# Maleachi (מלאכי, Malakhi) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Maleachi 1 _Yahweh heeft Israël liefgehad, maar priesters en volk minachten Zijn naam_ ### Een last voor Israël **1:1** Een last: het woord van Yahweh aan Israël door Maleachi. Brontekst: מַשָּׂ֥א (masa) = een last | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | מַלְאָכִֽי (malakhi) = Maleachi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord. Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’. Zie ook Jes. 13:1 en Zach. 9:1; 12:1. Voetnoot : מַלְאָכִי (Mal’akhi), ‘Maleachi’: het woord betekent ‘mijn bode’ (zie ook 3:1). Het is onzeker of dit een eigennaam is of een titel van de profeet. Wij schrijven ‘Maleachi’, zoals de overlevering de naam geeft. Voetnoot : בְּיַד (beyad), ‘door de hand van’: de profeet is het werktuig, Yahweh is de spreker. Zie ook: Jes 13:1; Nah 1:1; Hab 1:1; Hag 1:1; Hag 2:1; Zach 9:1; Zach 12:1 ### Ik heb jullie liefgehad **1:2** **„Ik heb jullie liefgehad, zegt Yahweh. En jullie zeggen:** ‘Waarin hebt U ons liefgehad?’ **Is Ezau niet een broer van Jakob, godsspraak van Yahweh? Maar Ik heb Jakob liefgehad,** Brontekst: אָהַ֤בְתִּי (ahavti) = Ik heb liefgehad | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַאֲמַרְתֶּ֖ם (vaamartem) = en jullie zeggen | בַּמָּ֣ה (bama) = waarin | אֲהַבְתָּ֑נוּ (ahavtanu) = hebt U ons liefgehad | הֲלוֹא (halo) = is niet | אָ֨ח (ach) = een broer | עֵשָׂ֤ו (esav) = Ezau | לְיַֽעֲקֹב֙ (leyaaqov) = van Jakob | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וָאֹהַ֖ב (vaohav) = maar Ik heb liefgehad | אֶֽת (et) = (obj.) | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: een vaste formule in de profeten (ne’um Yahweh, ‘godsspraak van Yahweh’). Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt. Wij zetten de formule in rood wanneer ze midden in Zijn woorden staat. Voor de volgende vermeldingen verwijzen wij naar dit vers. Voetnoot : בַּמָּה (bammah), ‘waarin?’: de vraag van het volk keert terug als refrein (1:2, 6, 7; 2:17; 3:7, 8; vergelijk 3:13). Yahweh spreekt, het volk werpt tegen. De woorden van het volk staan zwart, de woorden van Yahweh rood. Zo is het hele boek gebouwd. Voetnoot : אֲהַבְתִּי (ahavti), ‘Ik heb liefgehad’: de eerste woorden van Yahweh in dit boek gaan over liefde. Voetnoot : עֵשָׂו (Esav), ‘Ezau’, en יַעֲקֹב (Ya’aqov), ‘Jakob’: de twee zonen van Isaak (Gen. 25:19–26). Ezau is de stamvader van Edom (Gen. 36:1). Hier staan zij voor de twee volken. Zie ook: Gen 25:19–26; Gen 36:1; Deut 4:37; Deut 10:15; Jes 41:8–9; Jer 31:3; Rom 9:10–13 **1:3** **en Ezau heb Ik gehaat. Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel gegeven aan de jakhalzen van de woestijn.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | שָׂנֵ֑אתִי (saneti) = heb Ik gehaat | וָאָשִׂ֤ים (vaasim) = en Ik maakte | אֶת (et) = (obj.) | הָרָיו֙ (harav) = zijn bergen | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = tot een woestenij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נַחֲלָת֖וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | לְתַנּ֥וֹת (letanot) = voor de jakhalzen van | מִדְבָּֽר (midbar) = de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂנֵאתִי (sane’ti), ‘Ik heb gehaat’: in het Hebreeuws kan ‘haten’ ook ‘achterstellen’ of ‘niet kiezen’ zijn, tegenover ‘liefhebben’ als ‘kiezen’. Vergelijk Gen. 29:31, waar dezelfde stam voor Lea staat (‘niet bemind’), en Deut. 21:15. Het gaat hier om de keuze van Yahweh voor Jakob. Wij laten het woord staan. Zie ook Rom. 9:13. Voetnoot : תַּנּוֹת מִדְבָּר (tannot midbar), ‘jakhalzen van de woestijn’: het woord is een vrouwelijke meervoudsvorm van תַּן (tan), ‘jakhals’, en komt verder alleen hier voor. Zie ook Jes. 34:13, over Edom. Zie ook: Gen 29:31; Deut 21:15; Joël 4:19; Jes 34:13; Jer 49:16–18; Ob 1:10; Ezech 35:3–4; Ezech 36:7; Rom 9:13 **1:4** **Als Edom zegt: ‘Wij zijn verbrijzeld, maar wij zullen terugkeren en de ruïnes herbouwen’, zo zegt Yahweh van de legermachten: ‘Zij zullen bouwen, maar Ik zal afbreken. Men zal hen noemen: gebied van goddeloosheid, het volk op wie Yahweh voor eeuwig toornt.’** Brontekst: כִּֽי (ki) = als | תֹאמַ֨ר (tomar) = zegt | אֱד֜וֹם (edom) = Edom | רֻשַּׁ֗שְׁנוּ (rushashnu) = wij zijn verbrijzeld | וְנָשׁוּב֙ (venashuv) = maar wij zullen terugkeren | וְנִבְנֶ֣ה (venivne) = en wij zullen herbouwen | חֳרָב֔וֹת (choravot) = ruïnes | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הֵ֥מָּה (hema) = zij | יִבְנ֖וּ (yivnu) = zullen bouwen | וַאֲנִ֣י (vaani) = maar Ik | אֶהֱר֑וֹס (eheros) = zal afbreken | וְקָרְא֤וּ (veqareu) = en men zal noemen | לָהֶם֙ (lahem) = hen | גְּב֣וּל (gevul) = gebied van | רִשְׁעָ֔ה (risha) = goddeloosheid | וְהָעָ֛ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁר (asher) = op wie | זָעַ֥ם (zaam) = toornt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’. Zie ook Jes. 1:9. Voetnoot : אֱדוֹם (Edom): de nakomelingen van Ezau; het gebied ten zuiden van de Dode Zee. Voetnoot : רֻשַּׁשְׁנוּ (rushashnu), ‘wij zijn verbrijzeld’: een zeldzame vorm van het werkwoord רָשַׁשׁ (rashash), ‘verbrijzelen’. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : זָעַם (za’am), ‘toornen’: het werkwoord zegt dat Yahweh toornt op het volk van Edom. ‘Voor eeuwig’ is עַד עוֹלָם (ad olam). Voetnoot : ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat hier midden in een rode rede en is daarom rood. De woorden van Edom en van Yahweh staan tussen enkele aanhalingstekens in die rede. Zie ook: Jes 1:9; Jes 10:15–16; Jes 11:14; Klaagl 3:37; Ezech 25:14; Ezech 35:9 **1:5** **Jullie ogen zullen het zien, en jullie zullen zeggen: ‘Yahweh is groot, ver voorbij het gebied van Israël.’”** Brontekst: וְעֵינֵיכֶ֖ם (veeineikhem) = en jullie ogen | תִּרְאֶ֑ינָה (tireina) = zullen zien | וְאַתֶּ֤ם (veatem) = en jullie | תֹּֽאמְרוּ֙ (tomru) = zullen zeggen | יִגְדַּ֣ל (yigdal) = is groot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מֵעַ֖ל (meal) = voorbij | לִגְב֥וּל (ligvul) = de grens van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִגְדַּל יְהוָה מֵעַל לִגְבוּל יִשְׂרָאֵל (yigdal Yahweh me’al ligvul Yisra’el), ‘Yahweh is groot, ver voorbij het gebied van Israël’: het werkwoord kan ook een wens zijn (‘moge Yahweh groot zijn’). Het gaat om de grootheid van Yahweh buiten de grenzen van Israël, ook over Edom. Zie ook: Deut 11:7; Ps 35:26–27; Ps 58:11–12; Ps 83:18–19; Luc 10:23–24 ### Een zoon eert zijn vader **1:6** **„Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. En als Ik een vader ben, waar is Mijn eer? En als Ik een heer ben, waar is het ontzag voor Mij? zegt Yahweh van de legermachten tegen jullie, priesters, die Mijn naam minachten. En jullie zeggen:** ‘Waarin hebben wij Uw naam geminacht?’ Brontekst: בֵּ֛ן (ben) = een zoon | יְכַבֵּ֥ד (yekhabed) = eert | אָ֖ב (av) = zijn vader | וְעֶ֣בֶד (veeved) = en een knecht | אֲדֹנָ֑יו (adonav) = zijn heer | וְאִם (veim) = en als | אָ֣ב (av) = een vader | אָ֣נִי (ani) = Ik ben | אַיֵּ֣ה (aye) = waar is | כְבוֹדִ֡י (kevodi) = Mijn eer | וְאִם (veim) = en als | אֲדוֹנִ֣ים (adonim) = heren | אָנִי֩ (ani) = Ik ben | אַיֵּ֨ה (aye) = waar is | מוֹרָאִ֜י (morai) = ontzag voor Mij | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לָכֶם֙ (lakhem) = tegen jullie | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | בּוֹזֵ֣י (bozei) = die minachten | שְׁמִ֔י (shemi) = Mijn naam | וַאֲמַרְתֶּ֕ם (vaamartem) = en jullie zeggen | בַּמֶּ֥ה (bame) = waarin | בָזִ֖ינוּ (bazinu) = hebben wij geminacht | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמֶֽךָ (shemekha) = Uw naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָדוֹן (adon), ‘heer’, en אֲדוֹנִים (adonim), ‘heren’: het meervoud wijst hier op de waardigheid van de heer. Wij schrijven ‘heer’ met een kleine letter, omdat Yahweh een beeld uit het gewone leven gebruikt. Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), ‘eer’, en מוֹרָא (mora), ‘ontzag’: een zoon en een knecht tonen eer en ontzag. Yahweh vraagt waar dat voor Hem blijft. Voetnoot : בּוֹזֵי שְׁמִי (bozei shemi), ‘die Mijn naam minachten’: de priesters worden beschuldigd. Het werkwoord בָּזָה (bazah), ‘minachten’, keert terug in 1:7 en 1:12 (‘verachtelijk’). Voetnoot : Vanaf hier tot en met 2:9 spreekt Yahweh tot de priesters. Zie ook: Ex 20:12; Jes 1:2; Luc 6:46; Joh 13:13–17; 1 Petr 2:17–19 **1:7** **Jullie bieden bezoedeld voedsel aan op Mijn altaar. En jullie zeggen:** ‘Waarin hebben wij U bezoedeld?’ **Doordat jullie zeggen: ‘De tafel van Yahweh is verachtelijk.’** Brontekst: מַגִּישִׁ֤ים (magishim) = die aanbieden | עַֽל (al) = op | מִזְבְּחִי֙ (mizbechi) = Mijn altaar | לֶ֣חֶם (lechem) = voedsel | מְגֹאָ֔ל (megoal) = bezoedeld | וַאֲמַרְתֶּ֖ם (vaamartem) = en jullie zeggen | בַּמֶּ֣ה (bame) = waarin | גֵֽאַלְנ֑וּךָ (gealnukha) = hebben wij U bezoedeld | בֶּאֱמָרְכֶ֕ם (beemarekhem) = doordat jullie zeggen | שֻׁלְחַ֥ן (shulchan) = de tafel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נִבְזֶ֥ה (nivze) = verachtelijk | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְגֹאָל (mego’al), ‘bezoedeld’: van גָּאַל (ga’al II), ‘bezoedelen’, een ander werkwoord dan גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’. Het komt ook voor in 1:12, Zef. 3:1 en Neh. 13:29. De Hebreeuwse klank is gelijk, de betekenis niet. Voetnoot : לֶחֶם (lechem), ‘voedsel’: letterlijk ‘brood’, hier de offergaven die op het altaar komen. Zie Lev. 21:6, ‘het voedsel van hun Elohim’. Voetnoot : שֻׁלְחַן יְהוָה (shulchan Yahweh), ‘de tafel van Yahweh’: het altaar. Zie ook Ezech. 41:22. Zie ook: Lev 21:6; 1 Sam 2:15–17; Sef 3:1; Ezech 41:22; Neh 13:29; Mal 1:8; Mal 1:12; 1 Kor 10:21; 1 Kor 11:27–32 ### Dieren die geen gunst vinden **1:8** **Als jullie een blind dier aanbieden om te offeren: is dat geen kwaad? En als jullie een kreupel of ziek dier aanbieden: is dat geen kwaad? Breng het toch aan je landvoogd. Zal hij het van jou aannemen? Of zal hij jou gunstig ontvangen? zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en als | תַגִּשׁ֨וּן (tagishun) = jullie aanbieden | עִוֵּ֤ר (iver) = een blind dier | לִזְבֹּ֨חַ֙ (lizboach) = om te offeren | אֵ֣ין (ein) = niet is | רָ֔ע (ra) = kwaad | וְכִ֥י (vekhi) = en als | תַגִּ֛ישׁוּ (tagishu) = jullie aanbieden | פִּסֵּ֥חַ (piseach) = een kreupel dier | וְחֹלֶ֖ה (vechole) = en een ziek dier | אֵ֣ין (ein) = niet is | רָ֑ע (ra) = kwaad | הַקְרִיבֵ֨הוּ (haqrivehu) = breng het | נָ֜א (na) = toch | לְפֶחָתֶ֗ךָ (lefechatekha) = aan je landvoogd | הֲיִּרְצְךָ֙ (hayirtsekha) = zal hij het aannemen van jou | א֚וֹ (o) = of | הֲיִשָּׂ֣א (hayisa) = zal hij opheffen | פָנֶ֔יךָ (paneikha) = jouw gezicht | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵין רָע (en ra), ‘is dat geen kwaad?’: het Hebreeuws heeft geen vraagwoord. Het kan een vraag zijn (‘is dat niet kwaad?’) of de mening van de priesters (‘dat is niet erg’). Wij kiezen de vraag. Vergelijk de regels in Lev. 22:20–22 en Deut. 15:21 over dieren met gebreken. Voetnoot : פֶּחָה (pechah), ‘landvoogd’: de Perzische ambtenaar, zoals in Hag. 1:1. De priesters zouden zo’n gebrekkig dier niet aan hun landvoogd durven geven. Voetnoot : הֲיִשָּׂא פָנֶיךָ (hayissa fanekha), ‘zal hij jou gunstig ontvangen?’: letterlijk ‘zal hij jouw gezicht opheffen?’. Het is een uitdrukking voor welwillend ontvangen. Dezelfde uitdrukking staat in vers 9. Zie ook: Lev 22:19–25; Lev 22:20–22; Deut 15:21; Ps 20:4; Hos 8:13; Jer 14:10; Hag 1:1; Mal 1:9 **1:9** **En nu, smeek toch om de gunst van El, zodat Hij ons genadig is. Dit is uit jullie hand gekomen: zal Hij dan iemand van jullie gunstig ontvangen? zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | חַלּוּ (chalu) = smeek | נָ֥א (na) = toch | פְנֵי (penei) = om het gezicht van | אֵ֖ל (el) = El | וִֽיחָנֵ֑נוּ (vichanenu) = dat Hij ons genadig is | מִיֶּדְכֶם֙ (miyedkhem) = uit jullie hand | הָ֣יְתָה (hayeta) = is gekomen | זֹּ֔את (zot) = dit | הֲיִשָּׂ֤א (hayisa) = zal Hij opheffen | מִכֶּם֙ (mikem) = van jullie | פָּנִ֔ים (panim) = een gezicht | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַלּוּ נָא פְנֵי אֵל (challu na fenei El), ‘smeek toch om de gunst van El’: letterlijk ‘maak het gezicht van El vriendelijk’. De naam אֵל (El) laten wij onvertaald, zoals in Gen. 14:18. Voetnoot : וִיחָנֵנוּ (viychanenu), ‘zodat Hij ons genadig is’: het woord ‘ons’ laat open wie spreekt. Het is bijtend: Yahweh wijst de priesters erop dat hun smeekbede zinloos is zolang zij zulke gaven brengen. Zie ook: Gen 14:18; Ex 32:11; Jer 26:19; Jer 27:18; Joh 9:31; 1 Petr 1:17 **1:10** **Wie van jullie sluit toch de deuren, zodat jullie Mijn altaar niet voor niets aansteken? Ik heb geen behagen in jullie, zegt Yahweh van de legermachten, en uit jullie hand neem Ik geen graanoffer aan.** Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | גַם (gam) = zelfs | בָּכֶם֙ (bakhem) = onder jullie | וְיִסְגֹּ֣ר (veyisgor) = dat hij sluit | דְּלָתַ֔יִם (delatayim) = de deuren | וְלֹֽא (velo) = en niet | תָאִ֥ירוּ (tairu) = zullen jullie aansteken | מִזְבְּחִ֖י (mizbechi) = Mijn altaar | חִנָּ֑ם (chinam) = voor niets | אֵֽין (ein) = niet is | לִ֨י (li) = bij Mij | חֵ֜פֶץ (chefets) = behagen | בָּכֶ֗ם (bakhem) = in jullie | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וּמִנְחָ֖ה (umincha) = en een graanoffer | לֹֽא (lo) = niet | אֶרְצֶ֥ה (ertse) = zal Ik aannemen | מִיֶּדְכֶֽם (miyedkhem) = uit jullie hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִי גַם בָּכֶם וְיִסְגֹּר דְּלָתַיִם (mi gam bakhem veyisgor delatayim), ‘wie van jullie sluit toch de deuren?’: de deuren van het heiligdom. Yahweh zegt dat het beter zou zijn als er niemand binnenkwam om het vuur op het altaar aan te steken, dan dat zij het voor niets doen. Voetnoot : תָאִירוּ (ta’iru), ‘aansteken’: letterlijk ‘laten schijnen’, van אוֹר (or), ‘licht’. Voetnoot : חִנָּם (chinnam), ‘voor niets’: zonder dat het iets oplevert. Zie ook: Amos 5:21–24; Hos 5:6; Mi 3:11; Jer 6:20; 1 Petr 5:2 ### Mijn naam is groot onder de volken **1:11** **Want van de opgang van de zon tot haar ondergang is Mijn naam groot onder de volken. Op elke plaats wordt voor Mijn naam wierook aangeboden, en een rein graanoffer. Want Mijn naam is groot onder de volken, zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מִמִּזְרַח (mimizrach) = van het opgaan van | שֶׁ֜מֶשׁ (shemesh) = de zon | וְעַד (vead) = en tot | מְבוֹא֗וֹ (mevoo) = haar ondergang | גָּד֤וֹל (gadol) = groot | שְׁמִי֙ (shemi) = Mijn naam | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וּבְכָל (uvekhal) = en op elke | מָק֗וֹם (maqom) = plaats | מֻקְטָ֥ר (muqtar) = wierook | מֻגָּ֛שׁ (mugash) = wordt aangeboden | לִשְׁמִ֖י (lishmi) = voor Mijn naam | וּמִנְחָ֣ה (umincha) = en een graanoffer | טְהוֹרָ֑ה (tehora) = rein | כִּֽי (ki) = want | גָד֤וֹל (gadol) = groot | שְׁמִי֙ (shemi) = Mijn naam | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk: de zin heeft geen werkwoord (‘is groot’, ‘wierook aangeboden’). Wij lezen de tegenwoordige tijd: Yahweh’s naam is nu al groot onder de volken, en daar wordt reine gave aan Hem gebracht. Een andere lezing is de toekomende tijd. Wij laten dat open. Zie ook Ps. 113:3. Voetnoot : מֻקְטָר מֻגָּשׁ (muqtar muggash), ‘wierook, aangeboden’: twee lijdende deelwoorden. Het eerste is verwant met קְטֹרֶת (qetoret), ‘wierook’; zie Exod. 30:1. Voetnoot : מִנְחָה טְהוֹרָה (minchah tehorah), ‘rein graanoffer’: tegenover het bezoedelde voedsel van 1:7. Zie ook: Ex 30:1; Ps 113:3; Jes 45:6; Jes 54:5; Zach 8:7; Mat 28:19; Heb 13:15–16 **1:12** **Maar jullie ontheiligen het, doordat jullie zeggen: ‘De tafel van de Heer is bezoedeld, en zijn opbrengst, zijn eten, is verachtelijk.’** Brontekst: וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | מְחַלְּלִ֣ים (mechalelim) = ontheiligen | אוֹת֑וֹ (oto) = het | בֶּאֱמָרְכֶ֗ם (beemarekhem) = doordat jullie zeggen | שֻׁלְחַ֤ן (shulchan) = de tafel van | אֲדֹנָי֙ (adonay) = de Heer | מְגֹאָ֣ל (megoal) = bezoedeld | ה֔וּא (hu) = het is | וְנִיב֖וֹ (venivo) = en zijn opbrengst | נִבְזֶ֥ה (nivze) = verachtelijk | אָכְלֽוֹ (akhelo) = zijn eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier staat een andere titel dan ‘Yahweh’ in 1:7. De betekenis is gelijk: de tafel is dezelfde. Zie ook de uitleg bij Jes. 6:1. Voetnoot : אוֹתוֹ (oto), ‘het’: waarschijnlijk wijst het naar ‘Mijn naam’ (vers 11). Het kan ook naar de tafel of het altaar verwijzen. Voetnoot : נִיבוֹ (nivo), ‘zijn opbrengst’: een zeldzaam woord, met de betekenis ‘vrucht’ (vergelijk Jes. 57:19). Zie ook: 2 Sam 12:14; Amos 2:7; Jes 6:1; Jes 57:19; Ezech 36:21–23; Mal 1:6–8; Mal 1:11; Mal 2:8 **1:13** **En jullie zeggen: ‘Zie, wat een moeite!’ en jullie snuiven er minachtend op, zegt Yahweh van de legermachten. Jullie brengen wat geroofd is, wat kreupel is en wat ziek is. Jullie brengen het graanoffer. Moet Ik dat aannemen uit jullie hand? zegt Yahweh.** Brontekst: וַאֲמַרְתֶּם֩ (vaamartem) = en jullie zeggen | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | מַתְּלָאָ֜ה (matelaa) = wat een moeite | וְהִפַּחְתֶּ֣ם (vehipachtem) = en jullie snuiven | אוֹת֗וֹ (oto) = erop | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וַהֲבֵאתֶ֣ם (vahavetem) = en jullie brengen | גָּז֗וּל (gazul) = wat geroofd is | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַפִּסֵּ֨חַ֙ (hapiseach) = wat kreupel is | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֣חוֹלֶ֔ה (hachole) = wat ziek is | וַהֲבֵאתֶ֖ם (vahavetem) = en jullie brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָ֑ה (hamincha) = het graanoffer | הַאֶרְצֶ֥ה (haertse) = moet Ik aannemen | אוֹתָ֛הּ (otah) = het | מִיֶּדְכֶ֖ם (miyedkhem) = uit jullie hand | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַתְּלָאָה (mattela’ah), ‘wat een moeite’: letterlijk ‘wat een vermoeidheid’. Het woord komt verder alleen hier voor. Voetnoot : וְהִפַּחְתֶּם (vehippachtem), ‘en jullie snuiven’: van נָפַח (nafach), ‘blazen’; hier een minachtend blazen. Het Hebreeuws laat open waarop zij snuiven: waarschijnlijk op de tafel of op het offer. Voetnoot : גָּזוּל (gazul), ‘wat geroofd is’: een dier dat door een roofdier is weggerukt of dat gestolen is. Zie ook: Lev 22:19–23; Mi 6:3; Ezech 4:14; Mal 1:7–8; Mar 14:37–38 **1:14** **Vervloekt is de bedrieger die een mannelijk dier in zijn kudde heeft, een gelofte doet en een gebrekkig dier aan de Heer offert. Want Ik ben een grote Koning, zegt Yahweh van de legermachten, en Mijn naam is ontzagwekkend onder de volken.** Brontekst: וְאָר֣וּר (vearur) = en vervloekt | נוֹכֵ֗ל (nokhel) = de bedrieger | וְיֵ֤שׁ (veyesh) = terwijl er is | בְּעֶדְרוֹ֙ (beedro) = in zijn kudde | זָכָ֔ר (zakhar) = een mannetje | וְנֹדֵ֛ר (venoder) = en hij doet een gelofte | וְזֹבֵ֥חַ (vezoveach) = en offert | מָשְׁחָ֖ת (mashechat) = iets gebrekkigs | לַֽאדֹנָ֑י (ladonay) = aan de Heer | כִּי֩ (ki) = want | מֶ֨לֶךְ (melekh) = een koning | גָּד֜וֹל (gadol) = groot | אָ֗נִי (ani) = Ik ben | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וּשְׁמִ֖י (ushemi) = en Mijn naam | נוֹרָ֥א (nora) = ontzagwekkend | בַגּוֹיִֽם (bagoyim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נוֹכֵל (nokhel), ‘bedrieger’: iemand die bedrog pleegt, hier door een gelofte te doen met een goed dier en dan een slecht dier te brengen. Voetnoot : מָשְׁחָת (mashchat), ‘gebrekkig’: letterlijk ‘bedorven, beschadigd’. Voetnoot : לַאדֹנָי (la’Adonai), ‘aan de Heer’: zie de uitleg bij vers 12. Voetnoot : מֶלֶךְ גָּדוֹל (melekh gadol), ‘grote Koning’: Yahweh noemt Zichzelf Koning. Wij schrijven ‘Koning’ met een hoofdletter, zoals in Jes. 6:5. Zie ook: Ps 76:13; Pred 5:3–4; Jes 6:5; Mal 1:8; Mal 1:12; Hand 5:1–10; 2 Kor 8:12 ## Maleachi 2 _Het gebod aan de priesters, de trouweloosheid en de vermoeide Yahweh_ ### Het gebod aan de priesters **2:1** **En nu, dit gebod is voor jullie, priesters.** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = voor jullie | הַמִּצְוָ֥ה (hamitsva) = het gebod | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | הַכֹּהֲנִֽים (hakohanim) = de priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִצְוָה (mitsvah), ‘gebod’: dit gebod is wat in de volgende verzen staat: de waarschuwing aan de priesters en de herinnering aan het verbond met Levi. Zie ook: Hos 5:1; Jer 13:13; Klaagl 4:13; Mal 1:6 **2:2** **Als jullie niet luisteren en niet ter harte nemen om Mijn naam eer te geven, zegt Yahweh van de legermachten, dan zend Ik de vloek onder jullie. Ik vervloek jullie zegeningen. Zelfs heb Ik ze al vervloekt, want jullie nemen het niet ter harte.** Brontekst: אִם (im) = als | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׁמְע֡וּ (tishmeu) = jullie luisteren | וְאִם (veim) = en als | לֹא֩ (lo) = niet | תָשִׂ֨ימוּ (tasimu) = jullie nemen | עַל (al) = ter | לֵ֜ב (lev) = harte | לָתֵ֧ת (latet) = om te geven | כָּב֣וֹד (kavod) = eer | לִשְׁמִ֗י (lishmi) = aan Mijn naam | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְשִׁלַּחְתִּ֤י (veshilachti) = dan zend Ik | בָכֶם֙ (bakhem) = onder jullie | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּאֵרָ֔ה (hameera) = de vloek | וְאָרוֹתִ֖י (vearoti) = en Ik vervloek | אֶת (et) = (obj.) | בִּרְכֽוֹתֵיכֶ֑ם (birkhoteikhem) = jullie zegeningen | וְגַם֙ (vegam) = en zelfs | אָרוֹתִ֔יהָ (arotiha) = heb Ik ze vervloekt | כִּ֥י (ki) = want | אֵינְכֶ֖ם (einekhem) = jullie niet | שָׂמִ֥ים (samim) = nemen | עַל (al) = ter | לֵֽב (lev) = harte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׂים עַל לֵב (sim al lev), ‘ter harte nemen’: letterlijk ‘op het hart zetten’. Hetzelfde als in Hag. 1:5 (‘let goed op’), maar hier gaat het om het eer geven aan Yahweh’s naam. Voetnoot : מְאֵרָה (me’erah), ‘vloek’: de vloek uit het verbond. Zie Deut. 28:15–20. De priesters zouden de zegen moeten uitspreken (Num. 6:23–27); nu keert Yahweh hun zegeningen om in vloeken. Voetnoot : אָרוֹתִיהָ (arotiha), ‘Ik heb ze vervloekt’: de verleden tijd staat tegenover de toekomende tijd in het begin van het vers. De vloek werkt al. Zie ook: Lev 26:14–46; Num 6:23–27; Deut 28:15–20; Ps 69:23; Ps 81:12–13; Hag 1:5; Luc 17:18; Openb 14:7 **2:3** **Zie, Ik bestraf jullie nageslacht. Ik zal mest in jullie gezicht strooien, de mest van jullie feesten, en men zal jullie ernaartoe dragen.** Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | גֹעֵ֤ר (goer) = bestraf Ik | לָכֶם֙ (lakhem) = jullie | אֶת (et) = (obj.) | הַזֶּ֔רַע (hazera) = het nageslacht | וְזֵרִ֤יתִי (vezeriti) = en Ik zal strooien | פֶ֨רֶשׁ֙ (peresh) = mest | עַל (al) = op | פְּנֵיכֶ֔ם (peneikhem) = jullie gezicht | פֶּ֖רֶשׁ (peresh) = mest van | חַגֵּיכֶ֑ם (chageikhem) = jullie feesten | וְנָשָׂ֥א (venasa) = en men zal dragen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֵלָֽיו (elav) = ernaartoe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַזֶּרַע (hazzera), ‘het nageslacht’: letterlijk ‘het zaad’. Dat kan de oogst zijn (zoals in 3:11) of het nageslacht van de priesters. Wij kiezen ‘nageslacht’. Voetnoot : לָכֶם (lakhem), ‘voor jullie’: het kan ook ‘tot jullie nadeel’ betekenen. Wij vertalen ‘jullie nageslacht’. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier ‘arm’ in plaats van ‘nageslacht’ (uit het geheugen, niet gecontroleerd). Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : פֶּרֶשׁ (peresh), ‘mest’: de mest en ingewanden van de offerdieren worden buiten het kamp verbrand (Exod. 29:14; Lev. 4:11–12; Lev. 16:27). De priesters krijgen dat in hun gezicht en worden ernaartoe gedragen: zij worden behandeld als het afval van het offer. Zie ook: Job 20:7; Ex 29:14; Lev 4:11–12; Lev 16:27; 1 Kon 14:10; Nah 3:6; Mal 2:9 ### Het verbond met Levi **2:4** **Dan zullen jullie weten dat Ik dit gebod naar jullie heb gestuurd, zodat Mijn verbond met Levi blijft bestaan, zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וִֽידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֚י (ki) = dat | שִׁלַּ֣חְתִּי (shilachti) = Ik heb gezonden | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = naar jullie | אֵ֖ת (et) = (obj.) | הַמִּצְוָ֣ה (hamitsva) = het gebod | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | לִֽהְי֤וֹת (lihyot) = om te zijn | בְּרִיתִי֙ (beriti) = Mijn verbond | אֶת (et) = met | לֵוִ֔י (levi) = Levi | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִיתִי אֶת לֵוִי (beriti et Levi), ‘Mijn verbond met Levi’: het verbond met de stam Levi, de priesterstam. Zie Num. 25:12–13 (het verbond van vrede met Pinechas), Deut. 33:8–10 en Jer. 33:21. Voetnoot : לִהְיוֹת (lihyot), ‘om te zijn’: het kan betekenen ‘zodat Mijn verbond met Levi blijft bestaan’ of ‘zodat dit gebod Mijn verbond met Levi wordt’. Wij kiezen de eerste. Zie ook: Num 3:12; Num 25:12–13; Deut 33:8–10; Jer 33:21; Ezech 38:23; Neh 13:29; Mat 3:12; Joh 15:2 **2:5** **Mijn verbond met hem was het leven en de vrede. Ik gaf ze hem als ontzag, en hij vreesde Mij. Voor Mijn naam beefde hij.** Brontekst: בְּרִיתִ֣י (beriti) = Mijn verbond | הָיְתָ֣ה (hayeta) = was | אִתּ֗וֹ (ito) = met hem | הַֽחַיִּים֙ (hachayim) = het leven | וְהַ֨שָּׁל֔וֹם (vehashalom) = en de vrede | וָאֶתְּנֵֽם (vaetenem) = en Ik gaf ze | ל֥וֹ (lo) = hem | מוֹרָ֖א (mora) = ontzag | וַיִּֽירָאֵ֑נִי (vayiraeni) = en hij vreesde Mij | וּמִפְּנֵ֥י (umipenei) = en voor het aangezicht van | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | נִחַ֥ת (nichat) = beefde | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַחַיִּים וְהַשָּׁלוֹם (hachayyim vehashalom), ‘het leven en de vrede’: de twee gaven van het verbond. Vergelijk Num. 25:12 (‘Mijn verbond van vrede’). Voetnoot : מוֹרָא (mora), ‘ontzag’, en וַיִּירָאֵנִי (vayyira’eni), ‘en hij vreesde Mij’: dezelfde stam, ‘ontzag’ en ‘vrezen’. Yahweh gaf het leven en de vrede, en de Leviet gaf ontzag terug. Het Hebreeuws zegt: ‘Ik gaf ze hem, ontzag, en hij vreesde Mij.’ Voetnoot : נִחַת (nichat), ‘beefde’: van het werkwoord חָתַת (chatat), ‘vervuld zijn van schrik’. Hier is het ontzag voor Yahweh’s naam, niet angst. Zie ook: Ex 32:26–29; Num 16:9–10; Num 25:12–13; Ezech 34:25; Ezech 37:26 **2:6** **De wet van waarheid was in zijn mond, en onrecht werd niet gevonden op zijn lippen. In vrede en oprechtheid liep hij met Mij, en velen bracht hij terug van de schuld.** Brontekst: תּוֹרַ֤ת (torat) = de wet van | אֱמֶת֙ (emet) = waarheid | הָיְתָ֣ה (hayeta) = was | בְּפִ֔יהוּ (befihu) = in zijn mond | וְעַוְלָ֖ה (veavla) = en onrecht | לֹא (lo) = niet | נִמְצָ֣א (nimtsa) = werd gevonden | בִשְׂפָתָ֑יו (bisfatav) = op zijn lippen | בְּשָׁל֤וֹם (beshalom) = in vrede | וּבְמִישׁוֹר֙ (uvemishor) = en in oprechtheid | הָלַ֣ךְ (halakh) = liep hij | אִתִּ֔י (iti) = met Mij | וְרַבִּ֖ים (verabim) = en velen | הֵשִׁ֥יב (heshiv) = bracht hij terug | מֵעָוֺֽן (meavon) = van schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרַת אֱמֶת (torat emet), ‘de wet van waarheid’: תּוֹרָה (torah) is ‘wet’ of ‘onderricht’. De priester onderwijst de wet. Zie Deut. 33:10. Voetnoot : עַוְלָה (avlah), ‘onrecht’: letterlijk ‘onrecht, valsheid’. Niet te verwarren met עֹלָה (olah), ‘brandoffer’. Voetnoot : מִישׁוֹר (mishor), ‘oprechtheid’: letterlijk ‘vlakheid, effenheid’, dus een rechte weg. Voetnoot : הֵשִׁיב מֵעָוֺן (heshiv me’avon), ‘bracht terug van de schuld’: hij bracht mensen terug van de weg van de schuld; het woord עָוֺן (avon) staat voor schuld en wat tot schuld leidt. Zie ook: Deut 33:10; Jer 23:22; Dan 12:3; Jak 5:19–20; 2 Tim 2:15–16; Openb 14:5 **2:7** **Want de lippen van een priester bewaren kennis, en men zoekt de wet uit zijn mond. Want hij is de bode van Yahweh van de legermachten.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שִׂפְתֵ֤י (siftei) = de lippen van | כֹהֵן֙ (kohen) = een priester | יִשְׁמְרוּ (yishmeru) = bewaren | דַ֔עַת (daat) = kennis | וְתוֹרָ֖ה (vetora) = en de wet | יְבַקְשׁ֣וּ (yevaqshu) = zoekt men | מִפִּ֑יהוּ (mipihu) = uit zijn mond | כִּ֛י (ki) = want | מַלְאַ֥ךְ (malakh) = de bode van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יְהוָה צְבָאוֹת (mal’akh Yahweh Tsevaot), ‘de bode van Yahweh van de legermachten’: dezelfde woorden als ‘engel van Yahweh’. De priester is een bode, iemand die Yahweh’s wet doorgeeft. Vergelijk Hag. 1:13, waar de profeet ‘bode van Yahweh’ heet, en 3:1. Zie ook: Lev 10:11; Deut 21:5; Hag 1:13; Joh 13:20; 2 Kor 5:20; 2 Tim 2:24–25 **2:8** **Maar jullie zijn van de weg afgeweken. Jullie hebben velen laten struikelen in de wet. Jullie hebben het verbond van Levi verdorven, zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | סַרְתֶּ֣ם (sartem) = zijn afgeweken | מִן (min) = van | הַדֶּ֔רֶךְ (haderekh) = de weg | הִכְשַׁלְתֶּ֥ם (hikhshaltem) = jullie hebben laten struikelen | רַבִּ֖ים (rabim) = velen | בַּתּוֹרָ֑ה (batora) = in de wet | שִֽׁחַתֶּם֙ (shichatem) = jullie hebben verdorven | בְּרִ֣ית (berit) = het verbond van | הַלֵּוִ֔י (halevi) = Levi | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁחַתֶּם (shichattem), ‘jullie hebben verdorven’: letterlijk ‘jullie hebben bedorven, verwoest’. Het verbond van Levi wordt hier door de priesters zelf beschadigd. Zie ook Neh. 13:29. Zie ook: 1 Sam 2:17; Jer 17:5; Jer 18:15; Ezech 44:10; Neh 13:29 **2:9** **Ook Ik heb jullie verachtelijk en gering gemaakt voor heel het volk, omdat jullie Mijn wegen niet bewaren en partijdig zijn in de wet.”** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֞י (ani) = Ik | נָתַ֧תִּי (natati) = heb gemaakt | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | נִבְזִ֥ים (nivzim) = verachtelijk | וּשְׁפָלִ֖ים (ushefalim) = en gering | לְכָל (lekhal) = voor heel | הָעָ֑ם (haam) = het volk | כְּפִ֗י (kefi) = naar de mate | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | אֵֽינְכֶם֙ (einekhem) = jullie niet | שֹׁמְרִ֣ים (shomerim) = bewaren | אֶת (et) = (obj.) | דְּרָכַ֔י (derakhay) = Mijn wegen | וְנֹשְׂאִ֥ים (venoseim) = en partijdig zijn | פָּנִ֖ים (panim) = gezichten | בַּתּוֹרָֽה (batora) = in de wet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹשְׂאִים פָּנִים (nos’im panim), ‘partijdig zijn’: letterlijk ‘het gezicht opheffen’. In 1:8 en 1:9 betekent dezelfde uitdrukking ‘gunstig ontvangen’. Hier is het de rechter of priester die iemand voortrekt. Zie ook Deut. 10:17. Voetnoot : Hier eindigt de rode toespraak die in 1:6 begon. Zie ook: Deut 1:17; Deut 10:17; 1 Sam 2:30; Mat 5:33–37; Mar 7:8–14; Luc 11:42 ### Trouweloos tegenover elkaar **2:10** Hebben wij niet allen één vader? Heeft niet één El ons geschapen? Waarom handelen wij trouweloos, ieder tegen zijn broer, door het verbond van onze vaders te ontheiligen? Brontekst: הֲל֨וֹא (halo) = niet waar | אָ֤ב (av) = een vader | אֶחָד֙ (echad) = één | לְכֻלָּ֔נוּ (lekhulanu) = voor ons allen | הֲל֛וֹא (halo) = niet waar | אֵ֥ל (el) = een El | אֶֽחָ֖ד (echad) = één | בְּרָאָ֑נוּ (beraanu) = heeft ons geschapen | מַדּ֗וּעַ (madua) = waarom | נִבְגַּד֙ (nivgad) = handelen wij trouweloos | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | בְּאָחִ֔יו (beachiv) = tegen zijn broer | לְחַלֵּ֖ל (lechalel) = om te ontheiligen | בְּרִ֥ית (berit) = het verbond van | אֲבֹתֵֽינוּ (avoteinu) = onze vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt de profeet zelf; wat hij zegt staat zwart. Voetnoot : אָב אֶחָד (av echad), ‘één vader’, en אֵל אֶחָד (El echad), ‘één El’: het is niet duidelijk wie ‘de ene vader’ is. Het kan Yahweh zijn (zoals in 1:6), maar ook Abraham of Jakob (Jes. 51:2; 63:16). De tweede vraag zegt dat één El hen geschapen heeft. Vergelijk Deut. 6:4. Voetnoot : נִבְגַּד (nivgad), ‘trouweloos handelen’: een kernwoord in dit stuk (2:10, 11, 14, 15, 16). Het gaat om het breken van een band: eerst tegenover de broer (vers 10), dan in het huwelijk. Zie ook: Deut 6:4; Ps 100:3; Jes 51:2; Jes 63:16; Mal 2:11; 1 Kor 8:6; Ef 4:6 **2:11** Juda heeft trouweloos gehandeld. Er is een gruwel gedaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda heeft het heiligdom van Yahweh ontheiligd, dat Hij liefheeft. Hij is getrouwd met de dochter van een vreemde god. Brontekst: בָּגְדָ֣ה (bageda) = heeft trouweloos gehandeld | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְתוֹעֵבָ֛ה (vetoeva) = en een gruwel | נֶעֶשְׂתָ֥ה (neesta) = is gedaan | בְיִשְׂרָאֵ֖ל (beyisrael) = in Israël | וּבִירֽוּשָׁלִָ֑ם (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | כִּ֣י (ki) = want | חִלֵּ֣ל (chilel) = heeft ontheiligd | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | קֹ֤דֶשׁ (qodesh) = het heiligdom van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אָהֵ֔ב (ahev) = Hij liefheeft | וּבָעַ֖ל (uvaal) = en is getrouwd met | בַּת (bat) = de dochter van | אֵ֥ל (el) = een god | נֵכָֽר (nekhar) = vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’. Voetnoot : קֹדֶשׁ יְהוָה (qodesh Yahweh), ‘het heiligdom van Yahweh’: letterlijk ‘het heilige van Yahweh’. Het kan het volk Israël zijn (Jer. 2:3), de tempel of de heiligheid van het verbond. ‘Dat Hij liefheeft’ kan ook zijn: ‘dat Juda liefhad’. Wij laten het open. Voetnoot : בַּת אֵל נֵכָר (bat El nekhar), ‘dochter van een vreemde god’: een vrouw die een vreemde god vereert. Het gaat om huwelijken met vrouwen van andere volken. Zie Ezra 9:1–2 en Neh. 13:23–27. Zie ook: Deut 7:3–6; Ps 106:34–39; Jer 2:3; Ezra 9:1–2; Neh 13:23–27; 2 Kor 6:14–18; Openb 21:8 **2:12** Yahweh zal uit de tenten van Jakob uitroeien wie dit doet, wakker en antwoordend, en wie Yahweh van de legermachten een graanoffer aanbiedt. Brontekst: יַכְרֵ֨ת (yakhret) = zal uitroeien | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לָאִ֨ישׁ (laish) = voor de man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֨נָּה֙ (yaasena) = dit doet | עֵ֣ר (er) = wakker | וְעֹנֶ֔ה (veone) = en antwoordend | מֵאָהֳלֵ֖י (meaholei) = uit de tenten van | יַֽעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וּמַגִּ֣ישׁ (umagish) = en wie aanbiedt | מִנְחָ֔ה (mincha) = een graanoffer | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵר וְעֹנֶה (er ve’oneh), ‘wakker en antwoordend’: een uitdrukking waarvan de betekenis onzeker is. Misschien ‘iedereen, zonder uitzondering’ (wie wakker is en wie antwoordt), misschien ‘wachter en antwoorder’. Wij laten de woorden staan. Voetnoot : לָאִישׁ (la’ish), ‘voor de man’: het voorzetsel ‘voor’ laten wij weg in het Nederlands; de man wordt uitgeroeid. Zie ook: Lev 20:3; Num 15:30–31; Ezra 10:18–19; Mat 15:14; 2 Tim 3:13 ### Tranen op het altaar **2:13** En dit doen jullie in de tweede plaats: jullie bedekken het altaar van Yahweh met tranen, met huilen en zuchten. Daarom wendt Hij Zich niet meer tot het graanoffer en neemt Hij het niet met welgevallen uit jullie hand aan. Brontekst: וְזֹאת֙ (vezot) = en dit | שֵׁנִ֣ית (shenit) = een tweede | תַּֽעֲשׂ֔וּ (taasu) = jullie doen | כַּסּ֤וֹת (kasot) = bedekken | דִּמְעָה֙ (dima) = tranen | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּכִ֖י (bekhi) = huilen | וַֽאֲנָקָ֑ה (vaanaqa) = en zuchten | מֵאֵ֣ין (meein) = zodat niet meer | ע֗וֹד (od) = nog | פְּנוֹת֙ (penot) = zich wenden | אֶל (el) = tot | הַמִּנְחָ֔ה (hamincha) = het graanoffer | וְלָקַ֥חַת (velaqachat) = en nemen | רָצ֖וֹן (ratson) = welgevallen | מִיֶּדְכֶֽם (miyedkhem) = uit jullie hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁנִית (shenit), ‘een tweede’: de tweede zonde na de gemengde huwelijken van 2:11–12. De tranen van de vrouwen die verstoten zijn, vallen op het altaar. Het Hebreeuws zegt niet wiens tranen het zijn: waarschijnlijk die van de verlaten vrouwen. Wij laten het open. Voetnoot : רָצוֹן (ratson), ‘welgevallen’: het offer wordt niet aanvaard. Zie 1:10. Zie ook: Ps 78:34–37; Pred 4:1; Jes 1:11–15; Jer 14:12; Neh 8:9–12 **2:14** En jullie zeggen: „Waarom?” Omdat Yahweh getuige is geweest tussen jou en de vrouw van je jeugd. Tegen haar heb jij trouweloos gehandeld, terwijl zij je metgezellin is en de vrouw van je verbond. Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֖ם (vaamartem) = en jullie zeggen | עַל (al) = om | מָ֑ה (ma) = wat | עַ֡ל (al) = omdat | כִּי (ki) = dat | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | הֵעִ֨יד (heid) = getuige was | בֵּינְךָ֜ (beinekha) = tussen jou | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | אֵ֣שֶׁת (eshet) = de vrouw van | נְעוּרֶ֗יךָ (neureikha) = je jeugd | אֲשֶׁ֤ר (asher) = tegen wie | אַתָּה֙ (ata) = jij | בָּגַ֣דְתָּה (bagadta) = trouweloos hebt gehandeld | בָּ֔הּ (bah) = tegen haar | וְהִ֥יא (vehi) = terwijl zij | חֲבֶרְתְּךָ֖ (chavertekha) = je metgezellin | וְאֵ֥שֶׁת (veeshet) = en de vrouw van | בְּרִיתֶֽךָ (beritekha) = je verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵעִיד (he’id), ‘getuige zijn’: Yahweh was getuige bij het sluiten van het huwelijk; het huwelijk is een verbond (בְּרִית, berit). Vergelijk Spr. 2:17. Voetnoot : אֵשֶׁת נְעוּרֶיךָ (eshet ne’urekha), ‘de vrouw van je jeugd’: zoals in Spr. 5:18. Voetnoot : חֲבֶרְתְּךָ (chavertekha), ‘je metgezellin’: iemand met wie je verbonden bent. Zie ook: Gen 31:50; Spr 2:17; Spr 5:18; Pred 9:9; Jes 54:6; Mal 2:15 **2:15** Heeft Hij niet één gemaakt, terwijl Hij een overschot aan geest had? En wat zoekt die ene? Nageslacht van Elohim. Wees dus op jullie hoede in jullie geest, en laat niemand trouweloos handelen tegen de vrouw van je jeugd. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | אֶחָ֣ד (echad) = één | עָשָׂ֗ה (asa) = heeft Hij gemaakt | וּשְׁאָ֥ר (ushear) = en een overschot van | ר֨וּחַ֙ (ruach) = geest | ל֔וֹ (lo) = had Hij | וּמָה֙ (uma) = en wat | הָֽאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | מְבַקֵּ֖שׁ (mevaqesh) = zoekt | זֶ֣רַע (zera) = nageslacht van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וְנִשְׁמַרְתֶּם֙ (venishmartem) = en wees op jullie hoede | בְּר֣וּחֲכֶ֔ם (beruchakhem) = in jullie geest | וּבְאֵ֥שֶׁת (uveeshet) = en tegen de vrouw van | נְעוּרֶ֖יךָ (neureikha) = je jeugd | אַל (al) = niet | יִבְגֹּֽד (yivgod) = laat hij trouweloos handelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk; de Hebreeuwse tekst kan op meer manieren gelezen worden. Wij lezen: Yahweh heeft één gemaakt, hoewel Hij nog een overschot aan geest had. Wat zocht Hij met die ene? Nageslacht van Elohim. Sommige lezers denken bij ‘één’ aan Adam of aan man en vrouw die één worden (Gen. 2:24). Andere lezingen zijn: ‘Heeft niet één hen gemaakt, met een overschot van geest voor hem?’ en ‘Niemand die dit doet, heeft nog een rest van geest in zich’. De tekst zegt het niet. Voetnoot : זֶרַע אֱלֹהִים (zera Elohim), ‘nageslacht van Elohim’: kinderen die bij Elohim horen, in Zijn verbond. Zie ook: Gen 1:27; Gen 2:20–24; Gen 2:24; Mal 2:14; Mat 19:4–6; Mar 10:6–8 **2:16** Want Hij haat scheiding, zegt Yahweh, de Elohim van Israël, en iemand bedekt zijn kleed met geweld, zegt Yahweh van de legermachten. Wees dus op jullie hoede in jullie geest, en handel niet trouweloos. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שָׂנֵ֣א (sane) = Hij haat | שַׁלַּ֗ח (shalach) = scheiding | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְכִסָּ֤ה (vekhisa) = en hij bedekt | חָמָס֙ (chamas) = geweld | עַל (al) = over | לְבוּשׁ֔וֹ (levusho) = zijn kleed | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְנִשְׁמַרְתֶּ֥ם (venishmartem) = en wees op jullie hoede | בְּרוּחֲכֶ֖ם (beruchakhem) = in jullie geest | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִבְגֹּֽדוּ (tivgodu) = handel trouweloos Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂנֵא שַׁלַּח (sane shallach), ‘Hij haat scheiding’: letterlijk ‘hij haat sturen’, dus wegsturen van de vrouw. Volgens de klinkers van de Masoretische tekst staat er: ‘Hij haat scheiding.’ Een andere lezing is: ‘Wie haat en wegstuurt, zegt Yahweh’. Wij volgen de klinkers. Voetnoot : וְכִסָּה חָמָס עַל לְבוּשׁוֹ (vechissah chamas al levusho), ‘en iemand bedekt zijn kleed met geweld’: het kleed is het beeld van het huwelijk (vergelijk Ruth 3:9 en Ezech. 16:8). Het geweld is dan het onrecht dat de man zijn vrouw aandoet. Voetnoot : Het vers heeft twee keer ‘zegt Yahweh’. Het zijn woorden van de profeet; zij staan zwart. Zie ook: Ruth 3:9; Spr 28:13; Ezech 16:8; Mat 5:31–32; Mat 19:3–9; Mar 10:2–12; Luc 16:18 ### Jullie hebben Yahweh vermoeid **2:17** Jullie hebben Yahweh vermoeid met jullie woorden. En jullie zeggen: „Waarin hebben wij Hem vermoeid?” Doordat jullie zeggen: „Ieder die kwaad doet, is goed in de ogen van Yahweh, en in zulke mensen heeft Hij behagen.” Of: „Waar is de Elohim van het recht?” Brontekst: הוֹגַעְתֶּ֤ם (hogatem) = jullie hebben vermoeid | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּדִבְרֵיכֶ֔ם (bedivreikhem) = met jullie woorden | וַאֲמַרְתֶּ֖ם (vaamartem) = en jullie zeggen | בַּמָּ֣ה (bama) = waarin | הוֹגָ֑עְנוּ (hogaenu) = hebben wij vermoeid | בֶּאֱמָרְכֶ֗ם (beemarekhem) = doordat jullie zeggen | כָּל (kal) = ieder | עֹ֨שֵׂה (ose) = die doet | רָ֜ע (ra) = kwaad | ט֣וֹב (tov) = goed | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וּבָהֶם֙ (uvahem) = en in hen | ה֣וּא (hu) = Hij | חָפֵ֔ץ (chafets) = heeft behagen | א֥וֹ (o) = of | אַיֵּ֖ה (aye) = waar is | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | הַמִּשְׁפָּֽט (hamishpat) = het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹגַעְתֶּם (hoga’tem), ‘jullie hebben vermoeid’: van יָגַע (yaga), ‘moe worden’. Yahweh wordt moe van hun woorden, niet van hun werk. Vergelijk Jes. 43:24. Voetnoot : בַּמָּה (bammah), ‘waarin?’: het refrein; zie de uitleg bij 1:2. Voetnoot : כָּל עֹשֵׂה רָע טוֹב בְּעֵינֵי יְהוָה (kol oseh ra tov be’einei Yahweh): vergelijk Jes. 5:20. Voetnoot : אֱלֹהֵי הַמִּשְׁפָּט (Elohei hammishpat), ‘de Elohim van het recht’: mishpat is ‘recht’. Zie ook: Pred 8:11; Jes 5:18–20; Jes 5:20; Jes 43:24; Sef 1:12; 2 Petr 3:3–4 ## Maleachi 3 _De bode van het verbond, de tienden en de dag die komt_ ### De bode van het verbond **3:1** **„Zie, Ik zend Mijn bode, en hij zal de weg voor Mij banen. Plotseling zal naar Zijn tempel komen de Heer die jullie zoeken, en de bode van het verbond die jullie begeren. Zie, hij komt, zegt Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: הִנְנִ֤י (hinni) = zie Mij | שֹׁלֵחַ֙ (sholeach) = zend Ik | מַלְאָכִ֔י (malakhi) = Mijn bode | וּפִנָּה (ufina) = en hij zal banen | דֶ֖רֶךְ (derekh) = een weg | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor Mij | וּפִתְאֹם֩ (ufitom) = en plotseling | יָב֨וֹא (yavo) = zal komen | אֶל (el) = naar | הֵיכָל֜וֹ (heikhalo) = Zijn tempel | הָאָד֣וֹן (haadon) = de Heer | אֲשֶׁר (asher) = die | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | מְבַקְשִׁ֗ים (mevaqshim) = zoeken | וּמַלְאַ֨ךְ (umalakh) = en de bode van | הַבְּרִ֜ית (haberit) = het verbond | אֲשֶׁר (asher) = die | אַתֶּ֤ם (atem) = jullie | חֲפֵצִים֙ (chafetsim) = begeren | הִנֵּה (hine) = zie | בָ֔א (ba) = hij komt | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאָכִי (mal’akhi), ‘Mijn bode’: hetzelfde woord als de naam ‘Maleachi’ in 1:1. Of de profeet hier bedoeld wordt, laat de tekst open. Vergelijk Jes. 40:3, waar de weg van Yahweh gebaand wordt. Zie ook Matt. 11:10, Mark. 1:2 en Luc. 7:27. Voetnoot : הָאָדוֹן (ha’adon), ‘de Heer’: met het lidwoord, een titel voor Yahweh (zie Jes. 1:24 en 3:1). Het Hebreeuws zegt niet of ‘de Heer’ en ‘de bode van het verbond’ dezelfde zijn of twee verschillende. Wij laten het open. Daarom schrijven wij ‘Zijn tempel’ met een hoofdletter (de tempel van de Heer), maar ‘hij’ bij de bode met een kleine letter. Voetnoot : הֵיכָל (heikhal), ‘tempel’: zoals in Hag. 2:15. Voetnoot : מַלְאַךְ הַבְּרִית (mal’akh habberit), ‘de bode van het verbond’: een bode die het verbond bewaakt of vernieuwt. Vergelijk Mal. 2:4–8. Zie ook: Jes 1:24; Jes 3:1; Jes 40:3; Hag 2:15; Mal 2:4–8; Mal 3:23; Mat 11:10–11; Mar 1:2–3; Luc 1:76; Luc 7:26–28; Luc 7:27 **3:2** Wie kan de dag van zijn komst verdragen? Wie kan blijven staan wanneer hij verschijnt? Want hij is als het vuur van een smelter en als de zeep van wassers. Brontekst: וּמִ֤י (umi) = en wie | מְכַלְכֵּל֙ (mekhalkel) = kan verdragen | אֶת (et) = (obj.) | י֣וֹם (yom) = de dag van | בּוֹא֔וֹ (boo) = zijn komst | וּמִ֥י (umi) = en wie | הָעֹמֵ֖ד (haomed) = kan blijven staan | בְּהֵרָֽאוֹת֑וֹ (beheraoto) = wanneer hij verschijnt | כִּֽי (ki) = want | הוּא֙ (hu) = hij | כְּאֵ֣שׁ (keesh) = is als het vuur van | מְצָרֵ֔ף (metsaref) = een smelter | וּכְבֹרִ֖ית (ukhevorit) = en als de zeep van | מְכַבְּסִֽים (mekhabesim) = wassers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּרִית (borit), ‘zeep’: een schoonmaakmiddel, zoals in Jer. 2:22. Het beeld van de smelter en de wasser: vuur en zeep die reinigen, maar ook pijn doen. Voetnoot : Vanaf dit vers tot en met vers 4 spreekt de profeet over de bode en de Heer (derde persoon). Het staat daarom zwart. Zie ook: Jes 4:4; Jer 2:22; Zach 13:9; Mal 3:4; 1 Kor 3:13–15; 1 Petr 2:7–8; Openb 6:17 **3:3** Hij zal zitten als smelter en reiniger van zilver. Hij zal de zonen van Levi reinigen en hen zuiveren als goud en als zilver. Zij zullen voor Yahweh mensen zijn die een graanoffer aanbieden in gerechtigheid. Brontekst: וְיָשַׁ֨ב (veyashav) = en hij zal zitten | מְצָרֵ֤ף (metsaref) = als smelter | וּמְטַהֵר֙ (umetaher) = en reiniger van | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וְטִהַ֤ר (vetihar) = en hij zal reinigen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | לֵוִי֙ (levi) = Levi | וְזִקַּ֣ק (veziqaq) = en hij zal zuiveren | אֹתָ֔ם (otam) = hen | כַּזָּהָ֖ב (kazahav) = als goud | וְכַכָּ֑סֶף (vekhakasef) = en als zilver | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zij zullen zijn | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | מַגִּישֵׁ֥י (magishei) = die aanbieden | מִנְחָ֖ה (mincha) = een graanoffer | בִּצְדָקָֽה (bitsdaqa) = in gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְצָרֵף (metsaref), ‘smelter’: iemand die metaal zuivert door het te smelten. Zie ook Jes. 1:25. Voetnoot : בְּנֵי לֵוִי (benei Levi), ‘de zonen van Levi’: de priesters en Levieten. Zij worden gezuiverd, zodat hun offers weer aanvaard worden (vergelijk 1:10–11). Voetnoot : בִּצְדָקָה (bitsdaqah), ‘in gerechtigheid’: tsedaqah is ‘gerechtigheid’. Zie ook: Spr 17:3; Jes 1:25; Dan 12:10; Zach 13:9; Heb 12:10 **3:4** Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem Yahweh aangenaam zijn, zoals in de dagen van lang geleden en zoals in de jaren van vroeger. Brontekst: וְעָֽרְבָה֙ (veareva) = en zal aangenaam zijn | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | מִנְחַ֥ת (minchat) = het graanoffer van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירֽוּשָׁלִָ֑ם (virushalaim) = en Jeruzalem | כִּימֵ֣י (kimei) = zoals de dagen van | עוֹלָ֔ם (olam) = lang geleden | וּכְשָׁנִ֖ים (ukheshanim) = en zoals jaren | קַדְמֹנִיּֽוֹת (qadmoniyot) = van vroeger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כִּימֵי עוֹלָם (kimei olam), ‘zoals in de dagen van lang geleden’: het woord עוֹלָם (olam) betekent hier niet ‘eeuwig’ maar ‘lang geleden, oudtijds’. Zo staat het ook in Micha 7:14. Zie ook: 2 Kron 7:1–3; Jes 56:7; Mi 7:14; Jer 30:18–20; Ezech 20:40–41; Zach 8:3 ### Ik kom naar jullie toe voor het recht **3:5** **„Ik zal naar jullie toe komen voor het recht. Ik zal een snelle getuige zijn tegen de tovenaars, tegen de overspelers, tegen wie vals zweren, tegen wie de huurling zijn loon onthouden, tegen wie weduwe en wees onderdrukken, tegen wie de vreemdeling opzij duwen en tegen wie Mij niet vrezen, zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וְקָרַבְתִּ֣י (veqaravti) = en Ik zal naderen | אֲלֵיכֶם֮ (aleikhem) = tot jullie | לַמִּשְׁפָּט֒ (lamishpat) = voor het recht | וְהָיִ֣יתִי (vehayiti) = en Ik zal zijn | עֵ֣ד (ed) = een getuige | מְמַהֵ֗ר (memaher) = snel | בַּֽמְכַשְּׁפִים֙ (bamkhashefim) = tegen de tovenaars | וּבַמְנָ֣אֲפִ֔ים (uvamnaafim) = en tegen de overspelers | וּבַנִּשְׁבָּעִ֖ים (uvanishbaim) = en tegen wie zweren | לַשָּׁ֑קֶר (lashaqer) = vals | וּבְעֹשְׁקֵ֣י (uveosheqei) = en tegen wie onderdrukken | שְׂכַר (sekhar) = het loon van | שָׂ֠כִיר (sakhir) = de huurling | אַלְמָנָ֨ה (almana) = de weduwe | וְיָת֤וֹם (veyatom) = en de wees | וּמַטֵּי (umatei) = en tegen wie opzij duwen | גֵר֙ (ger) = de vreemdeling | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְרֵא֔וּנִי (yereuni) = vrezen Mij | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: hier de rechtspraak. Yahweh komt als rechter en als getuige. Voetnoot : מְכַשְּׁפִים (mekhashefim), ‘tovenaars’: zie Deut. 18:10–12. De zonden die volgen zijn tegen God (tovenarij, valse eed), tegen de naaste (overspel) en tegen de zwakken (loon, weduwe, wees, vreemdeling). Voetnoot : מַטֵּי גֵר (mattei ger), ‘die de vreemdeling opzij duwen’: letterlijk ‘die de vreemdeling buigen’. Vergelijk Deut. 24:17, ‘het recht van een vreemdeling verdraaien’. Voetnoot : Vanaf hier spreekt Yahweh weer zelf; de woorden staan rood. Zie ook: Deut 5:11; Deut 18:10–12; Deut 24:17; Deut 27:19; Jak 5:4; Jak 5:8–9; Heb 13:4 **3:6** **Want Ik, Yahweh, ben niet veranderd, en jullie, zonen van Jakob, zijn niet vernietigd.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁנִ֑יתִי (shaniti) = ben veranderd | וְאַתֶּ֥ם (veatem) = en jullie | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | לֹ֥א (lo) = niet | כְלִיתֶֽם (kelitem) = zijn vernietigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא שָׁנִיתִי (lo shaniti), ‘Ik ben niet veranderd’: dat Yahweh niet verandert, is de reden dat het volk niet is vernietigd (zo verbinden wij de twee helften). Vergelijk Num. 23:19. Voetnoot : כְלִיתֶם (khelitem), ‘jullie zijn vernietigd’: ‘zonen van Jakob’ verwijst terug naar 1:2. Zie ook: Num 23:19; Jer 32:27; Klaagl 3:22–23; Jak 1:17; Heb 13:8 ### Keer terug naar Mij **3:7** **Vanaf de dagen van jullie vaders zijn jullie van Mijn voorschriften afgeweken en hebben jullie ze niet bewaard. Keer terug naar Mij, en Ik zal naar jullie terugkeren, zegt Yahweh van de legermachten. En jullie zeggen:** ‘Waarin zullen wij terugkeren?’ Brontekst: לְמִימֵ֨י (lemimei) = vanaf de dagen van | אֲבֹתֵיכֶ֜ם (avoteikhem) = jullie vaders | סַרְתֶּ֤ם (sartem) = zijn jullie afgeweken | מֵֽחֻקַּי֙ (mechuqay) = van Mijn voorschriften | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שְׁמַרְתֶּ֔ם (shemartem) = hebben jullie bewaard | שׁ֤וּבוּ (shuvu) = keer terug | אֵלַי֙ (elay) = naar Mij | וְאָשׁ֣וּבָה (veashuva) = en Ik zal terugkeren | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = naar jullie | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וַאֲמַרְתֶּ֖ם (vaamartem) = en jullie zeggen | בַּמֶּ֥ה (bame) = waarin | נָשֽׁוּב (nashuv) = zullen wij terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּבוּ אֵלַי וְאָשׁוּבָה אֲלֵיכֶם (shuvu elai ve’ashuvah alekhem), ‘keer terug naar Mij, en Ik zal naar jullie terugkeren’: dezelfde woorden als in Zach. 1:3. Het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, is het kernwoord. Voetnoot : בַּמֶּה (bammeh), ‘waarin?’: het refrein; zie de uitleg bij 1:2. Zie ook: Deut 31:20; Zach 1:3; Jak 4:8; Rom 10:3; Rom 10:21 ### Berooft een mens Elohim? **3:8** **Berooft een mens Elohim? Want jullie beroven Mij. En jullie zeggen:** ‘Waarin hebben wij U beroofd?’ **In de tiende en de heffing.** Brontekst: הֲיִקְבַּ֨ע (hayiqba) = berooft | אָדָ֜ם (adam) = een mens | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | כִּ֤י (ki) = want | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | קֹבְעִ֣ים (qoveim) = beroven | אֹתִ֔י (oti) = Mij | וַאֲמַרְתֶּ֖ם (vaamartem) = en jullie zeggen | בַּמֶּ֣ה (bame) = waarin | קְבַעֲנ֑וּךָ (qevaanukha) = hebben wij U beroofd | הַֽמַּעֲשֵׂ֖ר (hamaaser) = de tiende | וְהַתְּרוּמָֽה (vehateruma) = en de heffing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָבַע (qava), ‘beroven’: een zeldzaam werkwoord; het staat ook in Spr. 22:23 (‘berooft’). De betekenis is niet helemaal zeker; ‘beroven’ past bij de tekst. Voetnoot : מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘de tiende’, en תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: de tiende van de opbrengst, bestemd voor de Levieten (Lev. 27:30–32; Num. 18:21–28; Deut. 14:22–29). Zie ook Neh. 10:38–39 (NL 10:37–38) en 13:10–12. Zie ook: Lev 27:30–32; Num 18:21–32; Deut 14:22–29; Ps 29:2; Spr 3:9–10; Spr 22:23; Neh 10:38–39; Mat 22:21; Mar 12:17 **3:9** **Met de vloek zijn jullie vervloekt, en Mij beroven jullie, heel de natie.** Brontekst: בַּמְּאֵרָה֙ (bameera) = met de vloek | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | נֵֽאָרִ֔ים (nearim) = zijn vervloekt | וְאֹתִ֖י (veoti) = en Mij | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | קֹבְעִ֑ים (qoveim) = beroven | הַגּ֖וֹי (hagoy) = de natie | כֻּלּֽוֹ (kulo) = heel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגּוֹי כֻּלּוֹ (haggoy kullo), ‘heel de natie’: het hele volk, niet alleen de priesters. Zie ook: Deut 28:15–19; Joz 22:20; Hag 1:6–11; Hag 2:14–17; Mal 2:2 **3:10** **Breng heel de tiende naar het schathuis, zodat er voedsel is in Mijn huis. Beproef Mij daarmee toch, zegt Yahweh van de legermachten. Zal Ik dan niet de sluizen van de hemel voor jullie openen en zegen over jullie uitgieten, tot het meer dan genoeg is?** Brontekst: הָבִ֨יאוּ (haviu) = breng | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַֽמַּעֲשֵׂ֜ר (hamaaser) = de tiende | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאוֹצָ֗ר (haotsar) = het schathuis | וִיהִ֥י (vihi) = zodat er is | טֶ֨רֶף֙ (teref) = voedsel | בְּבֵיתִ֔י (beveiti) = in Mijn huis | וּבְחָנ֤וּנִי (uvechanuni) = en beproef Mij | נָא֙ (na) = toch | בָּזֹ֔את (bazot) = hiermee | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אִם (im) = of | לֹ֧א (lo) = niet | אֶפְתַּ֣ח (eftach) = Ik zal openen | לָכֶ֗ם (lakhem) = voor jullie | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֲרֻבּ֣וֹת (arubot) = de sluizen van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַהֲרִיקֹתִ֥י (vahariqoti) = en Ik zal uitgieten | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | בְּרָכָ֖ה (berakha) = zegen | עַד (ad) = tot | בְּלִי (beli) = zonder | דָֽי (day) = genoeg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הָאוֹצָר (beit ha’otsar), ‘schathuis’: de voorraadkamers van de tempel (Neh. 10:39, NL 10:38; 13:12). Voetnoot : טֶרֶף (teref), ‘voedsel’: letterlijk ‘prooi’ of ‘wat gegrepen wordt’. Hier is het voedsel voor de priesters en Levieten. Voetnoot : אֲרֻבּוֹת הַשָּׁמַיִם (arubbot hashshamayim), ‘de sluizen van de hemel’: zoals in Gen. 7:11. De regen komt als zegen. Voetnoot : עַד בְּלִי דָי (ad beli dai), ‘tot het meer dan genoeg is’: letterlijk ‘tot zonder genoeg’. De uitdrukking is zeldzaam; men vertaalt ook ‘tot er geen ruimte meer is’. Voetnoot : אִם לֹא (im lo), ‘of niet’: een formule voor een nadrukkelijke vraag. Wij vertalen: ‘zal Ik dan niet … openen?’ Zie ook: Gen 7:11; Deut 28:12; Ps 37:3; Spr 3:9–10; Neh 10:39; Mat 6:33; 2 Kor 9:6–8 **3:11** **Ik zal voor jullie de verslinder bestraffen. Hij zal de vrucht van de grond niet voor jullie verderven. En de wijnstok in het veld zal voor jullie zijn vruchten niet verliezen, zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וְגָעַרְתִּ֤י (vegaarti) = en Ik zal bestraffen | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | בָּֽאֹכֵ֔ל (baokhel) = de verslinder | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַשְׁחִ֥ת (yashchit) = zal hij verderven | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | אֶת (et) = (obj.) | פְּרִ֣י (peri) = de vrucht van | הָאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | וְלֹא (velo) = en niet | תְשַׁכֵּ֨ל (teshakel) = zal verliezen | לָכֶ֤ם (lakhem) = voor jullie | הַגֶּ֨פֶן֙ (hagefen) = de wijnstok | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֹכֵל (ha’okhel), ‘de verslinder’: letterlijk ‘de etende’. Het is niet de sprinkhaan met een vaste naam (zoals in Joël 1:4), maar een plaag die oogst opeet. Voetnoot : תְשַׁכֵּל (teshakkel), ‘zal verliezen’: letterlijk ‘zal kinderloos zijn’. De wijnstok verliest zijn vrucht niet. Zie ook: Deut 11:14; Joël 1:4; Joël 2:22; Amos 7:1–3; Zach 8:12 **3:12** **Alle volken zullen jullie gelukkig prijzen, want jullie zullen een land van behagen zijn, zegt Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: וְאִשְּׁר֥וּ (veisheru) = en zullen gelukkig prijzen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | כִּֽי (ki) = want | תִהְי֤וּ (tihyu) = jullie zullen zijn | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | אֶ֣רֶץ (erets) = een land van | חֵ֔פֶץ (chefets) = behagen | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶרֶץ חֵפֶץ (erets chefets), ‘een land van behagen’: hetzelfde woord als in 1:10 (‘geen behagen in jullie’). Wat Yahweh daar niet vond, vindt Hij dan wel. Voetnoot : אִשְּׁרוּ (ishsheru), ‘zij zullen gelukkig prijzen’: van אָשַׁר (ashar). Hetzelfde werkwoord staat in vers 15 (‘wij prijzen gelukkig’): de volken prijzen Israël zoals Israël nu de hoogmoedigen prijst. Voetnoot : Hier eindigt de rede die in vers 5 begon. Zie ook: Jes 61:9; Jes 62:4; Jer 33:9; Zach 8:23; Mal 3:5; Mal 3:15; Luc 1:48 ### Jullie woorden zijn hard tegen Mij **3:13** **„Jullie woorden zijn hard tegen Mij geweest, zegt Yahweh. En jullie zeggen:** ‘Wat hebben wij onder elkaar tegen U gezegd?’ Brontekst: חָזְק֥וּ (chazequ) = zijn hard geweest | עָלַ֛י (alay) = tegen Mij | דִּבְרֵיכֶ֖ם (divreikhem) = jullie woorden | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַאֲמַרְתֶּ֕ם (vaamartem) = en jullie zeggen | מַה (ma) = wat | נִּדְבַּ֖רְנוּ (nidbarnu) = hebben wij gesproken | עָלֶֽיךָ (aleikha) = tegen U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָזְקוּ עָלַי דִּבְרֵיכֶם (chazeku alai divrekhem), ‘jullie woorden zijn hard tegen Mij geweest’: letterlijk ‘jullie woorden zijn sterk tegen Mij geweest’. Voetnoot : נִדְבַּרְנוּ (nidbarnu), ‘wij hebben onder elkaar gesproken’: een wederkerige vorm, zoals in vers 16. Zie ook: Jes 37:23; Mal 1:6–8; Mal 2:17; Mal 3:16; 2 Tess 2:4; Rom 9:20 **3:14** **Jullie hebben gezegd: ‘Het is zinloos om Elohim te dienen. Wat is de winst dat wij Zijn opdracht hebben bewaard en in rouw hebben rondgelopen voor het aangezicht van Yahweh van de legermachten?** Brontekst: אֲמַרְתֶּ֕ם (amartem) = jullie hebben gezegd | שָׁ֖וְא (shave) = zinloos | עֲבֹ֣ד (avod) = het dienen van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וּמַה (uma) = en wat | בֶּ֗צַע (betsa) = winst | כִּ֤י (ki) = dat | שָׁמַ֨רְנוּ֙ (shamarnu) = wij hebben bewaard | מִשְׁמַרְתּ֔וֹ (mishmarto) = Zijn opdracht | וְכִ֤י (vekhi) = en dat | הָלַ֨כְנוּ֙ (halakhnu) = wij zijn gegaan | קְדֹ֣רַנִּ֔ית (qedoranit) = in rouw | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמַרְתּוֹ (mishmarto), ‘Zijn opdracht’: wat Hij te bewaren had gegeven; ook ‘wachtdienst’ of ‘voorschrift’. Voetnoot : קְדֹרַנִּית (qedorannit), ‘in rouw’: een zeldzaam woord dat verder niet voorkomt. Het hangt samen met een stam voor ‘donker’; men denkt aan rouwkleding of een sombere houding. Voetnoot : בֶּצַע (betsa), ‘winst’: wat het oplevert. Zie ook: Job 35:3; Ps 73:8–13; Jes 58:3; Sef 1:12; Zach 7:3–6 **3:15** **En nu prijzen wij de hoogmoedigen gelukkig. Ook wie goddeloosheid doen, gedijen. Ook hebben zij Elohim beproefd, en zij zijn ontkomen.’”** Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | אֲנַ֖חְנוּ (anachnu) = wij | מְאַשְּׁרִ֣ים (measherim) = prijzen gelukkig | זֵדִ֑ים (zedim) = de hoogmoedigen | גַּם (gam) = ook | נִבְנוּ֙ (nivnu) = zijn gebouwd | עֹשֵׂ֣י (osei) = die doen | רִשְׁעָ֔ה (risha) = goddeloosheid | גַּ֧ם (gam) = ook | בָּחֲנ֛וּ (bachanu) = hebben beproefd | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וַיִּמָּלֵֽטוּ (vayimaletu) = en zijn ontkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִבְנוּ (nivnu), ‘gedijen’: letterlijk ‘zij zijn gebouwd’. Voetnoot : בָּחֲנוּ (bachanu), ‘zij hebben beproefd’: hetzelfde werkwoord als in vers 10. Mensen dagen Elohim uit, en zij komen er ongestraft van af. Zie ook: Job 21:7–15; Jer 12:1–2; Mal 2:17; Mal 3:10; Mal 3:19; Mat 4:6–7 ### Het gedenkboek **3:16** Toen spraken zij die Yahweh vrezen met elkaar, ieder met zijn naaste. Yahweh lette op en hoorde het. Een gedenkboek werd voor Zijn aangezicht geschreven voor wie Yahweh vrezen en voor wie aan Zijn naam denken. Brontekst: אָ֧ז (az) = toen | נִדְבְּר֛וּ (nidberu) = spraken met elkaar | יִרְאֵ֥י (yirei) = zij die vrezen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = met | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וַיַּקְשֵׁ֤ב (vayaqshev) = en lette op | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיִּשְׁמָ֔ע (vayishma) = en hoorde | וַ֠יִּכָּתֵב (vayikatev) = en werd geschreven | סֵ֣פֶר (sefer) = een boek van | זִכָּר֤וֹן (zikaron) = gedachtenis | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor Zijn aangezicht | לְיִרְאֵ֣י (leyirei) = voor wie vrezen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּלְחֹשְׁבֵ֖י (ulechoshevei) = en voor wie denken aan | שְׁמֽוֹ (shemo) = Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדְבְּרוּ (nidberu), ‘zij spraken met elkaar’: dezelfde vorm als in vers 13. Daar sprak men tegen Yahweh, hier spreken de God-vrezenden met elkaar. Voetnoot : סֵפֶר זִכָּרוֹן (sefer zikkaron), ‘een boek van gedachtenis’: een gedenkboek. Vergelijk Est. 6:1 en Exod. 32:32. Voetnoot : חֹשְׁבֵי שְׁמוֹ (choshevei shemo), ‘wie aan Zijn naam denken’: van חָשַׁב (chashav), ‘denken, achten’. Voetnoot : Vers 16 is verhalend en staat zwart: het is de profeet die vertelt. In vers 17 spreekt Yahweh weer zelf. Zie ook: Ex 32:32; Ps 56:9; Jes 26:3; Est 6:1; Mal 3:13; Mal 3:17; Mal 3:20; Openb 15:4; Openb 20:12 ### Zij zullen van Mij zijn **3:17** **„Zij zullen van Mij zijn, zegt Yahweh van de legermachten, op de dag die Ik maak, Mijn eigen bezit. Ik zal hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart die hem dient.** Brontekst: וְהָ֣יוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לִ֗י (li) = voor Mij | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לַיּ֕וֹם (layom) = op de dag | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֲנִ֖י (ani) = Ik | עֹשֶׂ֣ה (ose) = maak | סְגֻלָּ֑ה (segula) = een eigen bezit | וְחָמַלְתִּ֣י (vechamalti) = en Ik zal sparen | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = hen | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | יַחְמֹ֣ל (yachmol) = spaart | אִ֔ישׁ (ish) = een man | עַל (al) = over | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | הָעֹבֵ֥ד (haoved) = die dient | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: hetzelfde woord als in Exod. 19:5 en Deut. 7:6. Het is een kostbaar bezit van een koning. Voetnoot : לַיּוֹם אֲשֶׁר אֲנִי עֹשֶׂה (layyom asher ani oseh), ‘op de dag die Ik maak’: letterlijk ‘voor de dag die Ik maak’. Het kan ook betekenen ‘op de dag dat Ik handel’ of ‘wanneer Ik hen tot eigen bezit maak’. Wij houden de letterlijke vorm. Dezelfde uitdrukking staat in vers 21. Voetnoot : חָמַל (chamal), ‘sparen’: medelijden hebben en niet straffen. Zie ook: Ex 19:5; Deut 7:6; Jes 62:3–4; Mal 3:21; 2 Kor 6:18; Rom 8:32 **3:18** **Dan zullen jullie weer het verschil zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen wie Elohim dient en wie Hem niet dient.** Brontekst: וְשַׁבְתֶּם֙ (veshavtem) = en jullie zullen terugkeren | וּרְאִיתֶ֔ם (ureitem) = en zien | בֵּ֥ין (bein) = tussen | צַדִּ֖יק (tsadiq) = de rechtvaardige | לְרָשָׁ֑ע (lerasha) = en de goddeloze | בֵּ֚ין (bein) = tussen | עֹבֵ֣ד (oved) = wie dient | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | לַאֲשֶׁ֖ר (laasher) = en wie | לֹ֥א (lo) = niet | עֲבָדֽוֹ (avado) = Hem dient Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְשַׁבְתֶּם (veshavtem), ‘jullie zullen terugkeren’: dezelfde stam שׁוּב (shuv) als in vers 7; hier betekent het ‘weer zien’, dus ‘nogmaals’. Zie ook: Gen 18:25; Joz 24:15; Ps 58:11–12; Mal 3:7; Mal 3:14–15; Mat 25:46 ### De dag die komt **3:19** **Want zie, de dag komt, brandend als een oven. Alle hoogmoedigen en allen die goddeloosheid doen, zullen stoppels zijn. De dag die komt, zal hen in brand zetten, zegt Yahweh van de legermachten, zodat hij hun noch wortel noch tak overlaat.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הַיּוֹם֙ (hayom) = de dag | בָּ֔א (ba) = komt | בֹּעֵ֖ר (boer) = brandend | כַּתַּנּ֑וּר (katanur) = als een oven | וְהָי֨וּ (vehayu) = en zullen zijn | כָל (kal) = alle | זֵדִ֜ים (zedim) = hoogmoedigen | וְכָל (vekhal) = en alle | עֹשֵׂ֤ה (ose) = die doen | רִשְׁעָה֙ (risha) = goddeloosheid | קַ֔שׁ (qash) = stoppels | וְלִהַ֨ט (velihat) = en zal in brand zetten | אֹתָ֜ם (otam) = hen | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַבָּ֗א (haba) = die komt | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יַעֲזֹ֥ב (yaazov) = zal laten | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | שֹׁ֥רֶשׁ (shoresh) = wortel | וְעָנָֽף (veanaf) = en tak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Hebreeuwse tekst heeft in dit boek drie hoofdstukken. Hebr. 3:19–24 is in de Nederlandse telling 4:1–6. Voetnoot : בֹּעֵר כַּתַּנּוּר (bo’er kattannur), ‘brandend als een oven’: een bakoven of smeltoven. Voetnoot : זֵדִים (zedim), ‘hoogmoedigen’: dezelfde mensen als in vers 15. Voetnoot : קַשׁ (qash), ‘stoppels’: zoals in Exod. 15:7. Voetnoot : שֹׁרֶשׁ וְעָנָף (shoresh ve’anaf), ‘wortel en tak’: niets blijft over, niet de wortel onder de grond en niet de tak erboven. Zie ook: Ex 15:7; Jes 5:24; Jes 47:14; Mal 3:2; Mal 3:15; 2 Tess 1:8; 2 Petr 3:7; Heb 3:19–24 **3:20** **Maar voor jullie die Mijn naam vrezen, zal de zon van gerechtigheid opgaan, met genezing in haar vleugels. Jullie zullen uitgaan en springen als kalveren uit de stal.** Brontekst: וְזָרְחָ֨ה (vezarecha) = en zal opgaan | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | יִרְאֵ֤י (yirei) = die vrezen | שְׁמִי֙ (shemi) = Mijn naam | שֶׁ֣מֶשׁ (shemesh) = de zon van | צְדָקָ֔ה (tsedaqa) = gerechtigheid | וּמַרְפֵּ֖א (umarpe) = en genezing | בִּכְנָפֶ֑יהָ (bikhnafeiha) = in haar vleugels | וִֽיצָאתֶ֥ם (vitsatem) = en jullie zullen uitgaan | וּפִשְׁתֶּ֖ם (ufishtem) = en springen | כְּעֶגְלֵ֥י (keeglei) = als kalveren van | מַרְבֵּֽק (marbeq) = de stal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁמֶשׁ צְדָקָה (shemesh tsedaqah), ‘zon van gerechtigheid’: de zon is hier een beeld voor de komst van recht en heil. Het woord כְּנָפֶיהָ (kenafeha), ‘haar vleugels’, zijn de uitgespreide stralen of randen van de zon. Een gevleugelde zonneschijf is in het oude Nabije Oosten een bekend beeld (uit het geheugen, niet gecontroleerd). Voetnoot : מַרְפֵּא (marpe), ‘genezing’. Voetnoot : פּוּשׁ (push), ‘springen’: het werkwoord is zeldzaam; kalveren springen uit de stal als ze vrij zijn. Voetnoot : מַרְבֵּק (marbeq), ‘stal’: een plaats waar vee gevoerd en vetgemest wordt. In 1 Sam. 28:24 staat het in ‘gemest kalf’. Zie ook: 1 Sam 28:24; Ps 84:12; Jes 30:26; Jer 33:6; Luc 1:78; Joh 8:12 **3:21** **Jullie zullen de goddelozen vertrappen, want zij zullen as zijn onder de zolen van jullie voeten, op de dag die Ik maak, zegt Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: וְעַסּוֹתֶ֣ם (veasotem) = en jullie zullen vertrappen | רְשָׁעִ֔ים (reshaim) = de goddelozen | כִּֽי (ki) = want | יִהְי֣וּ (yihyu) = zij zullen zijn | אֵ֔פֶר (efer) = as | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כַּפּ֣וֹת (kapot) = de zolen van | רַגְלֵיכֶ֑ם (ragleikhem) = jullie voeten | בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֲנִ֣י (ani) = Ik | עֹשֶׂ֔ה (ose) = maak | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָסַס (asas), ‘vertrappen’: een zeldzaam werkwoord, dat in dit boek alleen hier staat. Het gaat om vertrappen onder de voeten. Voetnoot : אֵפֶר (efer), ‘as’: de goddelozen zijn verbrand en er blijft as van over. Zie ook: Job 40:12; Joz 10:24–25; Mi 7:10; Zach 10:5; Rom 16:20 ### Gedenk de wet van Mozes **3:22** **„Gedenk de wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem op Horeb gebood voor heel Israël: voorschriften en rechtsregels.** Brontekst: זִכְר֕וּ (zikhru) = gedenk | תּוֹרַ֖ת (torat) = de wet van | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | עַבְדִּ֑י (avdi) = Mijn knecht | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | צִוִּ֨יתִי (tsiviti) = Ik gebood | אוֹת֤וֹ (oto) = hem | בְחֹרֵב֙ (bechorev) = op Horeb | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | חֻקִּ֖ים (chuqim) = voorschriften | וּמִשְׁפָּטִֽים (umishpatim) = en rechtsregels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Horeb (traditioneel; ligging omstreden): De Horeb is de berg van Elohim, ook Sinaï genoemd. Van oudsher wordt hij gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Die ligging is omstreden. Voetnoot Uitleg: תּוֹרַת מֹשֶׁה (torat Mosheh), ‘de wet van Mozes’: hier staat ‘Mijn knecht’ (עַבְדִּי, avdi), met een kleine letter. In Joz. 1:2 staat voor hetzelfde woord ‘Mijn dienaar’; in de profeten schrijven wij ‘knecht’. Voetnoot : חֹרֵב (Choreb), ‘Horeb’: de berg Sinaï (Exod. 3:1; Deut. 4:10). Wij schrijven ‘Horeb’, zoals in Deuteronomium. Voetnoot : חֻקִּים וּמִשְׁפָּטִים (chuqqim umishpatim), ‘voorschriften en rechtsregels’: zoals in Deut. 4:5. Zie ook: Ex 3:1; Deut 4:5; Deut 4:10; Joz 1:2; Jak 2:9–13; Gal 5:13–14; Gal 5:24–25; Rom 3:31 **3:23** **Zie, Ik zend jullie Elia, de profeet, voordat de dag van Yahweh komt, de grote en vreeswekkende.** Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | שֹׁלֵ֣חַ (sholeach) = zend | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֵלִיָּ֣ה (eliya) = Elia | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | לִפְנֵ֗י (lifnei) = voordat | בּ֚וֹא (bo) = komt | י֣וֹם (yom) = de dag van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | וְהַנּוֹרָֽא (vehanora) = en de vreeswekkende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵלִיָּה (Eliyyah), ‘Elia’: de profeet uit 1 Kon. 17 tot 2 Kon. 2. Hij werd levend opgenomen (2 Kon. 2:11). Zie ook Matt. 11:14, 17:10–13 en Luc. 1:17. Voetnoot : יוֹם יְהוָה הַגָּדוֹל וְהַנּוֹרָא (yom Yahweh haggadol vehannora), ‘de dag van Yahweh, de grote en vreeswekkende’: zoals in Joël 3:4 (NL 2:31). Zie ook: 2 Kon 2:11; Joël 3:4; Mal 3:1; Mat 11:13–14; Mat 11:14; Mat 17:10–13; Mar 9:11–13; Luc 1:17 **3:24** **Hij zal het hart van de vaders terugbrengen naar de zonen en het hart van de zonen naar hun vaders. Anders kom Ik en sla Ik het land met de ban.”** Brontekst: וְהֵשִׁ֤יב (veheshiv) = en hij zal terugbrengen | לֵב (lev) = het hart van | אָבוֹת֙ (avot) = vaders | עַל (al) = naar | בָּנִ֔ים (banim) = zonen | וְלֵ֥ב (velev) = en het hart van | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | עַל (al) = naar | אֲבוֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | פֶּן (pen) = opdat niet | אָב֕וֹא (avo) = Ik kom | וְהִכֵּיתִ֥י (vehikeiti) = en Ik sla | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | חֵֽרֶם (cherem) = met de ban Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wat aan Yahweh is gewijd om vernietigd te worden (Lev. 27:28–29). Het land wordt dan met de ban geslagen. Voetnoot : Dit is het laatste vers van het boek en het laatste vers van de profeten. Het Hebreeuws sluit af met het woord ‘ban’. Zie ook Luc. 1:17. Zie ook: Lev 27:28–29; Jes 11:4; Dan 9:11; Mat 23:35–38; Luc 1:16–17; Luc 1:17; Heb 10:26–31