# Markus (Κατὰ Μᾶρκον, Kata Markon) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Markus 1 _Het begin van de goede boodschap_ ### Het begin van de goede boodschap **1:1** Begin van de goede boodschap van Yeshua de Messias. Brontekst: Ἀρχὴ (Arche) = begin | τοῦ (tou) = van de | εὐαγγελίου (euangeliou) = goede boodschap | Ἰησοῦ (Iesou) = van Yeshua | χριστοῦ (christou) = van de Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐαγγέλιον (euangelion), ‘goede boodschap’: het nieuws dat Elohim brengt. Wij vertalen het overal zo. Voetnoot : χριστός (christos), ‘Messias’: ‘gezalfde’, het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach). In dit evangelie vertalen wij het steeds met ‘Messias’. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben na ‘Messias’ nog ‘Zoon van Elohim’. Die woorden staan niet in de SBLGNT; wij vertalen de SBLGNT. **1:2** Zoals geschreven staat in Jesaja, de profeet: **„Zie, Ik zend Mijn bode voor je uit. Hij zal je weg bereiden.”** Brontekst: Καθὼς (Kathos) = zoals | γέγραπται (gegraptai) = geschreven staat | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | Ἠσαΐᾳ (Esaia) = Jesaja | τῷ (to) = de | προφήτῃ (prophete) = profeet | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἀποστέλλω (apostello) = Ik zend | τὸν (ton) = de | ἄγγελόν (angelon) = bode | μου (mou) = Mijn | πρὸ (pro) = voor | προσώπου (prosopou) = aangezicht | σου (sou) = je | ὃς (hos) = die | κατασκευάσει (kataskeuasei) = zal bereiden | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Markus noemt alleen Jesaja, maar de eerste woorden komen uit Mal. 3:1 (vergelijk Exod. 23:20); pas vers 3 is Jes. 40:3. Het Hebreeuws van Mal. 3:1 heeft ‘Ik zend Mijn bode, en hij zal de weg voor Mij banen’. De Griekse tekst heeft ‘voor je uit’ en ‘je weg’; wie met ‘je’ bedoeld is, zegt het Grieks niet. Voetnoot : ἄγγελος (angelos), ‘boodschapper’: het Hebreeuws heeft מַלְאָךְ (malak), ‘bode’. In dit citaat vertalen wij ‘bode’, zoals in Matt. 11:10; elders vertalen wij ἄγγελος met ‘engel’. Voetnoot : Zie ook Matt. 11:10. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ‘in de profeten’ in plaats van ‘in Jesaja, de profeet’. Zie ook: Ex 23:20; Jes 40:3; Mal 3:1; Mat 11:10; Mar 1:3 **1:3** „Een stem van iemand die roept in de woestijn: ‘Maak de weg van Yahweh gereed, maak Zijn paden recht.’” Brontekst: φωνὴ (phone) = stem | βοῶντος (boontos) = van een roepende | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | Ἑτοιμάσατε (Hetoimasate) = maak gereed | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | εὐθείας (eutheias) = recht | ποιεῖτε (poieite) = maak | τὰς (tas) = de | τρίβους (tribous) = paden | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 40:3. Het Hebreeuws heeft ‘Een stem roept: baan in de woestijn de weg van Yahweh’; de Griekse tekst heeft ‘Een stem van iemand die roept in de woestijn’. κυρίου (kyriou), ‘van de Heer’, is vertaald als Yahweh, zoals in het Hebreeuws (יהוה). Voetnoot : Zie ook Matt. 3:3; Luc. 3:4–6; Joh. 1:23. Zie ook: Jes 40:3; Mat 3:3; Luc 3:4–6; Joh 1:23 ### Johannes de Doper **1:4** Johannes de Doper trad op in de woestijn en verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = werd | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ὁ (ho) = de | βαπτίζων (baptizon) = doper | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | βάπτισμα (baptisma) = doop | μετανοίας (metanoias) = van bekering | εἰς (eis) = tot | ἄφεσιν (aphesin) = vergeving | ἁμαρτιῶν (hamartion) = van zonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετάνοια (metanoia), ‘bekering’, van μετανοέω (metanoeo): van denken veranderen. Het gaat om een andere richting in denken en leven, een terugkeer tot Elohim, zoals het Hebreeuwse שׁוּב (shuv), ‘zich omkeren’. Voetnoot : βάπτισμα (baptisma), ‘doop’, van βαπτίζω (baptizo), ‘onderdompelen’. ἄφεσις (aphesis), ‘vergeving’: eigenlijk ‘loslaten, kwijtschelden’. κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen’: als een heraut een boodschap uitroepen. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:1–2; Luc. 3:3. Zie ook: Mat 3:1–2; Luc 3:3 **1:5** Heel het land Judea ging naar hem toe, en alle inwoners van Jeruzalem. Zij werden door hem gedoopt in de rivier de Jordaan en beleden hun zonden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξεπορεύετο (exeporeueto) = ging uit | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | πᾶσα (pasa) = heel | ἡ (he) = het | Ἰουδαία (Ioudaia) = Judea | χώρα (chora) = land | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Ἱεροσολυμῖται (Hierosolymitai) = inwoners van Jeruzalem | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = en | ἐβαπτίζοντο (ebaptizonto) = werden gedoopt | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = hem | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | Ἰορδάνῃ (Iordane) = Jordaan | ποταμῷ (potamo) = rivier | ἐξομολογούμενοι (exomologoumenoi) = belijdend | τὰς (tas) = de | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: ἐξομολογούμενοι (exomologoumenoi), ‘belijdend’: openlijk zeggen wat men fout heeft gedaan. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:5–6. Zie ook: Mat 3:5–6 **1:6** Johannes was gekleed in kamelenhaar en droeg een leren gordel om zijn heupen. Hij at sprinkhanen en wilde honing. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ἐνδεδυμένος (endedymenos) = gekleed | τρίχας (trichas) = haren | καμήλου (kamelou) = van een kameel | καὶ (kai) = en | ζώνην (zonen) = gordel | δερματίνην (dermatinen) = leren | περὶ (peri) = om | τὴν (ten) = de | ὀσφὺν (osphyn) = heupen | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἔσθων (esthon) = etend | ἀκρίδας (akridas) = sprinkhanen | καὶ (kai) = en | μέλι (meli) = honing | ἄγριον (agrion) = wilde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ook Elia droeg een leren gordel om zijn heupen (2 Kon. 1:8). ἀκρίδες (akrides), ‘sprinkhanen’: dieren die volgens Lev. 11:22 gegeten mochten worden. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:4. Zie ook: Lev 11:22; 2 Kon 1:8; Mat 3:4 **1:7** Johannes verkondigde en zei: „Na mij komt Hij die sterker is dan ik. Ik ben niet waardig om me te bukken en de riem van Zijn sandalen los te maken. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκήρυσσεν (ekeryssen) = verkondigde | λέγων (legon) = zeggend | Ἔρχεται (Erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | ἰσχυρότερός (ischyroteros) = sterkere | μου (mou) = dan ik | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = mij | οὗ (hou) = van wie | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἱκανὸς (hikanos) = waardig | κύψας (kypsas) = gebukt | λῦσαι (lysai) = los te maken | τὸν (ton) = de | ἱμάντα (himanta) = riem | τῶν (ton) = van de | ὑποδημάτων (hypodematon) = sandalen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱμάς (himas), ‘riem’: de riem waarmee een sandaal aan de voet gebonden werd. De woorden wijzen erop dat Johannes zich lager acht dan wie na hem komt. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:11; Luc. 3:16; Joh. 1:26–27. Zie ook: Mat 3:11; Luc 3:16; Joh 1:26–27 **1:8** Ik heb jullie gedoopt met water, maar Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest.” Brontekst: ἐγὼ (ego) = ik | ἐβάπτισα (ebaptisa) = doopte | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὕδατι (hydati) = met water | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | δὲ (de) = maar | βαπτίσει (baptisei) = zal dopen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = Geest | ἁγίῳ (hagio) = heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ‘water’ alleen een naamval (ὕδατι, ‘met water’), bij de Geest staat ἐν (en), ‘met’ of ‘in’: ‘met de Heilige Geest’. Vergelijk Joël 3:1 (in de Nederlandse telling 2:28), waar Elohim Zijn Geest uitstort. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:11; Luc. 3:16. Zie ook: Joël 3:1; Mat 3:11; Luc 3:16 ### De doop van Yeshua **1:9** In die dagen kwam Yeshua uit Nazaret in Galilea en werd door Johannes gedoopt in de Jordaan. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = in | ἐκείναις (ekeinais) = die | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἦλθεν (elthen) = kwam | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀπὸ (apo) = uit | Ναζαρὲτ (Nazaret) = Nazaret | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | ἐβαπτίσθη (ebaptisthe) = werd gedoopt | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | Ἰορδάνην (Iordanen) = Jordaan | ὑπὸ (hypo) = door | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 3:13–17; Luc. 3:21–22; Joh. 1:32–34. Zie ook: Mat 3:13–17; Luc 3:21–22; Joh 1:32–34 **1:10** Meteen, terwijl Hij uit het water omhoogkwam, zag Hij de hemelen openscheuren en de Geest als een duif op Hem neerdalen. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀναβαίνων (anabainon) = omhoogkomend | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ὕδατος (hydatos) = water | εἶδεν (eiden) = zag Hij | σχιζομένους (schizomenous) = openscheurend | τοὺς (tous) = de | οὐρανοὺς (ouranous) = hemelen | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ὡς (hos) = als | περιστερὰν (peristeran) = duif | καταβαῖνον (katabainon) = neerdalend | εἰς (eis) = op | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σχιζομένους (schizomenous), ‘openscheurend’: sterker dan Matteüs, waar de hemelen ‘opengaan’. Vergelijk Jes. 63:19 (in de Nederlandse telling 64:1), ‘O, dat U de hemel scheurde en neerdaalde!’. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:16; Luc. 3:21–22. Zie ook: Jes 63:19; Mat 3:16; Luc 3:21–22 **1:11** En een stem kwam uit de hemelen: **„U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik behagen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | φωνὴ (phone) = stem | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = Zoon | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | ἀγαπητός (agapetos) = geliefde | ἐν (en) = in | σοὶ (soi) = U | εὐδόκησα (eudokesa) = heb Ik behagen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt alleen ‘een stem uit de hemelen’. Wij lezen de stem van de Vader, omdat de stem zegt ‘Mijn Zoon’. Anders dan bij Matteüs spreekt de stem Yeshua zelf aan (‘U bent’). De woorden doen denken aan Ps. 2:7, Jes. 42:1 en Gen. 22:2. ἀγαπητός (agapetos), ‘geliefde’. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:17; Luc. 3:22. Zie ook: Gen 22:2; Ps 2:7; Jes 42:1; Mat 3:17; Luc 3:22 ### Yeshua wordt op de proef gesteld **1:12** Meteen dreef de Geest Hem de woestijn in. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐκβάλλει (ekballei) = drijft uit | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἔρημον (eremon) = woestijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκβάλλει (ekballei), ‘drijft uit’: hetzelfde werkwoord als voor het uitdrijven van demonen (vers 34 en 39). Het is sterker dan ‘werd geleid’ bij Matteüs. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:1; Luc. 4:1. Zie ook: Mat 4:1; Mar 1:34; Mar 1:39; Luc 4:1 **1:13** Hij was 40 dagen in de woestijn en werd door Satan op de proef gesteld. Hij was bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 | ἡμέρας (hemeras) = dagen | πειραζόμενος (peirazomenos) = op de proef gesteld | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | Σατανᾶ (Satana) = Satan | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | μετὰ (meta) = bij | τῶν (ton) = de | θηρίων (therion) = wilde dieren | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | διηκόνουν (diekonoun) = dienden | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De 40 dagen doen denken aan Mozes (Exod. 34:28) en Elia (1 Kon. 19:8). πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’. Satan (σατανᾶς, satanas) is Hebreeuws שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’. θηρία (theria), ‘wilde dieren’. Markus noemt niet waarmee Hij op de proef werd gesteld. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:1–11; Luc. 4:1–13. Zie ook: Ex 34:28; 1 Kon 19:8; Mat 4:1–11; Luc 4:1–13 ### Yeshua verkondigt in Galilea **1:14** Nadat Johannes was overgeleverd, ging Yeshua naar Galilea. Hij verkondigde de goede boodschap van Elohim Brontekst: Καὶ (Kai) = en | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | παραδοθῆναι (paradothenai) = overgeleverd worden | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | ἦλθεν (elthen) = kwam | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | τὸ (to) = de | εὐαγγέλιον (euangelion) = goede boodschap | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: παραδοθῆναι (paradothenai), ‘overgeleverd worden’: Johannes werd overgegeven aan de macht van anderen, waarschijnlijk gevangengezet. εὐαγγέλιον τοῦ θεοῦ, ‘de goede boodschap van Elohim’: de boodschap die Elohim brengt. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:12; Luc. 4:14–15. Zie ook: Mat 4:12; Luc 4:14–15 **1:15** en zei: **„De tijd is vervuld en het koninkrijk van Elohim is nabij gekomen. Bekeer jullie en geloof in de goede boodschap.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγων (legon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Πεπλήρωται (Peplerotai) = is vervuld | ὁ (ho) = de | καιρὸς (kairos) = tijd | καὶ (kai) = en | ἤγγικεν (engiken) = is nabij gekomen | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | μετανοεῖτε (metanoeite) = bekeer jullie | καὶ (kai) = en | πιστεύετε (pisteuete) = geloof | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | εὐαγγελίῳ (euangelio) = goede boodschap Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καιρός (kairos), ‘tijd’: een bepaald, beslissend moment. ἤγγικεν (engiken), ‘is nabij gekomen’, staat in de voltooide tijd: het is dichtbij gekomen en is er nu. βασιλεία τοῦ θεοῦ (basileia tou theou), ‘het koninkrijk van Elohim’: Matteüs zegt ‘het koninkrijk van de hemelen’. μετανοεῖτε, ‘bekeer jullie’: zie vers 4. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:17. Zie ook: Mat 4:17; Mar 1:4 ### De roeping van de eerste leerlingen **1:16** Terwijl Hij langs de zee van Galilea liep, zag Hij Simon en Andreas, de broer van Simon. Zij wierpen een net in de zee, want zij waren vissers. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | παράγων (paragon) = langslopend | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | εἶδεν (eiden) = zag Hij | Σίμωνα (Simona) = Simon | καὶ (kai) = en | Ἀνδρέαν (Andrean) = Andreas | τὸν (ton) = de | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | ἀμφιβάλλοντας (amphiballontas) = uitwerpend | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | θαλάσσῃ (thalasse) = zee | ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | ἁλιεῖς (halieis) = vissers Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: θάλασσα (thalassa), ‘zee’: de zee van Galilea is een meer. Bij ἀμφιβάλλοντας (amphiballontas), ‘uitwerpend’, noemt het Grieks het voorwerp niet; wij vullen ‘een net’ aan (het gaat om een werpnet). Voetnoot : Zie ook Matt. 4:18–22; Luc. 5:1–11. Zie ook: Mat 4:18–22; Luc 5:1–11 **1:17** Yeshua zei tegen hen: **„Kom achter Mij aan, en Ik zal jullie vissers van mensen laten worden.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Δεῦτε (Deute) = kom | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = Mij | καὶ (kai) = en | ποιήσω (poieso) = zal maken | ὑμᾶς (hymas) = jullie | γενέσθαι (genesthai) = worden | ἁλιεῖς (halieis) = vissers | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δεῦτε ὀπίσω μου (deute opiso mou), ‘kom achter Mij aan’: leerling worden. ποιήσω ὑμᾶς γενέσθαι (poieso hymas genesthai), ‘Ik zal maken dat jullie worden’: Yeshua zelf maakt hen tot wat zij worden. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:19. Zie ook: Mat 4:19 **1:18** Meteen lieten zij de netten achter en volgden Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀφέντες (aphentes) = achterlatend | τὰ (ta) = de | δίκτυα (diktya) = netten | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT **1:19** Toen Hij een stukje verder was gegaan, zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ook zij zaten in de boot en herstelden de netten. Brontekst: καὶ (kai) = en | προβὰς (probas) = verdergegaan | ὀλίγον (oligon) = een beetje | εἶδεν (eiden) = zag Hij | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | τὸν (ton) = de | τοῦ (tou) = van | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = Zebedeüs | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = de | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πλοίῳ (ploio) = boot | καταρτίζοντας (katartizontas) = herstellend | τὰ (ta) = de | δίκτυα (diktya) = netten Bron: SBLGNT **1:20** Meteen riep Hij hen. Zij lieten hun vader Zebedeüs achter in de boot, bij de loonarbeiders, en gingen achter Hem aan. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐκάλεσεν (ekalesen) = riep Hij | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | ἀφέντες (aphentes) = achterlatend | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | αὐτῶν (auton) = hun | Ζεβεδαῖον (Zebedaion) = Zebedeüs | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πλοίῳ (ploio) = boot | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μισθωτῶν (misthoton) = loonarbeiders | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | ὀπίσω (opiso) = achter | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μισθωτοί (misthotoi), ‘loonarbeiders’: mannen die voor loon werkten. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:21–22. Zie ook: Mat 4:21–22 ### Een man met een onreine geest in de synagoge **1:21** Zij kwamen in Kapernaüm. Meteen, op de sabbat, onderwees Hij in de synagoge. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰσπορεύονται (eisporeuontai) = gaan binnen | εἰς (eis) = naar | Καφαρναούμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | τοῖς (tois) = op de | σάββασιν (sabbasin) = sabbatten | ἐδίδασκεν (edidasken) = onderwees Hij | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | συναγωγήν (synagogen) = synagoge Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: εὐθύς (euthys), ‘meteen’: Markus gebruikt dit woord vaak. Wij vertalen het steeds met ‘meteen’. συναγωγή (synagoge), ‘samenkomst, plaats van samenkomst’: het huis waar men op sabbat bijeenkwam voor gebed, lezing en onderwijs. Voetnoot : Zie ook Luc. 4:31–37. Zie ook: Luc 4:31–37 **1:22** Zij stonden versteld over Zijn onderwijs, want Hij onderwees hen als iemand die gezag heeft, en niet zoals de schriftgeleerden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto) = stonden versteld | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = het | διδαχῇ (didache) = onderwijs | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | αὐτοὺς (autous) = hen | ὡς (hos) = als | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχων (echon) = hebbend | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | ὡς (hos) = als | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht en de macht om te spreken en te handelen. γραμματεῖς (grammateis), ‘schriftgeleerden’: mannen die de Schrift en de wet uitlegden. Voetnoot : Zie ook Matt. 7:28–29. Zie ook: Mat 7:28–29 **1:23** Meteen was er in hun synagoge een man met een onreine geest. Hij schreeuwde het uit. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | αὐτῶν (auton) = hun | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = geest | ἀκαθάρτῳ (akatharto) = onreine | καὶ (kai) = en | ἀνέκραξεν (anekraxen) = schreeuwde het uit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα ἀκάθαρτον (pneuma akatharton), ‘onreine geest’: een boze geest, onrein omdat hij tegenover de heilige Elohim staat. Het Grieks zegt ἐν πνεύματι (‘in een geest’): de man was in de macht van die geest. Voetnoot : Zie ook Luc. 4:33–37. Zie ook: Luc 4:33–37 **1:24** Hij zei: _„Wat hebben wij met U te maken, Yeshua van Nazaret? Bent U gekomen om ons om te brengen? Ik weet wie U bent: de Heilige van Elohim.”_ Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Τί (Ti) = wat | ἡμῖν (hemin) = ons | καὶ (kai) = en | σοί (soi) = U | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Ναζαρηνέ (Nazarene) = Nazarener | ἦλθες (elthes) = kwam U | ἀπολέσαι (apolesai) = om te brengen | ἡμᾶς (hemas) = ons | οἶδά (oida) = ik weet | σε (se) = U | τίς (tis) = wie | εἶ (ei) = U bent | ὁ (ho) = de | ἅγιος (hagios) = Heilige | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: Ναζαρηνός (Nazarenos), ‘van Nazaret’. ὁ ἅγιος τοῦ θεοῦ (ho hagios tou theou), ‘de Heilige van Elohim’: vergelijk ‘de Heilige van Israël’ (Jes. 1:4). De geest spreekt eerst in het meervoud (‘wij’), daarna in het enkelvoud (‘ik weet’). Voetnoot : Zie ook Luc. 4:34. Zie ook: Jes 1:4; Luc 4:34 **1:25** Yeshua bestrafte hem en zei: **„Wees stil en ga uit hem weg.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγων (legon) = zeggend | Φιμώθητι (Phimotheti) = wees stil | καὶ (kai) = en | ἔξελθε (exelthe) = ga uit | ἐξ (ex) = uit | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιτιμάω (epitimao), ‘bestraffen’: streng terechtwijzen; wij vertalen het overal zo. φιμόω (phimoo), ‘de mond snoeren’, wij vertalen ‘wees stil’; vergelijk Mark. 4:39. Zie ook: Mar 4:39 **1:26** De onreine geest rukte hem heen en weer, riep met luide stem en ging uit hem weg. Brontekst: καὶ (kai) = en | σπαράξαν (sparaxan) = heen en weer rukkend | αὐτὸν (auton) = hem | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = geest | τὸ (to) = de | ἀκάθαρτον (akatharton) = onreine | καὶ (kai) = en | φωνῆσαν (phonesan) = roepend | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = luide | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἐξ (ex) = uit | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT **1:27** Allen waren zo verbaasd dat zij onder elkaar vroegen: „Wat is dit? Een nieuw onderwijs! Met gezag geeft Hij zelfs de onreine geesten bevel, en zij gehoorzamen Hem.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐθαμβήθησαν (ethambethesan) = waren verbaasd | ἅπαντες (hapantes) = allen | ὥστε (hoste) = zodat | συζητεῖν (syzetein) = te discussiëren | πρὸς (pros) = onder | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | λέγοντας (legontas) = zeggenden | Τί (Ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | τοῦτο (touto) = dit | διδαχὴ (didache) = onderwijs | καινή (kaine) = nieuw | κατ’ (kat’) = met | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | καὶ (kai) = ook | τοῖς (tois) = aan de | πνεύμασι (pneumasi) = geesten | τοῖς (tois) = de | ἀκαθάρτοις (akathartois) = onreine | ἐπιτάσσει (epitassei) = geeft bevel | καὶ (kai) = en | ὑπακούουσιν (hypakouousin) = gehoorzamen | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Wij volgen de zinsverdeling van de SBLGNT: ‘Een nieuw onderwijs!’ en dan ‘Met gezag …’. Voetnoot Lezing: De zin laat zich ook lezen als ‘Een nieuw onderwijs met gezag!’. **1:28** Het nieuws over Hem ging meteen overal rond, in heel de omgeving van Galilea. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἡ (he) = het | ἀκοὴ (akoe) = gerucht | αὐτοῦ (autou) = over Hem | εὐθὺς (euthys) = meteen | πανταχοῦ (pantachou) = overal | εἰς (eis) = naar | ὅλην (holen) = heel | τὴν (ten) = de | περίχωρον (perichoron) = omgeving | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. ### De schoonmoeder van Simon en veel zieken **1:29** Meteen kwamen zij uit de synagoge en gingen naar het huis van Simon en Andreas, samen met Jakobus en Johannes. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | συναγωγῆς (synagoges) = synagoge | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | ἦλθον (elthon) = kwamen | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | καὶ (kai) = en | Ἀνδρέου (Andreou) = van Andreas | μετὰ (meta) = met | Ἰακώβου (Iakobou) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 8:14–15; Luc. 4:38–39. Zie ook: Mat 8:14–15; Luc 4:38–39 **1:30** De schoonmoeder van Simon lag ziek met koorts. Meteen vertelden zij Hem over haar. Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | πενθερὰ (penthera) = schoonmoeder | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | κατέκειτο (katekeito) = lag | πυρέσσουσα (pyressousa) = koortsig zijnde | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | περὶ (peri) = over | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT **1:31** Hij ging naar haar toe, pakte haar bij de hand en richtte haar op. De koorts verliet haar en zij diende hen. Brontekst: καὶ (kai) = en | προσελθὼν (proselthon) = naderend | ἤγειρεν (egeiren) = richtte op | αὐτὴν (auten) = haar | κρατήσας (kratesas) = grijpend | τῆς (tes) = de | χειρός (cheiros) = hand | καὶ (kai) = en | ἀφῆκεν (apheken) = verliet | αὐτὴν (auten) = haar | ὁ (ho) = de | πυρετός (pyretos) = koorts | καὶ (kai) = en | διηκόνει (diekonei) = diende | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἤγειρεν (egeiren), ‘richtte op’: hetzelfde werkwoord wordt later ook voor het opstaan uit de dood gebruikt (Mark. 16:6). Zie ook: Mar 16:6 **1:32** Toen het avond was geworden en de zon was ondergegaan, brachten zij allen die ziek waren bij Hem, en ook de door demonen bezetenen. Brontekst: Ὀψίας (Opsias) = avond | δὲ (de) = maar | γενομένης (genomenes) = geworden | ὅτε (hote) = toen | ἔδυ (edy) = onderging | ὁ (ho) = de | ἥλιος (helios) = zon | ἔφερον (epheron) = brachten | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = de | κακῶς (kakos) = ziek | ἔχοντας (echontas) = verkerenden | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | δαιμονιζομένους (daimonizomenous) = door demonen bezetenen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vers 21 was een sabbat; na zonsondergang was de sabbat voorbij. δαιμονιζομένους (daimonizomenous), ‘door demonen bezetenen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 8:16–17; Luc. 4:40–41. Zie ook: Mat 8:16–17; Mar 1:21; Luc 4:40–41 **1:33** De hele stad was bijeengekomen bij de deur. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ὅλη (hole) = hele | ἡ (he) = de | πόλις (polis) = stad | ἐπισυνηγμένη (episynegmene) = verzameld | πρὸς (pros) = bij | τὴν (ten) = de | θύραν (thyran) = deur Bron: SBLGNT **1:34** Hij genas velen die aan allerlei ziekten leden en dreef veel demonen uit. Hij liet de demonen niet spreken, want zij kenden Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas | πολλοὺς (pollous) = velen | κακῶς (kakos) = ziek | ἔχοντας (echontas) = verkerenden | ποικίλαις (poikilais) = met velerlei | νόσοις (nosois) = ziekten | καὶ (kai) = en | δαιμόνια (daimonia) = demonen | πολλὰ (polla) = vele | ἐξέβαλεν (exebalen) = dreef uit | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἤφιεν (ephien) = liet toe | λαλεῖν (lalein) = te spreken | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ὅτι (hoti) = omdat | ᾔδεισαν (edeisan) = zij kenden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT ### Yeshua bidt en trekt door Galilea **1:35** Heel vroeg, nog in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en vertrok naar een verlaten plaats. Daar bad Hij. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | πρωῒ (proi) = vroeg | ἔννυχα (ennycha) = nog in de nacht | λίαν (lian) = zeer | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = vertrok | εἰς (eis) = naar | ἔρημον (eremon) = verlaten | τόπον (topon) = plaats | κἀκεῖ (kakei) = en daar | προσηύχετο (proseycheto) = bad Hij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔρημον τόπον (eremon topon), ‘verlaten plaats’: een plek waar niemand woont; hetzelfde woord als ‘woestijn’, hier als bijvoeglijk naamwoord. **1:36** Simon en wie bij hem waren gingen Hem achterna. Brontekst: καὶ (kai) = en | κατεδίωξεν (katedioxen) = zocht na | αὐτὸν (auton) = Hem | Σίμων (Simon) = Simon | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT **1:37** Zij vonden Hem en zeiden tegen Hem: „Iedereen zoekt U.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εὗρον (heuron) = vonden | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | ὅτι (hoti) = dat | Πάντες (Pantes) = allen | ζητοῦσίν (zetousin) = zoeken | σε (se) = U Bron: SBLGNT **1:38** Hij zei tegen hen: **„Laten wij ergens anders heen gaan, naar de nabijgelegen stadjes, om ook daar te verkondigen. Want daarvoor ben Ik uitgegaan.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ἄγωμεν (Agomen) = laten wij gaan | ἀλλαχοῦ (allachou) = elders | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | ἐχομένας (echomenas) = nabijgelegen | κωμοπόλεις (komopoleis) = stadjes | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | ἐκεῖ (ekei) = daar | κηρύξω (keryxo) = Ik verkondig | εἰς (eis) = tot | τοῦτο (touto) = dit | γὰρ (gar) = want | ἐξῆλθον (exelthon) = ging Ik uit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κωμοπόλεις (komopoleis), ‘stadjes’: dorpen die als stad golden. ἐξῆλθον (exelthon), ‘ben Ik uitgegaan’: het Grieks zegt niet waaruit; het kan het huis of de plaats van vers 35 zijn, of ook Elohim. Voetnoot : Zie ook Luc. 4:42–44. Zie ook: Mar 1:35; Luc 4:42–44 **1:39** Hij trok door heel Galilea, verkondigde in hun synagogen en dreef de demonen uit. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | συναγωγὰς (synagogas) = synagogen | αὐτῶν (auton) = hun | εἰς (eis) = in | ὅλην (holen) = heel | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἐκβάλλων (ekballon) = uitdrijvend Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. ### Yeshua maakt een melaatse rein **1:40** Een melaatse kwam naar Hem toe. Hij smeekte Hem, viel op de knieën en zei tegen Hem: „Als U wilt, kunt U mij rein maken.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | λεπρὸς (lepros) = melaatse | παρακαλῶν (parakalon) = smekend | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | γονυπετῶν (gonypeton) = knielend | λέγων (legon) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tot Hem | ὅτι (hoti) = dat | Ἐὰν (Ean) = als | θέλῃς (theles) = U wilt | δύνασαί (dynasai) = U kunt | με (me) = mij | καθαρίσαι (katharisai) = rein maken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λεπρός (lepros), ‘melaatse’: iemand met een ernstige huidziekte die volgens Lev. 13:45–46 onrein was en buiten het kamp moest wonen. καθαρίζω (katharizo), ‘rein maken’. Voetnoot : Zie ook Matt. 8:2–4; Luc. 5:12–16. Zie ook: Lev 13:45–46; Mat 8:2–4; Luc 5:12–16 **1:41** Hij werd boos, stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei tegen hem: **„Ik wil. Word rein.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὀργισθεὶς (orgistheis) = boos geworden | ἐκτείνας (ekteinas) = uitstekend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Θέλω (Thelo) = Ik wil | καθαρίσθητι (katharistheti) = word rein Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een melaatse aanraken maakte onrein (Lev. 13:45–46); Yeshua raakt hem toch aan. Voetnoot Lezing: De SBLGNT heeft ὀργισθείς (orgistheis), ‘boos geworden’. Sommige handschriften hebben σπλαγχνισθείς (splanchnistheis), ‘met medelijden bewogen’. Wij vertalen de SBLGNT. Zie ook: Lev 13:45–46 **1:42** Meteen verliet de melaatsheid hem en hij werd rein. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | ἡ (he) = de | λέπρα (lepra) = melaatsheid | καὶ (kai) = en | ἐκαθαρίσθη (ekatharisthe) = werd gereinigd Bron: SBLGNT **1:43** Hij sprak hem streng toe en stuurde hem meteen weg. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμβριμησάμενος (embrimesamenos) = streng toesprekend | αὐτῷ (auto) = hem | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐξέβαλεν (exebalen) = stuurde weg | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμβριμησάμενος (embrimesamenos), ‘streng toesprekend’: het werkwoord drukt sterke gevoelens uit. ἐξέβαλεν (exebalen), ‘stuurde weg’, is hetzelfde werkwoord als ‘uitdrijven’ (vers 12). Zie ook: Mar 1:12 **1:44** Hij zei tegen hem: **„Pas op dat je tegen niemand iets zegt. Maar ga heen, laat je aan de priester zien en breng voor je reiniging aan wat Mozes heeft opgedragen, als getuigenis voor hen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Ὅρα (Hora) = pas op | μηδενὶ (medeni) = niemand | μηδὲν (meden) = niets | εἴπῃς (eipes) = zeg | ἀλλὰ (alla) = maar | ὕπαγε (hypage) = ga | σεαυτὸν (seauton) = jezelf | δεῖξον (deixon) = toon | τῷ (to) = aan de | ἱερεῖ (hierei) = priester | καὶ (kai) = en | προσένεγκε (prosenenke) = breng | περὶ (peri) = voor | τοῦ (tou) = de | καθαρισμοῦ (katharismou) = reiniging | σου (sou) = je | ἃ (ha) = wat | προσέταξεν (prosetaxen) = droeg op | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | εἰς (eis) = tot | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De wet van Mozes over de reiniging van een melaatse staat in Lev. 14:2–32. μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’: het bewijs dat de man genezen is. Voetnoot : Zie ook Matt. 8:4; Luc. 5:14. Zie ook: Lev 14:2–32; Mat 8:4; Luc 5:14 **1:45** Maar hij ging weg en begon er veel over te verkondigen en het woord bekend te maken. Daardoor kon Hij niet meer openlijk een stad binnengaan, maar bleef buiten, op verlaten plaatsen. Toch kwamen ze van overal naar Hem toe. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | ἤρξατο (erxato) = begon | κηρύσσειν (keryssein) = te verkondigen | πολλὰ (polla) = veel | καὶ (kai) = en | διαφημίζειν (diaphemizein) = bekend te maken | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ὥστε (hoste) = zodat | μηκέτι (meketi) = niet meer | αὐτὸν (auton) = Hem | δύνασθαι (dynasthai) = kon | φανερῶς (phaneros) = openlijk | εἰς (eis) = in | πόλιν (polin) = stad | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnengaan | ἀλλὰ (alla) = maar | ἔξω (exo) = buiten | ἐπ’ (ep’) = op | ἐρήμοις (eremois) = verlaten | τόποις (topois) = plaatsen | ἦν (en) = was | καὶ (kai) = en | ἤρχοντο (erchonto) = kwamen | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | πάντοθεν (pantothen) = van overal Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ‘verkondigen’ (κηρύσσειν) hier de man die genezen is als onderwerp. λόγος (logos), ‘woord’: het nieuws over wat Yeshua deed. Voetnoot : Zie ook Luc. 5:15–16. Zie ook: Luc 5:15–16 ## Markus 2 _Een verlamde, Levi en de sabbat_ ### Yeshua vergeeft en geneest een verlamde **2:1** Hij ging na enkele dagen weer Kapernaüm binnen. Men hoorde dat Hij thuis was. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengaand | πάλιν (palin) = weer | εἰς (eis) = naar | Καφαρναοὺμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | δι’ (di’) = na | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | ἠκούσθη (ekousthe) = werd gehoord | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = in | οἴκῳ (oiko) = huis | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: ἐν οἴκῳ (en oiko), ‘thuis’, eigenlijk ‘in huis’: waarschijnlijk het huis van Simon (Mark. 1:29). Zie ook: Mar 1:29 **2:2** Er kwamen zoveel mensen bijeen dat er geen ruimte meer was, ook niet bij de deur. Hij sprak het woord tot hen. Brontekst: καὶ (kai) = en | συνήχθησαν (synechthesan) = kwamen samen | πολλοὶ (polloi) = velen | ὥστε (hoste) = zodat | μηκέτι (meketi) = niet meer | χωρεῖν (chorein) = ruimte te zijn | μηδὲ (mede) = ook niet | τὰ (ta) = het | πρὸς (pros) = bij | τὴν (ten) = de | θύραν (thyran) = deur | καὶ (kai) = en | ἐλάλει (elalei) = sprak Hij | αὐτοῖς (autois) = tot hen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord Bron: SBLGNT **2:3** Zij kwamen bij Hem en brachten een verlamde, die door vier mensen gedragen werd. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | φέροντες (pherontes) = brengend | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | παραλυτικὸν (paralytikon) = verlamde | αἰρόμενον (airomenon) = gedragen | ὑπὸ (hypo) = door | τεσσάρων (tessaron) = vier Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραλυτικός (paralytikos), ‘verlamde’: iemand die zijn ledematen niet kan gebruiken. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:1–8; Luc. 5:17–26. Zie ook: Mat 9:1–8; Luc 5:17–26 **2:4** Omdat zij hem door de menigte niet bij Hem konden brengen, braken zij het dak open boven de plek waar Hij was. Zij maakten een opening en lieten het bed zakken waarop de verlamde lag. Brontekst: καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | δυνάμενοι (dynamenoi) = kunnende | προσενέγκαι (prosenenkai) = dichtbij te brengen | αὐτῷ (auto) = Hem | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἀπεστέγασαν (apestegasan) = braken open | τὴν (ten) = het | στέγην (stegen) = dak | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | καὶ (kai) = en | ἐξορύξαντες (exoryxantes) = doorgravend | χαλῶσι (chalosi) = laten zakken | τὸν (ton) = het | κράβαττον (krabatton) = bed | ὅπου (hopou) = waar | ὁ (ho) = de | παραλυτικὸς (paralytikos) = verlamde | κατέκειτο (katekeito) = lag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κράβαττος (krabattos), ‘bed’: een eenvoudig bed of mat, dat men kon dragen. **2:5** Toen Yeshua hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: **„Kind, je zonden worden vergeven.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὴν (ten) = het | πίστιν (pistin) = geloof | αὐτῶν (auton) = hun | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = tegen de | παραλυτικῷ (paralytiko) = verlamde | Τέκνον (Teknon) = kind | ἀφίενταί (aphientai) = worden vergeven | σου (sou) = je | αἱ (hai) = de | ἁμαρτίαι (hamartiai) = zonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τέκνον (teknon), ‘kind’: een vriendelijke aanspreking. ἀφίενται (aphientai), ‘worden vergeven’, staat in de lijdende vorm: wie vergeeft, wordt niet genoemd. **2:6** Daar zaten enkele schriftgeleerden, en zij overlegden in hun hart: Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δέ (de) = maar | τινες (tines) = enkelen | τῶν (ton) = van de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | ἐκεῖ (ekei) = daar | καθήμενοι (kathemenoi) = zittend | καὶ (kai) = en | διαλογιζόμενοι (dialogizomenoi) = overleggend | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | καρδίαις (kardiais) = harten | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **2:7** „Waarom spreekt Hij zo? Hij lastert! Wie kan zonden vergeven, behalve één: Elohim?” Brontekst: Τί (Ti) = waarom | οὗτος (houtos) = deze | οὕτως (houtos) = zo | λαλεῖ (lalei) = spreekt | βλασφημεῖ (blasphemei) = lastert | τίς (tis) = wie | δύναται (dynatai) = kan | ἀφιέναι (aphienai) = vergeven | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | εἷς (heis) = één | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βλασφημέω (blasphemeo), ‘lasteren’: Elohim oneer aandoen of zich Zijn rechten toe-eigenen. εἷς ὁ θεός (heis ho theos), ‘één, Elohim’: dit doet denken aan Deut. 6:4, ‘Yahweh is één’. Zie ook: Deut 6:4 **2:8** Meteen merkte Yeshua in Zijn geest dat zij zo bij zichzelf overlegden. Hij zei tegen hen: **„Waarom overleggen jullie dit in jullie harten?** Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐπιγνοὺς (epignous) = merkend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τῷ (to) = in de | πνεύματι (pneumati) = geest | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὅτι (hoti) = dat | οὕτως (houtos) = zo | διαλογίζονται (dialogizontai) = overleggen | ἐν (en) = bij | ἑαυτοῖς (heautois) = zichzelf | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τί (Ti) = waarom | ταῦτα (tauta) = dit | διαλογίζεσθε (dialogizesthe) = overleggen jullie | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | καρδίαις (kardiais) = harten | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT **2:9** **Wat is gemakkelijker: tegen de verlamde zeggen: ‘Je zonden worden vergeven’, of zeggen: ‘Sta op, neem je bed op en loop’?** Brontekst: τί (ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | εὐκοπώτερον (eukopoteron) = gemakkelijker | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | τῷ (to) = aan de | παραλυτικῷ (paralytiko) = verlamde | Ἀφίενταί (Aphientai) = worden vergeven | σου (sou) = je | αἱ (hai) = de | ἁμαρτίαι (hamartiai) = zonden | ἢ (e) = of | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | Ἔγειρε (Egeire) = sta op | καὶ (kai) = en | ἆρον (aron) = neem | τὸν (ton) = het | κράβαττόν (krabatton) = bed | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | περιπάτει (peripatei) = loop Bron: SBLGNT **2:10** **Maar opdat jullie weten dat de Mensenzoon gezag heeft om op de aarde zonden te vergeven —”** Hij zei tegen de verlamde: Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | δὲ (de) = maar | εἰδῆτε (eidete) = jullie weten | ὅτι (hoti) = dat | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχει (echei) = heeft | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἀφιέναι (aphienai) = te vergeven | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = tegen de | παραλυτικῷ (paralytiko) = verlamde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: vergelijk Dan. 7:13, ‘iemand als een mensenzoon’ (Aramees bar enash). Yeshua gebruikt deze titel voor Zichzelf. De zin is afgebroken: de schrijver onderbreekt Yeshua’s woorden om te zeggen dat Hij zich tot de verlamde richt. Zie ook: Dan 7:13 **2:11** **„Ik zeg tegen jou: sta op, neem je bed op en ga naar huis.”** Brontekst: Σοὶ (Soi) = aan jou | λέγω (lego) = zeg Ik | ἔγειρε (egeire) = sta op | ἆρον (aron) = neem | τὸν (ton) = het | κράβαττόν (krabatton) = bed | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ὕπαγε (hypage) = ga heen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκόν (oikon) = huis | σου (sou) = je Bron: SBLGNT **2:12** Hij stond op, nam meteen het bed op en ging voor ieders ogen naar buiten. Allen stonden versteld en verheerlijkten Elohim. Zij zeiden: „Zoiets hebben wij nog nooit gezien.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠγέρθη (egerthe) = stond op | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἄρας (aras) = opgenomen hebbend | τὸν (ton) = het | κράβαττον (krabatton) = bed | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | πάντων (panton) = allen | ὥστε (hoste) = zodat | ἐξίστασθαι (existasthai) = versteld te staan | πάντας (pantas) = allen | καὶ (kai) = en | δοξάζειν (doxazein) = te verheerlijken | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | λέγοντας (legontas) = zeggenden | ὅτι (hoti) = dat | Οὕτως (Houtos) = zo | οὐδέποτε (oudepote) = nooit | εἴδομεν (eidomen) = zagen wij Bron: SBLGNT ### De roeping van Levi **2:13** Hij ging weer naar buiten, langs de zee. De hele menigte kwam naar Hem toe en Hij onderwees hen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | πάλιν (palin) = weer | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἤρχετο (ercheto) = kwam | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἐδίδασκεν (edidasken) = onderwees Hij | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. **2:14** Terwijl Hij verder liep, zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, zitten bij het tolkantoor. Hij zei tegen hem: **„Volg Mij.”** Levi stond op en volgde Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | παράγων (paragon) = voorbijgaand | εἶδεν (eiden) = zag Hij | Λευὶν (Leuin) = Levi | τὸν (ton) = de | τοῦ (tou) = van | Ἁλφαίου (Halphaiou) = Alfeüs | καθήμενον (kathemenon) = zittend | ἐπὶ (epi) = bij | τὸ (to) = het | τελώνιον (telonion) = tolkantoor | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Ἀκολούθει (Akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij | καὶ (kai) = en | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἠκολούθησεν (ekolouthesen) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Λευίς (Levi): in Matt. 9:9 heet de tollenaar Matteüs. τελώνιον (telonion), ‘tolkantoor’: de plaats waar belasting werd geïnd. τελώνης (telones), ‘tollenaar’: wie voor de overheid belasting inde. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:9–13; Luc. 5:27–32. Zie ook: Mat 9:9; Luc 5:27–32 ### Yeshua eet met tollenaars en zondaars **2:15** Het gebeurde dat Hij in zijn huis aan tafel zat. Veel tollenaars en zondaars zaten met Yeshua en Zijn leerlingen aan tafel, want het waren er velen die Hem volgden. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | γίνεται (ginetai) = gebeurde | κατακεῖσθαι (katakeisthai) = aan tafel te zitten | αὐτὸν (auton) = Hij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | πολλοὶ (polloi) = velen | τελῶναι (telonai) = tollenaars | καὶ (kai) = en | ἁμαρτωλοὶ (hamartoloi) = zondaars | συνανέκειντο (synanekeinto) = zaten aan tafel | τῷ (to) = met de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | πολλοὶ (polloi) = velen | καὶ (kai) = en | ἠκολούθουν (ekolouthoun) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt ‘in zijn huis’. Wij lezen: het huis van Levi; het kan ook het huis van vers 1 zijn. κατακεῖσθαι (katakeisthai), ‘aan tafel liggen’: men at liggend aan tafel; wij vertalen ‘aan tafel zitten’. Zie ook: Mar 2:1 **2:16** De schriftgeleerden van de Farizeeën zagen dat Hij met de zondaars en tollenaars at. Zij zeiden tegen Zijn leerlingen: „Eet Hij met de tollenaars en zondaars?” Brontekst: καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | ἰδόντες (idontes) = ziende | ὅτι (hoti) = dat | ἐσθίει (esthiei) = eet | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = zondaars | καὶ (kai) = en | τελωνῶν (telonon) = tollenaars | ἔλεγον (elegon) = zeiden | τοῖς (tois) = tegen de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ὅτι (Hoti) = dat | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | τελωνῶν (telonon) = tollenaars | καὶ (kai) = en | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = zondaars | ἐσθίει (esthiei) = eet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁμαρτωλός (hamartolos), ‘zondaar’: iemand die de wet openlijk niet houdt. Het Grieks heeft aan het begin van de vraag ὅτι (hoti), dat ‘waarom’ of ‘dat’ kan betekenen; wij lezen een vraag. **2:17** Toen Yeshua dat hoorde, zei Hij tegen hen: **„Wie gezond zijn, hebben geen arts nodig, maar wie ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀκούσας (akousas) = horend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὅτι (hoti) = dat | Οὐ (Ou) = niet | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχουσιν (echousin) = hebben | οἱ (hoi) = de | ἰσχύοντες (ischyontes) = gezonde | ἰατροῦ (iatrou) = arts | ἀλλ’ (all’) = maar | οἱ (hoi) = de | κακῶς (kakos) = ziek | ἔχοντες (echontes) = verkerenden | οὐκ (ouk) = niet | ἦλθον (elthon) = kwam Ik | καλέσαι (kalesai) = te roepen | δικαίους (dikaious) = rechtvaardigen | ἀλλὰ (alla) = maar | ἁμαρτωλούς (hamartolous) = zondaars Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἰσχύοντες (ischuontes), ‘wie gezond zijn’: eigenlijk ‘de sterken’. Zie ook Matt. 9:12–13; Luc. 5:31–32. Zie ook: Mat 9:12–13; Luc 5:31–32 ### De vraag over het vasten **2:18** De leerlingen van Johannes en de Farizeeën waren aan het vasten. Er kwamen mensen die tegen Hem zeiden: „Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de Farizeeën wel, maar Uw leerlingen niet?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἦσαν (esan) = waren | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | νηστεύοντες (nesteuontes) = vastend | καὶ (kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | Διὰ (Dia) = door | τί (ti) = wat | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | νηστεύουσιν (nesteuousin) = vasten | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | σοὶ (soi) = Uw | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | οὐ (ou) = niet | νηστεύουσιν (nesteuousin) = vasten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νηστεύω (nesteuo), ‘vasten’: een tijd niet eten, uit boete of rouw. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:14–17; Luc. 5:33–39. Zie ook: Mat 9:14–17; Luc 5:33–39 **2:19** Yeshua zei tegen hen: **„Kunnen de bruiloftsgasten vasten terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Μὴ (Me) = toch niet | δύνανται (dynantai) = kunnen | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | τοῦ (tou) = van de | νυμφῶνος (nymphonos) = bruidskamer | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = terwijl | ὁ (ho) = de | νυμφίος (nymphios) = bruidegom | μετ’ (met’) = bij | αὐτῶν (auton) = hen | ἐστιν (estin) = is | νηστεύειν (nesteuein) = te vasten | ὅσον (hoson) = zolang | χρόνον (chronon) = tijd | ἔχουσιν (echousin) = hebben zij | τὸν (ton) = de | νυμφίον (nymphion) = bruidegom | μετ’ (met’) = bij | αὐτῶν (auton) = hen | οὐ (ou) = niet | δύνανται (dynantai) = kunnen | νηστεύειν (nesteuein) = vasten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ υἱοὶ τοῦ νυμφῶνος (hoi huioi tou nymphonos), letterlijk ‘de zonen van de bruidskamer’: de bruiloftsgasten. νυμφίος (nymphios), ‘bruidegom’. In de Schrift wordt Elohim met een bruidegom vergeleken (Jes. 62:5). Zie ook: Jes 62:5 **2:20** **Er zullen dagen komen waarin de bruidegom van hen weggenomen wordt. Dan, op die dag, zullen zij vasten.** Brontekst: ἐλεύσονται (eleusontai) = zullen komen | δὲ (de) = maar | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ὅταν (hotan) = waarin | ἀπαρθῇ (aparthe) = weggenomen wordt | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ὁ (ho) = de | νυμφίος (nymphios) = bruidegom | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | νηστεύσουσιν (nesteusousin) = zullen vasten | ἐν (en) = op | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag Bron: SBLGNT **2:21** **Niemand naait een lap stof die nog niet gekrompen is op een oude mantel. Anders trekt het nieuwe stuk iets los van de oude mantel, en de scheur wordt erger.** Brontekst: Οὐδεὶς (Oudeis) = niemand | ἐπίβλημα (epiblema) = lap | ῥάκους (rhakous) = van stof | ἀγνάφου (agnaphou) = ongekrompen | ἐπιράπτει (epiraptei) = naait | ἐπὶ (epi) = op | ἱμάτιον (himation) = mantel | παλαιόν (palaion) = oud | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μή (me) = niet | αἴρει (airei) = trekt weg | τὸ (to) = het | πλήρωμα (pleroma) = stuk | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = het | τὸ (to) = het | καινὸν (kainon) = nieuwe | τοῦ (tou) = van het | παλαιοῦ (palaiou) = oude | καὶ (kai) = en | χεῖρον (cheiron) = erger | σχίσμα (schisma) = scheur | γίνεται (ginetai) = wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄγναφος (agnaphos), ‘ongekrompen’: stof die nog niet gewalkt is, dus nog kan krimpen. De Griekse zin is kort en moeilijk; wij lezen: het nieuwe stuk trekt aan het oude kleed. **2:22** **En niemand doet nieuwe wijn in oude wijnzakken. Anders scheurt de wijn de zakken, en de wijn gaat verloren, en de zakken ook. Maar nieuwe wijn doet men in nieuwe wijnzakken.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | βάλλει (ballei) = doet | οἶνον (oinon) = wijn | νέον (neon) = nieuwe | εἰς (eis) = in | ἀσκοὺς (askous) = zakken | παλαιούς (palaious) = oude | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μή (me) = niet | ῥήξει (rhexei) = scheurt | ὁ (ho) = de | οἶνος (oinos) = wijn | τοὺς (tous) = de | ἀσκούς (askous) = zakken | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | οἶνος (oinos) = wijn | ἀπόλλυται (apollytai) = gaat verloren | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀσκοί (askoi) = zakken | ἀλλὰ (alla) = maar | οἶνον (oinon) = wijn | νέον (neon) = nieuwe | εἰς (eis) = in | ἀσκοὺς (askous) = zakken | καινούς (kainous) = nieuwe Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀσκοί (askoi), ‘wijnzakken’: zakken van dierenhuid waarin wijn werd bewaard. Oude zakken zijn stijf en barsten als nieuwe wijn gist. ### De aren op de sabbat **2:23** Het gebeurde dat Hij op de sabbat door de korenvelden liep. Terwijl zij liepen, begonnen Zijn leerlingen aren te plukken. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | αὐτὸν (auton) = Hij | ἐν (en) = op | τοῖς (tois) = de | σάββασιν (sabbasin) = sabbatten | παραπορεύεσθαι (paraporeuesthai) = doorgaan | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | σπορίμων (sporimon) = korenvelden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | ὁδὸν (hodon) = weg | ποιεῖν (poiein) = te maken | τίλλοντες (tillontes) = plukkend | τοὺς (tous) = de | στάχυας (stachyas) = aren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Voorbijgangers mochten met de hand aren plukken (Deut. 23:26; in de Nederlandse telling 23:25). ὁδὸν ποιεῖν (hodon poiein), ‘weg maken’: zij baanden zich een weg door het koren. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:1–8; Luc. 6:1–5. Zie ook: Deut 23:26; Mat 12:1–8; Luc 6:1–5 **2:24** De Farizeeën zeiden tegen Hem: „Kijk, waarom doen zij op de sabbat wat niet geoorloofd is?” Brontekst: καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ἔλεγον (elegon) = zeiden | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἴδε (Ide) = kijk | τί (ti) = waarom | ποιοῦσιν (poiousin) = doen zij | τοῖς (tois) = op de | σάββασιν (sabbasin) = sabbatten | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔξεστιν (exestin) = geoorloofd is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Farizeeën rekenen het plukken tot het werk dat op sabbat verboden is (Exod. 20:10). Zie ook: Ex 20:10 **2:25** Hij zei tegen hen: **„Hebben jullie nooit gelezen wat David deed toen hij gebrek had en honger kreeg, hij en wie bij hem waren?** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Οὐδέποτε (Oudepote) = nooit | ἀνέγνωτε (anegnote) = lazen jullie | τί (ti) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | Δαυὶδ (Dauid) = David | ὅτε (hote) = toen | χρείαν (chreian) = gebrek | ἔσχεν (eschen) = had | καὶ (kai) = en | ἐπείνασεν (epeinasen) = honger had | αὐτὸς (autos) = hij zelf | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | μετ’ (met’) = bij | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT **2:26** **Hoe ging hij in het huis van Elohim, in de tijd van Abjatar, de hogepriester? Hij at het toonbrood, dat niemand mag eten behalve de priesters. Hij gaf er ook aan wie bij hem waren.”** Brontekst: πῶς (pos) = hoe | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐπὶ (epi) = onder | Ἀβιαθὰρ (Abiathar) = Abjatar | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἄρτους (artous) = broden | τῆς (tes) = van de | προθέσεως (protheseos) = uitstalling | ἔφαγεν (ephagen) = at | οὓς (hous) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἔξεστιν (exestin) = geoorloofd is | φαγεῖν (phagein) = te eten | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | τοὺς (tous) = de | ἱερεῖς (hiereis) = priesters | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = gaf | καὶ (kai) = ook | τοῖς (tois) = aan de | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = hem | οὖσιν (ousin) = zijnden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het verhaal staat in 1 Sam. 21:2–7. Daar heet de priester Achimelech; Abjatar was zijn zoon en later hogepriester (1 Sam. 22:20). Het Grieks heeft ἐπὶ Ἀβιαθάρ (epi Abiathar), ‘onder Abjatar’; ἐπί met deze naamval kan ook ‘in het verhaal over’ betekenen, zoals in Mark. 12:26. Voetnoot : τοὺς ἄρτους τῆς προθέσεως (tous artous tes protheseos), ‘de broden van het voorleggen’: het toonbrood (Lev. 24:5–9). Alleen de priesters mochten het eten (Lev. 24:9). Zie ook: Lev 24:5–9; Lev 24:9; 1 Sam 21:2–7; 1 Sam 22:20; Mar 12:26 **2:27** Hij zei tegen hen: **„De sabbat is er gekomen voor de mens, en niet de mens voor de sabbat.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τὸ (To) = de | σάββατον (sabbaton) = sabbat | διὰ (dia) = om | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | ἐγένετο (egeneto) = is gekomen | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | διὰ (dia) = om | τὸ (to) = de | σάββατον (sabbaton) = sabbat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De sabbat is een gave van Elohim aan de mens (Exod. 20:8–11; Deut. 5:12–15). Dit vers staat alleen bij Markus. Zie ook: Ex 20:8–11; Deut 5:12–15 **2:28** **Zo is de Mensenzoon Heer, ook van de sabbat.”** Brontekst: ὥστε (hoste) = zodat | κύριός (kyrios) = Heer | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | καὶ (kai) = ook | τοῦ (tou) = van de | σαββάτου (sabbatou) = sabbat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier als titel van Yeshua, niet als vertaling van Yahweh. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:8; Luc. 6:5. Zie ook: Mat 12:8; Luc 6:5 ## Markus 3 _De verdorde hand, de twaalf en de familie van Yeshua_ ### De man met de verschrompelde hand **3:1** Hij ging weer een synagoge binnen. Daar was een man met een verschrompelde hand. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | πάλιν (palin) = weer | εἰς (eis) = in | συναγωγήν (synagogen) = synagoge | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἐξηραμμένην (exerammenen) = verschrompelde | ἔχων (echon) = hebbend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξηραμμένην (exerammenen), ‘verschrompeld’: een hand die uitgedroogd en krachteloos is; vergelijk 1 Kon. 13:4, waar de hand van Jerobeam verdorde. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:9–14; Luc. 6:6–11. Zie ook: 1 Kon 13:4; Mat 12:9–14; Luc 6:6–11 **3:2** Zij letten op Hem om te zien of Hij hem op de sabbat zou genezen, zodat zij Hem konden beschuldigen. Brontekst: καὶ (kai) = en | παρετήρουν (pareteroun) = letten op | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰ (ei) = of | τοῖς (tois) = op de | σάββασιν (sabbasin) = sabbatten | θεραπεύσει (therapeusei) = zou genezen | αὐτόν (auton) = hem | ἵνα (hina) = opdat | κατηγορήσωσιν (kategoresosin) = zij beschuldigden | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT **3:3** Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: **„Sta op en kom in het midden.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = man | τῷ (to) = die | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ἔχοντι (echonti) = hebbende | ξηράν (xeran) = verschrompelde | Ἔγειρε (Egeire) = sta op | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | μέσον (meson) = midden Bron: SBLGNT **3:4** Hij zei tegen hen: **„Is het geoorloofd om op de sabbat goed of kwaad te doen, een leven te redden of te doden?”** Zij zwegen. Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἔξεστιν (Exestin) = is geoorloofd | τοῖς (tois) = op de | σάββασιν (sabbasin) = sabbatten | ἀγαθοποιῆσαι (agathopoiesai) = goed te doen | ἢ (e) = of | κακοποιῆσαι (kakopoiesai) = kwaad te doen | ψυχὴν (psychen) = leven | σῶσαι (sosai) = te redden | ἢ (e) = of | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐσιώπων (esiopon) = zwegen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’, ook ‘ziel’: hier gaat het om het leven van een mens. **3:5** Hij keek met woede om Zich heen naar hen. Hij was diep bedroefd over de verharding van hun hart. Hij zei tegen de man: **„Steek je hand uit.”** Hij stak haar uit, en zijn hand werd hersteld. Brontekst: καὶ (kai) = en | περιβλεψάμενος (periblepsamenos) = rondkijkend naar | αὐτοὺς (autous) = hen | μετ’ (met’) = met | ὀργῆς (orges) = woede | συλλυπούμενος (syllypoumenos) = meebedroefd | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = de | πωρώσει (porosei) = verharding | τῆς (tes) = van het | καρδίας (kardias) = hart | αὐτῶν (auton) = hun | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = man | Ἔκτεινον (Ekteinon) = steek uit | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | καὶ (kai) = en | ἐξέτεινεν (exeteinen) = stak uit | καὶ (kai) = en | ἀπεκατεστάθη (apekatestathe) = werd hersteld | ἡ (he) = de | χεὶρ (cheir) = hand | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πώρωσις (porosis), ‘verharding’: eigenlijk een hard, gevoelloos geworden plek. In Markus laat Yeshua hier Zijn woede en Zijn verdriet zien. **3:6** De Farizeeën gingen naar buiten en hielden meteen met de Herodianen overleg tegen Hem, om Hem om te brengen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | εὐθὺς (euthys) = meteen | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | Ἡρῳδιανῶν (Herodianon) = Herodianen | συμβούλιον (symboulion) = raad | ἐδίδουν (edidoun) = hielden | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὅπως (hopos) = hoe | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπολέσωσιν (apolesosin) = zij zouden ombrengen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἡρῳδιανοί (Herodianoi), ‘Herodianen’: aanhangers van de familie van Herodes, die over Galilea heerste. De Farizeeën en de Herodianen werkten normaal niet samen. ### Een grote menigte bij de zee **3:7** Yeshua trok zich met Zijn leerlingen terug naar de zee. Een grote menigte uit Galilea volgde Hem, en uit Judea Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἀνεχώρησεν (anechoresen) = trok zich terug | πρὸς (pros) = naar | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | καὶ (kai) = en | πολὺ (poly) = veel | πλῆθος (plethos) = volk | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | ἠκολούθησεν (ekolouthesen) = volgde | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. **3:8** en uit Jeruzalem, uit Idumea, van de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon. Een grote menigte kwam naar Hem toe, omdat zij hoorden wat Hij deed. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Ἰδουμαίας (Idoumaias) = Idumea | καὶ (kai) = en | πέραν (peran) = overkant | τοῦ (tou) = van de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan | καὶ (kai) = en | περὶ (peri) = rond | Τύρον (Tyron) = Tyrus | καὶ (kai) = en | Σιδῶνα (Sidona) = Sidon | πλῆθος (plethos) = menigte | πολύ (poly) = grote | ἀκούοντες (akouontes) = horend | ὅσα (hosa) = wat | ἐποίει (epoiei) = deed | ἦλθον (elthon) = kwamen | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Idumea (ligging ongeveer): Idumea is de Griekse naam voor Edom. In de tijd van Yeshua was dit het gebied ten zuiden van Judea, rond Hebron en Maresa. De grenzen zijn niet scherp. Zie Overkant van de Jordaan (Perea; ligging onzeker): ‘De overkant van de Jordaan’ is het gebied ten oosten van de Jordaan, tegenover Judea. Later heette dit gebied Perea. De precieze grenzen zijn niet vast te stellen. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: Ἰδουμαία (Idoumaia), ‘Idumea’: de Griekse naam van Edom, het land ten zuiden van Judea. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:24–25; Luc. 6:17–19. Zie ook: Mat 4:24–25; Luc 6:17–19 **3:9** Hij zei tegen Zijn leerlingen dat er voor Hem een bootje klaar moest liggen, vanwege de menigte, zodat zij Hem niet zouden verdringen. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἵνα (hina) = opdat | πλοιάριον (ploiarion) = bootje | προσκαρτερῇ (proskartere) = klaar zou liggen | αὐτῷ (auto) = voor Hem | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | θλίβωσιν (thlibosin) = zij verdrongen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πλοιάριον (ploiarion), ‘bootje’: een kleine boot. **3:10** Hij had namelijk velen genezen. Daarom drongen allen die een kwaal hadden zich naar Hem toe, om Hem aan te raken. Brontekst: πολλοὺς (pollous) = velen | γὰρ (gar) = want | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas Hij | ὥστε (hoste) = zodat | ἐπιπίπτειν (epipiptein) = zich te werpen op | αὐτῷ (auto) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἅψωνται (hapsontai) = zij aanraakten | ὅσοι (hosoi) = zovelen | εἶχον (eichon) = hadden | μάστιγας (mastigas) = kwalen Bron: SBLGNT **3:11** Telkens als de onreine geesten Hem zagen, vielen zij voor Hem neer en riepen zij: _„U bent de Zoon van Elohim.”_ Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πνεύματα (pneumata) = geesten | τὰ (ta) = de | ἀκάθαρτα (akatharta) = onreine | ὅταν (hotan) = wanneer | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐθεώρουν (etheoroun) = zagen | προσέπιπτον (prosepipton) = vielen neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem | καὶ (kai) = en | ἔκραζον (ekrazon) = riepen | λέγοντα (legonta) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De onreine geesten noemen Hem ‘de Zoon van Elohim’; Yeshua legt hun het zwijgen op (vers 12). Vergelijk Mark. 1:24. Voetnoot : Zie ook Luc. 4:41. Zie ook: Mar 1:24; Mar 3:12; Luc 4:41 **3:12** Maar Hij bestrafte hen steeds nadrukkelijk, zodat zij Hem niet bekend zouden maken. Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλὰ (polla) = veel | ἐπετίμα (epetima) = bestrafte Hij | αὐτοῖς (autois) = hen | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | αὐτὸν (auton) = Hem | φανερὸν (phaneron) = bekend | ποιήσωσιν (poiesosin) = zij maakten Bron: SBLGNT ### De twaalf worden aangesteld **3:13** Hij ging de berg op en riep wie Hij zelf wilde. Zij gingen naar Hem toe. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀναβαίνει (anabainei) = gaat omhoog | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | καὶ (kai) = en | προσκαλεῖται (proskaleitai) = roept | οὓς (hous) = die | ἤθελεν (ethelen) = wilde | αὐτός (autos) = Hij zelf | καὶ (kai) = en | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **3:14** Hij stelde er twaalf aan, om bij Hem te zijn en om hen eropuit te zenden om te verkondigen Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἵνα (hina) = opdat | ὦσιν (osin) = zij zouden zijn | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | ἵνα (hina) = opdat | ἀποστέλλῃ (apostelle) = Hij uitzond | αὐτοὺς (autous) = hen | κηρύσσειν (keryssein) = te verkondigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐποίησεν (epoiesen), ‘maakte’: wij vertalen ‘stelde aan’. Het getal twaalf doet denken aan de twaalf stammen van Israël. ἀποστέλλῃ (apostelle), ‘uitzond’: daarvan komt ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’, ‘gezondene’. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften voegen na ‘twaalf’ toe: ‘die Hij ook apostelen noemde’. Die woorden staan niet in de SBLGNT; wij vertalen de SBLGNT. **3:15** en om gezag te hebben de demonen uit te drijven. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔχειν (echein) = te hebben | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἐκβάλλειν (ekballein) = uit te drijven | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen Bron: SBLGNT **3:16** Hij stelde de twaalf aan: Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf, Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | καὶ (kai) = en | ἐπέθηκεν (epetheken) = gaf | ὄνομα (onoma) = naam | τῷ (to) = aan de | Σίμωνι (Simoni) = Simon | Πέτρον (Petron) = Petrus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Πέτρος (Petros), ‘Petrus’, betekent ‘rots’; zie Joh. 1:42 en Matt. 16:18. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:2–4; Luc. 6:12–16. Zie ook: Mat 10:2–4; Mat 16:18; Luc 6:12–16; Joh 1:42 **3:17** Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broer van Jakobus (aan hen gaf Hij de naam Boanerges, dat is ‘Zonen van de donder’), Brontekst: καὶ (kai) = en | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | τὸν (ton) = de | τοῦ (tou) = van | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = Zebedeüs | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = de | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | τοῦ (tou) = van | Ἰακώβου (Iakobou) = Jakobus | καὶ (kai) = en | ἐπέθηκεν (epetheken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | ὀνόματα (onomata) = namen | Βοανηργές (Boanerges) = Boanerges | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | Υἱοὶ (Huioi) = Zonen | Βροντῆς (Brontes) = van de donder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Βοανηργές (Boanerges): Markus vertaalt de naam zelf als ‘Zonen van de donder’. Hoe de naam precies is afgeleid, is onzeker. **3:18** en Andreas en Filippus en Bartolomeüs en Matteüs en Tomas en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs en Simon de Zeloot, Brontekst: καὶ (kai) = en | Ἀνδρέαν (Andrean) = Andreas | καὶ (kai) = en | Φίλιππον (Philippon) = Filippus | καὶ (kai) = en | Βαρθολομαῖον (Bartholomaion) = Bartolomeüs | καὶ (kai) = en | Μαθθαῖον (Maththaion) = Matteüs | καὶ (kai) = en | Θωμᾶν (Thoman) = Tomas | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | τὸν (ton) = de | τοῦ (tou) = van | Ἁλφαίου (Halphaiou) = Alfeüs | καὶ (kai) = en | Θαδδαῖον (Thaddaion) = Taddeüs | καὶ (kai) = en | Σίμωνα (Simona) = Simon | τὸν (ton) = de | Καναναῖον (Kananaion) = Zeloot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Καναναῖος (Kananaios) komt van het Aramese woord qan’ana, ‘ijveraar’, en heeft niets met Kanaän te maken. Wij vertalen ‘de Zeloot’ (Grieks ζηλωτής, zelotes), zoals Luc. 6:15 het noemt. Alfeüs: vergelijk Mark. 2:14. Zie ook: Mar 2:14; Luc 6:15 **3:19** en Judas Iskariot, die Hem ook heeft overgeleverd. Brontekst: καὶ (kai) = en | Ἰούδαν (Ioudan) = Judas | Ἰσκαριώθ (Iskarioth) = Iskariot | ὃς (hos) = die | καὶ (kai) = ook | παρέδωκεν (paredoken) = heeft overgeleverd | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰσκαριώθ (Iskarioth), ‘Iskariot’: de betekenis is onzeker; vaak denkt men aan ‘man uit Kerijot’. παρέδωκεν (paredoken), ‘heeft overgeleverd’: hetzelfde werkwoord als bij Johannes in Mark. 1:14. Zie ook: Mar 1:14 ### Yeshua en Beëlzebul **3:20** Hij ging naar huis. Opnieuw kwam de menigte samen, zodat zij zelfs geen brood konden eten. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = komt | εἰς (eis) = naar | οἶκον (oikon) = huis | καὶ (kai) = en | συνέρχεται (synerchetai) = komt samen | πάλιν (palin) = weer | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ὥστε (hoste) = zodat | μὴ (me) = niet | δύνασθαι (dynasthai) = kunnen | αὐτοὺς (autous) = zij | μηδὲ (mede) = zelfs niet | ἄρτον (arton) = brood | φαγεῖν (phagein) = eten Bron: SBLGNT **3:21** Toen Zijn verwanten dat hoorden, gingen zij erop uit om Hem vast te grijpen, want zij zeiden: „Hij is buiten zinnen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | οἱ (hoi) = de | παρ’ (par’) = van bij | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἐξῆλθον (exelthon) = gingen uit | κρατῆσαι (kratesai) = te grijpen | αὐτόν (auton) = Hem | ἔλεγον (elegon) = zeiden | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | ἐξέστη (exeste) = buiten zinnen is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft οἱ παρ’ αὐτοῦ (hoi par autou), letterlijk ‘wie van bij Hem zijn’. Gezien vers 31 lezen wij: Zijn verwanten. ἐξέστη (exeste), ‘is buiten zinnen’, letterlijk ‘is buiten Zichzelf’. Zie ook: Mar 3:31 **3:22** De schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren afgedaald, zeiden: „Hij heeft Beëlzebul, en door de leider van de demonen drijft Hij de demonen uit.” Brontekst: καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | οἱ (hoi) = die | ἀπὸ (apo) = van | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | καταβάντες (katabantes) = afgedaald | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Βεελζεβοὺλ (Beelzeboul) = Beëlzebul | ἔχει (echei) = heeft | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = door | τῷ (to) = de | ἄρχοντι (archonti) = leider | τῶν (ton) = van de | δαιμονίων (daimonion) = demonen | ἐκβάλλει (ekballei) = drijft uit | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Βεελζεβούλ (Beelzeboul), ‘Beëlzebul’: een naam voor de leider van de demonen, in vers 23 ‘Satan’ genoemd. De herkomst is onzeker; vergelijk Baäl-Zebub in 2 Kon. 1:2. Het Grieks zegt letterlijk ‘Hij heeft Beëlzebul’. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:22–32; Luc. 11:14–23. Zie ook: 2 Kon 1:2; Mat 12:22–32; Mar 3:23; Luc 11:14–23 **3:23** Hij riep hen bij Zich en zei in gelijkenissen tegen hen: **„Hoe kan Satan Satan uitdrijven?** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = roepend bij zich | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Πῶς (Pos) = hoe | δύναται (dynatai) = kan | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | Σατανᾶν (Satanan) = Satan | ἐκβάλλειν (ekballein) = uitdrijven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: een vergelijking of beeldspraak, in het Hebreeuws מָשָׁל (mashal). **3:24** **Als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld wordt, kan dat koninkrijk niet standhouden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | ἐφ’ (eph’) = tegen | ἑαυτὴν (heauten) = zichzelf | μερισθῇ (meristhe) = verdeeld wordt | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | σταθῆναι (stathenai) = standhouden | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | ἐκείνη (ekeine) = dat Bron: SBLGNT **3:25** **En als een huis tegen zichzelf verdeeld wordt, zal dat huis niet kunnen standhouden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | οἰκία (oikia) = huis | ἐφ’ (eph’) = tegen | ἑαυτὴν (heauten) = zichzelf | μερισθῇ (meristhe) = verdeeld wordt | οὐ (ou) = niet | δυνήσεται (dynesetai) = zal kunnen | ἡ (he) = het | οἰκία (oikia) = huis | ἐκείνη (ekeine) = dat | σταθῆναι (stathenai) = standhouden Bron: SBLGNT **3:26** **En als Satan tegen zichzelf is opgestaan en verdeeld is, kan hij niet standhouden, maar heeft hij een einde.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | ὁ (ho) = de | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | ἀνέστη (aneste) = stond op | ἐφ’ (eph’) = tegen | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | καὶ (kai) = en | ἐμερίσθη (emeristhe) = werd verdeeld | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | στῆναι (stenai) = standhouden | ἀλλὰ (alla) = maar | τέλος (telos) = einde | ἔχει (echei) = heeft Bron: SBLGNT **3:27** **Maar niemand kan in het huis van de sterke binnengaan en zijn spullen plunderen, tenzij hij eerst de sterke bindt. En dan zal hij zijn huis plunderen.** Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | δύναται (dynatai) = kan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | τοῦ (tou) = van de | ἰσχυροῦ (ischyrou) = sterke | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | τὰ (ta) = de | σκεύη (skeue) = spullen | αὐτοῦ (autou) = zijn | διαρπάσαι (diarpasai) = plunderen | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | πρῶτον (proton) = eerst | τὸν (ton) = de | ἰσχυρὸν (ischyron) = sterke | δήσῃ (dese) = bindt | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | διαρπάσει (diarpasei) = zal plunderen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 49:24–25, waar de buit aan een held wordt ontnomen. Zie ook: Jes 49:24–25 **3:28** **Voorwaar, Ik zeg jullie: alles zal de mensenkinderen vergeven worden, de zonden en de lasteringen, hoeveel zij ook lasteren.** Brontekst: Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | πάντα (panta) = alles | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = zal vergeven worden | τοῖς (tois) = aan de | υἱοῖς (huiois) = mensenkinderen | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | τὰ (ta) = de | ἁμαρτήματα (hamartemata) = zonden | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | βλασφημίαι (blasphemiai) = lasteringen | ὅσα (hosa) = hoeveel | ἐὰν (ean) = ook | βλασφημήσωσιν (blasphemesosin) = zij lasteren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: het Hebreeuwse אָמֵן. Yeshua begint er een belangrijke uitspraak mee. οἱ υἱοὶ τῶν ἀνθρώπων (hoi huioi ton anthropon), ‘de mensenkinderen’: zoals het Hebreeuwse bene adam. **3:29** **Maar wie lastert tegen de Heilige Geest, heeft voor eeuwig geen vergeving, maar is schuldig aan een eeuwige zonde.”** Brontekst: ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | βλασφημήσῃ (blasphemese) = lastert | εἰς (eis) = tegen | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = heilige | οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft | ἄφεσιν (aphesin) = vergeving | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | ἀλλὰ (alla) = maar | ἔνοχός (enochos) = schuldig | ἐστιν (estin) = is | αἰωνίου (aioniou) = van eeuwige | ἁμαρτήματος (hamartematos) = zonde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βλασφημέω (blasphemeo), ‘lasteren’: zie Mark. 2:7. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:31–32; Luc. 12:10. Zie ook: Mat 12:31–32; Mar 2:7; Luc 12:10 **3:30** Hij zei dit omdat zij zeiden: „Hij heeft een onreine geest.” Brontekst: ὅτι (hoti) = omdat | ἔλεγον (elegon) = zeiden zij | Πνεῦμα (Pneuma) = geest | ἀκάθαρτον (akatharton) = onreine | ἔχει (echei) = heeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft alleen ‘omdat zij zeiden’; wij vullen ‘Hij zei dit’ aan. ### Zijn moeder en Zijn broers **3:31** Zijn moeder en Zijn broers kwamen. Zij bleven buiten staan, zonden iemand naar Hem toe en lieten Hem roepen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἔξω (exo) = buiten | στήκοντες (stekontes) = staand | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | καλοῦντες (kalountes) = roepend | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ἀπέστειλαν (apesteilan), ‘zonden’, geen voorwerp; wij vullen ‘iemand’ aan. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:46–50; Luc. 8:19–21. Zie ook: Mat 12:46–50; Luc 8:19–21 **3:32** Er zat een menigte om Hem heen. Zij zeiden tegen Hem: „Zie, Uw moeder en Uw broers zijn buiten. Zij zoeken U.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | περὶ (peri) = rond | αὐτὸν (auton) = Hem | ὄχλος (ochlos) = menigte | καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | σου (sou) = Uw | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | σου (sou) = Uw | ἔξω (exo) = buiten | ζητοῦσίν (zetousin) = zoeken | σε (se) = U Bron: SBLGNT **3:33** Hij antwoordde hun en zei: **„Wie is Mijn moeder of wie zijn Mijn broers?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγει (legei) = zegt | Τίς (Tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | μου (mou) = Mijn | ἢ (e) = of | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **3:34** Hij keek rond naar wie in een kring om Hem heen zaten en zei: **„Zie, Mijn moeder en Mijn broers!** Brontekst: καὶ (kai) = en | περιβλεψάμενος (periblepsamenos) = rondkijkend naar | τοὺς (tous) = de | περὶ (peri) = rond | αὐτὸν (auton) = Hem | κύκλῳ (kyklo) = in een kring | καθημένους (kathemenous) = zittenden | λέγει (legei) = zegt | Ἴδε (Ide) = zie | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **3:35** **Want wie de wil van Elohim doet, die is Mijn broer en zus en moeder.”** Brontekst: ὃς (hos) = wie | γὰρ (gar) = want | ἂν (an) = ook | ποιήσῃ (poiese) = doet | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | οὗτος (houtos) = die | ἀδελφός (adelphos) = broer | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | ἀδελφὴ (adelphe) = zus | καὶ (kai) = en | μήτηρ (meter) = moeder | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θέλημα (thelema), ‘wil’: wat Elohim wil. ## Markus 4 _Gelijkenissen en de storm op de zee_ ### De gelijkenis van de zaaier **4:1** Opnieuw begon Hij aan de zee te onderwijzen. Er kwam een zeer grote menigte naar Hem toe, zodat Hij in een boot stapte en op de zee ging zitten. De hele menigte stond aan de zee, op het land. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | πάλιν (palin) = weer | ἤρξατο (erxato) = begon | διδάσκειν (didaskein) = te onderwijzen | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | καὶ (kai) = en | συνάγεται (synagetai) = komt samen | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | ὄχλος (ochlos) = menigte | πλεῖστος (pleistos) = zeer grote | ὥστε (hoste) = zodat | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = in | πλοῖον (ploion) = boot | ἐμβάντα (embanta) = gestapt | καθῆσθαι (kathesthai) = te zitten | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | θαλάσσῃ (thalasse) = zee | καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | πρὸς (pros) = naar | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = het | γῆς (ges) = land | ἦσαν (esan) = waren Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: θάλασσα (thalassa), ‘zee’: de zee van Galilea is een meer. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:1–9; Luc. 8:4–8. Zie ook: Mat 13:1–9; Luc 8:4–8 **4:2** Hij onderwees hen veel in gelijkenissen. In Zijn onderwijs zei Hij tegen hen: Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐδίδασκεν (edidasken) = onderwees Hij | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | πολλά (polla) = veel | καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | διδαχῇ (didache) = onderwijs | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: een vergelijking of beeldspraak, in het Hebreeuws מָשָׁל (mashal); zie Mark. 3:23. Zie ook: Mar 3:23 **4:3** **„Luister! Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.** Brontekst: Ἀκούετε (Akouete) = luister | ἰδοὺ (idou) = zie | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ὁ (ho) = de | σπείρων (speiron) = zaaier | σπεῖραι (speirai) = te zaaien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀκούετε (akouete), ‘Luister!’: vergelijk Deut. 6:4, ‘Luister, Israël’. Zie ook: Deut 6:4 **4:4** **Terwijl hij zaaide, viel een deel langs de weg. De vogels kwamen en aten het op.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | σπείρειν (speirein) = zaaien | ὃ (ho) = een deel | μὲν (men) = wel | ἔπεσεν (epesen) = viel | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwamen | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | καὶ (kai) = en | κατέφαγεν (katephagen) = aten op | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT **4:5** **Een ander deel viel op de rotsgrond, waar het niet veel aarde had. Meteen kwam het op, omdat het geen diepe aarde had.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄλλο (allo) = ander | ἔπεσεν (epesen) = viel | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = de | πετρῶδες (petrodes) = rotsgrond | ὅπου (hopou) = waar | οὐκ (ouk) = niet | εἶχεν (eichen) = had | γῆν (gen) = aarde | πολλήν (pollen) = veel | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐξανέτειλεν (exaneteilen) = kwam op | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = het | μὴ (me) = niet | ἔχειν (echein) = hebben | βάθος (bathos) = diepte | γῆς (ges) = van aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πετρῶδες (petrodes), ‘rotsgrond’: een dun laagje aarde op een rotsbodem. **4:6** **Toen de zon opkwam, werd het verschroeid, en omdat het geen wortel had, verdorde het.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἀνέτειλεν (aneteilen) = opkwam | ὁ (ho) = de | ἥλιος (helios) = zon | ἐκαυματίσθη (ekaumatisthe) = werd verschroeid | καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = het | μὴ (me) = niet | ἔχειν (echein) = hebben | ῥίζαν (rhizan) = wortel | ἐξηράνθη (exeranthe) = verdorde Bron: SBLGNT **4:7** **Een ander deel viel tussen de doornen. De doornen groeiden op en verstikten het, en het gaf geen vrucht.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄλλο (allo) = ander | ἔπεσεν (epesen) = viel | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | ἀκάνθας (akanthas) = doornen | καὶ (kai) = en | ἀνέβησαν (anebesan) = kwamen op | αἱ (hai) = de | ἄκανθαι (akanthai) = doornen | καὶ (kai) = en | συνέπνιξαν (synepnixan) = verstikten | αὐτό (auto) = het | καὶ (kai) = en | καρπὸν (karpon) = vrucht | οὐκ (ouk) = niet | ἔδωκεν (edoken) = gaf Bron: SBLGNT **4:8** **Andere zaden vielen in de goede grond. Zij gaven vrucht, die opkwam en groeide, en droegen 30, 60 en 100 keer zoveel.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄλλα (alla) = andere | ἔπεσεν (epesen) = vielen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond | τὴν (ten) = de | καλήν (kalen) = goede | καὶ (kai) = en | ἐδίδου (edidou) = gaven | καρπὸν (karpon) = vrucht | ἀναβαίνοντα (anabainonta) = opkomend | καὶ (kai) = en | αὐξανόμενα (auxanomena) = groeiend | καὶ (kai) = en | ἔφερεν (epheren) = droegen | ἓν (hen) = één | τριάκοντα (triakonta) = 30 | καὶ (kai) = en | ἓν (hen) = één | ἑξήκοντα (hexekonta) = 60 | καὶ (kai) = en | ἓν (hen) = één | ἑκατόν (hekaton) = 100 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ἓν τριάκοντα (hen triakonta), letterlijk ‘één dertig’: elk zaad geeft 30, 60 of 100 terug. Wij vertalen ‘30, 60 en 100 keer zoveel’. **4:9** Hij zei: **„Wie oren heeft om te horen, laat hem horen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | Ὃς (Hos) = wie | ἔχει (echei) = heeft | ὦτα (ota) = oren | ἀκούειν (akouein) = te horen | ἀκουέτω (akoueto) = laat horen Bron: SBLGNT ### Waarom Yeshua gelijkenissen gebruikt **4:10** Toen Hij alleen was, vroegen degenen die rond Hem waren, samen met de twaalf, Hem naar de gelijkenissen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐγένετο (egeneto) = werd | κατὰ (kata) = naar | μόνας (monas) = alleen | ἠρώτων (eroton) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = die | περὶ (peri) = rond | αὐτὸν (auton) = Hem | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | τὰς (tas) = de | παραβολάς (parabolas) = gelijkenissen Bron: SBLGNT **4:11** Hij zei tegen hen: **„Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van Elohim gegeven. Maar voor hen die buiten staan, gebeurt alles in gelijkenissen,** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὑμῖν (Hymin) = aan jullie | τὸ (to) = het | μυστήριον (mysterion) = geheim | δέδοται (dedotai) = is gegeven | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐκείνοις (ekeinois) = aan die | δὲ (de) = maar | τοῖς (tois) = aan de | ἔξω (exo) = buiten | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | τὰ (ta) = het | πάντα (panta) = alles | γίνεται (ginetai) = gebeurt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μυστήριον (mysterion), ‘geheim’: wat Elohim zelf bekendmaakt aan wie Hij wil; vergelijk Dan. 2:28, ‘een Elohim in de hemel die geheimen onthult’. οἱ ἔξω (hoi exo), ‘zij die buiten staan’: wie niet bij Yeshua en Zijn leerlingen hoort. Zie ook: Dan 2:28 **4:12** **opdat zij kijken en kijken en toch niet zien, horen en horen en toch niet begrijpen. Anders zouden zij terugkeren en zou het hun vergeven worden.”** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | βλέποντες (blepontes) = kijkend | βλέπωσι (bleposi) = zij kijken | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἴδωσιν (idosin) = zij zien | καὶ (kai) = en | ἀκούοντες (akouontes) = horend | ἀκούωσι (akouosi) = zij horen | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | συνιῶσιν (syniosin) = zij begrijpen | μήποτε (mepote) = anders | ἐπιστρέψωσιν (epistrepsosin) = zij zouden terugkeren | καὶ (kai) = en | ἀφεθῇ (aphethe) = zou vergeven worden | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 6:9–10. Het Hebreeuws heeft ‘Maak het hart van dit volk vet … en niet terugkeert en niet genezen wordt’; de Griekse tekst van Markus heeft ‘anders zouden zij terugkeren en zou het hun vergeven worden’. ἵνα (hina), ‘opdat’, geeft gewoonlijk een doel aan; het kan ook een gevolg uitdrukken (‘zodat’). Wij houden ‘opdat’. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:10–17; Luc. 8:9–10. Zie ook: Jes 6:9–10; Mat 13:10–17; Luc 8:9–10 ### Yeshua legt de gelijkenis van de zaaier uit **4:13** Hij zei tegen hen: **„Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie dan alle gelijkenissen begrijpen?** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Οὐκ (Ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = weten jullie | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ταύτην (tauten) = deze | καὶ (kai) = en | πῶς (pos) = hoe | πάσας (pasas) = alle | τὰς (tas) = de | παραβολὰς (parabolas) = gelijkenissen | γνώσεσθε (gnosesthe) = zullen begrijpen Bron: SBLGNT **4:14** **De zaaier zaait het woord.** Brontekst: ὁ (ho) = de | σπείρων (speiron) = zaaiende | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | σπείρει (speirei) = zaait Bron: SBLGNT **4:15** **Dit zijn zij die langs de weg zijn, waar het woord wordt gezaaid. Zodra zij het horen, komt meteen Satan en neemt het woord weg dat in hen is gezaaid.** Brontekst: οὗτοι (houtoi) = dit | δέ (de) = maar | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | ὅπου (hopou) = waar | σπείρεται (speiretai) = wordt gezaaid | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | ἀκούσωσιν (akousosin) = zij horen | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | καὶ (kai) = en | αἴρει (airei) = neemt weg | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τὸν (ton) = het | ἐσπαρμένον (esparmenon) = gezaaide | εἰς (eis) = in | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: zie Mark. 1:13. Zie ook: Mar 1:13 **4:16** **Evenzo zijn dit zij die op de rotsgrond gezaaid worden. Zodra zij het woord horen, nemen zij het meteen met vreugde aan.** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὗτοί (houtoi) = dezen | εἰσιν (eisin) = zijn | ὁμοίως (homoios) = evenzo | οἱ (hoi) = zij die | ἐπὶ (epi) = op | τὰ (ta) = de | πετρώδη (petrode) = rotsgronden | σπειρόμενοι (speiromenoi) = gezaaid worden | οἳ (hoi) = die | ὅταν (hotan) = wanneer | ἀκούσωσιν (akousosin) = zij horen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | εὐθὺς (euthys) = meteen | μετὰ (meta) = met | χαρᾶς (charas) = vreugde | λαμβάνουσιν (lambanousin) = nemen aan | αὐτόν (auton) = het Bron: SBLGNT **4:17** **Zij hebben geen wortel in zichzelf, maar houden het maar kort vol. Daarna, als er verdrukking of vervolging komt vanwege het woord, struikelen zij meteen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔχουσιν (echousin) = hebben | ῥίζαν (rhizan) = wortel | ἐν (en) = in | ἑαυτοῖς (heautois) = zichzelf | ἀλλὰ (alla) = maar | πρόσκαιροί (proskairoi) = tijdelijk | εἰσιν (eisin) = zijn | εἶτα (eita) = daarna | γενομένης (genomenes) = gekomen zijnde | θλίψεως (thlipseos) = verdrukking | ἢ (e) = of | διωγμοῦ (diogmou) = vervolging | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | εὐθὺς (euthys) = meteen | σκανδαλίζονται (skandalizontai) = struikelen Bron: SBLGNT **4:18** **En anderen zijn zij die tussen de doornen gezaaid worden. Dit zijn zij die het woord hebben gehoord,** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄλλοι (alloi) = anderen | εἰσὶν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | ἀκάνθας (akanthas) = doornen | σπειρόμενοι (speiromenoi) = gezaaid worden | οὗτοί (houtoi) = dezen | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend Bron: SBLGNT **4:19** **en de zorgen van deze eeuw, de verleiding van de rijkdom en de begeerten naar al het andere dringen binnen en verstikken het woord. Dan wordt het vruchteloos.** Brontekst: καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | μέριμναι (merimnai) = zorgen | τοῦ (tou) = van de | αἰῶνος (aionos) = eeuw | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | ἀπάτη (apate) = verleiding | τοῦ (tou) = van de | πλούτου (ploutou) = rijkdom | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | περὶ (peri) = over | τὰ (ta) = de | λοιπὰ (loipa) = overige | ἐπιθυμίαι (epithymiai) = begeerten | εἰσπορευόμεναι (eisporeuomenai) = binnendringend | συμπνίγουσιν (sympnigousin) = verstikken | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | καὶ (kai) = en | ἄκαρπος (akarpos) = vruchteloos | γίνεται (ginetai) = wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰών (aion), ‘eeuw’: het tijdperk waarin wij leven; ‘deze eeuw’ staat tegenover ‘de komende eeuw’ (Mark. 10:30). Zie ook: Mar 10:30 **4:20** **En dit zijn zij die op de goede grond gezaaid zijn. Zij horen het woord, nemen het aan en dragen vrucht: 30, 60 en 100 keer zoveel.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκεῖνοί (ekeinoi) = dezen | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond | τὴν (ten) = de | καλὴν (kalen) = goede | σπαρέντες (sparentes) = gezaaid | οἵτινες (hoitines) = die | ἀκούουσιν (akouousin) = horen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | καὶ (kai) = en | παραδέχονται (paradechontai) = nemen aan | καὶ (kai) = en | καρποφοροῦσιν (karpophorousin) = dragen vrucht | ἓν (hen) = één | τριάκοντα (triakonta) = 30 | καὶ (kai) = en | ἓν (hen) = één | ἑξήκοντα (hexekonta) = 60 | καὶ (kai) = en | ἓν (hen) = één | ἑκατόν (hekaton) = 100 Bron: SBLGNT ### De lamp en de maat **4:21** Hij zei tegen hen: **„Komt de lamp soms om onder de korenmaat gezet te worden, of onder het bed? Niet om op de lampenstandaard gezet te worden?** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Μήτι (Meti) = toch niet | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | λύχνος (lychnos) = lamp | ἵνα (hina) = opdat | ὑπὸ (hypo) = onder | τὸν (ton) = de | μόδιον (modion) = korenmaat | τεθῇ (tethe) = gezet wordt | ἢ (e) = of | ὑπὸ (hypo) = onder | τὴν (ten) = het | κλίνην (klinen) = bed | οὐχ (ouch) = niet | ἵνα (hina) = opdat | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | λυχνίαν (lychnian) = lampenstandaard | τεθῇ (tethe) = gezet wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μόδιος (modios), ‘korenmaat’: een vat van ongeveer 9 liter. λυχνία (lychnia), ‘lampenstandaard’: een standaard waarop een olielamp staat. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:15; Luc. 8:16; Luc. 11:33. Zie ook: Mat 5:15; Luc 8:16; Luc 11:33 **4:22** **Want niets is verborgen, behalve opdat het openbaar wordt, en niets is geheim geworden, maar opdat het in het openbaar komt.** Brontekst: οὐ (ou) = niet | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | κρυπτὸν (krypton) = verborgen | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | ἵνα (hina) = opdat | φανερωθῇ (phanerothe) = openbaar wordt | οὐδὲ (oude) = noch | ἐγένετο (egeneto) = werd | ἀπόκρυφον (apokryphon) = geheim | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | ἔλθῃ (elthe) = komt | εἰς (eis) = in | φανερόν (phaneron) = openbaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 10:26; Luc. 8:17; Luc. 12:2. Zie ook: Mat 10:26; Luc 8:17; Luc 12:2 **4:23** **Als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen.”** Brontekst: εἴ (ei) = als | τις (tis) = iemand | ἔχει (echei) = heeft | ὦτα (ota) = oren | ἀκούειν (akouein) = te horen | ἀκουέτω (akoueto) = laat horen Bron: SBLGNT **4:24** Hij zei tegen hen: **„Let op wat jullie horen. Met de maat waarmee jullie meten, zal er aan jullie gemeten worden, en er zal nog aan jullie worden toegevoegd.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Βλέπετε (Blepete) = let op | τί (ti) = wat | ἀκούετε (akouete) = jullie horen | ἐν (en) = met | ᾧ (ho) = welke | μέτρῳ (metro) = maat | μετρεῖτε (metreite) = jullie meten | μετρηθήσεται (metrethesetai) = zal gemeten worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | καὶ (kai) = en | προστεθήσεται (prostethesetai) = zal toegevoegd worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 7:2; Luc. 6:38. Zie ook: Mat 7:2; Luc 6:38 **4:25** **Want wie heeft, hem zal gegeven worden. En van wie niet heeft, zal ook wat hij heeft weggenomen worden.”** Brontekst: ὃς (hos) = wie | γὰρ (gar) = want | ἔχει (echei) = heeft | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | αὐτῷ (auto) = aan hem | καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft | καὶ (kai) = ook | ὃ (ho) = wat | ἔχει (echei) = heeft | ἀρθήσεται (arthesetai) = zal weggenomen worden | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 13:12; Matt. 25:29; Luc. 8:18; Luc. 19:26. Zie ook: Mat 13:12; Mat 25:29; Luc 8:18; Luc 19:26 ### Het zaad dat vanzelf groeit **4:26** Hij zei: **„Zo is het koninkrijk van Elohim: een man werpt het zaad op de aarde,** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | Οὕτως (Houtos) = zo | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὡς (hos) = alsof | ἄνθρωπος (anthropos) = een man | βάλῃ (bale) = werpt | τὸν (ton) = het | σπόρον (sporon) = zaad | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Deze gelijkenis staat alleen bij Markus. **4:27** **en hij slaapt en staat op, nacht en dag, en het zaad ontkiemt en groeit, zonder dat hij weet hoe.** Brontekst: καὶ (kai) = en | καθεύδῃ (katheude) = slaapt | καὶ (kai) = en | ἐγείρηται (egeiretai) = opstaat | νύκτα (nykta) = nacht | καὶ (kai) = en | ἡμέραν (hemeran) = dag | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | σπόρος (sporos) = zaad | βλαστᾷ (blasta) = ontkiemt | καὶ (kai) = en | μηκύνηται (mekynetai) = groeit | ὡς (hos) = zoals | οὐκ (ouk) = niet | οἶδεν (oiden) = weet | αὐτός (autos) = hij zelf Bron: SBLGNT **4:28** **Vanzelf brengt de aarde vrucht voort: eerst een halm, dan een aar, dan volle koren in de aar.** Brontekst: αὐτομάτη (automate) = vanzelf | ἡ (he) = de | γῆ (ge) = aarde | καρποφορεῖ (karpophorei) = draagt vrucht | πρῶτον (proton) = eerst | χόρτον (chorton) = halm | εἶτα (eita) = dan | στάχυν (stachyn) = aar | εἶτα (eita) = dan | πλήρης (pleres) = vol | σῖτον (siton) = koren | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | στάχυϊ (stachui) = aar Bron: SBLGNT **4:29** **Maar zodra de vrucht rijp is, zet hij meteen de sikkel erin, want de oogst is aangebroken.”** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | παραδοῖ (paradoi) = zich overgeeft | ὁ (ho) = de | καρπός (karpos) = vrucht | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀποστέλλει (apostellei) = zendt | τὸ (to) = de | δρέπανον (drepanon) = sikkel | ὅτι (hoti) = omdat | παρέστηκεν (paresteken) = is aangebroken | ὁ (ho) = de | θερισμός (therismos) = oogst Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραδοῖ (paradoi), eigenlijk ‘overgeeft, toelaat’: de vrucht laat zich plukken, dus is rijp. ἀποστέλλει (apostellei), ‘zendt’; wij vertalen ‘zet erin’. Vergelijk Joël 4:13 (in de Nederlandse telling 3:13), ‘Zet de sikkel erin, want de oogst is rijp’. Zie ook: Joël 4:13 ### Het mosterdzaad **4:30** Hij zei: **„Hoe kunnen wij het koninkrijk van Elohim vergelijken, of in welke gelijkenis kunnen wij het onderbrengen?** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | Πῶς (Pos) = hoe | ὁμοιώσωμεν (homoiosomen) = zouden wij vergelijken | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἢ (e) = of | ἐν (en) = in | τίνι (tini) = welke | αὐτὴν (auten) = het | παραβολῇ (parabole) = gelijkenis | θῶμεν (thomen) = zouden wij plaatsen Bron: SBLGNT **4:31** **Het is als een mosterdzaadje. Wanneer dat op de aarde gezaaid wordt, is het kleiner dan alle zaden op de aarde —** Brontekst: ὡς (hos) = als | κόκκῳ (kokko) = korrel | σινάπεως (sinapeos) = van mosterd | ὃς (hos) = die | ὅταν (hotan) = wanneer | σπαρῇ (spare) = gezaaid wordt | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | μικρότερον (mikroteron) = kleiner | ὂν (on) = zijnde | πάντων (panton) = van alle | τῶν (ton) = de | σπερμάτων (spermaton) = zaden | τῶν (ton) = die | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σίναπι (sinapi), ‘mosterd’: het zaad is zeer klein. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:31–32; Luc. 13:18–19. Zie ook: Mat 13:31–32; Luc 13:18–19 **4:32** **en wanneer het gezaaid is, komt het op en wordt groter dan alle tuingewassen. Het maakt grote takken, zodat de vogels van de hemel onder zijn schaduw kunnen nestelen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | σπαρῇ (spare) = gezaaid is | ἀναβαίνει (anabainei) = komt op | καὶ (kai) = en | γίνεται (ginetai) = wordt | μεῖζον (meizon) = groter | πάντων (panton) = van alle | τῶν (ton) = de | λαχάνων (lachanon) = tuingewassen | καὶ (kai) = en | ποιεῖ (poiei) = maakt | κλάδους (kladous) = takken | μεγάλους (megalous) = grote | ὥστε (hoste) = zodat | δύνασθαι (dynasthai) = kunnen | ὑπὸ (hypo) = onder | τὴν (ten) = de | σκιὰν (skian) = schaduw | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | κατασκηνοῦν (kataskenoun) = nestelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λάχανα (lachana), ‘tuingewassen’: planten die in een moestuin worden gekweekt. De vogels in de takken doen denken aan Ezech. 17:23 en Dan. 4:9 (in de Nederlandse telling 4:12), waar een boom aan vogels schuilplaats geeft. Zie ook: Ezech 17:23; Dan 4:9 **4:33** Met veel van zulke gelijkenissen sprak Hij het woord tot hen, voor zover zij het konden horen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | τοιαύταις (toiautais) = zulke | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | πολλαῖς (pollais) = vele | ἐλάλει (elalei) = sprak Hij | αὐτοῖς (autois) = tot hen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | καθὼς (kathos) = zoals | ἠδύναντο (edynanto) = zij konden | ἀκούειν (akouein) = horen Bron: SBLGNT **4:34** Zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen, maar aan Zijn eigen leerlingen legde Hij alles apart uit. Brontekst: χωρὶς (choris) = zonder | δὲ (de) = maar | παραβολῆς (paraboles) = gelijkenis | οὐκ (ouk) = niet | ἐλάλει (elalei) = sprak Hij | αὐτοῖς (autois) = tot hen | κατ’ (kat’) = naar | ἰδίαν (idian) = afzonderlijk | δὲ (de) = maar | τοῖς (tois) = aan de | ἰδίοις (idiois) = eigen | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | ἐπέλυεν (epelyen) = legde uit | πάντα (panta) = alles Bron: SBLGNT ### Yeshua bedaart de storm **4:35** Op die dag, toen het avond geworden was, zei Hij tegen hen: **„Laten wij naar de overkant gaan.”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ἐν (en) = op | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ὀψίας (opsias) = avond | γενομένης (genomenes) = geworden | Διέλθωμεν (Dielthomen) = laten wij oversteken | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De overkant is de andere kant van het meer. Voetnoot : Zie ook Matt. 8:18; Matt. 8:23–27; Luc. 8:22–25. Zie ook: Mat 8:18; Mat 8:23–27; Luc 8:22–25 **4:36** Zij lieten de menigte achter en namen Hem mee, zoals Hij was, in de boot. Er waren ook andere boten bij Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀφέντες (aphentes) = achterlatend | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | παραλαμβάνουσιν (paralambanousin) = nemen mee | αὐτὸν (auton) = Hem | ὡς (hos) = zoals | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πλοίῳ (ploio) = boot | καὶ (kai) = en | ἄλλα (alla) = andere | πλοῖα (ploia) = boten | ἦν (en) = waren | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT **4:37** Er stak een zware stormwind op, en de golven sloegen in de boot, zodat de boot al vol begon te lopen. Brontekst: καὶ (kai) = en | γίνεται (ginetai) = komt | λαῖλαψ (lailaps) = storm | μεγάλη (megale) = grote | ἀνέμου (anemou) = van wind | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | κύματα (kymata) = golven | ἐπέβαλλεν (epeballen) = sloegen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | ὥστε (hoste) = zodat | ἤδη (ede) = al | γεμίζεσθαι (gemizesthai) = vol te raken | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λαῖλαψ (lailaps), ‘stormwind’: een plotselinge, hevige windvlaag. Vergelijk Jona 1:4 en Ps. 107:25. Zie ook: Ps 107:25; Jona 1:4 **4:38** Hij lag zelf achterin op het kussen te slapen. Zij maakten Hem wakker en zeiden tegen Hem: „Leraar, kan het U niet schelen dat wij omkomen?” Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | πρύμνῃ (prymne) = achterschip | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | προσκεφάλαιον (proskephalaion) = kussen | καθεύδων (katheudon) = slapend | καὶ (kai) = en | ἐγείρουσιν (egeirousin) = wekken | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | οὐ (ou) = niet | μέλει (melei) = is het een zorg | σοι (soi) = voor U | ὅτι (hoti) = dat | ἀπολλύμεθα (apollymetha) = wij omkomen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσκεφάλαιον (proskephalaion), ‘kussen’. Διδάσκαλε (didaskale), ‘Leraar’: de leerlingen spreken Hem zo aan. Ook Jona sliep in het schip tijdens de storm (Jona 1:5–6). Zie ook: Jona 1:5–6 **4:39** Hij werd wakker, bestrafte de wind en zei tegen de zee: **„Zwijg, wees stil.”** Toen ging de wind liggen en kwam er een grote windstilte. Brontekst: καὶ (kai) = en | διεγερθεὶς (diegertheis) = wakker geworden | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | τῷ (to) = de | ἀνέμῳ (anemo) = wind | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | τῇ (te) = aan de | θαλάσσῃ (thalasse) = zee | Σιώπα (Siopa) = zwijg | πεφίμωσο (pephimoso) = wees stil | καὶ (kai) = en | ἐκόπασεν (ekopasen) = ging liggen | ὁ (ho) = de | ἄνεμος (anemos) = wind | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = werd | γαλήνη (galene) = windstilte | μεγάλη (megale) = grote Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: ἐπετίμησεν (epetimesen), ‘bestrafte’: zie Mark. 1:25. Σιώπα πεφίμωσο (siopa pephimoso), ‘Zwijg, wees stil’: vergelijk Ps. 65:8 (in de Nederlandse telling 65:7) en Ps. 107:29, waar Yahweh de zee tot rust brengt. γαλήνη (galene), ‘windstilte’. Zie ook: Ps 65:8; Ps 107:29; Mar 1:25 **4:40** Hij zei tegen hen: **„Waarom zijn jullie bang? Hebben jullie nog geen geloof?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τί (Ti) = waarom | δειλοί (deiloi) = bang | ἐστε (este) = zijn jullie | οὔπω (oupo) = nog niet | ἔχετε (echete) = hebben jullie | πίστιν (pistin) = geloof Bron: SBLGNT **4:41** Zij werden vervuld van grote vrees en zeiden tegen elkaar: „Wie is Hij dan, dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzamen?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = vreesden | φόβον (phobon) = vrees | μέγαν (megan) = grote | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | Τίς (Tis) = wie | ἄρα (ara) = dan | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὅτι (hoti) = dat | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | ἄνεμος (anemos) = wind | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | θάλασσα (thalassa) = zee | ὑπακούει (hypakouei) = gehoorzaamt | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: ἐφοβήθησαν φόβον μέγαν (ephobethesan phobon megan), letterlijk ‘zij vreesden een grote vrees’: een Hebreeuwse uitdrukkingswijze. ## Markus 5 _De man met een onreine geest, de vrouw met de bloedvloeiing en de dochter van Jaïrus_ ### Yeshua en de man met een onreine geest **5:1** Zij kwamen aan de overkant van de zee, in het gebied van de Gerasenen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant | τῆς (tes) = van de | θαλάσσης (thalasses) = zee | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | χώραν (choran) = gebied | τῶν (ton) = van de | Γερασηνῶν (Gerasenon) = Gerasenen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Zie Gebied van de Gerasenen (Kursi?; ligging onzeker): Gerasa (Jerash) ligt ver van het meer; daarom wordt voor dit gebied vaak gedacht aan Kursi (el-Koursi), aan de oostkust van het meer van Galilea. Matteüs 8:28 heeft ‘Gadarenen’. De precieze plek is niet zeker. Voetnoot Uitleg: θάλασσα (thalassa), ‘zee’: hier is het meer van Galilea bedoeld. Het gebied van de Gerasenen lag aan de overkant van het meer; de precieze ligging is niet zeker. Matteüs heeft ‘Gadarenen’ (Matt. 8:28). Voetnoot : Zie ook Matt. 8:28–34; Luc. 8:26–39. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat bij Markus ‘Gadarenen’ of ‘Gergesenen’ in plaats van ‘Gerasenen’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Mat 8:28; Luc 8:26–39 **5:2** Toen Hij uit de boot gestapt was, kwam Hem meteen uit de graven een man tegemoet met een onreine geest. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθόντος (exelthontos) = uitgestapt zijnde | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πλοίου (ploiou) = boot | εὐθὺς (euthys) = meteen | ὑπήντησεν (hypentesen) = kwam tegemoet | αὐτῷ (auto) = Hem | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μνημείων (mnemeion) = graven | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἐν (en) = met | πνεύματι (pneumati) = geest | ἀκαθάρτῳ (akatharto) = onrein Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft letterlijk ‘een man in een onreine geest’. ἀκάθαρτος (akathartos), ‘onrein’, betekent: niet rein volgens de wet van Elohim. Wie een dode of een graf aanraakte, werd onrein (Num. 19:11, 16); graven lagen buiten de bewoonde wereld. Zie ook: Num 19:11 **5:3** De man had zijn woonplaats in de graven. Niemand kon hem nog binden, zelfs niet met een ketting. Brontekst: ὃς (hos) = die | τὴν (ten) = de | κατοίκησιν (katoikesin) = woonplaats | εἶχεν (eichen) = had | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | μνήμασιν (mnemasin) = graven | καὶ (kai) = en | οὐδὲ (oude) = zelfs niet | ἁλύσει (halysei) = met een ketting | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐδύνατο (edynato) = kon | αὐτὸν (auton) = hem | δῆσαι (desai) = binden Bron: SBLGNT **5:4** Want hij was vaak geboeid geweest met voetboeien en kettingen, maar de kettingen waren door hem verscheurd en de voetboeien stukgewreven. Niemand was sterk genoeg om hem te temmen. Brontekst: διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | αὐτὸν (auton) = hij | πολλάκις (pollakis) = vaak | πέδαις (pedais) = met voetboeien | καὶ (kai) = en | ἁλύσεσι (halysesi) = kettingen | δεδέσθαι (dedesthai) = geboeid te zijn geweest | καὶ (kai) = en | διεσπάσθαι (diespasthai) = verscheurd te zijn | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = hem | τὰς (tas) = de | ἁλύσεις (halyseis) = kettingen | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | πέδας (pedas) = voetboeien | συντετρῖφθαι (syntetriphthai) = stukgewreven te zijn | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἴσχυεν (ischyen) = was sterk genoeg | αὐτὸν (auton) = hem | δαμάσαι (damasai) = te temmen Bron: SBLGNT **5:5** Voortdurend, nacht en dag, schreeuwde hij in de graven en in de bergen en verwondde hij zichzelf met stenen. Brontekst: καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = door | παντὸς (pantos) = altijd | νυκτὸς (nyktos) = nacht | καὶ (kai) = en | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | μνήμασιν (mnemasin) = graven | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | ὄρεσιν (oresin) = bergen | ἦν (en) = was | κράζων (krazon) = schreeuwend | καὶ (kai) = en | κατακόπτων (katakopton) = verwondend | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | λίθοις (lithois) = met stenen Bron: SBLGNT **5:6** Toen hij Yeshua van ver zag, rende hij naar Hem toe en boog zich voor Hem neer. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziende | τὸν (ton) = (de) | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἀπὸ (apo) = van | μακρόθεν (makrothen) = ver | ἔδραμεν (edramen) = rende | καὶ (kai) = en | προσεκύνησεν (prosekynesen) = boog zich neer | αὐτόν (auton) = voor Hem Bron: SBLGNT **5:7** Hij schreeuwde met luide stem en zei: _„Wat heb ik met U te maken, Yeshua, Zoon van Elohim, de Allerhoogste? Ik bezweer U bij Elohim: kwel mij niet!”_ Brontekst: καὶ (kai) = en | κράξας (kraxas) = schreeuwend | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = luid | λέγει (legei) = zegt | Τί (Ti) = wat | ἐμοὶ (emoi) = mij | καὶ (kai) = en | σοί (soi) = U | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | υἱὲ (huie) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τοῦ (tou) = de | ὑψίστου (hypsistou) = Allerhoogste | ὁρκίζω (horkizo) = ik bezweer | σε (se) = U | τὸν (ton) = bij de | θεόν (theon) = Elohim | μή (me) = niet | με (me) = mij | βασανίσῃς (basanises) = kwel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Τί ἐμοὶ καὶ σοί (ti emoi kai soi) is letterlijk ‘wat is er tussen mij en U?’ en betekent: ‘wat hebben wij met elkaar te maken?’ Voetnoot : Ὕψιστος (hypsistos), ‘de Allerhoogste’, is de Griekse weergave van het Hebreeuwse עֶלְיוֹן (Elyon); zie Gen. 14:18–22. Het Grieks laat de onreine geest door de man heen spreken; daarom staan deze woorden als woorden van een onreine geest. Zie ook: Gen 14:18–22 **5:8** Want Hij had tegen hem gezegd: **„Ga uit de man weg, onreine geest!”** Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = Hij zei | γὰρ (gar) = want | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἔξελθε (Exelthe) = ga uit | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = geest | τὸ (to) = de | ἀκάθαρτον (akatharton) = onreine | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = man Bron: SBLGNT **5:9** Hij vroeg hem: **„Wat is je naam?”** De man zei tegen Hem: _„Legioen is mijn naam, want wij zijn met velen.”_ Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπηρώτα (eperota) = vroeg | αὐτόν (auton) = hem | Τί (Ti) = wat | ὄνομά (onoma) = naam | σοι (soi) = je | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | Λεγιὼν (Legion) = Legioen | ὄνομά (onoma) = naam | μοι (moi) = mij | ὅτι (hoti) = want | πολλοί (polloi) = velen | ἐσμεν (esmen) = wij zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Λεγιών (legion), ‘Legioen’, is een Latijns leenwoord: een Romeinse legerafdeling van enkele duizenden soldaten. De man zegt eerst ‘mijn naam’ en dan ‘wij’: de onreine geest spreekt namens velen. Het Grieks heeft geen onderwerp bij ‘zegt’; wij vullen ‘de man’ aan, ook in vers 10. Zie ook: Mar 5:10 **5:10** De man smeekte Hem dringend om hen niet uit dat gebied weg te zenden. Brontekst: καὶ (kai) = en | παρεκάλει (parekalei) = smeekte | αὐτὸν (auton) = Hem | πολλὰ (polla) = veel | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | αὐτὰ (auta) = hen | ἀποστείλῃ (aposteile) = Hij wegzendt | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = het | χώρας (choras) = gebied Bron: SBLGNT **5:11** Daar, bij de berg, graasde een grote kudde varkens. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ἐκεῖ (ekei) = daar | πρὸς (pros) = bij | τῷ (to) = het | ὄρει (orei) = berg | ἀγέλη (agele) = kudde | χοίρων (choiron) = varkens | μεγάλη (megale) = grote | βοσκομένη (boskomene) = grazend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het varken is volgens de wet onrein (Lev. 11:7; Deut. 14:8). Zie ook: Lev 11:7; Deut 14:8 **5:12** Zij smeekten Hem: _„Stuur ons naar de varkens, zodat wij in hen binnengaan.”_ Brontekst: καὶ (kai) = en | παρεκάλεσαν (parekalesan) = smeekten | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Πέμψον (Pempson) = stuur | ἡμᾶς (hemas) = ons | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | χοίρους (choirous) = varkens | ἵνα (hina) = opdat | εἰς (eis) = in | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰσέλθωμεν (eiselthomen) = wij binnengaan Bron: SBLGNT **5:13** Hij stond het hun toe. De onreine geesten kwamen naar buiten en gingen in de varkens. De kudde stortte zich van de steile helling in de zee, ongeveer 2000, en zij verdronken in de zee. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπέτρεψεν (epetrepsen) = Hij stond toe | αὐτοῖς (autois) = hun | καὶ (kai) = en | ἐξελθόντα (exelthonta) = uitgegaan | τὰ (ta) = de | πνεύματα (pneumata) = geesten | τὰ (ta) = de | ἀκάθαρτα (akatharta) = onreine | εἰσῆλθον (eiselthon) = gingen binnen | εἰς (eis) = in | τοὺς (tous) = de | χοίρους (choirous) = varkens | καὶ (kai) = en | ὥρμησεν (hormesen) = stortte zich | ἡ (he) = de | ἀγέλη (agele) = kudde | κατὰ (kata) = van | τοῦ (tou) = de | κρημνοῦ (kremnou) = steile helling | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | ὡς (hos) = ongeveer | δισχίλιοι (dischilioi) = 2000 | καὶ (kai) = en | ἐπνίγοντο (epnigonto) = verdronken | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | θαλάσσῃ (thalasse) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. ### De mensen vragen Yeshua weg te gaan **5:14** De herders vluchtten en brachten het bericht in de stad en op het land. Zij kwamen kijken wat er gebeurd was. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | οἱ (hoi) = de | βόσκοντες (boskontes) = herders | αὐτοὺς (autous) = hen | ἔφυγον (ephygon) = vluchtten | καὶ (kai) = en | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | τοὺς (tous) = de | ἀγρούς (agrous) = landerijen | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | ἰδεῖν (idein) = zien | τί (ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | γεγονός (gegonos) = gebeurde Bron: SBLGNT **5:15** Zij kwamen bij Yeshua en zagen de bezeten man zitten. Hij was gekleed en bij zijn verstand, hij die het Legioen had gehad. Zij werden bang. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | θεωροῦσιν (theorousin) = zien | τὸν (ton) = de | δαιμονιζόμενον (daimonizomenon) = bezeten man | καθήμενον (kathemenon) = zittend | ἱματισμένον (himatismenon) = gekleed | καὶ (kai) = en | σωφρονοῦντα (sophronounta) = bij zinnen | τὸν (ton) = de | ἐσχηκότα (eschekota) = gehad hebbende | τὸν (ton) = het | λεγιῶνα (legiona) = Legioen | καὶ (kai) = en | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bang Bron: SBLGNT **5:16** Wie het gezien hadden, vertelden hun hoe het met de bezeten man gegaan was, en over de varkens. Brontekst: καὶ (kai) = en | διηγήσαντο (diegesanto) = vertelden | αὐτοῖς (autois) = hun | οἱ (hoi) = de | ἰδόντες (idontes) = zienden | πῶς (pos) = hoe | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | τῷ (to) = aan de | δαιμονιζομένῳ (daimonizomeno) = bezeten man | καὶ (kai) = en | περὶ (peri) = over | τῶν (ton) = de | χοίρων (choiron) = varkens Bron: SBLGNT **5:17** Zij begonnen Hem te smeken uit hun gebied weg te gaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | παρακαλεῖν (parakalein) = te smeken | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπελθεῖν (apelthein) = weg te gaan | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ὁρίων (horion) = gebieden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT ### De genezen man moet vertellen **5:18** Toen Hij in de boot stapte, smeekte de man die bezeten was geweest, dat hij bij Hem mocht zijn. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμβαίνοντος (embainontos) = instappend | αὐτοῦ (autou) = Hij | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | παρεκάλει (parekalei) = smeekte | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | δαιμονισθεὶς (daimonistheis) = bezeten gewordene | ἵνα (hina) = opdat | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | ᾖ (e) = hij zou zijn Bron: SBLGNT **5:19** Hij stond het hem niet toe, maar zei tegen hem: **„Ga naar je huis, naar je eigen mensen. Vertel hun hoeveel de Heer voor je gedaan heeft en Zich over je ontfermd heeft.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἀφῆκεν (apheken) = liet toe | αὐτόν (auton) = hem | ἀλλὰ (alla) = maar | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Ὕπαγε (Hypage) = ga | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκόν (oikon) = huis | σου (sou) = je | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | σούς (sous) = jouwen | καὶ (kai) = en | ἀπάγγειλον (apangeilon) = vertel | αὐτοῖς (autois) = hun | ὅσα (hosa) = hoeveel | ὁ (ho) = de | κύριός (kyrios) = Heer | σοι (soi) = je | πεποίηκεν (pepoieken) = heeft gedaan | καὶ (kai) = en | ἠλέησέν (eleesen) = ontfermde Zich | σε (se) = over je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios) kan hier ‘Yahweh’ of ‘de Heer’ bedoelen. In 5:20 verkondigt de man wat Yeshua voor hem gedaan heeft. Wij schrijven ‘de Heer’ en laten de keuze open. Voetnoot : τοὺς σούς (tous sous), ‘de jouwen’, zijn de mensen die bij hem horen. **5:20** Hij ging weg en begon in de Decapolis te verkondigen hoeveel Yeshua voor hem had gedaan. En allen verbaasden zich. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | καὶ (kai) = en | ἤρξατο (erxato) = begon | κηρύσσειν (keryssein) = te verkondigen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Δεκαπόλει (Dekapolei) = Decapolis | ὅσα (hosa) = hoeveel | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | ἐθαύμαζον (ethaumazon) = verbaasden zich Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Decapolis (ligging onzeker): De Decapolis (‘tien steden’) was een groep Griekse steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, nu in Jordanië, Syrië en Israël. De omvang is niet exact vast te stellen. Voetnoot Uitleg: Δεκάπολις (Dekapolis), ‘Decapolis’, betekent ‘tien steden’: een streek met Griekse steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan. ### Jaïrus vraagt om hulp **5:21** Toen Yeshua in de boot weer naar de overkant was overgestoken, verzamelde zich een grote menigte bij Hem. Hij was bij de zee. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | διαπεράσαντος (diaperasantos) = overgestoken | τοῦ (tou) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πλοίῳ (ploio) = boot | πάλιν (palin) = opnieuw | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant | συνήχθη (synechthe) = werd verzameld | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολὺς (polys) = grote | ἐπ’ (ep’) = bij | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 9:18–26; Luc. 8:40–56. Markus voegt de twee verhalen in elkaar: het verhaal van de vrouw (5:25–34) staat tussen de vraag van Jaïrus en de komst bij zijn huis. Zie ook: Mat 9:18–26; Luc 8:40–56 **5:22** Er kwam een van de synagogeleiders, Jaïrus genaamd. Toen hij Hem zag, viel hij aan Zijn voeten neer. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = komt | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | ἀρχισυναγώγων (archisynagogon) = synagogeleiders | ὀνόματι (onomati) = met naam | Ἰάϊρος (Iairos) = Jaïrus | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziende | αὐτὸν (auton) = Hem | πίπτει (piptei) = valt | πρὸς (pros) = aan | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **5:23** Hij smeekte Hem dringend: „Mijn dochtertje ligt op sterven. Kom en leg haar de handen op, zodat zij gered wordt en leeft.” Brontekst: καὶ (kai) = en | παρακαλεῖ (parakalei) = smeekt | αὐτὸν (auton) = Hem | πολλὰ (polla) = veel | λέγων (legon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Τὸ (To) = het | θυγάτριόν (thygatrion) = dochtertje | μου (mou) = mijn | ἐσχάτως (eschatos) = op het laatst | ἔχει (echei) = heeft | ἵνα (hina) = opdat | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | ἐπιθῇς (epithes) = U legt | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | αὐτῇ (aute) = haar | ἵνα (hina) = opdat | σωθῇ (sothe) = zij gered wordt | καὶ (kai) = en | ζήσῃ (zese) = zij leeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σῴζω (sozo), ‘redden’: het woord betekent ook ‘genezen’. Wij houden overal ‘redden’ vast (5:28, 5:34; 6:56; 8:35); de lezer ziet de betekenis uit de zin. **5:24** Hij ging met hem mee. Een grote menigte volgde Hem en drong tegen Hem aan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | Καὶ (Kai) = en | ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολύς (polys) = grote | καὶ (kai) = en | συνέθλιβον (synethlibon) = drongen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT ### De vrouw met de bloedvloeiing **5:25** Er was een vrouw die al twaalf jaar een bloedvloeiing had. Brontekst: καὶ (kai) = en | γυνὴ (gyne) = vrouw | οὖσα (ousa) = zijnde | ἐν (en) = in | ῥύσει (rhysei) = vloeiing | αἵματος (haimatos) = van bloed | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἔτη (ete) = jaren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een vrouw met een langdurige bloedvloeiing was volgens de wet onrein, en wie haar aanraakte ook (Lev. 15:25–27). Daarom raakt zij Hem van achteren en in het geheim aan. Zie ook: Lev 15:25–27 **5:26** Zij had veel geleden onder veel artsen en al haar bezit uitgegeven. Het had haar niets geholpen, het was juist erger met haar geworden. Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλὰ (polla) = veel | παθοῦσα (pathousa) = lijdend | ὑπὸ (hypo) = door | πολλῶν (pollon) = veel | ἰατρῶν (iatron) = artsen | καὶ (kai) = en | δαπανήσασα (dapanesasa) = uitgegeven hebbend | τὰ (ta) = het | παρ’ (par’) = van | αὐτῆς (autes) = haar | πάντα (panta) = alles | καὶ (kai) = en | μηδὲν (meden) = niets | ὠφεληθεῖσα (opheletheisa) = geholpen zijnde | ἀλλὰ (alla) = maar | μᾶλλον (mallon) = meer | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | χεῖρον (cheiron) = erger | ἐλθοῦσα (elthousa) = gekomen Bron: SBLGNT **5:27** Zij had over Yeshua gehoord. Zij kwam in de menigte van achteren en raakte Zijn mantel aan. Brontekst: ἀκούσασα (akousasa) = gehoord hebbend | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἐλθοῦσα (elthousa) = gekomen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | ὄπισθεν (opisthen) = van achteren | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | τοῦ (tou) = het | ἱματίου (himatiou) = mantel | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **5:28** Want zij zei: „Als ik maar Zijn kleren aanraak, zal ik gered worden.” Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = zei | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | Ἐὰν (Ean) = als | ἅψωμαι (hapsomai) = ik aanraak | κἂν (kan) = al was het maar | τῶν (ton) = van de | ἱματίων (himation) = kleren | αὐτοῦ (autou) = Zijn | σωθήσομαι (sothesomai) = zal ik gered worden Bron: SBLGNT **5:29** Meteen droogde de bron van haar bloed op. Zij voelde in haar lichaam dat zij van de kwaal genezen was. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐξηράνθη (exeranthe) = droogde op | ἡ (he) = de | πηγὴ (pege) = bron | τοῦ (tou) = van het | αἵματος (haimatos) = bloed | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | ἔγνω (egno) = wist | τῷ (to) = in het | σώματι (somati) = lichaam | ὅτι (hoti) = dat | ἴαται (iatai) = zij is genezen | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | μάστιγος (mastigos) = kwaal Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μάστιξ (mastix), ‘kwaal’, is letterlijk ‘zweep’ of ‘gesel’: een ziekte als een slag. Wij vertalen steeds ‘kwaal’ (ook in 3:10 en 5:34). Voetnoot : δύναμις (dynamis), ‘kracht’ (5:30): het woord staat ook voor krachtige daden (zie 6:2). **5:30** Meteen merkte Yeshua bij Zichzelf dat er kracht van Hem was uitgegaan. Hij draaide zich om in de menigte en zei: **„Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐπιγνοὺς (epignous) = merkend | ἐν (en) = in | ἑαυτῷ (heauto) = Zichzelf | τὴν (ten) = de | ἐξ (ex) = uit | αὐτοῦ (autou) = Hem | δύναμιν (dynamin) = kracht | ἐξελθοῦσαν (exelthousan) = uitgegaan | ἐπιστραφεὶς (epistrapheis) = omgedraaid | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | ἔλεγεν (elegen) = zei | Τίς (Tis) = wie | μου (mou) = Mijn | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | τῶν (ton) = van de | ἱματίων (himation) = kleren Bron: SBLGNT **5:31** Zijn leerlingen zeiden tegen Hem: „U ziet de menigte tegen U aan drukken, en U zegt: **‘Wie heeft Mij aangeraakt?’**” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Βλέπεις (Blepeis) = U ziet | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | συνθλίβοντά (synthlibonta) = drukkend tegen | σε (se) = U | καὶ (kai) = en | λέγεις (legeis) = U zegt | Τίς (Tis) = wie | μου (mou) = Mij | ἥψατο (hepsato) = raakte aan Bron: SBLGNT **5:32** Hij keek rond om haar te zien die dit gedaan had. Brontekst: καὶ (kai) = en | περιεβλέπετο (perieblepeto) = keek rond | ἰδεῖν (idein) = om te zien | τὴν (ten) = haar | τοῦτο (touto) = dit | ποιήσασαν (poiesasan) = gedaan hebbende Bron: SBLGNT **5:33** De vrouw was bang en beefde. Zij wist wat er met haar gebeurd was. Zij kwam, viel voor Hem neer en vertelde Hem de hele waarheid. Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | γυνὴ (gyne) = vrouw | φοβηθεῖσα (phobetheisa) = bang geworden | καὶ (kai) = en | τρέμουσα (tremousa) = trillend | εἰδυῖα (eiduia) = wetend | ὃ (ho) = wat | γέγονεν (gegonen) = was gebeurd | αὐτῇ (aute) = haar | ἦλθεν (elthen) = kwam | καὶ (kai) = en | προσέπεσεν (prosepesen) = viel neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = Hem | πᾶσαν (pasan) = heel | τὴν (ten) = de | ἀλήθειαν (aletheian) = waarheid Bron: SBLGNT **5:34** Hij zei tegen haar: **„Dochter, je geloof heeft je gered. Ga in vrede en wees gezond van je kwaal.”** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = haar | Θυγάτηρ (Thygater) = dochter | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | σου (sou) = je | σέσωκέν (sesoken) = heeft gered | σε (se) = je | ὕπαγε (hypage) = ga | εἰς (eis) = naar | εἰρήνην (eirenen) = vrede | καὶ (kai) = en | ἴσθι (isthi) = wees | ὑγιὴς (hygies) = gezond | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | μάστιγός (mastigos) = kwaal | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Ga in vrede’ (ὕπαγε εἰς εἰρήνην, hypage eis eirenen) is een afscheidsgroet; vergelijk 1 Sam. 1:17. Zie ook: 1 Sam 1:17 ### De dochter van Jaïrus **5:35** Terwijl Hij nog sprak, kwamen er mensen van de synagogeleider. Zij zeiden: „Uw dochter is gestorven. Waarom valt u de leraar nog lastig?” Brontekst: Ἔτι (Eti) = nog | αὐτοῦ (autou) = Hij | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | ἔρχονται (erchontai) = komen | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | ἀρχισυναγώγου (archisynagogou) = synagogeleider | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἡ (He) = de | θυγάτηρ (thygater) = dochter | σου (sou) = uw | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf | τί (ti) = waarom | ἔτι (eti) = nog | σκύλλεις (skylleis) = u valt lastig | τὸν (ton) = de | διδάσκαλον (didaskalon) = leraar Bron: SBLGNT **5:36** Yeshua hoorde wat er gezegd werd en zei tegen de synagogeleider: **„Wees niet bang, geloof alleen.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | παρακούσας (parakousas) = hoorde | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | λαλούμενον (laloumenon) = gesproken wordend | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | ἀρχισυναγώγῳ (archisynagogo) = synagogeleider | Μὴ (Me) = niet | φοβοῦ (phobou) = wees bang | μόνον (monon) = alleen | πίστευε (pisteue) = geloof Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρακούσας (parakousas) kan ‘opvangen, horen’ betekenen, maar ook ‘niet luisteren naar, negeren’. Wij kiezen ‘hoorde’. **5:37** Hij liet niemand met Zich meegaan, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἀφῆκεν (apheken) = liet toe | οὐδένα (oudena) = niemand | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | συνακολουθῆσαι (synakolouthesai) = mee te volgen | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | τὸν (ton) = (de) | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = de | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | Ἰακώβου (Iakobou) = van Jakobus Bron: SBLGNT **5:38** Zij kwamen bij het huis van de synagogeleider. Hij zag een tumult: mensen die huilden en luid jammerden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | τοῦ (tou) = van de | ἀρχισυναγώγου (archisynagogou) = synagogeleider | καὶ (kai) = en | θεωρεῖ (theorei) = ziet | θόρυβον (thorybon) = tumult | καὶ (kai) = en | κλαίοντας (klaiontas) = huilenden | καὶ (kai) = en | ἀλαλάζοντας (alalazontas) = luid jammerenden | πολλά (polla) = veel Bron: SBLGNT **5:39** Hij ging naar binnen en zei tegen hen: **„Waarom maken jullie tumult en huilen jullie? Het kind is niet gestorven, maar slaapt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Τί (Ti) = waarom | θορυβεῖσθε (thorybeisthe) = maken tumult | καὶ (kai) = en | κλαίετε (klaiete) = huilen | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | οὐκ (ouk) = niet | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf | ἀλλὰ (alla) = maar | καθεύδει (katheudei) = slaapt Bron: SBLGNT **5:40** Zij lachten Hem uit. Maar Hij zette hen allen buiten. Hij nam de vader en de moeder van het kind en degenen die bij Hem waren mee. Hij ging naar binnen, naar waar het kind was. Brontekst: καὶ (kai) = en | κατεγέλων (kategelon) = lachten uit | αὐτοῦ (autou) = Hem | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | δὲ (de) = maar | ἐκβαλὼν (ekbalon) = uitgezet hebbend | πάντας (pantas) = allen | παραλαμβάνει (paralambanei) = neemt mee | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | τοῦ (tou) = van het | παιδίου (paidiou) = kind | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | εἰσπορεύεται (eisporeuetai) = gaat binnen | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind Bron: SBLGNT **5:41** Hij pakte de hand van het kind en zei tegen haar: **„Talitha koem”**, wat vertaald betekent: **„Meisje, Ik zeg je: sta op!”** Brontekst: καὶ (kai) = en | κρατήσας (kratesas) = vastgepakt hebbend | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | τοῦ (tou) = van het | παιδίου (paidiou) = kind | λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = haar | Ταλιθα (Talitha) = Talitha | κουμ (koum) = koem | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | μεθερμηνευόμενον (methermeneuomenon) = vertaald wordend | Τὸ (To) = het | κοράσιον (korasion) = meisje | σοὶ (soi) = tot jou | λέγω (lego) = Ik zeg | ἔγειρε (egeire) = sta op Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ταλιθα κουμ (talitha koum) is Aramees (niet Hebreeuws): talitha, ‘meisje’, en qum, ‘sta op’. Markus vertaalt het zelf. Wij laten de Aramese woorden staan. **5:42** Meteen stond het meisje op en liep rond, want zij was twaalf jaar oud. Meteen waren zij buiten zichzelf van grote verbazing. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀνέστη (aneste) = stond op | τὸ (to) = het | κοράσιον (korasion) = meisje | καὶ (kai) = en | περιεπάτει (periepatei) = liep rond | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | ἐτῶν (eton) = van jaren | δώδεκα (dodeka) = twaalf | καὶ (kai) = en | ἐξέστησαν (exestesan) = waren buiten zichzelf | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐκστάσει (ekstasei) = van verbazing | μεγάλῃ (megale) = grote Bron: SBLGNT **5:43** Hij gaf hun de strenge opdracht dat niemand dit te weten mocht komen. En Hij zei dat men haar te eten moest geven. Brontekst: καὶ (kai) = en | διεστείλατο (diesteilato) = gaf strenge opdracht | αὐτοῖς (autois) = hun | πολλὰ (polla) = veel | ἵνα (hina) = opdat | μηδεὶς (medeis) = niemand | γνοῖ (gnoi) = zou weten | τοῦτο (touto) = dit | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | δοθῆναι (dothenai) = gegeven te worden | αὐτῇ (aute) = haar | φαγεῖν (phagein) = te eten Bron: SBLGNT ## Markus 6 _Yeshua in Nazaret, de twaalf, de dood van Johannes en de 5000 mannen_ ### Yeshua in Zijn vaderstad **6:1** Hij vertrok vandaar en kwam in Zijn vaderstad. Zijn leerlingen volgden Hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | καὶ (kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = komt | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πατρίδα (patrida) = vaderstad | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἀκολουθοῦσιν (akolouthousin) = volgen | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret (Zijn vaderstad): Met ‘Zijn vaderstad’ wordt waarschijnlijk Nazaret bedoeld (zie Matteüs 2:23 en Markus 1:9), in Neder-Galilea. De naam staat hier niet in de tekst. Voetnoot Uitleg: πατρίς (patris), ‘vaderstad’: de plaats waar iemand thuishoort. Hier is het Nazaret (1:9; vergelijk Matt. 2:23). Voetnoot : Zie ook Matt. 13:53–58; Luc. 4:16–30. Zie ook: Mat 2:23; Mat 13:53–58; Luc 4:16–30 **6:2** Toen het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te onderwijzen. Velen die Hem hoorden, stonden versteld en zeiden: „Waar heeft Hij dit vandaan? Wat is dit voor wijsheid die Hem gegeven is? En wat zijn dit voor krachten die door Zijn handen gebeuren? Brontekst: καὶ (kai) = en | γενομένου (genomenou) = gekomen zijnde | σαββάτου (sabbatou) = sabbat | ἤρξατο (erxato) = begon | διδάσκειν (didaskein) = te onderwijzen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πολλοὶ (polloi) = velen | ἀκούοντες (akouontes) = horend | ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto) = stonden versteld | λέγοντες (legontes) = zeggend | Πόθεν (Pothen) = vanwaar | τούτῳ (touto) = aan deze | ταῦτα (tauta) = deze dingen | καὶ (kai) = en | τίς (tis) = wat | ἡ (he) = de | σοφία (sophia) = wijsheid | ἡ (he) = de | δοθεῖσα (dotheisa) = gegeven | τούτῳ (touto) = aan deze | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | δυνάμεις (dynameis) = krachten | τοιαῦται (toiautai) = zulke | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | χειρῶν (cheiron) = handen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | γινόμεναι (ginomenai) = gebeurend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δύναμις (dynamis), ‘kracht’: in het meervoud ‘krachten’, krachtige werken waarin Elohim werkt. Wij houden ‘kracht’ vast (5:30; 6:5; 6:14). Voetnoot : ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto), ‘stonden versteld’: zo geschokt dat men er niet bij kon. **6:3** Is Hij niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon? En wonen Zijn zusters niet hier bij ons?” En zij struikelden over Hem. Brontekst: οὐχ (ouch) = niet | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | τέκτων (tekton) = timmerman | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | τῆς (tes) = van de | Μαρίας (Marias) = Maria | καὶ (kai) = en | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | Ἰακώβου (Iakobou) = van Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωσῆτος (Iosetos) = Joses | καὶ (kai) = en | Ἰούδα (Iouda) = Judas | καὶ (kai) = en | Σίμωνος (Simonos) = Simon | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | εἰσὶν (eisin) = zijn | αἱ (hai) = de | ἀδελφαὶ (adelphai) = zusters | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὧδε (hode) = hier | πρὸς (pros) = bij | ἡμᾶς (hemas) = ons | καὶ (kai) = en | ἐσκανδαλίζοντο (eskandalizonto) = struikelden | ἐν (en) = over | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τέκτων (tekton), ‘timmerman’: iemand die met hout bouwt of maakt. Voetnoot : Ἰωσῆτος (Ioseto) is een vorm van de naam Jozef; wij schrijven ‘Joses’. Ἰούδας (Ioudas), ‘Judas’, is hier een broer van Yeshua, niet Judas Iskariot (zoals Matt. 13:55). Voetnoot : ἐσκανδαλίζοντο (eskandalizonto): σκανδαλίζω (skandalizo) is ‘laten struikelen’; wij vertalen het overal zo (zie 9:42). Hier staat de lijdende vorm: zij struikelden over Hem en wilden Hem niet aannemen. Zie ook Matt. 13:57. Zie ook: Mat 13:55; Mat 13:57 **6:4** Yeshua zei tegen hen: **„Een profeet is niet zonder eer, behalve in zijn eigen vaderstad, onder zijn verwanten en in zijn eigen huis.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | προφήτης (prophetes) = profeet | ἄτιμος (atimos) = zonder eer | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πατρίδι (patridi) = vaderstad | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | συγγενεῦσιν (syngeneusin) = verwanten | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret (Zijn vaderstad): Met ‘Zijn vaderstad’ wordt waarschijnlijk Nazaret bedoeld (zie Matteüs 2:23 en Markus 1:9), in Neder-Galilea. De naam staat hier niet in de tekst. **6:5** Hij kon daar geen enkele kracht doen, behalve dat Hij enkele zieken de handen oplegde en hen genas. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐδύνατο (edynato) = kon | ἐκεῖ (ekei) = daar | ποιῆσαι (poiesai) = doen | οὐδεμίαν (oudemian) = geen enkele | δύναμιν (dynamin) = kracht | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ὀλίγοις (oligois) = aan weinige | ἀρρώστοις (arrostois) = zieken | ἐπιθεὶς (epitheis) = opleggend | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas Bron: SBLGNT **6:6** Hij verbaasde Zich over hun ongeloof. Hij trok door de dorpen in de omtrek en onderwees. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐθαύμαζεν (ethaumazen) = verbaasde Zich | διὰ (dia) = vanwege | τὴν (ten) = de | ἀπιστίαν (apistian) = ongeloof | αὐτῶν (auton) = hun | Καὶ (Kai) = en | περιῆγεν (periegen) = trok rond | τὰς (tas) = de | κώμας (komas) = dorpen | κύκλῳ (kyklo) = rondom | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend Bron: SBLGNT ### De twaalf worden uitgezonden **6:7** Hij riep de twaalf bij Zich en begon hen twee aan twee uit te zenden. Hij gaf hun gezag over de onreine geesten. Brontekst: καὶ (kai) = en | προσκαλεῖται (proskaleitai) = roept bij Zich | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | καὶ (kai) = en | ἤρξατο (erxato) = begon | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀποστέλλειν (apostellein) = uit te zenden | δύο (dyo) = twee | δύο (dyo) = twee | καὶ (kai) = en | ἐδίδου (edidou) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | τῶν (ton) = over de | πνευμάτων (pneumaton) = geesten | τῶν (ton) = de | ἀκαθάρτων (akatharton) = onreine Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te handelen in opdracht van Yeshua. Zie ook Matt. 10:1, 5–15; Luc. 9:1–6. Zie ook: Mat 10:1; Luc 9:1–6 **6:8** Hij gebood hun niets mee te nemen voor onderweg, behalve alleen een staf: geen brood, geen reistas, geen koper in de gordel, Brontekst: καὶ (kai) = en | παρήγγειλεν (parengeilen) = gebood | αὐτοῖς (autois) = hun | ἵνα (hina) = opdat | μηδὲν (meden) = niets | αἴρωσιν (airosin) = zij meenemen | εἰς (eis) = voor | ὁδὸν (hodon) = weg | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ῥάβδον (rhabdon) = staf | μόνον (monon) = alleen | μὴ (me) = geen | ἄρτον (arton) = brood | μὴ (me) = geen | πήραν (peran) = reistas | μὴ (me) = geen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | ζώνην (zonen) = gordel | χαλκόν (chalkon) = koper Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χαλκός (chalkos), ‘koper’: kopergeld. De gordel was de band om het middel waarin men geld bewaarde. πήρα (pera), ‘reistas’: een tas voor onderweg. **6:9** maar wel sandalen aan te doen: **„Trek geen twee hemden aan.”** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ὑποδεδεμένους (hypodedemenous) = aangebonden hebbend | σανδάλια (sandalia) = sandalen | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἐνδύσησθε (endysesthe) = trek aan | δύο (dyo) = twee | χιτῶνας (chitonas) = hemden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks gaat hier midden in de zin over van weergegeven rede (‘gebood hun … sandalen aan te doen’) op rechtstreekse rede (‘trek niet aan’). Wij volgen dat. χιτών (chiton), ‘hemd’: het lange kledingstuk dat men onder de mantel droeg. **6:10** Hij zei tegen hen: **„Waar jullie ook een huis binnengaan, blijf daar tot jullie van daar vertrekken.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Ὅπου (Hopou) = waar | ἐὰν (ean) = ook | εἰσέλθητε (eiselthete) = jullie binnengaan | εἰς (eis) = in | οἰκίαν (oikian) = huis | ἐκεῖ (ekei) = daar | μένετε (menete) = blijf | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = ooit | ἐξέλθητε (exelthete) = jullie vertrekken | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar Bron: SBLGNT **6:11** **Als een plaats jullie niet ontvangt en men niet naar jullie luistert, vertrek dan van daar. Schud het stof onder jullie voeten af, als getuigenis voor hen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = welke | ἂν (an) = ooit | τόπος (topos) = plaats | μὴ (me) = niet | δέξηται (dexetai) = ontvangt | ὑμᾶς (hymas) = jullie | μηδὲ (mede) = noch | ἀκούσωσιν (akousosin) = zij luisteren | ὑμῶν (hymon) = naar jullie | ἐκπορευόμενοι (ekporeuomenoi) = vertrekkend | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | ἐκτινάξατε (ektinaxate) = schud af | τὸν (ton) = het | χοῦν (choun) = stof | τὸν (ton) = het | ὑποκάτω (hypokato) = onder | τῶν (ton) = de | ποδῶν (podon) = voeten | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰς (eis) = tot | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis | αὐτοῖς (autois) = voor hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς μαρτύριον αὐτοῖς (eis martyrion autois), ‘als getuigenis voor hen’: het kan ook ‘tegen hen’ betekenen. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:14; Luc. 9:5. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een toevoeging over Sodom en Gomorra op de dag van het oordeel; vergelijk Matt. 10:15. Wij vertalen alleen wat in de SBLGNT staat. Zie ook: Mat 10:14; Mat 10:15; Luc 9:5 **6:12** Zij gingen eropuit en verkondigden dat men zich moest bekeren. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | ἐκήρυξαν (ekeryxan) = verkondigden | ἵνα (hina) = opdat | μετανοῶσιν (metanoosin) = zij zich bekeren Bron: SBLGNT **6:13** Zij dreven veel demonen uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen. Brontekst: καὶ (kai) = en | δαιμόνια (daimonia) = demonen | πολλὰ (polla) = vele | ἐξέβαλλον (exeballon) = dreven uit | καὶ (kai) = en | ἤλειφον (eleiphon) = zalfden | ἐλαίῳ (elaio) = met olie | πολλοὺς (pollous) = vele | ἀρρώστους (arrostous) = zieken | καὶ (kai) = en | ἐθεράπευον (etherapeuon) = genazen Bron: SBLGNT ### Herodes en Johannes de Doper **6:14** Koning Herodes hoorde ervan, want Zijn naam was bekend geworden. Men zei: „Johannes de Doper is opgewekt uit de doden, en daarom werken de krachten in hem.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἤκουσεν (ekousen) = hoorde | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | φανερὸν (phaneron) = bekend | γὰρ (gar) = want | ἐγένετο (egeneto) = werd | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ὁ (ho) = de | βαπτίζων (baptizon) = Doper | ἐγήγερται (egegertai) = is opgewekt | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = daarom | τοῦτο (touto) = dit | ἐνεργοῦσιν (energousin) = werken | αἱ (hai) = de | δυνάμεις (dynameis) = krachten | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Herodes Antipas, een zoon van de Herodes uit Matt. 2:1, heerste over Galilea. Matteüs noemt hem ‘viervorst’ (Matt. 14:1); Markus noemt hem ‘koning’. Voetnoot : Zie ook Matt. 14:1–2; Luc. 9:7–9. Voetnoot Lezing: In latere handschriften staat ‘hij zei’ (Herodes) in plaats van ‘men zei’. Zie ook: Mat 2:1; Mat 14:1; Luc 9:7–9 **6:15** Anderen zeiden: „Hij is Elia.” Weer anderen zeiden: „Een profeet, zoals een van de profeten.” Brontekst: ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Ἠλίας (Elias) = Elia | ἐστίν (estin) = is | ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | προφήτης (prophetes) = profeet | ὡς (hos) = als | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Elia werd terugverwacht voordat de dag van Yahweh komt (Mal. 3:23; in de Nederlandse telling is dit 4:5). Zie ook: Mal 3:23 **6:16** Toen Herodes dit hoorde, zei hij: „Johannes, die ik heb laten onthoofden, die is opgewekt.” Brontekst: ἀκούσας (akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ἔλεγεν (elegen) = zei | Ὃν (Hon) = die | ἐγὼ (ego) = ik | ἀπεκεφάλισα (apekephalisa) = onthoofdde | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | οὗτος (houtos) = deze | ἠγέρθη (egerthe) = werd opgewekt Bron: SBLGNT **6:17** Want Herodes zelf had Johannes laten grijpen en in de gevangenis laten vastbinden. Dat deed hij vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. Herodes was namelijk met haar getrouwd. Brontekst: Αὐτὸς (Autos) = zelf | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ἀποστείλας (aposteilas) = gezonden hebbend | ἐκράτησεν (ekratesen) = greep | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | καὶ (kai) = en | ἔδησεν (edesen) = bond | αὐτὸν (auton) = hem | ἐν (en) = in | φυλακῇ (phylake) = gevangenis | διὰ (dia) = vanwege | Ἡρῳδιάδα (Herodiada) = Herodias | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | Φιλίππου (Philippou) = van Filippus | τοῦ (tou) = de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὅτι (hoti) = omdat | αὐτὴν (auten) = haar | ἐγάμησεν (egamesen) = trouwde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 14:3–12. Herodias was eerst getrouwd met Filippus, een broer van Herodes. De wet verbiedt de vrouw van een broer te hebben (Lev. 18:16). Het Grieks heeft ‘gezonden hebbend greep hij’: wij vullen aan dat Herodes iemand zond om Johannes te laten grijpen. Zie ook: Lev 18:16; Mat 14:3–12 **6:18** Johannes zei steeds tegen Herodes: „Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.” Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = zei | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | τῷ (to) = aan de | Ἡρῴδῃ (Herode) = Herodes | ὅτι (hoti) = dat | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔξεστίν (exestin) = geoorloofd | σοι (soi) = u | ἔχειν (echein) = te hebben | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | τοῦ (tou) = van de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer | σου (sou) = uw Bron: SBLGNT **6:19** Herodias had een wrok tegen hem en wilde hem doden, maar zij kon het niet. Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | Ἡρῳδιὰς (Herodias) = Herodias | ἐνεῖχεν (eneichen) = had een wrok | αὐτῷ (auto) = tegen hem | καὶ (kai) = en | ἤθελεν (ethelen) = wilde | αὐτὸν (auton) = hem | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = doden | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠδύνατο (edynato) = kon Bron: SBLGNT **6:20** Want Herodes was bang voor Johannes. Hij wist dat deze een rechtvaardig en heilig man was, en hij beschermde hem. Als hij naar hem luisterde, wist hij zich geen raad, en toch luisterde hij graag naar hem. Brontekst: ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ἐφοβεῖτο (ephobeito) = was bang | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | εἰδὼς (eidos) = wetend | αὐτὸν (auton) = hem | ἄνδρα (andra) = man | δίκαιον (dikaion) = rechtvaardig | καὶ (kai) = en | ἅγιον (hagion) = heilig | καὶ (kai) = en | συνετήρει (syneterei) = beschermde | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | αὐτοῦ (autou) = hem | πολλὰ (polla) = veel | ἠπόρει (eporei) = wist zich geen raad | καὶ (kai) = en | ἡδέως (hedeos) = graag | αὐτοῦ (autou) = hem | ἤκουεν (ekouen) = luisterde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardig’: iemand die leeft zoals Elohim het wil. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat ‘hij deed veel dingen’ (ἐποίει) in plaats van ‘hij wist zich geen raad’ (ἠπόρει). **6:21** Er kwam een gunstige dag. Herodes gaf voor zijn verjaardag een maaltijd voor zijn hooggeplaatsten, de legeroversten en de voornaamsten van Galilea. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | γενομένης (genomenes) = gekomen zijnde | ἡμέρας (hemeras) = dag | εὐκαίρου (eukairou) = gunstige | ὅτε (hote) = toen | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | τοῖς (tois) = aan de | γενεσίοις (genesiois) = verjaardag | αὐτοῦ (autou) = zijn | δεῖπνον (deipnon) = maaltijd | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | τοῖς (tois) = aan de | μεγιστᾶσιν (megistasin) = hooggeplaatsten | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | χιλιάρχοις (chiliarchois) = legeroversten | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | πρώτοις (protois) = voornaamsten | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: γενέσια (genesia), ‘verjaardag’: het feest op de geboortedag. μεγιστᾶνες (megistanes), ‘hooggeplaatsten’: de hoogste functionarissen. χιλίαρχος (chiliarchos), ‘legeroverste’: een aanvoerder van een legerafdeling. **6:22** De dochter van Herodias zelf kwam binnen en danste. Dat beviel Herodes en wie met hem aanlagen. De koning zei tegen het meisje: „Vraag mij wat je maar wilt, en ik zal het je geven.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσελθούσης (eiselthouses) = binnengekomen | τῆς (tes) = de | θυγατρὸς (thygatros) = dochter | αὐτῆς (autes) = haar | τῆς (tes) = de | Ἡρῳδιάδος (Herodiados) = Herodias | καὶ (kai) = en | ὀρχησαμένης (orchesamenes) = gedanst hebbend | καὶ (kai) = en | ἀρεσάσης (aresases) = behaagd hebbend | τῷ (to) = aan de | Ἡρῴδῃ (Herode) = Herodes | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | συνανακειμένοις (synanakeimenois) = aanliggenden | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῷ (to) = aan het | κορασίῳ (korasio) = meisje | Αἴτησόν (Aiteson) = vraag | με (me) = mij | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = ooit | θέλῃς (theles) = je wilt | καὶ (kai) = en | δώσω (doso) = ik zal geven | σοι (soi) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In sommige oude handschriften staat ‘zijn dochter Herodias’ in plaats van ‘de dochter van Herodias zelf’. Wij volgen de SBLGNT. **6:23** Hij zwoer haar: „Alles wat je mij vraagt, zal ik je geven, tot de helft van mijn koninkrijk.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ὤμοσεν (omosen) = zwoer | αὐτῇ (aute) = haar | Ὅ (Ho) = wat | τι (ti) = ook | ἐάν (ean) = ooit | με (me) = mij | αἰτήσῃς (aiteses) = je vraagt | δώσω (doso) = ik zal geven | σοι (soi) = je | ἕως (heos) = tot | ἡμίσους (hemisous) = helft | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **6:24** Zij ging naar buiten en zei tegen haar moeder: „Wat moet ik vragen?” Haar moeder zei: „Het hoofd van Johannes de Doper.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθοῦσα (exelthousa) = uitgegaan | εἶπεν (eipen) = zei | τῇ (te) = aan de | μητρὶ (metri) = moeder | αὐτῆς (autes) = haar | Τί (Ti) = wat | αἰτήσωμαι (aitesomai) = zal ik vragen | ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Τὴν (Ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | τοῦ (tou) = de | βαπτίζοντος (baptizontos) = dopende Bron: SBLGNT **6:25** Meteen ging zij haastig naar de koning en vroeg: „Ik wil dat u mij onmiddellijk op een schaal het hoofd van Johannes de Doper geeft.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσελθοῦσα (eiselthousa) = binnengekomen | εὐθὺς (euthys) = meteen | μετὰ (meta) = met | σπουδῆς (spoudes) = haast | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | βασιλέα (basilea) = koning | ᾐτήσατο (etesato) = vroeg | λέγουσα (legousa) = zeggend | Θέλω (Thelo) = ik wil | ἵνα (hina) = opdat | ἐξαυτῆς (exautes) = onmiddellijk | δῷς (dos) = u geeft | μοι (moi) = mij | ἐπὶ (epi) = op | πίνακι (pinaki) = schaal | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | τοῦ (tou) = de | βαπτιστοῦ (baptistou) = Doper Bron: SBLGNT **6:26** De koning werd diep bedroefd, maar vanwege zijn eden en degenen die aanlagen wilde hij haar niet afwijzen. Brontekst: καὶ (kai) = en | περίλυπος (perilypos) = bedroefd | γενόμενος (genomenos) = geworden | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | διὰ (dia) = vanwege | τοὺς (tous) = de | ὅρκους (horkous) = eden | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἀνακειμένους (anakeimenous) = aanliggenden | οὐκ (ouk) = niet | ἠθέλησεν (ethelesen) = wilde | ἀθετῆσαι (athetesai) = afwijzen | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT **6:27** Meteen zond de koning een lijfwachtsoldaat en beval zijn hoofd te brengen. Die ging weg en onthoofdde hem in de gevangenis. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀποστείλας (aposteilas) = gezonden hebbend | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | σπεκουλάτορα (spekoulatora) = lijfwachtsoldaat | ἐπέταξεν (epetaxen) = beval | ἐνέγκαι (enenkai) = te brengen | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀπελθὼν (apelthon) = weggegaan | ἀπεκεφάλισεν (apekephalisen) = onthoofdde | αὐτὸν (auton) = hem | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | φυλακῇ (phylake) = gevangenis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπεκουλάτωρ (spekoulator) is een Latijns leenwoord (speculator): een soldaat van de lijfwacht die ook als bode of beul diende. **6:28** Hij bracht zijn hoofd op een schaal en gaf het aan het meisje. Het meisje gaf het aan haar moeder. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤνεγκεν (enenken) = bracht | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐπὶ (epi) = op | πίνακι (pinaki) = schaal | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτὴν (auten) = het | τῷ (to) = aan het | κορασίῳ (korasio) = meisje | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | κοράσιον (korasion) = meisje | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτὴν (auten) = het | τῇ (te) = aan de | μητρὶ (metri) = moeder | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT **6:29** Toen zijn leerlingen dit hoorden, kwamen zij, namen zijn lichaam mee en legden het in een graf. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἦλθον (elthon) = kwamen | καὶ (kai) = en | ἦραν (eran) = namen mee | τὸ (to) = het | πτῶμα (ptoma) = lichaam | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἔθηκαν (ethekan) = legden | αὐτὸ (auto) = het | ἐν (en) = in | μνημείῳ (mnemeio) = graf Bron: SBLGNT ### De apostelen komen terug **6:30** De apostelen kwamen bij Yeshua samen en vertelden Hem alles wat zij gedaan en wat zij onderwezen hadden. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | συνάγονται (synagontai) = verzamelen zich | οἱ (hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | αὐτῷ (auto) = Hem | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = hoeveel | ἐποίησαν (epoiesan) = zij deden | καὶ (kai) = en | ὅσα (hosa) = hoeveel | ἐδίδαξαν (edidaxan) = zij onderwezen Bron: SBLGNT **6:31** Hij zei tegen hen: **„Kom, jullie zelf, apart naar een verlaten plaats en rust een poos uit.”** Want er waren velen die kwamen en gingen. Zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten. Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Δεῦτε (Deute) = kom | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | αὐτοὶ (autoi) = zelf | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | εἰς (eis) = naar | ἔρημον (eremon) = verlaten | τόπον (topon) = plaats | καὶ (kai) = en | ἀναπαύσασθε (anapausasthe) = rust uit | ὀλίγον (oligon) = een weinig | ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | οἱ (hoi) = de | ἐρχόμενοι (erchomenoi) = komenden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ὑπάγοντες (hypagontes) = gaanden | πολλοί (polloi) = velen | καὶ (kai) = en | οὐδὲ (oude) = zelfs niet | φαγεῖν (phagein) = te eten | εὐκαίρουν (eukairoun) = hadden gelegenheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔρημος τόπος (eremos topos), ‘verlaten plaats’: een onbewoonde streek. Welke plaats het is, zegt de tekst niet. **6:32** Zij vertrokken in de boot naar een verlaten plaats, apart. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πλοίῳ (ploio) = boot | εἰς (eis) = naar | ἔρημον (eremon) = verlaten | τόπον (topon) = plaats | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering Bron: SBLGNT **6:33** Velen zagen hen gaan en herkenden hen. Uit alle steden liepen zij te voet samen daarheen en gingen hen voor. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶδον (eidon) = zagen | αὐτοὺς (autous) = hen | ὑπάγοντας (hypagontas) = gaande | καὶ (kai) = en | ἐπέγνωσαν (epegnosan) = herkenden | πολλοί (polloi) = velen | καὶ (kai) = en | πεζῇ (peze) = te voet | ἀπὸ (apo) = uit | πασῶν (pason) = alle | τῶν (ton) = de | πόλεων (poleon) = steden | συνέδραμον (synedramon) = liepen samen | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = en | προῆλθον (proelthon) = gingen voor | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **6:34** Toen Hij naar buiten kwam, zag Hij een grote menigte. Hij had medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder. En Hij begon hen veel te onderwijzen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | εἶδεν (eiden) = zag | πολὺν (polyn) = grote | ὄχλον (ochlon) = menigte | καὶ (kai) = en | ἐσπλαγχνίσθη (esplanchnisthe) = had medelijden | ἐπ’ (ep’) = met | αὐτοὺς (autous) = hen | ὅτι (hoti) = want | ἦσαν (esan) = waren | ὡς (hos) = als | πρόβατα (probata) = schapen | μὴ (me) = niet | ἔχοντα (echonta) = hebbende | ποιμένα (poimena) = herder | καὶ (kai) = en | ἤρξατο (erxato) = begon | διδάσκειν (didaskein) = te onderwijzen | αὐτοὺς (autous) = hen | πολλά (polla) = veel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden hebben’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, de plaats van diepe gevoelens. Voetnoot : Het beeld van schapen zonder herder komt uit Num. 27:17, waar Mozes om een leider voor het volk vraagt: ‘kleinvee dat geen herder heeft’. Zie ook: Num 27:17 ### Yeshua geeft 5000 mannen te eten **6:35** Toen het al erg laat geworden was, kwamen Zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden: „Deze plaats is verlaten en het is al erg laat. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἤδη (ede) = al | ὥρας (horas) = uur | πολλῆς (polles) = veel | γενομένης (genomenes) = geworden | προσελθόντες (proselthontes) = genaderd | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Ἔρημός (Eremos) = verlaten | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | τόπος (topos) = plaats | καὶ (kai) = en | ἤδη (ede) = al | ὥρα (hora) = uur | πολλή (polle) = veel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 14:13–21; Luc. 9:10–17; Joh. 6:1–15. Zie ook: Mat 14:13–21; Luc 9:10–17; Joh 6:1–15 **6:36** Stuur hen weg, zodat zij naar de landerijen en dorpen in de omtrek gaan en iets te eten voor zichzelf kopen.” Brontekst: ἀπόλυσον (apolyson) = stuur weg | αὐτούς (autous) = hen | ἵνα (hina) = opdat | ἀπελθόντες (apelthontes) = weggegaan | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | κύκλῳ (kyklo) = rondom | ἀγροὺς (agrous) = landerijen | καὶ (kai) = en | κώμας (komas) = dorpen | ἀγοράσωσιν (agorasosin) = zij kopen | ἑαυτοῖς (heautois) = voor zichzelf | τί (ti) = wat | φάγωσιν (phagosin) = zij eten Bron: SBLGNT **6:37** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Geef hun zelf te eten.”** Zij zeiden tegen Hem: „Moeten wij weggaan en voor 200 denarie brood kopen en hun te eten geven?” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Δότε (Dote) = geef | αὐτοῖς (autois) = hun | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | φαγεῖν (phagein) = te eten | καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἀπελθόντες (Apelthontes) = weggegaan | ἀγοράσωμεν (agorasomen) = laten wij kopen | δηναρίων (denarion) = denarie | διακοσίων (diakosion) = 200 | ἄρτους (artous) = broden | καὶ (kai) = en | δώσομεν (dosomen) = zullen wij geven | αὐτοῖς (autois) = hun | φαγεῖν (phagein) = te eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een denarie was een zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 200 denarie is dus het loon van ongeveer 200 werkdagen. **6:38** Hij zei tegen hen: **„Hoeveel broden hebben jullie? Ga kijken.”** Toen zij het wisten, zeiden zij: „Vijf, en twee vissen.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Πόσους (Posous) = hoeveel | ἔχετε (echete) = hebben jullie | ἄρτους (artous) = broden | ὑπάγετε (hypagete) = ga | ἴδετε (idete) = kijk | καὶ (kai) = en | γνόντες (gnontes) = wetend | λέγουσιν (legousin) = zeggen | Πέντε (Pente) = vijf | καὶ (kai) = en | δύο (dyo) = twee | ἰχθύας (ichthyas) = vissen Bron: SBLGNT **6:39** Hij gebood hun allen in groepen te gaan zitten op het groene gras. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπέταξεν (epetaxen) = gebood | αὐτοῖς (autois) = hun | ἀνακλῖναι (anaklinai) = te laten zitten | πάντας (pantas) = allen | συμπόσια (symposia) = groepen | συμπόσια (symposia) = groepen | ἐπὶ (epi) = op | τῷ (to) = het | χλωρῷ (chloro) = groene | χόρτῳ (chorto) = gras Bron: SBLGNT **6:40** Zij gingen zitten, vak na vak, per 100 en per 50. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀνέπεσαν (anepesan) = gingen zitten | πρασιαὶ (prasiai) = vakken | πρασιαὶ (prasiai) = vakken | κατὰ (kata) = per | ἑκατὸν (hekaton) = 100 | καὶ (kai) = en | κατὰ (kata) = per | πεντήκοντα (pentekonta) = 50 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συμπόσια (symposia) is letterlijk ‘gezelschappen aan tafel’; πρασιά (prasia) is een ‘tuinbed’, een rechthoekig vak. Het beeld is dat de menigte in vakken zat, als bedden in een tuin. **6:41** Hij nam de 5 broden en de 2 vissen, keek op naar de hemel, sprak de zegen uit en brak de broden. Hij gaf ze aan Zijn leerlingen om ze hun voor te zetten. Ook de 2 vissen verdeelde Hij onder allen. Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | τοὺς (tous) = de | πέντε (pente) = 5 | ἄρτους (artous) = broden | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | δύο (dyo) = 2 | ἰχθύας (ichthyas) = vissen | ἀναβλέψας (anablepsas) = opkijkend | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | εὐλόγησεν (eulogesen) = sprak de zegen uit | καὶ (kai) = en | κατέκλασεν (kateklasen) = brak | τοὺς (tous) = de | ἄρτους (artous) = broden | καὶ (kai) = en | ἐδίδου (edidou) = gaf | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἵνα (hina) = opdat | παρατιθῶσιν (paratithosin) = zij voorzetten | αὐτοῖς (autois) = hun | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | δύο (dyo) = 2 | ἰχθύας (ichthyas) = vissen | ἐμέρισεν (emerisen) = verdeelde | πᾶσιν (pasin) = aan allen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’: het Grieks noemt geen voorwerp. Wij schrijven ‘sprak de zegen uit’, zoals in Matt. 14:19. Zie ook: Mat 14:19 **6:42** Allen aten en werden verzadigd. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔφαγον (ephagon) = aten | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = en | ἐχορτάσθησαν (echortasthesan) = werden verzadigd Bron: SBLGNT **6:43** Zij namen twaalf manden vol stukken op, en ook van de vissen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦραν (eran) = namen op | κλάσματα (klasmata) = stukken | δώδεκα (dodeka) = twaalf | κοφίνων (kophinon) = manden | πληρώματα (pleromata) = vullingen | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ἰχθύων (ichthyon) = vissen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόφινος (kophinos), ‘mand’. In 8:8 staat een ander woord, σπυρίς (spyris), ‘grote mand’; in 8:19–20 houdt Yeshua beide woorden uit elkaar. **6:44** Zij die van de broden gegeten hadden, waren 5000 mannen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦσαν (esan) = waren | οἱ (hoi) = de | φαγόντες (phagontes) = gegeten hebbenden | τοὺς (tous) = de | ἄρτους (artous) = broden | πεντακισχίλιοι (pentakischilioi) = 5000 | ἄνδρες (andres) = mannen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄνδρες (andres), ‘mannen’: het getal telt alleen de volwassen mannen. ### Yeshua loopt over de zee **6:45** Meteen dwong Hij Zijn leerlingen in de boot te stappen en vooruit naar de overkant te gaan, naar Betsaïda, totdat Hij de menigte had weggestuurd. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἠνάγκασεν (enankasen) = dwong | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐμβῆναι (embenai) = in te stappen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | καὶ (kai) = en | προάγειν (proagein) = vooruit te gaan | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant | πρὸς (pros) = naar | Βηθσαϊδάν (Bethsaidan) = Betsaïda | ἕως (heos) = totdat | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | ἀπολύει (apolyei) = wegstuurt | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan. Ook el-Araj is voorgesteld. Voetnoot Uitleg: Betsaïda ligt aan de noordkant van het meer van Galilea. De precieze ligging is niet zeker. **6:46** Nadat Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij naar de berg om te bidden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποταξάμενος (apotaxamenos) = afscheid genomen hebbend | αὐτοῖς (autois) = van hen | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | ὄρος (oros) = berg | προσεύξασθαι (proseuxasthai) = om te bidden Bron: SBLGNT **6:47** Toen het avond geworden was, was de boot midden op de zee, en Hij was alleen op het land. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὀψίας (opsias) = avond | γενομένης (genomenes) = geworden | ἦν (en) = was | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | τῆς (tes) = van de | θαλάσσης (thalasses) = zee | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | μόνος (monos) = alleen | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = land Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. **6:48** Hij zag dat zij zich afbeulden met roeien, want de wind was hun tegen. Rond de vierde nachtwake kwam Hij naar hen toe, lopend over de zee. Hij wilde hen voorbijgaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziende | αὐτοὺς (autous) = hen | βασανιζομένους (basanizomenous) = gekweld | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ἐλαύνειν (elaunein) = roeien | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | ἄνεμος (anemos) = wind | ἐναντίος (enantios) = tegen | αὐτοῖς (autois) = hun | περὶ (peri) = omstreeks | τετάρτην (tetarten) = vierde | φυλακὴν (phylaken) = wake | τῆς (tes) = van de | νυκτὸς (nyktos) = nacht | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | περιπατῶν (peripaton) = lopend | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | θαλάσσης (thalasses) = zee | καὶ (kai) = en | ἤθελεν (ethelen) = wilde | παρελθεῖν (parelthein) = voorbijgaan | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: De nacht was verdeeld in vier wakes. De vierde nachtwake is ongeveer van drie tot zes uur ’s ochtends. Voetnoot : Zie ook Matt. 14:22–33; Joh. 6:16–21. Zie ook: Mat 14:22–33; Joh 6:16–21 **6:49** Toen zij Hem over de zee zagen lopen, dachten zij dat het een spook was en schreeuwden het uit. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἰδόντες (idontes) = ziende | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | θαλάσσης (thalasses) = zee | περιπατοῦντα (peripatounta) = lopend | ἔδοξαν (edoxan) = dachten | ὅτι (hoti) = dat | φάντασμά (phantasma) = spook | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | ἀνέκραξαν (anekraxan) = gilden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. **6:50** Want allen zagen Hem en waren ontsteld. Meteen sprak Hij met hen en zei tegen hen: **„Heb moed! Ik ben het. Wees niet bang.”** Brontekst: πάντες (pantes) = allen | γὰρ (gar) = want | αὐτὸν (auton) = Hem | εἶδον (eidon) = zagen | καὶ (kai) = en | ἐταράχθησαν (etarachthesan) = werden ontsteld | ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Θαρσεῖτε (Tharseite) = heb moed | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | μὴ (me) = niet | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi) is letterlijk ‘Ik ben’. In dit verband betekent het ‘Ik ben het’. Vergelijk Exod. 3:14, waar Elohim zegt: ‘Ik ben die Ik ben’. Zie ook: Ex 3:14 **6:51** Hij ging bij hen in de boot, en de wind ging liggen. Zij stonden diep in zichzelf volkomen versteld. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀνέβη (anebe) = steeg | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | καὶ (kai) = en | ἐκόπασεν (ekopasen) = ging liggen | ὁ (ho) = de | ἄνεμος (anemos) = wind | καὶ (kai) = en | λίαν (lian) = zeer | ἐκ (ek) = uit | περισσοῦ (perissou) = overvloed | ἐν (en) = in | ἑαυτοῖς (heautois) = zichzelf | ἐξίσταντο (existanto) = stonden versteld Bron: SBLGNT **6:52** Want zij hadden het bij de broden niet ingezien, maar hun hart was verhard. Brontekst: οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | συνῆκαν (synekan) = ingezien | ἐπὶ (epi) = over | τοῖς (tois) = de | ἄρτοις (artois) = broden | ἀλλ’ (all’) = maar | ἦν (en) = was | αὐτῶν (auton) = hun | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | πεπωρωμένη (peporomene) = verhard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πωρόω (poroo), ‘verharden’: het hart wordt ongevoelig, zodat men niet begrijpt wat men ziet. ### Yeshua geneest in Gennesaret **6:53** Zij staken over, kwamen aan land bij Gennesaret en legden aan. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | διαπεράσαντες (diaperasantes) = overgestoken | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ἦλθον (elthon) = kwamen | εἰς (eis) = naar | Γεννησαρὲτ (Gennesaret) = Gennesaret | καὶ (kai) = en | προσωρμίσθησαν (prosormisthesan) = legden aan Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Gennesaret: Gennesaret is de vruchtbare vlakte aan de noordwestkant van het meer van Galilea, ten zuiden van Kapernaüm. Voetnoot Uitleg: Gennesaret is een vruchtbare vlakte aan de westkant van het meer van Galilea. Zie ook Matt. 14:34–36. Zie ook: Mat 14:34–36 **6:54** Toen zij uit de boot stapten, herkenden mensen Hem meteen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθόντων (exelthonton) = uitgestapt zijnde | αὐτῶν (auton) = zij | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πλοίου (ploiou) = boot | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐπιγνόντες (epignontes) = herkennend | αὐτὸν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **6:55** Zij liepen door heel die streek en begonnen de zieken op draagmatten te brengen naar waar zij hoorden dat Hij was. Brontekst: περιέδραμον (periedramon) = liepen rond | ὅλην (holen) = hele | τὴν (ten) = de | χώραν (choran) = streek | ἐκείνην (ekeinen) = die | καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | ἐπὶ (epi) = op | τοῖς (tois) = de | κραβάττοις (krabattois) = draagmatten | τοὺς (tous) = de | κακῶς (kakos) = slecht | ἔχοντας (echontas) = hebbenden | περιφέρειν (peripherein) = rond te dragen | ὅπου (hopou) = waar | ἤκουον (ekouon) = zij hoorden | ὅτι (hoti) = dat | ἐστίν (estin) = Hij is Bron: SBLGNT **6:56** Overal waar Hij dorpen, steden of landerijen binnenging, legden zij de zieken op de markten. Zij smeekten Hem of zij alleen de kwast van Zijn mantel mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden gered. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅπου (hopou) = waar | ἂν (an) = ooit | εἰσεπορεύετο (eiseporeueto) = Hij binnenging | εἰς (eis) = in | κώμας (komas) = dorpen | ἢ (e) = of | εἰς (eis) = in | πόλεις (poleis) = steden | ἢ (e) = of | εἰς (eis) = in | ἀγροὺς (agrous) = landerijen | ἐν (en) = op | ταῖς (tais) = de | ἀγοραῖς (agorais) = markten | ἐτίθεσαν (etithesan) = legden | τοὺς (tous) = de | ἀσθενοῦντας (asthenountas) = zieken | καὶ (kai) = en | παρεκάλουν (parekaloun) = smeekten | αὐτὸν (auton) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | κἂν (kan) = al was het maar | τοῦ (tou) = van de | κρασπέδου (kraspedou) = kwast | τοῦ (tou) = van het | ἱματίου (himatiou) = mantel | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἅψωνται (hapsontai) = zij aanraken | καὶ (kai) = en | ὅσοι (hosoi) = zovelen | ἂν (an) = ooit | ἥψαντο (hepsanto) = raakten aan | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἐσῴζοντο (esozonto) = werden gered Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κράσπεδον (kraspedon), ‘kwast’ of ‘rand’: de Israëlieten moesten kwasten maken aan de hoeken van hun kleren (Num. 15:38–39). Voetnoot : σῴζω (sozo), ‘redden’: hier gaat het om redding van ziekte, dus genezing; zie 5:23. Zie ook: Num 15:38–39 ## Markus 7 _Overlevering en gebod, wat de mens onrein maakt, de vrouw uit Fenicië en de dove man_ ### De overlevering van de oudsten **7:1** De Farizeeën en enkele schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, verzamelden zich bij Hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | συνάγονται (synagontai) = verzamelen zich | πρὸς (pros) = bij | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καί (kai) = en | τινες (tines) = enkele | τῶν (ton) = van de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | ἀπὸ (apo) = van | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 15:1–20. Zie ook: Mat 15:1–20 **7:2** Zij zagen dat sommigen van Zijn leerlingen het brood aten met onreine handen, dat wil zeggen ongewassen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδόντες (idontes) = ziende | τινὰς (tinas) = enkele | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὅτι (hoti) = dat | κοιναῖς (koinais) = met onreine | χερσίν (chersin) = handen | τοῦτ’ (tout’) = dit | ἔστιν (estin) = is | ἀνίπτοις (aniptois) = ongewassen | ἐσθίουσιν (esthiousin) = eten | τοὺς (tous) = de | ἄρτους (artous) = broden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοινός (koinos), ‘onrein’: letterlijk ‘gewoon, gemeen’. Het gaat om rituele onreinheid: de handen waren niet gewassen volgens de overlevering. Dit is een ander woord dan ἀκάθαρτος (akathartos, 7:25), ‘onrein’ bij een geest. **7:3** De Farizeeën en alle Joden eten namelijk niet als zij hun handen niet grondig gewassen hebben. Zo houden zij de overlevering van de oudsten vast. Brontekst: οἱ (hoi) = de | γὰρ (gar) = want | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | πυγμῇ (pygme) = grondig | νίψωνται (nipsontai) = zij wassen | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | οὐκ (ouk) = niet | ἐσθίουσιν (esthiousin) = eten | κρατοῦντες (kratountes) = vasthoudend | τὴν (ten) = de | παράδοσιν (paradosin) = overlevering | τῶν (ton) = van de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πυγμῇ (pygme) is letterlijk ‘met de vuist’. De betekenis is onzeker; mogelijk gaat het om grondig wassen. Wij schrijven ‘grondig’. Voetnoot : παράδοσις (paradosis), ‘overlevering’: wat van de ene generatie aan de volgende is doorgegeven. **7:4** En als zij van de markt komen, eten zij niet, tenzij zij zich ondergedompeld hebben. Er zijn nog vele andere dingen die zij overgenomen hebben om vast te houden: het onderdompelen van bekers, kruiken, koperen vaten en ligbanken. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπ’ (ap’) = van | ἀγορᾶς (agoras) = markt | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | βαπτίσωνται (baptisontai) = zij zich onderdompelen | οὐκ (ouk) = niet | ἐσθίουσιν (esthiousin) = eten | καὶ (kai) = en | ἄλλα (alla) = andere | πολλά (polla) = vele | ἐστιν (estin) = zijn | ἃ (ha) = die | παρέλαβον (parelabon) = zij overnamen | κρατεῖν (kratein) = vast te houden | βαπτισμοὺς (baptismous) = onderdompelingen | ποτηρίων (poterion) = van bekers | καὶ (kai) = en | ξεστῶν (xeston) = kruiken | καὶ (kai) = en | χαλκίων (chalkion) = koperen vaten | καὶ (kai) = en | κλινῶν (klinon) = ligbanken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαπτίζω (baptizo), ‘onderdompelen’: hetzelfde woord als ‘dopen’. ξέστης (xestes), ‘kruik’, is een Latijns leenwoord; χαλκίον (chalkion) is een koperen vat. **7:5** De Farizeeën en schriftgeleerden vroegen Hem: „Waarom leven Uw leerlingen niet volgens de overlevering van de oudsten, maar eten zij het brood met onreine handen?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπερωτῶσιν (eperotosin) = ondervragen | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | Διὰ (Dia) = om | τί (ti) = wat | οὐ (ou) = niet | περιπατοῦσιν (peripatousin) = wandelen | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | σου (sou) = Uw | κατὰ (kata) = volgens | τὴν (ten) = de | παράδοσιν (paradosin) = overlevering | τῶν (ton) = van de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | ἀλλὰ (alla) = maar | κοιναῖς (koinais) = met onreine | χερσὶν (chersin) = handen | ἐσθίουσιν (esthiousin) = eten | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood Bron: SBLGNT **7:6** Hij zei tegen hen: **„Terecht heeft Jesaja over jullie, huichelaars, geprofeteerd. Zo staat geschreven: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij verwijderd.** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Καλῶς (Kalos) = terecht | ἐπροφήτευσεν (epropheteusen) = profeteerde | Ἠσαΐας (Esaias) = Jesaja | περὶ (peri) = over | ὑμῶν (hymon) = jullie | τῶν (ton) = de | ὑποκριτῶν (hypokriton) = huichelaars | ὡς (hos) = zoals | γέγραπται (gegraptai) = er staat geschreven | ὅτι (hoti) = dat | Οὗτος (Houtos) = dit | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | τοῖς (tois) = met de | χείλεσίν (cheilesin) = lippen | με (me) = Mij | τιμᾷ (tima) = eert | ἡ (he) = het | δὲ (de) = maar | καρδία (kardia) = hart | αὐτῶν (auton) = hun | πόρρω (porro) = ver | ἀπέχει (apechei) = houdt afstand | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: letterlijk iemand die een rol speelt. **7:7** **Tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn.’** Brontekst: μάτην (maten) = tevergeefs | δὲ (de) = maar | σέβονταί (sebontai) = vereren zij | με (me) = Mij | διδάσκοντες (didaskontes) = onderwijzend | διδασκαλίας (didaskalias) = leringen | ἐντάλματα (entalmata) = geboden | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 29:13. Het Hebreeuws heeft ‘en hun ontzag voor Mij is een aangeleerd gebod van mensen geworden’; de Griekse tekst heeft ‘tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn’. Zie ook: Jes 29:13 **7:8** **Jullie laten het gebod van Elohim los en houden de overlevering van mensen vast.”** Brontekst: ἀφέντες (aphentes) = loslatend | τὴν (ten) = de | ἐντολὴν (entolen) = gebod | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | κρατεῖτε (krateite) = jullie houden vast | τὴν (ten) = de | παράδοσιν (paradosin) = overlevering | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen Bron: SBLGNT **7:9** Hij zei ook tegen hen: **„Mooi zetten jullie het gebod van Elohim opzij, om jullie overlevering te bewaren!** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Καλῶς (Kalos) = mooi | ἀθετεῖτε (atheteite) = jullie zetten opzij | τὴν (ten) = de | ἐντολὴν (entolen) = gebod | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἵνα (hina) = opdat | τὴν (ten) = de | παράδοσιν (paradosin) = overlevering | ὑμῶν (hymon) = jullie | τηρήσητε (teresete) = jullie bewaren Bron: SBLGNT **7:10** **Want Mozes heeft gezegd: ‘Eer je vader en je moeder.’ En: ‘Wie kwaad spreekt over vader of moeder, moet zeker sterven.’** Brontekst: Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | γὰρ (gar) = want | εἶπεν (eipen) = zei | Τίμα (Tima) = eer | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | σου (sou) = je | καί (kai) = en | Ὁ (Ho) = de | κακολογῶν (kakologon) = kwaad sprekende | πατέρα (patera) = vader | ἢ (e) = of | μητέρα (metera) = moeder | θανάτῳ (thanato) = met de dood | τελευτάτω (teleutato) = laat hij sterven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het eerste citaat is Exod. 20:12 (ook Deut. 5:16), het tweede Exod. 21:17 (ook Lev. 20:9). κακολογέω (kakologeo), ‘kwaad spreken over’, geeft het Hebreeuwse מְקַלֵּל (meqallel), ‘wie vervloekt’, weer. Het Hebreeuws heeft ‘moet zeker gedood worden’; de Griekse tekst heeft θανάτῳ τελευτάτω (thanato teleutato), letterlijk ‘laat hij de dood sterven’. Zie ook: Ex 20:12; Ex 21:17; Lev 20:9; Deut 5:16 **7:11** **Maar jullie zeggen: ‘Als iemand tegen zijn vader of moeder zegt: „Wat je van mij als hulp had kunnen krijgen, is Korban — dat is: een offergave —”** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | λέγετε (legete) = zeggen | Ἐὰν (Ean) = als | εἴπῃ (eipe) = zegt | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | τῷ (to) = aan de | πατρὶ (patri) = vader | ἢ (e) = of | τῇ (te) = aan de | μητρί (metri) = moeder | Κορβᾶν (Korban) = Korban | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | Δῶρον (Doron) = offergave | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = ooit | ἐξ (ex) = van | ἐμοῦ (emou) = mij | ὠφεληθῇς (ophelethes) = je geholpen wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Κορβᾶν (korban) is een Hebreeuws woord: קָרְבָּן (qorban), ‘offergave’ (Lev. 1:2). Markus legt het uit met δῶρον (doron), ‘gave’; wij schrijven ‘offergave’, zoals in Matt. 15:5. Wie zijn bezit zo noemt, zegt dat het aan Elohim is gewijd en dus niet meer voor zijn ouders beschikbaar is. Voetnoot : Het Grieks heeft geen werkwoord bij ‘Korban’; wij vullen ‘is’ aan en zetten de zin om. De zin loopt door in vers 12. Voetnoot : Zie ook Matt. 15:3–6. Zie ook: Lev 1:2; Mat 15:3–6; Mat 15:5; Mar 7:12 **7:12** **dan laten jullie hem niets meer voor zijn vader of moeder doen.’** Brontekst: οὐκέτι (ouketi) = niet meer | ἀφίετε (aphiete) = jullie laten toe | αὐτὸν (auton) = hem | οὐδὲν (ouden) = niets | ποιῆσαι (poiesai) = te doen | τῷ (to) = voor de | πατρὶ (patri) = vader | ἢ (e) = of | τῇ (te) = voor de | μητρί (metri) = moeder Bron: SBLGNT **7:13** **Zo maken jullie het woord van Elohim krachteloos door jullie overlevering, die jullie doorgegeven hebben. En vele dergelijke dingen doen jullie.”** Brontekst: ἀκυροῦντες (akyrountes) = krachteloos makend | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τῇ (te) = door de | παραδόσει (paradosei) = overlevering | ὑμῶν (hymon) = jullie | ᾗ (he) = die | παρεδώκατε (paredokate) = jullie doorgaven | καὶ (kai) = en | παρόμοια (paromoia) = gelijksoortige | τοιαῦτα (toiauta) = zulke | πολλὰ (polla) = veel | ποιεῖτε (poieite) = jullie doen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀκυρόω (akyroo), ‘krachteloos maken’: het gezag ontnemen. ### Wat de mens onrein maakt **7:14** Hij riep de menigte weer bij Zich en zei tegen hen: **„Luister allen naar Mij en zie het in.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij zich roepend | πάλιν (palin) = opnieuw | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἀκούσατέ (Akousate) = luister | μου (mou) = naar Mij | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = en | σύνετε (synete) = zie het in Bron: SBLGNT **7:15** **Er is niets buiten de mens dat in hem binnengaat en hem onrein kan maken. Maar wat uit de mens uitgaat, dat maakt de mens onrein.”** Brontekst: οὐδέν (ouden) = niets | ἐστιν (estin) = is | ἔξωθεν (exothen) = buiten | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | εἰσπορευόμενον (eisporeuomenon) = binnengaand | εἰς (eis) = in | αὐτὸν (auton) = hem | ὃ (ho) = wat | δύναται (dynatai) = kan | κοινῶσαι (koinosai) = onrein maken | αὐτόν (auton) = hem | ἀλλὰ (alla) = maar | τὰ (ta) = de | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐκπορευόμενά (ekporeuomena) = uitgaande | ἐστιν (estin) = is | τὰ (ta) = de | κοινοῦντα (koinounta) = onrein makende | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοινόω (koinoo), ‘onrein maken’: letterlijk ‘gewoon, gemeen maken’. Het gaat om rituele onreinheid. Zie ook Matt. 15:10–11. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Zie ook: Mat 15:10–11 **7:17** Toen Hij het huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen Zijn leerlingen Hem naar de gelijkenis. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὅτε (hote) = toen | εἰσῆλθεν (eiselthen) = Hij binnenging | εἰς (eis) = in | οἶκον (oikon) = huis | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | ἐπηρώτων (eperoton) = ondervroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὴν (ten) = de | παραβολήν (parabolen) = gelijkenis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: hier het korte beeldwoord uit vers 15. Zie ook Matt. 15:15–20. Zie ook: Mat 15:15–20; Mar 7:15 **7:18** Hij zei tegen hen: **„Zijn ook jullie zo zonder inzicht? Begrijpen jullie niet dat alles wat van buiten in de mens binnengaat, hem niet onrein kan maken?** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Οὕτως (Houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἀσύνετοί (asynetoi) = zonder inzicht | ἐστε (este) = zijn | οὐ (ou) = niet | νοεῖτε (noeite) = begrijpen jullie | ὅτι (hoti) = dat | πᾶν (pan) = al | τὸ (to) = het | ἔξωθεν (exothen) = buiten | εἰσπορευόμενον (eisporeuomenon) = binnengaande | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | αὐτὸν (auton) = hem | κοινῶσαι (koinosai) = onrein maken Bron: SBLGNT **7:19** **Want het gaat niet in zijn hart binnen, maar in de buik, en het komt in de beerput terecht.”** Zo maakte Hij alle voedsel rein. Brontekst: ὅτι (hoti) = want | οὐκ (ouk) = niet | εἰσπορεύεται (eisporeuetai) = gaat binnen | αὐτοῦ (autou) = zijn | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | ἀλλ’ (all’) = maar | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | κοιλίαν (koilian) = buik | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | ἀφεδρῶνα (aphedrona) = beerput | ἐκπορεύεται (ekporeuetai) = gaat uit | καθαρίζων (katharizon) = rein makend | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | βρώματα (bromata) = spijzen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφεδρών (aphedron), ‘beerput’: de plaats waar uitwerpselen worden gebracht, het toilet. Voetnoot : καθαρίζων (katharizon), ‘rein makend’: Markus verklaart wat Yeshua’s woorden betekenen. De wet maakt onderscheid tussen rein en onrein voedsel (Lev. 11); hier gaat het om voedsel dat de mens niet onrein maakt. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat een andere uitgang (καθαρίζον), waardoor het woord bij ‘de beerput’ hoort, die ‘alle voedsel rein maakt’. De SBLGNT heeft καθαρίζων, dat bij Yeshua hoort. **7:20** Hij zei ook: **„Wat uit de mens uitgaat, dat maakt de mens onrein.** Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = zei | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = dat | Τὸ (To) = het | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐκπορευόμενον (ekporeuomenon) = uitgaande | ἐκεῖνο (ekeino) = dat | κοινοῖ (koinoi) = maakt onrein | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens Bron: SBLGNT **7:21** **Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen de kwade gedachten voort: ontucht, diefstallen, moorden,** Brontekst: ἔσωθεν (esothen) = van binnen | γὰρ (gar) = want | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | καρδίας (kardias) = hart | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | οἱ (hoi) = de | διαλογισμοὶ (dialogismoi) = gedachten | οἱ (hoi) = de | κακοὶ (kakoi) = kwade | ἐκπορεύονται (ekporeuontai) = komen voort | πορνεῖαι (porneiai) = ontuchten | κλοπαί (klopai) = diefstallen | φόνοι (phonoi) = moorden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele omgang buiten het huwelijk. μοιχεία (moicheia) is ‘overspel’. **7:22** **overspel, hebzucht, boosheid, bedrog, losbandigheid, een boos oog, lastering, hoogmoed, dwaasheid.** Brontekst: μοιχεῖαι (moicheiai) = overspelen | πλεονεξίαι (pleonexiai) = hebzuchten | πονηρίαι (poneriai) = boosheden | δόλος (dolos) = bedrog | ἀσέλγεια (aselgeia) = losbandigheid | ὀφθαλμὸς (ophthalmos) = oog | πονηρός (poneros) = boos | βλασφημία (blasphemia) = lastering | ὑπερηφανία (hyperephania) = hoogmoed | ἀφροσύνη (aphrosyne) = dwaasheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀφθαλμὸς πονηρός (ophthalmos poneros), ‘een boos oog’: een Hebreeuwse uitdrukking voor afgunst of gierigheid; vergelijk Spr. 23:6 (‘iemand met een boos oog’) en Deut. 15:9. Zie ook: Deut 15:9; Spr 23:6 **7:23** **Al deze slechte dingen komen van binnenuit en maken de mens onrein.”** Brontekst: πάντα (panta) = alle | ταῦτα (tauta) = deze | τὰ (ta) = de | πονηρὰ (ponera) = slechte | ἔσωθεν (esothen) = van binnen | ἐκπορεύεται (ekporeuetai) = gaat uit | καὶ (kai) = en | κοινοῖ (koinoi) = maakt onrein | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens Bron: SBLGNT ### Een vrouw in het gebied van Tyrus **7:24** Hij stond op en vertrok vandaar naar het gebied van Tyrus. Hij ging een huis binnen en wilde niet dat iemand het wist, maar Hij kon niet verborgen blijven. Brontekst: Ἐκεῖθεν (Ekeithen) = vandaar | δὲ (de) = maar | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | ὅρια (horia) = gebieden | Τύρου (Tyrou) = van Tyrus | καὶ (kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | εἰς (eis) = in | οἰκίαν (oikian) = huis | οὐδένα (oudena) = niemand | ἤθελεν (ethelen) = wilde | γνῶναι (gnonai) = weten | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠδυνήθη (edynethe) = kon | λαθεῖν (lathein) = verborgen blijven Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 15:21–28. Zie ook: Mat 15:21–28 **7:25** Maar meteen hoorde een vrouw over Hem. Haar dochtertje had een onreine geest. Zij kwam en viel aan Zijn voeten neer. Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀκούσασα (akousasa) = gehoord hebbend | γυνὴ (gyne) = vrouw | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἧς (hes) = van wie | εἶχεν (eichen) = had | τὸ (to) = het | θυγάτριον (thygatrion) = dochtertje | αὐτῆς (autes) = haar | πνεῦμα (pneuma) = geest | ἀκάθαρτον (akatharton) = onrein | ἐλθοῦσα (elthousa) = gekomen | προσέπεσεν (prosepesen) = viel neer | πρὸς (pros) = bij | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **7:26** De vrouw was een Griekse, een Syro-Fenicische van afkomst. Zij vroeg Hem de demon uit haar dochter uit te drijven. Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἦν (en) = was | Ἑλληνίς (Hellenis) = Griekse | Συροφοινίκισσα (Syrophoinikissa) = Syro-Fenicische | τῷ (to) = van het | γένει (genei) = geslacht | καὶ (kai) = en | ἠρώτα (erota) = vroeg | αὐτὸν (auton) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | τὸ (to) = de | δαιμόνιον (daimonion) = demon | ἐκβάλῃ (ekbale) = Hij uitdrijft | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | θυγατρὸς (thygatros) = dochter | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Syro-Fenicië (kuststreek van Tyrus en Sidon): Syro-Fenicië is de kuststreek rond Tyrus en Sidon, in het huidige Libanon. De vrouw uit Markus 7:26 kwam uit dit gebied. Voetnoot Uitleg: Ἑλληνίς (Hellenis), ‘Griekse’: een vrouw van niet-Joodse, Griekse cultuur en taal. Συροφοινίκισσα (Syrophoinikissa), ‘Syro-Fenicische’: uit de kuststreek rond Tyrus en Sidon, Fenicië, dat bij de Romeinse provincie Syrië hoorde. **7:27** Hij zei tegen haar: **„Laat eerst de kinderen verzadigd worden. Want het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en aan de hondjes te gooien.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτῇ (aute) = haar | Ἄφες (Aphes) = laat | πρῶτον (proton) = eerst | χορτασθῆναι (chortasthenai) = verzadigd te worden | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | καλόν (kalon) = goed | ἐστιν (estin) = is | λαβεῖν (labein) = te nemen | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | τῶν (ton) = van de | τέκνων (teknon) = kinderen | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | κυναρίοις (kynariois) = hondjes | βαλεῖν (balein) = te gooien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κυνάριον (kynarion), ‘hondje’: een verkleinwoord van κύων (kyon), ‘hond’. βαλεῖν (balein) is letterlijk ‘werpen’; wij schrijven ‘gooien’, zoals in Matt. 15:26. Zie ook: Mat 15:26 **7:28** Zij antwoordde en zei tegen Hem: „Heer, ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kinderen.” Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | καὶ (kai) = ook | τὰ (ta) = de | κυνάρια (kynaria) = hondjes | ὑποκάτω (hypokato) = onder | τῆς (tes) = de | τραπέζης (trapezes) = tafel | ἐσθίουσιν (esthiousin) = eten | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ψιχίων (psichion) = kruimels | τῶν (ton) = van de | παιδίων (paidion) = kinderen Bron: SBLGNT **7:29** Hij zei tegen haar: **„Om dit woord: ga heen. De demon is uit je dochter gegaan.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = haar | Διὰ (Dia) = vanwege | τοῦτον (touton) = dit | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ὕπαγε (hypage) = ga | ἐξελήλυθεν (exelelythen) = is uitgegaan | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | θυγατρός (thygatros) = dochter | σου (sou) = je | τὸ (to) = de | δαιμόνιον (daimonion) = demon Bron: SBLGNT **7:30** Zij ging naar haar huis en vond het kind op het bed liggen, en de demon was uitgegaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπελθοῦσα (apelthousa) = weggegaan | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτῆς (autes) = haar | εὗρεν (heuren) = vond | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | βεβλημένον (beblemenon) = liggend | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = het | κλίνην (klinen) = bed | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | δαιμόνιον (daimonion) = demon | ἐξεληλυθός (exelelythos) = uitgegaan Bron: SBLGNT ### Yeshua geneest een dove man **7:31** Hij vertrok weer uit het gebied van Tyrus en kwam via Sidon naar de zee van Galilea, midden door het gebied van de Decapolis. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | πάλιν (palin) = opnieuw | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ὁρίων (horion) = gebieden | Τύρου (Tyrou) = van Tyrus | ἦλθεν (elthen) = kwam | διὰ (dia) = via | Σιδῶνος (Sidonos) = Sidon | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | ἀνὰ (ana) = door | μέσον (meson) = midden | τῶν (ton) = van de | ὁρίων (horion) = gebieden | Δεκαπόλεως (Dekapoleos) = van Decapolis Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Zie Decapolis (ligging onzeker): De Decapolis (‘tien steden’) was een groep Griekse steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, nu in Jordanië, Syrië en Israël. De omvang is niet exact vast te stellen. Voetnoot Uitleg: θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het meer van Galilea. Δεκάπολις (Dekapolis), ‘Decapolis’: zie 5:20. De tekst noemt de route via Sidon naar het meer. Voetnoot : Zie ook Matt. 15:29–31. Zie ook: Mat 15:29–31 **7:32** Zij brachten een dove die moeilijk sprak bij Hem, en smeekten Hem hem de hand op te leggen. Brontekst: καὶ (kai) = en | φέρουσιν (pherousin) = brengen | αὐτῷ (auto) = Hem | κωφὸν (kophon) = dove | καὶ (kai) = en | μογιλάλον (mogilalon) = moeilijk sprekende | καὶ (kai) = en | παρακαλοῦσιν (parakalousin) = smeken | αὐτὸν (auton) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | ἐπιθῇ (epithe) = Hij legt | αὐτῷ (auto) = hem | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κωφός (kophos) is ‘doof’, maar het woord kan ook ‘stom’ betekenen. μογιλάλος (mogilalos), ‘moeilijk sprekend’: iemand die slecht of nauwelijks kan spreken. Vergelijk Jes. 35:5–6. Zie ook: Jes 35:5–6 **7:33** Hij nam hem apart van de menigte, stak Zijn vingers in zijn oren, spuugde en raakte zijn tong aan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπολαβόμενος (apolabomenos) = apart genomen hebbend | αὐτὸν (auton) = hem | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | ἔβαλεν (ebalen) = stak | τοὺς (tous) = de | δακτύλους (daktylous) = vingers | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = in | τὰ (ta) = de | ὦτα (ota) = oren | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | πτύσας (ptysas) = gespuugd hebbend | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | τῆς (tes) = de | γλώσσης (glosses) = tong | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **7:34** Hij keek op naar de hemel, zuchtte en zei tegen hem: **„Effata”**, dat is: **„Word geopend.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναβλέψας (anablepsas) = opkijkend | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | ἐστέναξεν (estenaxen) = zuchtte | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Εφφαθα (Ephphatha) = Effata | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | Διανοίχθητι (Dianoichtheti) = word geopend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Εφφαθα (ephphatha, in de spelling van de Griekse tekst) is Aramees (niet Hebreeuws): ‘word geopend’. Markus vertaalt het zelf. Wij schrijven ‘Effata’. Voetnoot : στενάζω (stenazo), ‘zuchten’: diep zuchten of kermen. **7:35** Zijn oren werden geopend, de band van zijn tong werd losgemaakt en hij sprak duidelijk. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠνοίγησαν (enoigesan) = werden geopend | αὐτοῦ (autou) = zijn | αἱ (hai) = de | ἀκοαί (akoai) = oren | καὶ (kai) = en | ἐλύθη (elythe) = werd losgemaakt | ὁ (ho) = de | δεσμὸς (desmos) = band | τῆς (tes) = van de | γλώσσης (glosses) = tong | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἐλάλει (elalei) = sprak | ὀρθῶς (orthos) = duidelijk Bron: SBLGNT **7:36** Hij gaf hun de strenge opdracht het aan niemand te vertellen. Maar hoe strenger Hij het hun opdroeg, hoe meer zij het verkondigden. Brontekst: καὶ (kai) = en | διεστείλατο (diesteilato) = gaf strenge opdracht | αὐτοῖς (autois) = hun | ἵνα (hina) = opdat | μηδενὶ (medeni) = aan niemand | λέγωσιν (legosin) = zij zeggen | ὅσον (hoson) = hoezeer | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = hun | διεστέλλετο (diestelleto) = Hij verbood | αὐτοὶ (autoi) = zij | μᾶλλον (mallon) = meer | περισσότερον (perissoteron) = overvloediger | ἐκήρυσσον (ekerysson) = verkondigden Bron: SBLGNT **7:37** Zij stonden buiten zichzelf van verbazing en zeiden: „Alles heeft Hij goed gedaan! Hij maakt ook dat doven horen en stommen spreken.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑπερπερισσῶς (hyperperissos) = uitermate | ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto) = stonden versteld | λέγοντες (legontes) = zeggend | Καλῶς (Kalos) = goed | πάντα (panta) = alles | πεποίηκεν (pepoieken) = heeft gedaan | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | κωφοὺς (kophous) = doven | ποιεῖ (poiei) = maakt | ἀκούειν (akouein) = te horen | καὶ (kai) = en | ἀλάλους (alalous) = stommen | λαλεῖν (lalein) = te spreken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 35:5–6: dan worden de oren van doven geopend en jubelt de tong van de stomme. Zie ook: Jes 35:5–6 ## Markus 8 _De 4000 mensen, het teken, de blinde bij Betsaïda en Petrus’ belijdenis_ ### Yeshua geeft 4000 mensen te eten **8:1** In die dagen was er weer een grote menigte, en zij hadden niets te eten. Hij riep Zijn leerlingen bij Zich en zei tegen hen: Brontekst: Ἐν (En) = in | ἐκείναις (ekeinais) = die | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | πάλιν (palin) = opnieuw | πολλοῦ (pollou) = veel | ὄχλου (ochlou) = menigte | ὄντος (ontos) = zijnde | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἐχόντων (echonton) = hebbend | τί (ti) = wat | φάγωσιν (phagosin) = zij eten | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij zich roepend | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 15:32–39. Vergelijk de eerste broodvermenigvuldiging in 6:35–44. Zie ook: Mat 15:32–39 **8:2** **„Ik heb medelijden met de menigte, want zij blijven al 3 dagen bij Mij en hebben niets te eten.** Brontekst: Σπλαγχνίζομαι (Splanchnizomai) = Ik heb medelijden | ἐπὶ (epi) = met | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ὅτι (hoti) = want | ἤδη (ede) = al | ἡμέραι (hemerai) = dagen | τρεῖς (treis) = 3 | προσμένουσίν (prosmenousin) = blijven | μοι (moi) = bij Mij | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔχουσιν (echousin) = hebben | τί (ti) = wat | φάγωσιν (phagosin) = zij eten Bron: SBLGNT **8:3** **Als Ik hen hongerig naar huis stuur, zullen zij onderweg bezwijken. Enkelen van hen zijn van ver gekomen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | ἀπολύσω (apolyso) = Ik wegstuur | αὐτοὺς (autous) = hen | νήστεις (nesteis) = hongerig | εἰς (eis) = naar | οἶκον (oikon) = huis | αὐτῶν (auton) = hun | ἐκλυθήσονται (eklythesontai) = zullen bezwijken | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | καί (kai) = en | τινες (tines) = enkelen | αὐτῶν (auton) = van hen | ἀπὸ (apo) = van | μακρόθεν (makrothen) = ver | ἥκασιν (hekasin) = zijn gekomen Bron: SBLGNT **8:4** Zijn leerlingen antwoordden Hem: „Waar kan iemand hier in een verlaten streek hen met broden verzadigen?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὅτι (hoti) = dat | Πόθεν (Pothen) = vanwaar | τούτους (toutous) = hen | δυνήσεταί (dynesetai) = zal kunnen | τις (tis) = iemand | ὧδε (hode) = hier | χορτάσαι (chortasai) = verzadigen | ἄρτων (arton) = met broden | ἐπ’ (ep’) = in | ἐρημίας (eremias) = verlatenheid Bron: SBLGNT **8:5** Hij vroeg hun: **„Hoeveel broden hebben jullie?”** Zij zeiden: „Zeven.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠρώτα (erota) = vroeg | αὐτούς (autous) = hen | Πόσους (Posous) = hoeveel | ἔχετε (echete) = hebben jullie | ἄρτους (artous) = broden | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἑπτά (Hepta) = zeven Bron: SBLGNT **8:6** Hij gebood de menigte op de grond te gaan zitten. Hij nam de 7 broden, dankte, brak ze en gaf ze aan Zijn leerlingen om ze voor te zetten. En zij zetten ze de menigte voor. Brontekst: καὶ (kai) = en | παραγγέλλει (parangellei) = gebiedt | τῷ (to) = aan de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | ἀναπεσεῖν (anapesein) = te gaan zitten | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = grond | καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | τοὺς (tous) = de | ἑπτὰ (hepta) = 7 | ἄρτους (artous) = broden | εὐχαριστήσας (eucharistesas) = dankend | ἔκλασεν (eklasen) = brak | καὶ (kai) = en | ἐδίδου (edidou) = gaf | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἵνα (hina) = opdat | παρατιθῶσιν (paratithosin) = zij voorzetten | καὶ (kai) = en | παρέθηκαν (parethekan) = zetten voor | τῷ (to) = aan de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte Bron: SBLGNT **8:7** Zij hadden ook een paar visjes. Hij sprak er de zegen over uit en zei dat ook die voorgezet moesten worden. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶχον (eichon) = hadden | ἰχθύδια (ichthydia) = visjes | ὀλίγα (oliga) = een paar | καὶ (kai) = en | εὐλογήσας (eulogesas) = zegenend | αὐτὰ (auta) = ze | εἶπεν (eipen) = zei | καὶ (kai) = ook | ταῦτα (tauta) = deze | παρατιθέναι (paratithenai) = voor te zetten Bron: SBLGNT **8:8** Zij aten en werden verzadigd. Zij namen op wat er overbleef van de stukken: 7 grote manden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔφαγον (ephagon) = aten | καὶ (kai) = en | ἐχορτάσθησαν (echortasthesan) = werden verzadigd | καὶ (kai) = en | ἦραν (eran) = namen op | περισσεύματα (perisseumata) = overschotten | κλασμάτων (klasmaton) = van stukken | ἑπτὰ (hepta) = 7 | σπυρίδας (spyridas) = grote manden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπυρίς (spyris), ‘grote mand’: zie 6:43 en 8:19–20. **8:9** Het waren er ongeveer 4000. Toen stuurde Hij hen weg. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = maar | ὡς (hos) = ongeveer | τετρακισχίλιοι (tetrakischilioi) = 4000 | καὶ (kai) = en | ἀπέλυσεν (apelysen) = stuurde weg | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **8:10** Meteen stapte Hij met Zijn leerlingen in de boot en kwam in de streek van Dalmanutha. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐμβὰς (embas) = ingestapt | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | μέρη (mere) = streken | Δαλμανουθά (Dalmanoutha) = Dalmanutha Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Dalmanutha (ligging onzeker): De plaats Dalmanutha is onbekend. Vermoedelijk lag zij aan de westkant van het meer van Galilea, in de buurt van Magdala (vergelijk Matteüs 15:39). Voetnoot Uitleg: Δαλμανουθά (Dalmanutha) komt alleen hier voor. De ligging is niet bekend. Matteüs heeft op deze plaats ‘Magadan’ (Matt. 15:39). Zie ook: Mat 15:39 ### De Farizeeën vragen een teken **8:11** De Farizeeën kwamen naar buiten en begonnen met Hem te redetwisten. Zij vroegen Hem om een teken uit de hemel, om Hem op de proef te stellen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐξῆλθον (exelthon) = gingen uit | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | συζητεῖν (syzetein) = te redetwisten | αὐτῷ (auto) = met Hem | ζητοῦντες (zetountes) = zoekend | παρ’ (par’) = van | αὐτοῦ (autou) = Hem | σημεῖον (semeion) = teken | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | πειράζοντες (peirazontes) = op de proef stellend | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: zie Matt. 4:1. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:1–4; Luc. 11:16, 29. Zie ook: Mat 4:1; Mat 16:1–4; Luc 11:16 **8:12** Hij zuchtte diep in Zijn geest en zei: **„Waarom zoekt deze generatie een teken? Voorwaar, Ik zeg jullie: aan deze generatie zal zeker geen teken gegeven worden.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναστενάξας (anastenaxas) = diep zuchtend | τῷ (to) = in de | πνεύματι (pneumati) = geest | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λέγει (legei) = zegt | Τί (Ti) = waarom | ἡ (he) = de | γενεὰ (genea) = generatie | αὕτη (haute) = deze | ζητεῖ (zetei) = zoekt | σημεῖον (semeion) = teken | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | εἰ (ei) = als | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | τῇ (te) = aan de | γενεᾷ (genea) = generatie | ταύτῃ (taute) = deze | σημεῖον (semeion) = teken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: van het Hebreeuwse אָמֵן, ‘vast, waar’. Yeshua gebruikt het om een uitspraak te bevestigen. Voetnoot : εἰ δοθήσεται (ei dothesetai) is letterlijk ‘als er een teken gegeven zal worden’. Het is een eedformule waarbij het tweede deel niet wordt uitgesproken; de betekenis is: ‘zeker niet’. Voetnoot : γενεά (genea), ‘generatie’: zie 13:30. **8:13** Hij liet hen achter, stapte weer in en vertrok naar de overkant. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀφεὶς (apheis) = achterlatend | αὐτοὺς (autous) = hen | πάλιν (palin) = opnieuw | ἐμβὰς (embas) = ingestapt | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant Bron: SBLGNT ### Het zuurdesem van de Farizeeën en van Herodes **8:14** Zij waren vergeten brood mee te nemen. Behalve één brood hadden zij niets bij zich in de boot. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐπελάθοντο (epelathonto) = vergaten | λαβεῖν (labein) = te nemen | ἄρτους (artous) = broden | καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἕνα (hena) = één | ἄρτον (arton) = brood | οὐκ (ouk) = niet | εἶχον (eichon) = hadden | μεθ’ (meth’) = bij | ἑαυτῶν (heauton) = zichzelf | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πλοίῳ (ploio) = boot Bron: SBLGNT **8:15** Hij gaf hun de strenge opdracht: **„Let op, pas op voor het zuurdesem van de Farizeeën en het zuurdesem van Herodes.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | διεστέλλετο (diestelleto) = gaf strenge opdracht | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Ὁρᾶτε (Horate) = let op | βλέπετε (blepete) = pas op | ἀπὸ (apo) = voor | τῆς (tes) = het | ζύμης (zymes) = zuurdesem | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = het | ζύμης (zymes) = zuurdesem | Ἡρῴδου (Herodou) = van Herodes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζύμη (zyme), ‘zuurdesem’: oud deeg dat zuur geworden is en een heel deeg doet rijzen. Het beeld staat voor een invloed die zich verspreidt. Zie ook Matt. 16:5–12; Luc. 12:1. Zie ook: Mat 16:5–12; Luc 12:1 **8:16** Zij overlegden onder elkaar dat zij geen brood hadden. Brontekst: καὶ (kai) = en | διελογίζοντο (dielogizonto) = overlegden | πρὸς (pros) = onder | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | ὅτι (hoti) = dat | ἄρτους (artous) = broden | οὐκ (ouk) = niet | ἔχουσιν (echousin) = zij hebben Bron: SBLGNT **8:17** Hij merkte het en zei tegen hen: **„Waarom overleggen jullie dat jullie geen brood hebben? Begrijpen jullie het nog niet, en zien jullie het nog niet in? Hebben jullie een verhard hart?** Brontekst: καὶ (kai) = en | γνοὺς (gnous) = merkend | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Τί (Ti) = waarom | διαλογίζεσθε (dialogizesthe) = overleggen jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἄρτους (artous) = broden | οὐκ (ouk) = niet | ἔχετε (echete) = hebben jullie | οὔπω (oupo) = nog niet | νοεῖτε (noeite) = begrijpen jullie | οὐδὲ (oude) = ook niet | συνίετε (syniete) = zien jullie in | πεπωρωμένην (peporomenen) = verhard | ἔχετε (echete) = hebben jullie | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νοέω (noeo), ‘begrijpen’, en συνίημι (syniemi), ‘inzien’, staan hier naast elkaar. πεπωρωμένην καρδίαν (peporomenen kardian), ‘een verhard hart’: zie 6:52. **8:18** **Hebben jullie ogen en zien jullie niet? Hebben jullie oren en horen jullie niet? En herinneren jullie je niet,** Brontekst: ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | ἔχοντες (echontes) = hebbend | οὐ (ou) = niet | βλέπετε (blepete) = zien jullie | καὶ (kai) = en | ὦτα (ota) = oren | ἔχοντες (echontes) = hebbend | οὐκ (ouk) = niet | ἀκούετε (akouete) = horen jullie | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μνημονεύετε (mnemoneuete) = herinneren jullie je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De woorden lijken op Jer. 5:21 (‘zij hebben ogen, maar zien niet; zij hebben oren, maar horen niet’) en Ezech. 12:2. Daar is het een vaststelling; hier staat het in de vorm van een vraag. Zie ook: Jer 5:21; Ezech 12:2 **8:19** **toen Ik de 5 broden brak voor de 5000, hoeveel manden vol stukken jullie hebben opgenomen?”** Zij zeiden tegen Hem: „Twaalf.” Brontekst: ὅτε (hote) = toen | τοὺς (tous) = de | πέντε (pente) = 5 | ἄρτους (artous) = broden | ἔκλασα (eklasa) = brak Ik | εἰς (eis) = voor | τοὺς (tous) = de | πεντακισχιλίους (pentakischilious) = 5000 | πόσους (posous) = hoeveel | κοφίνους (kophinous) = manden | κλασμάτων (klasmaton) = van stukken | πλήρεις (plereis) = vol | ἤρατε (erate) = namen jullie op | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | Δώδεκα (Dodeka) = twaalf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόφινος (kophinos), ‘mand’, en σπυρίς (spyris), ‘grote mand’: Yeshua houdt de twee woorden uit elkaar. Bij de 5000 zijn het ‘manden’ (6:43), bij de 4000 ‘grote manden’ (8:8). **8:20** **„En toen de 7 voor de 4000: hoeveel grote manden vol stukken hebben jullie opgenomen?”** Zij zeiden tegen Hem: „Zeven.” Brontekst: ὅτε (hote) = toen | καὶ (kai) = ook | τοὺς (tous) = de | ἑπτὰ (hepta) = 7 | εἰς (eis) = voor | τοὺς (tous) = de | τετρακισχιλίους (tetrakischilious) = 4000 | πόσων (poson) = hoeveel | σπυρίδων (spyridon) = grote manden | πληρώματα (pleromata) = vullingen | κλασμάτων (klasmaton) = van stukken | ἤρατε (erate) = namen jullie op | καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἑπτά (Hepta) = zeven Bron: SBLGNT **8:21** Hij zei tegen hen: **„Zien jullie het nog steeds niet in?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Οὔπω (Oupo) = nog niet | συνίετε (syniete) = zien jullie in Bron: SBLGNT ### De blinde man bij Betsaïda **8:22** Zij kwamen in Betsaïda. Men bracht een blinde bij Hem en smeekte Hem hem aan te raken. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | εἰς (eis) = naar | Βηθσαϊδάν (Bethsaidan) = Betsaïda | καὶ (kai) = en | φέρουσιν (pherousin) = brengen | αὐτῷ (auto) = Hem | τυφλὸν (typhlon) = blinde | καὶ (kai) = en | παρακαλοῦσιν (parakalousin) = smeken | αὐτὸν (auton) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | αὐτοῦ (autou) = hem | ἅψηται (hapsetai) = Hij aanraakt Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan. Ook el-Araj is voorgesteld. Voetnoot Uitleg: Betsaïda: zie 6:45. **8:23** Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij spuugde in zijn ogen, legde hem de handen op en vroeg hem: **„Zie je iets?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπιλαβόμενος (epilabomenos) = vastgrijpend | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | τοῦ (tou) = van de | τυφλοῦ (typhlou) = blinde | ἐξήνεγκεν (exenenken) = bracht uit | αὐτὸν (auton) = hem | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = het | κώμης (komes) = dorp | καὶ (kai) = en | πτύσας (ptysas) = gespuugd hebbend | εἰς (eis) = in | τὰ (ta) = de | ὄμματα (ommata) = ogen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐπιθεὶς (epitheis) = oplegd hebbend | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | αὐτῷ (auto) = hem | ἐπηρώτα (eperota) = vroeg | αὐτόν (auton) = hem | Εἴ (Ei) = als | τι (ti) = iets | βλέπεις (blepeis) = zie je Bron: SBLGNT **8:24** De man keek op en zei: „Ik zie mensen, want ik zie hen als bomen lopen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναβλέψας (anablepsas) = opkijkend | ἔλεγεν (elegen) = zei | Βλέπω (Blepo) = ik zie | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | ὅτι (hoti) = want | ὡς (hos) = als | δένδρα (dendra) = bomen | ὁρῶ (horo) = ik zie | περιπατοῦντας (peripatountas) = lopend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen onderwerp bij ‘keek op’ en bij ‘keek scherp’ (8:25). Wij schrijven ‘de man’, de blinde, om verwarring met Yeshua te voorkomen. **8:25** Daarna legde Hij opnieuw Zijn handen op zijn ogen. De man keek scherp, hij was hersteld en hij zag alles duidelijk. Brontekst: εἶτα (eita) = daarna | πάλιν (palin) = opnieuw | ἐπέθηκεν (epetheken) = legde | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐπὶ (epi) = op | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | διέβλεψεν (dieblepsen) = keek scherp | καὶ (kai) = en | ἀπεκατέστη (apekateste) = was hersteld | καὶ (kai) = en | ἐνέβλεπεν (eneblepen) = zag | τηλαυγῶς (telaugos) = helder | ἅπαντα (hapanta) = alles Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τηλαυγῶς (telaugos), ‘helder’: letterlijk ‘van ver stralend’, dus ook op afstand scherp. **8:26** Hij zond hem naar zijn huis en zei: **„Ga het dorp zelfs niet in.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | οἶκον (oikon) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | λέγων (legon) = zeggend | Μηδὲ (Mede) = zelfs niet | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | κώμην (komen) = dorp | εἰσέλθῃς (eiselthes) = ga binnen Bron: SBLGNT ### Petrus: U bent de Messias **8:27** Yeshua en Zijn leerlingen gingen naar de dorpen van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg Hij Zijn leerlingen: **„Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | κώμας (komas) = dorpen | Καισαρείας (Kaisareias) = van Caesarea | τῆς (tes) = van | Φιλίππου (Philippou) = Filippus | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | ἐπηρώτα (eperota) = vroeg | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λέγων (legon) = zeggend | αὐτοῖς (autois) = hun | Τίνα (Tina) = wie | με (me) = Mij | λέγουσιν (legousin) = zeggen | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | εἶναι (einai) = te zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Caesarea Filippi: Caesarea Filippi (Banyas) lag aan de voet van de Hermon, bij een bron van de Jordaan, op de Golanhoogte. Voetnoot Uitleg: Καισάρεια ἡ Φιλίππου (Kaisareia he Philippou), ‘Caesarea Filippi’, is letterlijk ‘Caesarea van Filippus’: een stad aan de voet van de berg Hermon. Markus noemt de dorpen in de omgeving. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:13–20; Luc. 9:18–21. Zie ook: Mat 16:13–20; Luc 9:18–21 **8:28** Zij zeiden tegen Hem: „Johannes de Doper; anderen zeggen Elia, en weer anderen een van de profeten.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = de | βαπτιστήν (baptisten) = Doper | καὶ (kai) = en | ἄλλοι (alloi) = anderen | Ἠλίαν (Elian) = Elia | ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = dat | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten Bron: SBLGNT **8:29** Hij vroeg hun: **„En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?”** Petrus antwoordde Hem: „U bent de Messias.” Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | ἐπηρώτα (eperota) = vroeg | αὐτούς (autous) = hen | Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | τίνα (tina) = wie | με (me) = Mij | λέγετε (legete) = zeggen jullie | εἶναι (einai) = te zijn | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χριστός (christos), ‘gezalfde’, is het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘Messias’. **8:30** Hij bestrafte hen, zodat zij aan niemand over Hem zouden spreken. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | αὐτοῖς (autois) = hen | ἵνα (hina) = opdat | μηδενὶ (medeni) = aan niemand | λέγωσιν (legosin) = zij zeggen | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιτιμάω (epitimao), ‘bestraffen’: streng terechtwijzen; wij vertalen het overal zo (zie 1:25; ook 8:32–33). Hier is het doel dat zij zwijgen. ### Yeshua kondigt Zijn lijden aan **8:31** Hij begon hen te onderwijzen dat de Mensenzoon veel moest lijden. Hij moest door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen en gedood worden, en na 3 dagen opstaan. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἤρξατο (erxato) = begon | διδάσκειν (didaskein) = te onderwijzen | αὐτοὺς (autous) = hen | ὅτι (hoti) = dat | δεῖ (dei) = het moet | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | πολλὰ (polla) = veel | παθεῖν (pathein) = lijden | καὶ (kai) = en | ἀποδοκιμασθῆναι (apodokimasthenai) = verworpen worden | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | ἀποκτανθῆναι (apoktanthenai) = gedood worden | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | τρεῖς (treis) = 3 | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἀναστῆναι (anastenai) = opstaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’, is letterlijk ‘zoon van de mens’. De titel verwijst naar Dan. 7:13 (‘iemand als een mensenzoon’; Aramees bar enash). Voetnoot : Het Grieks heeft ‘na 3 dagen’; Matteüs heeft ‘op de derde dag’ (Matt. 16:21). Voetnoot : Zie ook Matt. 16:21–28; Luc. 9:22–27. Zie ook: Dan 7:13; Mat 16:21; Luc 9:22–27 **8:32** Hij sprak dit woord openlijk. Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen. Brontekst: καὶ (kai) = en | παρρησίᾳ (parresia) = openlijk | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἐλάλει (elalei) = sprak | καὶ (kai) = en | προσλαβόμενος (proslabomenos) = aan zich getrokken hebbend | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | αὐτὸν (auton) = Hem | ἤρξατο (erxato) = begon | ἐπιτιμᾶν (epitiman) = te bestraffen | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT **8:33** Hij draaide zich om, keek naar Zijn leerlingen en bestrafte Petrus. Hij zei: **„Ga weg, achter Mij, Satan! Want je denkt niet aan wat van Elohim is, maar aan wat van mensen is.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἐπιστραφεὶς (epistrapheis) = omgedraaid | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziende | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | Ὕπαγε (Hypage) = ga weg | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = Mij | Σατανᾶ (Satana) = Satan | ὅτι (hoti) = want | οὐ (ou) = niet | φρονεῖς (phroneis) = denk je | τὰ (ta) = wat | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἀλλὰ (alla) = maar | τὰ (ta) = wat | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’, is hier de naam waarmee Yeshua Petrus aanspreekt; zie Matt. 4:10. Het Hebreeuwse שָׂטָן (satan) betekent ‘tegenstander’. Zie ook: Mat 4:10 ### Wie Yeshua wil volgen **8:34** Hij riep de menigte met Zijn leerlingen bij Zich. Hij zei tegen hen: **„Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij zich roepend | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Εἴ (Ei) = als | τις (tis) = iemand | θέλει (thelei) = wil | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = Mij | ἐλθεῖν (elthein) = te komen | ἀπαρνησάσθω (aparnesastho) = hij verloochene | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | καὶ (kai) = en | ἀράτω (arato) = hij neme op | τὸν (ton) = het | σταυρὸν (stauron) = kruis | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀκολουθείτω (akoloutheito) = hij volge | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σταυρός (stauros), ‘kruis’: het paal- of kruisvormige werktuig waaraan de Romeinen veroordeelden terechtstelden. **8:35** **Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. En wie zijn leven verliest omwille van Mij en de goede boodschap, zal het redden.** Brontekst: ὃς (hos) = wie | γὰρ (gar) = want | ἐὰν (ean) = ooit | θέλῃ (thele) = wil | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | σῶσαι (sosai) = redden | ἀπολέσει (apolesei) = zal verliezen | αὐτήν (auten) = het | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ooit | ἀπολέσει (apolesei) = zal verliezen | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | ἐμοῦ (emou) = Mij | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van de | εὐαγγελίου (euangeliou) = goede boodschap | σώσει (sosei) = zal redden | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’ of ‘ziel’: de levende mens zelf. Wij vertalen het als ‘leven’. Het Hebreeuwse woord is נֶפֶשׁ (nefesh). **8:36** **Want wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen en zijn leven kwijt te raken?** Brontekst: τί (ti) = wat | γὰρ (gar) = want | ὠφελεῖ (ophelei) = baat | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | κερδῆσαι (kerdesai) = te winnen | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ὅλον (holon) = hele | καὶ (kai) = en | ζημιωθῆναι (zemiothenai) = kwijt te raken | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **8:37** **Want wat kan een mens geven in ruil voor zijn leven?** Brontekst: τί (ti) = wat | γὰρ (gar) = want | δοῖ (doi) = kan geven | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἀντάλλαγμα (antallagma) = ruil | τῆς (tes) = van het | ψυχῆς (psyches) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **8:38** **Want wie zich voor Mij en voor Mijn woorden schaamt in deze overspelige en zondige generatie, voor hem zal ook de Mensenzoon zich schamen. Dat zal zijn wanneer Hij komt in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.”** Brontekst: ὃς (hos) = wie | γὰρ (gar) = want | ἐὰν (ean) = ooit | ἐπαισχυνθῇ (epaischynthe) = zich schaamt | με (me) = voor Mij | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = voor de | ἐμοὺς (emous) = Mijn | λόγους (logous) = woorden | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | γενεᾷ (genea) = generatie | ταύτῃ (taute) = deze | τῇ (te) = de | μοιχαλίδι (moichalidi) = overspelige | καὶ (kai) = en | ἁμαρτωλῷ (hamartolo) = zondige | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐπαισχυνθήσεται (epaischynthesetai) = zal zich schamen | αὐτὸν (auton) = voor hem | ὅταν (hotan) = wanneer | ἔλθῃ (elthe) = Hij komt | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | δόξῃ (doxe) = heerlijkheid | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = Vader | αὐτοῦ (autou) = Zijn | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ἀγγέλων (angelon) = engelen | τῶν (ton) = de | ἁγίων (hagion) = heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μοιχαλίς (moichalis), ‘overspelig’: ontrouw aan Elohim, zoals de profeten het volk beschrijven (bijv. Hos. 2:4). Zie ook: Hos 2:4 ## Markus 9 _De gedaanteverandering, de jongen met een stomme geest en de vraag wie de grootste is_ ### Sommigen zullen het koninkrijk van Elohim in kracht zien **9:1** Hij zei tegen hen: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: er zijn enkelen van hen die hier staan. Zij zullen de dood zeker niet proeven totdat zij het koninkrijk van Elohim in kracht gekomen zien.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | εἰσίν (eisin) = er zijn | τινες (tines) = enkelen | τῶν (ton) = van de | ὧδε (hode) = hier | ἑστηκότων (hestekoton) = staande | οἵτινες (hoitines) = die | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | γεύσωνται (geusontai) = zullen proeven | θανάτου (thanatou) = dood | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = (ooit) | ἴδωσιν (idosin) = zij zien | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐληλυθυῖαν (elelythuian) = gekomen | ἐν (en) = in | δυνάμει (dynamei) = kracht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: van het Hebreeuwse אָמֵן (amen), ‘vast, waar’. Yeshua gebruikt het om een uitspraak te bevestigen. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:28; Luc. 9:27. Zie ook: Mat 16:28; Luc 9:27 ### Yeshua wordt van gedaante veranderd **9:2** Na 6 dagen nam Yeshua Petrus, Jakobus en Johannes mee en bracht hen apart naar een hoge berg, alleen hen. Daar werd Hij voor hen van gedaante veranderd. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | μετὰ (meta) = na | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἓξ (hex) = 6 | παραλαμβάνει (paralambanei) = neemt mee | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | καὶ (kai) = en | ἀναφέρει (anapherei) = brengt omhoog | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = naar | ὄρος (oros) = berg | ὑψηλὸν (hypselon) = hoge | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | μόνους (monous) = alleen | καὶ (kai) = en | μετεμορφώθη (metemorphothe) = werd veranderd van gedaante | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετεμορφώθη (metemorphothe), ‘werd van gedaante veranderd’: van dit woord komt ons ‘metamorfose’. De tekst zegt in 9:3 alleen hoe Zijn kleren werden. Voetnoot : Zie ook Matt. 17:1–8; Luc. 9:28–36. Zie ook: Mat 17:1–8; Luc 9:28–36 **9:3** Zijn kleren werden glanzend, zeer wit, zoals geen bleker op aarde ze zo wit kan maken. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐγένετο (egeneto) = werden | στίλβοντα (stilbonta) = glanzend | λευκὰ (leuka) = wit | λίαν (lian) = zeer | οἷα (hoia) = zoals | γναφεὺς (gnapheus) = bleker | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | οὕτως (houtos) = zo | λευκᾶναι (leukanai) = wit maken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γναφεύς (gnapheus), ‘bleker’: iemand die stoffen en kleren wast, stampt en bleekt. **9:4** En Elia verscheen aan hen, samen met Mozes, en zij spraken met Yeshua. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὤφθη (ophthe) = verscheen | αὐτοῖς (autois) = aan hen | Ἠλίας (Elias) = Elia | σὺν (syn) = samen met | Μωϋσεῖ (Moysei) = Mozes | καὶ (kai) = en | ἦσαν (esan) = zij waren | συλλαλοῦντες (syllalountes) = sprekend | τῷ (to) = met | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT **9:5** Petrus antwoordde en zei tegen Yeshua: „Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten wij 3 hutten maken: één voor U, één voor Mozes en één voor Elia.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Ῥαββί (Rhabbi) = rabbi | καλόν (kalon) = goed | ἐστιν (estin) = is | ἡμᾶς (hemas) = dat wij | ὧδε (hode) = hier | εἶναι (einai) = zijn | καὶ (kai) = en | ποιήσωμεν (poiesomen) = laten wij maken | τρεῖς (treis) = 3 | σκηνάς (skenas) = hutten | σοὶ (soi) = voor U | μίαν (mian) = één | καὶ (kai) = en | Μωϋσεῖ (Moysei) = voor Mozes | μίαν (mian) = één | καὶ (kai) = en | Ἠλίᾳ (Elia) = voor Elia | μίαν (mian) = één Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: van het Hebreeuwse רַבִּי (rabbi), letterlijk ‘mijn grote’, dus ‘mijn meester’; een eretitel voor een leraar. Het woord staat hier voor het eerst in dit evangelie bij de aanspreking van Yeshua door een leerling. Voetnoot : σκηνή (skene), ‘hut’: een onderkomen van takken of doek, zoals de hutten van het feest van de hutten (Lev. 23:42–43). Zie ook: Lev 23:42–43 **9:6** Petrus wist namelijk niet wat hij moest antwoorden, want zij waren zeer bang geworden. Brontekst: οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = namelijk | ᾔδει (edei) = hij wist | τί (ti) = wat | ἀποκριθῇ (apokrithe) = hij moest antwoorden | ἔκφοβοι (ekphoboi) = zeer bang | γὰρ (gar) = want | ἐγένοντο (egenonto) = zij werden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen onderwerp bij ‘wist’; wij schrijven ‘Petrus’, die in 9:5 sprak. **9:7** Er kwam een wolk die hen overschaduwde, en er kwam een stem uit de wolk: **„Dit is Mijn geliefde Zoon. Luister naar Hem.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = kwam | νεφέλη (nephele) = wolk | ἐπισκιάζουσα (episkiazousa) = overschaduwend | αὐτοῖς (autois) = hen | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = kwam | φωνὴ (phone) = stem | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | νεφέλης (nepheles) = wolk | Οὗτός (Houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = Zoon | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | ἀγαπητός (agapetos) = geliefde | ἀκούετε (akouete) = luister | αὐτοῦ (autou) = naar Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De stem uit de wolk is die van de Vader; wij zetten haar rood, zoals in Matt. 3:17. Vergelijk Ps. 2:7 (‘Mijn zoon ben jij’). De woorden ‘Luister naar Hem’ doen denken aan Deut. 18:15 (‘Naar hem moet je luisteren’), over de profeet zoals Mozes. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:11. Zie ook: Deut 18:15; Ps 2:7; Mat 3:17; Mar 1:11 **9:8** Plotseling keken zij rond en zagen niemand meer bij zich, behalve Yeshua alleen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξάπινα (exapina) = plotseling | περιβλεψάμενοι (periblepsamenoi) = rondkijkend | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | οὐδένα (oudena) = niemand | εἶδον (eidon) = zagen zij | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | μόνον (monon) = alleen | μεθ’ (meth’) = bij | ἑαυτῶν (heauton) = zich Bron: SBLGNT ### Elia moet eerst komen **9:9** Zij daalden van de berg af. Hij gebood hun aan niemand te vertellen wat zij gezien hadden, totdat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | καταβαινόντων (katabainonton) = afdalend | αὐτῶν (auton) = zij | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ὄρους (orous) = berg | διεστείλατο (diesteilato) = gebood | αὐτοῖς (autois) = hun | ἵνα (hina) = opdat | μηδενὶ (medeni) = niemand | ἃ (ha) = wat | εἶδον (eidon) = zij zagen | διηγήσωνται (diegesontai) = zouden vertellen | εἰ (ei) = indien | μὴ (me) = niet | ὅταν (hotan) = wanneer | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | ἀναστῇ (anaste) = opstaat Bron: SBLGNT **9:10** Zij hielden dat woord vast en discussieerden onder elkaar over wat het betekent om uit de doden op te staan. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἐκράτησαν (ekratesan) = hielden vast | πρὸς (pros) = onder | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | συζητοῦντες (syzetountes) = discussiërend | τί (ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | ἀναστῆναι (anastenai) = opstaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκράτησαν (ekratesan), ‘vasthouden’: het kan betekenen dat zij het woord voor zich hielden of dat zij het in hun gedachten vasthielden. Wij kiezen de tweede lezing; het Grieks laat het open. **9:11** Zij vroegen Hem: „Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπηρώτων (eperoton) = zij vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ὅτι (Hoti) = waarom | λέγουσιν (legousin) = zeggen | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | ὅτι (hoti) = dat | Ἠλίαν (Elian) = Elia | δεῖ (dei) = moet | ἐλθεῖν (elthein) = komen | πρῶτον (proton) = eerst Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὅτι (hoti) staat hier voor ‘waarom’, zoals in 9:28. Zie ook Matt. 17:10. Zie ook: Mat 17:10 **9:12** Hij zei tegen hen: **„Elia komt wel eerst en herstelt alles. En hoe staat er over de Mensenzoon geschreven dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden?** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἔφη (ephe) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἠλίας (Elias) = Elia | μὲν (men) = wel | ἐλθὼν (elthon) = komend | πρῶτον (proton) = eerst | ἀποκαθιστάνει (apokathistanei) = herstelt | πάντα (panta) = alles | καὶ (kai) = en | πῶς (pos) = hoe | γέγραπται (gegraptai) = is geschreven | ἐπὶ (epi) = over | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἵνα (hina) = opdat | πολλὰ (polla) = veel | πάθῃ (pathe) = Hij lijdt | καὶ (kai) = en | ἐξουδενηθῇ (exoudenethe) = veracht wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποκαθιστάνει (apokathistanei), ‘herstelt’: weer in de oorspronkelijke staat brengen. Vergelijk Mal. 3:23–24 (Hebreeuwse telling; in de Nederlandse telling is dit 4:5–6) over Elia. Het Grieks noemt geen vers over het lijden van de Mensenzoon; vergelijk Jes. 53:3 en Ps. 22:7. Zie ook: Ps 22:7; Jes 53:3; Mal 3:23–24 **9:13** **Maar Ik zeg jullie dat ook Elia gekomen is, en zij hebben met hem gedaan wat zij maar wilden, zoals over hem geschreven staat.”** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | καὶ (kai) = ook | Ἠλίας (Elias) = Elia | ἐλήλυθεν (elelythen) = is gekomen | καὶ (kai) = en | ἐποίησαν (epoiesan) = zij deden | αὐτῷ (auto) = met hem | ὅσα (hosa) = alles wat | ἤθελον (ethelon) = zij wilden | καθὼς (kathos) = zoals | γέγραπται (gegraptai) = is geschreven | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Yeshua zegt hier niet met zoveel woorden wie Elia is, en noemt geen vers voor ‘zoals over hem geschreven staat’. Zie ook Matt. 17:12–13. Zie ook: Mat 17:12–13 ### De jongen met een stomme geest **9:14** Toen zij bij de leerlingen kwamen, zagen zij een grote menigte om hen heen en schriftgeleerden die met hen discussieerden. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | πρὸς (pros) = bij | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | εἶδον (eidon) = zagen zij | ὄχλον (ochlon) = menigte | πολὺν (polyn) = grote | περὶ (peri) = rondom | αὐτοὺς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | συζητοῦντας (syzetountas) = discussiërend | πρὸς (pros) = met | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 17:14–21; Luc. 9:37–43. Zie ook: Mat 17:14–21; Luc 9:37–43 **9:15** Meteen was heel de menigte ontzet toen zij Hem zagen. Zij kwamen naar Hem toe rennen en begroetten Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἰδόντες (idontes) = ziende | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐξεθαμβήθησαν (exethambethesan) = werden ontzet | καὶ (kai) = en | προστρέχοντες (prostrechontes) = toe rennend | ἠσπάζοντο (espazonto) = begroetten | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξεθαμβήθησαν (exethambethesan), ‘werden ontzet’: sterke schrik of verbazing. Het woord komt in dit evangelie meer voor; wij vertalen het steeds met ‘ontzet’. **9:16** Hij vroeg hun: **„Waarover discussiëren jullie met hen?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = Hij vroeg | αὐτούς (autous) = hen | Τί (Ti) = wat | συζητεῖτε (syzeteite) = discussiëren jullie | πρὸς (pros) = met | αὑτούς (hautous) = zichzelf Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: De SBLGNT heeft hier πρὸς αὑτούς (pros hautous), een vorm die ‘onder elkaar’ kan betekenen. Wij lezen ‘met hen’, zoals πρὸς αὐτούς in 9:14. **9:17** Eén uit de menigte antwoordde Hem: „Leraar, ik heb mijn zoon naar U toe gebracht; hij heeft een stomme geest. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = Hem | εἷς (heis) = één | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | ἤνεγκα (enenka) = ik bracht | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = zoon | μου (mou) = mijn | πρὸς (pros) = naar | σέ (se) = U | ἔχοντα (echonta) = hebbend | πνεῦμα (pneuma) = geest | ἄλαλον (alalon) = stomme Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα ἄλαλον (pneuma alalon), ‘stomme geest’: een geest die het kind niet laat spreken. In 9:25 wordt de geest ook ‘doof’ genoemd. **9:18** Waar de geest hem ook overvalt, slingert die hem tegen de grond. En hij schuimbekt, knarst met zijn tanden en wordt stijf. Ik zei tegen Uw leerlingen dat zij de geest moesten uitdrijven, maar zij konden het niet.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅπου (hopou) = waar | ἐὰν (ean) = ook | αὐτὸν (auton) = hem | καταλάβῃ (katalabe) = overvalt | ῥήσσει (rhessei) = slingert tegen de grond | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἀφρίζει (aphrizei) = schuimbekt | καὶ (kai) = en | τρίζει (trizei) = knarst | τοὺς (tous) = de | ὀδόντας (odontas) = tanden | καὶ (kai) = en | ξηραίνεται (xerainetai) = wordt stijf | καὶ (kai) = en | εἶπα (eipa) = ik zei | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | σου (sou) = Uw | ἵνα (hina) = opdat | αὐτὸ (auto) = het | ἐκβάλωσιν (ekbalosin) = zij uitdrijven | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἴσχυσαν (ischysan) = konden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥήσσει (resei), ‘slingert tegen de grond’: het werkwoord betekent letterlijk ‘scheuren, stukslaan’. Voetnoot : ξηραίνεται (xerainetai), ‘wordt stijf’: letterlijk ‘verdort, droogt uit’. Het Grieks noemt geen onderwerp bij ‘overvalt’ en ‘slingert’; wij schrijven ‘de geest’. **9:19** Hij antwoordde hun en zei: **„O ongelovige generatie, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang zal Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Mij.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγει (legei) = zegt | Ὦ (O) = o | γενεὰ (genea) = generatie | ἄπιστος (apistos) = ongelovige | ἕως (heos) = tot | πότε (pote) = wanneer | πρὸς (pros) = bij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἔσομαι (esomai) = zal Ik zijn | ἕως (heos) = tot | πότε (pote) = wanneer | ἀνέξομαι (anexomai) = zal Ik verdragen | ὑμῶν (hymon) = jullie | φέρετε (pherete) = brengt | αὐτὸν (auton) = hem | πρός (pros) = bij | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **9:20** Zij brachten hem bij Hem. Zodra de geest Hem zag, trok die hem meteen krampachtig heen en weer. De jongen viel op de grond en rolde schuimbekkend rond. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤνεγκαν (enenkan) = zij brachten | αὐτὸν (auton) = hem | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziende | αὐτὸν (auton) = Hem | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = geest | εὐθὺς (euthys) = meteen | συνεσπάραξεν (synesparaxen) = schudde heen en weer | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | πεσὼν (peson) = vallend | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = grond | ἐκυλίετο (ekylieto) = rolde | ἀφρίζων (aphrizon) = schuimbekkend Bron: SBLGNT **9:21** Hij vroeg aan zijn vader: **„Hoelang is het al geleden dat dit hem is overkomen?”** Die zei: „Van kinds af aan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = Hij vroeg | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | Πόσος (Posos) = hoeveel | χρόνος (chronos) = tijd | ἐστὶν (estin) = is het | ὡς (hos) = sinds | τοῦτο (touto) = dit | γέγονεν (gegonen) = gebeurd is | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐκ (Ek) = van | παιδιόθεν (paidiothen) = kinds af aan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De woorden van de vader lopen door in 9:22. **9:22** Vaak heeft de geest hem in het vuur en in het water geworpen om hem om te brengen. Maar als U iets kunt, help ons en heb medelijden met ons.” Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλάκις (pollakis) = vaak | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | πῦρ (pyr) = vuur | αὐτὸν (auton) = hem | ἔβαλεν (ebalen) = wierp | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | ὕδατα (hydata) = wateren | ἵνα (hina) = opdat | ἀπολέσῃ (apolese) = hij ombrengt | αὐτόν (auton) = hem | ἀλλ’ (all’) = maar | εἴ (ei) = als | τι (ti) = iets | δύνῃ (dyne) = U kunt | βοήθησον (boetheson) = help | ἡμῖν (hemin) = ons | σπλαγχνισθεὶς (splanchnistheis) = medelijden hebbend | ἐφ’ (eph’) = met | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT **9:23** Yeshua zei tegen hem: **„‘Als U kunt’! Alles is mogelijk voor wie gelooft.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Τὸ (To) = (aanhaling) | Εἰ (Ei) = als | δύνῃ (dyne) = U kunt | πάντα (panta) = alles | δυνατὰ (dynata) = mogelijk | τῷ (to) = voor de | πιστεύοντι (pisteuonti) = gelovende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het lidwoord Τὸ (to) voor ‘Als U kunt’ maakt van die woorden een aanhaling: Yeshua herhaalt wat de vader in 9:22 zei. **9:24** Meteen riep de vader van het kind uit: „Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!” Brontekst: εὐθὺς (euthys) = meteen | κράξας (kraxas) = roepend | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | τοῦ (tou) = van het | παιδίου (paidiou) = kind | ἔλεγεν (elegen) = zei | Πιστεύω (Pisteuo) = ik geloof | βοήθει (boethei) = help | μου (mou) = mijn | τῇ (te) = het | ἀπιστίᾳ (apistia) = ongeloof Bron: SBLGNT **9:25** Yeshua zag dat er een menigte toe kwam lopen. Hij bestrafte de onreine geest en zei tegen hem: **„Jij stomme en dove geest, Ik beveel je: ga uit hem. Ga nooit meer in hem.”** Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | ἐπισυντρέχει (episyntrechei) = toeloopt | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | τῷ (to) = de | πνεύματι (pneumati) = geest | τῷ (to) = de | ἀκαθάρτῳ (akatharto) = onreine | λέγων (legon) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tot hem | Τὸ (To) = de | ἄλαλον (alalon) = stomme | καὶ (kai) = en | κωφὸν (kophon) = dove | πνεῦμα (pneuma) = geest | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐπιτάσσω (epitasso) = beveel | σοι (soi) = je | ἔξελθε (exelthe) = ga uit | ἐξ (ex) = uit | αὐτοῦ (autou) = hem | καὶ (kai) = en | μηκέτι (meketi) = niet meer | εἰσέλθῃς (eiselthes) = ga binnen | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπετίμησεν (epetimesen), ‘bestrafte’: terechtwijzen met gezag. Wij vertalen het overal zo (ook 10:13 en 10:48). Voetnoot : ἐπιτάσσω (epitasso), ‘bevelen’. **9:26** De geest schreeuwde, schudde hem hevig heen en weer en ging uit. De jongen werd als een dode, zodat de meesten zeiden dat hij gestorven was. Brontekst: καὶ (kai) = en | κράξας (kraxas) = schreeuwend | καὶ (kai) = en | πολλὰ (polla) = veel | σπαράξας (sparaxas) = heen en weer schuddend | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = werd | ὡσεὶ (hosei) = als | νεκρὸς (nekros) = dode | ὥστε (hoste) = zodat | τοὺς (tous) = de | πολλοὺς (pollous) = meesten | λέγειν (legein) = zeggen | ὅτι (hoti) = dat | ἀπέθανεν (apethanen) = hij stierf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen onderwerp bij ‘schreeuwde’, ‘ging uit’ en ‘werd’; wij schrijven ‘de geest’ en ‘de jongen’. **9:27** Maar Yeshua nam hem bij de hand en richtte hem op, en hij stond op. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | κρατήσας (kratesas) = grijpend | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἤγειρεν (egeiren) = richtte op | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἀνέστη (aneste) = stond op Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἤγειρεν (egeiren), ‘richtte op’: het werkwoord ἐγείρω (egeiro) betekent ‘doen opstaan’ en wordt ook gebruikt voor ‘opwekken uit de doden’ (zie 12:26). **9:28** Toen Hij een huis binnengegaan was, vroegen Zijn leerlingen Hem apart: „Waarom hebben wij het niet kunnen uitdrijven?” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσελθόντος (eiselthontos) = binnengegaan | αὐτοῦ (autou) = Hij | εἰς (eis) = in | οἶκον (oikon) = huis | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | ἐπηρώτων (eperoton) = vroegen | αὐτόν (auton) = Hem | Ὅτι (Hoti) = waarom | ἡμεῖς (hemeis) = wij | οὐκ (ouk) = niet | ἠδυνήθημεν (edynethemen) = konden | ἐκβαλεῖν (ekbalein) = uitdrijven | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκβάλλω (ekballo), ‘uitdrijven’: wij gebruiken dit woord voor het verdrijven van geesten en demonen. **9:29** Hij zei tegen hen: **„Deze soort kan door niets uitgaan, behalve door gebed.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τοῦτο (Touto) = deze | τὸ (to) = de | γένος (genos) = soort | ἐν (en) = door | οὐδενὶ (oudeni) = niets | δύναται (dynatai) = kan | ἐξελθεῖν (exelthein) = uitgaan | εἰ (ei) = indien | μὴ (me) = niet | ἐν (en) = door | προσευχῇ (proseuche) = gebed Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat: ‘dan door gebed en vasten’. De SBLGNT heeft alleen ‘door gebed’. ### Yeshua kondigt opnieuw Zijn dood aan **9:30** Zij vertrokken vandaar en trokken door Galilea. Hij wilde niet dat iemand het wist. Brontekst: Κἀκεῖθεν (Kakeithen) = en vandaar | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | παρεπορεύοντο (pareporeuonto) = trokken door | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἤθελεν (ethelen) = wilde Hij | ἵνα (hina) = opdat | τις (tis) = iemand | γνοῖ (gnoi) = wist Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. **9:31** Want Hij onderwees Zijn leerlingen en zei tegen hen: **„De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van mensen. Zij zullen Hem doden, en nadat Hij gedood is, zal Hij na 3 dagen opstaan.”** Brontekst: ἐδίδασκεν (edidasken) = Hij onderwees | γὰρ (gar) = want | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὅτι (hoti) = dat | Ὁ (Ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | παραδίδοται (paradidotai) = wordt overgeleverd | εἰς (eis) = in | χεῖρας (cheiras) = handen | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen | καὶ (kai) = en | ἀποκτενοῦσιν (apoktenousin) = zullen doden | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἀποκτανθεὶς (apoktantheis) = gedood zijnde | μετὰ (meta) = na | τρεῖς (treis) = 3 | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἀναστήσεται (anastesetai) = zal opstaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραδίδοται (paradidotai), ‘wordt overgeleverd’: het werkwoord παραδίδωμι (paradidomi) vertalen wij overal met ‘overleveren’. Voetnoot : ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’. Voetnoot : Zie ook Matt. 17:22–23; Luc. 9:43–45. Zie ook: Mat 17:22–23; Luc 9:43–45 **9:32** Zij begrepen dit woord niet en waren bang het Hem te vragen. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἠγνόουν (egnooun) = begrepen niet | τὸ (to) = het | ῥῆμα (rhema) = woord | καὶ (kai) = en | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = waren bang | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐπερωτῆσαι (eperotesai) = te vragen Bron: SBLGNT ### Wie is de grootste? **9:33** Zij kwamen in Kapernaüm. Toen Hij in het huis was, vroeg Hij hun: **„Waarover overlegden jullie onderweg?”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἦλθον (elthon) = zij kwamen | εἰς (eis) = in | Καφαρναούμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | γενόμενος (genomenos) = zijnde | ἐπηρώτα (eperota) = Hij vroeg | αὐτούς (autous) = hun | Τί (Ti) = wat | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | διελογίζεσθε (dielogizesthe) = overlegden jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 18:1–5; Luc. 9:46–48. Zie ook: Mat 18:1–5; Luc 9:46–48 **9:34** Zij zwegen, want onderweg hadden zij met elkaar gesproken over wie de grootste was. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐσιώπων (esiopon) = zwegen | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | γὰρ (gar) = want | διελέχθησαν (dielechthesan) = spraken | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | τίς (tis) = wie | μείζων (meizon) = groter Bron: SBLGNT **9:35** Hij ging zitten en riep de twaalf. Hij zei tegen hen: **„Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | καθίσας (kathisas) = gaan zitten | ἐφώνησεν (ephonesen) = riep | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Εἴ (Ei) = als | τις (tis) = iemand | θέλει (thelei) = wil | πρῶτος (protos) = eerste | εἶναι (einai) = zijn | ἔσται (estai) = zal zijn | πάντων (panton) = van allen | ἔσχατος (eschatos) = laatste | καὶ (kai) = en | πάντων (panton) = van allen | διάκονος (diakonos) = dienaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάκονος (diakonos), ‘dienaar’: iemand die anderen dient, bijvoorbeeld aan tafel. Het werkwoord διακονέω (diakoneo) vertalen wij met ‘dienen’ (ook 10:43–45). **9:36** Hij nam een kind, zette het in hun midden, nam het in Zijn armen en zei tegen hen: Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | παιδίον (paidion) = kind | ἔστησεν (estesen) = zette | αὐτὸ (auto) = het | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | αὐτῶν (auton) = van hen | καὶ (kai) = en | ἐναγκαλισάμενος (enankalisamenos) = in de armen nemend | αὐτὸ (auto) = het | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen Bron: SBLGNT **9:37** **„Wie één van zulke kinderen in Mijn naam ontvangt, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die Mij gezonden heeft.”** Brontekst: Ὃς (Hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | ἓν (hen) = één | τῶν (ton) = van de | τοιούτων (toiouton) = zulke | παιδίων (paidion) = kinderen | δέξηται (dexetai) = ontvangt | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | ἐμὲ (eme) = Mij | δέχεται (dechetai) = ontvangt | καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | ἐμὲ (eme) = Mij | δέχηται (dechetai) = ontvangt | οὐκ (ouk) = niet | ἐμὲ (eme) = Mij | δέχεται (dechetai) = ontvangt | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸν (ton) = Hem | ἀποστείλαντά (aposteilanta) = die gezonden heeft | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὸν ἀποστείλαντα (ton aposteilanta), ‘Hem die Mij gezonden heeft’: Elohim, de Vader. Zie ook Matt. 10:40; Luc. 9:48. Zie ook: Mat 10:40; Luc 9:48 ### Wie niet tegen ons is, is voor ons **9:38** Johannes zei tegen Hem: „Leraar, wij zagen iemand die in Uw naam demonen uitdreef, en wij hielden hem tegen, omdat hij ons niet volgde.” Brontekst: Ἔφη (Ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | εἴδομέν (eidomen) = wij zagen | τινα (tina) = iemand | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | σου (sou) = Uw | ἐκβάλλοντα (ekballonta) = uitdrijvend | δαιμόνια (daimonia) = demonen | καὶ (kai) = en | ἐκωλύομεν (ekolyomen) = wij hielden tegen | αὐτόν (auton) = hem | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | ἠκολούθει (ekolouthei) = hij volgde | ἡμῖν (hemin) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Luc. 9:49–50. Zie ook: Luc 9:49–50 **9:39** Yeshua zei: **„Houd hem niet tegen. Want er is niemand die in Mijn naam een krachtige daad doet en daarna snel kwaad over Mij kan spreken.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Μὴ (Me) = niet | κωλύετε (kolyete) = houd tegen | αὐτόν (auton) = hem | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ὃς (hos) = die | ποιήσει (poiesei) = zal doen | δύναμιν (dynamin) = krachtige daad | ἐπὶ (epi) = op | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | δυνήσεται (dynesetai) = zal kunnen | ταχὺ (tachy) = snel | κακολογῆσαί (kakologesai) = kwaad spreken | με (me) = over Mij Bron: SBLGNT **9:40** **Want wie niet tegen ons is, is voor ons.** Brontekst: ὃς (hos) = wie | γὰρ (gar) = want | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | καθ’ (kath’) = tegen | ἡμῶν (hemon) = ons | ὑπὲρ (hyper) = voor | ἡμῶν (hemon) = ons | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **9:41** **Want voorwaar, Ik zeg jullie: wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij de Messias horen, zal zijn loon zeker niet verliezen.** Brontekst: Ὃς (Hos) = wie | γὰρ (gar) = want | ἂν (an) = (ooit) | ποτίσῃ (potise) = laat drinken | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ποτήριον (poterion) = beker | ὕδατος (hydatos) = van water | ἐν (en) = in | ὀνόματι (onomati) = naam | ὅτι (hoti) = dat | χριστοῦ (christou) = van de Messias | ἐστε (este) = jullie zijn | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | ἀπολέσῃ (apolese) = hij verliest | τὸν (ton) = het | μισθὸν (misthon) = loon | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν ὀνόματι ὅτι χριστοῦ ἐστε (en onomati hoti christou este), letterlijk ‘in naam dat jullie van de Messias zijn’. Wij vertalen ‘omdat jullie bij de Messias horen’. Zie ook Matt. 10:42. Zie ook: Mat 10:42 ### Struikelblokken **9:42** **En wie één van deze kleinen die in Mij geloven laat struikelen: voor hem is het beter dat er een ezelsmolensteen om zijn nek ligt en hij in de zee geworpen is.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | σκανδαλίσῃ (skandalise) = laat struikelen | ἕνα (hena) = één | τῶν (ton) = van de | μικρῶν (mikron) = kleinen | τούτων (touton) = deze | τῶν (ton) = de | πιστευόντων (pisteuonton) = gelovenden | εἰς (eis) = in | ἐμέ (eme) = Mij | καλόν (kalon) = goed | ἐστιν (estin) = is | αὐτῷ (auto) = voor hem | μᾶλλον (mallon) = meer | εἰ (ei) = als | περίκειται (perikeitai) = ligt | μύλος (mylos) = molensteen | ὀνικὸς (onikos) = van een ezel | περὶ (peri) = om | τὸν (ton) = de | τράχηλον (trachelon) = nek | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | βέβληται (bebletai) = geworpen is | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκανδαλίζω (skandalizo), ‘laten struikelen’: iemand laten vallen of laten afvallen. Wij vertalen het overal zo. Voetnoot : μύλος ὀνικός (mylos onikos), ‘ezelsmolensteen’, letterlijk ‘molen van een ezel’: een grote molensteen die door een ezel gedraaid werd (zoals Matt. 18:6). Voetnoot : Zie ook Matt. 18:6–9; Luc. 17:1–2. Zie ook: Mat 18:6; Luc 17:1–2 **9:43** **En als jouw hand je laat struikelen, hak haar af. Het is beter voor jou verminkt het leven binnen te gaan dan met twee handen naar de Gehenna te gaan, naar het onuitblusbare vuur.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐὰν (ean) = als | σκανδαλίζῃ (skandalize) = laat struikelen | σε (se) = je | ἡ (he) = de | χείρ (cheir) = hand | σου (sou) = jouw | ἀπόκοψον (apokopson) = hak af | αὐτήν (auten) = haar | καλόν (kalon) = goed | ἐστίν (estin) = is | σε (se) = voor jou | κυλλὸν (kyllon) = verminkt | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | ζωὴν (zoen) = leven | ἢ (e) = dan | τὰς (tas) = de | δύο (dyo) = twee | χεῖρας (cheiras) = handen | ἔχοντα (echonta) = hebbend | ἀπελθεῖν (apelthein) = weg te gaan | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | γέενναν (geennan) = Gehenna | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | πῦρ (pyr) = vuur | τὸ (to) = het | ἄσβεστον (asbeston) = onuitblusbare Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: van het Hebreeuwse גֵּי הִנֹּם (ge hinnom), ‘dal van Hinnom’, bij Jeruzalem (Joz. 15:8). Daar werden in de tijd van de koningen kinderen verbrand (Jer. 7:31). Het woord werd een naam voor de plaats van het oordeel. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Zie ook: Joz 15:8; Jer 7:31 **9:45** **En als jouw voet je laat struikelen, hak hem af. Het is beter voor jou kreupel het leven binnen te gaan dan met twee voeten in de Gehenna geworpen te worden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | ὁ (ho) = de | πούς (pous) = voet | σου (sou) = jouw | σκανδαλίζῃ (skandalize) = laat struikelen | σε (se) = je | ἀπόκοψον (apokopson) = hak af | αὐτόν (auton) = hem | καλόν (kalon) = goed | ἐστίν (estin) = is | σε (se) = voor jou | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | ζωὴν (zoen) = leven | χωλὸν (cholon) = kreupel | ἢ (e) = dan | τοὺς (tous) = de | δύο (dyo) = twee | πόδας (podas) = voeten | ἔχοντα (echonta) = hebbend | βληθῆναι (blethenai) = geworpen te worden | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | γέενναν (geennan) = Gehenna Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. **9:47** **En als jouw oog je laat struikelen, ruk het uit. Het is beter voor jou met één oog het koninkrijk van Elohim binnen te gaan dan met twee ogen in de Gehenna geworpen te worden,** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | ὁ (ho) = het | ὀφθαλμός (ophthalmos) = oog | σου (sou) = jouw | σκανδαλίζῃ (skandalize) = laat struikelen | σε (se) = je | ἔκβαλε (ekbale) = ruk uit | αὐτόν (auton) = het | καλόν (kalon) = goed | σέ (se) = voor jou | ἐστιν (estin) = is | μονόφθαλμον (monophthalmon) = met één oog | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἢ (e) = dan | δύο (dyo) = twee | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | ἔχοντα (echonta) = hebbend | βληθῆναι (blethenai) = geworpen te worden | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | γέενναν (geennan) = Gehenna Bron: SBLGNT **9:48** **waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt.** Brontekst: ὅπου (hopou) = waar | ὁ (ho) = de | σκώληξ (skolex) = worm | αὐτῶν (auton) = hun | οὐ (ou) = niet | τελευτᾷ (teleuta) = sterft | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | πῦρ (pyr) = vuur | οὐ (ou) = niet | σβέννυται (sbennytai) = wordt gedoofd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De woorden zijn een aanhaling van Jes. 66:24: ‘want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet gedoofd worden’. Zie ook: Jes 66:24 ### Zout **9:49** **Want ieder zal met vuur gezouten worden.** Brontekst: Πᾶς (Pas) = ieder | γὰρ (gar) = want | πυρὶ (pyri) = met vuur | ἁλισθήσεται (halisthesetai) = zal gezouten worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁλισθήσεται (halisthesetai), ‘gezouten worden’. Wat ‘zouten met vuur’ precies betekent, zegt de tekst niet. Vergelijk Lev. 2:13, waar het graanoffer met zout gezouten wordt. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt: ‘en elk offer zal met zout gezouten worden’. De SBLGNT heeft dit niet. Zie ook: Lev 2:13 **9:50** **Zout is goed. Maar als het zout smaakloos wordt, waarmee zullen jullie het smaak geven? Heb zout in jullie zelf en leef in vrede met elkaar.”** Brontekst: καλὸν (kalon) = goed | τὸ (to) = het | ἅλας (halas) = zout | ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | τὸ (to) = het | ἅλας (halas) = zout | ἄναλον (analon) = smaakloos | γένηται (genetai) = wordt | ἐν (en) = met | τίνι (tini) = wat | αὐτὸ (auto) = het | ἀρτύσετε (artysete) = zullen jullie smaak geven | ἔχετε (echete) = heb | ἐν (en) = in | ἑαυτοῖς (heautois) = jullie zelf | ἅλα (hala) = zout | καὶ (kai) = en | εἰρηνεύετε (eireneuete) = leef in vrede | ἐν (en) = met | ἀλλήλοις (allelois) = elkaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄναλον (analon), ‘smaakloos’: zout dat zijn zoutheid kwijt is. ἀρτύω (artyo), ‘smaak geven’. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:13; Luc. 14:34–35. Zie ook: Mat 5:13; Luc 14:34–35 ## Markus 10 _Over scheiden, de kinderen, de man met veel goederen, de aankondiging van Zijn dood en Bartimeüs_ ### Yeshua onderwijst in Judea **10:1** Hij vertrok vandaar en kwam in het gebied van Judea en aan de overkant van de Jordaan. Weer kwamen menigten naar Hem toe en, zoals Hij gewend was, onderwees Hij hen weer. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἔρχεται (erchetai) = komt | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | ὅρια (horia) = gebied | τῆς (tes) = van | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | καὶ (kai) = en | πέραν (peran) = aan de overkant van | τοῦ (tou) = de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan | καὶ (kai) = en | συμπορεύονται (symporeuontai) = komen samen | πάλιν (palin) = weer | ὄχλοι (ochloi) = menigten | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ὡς (hos) = zoals | εἰώθει (eiothei) = Hij gewoon was | πάλιν (palin) = weer | ἐδίδασκεν (edidasken) = Hij onderwees | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Overkant van de Jordaan (Perea; ligging onzeker): ‘De overkant van de Jordaan’ is het gebied ten oosten van de Jordaan, tegenover Judea. Later heette dit gebied Perea. De precieze grenzen zijn niet vast te stellen. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: πέραν τοῦ Ἰορδάνου (peran tou Iordanou), ‘aan de overkant van de Jordaan’: het gebied ten oosten van de rivier. Voetnoot : Zie ook Matt. 19:1–2. Zie ook: Mat 19:1–2 ### Een vraag over scheiden **10:2** Zij vroegen Hem of het een man geoorloofd is zijn vrouw weg te sturen, om Hem op de proef te stellen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐπηρώτων (eperoton) = zij vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰ (ei) = of | ἔξεστιν (exestin) = geoorloofd is | ἀνδρὶ (andri) = aan een man | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | ἀπολῦσαι (apolysai) = weg te sturen | πειράζοντες (peirazontes) = op de proef stellend | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπολύω (apolyo), ‘wegsturen’: het gewone woord voor het wegsturen van een vrouw bij een scheiding. Zie ook Matt. 19:3–9. Voetnoot Lezing: De SBLGNT heeft hier geen onderwerp. In andere handschriften staat dat Farizeeën naar Hem toe kwamen. Wij schrijven ‘Zij’. Zie ook: Mat 19:3–9 **10:3** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Wat heeft Mozes jullie geboden?”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τί (Ti) = wat | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐνετείλατο (eneteilato) = gebood | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes Bron: SBLGNT **10:4** Zij zeiden: „Mozes heeft toegestaan een scheidingsbrief te schrijven en haar weg te sturen.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἐπέτρεψεν (Epetrepsen) = stond toe | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | βιβλίον (biblion) = brief | ἀποστασίου (apostasiou) = van scheiding | γράψαι (grapsai) = te schrijven | καὶ (kai) = en | ἀπολῦσαι (apolysai) = weg te sturen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βιβλίον ἀποστασίου (biblion apostasiou), ‘scheidingsbrief’: zie Deut. 24:1, waar de man voor zijn vrouw ‘een brief van scheiding’ schrijft. Zie ook: Deut 24:1 **10:5** Yeshua zei tegen hen: **„Vanwege de hardheid van jullie hart heeft hij jullie dit gebod geschreven.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Πρὸς (Pros) = vanwege | τὴν (ten) = de | σκληροκαρδίαν (sklerokardian) = hardheid van hart | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔγραψεν (egrapsen) = schreef | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὴν (ten) = het | ἐντολὴν (entolen) = gebod | ταύτην (tauten) = dit Bron: SBLGNT **10:6** **Maar vanaf het begin van de schepping heeft Hij hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt.** Brontekst: ἀπὸ (apo) = vanaf | δὲ (de) = maar | ἀρχῆς (arches) = begin | κτίσεως (ktiseos) = van schepping | ἄρσεν (arsen) = mannelijk | καὶ (kai) = en | θῆλυ (thely) = vrouwelijk | ἐποίησεν (epoiesen) = Hij maakte | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Gen. 1:27: ‘Hij schiep hen mannelijk en vrouwelijk’. Zie ook: Gen 1:27 **10:7** **‘Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten,** Brontekst: ἕνεκεν (heneken) = omwille van | τούτου (toutou) = dit | καταλείψει (kataleipsei) = zal verlaten | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | καὶ (kai) = en | προσκολληθήσεται (proskollethesetai) = zal zich hechten | πρὸς (pros) = aan | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Gen. 2:24. Het Hebreeuws heeft ‘een man’ (אִישׁ, ish) waar het Grieks ‘een mens’ (ἄνθρωπος, anthropos) heeft. Zie ook: Gen 2:24 **10:8** **en de twee zullen tot één vlees worden.’ Zo zijn zij niet meer twee, maar één vlees.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔσονται (esontai) = zullen worden | οἱ (hoi) = de | δύο (dyo) = twee | εἰς (eis) = tot | σάρκα (sarka) = vlees | μίαν (mian) = één | ὥστε (hoste) = zodat | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | εἰσὶν (eisin) = zijn zij | δύο (dyo) = twee | ἀλλὰ (alla) = maar | μία (mia) = één | σάρξ (sarx) = vlees Bron: SBLGNT **10:9** **Wat Elohim dus heeft samengevoegd, laat een mens niet scheiden.”** Brontekst: ὃ (ho) = wat | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | συνέζευξεν (synezeuxen) = voegde samen | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | μὴ (me) = niet | χωριζέτω (chorizeto) = moet scheiden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέζευξεν (synezeuxen), ‘samengevoegd’: letterlijk ‘onder één juk gebracht’. ### Nog een uitleg in het huis **10:10** In het huis vroegen de leerlingen Hem er weer naar. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | πάλιν (palin) = weer | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | περὶ (peri) = over | τούτου (toutou) = dit | ἐπηρώτων (eperoton) = zij vroegen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **10:11** Hij zei tegen hen: **„Wie zijn vrouw wegstuurt en met een andere trouwt, pleegt overspel tegen haar.** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = Hij zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὃς (Hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | ἀπολύσῃ (apolyse) = wegstuurt | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | γαμήσῃ (gamese) = trouwt | ἄλλην (allen) = andere | μοιχᾶται (moichatai) = pleegt overspel | ἐπ’ (ep’) = tegen | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπ’ αὐτήν (ep’ auten), ‘tegen haar’: de eerste vrouw. Het Grieks kan ook ‘bij haar’ betekenen, dan gaat het om de tweede vrouw; wij lezen ‘tegen haar’. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:31–32; Matt. 19:9; Luc. 16:18. Zie ook: Mat 5:31–32; Mat 19:9; Luc 16:18 **10:12** **En als zij haar man wegstuurt en met een andere man trouwt, pleegt zij overspel.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | αὐτὴ (aute) = zij | ἀπολύσασα (apolysasa) = wegsturend | τὸν (ton) = de | ἄνδρα (andra) = man | αὐτῆς (autes) = haar | γαμήσῃ (gamese) = trouwt | ἄλλον (allon) = andere | μοιχᾶται (moichatai) = pleegt overspel Bron: SBLGNT ### Yeshua zegent de kinderen **10:13** Zij brachten kinderen bij Hem, zodat Hij hen zou aanraken. De leerlingen bestraften hen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσέφερον (prosepheron) = zij brachten | αὐτῷ (auto) = aan Hem | παιδία (paidia) = kinderen | ἵνα (hina) = opdat | αὐτῶν (auton) = hen | ἅψηται (hapsetai) = Hij aanraakt | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἐπετίμησαν (epetimesan) = bestraften | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 19:13–15; Luc. 18:15–17. Zie ook: Mat 19:13–15; Luc 18:15–17 **10:14** Toen Yeshua dat zag, werd Hij verontwaardigd en zei tegen hen: **„Laat de kinderen naar Mij toe komen. Houd hen niet tegen, want van mensen zoals zij is het koninkrijk van Elohim.** Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἠγανάκτησεν (eganaktesen) = werd verontwaardigd | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἄφετε (Aphete) = laat | τὰ (ta) = de | παιδία (paidia) = kinderen | ἔρχεσθαι (erchesthai) = komen | πρός (pros) = naar | με (me) = Mij | μὴ (me) = niet | κωλύετε (kolyete) = houd tegen | αὐτά (auta) = hen | τῶν (ton) = van de | γὰρ (gar) = want | τοιούτων (toiouton) = zulke | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγανακτέω (aganakteo), ‘verontwaardigd worden’: wij vertalen het zo in 10:14 en 10:41. Voetnoot : τῶν τοιούτων (ton toiouton), ‘van zulke’: het Grieks zegt niet ‘kinderen’ of ‘mensen’; wij schrijven ‘mensen zoals zij’. **10:15** **Voorwaar, Ik zeg jullie: wie het koninkrijk van Elohim niet ontvangt als een kind, zal er zeker niet in binnengaan.”** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | μὴ (me) = niet | δέξηται (dexetai) = ontvangt | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ὡς (hos) = als | παιδίον (paidion) = kind | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | εἰσέλθῃ (eiselthe) = binnengaat | εἰς (eis) = in | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT **10:16** Hij nam hen in Zijn armen en zegende hen, terwijl Hij Zijn handen op hen legde. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐναγκαλισάμενος (enankalisamenos) = in de armen nemend | αὐτὰ (auta) = hen | κατευλόγει (kateulogei) = zegende | τιθεὶς (titheis) = leggend | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτά (auta) = hen Bron: SBLGNT ### De man met veel goederen **10:17** Toen Hij op weg ging, rende iemand naar Hem toe. Die viel op zijn knieën voor Hem en vroeg Hem: „Goede Leraar, wat moet ik doen om eeuwig leven te erven?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐκπορευομένου (ekporeuomenou) = uitgaand | αὐτοῦ (autou) = Hij | εἰς (eis) = naar | ὁδὸν (hodon) = weg | προσδραμὼν (prosdramon) = toe rennend | εἷς (heis) = iemand | καὶ (kai) = en | γονυπετήσας (gonypetesas) = op de knieën vallend | αὐτὸν (auton) = voor Hem | ἐπηρώτα (eperota) = vroeg | αὐτόν (auton) = Hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | ἀγαθέ (agathe) = goede | τί (ti) = wat | ποιήσω (poieso) = moet ik doen | ἵνα (hina) = opdat | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | κληρονομήσω (kleronomeso) = ik erf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κληρονομέω (kleronomeo), ‘erven’: een erfdeel ontvangen. ζωὴ αἰώνιος (zoe aionios), ‘eeuwig leven’: letterlijk ‘leven van de eeuw’; zie 10:30. Voetnoot : Zie ook Matt. 19:16–22; Luc. 18:18–23. Zie ook: Mat 19:16–22; Luc 18:18–23 **10:18** Yeshua zei tegen hem: **„Waarom noem je Mij goed? Niemand is goed, behalve één: Elohim.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Τί (Ti) = waarom | με (me) = Mij | λέγεις (legeis) = noem je | ἀγαθόν (agathon) = goed | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἀγαθὸς (agathos) = goed | εἰ (ei) = indien | μὴ (me) = niet | εἷς (heis) = één | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim Bron: SBLGNT **10:19** **De geboden ken je: ‘Je zult niet moorden. Je zult geen overspel plegen. Je zult niet stelen. Je zult geen valse getuigenis afleggen. Je zult niemand beroven. Eer je vader en je moeder.’”** Brontekst: τὰς (tas) = de | ἐντολὰς (entolas) = geboden | οἶδας (oidas) = je kent | Μὴ (Me) = niet | φονεύσῃς (phoneuses) = moorden | Μὴ (Me) = niet | μοιχεύσῃς (moicheuses) = overspel plegen | Μὴ (Me) = niet | κλέψῃς (klepses) = stelen | Μὴ (Me) = niet | ψευδομαρτυρήσῃς (pseudomartyreses) = vals getuigen | Μὴ (Me) = niet | ἀποστερήσῃς (apostereses) = beroven | Τίμα (Tima) = eer | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | σου (sou) = jouw | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De geboden staan in Exod. 20:12–16 (ook Deut. 5:16–20); het Grieks noemt het eren van vader en moeder het laatst. ‘Je zult niemand beroven’ (μὴ ἀποστερήσῃς, me apostereses) staat niet bij de tien geboden; vergelijk Lev. 19:13 (‘Je mag je naaste niet uitbuiten en niet beroven’). Zie ook: Ex 20:12–16; Lev 19:13; Deut 5:16–20 **10:20** Die zei tegen Hem: „Leraar, dit alles heb ik onderhouden van jongs af aan.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἔφη (ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | ταῦτα (tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | ἐφυλαξάμην (ephylaxamen) = ik heb onderhouden | ἐκ (ek) = van | νεότητός (neotetos) = jeugd | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **10:21** Yeshua keek hem aan, had hem lief en zei tegen hem: **„Eén ding ontbreekt je. Ga, verkoop alles wat je hebt en geef het aan de armen, en je zult een schat hebben in de hemel. Kom dan, volg Mij.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐμβλέψας (emblepsas) = aankijkend | αὐτῷ (auto) = hem | ἠγάπησεν (egapesen) = had lief | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἕν (Hen) = één | σε (se) = je | ὑστερεῖ (hysterei) = ontbreekt | ὕπαγε (hypage) = ga | ὅσα (hosa) = alles wat | ἔχεις (echeis) = je hebt | πώλησον (poleson) = verkoop | καὶ (kai) = en | δὸς (dos) = geef | τοῖς (tois) = aan de | πτωχοῖς (ptochois) = armen | καὶ (kai) = en | ἕξεις (hexeis) = je zult hebben | θησαυρὸν (thesauron) = schat | ἐν (en) = in | οὐρανῷ (ourano) = hemel | καὶ (kai) = en | δεῦρο (deuro) = kom | ἀκολούθει (akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἠγάπησεν (egapesen), ‘had lief’: van ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’. **10:22** Maar hij werd somber door dat woord en ging bedroefd weg. Want hij had veel goederen. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | στυγνάσας (stygnasas) = somber geworden | ἐπὶ (epi) = over | τῷ (to) = het | λόγῳ (logo) = woord | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | λυπούμενος (lypoumenos) = bedroefd | ἦν (en) = hij was | γὰρ (gar) = want | ἔχων (echon) = hebbend | κτήματα (ktemata) = goederen | πολλά (polla) = vele Bron: SBLGNT ### Rijkdom en het koninkrijk van Elohim **10:23** Yeshua keek rond en zei tegen Zijn leerlingen: **„Hoe moeilijk zullen zij die rijkdom hebben, het koninkrijk van Elohim binnengaan!”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | περιβλεψάμενος (periblepsamenos) = rondkijkend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγει (legei) = zegt | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Πῶς (Pos) = hoe | δυσκόλως (dyskolos) = moeilijk | οἱ (hoi) = de | τὰ (ta) = de | χρήματα (chremata) = rijkdom | ἔχοντες (echontes) = hebbenden | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰσελεύσονται (eiseleusontai) = zullen binnengaan Bron: SBLGNT **10:24** De leerlingen waren verbaasd over Zijn woorden. Yeshua antwoordde opnieuw en zei tegen hen: **„Kinderen, hoe moeilijk is het om het koninkrijk van Elohim binnen te gaan!** Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἐθαμβοῦντο (ethambounto) = waren verbaasd | ἐπὶ (epi) = over | τοῖς (tois) = de | λόγοις (logois) = woorden | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πάλιν (palin) = weer | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τέκνα (Tekna) = kinderen | πῶς (pos) = hoe | δύσκολόν (dyskolon) = moeilijk | ἐστιν (estin) = is | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier: ‘voor hen die op rijkdom vertrouwen’. De SBLGNT heeft dat niet. **10:25** **Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van Elohim binnen te gaan.”** Brontekst: εὐκοπώτερόν (eukopoteron) = gemakkelijker | ἐστιν (estin) = is | κάμηλον (kamelon) = kameel | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = het | τρυμαλιᾶς (trymalias) = oog | τῆς (tes) = van de | ῥαφίδος (rhaphidos) = naald | διελθεῖν (dielthein) = te gaan | ἢ (e) = dan | πλούσιον (plousion) = rijke | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τρυμαλιὰ τῆς ῥαφίδος (trymalia tes rhafidos), ‘oog van een naald’: letterlijk ‘gat van een naald’. Het is een beeld voor iets wat onmogelijk lijkt. Voetnoot : Zie ook Matt. 19:23–26; Luc. 18:24–27. Zie ook: Mat 19:23–26; Luc 18:24–27 **10:26** Zij stonden zeer versteld en zeiden tegen elkaar: „Wie kan dan gered worden?” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | περισσῶς (perissos) = buitengewoon | ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto) = stonden versteld | λέγοντες (legontes) = zeggend | πρὸς (pros) = tot | ἑαυτούς (heautous) = zichzelf | Καὶ (Kai) = en | τίς (tis) = wie | δύναται (dynatai) = kan | σωθῆναι (sothenai) = gered worden Bron: SBLGNT **10:27** Yeshua keek hen aan en zei: **„Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij Elohim. Want bij Elohim is alles mogelijk.”** Brontekst: ἐμβλέψας (emblepsas) = aankijkend | αὐτοῖς (autois) = hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγει (legei) = zegt | Παρὰ (Para) = bij | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | ἀδύνατον (adynaton) = onmogelijk | ἀλλ’ (all’) = maar | οὐ (ou) = niet | παρὰ (para) = bij | θεῷ (theo) = Elohim | πάντα (panta) = alles | γὰρ (gar) = want | δυνατὰ (dynata) = mogelijk | παρὰ (para) = bij | τῷ (to) = de | θεῷ (theo) = Elohim Bron: SBLGNT ### Wat de leerlingen ontvangen **10:28** Petrus begon tegen Hem te zeggen: „Zie, wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd.” Brontekst: Ἤρξατο (Erxato) = begon | λέγειν (legein) = te zeggen | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἀφήκαμεν (aphekamen) = wij lieten achter | πάντα (panta) = alles | καὶ (kai) = en | ἠκολουθήκαμέν (ekolouthekamen) = wij hebben gevolgd | σοι (soi) = U Bron: SBLGNT **10:29** Yeshua zei: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: er is niemand die huis, of broers, of zussen, of moeder, of vader, of kinderen, of akkers heeft achtergelaten omwille van Mij en omwille van de goede boodschap,** Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐδείς (oudeis) = niemand | ἐστιν (estin) = is | ὃς (hos) = die | ἀφῆκεν (apheken) = liet achter | οἰκίαν (oikian) = huis | ἢ (e) = of | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | ἢ (e) = of | ἀδελφὰς (adelphas) = zussen | ἢ (e) = of | μητέρα (metera) = moeder | ἢ (e) = of | πατέρα (patera) = vader | ἢ (e) = of | τέκνα (tekna) = kinderen | ἢ (e) = of | ἀγροὺς (agrous) = akkers | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | ἐμοῦ (emou) = Mij | καὶ (kai) = en | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | τοῦ (tou) = de | εὐαγγελίου (euangeliou) = goede boodschap Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 19:27–29; Luc. 18:28–30. Zie ook: Mat 19:27–29; Luc 18:28–30 **10:30** **die niet honderdvoudig zal ontvangen, nu in deze tijd: huizen, broers, zussen, moeders, kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de komende eeuw eeuwig leven.** Brontekst: ἐὰν (ean) = indien | μὴ (me) = niet | λάβῃ (labe) = hij ontvangt | ἑκατονταπλασίονα (hekatontaplasiona) = honderdvoudig | νῦν (nyn) = nu | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | καιρῷ (kairo) = tijd | τούτῳ (touto) = deze | οἰκίας (oikias) = huizen | καὶ (kai) = en | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | καὶ (kai) = en | ἀδελφὰς (adelphas) = zussen | καὶ (kai) = en | μητέρας (meteras) = moeders | καὶ (kai) = en | τέκνα (tekna) = kinderen | καὶ (kai) = en | ἀγροὺς (agrous) = akkers | μετὰ (meta) = met | διωγμῶν (diogmon) = vervolgingen | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | αἰῶνι (aioni) = eeuw | τῷ (to) = de | ἐρχομένῳ (erchomeno) = komende | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰών (aion), ‘eeuw’: een lang tijdperk. ‘De komende eeuw’ staat tegenover ‘deze tijd’ (καιρός, kairos). **10:31** **Maar velen die de eersten zijn, zullen de laatsten zijn, en de laatsten de eersten.”** Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | δὲ (de) = maar | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | πρῶτοι (protoi) = eersten | ἔσχατοι (eschatoi) = laatsten | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἔσχατοι (eschatoi) = laatsten | πρῶτοι (protoi) = eersten Bron: SBLGNT ### Opnieuw kondigt Yeshua Zijn dood aan **10:32** Zij waren op weg omhoog naar Jeruzalem, en Yeshua ging voor hen uit. Zij waren verbaasd, en zij die Hem volgden, waren bang. Weer nam Hij de twaalf bij Zich en begon hun te zeggen wat Hem zou overkomen: Brontekst: Ἦσαν (Esan) = zij waren | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | ἀναβαίνοντες (anabainontes) = opgaand | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | προάγων (proagon) = voorgaand | αὐτοὺς (autous) = hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐθαμβοῦντο (ethambounto) = waren verbaasd | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἀκολουθοῦντες (akolouthountes) = volgenden | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = waren bang | καὶ (kai) = en | παραλαβὼν (paralabon) = meenemend | πάλιν (palin) = weer | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἤρξατο (erxato) = begon | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγειν (legein) = te zeggen | τὰ (ta) = wat | μέλλοντα (mellonta) = dreigde | αὐτῷ (auto) = Hem | συμβαίνειν (symbainein) = te gebeuren Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **10:33** **„Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. De Mensenzoon zal worden overgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden. Zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem overleveren aan de volken.** Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἀναβαίνομεν (anabainomen) = wij gaan op | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | παραδοθήσεται (paradothesetai) = zal worden overgeleverd | τοῖς (tois) = aan de | ἀρχιερεῦσιν (archiereusin) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | γραμματεῦσιν (grammateusin) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | κατακρινοῦσιν (katakrinousin) = zullen veroordelen | αὐτὸν (auton) = Hem | θανάτῳ (thanato) = tot de dood | καὶ (kai) = en | παραδώσουσιν (paradosousin) = zullen overleveren | αὐτὸν (auton) = Hem | τοῖς (tois) = aan de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἔθνη (ethne), ‘volken’: in het meervoud de niet-Joden. Voetnoot : Zie ook Matt. 20:17–19; Luc. 18:31–34. Zie ook: Mat 20:17–19; Luc 18:31–34 **10:34** **Zij zullen Hem bespotten, op Hem spugen, Hem geselen en doden. Na 3 dagen zal Hij opstaan.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμπαίξουσιν (empaixousin) = zullen bespotten | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | ἐμπτύσουσιν (emptysousin) = zullen spugen op | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | μαστιγώσουσιν (mastigosousin) = zullen geselen | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἀποκτενοῦσιν (apoktenousin) = zullen doden | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | τρεῖς (treis) = 3 | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἀναστήσεται (anastesetai) = zal opstaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαστιγώσουσιν (mastigosousin), ‘zullen geselen’: slaan met een zweep. ### De vraag van Jakobus en Johannes **10:35** Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen naar Hem toe. Zij zeiden tegen Hem: „Leraar, wij willen dat U voor ons doet wat wij U ook vragen.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσπορεύονται (prosporeuontai) = komen naar toe | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἰάκωβος (Iakobos) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = van Zebedeüs | λέγοντες (legontes) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | θέλομεν (thelomen) = wij willen | ἵνα (hina) = dat | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = (ooit) | αἰτήσωμέν (aitesomen) = wij vragen | σε (se) = U | ποιήσῃς (poieses) = U doet | ἡμῖν (hemin) = voor ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 20:20–28. Zie ook: Mat 20:20–28 **10:36** Hij zei tegen hen: **„Wat willen jullie dat Ik voor jullie doe?”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τί (Ti) = wat | θέλετε (thelete) = willen jullie | ποιήσω (poieso) = dat Ik doe | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT **10:37** Zij zeiden tegen Hem: „Geef ons dat wij mogen zitten, de één aan Uw rechterhand en de ander aan Uw linkerhand, in Uw heerlijkheid.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Δὸς (Dos) = geef | ἡμῖν (hemin) = ons | ἵνα (hina) = opdat | εἷς (heis) = één | σου (sou) = Uw | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | καὶ (kai) = en | εἷς (heis) = één | ἐξ (ex) = aan | ἀριστερῶν (aristeron) = linkerhand | καθίσωμεν (kathisomen) = wij zitten | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | δόξῃ (doxe) = heerlijkheid | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Aan Uw rechterhand’ en ‘aan Uw linkerhand’ zijn de twee eerste plaatsen naast een koning. δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’. **10:38** Yeshua zei tegen hen: **„Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie de beker drinken die Ik drink, of gedoopt worden met de doop waarmee Ik gedoopt word?”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Οὐκ (Ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = jullie weten | τί (ti) = wat | αἰτεῖσθε (aiteisthe) = jullie vragen | δύνασθε (dynasthe) = kunnen jullie | πιεῖν (piein) = drinken | τὸ (to) = de | ποτήριον (poterion) = beker | ὃ (ho) = die | ἐγὼ (ego) = Ik | πίνω (pino) = drink | ἢ (e) = of | τὸ (to) = de | βάπτισμα (baptisma) = doop | ὃ (ho) = waarmee | ἐγὼ (ego) = Ik | βαπτίζομαι (baptizomai) = word gedoopt | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ποτήριον (poterion), ‘beker’, en βάπτισμα (baptisma), ‘doop’: het zijn beelden voor het lijden dat Yeshua te wachten staat. Het Grieks verklaart ze hier niet; zie ook 14:36. **10:39** Zij zeiden tegen Hem: „Dat kunnen wij.” Yeshua zei tegen hen: **„De beker die Ik drink, zullen jullie drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, zullen jullie gedoopt worden.** Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Δυνάμεθα (Dynametha) = wij kunnen | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τὸ (To) = de | ποτήριον (poterion) = beker | ὃ (ho) = die | ἐγὼ (ego) = Ik | πίνω (pino) = drink | πίεσθε (piesthe) = zullen jullie drinken | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | βάπτισμα (baptisma) = doop | ὃ (ho) = waarmee | ἐγὼ (ego) = Ik | βαπτίζομαι (baptizomai) = word gedoopt | βαπτισθήσεσθε (baptisthesesthe) = zullen jullie gedoopt worden Bron: SBLGNT **10:40** **Maar het is niet aan Mij om te geven dat iemand aan Mijn rechterhand of linkerhand zit. Het is voor hen voor wie het bereid is.”** Brontekst: τὸ (to) = het | δὲ (de) = maar | καθίσαι (kathisai) = zitten | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | μου (mou) = Mijn | ἢ (e) = of | ἐξ (ex) = aan | εὐωνύμων (euonymon) = linkerhand | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐμὸν (emon) = aan Mij | δοῦναι (dounai) = te geven | ἀλλ’ (all’) = maar | οἷς (hois) = voor wie | ἡτοίμασται (hetoimastai) = het is bereid Bron: SBLGNT **10:41** Toen de tien dit hoorden, werden zij verontwaardigd over Jakobus en Johannes. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | οἱ (hoi) = de | δέκα (deka) = tien | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | ἀγανακτεῖν (aganaktein) = verontwaardigd te zijn | περὶ (peri) = over | Ἰακώβου (Iakobou) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes Bron: SBLGNT ### Groot zijn is bedienen **10:42** Yeshua riep hen bij Zich. Hij zei tegen hen: **„Jullie weten dat zij die als heersers over de volken gelden, over hen heersen en dat hun groten macht over hen uitoefenen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij zich roepend | αὐτοὺς (autous) = hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Οἴδατε (Oidate) = jullie weten | ὅτι (hoti) = dat | οἱ (hoi) = de | δοκοῦντες (dokountes) = geldenden | ἄρχειν (archein) = te heersen | τῶν (ton) = over de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | κατακυριεύουσιν (katakyrieuousin) = heersen | αὐτῶν (auton) = over hen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μεγάλοι (megaloi) = groten | αὐτῶν (auton) = hun | κατεξουσιάζουσιν (katexousiazousin) = oefenen macht uit | αὐτῶν (auton) = over hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 20:25–28; Luc. 22:25–27. Zie ook: Mat 20:25–28; Luc 22:25–27 **10:43** **Maar zo is het onder jullie niet. Wie onder jullie groot wil worden, zal jullie dienaar zijn,** Brontekst: οὐχ (ouch) = niet | οὕτως (houtos) = zo | δέ (de) = maar | ἐστιν (estin) = is | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀλλ’ (all’) = maar | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | θέλῃ (thele) = wil | μέγας (megas) = groot | γενέσθαι (genesthai) = worden | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἔσται (estai) = zal zijn | ὑμῶν (hymon) = van jullie | διάκονος (diakonos) = dienaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάκονος (diakonos), ‘dienaar’: iemand die anderen dient; zie 9:35. **10:44** **en wie onder jullie de eerste wil zijn, zal de knecht van allen zijn.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | θέλῃ (thele) = wil | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | εἶναι (einai) = zijn | πρῶτος (protos) = eerste | ἔσται (estai) = zal zijn | πάντων (panton) = van allen | δοῦλος (doulos) = knecht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; zie Matt. 24:45. Voor διάκονος (10:43) schrijven wij ‘dienaar’ (zie 9:35). Zie ook: Mat 24:45 **10:45** **Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losgeld voor velen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | οὐκ (ouk) = niet | ἦλθεν (elthen) = kwam | διακονηθῆναι (diakonethenai) = gediend te worden | ἀλλὰ (alla) = maar | διακονῆσαι (diakonesai) = te dienen | καὶ (kai) = en | δοῦναι (dounai) = te geven | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λύτρον (lytron) = losgeld | ἀντὶ (anti) = in plaats van | πολλῶν (pollon) = velen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λύτρον (lytron), ‘losgeld’: de prijs waarmee iemand wordt vrijgekocht; vergelijk Exod. 21:30. ψυχή (psyche), ‘leven’. Voor ‘velen’ vergelijk Jes. 53:11–12. Zie ook: Ex 21:30; Jes 53:11–12 ### Yeshua geneest Bartimeüs **10:46** Zij kwamen in Jericho. Toen Hij met Zijn leerlingen en een grote menigte Jericho verliet, zat Bartimeüs, de zoon van Timeüs, een blinde bedelaar, langs de weg. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | εἰς (eis) = in | Ἰεριχώ (Iericho) = Jericho | καὶ (kai) = en | ἐκπορευομένου (ekporeuomenou) = uitgaand | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἀπὸ (apo) = uit | Ἰεριχὼ (Iericho) = Jericho | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ὄχλου (ochlou) = menigte | ἱκανοῦ (hikanou) = aanzienlijke | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | Τιμαίου (Timaiou) = van Timeüs | Βαρτιμαῖος (Bartimaios) = Bartimeüs | τυφλὸς (typhlos) = blinde | προσαίτης (prosaites) = bedelaar | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Βαρτιμαῖος (Bartimaios), ‘Bartimeüs’: bar is Aramees voor ‘zoon’; de tekst zegt zelf ‘de zoon van Timeüs’. Voetnoot : Zie ook Matt. 20:29–34; Luc. 18:35–43. Zie ook: Mat 20:29–34; Luc 18:35–43 **10:47** Toen hij hoorde dat het Yeshua van Nazaret was, begon hij te roepen: „Zoon van David, Yeshua, ontferm U over mij!” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀκούσας (akousas) = horend | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | Ναζαρηνός (Nazarenos) = Nazarener | ἐστιν (estin) = is | ἤρξατο (erxato) = begon | κράζειν (krazein) = te roepen | καὶ (kai) = en | λέγειν (legein) = te zeggen | Υἱὲ (Huie) = Zoon | Δαυὶδ (Dauid) = van David | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἐλέησόν (eleeson) = ontferm U over | με (me) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: Ναζαρηνός (Nazarenos), ‘van Nazaret’. **10:48** Velen bestraften hem: hij moest zwijgen. Maar hij riep nog veel harder: „Zoon van David, ontferm U over mij!” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπετίμων (epetimon) = bestraften | αὐτῷ (auto) = hem | πολλοὶ (polloi) = velen | ἵνα (hina) = opdat | σιωπήσῃ (siopese) = hij zwijgt | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | πολλῷ (pollo) = veel | μᾶλλον (mallon) = meer | ἔκραζεν (ekrazen) = riep | Υἱὲ (Huie) = Zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David | ἐλέησόν (eleeson) = ontferm U over | με (me) = mij Bron: SBLGNT **10:49** Yeshua bleef staan en zei: **„Roep hem.”** Zij riepen de blinde en zeiden tegen hem: „Houd moed, sta op, Hij roept je.” Brontekst: καὶ (kai) = en | στὰς (stas) = blijven staan | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Φωνήσατε (Phonesate) = roep | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | φωνοῦσι (phonousi) = roepen | τὸν (ton) = de | τυφλὸν (typhlon) = blinde | λέγοντες (legontes) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Θάρσει (Tharsei) = houd moed | ἔγειρε (egeire) = sta op | φωνεῖ (phonei) = Hij roept | σε (se) = je Bron: SBLGNT **10:50** De blinde wierp zijn mantel af, sprong op en kwam bij Yeshua. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποβαλὼν (apobalon) = afwerpend | τὸ (to) = de | ἱμάτιον (himation) = mantel | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀναπηδήσας (anapedesas) = opspringend | ἦλθεν (elthen) = kwam | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT **10:51** Yeshua antwoordde hem: **„Wat wil je dat Ik voor je doe?”** De blinde zei tegen Hem: „Rabboeni, dat ik weer kan zien.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Τί (Ti) = wat | σοι (soi) = voor je | θέλεις (theleis) = wil je | ποιήσω (poieso) = dat Ik doe | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | τυφλὸς (typhlos) = blinde | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ραββουνι (Rhabbouni) = Rabboeni | ἵνα (hina) = opdat | ἀναβλέψω (anablepso) = ik weer zie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ραββουνι (Rhabbouni), ‘Rabboeni’: Aramees, een eerbiedige vorm van ‘rabbi’ (‘mijn meester’). Wij laten het woord staan. **10:52** Yeshua zei tegen hem: **„Ga, je geloof heeft je gered.”** Meteen kon hij weer zien en hij volgde Hem op de weg. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ὕπαγε (Hypage) = ga | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | σου (sou) = je | σέσωκέν (sesoken) = heeft gered | σε (se) = je | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἀνέβλεψεν (aneblepsen) = zag weer | καὶ (kai) = en | ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σέσωκεν (sesoken): van σῴζω (sozo), ‘redden’. Het woord betekent hier ook ‘genezen’; wij vertalen overal ‘redden’. ## Markus 11 _De intocht in Jeruzalem, de vijgenboom, de tempel en de vraag naar Zijn gezag_ ### Yeshua komt Jeruzalem binnen **11:1** Toen zij Jeruzalem naderden, bij Betfage en Betanië, bij de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn leerlingen eropuit. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐγγίζουσιν (engizousin) = zij naderen | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | εἰς (eis) = naar | Βηθφαγὴ (Bethphage) = Betfage | καὶ (kai) = en | Βηθανίαν (Bethanian) = Betanië | πρὸς (pros) = bij | τὸ (to) = de | Ὄρος (Oros) = Berg | τῶν (ton) = van de | Ἐλαιῶν (Elaion) = Olijven | ἀποστέλλει (apostellei) = zendt | δύο (dyo) = twee | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Betfage (ligging onzeker): Betfage lag op of aan de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker; van oudsher wordt het gezocht bij et-Tur. Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: Betfage (Βηθφαγή) en Betanië liggen bij de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:1–9; Luc. 19:28–38. Zie ook: Mat 21:1–9; Luc 19:28–38 **11:2** Hij zei tegen hen: **„Ga naar het dorp dat tegenover jullie ligt. Zodra jullie daar binnengaan, zullen jullie een veulen vinden dat vastgebonden staat, waarop nog nooit een mens heeft gezeten. Maak het los en breng het.** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὑπάγετε (Hypagete) = ga | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | κώμην (komen) = dorp | τὴν (ten) = het | κατέναντι (katenanti) = tegenover | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | εἰσπορευόμενοι (eisporeuomenoi) = binnengaand | εἰς (eis) = in | αὐτὴν (auten) = het | εὑρήσετε (heuresete) = jullie zullen vinden | πῶλον (polon) = veulen | δεδεμένον (dedemenon) = vastgebonden | ἐφ’ (eph’) = waarop | ὃν (hon) = wie | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | οὔπω (oupo) = nog niet | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen | ἐκάθισεν (ekathisen) = zat | λύσατε (lysate) = maak los | αὐτὸν (auton) = het | καὶ (kai) = en | φέρετε (pherete) = breng Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πῶλος (polos), ‘veulen’: een jong dier; het Grieks zegt niet van welk dier. Vergelijk Zach. 9:9 (een koning ‘rijdend op een ezel, op een jonge ezel’); Markus noemt dat vers niet. Zie ook: Zach 9:9 **11:3** **Als iemand tegen jullie zegt: ‘Waarom doen jullie dit?’, zeg dan: ‘De Heer heeft het nodig, en Hij zendt het meteen weer hierheen.’”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | ὑμῖν (hymin) = jullie | εἴπῃ (eipe) = zegt | Τί (Ti) = wat | ποιεῖτε (poieite) = doen jullie | τοῦτο (touto) = dit | εἴπατε (eipate) = zeg | ὅτι (hoti) = dat | Ὁ (Ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | αὐτοῦ (autou) = ervan | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχει (echei) = heeft | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | αὐτὸν (auton) = het | ἀποστέλλει (apostellei) = zendt | πάλιν (palin) = weer | ὧδε (hode) = hierheen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: dit kan Yeshua zelf zijn of de eigenaar van het veulen (‘zijn heer’). Wij lezen ‘de Heer’ als Yeshua. Ook wie het veulen weer terugzendt, zegt het Grieks niet met zoveel woorden. **11:4** Zij gingen weg en vonden een veulen dat buiten aan een deur vastgebonden stond, aan de straat. Zij maakten het los. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | καὶ (kai) = en | εὗρον (heuron) = vonden | πῶλον (polon) = veulen | δεδεμένον (dedemenon) = vastgebonden | πρὸς (pros) = bij | θύραν (thyran) = deur | ἔξω (exo) = buiten | ἐπὶ (epi) = aan | τοῦ (tou) = de | ἀμφόδου (amphodou) = straat | καὶ (kai) = en | λύουσιν (lyousin) = maken los | αὐτόν (auton) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄμφοδον (amphodon), ‘straat’: een straat of steeg tussen huizen. **11:5** Enkelen van hen die daar stonden, zeiden tegen hen: „Wat doen jullie, dat jullie het veulen losmaken?” Brontekst: καί (kai) = en | τινες (tines) = enkelen | τῶν (ton) = van de | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἑστηκότων (hestekoton) = staanden | ἔλεγον (elegon) = zeiden | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τί (Ti) = wat | ποιεῖτε (poieite) = doen jullie | λύοντες (lyontes) = losmakend | τὸν (ton) = het | πῶλον (polon) = veulen Bron: SBLGNT **11:6** Zij zeiden tegen hen zoals Yeshua gezegd had, en die lieten hen gaan. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | καθὼς (kathos) = zoals | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἀφῆκαν (aphekan) = zij lieten gaan | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **11:7** Zij brachten het veulen naar Yeshua en legden hun mantels erop. Hij ging erop zitten. Brontekst: καὶ (kai) = en | φέρουσιν (pherousin) = brengen | τὸν (ton) = het | πῶλον (polon) = veulen | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐπιβάλλουσιν (epiballousin) = leggen | αὐτῷ (auto) = erop | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = mantels | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | ἐκάθισεν (ekathisen) = ging zitten | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = het Bron: SBLGNT **11:8** Velen spreidden hun mantels uit op de weg, en anderen takken die zij van de velden hadden afgesneden. Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλοὶ (polloi) = velen | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = mantels | αὐτῶν (auton) = hun | ἔστρωσαν (estrosan) = spreidden uit | εἰς (eis) = op | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | στιβάδας (stibadas) = takken | κόψαντες (kopsantes) = afgesneden hebbend | ἐκ (ek) = van | τῶν (ton) = de | ἀγρῶν (agron) = velden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στιβάς (stibas), ‘tak’: een afgesneden tak met bladeren of een laag bladeren. **11:9** Zij die voorop gingen en zij die volgden, riepen: „Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh! Brontekst: καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | προάγοντες (proagontes) = voorgaanden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀκολουθοῦντες (akolouthountes) = volgenden | ἔκραζον (ekrazon) = riepen | Ὡσαννά (Hosanna) = Hosanna | Εὐλογημένος (Eulogemenos) = gezegend | ὁ (ho) = de | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | ἐν (en) = in | ὀνόματι (onomati) = naam | κυρίου (kyriou) = van Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὡσαννά (hosanna) komt van het Hebreeuwse הוֹשִׁיעָה נָּא (hoshia na), ‘red toch’ (Ps. 118:25). Wij laten het woord staan. Voetnoot : De woorden ‘Gezegend is hij die komt in de naam van Yahweh’ zijn Ps. 118:26. Daarom vertalen wij κυρίου (kyriou) als ‘Yahweh’. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:9; Luc. 19:38. Zie ook: Ps 118:25; Ps 118:26; Mat 21:9; Luc 19:38 **11:10** Gezegend is het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in de hoogste hoogten!” Brontekst: Εὐλογημένη (Eulogemene) = gezegend | ἡ (he) = het | ἐρχομένη (erchomene) = komende | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = vader | ἡμῶν (hemon) = onze | Δαυίδ (Dauid) = David | Ὡσαννὰ (Hosanna) = Hosanna | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | ὑψίστοις (hypsistois) = hoogsten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν τοῖς ὑψίστοις (en tois hypsistois), letterlijk ‘in de hoogsten’: wij schrijven ‘in de hoogste hoogten’. **11:11** Hij ging Jeruzalem binnen, naar de tempel. Nadat Hij alles rondom had bekeken, vertrok Hij met de twaalf naar Betanië, omdat het uur al laat was. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερόν (hieron) = tempel | καὶ (kai) = en | περιβλεψάμενος (periblepsamenos) = rondkijkend | πάντα (panta) = alles | ὀψὲ (opse) = laat | ἤδη (ede) = al | οὔσης (ouses) = zijnde | τῆς (tes) = het | ὥρας (horas) = uur | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | εἰς (eis) = naar | Βηθανίαν (Bethanian) = Betanië | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelterrein met de gebouwen. ### De vijgenboom wordt vervloekt **11:12** De volgende dag, toen zij Betanië verlaten hadden, kreeg Hij honger. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | τῇ (te) = op de | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ἐξελθόντων (exelthonton) = uitgegaan zijnde | αὐτῶν (auton) = zij | ἀπὸ (apo) = van | Βηθανίας (Bethanias) = Betanië | ἐπείνασεν (epeinasen) = kreeg honger Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. **11:13** Hij zag in de verte een vijgenboom die bladeren had en ging erheen om te zien of Hij er misschien iets aan zou vinden. Toen Hij erbij kwam, vond Hij niets dan bladeren. Want het was niet de tijd van de vijgen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | συκῆν (syken) = vijgenboom | ἀπὸ (apo) = van | μακρόθεν (makrothen) = veraf | ἔχουσαν (echousan) = hebbende | φύλλα (phylla) = bladeren | ἦλθεν (elthen) = ging | εἰ (ei) = of | ἄρα (ara) = misschien | τι (ti) = iets | εὑρήσει (heuresei) = zal vinden | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = haar | καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | ἐπ’ (ep’) = bij | αὐτὴν (auten) = haar | οὐδὲν (ouden) = niets | εὗρεν (heuren) = vond | εἰ (ei) = indien | μὴ (me) = niet | φύλλα (phylla) = bladeren | ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | καιρὸς (kairos) = tijd | οὐκ (ouk) = niet | ἦν (en) = was | σύκων (sykon) = van vijgen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σύκων (sykon), ‘vijgen’. Het Grieks zegt dat het niet de tijd van de vijgen was. Zie ook Matt. 21:18–22. Zie ook: Mat 21:18–22 **11:14** Hij antwoordde en zei tegen de vijgenboom: **„Laat nooit meer, voor eeuwig, iemand vrucht van je eten.”** En Zijn leerlingen hoorden het. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tegen haar | Μηκέτι (Meketi) = niet meer | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | ἐκ (ek) = van | σοῦ (sou) = jou | μηδεὶς (medeis) = niemand | καρπὸν (karpon) = vrucht | φάγοι (phagoi) = moge eten | καὶ (kai) = en | ἤκουον (ekouon) = hoorden | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὸν αἰῶνα (eis ton aiona), ‘voor eeuwig’: letterlijk ‘tot de eeuw’. Wij vertalen deze uitdrukking overal zo. ### Yeshua in de tempel **11:15** Zij kwamen in Jeruzalem. Hij ging de tempel in en begon de verkopers en de kopers in de tempel naar buiten te jagen. Hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de zetels van de duivenverkopers om. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | εἰς (eis) = in | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengaand | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | ἤρξατο (erxato) = begon | ἐκβάλλειν (ekballein) = naar buiten te jagen | τοὺς (tous) = de | πωλοῦντας (polountas) = verkopende | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἀγοράζοντας (agorazontas) = kopende | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | τραπέζας (trapezas) = tafels | τῶν (ton) = van de | κολλυβιστῶν (kollybiston) = geldwisselaars | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | καθέδρας (kathedras) = zetels | τῶν (ton) = van de | πωλούντων (polounton) = verkopende | τὰς (tas) = de | περιστερὰς (peristeras) = duiven | κατέστρεψεν (katestrepsen) = gooide om Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: κολλυβιστής (kollybistes), ‘geldwisselaar’: iemand die munten wisselt. ἐκβάλλω (ekballo) betekent ‘naar buiten werpen’; voor mensen schrijven wij ‘naar buiten jagen’, voor geesten ‘uitdrijven’. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:12–13; Luc. 19:45–46. Zie ook: Mat 21:12–13; Luc 19:45–46 **11:16** Hij liet niet toe dat iemand een voorwerp door de tempel droeg. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἤφιεν (ephien) = liet toe | ἵνα (hina) = opdat | τις (tis) = iemand | διενέγκῃ (dienenke) = draagt | σκεῦος (skeuos) = voorwerp | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = de | ἱεροῦ (hierou) = tempel Bron: SBLGNT **11:17** Hij onderwees en zei tegen hen: **„Staat er niet geschreven: ‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken’? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐδίδασκεν (edidasken) = Hij onderwees | καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Οὐ (Ou) = niet | γέγραπται (gegraptai) = is geschreven | ὅτι (hoti) = dat | Ὁ (Ho) = het | οἶκός (oikos) = huis | μου (mou) = Mijn | οἶκος (oikos) = huis | προσευχῆς (proseuches) = van gebed | κληθήσεται (klethesetai) = zal worden genoemd | πᾶσιν (pasin) = voor alle | τοῖς (tois) = de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | πεποιήκατε (pepoiekate) = hebben gemaakt | αὐτὸν (auton) = het | σπήλαιον (spelaion) = spelonk | λῃστῶν (leston) = van rovers Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Jes. 56:7 (‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken’) met een toespeling op Jer. 7:11 (‘een rovershol’). Voetnoot : Zie ook Matt. 21:13; Luc. 19:46. Zie ook: Jes 56:7; Jer 7:11; Mat 21:13; Luc 19:46 **11:18** De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden het en zochten hoe zij Hem konden ombrengen. Zij waren namelijk bang voor Hem, want heel de menigte stond versteld over Zijn onderwijs. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | πῶς (pos) = hoe | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπολέσωσιν (apolesosin) = zij ombrengen | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = zij waren bang | γὰρ (gar) = namelijk | αὐτόν (auton) = voor Hem | πᾶς (pas) = heel | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἐξεπλήσσετο (exeplesseto) = stond versteld | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = het | διδαχῇ (didache) = onderwijs | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκπλήσσομαι (ekplessomai), ‘versteld staan’: wij vertalen het zo (ook 10:26). **11:19** Wanneer het avond werd, gingen zij de stad uit. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | ὀψὲ (opse) = laat | ἐγένετο (egeneto) = het werd | ἐξεπορεύοντο (exeporeuonto) = gingen uit | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad Bron: SBLGNT ### De vijgenboom is verdord **11:20** Toen zij ’s morgens vroeg voorbijkwamen, zagen zij de vijgenboom, vanaf de wortels verdord. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | παραπορευόμενοι (paraporeuomenoi) = voorbijgaand | πρωῒ (proi) = ’s morgens | εἶδον (eidon) = zagen zij | τὴν (ten) = de | συκῆν (syken) = vijgenboom | ἐξηραμμένην (exerammenen) = verdord | ἐκ (ek) = vanaf | ῥιζῶν (rhizon) = wortels Bron: SBLGNT **11:21** Petrus herinnerde zich het en zei tegen Hem: „Rabbi, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναμνησθεὶς (anamnestheis) = zich herinnerend | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ῥαββί (Rhabbi) = rabbi | ἴδε (ide) = kijk | ἡ (he) = de | συκῆ (syke) = vijgenboom | ἣν (hen) = die | κατηράσω (kateraso) = U hebt vervloekt | ἐξήρανται (exerantai) = is verdord Bron: SBLGNT **11:22** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Heb geloof in Elohim.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἔχετε (Echete) = heb | πίστιν (pistin) = geloof | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πίστιν θεοῦ (pistin theou) is letterlijk ‘geloof van Elohim’. Het kan ‘geloof in Elohim’ betekenen (zo vertalen wij) of ‘geloof dat van Elohim komt’. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:20–22. Zie ook: Mat 21:20–22 **11:23** **Voorwaar, Ik zeg jullie: wie tegen deze berg zegt: ‘Word opgeheven en word in de zee geworpen’. Als hij in zijn hart niet twijfelt maar gelooft dat gebeurt wat hij zegt, zal het voor hem zo zijn.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | εἴπῃ (eipe) = zegt | τῷ (to) = tegen de | ὄρει (orei) = berg | τούτῳ (touto) = deze | Ἄρθητι (Artheti) = word opgeheven | καὶ (kai) = en | βλήθητι (bletheti) = word geworpen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | διακριθῇ (diakrithe) = twijfelt | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀλλὰ (alla) = maar | πιστεύῃ (pisteue) = gelooft | ὅτι (hoti) = dat | ὃ (ho) = wat | λαλεῖ (lalei) = hij zegt | γίνεται (ginetai) = gebeurt | ἔσται (estai) = zal zijn | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **11:24** **Daarom zeg Ik jullie: alles wat jullie bidden en vragen, geloof dat jullie het ontvangen hebben, en het zal voor jullie zo zijn.** Brontekst: διὰ (dia) = daarom | τοῦτο (touto) = dit | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | προσεύχεσθε (proseuchesthe) = jullie bidden | καὶ (kai) = en | αἰτεῖσθε (aiteisthe) = jullie vragen | πιστεύετε (pisteuete) = geloof | ὅτι (hoti) = dat | ἐλάβετε (elabete) = jullie ontvingen | καὶ (kai) = en | ἔσται (estai) = zal zijn | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT **11:25** **En wanneer jullie staan te bidden, vergeef dan als jullie iets tegen iemand hebben, opdat ook jullie Vader in de hemelen jullie overtredingen vergeeft.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | στήκετε (stekete) = jullie staan | προσευχόμενοι (proseuchomenoi) = biddend | ἀφίετε (aphiete) = vergeef | εἴ (ei) = indien | τι (ti) = iets | ἔχετε (echete) = jullie hebben | κατά (kata) = tegen | τινος (tinos) = iemand | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὁ (ho) = die | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | ἀφῇ (aphe) = vergeeft | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὰ (ta) = de | παραπτώματα (paraptomata) = overtredingen | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφίημι (aphiemi), ‘vergeven’; παράπτωμα (paraptoma), ‘overtreding’. Zie ook Matt. 6:14–15. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Zie ook: Mat 6:14–15 ### De vraag naar Zijn gezag **11:27** Zij kwamen weer in Jeruzalem. Terwijl Hij in de tempel rondliep, kwamen de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | πάλιν (palin) = weer | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | περιπατοῦντος (peripatountos) = rondlopend | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἔρχονται (erchontai) = komen | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: leiders van het volk. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:23–27; Luc. 20:1–8. Zie ook: Mat 21:23–27; Luc 20:1–8 **11:28** Zij zeiden tegen Hem: „Met welk gezag doet U dit? Of wie heeft U dit gezag gegeven, zodat U dit doet?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ἐν (En) = met | ποίᾳ (poia) = welk | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ταῦτα (tauta) = dit | ποιεῖς (poieis) = doet U | ἢ (e) = of | τίς (tis) = wie | σοι (soi) = U | ἔδωκεν (edoken) = gaf | τὴν (ten) = het | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ταύτην (tauten) = dit | ἵνα (hina) = opdat | ταῦτα (tauta) = dit | ποιῇς (poies) = U doet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te beslissen. Wij vertalen het overal zo. **11:29** Yeshua zei tegen hen: **„Ik zal jullie één vraag stellen. Antwoord Mij, dan zal Ik jullie zeggen met welk gezag Ik dit doe.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἐπερωτήσω (Eperoteso) = Ik zal vragen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἕνα (hena) = één | λόγον (logon) = woord | καὶ (kai) = en | ἀποκρίθητέ (apokrithete) = antwoord | μοι (moi) = Mij | καὶ (kai) = en | ἐρῶ (ero) = Ik zal zeggen | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐν (en) = met | ποίᾳ (poia) = welk | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ταῦτα (tauta) = dit | ποιῶ (poio) = Ik doe Bron: SBLGNT **11:30** **De doop van Johannes, was die uit de hemel of van mensen? Antwoord Mij.”** Brontekst: τὸ (to) = de | βάπτισμα (baptisma) = doop | τὸ (to) = de | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | ἐξ (ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἦν (en) = was | ἢ (e) = of | ἐξ (ex) = uit | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ἀποκρίθητέ (apokrithete) = antwoord | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξ οὐρανοῦ (ex ouranou), ‘uit de hemel’: een omschrijving voor ‘van Elohim’. **11:31** Zij overlegden onder elkaar: „Wat zullen wij zeggen? Als wij zeggen: ‘Uit de hemel’, dan zal Hij zeggen: ‘Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?’ Brontekst: καὶ (kai) = en | διελογίζοντο (dielogizonto) = overlegden | πρὸς (pros) = tot | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τί (Ti) = wat | εἴπωμεν (eipomen) = zullen wij zeggen | ἐὰν (ean) = als | εἴπωμεν (eipomen) = wij zeggen | Ἐξ (Ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἐρεῖ (erei) = zal Hij zeggen | Διὰ (Dia) = om | τί (ti) = wat | οὖν (oun) = dan | οὐκ (ouk) = niet | ἐπιστεύσατε (episteusate) = jullie geloofden | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **11:32** Maar zullen wij zeggen: ‘Van mensen’?” Zij waren bang voor de menigte, want allen hielden Johannes werkelijk voor een profeet. Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | εἴπωμεν (eipomen) = zullen wij zeggen | Ἐξ (Ex) = van | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = zij waren bang | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἅπαντες (hapantes) = allen | γὰρ (gar) = want | εἶχον (eichon) = hielden | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | ὄντως (ontos) = werkelijk | ὅτι (hoti) = dat | προφήτης (prophetes) = profeet | ἦν (en) = was Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De zin is in het Grieks niet afgemaakt (‘Maar zullen wij zeggen: Van mensen?’). Wij hebben dat zo gelaten. **11:33** Zij antwoordden Yeshua: „Wij weten het niet.” Yeshua zei tegen hen: **„Ook Ik zeg jullie niet met welk gezag Ik dit doe.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθέντες (apokrithentes) = antwoordend | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | λέγουσιν (legousin) = zeggen | Οὐκ (Ouk) = niet | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Οὐδὲ (Oude) = ook niet | ἐγὼ (ego) = Ik | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐν (en) = met | ποίᾳ (poia) = welk | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ταῦτα (tauta) = dit | ποιῶ (poio) = Ik doe Bron: SBLGNT ## Markus 12 _De gelijkenis van de wijngaard, de vragen van de leiders, het grote gebod en de arme weduwe_ ### De gelijkenis van de wijngaard **12:1** Hij begon in gelijkenissen tegen hen te spreken: **„Een man plantte een wijngaard, zette er een omheining omheen, groef een wijnpers en bouwde een toren. Hij verpachtte de wijngaard aan pachters en reisde naar het buitenland.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἤρξατο (erxato) = begon | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | λαλεῖν (lalein) = te spreken | Ἀμπελῶνα (Ampelona) = wijngaard | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἐφύτευσεν (ephyteusen) = plantte | καὶ (kai) = en | περιέθηκεν (perietheken) = zette | φραγμὸν (phragmon) = omheining | καὶ (kai) = en | ὤρυξεν (oryxen) = groef | ὑπολήνιον (hypolenion) = wijnpers | καὶ (kai) = en | ᾠκοδόμησεν (okodomesen) = bouwde | πύργον (pyrgon) = toren | καὶ (kai) = en | ἐξέδετο (exedeto) = verpachtte | αὐτὸν (auton) = hem | γεωργοῖς (georgois) = aan pachters | καὶ (kai) = en | ἀπεδήμησεν (apedemesen) = reisde naar het buitenland Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De gelijkenis begint zoals het lied over de wijngaard in Jes. 5:1–2 (planten, toren, wijnpers). ἐκδίδωμι (ekdidomi), ‘verpachten’: tegen een deel van de opbrengst uitbesteden. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:33–46; Luc. 20:9–19. Zie ook: Jes 5:1–2; Mat 21:33–46; Luc 20:9–19 **12:2** **Op de juiste tijd zond hij een knecht naar de pachters, om van hen een deel van de vruchten van de wijngaard te ontvangen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | γεωργοὺς (georgous) = pachters | τῷ (to) = op de | καιρῷ (kairo) = juiste tijd | δοῦλον (doulon) = knecht | ἵνα (hina) = opdat | παρὰ (para) = van | τῶν (ton) = de | γεωργῶν (georgon) = pachters | λάβῃ (labe) = hij ontvangt | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | καρπῶν (karpon) = vruchten | τοῦ (tou) = van de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’. Een δοῦλος hoort bij een heer en doet zijn werk. Wij schrijven overal ‘knecht’; voor διάκονος (diakonos) schrijven wij ‘dienaar’ (zie 9:35). **12:3** **Zij pakten hem, sloegen hem en zonden hem met lege handen weg.** Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβόντες (labontes) = pakkend | αὐτὸν (auton) = hem | ἔδειραν (edeiran) = sloegen | καὶ (kai) = en | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden weg | κενόν (kenon) = leeg Bron: SBLGNT **12:4** **Weer zond hij een andere knecht naar hen. Ook die sloegen zij op het hoofd en zij onteerden hem.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = weer | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | ἄλλον (allon) = andere | δοῦλον (doulon) = knecht | κἀκεῖνον (kakeinon) = en die | ἐκεφαλίωσαν (ekephaliosan) = sloegen op het hoofd | καὶ (kai) = en | ἠτίμασαν (etimasan) = onteerden Bron: SBLGNT **12:5** **Weer een andere zond hij; die doodden zij. En ook vele anderen: sommigen sloegen zij, anderen doodden zij.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄλλον (allon) = andere | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | κἀκεῖνον (kakeinon) = en die | ἀπέκτειναν (apekteinan) = doodden zij | καὶ (kai) = en | πολλοὺς (pollous) = vele | ἄλλους (allous) = anderen | οὓς (hous) = van wie | μὲν (men) = wel | δέροντες (derontes) = slaand | οὓς (hous) = van wie | δὲ (de) = maar | ἀποκτέννοντες (apoktennontes) = dodend Bron: SBLGNT **12:6** **Hij had nog één: een geliefde zoon. Die zond hij als laatste naar hen toe. Hij zei: ‘Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.’** Brontekst: ἔτι (eti) = nog | ἕνα (hena) = één | εἶχεν (eichen) = had | υἱὸν (huion) = zoon | ἀγαπητόν (agapeton) = geliefde | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | αὐτὸν (auton) = hem | ἔσχατον (eschaton) = laatste | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | λέγων (legon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἐντραπήσονται (Entrapesontai) = zullen ontzag hebben | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = zoon | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱὸν ἀγαπητόν (huion agapeton), ‘geliefde zoon’: dezelfde woorden als in 1:11 en 9:7. **12:7** **Maar die pachters zeiden onder elkaar: ‘Dit is de erfgenaam. Kom, laten wij hem doden, en de erfenis zal van ons zijn.’** Brontekst: ἐκεῖνοι (ekeinoi) = die | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | γεωργοὶ (georgoi) = pachters | πρὸς (pros) = tot | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | εἶπαν (eipan) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | κληρονόμος (kleronomos) = erfgenaam | δεῦτε (deute) = kom | ἀποκτείνωμεν (apokteinomen) = laten wij doden | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἡμῶν (hemon) = van ons | ἔσται (estai) = zal zijn | ἡ (he) = de | κληρονομία (kleronomia) = erfenis Bron: SBLGNT **12:8** **Zij pakten hem, doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard.** Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβόντες (labontes) = pakkend | ἀπέκτειναν (apekteinan) = doodden | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐξέβαλον (exebalon) = wierpen uit | αὐτὸν (auton) = hem | ἔξω (exo) = buiten | τοῦ (tou) = van de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard Bron: SBLGNT **12:9** **Wat zal de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen, de pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.** Brontekst: τί (ti) = wat | ποιήσει (poiesei) = zal doen | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τοῦ (tou) = van de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard | ἐλεύσεται (eleusetai) = zal komen | καὶ (kai) = en | ἀπολέσει (apolesei) = zal ombrengen | τοὺς (tous) = de | γεωργούς (georgous) = pachters | καὶ (kai) = en | δώσει (dosei) = zal geven | τὸν (ton) = de | ἀμπελῶνα (ampelona) = wijngaard | ἄλλοις (allois) = aan anderen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος (ho kyrios) is hier de eigenaar van de wijngaard, dus ‘heer’ met een kleine letter. **12:10** **Hebben jullie ook dit Schriftwoord niet gelezen: ‘De steen die de bouwers verwierpen, die is tot hoeksteen geworden.** Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | τὴν (ten) = de | γραφὴν (graphen) = Schrift | ταύτην (tauten) = deze | ἀνέγνωτε (anegnote) = jullie lazen | Λίθον (Lithon) = steen | ὃν (hon) = die | ἀπεδοκίμασαν (apedokimasan) = verwierpen | οἱ (hoi) = de | οἰκοδομοῦντες (oikodomountes) = bouwers | οὗτος (houtos) = deze | ἐγενήθη (egenethe) = is geworden | εἰς (eis) = tot | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd van | γωνίας (gonias) = hoek Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Ps. 118:22–23. κεφαλὴ γωνίας (kephale gonias) is letterlijk ‘hoofd van de hoek’; wij vertalen ‘hoeksteen’, zoals in Ps. 118:22. Zie ook: Ps 118:22–23 **12:11** **Dit is van Yahweh gekomen, en het is wonderbaar in onze ogen’?”** Brontekst: παρὰ (para) = van | κυρίου (kyriou) = Yahweh | ἐγένετο (egeneto) = is gekomen | αὕτη (haute) = dit | καὶ (kai) = en | ἔστιν (estin) = is | θαυμαστὴ (thaumaste) = wonderbaar | ἐν (en) = in | ὀφθαλμοῖς (ophthalmois) = ogen | ἡμῶν (hemon) = onze Bron: SBLGNT **12:12** Zij probeerden Hem te grijpen, maar zij werden bang voor de menigte. Zij begrepen namelijk dat Hij de gelijkenis tegen hen had gesproken. Zij lieten Hem achter en gingen weg. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | αὐτὸν (auton) = Hem | κρατῆσαι (kratesai) = te grijpen | καὶ (kai) = en | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bang | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἔγνωσαν (egnosan) = zij begrepen | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | πρὸς (pros) = tegen | αὐτοὺς (autous) = hen | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | εἶπεν (eipen) = Hij zei | καὶ (kai) = en | ἀφέντες (aphentes) = achterlatend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg Bron: SBLGNT ### Een vraag over de belasting **12:13** Zij zonden enkele Farizeeën en Herodianen naar Hem toe om Hem met woorden te vangen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀποστέλλουσιν (apostellousin) = zenden | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem | τινας (tinas) = enkelen | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = van de | Ἡρῳδιανῶν (Herodianon) = Herodianen | ἵνα (hina) = opdat | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀγρεύσωσιν (agreusosin) = zij vangen | λόγῳ (logo) = met een woord Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἡρῳδιανοί (Herodianoi), ‘Herodianen’: aanhangers van de familie van Herodes. Voetnoot : Zie ook Matt. 22:15–22; Luc. 20:20–26. Zie ook: Mat 22:15–22; Luc 20:20–26 **12:14** Zij kwamen naar Hem toe en zeiden: „Leraar, wij weten dat U waarachtig bent en dat U zich van niemand iets aantrekt. Want U kijkt niet naar het gezicht van mensen, maar U onderwijst in waarheid de weg van Elohim. Is het geoorloofd belasting aan de keizer te geven of niet? Moeten wij geven of niet geven?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | ὅτι (hoti) = dat | ἀληθὴς (alethes) = waarachtig | εἶ (ei) = U bent | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μέλει (melei) = is het een zorg | σοι (soi) = voor U | περὶ (peri) = om | οὐδενός (oudenos) = niemand | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | βλέπεις (blepeis) = U kijkt | εἰς (eis) = naar | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐπ’ (ep’) = in | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | διδάσκεις (didaskeis) = U onderwijst | ἔξεστιν (exestin) = geoorloofd | δοῦναι (dounai) = te geven | κῆνσον (kenson) = belasting | Καίσαρι (Kaisari) = aan de keizer | ἢ (e) = of | οὔ (ou) = niet | δῶμεν (domen) = zullen wij geven | ἢ (e) = of | μὴ (me) = niet | δῶμεν (domen) = zullen wij geven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κῆνσος (kensos), ‘belasting’: het woord komt van het Latijnse census en is de belasting die aan de Romeinse keizer werd betaald. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: de titel van de Romeinse keizer. Voetnoot : ‘Niet kijken naar het gezicht van mensen’ is een uitdrukking voor niet partijdig zijn. **12:15** Maar Hij kende hun huichelarij en zei tegen hen: **„Waarom stellen jullie Mij op de proef? Breng Mij een denarie, zodat Ik die kan zien.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἰδὼς (eidos) = wetend | αὐτῶν (auton) = hun | τὴν (ten) = de | ὑπόκρισιν (hypokrisin) = huichelarij | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τί (Ti) = wat | με (me) = Mij | πειράζετε (peirazete) = stellen jullie op de proef | φέρετέ (pherete) = breng | μοι (moi) = Mij | δηνάριον (denarion) = denarie | ἵνα (hina) = opdat | ἴδω (ido) = Ik zie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werken (zie ook Matt. 20:2). Zie ook: Mat 20:2 **12:16** Zij brachten er een. Hij zei tegen hen: **„Van wie zijn dit beeld en dit opschrift?”** Zij zeiden tegen Hem: „Van de keizer.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἤνεγκαν (enenkan) = brachten | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = Hij zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τίνος (Tinos) = van wie | ἡ (he) = het | εἰκὼν (eikon) = beeld | αὕτη (haute) = dit | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | ἐπιγραφή (epigraphe) = opschrift | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Καίσαρος (Kaisaros) = van de keizer Bron: SBLGNT **12:17** Yeshua zei tegen hen: **„Geef aan de keizer terug wat van de keizer is, en aan Elohim wat van Elohim is.”** Zij verwonderden zich over Hem. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τὰ (Ta) = wat | Καίσαρος (Kaisaros) = van de keizer | ἀπόδοτε (apodote) = geef | Καίσαρι (Kaisari) = aan de keizer | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = wat | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | τῷ (to) = aan | θεῷ (theo) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἐξεθαύμαζον (exethaumazon) = verwonderden zich | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT ### Een vraag over de opstanding **12:18** Sadduceeën kwamen naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is. Zij vroegen Hem: Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | Σαδδουκαῖοι (Saddoukaioi) = Sadduceeën | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem | οἵτινες (hoitines) = die | λέγουσιν (legousin) = zeggen | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | μὴ (me) = niet | εἶναι (einai) = te zijn | καὶ (kai) = en | ἐπηρώτων (eperoton) = zij vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt zelf dat de Sadduceeën de opstanding ontkennen. Zie ook Matt. 22:23–33; Luc. 20:27–40. Zie ook: Mat 22:23–33; Luc 20:27–40 **12:19** „Leraar, Mozes heeft ons geschreven: als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat maar geen kind nalaat, dan moet zijn broer de vrouw nemen. Hij moet nageslacht opwekken voor zijn broer. Brontekst: Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | ἔγραψεν (egrapsen) = schreef | ἡμῖν (hemin) = ons | ὅτι (hoti) = dat | ἐάν (ean) = als | τινος (tinos) = van iemand | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | ἀποθάνῃ (apothane) = sterft | καὶ (kai) = en | καταλίπῃ (katalipe) = achterlaat | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἀφῇ (aphe) = nalaat | τέκνον (teknon) = kind | ἵνα (hina) = opdat | λάβῃ (labe) = neemt | ὁ (ho) = de | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | καὶ (kai) = en | ἐξαναστήσῃ (exanastese) = laat opstaan | σπέρμα (sperma) = nageslacht | τῷ (to) = aan de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Deut. 25:5–10: wanneer een man kinderloos sterft, moet zijn broer de weduwe nemen. Het Hebreeuws noemt dat ‘de plicht van een zwager vervullen’; vergelijk Gen. 38:8 (‘wek nageslacht op voor je broer’). Zie ook: Gen 38:8; Deut 25:5–10 **12:20** Er waren 7 broers. De eerste nam een vrouw en stierf zonder nageslacht na te laten. Brontekst: ἑπτὰ (hepta) = 7 | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | ἦσαν (esan) = waren | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πρῶτος (protos) = eerste | ἔλαβεν (elaben) = nam | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | καὶ (kai) = en | ἀποθνῄσκων (apothneskon) = stervend | οὐκ (ouk) = niet | ἀφῆκεν (apheken) = liet na | σπέρμα (sperma) = nageslacht Bron: SBLGNT **12:21** De tweede nam haar en stierf zonder nageslacht na te laten, en de derde evenzo. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | δεύτερος (deuteros) = tweede | ἔλαβεν (elaben) = nam | αὐτήν (auten) = haar | καὶ (kai) = en | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf | μὴ (me) = niet | καταλιπὼν (katalipon) = nalatend | σπέρμα (sperma) = nageslacht | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | τρίτος (tritos) = derde | ὡσαύτως (hosautos) = evenzo Bron: SBLGNT **12:22** En de 7 lieten geen nageslacht na. Als laatste van allen stierf ook de vrouw. Brontekst: καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἑπτὰ (hepta) = 7 | οὐκ (ouk) = niet | ἀφῆκαν (aphekan) = lieten na | σπέρμα (sperma) = nageslacht | ἔσχατον (eschaton) = laatste | πάντων (panton) = van allen | καὶ (kai) = ook | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf Bron: SBLGNT **12:23** In de opstanding, wanneer zij opstaan, van wie van hen zal zij de vrouw zijn? Want de 7 hebben haar tot vrouw gehad.” Brontekst: ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀναστάσει (anastasei) = opstanding | ὅταν (hotan) = wanneer | ἀναστῶσιν (anastosin) = zij opstaan | τίνος (tinos) = van wie | αὐτῶν (auton) = van hen | ἔσται (estai) = zal zijn | γυνή (gyne) = vrouw | οἱ (hoi) = de | γὰρ (gar) = want | ἑπτὰ (hepta) = 7 | ἔσχον (eschon) = hadden | αὐτὴν (auten) = haar | γυναῖκα (gynaika) = tot vrouw Bron: SBLGNT **12:24** Yeshua zei tegen hen: **„Dwalen jullie niet hierom, omdat jullie de Schriften niet kennen en de kracht van Elohim niet?** Brontekst: ἔφη (ephe) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐ (Ou) = niet | διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | πλανᾶσθε (planasthe) = dwalen jullie | μὴ (me) = niet | εἰδότες (eidotes) = kennend | τὰς (tas) = de | γραφὰς (graphas) = Schriften | μηδὲ (mede) = en niet | τὴν (ten) = de | δύναμιν (dynamin) = kracht | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **12:25** **Want wanneer zij uit de doden opstaan, trouwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk gegeven, maar zijn zij als engelen in de hemelen.** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | γὰρ (gar) = want | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | ἀναστῶσιν (anastosin) = zij opstaan | οὔτε (oute) = noch | γαμοῦσιν (gamousin) = trouwen | οὔτε (oute) = noch | γαμίζονται (gamizontai) = worden ten huwelijk gegeven | ἀλλ’ (all’) = maar | εἰσὶν (eisin) = zijn | ὡς (hos) = als | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT **12:26** **Maar over de doden, dat zij worden opgewekt: hebben jullie niet gelezen in het boek van Mozes, bij de braamstruik, hoe Elohim tegen hem zei: ‘Ik ben de Elohim van Abraham, de Elohim van Isaak en de Elohim van Jakob’?** Brontekst: περὶ (peri) = over | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = de | νεκρῶν (nekron) = doden | ὅτι (hoti) = dat | ἐγείρονται (egeirontai) = worden opgewekt | οὐκ (ouk) = niet | ἀνέγνωτε (anegnote) = jullie lazen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βίβλῳ (biblo) = boek | Μωϋσέως (Moyseos) = van Mozes | ἐπὶ (epi) = bij | τοῦ (tou) = de | βάτου (batou) = braamstruik | πῶς (pos) = hoe | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | λέγων (legon) = zeggend | Ἐγὼ (Ego) = Ik | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | Ἀβραὰμ (Abraam) = van Abraham | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | Ἰσαὰκ (Isaak) = van Isaak | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | Ἰακώβ (Iakob) = van Jakob Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Exod. 3:6 (in ons Hebreeuws zonder ‘de’ voor Elohim; het Grieks heeft het lidwoord). ‘Het boek van Mozes’ en ‘de braamstruik’ (βάτος, batos) wijzen naar dat verhaal. ἐγείρονται (egeirontai), ‘worden opgewekt’. Zie ook: Ex 3:6 **12:27** **Hij is geen Elohim van doden, maar van levenden. Jullie dwalen zeer.”** Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | θεὸς (theos) = Elohim | νεκρῶν (nekron) = van doden | ἀλλὰ (alla) = maar | ζώντων (zonton) = van levenden | πολὺ (poly) = zeer | πλανᾶσθε (planasthe) = dwalen jullie Bron: SBLGNT ### Het eerste gebod **12:28** Een van de schriftgeleerden kwam naar Hem toe. Die had hen horen discussiëren en zag dat Yeshua hun goed had geantwoord. Hij vroeg Hem: „Welk gebod is het eerste van alle?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | προσελθὼν (proselthon) = naartoe gekomen | εἷς (heis) = één | τῶν (ton) = van de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | αὐτῶν (auton) = hen | συζητούντων (syzetounton) = discussiërend | ἰδὼν (idon) = ziende | ὅτι (hoti) = dat | καλῶς (kalos) = goed | ἀπεκρίθη (apekrithe) = Hij antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | αὐτόν (auton) = Hem | Ποία (Poia) = welk | ἐστὶν (estin) = is | ἐντολὴ (entole) = gebod | πρώτη (prote) = eerste | πάντων (panton) = van alle Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συζητέω (syzeteo), ‘discussiëren’: wij vertalen het zo (ook 9:10, 9:14 en 9:16). Voetnoot : Zie ook Matt. 22:34–40; Luc. 10:25–28. Zie ook: Mat 22:34–40; Luc 10:25–28 **12:29** Yeshua antwoordde: **„Het eerste is: ‘Luister, Israël: Yahweh, onze Elohim, Yahweh is één.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | Πρώτη (Prote) = eerste | ἐστίν (estin) = is | Ἄκουε (Akoue) = luister | Ἰσραήλ (Israel) = Israël | κύριος (kyrios) = Yahweh | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἡμῶν (hemon) = onze | κύριος (kyrios) = Yahweh | εἷς (heis) = één | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Deut. 6:4–5. κύριος (kyrios) vertalen wij als ‘Yahweh’, zoals in Deut. 6:4. Zie ook: Deut 6:4–5 **12:30** **Je moet Yahweh, je Elohim, liefhebben met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en met heel je kracht.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀγαπήσεις (agapeseis) = je zult liefhebben | κύριον (kyrion) = Yahweh | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | σου (sou) = jouw | ἐξ (ex) = uit | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = het | καρδίας (kardias) = hart | σου (sou) = jouw | καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = uit | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = de | ψυχῆς (psyches) = ziel | σου (sou) = jouw | καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = uit | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = het | διανοίας (dianoias) = verstand | σου (sou) = jouw | καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = uit | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = de | ἰσχύος (ischyos) = kracht | σου (sou) = jouw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Deut. 6:5 noemt drie delen: hart, ziel en kracht. Het Grieks heeft er vier: hart, ziel, verstand (διάνοια, dianoia) en kracht (ἰσχύς, ischys). Zie ook: Deut 6:5 **12:31** **Het tweede is dit: ‘Je moet je naaste liefhebben als jezelf.’ Een groter gebod dan deze bestaat er niet.”** Brontekst: δευτέρα (deutera) = tweede | αὕτη (haute) = dit | Ἀγαπήσεις (Agapeseis) = je zult liefhebben | τὸν (ton) = de | πλησίον (plesion) = naaste | σου (sou) = jouw | ὡς (hos) = als | σεαυτόν (seauton) = jezelf | μείζων (meizon) = groter | τούτων (touton) = dan deze | ἄλλη (alle) = ander | ἐντολὴ (entole) = gebod | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Lev. 19:18: ‘Heb je naaste lief als jezelf’. Zie ook: Lev 19:18 **12:32** De schriftgeleerde zei tegen Hem: „Goed, Leraar, naar waarheid hebt U gezegd dat Hij één is en dat er geen ander is behalve Hem, Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | ὁ (ho) = de | γραμματεύς (grammateus) = schriftgeleerde | Καλῶς (Kalos) = goed | διδάσκαλε (didaskale) = Leraar | ἐπ’ (ep’) = in | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | εἶπες (eipes) = U zei | ὅτι (hoti) = dat | εἷς (heis) = één | ἐστιν (estin) = Hij is | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἄλλος (allos) = ander | πλὴν (plen) = behalve | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT **12:33** en dat Hem liefhebben met heel het hart, met heel het inzicht en met heel de kracht, en de naaste liefhebben als zichzelf, meer is dan alle brandoffers en slachtoffers.” Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | ἀγαπᾶν (agapan) = liefhebben | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐξ (ex) = uit | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = het | καρδίας (kardias) = hart | καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = uit | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = het | συνέσεως (syneseos) = inzicht | καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = uit | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = de | ἰσχύος (ischyos) = kracht | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | ἀγαπᾶν (agapan) = liefhebben | τὸν (ton) = de | πλησίον (plesion) = naaste | ὡς (hos) = als | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | περισσότερόν (perissoteron) = meer | ἐστιν (estin) = is | πάντων (panton) = alle | τῶν (ton) = de | ὁλοκαυτωμάτων (holokautomaton) = brandoffers | καὶ (kai) = en | θυσιῶν (thysion) = slachtoffers Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁλοκαύτωμα (holokautoma), ‘brandoffer’, en θυσία (thysia), ‘slachtoffer’. Vergelijk 1 Sam. 15:22 en Hos. 6:6. Zie ook: 1 Sam 15:22; Hos 6:6 **12:34** Toen Yeshua zag dat hij verstandig had geantwoord, zei Hij tegen hem: **„Je bent niet ver van het koninkrijk van Elohim.”** En niemand durfde Hem nog iets te vragen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἰδὼν (idon) = ziende | αὐτὸν (auton) = hem | ὅτι (hoti) = dat | νουνεχῶς (nounechos) = verstandig | ἀπεκρίθη (apekrithe) = hij antwoordde | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Οὐ (Ou) = niet | μακρὰν (makran) = ver | εἶ (ei) = je bent | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | ἐτόλμα (etolma) = durfde | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐπερωτῆσαι (eperotesai) = te vragen Bron: SBLGNT ### De Messias en David **12:35** Yeshua antwoordde en zei, terwijl Hij in de tempel onderwees: **„Hoe zeggen de schriftgeleerden dat de Messias zoon van David is?** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἔλεγεν (elegen) = zei | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | Πῶς (Pos) = hoe | λέγουσιν (legousin) = zeggen | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | υἱὸς (huios) = zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ χριστός (ho christos), ‘de Messias’. Zie ook Matt. 22:41–46; Luc. 20:41–44. Zie ook: Mat 22:41–46; Luc 20:41–44 **12:36** **David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: ‘Yahweh zei tegen mijn Heer: „Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik je vijanden onder je voeten leg.”’** Brontekst: αὐτὸς (autos) = zelf | Δαυὶδ (Dauid) = David | εἶπεν (eipen) = zei | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πνεύματι (pneumati) = Geest | τῷ (to) = de | ἁγίῳ (hagio) = Heilige | Εἶπεν (Eipen) = zei | κύριος (kyrios) = Yahweh | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | μου (mou) = mijn | Κάθου (Kathou) = zit | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | μου (mou) = Mijn | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = (ooit) | θῶ (tho) = Ik leg | τοὺς (tous) = de | ἐχθρούς (echthrous) = vijanden | σου (sou) = jouw | ὑποκάτω (hypokato) = onder | τῶν (ton) = de | ποδῶν (podon) = voeten | σου (sou) = jouw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Ps. 110:1. Daar staat in het Hebreeuws ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer’; het Grieks heeft twee keer κύριος (kyrios). Wij schrijven het eerste als ‘Yahweh’ en het tweede als ‘Heer’. Het Hebreeuws heeft ‘totdat Ik je vijanden zet als voetbank voor je voeten’; de Griekse tekst heeft ‘totdat Ik je vijanden onder je voeten leg’. Voetnoot : ἐν τῷ πνεύματι τῷ ἁγίῳ (en to pneumati to hagio), ‘door de Heilige Geest’: letterlijk ‘in de Heilige Geest’. Zie ook: Ps 110:1 **12:37** **David zelf noemt Hem Heer. Hoe is Hij dan zijn zoon?”** En de grote menigte luisterde graag naar Hem. Brontekst: αὐτὸς (autos) = zelf | Δαυὶδ (Dauid) = David | λέγει (legei) = noemt | αὐτὸν (auton) = Hem | κύριον (kyrion) = Heer | καὶ (kai) = en | πόθεν (pothen) = hoe | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐστιν (estin) = is | υἱός (huios) = zoon | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πολὺς (polys) = grote | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἤκουεν (ekouen) = luisterde | αὐτοῦ (autou) = naar Hem | ἡδέως (hedeos) = graag Bron: SBLGNT ### Pas op voor de schriftgeleerden **12:38** In Zijn onderwijs zei Hij: **„Pas op voor de schriftgeleerden die in lange gewaden willen rondlopen en begroetingen willen op de markten,** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | διδαχῇ (didache) = onderwijs | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἔλεγεν (elegen) = Hij zei | Βλέπετε (Blepete) = pas op | ἀπὸ (apo) = voor | τῶν (ton) = de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | τῶν (ton) = de | θελόντων (thelonton) = willenden | ἐν (en) = in | στολαῖς (stolais) = lange gewaden | περιπατεῖν (peripatein) = rondlopen | καὶ (kai) = en | ἀσπασμοὺς (aspasmous) = begroetingen | ἐν (en) = op | ταῖς (tais) = de | ἀγοραῖς (agorais) = markten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στολή (stole), ‘lang gewaad’: een lang, statig kleed. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:5–7; Luc. 20:45–47. Zie ook: Mat 23:5–7; Luc 20:45–47 **12:39** **en de voorste zetels in de synagogen en de ereplaatsen bij de maaltijden willen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πρωτοκαθεδρίας (protokathedrias) = voorste zetels | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | καὶ (kai) = en | πρωτοκλισίας (protoklisias) = ereplaatsen | ἐν (en) = bij | τοῖς (tois) = de | δείπνοις (deipnois) = maaltijden Bron: SBLGNT **12:40** **Zij die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lang bidden, die zullen een zwaarder oordeel ontvangen.”** Brontekst: οἱ (hoi) = de | κατεσθίοντες (katesthiontes) = opetende | τὰς (tas) = de | οἰκίας (oikias) = huizen | τῶν (ton) = van de | χηρῶν (cheron) = weduwen | καὶ (kai) = en | προφάσει (prophasei) = voor de schijn | μακρὰ (makra) = lang | προσευχόμενοι (proseuchomenoi) = biddend | οὗτοι (houtoi) = dezen | λήμψονται (lempsontai) = zullen ontvangen | περισσότερον (perissoteron) = zwaarder | κρίμα (krima) = oordeel Bron: SBLGNT ### De arme weduwe **12:41** Hij ging tegenover de schatkamer zitten en keek hoe de menigte kopergeld in de schatkamer gooide. Veel rijken gooiden er veel in. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | καθίσας (kathisas) = gaan zitten | κατέναντι (katenanti) = tegenover | τοῦ (tou) = de | γαζοφυλακίου (gazophylakiou) = schatkamer | ἐθεώρει (etheorei) = keek | πῶς (pos) = hoe | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | βάλλει (ballei) = gooit | χαλκὸν (chalkon) = koper | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | γαζοφυλάκιον (gazophylakion) = schatkamer | καὶ (kai) = en | πολλοὶ (polloi) = velen | πλούσιοι (plousioi) = rijken | ἔβαλλον (eballon) = gooiden | πολλά (polla) = veel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γαζοφυλάκιον (gazophylakion), ‘schatkamer’: de plaats in de tempel waar geld werd ingelegd. χαλκός (chalkos), ‘koper’: kopergeld, kleingeld. Voetnoot : Zie ook Luc. 21:1–4. Zie ook: Luc 21:1–4 **12:42** Er kwam een arme weduwe, en zij gooide er twee kleine munten in, dat is een kwadrans. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθοῦσα (elthousa) = gekomen | μία (mia) = één | χήρα (chera) = weduwe | πτωχὴ (ptoche) = arme | ἔβαλεν (ebalen) = gooide | λεπτὰ (lepta) = kleine munten | δύο (dyo) = twee | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | κοδράντης (kodrantes) = kwadrans Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λεπτόν (lepton), ‘kleine munt’: de kleinste koperen munt. κοδράντης (kodrantes), ‘kwadrans’: een Romeinse munt van ongeveer 1/64 van een denarie. Twee kleine munten waren dus heel weinig geld. **12:43** Hij riep Zijn leerlingen bij Zich en zei tegen hen: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: deze arme weduwe heeft er meer in gegooid dan allen die in de schatkamer gooien.** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij zich roepend | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἡ (he) = de | χήρα (chera) = weduwe | αὕτη (haute) = deze | ἡ (he) = de | πτωχὴ (ptoche) = arme | πλεῖον (pleion) = meer | πάντων (panton) = dan allen | ἔβαλεν (ebalen) = gooide | τῶν (ton) = van de | βαλλόντων (ballonton) = gooiende | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | γαζοφυλάκιον (gazophylakion) = schatkamer Bron: SBLGNT **12:44** **Want allen hebben erin gegooid van wat zij over hadden, maar zij heeft in haar tekort alles erin gegooid wat zij had, haar hele levensonderhoud.”** Brontekst: πάντες (pantes) = allen | γὰρ (gar) = want | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | περισσεύοντος (perisseuontos) = overvloedige | αὐτοῖς (autois) = hun | ἔβαλον (ebalon) = gooiden | αὕτη (haute) = deze | δὲ (de) = maar | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | ὑστερήσεως (hystereseos) = tekort | αὐτῆς (autes) = haar | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | εἶχεν (eichen) = had | ἔβαλεν (ebalen) = gooide | ὅλον (holon) = heel | τὸν (ton) = het | βίον (bion) = levensonderhoud | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βίος (bios), ‘levensonderhoud’: alles waarvan zij leefde. ## Markus 13 _De rede op de Olijfberg: tekenen, verdrukking en de komst van de Mensenzoon_ ### Yeshua kondigt de verwoesting van de tempel aan **13:1** Toen Hij de tempel verliet, zei een van Zijn leerlingen tegen Hem: „Leraar, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen!” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐκπορευομένου (ekporeuomenou) = als uitgaand | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot Hem | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | ἴδε (ide) = kijk | ποταποὶ (potapoi) = wat voor | λίθοι (lithoi) = stenen | καὶ (kai) = en | ποταπαὶ (potapai) = wat voor | οἰκοδομαί (oikodomai) = gebouwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelterrein met de gebouwen. Voetnoot : Διδάσκαλε (didaskale), ‘Leraar’: de aanspreking voor Yeshua als iemand die onderwijst. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:1–2; Luc. 21:5–6. Zie ook: Mat 24:1–2; Luc 21:5–6 **13:2** Yeshua zei tegen hem: **„Zie je deze grote gebouwen? Er zal hier geen steen op een andere steen gelaten worden die niet afgebroken wordt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | Βλέπεις (Blepeis) = zie je | ταύτας (tautas) = deze | τὰς (tas) = de | μεγάλας (megalas) = grote | οἰκοδομάς (oikodomas) = gebouwen | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | ἀφεθῇ (aphethe) = zal worden gelaten | ὧδε (hode) = hier | λίθος (lithos) = steen | ἐπὶ (epi) = op | λίθον (lithon) = steen | ὃς (hos) = die | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | καταλυθῇ (katalythe) = zal worden afgebroken Bron: SBLGNT ### De vraag van vier leerlingen **13:3** Toen Hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempel, vroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas Hem apart: Brontekst: Καὶ (Kai) = en | καθημένου (kathemenou) = zittend | αὐτοῦ (autou) = Hij | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | Ὄρος (Oros) = Berg | τῶν (ton) = van de | Ἐλαιῶν (Elaion) = Olijven | κατέναντι (katenanti) = tegenover | τοῦ (tou) = de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | ἐπηρώτα (eperota) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβος (Iakobos) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | καὶ (kai) = en | Ἀνδρέας (Andreas) = Andreas Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal, tegenover het tempelterrein. Zie ook Zach. 14:4. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:3; Luc. 21:7. Zie ook: Zach 14:4; Mat 24:3; Luc 21:7 **13:4** „Zeg ons: wanneer zal dit gebeuren? En wat is het teken wanneer dit alles op het punt staat voltooid te worden?” Brontekst: Εἰπὸν (Eipon) = zeg | ἡμῖν (hemin) = ons | πότε (pote) = wanneer | ταῦτα (tauta) = dit | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = en | τί (ti) = wat | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken | ὅταν (hotan) = wanneer | μέλλῃ (melle) = gaat | ταῦτα (tauta) = dit | συντελεῖσθαι (synteleisthai) = voltooid te worden | πάντα (panta) = alles Bron: SBLGNT ### Waarschuwing voor misleiding **13:5** Yeshua begon tegen hen te zeggen: **„Pas op dat niemand jullie misleidt.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἤρξατο (erxato) = begon | λέγειν (legein) = te zeggen | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Βλέπετε (Blepete) = pas op | μή (me) = dat niet | τις (tis) = iemand | ὑμᾶς (hymas) = jullie | πλανήσῃ (planese) = misleidt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πλανάω (planao), ‘misleiden’: op een dwaalspoor brengen. Het woord komt ook voor in 13:6 en 13:22 (ἀποπλανάω, ‘helemaal misleiden’). **13:6** **Velen zullen komen in Mijn naam en zeggen: ‘Ik ben het.’ En zij zullen velen misleiden.** Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | ἐλεύσονται (eleusontai) = zullen komen | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | καὶ (kai) = en | πολλοὺς (pollous) = velen | πλανήσουσιν (planesousin) = zullen misleiden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘Ik ben het’: letterlijk ‘Ik ben’. Het Grieks zegt niet voor wie of wat zij zich uitgeven; zie 13:21–22. **13:7** **Wanneer jullie horen van oorlogen en berichten over oorlogen, schrik dan niet. Het moet gebeuren, maar het einde is er nog niet.** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | ἀκούσητε (akousete) = jullie horen | πολέμους (polemous) = oorlogen | καὶ (kai) = en | ἀκοὰς (akoas) = berichten | πολέμων (polemon) = van oorlogen | μὴ (me) = niet | θροεῖσθε (throeisthe) = schrik | δεῖ (dei) = het moet | γενέσθαι (genesthai) = gebeuren | ἀλλ’ (all’) = maar | οὔπω (oupo) = nog niet | τὸ (to) = het | τέλος (telos) = einde Bron: SBLGNT **13:8** **Want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk. Er zullen aardbevingen zijn op verschillende plaatsen. Er zullen hongersnoden zijn. Dit is het begin van de weeën.** Brontekst: ἐγερθήσεται (egerthesetai) = zal opstaan | γὰρ (gar) = want | ἔθνος (ethnos) = volk | ἐπ’ (ep’) = tegen | ἔθνος (ethnos) = volk | καὶ (kai) = en | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | ἐπὶ (epi) = tegen | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | σεισμοὶ (seismoi) = aardbevingen | κατὰ (kata) = op | τόπους (topous) = plaatsen | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | λιμοί (limoi) = hongersnoden | ἀρχὴ (arche) = begin | ὠδίνων (odinon) = van weeën | ταῦτα (tauta) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De woorden ‘volk tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk’ lijken op Jes. 19:2 (‘stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk’). Voetnoot : ὠδίν (odin), ‘wee’: de pijn van een vrouw die gaat bevallen, zoals in Jes. 13:8. Het is het begin van de pijn, niet het einde. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:7–8; Luc. 21:10–11. Zie ook: Jes 13:8; Jes 19:2; Mat 24:7–8; Luc 21:10–11 ### Vervolging en getuigenis **13:9** **Maar let goed op jullie zelf. Men zal jullie overleveren aan raden, en in synagogen zullen jullie geslagen worden. Omwille van Mij zullen jullie staan voor stadhouders en koningen, tot een getuigenis voor hen.** Brontekst: βλέπετε (blepete) = pas op | δὲ (de) = maar | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἑαυτούς (heautous) = zelf | παραδώσουσιν (paradosousin) = zullen overleveren | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰς (eis) = aan | συνέδρια (synedria) = raden | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | συναγωγὰς (synagogas) = synagogen | δαρήσεσθε (daresesthe) = jullie zullen geslagen worden | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = voor | ἡγεμόνων (hegemonon) = stadhouders | καὶ (kai) = en | βασιλέων (basileon) = koningen | σταθήσεσθε (stathesesthe) = jullie zullen staan | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | ἐμοῦ (emou) = Mij | εἰς (eis) = tot | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέδριον (synedrion), ‘raad’: hier in het meervoud, dus plaatselijke raden die recht spraken. In 14:55 en 15:1 gaat het om de Raad in Jeruzalem. Voetnoot : ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: een Romeinse bestuurder van een gebied. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:17–18; Luc. 21:12–13. Zie ook: Mat 10:17–18; Luc 21:12–13 **13:10** **En eerst moet de goede boodschap verkondigd worden onder alle volken.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = onder | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | πρῶτον (proton) = eerst | δεῖ (dei) = moet | κηρυχθῆναι (kerychthenai) = verkondigd worden | τὸ (to) = de | εὐαγγέλιον (euangelion) = goede boodschap Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθνος (ethnos), ‘volk’: in het meervoud ‘de volken’, de niet-Joden. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:14. Zie ook: Mat 24:14 **13:11** **Wanneer men jullie wegvoert om jullie over te leveren, maak je dan van tevoren geen zorgen over wat jullie zullen zeggen. Zeg wat jullie in dat uur gegeven wordt. Want jullie zijn het niet die spreken, maar de Heilige Geest.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | ἄγωσιν (agosin) = zij wegvoeren | ὑμᾶς (hymas) = jullie | παραδιδόντες (paradidontes) = overleverend | μὴ (me) = niet | προμεριμνᾶτε (promerimnate) = maak je van tevoren zorgen | τί (ti) = wat | λαλήσητε (lalesete) = jullie zullen zeggen | ἀλλ’ (all’) = maar | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = ook | δοθῇ (dothe) = gegeven wordt | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = dat | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | τοῦτο (touto) = dat | λαλεῖτε (laleite) = zeg | οὐ (ou) = niet | γάρ (gar) = want | ἐστε (este) = zijn | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οἱ (hoi) = die | λαλοῦντες (lalountes) = sprekenden | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 10:19–20; Luc. 12:11–12; Luc. 21:14–15. Zie ook: Mat 10:19–20; Luc 12:11–12; Luc 21:14–15 **13:12** **Een broer zal zijn broer overleveren om gedood te worden, en een vader zijn kind. Kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | παραδώσει (paradosei) = zal overleveren | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | εἰς (eis) = tot | θάνατον (thanaton) = dood | καὶ (kai) = en | πατὴρ (pater) = vader | τέκνον (teknon) = kind | καὶ (kai) = en | ἐπαναστήσονται (epanastesontai) = zullen opstaan | τέκνα (tekna) = kinderen | ἐπὶ (epi) = tegen | γονεῖς (goneis) = ouders | καὶ (kai) = en | θανατώσουσιν (thanatosousin) = zullen ter dood brengen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Micha 7:6 (‘de zoon veracht zijn vader, de dochter staat op tegen haar moeder’). Zie ook Matt. 10:21. Zie ook: Mi 7:6; Mat 10:21 **13:13** **Jullie zullen door allen gehaat worden vanwege Mijn naam. Maar wie volhoudt tot het einde, die zal gered worden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔσεσθε (esesthe) = jullie zullen zijn | μισούμενοι (misoumenoi) = gehaat | ὑπὸ (hypo) = door | πάντων (panton) = allen | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | ὑπομείνας (hypomeinas) = volhoudende | εἰς (eis) = tot | τέλος (telos) = einde | οὗτος (houtos) = deze | σωθήσεται (sothesetai) = zal gered worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπομένω (hypomeno), ‘volhouden’: blijven staan, niet wijken. Zie ook Matt. 24:13. Zie ook: Mat 24:13 ### De gruwel van de verwoesting **13:14** **Wanneer jullie de gruwel van de verwoesting zien staan waar hij niet mag staan (wie leest, moet het begrijpen), laten zij die in Judea zijn dan naar de bergen vluchten.** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | ἴδητε (idete) = jullie zien | τὸ (to) = de | βδέλυγμα (bdelygma) = gruwel | τῆς (tes) = van de | ἐρημώσεως (eremoseos) = verwoesting | ἑστηκότα (hestekota) = staand | ὅπου (hopou) = waar | οὐ (ou) = niet | δεῖ (dei) = het moet | ὁ (ho) = die | ἀναγινώσκων (anaginoskon) = lezende | νοείτω (noeito) = begrijpe | τότε (tote) = dan | οἱ (hoi) = zij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Ἰουδαίᾳ (Ioudaia) = Judea | φευγέτωσαν (pheugetosan) = laten vluchten | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | ὄρη (ore) = bergen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: τὸ βδέλυγμα τῆς ἐρημώσεως (to bdelygma tes eremoseos), ‘de gruwel van de verwoesting’: de woorden komen uit het boek Daniël (Dan. 9:27; 11:31; 12:11), waar het Hebreeuwse שִׁקּוּץ (shiqquts), ‘gruwel’, in onze vertaling ‘gruwelbeeld’ heet. Het Grieks heeft bij ‘staan’ een mannelijke vorm, terwijl ‘gruwel’ onzijdig is: wie of wat er staat, zegt de tekst niet. Voetnoot : ὁ ἀναγινώσκων νοείτω (ho anaginoskon noeito), ‘wie leest, moet het begrijpen’: het Grieks laat open of dit woorden van Yeshua zijn of een opmerking van de schrijver aan de lezer. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:15–16; Luc. 21:20–21. Voetnoot Lezing: Wij laten ‘wie leest, moet het begrijpen’ binnen de woorden van Yeshua staan. Zie ook: Dan 9:27; Dan 11:31; Dan 12:11; Mat 24:15–16; Luc 21:20–21 **13:15** **Wie op het dak is, moet niet naar beneden komen en niet naar binnen gaan om iets uit zijn huis mee te nemen.** Brontekst: ὁ (ho) = die | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = het | δώματος (domatos) = dak | μὴ (me) = niet | καταβάτω (katabato) = afdalen | μηδὲ (mede) = en niet | εἰσελθάτω (eiselthato) = binnengaan | τι (ti) = iets | ἆραι (arai) = om mee te nemen | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | οἰκίας (oikias) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **13:16** **En wie op het veld is, moet niet terugkeren om zijn mantel mee te nemen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = die | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | ἀγρὸν (agron) = veld | μὴ (me) = niet | ἐπιστρεψάτω (epistrepsato) = terugkeren | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | ὀπίσω (opiso) = achterliggende | ἆραι (arai) = om mee te nemen | τὸ (to) = het | ἱμάτιον (himation) = mantel | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed, dat men overdag droeg. **13:17** **Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen!** Brontekst: οὐαὶ (ouai) = wee | δὲ (de) = maar | ταῖς (tais) = aan de | ἐν (en) = in | γαστρὶ (gastri) = buik | ἐχούσαις (echousais) = hebbenden | καὶ (kai) = en | ταῖς (tais) = aan de | θηλαζούσαις (thelazousais) = zogenden | ἐν (en) = in | ἐκείναις (ekeinais) = die | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen Bron: SBLGNT **13:18** **Bid dat het niet in de winter gebeurt.** Brontekst: προσεύχεσθε (proseuchesthe) = bidt | δὲ (de) = maar | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | γένηται (genetai) = het gebeurt | χειμῶνος (cheimonos) = in de winter Bron: SBLGNT **13:19** **Want die dagen zullen een verdrukking zijn. Een zulke verdrukking is er nog nooit geweest, vanaf het begin van de schepping die Elohim geschapen heeft tot nu toe. En er zal nooit meer een komen.** Brontekst: ἔσονται (esontai) = zullen zijn | γὰρ (gar) = want | αἱ (hai) = de | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ἐκεῖναι (ekeinai) = die | θλῖψις (thlipsis) = verdrukking | οἵα (hoia) = zoals | οὐ (ou) = niet | γέγονεν (gegonen) = is geweest | τοιαύτη (toiaute) = zulke | ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἀρχῆς (arches) = begin | κτίσεως (ktiseos) = schepping | ἣν (hen) = die | ἔκτισεν (ektisen) = schiep | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἕως (heos) = tot | τοῦ (tou) = de | νῦν (nyn) = nu | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | γένηται (genetai) = zal zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’: nood en benauwdheid. Vergelijk Dan. 12:1 (‘het zal een tijd van nood zijn, zoals er nog niet geweest is’). Zie ook Matt. 24:21. Zie ook: Dan 12:1; Mat 24:21 **13:20** **En als Yahweh die dagen niet had verkort, zou niemand gered zijn. Maar omwille van de uitverkorenen die Hij gekozen heeft, heeft Hij die dagen verkort.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἐκολόβωσεν (ekolobosen) = verkortte | κύριος (kyrios) = Yahweh | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | οὐκ (ouk) = niet | ἂν (an) = zou | ἐσώθη (esothe) = zijn gered | πᾶσα (pasa) = al | σάρξ (sarx) = vlees | ἀλλὰ (alla) = maar | διὰ (dia) = vanwege | τοὺς (tous) = de | ἐκλεκτοὺς (eklektous) = uitverkorenen | οὓς (hous) = die | ἐξελέξατο (exelexato) = hij koos | ἐκολόβωσεν (ekolobosen) = verkortte | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios) staat hier zonder lidwoord en zonder verdere aanduiding; het gaat om Elohim, die de dagen verkort. Wij schrijven ‘Yahweh’. Zie ook Matt. 24:22. Voetnoot : ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkorene’: iemand die Elohim gekozen heeft. Voetnoot : πᾶσα σάρξ (pasa sarx), ‘al het vlees’: alle mensen. Wij schrijven ‘niemand’. Zie ook: Mat 24:22 ### Valse messiassen en valse profeten **13:21** **Als dan iemand tegen jullie zegt: ‘Zie, hier is de Messias’, of: ‘Zie, daar’, geloof het niet.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | εἴπῃ (eipe) = zegt | Ἴδε (Ide) = zie | ὧδε (hode) = hier | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | Ἴδε (Ide) = zie | ἐκεῖ (ekei) = daar | μὴ (me) = niet | πιστεύετε (pisteuete) = geloof Bron: SBLGNT **13:22** **Want valse messiassen en valse profeten zullen opstaan. Zij zullen tekenen en wonderen geven om, als het mogelijk is, de uitverkorenen te misleiden.** Brontekst: ἐγερθήσονται (egerthesontai) = zullen opstaan | γὰρ (gar) = want | ψευδόχριστοι (pseudochristoi) = valse messiassen | καὶ (kai) = en | ψευδοπροφῆται (pseudoprophetai) = valse profeten | καὶ (kai) = en | δώσουσιν (dosousin) = zullen geven | σημεῖα (semeia) = tekenen | καὶ (kai) = en | τέρατα (terata) = wonderen | πρὸς (pros) = om | τὸ (to) = te | ἀποπλανᾶν (apoplanan) = misleiden | εἰ (ei) = als | δυνατὸν (dynaton) = mogelijk | τοὺς (tous) = de | ἐκλεκτούς (eklektous) = uitverkorenen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Tekenen en wonderen geven’ komt overeen met Deut. 13:2–3, waar een profeet ‘een teken of een wonder geeft’. Zie ook Matt. 24:24. Zie ook: Deut 13:2–3; Mat 24:24 **13:23** **Maar jullie, pas op! Ik heb jullie alles van tevoren gezegd.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | βλέπετε (blepete) = pas op | προείρηκα (proeireka) = ik heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | πάντα (panta) = alles Bron: SBLGNT ### De komst van de Mensenzoon **13:24** **Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en zal de maan haar licht niet geven.** Brontekst: Ἀλλὰ (Alla) = maar | ἐν (en) = in | ἐκείναις (ekeinais) = die | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | μετὰ (meta) = na | τὴν (ten) = de | θλῖψιν (thlipsin) = verdrukking | ἐκείνην (ekeinen) = die | ὁ (ho) = de | ἥλιος (helios) = zon | σκοτισθήσεται (skotisthesetai) = zal verduisterd worden | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | σελήνη (selene) = maan | οὐ (ou) = niet | δώσει (dosei) = zal geven | τὸ (to) = het | φέγγος (phengos) = licht | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 13:10 (de zon en de maan geven geen licht) en Jes. 34:4. Zie ook Matt. 24:29; Luc. 21:25–26. Zie ook: Jes 13:10; Jes 34:4; Mat 24:29; Luc 21:25–26 **13:25** **De sterren zullen uit de hemel vallen en de krachten in de hemelen zullen wankelen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀστέρες (asteres) = sterren | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | πίπτοντες (piptontes) = vallend | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | δυνάμεις (dynameis) = krachten | αἱ (hai) = die | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | σαλευθήσονται (saleuthesontai) = zullen wankelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δυνάμεις (dynameis), ‘krachten’: wat hier bedoeld is, zegt de tekst niet. Vergelijk Jes. 34:4, waar ‘heel het leger van de hemel vergaat’. Zie ook: Jes 34:4 **13:26** **Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op wolken, met grote kracht en heerlijkheid.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | ὄψονται (opsontai) = zullen zien | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | ἐν (en) = op | νεφέλαις (nephelais) = wolken | μετὰ (meta) = met | δυνάμεως (dynameos) = kracht | πολλῆς (polles) = grote | καὶ (kai) = en | δόξης (doxes) = heerlijkheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: vergelijk Dan. 7:13 (‘iemand als een mensenzoon’, Aramees bar enash), waar hij met de wolken van de hemel komt. Zie ook Matt. 24:30; Luc. 21:27; Mark. 14:62. Zie ook: Dan 7:13; Mat 24:30; Mar 14:62; Luc 21:27 **13:27** **Dan zal Hij de engelen zenden. Hij zal de uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier winden, van het uiteinde van de aarde tot het uiteinde van de hemel.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | ἀποστελεῖ (apostelei) = zal zenden | τοὺς (tous) = de | ἀγγέλους (angelous) = engelen | καὶ (kai) = en | ἐπισυνάξει (episynaxei) = zal bijeenbrengen | τοὺς (tous) = de | ἐκλεκτοὺς (eklektous) = uitverkorenen | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | τεσσάρων (tessaron) = vier | ἀνέμων (anemon) = winden | ἀπ’ (ap’) = van | ἄκρου (akrou) = uiteinde | γῆς (ges) = aarde | ἕως (heos) = tot | ἄκρου (akrou) = uiteinde | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 30:4 (Yahweh brengt de verdrevenen bijeen ‘aan het einde van de hemel’) en Zach. 2:10 (Hebreeuwse telling; in de Nederlandse telling is dit 2:6): ‘de vier winden van de hemel’. Zie ook Matt. 24:31. Zie ook: Deut 30:4; Zach 2:10; Mat 24:31 ### De gelijkenis van de vijgenboom **13:28** **Leer van de vijgenboom de gelijkenis. Zodra zijn tak zacht wordt en de bladeren uitlopen, weten jullie dat de zomer nabij is.** Brontekst: Ἀπὸ (Apo) = van | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = de | συκῆς (sykes) = vijgenboom | μάθετε (mathete) = leer | τὴν (ten) = de | παραβολήν (parabolen) = gelijkenis | ὅταν (hotan) = wanneer | ἤδη (ede) = al | ὁ (ho) = de | κλάδος (klados) = tak | αὐτῆς (autes) = haar | ἁπαλὸς (hapalos) = zacht | γένηται (genetai) = wordt | καὶ (kai) = en | ἐκφύῃ (ekphye) = uitloopt | τὰ (ta) = de | φύλλα (phylla) = bladeren | γινώσκετε (ginoskete) = weet | ὅτι (hoti) = dat | ἐγγὺς (engys) = nabij | τὸ (to) = de | θέρος (theros) = zomer | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: een vergelijking of voorbeeld. Zie ook Matt. 24:32–35; Luc. 21:29–33. Zie ook: Mat 24:32–35; Luc 21:29–33 **13:29** **Zo ook jullie: wanneer jullie dit zien gebeuren, weten jullie dat het nabij is, voor de deur.** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὅταν (hotan) = wanneer | ἴδητε (idete) = zien | ταῦτα (tauta) = dit | γινόμενα (ginomena) = gebeuren | γινώσκετε (ginoskete) = weet | ὅτι (hoti) = dat | ἐγγύς (engys) = nabij | ἐστιν (estin) = is | ἐπὶ (epi) = voor | θύραις (thyrais) = deuren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγγύς ἐστιν (eggys estin), ‘het is nabij’: het Grieks heeft geen onderwerp. Wij schrijven ‘het’. **13:30** **Voorwaar, Ik zeg jullie: deze generatie zal beslist niet voorbijgaan, totdat dit alles gebeurt.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | παρέλθῃ (parelthe) = zal voorbijgaan | ἡ (he) = de | γενεὰ (genea) = generatie | αὕτη (haute) = deze | μέχρις (mechris) = tot | οὗ (hou) = wanneer | ταῦτα (tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | γένηται (genetai) = gebeurt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: van het Hebreeuwse אָמֵן, ‘vast, waar’. Yeshua gebruikt het om een uitspraak te bevestigen. Voetnoot : γενεά (genea), ‘generatie’: de mensen die tegelijk leven; het kan ook ‘geslacht’ betekenen. Welke gebeurtenissen ‘al dit’ omvat, zegt het Grieks niet. **13:31** **De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen beslist niet voorbijgaan.** Brontekst: ὁ (ho) = de | οὐρανὸς (ouranos) = hemel | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | γῆ (ge) = aarde | παρελεύσονται (pareleusontai) = zullen voorbijgaan | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | λόγοι (logoi) = woorden | μου (mou) = Mijn | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | παρελεύσονται (pareleusontai) = zullen voorbijgaan Bron: SBLGNT ### Niemand weet dag of uur **13:32** **Maar over die dag of dat uur weet niemand iets, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, alleen de Vader.** Brontekst: Περὶ (Peri) = over | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐκείνης (ekeines) = die | ἢ (e) = of | τῆς (tes) = het | ὥρας (horas) = uur | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | οἶδεν (oiden) = weet | οὐδὲ (oude) = ook niet | οἱ (hoi) = de | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | ἐν (en) = in | οὐρανῷ (ourano) = hemel | οὐδὲ (oude) = ook niet | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = Zoon | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘de Zoon’ en ‘de Vader’: Yeshua spreekt over Zichzelf en over Elohim. Zie ook Matt. 24:36. Zie ook: Mat 24:36 **13:33** **Pas op, blijf wakker. Want jullie weten niet wanneer de tijd er is.** Brontekst: βλέπετε (blepete) = pas op | ἀγρυπνεῖτε (agrypneite) = blijf wakker | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = jullie weten | γὰρ (gar) = want | πότε (pote) = wanneer | ὁ (ho) = de | καιρός (kairos) = tijd | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγρυπνέω (agrypneo), ‘wakker blijven’; γρηγορέω (gregoreo), ‘waken’. In 13:34, 13:35, 13:37 en 14:34–38 staat ‘waken’. ### Waak! **13:34** **Het is als een man die op reis is. Hij liet zijn huis achter en gaf zijn knechten het gezag, ieder zijn eigen taak. Aan de poortwachter droeg hij op te waken.** Brontekst: ὡς (hos) = als | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἀπόδημος (apodemos) = op reis | ἀφεὶς (apheis) = verlatend | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | δοὺς (dous) = gevend | τοῖς (tois) = aan de | δούλοις (doulois) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὴν (ten) = het | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἑκάστῳ (hekasto) = aan ieder | τὸ (to) = de | ἔργον (ergon) = taak | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan de | θυρωρῷ (thyroro) = poortwachter | ἐνετείλατο (eneteilato) = droeg op | ἵνα (hina) = opdat | γρηγορῇ (gregore) = hij waakt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De gelijkenis heeft in het Grieks geen inleiding: er staat alleen ‘als een man op reis’. Wij schrijven ‘Het is als een man die op reis is’. Voetnoot : δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; zie 10:44 en 12:2. Voetnoot : ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te beslissen. θυρωρός (thyroros), ‘poortwachter’. **13:35** **Waak dus. Want jullie weten niet wanneer de heer van het huis komt: ’s avonds laat, om middernacht, bij het kraaien van de haan of ’s ochtends vroeg.** Brontekst: γρηγορεῖτε (gregoreite) = waakt | οὖν (oun) = dus | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = jullie weten | γὰρ (gar) = want | πότε (pote) = wanneer | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τῆς (tes) = van het | οἰκίας (oikias) = huis | ἔρχεται (erchetai) = komt | ἢ (e) = of | ὀψὲ (opse) = laat | ἢ (e) = of | μεσονύκτιον (mesonyktion) = middernacht | ἢ (e) = of | ἀλεκτοροφωνίας (alektorophonias) = hanenkraai | ἢ (e) = of | πρωΐ (proi) = vroeg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De vier tijden verwijzen naar de vier nachtwaken van de Romeinse indeling: avond, middernacht, ‘hanenkraai’ en vroege ochtend. De precieze uren zijn niet zeker. **13:36** **Als hij plotseling komt, mag hij jullie niet slapend aantreffen.** Brontekst: μὴ (me) = niet | ἐλθὼν (elthon) = komend | ἐξαίφνης (exaiphnes) = plotseling | εὕρῃ (heure) = hij aantreft | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καθεύδοντας (katheudontas) = slapend Bron: SBLGNT **13:37** **Wat Ik jullie zeg, zeg Ik tegen allen: Waak!”** Brontekst: ὃ (ho) = wat | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | λέγω (lego) = Ik zeg | πᾶσιν (pasin) = aan allen | λέγω (lego) = Ik zeg | γρηγορεῖτε (gregoreite) = waakt Bron: SBLGNT ## Markus 14 _De zalving in Betanië, het Pesachmaal, Getsemane, de gevangenneming en de verloochening door Petrus_ ### Het plan om Yeshua te doden **14:1** Het was twee dagen voor het Pesach en de ongezuurde broden. De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij Hem met list konden grijpen en doden. Brontekst: Ἦν (En) = was | δὲ (de) = maar | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | ἄζυμα (azyma) = ongezuurde broden | μετὰ (meta) = na | δύο (dyo) = twee | ἡμέρας (hemeras) = dagen | καὶ (kai) = en | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | πῶς (pos) = hoe | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = met | δόλῳ (dolo) = list | κρατήσαντες (kratesantes) = grijpend | ἀποκτείνωσιν (apokteinosin) = zouden doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πάσχα (pascha), ‘Pesach’: het feest ter herinnering aan de uittocht uit Egypte (Exod. 12). ἄζυμα (azyma), ‘ongezuurde broden’: het feest dat op het Pesach volgt (Exod. 12:18). Het Grieks heeft μετὰ δύο ἡμέρας, letterlijk ‘na twee dagen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:1–5; Luc. 22:1–2. Zie ook: Ex 12:18; Mat 26:1–5; Luc 22:1–2 **14:2** Want zij zeiden: „Niet tijdens het feest, anders ontstaat er oproer onder het volk.” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | γάρ (gar) = want | Μὴ (Me) = niet | ἐν (en) = tijdens | τῇ (te) = het | ἑορτῇ (heorte) = feest | μήποτε (mepote) = anders | ἔσται (estai) = zal zijn | θόρυβος (thorybos) = oproer | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk Bron: SBLGNT ### De zalving in Betanië **14:3** Toen Hij in Betanië was, in het huis van Simon de melaatse, en aan tafel lag, kwam er een vrouw. Zij had een alabasten flesje met zalfolie van zuivere, zeer kostbare nardus. Zij brak het flesje open en goot de olie uit over Zijn hoofd. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὄντος (ontos) = zijnde | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἐν (en) = in | Βηθανίᾳ (Bethania) = Betanië | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | τοῦ (tou) = de | λεπροῦ (leprou) = melaatse | κατακειμένου (katakeimenou) = aan tafel liggend | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἦλθεν (elthen) = kwam | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἔχουσα (echousa) = hebbend | ἀλάβαστρον (alabastron) = alabasten flesje | μύρου (myrou) = van zalfolie | νάρδου (nardou) = van nardus | πιστικῆς (pistikes) = zuivere | πολυτελοῦς (polytelous) = kostbare | συντρίψασα (syntripsasa) = brekend | τὴν (ten) = het | ἀλάβαστρον (alabastron) = alabasten flesje | κατέχεεν (katecheen) = goot uit | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τῆς (tes) = het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Βηθανία (Bethania), ‘Betanië’: een dorp bij Jeruzalem. λεπρός (lepros), ‘melaatse’: iemand met een huidziekte (vergelijk Lev. 13). Voetnoot : μύρον (myron), ‘zalfolie’: een kostbare, geurende olie. νάρδος (nardos), ‘nardus’: een dure, geurige olie. πιστικῆς (pistikes) is een moeilijk woord; het betekent waarschijnlijk ‘echt, zuiver’, maar dat is onzeker. Voetnoot : Bij ‘goot uit’ staat geen voorwerp; wij hebben ‘de olie’ aangevuld. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:6–13; Joh. 12:1–8. Zie ook: Mat 26:6–13; Joh 12:1–8 **14:4** Sommigen waren verontwaardigd en zeiden onder elkaar: „Waarom is de zalfolie zo verspild? Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δέ (de) = maar | τινες (tines) = sommigen | ἀγανακτοῦντες (aganaktountes) = verontwaardigd | πρὸς (pros) = tot | ἑαυτούς (heautous) = zichzelf | Εἰς (Eis) = tot | τί (ti) = wat | ἡ (he) = de | ἀπώλεια (apoleia) = verspilling | αὕτη (haute) = deze | τοῦ (tou) = van de | μύρου (myrou) = zalfolie | γέγονεν (gegonen) = is geschied Bron: SBLGNT **14:5** Deze zalfolie kon voor meer dan 300 denariën verkocht worden, en de opbrengst kon aan de armen gegeven worden.” En zij snauwden haar toe. Brontekst: ἠδύνατο (edynato) = kon | γὰρ (gar) = want | τοῦτο (touto) = deze | τὸ (to) = de | μύρον (myron) = zalfolie | πραθῆναι (prathenai) = verkocht worden | ἐπάνω (epano) = boven | δηναρίων (denarion) = denariën | τριακοσίων (triakosion) = 300 | καὶ (kai) = en | δοθῆναι (dothenai) = gegeven worden | τοῖς (tois) = aan de | πτωχοῖς (ptochois) = armen | καὶ (kai) = en | ἐνεβριμῶντο (enebrimonto) = snauwden | αὐτῇ (aute) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 300 denariën is dus het loon voor ongeveer 300 werkdagen. Voetnoot : Het Grieks zegt ‘en gegeven worden aan de armen’; wij hebben ‘de opbrengst’ aangevuld. ἐμβριμάομαι (embrimaomai), ‘toesnauwen’: boos uitvallen tegen iemand. **14:6** Yeshua zei: **„Laat haar met rust. Waarom bezorgen jullie haar last? Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ἄφετε (Aphete) = laat | αὐτήν (auten) = haar | τί (ti) = wat | αὐτῇ (aute) = haar | κόπους (kopous) = last | παρέχετε (parechete) = bezorgen jullie | καλὸν (kalon) = goed | ἔργον (ergon) = werk | ἠργάσατο (ergasato) = heeft gewerkt | ἐν (en) = aan | ἐμοί (emoi) = Mij Bron: SBLGNT **14:7** **Want de armen hebben jullie altijd bij je, en wanneer jullie willen, kunnen jullie hun goed doen. Maar Mij hebben jullie niet altijd.** Brontekst: πάντοτε (pantote) = altijd | γὰρ (gar) = want | τοὺς (tous) = de | πτωχοὺς (ptochous) = armen | ἔχετε (echete) = hebben jullie | μεθ’ (meth’) = bij | ἑαυτῶν (heauton) = jullie zelf | καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | θέλητε (thelete) = jullie willen | δύνασθε (dynasthe) = jullie kunnen | αὐτοῖς (autois) = hun | εὖ (eu) = goed | ποιῆσαι (poiesai) = doen | ἐμὲ (eme) = Mij | δὲ (de) = maar | οὐ (ou) = niet | πάντοτε (pantote) = altijd | ἔχετε (echete) = hebben jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 15:11: ‘de arme zal nooit verdwijnen uit het midden van het land’. Zie ook: Deut 15:11 **14:8** **Zij heeft gedaan wat zij kon. Zij heeft Mijn lichaam alvast gezalfd voor de begrafenis.** Brontekst: ὃ (ho) = wat | ἔσχεν (eschen) = had | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | προέλαβεν (proelaben) = nam vooruit | μυρίσαι (myrisai) = zalven | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | μου (mou) = Mijn | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | ἐνταφιασμόν (entaphiasmon) = begrafenis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προέλαβεν (proelaben), ‘heeft alvast … gedaan’: letterlijk ‘nam vooruit’. ἐνταφιασμός (entaphiasmos), ‘begrafenis’: het klaarmaken van een dode voor het graf. **14:9** **Voorwaar, Ik zeg jullie: overal waar de goede boodschap in de hele wereld verkondigd wordt, zal ook gesproken worden over wat zij gedaan heeft. Dat is tot haar gedachtenis.”** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | δὲ (de) = maar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅπου (hopou) = waar | ἐὰν (ean) = ook | κηρυχθῇ (kerychthe) = verkondigd wordt | τὸ (to) = de | εὐαγγέλιον (euangelion) = goede boodschap | εἰς (eis) = in | ὅλον (holon) = hele | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | καὶ (kai) = ook | ὃ (ho) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | αὕτη (haute) = deze | λαληθήσεται (lalethesetai) = zal gesproken worden | εἰς (eis) = tot | μνημόσυνον (mnemosynon) = gedachtenis | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: zie Mark. 13:30. Zie ook: Mar 13:30 ### Judas gaat naar de hogepriesters **14:10** Judas Iskariot, een van de twaalf, ging naar de hogepriesters om Hem aan hen over te leveren. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | Ἰσκαριὼθ (Iskarioth) = Iskariot | ὁ (ho) = de | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | ἵνα (hina) = opdat | αὐτὸν (auton) = Hem | παραδοῖ (paradoi) = hij zou overleveren | αὐτοῖς (autois) = aan hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰσκαριώθ (Iskarioth): wat de naam betekent, is onzeker. Voetnoot : οἱ δώδεκα (hoi dodeka), ‘de twaalf’: de kring van twaalf leerlingen die Yeshua uitgekozen heeft. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:14–16; Luc. 22:3–6. Zie ook: Mat 26:14–16; Luc 22:3–6 **14:11** Toen zij dat hoorden, werden zij blij en beloofden hem geld te geven. En hij zocht hoe hij Hem op een gelegen moment kon overleveren. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | ἐχάρησαν (echaresan) = werden blij | καὶ (kai) = en | ἐπηγγείλαντο (epengeilanto) = beloofden | αὐτῷ (auto) = hem | ἀργύριον (argyrion) = geld | δοῦναι (dounai) = te geven | καὶ (kai) = en | ἐζήτει (ezetei) = zocht | πῶς (pos) = hoe | αὐτὸν (auton) = Hem | εὐκαίρως (eukairos) = op een gelegen moment | παραδοῖ (paradoi) = zou overleveren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀργύριον (argyrion), ‘geld’: letterlijk ‘zilver’. ### De voorbereiding van het Pesach **14:12** Op de eerste dag van de ongezuurde broden, wanneer men het Pesach slachtte, zeiden Zijn leerlingen tegen Hem: „Waar wilt U dat wij heen gaan om het klaar te maken, zodat U het Pesach kunt eten?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | τῇ (te) = op de | πρώτῃ (prote) = eerste | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τῶν (ton) = van de | ἀζύμων (azymon) = ongezuurde broden | ὅτε (hote) = toen | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | ἔθυον (ethyon) = slachtten | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ποῦ (Pou) = waar | θέλεις (theleis) = wil U | ἀπελθόντες (apelthontes) = heengegaan | ἑτοιμάσωμεν (hetoimasomen) = laten wij voorbereiden | ἵνα (hina) = opdat | φάγῃς (phages) = U eet | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθυον τὸ πάσχα (ethyon to pascha), ‘het Pesach slachtten’: het Pesachlam werd geslacht op de veertiende dag van de eerste maand, tussen de twee avonden (Exod. 12:6; Lev. 23:5). ἑτοιμάζω (hetoimazo), ‘klaarmaken’: het Grieks heeft hier geen voorwerp; wij schrijven ‘het’. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:17–19; Luc. 22:7–13. Zie ook: Ex 12:6; Lev 23:5; Mat 26:17–19; Luc 22:7–13 **14:13** Hij zond twee van Zijn leerlingen eropuit en zei tegen hen: **„Ga de stad in. Daar zal een man jullie tegemoetkomen die een kruik water draagt. Volg hem.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποστέλλει (apostellei) = zendt | δύο (dyo) = twee | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὑπάγετε (Hypagete) = gaat | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | ἀπαντήσει (apantesei) = zal tegemoetkomen | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ἄνθρωπος (anthropos) = man | κεράμιον (keramion) = kruik | ὕδατος (hydatos) = van water | βαστάζων (bastazon) = dragend | ἀκολουθήσατε (akolouthesate) = volgt | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **14:14** **Waar hij ook binnengaat, zeg tegen de eigenaar van het huis: ‘De leraar zegt: „Waar is Mijn gastenkamer, waar Ik het Pesach met Mijn leerlingen kan eten?”’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅπου (hopou) = waar | ἐὰν (ean) = ook | εἰσέλθῃ (eiselthe) = hij binnengaat | εἴπατε (eipate) = zegt | τῷ (to) = aan de | οἰκοδεσπότῃ (oikodespote) = eigenaar van het huis | ὅτι (hoti) = dat | Ὁ (Ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | λέγει (legei) = zegt | Ποῦ (Pou) = waar | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | κατάλυμά (katalyma) = gastenkamer | μου (mou) = Mijn | ὅπου (hopou) = waar | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | μου (mou) = Mijn | φάγω (phago) = Ik eet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατάλυμα (katalyma), ‘gastenkamer’: een plaats om te overnachten of te eten; het kan ook ‘herberg’ betekenen. De leraar spreekt hier over Zichzelf. **14:15** **Die man zal jullie zelf een grote bovenzaal laten zien, ingericht en klaar. Maak het daar voor ons klaar.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = hij zelf | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | δείξει (deixei) = zal laten zien | ἀνάγαιον (anagaion) = bovenzaal | μέγα (mega) = grote | ἐστρωμένον (estromenon) = ingericht | ἕτοιμον (hetoimon) = klaar | καὶ (kai) = en | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἑτοιμάσατε (hetoimasate) = maak klaar | ἡμῖν (hemin) = voor ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνάγαιον (anagaion), ‘bovenzaal’: een kamer op de verdieping. **14:16** De leerlingen gingen weg en kwamen in de stad. Zij vonden het zoals Hij hun gezegd had en maakten het Pesach klaar. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξῆλθον (exelthon) = gingen uit | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | εὗρον (heuron) = vonden | καθὼς (kathos) = zoals | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | καὶ (kai) = en | ἡτοίμασαν (hetoimasan) = maakten klaar | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach Bron: SBLGNT ### De maaltijd met de twaalf **14:17** Toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalf. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὀψίας (opsias) = avond | γενομένης (genomenes) = geworden | ἔρχεται (erchetai) = komt | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf Bron: SBLGNT **14:18** Terwijl zij aan tafel lagen en aten, zei Yeshua: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: een van jullie zal Mij overleveren, een die met Mij eet.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀνακειμένων (anakeimenon) = aan tafel liggend | αὐτῶν (auton) = zij | καὶ (kai) = en | ἐσθιόντων (esthionton) = etend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | εἷς (heis) = een | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | παραδώσει (paradosei) = zal overleveren | με (me) = Mij | ὁ (ho) = die | ἐσθίων (esthion) = etende | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 41:10 (in de Nederlandse telling is dit 41:9): ‘die mijn brood at, heeft de hiel groot gemaakt tegen mij’. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:20–25; Luc. 22:21–23; Joh. 13:21–30. Zie ook: Ps 41:10; Mat 26:20–25; Luc 22:21–23; Joh 13:21–30 **14:19** Zij begonnen bedroefd te worden en één voor één tegen Hem te zeggen: „Ik toch niet?” Brontekst: ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | λυπεῖσθαι (lypeisthai) = bedroefd te worden | καὶ (kai) = en | λέγειν (legein) = te zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | εἷς (heis) = een | κατὰ (kata) = na | εἷς (heis) = een | Μήτι (Meti) = toch niet | ἐγώ (ego) = ik Bron: SBLGNT **14:20** Hij zei tegen hen: **„Een van de twaalf, die met Mij in de schaal doopt.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Εἷς (Heis) = een | τῶν (ton) = van de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ὁ (ho) = die | ἐμβαπτόμενος (embaptomenos) = indoopt | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | τρύβλιον (tryblion) = schaal Bron: SBLGNT **14:21** **Want de Mensenzoon gaat heen, zoals over Hem geschreven staat. Maar wee die man door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd. Het zou beter voor hem zijn geweest als die man niet geboren was.”** Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ὁ (ho) = de | μὲν (men) = enerzijds | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ὑπάγει (hypagei) = gaat heen | καθὼς (kathos) = zoals | γέγραπται (gegraptai) = er staat geschreven | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | οὐαὶ (ouai) = wee | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = aan de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = mens | ἐκείνῳ (ekeino) = die | δι’ (di’) = door | οὗ (hou) = wie | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | παραδίδοται (paradidotai) = wordt overgeleverd | καλὸν (kalon) = goed | αὐτῷ (auto) = voor hem | εἰ (ei) = als | οὐκ (ouk) = niet | ἐγεννήθη (egennethe) = werd geboren | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἐκεῖνος (ekeinos) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie Mark. 13:26. ὑπάγει (hypagei), ‘gaat heen’. Welke Schriftplaatsen met ‘zoals over Hem geschreven staat’ bedoeld zijn, zegt de tekst niet. Zie ook: Mar 13:26 ### Het brood en de beker **14:22** Terwijl zij aten, nam Hij brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan hen. Hij zei: **„Neem, dit is Mijn lichaam.”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐσθιόντων (esthionton) = etend | αὐτῶν (auton) = zij | λαβὼν (labon) = nemend | ἄρτον (arton) = brood | εὐλογήσας (eulogesas) = zegenend | ἔκλασεν (eklasen) = brak | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Λάβετε (Labete) = neem | τοῦτό (touto) = dit | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐλογέω (eulogeo), ‘de zegen uitspreken’: hier over het brood, zoals bij een maaltijd gebruikelijk was. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:26–29; Luc. 22:15–20; 1 Kor. 11:23–25. Zie ook: Mat 26:26–29; Luc 22:15–20; 1 Kor 11:23–25 **14:23** Hij nam een beker, dankte en gaf hem aan hen, en zij dronken er allen uit. Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | ποτήριον (poterion) = beker | εὐχαριστήσας (eucharistesas) = dankend | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | καὶ (kai) = en | ἔπιον (epion) = dronken | ἐξ (ex) = uit | αὐτοῦ (autou) = hem | πάντες (pantes) = allen Bron: SBLGNT **14:24** Hij zei tegen hen: **„Dit is Mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt uitgegoten.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τοῦτό (Touto) = dit | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | αἷμά (haima) = bloed | μου (mou) = Mijn | τῆς (tes) = van het | διαθήκης (diathekes) = verbond | τὸ (to) = dat | ἐκχυννόμενον (ekchynnomenon) = uitgegoten wordt | ὑπὲρ (hyper) = voor | πολλῶν (pollon) = velen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: het Hebreeuwse בְּרִית (berit). De woorden ‘het bloed van het verbond’ komen uit Exod. 24:8, waar Mozes het bloed over het volk sprenkelt. Voetnoot : πολλοί (polloi), ‘velen’: vergelijk Jes. 53:12 (‘de zonde van velen’). Zie ook: Ex 24:8; Jes 53:12 **14:25** **Voorwaar, Ik zeg jullie: Ik zal beslist niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot die dag. Dan drink Ik het nieuw in het koninkrijk van Elohim.”** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker | πίω (pio) = Ik drink | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | γενήματος (genematos) = vrucht | τῆς (tes) = van de | ἀμπέλου (ampelou) = wijnstok | ἕως (heos) = tot | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐκείνης (ekeines) = die | ὅταν (hotan) = wanneer | αὐτὸ (auto) = het | πίνω (pino) = Ik drink | καινὸν (kainon) = nieuw | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT ### Yeshua kondigt de verloochening aan **14:26** Nadat zij een lofzang hadden gezongen, gingen zij naar de Olijfberg. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὑμνήσαντες (hymnesantes) = lofzang gezongen hebbend | ἐξῆλθον (exelthon) = gingen uit | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | Ὄρος (Oros) = Berg | τῶν (ton) = van de | Ἐλαιῶν (Elaion) = Olijven Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: ὑμνέω (hymneo), ‘een lofzang zingen’: bij het Pesachmaal zong men gewoonlijk de Hallel, Ps. 113–118. De tekst noemt de psalmen niet. **14:27** Yeshua zei tegen hen: **„Jullie zullen allemaal struikelen. Want er staat geschreven: ‘Ik zal de herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.’** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | Πάντες (Pantes) = allen | σκανδαλισθήσεσθε (skandalisthesesthe) = jullie zullen struikelen | ὅτι (hoti) = want | γέγραπται (gegraptai) = er staat geschreven | Πατάξω (Pataxo) = Ik zal slaan | τὸν (ton) = de | ποιμένα (poimena) = herder | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | διασκορπισθήσονται (diaskorpisthesontai) = zullen verstrooid worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Zach. 13:7. Het Hebreeuws heeft ‘Zwaard, ontwaak tegen Mijn herder … Sla de herder, dan worden de schapen verstrooid’; de Griekse tekst heeft ‘Ik zal de herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden’. Voetnoot : σκανδαλίζω (skandalizo), ‘struikelen’: hier de lijdende vorm van ‘laten struikelen’ (zie 9:42); het gaat om ten val komen en afvallen. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:31–35; Luc. 22:31–34; Joh. 13:36–38. Zie ook: Zach 13:7; Mat 26:31–35; Luc 22:31–34; Joh 13:36–38 **14:28** **Maar nadat Ik opgewekt ben, zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.”** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | ἐγερθῆναί (egerthenai) = opgewekt worden | με (me) = Mij | προάξω (proaxo) = zal voorgaan | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 16:7. Zie ook: Mar 16:7 **14:29** Petrus zei tegen Hem: „Al zullen allen struikelen, ik niet.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἔφη (ephe) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Εἰ (Ei) = als | καὶ (kai) = ook | πάντες (pantes) = allen | σκανδαλισθήσονται (skandalisthesontai) = zullen struikelen | ἀλλ’ (all’) = maar | οὐκ (ouk) = niet | ἐγώ (ego) = ik Bron: SBLGNT **14:30** Yeshua zei tegen hem: **„Voorwaar, Ik zeg je: vandaag, in deze nacht, voordat een haan twee keer kraait, zul jij Mij drie keer verloochenen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | σοι (soi) = je | ὅτι (hoti) = dat | σὺ (sy) = jij | σήμερον (semeron) = vandaag | ταύτῃ (taute) = deze | τῇ (te) = de | νυκτὶ (nykti) = nacht | πρὶν (prin) = voordat | ἢ (e) = of | δὶς (dis) = tweemaal | ἀλέκτορα (alektora) = haan | φωνῆσαι (phonesai) = kraaien | τρίς (tris) = driemaal | με (me) = Mij | ἀπαρνήσῃ (aparnese) = zult verloochenen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπαρνέομαι (aparneomai), ‘verloochenen’: zeggen dat je iemand niet kent. Zie ook 14:72. **14:31** Maar hij zei met grote nadruk: „Al moet ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen.” Zo zeiden zij ook allemaal. Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἐκπερισσῶς (ekperissos) = met nadruk | ἐλάλει (elalei) = zei | Ἐὰν (Ean) = als | δέῃ (dee) = het nodig is | με (me) = mij | συναποθανεῖν (synapothanein) = samen te sterven | σοι (soi) = met U | οὐ (ou) = niet | μή (me) = zeker | σε (se) = U | ἀπαρνήσομαι (aparnesomai) = zal verloochenen | ὡσαύτως (hosautos) = evenzo | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | πάντες (pantes) = allen | ἔλεγον (elegon) = zeiden Bron: SBLGNT ### Getsemane **14:32** Zij kwamen bij een stuk land dat Getsemane heette. Hij zei tegen Zijn leerlingen: **„Blijf hier zitten, totdat Ik gebeden heb.”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔρχονται (erchontai) = komen | εἰς (eis) = naar | χωρίον (chorion) = stuk land | οὗ (hou) = waar | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | Γεθσημανί (Gethsemani) = Getsemane | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Καθίσατε (Kathisate) = ga zitten | ὧδε (hode) = hier | ἕως (heos) = totdat | προσεύξωμαι (proseuxomai) = Ik bid Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Getsemane (ligging onzeker): Getsemane was een stuk land aan de voet van de Olijfberg, over het Kidrondal, ten oosten van Jeruzalem. De precieze plek is niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: Γεθσημανί (Getsemane) betekent waarschijnlijk ‘oliepers’ (Aramees). Het Grieks noemt het χωρίον (chorion), ‘een stuk land’. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:36–46; Luc. 22:39–46. Zie ook: Mat 26:36–46; Luc 22:39–46 **14:33** Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en begon ontzet en beklemd te worden. Brontekst: καὶ (kai) = en | παραλαμβάνει (paralambanei) = neemt mee | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | ἤρξατο (erxato) = begon | ἐκθαμβεῖσθαι (ekthambeisthai) = ontzet te worden | καὶ (kai) = en | ἀδημονεῖν (ademonein) = beklemd te zijn Bron: SBLGNT **14:34** Hij zei tegen hen: **„Mijn ziel is diep bedroefd, tot de dood toe. Blijf hier en waak.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Περίλυπός (Perilypos) = diep bedroefd | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = de | ψυχή (psyche) = ziel | μου (mou) = Mijn | ἕως (heos) = tot | θανάτου (thanatou) = dood | μείνατε (meinate) = blijf | ὧδε (hode) = hier | καὶ (kai) = en | γρηγορεῖτε (gregoreite) = waak Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘ziel’: het eigen leven en wezen. Vergelijk Ps. 42:6 (in de Nederlandse telling is dit 42:5): ‘Waarom ben je terneergeslagen, mijn ziel?’ Voetnoot : γρηγορέω (gregoreo), ‘waken’: zie 13:33. Zie ook: Ps 42:6 **14:35** Hij ging een eindje verder, viel op de grond en bad dat, als het mogelijk was, het uur aan Hem voorbij zou gaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | προελθὼν (proelthon) = verder gaand | μικρὸν (mikron) = een weinig | ἔπιπτεν (epipten) = viel | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | καὶ (kai) = en | προσηύχετο (proseycheto) = bad | ἵνα (hina) = opdat | εἰ (ei) = als | δυνατόν (dynaton) = mogelijk | ἐστιν (estin) = is | παρέλθῃ (parelthe) = voorbijga | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur Bron: SBLGNT **14:36** Hij zei: **„Abba, Vader, voor U is alles mogelijk. Neem deze beker van Mij weg. Toch niet wat Ik wil, maar wat U wilt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | Αββα (Abba) = Abba | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | πάντα (panta) = alles | δυνατά (dynata) = mogelijk | σοι (soi) = voor U | παρένεγκε (parenenke) = neem weg | τὸ (to) = de | ποτήριον (poterion) = beker | τοῦτο (touto) = deze | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἀλλ’ (all’) = toch | οὐ (ou) = niet | τί (ti) = wat | ἐγὼ (ego) = Ik | θέλω (thelo) = wil | ἀλλὰ (alla) = maar | τί (ti) = wat | σύ (sy) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Αββα (Abba) is Aramees voor ‘vader’. Markus vertaalt het zelf met ὁ πατήρ (ho pater), ‘de Vader’. Voetnoot : ποτήριον (poterion), ‘beker’: in de Schrift een beeld voor het lot dat Elohim toedeelt, bijvoorbeeld Jes. 51:17 (de beker van Zijn woede). Zie ook: Jes 51:17 **14:37** Hij kwam en trof hen slapend aan. Hij zei tegen Petrus: **„Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken?** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = komt | καὶ (kai) = en | εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | αὐτοὺς (autous) = hen | καθεύδοντας (katheudontas) = slapend | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | Σίμων (Simon) = Simon | καθεύδεις (katheudeis) = slaap je | οὐκ (ouk) = niet | ἴσχυσας (ischysas) = had je kracht | μίαν (mian) = één | ὥραν (horan) = uur | γρηγορῆσαι (gregoresai) = te waken Bron: SBLGNT **14:38** **Waak en bid, opdat jullie niet in beproeving komen. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.”** Brontekst: γρηγορεῖτε (gregoreite) = waakt | καὶ (kai) = en | προσεύχεσθε (proseuchesthe) = bidt | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | ἔλθητε (elthete) = jullie komt | εἰς (eis) = in | πειρασμόν (peirasmon) = beproeving | τὸ (to) = de | μὲν (men) = wel | πνεῦμα (pneuma) = geest | πρόθυμον (prothymon) = gewillig | ἡ (he) = het | δὲ (de) = maar | σὰρξ (sarx) = vlees | ἀσθενής (asthenes) = zwak Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: van hetzelfde woord als πειράζω, ‘op de proef stellen’ (Matt. 4:1). Het kan ook ‘verleiding’ betekenen. Voetnoot : πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier de geest van de mens; daarom met kleine letter. Zie ook: Mat 4:1 **14:39** Hij ging opnieuw weg en bad met dezelfde woorden. Brontekst: καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = opnieuw | ἀπελθὼν (apelthon) = weggaand | προσηύξατο (proseyxato) = bad | τὸν (ton) = het | αὐτὸν (auton) = zelfde | λόγον (logon) = woord | εἰπών (eipon) = zeggend Bron: SBLGNT **14:40** Toen Hij opnieuw kwam, trof Hij hen slapend aan, want hun ogen waren zwaar. En zij wisten niet wat zij Hem moesten antwoorden. Brontekst: καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = opnieuw | ἐλθὼν (elthon) = komend | εὗρεν (heuren) = vond | αὐτοὺς (autous) = hen | καθεύδοντας (katheudontas) = slapend | ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | αὐτῶν (auton) = hun | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοὶ (ophthalmoi) = ogen | καταβαρυνόμενοι (katabarynomenoi) = verzwaard | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδεισαν (edeisan) = wisten | τί (ti) = wat | ἀποκριθῶσιν (apokrithosin) = zij zouden antwoorden | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT **14:41** Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: **„Slapen jullie nog en rusten jullie? Het is genoeg. Het uur is gekomen. Zie, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = komt | τὸ (to) = het | τρίτον (triton) = derde | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Καθεύδετε (Katheudete) = slapen jullie | τὸ (to) = het | λοιπὸν (loipon) = nog | καὶ (kai) = en | ἀναπαύεσθε (anapauesthe) = rusten jullie | ἀπέχει (apechei) = het is genoeg | ἦλθεν (elthen) = is gekomen | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | ἰδοὺ (idou) = zie | παραδίδοται (paradidotai) = wordt overgeleverd | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | τῶν (ton) = van de | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = zondaars Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καθεύδετε τὸ λοιπὸν καὶ ἀναπαύεσθε (katheudete to loipon kai anapauesthe): het Grieks kan een vraag zijn (‘Slapen jullie nog en rusten jullie?’, zoals in Matt. 26:45) of een bevel (‘Slaap nu maar verder en rust uit’). Wij lezen het als vraag. ἀπέχει (apechei), ‘het is genoeg’: de betekenis van dit woord is hier onzeker. Zie ook: Mat 26:45 **14:42** **Sta op, laten wij gaan. Zie, hij die Mij overlevert, is nabij gekomen.”** Brontekst: ἐγείρεσθε (egeiresthe) = sta op | ἄγωμεν (agomen) = laten wij gaan | ἰδοὺ (idou) = zie | ὁ (ho) = de | παραδιδούς (paradidous) = overleverende | με (me) = Mij | ἤγγικεν (engiken) = is nabij gekomen Bron: SBLGNT ### De gevangenneming **14:43** Meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de twaalf, eraan. Met hem was een menigte met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἔτι (eti) = nog | αὐτοῦ (autou) = Hij | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | παραγίνεται (paraginetai) = komt aan | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | καὶ (kai) = en | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | ὄχλος (ochlos) = menigte | μετὰ (meta) = met | μαχαιρῶν (machairon) = zwaarden | καὶ (kai) = en | ξύλων (xylon) = knuppels | παρὰ (para) = van | τῶν (ton) = de | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ξύλον (xylon), ‘knuppel’: letterlijk ‘hout’. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: de oudere leiders van het volk. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:47–56; Luc. 22:47–53; Joh. 18:2–12. Zie ook: Mat 26:47–56; Luc 22:47–53; Joh 18:2–12 **14:44** Degene die Hem overleverde, had hun een afgesproken teken gegeven en gezegd: „Wie ik kus, die is Hij. Grijp Hem en voer Hem veilig weg.” Brontekst: δεδώκει (dedokei) = had gegeven | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | παραδιδοὺς (paradidous) = overleverende | αὐτὸν (auton) = Hem | σύσσημον (syssemon) = teken | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Ὃν (Hon) = wie | ἂν (an) = ook | φιλήσω (phileso) = ik kus | αὐτός (autos) = Hij | ἐστιν (estin) = is | κρατήσατε (kratesate) = grijp | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἀπάγετε (apagete) = voer weg | ἀσφαλῶς (asphalos) = veilig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σύσσημον (syssemon), ‘afgesproken teken’. ἀσφαλῶς (asphalos), ‘veilig’: zodat Hij niet kan ontsnappen; de precieze bedoeling is niet zeker. **14:45** Toen hij kwam, ging hij meteen naar Hem toe en zei: „Rabbi!” En hij kuste Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = komend | εὐθὺς (euthys) = meteen | προσελθὼν (proselthon) = naderend | αὐτῷ (auto) = Hem | λέγει (legei) = zegt | Ῥαββί (Rhabbi) = Rabbi | καὶ (kai) = en | κατεφίλησεν (katephilesen) = kuste | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: zie 9:5. **14:46** Zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐπέβαλαν (epebalan) = wierpen op | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | ἐκράτησαν (ekratesan) = grepen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **14:47** Een van de omstanders trok zijn zwaard, sloeg de knecht van de hogepriester en hieuw hem het oor af. Brontekst: εἷς (heis) = een | δέ (de) = maar | τις (tis) = iemand | τῶν (ton) = van de | παρεστηκότων (parestekoton) = omstaanders | σπασάμενος (spasamenos) = trekkend | τὴν (ten) = het | μάχαιραν (machairan) = zwaard | ἔπαισεν (epaisen) = sloeg | τὸν (ton) = de | δοῦλον (doulon) = knecht | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | καὶ (kai) = en | ἀφεῖλεν (apheilen) = hieuw af | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὸ (to) = het | ὠτάριον (otarion) = oor Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 26:51–54; Luc. 22:49–51; Joh. 18:10–11. Zie ook: Mat 26:51–54; Luc 22:49–51; Joh 18:10–11 **14:48** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Zijn jullie er als tegen een rover op uitgetrokken, met zwaarden en knuppels, om Mij te grijpen?** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὡς (Hos) = als | ἐπὶ (epi) = tegen | λῃστὴν (lesten) = rover | ἐξήλθατε (exelthate) = gingen jullie uit | μετὰ (meta) = met | μαχαιρῶν (machairon) = zwaarden | καὶ (kai) = en | ξύλων (xylon) = knuppels | συλλαβεῖν (syllabein) = te grijpen | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **14:49** **Elke dag was Ik bij jullie in de tempel en onderwees Ik, en jullie hebben Mij niet gegrepen. Maar dit gebeurt opdat de Schriften vervuld worden.”** Brontekst: καθ’ (kath’) = per | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἤμην (emen) = was | πρὸς (pros) = bij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐκρατήσατέ (ekratesate) = grepen jullie | με (me) = Mij | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | πληρωθῶσιν (plerothosin) = vervuld worden | αἱ (hai) = de | γραφαί (graphai) = Schriften Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen werkwoord: ‘maar opdat de Schriften vervuld worden’. Wij hebben ‘dit gebeurt’ aangevuld. **14:50** Zij lieten Hem achter en vluchtten allen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀφέντες (aphentes) = verlatend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔφυγον (ephygon) = vluchtten | πάντες (pantes) = allen Bron: SBLGNT **14:51** Een jongeman volgde Hem, met alleen een linnen doek om zijn blote lichaam. Zij grepen hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | νεανίσκος (neaniskos) = jongeman | τις (tis) = een | συνηκολούθει (synekolouthei) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem | περιβεβλημένος (peribeblemenos) = gekleed | σινδόνα (sindona) = linnen doek | ἐπὶ (epi) = op | γυμνοῦ (gymnou) = bloot lichaam | καὶ (kai) = en | κρατοῦσιν (kratousin) = grijpen | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σινδών (sindon), ‘linnen doek’: een fijn lijnwaden kleed. Wie de jongeman is, zegt de tekst niet. **14:52** Maar hij liet de linnen doek achter en vluchtte naakt weg. Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | καταλιπὼν (katalipon) = achterlatend | τὴν (ten) = de | σινδόνα (sindona) = doek | γυμνὸς (gymnos) = naakt | ἔφυγεν (ephygen) = vluchtte Bron: SBLGNT ### Yeshua voor de Raad **14:53** Zij voerden Yeshua weg naar de hogepriester. Alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen bijeen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀπήγαγον (apegagon) = voerden weg | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | ἀρχιερέα (archierea) = hogepriester | καὶ (kai) = en | συνέρχονται (synerchontai) = komen samen | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρεσβύτεροι (presbyteroi) = oudsten | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden vormen samen de Raad (συνέδριον, synedrion) in Jeruzalem; zie 14:55 en 15:1. Zie ook Matt. 26:57–68; Luc. 22:54, 22:66–71; Joh. 18:12–14, 18:19–24. Zie ook: Mat 26:57–68; Luc 22:54; Luc 22:66; Joh 18:12–14; Joh 18:19 **14:54** Petrus volgde Hem van veraf, tot binnen op de binnenplaats van de hogepriester. Hij zat bij de bedienden en warmde zich bij het vuur. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἀπὸ (apo) = van | μακρόθεν (makrothen) = veraf | ἠκολούθησεν (ekolouthesen) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem | ἕως (heos) = tot | ἔσω (eso) = binnen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | αὐλὴν (aulen) = binnenplaats | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | συγκαθήμενος (synkathemenos) = meezittend | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ὑπηρετῶν (hypereton) = bedienden | καὶ (kai) = en | θερμαινόμενος (thermainomenos) = zich warmend | πρὸς (pros) = bij | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): De binnenplaats hoorde bij het huis van de hogepriester in Jeruzalem. De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel. Voetnoot Uitleg: αὐλή (aule), ‘binnenplaats’: de open ruimte binnen het huis, ook in 14:66. Het Grieks heeft φῶς (phos), ‘licht’; wij schrijven ‘vuur’, omdat het om een vuur gaat waaraan men zich warmt. **14:55** De hogepriesters en de hele Raad zochten een getuigenis tegen Yeshua om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden niets. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | ὅλον (holon) = hele | τὸ (to) = de | συνέδριον (synedrion) = Raad | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | μαρτυρίαν (martyrian) = getuigenis | εἰς (eis) = om | τὸ (to) = het | θανατῶσαι (thanatosai) = ter dood te brengen | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | ηὕρισκον (heyriskon) = vonden Bron: SBLGNT **14:56** Velen legden namelijk vals getuigenis tegen Hem af, maar hun getuigenissen kwamen niet overeen. Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | γὰρ (gar) = want | ἐψευδομαρτύρουν (epseudomartyroun) = legden vals getuigenis af | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | ἴσαι (isai) = gelijk | αἱ (hai) = de | μαρτυρίαι (martyriai) = getuigenissen | οὐκ (ouk) = niet | ἦσαν (esan) = waren Bron: SBLGNT **14:57** Enkelen stonden op en legden vals getuigenis tegen Hem af. Zij zeiden: Brontekst: καί (kai) = en | τινες (tines) = sommigen | ἀναστάντες (anastantes) = opgestaan | ἐψευδομαρτύρουν (epseudomartyroun) = legden vals getuigenis af | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτοῦ (autou) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend Bron: SBLGNT **14:58** „Wij hebben Hem horen zeggen: ‘Ik zal dit heiligdom dat met handen gemaakt is afbreken, en in drie dagen zal Ik een ander bouwen dat niet met handen gemaakt is.’” Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | Ἡμεῖς (Hemeis) = wij | ἠκούσαμεν (ekousamen) = hoorden | αὐτοῦ (autou) = Hem | λέγοντος (legontos) = zeggen | ὅτι (hoti) = dat | Ἐγὼ (Ego) = Ik | καταλύσω (katalyso) = zal afbreken | τὸν (ton) = het | ναὸν (naon) = heiligdom | τοῦτον (touton) = dit | τὸν (ton) = het | χειροποίητον (cheiropoieton) = met handen gemaakte | καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = binnen | τριῶν (trion) = drie | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | ἄλλον (allon) = ander | ἀχειροποίητον (acheiropoieton) = niet met handen gemaakt | οἰκοδομήσω (oikodomeso) = zal bouwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ναός (naos), ‘heiligdom’: het gebouw zelf, anders dan ἱερόν (hieron), ‘tempel’, het hele terrein. χειροποίητος (cheiropoietos), ‘met handen gemaakt’. Markus noemt dit getuigenis vals (14:56–57); zie ook 15:29 en Joh. 2:19–21. Zie ook: Joh 2:19–21 **14:59** Maar ook zo kwam hun getuigenis niet overeen. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐδὲ (oude) = ook niet | οὕτως (houtos) = zo | ἴση (ise) = gelijk | ἦν (en) = was | ἡ (he) = de | μαρτυρία (martyria) = getuigenis | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **14:60** De hogepriester stond op, ging in het midden staan en vroeg Yeshua: „Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | εἰς (eis) = in | μέσον (meson) = midden | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | λέγων (legon) = zeggend | Οὐκ (Ouk) = niet | ἀποκρίνῃ (apokrine) = antwoordt U | οὐδέν (ouden) = niets | τί (ti) = wat | οὗτοί (houtoi) = dezen | σου (sou) = tegen U | καταμαρτυροῦσιν (katamartyrousin) = getuigen Bron: SBLGNT **14:61** Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Opnieuw vroeg de hogepriester Hem: „Bent U de Messias, de Zoon van de Gezegende?” Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἐσιώπα (esiopa) = zweeg | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἀπεκρίνατο (apekrinato) = antwoordde | οὐδέν (ouden) = niets | πάλιν (palin) = opnieuw | ὁ (ho) = de | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | ἐπηρώτα (eperota) = vroeg | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | εὐλογητοῦ (eulogetou) = Gezegende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐλογητός (eulogetos), ‘de Gezegende’: een omschrijving voor Elohim. **14:62** Yeshua zei: **„Ik ben het. En jullie zullen de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Kracht en komen met de wolken van de hemel.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | καὶ (kai) = en | ὄψεσθε (opsesthe) = zullen zien | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | καθήμενον (kathemenon) = zittend | τῆς (tes) = van de | δυνάμεως (dynameos) = Kracht | καὶ (kai) = en | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | νεφελῶν (nephelon) = wolken | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘Ik ben het’: letterlijk ‘Ik ben’. ἡ δύναμις (he dynamis), ‘de Kracht’: een omschrijving voor Elohim. De woorden ‘zitten aan de rechterhand’ komen uit Ps. 110:1 en ‘komen met de wolken van de hemel’ uit Dan. 7:13; zie ook Mark. 13:26. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:63–66; Luc. 22:66–71. Zie ook: Ps 110:1; Dan 7:13; Mat 26:63–66; Mar 13:26; Luc 22:66–71 **14:63** De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: „Waarvoor hebben wij nog getuigen nodig? Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | διαρρήξας (diarrexas) = scheurend | τοὺς (tous) = de | χιτῶνας (chitonas) = gewaden | αὐτοῦ (autou) = zijn | λέγει (legei) = zegt | Τί (Ti) = wat | ἔτι (eti) = nog | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχομεν (echomen) = hebben wij | μαρτύρων (martyron) = getuigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χιτών (chiton), ‘gewaad’: het onderkleed. Het scheuren van de kleren was een teken van ontzetting en verontwaardiging (vergelijk Num. 14:6). Zie ook: Num 14:6 **14:64** Jullie hebben de lastering gehoord. Wat denken jullie?” Allen veroordeelden Hem als schuldig aan de dood. Brontekst: ἠκούσατε (ekousate) = jullie hoorden | τῆς (tes) = de | βλασφημίας (blasphemias) = lastering | τί (ti) = wat | ὑμῖν (hymin) = jullie | φαίνεται (phainetai) = lijkt | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | πάντες (pantes) = allen | κατέκριναν (katekrinan) = veroordeelden | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔνοχον (enochon) = schuldig | εἶναι (einai) = te zijn | θανάτου (thanatou) = aan de dood Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βλασφημία (blasphemia), ‘lastering’: oneerbiedig spreken over Elohim. **14:65** Sommigen begonnen op Hem te spugen, Zijn gezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan. Zij zeiden tegen Hem: „Profeteer!” En de bedienden sloegen Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤρξαντό (erxanto) = begonnen | τινες (tines) = sommigen | ἐμπτύειν (emptyein) = te spugen | αὐτῷ (auto) = op Hem | καὶ (kai) = en | περικαλύπτειν (perikalyptein) = te bedekken | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὸ (to) = het | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | καὶ (kai) = en | κολαφίζειν (kolaphizein) = met vuisten te slaan | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | λέγειν (legein) = te zeggen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Προφήτευσον (Propheteuson) = profeteer | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ὑπηρέται (hyperetai) = bedienden | ῥαπίσμασιν (rhapismasin) = met slagen | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔλαβον (elabon) = namen aan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κολαφίζω (kolaphizo), ‘met vuisten slaan’. ῥάπισμα (rapisma), ‘slag’: het is onzeker of het om stokslagen of om klappen met de hand gaat. Vergelijk Jes. 50:6. Zie ook: Jes 50:6 ### Petrus verloochent Yeshua **14:66** Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὄντος (ontos) = zijnde | τοῦ (tou) = de | Πέτρου (Petrou) = Petrus | κάτω (kato) = beneden | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | αὐλῇ (aule) = binnenplaats | ἔρχεται (erchetai) = komt | μία (mia) = een | τῶν (ton) = van de | παιδισκῶν (paidiskon) = dienstmeisjes | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester Bron: SBLGNT **14:67** Toen zij Petrus zich zag warmen, keek zij hem aan en zei: „Ook jij was bij de Nazarener, bij Yeshua.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοῦσα (idousa) = ziende | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | θερμαινόμενον (thermainomenon) = zich warmend | ἐμβλέψασα (emblepsasa) = aankijkend | αὐτῷ (auto) = hem | λέγει (legei) = zegt | Καὶ (Kai) = ook | σὺ (sy) = jij | μετὰ (meta) = met | τοῦ (tou) = de | Ναζαρηνοῦ (Nazarenou) = Nazarener | ἦσθα (estha) = was | τοῦ (tou) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζαρηνός (Nazarenos), ‘Nazarener’: uit Nazaret. **14:68** Maar hij ontkende het: „Ik weet niet en ik begrijp niet wat jij zegt.” Hij ging naar buiten, naar de voorhof, en een haan kraaide. Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἠρνήσατο (ernesato) = ontkende | λέγων (legon) = zeggend | Οὔτε (Oute) = noch | οἶδα (oida) = ik weet | οὔτε (oute) = noch | ἐπίσταμαι (epistamai) = ik begrijp | σὺ (sy) = jij | τί (ti) = wat | λέγεις (legeis) = zegt | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἔξω (exo) = naar buiten | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | προαύλιον (proaulion) = voorhof | καὶ (kai) = en | ἀλέκτωρ (alektor) = haan | ἐφώνησεν (ephonesen) = kraaide Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προαύλιον (proaulion), ‘voorhof’: de ruimte tussen de binnenplaats en de straat. **14:69** Het dienstmeisje zag hem en begon opnieuw tegen de omstanders te zeggen: „Deze is een van hen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | παιδίσκη (paidiske) = dienstmeisje | ἰδοῦσα (idousa) = ziend | αὐτὸν (auton) = hem | ἤρξατο (erxato) = begon | πάλιν (palin) = opnieuw | λέγειν (legein) = te zeggen | τοῖς (tois) = aan de | παρεστῶσιν (parestosin) = omstanders | ὅτι (hoti) = dat | Οὗτος (Houtos) = deze | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **14:70** Maar hij ontkende opnieuw. Even later zeiden de omstanders opnieuw tegen Petrus: „Werkelijk, jij bent een van hen. Want je bent ook een Galileeër, en je spraak lijkt erop.” Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | πάλιν (palin) = opnieuw | ἠρνεῖτο (erneito) = ontkende | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | μικρὸν (mikron) = kort | πάλιν (palin) = opnieuw | οἱ (hoi) = de | παρεστῶτες (parestotes) = omstanders | ἔλεγον (elegon) = zeiden | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | Ἀληθῶς (Alethos) = waarlijk | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | εἶ (ei) = ben je | καὶ (kai) = ook | γὰρ (gar) = want | Γαλιλαῖος (Galilaios) = Galileeër | εἶ (ei) = ben je | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | λαλιά (lalia) = spraak | σου (sou) = je | ὁμοιάζει (homoiazei) = lijkt erop Bron: SBLGNT **14:71** Maar hij begon te vervloeken en te zweren: „Ik ken die man niet over wie jullie spreken.” Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἤρξατο (erxato) = begon | ἀναθεματίζειν (anathematizein) = te vervloeken | καὶ (kai) = en | ὀμνύναι (omnynai) = te zweren | ὅτι (hoti) = dat | Οὐκ (Ouk) = niet | οἶδα (oida) = ik ken | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | τοῦτον (touton) = deze | ὃν (hon) = die | λέγετε (legete) = jullie zeggen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναθεματίζω (anathematizo), ‘vervloeken’: hier waarschijnlijk zichzelf vervloeken als hij niet de waarheid spreekt. **14:72** Meteen kraaide een haan voor de tweede keer. Petrus herinnerde zich het woord dat Yeshua tegen hem gezegd had: **„Voordat een haan twee keer kraait, zul je Mij drie keer verloochenen.”** Hij brak ineen en huilde. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | ἐκ (ek) = uit | δευτέρου (deuterou) = tweede | ἀλέκτωρ (alektor) = haan | ἐφώνησεν (ephonesen) = kraaide | καὶ (kai) = en | ἀνεμνήσθη (anemnesthe) = herinnerde zich | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | τὸ (to) = het | ῥῆμα (rhema) = woord | ὡς (hos) = zoals | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | Πρὶν (Prin) = voordat | ἀλέκτορα (alektora) = haan | φωνῆσαι (phonesai) = kraait | δὶς (dis) = tweemaal | τρίς (tris) = driemaal | με (me) = Mij | ἀπαρνήσῃ (aparnese) = zult verloochenen | καὶ (kai) = en | ἐπιβαλὼν (epibalon) = zich werpend | ἔκλαιεν (eklaien) = huilde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιβαλών (epibalon): de betekenis van dit woord is hier onzeker. Wij vertalen ‘hij brak ineen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:69–75; Luc. 22:54–62; Joh. 18:15–18, 18:25–27. Zie ook: Mat 26:69–75; Luc 22:54–62; Joh 18:15–18; Joh 18:25 ## Markus 15 _Yeshua voor Pilatus, de kruisiging, de dood en het graf_ ### Yeshua voor Pilatus **15:1** Meteen ’s morgens vroeg hielden de hogepriesters overleg met de oudsten, de schriftgeleerden en de hele Raad. Zij bonden Yeshua, voerden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | πρωῒ (proi) = vroeg in de morgen | συμβούλιον (symboulion) = overleg | ποιήσαντες (poiesantes) = houdend | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | καὶ (kai) = en | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | ὅλον (holon) = hele | τὸ (to) = de | συνέδριον (synedrion) = Raad | δήσαντες (desantes) = bindend | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἀπήνεγκαν (apenenkan) = voerden weg | καὶ (kai) = en | παρέδωκαν (paredokan) = leverden over | Πιλάτῳ (Pilato) = Pilatus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: de hoogste Joodse raad in Jeruzalem, waarin hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden zaten (zie 14:53–55). Pilatus was de Romeinse stadhouder. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:1–2; Luc. 23:1; Joh. 18:28. Zie ook: Mat 27:1–2; Luc 23:1; Joh 18:28 **15:2** Pilatus vroeg Hem: „Bent U de koning van de Joden?” Hij antwoordde hem: **„Jij zegt het.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | αὐτῷ (auto) = hem | λέγει (legei) = zegt | Σὺ (Sy) = jij | λέγεις (legeis) = zegt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σὺ λέγεις (sy legeis), ‘Jij zegt het’: Yeshua neemt de woorden van Pilatus over; het Grieks laat open of dit ‘ja’ betekent. Yeshua spreekt Pilatus aan met ‘jij’, zoals Hij ook anderen aanspreekt. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:11–14; Luc. 23:2–3; Joh. 18:33–38. Zie ook: Mat 27:11–14; Luc 23:2–3; Joh 18:33–38 **15:3** De hogepriesters beschuldigden Hem van veel dingen. Brontekst: καὶ (kai) = en | κατηγόρουν (kategoroun) = beschuldigden | αὐτοῦ (autou) = Hem | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | πολλά (polla) = veel Bron: SBLGNT **15:4** Pilatus vroeg Hem opnieuw: „Antwoordt U niets? Zie hoeveel zij tegen U inbrengen.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | πάλιν (palin) = opnieuw | ἐπηρώτα (eperota) = vroeg | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγων (legon) = zeggend | Οὐκ (Ouk) = niet | ἀποκρίνῃ (apokrine) = antwoordt U | οὐδέν (ouden) = niets | ἴδε (ide) = zie | πόσα (posa) = hoeveel | σου (sou) = tegen U | κατηγοροῦσιν (kategorousin) = beschuldigen Bron: SBLGNT **15:5** Maar Yeshua antwoordde niets meer, zodat Pilatus zich verwonderde. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | οὐδὲν (ouden) = niets | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ὥστε (hoste) = zodat | θαυμάζειν (thaumazein) = zich te verwonderen | τὸν (ton) = de | Πιλᾶτον (Pilaton) = Pilatus Bron: SBLGNT ### Barabbas of Yeshua **15:6** Op elk feest liet hij hun één gevangene vrij, degene om wie zij vroegen. Brontekst: Κατὰ (Kata) = op | δὲ (de) = maar | ἑορτὴν (heorten) = feest | ἀπέλυεν (apelyen) = liet vrij | αὐτοῖς (autois) = hun | ἕνα (hena) = één | δέσμιον (desmion) = gevangene | ὃν (hon) = die | παρῃτοῦντο (paretounto) = zij vroegen Bron: SBLGNT **15:7** Er was iemand die Barabbas genoemd werd. Hij zat gebonden met de opstandelingen die bij de opstand een moord hadden gepleegd. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | λεγόμενος (legomenos) = genoemde | Βαραββᾶς (Barabbas) = Barabbas | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | στασιαστῶν (stasiaston) = opstandelingen | δεδεμένος (dedemenos) = gebonden | οἵτινες (hoitines) = die | ἐν (en) = bij | τῇ (te) = de | στάσει (stasei) = opstand | φόνον (phonon) = moord | πεποιήκεισαν (pepoiekeisan) = hadden gepleegd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Βαραββᾶς (Barabbas) is een Aramese naam. Hij zat in de gevangenis met anderen die bij een opstand hadden gedood; om welke opstand het gaat, zegt de tekst niet. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:15–23; Luc. 23:18–25; Joh. 18:39–40. Zie ook: Mat 27:15–23; Luc 23:18–25; Joh 18:39–40 **15:8** De menigte ging naar boven en begon te vragen dat hij voor hen zou doen zoals hij altijd deed. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναβὰς (anabas) = opgegaan | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἤρξατο (erxato) = begon | αἰτεῖσθαι (aiteisthai) = te vragen | καθὼς (kathos) = zoals | ἐποίει (epoiei) = deed | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT **15:9** Pilatus antwoordde hun: „Willen jullie dat ik jullie de koning van de Joden vrijlaat?” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Θέλετε (Thelete) = wilt jullie | ἀπολύσω (apolyso) = laat ik vrij | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὸν (ton) = de | βασιλέα (basilea) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT **15:10** Want hij wist dat de hogepriesters Hem uit afgunst hadden overgeleverd. Brontekst: ἐγίνωσκεν (eginosken) = wist | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | διὰ (dia) = vanwege | φθόνον (phthonon) = afgunst | παραδεδώκεισαν (paradedokeisan) = hadden overgeleverd | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φθόνος (phthonos), ‘afgunst’: ongenoegen omdat een ander meer aanzien heeft. **15:11** Maar de hogepriesters hitsten de menigte op, zodat hij liever Barabbas aan hen zou vrijlaten. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | ἀνέσεισαν (aneseisan) = hitsten op | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἵνα (hina) = opdat | μᾶλλον (mallon) = liever | τὸν (ton) = de | Βαραββᾶν (Barabban) = Barabbas | ἀπολύσῃ (apolyse) = hij zou vrijlaten | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT **15:12** Pilatus zei opnieuw tegen hen: „Wat willen jullie dan dat ik doe met Hem die jullie de koning van de Joden noemen?” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | πάλιν (palin) = opnieuw | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τί (Ti) = wat | οὖν (oun) = dan | θέλετε (thelete) = willen jullie | ποιήσω (poieso) = ik doe | ὃν (hon) = die | λέγετε (legete) = jullie noemen | τὸν (ton) = de | βασιλέα (basilea) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT **15:13** Maar zij schreeuwden opnieuw: „Kruisig Hem!” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | πάλιν (palin) = opnieuw | ἔκραξαν (ekraxan) = schreeuwden | Σταύρωσον (Stauroson) = kruisig | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **15:14** Pilatus zei tegen hen: „Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?” Maar zij schreeuwden nog harder: „Kruisig Hem!” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τί (Ti) = wat | γὰρ (gar) = want | ἐποίησεν (epoiesen) = heeft gedaan | κακόν (kakon) = kwaad | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | περισσῶς (perissos) = nog harder | ἔκραξαν (ekraxan) = schreeuwden | Σταύρωσον (Stauroson) = kruisig | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **15:15** Pilatus wilde de menigte tevredenstellen. Hij liet Barabbas voor hen vrij en leverde Yeshua over, nadat hij Hem had gegeseld, om gekruisigd te worden. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | βουλόμενος (boulomenos) = willend | τῷ (to) = aan de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | τὸ (to) = het | ἱκανὸν (hikanon) = voldoende | ποιῆσαι (poiesai) = doen | ἀπέλυσεν (apelysen) = liet vrij | αὐτοῖς (autois) = hun | τὸν (ton) = de | Βαραββᾶν (Barabban) = Barabbas | καὶ (kai) = en | παρέδωκεν (paredoken) = leverde over | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | φραγελλώσας (phragellosas) = geselend | ἵνα (hina) = opdat | σταυρωθῇ (staurothe) = hij gekruisigd wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φραγελλόω (phragelloo), ‘geselen’: slaan met een zweep, een Romeinse straf voor de kruisiging. ### De soldaten bespotten Yeshua **15:16** De soldaten voerden Hem mee naar binnen, de binnenplaats in, dat is het pretorium, en riepen de hele cohort bijeen. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | δὲ (de) = maar | στρατιῶται (stratiotai) = soldaten | ἀπήγαγον (apegagon) = voerden weg | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔσω (eso) = binnen | τῆς (tes) = van de | αὐλῆς (aules) = binnenplaats | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | πραιτώριον (praitorion) = pretorium | καὶ (kai) = en | συγκαλοῦσιν (synkalousin) = roepen bijeen | ὅλην (holen) = hele | τὴν (ten) = de | σπεῖραν (speiran) = cohort Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pretorium (Jeruzalem; ligging onzeker): Het pretorium was het verblijf van de Romeinse stadhouder in Jeruzalem. Of dat het paleis van Herodes (westkant van de stad) of de Antonia-burcht (bij de tempel) was, is niet zeker. Voetnoot Uitleg: πραιτώριον (praitorion), ‘pretorium’: de ambtswoning van de Romeinse stadhouder. Waar in Jeruzalem dit lag, is onzeker. Voetnoot : σπεῖρα (speira), ‘cohort’: een Romeinse legereenheid. Hoeveel soldaten het waren, zegt de tekst niet. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:27–31; Joh. 19:1–3. Zie ook: Mat 27:27–31; Joh 19:1–3 **15:17** Zij kleedden Hem in purper, vlochten een doornenkroon en zetten die Hem op. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐνδιδύσκουσιν (endidyskousin) = kleden | αὐτὸν (auton) = Hem | πορφύραν (porphyran) = purper | καὶ (kai) = en | περιτιθέασιν (perititheasin) = zetten om | αὐτῷ (auto) = Hem | πλέξαντες (plexantes) = vlechtend | ἀκάνθινον (akanthinon) = van doorns | στέφανον (stephanon) = kroon Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πορφύρα (porphyra), ‘purper’: een duur, roodpaars kleed, zoals koningen dat droegen. **15:18** Zij begonnen Hem te groeten: „Gegroet, koning van de Joden!” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | ἀσπάζεσθαι (aspazesthai) = te groeten | αὐτόν (auton) = Hem | Χαῖρε (Chaire) = gegroet | βασιλεῦ (basileu) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT **15:19** Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, spuugden op Hem, knielden en bogen zich voor Hem neer. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔτυπτον (etypton) = sloegen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | καλάμῳ (kalamo) = met een riet | καὶ (kai) = en | ἐνέπτυον (eneptyon) = spuugden op | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | τιθέντες (tithentes) = zettend | τὰ (ta) = de | γόνατα (gonata) = knieën | προσεκύνουν (prosekynoun) = bogen zich neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zie Matt. 2:2. De soldaten doen alsof Hij koning is. Zie ook: Mat 2:2 **15:20** Toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem het purper uit en deden Hem Zijn eigen kleren aan. Daarna voerden zij Hem naar buiten om Hem te kruisigen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐνέπαιξαν (enepaixan) = bespotten | αὐτῷ (auto) = Hem | ἐξέδυσαν (exedysan) = trokken uit | αὐτὸν (auton) = Hem | τὴν (ten) = het | πορφύραν (porphyran) = purper | καὶ (kai) = en | ἐνέδυσαν (enedysan) = trokken aan | αὐτὸν (auton) = Hem | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | τὰ (ta) = de | ἴδια (idia) = eigen | καὶ (kai) = en | ἐξάγουσιν (exagousin) = leiden uit | αὐτὸν (auton) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | σταυρώσωσιν (staurososin) = zij kruisigen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT ### De kruisiging **15:21** Zij dwongen een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van het veld kwam, de vader van Alexander en Rufus, om Zijn kruis te dragen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀγγαρεύουσιν (angareuousin) = dwingen | παράγοντά (paragonta) = voorbijgaand | τινα (tina) = een | Σίμωνα (Simona) = Simon | Κυρηναῖον (Kyrenaion) = Cyreniër | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | ἀπ’ (ap’) = van | ἀγροῦ (agrou) = veld | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | Ἀλεξάνδρου (Alexandrou) = van Alexander | καὶ (kai) = en | Ῥούφου (Rhouphou) = van Rufus | ἵνα (hina) = opdat | ἄρῃ (are) = hij draagt | τὸν (ton) = het | σταυρὸν (stauron) = kruis | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cyrene: Cyrene was de hoofdstad van Cyrenaica, in het noordoosten van het huidige Libië. Er woonde een grote Joodse gemeenschap. Voetnoot Uitleg: ἀγγαρεύω (aggareuo), ‘dwingen’: een soldaat kon iemand dwingen een last te dragen. Kyrene (Cyrene) is een stad in Noord-Afrika, nu in Libië. Wie Alexander en Rufus zijn, zegt de tekst niet. Zie ook Matt. 27:32; Luc. 23:26. Zie ook: Mat 27:32; Luc 23:26 **15:22** Zij brachten Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald is: Plaats van de Schedel. Brontekst: καὶ (kai) = en | φέρουσιν (pherousin) = brengen | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐπὶ (epi) = naar | τὸν (ton) = de | Γολγοθᾶν (Golgothan) = Golgota | τόπον (topon) = plaats | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | μεθερμηνευόμενον (methermeneuomenon) = vertaald | Κρανίου (Kraniou) = van een schedel | Τόπος (Topos) = plaats Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Golgota (ligging onzeker): Golgota (Plaats van de Schedel) lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem. De traditie zoekt het bij de Heilig-Grafkerk in de oude stad. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Γολγοθᾶ (Golgota) is Aramees voor ‘schedel’; Markus vertaalt het zelf met Κρανίου Τόπος (Kraniou Topos), ‘Plaats van de Schedel’. De ligging is niet zeker; het was buiten de stad. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:33–44; Luc. 23:33–43; Joh. 19:17–24. Zie ook: Mat 27:33–44; Luc 23:33–43; Joh 19:17–24 **15:23** Zij boden Hem wijn met mirre aan, maar Hij nam die niet. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐδίδουν (edidoun) = gaven | αὐτῷ (auto) = Hem | ἐσμυρνισμένον (esmyrnismenon) = met mirre gekruide | οἶνον (oinon) = wijn | ὃς (hos) = hij | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | ἔλαβεν (elaben) = nam Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σμυρνίζω (smyrnizo), ‘met mirre vermengen’: mirre is een geurige hars. Waarom Hem deze wijn werd aangeboden, zegt de tekst niet. **15:24** Zij kruisigden Hem en verdeelden Zijn kleren onder elkaar. Zij wierpen het lot erover, wie wat zou nemen. Brontekst: καὶ (kai) = en | σταυροῦσιν (staurousin) = kruisigen | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | διαμερίζονται (diamerizontai) = verdelen | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτοῦ (autou) = Zijn | βάλλοντες (ballontes) = werpend | κλῆρον (kleron) = lot | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτὰ (auta) = hen | τίς (tis) = wie | τί (ti) = wat | ἄρῃ (are) = zou nemen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 22:19 (in de Nederlandse telling is dit 22:18): ‘Zij verdelen mijn kleren onder zich en over mijn gewaad werpen zij het lot.’ Zie ook: Ps 22:19 **15:25** Het was het derde uur toen zij Hem kruisigden. Brontekst: Ἦν (En) = was | δὲ (de) = maar | ὥρα (hora) = uur | τρίτη (trite) = derde | καὶ (kai) = en | ἐσταύρωσαν (estaurosan) = kruisigden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het derde uur is ongeveer 9 uur ’s ochtends: de uren werden geteld vanaf zonsopgang. Joh. 19:14 noemt een ander tijdstip. Zie ook: Joh 19:14 **15:26** Het opschrift met de aanklacht tegen Hem luidde: „De koning van de Joden.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἡ (he) = het | ἐπιγραφὴ (epigraphe) = opschrift | τῆς (tes) = van de | αἰτίας (aitias) = beschuldiging | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐπιγεγραμμένη (epigegrammene) = geschreven | Ὁ (Ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT **15:27** Met Hem kruisigden zij twee rovers, een aan Zijn rechterkant en een aan Zijn linkerkant. Brontekst: καὶ (kai) = en | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem | σταυροῦσιν (staurousin) = kruisigen | δύο (dyo) = twee | λῃστάς (lestas) = rovers | ἕνα (hena) = een | ἐκ (ek) = uit | δεξιῶν (dexion) = rechts | καὶ (kai) = en | ἕνα (hena) = een | ἐξ (ex) = uit | εὐωνύμων (euonymon) = links | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. ### Spot aan het kruis **15:29** De voorbijgangers lasterden Hem. Zij schudden hun hoofd en zeiden: „Ha! U die het heiligdom afbreekt en in drie dagen opbouwt, Brontekst: Καὶ (Kai) = en | οἱ (hoi) = de | παραπορευόμενοι (paraporeuomenoi) = voorbijgangers | ἐβλασφήμουν (eblasphemoun) = lasterden | αὐτὸν (auton) = Hem | κινοῦντες (kinountes) = schuddend | τὰς (tas) = de | κεφαλὰς (kephalas) = hoofden | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | λέγοντες (legontes) = zeggend | Οὐὰ (Oua) = ha | ὁ (ho) = de | καταλύων (katalyon) = afbrekende | τὸν (ton) = het | ναὸν (naon) = heiligdom | καὶ (kai) = en | οἰκοδομῶν (oikodomon) = opbouwende | ἐν (en) = in | τρισὶν (trisin) = drie | ἡμέραις (hemerais) = dagen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οὐά (oua), ‘ha!’: een uitroep van spot. Vergelijk Ps. 22:8, waar allen die de lijdende zien ‘het hoofd schudden’. Zie ook Mark. 14:58. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:39–44; Luc. 23:35–37. Zie ook: Ps 22:8; Mat 27:39–44; Mar 14:58; Luc 23:35–37 **15:30** red Uzelf en kom van het kruis af!” Brontekst: σῶσον (soson) = red | σεαυτὸν (seauton) = Uzelf | καταβὰς (katabas) = neerdalend | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | σταυροῦ (staurou) = kruis Bron: SBLGNT **15:31** Ook de hogepriesters spotten samen met de schriftgeleerden onder elkaar. Zij zeiden: „Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Brontekst: ὁμοίως (homoios) = op dezelfde manier | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | ἐμπαίζοντες (empaizontes) = spottend | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Ἄλλους (Allous) = anderen | ἔσωσεν (esosen) = heeft gered | ἑαυτὸν (heauton) = Zichzelf | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | σῶσαι (sosai) = redden Bron: SBLGNT **15:32** Laat de Messias, de koning van Israël, nu van het kruis afkomen, zodat wij zien en geloven.” Ook zij die met Hem gekruisigd waren, hoonden Hem. Brontekst: ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | Ἰσραὴλ (Israel) = van Israël | καταβάτω (katabato) = laat afdalen | νῦν (nyn) = nu | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | σταυροῦ (staurou) = kruis | ἵνα (hina) = opdat | ἴδωμεν (idomen) = wij zien | καὶ (kai) = en | πιστεύσωμεν (pisteusomen) = wij geloven | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | συνεσταυρωμένοι (synestauromenoi) = mee gekruisigden | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem | ὠνείδιζον (oneidizon) = hoonden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀνειδίζω (oneidizo), ‘honen’: schimpen en beledigen. ### De dood van Yeshua **15:33** Toen het zesde uur gekomen was, kwam er duisternis over het hele land, tot het negende uur. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | γενομένης (genomenes) = geworden | ὥρας (horas) = uur | ἕκτης (hektes) = zesde | σκότος (skotos) = duisternis | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἐφ’ (eph’) = over | ὅλην (holen) = hele | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ἕως (heos) = tot | ὥρας (horas) = uur | ἐνάτης (enates) = negende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het zesde uur is ongeveer 12 uur ’s middags en het negende uur ongeveer 3 uur ’s middags. Vergelijk Amos 8:9: ‘Ik laat de zon ondergaan op de middag.’ Zie ook Matt. 27:45; Luc. 23:44–45. Zie ook: Amos 8:9; Mat 27:45; Luc 23:44–45 **15:34** Op het negende uur riep Yeshua met luide stem: **„Eloï, Eloï, lema sabachtani?”** Dat is vertaald: **„Mijn Elohim, Mijn Elohim, waarom hebt U Mij verlaten?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | ἐνάτῃ (enate) = negende | ὥρᾳ (hora) = uur | ἐβόησεν (eboesen) = riep | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = grote | Ἐλωῒ (Eloi) = Eloï | ἐλωῒ (eloi) = Eloï | λεμὰ (lema) = lema | σαβαχθάνι (sabachthani) = sabachtani | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | μεθερμηνευόμενον (methermeneuomenon) = vertaald | Ὁ (Ho) = de | θεός (theos) = Elohim | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | μου (mou) = Mijn | εἰς (eis) = tot | τί (ti) = wat | ἐγκατέλιπές (enkatelipes) = hebt verlaten | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἐλωΐ ἐλωΐ λεμὰ σαβαχθάνι (Eloï, Eloï, lema sabachtani) is Aramees; Markus geeft de vertaling zelf. Het is het begin van Ps. 22:2 (in de Nederlandse telling is dit 22:1). Het Hebreeuws heeft אֵלִי אֵלִי לָמָה עֲזַבְתָּנִי (Eli, Eli, lama azavtani), ‘Mijn El, mijn El, waarom hebt U mij verlaten?’; de Griekse tekst van Markus heeft ‘Mijn Elohim’. Zie ook: Ps 22:2 **15:35** Toen sommigen van de omstanders dat hoorden, zeiden zij: „Zie, Hij roept Elia.” Brontekst: καί (kai) = en | τινες (tines) = sommigen | τῶν (ton) = van de | παρεστηκότων (parestekoton) = omstanders | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Ἴδε (Ide) = zie | Ἠλίαν (Elian) = Elia | φωνεῖ (phonei) = roept Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De omstanders verstaan ‘Eloï’ als ‘Elia’. Zie ook Matt. 27:46–49. Zie ook: Mat 27:46–49 **15:36** Iemand rende weg, vulde een spons met azijn, zette die op een rietstok en gaf Hem te drinken. Die man zei: „Laat maar, laten wij zien of Elia komt om Hem naar beneden te halen.” Brontekst: δραμὼν (dramon) = rennend | δέ (de) = maar | τις (tis) = iemand | καὶ (kai) = en | γεμίσας (gemisas) = vullend | σπόγγον (spongon) = spons | ὄξους (oxous) = met azijn | περιθεὶς (peritheis) = zettend om | καλάμῳ (kalamo) = met een riet | ἐπότιζεν (epotizen) = gaf te drinken | αὐτόν (auton) = Hem | λέγων (legon) = zeggend | Ἄφετε (Aphete) = laat | ἴδωμεν (idomen) = laten wij zien | εἰ (ei) = of | ἔρχεται (erchetai) = komt | Ἠλίας (Elias) = Elia | καθελεῖν (kathelein) = af te halen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὄξος (oxos), ‘azijn’: zure wijn. Vergelijk Ps. 69:22 (in de Nederlandse telling is dit 69:21): ‘voor mijn dorst lieten ze mij azijn drinken’. Zie ook: Ps 69:22 **15:37** Maar Yeshua slaakte een luide kreet en blies Zijn laatste adem uit. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀφεὶς (apheis) = uitlatend | φωνὴν (phonen) = stem | μεγάλην (megalen) = grote | ἐξέπνευσεν (exepneusen) = blies uit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκπνέω (ekpneo), ‘uitademen’: het Grieks zegt alleen ‘ademde uit’; wij schrijven ‘blies Zijn laatste adem uit’, zoals dat in het Nederlands gezegd wordt (ook in 15:39). Zie ook Matt. 27:50; Luc. 23:46; Joh. 19:30. Zie ook: Mat 27:50; Luc 23:46; Joh 19:30 **15:38** De voorhang van het heiligdom scheurde in twee, van boven tot onder. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | καταπέτασμα (katapetasma) = voorhang | τοῦ (tou) = van het | ναοῦ (naou) = heiligdom | ἐσχίσθη (eschisthe) = werd gescheurd | εἰς (eis) = in | δύο (dyo) = twee | ἀπ’ (ap’) = van | ἄνωθεν (anothen) = boven | ἕως (heos) = tot | κάτω (kato) = beneden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καταπέτασμα (katapetasma), ‘voorhang’: welke voorhang bedoeld is, zegt de tekst niet. Vergelijk Exod. 26:31–33, waar de voorhang het heilige scheidt van het hoogheilige. Zie ook Matt. 27:51; Luc. 23:45. Zie ook: Ex 26:31–33; Mat 27:51; Luc 23:45 **15:39** Toen de centurio die tegenover Hem stond zag dat Hij zo Zijn laatste adem uitblies, zei hij: „Werkelijk, deze mens was Zoon van Elohim.” Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | κεντυρίων (kentyrion) = centurio | ὁ (ho) = de | παρεστηκὼς (parestekos) = staande | ἐξ (ex) = uit | ἐναντίας (enantias) = tegenover | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὅτι (hoti) = dat | οὕτως (houtos) = zo | ἐξέπνευσεν (exepneusen) = blies uit | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀληθῶς (Alethos) = waarlijk | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | υἱὸς (huios) = Zoon | θεοῦ (theou) = van Elohim | ἦν (en) = was Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κεντυρίων (kenturion), ‘centurio’: een Romeinse officier over ongeveer 100 soldaten. Voetnoot : υἱὸς θεοῦ (huios theou), ‘Zoon van Elohim’: het Grieks heeft geen lidwoord. Wat de centurio met deze woorden bedoelt, zegt de tekst niet. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:54; Luc. 23:47. Zie ook: Mat 27:54; Luc 23:47 ### De vrouwen kijken van veraf toe **15:40** Er waren ook vrouwen die van veraf toekeken. Onder hen waren Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus de kleine en van Joses, en Salomé. Brontekst: Ἦσαν (Esan) = waren | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | γυναῖκες (gynaikes) = vrouwen | ἀπὸ (apo) = van | μακρόθεν (makrothen) = veraf | θεωροῦσαι (theorousai) = toekijkend | ἐν (en) = onder | αἷς (hais) = wie | καὶ (kai) = ook | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | Μαγδαληνὴ (Magdalene) = Magdalena | καὶ (kai) = en | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | Ἰακώβου (Iakobou) = van Jakobus | τοῦ (tou) = de | μικροῦ (mikrou) = kleine | καὶ (kai) = en | Ἰωσῆτος (Iosetos) = van Joses | μήτηρ (meter) = moeder | καὶ (kai) = en | Σαλώμη (Salome) = Salomé Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Μαγδαληνή (Magdalene), ‘Magdalena’: uit Magdala, een plaats aan het meer van Galilea. Ἰάκωβος ὁ μικρός (Iakobos ho mikros), ‘Jakobus de kleine’: het kan ook ‘de jongere’ betekenen. Ἰωσῆς (Joses) is een andere vorm van Jozef. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:55–56; Luc. 23:49; Joh. 19:25. Zie ook: Mat 27:55–56; Luc 23:49; Joh 19:25 **15:41** Zij hadden Hem gevolgd en gediend toen Hij in Galilea was. Ook veel andere vrouwen waren met Hem naar Jeruzalem opgegaan. Brontekst: αἳ (hai) = die | ὅτε (hote) = toen | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Γαλιλαίᾳ (Galilaia) = Galilea | ἠκολούθουν (ekolouthoun) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | διηκόνουν (diekonoun) = dienden | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | ἄλλαι (allai) = andere | πολλαὶ (pollai) = vele | αἱ (hai) = die | συναναβᾶσαι (synanabasai) = meegegaan | αὐτῷ (auto) = Hem | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. ### De begrafenis **15:42** Toen het al avond geworden was, omdat het voorbereidingsdag was, dat is de dag voor de sabbat, Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἤδη (ede) = al | ὀψίας (opsias) = avond | γενομένης (genomenes) = geworden | ἐπεὶ (epei) = omdat | ἦν (en) = was | παρασκευή (paraskeue) = voorbereidingsdag | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | προσάββατον (prosabbaton) = dag voor de sabbat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρασκευή (paraskeue), ‘voorbereidingsdag’: de dag voor de sabbat, vrijdag. Bij zonsondergang begon de sabbat. **15:43** kwam Jozef van Arimatea, een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het koninkrijk van Elohim verwachtte. Hij nam de moed om naar Pilatus te gaan en vroeg om het lichaam van Yeshua. Brontekst: ἐλθὼν (elthon) = komend | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | ὁ (ho) = de | ἀπὸ (apo) = uit | Ἁριμαθαίας (Harimathaias) = Arimatea | εὐσχήμων (euschemon) = aanzienlijk | βουλευτής (bouleutes) = raadslid | ὃς (hos) = die | καὶ (kai) = ook | αὐτὸς (autos) = zelf | ἦν (en) = was | προσδεχόμενος (prosdechomenos) = verwachtend | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τολμήσας (tolmesas) = durvend | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | Πιλᾶτον (Pilaton) = Pilatus | καὶ (kai) = en | ᾐτήσατο (etesato) = vroeg | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Arimatea (Ramataim?; ligging onzeker): De ligging van Arimatea is onbekend. Vaak wordt het gelijkgesteld met Ramataim-Sofim (Rama), ongeveer bij Rentis, ten noordoosten van Lod. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Ἁριμαθαία (Arimatea): de ligging is onzeker. βουλευτής (bouleutes), ‘lid van de Raad’: zie 15:1. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:57–61; Luc. 23:50–56; Joh. 19:38–42. Zie ook: Mat 27:57–61; Luc 23:50–56; Joh 19:38–42 **15:44** Pilatus verwonderde zich dat Hij al gestorven was. Pilatus riep de centurio bij zich en vroeg hem of Hij al lang gestorven was. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἐθαύμασεν (ethaumasen) = verwonderde zich | εἰ (ei) = of | ἤδη (ede) = al | τέθνηκεν (tethneken) = is gestorven | καὶ (kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = roepend | τὸν (ton) = de | κεντυρίωνα (kentyriona) = centurio | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | αὐτὸν (auton) = hem | εἰ (ei) = of | πάλαι (palai) = al lang | ἀπέθανεν (apethanen) = gestorven was Bron: SBLGNT **15:45** Toen hij het van de centurio vernomen had, schonk hij het dode lichaam aan Jozef. Brontekst: καὶ (kai) = en | γνοὺς (gnous) = wetend | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | κεντυρίωνος (kentyrionos) = centurio | ἐδωρήσατο (edoresato) = schonk | τὸ (to) = het | πτῶμα (ptoma) = lijk | τῷ (to) = aan de | Ἰωσήφ (Ioseph) = Jozef Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft πτῶμα (ptoma), ‘lijk’; in 15:43 stond σῶμα (soma), ‘lichaam’. **15:46** Jozef kocht een linnen doek, nam Hem van het kruis en wikkelde Hem in de doek. Hij legde Hem in een graf dat in de rots uitgehouwen was en rolde een steen voor de ingang van het graf. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀγοράσας (agorasas) = kopend | σινδόνα (sindona) = linnen doek | καθελὼν (kathelon) = afnemend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐνείλησεν (eneilesen) = wikkelde | τῇ (te) = in de | σινδόνι (sindoni) = linnen doek | καὶ (kai) = en | ἔθηκεν (etheken) = legde | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | μνημείῳ (mnemeio) = graf | ὃ (ho) = dat | ἦν (en) = was | λελατομημένον (lelatomemenon) = uitgehouwen | ἐκ (ek) = uit | πέτρας (petras) = rots | καὶ (kai) = en | προσεκύλισεν (prosekylisen) = rolde heen | λίθον (lithon) = steen | ἐπὶ (epi) = tegen | τὴν (ten) = de | θύραν (thyran) = deur | τοῦ (tou) = van het | μνημείου (mnemeiou) = graf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: σινδών (sindon), ‘linnen doek’: een fijn linnen kleed. μνημεῖον (mnemeion), ‘graf’: een in de rots uitgehouwen ruimte. **15:47** Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, zagen waar Hij neergelegd was. Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | Μαγδαληνὴ (Magdalene) = Magdalena | καὶ (kai) = en | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | Ἰωσῆτος (Iosetos) = van Joses | ἐθεώρουν (etheoroun) = keken | ποῦ (pou) = waar | τέθειται (tetheitai) = is gelegd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘Maria van Joses’; wij vullen ‘de moeder’ aan, zoals in 15:40. ## Markus 16 _Het lege graf, de verschijningen en de zendingsopdracht_ ### Het lege graf **16:1** Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salomé welriekende specerijen om Hem te gaan zalven. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | διαγενομένου (diagenomenou) = voorbij zijnde | τοῦ (tou) = de | σαββάτου (sabbatou) = sabbat | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | Μαγδαληνὴ (Magdalene) = Magdalena | καὶ (kai) = en | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | τοῦ (tou) = van de | Ἰακώβου (Iakobou) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Σαλώμη (Salome) = Salomé | ἠγόρασαν (egorasan) = kochten | ἀρώματα (aromata) = specerijen | ἵνα (hina) = opdat | ἐλθοῦσαι (elthousai) = gekomen | ἀλείψωσιν (aleipsosin) = zij zouden zalven | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σάββατον (sabbaton), ‘sabbat’. ἄρωμα (aroma), ‘specerij’: welriekende kruiden en oliën. Het Grieks heeft ‘Maria van Jakobus’; wij vullen ‘de moeder’ aan, zoals in 15:40. Voetnoot : Zie ook Matt. 28:1; Luc. 23:56–24:1; Joh. 20:1. Zie ook: Mat 28:1; Luc 23:56–24:1; Joh 20:1 **16:2** Heel vroeg op de eerste dag van de week kwamen zij bij het graf, toen de zon opgekomen was. Brontekst: καὶ (kai) = en | λίαν (lian) = zeer | πρωῒ (proi) = vroeg | τῇ (te) = op de | μιᾷ (mia) = eerste | τῶν (ton) = van de | σαββάτων (sabbaton) = sabbatten | ἔρχονται (erchontai) = komen | ἐπὶ (epi) = naar | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | ἀνατείλαντος (anateilantos) = opgekomen zijnde | τοῦ (tou) = de | ἡλίου (heliou) = zon Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: τῇ μιᾷ τῶν σαββάτων (te mia ton sabbaton), ‘de eerste dag van de week’: letterlijk ‘op de ene van de sabbatten’, de dag na de sabbat. **16:3** Zij zeiden tegen elkaar: „Wie rolt voor ons de steen weg van de ingang van het graf?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | πρὸς (pros) = tot | ἑαυτάς (heautas) = zichzelf | Τίς (Tis) = wie | ἀποκυλίσει (apokylisei) = zal wegrollen | ἡμῖν (hemin) = voor ons | τὸν (ton) = de | λίθον (lithon) = steen | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | θύρας (thyras) = deur | τοῦ (tou) = van het | μνημείου (mnemeiou) = graf Bron: SBLGNT **16:4** Toen zij opkeken, zagen zij dat de steen weggerold was. Hij was namelijk zeer groot. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναβλέψασαι (anablepsasai) = opkijkend | θεωροῦσιν (theorousin) = zien | ὅτι (hoti) = dat | ἀποκεκύλισται (apokekylistai) = is weggerold | ὁ (ho) = de | λίθος (lithos) = steen | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | μέγας (megas) = groot | σφόδρα (sphodra) = zeer Bron: SBLGNT **16:5** Zij gingen het graf in en zagen aan de rechterkant een jongeman zitten, gekleed in een wit gewaad, en zij werden ontzet. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσελθοῦσαι (eiselthousai) = binnengaand | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | εἶδον (eidon) = zagen | νεανίσκον (neaniskon) = jongeman | καθήμενον (kathemenon) = zittend | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | δεξιοῖς (dexiois) = rechterkant | περιβεβλημένον (peribeblemenon) = gekleed | στολὴν (stolen) = gewaad | λευκήν (leuken) = wit | καὶ (kai) = en | ἐξεθαμβήθησαν (exethambethesan) = werden ontzet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νεανίσκος (neaniskos), ‘jongeman’: Markus noemt hem geen engel en zegt niet wie hij is. Zijn woorden staan daarom niet rood. **16:6** Maar hij zei tegen hen: „Wees niet ontzet. Jullie zoeken Yeshua de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt. Hij is hier niet. Zie, de plaats waar zij Hem hebben neergelegd. Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | λέγει (legei) = zegt | αὐταῖς (autais) = tot hen | Μὴ (Me) = niet | ἐκθαμβεῖσθε (ekthambeisthe) = wees ontzet | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ζητεῖτε (zeteite) = zoeken jullie | τὸν (ton) = de | Ναζαρηνὸν (Nazarenon) = Nazarener | τὸν (ton) = de | ἐσταυρωμένον (estauromenon) = gekruisigde | ἠγέρθη (egerthe) = is opgewekt | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ὧδε (hode) = hier | ἴδε (ide) = zie | ὁ (ho) = de | τόπος (topos) = plaats | ὅπου (hopou) = waar | ἔθηκαν (ethekan) = legden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζαρηνός (Nazarenos), ‘Nazarener’: uit Nazaret. ἠγέρθη (egerthe), ‘is opgewekt’: letterlijk ‘werd opgewekt’. Voetnoot : Zie ook Matt. 28:5–7; Luc. 24:4–8. Zie ook: Mat 28:5–7; Luc 24:4–8 **16:7** Maar ga en zeg tegen Zijn leerlingen en tegen Petrus: ‘Hij gaat jullie voor naar Galilea. Daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij jullie gezegd heeft.’” Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ὑπάγετε (hypagete) = ga | εἴπατε (eipate) = zeg | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | ὅτι (hoti) = dat | Προάγει (Proagei) = gaat voor | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | ἐκεῖ (ekei) = daar | αὐτὸν (auton) = Hem | ὄψεσθε (opsesthe) = zullen zien | καθὼς (kathos) = zoals | εἶπεν (eipen) = zei | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 14:28. Zie ook: Mar 14:28 **16:8** Zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want beving en ontzetting hadden hen overmand. Zij zeiden tegen niemand iets, want zij waren bang. Maar alles wat hun was opgedragen, meldden zij in het kort aan hen die bij Petrus waren. Daarna zond Yeshua zelf, van het oosten tot het westen, door hen de heilige en onvergankelijke verkondiging van de eeuwige redding uit. Amen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθοῦσαι (exelthousai) = naar buiten gegaan | ἔφυγον (ephygon) = vluchtten | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | μνημείου (mnemeiou) = graf | εἶχεν (eichen) = had | γὰρ (gar) = want | αὐτὰς (autas) = hen | τρόμος (tromos) = beving | καὶ (kai) = en | ἔκστασις (ekstasis) = ontzetting | καὶ (kai) = en | οὐδενὶ (oudeni) = tegen niemand | οὐδὲν (ouden) = niets | εἶπαν (eipan) = zeiden | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = waren bang | γάρ (gar) = want | Πάντα (Panta) = alles | δὲ (de) = maar | τὰ (ta) = de | παρηγγελμένα (parengelmena) = opgedragen dingen | τοῖς (tois) = aan de | περὶ (peri) = rond | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus | συντόμως (syntomos) = in het kort | ἐξήγγειλαν (exengeilan) = meldden | μετὰ (meta) = na | δὲ (de) = maar | ταῦτα (tauta) = deze dingen | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = zelf | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀπὸ (apo) = van | ἀνατολῆς (anatoles) = oosten | καὶ (kai) = en | ἄχρι (achri) = tot | δύσεως (dyseos) = westen | ἐξαπέστειλεν (exapesteilen) = zond uit | δι’ (di’) = door | αὐτῶν (auton) = hen | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = heilige | καὶ (kai) = en | ἄφθαρτον (aphtharton) = onvergankelijke | κήρυγμα (kerygma) = verkondiging | τῆς (tes) = van de | αἰωνίου (aioniou) = eeuwige | σωτηρίας (soterias) = redding | ἀμήν (amen) = amen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vanaf ‘Maar alles wat hun was opgedragen’ staat een slot dat in de oudste handschriften ontbreekt; de SBLGNT neemt het tussen dubbele haken op. Dit korte slot staat in de SBLGNT binnen vers 8. Daarna volgt een tweede, langer slot in 16:9–20. Voetnoot : σωτηρία (soteria), ‘redding’; κήρυγμα (kerygma), ‘verkondiging’. ### De verschijningen van de opgestane Yeshua **16:9** Nadat Hij vroeg op de eerste dag van de week was opgestaan, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit wie Hij 7 demonen had uitgedreven. Brontekst: Ἀναστὰς (Anastas) = opgestaan zijnde | δὲ (de) = maar | πρωῒ (proi) = vroeg | πρώτῃ (prote) = eerste | σαββάτου (sabbatou) = van de sabbat | ἐφάνη (ephane) = verscheen | πρῶτον (proton) = eerst | Μαρίᾳ (Maria) = aan Maria | τῇ (te) = de | Μαγδαληνῇ (Magdalene) = Magdalena | παρ’ (par’) = uit | ἧς (hes) = wie | ἐκβεβλήκει (ekbeblekei) = had uitgedreven | ἑπτὰ (hepta) = 7 | δαιμόνια (daimonia) = demonen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vanaf hier staat een slot dat in de oudste handschriften ontbreekt; de SBLGNT neemt het tussen dubbele haken op. Voetnoot : Het Grieks heeft ἐφάνη (ephane), ‘verscheen’; in 16:12 en 16:14 staat ἐφανερώθη (ephanerothe), ‘liet Zich zien’. Voetnoot : Zie ook Joh. 20:11–18. Zie ook: Joh 20:11–18 **16:10** Zij ging en vertelde het aan hen die bij Hem geweest waren, terwijl zij treurden en huilden. Brontekst: ἐκείνη (ekeine) = zij | πορευθεῖσα (poreutheisa) = gegaan | ἀπήγγειλεν (apengeilen) = meldde | τοῖς (tois) = aan de | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | γενομένοις (genomenois) = geweest zijnden | πενθοῦσι (penthousi) = treurend | καὶ (kai) = en | κλαίουσιν (klaiousin) = huilend Bron: SBLGNT **16:11** Toen zij hoorden dat Hij leeft en door haar gezien was, geloofden zij het niet. Brontekst: κἀκεῖνοι (kakeinoi) = en zij | ἀκούσαντες (akousantes) = horend | ὅτι (hoti) = dat | ζῇ (ze) = leeft | καὶ (kai) = en | ἐθεάθη (etheathe) = werd gezien | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτῆς (autes) = haar | ἠπίστησαν (epistesan) = geloofden niet Bron: SBLGNT **16:12** Daarna liet Hij Zich in een andere gedaante zien aan twee van hen, terwijl zij wandelden op weg naar het veld. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = maar | ταῦτα (tauta) = deze dingen | δυσὶν (dysin) = aan twee | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | περιπατοῦσιν (peripatousin) = wandelend | ἐφανερώθη (ephanerothe) = liet zich zien | ἐν (en) = in | ἑτέρᾳ (hetera) = andere | μορφῇ (morphe) = gedaante | πορευομένοις (poreuomenois) = gaande | εἰς (eis) = naar | ἀγρόν (agron) = veld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγρός (agros), ‘veld’: het open land buiten de stad. Zie ook Luc. 24:13–35. Zie ook: Luc 24:13–35 **16:13** Zij gingen terug en vertelden het aan de anderen, maar ook hen geloofden zij niet. Brontekst: κἀκεῖνοι (kakeinoi) = en zij | ἀπελθόντες (apelthontes) = weggegaan | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | τοῖς (tois) = aan de | λοιποῖς (loipois) = overigen | οὐδὲ (oude) = ook niet | ἐκείνοις (ekeinois) = aan hen | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden Bron: SBLGNT **16:14** Later liet Hij Zich zien aan de elf, terwijl zij aan tafel zaten. Hij verweet hen hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen die Hem als opgewekte hadden gezien niet geloofd hadden. Brontekst: Ὕστερον (Hysteron) = later | δὲ (de) = maar | ἀνακειμένοις (anakeimenois) = aan tafel liggend | αὐτοῖς (autois) = zij | τοῖς (tois) = de | ἕνδεκα (hendeka) = elf | ἐφανερώθη (ephanerothe) = liet zich zien | καὶ (kai) = en | ὠνείδισεν (oneidisen) = verweet | τὴν (ten) = het | ἀπιστίαν (apistian) = ongeloof | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | σκληροκαρδίαν (sklerokardian) = hardheid van hart | ὅτι (hoti) = omdat | τοῖς (tois) = aan de | θεασαμένοις (theasamenois) = gezien hebbenden | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐγηγερμένον (egegermenon) = opgewekt | οὐκ (ouk) = niet | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ ἕνδεκα (hoi hendeka), ‘de elf’: de twaalf (14:10) zonder Judas. Zie ook Luc. 24:36–43; Joh. 20:19–23. Zie ook: Luc 24:36–43; Joh 20:19–23 ### De zendingsopdracht **16:15** Hij zei tegen hen: **„Ga de hele wereld in en verkondig de goede boodschap aan heel de schepping.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Πορευθέντες (Poreuthentes) = gegaan zijnde | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ἅπαντα (hapanta) = hele | κηρύξατε (keryxate) = verkondig | τὸ (to) = de | εὐαγγέλιον (euangelion) = goede boodschap | πάσῃ (pase) = aan hele | τῇ (te) = de | κτίσει (ktisei) = schepping Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κτίσις (ktisis), ‘schepping’: alles wat geschapen is. Zie ook Matt. 28:18–20. Zie ook: Mat 28:18–20 **16:16** **Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden. Wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.** Brontekst: ὁ (ho) = die | πιστεύσας (pisteusas) = gelovend | καὶ (kai) = en | βαπτισθεὶς (baptistheis) = gedoopt | σωθήσεται (sothesetai) = zal gered worden | ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | ἀπιστήσας (apistesas) = ongelovig zijnde | κατακριθήσεται (katakrithesetai) = zal veroordeeld worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen met water. **16:17** **Deze tekenen zullen volgen op hen die geloven: in Mijn naam zullen zij demonen uitdrijven en in nieuwe talen spreken.** Brontekst: σημεῖα (semeia) = tekenen | δὲ (de) = maar | τοῖς (tois) = aan de | πιστεύσασιν (pisteusasin) = gelovenden | ταῦτα (tauta) = deze | παρακολουθήσει (parakolouthesei) = zullen volgen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἐκβαλοῦσιν (ekbalousin) = zullen uitdrijven | γλώσσαις (glossais) = met talen | λαλήσουσιν (lalesousin) = zullen spreken | καιναῖς (kainais) = nieuwe Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γλῶσσα (glossa), ‘tong’: ook ‘taal’. καινός (kainos), ‘nieuw’. Zie ook Hand. 2:4. Zie ook: Hand 2:4 **16:18** **Zij zullen slangen oppakken, en als zij iets dodelijks drinken, zal dat hen beslist niet schaden. Zij zullen de handen op zieken leggen, en die zullen beter worden.”** Brontekst: ὄφεις (opheis) = slangen | ἀροῦσιν (arousin) = zullen oppakken | κἂν (kan) = en als | θανάσιμόν (thanasimon) = dodelijks | τι (ti) = iets | πίωσιν (piosin) = zij drinken | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker | αὐτοὺς (autous) = hen | βλάψῃ (blapse) = zal schaden | ἐπὶ (epi) = op | ἀρρώστους (arrostous) = zieken | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐπιθήσουσιν (epithesousin) = zullen leggen | καὶ (kai) = en | καλῶς (kalos) = goed | ἕξουσιν (hexousin) = zullen hebben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καλῶς ἕξουσιν (kalos hexousin), ‘zullen beter worden’: letterlijk ‘zullen het goed hebben’. ### De hemelvaart **16:19** De Heer Yeshua dan werd, nadat Hij met hen gesproken had, opgenomen in de hemel. Hij ging zitten aan de rechterhand van Elohim. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | μὲν (men) = enerzijds | οὖν (oun) = dus | κύριος (kyrios) = Heer | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | λαλῆσαι (lalesai) = spreken | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ἀνελήμφθη (anelemphthe) = werd opgenomen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | καὶ (kai) = en | ἐκάθισεν (ekathisen) = ging zitten | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier de verteltitel voor de opgestane Yeshua. ἀναλαμβάνω (analambano), ‘opnemen’. ‘Zitten aan de rechterhand’ komt uit Ps. 110:1. Zie ook Luc. 24:50–53; Hand. 1:9–11. Zie ook: Ps 110:1; Luc 24:50–53; Hand 1:9–11 **16:20** Zij gingen uit en verkondigden overal, terwijl de Heer met hen meewerkte en het woord bevestigde door de tekenen die erop volgden. Brontekst: ἐκεῖνοι (ekeinoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐξελθόντες (exelthontes) = uitgegaan | ἐκήρυξαν (ekeryxan) = verkondigden | πανταχοῦ (pantachou) = overal | τοῦ (tou) = de | κυρίου (kyriou) = Heer | συνεργοῦντος (synergountos) = meewerkend | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | βεβαιοῦντος (bebaiountos) = bevestigend | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | ἐπακολουθούντων (epakolouthounton) = volgende | σημείων (semeion) = tekenen Bron: SBLGNT