niet | γέγονεν (gegonen) = is geweest | ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἀρχῆς (arches) = begin | κόσμου (kosmou) = wereld | ἕως (heos) = tot | τοῦ (tou) = het | νῦν (nyn) = nu | οὐδ’ (oud’) = ook niet | οὐ (ou) = nooit | μὴ (me) = beslist | γένηται (genetai) = zal zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Dan. 12:1, ‘een tijd van nood, zoals er nog niet geweest is’. Zie ook: Dan 12:1 **24:22** **En als die dagen niet verkort waren, zou geen enkel mens gered worden. Maar omwille van de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἐκολοβώθησαν (ekolobothesan) = verkort waren | αἱ (hai) = de | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ἐκεῖναι (ekeinai) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἂν (an) = zou | ἐσώθη (esothe) = gered worden | πᾶσα (pasa) = geen enkel | σάρξ (sarx) = mens | διὰ (dia) = om | δὲ (de) = maar | τοὺς (tous) = de | ἐκλεκτοὺς (eklektous) = uitverkorenen | κολοβωθήσονται (kolobothesontai) = zullen verkort worden | αἱ (hai) = de | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ἐκεῖναι (ekeinai) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σάρξ (sarx), ‘vlees’, hier ‘mens’: vergelijk het Hebreeuwse בָּשָׂר (basar), ‘alle vlees’, in Gen. 6:12. ἐκλεκτοί (eklektoi), ‘uitverkorenen’: zij die Elohim heeft uitgekozen; vergelijk Jes. 65:9. Zie ook: Gen 6:12; Jes 65:9 ### Valse messiassen en profeten **24:23** **Als dan iemand tegen jullie zegt: ‘Zie, hier is de Messias’, of: ‘Hier!’, geloof het niet.** Brontekst: τότε (tote) = dan | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | ὑμῖν (hymin) = tegen jullie | εἴπῃ (eipe) = zegt | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ὧδε (hode) = hier | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | ἤ (e) = of | Ὧδε (Hode) = hier | μὴ (me) = niet | πιστεύσητε (pisteusete) = geloof Bron: SBLGNT **24:24** **Want valse messiassen en valse profeten zullen opstaan. Zij zullen grote tekenen en wonderen geven, om, als het mogelijk is, ook de uitverkorenen te misleiden.** Brontekst: ἐγερθήσονται (egerthesontai) = zullen opstaan | γὰρ (gar) = want | ψευδόχριστοι (pseudochristoi) = valse messiassen | καὶ (kai) = en | ψευδοπροφῆται (pseudoprophetai) = valse profeten | καὶ (kai) = en | δώσουσιν (dosousin) = zullen geven | σημεῖα (semeia) = tekenen | μεγάλα (megala) = grote | καὶ (kai) = en | τέρατα (terata) = wonderen | ὥστε (hoste) = zodat | πλανῆσαι (planesai) = misleiden | εἰ (ei) = als | δυνατὸν (dynaton) = mogelijk | καὶ (kai) = ook | τοὺς (tous) = de | ἐκλεκτούς (eklektous) = uitverkorenen Bron: SBLGNT **24:25** **Zie, Ik heb het jullie van tevoren gezegd.** Brontekst: ἰδοὺ (idou) = zie | προείρηκα (proeireka) = heb van tevoren gezegd | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT **24:26** **Als zij dan tegen jullie zeggen: ‘Zie, hij is in de woestijn’, ga dan niet naar buiten. Of: ‘Zie, hij is in de binnenkamers’, geloof het niet.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | οὖν (oun) = dus | εἴπωσιν (eiposin) = zeggen | ὑμῖν (hymin) = tegen jullie | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | ἐστίν (estin) = is hij | μὴ (me) = niet | ἐξέλθητε (exelthete) = ga naar buiten | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | ταμείοις (tameiois) = binnenkamers | μὴ (me) = niet | πιστεύσητε (pisteusete) = geloof Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ταμεῖον (tameion), ‘binnenkamer’: een vertrek diep in het huis, voor voorraad of om je terug te trekken. ### De komst van de Mensenzoon **24:27** **Want zoals de bliksem uitgaat vanuit het oosten en te zien is tot in het westen, zo zal de komst van de Mensenzoon zijn.** Brontekst: ὥσπερ (hosper) = zoals | γὰρ (gar) = want | ἡ (he) = de | ἀστραπὴ (astrape) = bliksem | ἐξέρχεται (exerchetai) = gaat uit | ἀπὸ (apo) = van | ἀνατολῶν (anatolon) = oosten | καὶ (kai) = en | φαίνεται (phainetai) = is te zien | ἕως (heos) = tot | δυσμῶν (dysmon) = westen | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | ἡ (he) = de | παρουσία (parousia) = komst | τοῦ (tou) = van de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie de Uitleg bij Matt. 8:20. Voetnoot : Zie ook Luc. 17:24. Zie ook: Mat 8:20; Luc 17:24 **24:28** **Waar het kadaver is, daar zullen de arenden zich verzamelen.** Brontekst: ὅπου (hopou) = waar | ἐὰν (ean) = ook | ᾖ (e) = is | τὸ (to) = het | πτῶμα (ptoma) = kadaver | ἐκεῖ (ekei) = daar | συναχθήσονται (synachthesontai) = zullen verzameld worden | οἱ (hoi) = de | ἀετοί (aetoi) = arenden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀετοί (aetoi), ‘arenden’: het woord kan ook gieren betekenen, die aas eten; vergelijk Job 39:27–30, ‘waar gedoden zijn, daar is hij’. Voetnoot : Zie ook Luc. 17:37. Zie ook: Job 39:27–30; Luc 17:37 **24:29** **Meteen na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden. De maan zal haar licht niet geven. De sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen.** Brontekst: Εὐθέως (Eutheos) = meteen | δὲ (de) = maar | μετὰ (meta) = na | τὴν (ten) = de | θλῖψιν (thlipsin) = verdrukking | τῶν (ton) = van de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | ἐκείνων (ekeinon) = die | ὁ (ho) = de | ἥλιος (helios) = zon | σκοτισθήσεται (skotisthesetai) = zal verduisterd worden | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | σελήνη (selene) = maan | οὐ (ou) = niet | δώσει (dosei) = zal geven | τὸ (to) = het | φέγγος (phengos) = licht | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀστέρες (asteres) = sterren | πεσοῦνται (pesountai) = zullen vallen | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | δυνάμεις (dynameis) = krachten | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | σαλευθήσονται (saleuthesontai) = zullen wankelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 13:10; 34:4; Joël 2:10; 3:4 (in de Nederlandse telling is dit 2:31). Voetnoot : Zie ook Mark. 13:24–25; Luc. 21:25–26. Zie ook: Joël 2:10; Joël 3:4; Jes 13:10; Jes 34:4; Mar 13:24–25; Luc 21:25–26 **24:30** **Dan zal het teken van de Mensenzoon aan de hemel verschijnen. Dan zullen alle stammen van de aarde zich op de borst slaan. Zij zullen de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, met kracht en veel heerlijkheid.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | φανήσεται (phanesetai) = zal verschijnen | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken | τοῦ (tou) = van de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | οὐρανῷ (ourano) = hemel | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | κόψονται (kopsontai) = zullen zich op de borst slaan | πᾶσαι (pasai) = alle | αἱ (hai) = de | φυλαὶ (phylai) = stammen | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | καὶ (kai) = en | ὄψονται (opsontai) = zullen zien | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | ἐπὶ (epi) = op | τῶν (ton) = de | νεφελῶν (nephelon) = wolken | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | μετὰ (meta) = met | δυνάμεως (dynameos) = kracht | καὶ (kai) = en | δόξης (doxes) = heerlijkheid | πολλῆς (polles) = veel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόψονται (koptontai), ‘zij zullen zich op de borst slaan’: een gebaar van rouw; vergelijk Zach. 12:10–14. ‘Op de wolken van de hemel’ doet denken aan Dan. 7:13. Voetnoot : Zie ook Mark. 13:26; Luc. 21:27. Zie ook: Dan 7:13; Zach 12:10–14; Mar 13:26; Luc 21:27 **24:31** **Hij zal Zijn engelen zenden met een luide bazuin. Zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier winden, van het ene einde van de hemelen tot het andere.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποστελεῖ (apostelei) = zal zenden | τοὺς (tous) = de | ἀγγέλους (angelous) = engelen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | μετὰ (meta) = met | σάλπιγγος (salpingos) = bazuin | μεγάλης (megales) = luide | καὶ (kai) = en | ἐπισυνάξουσιν (episynaxousin) = zullen bijeenbrengen | τοὺς (tous) = de | ἐκλεκτοὺς (eklektous) = uitverkorenen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | τεσσάρων (tessaron) = vier | ἀνέμων (anemon) = winden | ἀπ’ (ap’) = van | ἄκρων (akron) = uiteinden | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | ἕως (heos) = tot | τῶν (ton) = de | ἄκρων (akron) = uiteinden | αὐτῶν (auton) = ervan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σάλπιγξ (salpinx), ‘bazuin’: vergelijk Jes. 27:13, waar op een grote ramshoorn geblazen wordt. ‘Het einde van de hemel’ komt voor in Deut. 30:4; ‘de vier winden’ in Zach. 2:10. Voetnoot : Zie ook Mark. 13:27. Zie ook: Deut 30:4; Jes 27:13; Zach 2:10; Mar 13:27 ### Leer van de vijgenboom **24:32** **Leer van de vijgenboom de gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitlopen, weten jullie dat de zomer nabij is.** Brontekst: Ἀπὸ (Apo) = van | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = de | συκῆς (sykes) = vijgenboom | μάθετε (mathete) = leer | τὴν (ten) = de | παραβολήν (parabolen) = gelijkenis | ὅταν (hotan) = wanneer | ἤδη (ede) = al | ὁ (ho) = de | κλάδος (klados) = tak | αὐτῆς (autes) = haar | γένηται (genetai) = wordt | ἁπαλὸς (hapalos) = zacht | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | φύλλα (phylla) = bladeren | ἐκφύῃ (ekphye) = uitlopen | γινώσκετε (ginoskete) = weten jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐγγὺς (engys) = nabij | τὸ (to) = de | θέρος (theros) = zomer Bron: SBLGNT **24:33** **Zo ook jullie: wanneer jullie dit alles zien, weten jullie dat het nabij is, voor de deur.** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὅταν (hotan) = wanneer | ἴδητε (idete) = jullie zien | πάντα (panta) = alles | ταῦτα (tauta) = dit | γινώσκετε (ginoskete) = weten jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐγγύς (engys) = nabij | ἐστιν (estin) = is | ἐπὶ (epi) = voor | θύραις (thyrais) = de deur Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ἐγγύς ἐστιν (eggys estin), ‘het is nabij’, geen onderwerp. Wij schrijven ‘het’; ook ‘Hij’ (de Mensenzoon) is mogelijk. **24:34** **Voorwaar, Ik zeg jullie: deze generatie zal beslist niet voorbijgaan, totdat dit alles gebeurt.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | παρέλθῃ (parelthe) = voorbijgaat | ἡ (he) = de | γενεὰ (genea) = generatie | αὕτη (haute) = deze | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = ooit | πάντα (panta) = alles | ταῦτα (tauta) = dit | γένηται (genetai) = gebeurt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γενεά (genea), ‘generatie’: zie de voetnoot bij Matt. 23:36. Voetnoot : Zie ook Mark. 13:30; Luc. 21:32. Zie ook: Mat 23:36; Mar 13:30; Luc 21:32 **24:35** **De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen beslist niet voorbijgaan.** Brontekst: ὁ (ho) = de | οὐρανὸς (ouranos) = hemel | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | γῆ (ge) = aarde | παρελεύσεται (pareleusetai) = zal voorbijgaan | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | λόγοι (logoi) = woorden | μου (mou) = Mijn | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | παρέλθωσιν (parelthosin) = zullen voorbijgaan Bron: SBLGNT ### Niemand kent die dag **24:36** **Over die dag en dat uur weet niemand iets, ook de engelen van de hemelen niet, ook de Zoon niet, maar alleen de Vader.** Brontekst: Περὶ (Peri) = over | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐκείνης (ekeines) = die | καὶ (kai) = en | ὥρας (horas) = uur | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | οἶδεν (oiden) = weet | οὐδὲ (oude) = noch | οἱ (hoi) = de | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | οὐδὲ (oude) = noch | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = Zoon | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | μόνος (monos) = alleen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 13:32. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften ontbreken de woorden ‘ook de Zoon niet’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Mar 13:32 ### Zoals in de dagen van Noach **24:37** **Want zoals de dagen van Noach waren, zo zal de komst van de Mensenzoon zijn.** Brontekst: ὥσπερ (hosper) = zoals | γὰρ (gar) = want | αἱ (hai) = de | ἡμέραι (hemerai) = dagen | τοῦ (tou) = van | Νῶε (Noe) = Noach | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | ἡ (he) = de | παρουσία (parousia) = komst | τοῦ (tou) = van de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Noach: Gen. 6–9. Zie ook Luc. 17:26–27. Zie ook: Luc 17:26–27 **24:38** **Want zoals zij waren in de dagen vóór de vloed: ze aten en dronken, trouwden en gaven ten huwelijk, tot de dag waarop Noach de ark binnenging.** Brontekst: ὡς (hos) = zoals | γὰρ (gar) = want | ἦσαν (esan) = waren zij | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ταῖς (tais) = die | πρὸ (pro) = vóór | τοῦ (tou) = de | κατακλυσμοῦ (kataklysmou) = vloed | τρώγοντες (trogontes) = etend | καὶ (kai) = en | πίνοντες (pinontes) = drinkend | γαμοῦντες (gamountes) = trouwend | καὶ (kai) = en | γαμίζοντες (gamizontes) = ten huwelijk gevend | ἄχρι (achri) = tot | ἧς (hes) = waarop | ἡμέρας (hemeras) = dag | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | Νῶε (Noe) = Noach | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | κιβωτόν (kiboton) = ark Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατακλυσμός (kataklysmos), ‘vloed’: zie Gen. 7:7 en 7:10. γαμίζω (gamizo), ‘ten huwelijk geven’. Zie ook: Gen 7:7; Gen 7:10 **24:39** **En ze wisten het niet, totdat de vloed kwam en hen allemaal wegnam. Zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn.** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνωσαν (egnosan) = wisten | ἕως (heos) = totdat | ἦλθεν (elthen) = kwam | ὁ (ho) = de | κατακλυσμὸς (kataklysmos) = vloed | καὶ (kai) = en | ἦρεν (eren) = nam weg | ἅπαντας (hapantas) = allen | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | παρουσία (parousia) = komst | τοῦ (tou) = van de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens Bron: SBLGNT **24:40** **Dan zullen er twee op het veld zijn: de één wordt meegenomen en de ander wordt achtergelaten.** Brontekst: τότε (tote) = dan | δύο (dyo) = twee | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ἀγρῷ (agro) = veld | εἷς (heis) = één | παραλαμβάνεται (paralambanetai) = wordt meegenomen | καὶ (kai) = en | εἷς (heis) = één | ἀφίεται (aphietai) = wordt achtergelaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραλαμβάνω (paralambano), ‘meenemen’; ἀφίημι (aphiemi), ‘achterlaten’. Het Grieks zegt niet waar de meegenomene heen gaat. Voetnoot : Zie ook Luc. 17:34–35. Zie ook: Luc 17:34–35 **24:41** **Twee vrouwen zijn aan het malen bij de molen: de ene wordt meegenomen en de andere wordt achtergelaten.** Brontekst: δύο (dyo) = twee | ἀλήθουσαι (alethousai) = malend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | μύλῳ (mylo) = molen | μία (mia) = één | παραλαμβάνεται (paralambanetai) = wordt meegenomen | καὶ (kai) = en | μία (mia) = één | ἀφίεται (aphietai) = wordt achtergelaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀλήθω (aletho), ‘malen’: graan malen tussen twee stenen van een handmolen. Het Grieks heeft hier vrouwelijke vormen; daarom schrijven wij ‘twee vrouwen’. ### Wees waakzaam **24:42** **Waak dus, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt.** Brontekst: γρηγορεῖτε (gregoreite) = waak | οὖν (oun) = dus | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = weten jullie | ποίᾳ (poia) = op welke | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔρχεται (erchetai) = komt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γρηγορέω (gregoreo), ‘waken’: wakker en oplettend blijven. κύριος (kyrios), ‘Heer’, met hoofdletter: Yeshua spreekt over Zijn eigen komst. In de gelijkenis hierna (vers 45–51) schrijven wij ‘heer’ met kleine letter, zoals bij een meester in een verhaal. Zie ook: Mat 24:45–51 **24:43** **Maar dit weten jullie: als de heer van het huis had geweten in welke nachtwake de dief zou komen, had hij gewaakt. Hij had zijn huis niet laten openbreken.** Brontekst: ἐκεῖνο (ekeino) = dat | δὲ (de) = maar | γινώσκετε (ginoskete) = weten jullie | ὅτι (hoti) = dat | εἰ (ei) = als | ᾔδει (edei) = wist | ὁ (ho) = de | οἰκοδεσπότης (oikodespotes) = heer van het huis | ποίᾳ (poia) = in welke | φυλακῇ (phylake) = nachtwake | ὁ (ho) = de | κλέπτης (kleptes) = dief | ἔρχεται (erchetai) = komt | ἐγρηγόρησεν (egregoresen) = zou hebben gewaakt | ἂν (an) = ooit | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἂν (an) = ooit | εἴασεν (eiasen) = zou hebben toegelaten | διορυχθῆναι (diorychthenai) = doorgraven te worden | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φυλακή (phylake), ‘nachtwake’: een deel van de nacht. διορύσσω (diorysso), ‘doorgraven’: door de muur van het huis heen graven; vergelijk Exod. 22:1, ‘bij een inbraak’. Voetnoot : Zie ook Luc. 12:39–40. Zie ook: Ex 22:1; Luc 12:39–40 **24:44** **Daarom, wees ook jullie klaar. Want op een uur waarop jullie het niet verwachten, komt de Mensenzoon.** Brontekst: διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | γίνεσθε (ginesthe) = word | ἕτοιμοι (hetoimoi) = klaar | ὅτι (hoti) = omdat | ᾗ (he) = op welk | οὐ (ou) = niet | δοκεῖτε (dokeite) = verwachten jullie | ὥρᾳ (hora) = uur | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἔρχεται (erchetai) = komt Bron: SBLGNT ### De trouwe en de slechte knecht **24:45** **Wie is dus de trouwe en verstandige knecht, die zijn heer over zijn huispersoneel heeft aangesteld om hun op tijd het voedsel te geven?** Brontekst: Τίς (Tis) = wie | ἄρα (ara) = dan | ἐστὶν (estin) = is | ὁ (ho) = de | πιστὸς (pistos) = trouwe | δοῦλος (doulos) = knecht | καὶ (kai) = en | φρόνιμος (phronimos) = verstandige | ὃν (hon) = die | κατέστησεν (katestesen) = aanstelde | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | ἐπὶ (epi) = over | τῆς (tes) = het | οἰκετείας (oiketeias) = huispersoneel | αὐτοῦ (autou) = zijn | τοῦ (tou) = om | δοῦναι (dounai) = te geven | αὐτοῖς (autois) = hun | τὴν (ten) = het | τροφὴν (trophen) = voedsel | ἐν (en) = op | καιρῷ (kairo) = tijd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: iemand die bij een heer hoort en zijn werk doet; letterlijk een slaaf. Voor διάκονος (diakonos) schrijven wij ‘dienaar’ (Matt. 23:11). οἰκετεία (oiketeia), ‘huispersoneel’: de bedienden van het huis. Voetnoot : Zie ook Luc. 12:41–46. Zie ook: Mat 23:11; Luc 12:41–46 **24:46** **Gelukkig die knecht die zijn heer, wanneer hij komt, zo bezig vindt.** Brontekst: μακάριος (makarios) = gelukkig | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ὃν (hon) = die | ἐλθὼν (elthon) = wanneer hij gekomen is | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | εὑρήσει (heuresei) = zal vinden | οὕτως (houtos) = zo | ποιοῦντα (poiounta) = doend Bron: SBLGNT **24:47** **Voorwaar, Ik zeg jullie: hij zal hem aanstellen over al zijn bezittingen.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐπὶ (epi) = over | πᾶσιν (pasin) = alle | τοῖς (tois) = de | ὑπάρχουσιν (hyparchousin) = bezittingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | καταστήσει (katastesei) = zal aanstellen | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **24:48** **Maar als die slechte knecht in zijn hart zegt: ‘Mijn heer blijft lang weg’,** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | εἴπῃ (eipe) = zegt | ὁ (ho) = de | κακὸς (kakos) = slechte | δοῦλος (doulos) = knecht | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | αὐτοῦ (autou) = zijn | Χρονίζει (Chronizei) = talmt | μου (mou) = mijn | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer Bron: SBLGNT **24:49** **en zijn medeknechten begint te slaan, en met de dronkaards eet en drinkt,** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄρξηται (arxetai) = begint | τύπτειν (typtein) = te slaan | τοὺς (tous) = de | συνδούλους (syndoulous) = medeknechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐσθίῃ (esthie) = eet | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = en | πίνῃ (pine) = drinkt | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μεθυόντων (methyonton) = dronkaards Bron: SBLGNT **24:50** **dan zal de heer van die knecht komen op een dag waarop hij het niet verwacht en op een uur waarop hij het niet weet.** Brontekst: ἥξει (hexei) = zal komen | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τοῦ (tou) = van de | δούλου (doulou) = knecht | ἐκείνου (ekeinou) = die | ἐν (en) = op | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ᾗ (he) = waarop | οὐ (ou) = niet | προσδοκᾷ (prosdoka) = hij verwacht | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = op | ὥρᾳ (hora) = uur | ᾗ (he) = waarop | οὐ (ou) = niet | γινώσκει (ginoskei) = hij weet Bron: SBLGNT **24:51** **Hij zal hem in tweeën houwen en zijn deel bij de huichelaars plaatsen. Daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | διχοτομήσει (dichotomesei) = zal in tweeën houwen | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | μέρος (meros) = deel | αὐτοῦ (autou) = zijn | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ὑποκριτῶν (hypokriton) = huichelaars | θήσει (thesei) = zal plaatsen | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = het | κλαυθμὸς (klauthmos) = geween | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | βρυγμὸς (brygmos) = knarsen | τῶν (ton) = van de | ὀδόντων (odonton) = tanden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διχοτομέω (dichotomeo), ‘in tweeën houwen’: letterlijk doormidden snijden; het kan ook beeldspraak zijn voor een zware straf. ‘Het geween en het knarsen van de tanden’ is een beeld van wanhoop en woede; vergelijk Ps. 112:10. De woorden staan ook in Matt. 8:12; 13:42; 22:13; 25:30. Zie ook: Ps 112:10; Mat 8:12; Mat 13:42; Mat 22:13; Mat 25:30 ## Matteüs 25 _Yeshua vertelt over de tien maagden, de talenten en het oordeel over de volken_ ### De tien maagden **25:1** **Dan zal het koninkrijk van de hemelen gelijk zijn aan 10 maagden, die hun lampen namen en uitgingen om de bruidegom tegemoet te gaan.** Brontekst: Τότε (Tote) = dan | ὁμοιωθήσεται (homoiothesetai) = zal gelijk zijn | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | δέκα (deka) = 10 | παρθένοις (parthenois) = maagden | αἵτινες (haitines) = die | λαβοῦσαι (labousai) = nemend | τὰς (tas) = de | λαμπάδας (lampadas) = lampen | ἑαυτῶν (heauton) = hun | ἐξῆλθον (exelthon) = gingen uit | εἰς (eis) = om | ὑπάντησιν (hypantesin) = tegemoet te gaan | τοῦ (tou) = de | νυμφίου (nymphiou) = bruidegom Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρθένος (parthenos), ‘maagd’: een jonge, ongehuwde vrouw. λαμπάς (lampas), ‘lamp’: een olielamp of een fakkel. νυμφίος (nymphios), ‘bruidegom’. Voetnoot : Zie ook Luc. 12:35–38. Zie ook: Luc 12:35–38 **25:2** **5 van hen waren dwaas en 5 waren verstandig.** Brontekst: πέντε (pente) = 5 | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | ἦσαν (esan) = waren | μωραὶ (morai) = dwaas | καὶ (kai) = en | πέντε (pente) = 5 | φρόνιμοι (phronimoi) = verstandig Bron: SBLGNT **25:3** **Want de dwaze namen hun lampen mee, maar zij namen geen olie met zich mee.** Brontekst: αἱ (hai) = de | γὰρ (gar) = want | μωραὶ (morai) = dwazen | λαβοῦσαι (labousai) = nemend | τὰς (tas) = de | λαμπάδας (lampadas) = lampen | αὐτῶν (auton) = hun | οὐκ (ouk) = niet | ἔλαβον (elabon) = namen | μεθ’ (meth’) = met | ἑαυτῶν (heauton) = zichzelf | ἔλαιον (elaion) = olie Bron: SBLGNT **25:4** **De verstandige namen olie mee in hun kruiken, bij hun lampen.** Brontekst: αἱ (hai) = de | δὲ (de) = maar | φρόνιμοι (phronimoi) = verstandigen | ἔλαβον (elabon) = namen | ἔλαιον (elaion) = olie | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | ἀγγείοις (angeiois) = kruiken | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | λαμπάδων (lampadon) = lampen | ἑαυτῶν (heauton) = hun Bron: SBLGNT **25:5** **Omdat de bruidegom lang wegbleef, werden zij allemaal slaperig en sliepen zij.** Brontekst: χρονίζοντος (chronizontos) = lang wegblijvend | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = de | νυμφίου (nymphiou) = bruidegom | ἐνύσταξαν (enystaxan) = werden slaperig | πᾶσαι (pasai) = allen | καὶ (kai) = en | ἐκάθευδον (ekatheudon) = sliepen Bron: SBLGNT **25:6** **Midden in de nacht klonk er een kreet: ‘Zie, de bruidegom! Ga naar buiten, hem tegemoet!’** Brontekst: μέσης (meses) = midden | δὲ (de) = maar | νυκτὸς (nyktos) = van de nacht | κραυγὴ (krauge) = kreet | γέγονεν (gegonen) = is ontstaan | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ὁ (ho) = de | νυμφίος (nymphios) = bruidegom | ἐξέρχεσθε (exerchesthe) = ga naar buiten | εἰς (eis) = om | ἀπάντησιν (apantesin) = tegemoet te gaan | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT **25:7** **Toen stonden al die maagden op en maakten hun lampen in orde.** Brontekst: τότε (tote) = toen | ἠγέρθησαν (egerthesan) = werden wakker | πᾶσαι (pasai) = allen | αἱ (hai) = de | παρθένοι (parthenoi) = maagden | ἐκεῖναι (ekeinai) = die | καὶ (kai) = en | ἐκόσμησαν (ekosmesan) = maakten in orde | τὰς (tas) = de | λαμπάδας (lampadas) = lampen | ἑαυτῶν (heauton) = hun Bron: SBLGNT **25:8** **De dwaze zeiden tegen de verstandige: ‘Geef ons van jullie olie, want onze lampen gaan uit.’** Brontekst: αἱ (hai) = de | δὲ (de) = maar | μωραὶ (morai) = dwazen | ταῖς (tais) = aan de | φρονίμοις (phronimois) = verstandigen | εἶπαν (eipan) = zeiden | Δότε (Dote) = geef | ἡμῖν (hemin) = ons | ἐκ (ek) = van | τοῦ (tou) = de | ἐλαίου (elaiou) = olie | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὅτι (hoti) = omdat | αἱ (hai) = de | λαμπάδες (lampades) = lampen | ἡμῶν (hemon) = onze | σβέννυνται (sbennyntai) = gaan uit Bron: SBLGNT **25:9** **De verstandige antwoordden: ‘Misschien is er niet genoeg voor ons en voor jullie. Ga liever naar hen die verkopen en koop voor jullie zelf.’** Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | δὲ (de) = maar | αἱ (hai) = de | φρόνιμοι (phronimoi) = verstandigen | λέγουσαι (legousai) = zeggend | Μήποτε (Mepote) = misschien | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἀρκέσῃ (arkese) = genoeg is | ἡμῖν (hemin) = voor ons | καὶ (kai) = en | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | πορεύεσθε (poreuesthe) = ga | μᾶλλον (mallon) = liever | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | πωλοῦντας (polountas) = verkopers | καὶ (kai) = en | ἀγοράσατε (agorasate) = koop | ἑαυταῖς (heautais) = voor jullie zelf Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: Μήποτε οὐ μὴ ἀρκέσῃ (mepote ou me arkese) is een korte, moeilijke uitdrukking, letterlijk ‘misschien zal het beslist niet genoeg zijn’. Wij lezen: ‘Misschien is er niet genoeg voor ons en voor jullie.’ **25:10** **Terwijl zij weggingen om te kopen, kwam de bruidegom. Zij die klaar waren, gingen met hem naar binnen, naar de bruiloft. En de deur werd gesloten.** Brontekst: ἀπερχομένων (aperchomenon) = weggaand | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | ἀγοράσαι (agorasai) = om te kopen | ἦλθεν (elthen) = kwam | ὁ (ho) = de | νυμφίος (nymphios) = bruidegom | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | ἕτοιμοι (hetoimoi) = klaren | εἰσῆλθον (eiselthon) = gingen binnen | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | γάμους (gamous) = bruiloft | καὶ (kai) = en | ἐκλείσθη (ekleisthe) = werd gesloten | ἡ (he) = de | θύρα (thyra) = deur Bron: SBLGNT **25:11** **Later kwamen ook de overige maagden. Zij zeiden: ‘Heer, heer, open voor ons.’** Brontekst: ὕστερον (hysteron) = later | δὲ (de) = maar | ἔρχονται (erchontai) = komen | καὶ (kai) = ook | αἱ (hai) = de | λοιπαὶ (loipai) = overige | παρθένοι (parthenoi) = maagden | λέγουσαι (legousai) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = heer | κύριε (kyrie) = heer | ἄνοιξον (anoixon) = open | ἡμῖν (hemin) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Κύριε κύριε (Kyrie kyrie): dezelfde woorden als in Matt. 7:21–22, waar mensen Yeshua aanspreken. Hier spreken de maagden de bruidegom aan in een verhaal; daarom schrijven wij ‘heer’ met kleine letter. Hetzelfde geldt voor de knechten in vers 20–24. Zie ook: Mat 7:21–22; Mat 25:20–24 **25:12** **De bruidegom antwoordde en zei: ‘Voorwaar, ik zeg jullie: ik ken jullie niet.’** Brontekst: ὁ (ho) = de bruidegom | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐκ (ouk) = niet | οἶδα (oida) = ken | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 7:23; Luc. 13:25–27. Zie ook: Mat 7:23; Luc 13:25–27 **25:13** **Waak dus, want jullie weten de dag niet en het uur niet.** Brontekst: γρηγορεῖτε (gregoreite) = waak | οὖν (oun) = dus | ὅτι (hoti) = want | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = weten jullie | τὴν (ten) = de | ἡμέραν (hemeran) = dag | οὐδὲ (oude) = noch | τὴν (ten) = het | ὥραν (horan) = uur Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 24:42; Mark. 13:35. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften volgt hier: ‘waarop de Mensenzoon komt’. Wij volgen de SBLGNT, die deze woorden niet heeft. Zie ook: Mat 24:42; Mar 13:35 ### De talenten **25:14** **Want het is als een man die op reis ging. Hij riep zijn eigen knechten en vertrouwde hun zijn bezittingen toe.** Brontekst: Ὥσπερ (Hosper) = zoals | γὰρ (gar) = want | ἄνθρωπος (anthropos) = een mens | ἀποδημῶν (apodemon) = op reis gaand | ἐκάλεσεν (ekalesen) = riep | τοὺς (tous) = de | ἰδίους (idious) = eigen | δούλους (doulous) = knechten | καὶ (kai) = en | παρέδωκεν (paredoken) = vertrouwde toe | αὐτοῖς (autois) = hun | τὰ (ta) = de | ὑπάρχοντα (hyparchonta) = bezittingen | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen onderwerp. Wij vullen ‘het is’ aan, naar vers 1: het koninkrijk van de hemelen. Voetnoot : Zie ook Luc. 19:11–27; Mark. 13:34. Zie ook: Mat 25:1; Mar 13:34; Luc 19:11–27 **25:15** **Aan de één gaf hij 5 talenten, aan een ander 2 en aan weer een ander 1, aan ieder naar zijn eigen kunnen. Daarna ging hij meteen op reis.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ᾧ (ho) = aan wie | μὲν (men) = wel | ἔδωκεν (edoken) = gaf | πέντε (pente) = 5 | τάλαντα (talanta) = talenten | ᾧ (ho) = aan wie | δὲ (de) = maar | δύο (dyo) = 2 | ᾧ (ho) = aan wie | δὲ (de) = maar | ἕν (hen) = 1 | ἑκάστῳ (hekasto) = aan ieder | κατὰ (kata) = naar | τὴν (ten) = de | ἰδίαν (idian) = eigen | δύναμιν (dynamin) = kunnen | καὶ (kai) = en | ἀπεδήμησεν (apedemesen) = ging op reis | εὐθέως (eutheos) = meteen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τάλαντον (talanton), ‘talent’: een gewicht van ongeveer 34 kilo zilver, 3000 sikkels (zie Exod. 38:25–26; een sikkel is ongeveer 11,4 gram). Als geldbedrag is het zeer groot: ongeveer 6000 denarie, en een denarie is ongeveer het loon van één dag werk. δύναμις (dynamis) is hier ‘kunnen’, het vermogen van de knecht. Zie ook: Ex 38:25–26 **25:16** **Degene die de 5 talenten had ontvangen, ging heen, dreef handel ermee en verdiende er nog eens 5 bij.** Brontekst: πορευθεὶς (poreutheis) = ging heen | ὁ (ho) = degene | τὰ (ta) = de | πέντε (pente) = 5 | τάλαντα (talanta) = talenten | λαβὼν (labon) = ontvangend | ἠργάσατο (ergasato) = dreef handel | ἐν (en) = met | αὐτοῖς (autois) = ze | καὶ (kai) = en | ἐκέρδησεν (ekerdesen) = verdiende | ἄλλα (alla) = andere | πέντε (pente) = 5 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἠργάσατο (ergasato), letterlijk ‘werkte’: hier ‘dreef handel’ met het geld. κερδαίνω (kerdaino), ‘winnen, verdienen’. **25:17** **Zo ook degene met de 2: hij verdiende er nog eens 2 bij.** Brontekst: ὡσαύτως (hosautos) = zo ook | ὁ (ho) = degene | τὰ (ta) = de | δύο (dyo) = 2 | ἐκέρδησεν (ekerdesen) = verdiende | ἄλλα (alla) = andere | δύο (dyo) = 2 Bron: SBLGNT **25:18** **Maar degene die er 1 had ontvangen, ging weg, groef in de grond en verborg het zilver van zijn heer.** Brontekst: ὁ (ho) = degene | δὲ (de) = maar | τὸ (to) = het | ἓν (hen) = ene | λαβὼν (labon) = ontvangend | ἀπελθὼν (apelthon) = weggaand | ὤρυξεν (oryxen) = groef | γῆν (gen) = grond | καὶ (kai) = en | ἔκρυψεν (ekrypsen) = verborg | τὸ (to) = het | ἀργύριον (argyrion) = zilver | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀργύριον (argyrion), ‘zilver’: zilver als geld, Hebreeuws כֶּסֶף (kesef). **25:19** **Na lange tijd kwam de heer van die knechten en hield afrekening met hen.** Brontekst: μετὰ (meta) = na | δὲ (de) = maar | πολὺν (polyn) = lange | χρόνον (chronon) = tijd | ἔρχεται (erchetai) = kwam | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τῶν (ton) = van de | δούλων (doulon) = knechten | ἐκείνων (ekeinon) = die | καὶ (kai) = en | συναίρει (synairei) = hield | λόγον (logon) = afrekening | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT **25:20** **Degene die de 5 talenten had ontvangen, kwam naar voren en bracht nog eens 5 talenten mee. Hij zei: ‘Heer, u hebt mij 5 talenten toevertrouwd. Zie, ik heb er nog eens 5 talenten bij verdiend.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσελθὼν (proselthon) = naar voren komend | ὁ (ho) = degene | τὰ (ta) = de | πέντε (pente) = 5 | τάλαντα (talanta) = talenten | λαβὼν (labon) = ontvangend | προσήνεγκεν (prosenenken) = bracht erbij | ἄλλα (alla) = andere | πέντε (pente) = 5 | τάλαντα (talanta) = talenten | λέγων (legon) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = heer | πέντε (pente) = 5 | τάλαντά (talanta) = talenten | μοι (moi) = mij | παρέδωκας (paredokas) = vertrouwde u toe | ἴδε (ide) = zie | ἄλλα (alla) = andere | πέντε (pente) = 5 | τάλαντα (talanta) = talenten | ἐκέρδησα (ekerdesa) = verdiende ik Bron: SBLGNT **25:21** **Zijn heer zei tegen hem: ‘Goed zo, goede en trouwe knecht! Over weinig was je trouw, over veel zal ik je aanstellen. Ga binnen in de vreugde van je heer.’** Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | Εὖ (Eu) = goed zo | δοῦλε (doule) = knecht | ἀγαθὲ (agathe) = goede | καὶ (kai) = en | πιστέ (piste) = trouwe | ἐπὶ (epi) = over | ὀλίγα (oliga) = weinig | ἦς (es) = was je | πιστός (pistos) = trouw | ἐπὶ (epi) = over | πολλῶν (pollon) = veel | σε (se) = je | καταστήσω (katasteso) = zal ik aanstellen | εἴσελθε (eiselthe) = ga binnen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | χαρὰν (charan) = vreugde | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = heer | σου (sou) = je Bron: SBLGNT **25:22** **Ook degene met de 2 talenten kwam naar voren en zei: ‘Heer, u hebt mij 2 talenten toevertrouwd. Zie, ik heb er nog eens 2 talenten bij verdiend.’** Brontekst: προσελθὼν (proselthon) = naar voren komend | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = degene | τὰ (ta) = de | δύο (dyo) = 2 | τάλαντα (talanta) = talenten | εἶπεν (eipen) = zei | Κύριε (Kyrie) = heer | δύο (dyo) = 2 | τάλαντά (talanta) = talenten | μοι (moi) = mij | παρέδωκας (paredokas) = vertrouwde u toe | ἴδε (ide) = zie | ἄλλα (alla) = andere | δύο (dyo) = 2 | τάλαντα (talanta) = talenten | ἐκέρδησα (ekerdesa) = verdiende ik Bron: SBLGNT **25:23** **Zijn heer zei tegen hem: ‘Goed zo, goede en trouwe knecht! Over weinig was je trouw, over veel zal ik je aanstellen. Ga binnen in de vreugde van je heer.’** Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | Εὖ (Eu) = goed zo | δοῦλε (doule) = knecht | ἀγαθὲ (agathe) = goede | καὶ (kai) = en | πιστέ (piste) = trouwe | ἐπὶ (epi) = over | ὀλίγα (oliga) = weinig | ἦς (es) = was je | πιστός (pistos) = trouw | ἐπὶ (epi) = over | πολλῶν (pollon) = veel | σε (se) = je | καταστήσω (katasteso) = zal ik aanstellen | εἴσελθε (eiselthe) = ga binnen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | χαρὰν (charan) = vreugde | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = heer | σου (sou) = je Bron: SBLGNT **25:24** **Ook degene die het ene talent had ontvangen, kwam naar voren. Hij zei: ‘Heer, ik wist dat u een harde man bent, die oogst waar u niet gezaaid hebt en verzamelt waar u niet verstrooid hebt.** Brontekst: προσελθὼν (proselthon) = naar voren komend | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = degene | τὸ (to) = het | ἓν (hen) = ene | τάλαντον (talanton) = talent | εἰληφὼς (eilephos) = ontvangen hebbend | εἶπεν (eipen) = zei | Κύριε (Kyrie) = heer | ἔγνων (egnon) = ik wist | σε (se) = u | ὅτι (hoti) = dat | σκληρὸς (skleros) = hard | εἶ (ei) = bent | ἄνθρωπος (anthropos) = man | θερίζων (therizon) = oogstend | ὅπου (hopou) = waar | οὐκ (ouk) = niet | ἔσπειρας (espeiras) = zaaide u | καὶ (kai) = en | συνάγων (synagon) = verzamelend | ὅθεν (hothen) = waar vandaan | οὐ (ou) = niet | διεσκόρπισας (dieskorpisas) = verstrooide u Bron: SBLGNT **25:25** **Uit angst ging ik weg en verborg uw talent in de grond. Zie, u hebt het uwe.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | φοβηθεὶς (phobetheis) = vrezend | ἀπελθὼν (apelthon) = weggaand | ἔκρυψα (ekrypsa) = verborg ik | τὸ (to) = het | τάλαντόν (talanton) = talent | σου (sou) = uw | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | γῇ (ge) = grond | ἴδε (ide) = zie | ἔχεις (echeis) = hebt u | τὸ (to) = het | σόν (son) = uwe Bron: SBLGNT **25:26** **Zijn heer antwoordde en zei tegen hem: ‘Slechte en luie knecht! Je wist dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb en verzamel waar ik niet verstrooid heb.** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Πονηρὲ (Ponere) = slechte | δοῦλε (doule) = knecht | καὶ (kai) = en | ὀκνηρέ (oknere) = luie | ᾔδεις (edeis) = je wist | ὅτι (hoti) = dat | θερίζω (therizo) = ik oogst | ὅπου (hopou) = waar | οὐκ (ouk) = niet | ἔσπειρα (espeira) = zaaide ik | καὶ (kai) = en | συνάγω (synago) = verzamel | ὅθεν (hothen) = waar vandaan | οὐ (ou) = niet | διεσκόρπισα (dieskorpisa) = verstrooide ik Bron: SBLGNT **25:27** **Je had dus mijn zilver bij de bankiers moeten brengen. Dan had ik bij mijn komst het mijne met rente teruggekregen.** Brontekst: ἔδει (edei) = moest | σε (se) = jij | οὖν (oun) = dus | βαλεῖν (balein) = brengen | τὰ (ta) = het | ἀργύριά (argyria) = zilver | μου (mou) = mijn | τοῖς (tois) = aan de | τραπεζίταις (trapezitais) = bankiers | καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | ἐγὼ (ego) = ik | ἐκομισάμην (ekomisamen) = had ontvangen | ἂν (an) = ooit | τὸ (to) = het | ἐμὸν (emon) = mijne | σὺν (syn) = met | τόκῳ (toko) = rente Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τραπεζίτης (trapezites), ‘bankier’: van τράπεζα (trapeza), ‘tafel’, de tafel van de geldwisselaar. τόκος (tokos), ‘rente’: een Israëliet mocht van zijn broer geen rente nemen (Deut. 23:20); zie ook Exod. 22:24 en Deut. 23:21. Zie ook: Ex 22:24; Deut 23:20; Deut 23:21 **25:28** **Neem dus het talent van hem af en geef het aan degene die de 10 talenten heeft.** Brontekst: ἄρατε (arate) = neem weg | οὖν (oun) = dus | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | τὸ (to) = het | τάλαντον (talanton) = talent | καὶ (kai) = en | δότε (dote) = geef | τῷ (to) = aan de | ἔχοντι (echonti) = hebbende | τὰ (ta) = de | δέκα (deka) = 10 | τάλαντα (talanta) = talenten Bron: SBLGNT **25:29** **Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloed hebben. Maar van wie niet heeft, zal ook wat hij heeft van hem weggenomen worden.** Brontekst: τῷ (to) = aan de | γὰρ (gar) = want | ἔχοντι (echonti) = hebbende | παντὶ (panti) = ieder | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | καὶ (kai) = en | περισσευθήσεται (perisseuthesetai) = zal overvloed hebben | τοῦ (tou) = van de | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | ἔχοντος (echontos) = hebbende | καὶ (kai) = ook | ὃ (ho) = wat | ἔχει (echei) = hij heeft | ἀρθήσεται (arthesetai) = zal weggenomen worden | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 13:12; Mark. 4:25; Luc. 8:18; 19:26. Zie ook: Mat 13:12; Mar 4:25; Luc 8:18; Luc 19:26 **25:30** **En werp de nutteloze knecht in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | ἀχρεῖον (achreion) = nutteloze | δοῦλον (doulon) = knecht | ἐκβάλετε (ekbalete) = werp | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | σκότος (skotos) = duisternis | τὸ (to) = de | ἐξώτερον (exoteron) = buitenste | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = het | κλαυθμὸς (klauthmos) = geween | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | βρυγμὸς (brygmos) = knarsen | τῶν (ton) = van de | ὀδόντων (odonton) = tanden Bron: SBLGNT ### Het oordeel over de volken **25:31** **Wanneer de Mensenzoon komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van Zijn heerlijkheid.** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | ἔλθῃ (elthe) = komt | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | δόξῃ (doxe) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | τότε (tote) = dan | καθίσει (kathisei) = zal plaatsnemen | ἐπὶ (epi) = op | θρόνου (thronou) = troon | δόξης (doxes) = van heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Dan. 7:13–14 en Matt. 19:28, waar ook ‘de troon van Zijn heerlijkheid’ staat. Zie ook: Dan 7:13–14; Mat 19:28 **25:32** **Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden. Hij zal hen van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt.** Brontekst: καὶ (kai) = en | συναχθήσονται (synachthesontai) = zullen bijeengebracht worden | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | αὐτοῦ (autou) = Hem | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | καὶ (kai) = en | ἀφορίσει (aphorisei) = zal scheiden | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀπ’ (ap’) = van | ἀλλήλων (allelon) = elkaar | ὥσπερ (hosper) = zoals | ὁ (ho) = de | ποιμὴν (poimen) = herder | ἀφορίζει (aphorizei) = scheidt | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ἐρίφων (eriphon) = bokken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πάντα τὰ ἔθνη (panta ta ethne), ‘alle volken’: het woord kan de niet-Joden bedoelen of alle volken, Israël ook; wij vertalen ‘alle volken’. ἔριφος (eriphos), ‘bok’; in vers 33 staat de verkleinvorm ἐρίφιον (eriphion), ‘bokje’. Zie ook: Mat 25:33 **25:33** **Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten en de bokken aan de linkerhand.** Brontekst: καὶ (kai) = en | στήσει (stesei) = zal zetten | τὰ (ta) = de | μὲν (men) = wel | πρόβατα (probata) = schapen | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὰ (ta) = de | δὲ (de) = maar | ἐρίφια (eriphia) = bokken | ἐξ (ex) = aan | εὐωνύμων (euonymon) = linkerhand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐώνυμος (euonymos), ‘links’: letterlijk ‘goed genoemd’, een vriendelijke omschrijving van de linkerkant. **25:34** **Dan zal de Koning zeggen tegen hen die aan Zijn rechterhand staan: ‘Kom, gezegenden van Mijn Vader! Erf het koninkrijk dat voor jullie klaargemaakt is vanaf de grondlegging van de wereld.** Brontekst: τότε (tote) = dan | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = Koning | τοῖς (tois) = aan de | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Δεῦτε (Deute) = kom | οἱ (hoi) = de | εὐλογημένοι (eulogemenoi) = gezegenden | τοῦ (tou) = van | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | κληρονομήσατε (kleronomesate) = erf | τὴν (ten) = het | ἡτοιμασμένην (hetoimasmenen) = klaargemaakte | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | ἀπὸ (apo) = vanaf | καταβολῆς (kataboles) = grondlegging | κόσμου (kosmou) = van de wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βασιλεύς (basileus), ‘Koning’, met hoofdletter: Yeshua spreekt hier over Zichzelf, de Mensenzoon uit vers 31. κληρονομέω (kleronomeo), ‘erven’: een erfdeel ontvangen. Zie ook: Mat 25:31 **25:35** **Want Ik had honger en jullie gaven Mij te eten. Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen Mij op.** Brontekst: ἐπείνασα (epeinasa) = had honger | γὰρ (gar) = want | καὶ (kai) = en | ἐδώκατέ (edokate) = gaven jullie | μοι (moi) = Mij | φαγεῖν (phagein) = te eten | ἐδίψησα (edipsesa) = had dorst | καὶ (kai) = en | ἐποτίσατέ (epotisate) = gaven jullie te drinken | με (me) = Mij | ξένος (xenos) = vreemdeling | ἤμην (emen) = was ik | καὶ (kai) = en | συνηγάγετέ (synegagete) = namen jullie op | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ξένος (xenos), ‘vreemdeling’: iemand van elders; vergelijk Deut. 10:19, ‘Heb dus de vreemdeling lief’. συνάγω (synago), ‘bijeenbrengen’, hier: opnemen in je huis; vergelijk Jes. 58:7. Zie ook: Deut 10:19; Jes 58:7 **25:36** **Ik was naakt en jullie kleedden Mij. Ik was ziek en jullie bezochten Mij. Ik was in de gevangenis en jullie kwamen naar Mij toe.’** Brontekst: γυμνὸς (gymnos) = naakt | καὶ (kai) = en | περιεβάλετέ (periebalete) = kleedden jullie | με (me) = Mij | ἠσθένησα (esthenesa) = was ziek | καὶ (kai) = en | ἐπεσκέψασθέ (epeskepsasthe) = bezochten jullie | με (me) = Mij | ἐν (en) = in | φυλακῇ (phylake) = gevangenis | ἤμην (emen) = was ik | καὶ (kai) = en | ἤλθατε (elthate) = kwamen jullie | πρός (pros) = naar | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **25:37** **Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: ‘Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven?** Brontekst: τότε (tote) = dan | ἀποκριθήσονται (apokrithesontai) = zullen antwoorden | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | δίκαιοι (dikaioi) = rechtvaardigen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | πότε (pote) = wanneer | σε (se) = U | εἴδομεν (eidomen) = zagen wij | πεινῶντα (peinonta) = hongerig | καὶ (kai) = en | ἐθρέψαμεν (ethrepsamen) = voedden wij | ἢ (e) = of | διψῶντα (dipsonta) = dorstig | καὶ (kai) = en | ἐποτίσαμεν (epotisamen) = gaven wij te drinken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Κύριε (Kyrie), ‘Heer’, met hoofdletter en met ‘U’: de rechtvaardigen spreken de Koning aan, en dat is Yeshua. **25:38** **Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en U gekleed?** Brontekst: πότε (pote) = wanneer | δέ (de) = maar | σε (se) = U | εἴδομεν (eidomen) = zagen wij | ξένον (xenon) = vreemdeling | καὶ (kai) = en | συνηγάγομεν (synegagomen) = namen wij op | ἢ (e) = of | γυμνὸν (gymnon) = naakt | καὶ (kai) = en | περιεβάλομεν (periebalomen) = kleedden wij Bron: SBLGNT **25:39** **Wanneer hebben wij U ziek gezien of in de gevangenis, en zijn wij naar U toe gekomen?’** Brontekst: πότε (pote) = wanneer | δέ (de) = maar | σε (se) = U | εἴδομεν (eidomen) = zagen wij | ἀσθενοῦντα (asthenounta) = ziek | ἢ (e) = of | ἐν (en) = in | φυλακῇ (phylake) = gevangenis | καὶ (kai) = en | ἤλθομεν (elthomen) = kwamen wij | πρός (pros) = naar | σε (se) = U Bron: SBLGNT **25:40** **De Koning zal hun antwoorden: ‘Voorwaar, Ik zeg jullie: wat jullie gedaan hebben voor één van deze geringste broers van Mij, hebben jullie voor Mij gedaan.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = Koning | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐφ’ (eph’) = voor | ὅσον (hoson) = zover | ἐποιήσατε (epoiesate) = deden jullie | ἑνὶ (heni) = aan één | τούτων (touton) = van deze | τῶν (ton) = de | ἀδελφῶν (adelphon) = broers | μου (mou) = Mijn | τῶν (ton) = de | ἐλαχίστων (elachiston) = geringsten | ἐμοὶ (emoi) = aan Mij | ἐποιήσατε (epoiesate) = deden jullie Bron: SBLGNT **25:41** **Dan zal Hij ook zeggen tegen hen die aan de linkerhand staan: ‘Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur. Dat is klaargemaakt voor de duivel en zijn engelen.** Brontekst: τότε (tote) = dan | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | καὶ (kai) = ook | τοῖς (tois) = aan de | ἐξ (ex) = aan | εὐωνύμων (euonymon) = linkerhand | Πορεύεσθε (Poreuesthe) = ga weg | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = Mij | οἱ (hoi) = de | κατηραμένοι (kateramenoi) = vervloekten | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | πῦρ (pyr) = vuur | τὸ (to) = het | αἰώνιον (aionion) = eeuwige | τὸ (to) = het | ἡτοιμασμένον (hetoimasmenon) = klaargemaakte | τῷ (to) = voor de | διαβόλῳ (diabolo) = duivel | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = voor de | ἀγγέλοις (angelois) = engelen | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **25:42** **Want Ik had honger en jullie gaven Mij niet te eten. Ik had dorst en jullie gaven Mij niet te drinken.** Brontekst: ἐπείνασα (epeinasa) = had honger | γὰρ (gar) = want | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐδώκατέ (edokate) = gaven jullie | μοι (moi) = Mij | φαγεῖν (phagein) = te eten | ἐδίψησα (edipsesa) = had dorst | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐποτίσατέ (epotisate) = gaven jullie te drinken | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **25:43** **Ik was een vreemdeling en jullie namen Mij niet op. Ik was naakt en jullie kleedden Mij niet. Ik was ziek en in de gevangenis, en jullie bezochten Mij niet.’** Brontekst: ξένος (xenos) = vreemdeling | ἤμην (emen) = was ik | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | συνηγάγετέ (synegagete) = namen jullie op | με (me) = Mij | γυμνὸς (gymnos) = naakt | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | περιεβάλετέ (periebalete) = kleedden jullie | με (me) = Mij | ἀσθενὴς (asthenes) = ziek | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | φυλακῇ (phylake) = gevangenis | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐπεσκέψασθέ (epeskepsasthe) = bezochten jullie | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **25:44** **Dan zullen ook zij antwoorden: ‘Heer, wanneer hebben wij U hongerig of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis gezien, en hebben wij U niet gediend?’** Brontekst: τότε (tote) = dan | ἀποκριθήσονται (apokrithesontai) = zullen antwoorden | καὶ (kai) = ook | αὐτοὶ (autoi) = zijzelf | λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | πότε (pote) = wanneer | σε (se) = U | εἴδομεν (eidomen) = zagen wij | πεινῶντα (peinonta) = hongerig | ἢ (e) = of | διψῶντα (dipsonta) = dorstig | ἢ (e) = of | ξένον (xenon) = vreemdeling | ἢ (e) = of | γυμνὸν (gymnon) = naakt | ἢ (e) = of | ἀσθενῆ (asthene) = ziek | ἢ (e) = of | ἐν (en) = in | φυλακῇ (phylake) = gevangenis | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | διηκονήσαμέν (diekonesamen) = dienden wij | σοι (soi) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διακονέω (diakoneo), ‘dienen’: hulp geven; van het woord διάκονος (diakonos), ‘dienaar’ (Matt. 23:11). Zie ook: Mat 23:11 **25:45** **Dan zal Hij hun antwoorden: ‘Voorwaar, Ik zeg jullie: wat jullie niet gedaan hebben voor één van deze geringsten, hebben jullie ook niet voor Mij gedaan.’** Brontekst: τότε (tote) = dan | ἀποκριθήσεται (apokrithesetai) = zal antwoorden | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐφ’ (eph’) = voor | ὅσον (hoson) = zover | οὐκ (ouk) = niet | ἐποιήσατε (epoiesate) = deden jullie | ἑνὶ (heni) = aan één | τούτων (touton) = van deze | τῶν (ton) = de | ἐλαχίστων (elachiston) = geringsten | οὐδὲ (oude) = noch | ἐμοὶ (emoi) = aan Mij | ἐποιήσατε (epoiesate) = deden jullie Bron: SBLGNT **25:46** **En dezen zullen weggaan naar eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar eeuwig leven.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπελεύσονται (apeleusontai) = zullen weggaan | οὗτοι (houtoi) = dezen | εἰς (eis) = naar | κόλασιν (kolasin) = straf | αἰώνιον (aionion) = eeuwige | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | δίκαιοι (dikaioi) = rechtvaardigen | εἰς (eis) = naar | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰώνιος (aionios), ‘eeuwig’: bij ‘straf’ en bij ‘leven’ staat in het Grieks hetzelfde woord, afgeleid van αἰών (aion), ‘eeuw’ (Matt. 12:32; 13:39). Vergelijk Dan. 12:2. κόλασις (kolasis), ‘straf’. Zie ook: Dan 12:2; Mat 12:32; Mat 13:39 ## Matteüs 26 _De zalving, het Pesach-maal, Getsemane en het proces voor de Raad_ ### Het plan van de leiders **26:1** Toen Yeshua al deze woorden had beëindigd, zei Hij tegen Zijn leerlingen: Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ὅτε (hote) = toen | ἐτέλεσεν (etelesen) = voltooide | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πάντας (pantas) = al | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | εἶπεν (eipen) = zei | τοῖς (tois) = tot de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Καὶ ἐγένετο ὅτε ἐτέλεσεν (kai egeneto hote etelesen), ‘en het gebeurde toen Hij had beëindigd’: een vaste afsluiting van een grote toespraak, ook in Matt. 7:28; 11:1; 13:53 en 19:1. Wij geven het weer met ‘Toen’. Zie ook: Mat 7:28; Mat 11:1; Mat 13:53; Mat 19:1 **26:2** **„Jullie weten dat het over twee dagen Pesach is, en de Mensenzoon overgeleverd om gekruisigd te worden.”** Brontekst: Οἴδατε (Oidate) = jullie weten | ὅτι (hoti) = dat | μετὰ (meta) = na | δύο (dyo) = twee | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | γίνεται (ginetai) = komt | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | παραδίδοται (paradidotai) = wordt overgeleverd | εἰς (eis) = om | τὸ (to) = het | σταυρωθῆναι (staurothenai) = gekruisigd te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πάσχα (pascha), ‘Pesach’: het feest waarop Israël de uittocht uit Egypte herdenkt (Exod. 12:11; Lev. 23:5). Voetnoot : παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: hetzelfde woord als in 4:12. Het komt in dit hoofdstuk vaak voor, ook voor Judas (26:15, 26:16, 26:21). Voetnoot : Zie ook Mark. 14:1–2; Luc. 22:1–2. Zie ook: Ex 12:11; Lev 23:5; Mar 14:1–2; Luc 22:1–2 **26:3** Toen kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen op de binnenplaats van de hogepriester, die Kajafas genoemd werd. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | συνήχθησαν (synechthesan) = kwamen bijeen | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | αὐλὴν (aulen) = binnenplaats | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | τοῦ (tou) = de | λεγομένου (legomenou) = genoemde | Καϊάφα (Kaiapha) = Kajafas Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): De binnenplaats hoorde bij het huis van de hogepriester in Jeruzalem. De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel. Voetnoot Uitleg: αὐλή (aule), ‘binnenplaats’: de open binnenplaats van het huis, ook in 26:58 en 26:69. **26:4** Zij overlegden samen om Yeshua met list te grijpen en te doden. Brontekst: καὶ (kai) = en | συνεβουλεύσαντο (synebouleusanto) = overlegden | ἵνα (hina) = opdat | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | δόλῳ (dolo) = met list | κρατήσωσιν (kratesosin) = zij grijpen | καὶ (kai) = en | ἀποκτείνωσιν (apokteinosin) = doden Bron: SBLGNT **26:5** Maar zij zeiden: „Niet tijdens het feest, anders ontstaat er opschudding onder het volk.” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zij zeiden | δέ (de) = maar | Μὴ (Me) = niet | ἐν (en) = tijdens | τῇ (te) = het | ἑορτῇ (heorte) = feest | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | θόρυβος (thorybos) = opschudding | γένηται (genetai) = ontstaat | ἐν (en) = onder | τῷ (to) = het | λαῷ (lao) = volk Bron: SBLGNT ### De zalving in Betanië **26:6** Yeshua was in Betanië, in het huis van Simon de melaatse. Brontekst: Τοῦ (Tou) = van de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | γενομένου (genomenou) = zijnde | ἐν (en) = in | Βηθανίᾳ (Bethania) = Betanië | ἐν (en) = in | οἰκίᾳ (oikia) = huis | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | τοῦ (tou) = de | λεπροῦ (leprou) = melaatse Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: λεπρός (lepros), ‘melaatse’: de Hebreeuwse huidziekte tsara’at (Lev. 13–14) is niet per se lepra. Simon is dus iemand die ziek was of als ziek gold. Voetnoot : Zie ook Mark. 14:3–9; Joh. 12:1–8. Zie ook: Mar 14:3–9; Joh 12:1–8 **26:7** Daar kwam een vrouw naar Hem toe met een albasten flesje met kostbare zalfolie. Zij goot de olie uit over Zijn hoofd terwijl Hij aan tafel lag. Brontekst: προσῆλθεν (proselthen) = kwam naar | αὐτῷ (auto) = Hem | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἔχουσα (echousa) = hebbend | ἀλάβαστρον (alabastron) = albasten flesje | μύρου (myrou) = van zalfolie | βαρυτίμου (barytimou) = kostbare | καὶ (kai) = en | κατέχεεν (katecheen) = goot uit | ἐπὶ (epi) = over | τῆς (tes) = het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἀνακειμένου (anakeimenou) = aan tafel liggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀλάβαστρον (alabastron), ‘albasten flesje’: een flesje van zachte steen. μύρον (myron), ‘zalfolie’: een kostbare, geurende olie. **26:8** Toen de leerlingen dat zagen, werden zij boos en zeiden: „Waarvoor dient deze verspilling? Brontekst: ἰδόντες (idontes) = ziende | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἠγανάκτησαν (eganaktesan) = werden boos | λέγοντες (legontes) = zeggend | Εἰς (Eis) = tot | τί (ti) = wat | ἡ (he) = de | ἀπώλεια (apoleia) = verspilling | αὕτη (haute) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγανακτέω (aganakteo), ‘boos worden’: verontwaardigd zijn. ἀπώλεια (apoleia), ‘verspilling’: letterlijk ‘verlies, vernietiging’. **26:9** Dit had voor veel geld verkocht kunnen worden en aan armen gegeven.” Brontekst: ἐδύνατο (edynato) = kon | γὰρ (gar) = want | τοῦτο (touto) = dit | πραθῆναι (prathenai) = verkocht worden | πολλοῦ (pollou) = voor veel | καὶ (kai) = en | δοθῆναι (dothenai) = gegeven worden | πτωχοῖς (ptochois) = aan armen Bron: SBLGNT **26:10** Yeshua merkte het en zei tegen hen: **„Waarom bezorgen jullie de vrouw moeite? Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan.** Brontekst: γνοὺς (gnous) = wetend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τί (Ti) = waarom | κόπους (kopous) = moeite | παρέχετε (parechete) = bezorgen jullie | τῇ (te) = aan de | γυναικί (gynaiki) = vrouw | ἔργον (ergon) = werk | γὰρ (gar) = want | καλὸν (kalon) = goed | ἠργάσατο (ergasato) = heeft verricht | εἰς (eis) = aan | ἐμέ (eme) = Mij Bron: SBLGNT **26:11** **Want de armen hebben jullie altijd bij je, maar Mij hebben jullie niet altijd.** Brontekst: πάντοτε (pantote) = altijd | γὰρ (gar) = want | τοὺς (tous) = de | πτωχοὺς (ptochous) = armen | ἔχετε (echete) = hebben jullie | μεθ’ (meth’) = bij | ἑαυτῶν (heauton) = jullie zelf | ἐμὲ (eme) = Mij | δὲ (de) = maar | οὐ (ou) = niet | πάντοτε (pantote) = altijd | ἔχετε (echete) = hebben jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 15:11: ‘de arme zal nooit verdwijnen uit het midden van het land’. Zie ook: Deut 15:11 **26:12** **Want door deze zalfolie over Mijn lichaam te gieten, heeft zij het gedaan om Mij voor te bereiden op de begrafenis.** Brontekst: βαλοῦσα (balousa) = gegoten hebbend | γὰρ (gar) = want | αὕτη (haute) = zij | τὸ (to) = de | μύρον (myron) = zalfolie | τοῦτο (touto) = deze | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = het | σώματός (somatos) = lichaam | μου (mou) = Mijn | πρὸς (pros) = om | τὸ (to) = het | ἐνταφιάσαι (entaphiasai) = voor te bereiden voor de begrafenis | με (me) = Mij | ἐποίησεν (epoiesen) = deed Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐνταφιάζω (entaphiazo), ‘voorbereiden op de begrafenis’: een dode gereedmaken voor het graf, onder andere met geurige oliën. **26:13** **Voorwaar, Ik zeg jullie: overal waar deze goede boodschap in de hele wereld verkondigd wordt, zal ook gesproken worden over wat zij gedaan heeft. Dat is tot haar gedachtenis.”** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅπου (hopou) = waar | ἐὰν (ean) = ook | κηρυχθῇ (kerychthe) = verkondigd wordt | τὸ (to) = de | εὐαγγέλιον (euangelion) = goede boodschap | τοῦτο (touto) = deze | ἐν (en) = in | ὅλῳ (holo) = hele | τῷ (to) = de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | λαληθήσεται (lalethesetai) = zal gesproken worden | καὶ (kai) = ook | ὃ (ho) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | αὕτη (haute) = zij | εἰς (eis) = tot | μνημόσυνον (mnemosynon) = gedachtenis | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT ### Judas biedt zich aan **26:14** Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot genoemd werd, naar de hogepriesters Brontekst: Τότε (Tote) = toen | πορευθεὶς (poreutheis) = gegaan zijnde | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ὁ (ho) = de | λεγόμενος (legomenos) = genoemde | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | Ἰσκαριώτης (Iskariotes) = Iskariot | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters Bron: SBLGNT **26:15** en zei: „Wat wilt u mij geven, en ik zal Hem aan u overleveren?” Zij stelden voor hem 30 zilverstukken vast. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | Τί (Ti) = wat | θέλετέ (thelete) = wilt u | μοι (moi) = mij | δοῦναι (dounai) = geven | κἀγὼ (kago) = en ik | ὑμῖν (hymin) = aan u | παραδώσω (paradoso) = zal overleveren | αὐτόν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἔστησαν (estesan) = stelden vast | αὐτῷ (auto) = voor hem | τριάκοντα (triakonta) = 30 | ἀργύρια (argyria) = zilverstukken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀργύρια (argyria), ‘zilverstukken’. De 30 stukken zilver doen denken aan Zach. 11:12–13 (zie ook 27:9) en aan de prijs voor een slaaf in Exod. 21:32. Als het sikkels zijn, is dit ongeveer 340 gram zilver (een sikkel is ongeveer 11,4 gram); het Grieks noemt de munt niet. Voetnoot : ἔστησαν (estesan), ‘stelden vast’: ook ‘wogen af’; zo staat het in Zach. 11:12. Voetnoot : Zie ook Mark. 14:10–11; Luc. 22:3–6. Zie ook: Ex 21:32; Zach 11:12–13; Mar 14:10–11; Luc 22:3–6 **26:16** Vanaf dat moment zocht hij een gelegenheid om Hem over te leveren. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = vanaf | τότε (tote) = toen | ἐζήτει (ezetei) = zocht | εὐκαιρίαν (eukairian) = gelegenheid | ἵνα (hina) = opdat | αὐτὸν (auton) = Hem | παραδῷ (parado) = hij overlevert Bron: SBLGNT ### Het Pesach-maal **26:17** Op de eerste dag van de ongezuurde broden kwamen de leerlingen naar Yeshua. Zij zeiden: „Waar wilt U dat wij voor U het Pesach klaarmaken om te eten?” Brontekst: Τῇ (Te) = op de | δὲ (de) = maar | πρώτῃ (prote) = eerste | τῶν (ton) = van de | ἀζύμων (azymon) = ongezuurde broden | προσῆλθον (proselthon) = kwamen naar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | τῷ (to) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ποῦ (Pou) = waar | θέλεις (theleis) = wilt U | ἑτοιμάσωμέν (hetoimasomen) = dat wij klaarmaken | σοι (soi) = voor U | φαγεῖν (phagein) = te eten | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄζυμα (azyma), ‘ongezuurde broden’: het feest van de ongezuurde broden volgt op het Pesach (Lev. 23:5–6). In het gewone spraakgebruik werd het hele feest vaak samen genomen. Welke dag Matteüs bedoelt, is niet zeker. Voetnoot : Zie ook Mark. 14:12–16; Luc. 22:7–13. Zie ook: Lev 23:5–6; Mar 14:12–16; Luc 22:7–13 **26:18** Hij zei: **„Ga naar de stad, naar die en die man, en zeg tegen hem: ‘De leraar zegt: „Mijn tijd is nabij. Bij jou houd Ik het Pesach met Mijn leerlingen.”’”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ὑπάγετε (Hypagete) = ga | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | δεῖνα (deina) = die en die | καὶ (kai) = en | εἴπατε (eipate) = zeg | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ὁ (Ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | λέγει (legei) = zegt | Ὁ (Ho) = de | καιρός (kairos) = tijd | μου (mou) = Mijn | ἐγγύς (engys) = nabij | ἐστιν (estin) = is | πρὸς (pros) = bij | σὲ (se) = jou | ποιῶ (poio) = houd Ik | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὸν δεῖνα (ton deina), ‘die en die’: een man die niet bij naam genoemd wordt. διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’. καιρός (kairos), ‘tijd’: de bepaalde, juiste tijd. **26:19** De leerlingen deden zoals Yeshua hun had opgedragen en maakten het Pesach klaar. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐποίησαν (epoiesan) = deden | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ὡς (hos) = zoals | συνέταξεν (synetaxen) = had opgedragen | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἡτοίμασαν (hetoimasan) = maakten klaar | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach Bron: SBLGNT **26:20** Toen het avond was geworden, lag Hij aan tafel met de twaalf leerlingen. Brontekst: Ὀψίας (Opsias) = avond | δὲ (de) = maar | γενομένης (genomenes) = geworden | ἀνέκειτο (anekeito) = lag aan tafel | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | μαθητῶν (matheton) = leerlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνέκειτο (anekeito), ‘lag aan tafel’: bij een feestmaal lag men aan tafel. Voetnoot : Zie ook Mark. 14:17–21; Luc. 22:14, 21–23; Joh. 13:21–30. Zie ook: Mar 14:17–21; Luc 22:14; Joh 13:21–30 **26:21** Terwijl zij aten, zei Hij: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: een van jullie zal Mij overleveren.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐσθιόντων (esthionton) = etend | αὐτῶν (auton) = zij | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | εἷς (heis) = een | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | παραδώσει (paradosei) = zal overleveren | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **26:22** Zij werden diep bedroefd en begonnen een voor een tegen Hem te zeggen: „Ik ben het toch niet, Heer?” Brontekst: καὶ (kai) = en | λυπούμενοι (lypoumenoi) = bedroefd | σφόδρα (sphodra) = zeer | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | λέγειν (legein) = te zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | εἷς (heis) = een | ἕκαστος (hekastos) = ieder | Μήτι (Meti) = toch niet | ἐγώ (ego) = ik | εἰμι (eimi) = ben | κύριε (kyrie) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘Heer’: de leerlingen spreken Yeshua aan met ‘Heer’. Judas zegt in 26:25 ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: een aanspreking voor een leraar (zie 23:7). **26:23** Hij antwoordde en zei: **„Wie met Mij zijn hand in de schaal heeft gedoopt, die zal Mij overleveren.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Ὁ (Ho) = die | ἐμβάψας (embapsas) = gedoopt heeft | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | τρυβλίῳ (tryblio) = schaal | οὗτός (houtos) = deze | με (me) = Mij | παραδώσει (paradosei) = zal overleveren Bron: SBLGNT **26:24** **De Mensenzoon gaat heen, zoals over Hem geschreven staat. Maar wee die mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd. Het zou goed voor hem zijn geweest als die mens niet geboren was.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | μὲν (men) = wel | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ὑπάγει (hypagei) = gaat heen | καθὼς (kathos) = zoals | γέγραπται (gegraptai) = geschreven is | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | οὐαὶ (ouai) = wee | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = aan de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = mens | ἐκείνῳ (ekeino) = die | δι’ (di’) = door | οὗ (hou) = wie | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | παραδίδοται (paradidotai) = wordt overgeleverd | καλὸν (kalon) = goed | ἦν (en) = was | αὐτῷ (auto) = voor hem | εἰ (ei) = als | οὐκ (ouk) = niet | ἐγεννήθη (egennethe) = was geboren | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἐκεῖνος (ekeinos) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 41:10 (in de Nederlandse telling 41:9): ‘Zelfs de man met wie ik in vrede leefde, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de hiel groot gemaakt tegen mij.’ Voetnoot : καλὸν ἦν (kalon en), ‘het was goed’: wij geven het weer met ‘het zou goed zijn geweest’. Zie ook: Ps 41:10 **26:25** Judas, die Hem overleverde, antwoordde: „Ik ben het toch niet, rabbi?” Hij zei tegen hem: **„Jij hebt het gezegd.”** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | ὁ (ho) = de | παραδιδοὺς (paradidous) = overleverende | αὐτὸν (auton) = Hem | εἶπεν (eipen) = zei | Μήτι (Meti) = toch niet | ἐγώ (ego) = ik | εἰμι (eimi) = ben | ῥαββί (rhabbi) = rabbi | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | Σὺ (Sy) = jij | εἶπας (eipas) = hebt gezegd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σὺ εἶπας (Sy eipas), ‘Jij hebt het gezegd’: een bevestigend, maar terughoudend antwoord. Zo antwoordt Yeshua ook in 26:64 en 27:11. ### Brood en beker **26:26** Terwijl zij aten, nam Yeshua brood, sprak de zegen uit en brak het. Hij gaf het aan de leerlingen en zei: **„Neem, eet. Dit is Mijn lichaam.”** Brontekst: Ἐσθιόντων (Esthionton) = etend | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | λαβὼν (labon) = nemend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἄρτον (arton) = brood | καὶ (kai) = en | εὐλογήσας (eulogesas) = de zegen uitsprekend | ἔκλασεν (eklasen) = brak | καὶ (kai) = en | δοὺς (dous) = gevend | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | εἶπεν (eipen) = zei | Λάβετε (Labete) = neem | φάγετε (phagete) = eet | τοῦτό (touto) = dit | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’; hier: de zegen uitspreken. Het Grieks noemt niet wat er gezegend wordt. Voetnoot : Zie ook Mark. 14:22–25; Luc. 22:15–20; 1 Kor. 11:23–26. Zie ook: Mar 14:22–25; Luc 22:15–20; 1 Kor 11:23–26 **26:27** Hij nam een beker, dankte en gaf hun die. Hij zei: **„Drink hieruit, allemaal.** Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | ποτήριον (poterion) = beker | καὶ (kai) = en | εὐχαριστήσας (eucharistesas) = dankend | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Πίετε (Piete) = drink | ἐξ (ex) = uit | αὐτοῦ (autou) = hem | πάντες (pantes) = allen Bron: SBLGNT **26:28** **Want dit is Mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt uitgegoten tot vergeving van zonden.** Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | αἷμά (haima) = bloed | μου (mou) = Mijn | τῆς (tes) = van het | διαθήκης (diathekes) = verbond | τὸ (to) = het | περὶ (peri) = voor | πολλῶν (pollon) = velen | ἐκχυννόμενον (ekchynnomenon) = uitgegoten wordend | εἰς (eis) = tot | ἄφεσιν (aphesin) = vergeving | ἁμαρτιῶν (hamartion) = van zonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: de Hebreeuwse בְּרִית (berit). De woorden ‘bloed van het verbond’ komen uit Exod. 24:8. Het nieuwe verbond staat in Jer. 31:31–34, waar ook de vergeving genoemd wordt. Over ‘velen’ zie Jes. 53:12. Zie ook: Ex 24:8; Jes 53:12; Jer 31:31–34 **26:29** **Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik beslist niet meer drinken van deze vrucht van de wijnstok, tot die dag. Dan drink Ik het nieuw met jullie in het koninkrijk van Mijn Vader.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | πίω (pio) = zal drinken | ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἄρτι (arti) = nu | ἐκ (ek) = uit | τούτου (toutou) = deze | τοῦ (tou) = de | γενήματος (genematos) = vrucht | τῆς (tes) = van de | ἀμπέλου (ampelou) = wijnstok | ἕως (heos) = tot | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐκείνης (ekeines) = die | ὅταν (hotan) = wanneer | αὐτὸ (auto) = het | πίνω (pino) = Ik drink | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | καινὸν (kainon) = nieuw | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γένημα τῆς ἀμπέλου (genema tes ampelou), ‘vrucht van de wijnstok’: wijn. **26:30** Toen zij een lofzang gezongen hadden, gingen zij naar buiten, naar de Olijfberg. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑμνήσαντες (hymnesantes) = zingend een lofzang | ἐξῆλθον (exelthon) = gingen naar buiten | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | Ὄρος (Oros) = berg | τῶν (ton) = van de | Ἐλαιῶν (Elaion) = olijven Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: ὑμνέω (hymneo), ‘een lofzang zingen’. Bij het Pesach zong men gewoonlijk de lofpsalmen (Ps. 113–118). De Olijfberg ligt tegenover Jeruzalem (Zach. 14:4). Voetnoot : Zie ook Mark. 14:26–31; Luc. 22:39; Joh. 13:36–38. Zie ook: Zach 14:4; Mar 14:26–31; Luc 22:39; Joh 13:36–38 ### Yeshua kondigt aan dat de leerlingen zullen struikelen **26:31** Toen zei Yeshua tegen hen: **„Jullie zullen allemaal in deze nacht over Mij struikelen. Want er staat geschreven: ‘Ik zal de herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.’** Brontekst: Τότε (Tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Πάντες (Pantes) = allen | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | σκανδαλισθήσεσθε (skandalisthesesthe) = zullen struikelen | ἐν (en) = over | ἐμοὶ (emoi) = Mij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | νυκτὶ (nykti) = nacht | ταύτῃ (taute) = deze | γέγραπται (gegraptai) = het is geschreven | γάρ (gar) = want | Πατάξω (Pataxo) = Ik zal slaan | τὸν (ton) = de | ποιμένα (poimena) = herder | καὶ (kai) = en | διασκορπισθήσονται (diaskorpisthesontai) = zullen verstrooid worden | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | τῆς (tes) = van de | ποίμνης (poimnes) = kudde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Zach. 13:7. Het Hebreeuws heeft een bevel: ‘Sla de herder, dan worden de schapen verstrooid’; de Griekse tekst heeft ‘Ik zal de herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden’. Voetnoot : σκανδαλίζομαι (skandalizomai), ‘struikelen’: van σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok, valstrik’. Het gaat om ten val komen in het geloof. Zie ook: Zach 13:7 **26:32** **Maar nadat Ik opgewekt ben, zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.”** Brontekst: μετὰ (meta) = na | δὲ (de) = maar | τὸ (to) = het | ἐγερθῆναί (egerthenai) = opgewekt worden | με (me) = Mij | προάξω (proaxo) = zal voorgaan | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: ἐγερθῆναι (egerthenai), ‘opgewekt worden’: een lijdende vorm, zoals ook in 28:6–7. προάγω (proago), ‘voorgaan’. Zie ook 28:7, 28:10 en 28:16. **26:33** Petrus antwoordde en zei tegen Hem: „Als allen over U struikelen, ik zal nooit struikelen.” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Εἰ (Ei) = als | πάντες (pantes) = allen | σκανδαλισθήσονται (skandalisthesontai) = zullen struikelen | ἐν (en) = over | σοί (soi) = U | ἐγὼ (ego) = ik | οὐδέποτε (oudepote) = nooit | σκανδαλισθήσομαι (skandalisthesomai) = zal struikelen Bron: SBLGNT **26:34** Yeshua zei tegen hem: **„Voorwaar, Ik zeg je: in deze nacht, voordat de haan kraait, zul je Mij drie keer verloochenen.”** Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | σοι (soi) = je | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = in | ταύτῃ (taute) = deze | τῇ (te) = de | νυκτὶ (nykti) = nacht | πρὶν (prin) = voordat | ἀλέκτορα (alektora) = haan | φωνῆσαι (phonesai) = kraait | τρὶς (tris) = drie keer | ἀπαρνήσῃ (aparnese) = zult verloochenen | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπαρνέομαι (aparneomai), ‘verloochenen’: ontkennen dat men iemand kent of bij hem hoort; zie 26:70–75. **26:35** Petrus zei tegen Hem: „Ook al moet ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen.” Zo zeiden ook alle leerlingen. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot Hem | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | Κἂν (Kan) = ook al | δέῃ (dee) = moet | με (me) = mij | σὺν (syn) = met | σοὶ (soi) = U | ἀποθανεῖν (apothanein) = sterven | οὐ (ou) = niet | μή (me) = beslist | σε (se) = U | ἀπαρνήσομαι (aparnesomai) = zal verloochenen | ὁμοίως (homoios) = evenzo | καὶ (kai) = ook | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | εἶπαν (eipan) = zeiden Bron: SBLGNT ### Yeshua in Getsemane **26:36** Toen kwam Yeshua met hen naar een stuk land dat Getsemane genoemd werd. Hij zei tegen de leerlingen: **„Ga hier zitten, terwijl Ik daarheen ga en bid.”** Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ἔρχεται (erchetai) = komt | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = naar | χωρίον (chorion) = stuk land | λεγόμενον (legomenon) = genoemd | Γεθσημανί (Gethsemani) = Getsemane | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | Καθίσατε (Kathisate) = ga zitten | αὐτοῦ (autou) = hier | ἕως (heos) = tot | οὗ (hou) = dat | ἀπελθὼν (apelthon) = gegaan zijnde | ἐκεῖ (ekei) = daar | προσεύξωμαι (proseuxomai) = Ik bid Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Getsemane (ligging onzeker): Getsemane was een stuk land aan de voet van de Olijfberg, over het Kidrondal, ten oosten van Jeruzalem. De precieze plek is niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: Γεθσημανί (Gethsemani) is vermoedelijk Aramees en betekent dan ‘oliepers’. De naam past bij de Olijfberg (26:30). Voetnoot : Zie ook Mark. 14:32–42; Luc. 22:40–46. Zie ook: Mar 14:32–42; Luc 22:40–46 **26:37** Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mee en begon bedroefd en beklemd te worden. Brontekst: καὶ (kai) = en | παραλαβὼν (paralabon) = meenemend | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | δύο (dyo) = twee | υἱοὺς (huious) = zonen | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = van Zebedeüs | ἤρξατο (erxato) = begon | λυπεῖσθαι (lypeisthai) = bedroefd te worden | καὶ (kai) = en | ἀδημονεῖν (ademonein) = beklemd te zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀδημονέω (ademoneo), ‘beklemd worden’: diep ontsteld en onrustig zijn. De twee zonen van Zebedeüs zijn Jakobus en Johannes (4:21). **26:38** Toen zei Hij tegen hen: **„Mijn ziel is diep bedroefd, tot de dood toe. Blijf hier en waak met Mij.”** Brontekst: τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Περίλυπός (Perilypos) = diep bedroefd | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = de | ψυχή (psyche) = ziel | μου (mou) = Mijn | ἕως (heos) = tot | θανάτου (thanatou) = de dood | μείνατε (meinate) = blijf | ὧδε (hode) = hier | καὶ (kai) = en | γρηγορεῖτε (gregoreite) = waak | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘ziel’: het innerlijk leven. Vergelijk Ps. 42:6 (in de Nederlandse telling 42:5): ‘Waarom ben je terneergeslagen, mijn ziel?’ Zie ook: Ps 42:6 **26:39** Hij ging een stukje verder, viel op Zijn gezicht en bad: **„Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan. Toch niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | προελθὼν (proelthon) = verdergegaan | μικρὸν (mikron) = een stukje | ἔπεσεν (epesen) = viel | ἐπὶ (epi) = op | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | προσευχόμενος (proseuchomenos) = biddend | καὶ (kai) = en | λέγων (legon) = zeggend | Πάτερ (Pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | εἰ (ei) = als | δυνατόν (dynaton) = mogelijk | ἐστιν (estin) = is | παρελθάτω (parelthato) = laat voorbijgaan | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = Mij | τὸ (to) = de | ποτήριον (poterion) = beker | τοῦτο (touto) = deze | πλὴν (plen) = toch | οὐχ (ouch) = niet | ὡς (hos) = zoals | ἐγὼ (ego) = ik | θέλω (thelo) = wil | ἀλλ’ (all’) = maar | ὡς (hos) = zoals | σύ (sy) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ποτήριον (poterion), ‘beker’: in de Schrift een beeld voor wat Elohim iemand toemeet, vooral Zijn oordeel (Ps. 75:9, in de Nederlandse telling 75:8; Jes. 51:17, 22). Zie ook: Ps 75:9; Jes 51:17 **26:40** Hij kwam bij de leerlingen en vond hen slapend. Hij zei tegen Petrus: **„Hebben jullie dus niet één uur met Mij kunnen waken?** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | καὶ (kai) = en | εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | αὐτοὺς (autous) = hen | καθεύδοντας (katheudontas) = slapend | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | Οὕτως (Houtos) = dus | οὐκ (ouk) = niet | ἰσχύσατε (ischysate) = hebben kunnen | μίαν (mian) = één | ὥραν (horan) = uur | γρηγορῆσαι (gregoresai) = waken | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT **26:41** **Waak en bid, opdat jullie niet in beproeving komen. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.”** Brontekst: γρηγορεῖτε (gregoreite) = waak | καὶ (kai) = en | προσεύχεσθε (proseuchesthe) = bid | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | εἰσέλθητε (eiselthete) = jullie binnengaan | εἰς (eis) = in | πειρασμόν (peirasmon) = beproeving | τὸ (to) = de | μὲν (men) = wel | πνεῦμα (pneuma) = geest | πρόθυμον (prothymon) = gewillig | ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | σὰρξ (sarx) = vlees | ἀσθενής (asthenes) = zwak Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: van hetzelfde woord als πειράζω, ‘op de proef stellen’ (4:1). πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier de geest van de mens. **26:42** Opnieuw ging Hij voor de tweede keer weg en bad: **„Mijn Vader, als dit niet kan voorbijgaan, tenzij Ik het drink, laat Uw wil geschieden.”** Brontekst: πάλιν (palin) = opnieuw | ἐκ (ek) = voor | δευτέρου (deuterou) = de tweede keer | ἀπελθὼν (apelthon) = weggegaan | προσηύξατο (proseyxato) = bad | λέγων (legon) = zeggend | Πάτερ (Pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | εἰ (ei) = als | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | τοῦτο (touto) = dit | παρελθεῖν (parelthein) = voorbijgaan | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | αὐτὸ (auto) = het | πίω (pio) = Ik drink | γενηθήτω (genetheto) = geschiede | τὸ (to) = de | θέλημά (thelema) = wil | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT **26:43** Hij kwam weer terug en vond hen slapend, want hun ogen waren zwaar. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | πάλιν (palin) = weer | εὗρεν (heuren) = vond | αὐτοὺς (autous) = hen | καθεύδοντας (katheudontas) = slapend | ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | αὐτῶν (auton) = hun | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοὶ (ophthalmoi) = ogen | βεβαρημένοι (bebaremenoi) = zwaar gemaakt Bron: SBLGNT **26:44** Hij liet hen achter, ging opnieuw weg en bad voor de derde keer. Hij sprak weer dezelfde woorden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀφεὶς (apheis) = achterlatend | αὐτοὺς (autous) = hen | πάλιν (palin) = opnieuw | ἀπελθὼν (apelthon) = weggegaan | προσηύξατο (proseyxato) = bad | ἐκ (ek) = voor | τρίτου (tritou) = de derde keer | τὸν (ton) = de | αὐτὸν (auton) = zelfde | λόγον (logon) = woorden | εἰπὼν (eipon) = zeggend | πάλιν (palin) = weer Bron: SBLGNT **26:45** Toen kwam Hij bij de leerlingen en zei tegen hen: **„Slaap nu maar verder en rust uit. Zie, het uur is nabij gekomen, en de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars.** Brontekst: τότε (tote) = toen | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Καθεύδετε (Katheudete) = slaap | τὸ (to) = nu maar | λοιπὸν (loipon) = verder | καὶ (kai) = en | ἀναπαύεσθε (anapauesthe) = rust uit | ἰδοὺ (idou) = zie | ἤγγικεν (engiken) = is nabij gekomen | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | παραδίδοται (paradidotai) = wordt overgeleverd | εἰς (eis) = in | χεῖρας (cheiras) = handen | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = van zondaars Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Καθεύδετε (katheudete), ‘slaap’ en ἀναπαύεσθε (anapauesthe), ‘rust uit’: de vorm kan een bevel zijn of een vraag (‘Slapen jullie nog en rusten jullie?’). Wij lezen een bevel met een bittere ondertoon, omdat daarna staat dat het uur nabij is; zo staat het ook in Mark. 14:41. Zie ook: Mar 14:41 **26:46** **Sta op, laten wij gaan. Zie, degene die Mij overlevert is nabij gekomen.”** Brontekst: ἐγείρεσθε (egeiresthe) = sta op | ἄγωμεν (agomen) = laten wij gaan | ἰδοὺ (idou) = zie | ἤγγικεν (engiken) = is nabij gekomen | ὁ (ho) = de | παραδιδούς (paradidous) = overleverende | με (me) = Mij Bron: SBLGNT ### De gevangenneming **26:47** Terwijl Hij nog sprak, zie: Judas, een van de twaalf, kwam. Met hem kwam een grote menigte met zwaarden en knuppels, van de hogepriesters en de oudsten van het volk. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔτι (eti) = nog | αὐτοῦ (autou) = Hij | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | ἰδοὺ (idou) = zie | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἦλθεν (elthen) = kwam | καὶ (kai) = en | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολὺς (polys) = grote | μετὰ (meta) = met | μαχαιρῶν (machairon) = zwaarden | καὶ (kai) = en | ξύλων (xylon) = knuppels | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 14:43–52; Luc. 22:47–53; Joh. 18:2–11. Zie ook: Mar 14:43–52; Luc 22:47–53; Joh 18:2–11 **26:48** Degene die Hem overleverde, had hun een teken gegeven en gezegd: „Degene die ik kus, Hij is het. Grijp Hem.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | παραδιδοὺς (paradidous) = overleverende | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | σημεῖον (semeion) = teken | λέγων (legon) = zeggend | Ὃν (Hon) = die | ἂν (an) = ook maar | φιλήσω (phileso) = ik kus | αὐτός (autos) = Hij | ἐστιν (estin) = is | κρατήσατε (kratesate) = grijp | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **26:49** Meteen ging hij naar Yeshua toe en zei: „Gegroet, rabbi!” En hij kuste Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | προσελθὼν (proselthon) = naderend | τῷ (to) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Χαῖρε (Chaire) = gegroet | ῥαββί (rhabbi) = rabbi | καὶ (kai) = en | κατεφίλησεν (katephilesen) = kuste | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατεφίλησεν (katefilesen), ‘kuste’: een sterkere vorm van φιλέω (fileo), ‘kussen’; de kus is het teken uit 26:48. **26:50** Yeshua zei tegen hem: **„Vriend, waarvoor ben je hier?”** Toen kwamen zij naar voren, legden hun handen op Yeshua en grepen Hem. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ἑταῖρε (Hetaire) = vriend | ἐφ’ (eph’) = tot | ὃ (ho) = wat | πάρει (parei) = je bent hier | τότε (tote) = toen | προσελθόντες (proselthontes) = naderend | ἐπέβαλον (epebalon) = legden | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐκράτησαν (ekratesan) = grepen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἑταῖρος (hetairos), ‘vriend’; ἐφ’ ὃ πάρει (eph’ ho parei) is moeilijk. Het kan een vraag zijn (‘waarvoor ben je hier?’) of een bevel (‘doe waarvoor je gekomen bent’). Wij lezen een vraag. **26:51** En zie: een van hen die bij Yeshua waren, strekte zijn hand uit en trok zijn zwaard. Hij sloeg de knecht van de hogepriester en hieuw hem het oor af. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van hen | μετὰ (meta) = die met | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἐκτείνας (ekteinas) = uitstrekkend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ἀπέσπασεν (apespasen) = trok | τὴν (ten) = het | μάχαιραν (machairan) = zwaard | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | πατάξας (pataxas) = slaand | τὸν (ton) = de | δοῦλον (doulon) = knecht | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | ἀφεῖλεν (apheilen) = nam weg | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὸ (to) = het | ὠτίον (otion) = oor Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand in dienst van een heer. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: hier een kort zwaard of mes. **26:52** Toen zei Yeshua tegen hem: **„Breng je zwaard terug naar zijn plaats. Want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen.** Brontekst: τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀπόστρεψον (Apostrepson) = breng terug | τὴν (ten) = het | μάχαιράν (machairan) = zwaard | σου (sou) = je | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | αὐτῆς (autes) = zijn | πάντες (pantes) = allen | γὰρ (gar) = want | οἱ (hoi) = de | λαβόντες (labontes) = nemenden | μάχαιραν (machairan) = zwaard | ἐν (en) = door | μαχαίρῃ (machaire) = zwaard | ἀπολοῦνται (apolountai) = zullen omkomen Bron: SBLGNT **26:53** **Of denk je dat Ik Mijn Vader niet kan vragen, en dat Hij Mij nu meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zal stellen?** Brontekst: ἢ (e) = of | δοκεῖς (dokeis) = denk je | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | δύναμαι (dynamai) = kan | παρακαλέσαι (parakalesai) = vragen | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | παραστήσει (parastesei) = zal ter beschikking stellen | μοι (moi) = mij | ἄρτι (arti) = nu | πλείω (pleio) = meer dan | δώδεκα (dodeka) = twaalf | λεγιῶνας (legionas) = legioenen | ἀγγέλων (angelon) = van engelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λεγιών (legion), ‘legioen’: een Romeinse legerafdeling van enkele duizenden soldaten. **26:54** **Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, dat het zo moet gebeuren?”** Brontekst: πῶς (pos) = hoe | οὖν (oun) = dan | πληρωθῶσιν (plerothosin) = worden vervuld | αἱ (hai) = de | γραφαὶ (graphai) = Schriften | ὅτι (hoti) = dat | οὕτως (houtos) = zo | δεῖ (dei) = het moet | γενέσθαι (genesthai) = gebeuren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γραφαί (grafai), ‘Schriften’: de heilige geschriften van Israël, ook in 26:56. **26:55** Op dat moment zei Yeshua tegen de menigten: **„Zijn jullie er als tegen een rover op uitgetrokken, met zwaarden en knuppels, om Mij te grijpen? Elke dag zat Ik in de tempel te onderwijzen, en jullie hebben Mij niet gegrepen.”** Brontekst: ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ὥρᾳ (hora) = uur | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τοῖς (tois) = aan de | ὄχλοις (ochlois) = menigten | Ὡς (Hos) = als | ἐπὶ (epi) = tegen | λῃστὴν (lesten) = rover | ἐξήλθατε (exelthate) = zijn jullie uitgetrokken | μετὰ (meta) = met | μαχαιρῶν (machairon) = zwaarden | καὶ (kai) = en | ξύλων (xylon) = knuppels | συλλαβεῖν (syllabein) = om te grijpen | με (me) = Mij | καθ’ (kath’) = elke | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | ἐκαθεζόμην (ekathezomen) = zat Ik | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐκρατήσατέ (ekratesate) = grepen jullie | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λῃστής (lestes), ‘rover’: iemand die met geweld berooft; het kan ook een opstandeling zijn. **26:56** Dit alles is gebeurd opdat de Schriften van de profeten vervuld worden. Toen lieten alle leerlingen Hem achter en vluchtten zij. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | ὅλον (holon) = alles | γέγονεν (gegonen) = is gebeurd | ἵνα (hina) = opdat | πληρωθῶσιν (plerothosin) = worden vervuld | αἱ (hai) = de | γραφαὶ (graphai) = Schriften | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten | τότε (tote) = toen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | πάντες (pantes) = allen | ἀφέντες (aphentes) = achterlatend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔφυγον (ephygon) = vluchtten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Wij lezen deze zin als woorden van de verteller. Ze kunnen ook nog bij de woorden van Yeshua horen (dan is ze rood). ### Yeshua voor Kajafas en de Raad **26:57** Zij die Yeshua gegrepen hadden, brachten Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, waar de schriftgeleerden en de oudsten bijeen waren gekomen. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | δὲ (de) = maar | κρατήσαντες (kratesantes) = grijpenden | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἀπήγαγον (apegagon) = brachten weg | πρὸς (pros) = naar | Καϊάφαν (Kaiaphan) = Kajafas | τὸν (ton) = de | ἀρχιερέα (archierea) = hogepriester | ὅπου (hopou) = waar | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten | συνήχθησαν (synechthesan) = waren bijeengekomen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 14:53–65; Luc. 22:54–71; Joh. 18:12–24. Zie ook: Mar 14:53–65; Luc 22:54–71; Joh 18:12–24 **26:58** Petrus volgde Hem van veraf tot aan de binnenplaats van de hogepriester. Hij ging naar binnen en zat bij de bedienden om de afloop te zien. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem | ἀπὸ (apo) = van | μακρόθεν (makrothen) = veraf | ἕως (heos) = tot | τῆς (tes) = de | αὐλῆς (aules) = binnenplaats | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | καὶ (kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | ἔσω (eso) = binnen | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | μετὰ (meta) = bij | τῶν (ton) = de | ὑπηρετῶν (hypereton) = bedienden | ἰδεῖν (idein) = om te zien | τὸ (to) = het | τέλος (telos) = einde Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): De binnenplaats hoorde bij het huis van de hogepriester in Jeruzalem. De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel. **26:59** De hogepriesters en de hele Raad zochten een valse getuigenis tegen Yeshua, om Hem ter dood te brengen. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | συνέδριον (synedrion) = Raad | ὅλον (holon) = hele | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | ψευδομαρτυρίαν (pseudomartyrian) = valse getuigenis | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ὅπως (hopos) = opdat | αὐτὸν (auton) = Hem | θανατώσωσιν (thanatososin) = zij ter dood brengen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: het hoogste Joodse gerechtshof in Jeruzalem, onder leiding van de hogepriester. **26:60** Zij vonden niets, hoewel er veel valse getuigen naar voren kwamen. Later kwamen er twee naar voren. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | εὗρον (heuron) = vonden | πολλῶν (pollon) = veel | προσελθόντων (proselthonton) = naar voren komend | ψευδομαρτύρων (pseudomartyron) = valse getuigen | ὕστερον (hysteron) = later | δὲ (de) = maar | προσελθόντες (proselthontes) = naar voren komend | δύο (dyo) = twee Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij οὐχ εὗρον (ouch heuron), ‘zij vonden niet’, geen voorwerp. Wij vullen ‘niets’ aan. **26:61** Zij zeiden: „Deze man heeft gezegd: ‘Ik kan het heiligdom van Elohim afbreken en het in drie dagen opbouwen.’” Brontekst: εἶπαν (eipan) = zeiden | Οὗτος (Houtos) = deze | ἔφη (ephe) = zei | Δύναμαι (Dynamai) = ik kan | καταλῦσαι (katalysai) = afbreken | τὸν (ton) = het | ναὸν (naon) = heiligdom | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = in | τριῶν (trion) = drie | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | οἰκοδομῆσαι (oikodomesai) = opbouwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ναός (naos), ‘heiligdom’: het eigenlijke tempelgebouw, anders dan ἱερόν (hieron), ‘tempel’, het hele terrein. Over Yeshua’s woorden zie ook Joh. 2:19–21. Zie ook: Joh 2:19–21 **26:62** De hogepriester stond op en zei tegen Hem: „Antwoordt U niets? Wat getuigen deze mensen tegen U?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναστὰς (anastas) = opstaand | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Οὐδὲν (Ouden) = niets | ἀποκρίνῃ (apokrine) = antwoordt U | τί (ti) = wat | οὗτοί (houtoi) = deze mensen | σου (sou) = tegen U | καταμαρτυροῦσιν (katamartyrousin) = getuigen Bron: SBLGNT **26:63** Yeshua zweeg. De hogepriester zei tegen Hem: „Ik bezweer U bij de levende Elohim: zeg ons of U de Messias bent, de Zoon van Elohim.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐσιώπα (esiopa) = zweeg | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ἐξορκίζω (Exorkizo) = ik bezweer | σε (se) = U | κατὰ (kata) = bij | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | τοῦ (tou) = de | ζῶντος (zontos) = levende | ἵνα (hina) = opdat | ἡμῖν (hemin) = ons | εἴπῃς (eipes) = U zegt | εἰ (ei) = of | σὺ (sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξορκίζω (exorkizo), ‘bezweren’: iemand onder ede laten spreken. Yeshua’s antwoord volgt in 26:64. **26:64** Yeshua zei tegen hem: **„Jij hebt het gezegd. Maar Ik zeg jullie: vanaf nu zullen jullie de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Kracht en komen op de wolken van de hemel.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Σὺ (Sy) = jij | εἶπας (eipas) = hebt gezegd | πλὴν (plen) = echter | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἄρτι (arti) = nu | ὄψεσθε (opsesthe) = zullen jullie zien | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | καθήμενον (kathemenon) = zittend | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | τῆς (tes) = van de | δυνάμεως (dynameos) = Kracht | καὶ (kai) = en | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | ἐπὶ (epi) = op | τῶν (ton) = de | νεφελῶν (nephelon) = wolken | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de Kracht’ en ‘komen op de wolken van de hemel’ verbindt Ps. 110:1 met Dan. 7:13 (‘met de wolken van de hemel kwam iemand als een mensenzoon’). ‘De Kracht’ is hier een omschrijving voor Elohim. Zie ook: Ps 110:1; Dan 7:13 **26:65** Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: „Hij heeft gelasterd! Waarvoor hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebben jullie de lastering gehoord. Brontekst: τότε (tote) = toen | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | διέρρηξεν (dierrexen) = scheurde | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτοῦ (autou) = zijn | λέγων (legon) = zeggend | Ἐβλασφήμησεν (Eblasphemesen) = heeft gelasterd | τί (ti) = waarvoor | ἔτι (eti) = nog | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχομεν (echomen) = hebben wij | μαρτύρων (martyron) = aan getuigen | ἴδε (ide) = zie | νῦν (nyn) = nu | ἠκούσατε (ekousate) = hebben gehoord | τὴν (ten) = de | βλασφημίαν (blasphemian) = lastering Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het scheuren van de kleren is een teken van schrik of rouw (Num. 14:6). βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’: kwaad spreken over Elohim. Zie ook: Num 14:6 **26:66** Wat denken jullie?” Zij antwoordden en zeiden: „Hij is de dood schuldig.” Brontekst: τί (ti) = wat | ὑμῖν (hymin) = jullie | δοκεῖ (dokei) = dunkt | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἀποκριθέντες (apokrithentes) = antwoordend | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἔνοχος (Enochos) = schuldig | θανάτου (thanatou) = aan de dood | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT **26:67** Toen spuwden zij in Zijn gezicht en sloegen Hem met vuisten. Anderen sloegen Hem Brontekst: τότε (tote) = toen | ἐνέπτυσαν (eneptysan) = spuwden | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἐκολάφισαν (ekolaphisan) = sloegen met vuisten | αὐτόν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐράπισαν (erapisan) = sloegen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κολαφίζω (kolafizo), ‘met vuisten slaan’. ῥαπίζω (rhapizo), ‘slaan’: met een stok of met de open hand; het Grieks is niet duidelijk. **26:68** en zeiden: „Profeteer ons, Messias! Wie is het die U geslagen heeft?” Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Προφήτευσον (Propheteuson) = profeteer | ἡμῖν (hemin) = ons | χριστέ (christe) = Messias | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | παίσας (paisas) = geslagen hebbend | σε (se) = U Bron: SBLGNT ### Petrus verloochent Yeshua **26:69** Petrus zat buiten op de binnenplaats. Een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: „Ook jij was bij Yeshua de Galileeër.” Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = maar | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | ἔξω (exo) = buiten | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | αὐλῇ (aule) = binnenplaats | καὶ (kai) = en | προσῆλθεν (proselthen) = kwam naar | αὐτῷ (auto) = hem | μία (mia) = een | παιδίσκη (paidiske) = dienstmeisje | λέγουσα (legousa) = zeggend | Καὶ (Kai) = ook | σὺ (sy) = jij | ἦσθα (estha) = was | μετὰ (meta) = met | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | τοῦ (tou) = de | Γαλιλαίου (Galilaiou) = Galileeër Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): De binnenplaats hoorde bij het huis van de hogepriester in Jeruzalem. De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel. Voetnoot Uitleg: παιδίσκη (paidiske), ‘dienstmeisje’. Γαλιλαῖος (Galilaios), ‘Galileeër’: iemand uit Galilea. Voetnoot : Zie ook Mark. 14:66–72; Luc. 22:54–62; Joh. 18:15–27. Zie ook: Mar 14:66–72; Luc 22:54–62; Joh 18:15–27 **26:70** Maar hij ontkende het voor allen en zei: „Ik weet niet wat je zegt.” Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἠρνήσατο (ernesato) = ontkende | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | πάντων (panton) = allen | λέγων (legon) = zeggend | Οὐκ (Ouk) = niet | οἶδα (oida) = ik weet | τί (ti) = wat | λέγεις (legeis) = je zegt Bron: SBLGNT **26:71** Toen hij naar de poort was gegaan, zag een ander dienstmeisje hem. Zij zei tegen de mensen daar: „Deze man was bij Yeshua de Nazoreeër.” Brontekst: ἐξελθόντα (exelthonta) = uitgegaan | δὲ (de) = maar | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | πυλῶνα (pylona) = poort | εἶδεν (eiden) = zag | αὐτὸν (auton) = hem | ἄλλη (alle) = een andere | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τοῖς (tois) = aan de | ἐκεῖ (ekei) = daar | Οὗτος (Houtos) = deze | ἦν (en) = was | μετὰ (meta) = met | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | τοῦ (tou) = de | Ναζωραίου (Nazoraiou) = Nazoreeër Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ἄλλη (alle), ‘een andere’ (vrouwelijk); wij vullen ‘dienstmeisje’ aan. Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: zie 2:23. **26:72** Opnieuw ontkende hij met een eed: „Ik ken die man niet.” Brontekst: καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = opnieuw | ἠρνήσατο (ernesato) = ontkende | μετὰ (meta) = met | ὅρκου (horkou) = eed | ὅτι (hoti) = dat | Οὐκ (Ouk) = niet | οἶδα (oida) = ik ken | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = man Bron: SBLGNT **26:73** Even later kwamen de omstanders naar Petrus toe en zeiden: „Werkelijk, ook jij bent een van hen, want ook je spraak verraadt je.” Brontekst: μετὰ (meta) = na | μικρὸν (mikron) = kort | δὲ (de) = maar | προσελθόντες (proselthontes) = naderend | οἱ (hoi) = de | ἑστῶτες (hestotes) = omstanders | εἶπον (eipon) = zeiden | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | Ἀληθῶς (Alethos) = werkelijk | καὶ (kai) = ook | σὺ (sy) = jij | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | εἶ (ei) = bent | καὶ (kai) = ook | γὰρ (gar) = want | ἡ (he) = de | λαλιά (lalia) = spraak | σου (sou) = je | δῆλόν (delon) = duidelijk | σε (se) = jou | ποιεῖ (poiei) = maakt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λαλιά (lalia), ‘spraak’. De tekst zegt niet wat er aan Petrus’ manier van spreken opviel. **26:74** Toen begon hij te vervloeken en te zweren: „Ik ken die man niet!” En meteen kraaide een haan. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἤρξατο (erxato) = begon | καταθεματίζειν (katathematizein) = te vervloeken | καὶ (kai) = en | ὀμνύειν (omnyein) = te zweren | ὅτι (hoti) = dat | Οὐκ (Ouk) = niet | οἶδα (oida) = ik ken | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = man | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀλέκτωρ (alektor) = haan | ἐφώνησεν (ephonesen) = kraaide Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καταθεματίζω (katathematizo), ‘vervloeken’: een vloek uitspreken. ὀμνύω (omnyo), ‘zweren’. **26:75** Petrus herinnerde zich het woord van Yeshua, die gezegd had: **„Voordat de haan kraait, zul je Mij drie keer verloochenen.”** Hij ging naar buiten en huilde bitter. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμνήσθη (emnesthe) = herinnerde zich | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | τοῦ (tou) = het | ῥήματος (rhematos) = woord | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua | εἰρηκότος (eirekotos) = gezegd hebbend | ὅτι (hoti) = dat | Πρὶν (Prin) = voordat | ἀλέκτορα (alektora) = haan | φωνῆσαι (phonesai) = kraait | τρὶς (tris) = drie keer | ἀπαρνήσῃ (aparnese) = zult verloochenen | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | ἔξω (exo) = buiten | ἔκλαυσεν (eklausen) = huilde | πικρῶς (pikros) = bitter Bron: SBLGNT ## Matteüs 27 _Yeshua voor Pilatus, de kruisiging en het graf_ ### Yeshua wordt aan Pilatus overgeleverd **27:1** Toen het ochtend was geworden, hielden alle hogepriesters en de oudsten van het volk overleg tegen Yeshua om Hem ter dood te brengen. Brontekst: Πρωΐας (Proias) = ochtend | δὲ (de) = maar | γενομένης (genomenes) = geworden | συμβούλιον (symboulion) = overleg | ἔλαβον (elabon) = hielden | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ὥστε (hoste) = zodat | θανατῶσαι (thanatosai) = ter dood te brengen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 15:1; Luc. 23:1; Joh. 18:28. Zie ook: Mar 15:1; Luc 23:1; Joh 18:28 **27:2** Zij bonden Hem vast, brachten Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus, de stadhouder. Brontekst: καὶ (kai) = en | δήσαντες (desantes) = gebonden hebbend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπήγαγον (apegagon) = brachten weg | καὶ (kai) = en | παρέδωκαν (paredokan) = leverden over | Πιλάτῳ (Pilato) = aan Pilatus | τῷ (to) = de | ἡγεμόνι (hegemoni) = stadhouder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: de Romeinse bestuurder over Judea. Pilatus (Πιλᾶτος, Pilatos) is de naam van deze stadhouder. ### Het einde van Judas **27:3** Toen Judas, die Hem overleverde, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de 30 zilverstukken terug aan de hogepriesters en de oudsten Brontekst: Τότε (Tote) = toen | ἰδὼν (idon) = ziende | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | ὁ (ho) = de | παραδιδοὺς (paradidous) = overleverende | αὐτὸν (auton) = Hem | ὅτι (hoti) = dat | κατεκρίθη (katekrithe) = Hij veroordeeld werd | μεταμεληθεὶς (metameletheis) = berouw krijgend | ἔστρεψεν (estrepsen) = bracht terug | τὰ (ta) = de | τριάκοντα (triakonta) = 30 | ἀργύρια (argyria) = zilverstukken | τοῖς (tois) = aan de | ἀρχιερεῦσιν (archiereusin) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | πρεσβυτέροις (presbyterois) = oudsten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μεταμεληθείς (metameletheis), ‘berouw krijgend’: spijt hebben van wat men gedaan heeft. Het is een ander woord dan μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’ (3:2). Voetnoot : Zie ook Hand. 1:18–19. Zie ook: Hand 1:18–19 **27:4** en zei: „Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren.” Zij zeiden: „Wat gaat ons dat aan? Zie jij er zelf maar naar.” Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Ἥμαρτον (Hemarton) = ik heb gezondigd | παραδοὺς (paradous) = overleverend | αἷμα (haima) = bloed | ἀθῷον (athoon) = onschuldig | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Τί (Ti) = wat | πρὸς (pros) = voor | ἡμᾶς (hemas) = ons | σὺ (sy) = jij | ὄψῃ (opse) = zult zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Onschuldig bloed’: het bloed van iemand die geen doodstraf verdient (Deut. 19:10; Jer. 19:4). Zie ook: Deut 19:10; Jer 19:4 **27:5** Hij wierp de zilverstukken in het heiligdom en vertrok. Hij ging weg en verhing zich. Brontekst: καὶ (kai) = en | ῥίψας (rhipsas) = werpend | τὰ (ta) = de | ἀργύρια (argyria) = zilverstukken | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | ναὸν (naon) = heiligdom | ἀνεχώρησεν (anechoresen) = vertrok | καὶ (kai) = en | ἀπελθὼν (apelthon) = weggegaan | ἀπήγξατο (apenxato) = verhing zich Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ναός (naos), ‘heiligdom’: het gebouw zelf. Vergelijk Zach. 11:13, waar de dertig stukken zilver in het huis van Yahweh geworpen worden. Zie ook: Zach 11:13 **27:6** De hogepriesters namen de zilverstukken en zeiden: „Het is niet toegestaan die in de tempelkas te werpen, want het is de prijs van bloed.” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | λαβόντες (labontes) = nemend | τὰ (ta) = de | ἀργύρια (argyria) = zilverstukken | εἶπαν (eipan) = zeiden | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔξεστιν (exestin) = is toegestaan | βαλεῖν (balein) = te werpen | αὐτὰ (auta) = ze | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κορβανᾶν (korbanan) = tempelkas | ἐπεὶ (epei) = omdat | τιμὴ (time) = prijs | αἵματός (haimatos) = van bloed | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κορβανᾶς (korbanas), ‘tempelkas’: de schatkist voor wat aan de tempel gegeven werd. Het woord komt van het Aramese qorban, ‘offergave’. **27:7** Zij overlegden en kochten daarmee de Akker van de Pottenbakker, als begraafplaats voor de vreemdelingen. Brontekst: συμβούλιον (symboulion) = overleg | δὲ (de) = maar | λαβόντες (labontes) = houdend | ἠγόρασαν (egorasan) = kochten | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | τὸν (ton) = de | Ἀγρὸν (Agron) = Akker | τοῦ (tou) = van de | Κεραμέως (Kerameos) = Pottenbakker | εἰς (eis) = tot | ταφὴν (taphen) = begraafplaats | τοῖς (tois) = voor de | ξένοις (xenois) = vreemdelingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Akker van Bloed (Hakeldama; ligging onzeker): De Akker van de Pottenbakker, later Akker van Bloed (Hakeldama), wordt van oudsher gezocht aan de zuidkant van het dal van Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ξένοι (xenoi), ‘vreemdelingen’: mensen van buiten de stad of het land. Het Grieks heeft ‘tot begrafenis voor de vreemdelingen’. **27:8** Daarom is die akker tot op de dag van vandaag Akker van Bloed genoemd. Brontekst: διὸ (dio) = daarom | ἐκλήθη (eklethe) = werd genoemd | ὁ (ho) = de | ἀγρὸς (agros) = akker | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | Ἀγρὸς (Agros) = Akker | Αἵματος (Haimatos) = van Bloed | ἕως (heos) = tot | τῆς (tes) = de | σήμερον (semeron) = vandaag Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Akker van Bloed (Hakeldama; ligging onzeker): De Akker van de Pottenbakker, later Akker van Bloed (Hakeldama), wordt van oudsher gezocht aan de zuidkant van het dal van Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Ἀγρὸς Αἵματος (Agros Haimatos), ‘Akker van Bloed’. In Hand. 1:19 heet deze akker met de Aramese naam Akeldama. Zie ook: Hand 1:19 **27:9** Toen werd vervuld wat gezegd is door de profeet Jeremia: „En zij namen de 30 zilverstukken, de prijs van degene die geschat was, die zij van de zonen van Israël geschat hadden, Brontekst: τότε (tote) = toen | ἐπληρώθη (eplerothe) = werd vervuld | τὸ (to) = het | ῥηθὲν (rhethen) = gesprokene | διὰ (dia) = door | Ἰερεμίου (Ieremiou) = Jeremia | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | λέγοντος (legontos) = zeggend | Καὶ (Kai) = en | ἔλαβον (elabon) = namen | τὰ (ta) = de | τριάκοντα (triakonta) = 30 | ἀργύρια (argyria) = zilverstukken | τὴν (ten) = de | τιμὴν (timen) = prijs | τοῦ (tou) = van de | τετιμημένου (tetimemenou) = geschatte | ὃν (hon) = die | ἐτιμήσαντο (etimesanto) = zij schatten | ἀπὸ (apo) = van | υἱῶν (huion) = zonen | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Matteüs noemt Jeremia. De woorden lijken het meest op Zach. 11:12–13: dertig stukken zilver, ‘geschat’ en de pottenbakker. Verwant zijn ook Jer. 18:2–3 en 19:1–2 (de pottenbakker), en Jer. 32:6–9 (een akker kopen en het zilver afwegen). Hoe Matteüs deze teksten samenneemt, kunnen wij niet vaststellen. Voetnoot : τετιμημένου (tetimemenou), ‘degene die geschat was’: het woord is hetzelfde als in Zach. 11:13 ‘geschat’. ἀπὸ υἱῶν Ἰσραήλ (apo huion Israel), ‘van de zonen van Israël’, kan ook betekenen ‘sommigen van de zonen van Israël’. Zie ook: Jer 18:2–3; Jer 19:1; Jer 32:6–9; Zach 11:12–13; Zach 11:13 **27:10** en zij gaven die voor de akker van de pottenbakker, zoals Yahweh mij opgedragen had.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔδωκαν (edokan) = gaven | αὐτὰ (auta) = ze | εἰς (eis) = voor | τὸν (ton) = de | ἀγρὸν (agron) = akker | τοῦ (tou) = van de | κεραμέως (kerameos) = pottenbakker | καθὰ (katha) = zoals | συνέταξέν (synetaxen) = had opgedragen | μοι (moi) = mij | κύριος (kyrios) = Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios) is hier vertaald als Yahweh, omdat het een citaat uit de profeten is; vergelijk Zach. 11:13 ‘Yahweh zei tot mij’. Zie ook: Zach 11:13 ### Yeshua voor de stadhouder **27:11** Yeshua stond voor de stadhouder. De stadhouder ondervroeg Hem: „Bent U de koning van de Joden?” Yeshua zei: **„Jij zegt het.”** Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐστάθη (estathe) = stond | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τοῦ (tou) = de | ἡγεμόνος (hegemonos) = stadhouder | καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = ondervroeg | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | ἡγεμὼν (hegemon) = stadhouder | λέγων (legon) = zeggend | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἔφη (ephe) = zei | Σὺ (Sy) = jij | λέγεις (legeis) = zegt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σὺ λέγεις (Sy legeis), ‘Jij zegt het’: net als ‘Jij hebt het gezegd’ in 26:25 en 26:64 een bevestigend, maar terughoudend antwoord. Voetnoot : Zie ook Mark. 15:2–5; Luc. 23:2–5; Joh. 18:33–38. Zie ook: Mar 15:2–5; Luc 23:2–5; Joh 18:33–38 **27:12** Toen Hij door de hogepriesters en oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | κατηγορεῖσθαι (kategoreisthai) = beschuldigd worden | αὐτὸν (auton) = Hij | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | οὐδὲν (ouden) = niets | ἀπεκρίνατο (apekrinato) = antwoordde Bron: SBLGNT **27:13** Toen zei Pilatus tegen Hem: „Hoort U niet hoeveel zij tegen U getuigen?” Brontekst: τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot Hem | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Οὐκ (Ouk) = niet | ἀκούεις (akoueis) = hoort U | πόσα (posa) = hoeveel | σου (sou) = tegen U | καταμαρτυροῦσιν (katamartyrousin) = getuigen zij Bron: SBLGNT **27:14** Maar Hij antwoordde hem niet, op geen enkel woord, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = hem | πρὸς (pros) = op | οὐδὲ (oude) = geen | ἓν (hen) = enkel | ῥῆμα (rhema) = woord | ὥστε (hoste) = zodat | θαυμάζειν (thaumazein) = zich verwonderde | τὸν (ton) = de | ἡγεμόνα (hegemona) = stadhouder | λίαν (lian) = zeer Bron: SBLGNT ### Yeshua of Barabbas **27:15** Bij elk feest was de stadhouder gewend één gevangene voor de menigte vrij te laten, wie zij wilden. Brontekst: Κατὰ (Kata) = bij | δὲ (de) = maar | ἑορτὴν (heorten) = feest | εἰώθει (eiothei) = was gewend | ὁ (ho) = de | ἡγεμὼν (hegemon) = stadhouder | ἀπολύειν (apolyein) = los te laten | ἕνα (hena) = één | τῷ (to) = aan de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | δέσμιον (desmion) = gevangene | ὃν (hon) = die | ἤθελον (ethelon) = zij wilden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 15:6–15; Luc. 23:13–25; Joh. 18:39–19:16. Zie ook: Mar 15:6–15; Luc 23:13–25; Joh 18:39–19:16 **27:16** Zij hadden toen een bekende gevangene, die Yeshua Barabbas genoemd werd. Brontekst: εἶχον (eichon) = zij hadden | δὲ (de) = maar | τότε (tote) = toen | δέσμιον (desmion) = gevangene | ἐπίσημον (episemon) = bekende | λεγόμενον (legomenon) = genoemd | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | Βαραββᾶν (Barabban) = Barabbas Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Βαραββᾶς (Barabbas) is Aramees en betekent ‘zoon van de vader’ (bar abba). ἐπίσημος (episemos), ‘bekende’: bekend, opvallend. Voetnoot Lezing: In de Griekse tekst die wij volgen heet Barabbas hier en in 27:17 ‘Yeshua Barabbas’. In sommige latere handschriften ontbreekt ‘Yeshua’ voor Barabbas. **27:17** Toen zij bijeengekomen waren, zei Pilatus tegen hen: „Wie willen jullie dat ik voor jullie vrijlaat: Yeshua Barabbas of Yeshua, die Messias genoemd wordt?” Brontekst: συνηγμένων (synegmenon) = bijeengekomen | οὖν (oun) = dus | αὐτῶν (auton) = zij | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Τίνα (Tina) = wie | θέλετε (thelete) = willen jullie | ἀπολύσω (apolyso) = dat ik loslaat | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τὸν (ton) = de | Βαραββᾶν (Barabban) = Barabbas | ἢ (e) = of | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τὸν (ton) = de | λεγόμενον (legomenon) = genoemde | χριστόν (christon) = Messias Bron: SBLGNT **27:18** Want hij wist dat zij Hem uit afgunst hadden overgeleverd. Brontekst: ᾔδει (edei) = hij wist | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | διὰ (dia) = uit | φθόνον (phthonon) = afgunst | παρέδωκαν (paredokan) = hadden overgeleverd | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **27:19** Terwijl hij op de rechterstoel zat, zond zijn vrouw hem een bericht: „Heb niets te maken met die rechtvaardige. Want ik heb vandaag in een droom veel geleden vanwege Hem.” Brontekst: Καθημένου (Kathemenou) = zittend | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = de | βήματος (bematos) = rechterstoel | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | λέγουσα (legousa) = zeggend | Μηδὲν (Meden) = niets | σοὶ (soi) = voor u | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = de | δικαίῳ (dikaio) = rechtvaardige | ἐκείνῳ (ekeino) = die | πολλὰ (polla) = veel | γὰρ (gar) = want | ἔπαθον (epathon) = heb geleden | σήμερον (semeron) = vandaag | κατ’ (kat’) = in | ὄναρ (onar) = droom | δι’ (di’) = vanwege | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βῆμα (bema), ‘rechterstoel’: de zetel van waaruit de stadhouder recht sprak. δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardige’: zonder schuld. **27:20** De hogepriesters en de oudsten overtuigden de menigten om Barabbas te vragen en Yeshua om te brengen. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten | ἔπεισαν (epeisan) = overtuigden | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | ἵνα (hina) = opdat | αἰτήσωνται (aitesontai) = zij zouden vragen | τὸν (ton) = de | Βαραββᾶν (Barabban) = Barabbas | τὸν (ton) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἀπολέσωσιν (apolesosin) = zij zouden doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπόλλυμι (apollymi), ‘ombrengen’: doden of vernietigen. **27:21** De stadhouder antwoordde en zei tegen hen: „Wie van de twee willen jullie dat ik voor jullie vrijlaat?” Zij zeiden: „Barabbas.” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | ἡγεμὼν (hegemon) = stadhouder | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τίνα (Tina) = wie | θέλετε (thelete) = willen jullie | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | δύο (dyo) = twee | ἀπολύσω (apolyso) = dat ik loslaat | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Τὸν (Ton) = de | Βαραββᾶν (Barabban) = Barabbas Bron: SBLGNT **27:22** Pilatus zei tegen hen: „Wat moet ik dan doen met Yeshua, die Messias genoemd wordt?” Allen zeiden: „Laat Hem gekruisigd worden!” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Τί (Ti) = wat | οὖν (oun) = dus | ποιήσω (poieso) = zal ik doen | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τὸν (ton) = de | λεγόμενον (legomenon) = genoemde | χριστόν (christon) = Messias | λέγουσιν (legousin) = zeggen | πάντες (pantes) = allen | Σταυρωθήτω (Staurotheto) = laat gekruisigd worden Bron: SBLGNT **27:23** Hij zei: „Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?” Maar zij schreeuwden nog harder: „Laat Hem gekruisigd worden!” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἔφη (ephe) = zei | Τί (Ti) = wat | γὰρ (gar) = want | κακὸν (kakon) = kwaad | ἐποίησεν (epoiesen) = heeft gedaan | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | περισσῶς (perissos) = nog harder | ἔκραζον (ekrazon) = schreeuwden | λέγοντες (legontes) = zeggend | Σταυρωθήτω (Staurotheto) = laat gekruisigd worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: περισσῶς (perissos), ‘nog harder’: eigenlijk ‘overvloedig, buitengewoon’. **27:24** Toen Pilatus zag dat het niets hielp, maar dat er juist opschudding ontstond, nam hij water en waste zijn handen voor de menigte. Hij zei: „Ik ben onschuldig aan dit bloed. Zie jullie er zelf maar naar.” Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ὅτι (hoti) = dat | οὐδὲν (ouden) = niets | ὠφελεῖ (ophelei) = helpt | ἀλλὰ (alla) = maar | μᾶλλον (mallon) = juist | θόρυβος (thorybos) = opschudding | γίνεται (ginetai) = ontstaat | λαβὼν (labon) = nemend | ὕδωρ (hydor) = water | ἀπενίψατο (apenipsato) = wasde | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἀπέναντι (apenanti) = voor | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | λέγων (legon) = zeggend | Ἀθῷός (Athoos) = onschuldig | εἰμι (eimi) = ben ik | ἀπὸ (apo) = aan | τοῦ (tou) = het | αἵματος (haimatos) = bloed | τούτου (toutou) = dit | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὄψεσθε (opsesthe) = zullen zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het wassen van de handen om te laten zien dat men onschuldig is, doet denken aan Deut. 21:6–8. Voetnoot Lezing: Sommige latere handschriften hebben ‘aan het bloed van deze rechtvaardige’. Zie ook: Deut 21:6–8 **27:25** Het hele volk antwoordde en zei: „Laat Zijn bloed over ons komen en over onze kinderen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | εἶπεν (eipen) = zei | Τὸ (To) = het | αἷμα (haima) = bloed | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐφ’ (eph’) = over | ἡμᾶς (hemas) = ons | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = over | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | ἡμῶν (hemon) = onze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen werkwoord: ‘Zijn bloed over ons en over onze kinderen’. Wij vullen ‘laat … komen’ aan. **27:26** Toen liet hij Barabbas voor hen vrij. Maar Yeshua leverde hij over om gekruisigd te worden, nadat hij Hem had gegeseld. Brontekst: τότε (tote) = toen | ἀπέλυσεν (apelysen) = liet los | αὐτοῖς (autois) = voor hen | τὸν (ton) = de | Βαραββᾶν (Barabban) = Barabbas | τὸν (ton) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | φραγελλώσας (phragellosas) = gegeseld hebbend | παρέδωκεν (paredoken) = leverde over | ἵνα (hina) = opdat | σταυρωθῇ (staurothe) = Hij gekruisigd wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φραγελλόω (fragelloo), ‘geselen’: slaan met een zweep; bij de Romeinen ging dit aan de kruisiging vooraf. ### De soldaten bespotten Yeshua **27:27** Toen namen de soldaten van de stadhouder Yeshua mee naar het pretorium. Zij riepen de hele cohort bij Hem samen. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | οἱ (hoi) = de | στρατιῶται (stratiotai) = soldaten | τοῦ (tou) = van de | ἡγεμόνος (hegemonos) = stadhouder | παραλαβόντες (paralabontes) = meenemend | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | πραιτώριον (praitorion) = pretorium | συνήγαγον (synegagon) = verzamelden | ἐπ’ (ep’) = bij | αὐτὸν (auton) = Hem | ὅλην (holen) = hele | τὴν (ten) = de | σπεῖραν (speiran) = cohort Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pretorium (Jeruzalem; ligging onzeker): Het pretorium was het verblijf van de Romeinse stadhouder in Jeruzalem. Of dat het paleis van Herodes (westkant van de stad) of de Antonia-burcht (bij de tempel) was, is niet zeker. Voetnoot Uitleg: πραιτώριον (praitorion), ‘pretorium’: het verblijf van de stadhouder. σπεῖρα (speira), ‘cohort’: een Romeinse afdeling soldaten. Voetnoot : Zie ook Mark. 15:16–20; Joh. 19:2–3. Zie ook: Mar 15:16–20; Joh 19:2–3 **27:28** Zij trokken Hem uit en deden Hem een karmozijnrode mantel om. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκδύσαντες (ekdysantes) = uitgekleed hebbend | αὐτὸν (auton) = Hem | χλαμύδα (chlamyda) = mantel | κοκκίνην (kokkinen) = karmozijnrode | περιέθηκαν (periethekan) = legden om | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χλαμύς (chlamys), ‘mantel’: een korte soldatenmantel. κόκκινος (kokkinos), ‘karmozijnrood’ (zoals het garen in Exod. 26:31). Zie ook: Ex 26:31 **27:29** Zij vlochten een kroon van doornen en zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand. Zij knielden voor Hem en bespotten Hem met de woorden: „Gegroet, koning van de Joden!” Brontekst: καὶ (kai) = en | πλέξαντες (plexantes) = gevlochten hebbend | στέφανον (stephanon) = kroon | ἐξ (ex) = van | ἀκανθῶν (akanthon) = doornen | ἐπέθηκαν (epethekan) = zetten | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | κάλαμον (kalamon) = rietstok | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | δεξιᾷ (dexia) = rechterhand | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | γονυπετήσαντες (gonypetesantes) = geknield hebbend | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἐνέπαιξαν (enepaixan) = bespotten | αὐτῷ (auto) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Χαῖρε (Chaire) = gegroet | βασιλεῦ (basileu) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT **27:30** Zij spuwden op Hem, namen de rietstok en sloegen Hem op het hoofd. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμπτύσαντες (emptysantes) = gespuwd hebbend | εἰς (eis) = op | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔλαβον (elabon) = namen | τὸν (ton) = de | κάλαμον (kalamon) = rietstok | καὶ (kai) = en | ἔτυπτον (etypton) = sloegen | εἰς (eis) = op | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **27:31** Toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel uit en deden Hem Zijn kleren aan. Daarna brachten zij Hem weg om Hem te kruisigen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐνέπαιξαν (enepaixan) = bespot hadden | αὐτῷ (auto) = Hem | ἐξέδυσαν (exedysan) = trokken uit | αὐτὸν (auton) = Hem | τὴν (ten) = de | χλαμύδα (chlamyda) = mantel | καὶ (kai) = en | ἐνέδυσαν (enedysan) = trokken aan | αὐτὸν (auton) = Hem | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἀπήγαγον (apegagon) = brachten weg | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = om | τὸ (to) = het | σταυρῶσαι (staurosai) = te kruisigen Bron: SBLGNT ### De kruisiging **27:32** Toen zij naar buiten gingen, vonden zij een man uit Cyrene, Simon genaamd. Hem dwongen zij Zijn kruis te dragen. Brontekst: Ἐξερχόμενοι (Exerchomenoi) = uitgaand | δὲ (de) = maar | εὗρον (heuron) = vonden | ἄνθρωπον (anthropon) = man | Κυρηναῖον (Kyrenaion) = Cyreneeër | ὀνόματι (onomati) = bij naam | Σίμωνα (Simona) = Simon | τοῦτον (touton) = deze | ἠγγάρευσαν (engareusan) = dwongen | ἵνα (hina) = opdat | ἄρῃ (are) = hij draagt | τὸν (ton) = het | σταυρὸν (stauron) = kruis | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cyrene: Cyrene was de hoofdstad van Cyrenaica, in het noordoosten van het huidige Libië. Er woonde een grote Joodse gemeenschap. Voetnoot Uitleg: Κυρηναῖος (Kyrenaios), ‘uit Cyrene’: een stad in Noord-Afrika, nu in Libië. ἀγγαρεύω (angareuo), ‘dwingen’: soldaten mochten iemand dwingen een last te dragen (vergelijk 5:41). Voetnoot : Zie ook Mark. 15:21–32; Luc. 23:26–43; Joh. 19:17–27. Zie ook: Mar 15:21–32; Luc 23:26–43; Joh 19:17–27 **27:33** Zij kwamen op een plaats die Golgota genoemd wordt, dat is: de zogenaamde Plaats van de Schedel. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | εἰς (eis) = naar | τόπον (topon) = plaats | λεγόμενον (legomenon) = genoemd | Γολγοθᾶ (Golgotha) = Golgota | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | Κρανίου (Kraniou) = van schedel | Τόπος (Topos) = plaats | λεγόμενος (legomenos) = genoemd Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Golgota (ligging onzeker): Golgota (Plaats van de Schedel) lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem. De traditie zoekt het bij de Heilig-Grafkerk in de oude stad. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Γολγοθᾶ (Golgota) is Aramees en betekent ‘schedel’. κρανίον (kranion), ‘schedel’. **27:34** Zij gaven Hem wijn te drinken, gemengd met gal. Hij proefde die, maar wilde niet drinken. Brontekst: ἔδωκαν (edokan) = gaven | αὐτῷ (auto) = Hem | πιεῖν (piein) = te drinken | οἶνον (oinon) = wijn | μετὰ (meta) = met | χολῆς (choles) = gal | μεμιγμένον (memigmenon) = gemengd | καὶ (kai) = en | γευσάμενος (geusamenos) = geproefd hebbend | οὐκ (ouk) = niet | ἠθέλησεν (ethelesen) = wilde | πιεῖν (piein) = drinken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 69:22 (in de Nederlandse telling 69:21): ‘Ze gaven mij gif als voedsel, en voor mijn dorst lieten ze mij azijn drinken.’ Het Hebreeuws heeft hier רֹאשׁ (rosh), ‘gif’ of een bittere plant; de Griekse tekst heeft χολή (chole), ‘gal’. Zie ook: Ps 69:22 **27:35** Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren onder elkaar door het lot te werpen. Brontekst: σταυρώσαντες (staurosantes) = gekruisigd hebbend | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = Hem | διεμερίσαντο (diemerisanto) = verdeelden | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτοῦ (autou) = Zijn | βάλλοντες (ballontes) = werpend | κλῆρον (kleron) = lot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 22:19 (in de Nederlandse telling 22:18): ‘Zij verdelen mijn kleren onder zich en over mijn gewaad werpen zij het lot.’ Voetnoot Lezing: Sommige latere handschriften voegen hier een aanhaling uit de profeten toe die in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen die niet. Zie ook: Ps 22:19 **27:36** Daarna zaten zij daar en bewaakten Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | καθήμενοι (kathemenoi) = zittend | ἐτήρουν (eteroun) = bewaakten | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT **27:37** Boven Zijn hoofd zetten zij de aanklacht tegen Hem, zoals die geschreven was: „Dit is Yeshua, de koning van de Joden.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπέθηκαν (epethekan) = zetten | ἐπάνω (epano) = boven | τῆς (tes) = het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὴν (ten) = de | αἰτίαν (aitian) = aanklacht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | γεγραμμένην (gegrammenen) = geschreven | Οὗτός (Houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰτία (aitia), ‘aanklacht’: de reden van de straf, die boven het hoofd werd aangebracht. **27:38** Toen werden twee rovers met Hem gekruisigd, één aan de rechterkant en één aan de linkerkant. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | σταυροῦνται (staurountai) = worden gekruisigd | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem | δύο (dyo) = twee | λῃσταί (lestai) = rovers | εἷς (heis) = één | ἐκ (ek) = uit | δεξιῶν (dexion) = rechts | καὶ (kai) = en | εἷς (heis) = één | ἐξ (ex) = uit | εὐωνύμων (euonymon) = links Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λῃστής (lestes), ‘rover’: zoals in 26:55. **27:39** Wie voorbijkwamen, lasterden Hem en schudden hun hoofd Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | παραπορευόμενοι (paraporeuomenoi) = voorbijgangers | ἐβλασφήμουν (eblasphemoun) = lasterden | αὐτὸν (auton) = Hem | κινοῦντες (kinountes) = schuddend | τὰς (tas) = de | κεφαλὰς (kephalas) = hoofden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 22:8 (in de Nederlandse telling 22:7): ‘Allen die mij zien, bespotten mij. Zij trekken de lip op en schudden het hoofd.’ Zie ook: Ps 22:8 **27:40** en zeiden: „U die het heiligdom afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf. Als U Zoon van Elohim bent, kom van het kruis af.” Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ὁ (Ho) = de | καταλύων (katalyon) = afbrekende | τὸν (ton) = het | ναὸν (naon) = heiligdom | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τρισὶν (trisin) = drie | ἡμέραις (hemerais) = dagen | οἰκοδομῶν (oikodomon) = opbouwende | σῶσον (soson) = red | σεαυτόν (seauton) = Uzelf | εἰ (ei) = als | υἱὸς (huios) = Zoon | εἶ (ei) = bent | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | κατάβηθι (katabethi) = kom af | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | σταυροῦ (staurou) = kruis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk 26:61. Hier wordt Yeshua’s woord over het heiligdom Hem nagezegd door de voorbijgangers. **27:41** Ook de hogepriesters bespotten Hem op dezelfde manier, samen met de schriftgeleerden en de oudsten. Zij zeiden: Brontekst: ὁμοίως (homoios) = evenzo | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | ἐμπαίζοντες (empaizontes) = bespottend | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | ἔλεγον (elegon) = zeiden Bron: SBLGNT **27:42** „Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Hij is koning van Israël: laat Hij nu van het kruis afkomen, en wij zullen in Hem geloven. Brontekst: Ἄλλους (Allous) = anderen | ἔσωσεν (esosen) = redde | ἑαυτὸν (heauton) = Zichzelf | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | σῶσαι (sosai) = redden | βασιλεὺς (basileus) = koning | Ἰσραήλ (Israel) = van Israël | ἐστιν (estin) = is | καταβάτω (katabato) = laat afkomen | νῦν (nyn) = nu | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | σταυροῦ (staurou) = kruis | καὶ (kai) = en | πιστεύσομεν (pisteusomen) = zullen geloven | ἐπ’ (ep’) = in | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **27:43** Hij heeft op Elohim vertrouwd. Laat Elohim Hem nu bevrijden, als Hij Hem wil. Want Hij heeft gezegd: ‘Ik ben Zoon van Elohim.’” Brontekst: πέποιθεν (pepoithen) = heeft vertrouwd | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ῥυσάσθω (rhysastho) = laat bevrijden | νῦν (nyn) = nu | εἰ (ei) = als | θέλει (thelei) = Hij wil | αὐτόν (auton) = Hem | εἶπεν (eipen) = Hij zei | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | Θεοῦ (Theou) = van Elohim | εἰμι (eimi) = ben ik | υἱός (huios) = Zoon Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 22:9 (in de Nederlandse telling 22:8): ‘Wentel het op Yahweh! Laat Hij hem laten ontkomen, laat Hij hem bevrijden, want Hij heeft behagen in hem.’ Voetnoot : Het Grieks heeft bij ῥυσάσθω (rhysastho), ‘laat bevrijden’, geen onderwerp. Wij noemen Elohim, om verwarring met Yeshua te voorkomen. Zie ook: Ps 22:9 **27:44** Op dezelfde manier hoonden ook de rovers die met Hem gekruisigd waren Hem. Brontekst: τὸ (to) = het | δ’ (d’) = maar | αὐτὸ (auto) = zelfde | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | λῃσταὶ (lestai) = rovers | οἱ (hoi) = de | συσταυρωθέντες (systaurothentes) = mee gekruisigden | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem | ὠνείδιζον (oneidizon) = hoonden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT ### De dood van Yeshua **27:45** Vanaf het zesde uur kwam er duisternis over het hele land, tot het negende uur. Brontekst: Ἀπὸ (Apo) = vanaf | δὲ (de) = maar | ἕκτης (hektes) = zesde | ὥρας (horas) = uur | σκότος (skotos) = duisternis | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἐπὶ (epi) = over | πᾶσαν (pasan) = heel | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ἕως (heos) = tot | ὥρας (horas) = uur | ἐνάτης (enates) = negende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het zesde uur is ongeveer 12 uur ’s middags, het negende uur ongeveer 3 uur ’s middags: de uren werden geteld vanaf zonsopgang, ongeveer 6 uur ’s ochtends. γῆ (ge), ‘land’: ook ‘aarde’. **27:46** Rond het negende uur riep Yeshua met luide stem: **„Eli, Eli, lema sabachtani?”** Dat betekent: **„Mijn Elohim, Mijn Elohim, waarom hebt U Mij verlaten?”** Brontekst: περὶ (peri) = rond | δὲ (de) = maar | τὴν (ten) = de | ἐνάτην (enaten) = negende | ὥραν (horan) = uur | ἀνεβόησεν (aneboesen) = riep | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = luide | λέγων (legon) = zeggend | Ἠλὶ (Eli) = Eli | ἠλὶ (eli) = Eli | λεμὰ (lema) = lema | σαβαχθάνι (sabachthani) = sabachtani | τοῦτ’ (tout’) = dat | ἔστιν (estin) = is | Θεέ (Thee) = Elohim | μου (mou) = Mijn | θεέ (thee) = Elohim | μου (mou) = Mijn | ἱνατί (hinati) = waarom | με (me) = Mij | ἐγκατέλιπες (enkatelipes) = hebt verlaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἠλί (Eli) is Hebreeuws voor ‘mijn El’ (Elohim). σαβαχθάνι (sabachtani) is Aramees voor ‘U hebt mij verlaten’. Het Hebreeuws van Ps. 22:2 heeft עֲזַבְתָּנִי (azavtani). De woorden zijn de aanhef van Ps. 22:2 (in de Nederlandse telling 22:1). In 27:47 verstaan de omstanders ‘Eli’ als ‘Elia’. Zie ook: Ps 22:2 **27:47** Sommigen van de omstanders hoorden dit en zeiden: „Deze roept Elia.” Brontekst: τινὲς (tines) = sommigen | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = van de | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἑστηκότων (hestekoton) = staanden | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Ἠλίαν (Elian) = Elia | φωνεῖ (phonei) = roept | οὗτος (houtos) = deze Bron: SBLGNT **27:48** Meteen rende een van hen heen. Hij nam een spons, vulde die met azijn, zette hem op een rietstok en gaf Hem te drinken. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | δραμὼν (dramon) = gerend hebbend | εἷς (heis) = een | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | σπόγγον (spongon) = spons | πλήσας (plesas) = vullend | τε (te) = en | ὄξους (oxous) = met azijn | καὶ (kai) = en | περιθεὶς (peritheis) = zettend | καλάμῳ (kalamo) = op rietstok | ἐπότιζεν (epotizen) = gaf te drinken | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὄξος (oxos), ‘azijn’: zure wijn. Vergelijk Ps. 69:22 (zie 27:34). Zie ook: Ps 69:22 **27:49** De anderen zeiden: „Laat maar, laten wij zien of Elia komt om Hem te redden.” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | λοιποὶ (loipoi) = overigen | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Ἄφες (Aphes) = laat maar | ἴδωμεν (idomen) = laten wij zien | εἰ (ei) = of | ἔρχεται (erchetai) = komt | Ἠλίας (Elias) = Elia | σώσων (soson) = om te redden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **27:50** Yeshua riep opnieuw met luide stem en gaf de geest. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πάλιν (palin) = opnieuw | κράξας (kraxas) = roepend | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = luide | ἀφῆκεν (apheken) = liet gaan | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = geest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφῆκεν τὸ πνεῦμα (afeken to pneuma), ‘liet de geest gaan’: hij stierf. πνεῦμα kan ook ‘adem’ betekenen. **27:51** En zie: de voorhang van het heiligdom scheurde in twee, van boven tot onder. De aarde beefde en de rotsen scheurden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | τὸ (to) = de | καταπέτασμα (katapetasma) = voorhang | τοῦ (tou) = van het | ναοῦ (naou) = heiligdom | ἐσχίσθη (eschisthe) = scheurde | ἀπ’ (ap’) = van | ἄνωθεν (anothen) = boven | ἕως (heos) = tot | κάτω (kato) = beneden | εἰς (eis) = in | δύο (dyo) = twee | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | γῆ (ge) = aarde | ἐσείσθη (eseisthe) = beefde | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | πέτραι (petrai) = rotsen | ἐσχίσθησαν (eschisthesan) = scheurden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καταπέτασμα (katapetasma), ‘voorhang’: de voorhang in het heiligdom, die het heilige van het hoogheilige scheidt (Exod. 26:31–33). Voetnoot : Zie ook Mark. 15:33–41; Luc. 23:44–49; Joh. 19:28–37. Zie ook: Ex 26:31–33; Mar 15:33–41; Luc 23:44–49; Joh 19:28–37 **27:52** De graven gingen open en vele lichamen van heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | μνημεῖα (mnemeia) = graven | ἀνεῴχθησαν (aneochthesan) = gingen open | καὶ (kai) = en | πολλὰ (polla) = vele | σώματα (somata) = lichamen | τῶν (ton) = van de | κεκοιμημένων (kekoimemenon) = ontslapenen | ἁγίων (hagion) = heiligen | ἠγέρθησαν (egerthesan) = werden opgewekt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοιμάομαι (koimaomai), ‘ontslapen’: slapen als beeld voor sterven (vergelijk Dan. 12:2). Zie ook: Dan 12:2 **27:53** Zij kwamen na Zijn opwekking uit de graven, gingen de heilige stad binnen en lieten zich aan velen zien. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μνημείων (mnemeion) = graven | μετὰ (meta) = na | τὴν (ten) = de | ἔγερσιν (egersin) = opwekking | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰσῆλθον (eiselthon) = gingen binnen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | ἁγίαν (hagian) = heilige | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | ἐνεφανίσθησαν (enephanisthesan) = lieten zich zien | πολλοῖς (pollois) = aan velen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔγερσις (egersis), ‘opwekking’: van ἐγείρω (egeiro), ‘wekken, opwekken’, zoals in 26:32. ‘De heilige stad’ is Jeruzalem (vergelijk 4:5). **27:54** De centurio en zij die met hem Yeshua bewaakten, zagen de aardbeving en wat er gebeurde. Zij werden zeer bang en zeiden: „Werkelijk, deze was Zoon van Elohim.” Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = maar | ἑκατόνταρχος (hekatontarchos) = centurio | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | τηροῦντες (terountes) = bewakend | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἰδόντες (idontes) = ziende | τὸν (ton) = de | σεισμὸν (seismon) = aardbeving | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | γενόμενα (genomena) = gebeurde dingen | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bevreesd | σφόδρα (sphodra) = zeer | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἀληθῶς (Alethos) = werkelijk | θεοῦ (theou) = van Elohim | υἱὸς (huios) = Zoon | ἦν (en) = was | οὗτος (houtos) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἑκατόνταρχος (hekatontarchos), ‘centurio’: een Romeinse bevelhebber over ongeveer 100 soldaten. Het Grieks heeft geen lidwoord bij ‘Zoon van Elohim’ (zoals in 4:3): het kan ‘een Zoon van Elohim’ of ‘de Zoon van Elohim’ betekenen. ### De vrouwen bij het kruis **27:55** Er waren daar ook veel vrouwen die van veraf toekeken. Zij waren Yeshua gevolgd vanuit Galilea en hadden Hem gediend. Brontekst: Ἦσαν (Esan) = waren | δὲ (de) = maar | ἐκεῖ (ekei) = daar | γυναῖκες (gynaikes) = vrouwen | πολλαὶ (pollai) = vele | ἀπὸ (apo) = van | μακρόθεν (makrothen) = veraf | θεωροῦσαι (theorousai) = kijkend | αἵτινες (haitines) = die | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | τῷ (to) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | διακονοῦσαι (diakonousai) = dienend | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. **27:56** Onder hen waren Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs. Brontekst: ἐν (en) = onder | αἷς (hais) = wie | ἦν (en) = was | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | Μαγδαληνὴ (Magdalene) = Magdalena | καὶ (kai) = en | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | τοῦ (tou) = van de | Ἰακώβου (Iakobou) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | μήτηρ (meter) = moeder | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | τῶν (ton) = van de | υἱῶν (huion) = zonen | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = Zebedeüs Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zebedeüs: de vader van Jakobus en Johannes (4:21). ### Het graf van Jozef van Arimatea **27:57** Toen het avond was geworden, kwam er een rijke man uit Arimatea, Jozef genaamd, die zelf ook een leerling van Yeshua geworden was. Brontekst: Ὀψίας (Opsias) = avond | δὲ (de) = maar | γενομένης (genomenes) = geworden | ἦλθεν (elthen) = kwam | ἄνθρωπος (anthropos) = man | πλούσιος (plousios) = rijke | ἀπὸ (apo) = uit | Ἁριμαθαίας (Harimathaias) = Arimatea | τοὔνομα (tounoma) = naam | Ἰωσήφ (Ioseph) = Jozef | ὃς (hos) = die | καὶ (kai) = ook | αὐτὸς (autos) = zelf | ἐμαθητεύθη (ematheteuthe) = leerling werd | τῷ (to) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Arimatea (Ramataim?; ligging onzeker): De ligging van Arimatea is onbekend. Vaak wordt het gelijkgesteld met Ramataim-Sofim (Rama), ongeveer bij Rentis, ten noordoosten van Lod. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Ἁριμαθαία (Harimathaia), ‘Arimatea’: een stad in Judea; de ligging is niet zeker. Vergelijk Jes. 53:9: ‘bij een rijke in zijn dood’. Voetnoot : Zie ook Mark. 15:42–47; Luc. 23:50–56; Joh. 19:38–42. Zie ook: Jes 53:9; Mar 15:42–47; Luc 23:50–56; Joh 19:38–42 **27:58** Hij ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Yeshua. Toen beval Pilatus dat het gegeven werd. Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | προσελθὼν (proselthon) = naderend | τῷ (to) = de | Πιλάτῳ (Pilato) = Pilatus | ᾐτήσατο (etesato) = vroeg | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | τότε (tote) = toen | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval | ἀποδοθῆναι (apodothenai) = gegeven te worden Bron: SBLGNT **27:59** Jozef nam het lichaam en wikkelde het in een schone linnen doek Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | ὁ (ho) = de | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | ἐνετύλιξεν (enetylixen) = wikkelde | αὐτὸ (auto) = het | σινδόνι (sindoni) = in linnen doek | καθαρᾷ (kathara) = schone Bron: SBLGNT **27:60** en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had uitgehouwen. Hij rolde een grote steen voor de ingang van het graf en ging weg. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔθηκεν (etheken) = legde | αὐτὸ (auto) = het | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | καινῷ (kaino) = nieuwe | αὐτοῦ (autou) = zijn | μνημείῳ (mnemeio) = graf | ὃ (ho) = dat | ἐλατόμησεν (elatomesen) = had uitgehouwen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πέτρᾳ (petra) = rots | καὶ (kai) = en | προσκυλίσας (proskylisas) = gerold hebbend | λίθον (lithon) = steen | μέγαν (megan) = grote | τῇ (te) = aan de | θύρᾳ (thyra) = ingang | τοῦ (tou) = van het | μνημείου (mnemeiou) = graf | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: μνημεῖον (mnemeion), ‘graf’: hier een graf uitgehouwen in de rots, met een grote steen voor de ingang. **27:61** Maria Magdalena en de andere Maria zaten daar tegenover het graf. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ἐκεῖ (ekei) = daar | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | ἡ (he) = de | Μαγδαληνὴ (Magdalene) = Magdalena | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | ἄλλη (alle) = andere | Μαρία (Maria) = Maria | καθήμεναι (kathemenai) = zittend | ἀπέναντι (apenanti) = tegenover | τοῦ (tou) = het | τάφου (taphou) = graf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. ### De wacht bij het graf **27:62** De volgende dag, de dag na de voorbereidingsdag, kwamen de hogepriesters en de Farizeeën bij Pilatus bijeen Brontekst: Τῇ (Te) = op de | δὲ (de) = maar | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ἥτις (hetis) = die | ἐστὶν (estin) = is | μετὰ (meta) = na | τὴν (ten) = de | παρασκευήν (paraskeuen) = voorbereidingsdag | συνήχθησαν (synechthesan) = kwamen bijeen | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | πρὸς (pros) = bij | Πιλᾶτον (Pilaton) = Pilatus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρασκευή (paraskeue), ‘voorbereidingsdag’: de dag voor de sabbat. **27:63** en zeiden: „Heer, wij herinneren ons dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, zei: **‘Na drie dagen word Ik opgewekt.’** Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = heer | ἐμνήσθημεν (emnesthemen) = wij herinneren ons | ὅτι (hoti) = dat | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ὁ (ho) = de | πλάνος (planos) = bedrieger | εἶπεν (eipen) = zei | ἔτι (eti) = nog | ζῶν (zon) = levend | Μετὰ (Meta) = na | τρεῖς (treis) = drie | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἐγείρομαι (egeiromai) = word opgewekt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘heer’: een beleefde aanspreking van de stadhouder. πλάνος (planos), ‘bedrieger’: iemand die mensen op een dwaalspoor brengt. Vergelijk 12:40; 16:21; 17:23 en 20:19. **27:64** Geef dan bevel het graf te laten beveiligen tot de derde dag. Anders komen Zijn leerlingen Hem stelen en zeggen zij tegen het volk: ‘Hij is opgewekt uit de doden.’ Dan zal het laatste bedrog erger zijn dan het eerste.” Brontekst: κέλευσον (keleuson) = beveel | οὖν (oun) = dus | ἀσφαλισθῆναι (asphalisthenai) = beveiligd te worden | τὸν (ton) = het | τάφον (taphon) = graf | ἕως (heos) = tot | τῆς (tes) = de | τρίτης (trites) = derde | ἡμέρας (hemeras) = dag | μήποτε (mepote) = anders | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | κλέψωσιν (klepsosin) = stelen | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | εἴπωσιν (eiposin) = zeggen | τῷ (to) = aan het | λαῷ (lao) = volk | Ἠγέρθη (Egerthe) = Hij is opgewekt | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | νεκρῶν (nekron) = doden | καὶ (kai) = en | ἔσται (estai) = zal zijn | ἡ (he) = de | ἐσχάτη (eschate) = laatste | πλάνη (plane) = bedrog | χείρων (cheiron) = erger | τῆς (tes) = dan de | πρώτης (protes) = eerste Bron: SBLGNT **27:65** Pilatus zei tegen hen: „Jullie hebben een wacht. Ga heen en beveilig het zoals jullie weten.” Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Ἔχετε (Echete) = jullie hebben | κουστωδίαν (koustodian) = wacht | ὑπάγετε (hypagete) = ga | ἀσφαλίσασθε (asphalisasthe) = beveilig | ὡς (hos) = zoals | οἴδατε (oidate) = jullie weten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κουστωδία (koustodia), ‘wacht’: een Latijns leenwoord. Ἔχετε (echete) kan ‘jullie hebben’ of ‘neem’ betekenen; wij lezen ‘jullie hebben’. **27:66** Zij gingen weg en beveiligden het graf: zij verzegelden de steen, samen met de wacht. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | πορευθέντες (poreuthentes) = gegaan zijnde | ἠσφαλίσαντο (esphalisanto) = beveiligden | τὸν (ton) = het | τάφον (taphon) = graf | σφραγίσαντες (sphragisantes) = verzegelend | τὸν (ton) = de | λίθον (lithon) = steen | μετὰ (meta) = met | τῆς (tes) = de | κουστωδίας (koustodias) = wacht Bron: SBLGNT ## Matteüs 28 _De opwekking van Yeshua en de opdracht aan de leerlingen_ ### De vrouwen bij het lege graf **28:1** Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag van de week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria het graf bekijken. Brontekst: Ὀψὲ (Opse) = laat | δὲ (de) = maar | σαββάτων (sabbaton) = van sabbat | τῇ (te) = bij het | ἐπιφωσκούσῃ (epiphoskouse) = aanbrekende | εἰς (eis) = naar | μίαν (mian) = eerste | σαββάτων (sabbaton) = van sabbat | ἦλθεν (elthen) = kwam | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | ἡ (he) = de | Μαγδαληνὴ (Magdalene) = Magdalena | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | ἄλλη (alle) = andere | Μαρία (Maria) = Maria | θεωρῆσαι (theoresai) = om te bekijken | τὸν (ton) = het | τάφον (taphon) = graf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ὀψὲ σαββάτων (opse sabbaton), ‘na de sabbat’, en μίαν σαββάτων (mian sabbaton), ‘de eerste dag van de week’: σάββατον (sabbaton) kan ‘sabbat’ en ‘week’ betekenen. Voetnoot : Zie ook Mark. 16:1–8; Luc. 24:1–12; Joh. 20:1–10. Zie ook: Mar 16:1–8; Luc 24:1–12; Joh 20:1–10 **28:2** En zie: er kwam een grote aardbeving. Want een engel van Yahweh kwam uit de hemel neer, kwam naderbij, rolde de steen weg en zat erop. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | σεισμὸς (seismos) = aardbeving | ἐγένετο (egeneto) = kwam | μέγας (megas) = grote | ἄγγελος (angelos) = engel | γὰρ (gar) = want | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | καταβὰς (katabas) = neergedaald | ἐξ (ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | προσελθὼν (proselthon) = naderend | ἀπεκύλισε (apekylise) = rolde weg | τὸν (ton) = de | λίθον (lithon) = steen | καὶ (kai) = en | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | ἐπάνω (epano) = boven | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄγγελος κυρίου (angelos kyriou), ‘engel van Yahweh’: zoals in 1:20 en 2:13. De tekst noemt de engel niet bij naam. **28:3** Het uiterlijk van de engel was als bliksem en zijn kleding wit als sneeuw. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ἡ (he) = het | εἰδέα (eidea) = uiterlijk | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὡς (hos) = als | ἀστραπὴ (astrape) = bliksem | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | ἔνδυμα (endyma) = kleed | αὐτοῦ (autou) = zijn | λευκὸν (leukon) = wit | ὡς (hos) = als | χιών (chion) = sneeuw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘zijn uiterlijk’ (αὐτοῦ, autou). Wij noemen de engel, om verwarring met Yeshua te voorkomen. **28:4** Uit angst voor hem beefden de bewakers en werden zij als doden. Brontekst: ἀπὸ (apo) = van | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = de | φόβου (phobou) = angst | αὐτοῦ (autou) = voor hem | ἐσείσθησαν (eseisthesan) = beefden | οἱ (hoi) = de | τηροῦντες (terountes) = bewakers | καὶ (kai) = en | ἐγενήθησαν (egenethesan) = werden | ὡς (hos) = als | νεκροί (nekroi) = doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐσείσθησαν (eseisthesan), ‘beefden’: hetzelfde woord als bij σεισμός (seismos), ‘aardbeving’, in 28:2. **28:5** De engel antwoordde en zei tegen de vrouwen: „Wees niet bang, jullie. Want ik weet dat jullie Yeshua zoeken, de gekruisigde. Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | εἶπεν (eipen) = zei | ταῖς (tais) = aan de | γυναιξίν (gynaixin) = vrouwen | Μὴ (Me) = niet | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οἶδα (oida) = ik weet | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τὸν (ton) = de | ἐσταυρωμένον (estauromenon) = gekruisigde | ζητεῖτε (zeteite) = jullie zoeken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑμεῖς (hymeis), ‘jullie’: nadrukkelijk gezegd, tegenover de bewakers die bang werden (28:4). **28:6** Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kom, zie de plaats waar Hij lag. Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ὧδε (hode) = hier | ἠγέρθη (egerthe) = werd opgewekt | γὰρ (gar) = want | καθὼς (kathos) = zoals | εἶπεν (eipen) = Hij zei | δεῦτε (deute) = kom | ἴδετε (idete) = zie | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | ὅπου (hopou) = waar | ἔκειτο (ekeito) = Hij lag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἠγέρθη (egerthe), ‘werd opgewekt’: een lijdende vorm; hij kan ook ‘stond op’ betekenen. Wij houden ‘opgewekt’ zoals in 26:32 en 27:52–53. ‘Zoals Hij gezegd heeft’ verwijst naar 16:21; 17:23 en 20:19. **28:7** Ga snel heen en zeg tegen Zijn leerlingen: ‘Hij is opgewekt uit de doden. En zie: Hij gaat jullie voor naar Galilea. Daar zullen jullie Hem zien.’ Zie, ik heb het jullie gezegd.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ταχὺ (tachy) = snel | πορευθεῖσαι (poreutheisai) = gegaan zijnde | εἴπατε (eipate) = zeg | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὅτι (hoti) = dat | Ἠγέρθη (Egerthe) = Hij is opgewekt | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | νεκρῶν (nekron) = doden | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | προάγει (proagei) = Hij gaat voor | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | ἐκεῖ (ekei) = daar | αὐτὸν (auton) = Hem | ὄψεσθε (opsesthe) = zullen jullie zien | ἰδοὺ (idou) = zie | εἶπον (eipon) = ik heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Vergelijk 26:32: ‘Maar nadat Ik opgewekt ben, ga Ik jullie voor naar Galilea.’ **28:8** Zij gingen snel weg van het graf, met angst en grote vreugde, en renden om het aan Zijn leerlingen te melden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπελθοῦσαι (apelthousai) = weggegaan | ταχὺ (tachy) = snel | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | μνημείου (mnemeiou) = graf | μετὰ (meta) = met | φόβου (phobou) = angst | καὶ (kai) = en | χαρᾶς (charas) = vreugde | μεγάλης (megales) = grote | ἔδραμον (edramon) = renden | ἀπαγγεῖλαι (apangeilai) = om te melden | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT ### Yeshua ontmoet de vrouwen **28:9** En zie: Yeshua kwam hun tegemoet en zei: **„Gegroet.”** Zij gingen naar Hem toe, grepen Zijn voeten vast en bogen zich voor Hem neer. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὑπήντησεν (hypentesen) = ontmoette | αὐταῖς (autais) = hen | λέγων (legon) = zeggend | Χαίρετε (Chairete) = gegroet | αἱ (hai) = zij | δὲ (de) = maar | προσελθοῦσαι (proselthousai) = naderend | ἐκράτησαν (ekratesan) = grepen vast | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | καὶ (kai) = en | προσεκύνησαν (prosekynesan) = bogen zich neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zoals in 2:2 en 28:17. Voetnoot : Zie ook Mark. 16:9–11; Joh. 20:11–18. Zie ook: Mar 16:9–11; Joh 20:11–18 **28:10** Toen zei Yeshua tegen hen: **„Wees niet bang. Ga heen en meld aan Mijn broers dat zij naar Galilea moeten gaan. Daar zullen zij Mij zien.”** Brontekst: τότε (tote) = toen | λέγει (legei) = zegt | αὐταῖς (autais) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Μὴ (Me) = niet | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang | ὑπάγετε (hypagete) = ga | ἀπαγγείλατε (apangeilate) = meld | τοῖς (tois) = aan de | ἀδελφοῖς (adelphois) = broers | μου (mou) = Mijn | ἵνα (hina) = opdat | ἀπέλθωσιν (apelthosin) = zij gaan | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | κἀκεῖ (kakei) = en daar | με (me) = Mij | ὄψονται (opsontai) = zullen zien Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: hier de leerlingen. Vergelijk 12:49–50. ### Het bericht van de bewakers **28:11** Terwijl zij onderweg waren, zie: enkele bewakers kwamen in de stad en meldden alles wat gebeurd was aan de hogepriesters. Brontekst: Πορευομένων (Poreuomenon) = gaande | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | ἰδού (idou) = zie | τινες (tines) = sommigen | τῆς (tes) = van de | κουστωδίας (koustodias) = wacht | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | τοῖς (tois) = aan de | ἀρχιερεῦσιν (archiereusin) = hogepriesters | ἅπαντα (hapanta) = alles | τὰ (ta) = de | γενόμενα (genomena) = gebeurde dingen Bron: SBLGNT **28:12** Zij kwamen met de oudsten bijeen, overlegden en gaven de soldaten voldoende zilverstukken Brontekst: καὶ (kai) = en | συναχθέντες (synachthentes) = bijeengekomen | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | συμβούλιόν (symboulion) = overleg | τε (te) = en | λαβόντες (labontes) = houdend | ἀργύρια (argyria) = zilverstukken | ἱκανὰ (hikana) = voldoende | ἔδωκαν (edokan) = gaven | τοῖς (tois) = aan de | στρατιώταις (stratiotais) = soldaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱκανά (hikana), ‘voldoende’: een flinke som geld. **28:13** en zeiden: „Zeg: ‘Zijn leerlingen zijn ’s nachts gekomen en hebben Hem gestolen terwijl wij sliepen.’ Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Εἴπατε (Eipate) = zeg | ὅτι (hoti) = dat | Οἱ (Hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | νυκτὸς (nyktos) = 's nachts | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | ἔκλεψαν (eklepsan) = stalen | αὐτὸν (auton) = Hem | ἡμῶν (hemon) = wij | κοιμωμένων (koimomenon) = slapend Bron: SBLGNT **28:14** En als dit de stadhouder ter ore komt, zullen wij hem overtuigen en jullie vrij van zorgen maken.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | ἀκουσθῇ (akousthe) = gehoord wordt | τοῦτο (touto) = dit | ἐπὶ (epi) = bij | τοῦ (tou) = de | ἡγεμόνος (hegemonos) = stadhouder | ἡμεῖς (hemeis) = wij | πείσομεν (peisomen) = zullen overtuigen | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἀμερίμνους (amerimnous) = zorgeloos | ποιήσομεν (poiesomen) = zullen maken Bron: SBLGNT **28:15** Zij namen de zilverstukken aan en deden zoals zij onderwezen waren. Dit verhaal is tot op de dag van vandaag verspreid onder Joden. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | λαβόντες (labontes) = nemend | τὰ (ta) = de | ἀργύρια (argyria) = zilverstukken | ἐποίησαν (epoiesan) = deden | ὡς (hos) = zoals | ἐδιδάχθησαν (edidachthesan) = zij onderwezen werden | Καὶ (Kai) = en | διεφημίσθη (diephemisthe) = werd verspreid | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = verhaal | οὗτος (houtos) = dit | παρὰ (para) = bij | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | μέχρι (mechri) = tot | τῆς (tes) = de | σήμερον (semeron) = vandaag | ἡμέρας (hemeras) = dag Bron: SBLGNT ### De opdracht op de berg in Galilea **28:16** De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg die Yeshua hun had aangewezen. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἕνδεκα (hendeka) = elf | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἐπορεύθησαν (eporeuthesan) = gingen | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | οὗ (hou) = waar | ἐτάξατο (etaxato) = had aangewezen | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: De elf leerlingen: de twaalf zonder Judas (27:3–5). Welke berg bedoeld is, staat niet in de tekst. **28:17** Toen zij Hem zagen, bogen zij zich voor Hem neer. Sommigen twijfelden echter. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδόντες (idontes) = ziende | αὐτὸν (auton) = Hem | προσεκύνησαν (prosekynesan) = bogen zich neer | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐδίστασαν (edistasan) = twijfelden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ δὲ ἐδίστασαν (hoi de edistasan), ‘maar sommigen twijfelden’: het Grieks kan ook ‘maar zij twijfelden’ betekenen, dus mogelijk alle elf. **28:18** Yeshua kwam naar hen toe en sprak tot hen: **„Mij is alle gezag gegeven in de hemel en op de aarde.** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσελθὼν (proselthon) = naderend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | αὐτοῖς (autois) = tot hen | λέγων (legon) = zeggend | Ἐδόθη (Edothe) = is gegeven | μοι (moi) = Mij | πᾶσα (pasa) = alle | ἐξουσία (exousia) = gezag | ἐν (en) = in | οὐρανῷ (ourano) = hemel | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht en de macht om te handelen. Vergelijk Dan. 7:14: ‘Aan hem werden heerschappij, eer en koningschap gegeven.’ Zie ook: Dan 7:14 **28:19** **Ga dus heen en maak alle volken tot leerlingen. Doop hen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.** Brontekst: πορευθέντες (poreuthentes) = gegaan zijnde | οὖν (oun) = dus | μαθητεύσατε (matheteusate) = maak tot leerlingen | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | βαπτίζοντες (baptizontes) = dopend | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = Vader | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van de | ἁγίου (hagiou) = heilige | πνεύματος (pneumatos) = Geest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαθητεύω (matheteuo), ‘tot leerling maken’: van μαθητής (mathetes), ‘leerling’. ἔθνη (ethne), ‘volken’: alle volken, ook de niet-Joden (vergelijk 4:15). βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen in water. Het Grieks heeft ‘naam’ in het enkelvoud voor de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Voetnoot : Zie ook Mark. 16:15–16; Luc. 24:46–49. Zie ook: Mar 16:15–16; Luc 24:46–49 **28:20** **Leer hen alles te onderhouden wat Ik jullie geboden heb. En zie: Ik ben met jullie, alle dagen, tot de voleinding van de eeuw.”** Brontekst: διδάσκοντες (didaskontes) = onderwijzend | αὐτοὺς (autous) = hen | τηρεῖν (terein) = in acht te nemen | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | ἐνετειλάμην (eneteilamen) = Ik heb geboden | ὑμῖν (hymin) = jullie | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἐγὼ (ego) = Ik | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰμι (eimi) = ben | πάσας (pasas) = alle | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἕως (heos) = tot | τῆς (tes) = de | συντελείας (synteleias) = voleinding | τοῦ (tou) = van de | αἰῶνος (aionos) = eeuw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συντέλεια τοῦ αἰῶνος (synteleia tou aionos), ‘voleinding van de eeuw’: het einde van deze wereldtijd; vergelijk 13:39–40; 13:49 en 24:3. ‘Ik ben met jullie’ doet denken aan ‘Elohim is met ons’ in 1:23.