# Lucas (Κατὰ Λουκᾶν, Kata Loukan) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Lucas 1 _Het voorwoord, de geboorte van Johannes en de aankondiging aan Maria_ ### Het voorwoord van Lucas **1:1** Aangezien velen hebben geprobeerd een verslag op te stellen over de gebeurtenissen die onder ons zijn vervuld, Brontekst: Ἐπειδήπερ (Epeideper) = aangezien | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐπεχείρησαν (epecheiresan) = probeerden | ἀνατάξασθαι (anataxasthai) = op te stellen | διήγησιν (diegesin) = verslag | περὶ (peri) = over | τῶν (ton) = de | πεπληροφορημένων (peplerophoremenon) = vervulde | ἐν (en) = onder | ἡμῖν (hemin) = ons | πραγμάτων (pragmaton) = gebeurtenissen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Lucas begint met één lange zin (vers 1–4), zoals schrijvers in het Grieks vaak deden. Wij verdelen die over vier verzen en voegen niets toe. Voetnoot : διήγησις (diegesis), ‘verslag’: een ordelijk verhaal. πεπληροφορημένων (peplerophoremenon), ‘vervulde’: van πληροφορέω (plerophoreo), ‘volledig tot stand brengen’; het kan ook ‘volkomen overtuigd zijn’ betekenen. Voetnoot : Zie ook Hand. 1:1. Zie ook: Hand 1:1 **1:2** zoals die ons zijn doorgegeven door hen die vanaf het begin ooggetuigen en dienaren van het woord zijn geworden, Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | παρέδοσαν (paredosan) = gaven door | ἡμῖν (hemin) = ons | οἱ (hoi) = zij die | ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἀρχῆς (arches) = begin | αὐτόπται (autoptai) = ooggetuigen | καὶ (kai) = en | ὑπηρέται (hyperetai) = dienaren | γενόμενοι (genomenoi) = geworden | τοῦ (tou) = van het | λόγου (logou) = woord Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αὐτόπται (autoptai), ‘ooggetuigen’: wie iets zelf gezien heeft. ὑπηρέται (hyperetai), ‘dienaren’: mensen die onder gezag dienen. λόγος (logos), ‘woord’: hier de boodschap die verkondigd werd. **1:3** heb ook ik besloten, nadat ik alles vanaf het begin nauwkeurig had nagegaan, het in volgorde voor u op te schrijven, uitmuntende Theofilus, Brontekst: ἔδοξε (edoxe) = het leek goed | κἀμοὶ (kamoi) = ook mij | παρηκολουθηκότι (parekolouthekoti) = die had nagegaan | ἄνωθεν (anothen) = van het begin | πᾶσιν (pasin) = alles | ἀκριβῶς (akribos) = nauwkeurig | καθεξῆς (kathexes) = in volgorde | σοι (soi) = u | γράψαι (grapsai) = op te schrijven | κράτιστε (kratiste) = uitmuntende | Θεόφιλε (Theophile) = Theofilus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Θεόφιλος (Theophilos), ‘Theofilus’: de naam betekent ‘vriend van Elohim’ of ‘door Elohim bemind’. Wij weten niet wie hij was. κράτιστος (kratistos), ‘uitmuntende’: een eerbiedige aanspreektitel voor een hooggeplaatst man; daarom ‘u’. Voetnoot : Zie ook Hand. 1:1. Zie ook: Hand 1:1 **1:4** zodat u de betrouwbaarheid kunt kennen van de woorden waarin u onderricht bent. Brontekst: ἵνα (hina) = zodat | ἐπιγνῷς (epignos) = u kent | περὶ (peri) = over | ὧν (hon) = welke | κατηχήθης (katechethes) = u bent onderricht | λόγων (logon) = woorden | τὴν (ten) = de | ἀσφάλειαν (asphaleian) = betrouwbaarheid Bron: SBLGNT ### De aankondiging van de geboorte van Johannes **1:5** In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was er een priester die Zacharia heette, uit de afdeling van Abia. Zijn vrouw was een van de dochters van Aäron. Haar naam was Elisabet. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | Ἡρῴδου (Herodou) = van Herodes | βασιλέως (basileos) = koning | τῆς (tes) = van de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | ἱερεύς (hiereus) = priester | τις (tis) = een zekere | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Ζαχαρίας (Zacharias) = Zacharia | ἐξ (ex) = uit | ἐφημερίας (ephemerias) = afdeling | Ἀβιά (Abia) = van Abia | καὶ (kai) = en | γυνὴ (gyne) = vrouw | αὐτῷ (auto) = voor hem | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | θυγατέρων (thygateron) = dochters | Ἀαρών (Aaron) = van Aäron | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτῆς (autes) = haar | Ἐλισάβετ (Elisabet) = Elisabet Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: ἐφημερία (ephemeria), ‘afdeling’: de priesters waren verdeeld in 24 afdelingen, die om beurten in de tempel dienden (1 Kron. 24:1–19). Abia was de achtste afdeling (1 Kron. 24:10). Voetnoot : Ἐλισάβετ (Elisabet) is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Elisjeba (Exod. 6:23). Zacharia betekent ‘Yahweh heeft gedacht’. ‘Een van de dochters van Aäron’ betekent: een vrouw uit het priestergeslacht. Voetnoot : Zie ook Matt. 2:1. Zie ook: Ex 6:23; 1 Kron 24:1–19; 1 Kron 24:10; Mat 2:1 **1:6** Zij waren beiden rechtvaardig voor Elohim en leefden onberispelijk volgens alle geboden en voorschriften van Yahweh. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = nu | δίκαιοι (dikaioi) = rechtvaardigen | ἀμφότεροι (amphoteroi) = beiden | ἐναντίον (enantion) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | πορευόμενοι (poreuomenoi) = wandelend | ἐν (en) = in | πάσαις (pasais) = alle | ταῖς (tais) = de | ἐντολαῖς (entolais) = geboden | καὶ (kai) = en | δικαιώμασιν (dikaiomasin) = voorschriften | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Yahweh | ἄμεμπτοι (amemptoi) = onberispelijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πορευόμενοι ἐν (poreuomenoi en), letterlijk ‘wandelend in’: een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘leven volgens’ (vergelijk Deut. 8:6, ‘op Zijn wegen gaan’). ἐντολή (entole), ‘gebod’; δικαίωμα (dikaioma), ‘voorschrift’. Voetnoot : κυρίου (kyriou), ‘van de Heer’, is vertaald als Yahweh: het gaat om de geboden en voorschriften die Yahweh gegeven heeft. Zie ook: Deut 8:6 **1:7** Zij hadden geen kind, want Elisabet was onvruchtbaar. Beiden waren al op hoge leeftijd. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἦν (en) = was | αὐτοῖς (autois) = voor hen | τέκνον (teknon) = kind | καθότι (kathoti) = omdat | ἦν (en) = was | ἡ (he) = de | Ἐλισάβετ (Elisabet) = Elisabet | στεῖρα (steira) = onvruchtbaar | καὶ (kai) = en | ἀμφότεροι (amphoteroi) = beiden | προβεβηκότες (probebekotes) = gevorderd | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | αὐτῶν (auton) = hun | ἦσαν (esan) = waren Bron: SBLGNT **1:8** Het gebeurde dat hij, toen zijn afdeling aan de beurt was, als priester diende voor Elohim. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ἱερατεύειν (hierateuein) = als priester dienen | αὐτὸν (auton) = hij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | τάξει (taxei) = beurt | τῆς (tes) = van de | ἐφημερίας (ephemerias) = afdeling | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἔναντι (enanti) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγένετο (egeneto), ‘het gebeurde’: Lucas begint zo vaak een verhaal, naar het voorbeeld van het Hebreeuwse וַיְהִי (vayehi). Wij schrijven ‘Het gebeurde dat’ waar dat natuurlijk klinkt en laten het anders weg; in de glosses staat het woord altijd. Voetnoot : τάξις (taxis), ‘beurt’: letterlijk ‘orde, volgorde’. **1:9** Volgens het gebruik van het priesterambt werd hij door het lot aangewezen om het heiligdom van Yahweh binnen te gaan en wierook te branden. Brontekst: κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | ἔθος (ethos) = gebruik | τῆς (tes) = van het | ἱερατείας (hierateias) = priesterambt | ἔλαχε (elache) = kreeg het lot | τοῦ (tou) = om | θυμιᾶσαι (thymiasai) = wierook te branden | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | ναὸν (naon) = heiligdom | τοῦ (tou) = van | κυρίου (kyriou) = Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ναός (naos), ‘heiligdom’: het gebouw zelf, met de ruimte waar de priester wierook brandde. In Luc. 2:27 staat ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele terrein. Wierook werd elke morgen en elke avond gebrand (Exod. 30:7–8). ἔλαχε (elache), ‘kreeg door het lot’: de priesters werden door loting aangewezen voor hun taak. Voetnoot : Zie ook Exod. 30:7–8. Zie ook: Ex 30:7–8; Luc 2:27 **1:10** Heel de menigte van het volk bad buiten, op het uur van de wierook. Brontekst: καὶ (kai) = en | πᾶν (pan) = heel | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | ἦν (en) = was | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | προσευχόμενον (proseuchomenon) = biddend | ἔξω (exo) = buiten | τῇ (te) = op het | ὥρᾳ (hora) = uur | τοῦ (tou) = van de | θυμιάματος (thymiamatos) = wierook Bron: SBLGNT **1:11** Een engel van Yahweh verscheen hem. Hij stond aan de rechterkant van het wierookaltaar. Brontekst: ὤφθη (ophthe) = verscheen | δὲ (de) = nu | αὐτῷ (auto) = hem | ἄγγελος (angelos) = engel | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἑστὼς (hestos) = staande | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterkant | τοῦ (tou) = van het | θυσιαστηρίου (thysiasteriou) = altaar | τοῦ (tou) = van de | θυμιάματος (thymiamatos) = wierook Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄγγελος κυρίου (angelos kyriou), ‘engel van Yahweh’: κυρίου is vertaald als Yahweh, zoals in het Hebreeuwse מַלְאַךְ יְהוָה (malak Yahweh). Zie vers 19, waar de engel zijn naam noemt. Zie ook: Luc 1:19 **1:12** Zacharia raakte van streek toen hij hem zag, en vrees overviel hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐταράχθη (etarachthe) = raakte van streek | Ζαχαρίας (Zacharias) = Zacharia | ἰδών (idon) = ziende | καὶ (kai) = en | φόβος (phobos) = vrees | ἐπέπεσεν (epepesen) = viel | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **1:13** De engel zei tegen hem: „Wees niet bang, Zacharia, want je smeekbede is verhoord. Je vrouw Elisabet zal je een zoon baren, en je moet hem de naam Johannes geven. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | Μὴ (Me) = niet | φοβοῦ (phobou) = wees bang | Ζαχαρία (Zacharia) = Zacharia | διότι (dioti) = want | εἰσηκούσθη (eisekousthe) = is verhoord | ἡ (he) = de | δέησίς (deesis) = smeekbede | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | γυνή (gyne) = vrouw | σου (sou) = je | Ἐλισάβετ (Elisabet) = Elisabet | γεννήσει (gennesei) = zal baren | υἱόν (huion) = zoon | σοι (soi) = voor jou | καὶ (kai) = en | καλέσεις (kaleseis) = zult noemen | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes Bron: SBLGNT **1:14** Je zult vreugde en jubel hebben, en velen zullen zich verheugen over zijn geboorte. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔσται (estai) = zal zijn | χαρά (chara) = vreugde | σοι (soi) = voor jou | καὶ (kai) = en | ἀγαλλίασις (agalliasis) = jubel | καὶ (kai) = en | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = de | γενέσει (genesei) = geboorte | αὐτοῦ (autou) = zijn | χαρήσονται (charesontai) = zullen zich verheugen Bron: SBLGNT **1:15** Want hij zal groot zijn voor Yahweh. Wijn en sterke drank zal hij beslist niet drinken. Al vanaf de schoot van zijn moeder zal hij vervuld worden met de Heilige Geest. Brontekst: ἔσται (estai) = zal zijn | γὰρ (gar) = want | μέγας (megas) = groot | ἐνώπιον (enopion) = voor | τοῦ (tou) = de | κυρίου (kyriou) = Yahweh | καὶ (kai) = en | οἶνον (oinon) = wijn | καὶ (kai) = en | σίκερα (sikera) = sterke drank | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | πίῃ (pie) = zal drinken | καὶ (kai) = en | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἁγίου (hagiou) = heilige | πλησθήσεται (plesthesetai) = zal worden vervuld | ἔτι (eti) = nog | ἐκ (ek) = vanaf | κοιλίας (koilias) = schoot | μητρὸς (metros) = van moeder | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σίκερα (sikera) komt van het Hebreeuwse שֵׁכָר (shekar), ‘sterke drank’. Wie wijn en sterke drank mijdt, leeft zoals een nazireeër (Num. 6:3); vergelijk Richt. 13:4–5. Het Grieks zegt niet dat Johannes nazireeër is. Voetnoot : Zie ook Num. 6:3; Richt. 13:4–5. Zie ook: Num 6:3; Re 13:4–5 **1:16** Velen van de zonen van Israël zal hij terugbrengen tot Yahweh, hun Elohim. Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλοὺς (pollous) = velen | τῶν (ton) = van de | υἱῶν (huion) = zonen | Ἰσραὴλ (Israel) = van Israël | ἐπιστρέψει (epistrepsei) = zal terugbrengen | ἐπὶ (epi) = tot | κύριον (kyrion) = Yahweh | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιστρέψει (epistrepsei), ‘zal terugbrengen’: het Hebreeuwse werkwoord שׁוּב (shuv), ‘zich omkeren’, in de vorm ‘doen omkeren’. De zonen van Israël zullen zich tot Yahweh keren. **1:17** Zelf zal hij voor Hem uitgaan, met de geest en de kracht van Elia. De harten van de vaders zal hij terugbrengen naar de kinderen, en de ongehoorzamen naar het inzicht van de rechtvaardigen. Voor Yahweh zal hij een toegerust volk gereedmaken.” Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = hij zelf | προελεύσεται (proeleusetai) = zal voorafgaan | ἐνώπιον (enopion) = voor | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = geest | καὶ (kai) = en | δυνάμει (dynamei) = kracht | Ἠλίου (Eliou) = van Elia | ἐπιστρέψαι (epistrepsai) = om terug te brengen | καρδίας (kardias) = harten | πατέρων (pateron) = van vaders | ἐπὶ (epi) = naar | τέκνα (tekna) = kinderen | καὶ (kai) = en | ἀπειθεῖς (apeitheis) = ongehoorzamen | ἐν (en) = in | φρονήσει (phronesei) = inzicht | δικαίων (dikaion) = van rechtvaardigen | ἑτοιμάσαι (hetoimasai) = om gereed te maken | κυρίῳ (kyrio) = voor Yahweh | λαὸν (laon) = volk | κατεσκευασμένον (kateskeuasmenon) = toegerust Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit gaat terug op Mal. 3:23–24 (in de Nederlandse telling 4:5–6): ‘Zie, Ik zend jullie Elia, de profeet … Hij zal het hart van de vaders terugbrengen naar de zonen.’ Johannes komt ‘met de geest en de kracht van Elia’, niet als Elia zelf (vergelijk Joh. 1:21). Voetnoot : φρόνησις (phronesis), ‘inzicht’: praktische wijsheid. κατεσκευασμένον (kateskeuasmenon), ‘toegerust’: klaargemaakt. Voetnoot : Zie ook Mal. 3:23–24; Matt. 11:14. Zie ook: Mal 3:23–24; Mat 11:14; Joh 1:21 **1:18** Zacharia zei tegen de engel: „Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is al op hoge leeftijd.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ζαχαρίας (Zacharias) = Zacharia | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | ἄγγελον (angelon) = engel | Κατὰ (Kata) = volgens | τί (ti) = wat | γνώσομαι (gnosomai) = zal ik weten | τοῦτο (touto) = dit | ἐγὼ (ego) = ik | γάρ (gar) = want | εἰμι (eimi) = ben | πρεσβύτης (presbytes) = oud | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | γυνή (gyne) = vrouw | μου (mou) = mijn | προβεβηκυῖα (probebekuia) = gevorderd | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT **1:19** De engel antwoordde en zei tegen hem: „Ik ben Gabriël, die voor Elohim staat. Ik ben gezonden om met je te spreken en je de goede boodschap van deze dingen te brengen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ἐγώ (Ego) = ik | εἰμι (eimi) = ben | Γαβριὴλ (Gabriel) = Gabriël | ὁ (ho) = die | παρεστηκὼς (parestekos) = staat | ἐνώπιον (enopion) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἀπεστάλην (apestalen) = ben gezonden | λαλῆσαι (lalesai) = te spreken | πρὸς (pros) = tot | σὲ (se) = jou | καὶ (kai) = en | εὐαγγελίσασθαί (euangelisasthai) = de goede boodschap te brengen | σοι (soi) = aan jou | ταῦτα (tauta) = deze dingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Γαβριήλ (Gabriel), ‘Gabriël’: het Hebreeuws betekent ‘man van Elohim’. Hij verscheen ook aan Daniël (Dan. 8:16; 9:21). παρεστηκώς ἐνώπιον τοῦ θεοῦ, ‘die voor Elohim staat’: hij staat in Zijn directe nabijheid om Hem te dienen. Voetnoot : εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’, van εὐαγγέλιον (euangelion), ‘goede boodschap’: het nieuws dat Elohim brengt. Wij vertalen het overal zo. Voetnoot : ἀπεστάλην (apestalen), ‘ik ben gezonden’, van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’: wij vertalen dit werkwoord overal met ‘zenden’ en πέμπω (pempo) met ‘sturen’. Voetnoot : Zie ook Dan. 8:16; Dan. 9:21. Zie ook: Dan 8:16; Dan 9:21 **1:20** En zie: je zult zwijgen en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit gebeurt, omdat je mijn woorden niet hebt geloofd. Zij zullen op hun tijd vervuld worden.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἔσῃ (ese) = zult zijn | σιωπῶν (siopon) = zwijgend | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | δυνάμενος (dynamenos) = kunnend | λαλῆσαι (lalesai) = spreken | ἄχρι (achri) = tot | ἧς (hes) = welke | ἡμέρας (hemeras) = dag | γένηται (genetai) = gebeurt | ταῦτα (tauta) = dit | ἀνθ’ (anth’) = omdat | ὧν (hon) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἐπίστευσας (episteusas) = geloofde | τοῖς (tois) = de | λόγοις (logois) = woorden | μου (mou) = mijn | οἵτινες (hoitines) = die | πληρωθήσονται (plerothesontai) = zullen worden vervuld | εἰς (eis) = op | τὸν (ton) = de | καιρὸν (kairon) = tijd | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **1:21** Het volk wachtte op Zacharia en verwonderde zich dat hij zo lang in het heiligdom bleef. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | προσδοκῶν (prosdokon) = verwachtend | τὸν (ton) = de | Ζαχαρίαν (Zacharian) = Zacharia | καὶ (kai) = en | ἐθαύμαζον (ethaumazon) = verwonderden zich | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | χρονίζειν (chronizein) = verwijlen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ναῷ (nao) = heiligdom | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **1:22** Toen hij naar buiten kwam, kon hij niet tot hen spreken. Zij begrepen dat hij in het heiligdom een visioen had gezien. Hij maakte gebaren naar hen en bleef doofstom. Brontekst: ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | δὲ (de) = nu | οὐκ (ouk) = niet | ἐδύνατο (edynato) = kon | λαλῆσαι (lalesai) = spreken | αὐτοῖς (autois) = tot hen | καὶ (kai) = en | ἐπέγνωσαν (epegnosan) = begrepen | ὅτι (hoti) = dat | ὀπτασίαν (optasian) = visioen | ἑώρακεν (heoraken) = hij had gezien | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ναῷ (nao) = heiligdom | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = hij zelf | ἦν (en) = was | διανεύων (dianeuon) = gebarend | αὐτοῖς (autois) = naar hen | καὶ (kai) = en | διέμενεν (diemenen) = bleef | κωφός (kophos) = doofstom Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κωφός (kophos) betekent ‘stom’ of ‘doof’, of beide. Omdat men in vers 62 met gebaren met Zacharia spreekt, vertalen wij ‘doofstom’. ὀπτασία (optasia), ‘visioen’: iets dat men ziet, een verschijning. Zie ook: Luc 1:62 **1:23** Toen de dagen van zijn dienst voorbij waren, ging hij naar zijn huis. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ὡς (hos) = toen | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | αἱ (hai) = de | ἡμέραι (hemerai) = dagen | τῆς (tes) = van de | λειτουργίας (leitourgias) = dienst | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **1:24** Na die dagen werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Vijf maanden hield zij zich verborgen. Zij zei: Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = nu | ταύτας (tautas) = deze | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | συνέλαβεν (synelaben) = werd zwanger | Ἐλισάβετ (Elisabet) = Elisabet | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | περιέκρυβεν (periekryben) = hield verborgen | ἑαυτὴν (heauten) = zichzelf | μῆνας (menas) = maanden | πέντε (pente) = vijf | λέγουσα (legousa) = zeggend Bron: SBLGNT **1:25** „Zo heeft Yahweh voor mij gedaan in de dagen waarin Hij op mij heeft neergezien, om mijn schande onder de mensen weg te nemen.” Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | Οὕτως (Houtos) = zo | μοι (moi) = voor mij | πεποίηκεν (pepoieken) = heeft gedaan | κύριος (kyrios) = Yahweh | ἐν (en) = in | ἡμέραις (hemerais) = dagen | αἷς (hais) = waarin | ἐπεῖδεν (epeiden) = heeft neergezien | ἀφελεῖν (aphelein) = weg te nemen | ὄνειδός (oneidos) = schande | μου (mou) = mijn | ἐν (en) = onder | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὄνειδος (oneidos), ‘schande’: kinderloosheid gold als een schande; vergelijk Gen. 30:23, waar Rachel zegt: ‘Elohim heeft mijn schande weggenomen.’ κύριος (kyrios) is hier vertaald als Yahweh. Voetnoot : Zie ook Gen. 30:23. Zie ook: Gen 30:23 ### De aankondiging van de geboorte van Yeshua **1:26** In de zesde maand werd de engel Gabriël door Elohim gezonden naar een stad in Galilea die Nazaret heette, Brontekst: Ἐν (En) = in | δὲ (de) = nu | τῷ (to) = de | μηνὶ (meni) = maand | τῷ (to) = de | ἕκτῳ (hekto) = zesde | ἀπεστάλη (apestale) = werd gezonden | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | Γαβριὴλ (Gabriel) = Gabriël | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰς (eis) = naar | πόλιν (polin) = stad | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | ᾗ (he) = wiens | ὄνομα (onoma) = naam | Ναζαρὲθ (Nazareth) = Nazaret Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: ‘De zesde maand’ is de zesde maand van de zwangerschap van Elisabet (vers 36). Ναζαρέθ (Nazareth) is hier de schrijfwijze van de stad Nazaret. Zie ook: Luc 1:36 **1:27** naar een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David. De naam van de maagd was Maria. Brontekst: πρὸς (pros) = naar | παρθένον (parthenon) = maagd | ἐμνηστευμένην (emnesteumenen) = verloofde | ἀνδρὶ (andri) = aan een man | ᾧ (ho) = wiens | ὄνομα (onoma) = naam | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | ἐξ (ex) = uit | οἴκου (oikou) = huis | Δαυίδ (Dauid) = van David | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | τῆς (tes) = van de | παρθένου (parthenou) = maagd | Μαριάμ (Mariam) = Maria Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρθένος (parthenos), ‘maagd’: zoals in Matt. 1:23. ἐμνηστευμένην (emnesteumenen), ‘verloofd’: een verloving was bindend (vergelijk Matt. 1:18–19). Voetnoot : Zie ook Matt. 1:18–25. Zie ook: Mat 1:18–19; Mat 1:23 **1:28** Hij kwam bij haar binnen en zei: „Gegroet, begenadigde! Yahweh is met je.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengekomen | πρὸς (pros) = bij | αὐτὴν (auten) = haar | εἶπεν (eipen) = zei | Χαῖρε (Chaire) = gegroet | κεχαριτωμένη (kecharitomene) = begenadigde | ὁ (ho) = (de) | κύριος (kyrios) = Yahweh | μετὰ (meta) = met | σοῦ (sou) = jou Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χαῖρε (chaire), ‘gegroet’: letterlijk ‘verheug je’, de gewone groet. κεχαριτωμένη (kecharitomene), ‘begenadigde’: van χάρις (charis), ‘genade’; iemand aan wie genade is gegeven. ‘Yahweh is met je’ zijn de woorden die de engel van Yahweh tot Gideon sprak (Richt. 6:12). Voetnoot Lezing: Sommige handschriften voegen na ‘Yahweh is met je’ toe: ‘gezegend ben jij onder de vrouwen’ (vergelijk vers 42). Die woorden staan niet in de SBLGNT. Voetnoot : Zie ook Richt. 6:12. Zie ook: Re 6:12; Luc 1:42 **1:29** Zij raakte zeer van streek door dit woord en overlegde wat voor een groet dit was. Brontekst: ἡ (he) = zij | δὲ (de) = nu | ἐπὶ (epi) = over | τῷ (to) = het | λόγῳ (logo) = woord | διεταράχθη (dietarachthe) = raakte zeer van streek | καὶ (kai) = en | διελογίζετο (dielogizeto) = overlegde | ποταπὸς (potapos) = wat voor | εἴη (eie) = zou zijn | ὁ (ho) = de | ἀσπασμὸς (aspasmos) = groet | οὗτος (houtos) = deze Bron: SBLGNT **1:30** De engel zei tegen haar: „Wees niet bang, Maria, want je hebt genade gevonden bij Elohim. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | αὐτῇ (aute) = tot haar | Μὴ (Me) = niet | φοβοῦ (phobou) = wees bang | Μαριάμ (Mariam) = Maria | εὗρες (heures) = vond | γὰρ (gar) = want | χάριν (charin) = genade | παρὰ (para) = bij | τῷ (to) = de | θεῷ (theo) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χάρις (charis), ‘genade’. De uitdrukking ‘genade vinden’ komt overeen met het Hebreeuwse חֵן (chen), dat wij in het Oude Testament met ‘gunst’ vertalen (Gen. 6:8). Zie ook: Gen 6:8 **1:31** En zie: je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet Hem de naam Yeshua geven. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | συλλήμψῃ (syllempse) = zult ontvangen | ἐν (en) = in | γαστρὶ (gastri) = schoot | καὶ (kai) = en | τέξῃ (texe) = zult baren | υἱόν (huion) = zoon | καὶ (kai) = en | καλέσεις (kaleseis) = zult noemen | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰησοῦς (Iesous), ‘Yeshua’: de naam betekent ‘Yahweh redt’ (zie Matt. 1:21). Voetnoot : Zie ook Matt. 1:21. Zie ook: Mat 1:21 **1:32** Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. Yahweh Elohim zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Brontekst: οὗτος (houtos) = Deze | ἔσται (estai) = zal zijn | μέγας (megas) = groot | καὶ (kai) = en | υἱὸς (huios) = Zoon | Ὑψίστου (Hypsistou) = van de Allerhoogste | κληθήσεται (klethesetai) = zal worden genoemd | καὶ (kai) = en | δώσει (dosei) = zal geven | αὐτῷ (auto) = aan Hem | κύριος (kyrios) = Yahweh | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τὸν (ton) = de | θρόνον (thronon) = troon | Δαυὶδ (Dauid) = van David | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = vader | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ὕψιστος (Hypsistos), ‘de Allerhoogste’: in het Hebreeuws עֶלְיוֹן (Elyon), zoals in Gen. 14:18–19. De belofte over de troon van David volgt 2 Sam. 7:12–16. κύριος ὁ θεός (kyrios ho theos) is vertaald als ‘Yahweh Elohim’, naar het Hebreeuwse יהוה אלהים. Voetnoot : Zie ook 2 Sam. 7:12–16. Zie ook: Gen 14:18–19; 2 Sam 7:12–16 **1:33** Hij zal voor eeuwig koning zijn over het huis van Jakob. Aan Zijn koninkrijk zal geen einde zijn.” Brontekst: καὶ (kai) = en | βασιλεύσει (basileusei) = zal koning zijn | ἐπὶ (epi) = over | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | Ἰακὼβ (Iakob) = van Jakob | εἰς (eis) = tot | τοὺς (tous) = de | αἰῶνας (aionas) = eeuwen | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | αὐτοῦ (autou) = Zijn | οὐκ (ouk) = niet | ἔσται (estai) = zal zijn | τέλος (telos) = einde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het huis van Jakob is Israël. Vergelijk Dan. 7:14 (‘Zijn heerschappij is een heerschappij voor eeuwig’) en Jes. 9:5–6. Voetnoot : Zie ook Dan. 7:14; Jes. 9:5–6. Zie ook: Jes 9:5–6; Dan 7:14 **1:34** Maria zei tegen de engel: „Hoe zal dit gebeuren, aangezien ik geen gemeenschap heb met een man?” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | ἄγγελον (angelon) = engel | Πῶς (Pos) = hoe | ἔσται (estai) = zal zijn | τοῦτο (touto) = dit | ἐπεὶ (epei) = aangezien | ἄνδρα (andra) = man | οὐ (ou) = niet | γινώσκω (ginosko) = ken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γινώσκω (ginosko), ‘kennen’: in de Bijbel ook het woord voor gemeenschap hebben, zoals in Gen. 4:1 en Matt. 1:25. Wij schrijven ‘gemeenschap hebben’. Zie ook: Gen 4:1; Mat 1:25 **1:35** De engel antwoordde en zei tegen haar: „De Heilige Geest zal over je komen, en de kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen. Daarom zal ook het heilige dat geboren wordt, Zoon van Elohim genoemd worden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tot haar | Πνεῦμα (Pneuma) = Geest | ἅγιον (hagion) = heilige | ἐπελεύσεται (epeleusetai) = zal komen | ἐπὶ (epi) = over | σέ (se) = jou | καὶ (kai) = en | δύναμις (dynamis) = kracht | Ὑψίστου (Hypsistou) = van de Allerhoogste | ἐπισκιάσει (episkiasei) = zal overschaduwen | σοι (soi) = jou | διὸ (dio) = daarom | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = het | γεννώμενον (gennomenon) = geboren wordende | ἅγιον (hagion) = heilige | κληθήσεται (klethesetai) = zal worden genoemd | υἱὸς (huios) = Zoon | θεοῦ (theou) = van Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπισκιάσει (episkiasei), ‘zal overschaduwen’: een beeld van de nabijheid van Elohim, zoals de wolk die de tent van samenkomst bedekte (Exod. 40:34–35). De Heilige Geest is de Geest van Elohim uit Gen. 1:2. Voetnoot : Het Grieks kan op twee manieren gelezen worden: ‘het heilige dat geboren wordt, zal Zoon van Elohim genoemd worden’ of ‘wat geboren wordt, zal heilig genoemd worden: Zoon van Elohim’. Wij kiezen de eerste lezing; zie vers 32. Voetnoot : Zie ook Exod. 40:34–35; Matt. 1:18–20. Zie ook: Gen 1:2; Ex 40:34–35; Mat 1:18–20; Luc 1:32 **1:36** En zie: Elisabet, je familielid, is ook zelf zwanger van een zoon, op haar oude dag. Dit is de zesde maand voor haar die onvruchtbaar werd genoemd. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | Ἐλισάβετ (Elisabet) = Elisabet | ἡ (he) = de | συγγενίς (syngenis) = familielid | σου (sou) = je | καὶ (kai) = ook | αὐτὴ (aute) = zij zelf | συνείληφεν (syneilephen) = heeft ontvangen | υἱὸν (huion) = zoon | ἐν (en) = in | γήρει (gerei) = ouderdom | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | οὗτος (houtos) = deze | μὴν (men) = maand | ἕκτος (hektos) = zesde | ἐστὶν (estin) = is | αὐτῇ (aute) = voor haar | τῇ (te) = die | καλουμένῃ (kaloumene) = genoemd wordende | στείρᾳ (steira) = onvruchtbaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συγγενίς (syggenis), ‘familielid’ (vrouwelijk). Het Grieks zegt niet hoe Maria en Elisabet aan elkaar verwant waren. **1:37** Want voor Elohim is geen enkel woord onmogelijk.” Brontekst: ὅτι (hoti) = want | οὐκ (ouk) = niet | ἀδυνατήσει (adynatesei) = zal onmogelijk zijn | παρὰ (para) = bij | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | πᾶν (pan) = elk | ῥῆμα (rhema) = woord Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥῆμα (rhema), ‘woord’: ook ‘zaak, ding’, zoals het Hebreeuwse דָּבָר (davar). Vergelijk Gen. 18:14: ‘Is er iets te wonderlijk voor Yahweh?’. Voetnoot : Zie ook Gen. 18:14. Zie ook: Gen 18:14 **1:38** Maria zei: „Zie, ik ben de dienares van Yahweh. Laat het met mij gebeuren naar uw woord.” Toen ging de engel van haar weg. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = nu | Μαριάμ (Mariam) = Maria | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἡ (he) = de | δούλη (doule) = dienares | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | γένοιτό (genoito) = moge gebeuren | μοι (moi) = mij | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | ῥῆμά (rhema) = woord | σου (sou) = uw | καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῆς (autes) = haar | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δούλη (doule), ‘dienares’: het vrouwelijke woord bij δοῦλος (doulos), ‘knecht’. Vergelijk Hanna, die zichzelf ‘Uw dienares’ noemt (1 Sam. 1:11). κυρίου is hier vertaald als Yahweh. Zie ook: 1 Sam 1:11 ### Maria bezoekt Elisabet **1:39** In die dagen stond Maria op en ging met haast naar het bergland, naar een stad in Juda. Brontekst: Ἀναστᾶσα (Anastasa) = opgestaan | δὲ (de) = nu | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ταύταις (tautais) = deze | ἐπορεύθη (eporeuthe) = ging | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ὀρεινὴν (oreinen) = bergland | μετὰ (meta) = met | σπουδῆς (spoudes) = haast | εἰς (eis) = naar | πόλιν (polin) = stad | Ἰούδα (Iouda) = van Juda Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Een stad in Juda (Ein Kerem?; ligging onzeker): Lucas noemt de stad niet bij naam. De overlevering zoekt haar in Ein Kerem, ten westen van Jeruzalem, in het bergland van Judea. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ὀρεινή (oreine), ‘bergland’: het heuvelland van Judea. Het Grieks noemt de naam van de stad niet; wij weten niet zeker welke stad bedoeld is. **1:40** Zij ging het huis van Zacharia binnen en groette Elisabet. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | Ζαχαρίου (Zachariou) = van Zacharia | καὶ (kai) = en | ἠσπάσατο (espasato) = groette | τὴν (ten) = de | Ἐλισάβετ (Elisabet) = Elisabet Bron: SBLGNT **1:41** Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong de baby in haar schoot op, en Elisabet werd vervuld met de Heilige Geest. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ὡς (hos) = toen | ἤκουσεν (ekousen) = hoorde | τὸν (ton) = de | ἀσπασμὸν (aspasmon) = groet | τῆς (tes) = van de | Μαρίας (Marias) = Maria | ἡ (he) = de | Ἐλισάβετ (Elisabet) = Elisabet | ἐσκίρτησεν (eskirtesen) = sprong op | τὸ (to) = de | βρέφος (brephos) = baby | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | κοιλίᾳ (koilia) = schoot | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | ἐπλήσθη (eplesthe) = werd vervuld | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἁγίου (hagiou) = heilige | ἡ (he) = de | Ἐλισάβετ (Elisabet) = Elisabet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐσκίρτησεν (eskirtesen), ‘sprong op’: vergelijk Gen. 25:22, waar de kinderen van Rebekka elkaar in haar schoot stootten. βρέφος (brephos), ‘baby’: ook van een ongeboren kind. Voetnoot : Zie ook Gen. 25:22. Zie ook: Gen 25:22 **1:42** Zij riep met een luide kreet en zei: „Gezegend ben jij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀνεφώνησεν (anephonesen) = riep uit | κραυγῇ (krauge) = met kreet | μεγάλῃ (megale) = luide | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Εὐλογημένη (Eulogemene) = gezegende | σὺ (sy) = jij | ἐν (en) = onder | γυναιξίν (gynaixin) = vrouwen | καὶ (kai) = en | εὐλογημένος (eulogemenos) = gezegende | ὁ (ho) = de | καρπὸς (karpos) = vrucht | τῆς (tes) = van de | κοιλίας (koilias) = schoot | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐλογημένη (eulogemene), ‘gezegend’: door Elohim gezegend. De woorden doen denken aan Richt. 5:24: ‘Gezegend zij Jaël boven alle vrouwen’. Voetnoot : Zie ook Richt. 5:24. Zie ook: Re 5:24 **1:43** Hoe komt het dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? Brontekst: καὶ (kai) = en | πόθεν (pothen) = vanwaar | μοι (moi) = mij | τοῦτο (touto) = dit | ἵνα (hina) = opdat | ἔλθῃ (elthe) = komt | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | μου (mou) = mijn | πρὸς (pros) = tot | ἐμέ (eme) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’, met hoofdletter: Elisabet noemt het kind in de schoot van Maria haar Heer. Vergelijk Ps. 110:1, ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer’. Voetnoot : Zie ook Ps. 110:1. Zie ook: Ps 110:1 **1:44** Want zie: toen de stem van je groet in mijn oren klonk, sprong de baby van jubel op in mijn schoot. Brontekst: ἰδοὺ (idou) = zie | γὰρ (gar) = want | ὡς (hos) = toen | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἡ (he) = de | φωνὴ (phone) = stem | τοῦ (tou) = van de | ἀσπασμοῦ (aspasmou) = groet | σου (sou) = je | εἰς (eis) = in | τὰ (ta) = de | ὦτά (ota) = oren | μου (mou) = mijn | ἐσκίρτησεν (eskirtesen) = sprong op | ἐν (en) = in | ἀγαλλιάσει (agalliasei) = jubel | τὸ (to) = de | βρέφος (brephos) = baby | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | κοιλίᾳ (koilia) = schoot | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **1:45** En gelukkig is zij die geloofd heeft dat voltooid zal worden wat haar van Yahweh gezegd is.” Brontekst: καὶ (kai) = en | μακαρία (makaria) = gelukkige | ἡ (he) = de | πιστεύσασα (pisteusasa) = geloofd hebbende | ὅτι (hoti) = dat | ἔσται (estai) = zal zijn | τελείωσις (teleiosis) = voltooiing | τοῖς (tois) = aan het | λελαλημένοις (lelalemenois) = gesprokene | αὐτῇ (aute) = aan haar | παρὰ (para) = van | κυρίου (kyriou) = Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μακαρία (makaria), ‘gelukkig’: zoals in Matt. 5:3. τελείωσις (teleiosis), ‘voltooiing’: wat begonnen is, wordt afgemaakt. Zie ook: Mat 5:3 ### De lofzang van Maria **1:46** Maria zei: „Mijn ziel maakt Yahweh groot, Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Μαριάμ (Mariam) = Maria | Μεγαλύνει (Megalynei) = maakt groot | ἡ (he) = de | ψυχή (psyche) = ziel | μου (mou) = mijn | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Deze lofzang doet sterk denken aan het gebed van Hanna (1 Sam. 2:1–10): de hoogmoedigen vallen, de geringen worden verhoogd, de hongerigen worden verzadigd. μεγαλύνω (megalyno), ‘groot maken’: loven, verheerlijken. ψυχή (psyche), ‘ziel’. Voetnoot : Zie ook 1 Sam. 2:1–10. Zie ook: 1 Sam 2:1–10 **1:47** en mijn geest jubelt over Elohim, mijn Redder, Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠγαλλίασεν (egalliasen) = jubelde | τὸ (to) = de | πνεῦμά (pneuma) = geest | μου (mou) = mijn | ἐπὶ (epi) = over | τῷ (to) = de | θεῷ (theo) = Elohim | τῷ (to) = de | σωτῆρί (soteri) = Redder | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **1:48** want Hij heeft neergezien op de lage staat van Zijn dienares. Zie, vanaf nu zullen alle generaties mij gelukkig noemen, Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ἐπέβλεψεν (epeblepsen) = heeft neergezien | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | ταπείνωσιν (tapeinosin) = lage staat | τῆς (tes) = van de | δούλης (doules) = dienares | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἰδοὺ (idou) = zie | γὰρ (gar) = want | ἀπὸ (apo) = vanaf | τοῦ (tou) = het | νῦν (nyn) = nu | μακαριοῦσίν (makariousin) = zullen gelukkig noemen | με (me) = mij | πᾶσαι (pasai) = alle | αἱ (hai) = de | γενεαί (geneai) = generaties Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ταπείνωσις (tapeinosis), ‘lage staat’: het zijn van weinig aanzien; vergelijk 1 Sam. 1:11, waar Hanna om het ‘lijden’ van haar dienares vraagt. μακαρίζω (makarizo), ‘gelukkig noemen’: vergelijk Gen. 30:13. Voetnoot : Zie ook 1 Sam. 1:11; Gen. 30:13. Zie ook: Gen 30:13; 1 Sam 1:11 **1:49** want de Machtige heeft grote dingen voor mij gedaan, en heilig is Zijn naam. Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ἐποίησέν (epoiesen) = heeft gedaan | μοι (moi) = voor mij | μεγάλα (megala) = grote dingen | ὁ (ho) = de | δυνατός (dynatos) = Machtige | καὶ (kai) = en | ἅγιον (hagion) = heilig | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ δυνατός (ho dynatos), ‘de Machtige’: een naam voor Elohim. ‘Heilig is Zijn naam’: vergelijk Ps. 111:9. Voetnoot : Zie ook Ps. 111:9. Zie ook: Ps 111:9 **1:50** Zijn barmhartigheid is van generatie op generatie voor wie Hem vrezen. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | ἔλεος (eleos) = barmhartigheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = tot | γενεὰς (geneas) = generaties | καὶ (kai) = en | γενεὰς (geneas) = generaties | τοῖς (tois) = voor de | φοβουμένοις (phoboumenois) = vrezenden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’: dit woord past bij het Hebreeuwse חֶסֶד (chesed), dat wij in het Oude Testament met ‘trouw’ weergeven. Vergelijk Ps. 103:17. Voetnoot : Zie ook Ps. 103:17. Zie ook: Ps 103:17 **1:51** Hij heeft kracht getoond met Zijn arm. Hij heeft de hoogmoedigen verstrooid, in het denken van hun hart. Brontekst: Ἐποίησεν (Epoiesen) = heeft gedaan | κράτος (kratos) = kracht | ἐν (en) = met | βραχίονι (brachioni) = arm | αὐτοῦ (autou) = Zijn | διεσκόρπισεν (dieskorpisen) = heeft verstrooid | ὑπερηφάνους (hyperephanous) = hoogmoedigen | διανοίᾳ (dianoia) = in het denken | καρδίας (kardias) = van het hart | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βραχίων (brachion), ‘arm’: in de Bijbel een beeld voor de kracht van Elohim, bijvoorbeeld in Jes. 52:10. Zie ook: Jes 52:10 **1:52** Hij heeft machthebbers van de tronen gehaald en geringen verhoogd. Brontekst: καθεῖλεν (katheilen) = heeft neergehaald | δυνάστας (dynastas) = machthebbers | ἀπὸ (apo) = van | θρόνων (thronon) = tronen | καὶ (kai) = en | ὕψωσεν (hypsosen) = verhoogde | ταπεινούς (tapeinous) = geringen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: wij vertalen dit werkwoord overal zo. δυνάστης (dynastes), ‘machthebber’. Vergelijk 1 Sam. 2:7–8: ‘Hij vernedert, maar verheft ook.’ Zie ook: 1 Sam 2:7–8 **1:53** Hongerigen heeft Hij gevuld met goede dingen, en rijken heeft Hij leeg weggezonden. Brontekst: πεινῶντας (peinontas) = hongerenden | ἐνέπλησεν (eneplesen) = heeft gevuld | ἀγαθῶν (agathon) = goede dingen | καὶ (kai) = en | πλουτοῦντας (ploutountas) = rijken | ἐξαπέστειλεν (exapesteilen) = zond weg | κενούς (kenous) = leeg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξαπέστειλεν (exapesteilen), ‘zond weg’: van ἀποστέλλω, ‘zenden’, met het voorvoegsel ἐξ-, ‘weg’. Voetnoot : Zie ook 1 Sam. 2:5; Ps. 107:9. Zie ook: 1 Sam 2:5; Ps 107:9 **1:54** Hij is Israël, Zijn knecht, te hulp gekomen en heeft aan barmhartigheid gedacht, Brontekst: ἀντελάβετο (antelabeto) = nam zich aan | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | παιδὸς (paidos) = knecht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | μνησθῆναι (mnesthenai) = zich te herinneren | ἐλέους (eleous) = barmhartigheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παῖς (pais), ‘knecht’: Israël wordt hier de knecht van Elohim genoemd, zoals in Jes. 41:8–9. Voetnoot : Zie ook Jes. 41:8–9. Zie ook: Jes 41:8–9 **1:55** zoals Hij gesproken heeft tot onze vaders, tot Abraham en tot zijn nageslacht, voor eeuwig.” Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | πρὸς (pros) = tot | τοὺς (tous) = de | πατέρας (pateras) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | τῷ (to) = aan de | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan het | σπέρματι (spermati) = nageslacht | αὐτοῦ (autou) = zijn | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπέρμα (sperma), ‘nageslacht’: zoals het Hebreeuwse זֶרַע (zera). De belofte aan Abraham staat in Gen. 22:16–18. Voetnoot : Zie ook Gen. 22:16–18; Micha 7:20. Zie ook: Gen 22:16–18; Mi 7:20 **1:56** Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar en keerde terug naar haar huis. Brontekst: Ἔμεινεν (Emeinen) = bleef | δὲ (de) = nu | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | σὺν (syn) = met | αὐτῇ (aute) = haar | ὡς (hos) = ongeveer | μῆνας (menas) = maanden | τρεῖς (treis) = drie | καὶ (kai) = en | ὑπέστρεψεν (hypestrepsen) = keerde terug | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT ### De geboorte van Johannes **1:57** Voor Elisabet was de tijd gekomen om te bevallen, en zij beviel van een zoon. Brontekst: Τῇ (Te) = voor de | δὲ (de) = nu | Ἐλισάβετ (Elisabet) = Elisabet | ἐπλήσθη (eplesthe) = werd vervuld | ὁ (ho) = de | χρόνος (chronos) = tijd | τοῦ (tou) = om | τεκεῖν (tekein) = te baren | αὐτήν (auten) = haar | καὶ (kai) = en | ἐγέννησεν (egennesen) = beviel van | υἱόν (huion) = zoon Bron: SBLGNT **1:58** Haar buren en familieleden hoorden dat Yahweh Zijn barmhartigheid aan haar groot had gemaakt, en zij verheugden zich met haar. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden | οἱ (hoi) = de | περίοικοι (perioikoi) = buren | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | συγγενεῖς (syngeneis) = familieleden | αὐτῆς (autes) = haar | ὅτι (hoti) = dat | ἐμεγάλυνεν (emegalynen) = maakte groot | κύριος (kyrios) = Yahweh | τὸ (to) = de | ἔλεος (eleos) = barmhartigheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | μετ’ (met’) = met | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | συνέχαιρον (synechairon) = verheugden zich mee | αὐτῇ (aute) = met haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμεγάλυνεν κύριος τὸ ἔλεος αὐτοῦ (emegalynen kyrios to eleos autou), ‘Yahweh maakte Zijn barmhartigheid groot’: vergelijk Gen. 19:19, ‘U hebt mij grote trouw bewezen’. Voetnoot : Zie ook Gen. 19:19. Zie ook: Gen 19:19 **1:59** Het gebeurde op de achtste dag dat zij kwamen om het kind te besnijden. Zij wilden het Zacharia noemen, naar de naam van zijn vader. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τῇ (te) = de | ὀγδόῃ (ogdoe) = achtste | ἦλθον (elthon) = kwamen | περιτεμεῖν (peritemein) = te besnijden | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | καὶ (kai) = en | ἐκάλουν (ekaloun) = noemden | αὐτὸ (auto) = het | ἐπὶ (epi) = naar | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ζαχαρίαν (Zacharian) = Zacharia Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De besnijdenis op de achtste dag volgt Gen. 17:12 en Lev. 12:3. ἐκάλουν (ekaloun), ‘zij noemden’: de onvoltooid verleden tijd; zij wilden het kind zo noemen, of waren er al mee bezig. Voetnoot : Zie ook Gen. 17:12; Lev. 12:3. Zie ook: Gen 17:12; Lev 12:3 **1:60** Zijn moeder antwoordde en zei: „Nee, hij zal Johannes genoemd worden.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεῖσα (apokritheisa) = antwoordend | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | αὐτοῦ (autou) = zijn | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐχί (Ouchi) = nee | ἀλλὰ (alla) = maar | κληθήσεται (klethesetai) = zal worden genoemd | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes Bron: SBLGNT **1:61** Zij zeiden tegen haar: „Niemand uit je familie heeft deze naam.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | πρὸς (pros) = tot | αὐτὴν (auten) = haar | ὅτι (hoti) = dat | Οὐδείς (Oudeis) = niemand | ἐστιν (estin) = is | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | συγγενείας (syngeneias) = familie | σου (sou) = je | ὃς (hos) = die | καλεῖται (kaleitai) = wordt genoemd | τῷ (to) = met de | ὀνόματι (onomati) = naam | τούτῳ (touto) = deze Bron: SBLGNT **1:62** Zij maakten gebaren naar zijn vader om te vragen hoe hij wilde dat het kind genoemd zou worden. Brontekst: ἐνένευον (eneneuon) = wenkten | δὲ (de) = nu | τῷ (to) = aan de | πατρὶ (patri) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὸ (to) = het | τί (ti) = wat | ἂν (an) = zou | θέλοι (theloi) = hij wilde | καλεῖσθαι (kaleisthai) = genoemd te worden | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐνένευον (eneneuon), ‘zij wenkten’: zij maakten gebaren. Dat men zo met hem spreekt, wijst erop dat Zacharia ook doof was (zie vers 22). Zie ook: Luc 1:22 **1:63** Hij vroeg om een schrijftafeltje en schreef: „Johannes is zijn naam.” Allen verbaasden zich. Brontekst: καὶ (kai) = en | αἰτήσας (aitesas) = vragend | πινακίδιον (pinakidion) = schrijftafeltje | ἔγραψεν (egrapsen) = schreef | λέγων (legon) = zeggend | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ἐστὶν (estin) = is | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἐθαύμασαν (ethaumasan) = verbaasden zich | πάντες (pantes) = allen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πινακίδιον (pinakidion), ‘schrijftafeltje’: een plankje om op te schrijven, meestal met een laagje was. **1:64** Onmiddellijk gingen zijn mond en zijn tong open. Hij sprak en zegende Elohim. Brontekst: ἀνεῴχθη (aneochthe) = werd geopend | δὲ (de) = nu | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | αὐτοῦ (autou) = zijn | παραχρῆμα (parachrema) = onmiddellijk | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | γλῶσσα (glossa) = tong | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἐλάλει (elalei) = sprak | εὐλογῶν (eulogon) = zegenend | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT **1:65** Vrees kwam over al hun buren. In heel het bergland van Judea werd over al deze woorden gesproken. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἐπὶ (epi) = over | πάντας (pantas) = allen | φόβος (phobos) = vrees | τοὺς (tous) = de | περιοικοῦντας (perioikountas) = omwonenden | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ὅλῃ (hole) = heel | τῇ (te) = het | ὀρεινῇ (oreine) = bergland | τῆς (tes) = van de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | διελαλεῖτο (dielaleito) = werd besproken | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ταῦτα (tauta) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. **1:66** Allen die het hoorden, legden het in hun hart en zeiden: „Wat zal dit kind dan worden?” Want de hand van Yahweh was met hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔθεντο (ethento) = legden | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = de | ἀκούσαντες (akousantes) = hoorders | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | αὐτῶν (auton) = hun | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τί (Ti) = wat | ἄρα (ara) = dan | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | τοῦτο (touto) = dit | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = ook | γὰρ (gar) = want | χεὶρ (cheir) = hand | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἦν (en) = was | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθεντο ἐν τῇ καρδίᾳ (ethento en te kardia), ‘zij legden het in hun hart’: zij onthielden het en dachten erover na. ‘De hand van Yahweh’ is een beeld voor Zijn kracht en zorg. ### De lofzang van Zacharia **1:67** Zijn vader Zacharia werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde: Brontekst: Καὶ (Kai) = en | Ζαχαρίας (Zacharias) = Zacharia | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐπλήσθη (eplesthe) = werd vervuld | πνεύματος (pneumatos) = Geest | ἁγίου (hagiou) = heilige | καὶ (kai) = en | ἐπροφήτευσεν (epropheteusen) = profeteerde | λέγων (legon) = zeggend Bron: SBLGNT **1:68** „Gezegend is Yahweh, de Elohim van Israël, want Hij heeft omgezien en verlossing bewerkt voor Zijn volk. Brontekst: Εὐλογητὸς (Eulogetos) = gezegend | κύριος (kyrios) = Yahweh | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τοῦ (tou) = van | Ἰσραήλ (Israel) = Israël | ὅτι (hoti) = want | ἐπεσκέψατο (epeskepsato) = heeft omgezien | καὶ (kai) = en | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | λύτρωσιν (lytrosin) = verlossing | τῷ (to) = aan het | λαῷ (lao) = volk | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De lofspraak lijkt op Ps. 41:14: ‘Gezegend zij Yahweh, de Elohim van Israël’; daarom is κύριος hier vertaald als Yahweh. λύτρωσις (lytrosis), ‘verlossing’: het vrijkopen van iemand; vergelijk λύτρον (lytron), ‘losgeld’. ἐπεσκέψατο (epeskepsato), ‘heeft omgezien’: Elohim komt naar Zijn volk toe. Voetnoot : Zie ook Ps. 41:14. Zie ook: Ps 41:14 **1:69** Hij heeft een hoorn van redding voor ons doen opstaan in het huis van David, Zijn knecht, Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤγειρεν (egeiren) = deed opstaan | κέρας (keras) = hoorn | σωτηρίας (soterias) = van redding | ἡμῖν (hemin) = voor ons | ἐν (en) = in | οἴκῳ (oiko) = huis | Δαυὶδ (Dauid) = van David | παιδὸς (paidos) = knecht | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κέρας σωτηρίας (keras soterias), ‘hoorn van redding’: de hoorn is een beeld van kracht (1 Sam. 2:10); vergelijk Ps. 132:17. Voetnoot : Zie ook Ps. 132:17. Zie ook: 1 Sam 2:10; Ps 132:17 **1:70** zoals Hij van oudsher gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten, Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | διὰ (dia) = door | στόματος (stomatos) = mond | τῶν (ton) = van de | ἁγίων (hagion) = heiligen | ἀπ’ (ap’) = van | αἰῶνος (aionos) = eeuwigheid | προφητῶν (propheton) = profeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **1:71** redding van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten, Brontekst: σωτηρίαν (soterian) = redding | ἐξ (ex) = van | ἐχθρῶν (echthron) = vijanden | ἡμῶν (hemon) = onze | καὶ (kai) = en | ἐκ (ek) = uit | χειρὸς (cheiros) = hand | πάντων (panton) = van allen | τῶν (ton) = de | μισούντων (misounton) = haters | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT **1:72** om barmhartigheid te bewijzen aan onze vaders en te denken aan Zijn heilig verbond, Brontekst: ποιῆσαι (poiesai) = te doen | ἔλεος (eleos) = barmhartigheid | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | πατέρων (pateron) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | καὶ (kai) = en | μνησθῆναι (mnesthenai) = te gedenken | διαθήκης (diathekes) = verbond | ἁγίας (hagias) = heilig | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: het Hebreeuwse בְּרִית (berit). Voetnoot : Zie ook Ps. 105:8–9. Zie ook: Ps 105:8–9 **1:73** de eed die Hij gezworen heeft aan Abraham, onze vader, om ons te geven Brontekst: ὅρκον (horkon) = eed | ὃν (hon) = die | ὤμοσεν (omosen) = zwoer | πρὸς (pros) = tot | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | ἡμῶν (hemon) = onze | τοῦ (tou) = om | δοῦναι (dounai) = te geven | ἡμῖν (hemin) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De eed aan Abraham staat in Gen. 22:16–18. Voetnoot : Zie ook Gen. 22:16–18. Zie ook: Gen 22:16–18 **1:74** dat wij, uit de hand van vijanden bevrijd, Hem zonder vrees dienen, Brontekst: ἀφόβως (aphobos) = zonder vrees | ἐκ (ek) = uit | χειρὸς (cheiros) = hand | ἐχθρῶν (echthron) = van vijanden | ῥυσθέντας (rhysthentas) = bevrijd zijnde | λατρεύειν (latreuein) = te dienen | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT **1:75** in toewijding en gerechtigheid voor Hem, al onze dagen. Brontekst: ἐν (en) = in | ὁσιότητι (hosioteti) = toewijding | καὶ (kai) = en | δικαιοσύνῃ (dikaiosyne) = gerechtigheid | ἐνώπιον (enopion) = voor | αὐτοῦ (autou) = Hem | πάσαις (pasais) = alle | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἡμῶν (hemon) = onze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁσιότης (hosiotes), ‘toewijding’: trouw aan Elohim in het leven. δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’: wat in de ogen van Elohim goed en recht is. **1:76** En jij, kind, zult profeet van de Allerhoogste genoemd worden, want jij zult voor Yahweh uitgaan om Zijn wegen gereed te maken, Brontekst: καὶ (kai) = en | σὺ (sy) = jij | δέ (de) = maar | παιδίον (paidion) = kind | προφήτης (prophetes) = profeet | Ὑψίστου (Hypsistou) = van de Allerhoogste | κληθήσῃ (klethese) = zult worden genoemd | προπορεύσῃ (proporeuse) = zult voorafgaan | γὰρ (gar) = want | ἐνώπιον (enopion) = voor | κυρίου (kyriou) = Yahweh | ἑτοιμάσαι (hetoimasai) = gereed te maken | ὁδοὺς (hodous) = wegen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit verwijst naar Mal. 3:1 en Jes. 40:3: de bode die de weg gereedmaakt voor Yahweh. κυρίου is daarom vertaald als Yahweh. Voetnoot : Zie ook Mal. 3:1; Jes. 40:3; Matt. 11:10; Luc. 3:4–6. Zie ook: Jes 40:3; Mal 3:1; Mat 11:10; Luc 3:4–6 **1:77** om Zijn volk kennis van redding te geven, in de vergeving van hun zonden, Brontekst: τοῦ (tou) = om | δοῦναι (dounai) = te geven | γνῶσιν (gnosin) = kennis | σωτηρίας (soterias) = van redding | τῷ (to) = aan het | λαῷ (lao) = volk | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐν (en) = in | ἀφέσει (aphesei) = vergeving | ἁμαρτιῶν (hamartion) = van zonden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **1:78** door de innige barmhartigheid van onze Elohim, waarmee de opkomende zon uit de hoogte ons zal bezoeken, Brontekst: διὰ (dia) = door | σπλάγχνα (splanchna) = innerlijk | ἐλέους (eleous) = van barmhartigheid | θεοῦ (theou) = van Elohim | ἡμῶν (hemon) = onze | ἐν (en) = in | οἷς (hois) = welke | ἐπισκέψεται (episkepsetai) = zal bezoeken | ἡμᾶς (hemas) = ons | ἀνατολὴ (anatole) = opkomende zon | ἐξ (ex) = uit | ὕψους (hypsous) = hoogte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπλάγχνα (splanchna), ‘innerlijk’: letterlijk de ingewanden, waar volgens de Bijbel de gevoelens zitten; vergelijk het Hebreeuwse רַחֲמִים (rachamim), ‘innig medelijden’. ἀνατολή (anatole), ‘opkomende zon’: het woord betekent ‘opkomst’ (van de zon of een ster). Sommige oude vertalingen gebruiken dit woord voor de ‘Spruit’ in Zach. 3:8 en 6:12. Voetnoot : Zie ook Mal. 3:20; Zach. 3:8; Zach. 6:12. Zie ook: Zach 3:8; Zach 6:12; Mal 3:20 **1:79** om te schijnen voor wie in duisternis en in de schaduw van de dood zitten, en onze voeten te richten op de weg van vrede.” Brontekst: ἐπιφᾶναι (epiphanai) = te schijnen | τοῖς (tois) = aan hen | ἐν (en) = in | σκότει (skotei) = duisternis | καὶ (kai) = en | σκιᾷ (skia) = schaduw | θανάτου (thanatou) = van de dood | καθημένοις (kathemenois) = zittenden | τοῦ (tou) = om | κατευθῦναι (kateuthynai) = te richten | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | ἡμῶν (hemon) = onze | εἰς (eis) = naar | ὁδὸν (hodon) = weg | εἰρήνης (eirenes) = van vrede Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De ‘schaduw van de dood’ (Hebreeuws צַלְמָוֶת, tsalmavet) komt voor in Ps. 107:10 en Jes. 9:1. Voetnoot : Zie ook Jes. 9:1; Ps. 107:10; Matt. 4:16. Zie ook: Ps 107:10; Jes 9:1; Mat 4:16 ### Johannes groeit op **1:80** Het kind groeide en werd sterk in de geest. Hij was in de woestijn tot de dag van zijn bekendmaking aan Israël. Brontekst: Τὸ (To) = het | δὲ (de) = nu | παιδίον (paidion) = kind | ηὔξανε (eyxane) = groeide | καὶ (kai) = en | ἐκραταιοῦτο (ekrataiouto) = werd sterk | πνεύματι (pneumati) = in de geest | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἐρήμοις (eremois) = woestijnen | ἕως (heos) = tot | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἀναδείξεως (anadeixeos) = van bekendmaking | αὐτοῦ (autou) = zijn | πρὸς (pros) = aan | τὸν (ton) = de | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεύματι (pneumati), ‘in de geest’: het Grieks laat open of dit de geest van Johannes is of de Heilige Geest; vergelijk vers 15. ἀνάδειξις (anadeixis), ‘bekendmaking’: het openlijk aanwijzen of tonen van iemand. ἐρήμοις (eremois), ‘woestijnen’, staat in het meervoud. Zie ook: Luc 1:15 ## Lucas 2 _De geboorte van Yeshua, Simeon en Anna, en de twaalfjarige Yeshua in de tempel_ ### De geboorte van Yeshua **2:1** In die dagen ging een bevel uit van keizer Augustus: heel de bewoonde wereld moest zich laten inschrijven. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἐκείναις (ekeinais) = die | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | δόγμα (dogma) = bevel | παρὰ (para) = van | Καίσαρος (Kaisaros) = keizer | Αὐγούστου (Augoustou) = Augustus | ἀπογράφεσθαι (apographesthai) = zich te laten inschrijven | πᾶσαν (pasan) = heel | τὴν (ten) = de | οἰκουμένην (oikoumenen) = bewoonde wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δόγμα (dogma), ‘bevel’: een besluit van de keizer. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: oorspronkelijk een familienaam, later de titel van de heerser; wij vertalen het met ‘keizer’, zoals in Matt. 22:17. Augustus was keizer van 27 voor tot 14 na het begin van onze jaartelling. οἰκουμένη (oikoumene), ‘bewoonde wereld’: hier het Romeinse rijk. ἀπογράφεσθαι (apographesthai), ‘zich laten inschrijven’: de bevolking werd opgeschreven, meestal met het oog op de belasting. Voetnoot : Zie ook Matt. 2:1. Zie ook: Mat 2:1; Mat 22:17 **2:2** Deze eerste inschrijving vond plaats toen Quirinius stadhouder van Syrië was. Brontekst: αὕτη (haute) = deze | ἀπογραφὴ (apographe) = inschrijving | πρώτη (prote) = eerste | ἐγένετο (egeneto) = vond plaats | ἡγεμονεύοντος (hegemoneuontos) = stadhouder zijnde | τῆς (tes) = van de | Συρίας (Syrias) = Syrië | Κυρηνίου (Kyreniou) = Quirinius Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad. De grenzen waren niet scherp. Voetnoot Uitleg: Κυρήνιος (Kyrenios), ‘Quirinius’, was stadhouder van Syrië, de Romeinse provincie ten noorden van Israël. Het tijdstip van deze inschrijving is een bekende vraag; wij vertalen wat er staat. ἡγεμονεύω (hegemoneuo), ‘stadhouder zijn’, van ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’, zoals in Matt. 27:2. Zie ook: Mat 27:2 **2:3** Allen gingen zich laten inschrijven, ieder naar zijn eigen stad. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπορεύοντο (eporeuonto) = gingen | πάντες (pantes) = allen | ἀπογράφεσθαι (apographesthai) = zich te laten inschrijven | ἕκαστος (hekastos) = ieder | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἑαυτοῦ (heautou) = zijn eigen | πόλιν (polin) = stad Bron: SBLGNT **2:4** Ook Jozef ging omhoog van Galilea, uit de stad Nazaret, naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet. Want hij was uit het huis en het geslacht van David. Brontekst: Ἀνέβη (Anebe) = ging omhoog | δὲ (de) = nu | καὶ (kai) = ook | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | ἐκ (ek) = uit | πόλεως (poleos) = stad | Ναζαρὲθ (Nazareth) = Nazaret | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ἰουδαίαν (Ioudaian) = Judea | εἰς (eis) = naar | πόλιν (polin) = stad | Δαυὶδ (Dauid) = van David | ἥτις (hetis) = die | καλεῖται (kaleitai) = wordt genoemd | Βηθλέεμ (Bethleem) = Betlehem | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | εἶναι (einai) = zijn | αὐτὸν (auton) = hem | ἐξ (ex) = uit | οἴκου (oikou) = huis | καὶ (kai) = en | πατριᾶς (patrias) = geslacht | Δαυίδ (Dauid) = van David Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: ἀνέβη (anebe), ‘ging omhoog’: wie van Galilea naar Judea reist, gaat omhoog. πατριά (patria), ‘geslacht’: de familiegroep die van één voorvader afstamt. De stad van David is Betlehem (1 Sam. 16:1; Micha 5:1, in de Nederlandse telling 5:2). Voetnoot : Zie ook Matt. 2:1–6; Micha 5:1. Zie ook: 1 Sam 16:1; Mi 5:1; Mat 2:1–6 **2:5** Hij ging om zich te laten inschrijven met Maria, die met hem verloofd was en zwanger was. Brontekst: ἀπογράψασθαι (apograpsasthai) = zich te laten inschrijven | σὺν (syn) = met | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | τῇ (te) = de | ἐμνηστευμένῃ (emnesteumene) = verloofde | αὐτῷ (auto) = aan hem | οὔσῃ (ouse) = zijnde | ἐγκύῳ (enkyo) = zwanger Bron: SBLGNT **2:6** Terwijl zij daar waren, was de tijd van haar bevalling gekomen. Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | εἶναι (einai) = zijn | αὐτοὺς (autous) = zij | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | αἱ (hai) = de | ἡμέραι (hemerai) = dagen | τοῦ (tou) = om | τεκεῖν (tekein) = te baren | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT **2:7** Zij beviel van haar eerstgeboren zoon. Zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de gastenkamer. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔτεκεν (eteken) = beviel van | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = zoon | αὐτῆς (autes) = haar | τὸν (ton) = de | πρωτότοκον (prototokon) = eerstgeborene | καὶ (kai) = en | ἐσπαργάνωσεν (esparganosen) = wikkelde in doeken | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἀνέκλινεν (aneklinen) = legde neer | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | φάτνῃ (phatne) = kribbe | διότι (dioti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | ἦν (en) = was | αὐτοῖς (autois) = voor hen | τόπος (topos) = plaats | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | καταλύματι (katalymati) = gastenkamer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρωτότοκος (prototokos), ‘eerstgeborene’: zie vers 23. σπαργανόω (sparganoo), ‘in doeken wikkelen’: een pasgeboren kind werd stevig in repen stof gewikkeld. φάτνη (phatne), ‘kribbe’: de bak waaruit dieren eten. κατάλυμα (katalyma), ‘gastenkamer’: hetzelfde woord als in Mark. 14:14; het kan ook ‘herberg’ betekenen. Zie ook: Mar 14:14; Luc 2:23 ### De herders en de engelen **2:8** In dezelfde streek waren herders die in het veld verbleven en ’s nachts de wacht hielden over hun kudde. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ποιμένες (poimenes) = herders | ἦσαν (esan) = waren | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | χώρᾳ (chora) = streek | τῇ (te) = de | αὐτῇ (aute) = dezelfde | ἀγραυλοῦντες (agraulountes) = verblijvend in het veld | καὶ (kai) = en | φυλάσσοντες (phylassontes) = houdend | φυλακὰς (phylakas) = wachten | τῆς (tes) = van de | νυκτὸς (nyktos) = nacht | ἐπὶ (epi) = over | τὴν (ten) = de | ποίμνην (poimnen) = kudde | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγραυλέω (agrauleo), ‘in het veld verblijven’: de herders bleven ook ’s nachts buiten bij hun kudde. **2:9** Een engel van Yahweh stond bij hen, en de heerlijkheid van Yahweh scheen om hen heen. Zij werden vervuld van grote vrees. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄγγελος (angelos) = engel | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἐπέστη (epeste) = stond bij | αὐτοῖς (autois) = hen | καὶ (kai) = en | δόξα (doxa) = heerlijkheid | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | περιέλαμψεν (perielampsen) = scheen rondom | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = vreesden | φόβον (phobon) = vrees | μέγαν (megan) = grote Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄγγελος κυρίου (angelos kyriou), ‘engel van Yahweh’, en δόξα κυρίου (doxa kyriou), ‘heerlijkheid van Yahweh’: κυρίου is vertaald als Yahweh, naar het Hebreeuwse מַלְאַךְ יְהוָה (malak Yahweh) en כְּבוֹד יְהוָה (kevod Yahweh). Vergelijk Exod. 40:34, waar de heerlijkheid van Yahweh de tabernakel vult. Voetnoot : Zie ook Exod. 40:34. Zie ook: Ex 40:34 **2:10** De engel zei tegen hen: „Wees niet bang. Want zie: ik breng jullie de goede boodschap van een grote vreugde, die voor heel het volk zal zijn: Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | ἄγγελος (angelos) = engel | Μὴ (Me) = niet | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang | ἰδοὺ (idou) = zie | γὰρ (gar) = want | εὐαγγελίζομαι (euangelizomai) = ik breng de goede boodschap | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | χαρὰν (charan) = vreugde | μεγάλην (megalen) = grote | ἥτις (hetis) = die | ἔσται (estai) = zal zijn | παντὶ (panti) = voor heel | τῷ (to) = het | λαῷ (lao) = volk Bron: SBLGNT **2:11** vandaag is voor jullie een Redder geboren in de stad van David. Hij is de Messias, de Heer. Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | ἐτέχθη (etechthe) = werd geboren | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | σήμερον (semeron) = vandaag | σωτὴρ (soter) = Redder | ὅς (hos) = die | ἐστιν (estin) = is | χριστὸς (christos) = Messias | κύριος (kyrios) = Heer | ἐν (en) = in | πόλει (polei) = stad | Δαυίδ (Dauid) = van David Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betlehem (stad van David): In Lucas 2 is de stad van David Betlehem, ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: σωτήρ (soter), ‘Redder’. χριστός (christos), ‘gezalfde’, is het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘Messias’; in dit evangelie vertalen wij het steeds met ‘Messias’. κύριος (kyrios), ‘Heer’, staat hier als titel; het Grieks heeft bij ‘Messias’ en ‘Heer’ geen lidwoord. De stad van David is Betlehem (vers 4). Voetnoot : Zie ook Matt. 1:1. Zie ook: Mat 1:1; Luc 2:4 **2:12** En dit is het teken voor jullie: jullie zullen een baby vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.” Brontekst: καὶ (kai) = en | τοῦτο (touto) = dit | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken | εὑρήσετε (heuresete) = zult vinden | βρέφος (brephos) = baby | ἐσπαργανωμένον (esparganomenon) = in doeken gewikkeld | καὶ (kai) = en | κείμενον (keimenon) = liggend | ἐν (en) = in | φάτνῃ (phatne) = kribbe Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σημεῖον (semeion), ‘teken’: een kenmerk waaraan de herders het kind kunnen herkennen. ### De lofzang van de engelen **2:13** Plotseling was er bij de engel een menigte van de hemelse legermacht. Zij loofden Elohim en zeiden: Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξαίφνης (exaiphnes) = plotseling | ἐγένετο (egeneto) = was | σὺν (syn) = met | τῷ (to) = de | ἀγγέλῳ (angelo) = engel | πλῆθος (plethos) = menigte | στρατιᾶς (stratias) = van legermacht | οὐρανίου (ouraniou) = hemelse | αἰνούντων (ainounton) = lovend | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | λεγόντων (legonton) = zeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στρατιά (stratia), ‘legermacht’: dezelfde gedachte als de ‘legermachten’ van Yahweh in het Oude Testament; vergelijk 1 Kon. 22:19, ‘heel het leger van de hemel’. αἰνέω (aineo), ‘loven’. Voetnoot : Zie ook 1 Kon. 22:19. Zie ook: 1 Kon 22:19 **2:14** „Heerlijkheid voor Elohim in de hoogste hoogten, en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij behagen heeft.” Brontekst: Δόξα (Doxa) = heerlijkheid | ἐν (en) = in | ὑψίστοις (hypsistois) = hoogste hoogten | θεῷ (theo) = aan Elohim | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = op | γῆς (ges) = aarde | εἰρήνη (eirene) = vrede | ἐν (en) = onder | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | εὐδοκίας (eudokias) = van behagen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑψίστοις (hypsistois), ‘hoogste hoogten’: zoals in Matt. 21:9. εὐδοκίας (eudokias), ‘van behagen’: mensen in wie Elohim behagen heeft; vergelijk Luc. 3:22. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben εὐδοκία (eudokia) in de eerste naamval: ‘vrede op aarde, welbehagen onder de mensen’. De SBLGNT heeft εὐδοκίας; wij vertalen de SBLGNT. Zie ook: Mat 21:9; Luc 3:22 ### De herders bij de kribbe **2:15** De engelen gingen van hen weg, de hemel in. De herders zeiden tegen elkaar: „Laten wij toch naar Betlehem gaan en zien wat er gebeurd is, wat Yahweh ons bekend heeft gemaakt.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ὡς (hos) = toen | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | οἱ (hoi) = de | ἄγγελοι (angeloi) = engelen | οἱ (hoi) = de | ποιμένες (poimenes) = herders | ἐλάλουν (elaloun) = spraken | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | Διέλθωμεν (Dielthomen) = laten wij gaan | δὴ (de) = toch | ἕως (heos) = tot | Βηθλέεμ (Bethleem) = Betlehem | καὶ (kai) = en | ἴδωμεν (idomen) = laten wij zien | τὸ (to) = het | ῥῆμα (rhema) = woord | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = het | γεγονὸς (gegonos) = gebeurde | ὃ (ho) = dat | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Yahweh | ἐγνώρισεν (egnorisen) = heeft bekend gemaakt | ἡμῖν (hemin) = aan ons Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: ῥῆμα (rhema), ‘woord’: hier ook ‘zaak, gebeurtenis’; wij schrijven ‘wat er gebeurd is’. In vers 17, 19 en 51 vertalen wij het met ‘woord’. γνωρίζω (gnorizo), ‘bekend maken’: wij vertalen het zo in vers 15 en 17. κύριος is hier vertaald als Yahweh. Zie ook: Luc 2:17; Luc 2:19; Luc 2:51 **2:16** Zij kwamen haastig en vonden Maria en Jozef, en de baby liggend in de kribbe. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦλθαν (elthan) = kwamen | σπεύσαντες (speusantes) = haastend | καὶ (kai) = en | ἀνεῦραν (aneuran) = vonden | τήν (ten) = de | τε (te) = en | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | βρέφος (brephos) = baby | κείμενον (keimenon) = liggend | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | φάτνῃ (phatne) = kribbe Bron: SBLGNT **2:17** Toen zij dit zagen, maakten zij het woord bekend dat hun over dit kind gezegd was. Brontekst: ἰδόντες (idontes) = ziende | δὲ (de) = nu | ἐγνώρισαν (egnorisan) = maakten bekend | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | ῥήματος (rhematos) = woord | τοῦ (tou) = het | λαληθέντος (lalethentos) = gesprokene | αὐτοῖς (autois) = aan hen | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | παιδίου (paidiou) = kind | τούτου (toutou) = dit Bron: SBLGNT **2:18** Allen die het hoorden, verwonderden zich over wat de herders tegen hen zeiden. Brontekst: καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = de | ἀκούσαντες (akousantes) = hoorders | ἐθαύμασαν (ethaumasan) = verwonderden zich | περὶ (peri) = over | τῶν (ton) = het | λαληθέντων (lalethenton) = gesprokene | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ποιμένων (poimenon) = herders | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **2:19** Maria bewaarde al deze woorden en overwoog ze in haar hart. Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = nu | Μαρία (Maria) = Maria | πάντα (panta) = alle | συνετήρει (syneterei) = bewaarde | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ταῦτα (tauta) = deze | συμβάλλουσα (symballousa) = overwegend | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συμβάλλω (symballo), ‘overwegen’: letterlijk ‘samenbrengen’; Maria zet wat zij hoort naast elkaar om het te begrijpen. Zie ook vers 51. Zie ook: Luc 2:51 **2:20** De herders keerden terug. Zij verheerlijkten en loofden Elohim om alles wat zij gehoord en gezien hadden, zoals tot hen gesproken was. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑπέστρεψαν (hypestrepsan) = keerden terug | οἱ (hoi) = de | ποιμένες (poimenes) = herders | δοξάζοντες (doxazontes) = verheerlijkend | καὶ (kai) = en | αἰνοῦντες (ainountes) = lovend | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | ἐπὶ (epi) = om | πᾶσιν (pasin) = alles | οἷς (hois) = wat | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden | καὶ (kai) = en | εἶδον (eidon) = zagen | καθὼς (kathos) = zoals | ἐλαλήθη (elalethe) = werd gesproken | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT ### De besnijdenis en de voorstelling in de tempel **2:21** Toen acht dagen voorbij waren om Hem te besnijden, werd Zijn naam Yeshua genoemd. Dat was de naam die de engel genoemd had, voordat Hij in de schoot ontvangen werd. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ὀκτὼ (okto) = acht | τοῦ (tou) = om | περιτεμεῖν (peritemein) = te besnijden | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἐκλήθη (eklethe) = werd genoemd | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὸ (to) = het | κληθὲν (klethen) = genoemde | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | ἀγγέλου (angelou) = engel | πρὸ (pro) = voor | τοῦ (tou) = het | συλλημφθῆναι (syllemphthenai) = ontvangen worden | αὐτὸν (auton) = Hij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | κοιλίᾳ (koilia) = schoot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De besnijdenis op de achtste dag volgt Gen. 17:12 en Lev. 12:3. De naam Yeshua heeft de engel genoemd (1:31; Matt. 1:21). Voetnoot : Zie ook Gen. 17:12; Lev. 12:3; Matt. 1:21. Zie ook: Gen 17:12; Lev 12:3; Mat 1:21 **2:22** Toen de dagen van hun reiniging volgens de wet van Mozes voorbij waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem aan Yahweh voor te stellen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | αἱ (hai) = de | ἡμέραι (hemerai) = dagen | τοῦ (tou) = van de | καθαρισμοῦ (katharismou) = reiniging | αὐτῶν (auton) = hun | κατὰ (kata) = volgens | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | Μωϋσέως (Moyseos) = van Mozes | ἀνήγαγον (anegagon) = brachten omhoog | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | παραστῆσαι (parastesai) = voor te stellen | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: καθαρισμός (katharismos), ‘reiniging’: na een bevalling was de moeder onrein tot haar reiniging voltooid was; bij een zoon duurde dat 7 + 33 dagen, samen 40 dagen (Lev. 12:2–8). νόμος (nomos), ‘wet’: het Hebreeuwse תּוֹרָה (torah). ἀνήγαγον (anegagon), ‘zij brachten omhoog’: naar Jeruzalem gaat men omhoog. Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ‘haar reiniging’ in plaats van ‘hun reiniging’. Voetnoot : Zie ook Lev. 12:2–8. Zie ook: Lev 12:2–8 **2:23** Zo staat geschreven in de wet van Yahweh: „Alles wat mannelijk is en de moederschoot opent, zal heilig voor Yahweh genoemd worden.” Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | γέγραπται (gegraptai) = is geschreven | ἐν (en) = in | νόμῳ (nomo) = wet | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ὅτι (hoti) = dat | Πᾶν (Pan) = elk | ἄρσεν (arsen) = mannelijk | διανοῖγον (dianoigon) = openend | μήτραν (metran) = moederschoot | ἅγιον (hagion) = heilig | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = Yahweh | κληθήσεται (klethesetai) = zal worden genoemd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat komt uit Exod. 13:2 en 13:12. Het Hebreeuws zegt: ‘Wijd Mij elke eerstgeborene’ en ‘dan moet je alles wat de moederschoot opent aan Yahweh overdragen’; de Griekse tekst vat dat samen als ‘heilig voor Yahweh genoemd worden’. Voetnoot : Zie ook Exod. 13:2; Exod. 13:12. Zie ook: Ex 13:2; Ex 13:12 **2:24** Ook brachten zij een offer, zoals gezegd is in de wet van Yahweh: een paar tortelduiven of twee jonge duiven. Brontekst: καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = om | δοῦναι (dounai) = te geven | θυσίαν (thysian) = offer | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | εἰρημένον (eiremenon) = gezegde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | νόμῳ (nomo) = wet | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ζεῦγος (zeugos) = paar | τρυγόνων (trygonon) = van tortelduiven | ἢ (e) = of | δύο (dyo) = twee | νοσσοὺς (nossous) = jongen | περιστερῶν (peristeron) = van duiven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een paar tortelduiven of twee jonge duiven is het offer van wie geen lam kan betalen (Lev. 12:8). Voetnoot : Zie ook Lev. 12:8. Zie ook: Lev 12:8 ### Simeon **2:25** En zie: er was in Jeruzalem een man die Simeon heette. Deze man was rechtvaardig en vroom. Hij wachtte op de vertroosting van Israël, en de Heilige Geest was op hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ᾧ (ho) = wiens | ὄνομα (onoma) = naam | Συμεών (Symeon) = Simeon | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | οὗτος (houtos) = deze | δίκαιος (dikaios) = rechtvaardig | καὶ (kai) = en | εὐλαβής (eulabes) = vroom | προσδεχόμενος (prosdechomenos) = verwachtend | παράκλησιν (paraklesin) = vertroosting | τοῦ (tou) = van de | Ἰσραήλ (Israel) = Israël | καὶ (kai) = en | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ἦν (en) = was | ἅγιον (hagion) = heilige | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: εὐλαβής (eulabes), ‘vroom’: iemand die Elohim met ontzag dient. παράκλησις (paraklesis), ‘vertroosting’: de troost die Elohim aan Israël belooft; vergelijk Jes. 40:1, ‘Troost, troost Mijn volk’. Voetnoot : Zie ook Jes. 40:1. Zie ook: Jes 40:1 **2:26** Door de Heilige Geest was hem de aanwijzing gegeven dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Messias van Yahweh zou zien. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | αὐτῷ (auto) = hem | κεχρηματισμένον (kechrematismenon) = de aanwijzing gegeven | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | τοῦ (tou) = de | ἁγίου (hagiou) = Heilige | μὴ (me) = niet | ἰδεῖν (idein) = te zien | θάνατον (thanaton) = dood | πρὶν (prin) = voordat | ἢ (e) = of | ἂν (an) = ooit | ἴδῃ (ide) = hij zou zien | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | κυρίου (kyriou) = van Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χρηματίζω (chrematizo), ‘de aanwijzing krijgen’: een goddelijke mededeling ontvangen; wij vertalen het overal zo (vergelijk Matt. 2:12). χριστὸν κυρίου (christon kyriou), ‘Messias van Yahweh’: het Hebreeuwse מְשִׁיחַ יְהוָה (meshiach Yahweh), ‘gezalfde van Yahweh’, zoals in 1 Sam. 24:7. Voetnoot : Zie ook 1 Sam. 24:7. Zie ook: 1 Sam 24:7; Mat 2:12 **2:27** Hij kwam in de Geest naar de tempel. Toen de ouders het kind Yeshua binnenbrachten om voor Hem te doen wat de wet gewoonlijk voorschrijft, Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πνεύματι (pneumati) = Geest | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ἱερόν (hieron) = tempel | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | εἰσαγαγεῖν (eisagagein) = binnenbrengen | τοὺς (tous) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τοῦ (tou) = om | ποιῆσαι (poiesai) = te doen | αὐτοὺς (autous) = hen | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | εἰθισμένον (eithismenon) = gebruikelijke | τοῦ (tou) = van de | νόμου (nomou) = wet | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele terrein; zie 1:9 voor ναός, ‘heiligdom’. ἐν τῷ πνεύματι (en to pneumati), ‘in de Geest’: door de Heilige Geest geleid. γονεῖς (goneis), ‘ouders’. **2:28** nam ook hij Hem in zijn armen, zegende Elohim en zei: Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = hij zelf | ἐδέξατο (edexato) = ontving | αὐτὸ (auto) = Hem | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | ἀγκάλας (ankalas) = armen | καὶ (kai) = en | εὐλόγησεν (eulogesen) = zegende | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei Bron: SBLGNT ### De lofzang van Simeon **2:29** „Nu laat U Uw knecht gaan, Heerser, naar Uw woord, in vrede, Brontekst: Νῦν (Nyn) = nu | ἀπολύεις (apolyeis) = laat U gaan | τὸν (ton) = de | δοῦλόν (doulon) = knecht | σου (sou) = Uw | δέσποτα (despota) = Heerser | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | ῥῆμά (rhema) = woord | σου (sou) = Uw | ἐν (en) = in | εἰρήνῃ (eirene) = vrede Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: wij vertalen dit woord overal zo. δεσπότης (despotes), ‘Heerser’: iemand met volledig gezag, zoals een eigenaar over zijn knecht; een ander woord dan κύριος, ‘Heer’. ἀπολύω (apolyo), ‘laten gaan’: wie een knecht laat gaan, ontslaat hem uit zijn dienst. Simeon had gewacht tot hij de Messias zag (vers 26). Zie ook: Luc 2:26 **2:30** want mijn ogen hebben Uw redding gezien, Brontekst: ὅτι (hoti) = want | εἶδον (eidon) = zagen | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοί (ophthalmoi) = ogen | μου (mou) = mijn | τὸ (to) = de | σωτήριόν (soterion) = redding | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σωτήριον (soterion), ‘redding’: wat redt. Vergelijk Jes. 52:10: ‘Alle einden van de aarde zullen de redding van onze Elohim zien.’ Voetnoot : Zie ook Jes. 52:10. Zie ook: Jes 52:10 **2:31** die U bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: Brontekst: ὃ (ho) = die | ἡτοίμασας (hetoimasas) = hebt bereid | κατὰ (kata) = voor | πρόσωπον (prosopon) = aangezicht | πάντων (panton) = van alle | τῶν (ton) = de | λαῶν (laon) = volken Bron: SBLGNT **2:32** een licht tot openbaring voor de volken en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.” Brontekst: φῶς (phos) = licht | εἰς (eis) = tot | ἀποκάλυψιν (apokalypsin) = openbaring | ἐθνῶν (ethnon) = van volken | καὶ (kai) = en | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | λαοῦ (laou) = van volk | σου (sou) = Uw | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθνη (ethne), ‘volken’: de niet-Joodse volken. De woorden doen denken aan Jes. 42:6 (‘een licht voor de volken’) en Jes. 49:6. Voetnoot : Zie ook Jes. 42:6; Jes. 49:6. Zie ook: Jes 42:6; Jes 49:6 **2:33** Zijn vader en Zijn moeder verwonderden zich over wat over Hem gezegd werd. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = waren | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | θαυμάζοντες (thaumazontes) = verwonderd | ἐπὶ (epi) = over | τοῖς (tois) = het | λαλουμένοις (laloumenois) = gesprokene | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ πατὴρ αὐτοῦ (ho pater autou), ‘Zijn vader’: Jozef, die als vader van Yeshua gold (vergelijk vers 48 en 3:23). Zie ook: Luc 2:48 ### Simeon spreekt tot Maria **2:34** Simeon zegende hen. Hij zei tegen Maria, Zijn moeder: „Zie, Deze is gesteld tot val en opstanding van velen in Israël en tot een teken dat weersproken wordt, Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐλόγησεν (eulogesen) = zegende | αὐτοὺς (autous) = hen | Συμεὼν (Symeon) = Simeon | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἰδοὺ (Idou) = zie | οὗτος (houtos) = Deze | κεῖται (keitai) = ligt | εἰς (eis) = tot | πτῶσιν (ptosin) = val | καὶ (kai) = en | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | πολλῶν (pollon) = van velen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = tot | σημεῖον (semeion) = teken | ἀντιλεγόμενον (antilegomenon) = weersproken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πτῶσις (ptosis), ‘val’, en ἀνάστασις (anastasis), ‘opstanding’: dat kan twee groepen betreffen (sommigen vallen, anderen staan op), of dezelfde mensen die eerst vallen en dan opstaan. Wij vertalen wat er staat. ἀντιλέγω (antilego), ‘tegenspreken’. Vergelijk Jes. 8:14, ‘een steen om aan te stoten’. Voetnoot : Zie ook Jes. 8:14. Zie ook: Jes 8:14 **2:35** en ook door je eigen ziel zal een zwaard gaan, opdat de gedachten uit veel harten onthuld worden.” Brontekst: καὶ (kai) = en | σοῦ (sou) = van jou | δὲ (de) = maar | αὐτῆς (autes) = zelf | τὴν (ten) = de | ψυχὴν (psychen) = ziel | διελεύσεται (dieleusetai) = zal doorgaan | ῥομφαία (rhomphaia) = zwaard | ὅπως (hopos) = opdat | ἂν (an) = ooit | ἀποκαλυφθῶσιν (apokalyphthosin) = onthuld worden | ἐκ (ek) = uit | πολλῶν (pollon) = vele | καρδιῶν (kardion) = harten | διαλογισμοί (dialogismoi) = gedachten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥομφαία (rhomphaia), ‘zwaard’: een groot zwaard. διαλογισμοί (dialogismoi), ‘gedachten’: wat mensen bij zichzelf overleggen. ### Anna de profetes **2:36** Er was ook een profetes, Anna, dochter van Fanuël, uit de stam van Aser. Zij was al op hoge leeftijd. Vanaf haar maagdelijkheid had zij zeven jaar met een man geleefd, Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἦν (en) = was | Ἅννα (Hanna) = Anna | προφῆτις (prophetis) = profetes | θυγάτηρ (thygater) = dochter | Φανουήλ (Phanouel) = van Fanuël | ἐκ (ek) = uit | φυλῆς (phyles) = stam | Ἀσήρ (Aser) = van Aser | αὕτη (haute) = zij | προβεβηκυῖα (probebekuia) = gevorderd | ἐν (en) = in | ἡμέραις (hemerais) = dagen | πολλαῖς (pollais) = vele | ζήσασα (zesasa) = geleefd hebbende | μετὰ (meta) = met | ἀνδρὸς (andros) = man | ἔτη (ete) = jaren | ἑπτὰ (hepta) = zeven | ἀπὸ (apo) = vanaf | τῆς (tes) = de | παρθενίας (parthenias) = maagdelijkheid | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἅννα (Anna) is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Hanna. Φανουήλ (Phanouel) is de Griekse vorm van Penuël (1 Kron. 4:4). Aser is een van de twaalf stammen van Israël (Gen. 30:13). προφῆτις (prophetis), ‘profetes’: een vrouw die namens Elohim spreekt. Zie ook: Gen 30:13; 1 Kron 4:4 **2:37** en zij was weduwe tot de leeftijd van 84 jaar. Zij verliet de tempel niet, maar diende Elohim nacht en dag met vasten en smeekbeden. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὴ (aute) = zij zelf | χήρα (chera) = weduwe | ἕως (heos) = tot | ἐτῶν (eton) = jaren | ὀγδοήκοντα (ogdoekonta) = tachtig | τεσσάρων (tessaron) = vier | ἣ (he) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἀφίστατο (aphistato) = week weg | τοῦ (tou) = van de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | νηστείαις (nesteiais) = met vasten | καὶ (kai) = en | δεήσεσιν (deesesin) = smeekbeden | λατρεύουσα (latreuousa) = dienend | νύκτα (nykta) = nacht | καὶ (kai) = en | ἡμέραν (hemeran) = dag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἕως ἐτῶν ὀγδοήκοντα τεσσάρων (heos eton ogdoekonta tessaron), ‘tot 84 jaar’: dat kan haar leeftijd zijn, of de duur van haar weduwschap. Wij vertalen letterlijk. νηστεία (nesteia), ‘vasten’; δέησις (deesis), ‘smeekbede’ (zie 1:13); λατρεύω (latreuo), ‘dienen’. **2:38** Op datzelfde uur kwam zij erbij staan, bracht dank aan Elohim en sprak over Hem tot allen die de verlossing van Jeruzalem verwachtten. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτῇ (aute) = op dat zelfde | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | ἐπιστᾶσα (epistasa) = erbij gekomen | ἀνθωμολογεῖτο (anthomologeito) = dankte | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἐλάλει (elalei) = sprak | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | πᾶσιν (pasin) = tot allen | τοῖς (tois) = de | προσδεχομένοις (prosdechomenois) = verwachtenden | λύτρωσιν (lytrosin) = verlossing | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = van Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: λύτρωσις (lytrosis), ‘verlossing’: zie 1:68. ἀνθομολογέομαι (anthomologeomai), ‘dank brengen’. ### Terug naar Nazaret **2:39** Toen zij alles volgens de wet van Yahweh hadden voltooid, keerden zij terug naar Galilea, naar hun eigen stad Nazaret. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὡς (hos) = toen | ἐτέλεσαν (etelesan) = voltooiden | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = het | κατὰ (kata) = volgens | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἐπέστρεψαν (epestrepsan) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | εἰς (eis) = naar | πόλιν (polin) = stad | ἑαυτῶν (heauton) = hun eigen | Ναζαρέθ (Nazareth) = Nazaret Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: Matteüs vertelt de vlucht naar Egypte vóór de terugkeer naar Nazaret; Lucas noemt die niet. Voetnoot : Zie ook Matt. 2:13–23. Zie ook: Mat 2:13–23 **2:40** Het kind groeide en werd sterk, vervuld van wijsheid, en de genade van Elohim was op Hem. Brontekst: Τὸ (To) = het | δὲ (de) = nu | παιδίον (paidion) = kind | ηὔξανεν (eyxanen) = groeide | καὶ (kai) = en | ἐκραταιοῦτο (ekrataiouto) = werd sterk | πληρούμενον (pleroumenon) = vervuld wordend | σοφίᾳ (sophia) = met wijsheid | καὶ (kai) = en | χάρις (charis) = genade | θεοῦ (theou) = van Elohim | ἦν (en) = was | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτό (auto) = Hem Bron: SBLGNT ### De twaalfjarige Yeshua in de tempel **2:41** Elk jaar gingen Zijn ouders naar Jeruzalem voor het feest van Pesach. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐπορεύοντο (eporeuonto) = gingen | οἱ (hoi) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | αὐτοῦ (autou) = Zijn | κατ’ (kat’) = per | ἔτος (etos) = jaar | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | τῇ (te) = voor het | ἑορτῇ (heorte) = feest | τοῦ (tou) = van het | πάσχα (pascha) = Pesach Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: πάσχα (pascha), ‘Pesach’: het feest van de uittocht uit Egypte (Exod. 12:14). Alle mannen moesten drie keer per jaar naar de plaats die Yahweh koos (Deut. 16:16). Voetnoot : Zie ook Exod. 12:14; Deut. 16:16. Zie ook: Ex 12:14; Deut 16:16 **2:42** Toen Hij twaalf jaar oud was, gingen zij omhoog volgens het gebruik van het feest. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐγένετο (egeneto) = werd | ἐτῶν (eton) = jaren | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἀναβαινόντων (anabainonton) = opgaand | αὐτῶν (auton) = zij | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | ἔθος (ethos) = gebruik | τῆς (tes) = van het | ἑορτῆς (heortes) = feest Bron: SBLGNT **2:43** Toen de dagen voorbij waren en zij terugkeerden, bleef de jongen Yeshua achter in Jeruzalem. Zijn ouders wisten het niet. Brontekst: καὶ (kai) = en | τελειωσάντων (teleiosanton) = voltooid hebbende | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | ὑποστρέφειν (hypostrephein) = terugkeren | αὐτοὺς (autous) = zij | ὑπέμεινεν (hypemeinen) = bleef achter | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | παῖς (pais) = jongen | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνωσαν (egnosan) = wisten | οἱ (hoi) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: παῖς (pais), ‘jongen’: het woord kan ook ‘kind’ of ‘knecht’ betekenen; in 1:54 en 1:69 is het ‘knecht’. Hier gaat het om de twaalfjarige Yeshua, daarom ‘jongen’. **2:44** Zij dachten dat Hij in het reisgezelschap was, legden een dagreis af en zochten Hem onder de familieleden en bekenden. Brontekst: νομίσαντες (nomisantes) = denkend | δὲ (de) = nu | αὐτὸν (auton) = Hem | εἶναι (einai) = te zijn | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | συνοδίᾳ (synodia) = reisgezelschap | ἦλθον (elthon) = gingen | ἡμέρας (hemeras) = van een dag | ὁδὸν (hodon) = reis | καὶ (kai) = en | ἀνεζήτουν (anezetoun) = zochten | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | συγγενεῦσιν (syngeneusin) = familieleden | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = de | γνωστοῖς (gnostois) = bekenden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡμέρας ὁδόν (hemeras hodon), ‘een dagreis’: de afstand die men in één dag aflegt, ongeveer 20 tot 30 kilometer. συνοδία (synodia), ‘reisgezelschap’: de groep pelgrims die samen reisde. γνωστοί (gnostoi), ‘bekenden’. **2:45** Toen zij Hem niet vonden, keerden zij terug naar Jeruzalem en zochten Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | εὑρόντες (heurontes) = vindend | ὑπέστρεψαν (hypestrepsan) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ἀναζητοῦντες (anazetountes) = zoekend | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **2:46** Na drie dagen vonden zij Hem in de tempel. Hij zat te midden van de leraren, luisterde naar hen en stelde hun vragen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | μετὰ (meta) = na | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τρεῖς (treis) = drie | εὗρον (heuron) = vonden | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | καθεζόμενον (kathezomenon) = zittend | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | τῶν (ton) = van de | διδασκάλων (didaskalon) = leraren | καὶ (kai) = en | ἀκούοντα (akouonta) = luisterend | αὐτῶν (auton) = naar hen | καὶ (kai) = en | ἐπερωτῶντα (eperotonta) = vragend | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’: iemand die de Schrift onderwijst. ἱερόν: zie vers 27. Zie ook: Luc 2:27 **2:47** Allen die naar Hem luisterden, waren buiten zichzelf van verbazing over Zijn inzicht en Zijn antwoorden. Brontekst: ἐξίσταντο (existanto) = stonden buiten zichzelf | δὲ (de) = nu | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = de | ἀκούοντες (akouontes) = hoorders | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = het | συνέσει (synesei) = inzicht | καὶ (kai) = en | ταῖς (tais) = de | ἀποκρίσεσιν (apokrisesin) = antwoorden | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **2:48** Toen zij Hem zagen, stonden zij versteld. Zijn moeder zei tegen Hem: „Kind, waarom heb je ons zo behandeld? Zie, je vader en ik hebben je met pijn gezocht.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδόντες (idontes) = ziende | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐξεπλάγησαν (exeplagesan) = stonden versteld | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = Hem | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Τέκνον (Teknon) = kind | τί (ti) = wat | ἐποίησας (epoiesas) = deed je | ἡμῖν (hemin) = aan ons | οὕτως (houtos) = zo | ἰδοὺ (idou) = zie | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = vader | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἐγὼ (ego) = ik | ὀδυνώμενοι (odynomenoi) = met pijn | ἐζητοῦμέν (ezetoumen) = zochten | σε (se) = je Bron: SBLGNT **2:49** Hij zei tegen hen: **„Waarom zochten jullie Mij? Wisten jullie niet dat Ik moet zijn in wat van Mijn Vader is?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Τί (Ti) = wat | ὅτι (hoti) = dat | ἐζητεῖτέ (ezeteite) = zochten jullie | με (me) = Mij | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδειτε (edeite) = wisten jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de dingen | τοῦ (tou) = van | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | δεῖ (dei) = het is nodig | εἶναί (einai) = zijn | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν τοῖς τοῦ πατρός μου (en tois tou patros mou) is letterlijk ‘in de (dingen) van Mijn Vader’. Dat kan betekenen: ‘in het huis van Mijn Vader’ of ‘bij de zaken van Mijn Vader’. Wij vertalen letterlijk. Dit zijn de eerste woorden van Yeshua in dit evangelie; Hij noemt Elohim Zijn Vader, tegenover ‘je vader’ in vers 48. δεῖ (dei), ‘het is nodig, het moet’. Voetnoot : Zie ook Joh. 2:16. Zie ook: Luc 2:48; Joh 2:16 **2:50** Zij begrepen het woord niet dat Hij tot hen gesproken had. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | οὐ (ou) = niet | συνῆκαν (synekan) = begrepen | τὸ (to) = het | ῥῆμα (rhema) = woord | ὃ (ho) = dat | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | αὐτοῖς (autois) = tot hen Bron: SBLGNT ### Yeshua groeit op in Nazaret **2:51** Hij ging met hen mee naar beneden en kwam in Nazaret. Hij was hun onderdanig. Zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart. Brontekst: καὶ (kai) = en | κατέβη (katebe) = ging naar beneden | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = naar | Ναζαρέθ (Nazareth) = Nazaret | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ὑποτασσόμενος (hypotassomenos) = onderdanig | αὐτοῖς (autois) = aan hen | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | διετήρει (dieterei) = bewaarde | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ταῦτα (tauta) = deze | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderdanig zijn’: zich schikken naar het gezag van de ouders. Vergelijk vers 19: Maria bewaart de woorden opnieuw in haar hart. Zie ook: Luc 2:19 **2:52** Yeshua nam toe in wijsheid, in gestalte en in genade bij Elohim en bij mensen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | προέκοπτεν (proekopten) = nam toe | σοφίᾳ (sophia) = in wijsheid | καὶ (kai) = en | ἡλικίᾳ (helikia) = in gestalte | καὶ (kai) = en | χάριτι (chariti) = in genade | παρὰ (para) = bij | θεῷ (theo) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡλικία (helikia) kan ‘gestalte’ of ‘leeftijd’ betekenen; wij vertalen ‘gestalte’. προκόπτω (prokopto), ‘toenemen’: groeien. Vergelijk 1 Sam. 2:26. Voetnoot : Zie ook 1 Sam. 2:26. Zie ook: 1 Sam 2:26 ## Lucas 3 _Johannes de Doper, de doop van Yeshua en Zijn afstamming_ ### Het optreden van Johannes de Doper **3:1** In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius was Pontius Pilatus stadhouder van Judea. Herodes was viervorst van Galilea, zijn broer Filippus viervorst van het land Iturea en Trachonitis, en Lysanias viervorst van Abilene. Brontekst: Ἐν (En) = in | ἔτει (etei) = jaar | δὲ (de) = nu | πεντεκαιδεκάτῳ (pentekaidekato) = vijftiende | τῆς (tes) = de | ἡγεμονίας (hegemonias) = regering | Τιβερίου (Tiberiou) = van Tiberius | Καίσαρος (Kaisaros) = keizer | ἡγεμονεύοντος (hegemoneuontos) = stadhouder zijnde | Ποντίου (Pontiou) = Pontius | Πιλάτου (Pilatou) = Pilatus | τῆς (tes) = van de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | καὶ (kai) = en | τετρααρχοῦντος (tetraarchountos) = viervorst zijnde | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | Ἡρῴδου (Herodou) = Herodes | Φιλίππου (Philippou) = Filippus | δὲ (de) = nu | τοῦ (tou) = de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | τετρααρχοῦντος (tetraarchountos) = viervorst zijnde | τῆς (tes) = van de | Ἰτουραίας (Itouraias) = Iturea | καὶ (kai) = en | Τραχωνίτιδος (Trachonitidos) = Trachonitis | χώρας (choras) = land | καὶ (kai) = en | Λυσανίου (Lysaniou) = Lysanias | τῆς (tes) = van de | Ἀβιληνῆς (Abilenes) = Abilene | τετρααρχοῦντος (tetraarchountos) = viervorst zijnde Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Iturea (ligging ongeveer): Iturea was een gebied ten noordoosten van Galilea, rond de Hermon en de Golanhoogte. De grenzen zijn niet scherp; dit punt is bij benadering. Zie Trachonitis (ligging ongeveer): Trachonitis was het vulkanische gebied ten zuidoosten van Damascus (de Leja), in het zuiden van het huidige Syrië. De grenzen zijn bij benadering. Zie Abilene (ligging ongeveer): Abilene was een gebied rond Abila, in het dal van de Barada, ten noordwesten van Damascus. De grenzen zijn bij benadering. Voetnoot Uitleg: ἡγεμονία (hegemonia), ‘regering’, en ἡγεμονεύω (hegemoneuo), ‘stadhouder zijn’: zoals in 2:2. τετρααρχέω (tetraarcheo), ‘viervorst zijn’: heerser over een deel van een gebied, letterlijk een vierde deel (vergelijk Matt. 14:1). Tiberius volgde Augustus op (2:1). Het vijftiende jaar van zijn regering is ongeveer het jaar 28 of 29 van onze jaartelling. Herodes is Herodes Antipas, een zoon van de Herodes uit Matt. 2:1. Iturea, Trachonitis en Abilene zijn gebieden ten noorden en oosten van Galilea. Voetnoot : Zie ook Matt. 14:1. Zie ook: Mat 2:1; Mat 14:1 **3:2** Toen Annas en Kajafas hogepriester waren, kwam het woord van Elohim tot Johannes, de zoon van Zacharia, in de woestijn. Brontekst: ἐπὶ (epi) = onder | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | Ἅννα (Hanna) = Annas | καὶ (kai) = en | Καϊάφα (Kaiapha) = Kajafas | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ῥῆμα (rhema) = woord | θεοῦ (theou) = van Elohim | ἐπὶ (epi) = tot | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = de | Ζαχαρίου (Zachariou) = van Zacharia | υἱὸν (huion) = zoon | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρχιερεύς (archiereus), ‘hogepriester’: het Grieks heeft één enkelvoud, maar noemt twee namen. Annas was eerder hogepriester geweest en Kajafas was het in die tijd; vergelijk Joh. 18:13. ἐγένετο ῥῆμα θεοῦ (egeneto rhema theou), ‘het woord van Elohim kwam’: zo vertelt het Oude Testament vaak dat het woord van Yahweh tot een profeet kwam, bijvoorbeeld Jes. 38:4. Zacharia is de vader van Johannes (1:5, 1:13). Voetnoot : Zie ook Matt. 3:1; Mark. 1:4. Zie ook: Jes 38:4; Mat 3:1; Mar 1:4; Joh 18:13 **3:3** Hij kwam in heel de omgeving van de Jordaan en verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = in | πᾶσαν (pasan) = heel | περίχωρον (perichoron) = omgeving | τοῦ (tou) = van de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | βάπτισμα (baptisma) = doop | μετανοίας (metanoias) = van bekering | εἰς (eis) = tot | ἄφεσιν (aphesin) = vergeving | ἁμαρτιῶν (hamartion) = van zonden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: μετάνοια (metanoia), ‘bekering’, van μετανοέω (metanoeo): van denken veranderen. Het gaat om een andere richting in denken en leven, een terugkeer tot Elohim, zoals het Hebreeuwse שׁוּב (shuv), ‘zich omkeren’. Voetnoot : βάπτισμα μετανοίας εἰς ἄφεσιν ἁμαρτιῶν (baptisma metanoias eis afesin hamartion), ‘doop van bekering tot vergeving van zonden’: dezelfde woorden als in Mark. 1:4. περίχωρος (perichoros), ‘omgeving’: het land rond de Jordaan. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:4. Zie ook: Mar 1:4 **3:4** Zo staat geschreven in het boek met de woorden van de profeet Jesaja: „Een stem van iemand die roept in de woestijn: ‘Maak de weg van Yahweh gereed, maak Zijn paden recht. Brontekst: ὡς (hos) = zoals | γέγραπται (gegraptai) = is geschreven | ἐν (en) = in | βίβλῳ (biblo) = boek | λόγων (logon) = van woorden | Ἠσαΐου (Esaiou) = van Jesaja | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | Φωνὴ (Phone) = stem | βοῶντος (boontos) = van een roepende | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | Ἑτοιμάσατε (Hetoimasate) = maak gereed | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | εὐθείας (eutheias) = recht | ποιεῖτε (poieite) = maak | τὰς (tas) = de | τρίβους (tribous) = paden | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Lucas citeert Jes. 40:3–5 in de Griekse tekst van zijn evangelie. In het Hebreeuws hoort ‘in de woestijn’ bij ‘maak gereed’: ‘In de woestijn: maak de weg van Yahweh gereed’. Het Grieks zet het bij de roepende stem, zoals ook Matt. 3:3 en Mark. 1:3. Matteüs en Markus geven alleen vers 3 uit Jesaja; Lucas gaat door tot en met vers 5. κυρίου (kyriou), ‘van Yahweh’: het Hebreeuws heeft de Naam יְהוָה (Yahweh). Voetnoot : Zie ook Matt. 3:3; Mark. 1:3; Joh. 1:23; Jes. 40:3. Zie ook: Jes 40:3–5; Mat 3:3; Mar 1:3; Luc 3:3; Luc 3:5; Joh 1:23 **3:5** Elke kloof zal gevuld worden, en elke berg en heuvel zal verlaagd worden. Wat krom is, zal recht worden, en wat oneffen is, zal een vlakke weg worden. Brontekst: πᾶσα (pasa) = elke | φάραγξ (pharanx) = kloof | πληρωθήσεται (plerothesetai) = zal worden gevuld | καὶ (kai) = en | πᾶν (pan) = elke | ὄρος (oros) = berg | καὶ (kai) = en | βουνὸς (bounos) = heuvel | ταπεινωθήσεται (tapeinothesetai) = zal worden verlaagd | καὶ (kai) = en | ἔσται (estai) = zal worden | τὰ (ta) = de | σκολιὰ (skolia) = kromme dingen | εἰς (eis) = tot | εὐθείαν (eutheian) = recht | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | τραχεῖαι (tracheiai) = oneffen | εἰς (eis) = tot | ὁδοὺς (hodous) = wegen | λείας (leias) = vlakke Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Jes. 40:4 zegt: ‘Elk dal wordt verhoogd, en elke berg en heuvel wordt verlaagd. Wat oneffen is, wordt vlak land.’ Lucas schrijft ‘gevuld worden’ (πληρόω, pleroo) waar het Hebreeuws ‘verhoogd worden’ heeft. De boodschap is dat alle hindernissen voor de komst van Yahweh worden weggenomen. Voetnoot : Zie ook Jes. 40:4. Zie ook: Jes 40:4 **3:6** En alle vlees zal de redding van Elohim zien.’” Brontekst: καὶ (kai) = en | ὄψεται (opsetai) = zal zien | πᾶσα (pasa) = alle | σὰρξ (sarx) = vlees | τὸ (to) = de | σωτήριον (soterion) = redding | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van Jes. 40:5 zegt: ‘De heerlijkheid van Yahweh wordt geopenbaard, en al het vlees ziet het samen.’ De Griekse tekst heeft ‘de redding van Elohim’ (σωτήριον, soterion); dat is ook het woord uit 2:30. σάρξ (sarx), ‘vlees’: alle mensen. Voetnoot : Zie ook Jes. 40:5; Luc. 2:30. Zie ook: Jes 40:5; Luc 2:30 ### De prediking van Johannes **3:7** De menigten trokken uit om door hem gedoopt te worden. Hij zei dan tegen hen: „Nageslacht van adders, wie heeft jullie erop gewezen om te vluchten voor de komende toorn? Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = zei | οὖν (oun) = dan | τοῖς (tois) = tot de | ἐκπορευομένοις (ekporeuomenois) = uittrekkende | ὄχλοις (ochlois) = menigten | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt te worden | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = hem | Γεννήματα (Gennemata) = nageslacht | ἐχιδνῶν (echidnon) = van adders | τίς (tis) = wie | ὑπέδειξεν (hypedeixen) = wees erop | ὑμῖν (hymin) = jullie | φυγεῖν (phygein) = te vluchten | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | μελλούσης (mellouses) = komende | ὀργῆς (orges) = toorn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γεννήματα ἐχιδνῶν (gennemata echidnon), ‘nageslacht van adders’: zoals in Matt. 3:7. Bij Matteüs spreekt Johannes tegen de Farizeeën en Sadduceeën; Lucas noemt de menigten. ὀργή (orge), ‘toorn’: het oordeel van Elohim. Tot en met vers 9 volgen de woorden die ook Matt. 3:7–10 heeft. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:7–10. Zie ook: Mat 3:7; Luc 3:9 **3:8** Breng dan vruchten voort die bij de bekering passen. Begin niet te zeggen bij jullie zelf: ‘Wij hebben Abraham als vader.’ Want ik zeg jullie: Elohim kan uit deze stenen kinderen voor Abraham doen opstaan. Brontekst: ποιήσατε (poiesate) = breng voort | οὖν (oun) = dan | καρποὺς (karpous) = vruchten | ἀξίους (axious) = passend bij | τῆς (tes) = de | μετανοίας (metanoias) = bekering | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἄρξησθε (arxesthe) = begin | λέγειν (legein) = te zeggen | ἐν (en) = bij | ἑαυτοῖς (heautois) = jullie zelf | Πατέρα (Patera) = vader | ἔχομεν (echomen) = wij hebben | τὸν (ton) = de | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | λέγω (lego) = ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | δύναται (dynatai) = kan | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | λίθων (lithon) = stenen | τούτων (touton) = deze | ἐγεῖραι (egeirai) = doen opstaan | τέκνα (tekna) = kinderen | τῷ (to) = voor de | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καρπός (karpos), ‘vrucht’: wat uit de bekering voortkomt, het leven dat bij de bekering past. Het is niet genoeg om Abraham tot vader te hebben. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:9. Zie ook: Mat 3:9 **3:9** De bijl ligt al aan de wortel van de bomen. Elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.” Brontekst: ἤδη (ede) = al | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ἡ (he) = de | ἀξίνη (axine) = bijl | πρὸς (pros) = bij | τὴν (ten) = de | ῥίζαν (rhizan) = wortel | τῶν (ton) = van de | δένδρων (dendron) = bomen | κεῖται (keitai) = ligt | πᾶν (pan) = elke | οὖν (oun) = dus | δένδρον (dendron) = boom | μὴ (me) = niet | ποιοῦν (poioun) = voortbrengend | καρπὸν (karpon) = vrucht | καλὸν (kalon) = goede | ἐκκόπτεται (ekkoptetai) = wordt omgehakt | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | πῦρ (pyr) = vuur | βάλλεται (balletai) = wordt geworpen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀξίνη (axine), ‘bijl’: de bijl ligt klaar, het oordeel is dichtbij. De beeldspraak is dezelfde als in Matt. 3:10 en Matt. 7:19. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:10. Zie ook: Mat 3:10; Mat 7:19 ### Wat moeten wij doen? **3:10** De menigten vroegen hem: „Wat moeten wij dan doen?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐπηρώτων (eperoton) = ondervroegen | αὐτὸν (auton) = hem | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τί (Ti) = wat | οὖν (oun) = dan | ποιήσωμεν (poiesomen) = moeten wij doen Bron: SBLGNT **3:11** Hij antwoordde hun: „Wie twee hemden heeft, moet delen met wie er geen heeft. En wie voedsel heeft, moet hetzelfde doen.” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὁ (Ho) = de | ἔχων (echon) = hebbende | δύο (dyo) = twee | χιτῶνας (chitonas) = hemden | μεταδότω (metadoto) = laat delen | τῷ (to) = met de | μὴ (me) = niet | ἔχοντι (echonti) = hebbende | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἔχων (echon) = hebbende | βρώματα (bromata) = voedsel | ὁμοίως (homoios) = evenzo | ποιείτω (poieito) = laat doen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χιτών (chiton), ‘hemd’: het kledingstuk dat onder de mantel gedragen werd; zoals in Matt. 10:10. μεταδίδωμι (metadidomi), ‘delen’. Dit en de volgende antwoorden staan alleen bij Lucas. Zie ook: Mat 10:10 **3:12** Ook tollenaars kwamen om gedoopt te worden. Zij zeiden tegen hem: „Leraar, wat moeten wij doen?” Brontekst: ἦλθον (elthon) = kwamen | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | τελῶναι (telonai) = tollenaars | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt te worden | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = leraar | τί (ti) = wat | ποιήσωμεν (poiesomen) = moeten wij doen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τελώνης (telones), ‘tollenaar’: iemand die voor de Romeinen belasting inde en daarbij vaak te veel vroeg. διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’: ook zo vertaald in Mark. 10:17. Zie ook: Mar 10:17 **3:13** Hij zei tegen hen: „Doe niets meer dan wat jullie is voorgeschreven.” Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Μηδὲν (Meden) = niets | πλέον (pleon) = meer | παρὰ (para) = dan | τὸ (to) = het | διατεταγμένον (diatetagmenon) = vastgestelde | ὑμῖν (hymin) = jullie | πράσσετε (prassete) = doe Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διατάσσω (diatasso), ‘voorschrijven’: wat is vastgesteld, dat wil zeggen het bedrag dat de tollenaars moesten innen. Wij vertalen letterlijk: ‘niets meer dan wat jullie is voorgeschreven’. **3:14** Ook soldaten vroegen hem: „En wij, wat moeten wij doen?” Hij zei tegen hen: „Pers niemand af en beschuldig niemand ten onrechte, en wees tevreden met jullie soldij.” Brontekst: ἐπηρώτων (eperoton) = ondervroegen | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = ook | στρατευόμενοι (strateuomenoi) = soldaten | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τί (Ti) = wat | ποιήσωμεν (poiesomen) = moeten wij doen | καὶ (kai) = ook | ἡμεῖς (hemeis) = wij | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Μηδένα (Medena) = niemand | διασείσητε (diaseisete) = pers af | μηδὲ (mede) = en niet | συκοφαντήσητε (sykophantesete) = beschuldig ten onrechte | καὶ (kai) = en | ἀρκεῖσθε (arkeisthe) = wees tevreden | τοῖς (tois) = met de | ὀψωνίοις (opsoniois) = soldij | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στρατεύομαι (strateuomai), ‘soldaat zijn’: het Grieks zegt letterlijk ‘dienstdoenden in het leger’. διασείω (diaseio), ‘afpersen’: letterlijk ‘schudden’, hier geld aftroggelen met dwang. συκοφαντέω (sykofanteo), ‘ten onrechte beschuldigen’. ὀψώνιον (opsonion), ‘soldij’: het loon van een soldaat. ### Johannes en de Sterkere **3:15** Het volk was vol verwachting en allen overlegden in hun hart over Johannes, of hij misschien de Messias was. Brontekst: Προσδοκῶντος (Prosdokontos) = verwachtend | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk | καὶ (kai) = en | διαλογιζομένων (dialogizomenon) = overleggend | πάντων (panton) = allen | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | καρδίαις (kardiais) = harten | αὐτῶν (auton) = hun | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | μήποτε (mepote) = of misschien | αὐτὸς (autos) = hij | εἴη (eie) = zou zijn | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσδοκάω (prosdokao), ‘verwachten’: het volk verwachtte de Messias. διαλογίζομαι (dialogizomai), ‘overleggen’: zij overlegden bij zichzelf. Vergelijk Joh. 1:19–20, waar Johannes zegt dat hij de Messias niet is. Voetnoot : Zie ook Joh. 1:19–20. Zie ook: Joh 1:19–20 **3:16** Johannes antwoordde allen: „Ik doop jullie met water, maar Hij komt die sterker is dan ik. Ik ben niet waardig de riem van Zijn sandalen los te maken. Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en vuur. Brontekst: ἀπεκρίνατο (apekrinato) = antwoordde | λέγων (legon) = zeggend | πᾶσιν (pasin) = aan allen | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | Ἐγὼ (Ego) = ik | μὲν (men) = wel | ὕδατι (hydati) = met water | βαπτίζω (baptizo) = doop | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἔρχεται (erchetai) = komt | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | ἰσχυρότερός (ischyroteros) = sterkere | μου (mou) = dan ik | οὗ (hou) = van wie | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἱκανὸς (hikanos) = waardig | λῦσαι (lysai) = los te maken | τὸν (ton) = de | ἱμάντα (himanta) = riem | τῶν (ton) = van de | ὑποδημάτων (hypodematon) = sandalen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | αὐτὸς (autos) = Hij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | βαπτίσει (baptisei) = zal dopen | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = Geest | ἁγίῳ (hagio) = Heilige | καὶ (kai) = en | πυρί (pyri) = vuur Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἰσχυρότερος (ischyroteros), ‘sterker’. ἱμάς (himas), ‘riem’: het bindband van een sandaal; het losmaken ervan was een dienst voor een ander. De woorden zijn gelijk aan Mark. 1:7–8; Matteüs heeft in Matt. 3:11 een ander werkwoord (‘dragen’). βαπτίσει ἐν πνεύματι ἁγίῳ καὶ πυρί (baptisei en pneumati hagio kai pyri), ‘zal dopen met de Heilige Geest en vuur’: zoals in Matt. 3:11. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:11–12; Mark. 1:7–8; Joh. 1:26–27. Zie ook: Mat 3:11; Mar 1:7–8; Joh 1:26–27 **3:17** Zijn wan is in Zijn hand om Zijn dorsvloer grondig te reinigen en het graan in Zijn schuur te verzamelen. Het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.” Brontekst: οὗ (hou) = van wie | τὸ (to) = de | πτύον (ptyon) = wan | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | χειρὶ (cheiri) = hand | αὐτοῦ (autou) = Zijn | διακαθᾶραι (diakatharai) = grondig te reinigen | τὴν (ten) = de | ἅλωνα (halona) = dorsvloer | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | συναγαγεῖν (synagagein) = te verzamelen | τὸν (ton) = het | σῖτον (siton) = graan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | ἀποθήκην (apotheken) = schuur | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὸ (to) = het | δὲ (de) = maar | ἄχυρον (achyron) = kaf | κατακαύσει (katakausei) = zal verbranden | πυρὶ (pyri) = met vuur | ἀσβέστῳ (asbesto) = onuitblusbaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πτύον (ptyon), ‘wan’: een soort vork waarmee het graan na het dorsen omhoog gegooid werd; de wind blies het kaf weg. ἅλων (halon), ‘dorsvloer’; ἄχυρον (achyron), ‘kaf’. ἄσβεστος (asbestos), ‘onuitblusbaar’: vuur dat niet uitgaat. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:12. Zie ook: Mat 3:12 **3:18** Met nog veel andere dingen spoorde hij het volk aan en bracht hij hun de goede boodschap. Brontekst: Πολλὰ (Polla) = veel | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = ook | ἕτερα (hetera) = andere dingen | παρακαλῶν (parakalon) = aansporend | εὐηγγελίζετο (euengelizeto) = bracht de goede boodschap | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’: ook ‘vermanen’ of ‘bemoedigen’. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’: zie 1:19. ### Johannes in de gevangenis **3:19** Maar de viervorst Herodes werd door hem terechtgewezen vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer, en vanwege al het kwaad dat Herodes gedaan had. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ὁ (ho) = de | τετραάρχης (tetraarches) = viervorst | ἐλεγχόμενος (elenchomenos) = terechtgewezen wordend | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = hem | περὶ (peri) = over | Ἡρῳδιάδος (Herodiados) = Herodias | τῆς (tes) = de | γυναικὸς (gynaikos) = vrouw | τοῦ (tou) = van de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | περὶ (peri) = over | πάντων (panton) = alle | ὧν (hon) = die | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | πονηρῶν (poneron) = kwade dingen | ὁ (ho) = de | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐλέγχω (elencho), ‘terechtwijzen’: zoals in Matt. 18:15. Herodias was de vrouw van de broer van Herodes (Matt. 14:3; Mark. 6:17). Lucas vertelt hier de gevangenneming alvast, vóór de doop van Yeshua; de volgorde in de tijd is dus anders dan de volgorde in het verhaal. Voetnoot : Zie ook Matt. 14:3–4; Mark. 6:17–18. Zie ook: Mat 14:3; Mat 18:15; Mar 6:17 **3:20** Hij voegde hieraan nog dit toe: hij sloot Johannes op in de gevangenis. Brontekst: προσέθηκεν (prosetheken) = voegde toe | καὶ (kai) = ook | τοῦτο (touto) = dit | ἐπὶ (epi) = bij | πᾶσιν (pasin) = alles | καὶ (kai) = en | κατέκλεισεν (katekleisen) = sloot op | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | ἐν (en) = in | φυλακῇ (phylake) = gevangenis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατακλείω (katakleio), ‘opsluiten’: Johannes werd in de gevangenis gesloten. Zie ook vers 19. Voetnoot : Zie ook Matt. 14:3; Mark. 6:17. Zie ook: Mat 14:3; Mar 6:17; Luc 3:19 ### De doop van Yeshua **3:21** Toen heel het volk gedoopt werd, werd ook Yeshua gedoopt. Terwijl Hij bad, werd de hemel geopend, Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = nu | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt worden | ἅπαντα (hapanta) = heel | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | καὶ (kai) = en | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | βαπτισθέντος (baptisthentos) = gedoopt zijnde | καὶ (kai) = en | προσευχομένου (proseuchomenou) = biddend | ἀνεῳχθῆναι (aneochthenai) = geopend werd | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Lucas noemt dat Yeshua bad terwijl de hemel openging. Hij wordt gedoopt zonder dat Johannes genoemd wordt. ἀνοίγω (anoigo), ‘openen’: het Grieks zegt ‘de hemel werd geopend’. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:13–17; Mark. 1:9–11. Zie ook: Mat 3:13–17; Mar 1:9–11 **3:22** en de Heilige Geest daalde in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer. En er kwam een stem uit de hemel: **„U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik behagen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | καταβῆναι (katabenai) = neerdaalde | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | σωματικῷ (somatiko) = lichamelijke | εἴδει (eidei) = gedaante | ὡς (hos) = als | περιστερὰν (peristeran) = duif | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | φωνὴν (phonen) = stem | ἐξ (ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | γενέσθαι (genesthai) = kwam | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = Zoon | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | ἀγαπητός (agapetos) = geliefde | ἐν (en) = in | σοὶ (soi) = U | εὐδόκησα (eudokesa) = heb behagen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σωματικῷ εἴδει (somatiko eidei), ‘in lichamelijke gedaante’: de Geest was zichtbaar als een duif. De stem spreekt Yeshua rechtstreeks aan (‘U’), zoals in Mark. 1:11; in Matt. 3:17 spreekt de stem over Hem. De woorden doen denken aan Ps. 2:7 en Jes. 42:1. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben hier de woorden uit Ps. 2:7: ‘Mijn Zoon ben U, Ik heb U vandaag verwekt’. De SBLGNT heeft de gewone lezing; wij vertalen de SBLGNT. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:16–17; Mark. 1:10–11; Joh. 1:32; Ps. 2:7; Jes. 42:1. Zie ook: Ps 2:7; Jes 42:1; Mat 3:16–17; Mat 3:17; Mar 1:10–11; Mar 1:11; Joh 1:32 ### De afstamming van Yeshua **3:23** Toen Yeshua begon, was Hij zelf ongeveer dertig jaar oud. Hij was, zoals men meende, een zoon van Jozef, van Eli, Brontekst: Καὶ (Kai) = en | αὐτὸς (autos) = zelf | ἦν (en) = was | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀρχόμενος (archomenos) = beginnend | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | ἐτῶν (eton) = jaren | τριάκοντα (triakonta) = dertig | ὢν (on) = zijnde | υἱός (huios) = zoon | ὡς (hos) = zoals | ἐνομίζετο (enomizeto) = men meende | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | τοῦ (tou) = van | Ἠλὶ (Eli) = Eli Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρχόμενος (archomenos), ‘beginnend’: het Grieks zegt niet waarmee Yeshua begon; wij vertalen ‘toen Yeshua begon’. Het bedoelt Zijn optreden. ὡσεὶ ἐτῶν τριάκοντα (hosei eton triakonta), ‘ongeveer dertig jaar’. ὡς ἐνομίζετο (hos enomizeto), ‘zoals men meende’: Jozef gold als Zijn vader. In de afstamming betekent ‘van’ (τοῦ, tou) telkens ‘zoon van’; het Grieks laat het woord ‘zoon’ weg. Deze lijst gaat achteruit van Yeshua naar Elohim. Voetnoot : Zie ook Matt. 1:1–17. Zie ook: Mat 1:1–17 **3:24** van Matthat, van Levi, van Melchi, van Jannai, van Jozef, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Μαθθὰτ (Maththat) = Matthat | τοῦ (tou) = van | Λευὶ (Leui) = Levi | τοῦ (tou) = van | Μελχὶ (Melchi) = Melchi | τοῦ (tou) = van | Ἰανναὶ (Iannai) = Jannai | τοῦ (tou) = van | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef Bron: SBLGNT **3:25** van Mattitja, van Amos, van Nahum, van Esli, van Naggai, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Ματταθίου (Mattathiou) = Mattitja | τοῦ (tou) = van | Ἀμὼς (Amos) = Amos | τοῦ (tou) = van | Ναοὺμ (Naoum) = Nahum | τοῦ (tou) = van | Ἑσλὶ (Hesli) = Esli | τοῦ (tou) = van | Ναγγαὶ (Nangai) = Naggai Bron: SBLGNT **3:26** van Maät, van Mattitja, van Semein, van Josech, van Joda, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Μάαθ (Maath) = Maät | τοῦ (tou) = van | Ματταθίου (Mattathiou) = Mattitja | τοῦ (tou) = van | Σεμεῒν (Semein) = Semein | τοῦ (tou) = van | Ἰωσὴχ (Iosech) = Josech | τοῦ (tou) = van | Ἰωδὰ (Ioda) = Joda Bron: SBLGNT **3:27** van Johanan, van Resa, van Zerubbabel, van Sealtiël, van Neri, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Ἰωανὰν (Ioanan) = Johanan | τοῦ (tou) = van | Ῥησὰ (Rhesa) = Resa | τοῦ (tou) = van | Ζοροβαβὲλ (Zorobabel) = Zerubbabel | τοῦ (tou) = van | Σαλαθιὴλ (Salathiel) = Sealtiël | τοῦ (tou) = van | Νηρὶ (Neri) = Neri Bron: SBLGNT **3:28** van Melchi, van Addi, van Kosam, van Elmadam, van Er, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Μελχὶ (Melchi) = Melchi | τοῦ (tou) = van | Ἀδδὶ (Addi) = Addi | τοῦ (tou) = van | Κωσὰμ (Kosam) = Kosam | τοῦ (tou) = van | Ἐλμαδὰμ (Elmadam) = Elmadam | τοῦ (tou) = van | Ἢρ (Er) = Er Bron: SBLGNT **3:29** van Yeshua, van Eliëzer, van Jorim, van Matthat, van Levi, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | τοῦ (tou) = van | Ἐλιέζερ (Eliezer) = Eliëzer | τοῦ (tou) = van | Ἰωρὶμ (Iorim) = Jorim | τοῦ (tou) = van | Μαθθὰτ (Maththat) = Matthat | τοῦ (tou) = van | Λευὶ (Leui) = Levi Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰησοῦς (Iesous), ‘Yeshua’: dezelfde naam als Jozua (Hebreeuws Yehoshua). Dit is een voorvader met dezelfde naam, niet de Yeshua van wie dit evangelie vertelt. **3:30** van Simeon, van Juda, van Jozef, van Jonam, van Eljakim, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Συμεὼν (Symeon) = Simeon | τοῦ (tou) = van | Ἰούδα (Iouda) = Juda | τοῦ (tou) = van | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | τοῦ (tou) = van | Ἰωνὰμ (Ionam) = Jonam | τοῦ (tou) = van | Ἐλιακὶμ (Eliakim) = Eljakim Bron: SBLGNT **3:31** van Melea, van Menna, van Mattata, van Natan, van David, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Μελεὰ (Melea) = Melea | τοῦ (tou) = van | Μεννὰ (Menna) = Menna | τοῦ (tou) = van | Ματταθὰ (Mattatha) = Mattata | τοῦ (tou) = van | Ναθὰμ (Natham) = Natan | τοῦ (tou) = van | Δαυὶδ (Dauid) = David Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Deze lijn loopt van David via Natan (Nathan) naar Yeshua. Matt. 1:6 loopt via Salomo. De twee lijsten verschillen; wij vertalen wat er staat. Voetnoot : Zie ook Matt. 1:6; 2 Sam. 5:14. Zie ook: 2 Sam 5:14; Mat 1:6 **3:32** van Isaï, van Obed, van Boaz, van Salmon, van Nachsjon, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Ἰεσσαὶ (Iessai) = Isaï | τοῦ (tou) = van | Ἰωβὴλ (Iobel) = Obed | τοῦ (tou) = van | Βόος (Boos) = Boaz | τοῦ (tou) = van | Σαλὰ (Sala) = Salmon | τοῦ (tou) = van | Ναασσὼν (Naasson) = Nachsjon Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De namen van Isaï tot Juda (verzen 32–33) komen ook voor in Matt. 1:3–6 en in 1 Kron. 2:1–15. Βόος (Boos) is Boaz, Σαλά (Sala) is Salmon, Ἰωβήλ (Iobed) is Obed, Ναασσών (Naasson) is Nachsjon. Voetnoot : Zie ook Matt. 1:3–6; 1 Kron. 2:9–15. Zie ook: 1 Kron 2:1–15; 1 Kron 2:9–15; Mat 1:3–6 **3:33** van Amminadab, van Admin, van Arni, van Chezron, van Peres, van Juda, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Ἀμιναδὰβ (Aminadab) = Amminadab | τοῦ (tou) = van | Ἀδμὶν (Admin) = Admin | τοῦ (tou) = van | Ἀρνὶ (Arni) = Arni | τοῦ (tou) = van | Ἑσρὼμ (Hesrom) = Chezron | τοῦ (tou) = van | Φαρὲς (Phares) = Peres | τοῦ (tou) = van | Ἰούδα (Iouda) = Juda Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἑσρώμ (Hesrom) is Chezron en Φαρές (Phares) is Peres, zoals in Matt. 1:3. Ἀδμίν (Admin) en Ἀρνί (Arni) staan niet in Matt. 1:3–4. De lijsten verschillen hier; wij vertalen wat er staat. Voetnoot : Zie ook Matt. 1:3; 1 Kron. 2:9–10. Zie ook: 1 Kron 2:9–10; Mat 1:3 **3:34** van Jakob, van Isaak, van Abraham, van Terach, van Nachor, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | τοῦ (tou) = van | Ἰσαὰκ (Isaak) = Isaak | τοῦ (tou) = van | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | τοῦ (tou) = van | Θάρα (Thara) = Terach | τοῦ (tou) = van | Ναχὼρ (Nachor) = Nachor Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Θάρα (Thara) is Terach en Ναχώρ (Nachor) is Nachor (Gen. 11:24–26). Voetnoot : Zie ook Gen. 11:24–26; 1 Kron. 1:26–28. Zie ook: Gen 11:24–26; 1 Kron 1:26–28 **3:35** van Serug, van Reü, van Peleg, van Eber, van Selach, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Σεροὺχ (Serouch) = Serug | τοῦ (tou) = van | Ῥαγαὺ (Rhagau) = Reü | τοῦ (tou) = van | Φάλεκ (Phalek) = Peleg | τοῦ (tou) = van | Ἔβερ (Eber) = Eber | τοῦ (tou) = van | Σαλὰ (Sala) = Selach Bron: SBLGNT **3:36** van Kenan, van Arpachsad, van Sem, van Noach, van Lemech, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Καϊνὰμ (Kainam) = Kenan | τοῦ (tou) = van | Ἀρφαξὰδ (Arphaxad) = Arpachsad | τοῦ (tou) = van | Σὴμ (Sem) = Sem | τοῦ (tou) = van | Νῶε (Noe) = Noach | τοῦ (tou) = van | Λάμεχ (Lamech) = Lemech Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Καϊνάμ (Kainam), ‘Kenan’: tussen Arpachsad en Selach staat in sommige oude vertalingen van Gen. 11:12–13 een Kenan; in het Hebreeuws van Gen. 11:12 en 1 Kron. 1:18 ontbreekt hij. Lucas heeft hem wel in zijn lijst. In vers 37 staat een andere Kenan (Gen. 5:9). Voetnoot : Zie ook Gen. 11:12–13; 1 Kron. 1:17–18. Zie ook: Gen 5:9; Gen 11:12–13; 1 Kron 1:17–18; 1 Kron 1:18; Luc 3:37 **3:37** van Metuselach, van Henoch, van Jered, van Mahalalël, van Kenan, Brontekst: τοῦ (tou) = van | Μαθουσαλὰ (Mathousala) = Metuselach | τοῦ (tou) = van | Ἑνὼχ (Henoch) = Henoch | τοῦ (tou) = van | Ἰάρετ (Iaret) = Jered | τοῦ (tou) = van | Μαλελεὴλ (Maleleel) = Mahalalël | τοῦ (tou) = van | Καϊνὰμ (Kainam) = Kenan Bron: SBLGNT **3:38** van Enosh, van Seth, van Adam, van Elohim. Brontekst: τοῦ (tou) = van | Ἐνὼς (Enos) = Enosh | τοῦ (tou) = van | Σὴθ (Seth) = Seth | τοῦ (tou) = van | Ἀδὰμ (Adam) = Adam | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἀδάμ (Adam) en θεοῦ (theou), ‘van Elohim’: Adam is ‘zoon van Elohim’ omdat hij door Elohim geschapen is (Gen. 1:27; 2:7). De lijst begint bij Yeshua en eindigt bij Elohim. Het woord ‘zoon’ moet erbij gedacht worden (zie vers 23); wij laten het weg zoals het Grieks. Voetnoot : Zie ook Gen. 5:1–32; Gen. 1:27; 1 Kron. 1:1–4. Zie ook: Gen 1:27; Gen 2:7; Gen 5:1–32; 1 Kron 1:1–4; Luc 3:23 ## Lucas 4 _De verzoeking, Nazaret en Kapernaüm_ ### Yeshua wordt op de proef gesteld **4:1** Yeshua, vol van de Heilige Geest, keerde terug van de Jordaan. Hij werd door de Geest in de woestijn geleid. Brontekst: Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | δὲ (de) = maar | πλήρης (pleres) = vol | πνεύματος (pneumatos) = van Geest | ἁγίου (hagiou) = Heilige | ὑπέστρεψεν (hypestrepsen) = keerde terug | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan | καὶ (kai) = en | ἤγετο (egeto) = werd geleid | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πνεύματι (pneumati) = Geest | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: ἐν τῷ πνεύματι (en to pneumati), letterlijk ‘in de Geest’: wij vertalen ‘door de Geest’, zoals in Matt. 4:1. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:1–11; Mark. 1:12–13. Zie ook: Mat 4:1; Mar 1:12–13 **4:2** Gedurende 40 dagen werd Hij door de duivel op de proef gesteld. In die dagen at Hij niets, en toen die voorbij waren, kreeg Hij honger. Brontekst: ἡμέρας (hemeras) = dagen | τεσσεράκοντα (tesserakonta) = 40 | πειραζόμενος (peirazomenos) = op de proef gesteld wordend | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | διαβόλου (diabolou) = duivel | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔφαγεν (ephagen) = at | οὐδὲν (ouden) = niets | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἐκείναις (ekeinais) = die | καὶ (kai) = en | συντελεσθεισῶν (syntelestheison) = voorbij zijnde | αὐτῶν (auton) = zij | ἐπείνασεν (epeinasen) = kreeg honger Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘gedurende 40 dagen’ en vermeldt hier niet dat Yeshua vastte; Matt. 4:2 zegt dat wel. 40 dagen komen ook voor bij Mozes (Exod. 34:28) en Elia (1 Kon. 19:8). Zie ook: Ex 34:28; 1 Kon 19:8; Mat 4:2 **4:3** De duivel zei tegen Hem: _„Als U Zoon van Elohim bent, zeg tegen deze steen dat hij brood wordt.”_ Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = tot Hem | ὁ (ho) = de | διάβολος (diabolos) = duivel | Εἰ (Ei) = als | υἱὸς (huios) = Zoon | εἶ (ei) = ben | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰπὲ (eipe) = zeg | τῷ (to) = aan de | λίθῳ (litho) = steen | τούτῳ (touto) = deze | ἵνα (hina) = dat | γένηται (genetai) = wordt | ἄρτος (artos) = brood Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱὸς τοῦ θεοῦ (huios tou theou), ‘Zoon van Elohim’, staat zonder lidwoord; wij volgen Matt. 4:3. Het sluit aan bij de stem uit de hemel in 3:22. Zie ook: Mat 4:3 **4:4** Yeshua antwoordde hem: **„Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven.’”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Γέγραπται (Gegraptai) = er staat geschreven | ὅτι (hoti) = dat | Οὐκ (Ouk) = niet | ἐπ’ (ep’) = op | ἄρτῳ (arto) = brood | μόνῳ (mono) = alleen | ζήσεται (zesetai) = zal leven | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Deut. 8:3. Lucas geeft alleen de eerste helft; Matt. 4:4 heeft ook ‘maar van elk woord dat uitgaat door de mond van Elohim’. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben na ‘alleen’ de toevoeging ‘maar van elk woord van Elohim’, naar Matt. 4:4. De SBLGNT heeft die niet. Voetnoot : Zie ook Deut. 8:3; Matt. 4:4. Zie ook: Deut 8:3; Mat 4:4 **4:5** De duivel nam Hem mee omhoog en liet Hem in een ogenblik alle koninkrijken van de bewoonde wereld zien. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀναγαγὼν (anagagon) = meenemend omhoog | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔδειξεν (edeixen) = toonde | αὐτῷ (auto) = aan Hem | πάσας (pasas) = alle | τὰς (tas) = de | βασιλείας (basileias) = koninkrijken | τῆς (tes) = van de | οἰκουμένης (oikoumenes) = bewoonde wereld | ἐν (en) = in | στιγμῇ (stigme) = ogenblik | χρόνου (chronou) = van tijd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Griekse tekst noemt hier geen onderwerp; het is de duivel uit 4:3. Lucas zet deze beproeving vóór die op de tempel; Matteüs zet haar erna (Matt. 4:5–10). Voetnoot : οἰκουμένη (oikoumene), ‘bewoonde wereld’: zie Matt. 24:14. στιγμὴ χρόνου (stigme chronou) is letterlijk ‘punt van tijd’: een ogenblik. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben na ‘meenemend omhoog’ de toevoeging ‘op een hoge berg’, naar Matt. 4:8. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:8–10. Zie ook: Mat 4:5–10; Mat 4:8; Mat 24:14 **4:6** Hij zei tegen Hem: _„Aan U zal ik al dit gezag geven, en de heerlijkheid van deze koninkrijken. Want het is aan mij overgegeven, en ik geef het aan wie ik maar wil._ Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | ὁ (ho) = de | διάβολος (diabolos) = duivel | Σοὶ (Soi) = aan U | δώσω (doso) = zal ik geven | τὴν (ten) = de | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ταύτην (tauten) = dit | ἅπασαν (hapasan) = geheel | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | αὐτῶν (auton) = hun | ὅτι (hoti) = want | ἐμοὶ (emoi) = aan mij | παραδέδοται (paradedotai) = is overgegeven | καὶ (kai) = en | ᾧ (ho) = aan wie | ἂν (an) = ook maar | θέλω (thelo) = ik wil | δίδωμι (didomi) = geef | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: zie Mark. 1:22. παραδέδοται (paradedotai) is letterlijk ‘is overgeleverd’. Volgens de duivel is het gezag over de koninkrijken aan hem gegeven. Zie ook: Mar 1:22 **4:7** _Als U zich dus voor mij neerbuigt, zal alles van U zijn.”_ Brontekst: σὺ (sy) = U | οὖν (oun) = dus | ἐὰν (ean) = als | προσκυνήσῃς (proskyneses) = U zich neerbuigt | ἐνώπιον (enopion) = voor | ἐμοῦ (emou) = mij | ἔσται (estai) = zal zijn | σοῦ (sou) = van U | πᾶσα (pasa) = alles Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zich diep buigen voor iemand, uit eerbied voor een koning of in aanbidding van Elohim. Het komt overeen met het Hebreeuwse הִשְׁתַּחֲוָה (hishtachavah), ‘zich neerbuigen’. Wij vertalen het overal zo, ook bij de duivel (zie Matt. 2:2). De duivel noemt hier alleen het neerbuigen; Matt. 4:9 voegt ‘neervalt’ toe. Zie ook: Mat 2:2; Mat 4:9 **4:8** Yeshua antwoordde hem: **„Er staat geschreven: ‘Voor Yahweh, je Elohim, moet je je neerbuigen, en Hem alleen moet je dienen.’”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | Γέγραπται (Gegraptai) = er staat geschreven | Κύριον (Kyrion) = Yahweh | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | σου (sou) = je | προσκυνήσεις (proskyneseis) = zult neerbuigen | καὶ (kai) = en | αὐτῷ (auto) = Hem | μόνῳ (mono) = alleen | λατρεύσεις (latreuseis) = zult dienen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Deut. 6:13. Het Hebreeuws heeft ‘Yahweh, je Elohim, moet je vrezen. Hem moet je dienen’; de Griekse tekst heeft ‘je neerbuigen’ en voegt ‘alleen’ toe. κύριον (kyrion), ‘Heer’, is vertaald als Yahweh. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften beginnen met ‘Ga weg achter Mij, Satan’, naar Matt. 4:10. De SBLGNT heeft dat niet. Voetnoot : Zie ook Deut. 6:13; Matt. 4:10. Zie ook: Deut 6:13; Mat 4:10 **4:9** De duivel bracht Hem naar Jeruzalem en zette Hem op de rand van de tempel. Hij zei tegen Hem: _„Als U Zoon van Elohim bent, werp Uzelf van hier naar beneden._ Brontekst: Ἤγαγεν (Egagen) = bracht | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | ἔστησεν (estesen) = zette | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = de | πτερύγιον (pterygion) = rand | τοῦ (tou) = van de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Εἰ (Ei) = als | υἱὸς (huios) = Zoon | εἶ (ei) = ben | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | βάλε (bale) = werp | σεαυτὸν (seauton) = Uzelf | ἐντεῦθεν (enteuthen) = vandaar | κάτω (kato) = naar beneden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: πτερύγιον (pterygion), ‘rand’: zie Matt. 4:5. Zie ook Matt. 4:5–7. Zie ook: Mat 4:5 **4:10** _Want er staat geschreven: ‘Aan Zijn engelen zal Hij opdracht geven over U, om U te beschermen,_ Brontekst: γέγραπται (gegraptai) = er staat geschreven | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | Τοῖς (Tois) = aan de | ἀγγέλοις (angelois) = engelen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐντελεῖται (enteleitai) = zal opdracht geven | περὶ (peri) = over | σοῦ (sou) = U | τοῦ (tou) = om | διαφυλάξαι (diaphylaxai) = te beschermen | σε (se) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Ps. 91:11–12, dat doorloopt in het volgende vers. De duivel laat ‘op al je wegen’ weg. In de aanhaling staat ‘U’, omdat de duivel de woorden op Yeshua toepast. Voetnoot : Zie ook Ps. 91:11–12; Matt. 4:6. Zie ook: Ps 91:11–12; Mat 4:6 **4:11** _en op handen zullen zij U dragen, opdat U Uw voet niet tegen een steen stoot.’”_ Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | Ἐπὶ (Epi) = op | χειρῶν (cheiron) = handen | ἀροῦσίν (arousin) = zullen dragen | σε (se) = U | μήποτε (mepote) = opdat niet | προσκόψῃς (proskopses) = U stoot | πρὸς (pros) = tegen | λίθον (lithon) = steen | τὸν (ton) = de | πόδα (poda) = voet | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT **4:12** Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Er is gezegd: ‘Je mag Yahweh, je Elohim, niet op de proef stellen.’”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | Εἴρηται (Eiretai) = er is gezegd | Οὐκ (Ouk) = niet | ἐκπειράσεις (ekpeiraseis) = zult op de proef stellen | κύριον (kyrion) = Yahweh | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Deut. 6:16. εἴρηται (eiretai) is letterlijk ‘het is gezegd’: Yeshua laat de Schrift spreken. ἐκπειράζω (ekpeirazo) is een sterkere vorm van πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’ (4:2); wij vertalen beide met ‘op de proef stellen’. Voetnoot : Zie ook Deut. 6:16; Matt. 4:7. Zie ook: Deut 6:16; Mat 4:7 **4:13** Toen de duivel alle beproevingen had voltooid, week hij van Hem tot een bepaalde tijd. Brontekst: καὶ (kai) = en | συντελέσας (syntelesas) = voltooid hebbend | πάντα (panta) = alle | πειρασμὸν (peirasmon) = beproeving | ὁ (ho) = de | διάβολος (diabolos) = duivel | ἀπέστη (apeste) = week | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἄχρι (achri) = tot | καιροῦ (kairou) = tijd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: hetzelfde woord als in Matt. 6:13. ἄχρι καιροῦ (achri kairou), ‘tot een bepaalde tijd’: het Grieks zegt niet wanneer die tijd komt. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:11. Zie ook: Mat 4:11; Mat 6:13 ### Yeshua begint in Galilea **4:14** Yeshua keerde in de kracht van de Geest terug naar Galilea. Een bericht over Hem ging rond door de hele omgeving. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὑπέστρεψεν (hypestrepsen) = keerde terug | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | δυνάμει (dynamei) = kracht | τοῦ (tou) = van de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | καὶ (kai) = en | φήμη (pheme) = bericht | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | καθ’ (kath’) = door | ὅλης (holes) = hele | τῆς (tes) = de | περιχώρου (perichorou) = omgeving | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: δύναμις (dynamis), ‘kracht’: de kracht van de Geest, die in 4:1 genoemd wordt. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:12; Mark. 1:14. Zie ook: Mat 4:12; Mar 1:14 **4:15** Hij onderwees in hun synagogen en werd door allen verheerlijkt. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hij | ἐδίδασκεν (edidasken) = onderwees | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | αὐτῶν (auton) = hun | δοξαζόμενος (doxazomenos) = verheerlijkt wordend | ὑπὸ (hypo) = door | πάντων (panton) = allen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: wij vertalen het overal zo. ### Yeshua in de synagoge van Nazaret **4:16** Hij kwam in Nazaret, waar Hij was opgegroeid. Op de sabbat ging Hij, zoals Hij gewend was, de synagoge in en stond op om te lezen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = in | Ναζαρά (Nazara) = Nazaret | οὗ (hou) = waar | ἦν (en) = was | τεθραμμένος (tethrammenos) = opgegroeid | καὶ (kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | εἰωθὸς (eiothos) = gewone | αὐτῷ (auto) = voor Hem | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τῶν (ton) = van de | σαββάτων (sabbaton) = sabbatten | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | συναγωγήν (synagogen) = synagoge | καὶ (kai) = en | ἀνέστη (aneste) = stond op | ἀναγνῶναι (anagnonai) = om te lezen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: Ναζαρά (Nazara) is een Griekse vorm van Nazaret; zie Matt. 4:13. κατὰ τὸ εἰωθός (kata to eiothos), ‘zoals Hij gewend was’: Yeshua las gewoonlijk voor in de synagoge. Lucas verhaalt dat Hij in Nazaret was opgegroeid. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:53–58; Mark. 6:1–6. Zie ook: Mat 4:13; Mat 13:53–58; Mar 6:1–6 **4:17** Men gaf Hem de boekrol van de profeet Jesaja. Hij rolde de boekrol open en vond de plaats waar geschreven stond: Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπεδόθη (epedothe) = werd gegeven | αὐτῷ (auto) = aan Hem | βιβλίον (biblion) = boekrol | τοῦ (tou) = van de | προφήτου (prophetou) = profeet | Ἠσαΐου (Esaiou) = Jesaja | καὶ (kai) = en | ἀναπτύξας (anaptyxas) = opengerold hebbend | τὸ (to) = de | βιβλίον (biblion) = boekrol | εὗρεν (heuren) = vond | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | οὗ (hou) = waar | ἦν (en) = was | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschreven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βιβλίον (biblion) is hier een boekrol, geen boek met bladzijden. Het is de rol met het boek Jesaja. **4:18** **„De Geest van Yahweh is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft om aan armen de goede boodschap te brengen. Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen vrijlating te verkondigen en aan blinden het zien terug te geven, om verbrijzelden in vrijheid te zenden,** Brontekst: Πνεῦμα (Pneuma) = Geest | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἐπ’ (ep’) = op | ἐμέ (eme) = Mij | οὗ (hou) = waarvan | εἵνεκεν (heineken) = omwille | ἔχρισέν (echrisen) = gezalfd heeft | με (me) = Mij | εὐαγγελίσασθαι (euangelisasthai) = goede boodschap te brengen | πτωχοῖς (ptochois) = aan armen | ἀπέσταλκέν (apestalken) = gezonden heeft | με (me) = Mij | κηρύξαι (keryxai) = te verkondigen | αἰχμαλώτοις (aichmalotois) = aan gevangenen | ἄφεσιν (aphesin) = vrijlating | καὶ (kai) = en | τυφλοῖς (typhlois) = aan blinden | ἀνάβλεψιν (anablepsin) = zien | ἀποστεῖλαι (aposteilai) = te zenden | τεθραυσμένους (tethrausmenous) = verbrijzelden | ἐν (en) = in | ἀφέσει (aphesei) = vrijheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat staat in Jes. 61:1, met een regel uit Jes. 58:6, waar het Hebreeuws zegt: ‘de onderdrukten vrij laten gaan’. Lucas volgt de Griekse tekst. Het Hebreeuws van Jes. 61:1 heeft ‘om hen te verbinden die gebroken zijn van hart’ en ‘de gebondenen de opening van de kerker’; ‘aan blinden het zien’ komt uit de Griekse tekst. κυρίου (kyriou), ‘Heer’, is vertaald als Yahweh. Voetnoot : ἔχρισεν (echrisen), ‘heeft gezalfd’, is van dezelfde stam als χριστός (christos), ‘gezalfde, Messias’. ἄφεσις (aphesis) betekent ‘vrijlating’ en ook ‘vergeving’; hier gaat het over vrijlating van gevangenen. Het woord staat twee keer: ‘vrijlating’ en ‘in vrijheid’. ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’: wij vertalen het overal zo. Voetnoot : Zie ook Jes. 61:1; Jes. 58:6. Zie ook: Jes 58:6; Jes 61:1 **4:19** **om een aangenaam jaar van Yahweh te verkondigen.”** Brontekst: κηρύξαι (keryxai) = te verkondigen | ἐνιαυτὸν (eniauton) = jaar | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | δεκτόν (dekton) = aangenaam Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 61:2a. Het Hebreeuws heeft ‘het jaar van welbehagen voor Yahweh’. Lucas leest niet verder: ‘en de dag van wraak voor onze Elohim’ blijft weg. Voetnoot : Zie ook Jes. 61:2. Zie ook: Jes 61:2 **4:20** Hij rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de bediende en ging zitten. De ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. Brontekst: καὶ (kai) = en | πτύξας (ptyxas) = opgerold hebbend | τὸ (to) = de | βιβλίον (biblion) = boekrol | ἀποδοὺς (apodous) = teruggevend | τῷ (to) = aan de | ὑπηρέτῃ (hyperete) = bediende | ἐκάθισεν (ekathisen) = ging zitten | καὶ (kai) = en | πάντων (panton) = van allen | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοὶ (ophthalmoi) = ogen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | ἦσαν (esan) = waren | ἀτενίζοντες (atenizontes) = gericht houdend | αὐτῷ (auto) = op Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: degene die in de synagoge de rollen beheerde. Yeshua gaat zitten om te onderwijzen; vergelijk Matt. 5:1. Zie ook: Mat 5:1 **4:21** Hij begon tegen hen te zeggen: **„Vandaag is deze Schrift in jullie oren vervuld.”** Brontekst: ἤρξατο (erxato) = begon | δὲ (de) = maar | λέγειν (legein) = te zeggen | πρὸς (pros) = tot | αὐτοὺς (autous) = hen | ὅτι (hoti) = dat | Σήμερον (Semeron) = vandaag | πεπλήρωται (peplerotai) = is vervuld | ἡ (he) = de | γραφὴ (graphe) = Schrift | αὕτη (haute) = deze | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | ὠσὶν (osin) = oren | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γραφή (graphe), ‘Schrift’: hier het schriftwoord dat Hij zojuist heeft gelezen. πεπλήρωται (peplerotai), ‘is vervuld’: zie Matt. 1:22. Zie ook: Mat 1:22 **4:22** Allen getuigden van Hem en verwonderden zich over de woorden van genade die uit Zijn mond kwamen. Zij zeiden: „Is dit niet de zoon van Jozef?” Brontekst: καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | ἐμαρτύρουν (emartyroun) = getuigden | αὐτῷ (auto) = van Hem | καὶ (kai) = en | ἐθαύμαζον (ethaumazon) = verwonderden zich | ἐπὶ (epi) = over | τοῖς (tois) = de | λόγοις (logois) = woorden | τῆς (tes) = van de | χάριτος (charitos) = genade | τοῖς (tois) = die | ἐκπορευομένοις (ekporeuomenois) = uitgaan | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | στόματος (stomatos) = mond | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Οὐχὶ (Ouchi) = niet | υἱός (huios) = zoon | ἐστιν (estin) = is | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | οὗτος (houtos) = Deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμαρτύρουν αὐτῷ (emartyroun auto) is letterlijk ‘zij getuigden Hem’. Wij lezen het als ‘zij getuigden van Hem’, goedkeurend; de zin kan ook anders gelezen worden. Daarna slaat de stemming om (4:28). Voetnoot : Zie ook Matt. 13:54–58; Mark. 6:2–3; Joh. 6:42. Zie ook: Mat 13:54–58; Mar 6:2–3; Joh 6:42 **4:23** Hij zei tegen hen: **„Ongetwijfeld zullen jullie dit gezegde tegen Mij aanhalen: ‘Arts, genees jezelf! Alles wat wij hebben horen gebeuren in Kapernaüm, doe dat ook hier in je vaderstad.’”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Πάντως (Pantos) = in elk geval | ἐρεῖτέ (ereite) = zullen zeggen | μοι (moi) = aan mij | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ταύτην (tauten) = deze | Ἰατρέ (Iatre) = arts | θεράπευσον (therapeuson) = genees | σεαυτόν (seauton) = jezelf | ὅσα (hosa) = zoveel | ἠκούσαμεν (ekousamen) = hoorden wij | γενόμενα (genomena) = geschied | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Καφαρναοὺμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | ποίησον (poieson) = doe | καὶ (kai) = ook | ὧδε (hode) = hier | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πατρίδι (patridi) = vaderstad | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Zie Nazaret (uw vaderstad): Met ‘uw vaderstad’ en ‘zijn vaderstad’ wordt Nazaret bedoeld (zie Lucas 4:16), in Neder-Galilea. De naam staat hier niet in de tekst. Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole) is hier een gezegde, een spreekwoord; elders vertalen wij ‘gelijkenis’. Lucas heeft nog niet verteld wat er in Kapernaüm gebeurd is; dat volgt vanaf 4:31. πατρίς (patris), ‘vaderstad’: de stad waar iemand vandaan komt. **4:24** Hij zei: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: geen profeet is welkom in zijn vaderstad.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δέ (de) = maar | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = zeg Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | προφήτης (prophetes) = profeet | δεκτός (dektos) = welkom | ἐστιν (estin) = is | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πατρίδι (patridi) = vaderstad | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret (uw vaderstad): Met ‘uw vaderstad’ en ‘zijn vaderstad’ wordt Nazaret bedoeld (zie Lucas 4:16), in Neder-Galilea. De naam staat hier niet in de tekst. Voetnoot Uitleg: ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: een Hebreeuws woord (אָמֵן) dat ‘het is waar, het is zeker’ betekent. Yeshua zet het vaak vóór Zijn woorden; wij vertalen het overal met ‘voorwaar’. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:57; Mark. 6:4; Joh. 4:44. Zie ook: Mat 13:57; Mar 6:4; Joh 4:44 **4:25** **Maar in waarheid zeg Ik jullie: in de dagen van Elia waren er veel weduwen in Israël. Toen de hemel 3 jaar en 6 maanden gesloten was, kwam er een grote hongersnood over het hele land.** Brontekst: ἐπ’ (ep’) = in | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | δὲ (de) = maar | λέγω (lego) = zeg Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | πολλαὶ (pollai) = veel | χῆραι (cherai) = weduwen | ἦσαν (esan) = waren | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | Ἠλίου (Eliou) = van Elia | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | Ἰσραήλ (Israel) = Israël | ὅτε (hote) = toen | ἐκλείσθη (ekleisthe) = werd gesloten | ὁ (ho) = de | οὐρανὸς (ouranos) = hemel | ἐπὶ (epi) = gedurende | ἔτη (ete) = jaren | τρία (tria) = 3 | καὶ (kai) = en | μῆνας (menas) = maanden | ἕξ (hex) = 6 | ὡς (hos) = zoals | ἐγένετο (egeneto) = kwam | λιμὸς (limos) = hongersnood | μέγας (megas) = grote | ἐπὶ (epi) = over | πᾶσαν (pasan) = heel | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De woorden over Elia verwijzen naar 1 Kon. 17:1–18:1. 3 jaar en 6 maanden: 1 Kon. 18:1 spreekt van ‘het derde jaar’; vergelijk Jak. 5:17. Zie ook: 1 Kon 17:1–18:1; 1 Kon 18:1; Jak 5:17 **4:26** **Naar geen van hen werd Elia gestuurd, maar alleen naar Zarefat in het gebied van Sidon, naar een weduwe.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πρὸς (pros) = naar | οὐδεμίαν (oudemian) = geen | αὐτῶν (auton) = van hen | ἐπέμφθη (epemphthe) = werd gestuurd | Ἠλίας (Elias) = Elia | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | εἰς (eis) = naar | Σάρεπτα (Sarepta) = Zarefat | τῆς (tes) = van de | Σιδωνίας (Sidonias) = Sidonische | πρὸς (pros) = naar | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | χήραν (cheran) = weduwe Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zarefat (Sarafand): Zarefat lag aan de kust tussen Tyrus en Sidon, bij het huidige Sarafand in Libanon. Het hoorde bij Sidon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: Σάρεπτα (Sarepta) is Zarefat; zie 1 Kon. 17:9. Het lag in het gebied van Sidon, buiten Israël. ἐπέμφθη (epemphthe), ‘werd gestuurd’: van πέμπω (pempo), ‘sturen’. Zie ook: 1 Kon 17:9 **4:27** **Er waren ook veel melaatsen in Israël in de tijd van de profeet Elisa, en niemand van hen werd gereinigd, behalve Naäman, de Syriër.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλοὶ (polloi) = veel | λεπροὶ (leproi) = melaatsen | ἦσαν (esan) = waren | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | ἐπὶ (epi) = onder | Ἐλισαίου (Elisaiou) = Elisa | τοῦ (tou) = de | προφήτου (prophetou) = profeet | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | αὐτῶν (auton) = van hen | ἐκαθαρίσθη (ekatharisthe) = werd gereinigd | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | Ναιμὰν (Naiman) = Naäman | ὁ (ho) = de | Σύρος (Syros) = Syriër Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De genezing van Naäman staat in 2 Kon. 5:1–14. Σύρος (Syros), ‘Syriër’, is in het Hebreeuws ‘Aramees’, uit Aram; zie 2 Kon. 5:1. Ook Naäman was een vreemdeling. λεπρός (lepros), ‘melaatse’: zie Lev. 13. Zie ook: 2 Kon 5:1–14 ### Yeshua wordt uit Nazaret gedreven **4:28** Allen in de synagoge werden vervuld van woede toen zij dit hoorden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | πάντες (pantes) = allen | θυμοῦ (thymou) = van woede | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | ἀκούοντες (akouontes) = horend | ταῦτα (tauta) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zij werden woedend, omdat Yeshua zegt dat Elohim zich in het verleden tot vreemden wendde en niet tot Israël. **4:29** Zij stonden op en dreven Hem de stad uit. Zij brachten Hem naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem in de diepte te storten. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναστάντες (anastantes) = opgestaan | ἐξέβαλον (exebalon) = dreven uit | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔξω (exo) = buiten | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | καὶ (kai) = en | ἤγαγον (egagon) = brachten | αὐτὸν (auton) = Hem | ἕως (heos) = tot | ὀφρύος (ophryos) = rand | τοῦ (tou) = van de | ὄρους (orous) = berg | ἐφ’ (eph’) = op | οὗ (hou) = wat | ἡ (he) = de | πόλις (polis) = stad | ᾠκοδόμητο (okodometo) = gebouwd was | αὐτῶν (auton) = hun | ὥστε (hoste) = zodat | κατακρημνίσαι (katakremnisai) = afstorten | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Berg bij Nazaret (ligging onzeker): De rand van de berg waarop Nazaret was gebouwd ligt ergens aan de rand van de heuvel van Nazaret. De precieze plek is onbekend; de overlevering wijst een steile rand ten zuidoosten van de stad aan, maar dat is een latere traditie. Voetnoot Uitleg: ὀφρύς (ophrys) is letterlijk ‘wenkbrauw’: de rand van een heuvel. Welke rand bedoeld is, is niet zeker. κατακρημνίσαι (katakremnisai), ‘in de diepte storten’: van een steile wand afwerpen. **4:30** Maar Hij liep midden tussen hen door en ging Zijn weg. Brontekst: αὐτὸς (autos) = Hij | δὲ (de) = maar | διελθὼν (dielthon) = doorgegaan | διὰ (dia) = door | μέσου (mesou) = midden | αὐτῶν (auton) = hen | ἐπορεύετο (eporeueto) = ging Bron: SBLGNT ### Een onreine geest in Kapernaüm **4:31** Hij ging af naar Kapernaüm, een stad in Galilea, en onderwees hen op de sabbat. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | κατῆλθεν (katelthen) = ging af | εἰς (eis) = naar | Καφαρναοὺμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | πόλιν (polin) = stad | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = op | τοῖς (tois) = de | σάββασιν (sabbasin) = sabbatten Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Kapernaüm lag in Galilea, aan het meer (Matt. 4:13). Voetnoot : Zie ook Mark. 1:21–28. Zie ook: Mat 4:13; Mar 1:21–28 **4:32** Zij stonden versteld over Zijn onderwijs, want Zijn woord had gezag. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto) = stonden versteld | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = het | διδαχῇ (didache) = onderwijs | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὅτι (hoti) = want | ἐν (en) = in | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: zie Mark. 1:22. ἐκπλήσσω (ekplesso), ‘versteld staan’: zie Matt. 7:28. Zie ook: Mat 7:28; Mar 1:22 **4:33** In de synagoge was een man met de geest van een onreine demon. Hij schreeuwde het uit met luide stem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | ἦν (en) = was | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἔχων (echon) = hebbend | πνεῦμα (pneuma) = geest | δαιμονίου (daimoniou) = van demon | ἀκαθάρτου (akathartou) = onreine | καὶ (kai) = en | ἀνέκραξεν (anekraxen) = schreeuwde uit | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = grote Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Lucas heeft hier ‘de geest van een onreine demon’, een samenstelling van Mark. 1:23 (‘onreine geest’) en δαιμόνιον (daimonion), ‘demon’. Zie ook: Mar 1:23 **4:34** _„Ach, wat hebben wij met U te maken, Yeshua van Nazaret? Bent U gekomen om ons om te brengen? Ik weet wie U bent: de Heilige van Elohim.”_ Brontekst: Ἔα (Ea) = ach | τί (ti) = wat | ἡμῖν (hemin) = aan ons | καὶ (kai) = en | σοί (soi) = aan U | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Ναζαρηνέ (Nazarene) = Nazarener | ἦλθες (elthes) = bent gekomen | ἀπολέσαι (apolesai) = om te brengen | ἡμᾶς (hemas) = ons | οἶδά (oida) = ik weet | σε (se) = U | τίς (tis) = wie | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | ἅγιος (hagios) = Heilige | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: Ἔα (Ea) is een uitroep van schrik; wij vertalen ‘ach’. De geest spreekt eerst in het meervoud (‘wij’), daarna in het enkelvoud (‘ik weet’). ὁ ἅγιος τοῦ θεοῦ (ho hagios tou theou), ‘de Heilige van Elohim’: zie Mark. 1:24. Zie ook: Mar 1:24 **4:35** Yeshua bestrafte hem en zei: **„Wees stil en ga uit hem weg.”** De demon wierp de man in het midden neer. Toen ging hij uit hem weg, zonder hem enig letsel toe te brengen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγων (legon) = zeggend | Φιμώθητι (Phimotheti) = wees stil | καὶ (kai) = en | ἔξελθε (exelthe) = ga uit | ἀπ’ (ap’) = uit | αὐτοῦ (autou) = hem | καὶ (kai) = en | ῥίψαν (rhipsan) = neergeworpen hebbend | αὐτὸν (auton) = hem | τὸ (to) = de | δαιμόνιον (daimonion) = demon | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | μέσον (meson) = midden | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἀπ’ (ap’) = uit | αὐτοῦ (autou) = hem | μηδὲν (meden) = niets | βλάψαν (blapsan) = schaden hebbend | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιτιμάω (epitimao), ‘bestraffen’ en φιμόω (phimoo), ‘wees stil’: zie Mark. 1:25. Zie ook: Mar 1:25 **4:36** Verbijstering kwam over allen en zij spraken met elkaar. Zij zeiden: „Wat is dit voor een woord? Met gezag en kracht geeft Hij de onreine geesten bevel, en zij gaan uit.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = kwam | θάμβος (thambos) = verbijstering | ἐπὶ (epi) = over | πάντας (pantas) = allen | καὶ (kai) = en | συνελάλουν (synelaloun) = spraken met | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τίς (Tis) = wat | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | οὗτος (houtos) = dit | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = met | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | καὶ (kai) = en | δυνάμει (dynamei) = kracht | ἐπιτάσσει (epitassei) = geeft bevel | τοῖς (tois) = aan de | ἀκαθάρτοις (akathartois) = onreine | πνεύμασιν (pneumasin) = geesten | καὶ (kai) = en | ἐξέρχονται (exerchontai) = gaan uit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θάμβος (thambos), ‘verbijstering’: verbazing met schrik. ἐπιτάσσω (epitasso), ‘bevel geven’: zie Mark. 1:27. Zie ook: Mar 1:27 **4:37** Een gerucht over Hem ging uit naar elke plaats in de omgeving. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξεπορεύετο (exeporeueto) = ging uit | ἦχος (echos) = gerucht | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | εἰς (eis) = naar | πάντα (panta) = elke | τόπον (topon) = plaats | τῆς (tes) = van de | περιχώρου (perichorou) = omgeving Bron: SBLGNT ### Yeshua geneest de schoonmoeder van Simon en velen **4:38** Hij stond op, verliet de synagoge en ging het huis van Simon binnen. De schoonmoeder van Simon had hoge koorts, en zij vroegen Hem om haar te helpen. Brontekst: Ἀναστὰς (Anastas) = opgestaan | δὲ (de) = maar | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | συναγωγῆς (synagoges) = synagoge | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | πενθερὰ (penthera) = schoonmoeder | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = van de | Σίμωνος (Simonos) = Simon | ἦν (en) = was | συνεχομένη (synechomene) = gekweld | πυρετῷ (pyreto) = door koorts | μεγάλῳ (megalo) = grote | καὶ (kai) = en | ἠρώτησαν (erotesan) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | περὶ (peri) = over | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Simon is Petrus, die in 5:8 Simon Petrus heet. Lucas noemt de koorts ‘groot’, wij vertalen ‘hoge koorts’. Voetnoot : Zie ook Matt. 8:14–15; Mark. 1:29–31. Zie ook: Mat 8:14–15; Mar 1:29–31 **4:39** Hij boog zich over haar heen en bestrafte de koorts, en die verliet haar. Meteen stond zij op en diende hen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπιστὰς (epistas) = gaan staan | ἐπάνω (epano) = boven | αὐτῆς (autes) = haar | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | τῷ (to) = de | πυρετῷ (pyreto) = koorts | καὶ (kai) = en | ἀφῆκεν (apheken) = verliet | αὐτήν (auten) = haar | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | δὲ (de) = maar | ἀναστᾶσα (anastasa) = opgestaan | διηκόνει (diekonei) = diende | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιτιμάω (epitimao), ‘bestraffen’: Yeshua spreekt de koorts toe zoals Hij ook de wind (8:24) en onreine geesten bestraft. **4:40** Toen de zon onderging, brachten allen die zieken met allerlei ziekten hadden, hen bij Hem. Hij legde ieder van hen de handen op en genas hen. Brontekst: Δύνοντος (Dynontos) = ondergaand | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = de | ἡλίου (heliou) = zon | ἅπαντες (hapantes) = allen | ὅσοι (hosoi) = zovelen | εἶχον (eichon) = hadden | ἀσθενοῦντας (asthenountas) = zieken | νόσοις (nosois) = met ziekten | ποικίλαις (poikilais) = verschillende | ἤγαγον (egagon) = brachten | αὐτοὺς (autous) = hen | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem | ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | ἑνὶ (heni) = aan een | ἑκάστῳ (hekasto) = ieder | αὐτῶν (auton) = van hen | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐπιτιθεὶς (epititheis) = opleggend | ἐθεράπευεν (etherapeuen) = genas | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘toen de zon onderging’: de sabbat was voorbij en men mocht de zieken dragen. Voetnoot : Zie ook Matt. 8:16–17; Mark. 1:32–34. Zie ook: Mat 8:16–17; Mar 1:32–34 **4:41** Ook gingen demonen uit velen uit. Zij schreeuwden: _„U bent de Zoon van Elohim!”_ Hij bestrafte hen en liet hen niet spreken, omdat zij wisten dat Hij de Messias was. Brontekst: ἐξήρχετο (exercheto) = gingen uit | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἀπὸ (apo) = uit | πολλῶν (pollon) = velen | κραυγάζοντα (kraugazonta) = schreeuwend | καὶ (kai) = en | λέγοντα (legonta) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἐπιτιμῶν (epitimon) = bestraffend | οὐκ (ouk) = niet | εἴα (eia) = liet | αὐτὰ (auta) = hen | λαλεῖν (lalein) = spreken | ὅτι (hoti) = omdat | ᾔδεισαν (edeisan) = wisten | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | αὐτὸν (auton) = Hem | εἶναι (einai) = te zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χριστός (christos), ‘Messias’, de gezalfde: zie 2:11. De demonen weten wie Hij is, maar Yeshua laat hen niet spreken. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:34; 3:11. Zie ook: Mar 1:34; Mar 3:11 ### Yeshua verkondigt in andere steden **4:42** Toen het dag werd, ging Hij naar buiten en vertrok naar een verlaten plaats. De menigten zochten Hem, kwamen bij Hem en probeerden Hem tegen te houden, zodat Hij niet bij hen wegging. Brontekst: Γενομένης (Genomenes) = geworden | δὲ (de) = maar | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | ἐπορεύθη (eporeuthe) = vertrok | εἰς (eis) = naar | ἔρημον (eremon) = verlaten | τόπον (topon) = plaats | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | ἐπεζήτουν (epezetoun) = zochten | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | ἕως (heos) = tot | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | κατεῖχον (kateichon) = hielden tegen | αὐτὸν (auton) = Hem | τοῦ (tou) = om | μὴ (me) = niet | πορεύεσθαι (poreuesthai) = weg te gaan | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 1:35–38. Zie ook: Mar 1:35–38 **4:43** Maar Hij zei tegen hen: **„Ook aan de andere steden moet Ik de goede boodschap van het koninkrijk van Elohim brengen. Daarvoor ben Ik gezonden.”** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτοὺς (autous) = hen | ὅτι (hoti) = dat | Καὶ (Kai) = ook | ταῖς (tais) = aan de | ἑτέραις (heterais) = andere | πόλεσιν (polesin) = steden | εὐαγγελίσασθαί (euangelisasthai) = goede boodschap brengen | με (me) = mij | δεῖ (dei) = nodig is | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὅτι (hoti) = want | ἐπὶ (epi) = om | τοῦτο (touto) = dit | ἀπεστάλην (apestalen) = ben gezonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βασιλεία τοῦ θεοῦ (basileia tou theou), ‘het koninkrijk van Elohim’: de heerschappij van Elohim, Zijn koningschap dat komt. Matteüs zegt ‘het koninkrijk van de hemelen’ (Matt. 3:2). δεῖ (dei), ‘het is nodig, Ik moet’: een goddelijke noodzaak. ἀπεστάλην (apestalen), ‘ben Ik gezonden’: van ἀποστέλλω, ‘zenden’. Voetnoot : Zie ook Mark. 1:38. Zie ook: Mat 3:2; Mar 1:38 **4:44** Hij verkondigde in de synagogen van Judea. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | συναγωγὰς (synagogas) = synagogen | τῆς (tes) = van de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Lezing: De SBLGNT heeft Ἰουδαίας (Ioudaias), ‘Judea’. Sommige handschriften hebben Γαλιλαίας (Galilaias), ‘Galilea’, naar Mark. 1:39. Wij vertalen de SBLGNT. Zie ook: Mar 1:39 ## Lucas 5 _De vangst, een melaatse, een verlamde en Levi_ ### Yeshua roept Simon, Jakobus en Johannes **5:1** Het gebeurde dat de menigte tegen Hem aandrong om het woord van Elohim te horen, terwijl Hij aan het meer van Gennesaret stond. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἐπικεῖσθαι (epikeisthai) = aandringen | αὐτῷ (auto) = op Hem | καὶ (kai) = en | ἀκούειν (akouein) = horen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hij | ἦν (en) = was | ἑστὼς (hestos) = staand | παρὰ (para) = bij | τὴν (ten) = het | λίμνην (limnen) = meer | Γεννησαρέτ (Gennesaret) = Gennesaret Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’. Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: λίμνη (limne), ‘meer’: Lucas noemt het Meer van Galilea zo; Matteüs en Markus zeggen θάλασσα (thalassa), ‘zee’. Γεννησαρέτ (Gennesaret) is de landstreek aan het meer (Matt. 14:34). Zie ook: Mat 14:34 **5:2** Hij zag twee boten aan het meer liggen. De vissers waren eruit gestapt en wasten de netten. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶδεν (eiden) = zag | δύο (dyo) = twee | πλοῖα (ploia) = boten | ἑστῶτα (hestota) = staand | παρὰ (para) = bij | τὴν (ten) = het | λίμνην (limnen) = meer | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἁλιεῖς (halieis) = vissers | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἀποβάντες (apobantes) = uitgestapt | ἔπλυνον (eplynon) = wasten | τὰ (ta) = de | δίκτυα (diktya) = netten Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’. Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. **5:3** Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van de wal te varen. Daarna ging Hij zitten en onderwees de menigten vanuit de boot. Brontekst: ἐμβὰς (embas) = ingestapt | δὲ (de) = maar | εἰς (eis) = in | ἓν (hen) = een | τῶν (ton) = van de | πλοίων (ploion) = boten | ὃ (ho) = die | ἦν (en) = was | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | ἠρώτησεν (erotesen) = vroeg | αὐτὸν (auton) = hem | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | γῆς (ges) = land | ἐπαναγαγεῖν (epanagagein) = af te varen | ὀλίγον (oligon) = een weinig | καθίσας (kathisas) = gezeten | δὲ (de) = maar | ἐκ (ek) = vanuit | τοῦ (tou) = de | πλοίου (ploiou) = boot | ἐδίδασκεν (edidasken) = onderwees | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Simon is Simon Petrus; hij wordt in 5:8 voor het eerst met beide namen genoemd. Anders dan Matteüs en Markus vertelt Lucas niet dat Yeshua hem en Andreas eerst langs het meer ziet lopen. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:18–22; Mark. 1:16–20. Zie ook: Mat 4:18–22; Mar 1:16–20 **5:4** Toen Hij ophield met spreken, zei Hij tegen Simon: **„Vaar naar het diepe en laat jullie netten zakken voor een vangst.”** Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = maar | ἐπαύσατο (epausato) = hield op | λαλῶν (lalon) = sprekend | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | Σίμωνα (Simona) = Simon | Ἐπανάγαγε (Epanagage) = vaar uit | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | βάθος (bathos) = diepe | καὶ (kai) = en | χαλάσατε (chalasate) = laat zakken | τὰ (ta) = de | δίκτυα (diktya) = netten | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰς (eis) = voor | ἄγραν (agran) = vangst Bron: SBLGNT **5:5** Simon antwoordde: „Meester, de hele nacht hebben wij ons afgetobd en niets gevangen. Maar op Uw woord zal ik de netten laten zakken.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | Σίμων (Simon) = Simon | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐπιστάτα (Epistata) = Meester | δι’ (di’) = gedurende | ὅλης (holes) = hele | νυκτὸς (nyktos) = nacht | κοπιάσαντες (kopiasantes) = afgetobd hebbend | οὐδὲν (ouden) = niets | ἐλάβομεν (elabomen) = namen wij | ἐπὶ (epi) = op | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = het | ῥήματί (rhemati) = woord | σου (sou) = Uw | χαλάσω (chalaso) = zal ik laten zakken | τὰ (ta) = de | δίκτυα (diktya) = netten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιστάτα (epistata), ‘Meester’: een aanspreking die Lucas gebruikt; elders spreken Matteüs en Markus Yeshua aan met ‘Rabbi’ of ‘Leraar’. ῥῆμα (rhema), ‘woord’. **5:6** Toen zij dat deden, sloten zij een grote hoeveelheid vissen in. Hun netten begonnen te scheuren. Brontekst: καὶ (kai) = en | τοῦτο (touto) = dit | ποιήσαντες (poiesantes) = doende | συνέκλεισαν (synekleisan) = sloten in | πλῆθος (plethos) = menigte | ἰχθύων (ichthyon) = van vissen | πολύ (poly) = veel | διερρήσσετο (dierresseto) = begonnen te scheuren | δὲ (de) = maar | τὰ (ta) = de | δίκτυα (diktya) = netten | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **5:7** Zij wenkten hun maats in de andere boot om te komen helpen. Die kwamen en vulden beide boten, zodat die begonnen te zinken. Brontekst: καὶ (kai) = en | κατένευσαν (kateneusan) = wenkten | τοῖς (tois) = aan de | μετόχοις (metochois) = maats | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἑτέρῳ (hetero) = andere | πλοίῳ (ploio) = boot | τοῦ (tou) = om | ἐλθόντας (elthontas) = komend | συλλαβέσθαι (syllabesthai) = te helpen | αὐτοῖς (autois) = hen | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | καὶ (kai) = en | ἔπλησαν (eplesan) = vulden | ἀμφότερα (amphotera) = beide | τὰ (ta) = de | πλοῖα (ploia) = boten | ὥστε (hoste) = zodat | βυθίζεσθαι (bythizesthai) = zinken | αὐτά (auta) = zij Bron: SBLGNT **5:8** Toen Simon Petrus dit zag, viel hij neer voor de knieën van Yeshua. Hij zei: „Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig man.” Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | δὲ (de) = maar | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | προσέπεσεν (prosepesen) = viel neer | τοῖς (tois) = aan de | γόνασιν (gonasin) = knieën | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | λέγων (legon) = zeggend | Ἔξελθε (Exelthe) = ga weg | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = mij | ὅτι (hoti) = dat | ἀνὴρ (aner) = man | ἁμαρτωλός (hamartolos) = zondig | εἰμι (eimi) = ben | κύριε (kyrie) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Simon noemt Yeshua hier κύριε (kyrie), ‘Heer’. Zijn schuldbesef komt voort uit wat hij zag, niet uit een woord van Yeshua. **5:9** Verbijstering had hem en allen die bij hem waren overmand, vanwege de vangst vissen die zij hadden binnengehaald. Brontekst: θάμβος (thambos) = verbijstering | γὰρ (gar) = want | περιέσχεν (perieschen) = omvatte | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | πάντας (pantas) = allen | τοὺς (tous) = de | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = hem | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = de | ἄγρᾳ (agra) = vangst | τῶν (ton) = van de | ἰχθύων (ichthyon) = vissen | ὧν (hon) = die | συνέλαβον (synelabon) = vingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θάμβος (thambos), ‘verbijstering’: zie 4:36. **5:10** Zo ging het ook met Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die deelgenoten van Simon waren. Yeshua zei tegen Simon: **„Wees niet bang. Van nu af aan zul je mensen levend vangen.”** Brontekst: ὁμοίως (homoios) = op dezelfde manier | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | υἱοὺς (huious) = zonen | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = van Zebedeüs | οἳ (hoi) = die | ἦσαν (esan) = waren | κοινωνοὶ (koinonoi) = deelgenoten | τῷ (to) = aan de | Σίμωνι (Simoni) = Simon | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | Σίμωνα (Simona) = Simon | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Μὴ (Me) = niet | φοβοῦ (phobou) = wees bang | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | νῦν (nyn) = nu | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | ἔσῃ (ese) = zult zijn | ζωγρῶν (zogron) = levend vangend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοινωνοί (koinonoi), ‘deelgenoten’: mensen die samen een bedrijf hebben, hier de visserij. ζωγρέω (zogreo) is letterlijk ‘levend vangen’; het wordt gezegd van vissers die mensen vangen, niet om hen te doden. **5:11** Zij brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | καταγαγόντες (katagagontes) = aan land gebracht hebbend | τὰ (ta) = de | πλοῖα (ploia) = boten | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ἀφέντες (aphentes) = achtergelaten hebbend | πάντα (panta) = alles | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT ### Yeshua reinigt een melaatse **5:12** Het gebeurde dat Hij in een van de steden was, en zie: een man vol melaatsheid. Toen hij Yeshua zag, viel hij op zijn gezicht en smeekte Hem: „Heer, als U wilt, kunt U mij rein maken.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | εἶναι (einai) = zijn | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | μιᾷ (mia) = een | τῶν (ton) = van de | πόλεων (poleon) = steden | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἀνὴρ (aner) = man | πλήρης (pleres) = vol | λέπρας (lepras) = melaatsheid | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziende | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | πεσὼν (peson) = gevallen | ἐπὶ (epi) = op | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | ἐδεήθη (edeethe) = smeekte | αὐτοῦ (autou) = Hem | λέγων (legon) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἐὰν (ean) = als | θέλῃς (theles) = U wilt | δύνασαί (dynasai) = kunt | με (me) = mij | καθαρίσαι (katharisai) = rein maken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λέπρα (lepra), ‘melaatsheid’: een huidziekte die onrein maakte; zie Lev. 13. Een melaatse moest buiten het kamp wonen (Lev. 13:45–46). Voetnoot : Zie ook Matt. 8:1–4; Mark. 1:40–45. Zie ook: Lev 13:45–46; Mat 8:1–4; Mar 1:40–45 **5:13** Hij stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: **„Ik wil. Word rein.”** Meteen verliet de melaatsheid hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκτείνας (ekteinas) = uitstekend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | αὐτοῦ (autou) = hem | εἰπών (eipon) = zeggend | Θέλω (Thelo) = Ik wil | καθαρίσθητι (katharistheti) = word rein | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἡ (he) = de | λέπρα (lepra) = melaatsheid | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT **5:14** Hij gebood hem het aan niemand te zeggen. **„Maar ga heen, laat je aan de priester zien en breng voor je reiniging aan wat Mozes heeft opgedragen, als getuigenis voor hen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hij | παρήγγειλεν (parengeilen) = gebood | αὐτῷ (auto) = hem | μηδενὶ (medeni) = aan niemand | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | ἀλλὰ (alla) = maar | ἀπελθὼν (apelthon) = heengegaan | δεῖξον (deixon) = toon | σεαυτὸν (seauton) = jezelf | τῷ (to) = aan de | ἱερεῖ (hierei) = priester | καὶ (kai) = en | προσένεγκε (prosenenke) = breng aan | περὶ (peri) = voor | τοῦ (tou) = de | καθαρισμοῦ (katharismou) = reiniging | σου (sou) = je | καθὼς (kathos) = zoals | προσέταξεν (prosetaxen) = gebood | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | εἰς (eis) = tot | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis | αὐτοῖς (autois) = aan hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De wet van Mozes over de reiniging van een melaatse staat in Lev. 14:2–32. μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’: het bewijs dat de man genezen is. Zie ook: Lev 14:2–32 **5:15** Het woord over Hem ging nog meer rond. Grote menigten kwamen bijeen om Hem te horen en van hun ziekten genezen te worden. Brontekst: διήρχετο (diercheto) = ging rond | δὲ (de) = maar | μᾶλλον (mallon) = meer | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | συνήρχοντο (synerchonto) = kwamen samen | ὄχλοι (ochloi) = menigten | πολλοὶ (polloi) = vele | ἀκούειν (akouein) = horen | καὶ (kai) = en | θεραπεύεσθαι (therapeuesthai) = genezen te worden | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ἀσθενειῶν (astheneion) = ziekten | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ λόγος περὶ αὐτοῦ (ho logos peri autou), ‘het woord over Hem’: het verhaal over Yeshua dat zich verspreidt. **5:16** Maar Hij trok Zich terug op verlaten plaatsen en bad. Brontekst: αὐτὸς (autos) = Hij | δὲ (de) = maar | ἦν (en) = was | ὑποχωρῶν (hypochoron) = zich terugtrekkend | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἐρήμοις (eremois) = verlaten plaatsen | καὶ (kai) = en | προσευχόμενος (proseuchomenos) = biddend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν ταῖς ἐρήμοις (en tais eremois) staat in het meervoud: ‘in de verlaten plaatsen’. Lucas zegt vaker dat Yeshua zich terugtrekt om te bidden (6:12; 9:18). ### Yeshua vergeeft en geneest een verlamde **5:17** Op een van die dagen onderwees Hij. Er zaten Farizeeën en wetsleraren, die uit elk dorp van Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen. De kracht van Yahweh was aanwezig, zodat Hij kon genezen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = op | μιᾷ (mia) = een | τῶν (ton) = van de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hij | ἦν (en) = was | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | καὶ (kai) = en | ἦσαν (esan) = waren | καθήμενοι (kathemenoi) = zittend | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | νομοδιδάσκαλοι (nomodidaskaloi) = wetsleraren | οἳ (hoi) = die | ἦσαν (esan) = waren | ἐληλυθότες (elelythotes) = gekomen | ἐκ (ek) = uit | πάσης (pases) = elk | κώμης (komes) = dorp | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | καὶ (kai) = en | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | δύναμις (dynamis) = kracht | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἦν (en) = was | εἰς (eis) = om | τὸ (to) = het | ἰᾶσθαι (iasthai) = genezen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: νομοδιδάσκαλος (nomodidaskalos), ‘wetsleraar’: iemand die de wet van Mozes onderwijst. Matteüs en Markus gebruiken hiervoor ‘schriftgeleerde’ (zie 5:21). κώμη (kome), ‘dorp’. δύναμις κυρίου (dynamis kyriou), ‘kracht van Yahweh’: κύριος is hier vertaald als Yahweh, omdat de kracht van Elohim bedoeld is. Voetnoot Lezing: De SBLGNT heeft εἰς τὸ ἰᾶσθαι αὐτόν (eis to iasthai auton), ‘zodat Hij kon genezen’. Sommige handschriften hebben αὐτούς (autous), ‘zodat Hij hen kon genezen’. **5:18** En zie: mannen brachten op een bed een man die verlamd was. Zij probeerden hem naar binnen te brengen en voor Hem neer te leggen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄνδρες (andres) = mannen | φέροντες (pherontes) = brengend | ἐπὶ (epi) = op | κλίνης (klines) = bed | ἄνθρωπον (anthropon) = man | ὃς (hos) = die | ἦν (en) = was | παραλελυμένος (paralelymenos) = verlamd | καὶ (kai) = en | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | αὐτὸν (auton) = hem | εἰσενεγκεῖν (eisenenkein) = naar binnen te brengen | καὶ (kai) = en | θεῖναι (theinai) = neer te leggen | ἐνώπιον (enopion) = voor | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραλελυμένος (paralelymenos), ‘verlamd’: zie Matt. 9:2. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:1–8; Mark. 2:1–12. Zie ook: Mat 9:1–8; Mat 9:2; Mar 2:1–12 **5:19** Omdat zij vanwege de menigte geen weg vonden om hem naar binnen te brengen, klommen zij op het dak. Door de dakpannen lieten zij hem met zijn bed zakken, midden voor Yeshua. Brontekst: καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | εὑρόντες (heurontes) = vindend | ποίας (poias) = welke weg | εἰσενέγκωσιν (eisenenkosin) = zouden brengen | αὐτὸν (auton) = hem | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἀναβάντες (anabantes) = opgeklommen | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | δῶμα (doma) = dak | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | κεράμων (keramon) = dakpannen | καθῆκαν (kathekan) = lieten zakken | αὐτὸν (auton) = hem | σὺν (syn) = met | τῷ (to) = het | κλινιδίῳ (klinidio) = bedje | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | μέσον (meson) = midden | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τοῦ (tou) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δῶμα (doma), ‘dak’; κέραμος (keramos), ‘gebakken klei, dakpan’. Markus zegt dat zij het dak ‘openbraken’ (Mark. 2:4); Lucas zegt dat zij hem ‘door de dakpannen’ lieten zakken. κλινίδιον (klinidion) is een klein bed, een draagbed. Zie ook: Mar 2:4 **5:20** Toen Hij hun geloof zag, zei Hij: **„Mens, je zonden zijn je vergeven.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziende | τὴν (ten) = het | πίστιν (pistin) = geloof | αὐτῶν (auton) = hun | εἶπεν (eipen) = zei | Ἄνθρωπε (Anthrope) = mens | ἀφέωνταί (apheontai) = zijn vergeven | σοι (soi) = aan jou | αἱ (hai) = de | ἁμαρτίαι (hamartiai) = zonden | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἄνθρωπε (anthrope), ‘mens’: een aanspreking; Matteüs en Markus hebben ‘kind’ (Matt. 9:2; Mark. 2:5). ἀφέωνται (apheontai) staat in de voltooide tijd: ‘zijn vergeven’, met een blijvend gevolg. Zie ook: Mat 9:2; Mar 2:5 **5:21** De schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen: „Wie is dit, die lasteringen uitspreekt? Wie kan zonden vergeven, behalve Elohim alleen?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | διαλογίζεσθαι (dialogizesthai) = te overleggen | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τίς (Tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | οὗτος (houtos) = deze | ὃς (hos) = die | λαλεῖ (lalei) = spreekt | βλασφημίας (blasphemias) = lasteringen | τίς (tis) = wie | δύναται (dynatai) = kan | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | ἀφεῖναι (apheinai) = vergeven | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | μόνος (monos) = alleen | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βλασφημία (blasphemia), ‘lastering’: oneerbiedig spreken over Elohim of zich aanmatigen wat alleen Hem toekomt. Volgens de schriftgeleerden neemt wie zonden vergeeft de plaats van Elohim in. **5:22** Yeshua merkte hun overleggingen op en antwoordde hun: **„Waarom overleggen jullie in jullie harten?** Brontekst: ἐπιγνοὺς (epignous) = merkend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τοὺς (tous) = de | διαλογισμοὺς (dialogismous) = overleggingen | αὐτῶν (auton) = hun | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Τί (Ti) = waarom | διαλογίζεσθε (dialogizesthe) = overleggen jullie | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | καρδίαις (kardiais) = harten | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαλογισμός (dialogismos), ‘overlegging’: de innerlijke redenering van de schriftgeleerden. **5:23** **Wat is gemakkelijker: te zeggen ‘Je zonden zijn je vergeven’, of te zeggen ‘Sta op en loop’?** Brontekst: τί (ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | εὐκοπώτερον (eukopoteron) = gemakkelijker | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | Ἀφέωνταί (Apheontai) = zijn vergeven | σοι (soi) = aan jou | αἱ (hai) = de | ἁμαρτίαι (hamartiai) = zonden | σου (sou) = je | ἢ (e) = of | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | Ἔγειρε (Egeire) = sta op | καὶ (kai) = en | περιπάτει (peripatei) = loop Bron: SBLGNT **5:24** **Maar opdat jullie weten dat de Mensenzoon op de aarde gezag heeft om zonden te vergeven —”** zei Hij tegen de verlamde: **„Ik zeg tegen jou: sta op, neem je bed op en ga naar huis.”** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | δὲ (de) = maar | εἰδῆτε (eidete) = jullie weten | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχει (echei) = heeft | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἀφιέναι (aphienai) = te vergeven | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | εἶπεν (eipen) = zei | τῷ (to) = aan de | παραλελυμένῳ (paralelymeno) = verlamde | Σοὶ (Soi) = aan jou | λέγω (lego) = zeg Ik | ἔγειρε (egeire) = sta op | καὶ (kai) = en | ἄρας (aras) = oppakkend | τὸ (to) = het | κλινίδιόν (klinidion) = bedje | σου (sou) = je | πορεύου (poreuou) = ga | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκόν (oikon) = huis | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: Yeshua noemt Zichzelf zo. De naam komt uit Dan. 7:13, ‘iemand als een mensenzoon’ (Aramees בַּר אֱנָשׁ, bar enash). Letterlijk betekent het ‘zoon van een mens’. Wij schrijven overal ‘de Mensenzoon’. ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: zie Mark. 1:22. Zie ook: Dan 7:13; Mar 1:22 **5:25** Meteen stond hij voor hun ogen op, nam op waarop hij gelegen had en ging naar zijn huis, terwijl hij Elohim verheerlijkte. Brontekst: καὶ (kai) = en | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἐνώπιον (enopion) = voor | αὐτῶν (auton) = hen | ἄρας (aras) = opgepakt hebbend | ἐφ’ (eph’) = op | ὃ (ho) = wat | κατέκειτο (katekeito) = lag | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | δοξάζων (doxazon) = verheerlijkend | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT **5:26** Allen werden door ontzetting overmand. Zij verheerlijkten Elohim en werden vervuld van vrees. Zij zeiden: „Wij hebben vandaag onverwachte dingen gezien.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔκστασις (ekstasis) = ontzetting | ἔλαβεν (elaben) = nam | ἅπαντας (hapantas) = allen | καὶ (kai) = en | ἐδόξαζον (edoxazon) = verheerlijkten | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | φόβου (phobou) = van vrees | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Εἴδομεν (Eidomen) = zagen wij | παράδοξα (paradoxa) = onverwachte dingen | σήμερον (semeron) = vandaag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔκστασις (ekstasis), ‘ontzetting’: letterlijk ‘het buiten zichzelf zijn’. παράδοξα (paradoxa), ‘onverwachte dingen’: letterlijk ‘tegen de verwachting in’. ### De roeping van Levi **5:27** Hierna ging Hij naar buiten en zag een tollenaar, Levi genaamd, zitten bij het tolkantoor. Hij zei tegen hem: **„Volg Mij.”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | μετὰ (meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | καὶ (kai) = en | ἐθεάσατο (etheasato) = zag | τελώνην (telonen) = tollenaar | ὀνόματι (onomati) = met naam | Λευὶν (Leuin) = Levi | καθήμενον (kathemenon) = zittend | ἐπὶ (epi) = bij | τὸ (to) = het | τελώνιον (telonion) = tolkantoor | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἀκολούθει (Akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Markus en Lucas noemen hem Levi; Matteüs noemt de tollenaar Matteüs (Matt. 9:9). τελώνιον (telonion), ‘tolkantoor’: de plaats waar belasting werd geheven. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:9–13; Mark. 2:13–17. Zie ook: Mat 9:9; Mar 2:13–17 **5:28** Hij liet alles achter, stond op en volgde Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | καταλιπὼν (katalipon) = achtergelaten hebbend | πάντα (panta) = alles | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT **5:29** Levi gaf voor Hem een groot feestmaal in zijn huis. Er was een grote groep tollenaars en anderen die met hen aan tafel zaten. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐποίησεν (epoiesen) = gaf | δοχὴν (dochen) = feestmaal | μεγάλην (megalen) = groot | Λευὶς (Leuis) = Levi | αὐτῷ (auto) = voor Hem | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολὺς (polys) = grote | τελωνῶν (telonon) = van tollenaars | καὶ (kai) = en | ἄλλων (allon) = van anderen | οἳ (hoi) = die | ἦσαν (esan) = waren | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | κατακείμενοι (katakeimenoi) = aanliggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοχή (doche), ‘feestmaal’: een ontvangst met een groot gastmaal. **5:30** De Farizeeën en hun schriftgeleerden mopperden tegen Zijn leerlingen: „Waarom eten en drinken jullie met de tollenaars en zondaars?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγόγγυζον (egongyzon) = mopperden | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | αὐτῶν (auton) = hun | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λέγοντες (legontes) = zeggend | Διὰ (Dia) = waarom | τί (ti) = (waarom) | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | τελωνῶν (telonon) = tollenaars | καὶ (kai) = en | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = zondaars | ἐσθίετε (esthiete) = eten jullie | καὶ (kai) = en | πίνετε (pinete) = drinken jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γογγύζω (gongyzo), ‘mopperen’: mompelend klagen; zie ook Joh. 6:41. Markus heeft hier ‘eet Hij’ en Matteüs ‘eet jullie leraar’; Lucas heeft ‘eten en drinken jullie’ en noemt dus ook het drinken. Zie ook: Joh 6:41 **5:31** Yeshua antwoordde hun: **„Wie gezond zijn, hebben geen arts nodig, maar wie ziek zijn.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Οὐ (Ou) = niet | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχουσιν (echousin) = hebben | οἱ (hoi) = de | ὑγιαίνοντες (hygiainontes) = gezonde | ἰατροῦ (iatrou) = aan arts | ἀλλὰ (alla) = maar | οἱ (hoi) = de | κακῶς (kakos) = slecht | ἔχοντες (echontes) = hebbenden Bron: SBLGNT **5:32** **Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars, tot bekering.”** Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἐλήλυθα (elelytha) = ben gekomen | καλέσαι (kalesai) = om te roepen | δικαίους (dikaious) = rechtvaardigen | ἀλλὰ (alla) = maar | ἁμαρτωλοὺς (hamartolous) = zondaars | εἰς (eis) = tot | μετάνοιαν (metanoian) = bekering Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: zie 3:3. Lucas voegt ‘tot bekering’ toe aan wat Matteüs en Markus hebben (Matt. 9:13; Mark. 2:17). Zie ook: Mat 9:13; Mar 2:17 ### Over het vasten **5:33** Zij zeiden tegen Hem: „De leerlingen van Johannes vasten vaak en bidden, en die van de Farizeeën doen dat ook. Maar de Uwen eten en drinken.” Brontekst: Οἱ (Hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = Hem | Οἱ (Hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | νηστεύουσιν (nesteuousin) = vasten | πυκνὰ (pykna) = vaak | καὶ (kai) = en | δεήσεις (deeseis) = gebeden | ποιοῦνται (poiountai) = doen | ὁμοίως (homoios) = op dezelfde manier | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | σοὶ (soi) = Uwe | ἐσθίουσιν (esthiousin) = eten | καὶ (kai) = en | πίνουσιν (pinousin) = drinken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δεήσεις (deeseis), ‘gebeden’: dringende gebeden, smeekgebeden. οἱ δὲ σοί (hoi de soi), ‘de Uwen’: Uw leerlingen. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:14–17; Mark. 2:18–22. Zie ook: Mat 9:14–17; Mar 2:18–22 **5:34** Yeshua zei tegen hen: **„Kunnen jullie de bruiloftsgasten laten vasten zolang de bruidegom bij hen is?** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Μὴ (Me) = niet | δύνασθε (dynasthe) = kunt jullie | τοὺς (tous) = de | υἱοὺς (huious) = zonen | τοῦ (tou) = van de | νυμφῶνος (nymphonos) = bruidskamer | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = wie | ὁ (ho) = de | νυμφίος (nymphios) = bruidegom | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | ἐστιν (estin) = is | ποιῆσαι (poiesai) = laten doen | νηστεῦσαι (nesteusai) = vasten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ υἱοὶ τοῦ νυμφῶνος (hoi huioi tou nymphonos) is letterlijk ‘de zonen van de bruidskamer’: de bruiloftsgasten. Zie Matt. 9:15. Zie ook: Mat 9:15 **5:35** **Er zullen dagen komen, en wanneer de bruidegom van hen weggenomen wordt, dan zullen zij in die dagen vasten.”** Brontekst: ἐλεύσονται (eleusontai) = zullen komen | δὲ (de) = maar | ἡμέραι (hemerai) = dagen | καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | ἀπαρθῇ (aparthe) = weggenomen wordt | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ὁ (ho) = de | νυμφίος (nymphios) = bruidegom | τότε (tote) = dan | νηστεύσουσιν (nesteusousin) = zullen vasten | ἐν (en) = in | ἐκείναις (ekeinais) = die | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen Bron: SBLGNT **5:36** Hij zei hun ook een gelijkenis: **„Niemand scheurt een lap van een nieuwe mantel af om die op een oude mantel te zetten. Anders scheurt hij de nieuwe, en de lap van de nieuwe past niet bij de oude.** Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = zei | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | πρὸς (pros) = tot | αὐτοὺς (autous) = hen | ὅτι (hoti) = dat | Οὐδεὶς (Oudeis) = niemand | ἐπίβλημα (epiblema) = lap | ἀπὸ (apo) = van | ἱματίου (himatiou) = mantel | καινοῦ (kainou) = nieuwe | σχίσας (schisas) = gescheurd hebbend | ἐπιβάλλει (epiballei) = zet | ἐπὶ (epi) = op | ἱμάτιον (himation) = mantel | παλαιόν (palaion) = oude | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μήγε (mege) = niet | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = de | καινὸν (kainon) = nieuwe | σχίσει (schisei) = zal scheuren | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = bij de | παλαιῷ (palaio) = oude | οὐ (ou) = niet | συμφωνήσει (symphonesei) = zal passen | τὸ (to) = de | ἐπίβλημα (epiblema) = lap | τὸ (to) = de | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | καινοῦ (kainou) = nieuwe Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’. ἐπίβλημα (epiblema), ‘lap’. Matteüs en Markus spreken over een lap ongekrompen stof; Lucas heeft een lap van een nieuwe mantel, die zowel de nieuwe mantel als de oude schaadt. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:16–17; Mark. 2:21–22. Zie ook: Mat 9:16–17; Mar 2:21–22 **5:37** **En niemand doet nieuwe wijn in oude wijnzakken. Anders scheurt de nieuwe wijn de zakken, en loopt de wijn zelf eruit en gaan de zakken verloren.** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | βάλλει (ballei) = doet | οἶνον (oinon) = wijn | νέον (neon) = nieuwe | εἰς (eis) = in | ἀσκοὺς (askous) = wijnzakken | παλαιούς (palaious) = oude | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μήγε (mege) = niet | ῥήξει (rhexei) = zal scheuren | ὁ (ho) = de | οἶνος (oinos) = wijn | ὁ (ho) = de | νέος (neos) = nieuwe | τοὺς (tous) = de | ἀσκούς (askous) = wijnzakken | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = zelf | ἐκχυθήσεται (ekchythesetai) = zal uitgegoten worden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀσκοὶ (askoi) = wijnzakken | ἀπολοῦνται (apolountai) = zullen verloren gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀσκός (askos), ‘wijnzak’: een zak van dierenhuid waarin wijn werd bewaard. Zie Matt. 9:17. Zie ook: Mat 9:17 **5:38** **Nieuwe wijn moet men doen in nieuwe wijnzakken.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | οἶνον (oinon) = wijn | νέον (neon) = nieuwe | εἰς (eis) = in | ἀσκοὺς (askous) = wijnzakken | καινοὺς (kainous) = nieuwe | βλητέον (bleteon) = moet worden gedaan Bron: SBLGNT **5:39** **En niemand die oude wijn gedronken heeft, wil nieuwe, want hij zegt: ‘De oude is goed.’”** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | πιὼν (pion) = gedronken hebbend | παλαιὸν (palaion) = oude | θέλει (thelei) = wil | νέον (neon) = nieuwe | λέγει (legei) = zegt | γάρ (gar) = want | Ὁ (Ho) = de | παλαιὸς (palaios) = oude | χρηστός (chrestos) = goed | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit vers staat alleen bij Lucas. χρηστός (chrestos), ‘goed’: mild, aangenaam van smaak. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben χρηστότερος (chrestoteros), ‘beter’. De SBLGNT heeft χρηστός (chrestos), ‘goed’. ## Lucas 6 _De sabbat, de twaalf en de rede op de vlakte_ ### Yeshua is heer van de sabbat **6:1** Het gebeurde op een sabbat dat Hij door de korenvelden ging. Zijn leerlingen plukten aren en aten ze, terwijl zij ze met hun handen fijnwreven. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = op | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | διαπορεύεσθαι (diaporeuesthai) = doorgaan | αὐτὸν (auton) = Hem | διὰ (dia) = door | σπορίμων (sporimon) = korenvelden | καὶ (kai) = en | ἔτιλλον (etillon) = plukten | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἤσθιον (esthion) = aten | τοὺς (tous) = de | στάχυας (stachyas) = aren | ψώχοντες (psochontes) = wrijvend | ταῖς (tais) = met de | χερσίν (chersin) = handen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπόριμα (sporima), ‘korenvelden’: akkers met gezaaid graan. Aren plukken van het graan van een ander was toegestaan (Deut. 23:26; NL 23:25). ψώχω (psocho), ‘fijnwrijven’: de korrels uit de aren wrijven. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:1–8; Mark. 2:23–28. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben hier ‘op de tweede-eerste sabbat’ (σαββάτῳ δευτεροπρώτῳ, sabbato deuteroproto). Wat dat precies betekent, is onzeker. De SBLGNT heeft alleen ‘op een sabbat’. Zie ook: Deut 23:26; Mat 12:1–8; Mar 2:23–28 **6:2** Enkele Farizeeën zeiden: „Waarom doen jullie wat op de sabbat niet geoorloofd is?” Brontekst: τινὲς (tines) = enkelen | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | εἶπαν (eipan) = zeiden | Τί (Ti) = waarom | ποιεῖτε (poieite) = doen jullie | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔξεστιν (exestin) = geoorloofd is | τοῖς (tois) = aan de | σάββασιν (sabbasin) = sabbatten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Farizeeën rekenden het plukken en wrijven van de aren tot verboden werk op de sabbat; zie Exod. 20:10. Het werkwoord ‘doen jullie’ staat in het meervoud: zij spreken de leerlingen aan. Zie ook: Ex 20:10 **6:3** Yeshua antwoordde hun: **„Hebben jullie dit nooit gelezen, wat David deed toen hij honger had, hij en zij die bij hem waren?** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | πρὸς (pros) = tot | αὐτοὺς (autous) = hen | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐδὲ (Oude) = zelfs niet | τοῦτο (touto) = dit | ἀνέγνωτε (anegnote) = hebben jullie gelezen | ὃ (ho) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | Δαυὶδ (Dauid) = David | ὁπότε (hopote) = toen | ἐπείνασεν (epeinasen) = honger kreeg | αὐτὸς (autos) = hij | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | ὄντες (ontes) = zijnde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het verhaal van David staat in 1 Sam. 21:2–7 (NL 21:1–6). Zie ook: 1 Sam 21:2–7 **6:4** **Hoe hij het huis van Elohim binnenging, het toonbrood nam, at en ook gaf aan hen die bij hem waren. Dat mag niemand eten, behalve alleen de priesters.”** Brontekst: ὡς (hos) = hoe | εἰσῆλθεν (eiselthen) = binnenging | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἄρτους (artous) = broden | τῆς (tes) = van de | προθέσεως (protheseos) = schikking | λαβὼν (labon) = nemend | ἔφαγεν (ephagen) = at | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = gaf | τοῖς (tois) = aan de | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | οὓς (hous) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἔξεστιν (exestin) = geoorloofd is | φαγεῖν (phagein) = te eten | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | μόνους (monous) = alleen | τοὺς (tous) = de | ἱερεῖς (hiereis) = priesters Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρτοι τῆς προθέσεως (artoi tes protheseos), letterlijk ‘broden van de voorlegging’: het toonbrood, twaalf koeken die elke sabbat vers voor het aangezicht van Yahweh werden gelegd (Lev. 24:5–9). Alleen de priesters mochten ervan eten. Het Grieks heeft bij ‘hoe hij binnenging’ geen vraagteken; de zin loopt door vanuit vers 3. Zie ook: Lev 24:5–9; Luc 6:3 **6:5** Hij zei tegen hen: **„De Mensenzoon is heer van de sabbat.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Κύριός (Kyrios) = heer | ἐστιν (estin) = is | τοῦ (tou) = van de | σαββάτου (sabbatou) = sabbat | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘heer’: eigenaar, wie over iets beslist. Wij volgen Matt. 12:8 en schrijven ‘heer’ met kleine letter; Mark. 2:28 heeft ‘Heer’ met hoofdletter. ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 5:24. Voetnoot Lezing: Sommige oude handschriften hebben hier een afwijkende tekst met een extra uitspraak van Yeshua. Wij vertalen de SBLGNT. Zie ook: Mat 12:8; Mar 2:28 ### De man met de verschrompelde hand **6:6** Op een andere sabbat ging Hij de synagoge in en onderwees. Daar was een man wiens rechterhand verschrompeld was. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = op | ἑτέρῳ (hetero) = andere | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnengaan | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | συναγωγὴν (synagogen) = synagoge | καὶ (kai) = en | διδάσκειν (didaskein) = onderwijzen | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | χεὶρ (cheir) = hand | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἡ (he) = de | δεξιὰ (dexia) = rechter | ἦν (en) = was | ξηρά (xera) = verschrompeld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ξηρά (xera), ‘verschrompeld’: uitgedroogd en krachteloos; zie Matt. 12:10. Lucas zegt dat het de rechterhand was. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:9–14; Mark. 3:1–6. Zie ook: Mat 12:9–14; Mat 12:10; Mar 3:1–6 **6:7** De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op Hem. Zij wilden zien of Hij op de sabbat zou genezen, zodat zij iets zouden vinden om Hem te beschuldigen. Brontekst: παρετηροῦντο (pareterounto) = letten op | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | εἰ (ei) = of | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | θεραπεύει (therapeuei) = geneest | ἵνα (hina) = opdat | εὕρωσιν (heurosin) = zouden vinden | κατηγορεῖν (kategorein) = te beschuldigen | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρατηρέω (paratereo), ‘letten op’: nauwkeurig in de gaten houden. κατηγορέω (kategoreo), ‘beschuldigen’: zie Mark. 3:2. Zie ook: Mar 3:2 **6:8** Maar Hij kende hun overleggingen. Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: **„Sta op en ga in het midden staan.”** Hij stond op en ging staan. Brontekst: αὐτὸς (autos) = Hij | δὲ (de) = maar | ᾔδει (edei) = kende | τοὺς (tous) = de | διαλογισμοὺς (dialogismous) = overleggingen | αὐτῶν (auton) = hun | εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = aan de | ἀνδρὶ (andri) = man | τῷ (to) = die | ξηρὰν (xeran) = verschrompelde | ἔχοντι (echonti) = hebbende | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | Ἔγειρε (Egeire) = sta op | καὶ (kai) = en | στῆθι (stethi) = ga staan | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | μέσον (meson) = midden | καὶ (kai) = en | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἔστη (este) = stond Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαλογισμός (dialogismos), ‘overlegging’: zie 5:22. Yeshua laat de man in het midden staan, zodat iedereen kan zien wat er gaat gebeuren. **6:9** Yeshua zei tegen hen: **„Ik vraag jullie: is het geoorloofd om op de sabbat goed te doen of kwaad te doen? Om een leven te redden of het om te brengen?”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Ἐπερωτῶ (Eperoto) = vraag Ik | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰ (ei) = of | ἔξεστιν (exestin) = geoorloofd is | τῷ (to) = op de | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | ἀγαθοποιῆσαι (agathopoiesai) = goed te doen | ἢ (e) = of | κακοποιῆσαι (kakopoiesai) = kwaad te doen | ψυχὴν (psychen) = leven | σῶσαι (sosai) = te redden | ἢ (e) = of | ἀπολέσαι (apolesai) = om te brengen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’, ook ‘ziel’: hier gaat het om het leven van een mens; zie Mark. 3:4. ἀπολέσαι (apolesai), ‘ombrengen’: zie 4:34. Het Grieks heeft één voorwerp (ψυχήν, ‘leven’) bij ‘redden’ en ‘ombrengen’; het Nederlands herhaalt het als ‘het’. Zie ook: Mar 3:4 **6:10** Hij keek hen allen rond aan en zei tegen hem: **„Steek je hand uit.”** Hij deed het, en zijn hand werd hersteld. Brontekst: καὶ (kai) = en | περιβλεψάμενος (periblepsamenos) = rondkijkend | πάντας (pantas) = allen | αὐτοὺς (autous) = hen | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ἔκτεινον (Ekteinon) = steek uit | τὴν (ten) = de | χεῖρά (cheira) = hand | σου (sou) = je | ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | καὶ (kai) = en | ἀπεκατεστάθη (apekatestathe) = werd hersteld | ἡ (he) = de | χεὶρ (cheir) = hand | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔκτεινον (ekteinon), ‘steek uit’: wij volgen Mark. 3:5; Matt. 12:13 heeft ‘strek uit’. Zie ook: Mat 12:13; Mar 3:5 **6:11** Maar zij werden vervuld van razernij en overlegden met elkaar wat zij Yeshua zouden kunnen aandoen. Brontekst: αὐτοὶ (autoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐπλήσθησαν (eplesthesan) = werden vervuld | ἀνοίας (anoias) = van razernij | καὶ (kai) = en | διελάλουν (dielaloun) = overlegden | πρὸς (pros) = met | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | τί (ti) = wat | ἂν (an) = zouden | ποιήσαιεν (poiesaien) = doen | τῷ (to) = aan | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄνοια (anoia) is letterlijk ‘zonder verstand’: razernij die niet meer redeneert. Markus noemt hier de Herodianen (Mark. 3:6). Zie ook: Mar 3:6 ### Yeshua kiest de twaalf apostelen **6:12** In die dagen ging Hij naar de berg om te bidden. Hij bracht de nacht door in gebed tot Elohim. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = gebeurde | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ταύταις (tautais) = deze | ἐξελθεῖν (exelthein) = uitgaan | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | προσεύξασθαι (proseuxasthai) = bidden | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | διανυκτερεύων (dianyktereuon) = doorbrengend de nacht | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | προσευχῇ (proseuche) = gebed | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Lucas zegt vaker dat Yeshua zich terugtrekt om te bidden; zie 5:16. τῇ προσευχῇ τοῦ θεοῦ (te proseuche tou theou), ‘in het gebed van Elohim’: wij lezen ‘gebed tot Elohim’; het kan ook een gebed zijn dat Elohim toebehoort. Voetnoot : Zie ook Mark. 3:13–19. Zie ook: Mar 3:13–19 **6:13** Toen het dag werd, riep Hij Zijn leerlingen bij zich. Hij koos uit hen twaalf uit, die Hij ook apostelen noemde: Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐγένετο (egeneto) = werd | ἡμέρα (hemera) = dag | προσεφώνησεν (prosephonesen) = riep bij zich | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἐκλεξάμενος (eklexamenos) = gekozen hebbend | ἀπ’ (ap’) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | δώδεκα (dodeka) = twaalf | οὓς (hous) = die | καὶ (kai) = ook | ἀποστόλους (apostolous) = apostelen | ὠνόμασεν (onomasen) = noemde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden wordt; zie Matt. 10:2. Het getal twaalf doet denken aan de twaalf stammen van Israël. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:1–4; Mark. 3:13–19. Zie ook: Mat 10:1–4; Mat 10:2; Mar 3:13–19 **6:14** Simon, aan wie Hij ook de naam Petrus gaf, en Andreas, zijn broer, en Jakobus en Johannes en Filippus en Bartolomeüs, Brontekst: Σίμωνα (Simona) = Simon | ὃν (hon) = wie | καὶ (kai) = ook | ὠνόμασεν (onomasen) = noemde | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἀνδρέαν (Andrean) = Andreas | τὸν (ton) = de | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | καὶ (kai) = en | Φίλιππον (Philippon) = Filippus | καὶ (kai) = en | Βαρθολομαῖον (Bartholomaion) = Bartolomeüs Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Πέτρος (Petros), ‘Petrus’, betekent ‘rots’; zie Mark. 3:16 en Joh. 1:42. Zie ook: Mar 3:16; Joh 1:42 **6:15** en Matteüs en Tomas en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, die de Zeloot genoemd werd, Brontekst: καὶ (kai) = en | Μαθθαῖον (Maththaion) = Matteüs | καὶ (kai) = en | Θωμᾶν (Thoman) = Tomas | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | Ἁλφαίου (Halphaiou) = van Alfeüs | καὶ (kai) = en | Σίμωνα (Simona) = Simon | τὸν (ton) = de | καλούμενον (kaloumenon) = genoemde | Ζηλωτὴν (Zeloten) = Zeloot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζηλωτής (zelotes), ‘Zeloot’, ‘ijveraar’: zo noemt Lucas Simon. Matteüs en Markus hebben hier het Aramese Καναναῖος (Kananaios), dat ook ‘ijveraar’ betekent (zie Mark. 3:18). Wij schrijven overal ‘de Zeloot’. Zie ook: Mar 3:18 **6:16** en Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd. Brontekst: καὶ (kai) = en | Ἰούδαν (Ioudan) = Judas | Ἰακώβου (Iakobou) = van Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰούδαν (Ioudan) = Judas | Ἰσκαριὼθ (Iskarioth) = Iskariot | ὃς (hos) = die | ἐγένετο (egeneto) = werd | προδότης (prodotes) = verrader Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰούδας Ἰακώβου (Ioudas Iakobou) is letterlijk ‘Judas van Jakobus’: zoon of broer van een Jakobus. Hij wordt vaak gelijkgesteld met Taddeüs uit Matt. 10:3 en Mark. 3:18, maar dat is niet zeker. προδότης (prodotes), ‘verrader’: Matt. 10:4 en Mark. 3:19 gebruiken het werkwoord ‘overleveren’ (παραδίδωμι). Zie ook: Mat 10:3; Mat 10:4; Mar 3:18; Mar 3:19 ### Yeshua geneest en onderwijst op een vlakke plaats **6:17** Hij kwam met hen naar beneden en bleef staan op een vlakke plaats. Daar waren een grote groep leerlingen van Hem en een grote menigte volk uit heel Judea, Jeruzalem en de kuststreek van Tyrus en Sidon. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | καταβὰς (katabas) = afgedaald | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | ἔστη (este) = bleef staan | ἐπὶ (epi) = op | τόπου (topou) = plaats | πεδινοῦ (pedinou) = vlakke | καὶ (kai) = en | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολὺς (polys) = grote | μαθητῶν (matheton) = van leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | πλῆθος (plethos) = menigte | πολὺ (poly) = grote | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | ἀπὸ (apo) = uit | πάσης (pases) = heel | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | καὶ (kai) = en | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van de | παραλίου (paraliou) = kuststreek | Τύρου (Tyrou) = Tyrus | καὶ (kai) = en | Σιδῶνος (Sidonos) = Sidon Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: τόπος πεδινός (topos pedinos), ‘vlakke plaats’: in Matt. 5:1 spreekt Yeshua vanaf de berg; Lucas plaatst Hem op een vlakte, nadat Hij van de berg is afgedaald. παράλιος (paralios), ‘kuststreek’: het land langs de Middellandse Zee. Voetnoot : Zie ook Matt. 4:24–25; Mark. 3:7–12. Zie ook: Mat 4:24–25; Mat 5:1; Mar 3:7–12 **6:18** Zij waren gekomen om Hem te horen en van hun ziekten genezen te worden. Ook zij die door onreine geesten geplaagd werden, werden genezen. Brontekst: οἳ (hoi) = die | ἦλθον (elthon) = kwamen | ἀκοῦσαι (akousai) = horen | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | ἰαθῆναι (iathenai) = genezen te worden | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | νόσων (noson) = ziekten | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἐνοχλούμενοι (enochloumenoi) = geplaagden | ἀπὸ (apo) = door | πνευμάτων (pneumaton) = geesten | ἀκαθάρτων (akatharton) = onreine | ἐθεραπεύοντο (etherapeuonto) = werden genezen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐνοχλέω (enochleo), ‘plagen, lastigvallen’: door onreine geesten gekweld worden. **6:19** De hele menigte probeerde Hem aan te raken, want er ging kracht van Hem uit en Hij genas hen allen. Brontekst: καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἐζήτουν (ezetoun) = zocht | ἅπτεσθαι (haptesthai) = aan te raken | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὅτι (hoti) = want | δύναμις (dynamis) = kracht | παρ’ (par’) = van | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἐξήρχετο (exercheto) = ging uit | καὶ (kai) = en | ἰᾶτο (iato) = genas | πάντας (pantas) = allen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δύναμις (dynamis), ‘kracht’: zie 4:14. Vergelijk 5:17. ### Gelukkig en wee **6:20** Hij sloeg Zijn ogen op naar Zijn leerlingen en zei: **„Gelukkig de armen, want van jullie is het koninkrijk van Elohim.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hij | ἐπάρας (eparas) = opgeslagen hebbend | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἔλεγεν (elegen) = zei | Μακάριοι (Makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | πτωχοί (ptochoi) = armen | ὅτι (hoti) = want | ὑμετέρα (hymetera) = van jullie | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: dit past bij het Hebreeuwse אַשְׁרֵי (ashre), ‘gelukkig’, zoals in Ps. 1:1; zie Matt. 5:3. Lucas heeft hier ‘de armen’ zonder ‘van geest’ en spreekt de leerlingen rechtstreeks aan: ‘van jullie is het koninkrijk’. De zaligsprekingen in 6:20–23 gaan samen met de weeklachten in 6:24–26. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:3–12. Zie ook: Ps 1:1; Mat 5:3 **6:21** **Gelukkig zij die nu hongeren, want jullie zullen verzadigd worden. Gelukkig zij die nu huilen, want jullie zullen lachen.** Brontekst: μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | πεινῶντες (peinontes) = hongerenden | νῦν (nyn) = nu | ὅτι (hoti) = want | χορτασθήσεσθε (chortasthesesthe) = zult verzadigd worden | μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | κλαίοντες (klaiontes) = huilenden | νῦν (nyn) = nu | ὅτι (hoti) = want | γελάσετε (gelasete) = zult lachen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χορτάζω (chortazo), ‘verzadigen’: voldoende te eten geven. Matt. 5:6 spreekt over hongeren en dorsten ‘naar gerechtigheid’; Lucas heeft hier ‘nu’. Zie ook: Mat 5:6 **6:22** **Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie haten, en wanneer zij jullie buitensluiten, beschimpen en jullie naam als slecht verwerpen, omwille van de Mensenzoon.** Brontekst: Μακάριοί (Makarioi) = gelukkig | ἐστε (este) = zijn jullie | ὅταν (hotan) = wanneer | μισήσωσιν (misesosin) = haten | ὑμᾶς (hymas) = jullie | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | ἀφορίσωσιν (aphorisosin) = buitensluiten | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καὶ (kai) = en | ὀνειδίσωσιν (oneidisosin) = beschimpen | καὶ (kai) = en | ἐκβάλωσιν (ekbalosin) = verwerpen | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὡς (hos) = als | πονηρὸν (poneron) = slecht | ἕνεκα (heneka) = omwille van | τοῦ (tou) = de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφορίζω (aphorizo), ‘buitensluiten, afscheiden’: uit de kring van de gemeenschap zetten. ἐκβάλωσιν τὸ ὄνομα ὑμῶν ὡς πονηρόν (ekbalosin to onoma hymon hos poneron), ‘jullie naam als slecht verwerpen’: jullie naam in diskrediet brengen. ὀνειδίζω (oneidizo), ‘beschimpen’: zie Matt. 5:11. Zie ook: Mat 5:11 **6:23** **Verheug jullie op die dag en spring op van vreugde, want zie: jullie loon is groot in de hemel. Op dezelfde manier deden hun vaderen immers met de profeten.** Brontekst: χάρητε (charete) = verheug jullie | ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | καὶ (kai) = en | σκιρτήσατε (skirtesate) = spring op | ἰδοὺ (idou) = zie | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = het | μισθὸς (misthos) = loon | ὑμῶν (hymon) = jullie | πολὺς (polys) = groot | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | οὐρανῷ (ourano) = hemel | κατὰ (kata) = volgens | τὰ (ta) = de | αὐτὰ (auta) = zelfde | γὰρ (gar) = want | ἐποίουν (epoioun) = deden | τοῖς (tois) = aan de | προφήταις (prophetais) = profeten | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaderen | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκιρτάω (skirtao), ‘opspringen’: springen van vreugde; vergelijk Mal. 3:20 (NL 4:2), waar de kalveren uit de stal springen. Vergelijk Matt. 5:12. Zie ook: Mal 3:20; Mat 5:12 **6:24** **Maar wee jullie, rijken, want jullie hebben jullie troost al ontvangen.** Brontekst: πλὴν (plen) = maar | οὐαὶ (ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | τοῖς (tois) = aan de | πλουσίοις (plousiois) = rijken | ὅτι (hoti) = want | ἀπέχετε (apechete) = hebben ontvangen | τὴν (ten) = de | παράκλησιν (paraklesin) = troost | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οὐαί (ouai), ‘wee’: een uitroep van rouw en waarschuwing; zie Matt. 11:21. ἀπέχω (apecho), ‘volledig ontvangen’: zie Matt. 6:2. παράκλησις (paraklesis), ‘troost’: de troost die zij al ontvangen hebben, is alles wat zij nog krijgen. Zie ook: Mat 6:2; Mat 11:21 **6:25** **Wee jullie die nu verzadigd zijn, want jullie zullen honger lijden. Wee jullie die nu lachen, want jullie zullen rouwen en huilen.** Brontekst: οὐαὶ (ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | οἱ (hoi) = de | ἐμπεπλησμένοι (empeplesmenoi) = verzadigden | νῦν (nyn) = nu | ὅτι (hoti) = want | πεινάσετε (peinasete) = zult honger hebben | οὐαί (ouai) = wee | οἱ (hoi) = de | γελῶντες (gelontes) = lachenden | νῦν (nyn) = nu | ὅτι (hoti) = want | πενθήσετε (penthesete) = zult rouwen | καὶ (kai) = en | κλαύσετε (klausete) = zult huilen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμπεπλησμένοι (empeplesmenoi), ‘verzadigd’: vol gegeten. **6:26** **Wee, wanneer alle mensen goed over jullie spreken. Op dezelfde manier deden hun vaderen immers met de valse profeten.** Brontekst: Οὐαὶ (Ouai) = wee | ὅταν (hotan) = wanneer | καλῶς (kalos) = goed | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἴπωσιν (eiposin) = zeggen | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | κατὰ (kata) = volgens | τὰ (ta) = de | αὐτὰ (auta) = zelfde | γὰρ (gar) = want | ἐποίουν (epoioun) = deden | τοῖς (tois) = aan de | ψευδοπροφήταις (pseudoprophetais) = valse profeten | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaderen | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψευδοπροφήτης (pseudoprophetes), ‘valse profeet’: zie Matt. 7:15. Zie ook: Mat 7:15 ### Heb jullie vijanden lief **6:27** **Maar Ik zeg jullie die luisteren: heb jullie vijanden lief en doe goed aan wie jullie haten.** Brontekst: Ἀλλὰ (Alla) = maar | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | λέγω (lego) = zeg Ik | τοῖς (tois) = aan de | ἀκούουσιν (akouousin) = luisteraars | ἀγαπᾶτε (agapate) = heb lief | τοὺς (tous) = de | ἐχθροὺς (echthrous) = vijanden | ὑμῶν (hymon) = jullie | καλῶς (kalos) = goed | ποιεῖτε (poieite) = doe | τοῖς (tois) = aan de | μισοῦσιν (misousin) = haters | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Met ‘Maar’ gaat Yeshua over naar de oproep om vijanden lief te hebben. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:43–48. Zie ook: Mat 5:43–48 **6:28** **Zegen wie jullie vervloeken en bid voor wie jullie slecht behandelen.** Brontekst: εὐλογεῖτε (eulogeite) = zegen | τοὺς (tous) = de | καταρωμένους (kataromenous) = vervloekenden | ὑμᾶς (hymas) = jullie | προσεύχεσθε (proseuchesthe) = bid | περὶ (peri) = voor | τῶν (ton) = de | ἐπηρεαζόντων (epereazonton) = slecht behandelenden | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπηρεάζω (epereazo), ‘slecht behandelen’: iemand beledigen of kwaad doen. Matt. 5:44 heeft hier ‘vervolgen’. Zie ook: Mat 5:44 **6:29** **Aan wie je op de wang slaat, bied ook de andere aan. En van wie je mantel wegneemt, onthoud ook je onderkleed niet.** Brontekst: τῷ (to) = aan de | τύπτοντί (typtonti) = slaande | σε (se) = je | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | σιαγόνα (siagona) = wang | πάρεχε (pareche) = bied aan | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | ἄλλην (allen) = andere | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | αἴροντός (airontos) = wegnemende | σου (sou) = je | τὸ (to) = de | ἱμάτιον (himation) = mantel | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | χιτῶνα (chitona) = onderkleed | μὴ (me) = niet | κωλύσῃς (kolyses) = onthoud Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σιαγών (siagon), ‘wang’. Bij Matteüs wordt het onderkleed (χιτών) via een rechtszaak genomen en daarna de mantel (Matt. 5:40); bij Lucas wordt eerst de mantel (ἱμάτιον) weggenomen en volgt dan het onderkleed. Zie ook Matt. 5:39–40. Zie ook: Mat 5:39–40; Mat 5:40 **6:30** **Geef aan ieder die je vraagt, en eis niets terug van wie neemt wat van jou is.** Brontekst: παντὶ (panti) = aan ieder | αἰτοῦντί (aitounti) = vragende | σε (se) = je | δίδου (didou) = geef | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | αἴροντος (airontos) = wegnemende | τὰ (ta) = de | σὰ (sa) = jouwe | μὴ (me) = niet | ἀπαίτει (apaitei) = eis terug Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπαιτέω (apaiteo), ‘terugeisen’. Zie ook Matt. 5:42. Zie ook: Mat 5:42 **6:31** **En zoals jullie willen dat de mensen voor jullie doen, doe dat op dezelfde manier voor hen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | καθὼς (kathos) = zoals | θέλετε (thelete) = willen jullie | ἵνα (hina) = dat | ποιῶσιν (poiosin) = doen | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | ποιεῖτε (poieite) = doe | αὐτοῖς (autois) = aan hen | ὁμοίως (homoios) = op dezelfde wijze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Deze regel heet vaak de ‘gouden regel’. Zie ook Matt. 7:12. Zie ook: Mat 7:12 **6:32** **Als jullie liefhebben wie jullie liefhebben, welke dank valt jullie dan toe? Want ook de zondaars hebben wie hen liefhebben, lief.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰ (ei) = als | ἀγαπᾶτε (agapate) = hebben jullie lief | τοὺς (tous) = de | ἀγαπῶντας (agapontas) = liefhebbenden | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ποία (poia) = welke | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | χάρις (charis) = dank | ἐστίν (estin) = is | καὶ (kai) = en | γὰρ (gar) = want | οἱ (hoi) = de | ἁμαρτωλοὶ (hamartoloi) = zondaars | τοὺς (tous) = de | ἀγαπῶντας (agapontas) = liefhebbenden | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀγαπῶσιν (agaposin) = hebben lief Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χάρις (charis) betekent meestal ‘genade’ (zie 1:30). Hier gaat het om ‘dank’, de erkenning die iemand verdient. Wij vertalen χάρις in deze uitdrukking steeds met ‘dank’ (zie ook 17:9). Zie ook Matt. 5:46–47. Zie ook: Mat 5:46–47 **6:33** **En als jullie goed doen aan wie goed aan jullie doen, welke dank valt jullie dan toe? Ook de zondaars doen hetzelfde.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | ἀγαθοποιῆτε (agathopoiete) = goed doen | τοὺς (tous) = de | ἀγαθοποιοῦντας (agathopoiountas) = goeddoenden | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ποία (poia) = welke | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | χάρις (charis) = dank | ἐστίν (estin) = is | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἁμαρτωλοὶ (hamartoloi) = zondaars | τὸ (to) = het | αὐτὸ (auto) = zelfde | ποιοῦσιν (poiousin) = doen Bron: SBLGNT **6:34** **En als jullie lenen aan wie jullie hopen iets van terug te krijgen, welke dank valt jullie dan toe? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te krijgen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | δανίσητε (danisete) = lenen jullie | παρ’ (par’) = van | ὧν (hon) = wie | ἐλπίζετε (elpizete) = hopen jullie | λαβεῖν (labein) = te ontvangen | ποία (poia) = welke | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | χάρις (charis) = dank | ἐστίν (estin) = is | καὶ (kai) = ook | ἁμαρτωλοὶ (hamartoloi) = zondaars | ἁμαρτωλοῖς (hamartolois) = aan zondaars | δανίζουσιν (danizousin) = lenen | ἵνα (hina) = opdat | ἀπολάβωσιν (apolabosin) = terugkrijgen | τὰ (ta) = het | ἴσα (isa) = gelijke Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δανίζω (danizo), ‘lenen’: zie Matt. 5:42. Zie ook: Mat 5:42 **6:35** **Maar heb jullie vijanden lief, doe goed en leen uit, zonder iets terug te verwachten. Dan zal jullie loon groot zijn en zullen jullie zonen van de Allerhoogste zijn, want Hijzelf is goed voor de ondankbaren en slechten.** Brontekst: πλὴν (plen) = maar | ἀγαπᾶτε (agapate) = heb lief | τοὺς (tous) = de | ἐχθροὺς (echthrous) = vijanden | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | ἀγαθοποιεῖτε (agathopoieite) = doe goed | καὶ (kai) = en | δανίζετε (danizete) = leen | μηδὲν (meden) = niets | ἀπελπίζοντες (apelpizontes) = terugverwachtend | καὶ (kai) = en | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = het | μισθὸς (misthos) = loon | ὑμῶν (hymon) = jullie | πολύς (polys) = groot | καὶ (kai) = en | ἔσεσθε (esesthe) = zult zijn | υἱοὶ (huioi) = zonen | Ὑψίστου (Hypsistou) = van de Allerhoogste | ὅτι (hoti) = want | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | χρηστός (chrestos) = goed | ἐστιν (estin) = is | ἐπὶ (epi) = jegens | τοὺς (tous) = de | ἀχαρίστους (acharistous) = ondankbaren | καὶ (kai) = en | πονηρούς (ponerous) = slechten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπελπίζω (apelpizo) is letterlijk ‘de hoop opgeven’ en wordt hier gelezen als ‘niets terug verwachten’. Het kan ook ‘niemand laten wanhopen’ zijn. ὁ Ὕψιστος (ho Hypsistos), ‘de Allerhoogste’: een naam voor Elohim; zie Mark. 5:7. χρηστός (chrestos), ‘goed’: vriendelijk. Voetnoot Lezing: Een aantal handschriften heeft μηδένα ἀπελπίζοντες (medena apelpizontes), ‘zonder iemand te laten wanhopen’. De SBLGNT heeft μηδὲν ἀπελπίζοντες (meden apelpizontes), ‘zonder iets terug te verwachten’. Zie ook: Mar 5:7 **6:36** **Wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is.** Brontekst: γίνεσθε (ginesthe) = wordt | οἰκτίρμονες (oiktirmones) = barmhartig | καθὼς (kathos) = zoals | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | οἰκτίρμων (oiktirmon) = barmhartig | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκτίρμων (oiktirmon), ‘barmhartig’. Matt. 5:48 heeft ‘volmaakt’ (τέλειος). Zie ook: Mat 5:48 ### Oordeel niet **6:37** **Oordeel niet, en jullie zullen zeker niet geoordeeld worden. Veroordeel niet, en jullie zullen zeker niet veroordeeld worden. Laat vrij, en jullie zullen vrijgelaten worden.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | μὴ (me) = niet | κρίνετε (krinete) = oordeel | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = geenszins | μὴ (me) = (geenszins) | κριθῆτε (krithete) = zult geoordeeld worden | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | καταδικάζετε (katadikazete) = veroordeel | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = geenszins | μὴ (me) = (geenszins) | καταδικασθῆτε (katadikasthete) = zult veroordeeld worden | ἀπολύετε (apolyete) = laat vrij | καὶ (kai) = en | ἀπολυθήσεσθε (apolythesesthe) = zult vrijgelaten worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίνω (krino), ‘oordelen’: ook ‘veroordelen’. ἀπολύω (apolyo) is letterlijk ‘losmaken, wegsturen’; hier ‘vrijlaten’, in de zin van kwijtschelden of vergeven. Het Grieks noemt niet wie oordeelt. Voetnoot : Zie ook Matt. 7:1–2; Mark. 4:24. Zie ook: Mat 7:1–2; Mar 4:24 **6:38** **Geef, en er zal aan jullie gegeven worden: een goede maat, aangedrukt, geschud en overlopend, zullen zij in jullie schoot geven. Want met de maat waarmee jullie meten, zal aan jullie teruggemeten worden.”** Brontekst: δίδοτε (didote) = geef | καὶ (kai) = en | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | μέτρον (metron) = maat | καλὸν (kalon) = goede | πεπιεσμένον (pepiesmenon) = aangedrukte | σεσαλευμένον (sesaleumenon) = geschudde | ὑπερεκχυννόμενον (hyperekchynnomenon) = overlopende | δώσουσιν (dosousin) = zullen geven | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόλπον (kolpon) = schoot | ὑμῶν (hymon) = jullie | ᾧ (ho) = met welke | γὰρ (gar) = want | μέτρῳ (metro) = maat | μετρεῖτε (metreite) = meten jullie | ἀντιμετρηθήσεται (antimetrethesetai) = zal worden teruggemeten | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόλπος (kolpos), ‘schoot’: de plooi in een kleed waarin men graan droeg. ἀντιμετρέω (antimetreo), ‘terugmeten’. ### Blinde leiders en goede vruchten **6:39** Hij zei hun ook een gelijkenis: **„Kan een blinde soms een blinde leiden? Zullen zij niet beiden in een kuil vallen?** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | αὐτοῖς (autois) = aan hen | Μήτι (Meti) = toch niet | δύναται (dynatai) = kan | τυφλὸς (typhlos) = blinde | τυφλὸν (typhlon) = blinde | ὁδηγεῖν (hodegein) = leiden | οὐχὶ (ouchi) = niet | ἀμφότεροι (amphoteroi) = beiden | εἰς (eis) = in | βόθυνον (bothynon) = kuil | ἐμπεσοῦνται (empesountai) = zullen vallen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’. βόθυνος (bothynos), ‘kuil’. Zie ook Matt. 15:14. Zie ook: Mat 15:14 **6:40** **Een leerling staat niet boven de leraar, maar ieder die volledig opgeleid is, zal zijn als zijn leraar.** Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | μαθητὴς (mathetes) = leerling | ὑπὲρ (hyper) = boven | τὸν (ton) = de | διδάσκαλον (didaskalon) = leraar | κατηρτισμένος (katertismenos) = volledig opgeleid | δὲ (de) = maar | πᾶς (pas) = ieder | ἔσται (estai) = zal zijn | ὡς (hos) = als | ὁ (ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατηρτισμένος (katertismenos), ‘volledig opgeleid’: van καταρτίζω (katartizo), ‘toerusten, op orde brengen’. Zie ook Matt. 10:24. Zie ook: Mat 10:24 **6:41** **Waarom zie je de splinter in het oog van je broer, maar merk je de balk in je eigen oog niet op?** Brontekst: τί (ti) = waarom | δὲ (de) = maar | βλέπεις (blepeis) = zie je | τὸ (to) = de | κάρφος (karphos) = splinter | τὸ (to) = die | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ὀφθαλμῷ (ophthalmo) = oog | τοῦ (tou) = van de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer | σου (sou) = je | τὴν (ten) = de | δὲ (de) = maar | δοκὸν (dokon) = balk | τὴν (ten) = die | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ἰδίῳ (idio) = eigen | ὀφθαλμῷ (ophthalmo) = oog | οὐ (ou) = niet | κατανοεῖς (katanoeis) = merk je op Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κάρφος (karphos), ‘splinter’; δοκός (dokos), ‘balk’: zie Matt. 7:3. Voetnoot : Zie ook Matt. 7:3–5. Zie ook: Mat 7:3 **6:42** **Hoe kun je tegen je broer zeggen: ‘Broer, laat mij de splinter uit je oog halen’? Je ziet zelf immers de balk in je eigen oog niet! Huichelaar, haal eerst de balk uit je eigen oog. Dan zul je scherp zien om de splinter uit het oog van je broer te halen.** Brontekst: πῶς (pos) = hoe | δύνασαι (dynasai) = kun je | λέγειν (legein) = zeggen | τῷ (to) = aan de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | σου (sou) = je | Ἀδελφέ (Adelphe) = broer | ἄφες (aphes) = laat toe | ἐκβάλω (ekbalo) = haal uit | τὸ (to) = de | κάρφος (karphos) = splinter | τὸ (to) = die | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ὀφθαλμῷ (ophthalmo) = oog | σου (sou) = je | αὐτὸς (autos) = zelf | τὴν (ten) = de | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ὀφθαλμῷ (ophthalmo) = oog | σοῦ (sou) = je | δοκὸν (dokon) = balk | οὐ (ou) = niet | βλέπων (blepon) = ziend | ὑποκριτά (hypokrita) = huichelaar | ἔκβαλε (ekbale) = haal uit | πρῶτον (proton) = eerst | τὴν (ten) = de | δοκὸν (dokon) = balk | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ὀφθαλμοῦ (ophthalmou) = oog | σοῦ (sou) = je | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | διαβλέψεις (diablepseis) = zult scherp zien | τὸ (to) = de | κάρφος (karphos) = splinter | τὸ (to) = die | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ὀφθαλμῷ (ophthalmo) = oog | τοῦ (tou) = van de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer | σου (sou) = je | ἐκβαλεῖν (ekbalein) = uit te halen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: zie Matt. 6:2. Zie ook: Mat 6:2 **6:43** **Want er is geen goede boom die rotte vrucht voortbrengt, en ook geen rotte boom die goede vrucht voortbrengt.** Brontekst: Οὐ (Ou) = niet | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | δένδρον (dendron) = boom | καλὸν (kalon) = goede | ποιοῦν (poioun) = voortbrengend | καρπὸν (karpon) = vrucht | σαπρόν (sapron) = rotte | οὐδὲ (oude) = noch | πάλιν (palin) = opnieuw | δένδρον (dendron) = boom | σαπρὸν (sapron) = rotte | ποιοῦν (poioun) = voortbrengend | καρπὸν (karpon) = vrucht | καλόν (kalon) = goede Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σαπρός (sapros), ‘rot’: verdorven, onbruikbaar. Zie ook Matt. 7:16–20; 12:33. Zie ook: Mat 7:16–20; Mat 12:33 **6:44** **Want elke boom wordt aan zijn eigen vrucht herkend. Men plukt immers geen vijgen van doornen, en van een braamstruik oogst men geen druiven.** Brontekst: ἕκαστον (hekaston) = elke | γὰρ (gar) = want | δένδρον (dendron) = boom | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ἰδίου (idiou) = eigen | καρποῦ (karpou) = vrucht | γινώσκεται (ginosketai) = wordt herkend | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἐξ (ex) = van | ἀκανθῶν (akanthon) = doornen | συλλέγουσιν (syllegousin) = plukken zij | σῦκα (syka) = vijgen | οὐδὲ (oude) = noch | ἐκ (ek) = van | βάτου (batou) = braamstruik | σταφυλὴν (staphylen) = druif | τρυγῶσιν (trygosin) = oogsten zij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βάτος (batos), ‘braamstruik’. Vergelijk Matt. 7:16, waar het over doornen en distels gaat. Zie ook: Mat 7:16 **6:45** **De goede mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort. De slechte mens brengt uit de slechte schat het slechte voort. Want zijn mond spreekt uit de overvloed van het hart.** Brontekst: ὁ (ho) = de | ἀγαθὸς (agathos) = goede | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ἀγαθοῦ (agathou) = goede | θησαυροῦ (thesaurou) = schat | τῆς (tes) = van het | καρδίας (kardias) = hart | αὐτοῦ (autou) = zijn | προφέρει (propherei) = brengt voort | τὸ (to) = het | ἀγαθόν (agathon) = goede | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πονηρὸς (poneros) = slechte | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πονηροῦ (ponerou) = slechte | προφέρει (propherei) = brengt voort | τὸ (to) = het | πονηρόν (poneron) = slechte | ἐκ (ek) = uit | γὰρ (gar) = want | περισσεύματος (perisseumatos) = overvloed | καρδίας (kardias) = van hart | λαλεῖ (lalei) = spreekt | τὸ (to) = de | στόμα (stoma) = mond | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θησαυρός (thesauros), ‘schat’: een voorraad. Zie ook Matt. 12:34–35. Zie ook: Mat 12:34–35 ### De twee bouwers **6:46** **Waarom noemen jullie Mij ‘Heer, Heer’ en doen jullie niet wat Ik zeg?** Brontekst: Τί (Ti) = waarom | δέ (de) = maar | με (me) = Mij | καλεῖτε (kaleite) = noemen jullie | Κύριε (Kyrie) = Heer | κύριε (kyrie) = Heer | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | ποιεῖτε (poieite) = doen jullie | ἃ (ha) = wat | λέγω (lego) = zeg Ik Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Κύριε κύριε (Kyrie kyrie), ‘Heer, Heer’: een aanspreking, geen vertaling van Yahweh; zie Matt. 7:21. Zie ook: Mat 7:21 **6:47** **Ieder die naar Mij toe komt, Mijn woorden hoort en ze doet — Ik zal jullie tonen aan wie hij gelijk is.** Brontekst: πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | πρός (pros) = naar | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | ἀκούων (akouon) = horend | μου (mou) = Mijn | τῶν (ton) = de | λόγων (logon) = woorden | καὶ (kai) = en | ποιῶν (poion) = doend | αὐτούς (autous) = ze | ὑποδείξω (hypodeixo) = zal Ik tonen | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | τίνι (tini) = aan wie | ἐστὶν (estin) = is | ὅμοιος (homoios) = gelijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑποδείκνυμι (hypodeiknymi), ‘tonen, laten zien’. Zie ook Matt. 7:24–27. Zie ook: Mat 7:24–27 **6:48** **Die is gelijk aan een man die een huis bouwde, diep groef en het fundament op de rots legde. Toen er een overstroming kwam, beukte de rivier tegen dat huis, maar kon het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was.** Brontekst: ὅμοιός (homoios) = gelijk | ἐστιν (estin) = is | ἀνθρώπῳ (anthropo) = aan een man | οἰκοδομοῦντι (oikodomounti) = bouwend | οἰκίαν (oikian) = huis | ὃς (hos) = die | ἔσκαψεν (eskapsen) = groef | καὶ (kai) = en | ἐβάθυνεν (ebathynen) = maakte diep | καὶ (kai) = en | ἔθηκεν (etheken) = legde | θεμέλιον (themelion) = fundament | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | πέτραν (petran) = rots | πλημμύρης (plemmyres) = overstroming | δὲ (de) = maar | γενομένης (genomenes) = gekomen | προσέρηξεν (proserexen) = beukte tegen | ὁ (ho) = de | ποταμὸς (potamos) = rivier | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | ἐκείνῃ (ekeine) = dat | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἴσχυσεν (ischysen) = kon | σαλεῦσαι (saleusai) = doen wankelen | αὐτὴν (auten) = het | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = het | καλῶς (kalos) = goed | οἰκοδομῆσθαι (oikodomesthai) = gebouwd te zijn | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πλημμύρα (plemmyra), ‘overstroming’. ἔσκαψεν καὶ ἐβάθυνεν (eskapsen kai ebathynen), ‘hij groef en maakte diep’: hij groef tot hij op de rots kwam. πέτρα (petra), ‘rots’: zie Matt. 7:24. Zie ook: Mat 7:24 **6:49** **Maar wie hoort en niet doet, is gelijk aan een man die een huis op de grond bouwde, zonder fundament. De rivier beukte ertegen, het stortte meteen in, en de ineenstorting van dat huis was groot.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ποιήσας (poiesas) = gedaan hebbend | ὅμοιός (homoios) = gelijk | ἐστιν (estin) = is | ἀνθρώπῳ (anthropo) = aan een man | οἰκοδομήσαντι (oikodomesanti) = gebouwd hebbend | οἰκίαν (oikian) = huis | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond | χωρὶς (choris) = zonder | θεμελίου (themeliou) = fundament | ᾗ (he) = waartegen | προσέρηξεν (proserexen) = beukte | ὁ (ho) = de | ποταμός (potamos) = rivier | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | συνέπεσεν (synepesen) = stortte in | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = werd | τὸ (to) = de | ῥῆγμα (rhegma) = ineenstorting | τῆς (tes) = van het | οἰκίας (oikias) = huis | ἐκείνης (ekeines) = dat | μέγα (mega) = groot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥῆγμα (regma), ‘ineenstorting, scheur’. Bij Matteüs is het huis gebouwd op zand (Matt. 7:26); Lucas heeft ‘op de grond, zonder fundament’. Zie ook: Mat 7:26 ## Lucas 7 _De hoofdman van Kapernaüm, de zoon van de weduwe in Naïn en de vrouw bij Simon de Farizeeër_ ### De knecht van de hoofdman over honderd **7:1** Toen Hij al Zijn woorden in het gehoor van het volk had voltooid, ging Hij Kapernaüm binnen. Brontekst: Ἐπειδὴ (Epeide) = nadat | ἐπλήρωσεν (eplerosen) = voltooide Hij | πάντα (panta) = al | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | ἀκοὰς (akoas) = oren | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | Καφαρναούμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: ἀκοή (akoe), ‘gehoor’: letterlijk ‘in de oren van het volk’. Met ‘al Zijn woorden’ wordt de toespraak in Luc. 6:20–49 bedoeld. Voetnoot : Zie ook Matt. 8:5–13; Joh. 4:46–54. Zie ook: Mat 8:5–13; Luc 6:20–49; Joh 4:46–54 **7:2** Een hoofdman over honderd had een knecht die ernstig ziek was en op het punt stond te sterven. Die was hem dierbaar. Brontekst: Ἑκατοντάρχου (Hekatontarchou) = van een hoofdman over honderd | δέ (de) = maar | τινος (tinos) = zekere | δοῦλος (doulos) = knecht | κακῶς (kakos) = ernstig | ἔχων (echon) = zijnde | ἤμελλεν (emellen) = stond op het punt | τελευτᾶν (teleutan) = te sterven | ὃς (hos) = die | ἦν (en) = was | αὐτῷ (auto) = hem | ἔντιμος (entimos) = dierbaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἑκατοντάρχης (hekatontarches), ‘hoofdman over honderd’: een officier die ongeveer 100 soldaten onder zich had. δοῦλος (doulos), ‘knecht’: wij vertalen δοῦλος overal als ‘knecht’. **7:3** Toen hij over Yeshua hoorde, zond hij oudsten van de Joden naar Hem toe met het verzoek te komen om zijn knecht te redden. Brontekst: ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | δὲ (de) = maar | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = (de) | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | πρεσβυτέρους (presbyterous) = oudsten | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἐρωτῶν (eroton) = vragend | αὐτὸν (auton) = Hem | ὅπως (hopos) = opdat | ἐλθὼν (elthon) = gekomen zijnde | διασώσῃ (diasose) = Hij zou redden | τὸν (ton) = de | δοῦλον (doulon) = knecht | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρεσβύτεροι τῶν Ἰουδαίων (presbyteroi ton Ioudaion), ‘oudsten van de Joden’: de leiders van de Joodse gemeenschap in de stad. διασώζω (diasozo), ‘redden’: een samengesteld werkwoord bij σῴζω (sozo), ‘redden’; het betekent ‘volledig redden, erdoorheen helpen’. **7:4** Toen zij bij Yeshua gekomen waren, smeekten zij Hem dringend: „Hij is het waard dat U dit voor hem doet, Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | παραγενόμενοι (paragenomenoi) = aangekomen | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = (de) | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | παρεκάλουν (parekaloun) = smeekten | αὐτὸν (auton) = Hem | σπουδαίως (spoudaios) = dringend | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἄξιός (Axios) = waard | ἐστιν (estin) = is | ᾧ (ho) = aan wie | παρέξῃ (parexe) = U zult verlenen | τοῦτο (touto) = dit Bron: SBLGNT **7:5** want hij heeft ons volk lief en hij heeft zelf de synagoge voor ons gebouwd.” Brontekst: ἀγαπᾷ (agapa) = hij heeft lief | γὰρ (gar) = want | τὸ (to) = het | ἔθνος (ethnos) = volk | ἡμῶν (hemon) = ons | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | συναγωγὴν (synagogen) = synagoge | αὐτὸς (autos) = hijzelf | ᾠκοδόμησεν (okodomesen) = heeft gebouwd | ἡμῖν (hemin) = voor ons Bron: SBLGNT **7:6** Yeshua ging met hen mee. Hij was al niet ver meer van het huis. Toen stuurde de hoofdman vrienden naar Hem toe met de woorden: „Heer, doe geen moeite. Want ik ben niet waardig dat U onder mijn dak komt. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐπορεύετο (eporeueto) = ging | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen | ἤδη (ede) = al | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hem | οὐ (ou) = niet | μακρὰν (makran) = ver | ἀπέχοντος (apechontos) = afstaand | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | οἰκίας (oikias) = huis | ἔπεμψεν (epempsen) = stuurde | φίλους (philous) = vrienden | ὁ (ho) = de | ἑκατοντάρχης (hekatontarches) = hoofdman over honderd | λέγων (legon) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | μὴ (me) = niet | σκύλλου (skyllou) = doe moeite | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἱκανός (hikanos) = waardig | εἰμι (eimi) = ik ben | ἵνα (hina) = opdat | ὑπὸ (hypo) = onder | τὴν (ten) = het | στέγην (stegen) = dak | μου (mou) = mijn | εἰσέλθῃς (eiselthes) = U binnenkomt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Bij Lucas komt de hoofdman niet zelf maar stuurt hij vrienden; bij Matteüs spreekt hij zelf met Yeshua (Matt. 8:5–9). πέμπω (pempo) vertalen wij met ‘sturen’ en ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’, met ‘zenden’ (7:3, 7:20, 7:27). σκύλλω (skyllo), ‘lastigvallen’: ‘doe geen moeite’; hetzelfde werkwoord staat in 8:49 en Mark. 5:35. ἱκανός (hikanos), ‘waardig’: zoals in Matt. 8:8. Zie ook: Mat 8:5–9; Mat 8:8; Mar 5:35 **7:7** Daarom heb ik mijzelf ook niet waardig geacht naar U toe te komen. Maar zeg het met een woord, en laat mijn knecht genezen worden. Brontekst: διὸ (dio) = daarom | οὐδὲ (oude) = ook niet | ἐμαυτὸν (emauton) = mijzelf | ἠξίωσα (exiosa) = ik achtte waardig | πρὸς (pros) = tot | σὲ (se) = U | ἐλθεῖν (elthein) = te komen | ἀλλὰ (alla) = maar | εἰπὲ (eipe) = zeg | λόγῳ (logo) = met een woord | καὶ (kai) = en | ἰαθήτω (iatheto) = laat genezen worden | ὁ (ho) = de | παῖς (pais) = knecht | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀξιόω (axioo), ‘waardig achten’; vergelijk ἄξιος (axios), ‘waard’, in 7:4. In 7:7 staat παῖς (pais), dat ‘kind’ of ‘knecht’ kan betekenen; dat vertalen wij hier als ‘knecht’. **7:8** Want ook ik ben een man die onder gezag gesteld is, en ik heb soldaten onder mij. Ik zeg tegen de een: ‘Ga’, en hij gaat. Tegen een ander: ‘Kom’, en hij komt. En tegen mijn knecht: ‘Doe dit’, en hij doet het.” Brontekst: καὶ (kai) = ook | γὰρ (gar) = want | ἐγὼ (ego) = ik | ἄνθρωπός (anthropos) = man | εἰμι (eimi) = ben | ὑπὸ (hypo) = onder | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | τασσόμενος (tassomenos) = gesteld | ἔχων (echon) = hebbend | ὑπ’ (hyp’) = onder | ἐμαυτὸν (emauton) = mijzelf | στρατιώτας (stratiotas) = soldaten | καὶ (kai) = en | λέγω (lego) = ik zeg | τούτῳ (touto) = tot deze | Πορεύθητι (Poreutheti) = ga | καὶ (kai) = en | πορεύεται (poreuetai) = hij gaat | καὶ (kai) = en | ἄλλῳ (allo) = tot een ander | Ἔρχου (Erchou) = kom | καὶ (kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = hij komt | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = tot de | δούλῳ (doulo) = knecht | μου (mou) = mijn | Ποίησον (Poieson) = doe | τοῦτο (touto) = dit | καὶ (kai) = en | ποιεῖ (poiei) = hij doet Bron: SBLGNT **7:9** Toen Yeshua dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem. Hij draaide Zich om naar de menigte die Hem volgde en zei: **„Ik zeg jullie: zelfs in Israël heb Ik zo’n groot geloof niet gevonden.”** Brontekst: ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | δὲ (de) = maar | ταῦτα (tauta) = dit | ὁ (ho) = (de) | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐθαύμασεν (ethaumasen) = verwonderde Zich | αὐτόν (auton) = over hem | καὶ (kai) = en | στραφεὶς (strapheis) = omgedraaid | τῷ (to) = tot de | ἀκολουθοῦντι (akolouthounti) = volgende | αὐτῷ (auto) = Hem | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | εἶπεν (eipen) = zei | Λέγω (Lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐδὲ (oude) = zelfs niet | ἐν (en) = in | τῷ (to) = (de) | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | τοσαύτην (tosauten) = zo groot | πίστιν (pistin) = geloof | εὗρον (heuron) = Ik vond Bron: SBLGNT **7:10** Toen zij die gestuurd waren naar het huis terugkeerden, vonden zij de knecht gezond. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑποστρέψαντες (hypostrepsantes) = teruggekeerd | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | οἱ (hoi) = zij die | πεμφθέντες (pemphthentes) = gestuurd waren | εὗρον (heuron) = vonden | τὸν (ton) = de | δοῦλον (doulon) = knecht | ὑγιαίνοντα (hygiainonta) = gezond zijnde Bron: SBLGNT ### De zoon van de weduwe in Naïn **7:11** Daarna ging Hij naar een stad die Naïn heet. Zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ἑξῆς (hexes) = volgende | ἐπορεύθη (eporeuthe) = ging Hij | εἰς (eis) = naar | πόλιν (polin) = een stad | καλουμένην (kaloumenen) = genoemd | Ναΐν (Nain) = Naïn | καὶ (kai) = en | συνεπορεύοντο (syneporeuonto) = gingen mee | αὐτῷ (auto) = met Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολύς (polys) = grote Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Naïn: Naïn (Nein) ligt in Neder-Galilea, aan de noordkant van de Moreh-heuvel, ten zuidoosten van Nazaret. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat ‘de volgende dag’ (τῇ ἑξῆς) in plaats van ‘daarna’ (ἐν τῷ ἑξῆς). Wij volgen de SBLGNT. **7:12** Toen Hij de poort van de stad naderde, zie: een dode werd naar buiten gedragen, de enige zoon van zijn moeder. Zij was een weduwe. Een flinke menigte uit de stad was bij haar. Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = maar | ἤγγισεν (engisen) = Hij naderde | τῇ (te) = de | πύλῃ (pyle) = poort | τῆς (tes) = van de | πόλεως (poleos) = stad | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἐξεκομίζετο (exekomizeto) = werd naar buiten gedragen | τεθνηκὼς (tethnekos) = gestorven | μονογενὴς (monogenes) = enige | υἱὸς (huios) = zoon | τῇ (te) = aan de | μητρὶ (metri) = moeder | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | αὐτὴ (aute) = zij | ἦν (en) = was | χήρα (chera) = weduwe | καὶ (kai) = en | ὄχλος (ochlos) = menigte | τῆς (tes) = van de | πόλεως (poleos) = stad | ἱκανὸς (hikanos) = flinke | ἦν (en) = was | σὺν (syn) = met | αὐτῇ (aute) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μονογενής (monogenes), ‘enige’: de enige zoon; zo ook in 8:42 en 9:38. **7:13** Toen de Heer haar zag, had Hij medelijden met haar en zei tegen haar: **„Huil niet.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziende | αὐτὴν (auten) = haar | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | ἐσπλαγχνίσθη (esplanchnisthe) = had medelijden | ἐπ’ (ep’) = met | αὐτῇ (aute) = haar | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tegen haar | Μὴ (Me) = niet | κλαῖε (klaie) = huil Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: Lucas noemt Yeshua in de verteltekst vaker zo (ook 7:19). Het is een titel, geen citaat uit het Oude Testament; wij schrijven ‘de Heer’ met hoofdletter. σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden hebben’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, de plaats van diepe gevoelens. **7:14** Hij kwam naar de baar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan. Hij zei: **„Jongeman, Ik zeg je: sta op!”** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσελθὼν (proselthon) = naderend | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | τῆς (tes) = de | σοροῦ (sorou) = baar | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | βαστάζοντες (bastazontes) = dragenden | ἔστησαν (estesan) = bleven staan | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = Hij zei | Νεανίσκε (Neaniske) = jongeman | σοὶ (soi) = tot jou | λέγω (lego) = Ik zeg | ἐγέρθητι (egertheti) = sta op Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σορός (soros), ‘baar’: een open draagbaar waarop de dode werd gedragen. Wie een dode aanraakte, was zeven dagen onrein (Num. 19:11); Yeshua raakt de baar toch aan. Zie ook: Num 19:11 **7:15** De dode ging rechtop zitten en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀνεκάθισεν (anekathisen) = ging rechtop zitten | ὁ (ho) = de | νεκρὸς (nekros) = dode | καὶ (kai) = en | ἤρξατο (erxato) = begon | λαλεῖν (lalein) = te spreken | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = Hij gaf | αὐτὸν (auton) = hem | τῇ (te) = aan de | μητρὶ (metri) = moeder | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 17:23, waar Elia de opgewekte zoon van de weduwe aan zijn moeder geeft: ‘Hij gaf hem aan zijn moeder.’ Zie ook: 1 Kon 17:23 **7:16** Allen werden door vrees bevangen. Zij verheerlijkten Elohim en zeiden: „Een grote profeet is onder ons opgewekt”, en: „Elohim heeft Zijn volk bezocht.” Brontekst: ἔλαβεν (elaben) = nam | δὲ (de) = maar | φόβος (phobos) = vrees | πάντας (pantas) = allen | καὶ (kai) = en | ἐδόξαζον (edoxazon) = verheerlijkten | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Προφήτης (Prophetes) = profeet | μέγας (megas) = grote | ἠγέρθη (egerthe) = is opgewekt | ἐν (en) = onder | ἡμῖν (hemin) = ons | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | Ἐπεσκέψατο (Epeskepsato) = heeft bezocht | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπισκέπτομαι (episkeptomai), ‘bezoeken’: iemand opzoeken om te helpen; vergelijk Exod. 4:31, ‘Yahweh de zonen van Israël had bezocht’. ἐγείρω (egeiro), ‘opwekken’: hetzelfde werkwoord staat in 7:22 voor het opwekken van doden. Zie ook: Ex 4:31 **7:17** Dit bericht over Hem ging uit door heel Judea en de hele omgeving. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = bericht | οὗτος (houtos) = dit | ἐν (en) = in | ὅλῃ (hole) = heel | τῇ (te) = de | Ἰουδαίᾳ (Ioudaia) = Judea | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | πάσῃ (pase) = heel | τῇ (te) = de | περιχώρῳ (perichoro) = omgeving Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: Ἰουδαία (Ioudaia), ‘Judea’, kan hier het hele land van de Joden bedoelen, niet alleen het gebied rond Jeruzalem. ### De vraag van Johannes de Doper **7:18** Zijn leerlingen meldden Johannes dit alles. Johannes riep twee van zijn leerlingen bij zich Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | Ἰωάννῃ (Ioanne) = aan Johannes | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | περὶ (peri) = over | πάντων (panton) = alles | τούτων (touton) = dit | καὶ (kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij zich geroepen hebbend | δύο (dyo) = twee | τινὰς (tinas) = enkele | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὁ (ho) = (de) | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 11:2–19. Zie ook: Mat 11:2–19 **7:19** en stuurde hen naar de Heer met de vraag: „Bent U degene die komen zou, of moeten wij op een ander wachten?” Brontekst: ἔπεμψεν (epempsen) = stuurde | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | λέγων (legon) = zeggend | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | ἢ (e) = of | ἄλλον (allon) = een ander | προσδοκῶμεν (prosdokomen) = wachten wij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ‘stuurde’ geen voorwerp; wij vullen ‘hen’ aan, de twee leerlingen uit vers 18. ὁ ἐρχόμενος (ho erchomenos), ‘degene die komt’: een aanduiding voor de beloofde die zou komen; vergelijk Ps. 118:26, ‘Gezegend is hij die komt in de naam van Yahweh’. Wij vertalen ‘degene die komen zou’, zoals in Matt. 11:3. Zie ook: Ps 118:26; Mat 11:3; Luc 7:18 **7:20** Toen de mannen bij Hem gekomen waren, zeiden zij: „Johannes de Doper heeft ons naar U gezonden. Hij zegt: ‘Bent U degene die komen zou, of moeten wij op een ander wachten?’” Brontekst: παραγενόμενοι (paragenomenoi) = aangekomen | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = bij | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | ἄνδρες (andres) = mannen | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ὁ (ho) = de | βαπτιστὴς (baptistes) = Doper | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | ἡμᾶς (hemas) = ons | πρὸς (pros) = naar | σὲ (se) = U | λέγων (legon) = zeggend | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | ἢ (e) = of | ἄλλον (allon) = een ander | προσδοκῶμεν (prosdokomen) = wachten wij Bron: SBLGNT **7:21** Op dat uur genas Hij velen van ziekten, kwalen en boze geesten, en aan veel blinden schonk Hij het zien. Brontekst: ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = dat | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas Hij | πολλοὺς (pollous) = velen | ἀπὸ (apo) = van | νόσων (noson) = ziekten | καὶ (kai) = en | μαστίγων (mastigon) = kwalen | καὶ (kai) = en | πνευμάτων (pneumaton) = geesten | πονηρῶν (poneron) = boze | καὶ (kai) = en | τυφλοῖς (typhlois) = aan blinden | πολλοῖς (pollois) = vele | ἐχαρίσατο (echarisato) = schonk Hij | βλέπειν (blepein) = te zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μάστιξ (mastix), ‘kwaal’: letterlijk ‘zweep’; zoals in Mark. 5:29. νόσος (nosos), ‘ziekte’. πνεῦμα πονηρόν (pneuma poneron), ‘boze geest’. ἐχαρίσατο (echarisato), ‘schonk’, van χαρίζομαι (charizomai), ‘uit genade schenken’; hetzelfde werkwoord staat in 7:42–43 voor ‘kwijtschelden’. Zie ook: Mar 5:29 **7:22** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Ga en vertel Johannes wat jullie gezien en gehoord hebben. Blinden zien weer, kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt, armen krijgen de goede boodschap gebracht.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei Hij | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Πορευθέντες (Poreuthentes) = gegaan zijnde | ἀπαγγείλατε (apangeilate) = vertel | Ἰωάννῃ (Ioanne) = aan Johannes | ἃ (ha) = wat | εἴδετε (eidete) = jullie zagen | καὶ (kai) = en | ἠκούσατε (ekousate) = jullie hoorden | τυφλοὶ (typhloi) = blinden | ἀναβλέπουσιν (anablepousin) = zien weer | χωλοὶ (choloi) = kreupelen | περιπατοῦσιν (peripatousin) = lopen | λεπροὶ (leproi) = melaatsen | καθαρίζονται (katharizontai) = worden gereinigd | κωφοὶ (kophoi) = doven | ἀκούουσιν (akouousin) = horen | νεκροὶ (nekroi) = doden | ἐγείρονται (egeirontai) = worden opgewekt | πτωχοὶ (ptochoi) = armen | εὐαγγελίζονται (euangelizontai) = krijgen de goede boodschap gebracht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De opsomming doet denken aan Jes. 35:5–6, Jes. 29:18 en Jes. 61:1. λεπροί (lepri), ‘melaatsen’: mensen met de huidziekte uit Lev. 13–14. πτωχοί (ptochoi), ‘armen’: Jes. 61:1 heeft ‘nederigen’. Dezelfde woorden staan in Matt. 11:5. Zie ook: Jes 29:18; Jes 35:5–6; Jes 61:1; Mat 11:5 **7:23** **En gelukkig is wie niet over Mij struikelt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | μακάριός (makarios) = gelukkig | ἐστιν (estin) = is | ὃς (hos) = wie | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | σκανδαλισθῇ (skandalisthe) = struikelt | ἐν (en) = over | ἐμοί (emoi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκανδαλίζω (skandalizo), ‘laten struikelen’: iemand laten vallen of laten afvallen. Wij vertalen het overal zo. ### Yeshua over Johannes de Doper **7:24** Toen de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tegen de menigten over Johannes te zeggen: **„Wat zijn jullie naar de woestijn gegaan om te zien? Een riet dat door de wind heen en weer wordt geschud?** Brontekst: Ἀπελθόντων (Apelthonton) = weggegaan zijnde | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = van de | ἀγγέλων (angelon) = boden | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | ἤρξατο (erxato) = begon Hij | λέγειν (legein) = te zeggen | πρὸς (pros) = tot | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | περὶ (peri) = over | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | Τί (Ti) = wat | ἐξήλθατε (exelthate) = zijn jullie uitgegaan | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἔρημον (eremon) = woestijn | θεάσασθαι (theasasthai) = om te zien | κάλαμον (kalamon) = riet | ὑπὸ (hypo) = door | ἀνέμου (anemou) = wind | σαλευόμενον (saleuomenon) = geschud wordend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄγγελος (angelos) kan ‘bode’ of ‘engel’ betekenen. Wij schrijven ‘boden’ voor mensen die een boodschap overbrengen (hier en in 9:52) en ‘engel’ voor hemelse wezens. Voetnoot : Zie ook Matt. 11:7–11. Zie ook: Mat 11:7–11 **7:25** **Maar wat zijn jullie gaan zien? Een man in zachte kleren? Zie, zij die in prachtige kleding en weelde leven, zijn in de paleizen.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | τί (ti) = wat | ἐξήλθατε (exelthate) = zijn jullie uitgegaan | ἰδεῖν (idein) = te zien | ἄνθρωπον (anthropon) = man | ἐν (en) = in | μαλακοῖς (malakois) = zachte | ἱματίοις (himatiois) = kleren | ἠμφιεσμένον (emphiesmenon) = gekleed | ἰδοὺ (idou) = zie | οἱ (hoi) = zij die | ἐν (en) = in | ἱματισμῷ (himatismo) = kleding | ἐνδόξῳ (endoxo) = prachtige | καὶ (kai) = en | τρυφῇ (tryphe) = weelde | ὑπάρχοντες (hyparchontes) = leven | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | βασιλείοις (basileiois) = paleizen | εἰσίν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT **7:26** **Maar wat zijn jullie gaan zien? Een profeet? Ja, Ik zeg jullie: meer zelfs dan een profeet.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | τί (ti) = wat | ἐξήλθατε (exelthate) = zijn jullie uitgegaan | ἰδεῖν (idein) = te zien | προφήτην (propheten) = profeet | ναί (nai) = ja | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | καὶ (kai) = en | περισσότερον (perissoteron) = meer | προφήτου (prophetou) = dan een profeet Bron: SBLGNT **7:27** **Dit is degene over wie geschreven is: ‘Zie, Ik zend Mijn bode voor je uit; hij zal je weg voor je bereiden.’** Brontekst: οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | περὶ (peri) = over | οὗ (hou) = wie | γέγραπται (gegraptai) = het is geschreven | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἀποστέλλω (apostello) = Ik zend | τὸν (ton) = de | ἄγγελόν (angelon) = bode | μου (mou) = Mijn | πρὸ (pro) = voor | προσώπου (prosopou) = aangezicht | σου (sou) = je | ὃς (hos) = die | κατασκευάσει (kataskeuasei) = zal bereiden | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | σου (sou) = je | ἔμπροσθέν (emprosthen) = voor | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat komt uit Mal. 3:1 en Exod. 23:20. Het Hebreeuws van Mal. 3:1 heeft ‘Mijn bode, en hij zal de weg voor Mij banen’; de Griekse tekst heeft ‘voor je uit … je weg voor je’. Dit zijn woorden van Yahweh binnen de woorden van Yeshua. Voetnoot : Zie ook Matt. 11:10; Mark. 1:2. Zie ook: Ex 23:20; Mal 3:1; Mat 11:10; Mar 1:2 **7:28** **Ik zeg jullie: onder wie door vrouwen geboren zijn, is niemand groter dan Johannes. Maar de kleinste in het koninkrijk van Elohim is groter dan hij.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | μείζων (meizon) = groter | ἐν (en) = onder | γεννητοῖς (gennetois) = geborenen | γυναικῶν (gynaikon) = van vrouwen | Ἰωάννου (Ioannou) = dan Johannes | οὐδείς (oudeis) = niemand | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | μικρότερος (mikroteros) = kleinste | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | μείζων (meizon) = groter | αὐτοῦ (autou) = dan hij | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μικρότερος (mikroteros), letterlijk ‘kleinere’: wij lezen ‘de kleinste’. Zie ook Matt. 11:11. Zie ook: Mat 11:11 **7:29** Heel het volk dat het hoorde, en ook de tollenaars, verklaarden Elohim rechtvaardig. Zij waren gedoopt met de doop van Johannes. Brontekst: καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | τελῶναι (telonai) = tollenaars | ἐδικαίωσαν (edikaiosan) = verklaarden rechtvaardig | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | βαπτισθέντες (baptisthentes) = gedoopt zijnde | τὸ (to) = de | βάπτισμα (baptisma) = doop | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Wij lezen 7:29–30 als opmerking van Lucas, niet als woorden van Yeshua; Zijn woorden lopen door in vers 31. δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’: het volk erkent dat Elohim rechtvaardig is. Hetzelfde werkwoord staat in vers 35 voor de wijsheid, die ‘gerechtvaardigd’ wordt. βάπτισμα (baptisma), ‘doop’. Zie ook: Luc 7:31; Luc 7:35 **7:30** Maar de Farizeeën en de wetgeleerden wezen het plan van Elohim voor zichzelf af. Zij hadden zich niet door hem laten dopen. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | νομικοὶ (nomikoi) = wetgeleerden | τὴν (ten) = het | βουλὴν (boulen) = plan | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἠθέτησαν (ethetesan) = wezen af | εἰς (eis) = voor | ἑαυτούς (heautous) = zichzelf | μὴ (me) = niet | βαπτισθέντες (baptisthentes) = gedoopt zijnde | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νομικός (nomikos), ‘wetgeleerde’: iemand die de wet van Mozes kent en uitlegt; zie Matt. 22:35. βουλή (boule), ‘plan’: ook ‘raad’ of ‘wil’. εἰς ἑαυτούς (eis heautous), ‘voor zichzelf’: ook ‘ten nadele van zichzelf’. Zie ook: Mat 22:35 ### Deze generatie **7:31** **„Met wie dan zal Ik de mensen van deze generatie vergelijken, en met wie zijn zij gelijk?** Brontekst: Τίνι (Tini) = met wie | οὖν (oun) = dan | ὁμοιώσω (homoioso) = zal Ik vergelijken | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | τῆς (tes) = van de | γενεᾶς (geneas) = generatie | ταύτης (tautes) = deze | καὶ (kai) = en | τίνι (tini) = met wie | εἰσὶν (eisin) = zijn zij | ὅμοιοι (homoioi) = gelijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γενεά (genea), ‘generatie’: ook ‘geslacht, tijdgenoten’. Zie ook Matt. 11:16–19. Zie ook: Mat 11:16–19 **7:32** **Zij zijn gelijk aan kinderen die op de markt zitten en elkaar toeroepen en zeggen: ‘Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld. En jullie hebben niet gedanst. Wij hebben een klaaglied gezongen. En jullie hebben niet gehuild.’** Brontekst: ὅμοιοί (homoioi) = gelijk | εἰσιν (eisin) = zijn zij | παιδίοις (paidiois) = aan kinderen | τοῖς (tois) = die | ἐν (en) = op | ἀγορᾷ (agora) = markt | καθημένοις (kathemenois) = zitten | καὶ (kai) = en | προσφωνοῦσιν (prosphonousin) = toeroepen | ἀλλήλοις (allelois) = elkaar | ἃ (ha) = wat | λέγει (legei) = zegt | Ηὐλήσαμεν (Eylesamen) = wij speelden fluit | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ὠρχήσασθε (orchesasthe) = jullie dansten | ἐθρηνήσαμεν (ethrenesamen) = wij zongen een klaaglied | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐκλαύσατε (eklausate) = jullie huilden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘en elkaar toeroepen wat hij zegt’ (ἃ λέγει, ha legei); wij schrijven ‘en zeggen’. ἀγορά (agora), ‘markt’: het plein in de stad waar men samenkwam. θρηνέω (threneo), ‘een klaaglied zingen’: een lied bij een begrafenis. **7:33** **Want Johannes de Doper is gekomen: hij at geen brood en dronk geen wijn, en jullie zeggen: ‘Hij heeft een demon.’** Brontekst: ἐλήλυθεν (elelythen) = is gekomen | γὰρ (gar) = want | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ὁ (ho) = de | βαπτιστὴς (baptistes) = Doper | μὴ (me) = niet | ἐσθίων (esthion) = etend | ἄρτον (arton) = brood | μήτε (mete) = noch | πίνων (pinon) = drinkend | οἶνον (oinon) = wijn | καὶ (kai) = en | λέγετε (legete) = jullie zeggen | Δαιμόνιον (Daimonion) = demon | ἔχει (echei) = hij heeft Bron: SBLGNT **7:34** **De Mensenzoon is gekomen: Hij at en dronk, en jullie zeggen: ‘Zie, een mens, een veelvraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaars en zondaars!’** Brontekst: ἐλήλυθεν (elelythen) = is gekomen | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐσθίων (esthion) = etend | καὶ (kai) = en | πίνων (pinon) = drinkend | καὶ (kai) = en | λέγετε (legete) = jullie zeggen | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | φάγος (phagos) = veelvraat | καὶ (kai) = en | οἰνοπότης (oinopotes) = wijnzuiper | φίλος (philos) = vriend | τελωνῶν (telonon) = van tollenaars | καὶ (kai) = en | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = van zondaars Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 5:24. Voetnoot : φάγος (phagos), ‘veelvraat’; οἰνοπότης (oinopotes), ‘wijnzuiper’. **7:35** **Maar de wijsheid is gerechtvaardigd door al haar kinderen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐδικαιώθη (edikaiothe) = is gerechtvaardigd | ἡ (he) = de | σοφία (sophia) = wijsheid | ἀπὸ (apo) = door | πάντων (panton) = al | τῶν (ton) = de | τέκνων (teknon) = kinderen | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τέκνα (tekna), ‘kinderen’: Matteüs heeft hier ‘werken’ (Matt. 11:19). De ‘kinderen’ van de wijsheid zijn hier zij die haar volgen. Zie ook: Mat 11:19 ### Yeshua bij Simon de Farizeeër **7:36** Een van de Farizeeën vroeg Hem of Hij met hem wilde eten. Hij ging het huis van de Farizeeër binnen en ging aan tafel. Brontekst: Ἠρώτα (Erota) = vroeg | δέ (de) = maar | τις (tis) = een | αὐτὸν (auton) = Hem | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | ἵνα (hina) = opdat | φάγῃ (phage) = Hij zou eten | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | καὶ (kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | τοῦ (tou) = van de | Φαρισαίου (Pharisaiou) = Farizeeër | κατεκλίθη (kateklithe) = ging aan tafel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατακλίνομαι (kataklinomai), ‘aan tafel gaan’: men lag bij een maaltijd op een rustbank (zie Matt. 8:11). Daarom kan de vrouw achter Hem bij Zijn voeten komen. Zie ook: Mat 8:11 **7:37** En zie: een vrouw die in de stad een zondares was. Toen zij vernam dat Hij in het huis van de Farizeeër aanlag, bracht zij een albasten flesje met zalfolie. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἥτις (hetis) = die | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | ἁμαρτωλός (hamartolos) = zondares | καὶ (kai) = en | ἐπιγνοῦσα (epignousa) = vernomen hebbend | ὅτι (hoti) = dat | κατάκειται (katakeitai) = Hij aanligt | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | τοῦ (tou) = van de | Φαρισαίου (Pharisaiou) = Farizeeër | κομίσασα (komisasa) = brengend | ἀλάβαστρον (alabastron) = albasten flesje | μύρου (myrou) = met zalfolie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀλάβαστρον (alabastron), ‘albasten flesje’: een flesje van albast, een zachte witte steen, voor kostbare olie. μύρον (myron), ‘zalfolie’: geurige olie. ἁμαρτωλός (hamartolos), ‘zondares’: een vrouw die in de stad als zondares bekendstond; wat haar zonde was, zegt de tekst niet. Vergelijk de zalving in Betanië: Matt. 26:6–13; Mark. 14:3–9; Joh. 12:1–8. Zie ook: Mat 26:6–13; Mar 14:3–9; Joh 12:1–8 **7:38** Zij ging achter Hem bij Zijn voeten staan. Huilend begon zij Zijn voeten met tranen nat te maken. Zij veegde ze af met de haren van haar hoofd, kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalfolie. Brontekst: καὶ (kai) = en | στᾶσα (stasa) = gaan staan | ὀπίσω (opiso) = achter | παρὰ (para) = bij | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn | κλαίουσα (klaiousa) = huilend | τοῖς (tois) = met de | δάκρυσιν (dakrysin) = tranen | ἤρξατο (erxato) = begon zij | βρέχειν (brechein) = nat te maken | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ταῖς (tais) = met de | θριξὶν (thrixin) = haren | τῆς (tes) = van het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd | αὐτῆς (autes) = haar | ἐξέμασσεν (exemassen) = veegde af | καὶ (kai) = en | κατεφίλει (katephilei) = kuste | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἤλειφεν (eleiphen) = zalfde | τῷ (to) = met de | μύρῳ (myro) = zalfolie Bron: SBLGNT **7:39** Toen de Farizeeër die Hem had uitgenodigd dit zag, zei hij bij zichzelf: „Als deze een profeet was, zou Hij weten wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt. Zij is een zondares.” Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Φαρισαῖος (Pharisaios) = Farizeeër | ὁ (ho) = die | καλέσας (kalesas) = uitgenodigd had | αὐτὸν (auton) = Hem | εἶπεν (eipen) = zei | ἐν (en) = bij | ἑαυτῷ (heauto) = zichzelf | λέγων (legon) = zeggend | Οὗτος (Houtos) = deze | εἰ (ei) = als | ἦν (en) = was | προφήτης (prophetes) = profeet | ἐγίνωσκεν (eginosken) = zou weten | ἂν (an) = zou | τίς (tis) = wie | καὶ (kai) = en | ποταπὴ (potape) = wat voor | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἥτις (hetis) = die | ἅπτεται (haptetai) = aanraakt | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὅτι (hoti) = dat | ἁμαρτωλός (hamartolos) = zondares | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **7:40** Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Simon, Ik heb je iets te zeggen.”** Simon zei: „Leraar, zeg het.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = (de) | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem | Σίμων (Simon) = Simon | ἔχω (echo) = Ik heb | σοί (soi) = voor jou | τι (ti) = iets | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | ὁ (ho) = hij | δέ (de) = maar | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | εἰπέ (eipe) = zeg | φησίν (phesin) = zegt hij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘maar hij’ (ὁ δέ); wij schrijven ‘Simon’. Yeshua noemt de Farizeeër bij zijn naam; zie ook 7:43–44. **7:41** **„Twee schuldenaars hadden een geldschieter. De een was 500 denarie schuldig, de ander 50.** Brontekst: δύο (dyo) = twee | χρεοφειλέται (chreopheiletai) = schuldenaren | ἦσαν (esan) = waren | δανιστῇ (daniste) = aan een geldschieter | τινι (tini) = zekere | ὁ (ho) = de | εἷς (heis) = een | ὤφειλεν (opheilen) = was schuldig | δηνάρια (denaria) = denarie | πεντακόσια (pentakosia) = 500 | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἕτερος (heteros) = ander | πεντήκοντα (pentekonta) = 50 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 500 denarie is dus ongeveer het loon van 500 werkdagen en 50 denarie dat van 50 werkdagen. δανιστής (danistes), ‘geldschieter’; χρεοφειλέτης (chreopheiletes), ‘schuldenaar’. **7:42** **Omdat zij niets hadden om terug te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Wie van hen zal hem dan meer liefhebben?”** Brontekst: μὴ (me) = niet | ἐχόντων (echonton) = hebbend | αὐτῶν (auton) = zij | ἀποδοῦναι (apodounai) = terug te betalen | ἀμφοτέροις (amphoterois) = aan beiden | ἐχαρίσατο (echarisato) = schold kwijt | τίς (tis) = wie | οὖν (oun) = dan | αὐτῶν (auton) = van hen | πλεῖον (pleion) = meer | ἀγαπήσει (agapesei) = zal liefhebben | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χαρίζομαι (charizomai), ‘kwijtschelden’: letterlijk ‘uit genade schenken’; zie 7:21. Het Grieks noemt bij ‘schold … kwijt’ geen voorwerp; wij schrijven ‘het’. **7:43** Simon antwoordde: „Ik neem aan dat het degene is aan wie hij het meeste heeft kwijtgescholden.” Hij zei tegen hem: **„Je hebt juist geoordeeld.”** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | Σίμων (Simon) = Simon | εἶπεν (eipen) = zei | Ὑπολαμβάνω (Hypolambano) = Ik neem aan | ὅτι (hoti) = dat | ᾧ (ho) = aan wie | τὸ (to) = het | πλεῖον (pleion) = meeste | ἐχαρίσατο (echarisato) = hij kwijtschold | ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ὀρθῶς (Orthos) = juist | ἔκρινας (ekrinas) = je oordeelde Bron: SBLGNT **7:44** Hij draaide Zich om naar de vrouw en zei tegen Simon: **„Zie je deze vrouw? Ik kwam in je huis, en je hebt Mij geen water voor Mijn voeten gegeven. Maar zij heeft Mijn voeten met haar tranen nat gemaakt en met haar haren afgeveegd.** Brontekst: καὶ (kai) = en | στραφεὶς (strapheis) = omgedraaid | πρὸς (pros) = naar | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | τῷ (to) = aan de | Σίμωνι (Simoni) = Simon | ἔφη (ephe) = zei Hij | Βλέπεις (Blepeis) = zie je | ταύτην (tauten) = deze | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | εἰσῆλθόν (eiselthon) = Ik kwam binnen | σου (sou) = van jou | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | ὕδωρ (hydor) = water | μοι (moi) = aan Mij | ἐπὶ (epi) = voor | πόδας (podas) = voeten | οὐκ (ouk) = niet | ἔδωκας (edokas) = gaf je | αὕτη (haute) = zij | δὲ (de) = maar | τοῖς (tois) = met de | δάκρυσιν (dakrysin) = tranen | ἔβρεξέν (ebrexen) = maakte nat | μου (mou) = Mijn | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | καὶ (kai) = en | ταῖς (tais) = met de | θριξὶν (thrixin) = haren | αὐτῆς (autes) = haar | ἐξέμαξεν (exemaxen) = veegde af Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Water voor de voeten, een kus en olie voor het hoofd waren gebruikelijke tekenen van gastvrijheid. **7:45** **Je hebt Mij geen kus gegeven. Maar zij is, sinds Ik binnenkwam, niet opgehouden Mijn voeten te kussen.** Brontekst: φίλημά (philema) = kus | μοι (moi) = aan Mij | οὐκ (ouk) = niet | ἔδωκας (edokas) = gaf je | αὕτη (haute) = zij | δὲ (de) = maar | ἀφ’ (aph’) = sinds | ἧς (hes) = welke | εἰσῆλθον (eiselthon) = Ik binnenkwam | οὐ (ou) = niet | διέλιπεν (dielipen) = is opgehouden | καταφιλοῦσά (kataphilousa) = kussend | μου (mou) = Mijn | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten Bron: SBLGNT **7:46** **Je hebt Mijn hoofd niet met olie gezalfd. Maar zij heeft Mijn voeten met zalfolie gezalfd.** Brontekst: ἐλαίῳ (elaio) = met olie | τὴν (ten) = het | κεφαλήν (kephalen) = hoofd | μου (mou) = Mijn | οὐκ (ouk) = niet | ἤλειψας (eleipsas) = zalfde je | αὕτη (haute) = zij | δὲ (de) = maar | μύρῳ (myro) = met zalfolie | ἤλειψεν (eleipsen) = zalfde | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **7:47** **Daarom zeg Ik je: haar zonden, die vele, zijn vergeven, want zij heeft veel liefgehad. Maar wie weinig vergeven wordt, heeft weinig lief.”** Brontekst: οὗ (hou) = om welke | χάριν (charin) = reden | λέγω (lego) = Ik zeg | σοι (soi) = aan je | ἀφέωνται (apheontai) = zijn vergeven | αἱ (hai) = de | ἁμαρτίαι (hamartiai) = zonden | αὐτῆς (autes) = haar | αἱ (hai) = de | πολλαί (pollai) = vele | ὅτι (hoti) = want | ἠγάπησεν (egapesen) = zij heeft liefgehad | πολύ (poly) = veel | ᾧ (ho) = aan wie | δὲ (de) = maar | ὀλίγον (oligon) = weinig | ἀφίεται (aphietai) = wordt vergeven | ὀλίγον (oligon) = weinig | ἀγαπᾷ (agapa) = heeft lief Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφέωνται (apheontai), ‘zijn vergeven’: van ἀφίημι (aphiemi), ‘vergeven, laten gaan’. ὅτι (hoti), ‘want’: het woord kan ook ‘zoals blijkt doordat’ betekenen; het Grieks laat open of de liefde de oorzaak of het teken van de vergeving is. Wij schrijven ‘want’. **7:48** Hij zei tegen haar: **„Je zonden zijn vergeven.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | αὐτῇ (aute) = tot haar | Ἀφέωνταί (Apheontai) = zijn vergeven | σου (sou) = je | αἱ (hai) = de | ἁμαρτίαι (hamartiai) = zonden Bron: SBLGNT **7:49** De tafelgenoten begonnen onder elkaar te zeggen: „Wie is Hij, dat Hij zelfs zonden vergeeft?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | οἱ (hoi) = de | συνανακείμενοι (synanakeimenoi) = tafelgenoten | λέγειν (legein) = te zeggen | ἐν (en) = onder | ἑαυτοῖς (heautois) = zichzelf | Τίς (Tis) = wie | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὃς (hos) = die | καὶ (kai) = zelfs | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | ἀφίησιν (aphiesin) = vergeeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 43:25, waar Yahweh zegt: ‘Ik, Ik ben Hij die je overtredingen uitwist’, en Ps. 103:3, ‘Hij vergeeft al je schuld’. Zie ook: Ps 103:3; Jes 43:25 **7:50** Hij zei tegen de vrouw: **„Je geloof heeft je gered. Ga in vrede.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | Ἡ (He) = het | πίστις (pistis) = geloof | σου (sou) = je | σέσωκέν (sesoken) = heeft gered | σε (se) = je | πορεύου (poreuou) = ga | εἰς (eis) = naar | εἰρήνην (eirenen) = vrede Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σῴζω (sozo), ‘redden’: het woord betekent ook ‘genezen’. Wij vertalen het overal als ‘redden’ (ook in 8:12, 8:36, 8:48, 8:50 en 9:24). Het volgt hier op de vergeving van 7:47–48. ‘Ga in vrede’ is een afscheidsgroet; vergelijk 1 Sam. 1:17. Zie ook: 1 Sam 1:17 ## Lucas 8 _De gelijkenis van de zaaier, de storm op het meer, de man van de Gerasenen en de dochter van Jaïrus_ ### Yeshua en de vrouwen die Hem dienen **8:1** Daarna trok Hij door steden en dorpen. Hij verkondigde en bracht de goede boodschap van het koninkrijk van Elohim. De twaalf waren bij Hem, Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | καθεξῆς (kathexes) = daarna | καὶ (kai) = ook | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | διώδευεν (diodeuen) = trok door | κατὰ (kata) = door | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | κώμην (komen) = dorp | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | καὶ (kai) = en | εὐαγγελιζόμενος (euangelizomenos) = de goede boodschap brengend | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ δώδεκα (hoi dodeka), ‘de twaalf’: de kring van de twaalf leerlingen. Over de vrouwen die Yeshua en Zijn leerlingen dienden, zie ook Mark. 15:40–41; Luc. 24:10. Zie ook: Mar 15:40–41; Luc 24:10 **8:2** en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren: Maria, die Magdalena genoemd wordt, uit wie zeven demonen waren uitgegaan, Brontekst: καὶ (kai) = en | γυναῖκές (gynaikes) = vrouwen | τινες (tines) = enkele | αἳ (hai) = die | ἦσαν (esan) = waren | τεθεραπευμέναι (tetherapeumenai) = genezen | ἀπὸ (apo) = van | πνευμάτων (pneumaton) = geesten | πονηρῶν (poneron) = boze | καὶ (kai) = en | ἀσθενειῶν (astheneion) = ziekten | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = die | καλουμένη (kaloumene) = genoemd wordt | Μαγδαληνή (Magdalene) = Magdalena | ἀφ’ (aph’) = uit | ἧς (hes) = wie | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἑπτὰ (hepta) = zeven | ἐξεληλύθει (exelelythei) = waren uitgegaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Μαγδαληνή (Magdalene), ‘Magdalena’: waarschijnlijk ‘uit Magdala’, een plaats aan het meer van Galilea; dat is niet zeker. δαιμόνια ἑπτά (daimonia hepta), ‘zeven demonen’. **8:3** Johanna, de vrouw van Chuza, de rentmeester van Herodes, Susanna en vele anderen. Zij dienden hen met wat zij bezaten. Brontekst: καὶ (kai) = en | Ἰωάννα (Ioanna) = Johanna | γυνὴ (gyne) = vrouw | Χουζᾶ (Chouza) = van Chuza | ἐπιτρόπου (epitropou) = rentmeester | Ἡρῴδου (Herodou) = van Herodes | καὶ (kai) = en | Σουσάννα (Sousanna) = Susanna | καὶ (kai) = en | ἕτεραι (heterai) = andere | πολλαί (pollai) = vele | αἵτινες (haitines) = die | διηκόνουν (diekonoun) = dienden | αὐτοῖς (autois) = hen | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = het | ὑπαρχόντων (hyparchonton) = bezit | αὐταῖς (autais) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπίτροπος (epitropos), ‘rentmeester’: iemand aan wie de eigenaar het beheer toevertrouwt; zie Matt. 20:8. Herodes is Herodes Antipas, de viervorst van Galilea (zie 3:1). Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat ‘Hem’ (αὐτῷ) in plaats van ‘hen’ (αὐτοῖς). Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Mat 20:8 ### De gelijkenis van de zaaier **8:4** Toen een grote menigte bijeenkwam en mensen uit de steden naar Hem toe trokken, sprak Hij in een gelijkenis: Brontekst: Συνιόντος (Syniontos) = samenkomend | δὲ (de) = maar | ὄχλου (ochlou) = menigte | πολλοῦ (pollou) = grote | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = van hen die | κατὰ (kata) = uit | πόλιν (polin) = stad | ἐπιπορευομένων (epiporeuomenon) = toestromend | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | εἶπεν (eipen) = zei Hij | διὰ (dia) = in | παραβολῆς (paraboles) = gelijkenis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: een vergelijking of beeldspraak, in het Hebreeuws מָשָׁל (mashal). Voetnoot : Zie ook Matt. 13:1–9; Mark. 4:1–9. Zie ook: Mat 13:1–9; Mar 4:1–9 **8:5** **„De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. Terwijl hij zaaide, viel een deel langs de weg. Het werd vertrapt en de vogels van de hemel aten het op.** Brontekst: Ἐξῆλθεν (Exelthen) = ging uit | ὁ (ho) = de | σπείρων (speiron) = zaaiende | τοῦ (tou) = om | σπεῖραι (speirai) = te zaaien | τὸν (ton) = het | σπόρον (sporon) = zaad | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | σπείρειν (speirein) = zaaien | αὐτὸν (auton) = hij | ὃ (ho) = wat | μὲν (men) = enerzijds | ἔπεσεν (epesen) = viel | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | καὶ (kai) = en | κατεπατήθη (katepatethe) = werd vertrapt | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | κατέφαγεν (katephagen) = aten op | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT **8:6** **Een ander deel viel op de rots. Toen het opgekomen was, verdorde het, omdat het geen vocht had.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἕτερον (heteron) = ander | κατέπεσεν (katepesen) = viel neer | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | πέτραν (petran) = rots | καὶ (kai) = en | φυὲν (phyen) = opgekomen | ἐξηράνθη (exeranthe) = verdorde | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | μὴ (me) = niet | ἔχειν (echein) = hebben | ἰκμάδα (ikmada) = vocht Bron: SBLGNT **8:7** **Een ander deel viel midden tussen de doornen. De doornen groeiden mee op en verstikten het.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἕτερον (heteron) = ander | ἔπεσεν (epesen) = viel | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | τῶν (ton) = van de | ἀκανθῶν (akanthon) = doornen | καὶ (kai) = en | συμφυεῖσαι (symphyeisai) = meegegroeid | αἱ (hai) = de | ἄκανθαι (akanthai) = doornen | ἀπέπνιξαν (apepnixan) = verstikten | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT **8:8** **Een ander deel viel op de goede grond. Het kwam op en gaf vrucht, 100 keer zoveel.”** Terwijl Hij dit zei, riep Hij: **„Wie oren heeft om te horen, laat hem horen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἕτερον (heteron) = ander | ἔπεσεν (epesen) = viel | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond | τὴν (ten) = de | ἀγαθήν (agathen) = goede | καὶ (kai) = en | φυὲν (phyen) = opgekomen | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | καρπὸν (karpon) = vrucht | ἑκατονταπλασίονα (hekatontaplasiona) = honderdvoud | ταῦτα (tauta) = dit | λέγων (legon) = zeggend | ἐφώνει (ephonei) = riep Hij | Ὁ (Ho) = wie | ἔχων (echon) = hebbend | ὦτα (ota) = oren | ἀκούειν (akouein) = om te horen | ἀκουέτω (akoueto) = laat horen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἑκατονταπλασίων (hekatontaplasion), ‘honderdvoud’: wij schrijven ‘100 keer zoveel’, zoals in Mark. 4:8. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:8; Mark. 4:8. Zie ook: Mat 13:8; Mar 4:8 ### De uitleg van de gelijkenis **8:9** Zijn leerlingen vroegen Hem wat deze gelijkenis was. Brontekst: Ἐπηρώτων (Eperoton) = vroegen | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τίς (tis) = wat | αὕτη (haute) = deze | εἴη (eie) = zou zijn | ἡ (he) = de | παραβολή (parabole) = gelijkenis Bron: SBLGNT **8:10** Hij zei: **„Aan jullie is gegeven de geheimen van het koninkrijk van Elohim te kennen. Maar aan de overigen wordt het in gelijkenissen gegeven, opdat zij kijken en toch niet zien, en horen en toch niet begrijpen.** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ὑμῖν (Hymin) = aan jullie | δέδοται (dedotai) = is gegeven | γνῶναι (gnonai) = te kennen | τὰ (ta) = de | μυστήρια (mysteria) = geheimen | τῆς (tes) = van het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τοῖς (tois) = aan de | δὲ (de) = maar | λοιποῖς (loipois) = overigen | ἐν (en) = in | παραβολαῖς (parabolais) = gelijkenissen | ἵνα (hina) = opdat | βλέποντες (blepontes) = kijkend | μὴ (me) = niet | βλέπωσιν (bleposin) = zij zien | καὶ (kai) = en | ἀκούοντες (akouontes) = horend | μὴ (me) = niet | συνιῶσιν (syniosin) = zij begrijpen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μυστήριον (mysterion), ‘geheim’: wat Elohim zelf bekendmaakt aan wie Hij wil. Het citaat is Jes. 6:9–10. Het Hebreeuws is een opdracht aan de profeet: ‘Luister en luister, maar begrijp niet. Kijk en kijk, maar weet niet.’ De Griekse tekst van Lucas heeft ‘opdat zij kijkend niet zien en horend niet begrijpen’. Het Grieks laat bij ‘in gelijkenissen’ het werkwoord weg; wij vullen ‘wordt het gegeven’ aan vanuit het eerste deel. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:10–17; Mark. 4:10–12. Zie ook: Jes 6:9–10; Mat 13:10–17; Mar 4:10–12 **8:11** **Dit is de gelijkenis: het zaad is het woord van Elohim.** Brontekst: Ἔστιν (Estin) = is | δὲ (de) = maar | αὕτη (haute) = deze | ἡ (he) = de | παραβολή (parabole) = gelijkenis | Ὁ (Ho) = het | σπόρος (sporos) = zaad | ἐστὶν (estin) = is | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Yeshua legt hier de gelijkenis van 8:5–8 uit. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:18–23; Mark. 4:13–20. Zie ook: Mat 13:18–23; Mar 4:13–20 **8:12** **Degenen langs de weg zijn zij die het gehoord hebben. Daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet geloven en gered worden.** Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebben | εἶτα (eita) = daarna | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | διάβολος (diabolos) = duivel | καὶ (kai) = en | αἴρει (airei) = neemt weg | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = het | καρδίας (kardias) = hart | αὐτῶν (auton) = hun | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | πιστεύσαντες (pisteusantes) = geloofd hebbend | σωθῶσιν (sothosin) = zij gered worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάβολος (diabolos), ‘duivel’, is letterlijk ‘beschuldiger’; zie Matt. 4:1. σῴζω (sozo), ‘redden’: het woord kan ook ‘genezen’ betekenen; zie 7:50. Zie ook Matt. 13:19; Mark. 4:15. Zie ook: Mat 4:1; Mat 13:19; Mar 4:15 **8:13** **Degenen op de rots zijn zij die het woord, zodra zij het horen, met vreugde aannemen. Dezen hebben geen wortel. Zij geloven voor een tijd, en in tijd van beproeving vallen zij af.** Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | πέτρας (petras) = rots | οἳ (hoi) = die | ὅταν (hotan) = wanneer | ἀκούσωσιν (akousosin) = zij horen | μετὰ (meta) = met | χαρᾶς (charas) = vreugde | δέχονται (dechontai) = nemen aan | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | καὶ (kai) = en | οὗτοι (houtoi) = dezen | ῥίζαν (rhizan) = wortel | οὐκ (ouk) = niet | ἔχουσιν (echousin) = hebben | οἳ (hoi) = die | πρὸς (pros) = voor | καιρὸν (kairon) = tijd | πιστεύουσιν (pisteuousin) = geloven | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | καιρῷ (kairo) = tijd | πειρασμοῦ (peirasmou) = van beproeving | ἀφίστανται (aphistantai) = vallen af Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: een tijd waarin het geloof op de proef wordt gesteld. ἀφίστανται (aphistantai), ‘vallen af’: letterlijk ‘zij gaan weg, zij trekken zich terug’. **8:14** **Wat tussen de doornen viel, zijn zij die het gehoord hebben. Maar onderweg worden zij door zorgen, rijkdom en genoegens van het leven verstikt en dragen zij geen rijpe vrucht.** Brontekst: τὸ (to) = wat | δὲ (de) = maar | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | ἀκάνθας (akanthas) = doornen | πεσόν (peson) = gevallen | οὗτοί (houtoi) = dezen | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebben | καὶ (kai) = en | ὑπὸ (hypo) = door | μεριμνῶν (merimnon) = zorgen | καὶ (kai) = en | πλούτου (ploutou) = rijkdom | καὶ (kai) = en | ἡδονῶν (hedonon) = genoegens | τοῦ (tou) = van het | βίου (biou) = leven | πορευόμενοι (poreuomenoi) = onderweg | συμπνίγονται (sympnigontai) = worden verstikt | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | τελεσφοροῦσιν (telesphorousin) = dragen rijpe vrucht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τελεσφορέω (telesphoreo), ‘rijpe vrucht dragen’: letterlijk ‘vrucht tot voltooiing brengen’. βίος (bios), ‘leven’: het gewone leven van elke dag. **8:15** **Wat in de goede grond viel, zijn zij die het woord met een voortreffelijk en goed hart gehoord hebben. Zij houden het vast en dragen met volharding vrucht.** Brontekst: τὸ (to) = wat | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | καλῇ (kale) = goede | γῇ (ge) = grond | οὗτοί (houtoi) = dezen | εἰσιν (eisin) = zijn | οἵτινες (hoitines) = die | ἐν (en) = met | καρδίᾳ (kardia) = hart | καλῇ (kale) = voortreffelijk | καὶ (kai) = en | ἀγαθῇ (agathe) = goed | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | κατέχουσιν (katechousin) = vasthouden | καὶ (kai) = en | καρποφοροῦσιν (karpophorousin) = dragen vrucht | ἐν (en) = met | ὑπομονῇ (hypomone) = volharding Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καλός καὶ ἀγαθός (kalos kai agathos), ‘voortreffelijk en goed’: twee woorden voor ‘goed’; het eerste wijst op wat mooi en edel is, het tweede op wat goed is. ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’: standvastig blijven. ### De lamp **8:16** **Niemand steekt een lamp aan en bedekt hem met een vat of zet hem onder een bed. Maar hij zet hem op een lampenstandaard, opdat wie binnenkomen het licht zien.** Brontekst: Οὐδεὶς (Oudeis) = niemand | δὲ (de) = maar | λύχνον (lychnon) = lamp | ἅψας (hapsas) = aangestoken hebbend | καλύπτει (kalyptei) = bedekt | αὐτὸν (auton) = hem | σκεύει (skeuei) = met een vat | ἢ (e) = of | ὑποκάτω (hypokato) = onder | κλίνης (klines) = een bed | τίθησιν (tithesin) = zet | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐπὶ (epi) = op | λυχνίας (lychnias) = een lampenstandaard | τίθησιν (tithesin) = zet | ἵνα (hina) = opdat | οἱ (hoi) = zij die | εἰσπορευόμενοι (eisporeuomenoi) = binnenkomen | βλέπωσιν (bleposin) = zien | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λυχνία (lychnia), ‘lampenstandaard’: een standaard waarop een olielamp staat (zoals Mark. 4:21). Voetnoot : Zie ook Matt. 5:15; Mark. 4:21; Luc. 11:33. Zie ook: Mat 5:15; Mar 4:21; Luc 11:33 **8:17** **Want er is niets verborgen wat niet openbaar zal worden, en niets geheim wat zeker niet bekend zal worden en in het openbaar zal komen.** Brontekst: οὐ (ou) = niet | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | κρυπτὸν (krypton) = verborgen | ὃ (ho) = wat | οὐ (ou) = niet | φανερὸν (phaneron) = openbaar | γενήσεται (genesetai) = zal worden | οὐδὲ (oude) = noch | ἀπόκρυφον (apokryphon) = geheim | ὃ (ho) = wat | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | γνωσθῇ (gnosthe) = bekend wordt | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | φανερὸν (phaneron) = openbaar | ἔλθῃ (elthe) = komt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 10:26; Mark. 4:22; Luc. 12:2. Zie ook: Mat 10:26; Mar 4:22; Luc 12:2 **8:18** **Let er dus op hoe jullie horen. Want wie heeft, hem zal gegeven worden, en van wie niet heeft, zal ook wat hij meent te hebben weggenomen worden.”** Brontekst: βλέπετε (blepete) = let op | οὖν (oun) = dus | πῶς (pos) = hoe | ἀκούετε (akouete) = jullie horen | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = ook | γὰρ (gar) = want | ἔχῃ (eche) = heeft | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | αὐτῷ (auto) = hem | καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = ook | μὴ (me) = niet | ἔχῃ (eche) = heeft | καὶ (kai) = ook | ὃ (ho) = wat | δοκεῖ (dokei) = hij meent | ἔχειν (echein) = te hebben | ἀρθήσεται (arthesetai) = zal weggenomen worden | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 13:12; Matt. 25:29; Mark. 4:24–25; Luc. 19:26. Zie ook: Mat 13:12; Mat 25:29; Mar 4:24–25; Luc 19:26 ### Yeshua’s moeder en broers **8:19** Zijn moeder en Zijn broers kwamen bij Hem, maar zij konden Hem vanwege de menigte niet bereiken. Brontekst: Παρεγένετο (Paregeneto) = kwam | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠδύναντο (edynanto) = konden zij | συντυχεῖν (syntychein) = bereiken | αὐτῷ (auto) = Hem | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: ook ‘broers en zussen’; zie Matt. 12:46. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:46–50; Mark. 3:31–35. Zie ook: Mat 12:46; Mar 3:31–35 **8:20** Er werd Hem gemeld: „Uw moeder en Uw broers staan buiten en willen U zien.” Brontekst: ἀπηγγέλη (apengele) = werd gemeld | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = aan Hem | Ἡ (He) = de | μήτηρ (meter) = moeder | σου (sou) = Uw | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | σου (sou) = Uw | ἑστήκασιν (hestekasin) = staan | ἔξω (exo) = buiten | ἰδεῖν (idein) = te zien | σε (se) = U | θέλοντες (thelontes) = willend Bron: SBLGNT **8:21** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Mijn moeder en Mijn broers zijn dezen: zij die het woord van Elohim horen en doen.”** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Μήτηρ (Meter) = moeder | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | ἀδελφοί (adelphoi) = broers | μου (mou) = Mijn | οὗτοί (houtoi) = dezen | εἰσιν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἀκούοντες (akouontes) = horend | καὶ (kai) = en | ποιοῦντες (poiountes) = doend Bron: SBLGNT ### Yeshua bedaart de storm **8:22** Op een van die dagen stapte Hij met Zijn leerlingen in een boot. Hij zei tegen hen: **„Laten wij naar de overkant van het meer gaan.”** En zij vertrokken. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = op | μιᾷ (mia) = een | τῶν (ton) = van de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | ἐνέβη (enebe) = stapte | εἰς (eis) = in | πλοῖον (ploion) = boot | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = Hij zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Διέλθωμεν (Dielthomen) = laten wij overgaan | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | πέραν (peran) = overkant | τῆς (tes) = van het | λίμνης (limnes) = meer | καὶ (kai) = en | ἀνήχθησαν (anechthesan) = zij voeren weg Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’. Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: λίμνη (limne), ‘meer’: Lucas noemt het meer van Galilea ‘meer’, waar Matteüs en Markus θάλασσα (thalassa), ‘zee’, schrijven. Voetnoot : Zie ook Matt. 8:23–27; Mark. 4:35–41. Zie ook: Mat 8:23–27; Mar 4:35–41 **8:23** Terwijl zij voeren, viel Hij in slaap. Er kwam een stormwind over het meer. Zij liepen vol water en kwamen in gevaar. Brontekst: πλεόντων (pleonton) = varend | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | ἀφύπνωσεν (aphypnosen) = viel Hij in slaap | καὶ (kai) = en | κατέβη (katebe) = kwam neer | λαῖλαψ (lailaps) = stormwind | ἀνέμου (anemou) = van wind | εἰς (eis) = op | τὴν (ten) = het | λίμνην (limnen) = meer | καὶ (kai) = en | συνεπληροῦντο (syneplerounto) = zij liepen vol | καὶ (kai) = en | ἐκινδύνευον (ekindyneuon) = verkeerden in gevaar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’. Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: λαῖλαψ (lailaps), ‘stormwind’: een plotselinge, hevige windvlaag (zoals Mark. 4:37). Het Grieks heeft ‘zij liepen vol’ zonder voorwerp; wij vullen ‘water’ aan. Zie ook: Mar 4:37 **8:24** Zij kwamen naar Hem toe en maakten Hem wakker met de woorden: „Meester, Meester, wij komen om!” Hij werd wakker en bestrafte de wind en de golven van het water. Zij hielden op, en er kwam een windstilte. Brontekst: προσελθόντες (proselthontes) = naderend | δὲ (de) = maar | διήγειραν (diegeiran) = maakten wakker | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἐπιστάτα (Epistata) = Meester | ἐπιστάτα (epistata) = Meester | ἀπολλύμεθα (apollymetha) = wij komen om | ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | διεγερθεὶς (diegertheis) = wakker geworden | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | τῷ (to) = de | ἀνέμῳ (anemo) = wind | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = de | κλύδωνι (klydoni) = golven | τοῦ (tou) = van het | ὕδατος (hydatos) = water | καὶ (kai) = en | ἐπαύσαντο (epausanto) = zij hielden op | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = er kwam | γαλήνη (galene) = windstilte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιστάτης (epistates), ‘Meester’: een aanspreking die alleen Lucas gebruikt (ook 8:45, 9:33 en 9:49), waar de andere evangeliën ‘Leraar’ of ‘rabbi’ hebben. Wij vertalen steeds ‘Meester’ en διδάσκαλος (didaskalos) steeds ‘Leraar’. κλύδων (klydon), ‘golfslag’. Vergelijk 5:5, waar Simon Yeshua ook ‘Meester’ noemt. **8:25** Hij zei tegen hen: **„Waar is jullie geloof?”** Zij werden bang en verwonderden zich. Zij zeiden tegen elkaar: „Wie is Hij dan, dat Hij zelfs de winden en het water bevelen geeft, en zij Hem gehoorzamen?” Brontekst: εἶπεν (eipen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ποῦ (Pou) = waar | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | ὑμῶν (hymon) = jullie | φοβηθέντες (phobethentes) = bang geworden | δὲ (de) = maar | ἐθαύμασαν (ethaumasan) = verwonderden zich | λέγοντες (legontes) = zeggend | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | Τίς (Tis) = wie | ἄρα (ara) = dan | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὅτι (hoti) = dat | καὶ (kai) = zelfs | τοῖς (tois) = aan de | ἀνέμοις (anemois) = winden | ἐπιτάσσει (epitassei) = beveelt Hij | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan het | ὕδατι (hydati) = water | καὶ (kai) = en | ὑπακούουσιν (hypakouousin) = zij gehoorzamen | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT ### De man met de demonen in het gebied van de Gerasenen **8:26** Zij voeren aan land in het gebied van de Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | κατέπλευσαν (katepleusan) = zij voeren aan land | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | χώραν (choran) = gebied | τῶν (ton) = van de | Γερασηνῶν (Gerasenon) = Gerasenen | ἥτις (hetis) = dat | ἐστὶν (estin) = is | ἀντιπέρα (antipera) = tegenover | τῆς (tes) = van | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Gebied van de Gerasenen (Kursi?; ligging onzeker): Gerasa (Jerash) ligt ver van het meer; daarom wordt voor dit gebied vaak gedacht aan Kursi (el-Koursi), aan de oostkust van het meer van Galilea. Matteüs 8:28 heeft ‘Gadarenen’. De precieze plek is niet zeker. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Matteüs heeft ‘het gebied van de Gadarenen’ (Matt. 8:28). Zie ook Matt. 8:28–34; Mark. 5:1–20. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat ‘Gadarenen’ of ‘Gergesenen’ in plaats van ‘Gerasenen’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Mat 8:28; Mar 5:1–20 **8:27** Toen Hij aan land gestapt was, kwam Hem een man uit de stad tegemoet die demonen had. De man had al lange tijd geen kleren aangetrokken en bleef niet in een huis, maar in de graven. Brontekst: ἐξελθόντι (exelthonti) = uitgegaan | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = Hij | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ὑπήντησεν (hypentesen) = kwam tegemoet | ἀνήρ (aner) = man | τις (tis) = zekere | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | ἔχων (echon) = hebbend | δαιμόνια (daimonia) = demonen | καὶ (kai) = en | χρόνῳ (chrono) = tijd | ἱκανῷ (hikano) = lange | οὐκ (ouk) = niet | ἐνεδύσατο (enedysato) = trok aan | ἱμάτιον (himation) = kleren | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | οἰκίᾳ (oikia) = huis | οὐκ (ouk) = niet | ἔμενεν (emenen) = verbleef | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | μνήμασιν (mnemasin) = graven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οὐκ ἐνεδύσατο ἱμάτιον (ouk enedysato himation) is letterlijk ‘hij trok geen mantel aan’: hij droeg geen kleren. μνῆμα (mnema), ‘graf’. **8:28** Toen hij Yeshua zag, schreeuwde hij het uit en viel voor Hem neer. Met luide stem zei hij: _„Wat heb ik met U te maken, Yeshua, Zoon van Elohim, de Allerhoogste? Ik smeek U: kwel mij niet!”_ Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = (de) | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἀνακράξας (anakraxas) = schreeuwend | προσέπεσεν (prosepesen) = viel neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem | καὶ (kai) = en | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = luide | εἶπεν (eipen) = zei | Τί (Ti) = wat | ἐμοὶ (emoi) = mij | καὶ (kai) = en | σοί (soi) = U | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | υἱὲ (huie) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τοῦ (tou) = de | ὑψίστου (hypsistou) = Allerhoogste | δέομαί (deomai) = ik smeek | σου (sou) = U | μή (me) = niet | με (me) = mij | βασανίσῃς (basanises) = kwel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Τί ἐμοὶ καὶ σοί (ti emoi kai soi) is letterlijk ‘wat is er tussen mij en U?’ en betekent: ‘wat hebben wij met elkaar te maken?’ Ὕψιστος (hypsistos), ‘de Allerhoogste’, is de Griekse weergave van het Hebreeuwse עֶלְיוֹן (Elyon); zie Gen. 14:18–22. De man spreekt, maar de demonen spreken door hem (zie 8:30); daarom zijn deze woorden als woorden van demonen aangeduid. Zie ook: Gen 14:18–22 **8:29** Want Hij gebood de onreine geest uit de man weg te gaan. Al lange tijd had die hem namelijk in zijn greep. De man werd met kettingen en voetboeien gebonden en bewaakt, maar hij verbrak de boeien en werd door de demon naar de verlaten streken gedreven. Brontekst: παρήγγελλεν (parengellen) = Hij gebood | γὰρ (gar) = want | τῷ (to) = aan de | πνεύματι (pneumati) = geest | τῷ (to) = de | ἀκαθάρτῳ (akatharto) = onreine | ἐξελθεῖν (exelthein) = uit te gaan | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = man | πολλοῖς (pollois) = vele | γὰρ (gar) = want | χρόνοις (chronois) = tijden | συνηρπάκει (synerpakei) = had hem gegrepen | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐδεσμεύετο (edesmeueto) = werd gebonden | ἁλύσεσιν (halysesin) = met kettingen | καὶ (kai) = en | πέδαις (pedais) = voetboeien | φυλασσόμενος (phylassomenos) = bewaakt wordend | καὶ (kai) = en | διαρρήσσων (diarresson) = verbrekend | τὰ (ta) = de | δεσμὰ (desma) = boeien | ἠλαύνετο (elauneto) = werd gedreven | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | δαιμονίου (daimoniou) = demon | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | ἐρήμους (eremous) = verlaten streken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὰς ἐρήμους (tas eremous), ‘de verlaten streken’: onbewoonde, eenzame streken. πολλοῖς χρόνοις (pollois chronois) kan ‘vaak’ of ‘al lange tijd’ betekenen; wij kiezen ‘al lange tijd’. **8:30** Yeshua vroeg hem: **„Wat is je naam?”** De man zei: _„Legioen”_, want er waren veel demonen in hem gegaan. Brontekst: ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = (de) | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Τί (Ti) = wat | σοι (soi) = je | ὄνομά (onoma) = naam | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Λεγιών (Legion) = Legioen | ὅτι (hoti) = want | εἰσῆλθεν (eiselthen) = gingen binnen | δαιμόνια (daimonia) = demonen | πολλὰ (polla) = vele | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Λεγιών (legion), ‘Legioen’, is een Latijns leenwoord: een Romeinse legerafdeling van enkele duizenden soldaten. De man noemt één naam, maar het zijn er veel; zie Mark. 5:9. Zie ook: Mar 5:9 **8:31** Zij smeekten Hem om hun niet te bevelen naar de afgrond weg te gaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | παρεκάλουν (parekaloun) = smeekten | αὐτὸν (auton) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | ἐπιτάξῃ (epitaxe) = Hij zou bevelen | αὐτοῖς (autois) = hun | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἄβυσσον (abysson) = afgrond | ἀπελθεῖν (apelthein) = weg te gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄβυσσος (abyssos), ‘afgrond’: letterlijk ‘zonder bodem’, een diepte. **8:32** Daar graasde op de berg een flinke kudde varkens. Zij smeekten Hem of Hij hun wilde toestaan in die te gaan, en Hij stond het hun toe. Brontekst: Ἦν (En) = was | δὲ (de) = maar | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἀγέλη (agele) = kudde | χοίρων (choiron) = van varkens | ἱκανῶν (hikanon) = flinke | βοσκομένη (boskomene) = grazend | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | ὄρει (orei) = berg | καὶ (kai) = en | παρεκάλεσαν (parekalesan) = smeekten | αὐτὸν (auton) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | ἐπιτρέψῃ (epitrepse) = Hij zou toestaan | αὐτοῖς (autois) = hun | εἰς (eis) = in | ἐκείνους (ekeinous) = die | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | καὶ (kai) = en | ἐπέτρεψεν (epetrepsen) = Hij stond toe | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het varken is volgens de wet onrein (Lev. 11:7; Deut. 14:8). Zie ook: Lev 11:7; Deut 14:8 **8:33** Toen de demonen uit de man gegaan waren, gingen zij in de varkens. De kudde stortte zich van de steile helling in het meer en verdronk. Brontekst: ἐξελθόντα (exelthonta) = uitgegaan | δὲ (de) = maar | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = man | εἰσῆλθον (eiselthon) = gingen binnen | εἰς (eis) = in | τοὺς (tous) = de | χοίρους (choirous) = varkens | καὶ (kai) = en | ὥρμησεν (hormesen) = stortte zich | ἡ (he) = de | ἀγέλη (agele) = kudde | κατὰ (kata) = van | τοῦ (tou) = de | κρημνοῦ (kremnou) = steile helling | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | λίμνην (limnen) = meer | καὶ (kai) = en | ἀπεπνίγη (apepnige) = verdronk Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’. Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: κρημνός (kremnos), ‘steile helling’: een steile oever of rotswand. **8:34** Toen de herders zagen wat er gebeurd was, vluchtten zij en brachten het bericht in de stad en op het land. Brontekst: Ἰδόντες (Idontes) = gezien hebbend | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | βόσκοντες (boskontes) = herders | τὸ (to) = het | γεγονὸς (gegonos) = gebeurde | ἔφυγον (ephygon) = vluchtten | καὶ (kai) = en | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = op | τοὺς (tous) = het | ἀγρούς (agrous) = land Bron: SBLGNT **8:35** Zij liepen uit om te zien wat er gebeurd was. Zij kwamen bij Yeshua. Zij vonden de man uit wie de demonen waren uitgegaan aan de voeten van Yeshua zitten, gekleed en bij zijn verstand. Zij werden bang. Brontekst: ἐξῆλθον (exelthon) = zij gingen uit | δὲ (de) = maar | ἰδεῖν (idein) = om te zien | τὸ (to) = het | γεγονὸς (gegonos) = gebeurde | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = (de) | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εὗρον (heuron) = vonden | καθήμενον (kathemenon) = zittend | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = man | ἀφ’ (aph’) = uit | οὗ (hou) = wie | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἐξῆλθεν (exelthen) = waren uitgegaan | ἱματισμένον (himatismenon) = gekleed | καὶ (kai) = en | σωφρονοῦντα (sophronounta) = bij zijn verstand | παρὰ (para) = aan | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | τοῦ (tou) = van | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bang Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱματίζω (himatizo), ‘kleden’ en σωφρονέω (sophroneo), ‘bij zijn verstand zijn’: de man die zonder kleren in de graven leefde (8:27), zit nu gekleed en rustig. **8:36** Zij die het gezien hadden, vertelden hun hoe de bezeten man gered was. Brontekst: ἀπήγγειλαν (apengeilan) = vertelden | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = hun | οἱ (hoi) = zij die | ἰδόντες (idontes) = gezien hadden | πῶς (pos) = hoe | ἐσώθη (esothe) = werd gered | ὁ (ho) = de | δαιμονισθείς (daimonistheis) = bezeten man Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐσώθη (esothe), ‘werd gered’: σῴζω (sozo) betekent hier ‘genezen, bevrijd worden’; zie 7:50. **8:37** De hele menigte uit de omgeving van de Gerasenen vroeg Hem bij hen weg te gaan, want zij werden door grote vrees bevangen. Hij stapte in de boot en keerde terug. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠρώτησεν (erotesen) = vroeg | αὐτὸν (auton) = Hem | ἅπαν (hapan) = heel | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | τῆς (tes) = van de | περιχώρου (perichorou) = omgeving | τῶν (ton) = van de | Γερασηνῶν (Gerasenon) = Gerasenen | ἀπελθεῖν (apelthein) = weg te gaan | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ὅτι (hoti) = omdat | φόβῳ (phobo) = met vrees | μεγάλῳ (megalo) = grote | συνείχοντο (syneichonto) = zij werden bevangen | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | δὲ (de) = maar | ἐμβὰς (embas) = gestapt | εἰς (eis) = in | πλοῖον (ploion) = boot | ὑπέστρεψεν (hypestrepsen) = keerde terug Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Gebied van de Gerasenen (Kursi?; ligging onzeker): Gerasa (Jerash) ligt ver van het meer; daarom wordt voor dit gebied vaak gedacht aan Kursi (el-Koursi), aan de oostkust van het meer van Galilea. Matteüs 8:28 heeft ‘Gadarenen’. De precieze plek is niet zeker. **8:38** De man uit wie de demonen waren uitgegaan, smeekte Hem dat hij bij Hem mocht zijn. Maar Hij stuurde hem weg met de woorden: Brontekst: ἐδεῖτο (edeito) = smeekte | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὁ (ho) = de | ἀνὴρ (aner) = man | ἀφ’ (aph’) = uit | οὗ (hou) = wie | ἐξεληλύθει (exelelythei) = waren uitgegaan | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | εἶναι (einai) = te zijn | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem | ἀπέλυσεν (apelysen) = stuurde weg | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = hem | λέγων (legon) = zeggend Bron: SBLGNT **8:39** **„Keer terug naar je huis en vertel hoeveel Elohim voor je gedaan heeft.”** De man ging weg en verkondigde door de hele stad hoeveel Yeshua voor hem gedaan had. Brontekst: Ὑπόστρεφε (Hypostrephe) = keer terug | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκόν (oikon) = huis | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | διηγοῦ (diegou) = vertel | ὅσα (hosa) = hoeveel | σοι (soi) = voor je | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = hij ging weg | καθ’ (kath’) = door | ὅλην (holen) = heel | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | κηρύσσων (kerysson) = verkondigend | ὅσα (hosa) = hoeveel | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | αὐτῷ (auto) = voor hem | ὁ (ho) = (de) | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Yeshua zegt dat de man moet vertellen wat Elohim voor hem gedaan heeft; de man verkondigt wat Yeshua voor hem gedaan heeft. ### Jaïrus vraagt om hulp **8:40** Toen Yeshua terugkeerde, werd Hij door de menigte ontvangen, want allen wachtten op Hem. Brontekst: Ἐν (En) = bij | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = het | ὑποστρέφειν (hypostrephein) = terugkeren | τὸν (ton) = (de) | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἀπεδέξατο (apedexato) = ontving | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | πάντες (pantes) = allen | προσδοκῶντες (prosdokontes) = wachtend op | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **8:41** En zie: er kwam een man, Jaïrus genaamd, die synagogeleider was. Jaïrus viel aan de voeten van Yeshua neer en smeekte Hem in zijn huis te komen, Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἦλθεν (elthen) = kwam | ἀνὴρ (aner) = man | ᾧ (ho) = wiens | ὄνομα (onoma) = naam | Ἰάϊρος (Iairos) = Jaïrus | καὶ (kai) = en | οὗτος (houtos) = deze | ἄρχων (archon) = leider | τῆς (tes) = van de | συναγωγῆς (synagoges) = synagoge | ὑπῆρχεν (hyperchen) = was | καὶ (kai) = en | πεσὼν (peson) = gevallen | παρὰ (para) = aan | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | τοῦ (tou) = van | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | παρεκάλει (parekalei) = smeekte | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχων τῆς συναγωγῆς (archon tes synagoges), ‘leider van de synagoge’: wij schrijven ‘synagogeleider’, zoals bij ἀρχισυνάγωγος in 8:49 en Mark. 5:22. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:18–26; Mark. 5:21–43. Zie ook: Mat 9:18–26; Mar 5:21–43; Mar 5:22 **8:42** want hij had een enige dochter van ongeveer twaalf jaar, en zij lag op sterven. Terwijl Hij heenging, verdrongen de menigten Hem. Brontekst: ὅτι (hoti) = want | θυγάτηρ (thygater) = dochter | μονογενὴς (monogenes) = enige | ἦν (en) = was | αὐτῷ (auto) = hem | ὡς (hos) = ongeveer | ἐτῶν (eton) = van jaren | δώδεκα (dodeka) = twaalf | καὶ (kai) = en | αὐτὴ (aute) = zij | ἀπέθνῃσκεν (apethnesken) = lag op sterven | Ἐν (En) = bij | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = het | ὑπάγειν (hypagein) = gaan | αὐτὸν (auton) = Hij | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | συνέπνιγον (synepnigon) = verdrongen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συμπνίγω (sympnigo), ‘verdringen’: letterlijk ‘samen verstikken’; hetzelfde werkwoord staat in 8:14, ‘worden verstikt’. ### De vrouw met de bloedvloeiing **8:43** Er was een vrouw die al twaalf jaar een bloedvloeiing had. Zij had haar hele levensonderhoud aan artsen uitgegeven en kon door niemand genezen worden. Brontekst: καὶ (kai) = en | γυνὴ (gyne) = vrouw | οὖσα (ousa) = zijnde | ἐν (en) = in | ῥύσει (rhysei) = vloeiing | αἵματος (haimatos) = van bloed | ἀπὸ (apo) = sinds | ἐτῶν (eton) = jaren | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἥτις (hetis) = die | ἰατροῖς (iatrois) = aan artsen | προσαναλώσασα (prosanalosasa) = uitgegeven hebbend | ὅλον (holon) = heel | τὸν (ton) = het | βίον (bion) = levensonderhoud | οὐκ (ouk) = niet | ἴσχυσεν (ischysen) = kon | ἀπ’ (ap’) = door | οὐδενὸς (oudenos) = niemand | θεραπευθῆναι (therapeuthenai) = genezen worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een vrouw met een langdurige bloedvloeiing was volgens de wet onrein, en wie haar aanraakte ook (Lev. 15:25–27). βίος (bios), ‘levensonderhoud’: wat iemand nodig heeft om van te leven. Voetnoot Lezing: In sommige oude handschriften ontbreken de woorden ‘had haar hele levensonderhoud aan artsen uitgegeven’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Lev 15:25–27 **8:44** Zij kwam van achteren naar Hem toe en raakte de kwast van Zijn mantel aan. Meteen hield haar bloedvloeiing op. Brontekst: προσελθοῦσα (proselthousa) = naderend | ὄπισθεν (opisthen) = van achteren | ἥψατο (hepsato) = raakte aan | τοῦ (tou) = de | κρασπέδου (kraspedou) = kwast | τοῦ (tou) = van de | ἱματίου (himatiou) = mantel | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | ἔστη (este) = hield op | ἡ (he) = de | ῥύσις (rhysis) = vloeiing | τοῦ (tou) = van het | αἵματος (haimatos) = bloed | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κράσπεδον (kraspedon), ‘kwast’: de Israëlieten moesten kwasten maken aan de hoeken van hun kleren (Num. 15:38–39). Zie ook: Num 15:38–39 **8:45** Yeshua zei: **„Wie heeft Mij aangeraakt?”** Toen allen het ontkenden, zei Petrus: „Meester, de menigten drukken en dringen tegen U aan.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = (de) | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Τίς (Tis) = wie | ὁ (ho) = degene die | ἁψάμενός (hapsamenos) = aanraakte | μου (mou) = Mij | ἀρνουμένων (arnoumenon) = ontkennend | δὲ (de) = maar | πάντων (panton) = allen | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = (de) | Πέτρος (Petros) = Petrus | Ἐπιστάτα (Epistata) = Meester | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | συνέχουσίν (synechousin) = drukken | σε (se) = U | καὶ (kai) = en | ἀποθλίβουσιν (apothlibousin) = dringen Bron: SBLGNT **8:46** Maar Yeshua zei: **„Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb gemerkt dat er kracht uit Mij is uitgegaan.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ἥψατό (Hepsato) = heeft aangeraakt | μού (mou) = Mij | τις (tis) = iemand | ἐγὼ (ego) = Ik | γὰρ (gar) = want | ἔγνων (egnon) = merkte | δύναμιν (dynamin) = kracht | ἐξεληλυθυῖαν (exelelythuian) = uitgegaan | ἀπ’ (ap’) = uit | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δύναμις (dynamis), ‘kracht’: ook ‘krachtige daad’. **8:47** Toen de vrouw zag dat zij niet onopgemerkt gebleven was, kwam zij beevend naar voren en viel voor Hem neer. Ten overstaan van heel het volk vertelde zij waarom zij Hem aangeraakt had en hoe zij meteen genezen was. Brontekst: ἰδοῦσα (idousa) = ziende | δὲ (de) = maar | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | ἔλαθεν (elathen) = zij onopgemerkt bleef | τρέμουσα (tremousa) = beevend | ἦλθεν (elthen) = kwam | καὶ (kai) = en | προσπεσοῦσα (prospesousa) = neergevallen | αὐτῷ (auto) = voor Hem | δι’ (di’) = om | ἣν (hen) = welke | αἰτίαν (aitian) = reden | ἥψατο (hepsato) = zij raakte aan | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἀπήγγειλεν (apengeilen) = vertelde | ἐνώπιον (enopion) = ten overstaan van | παντὸς (pantos) = heel | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk | καὶ (kai) = en | ὡς (hos) = hoe | ἰάθη (iathe) = zij genezen werd | παραχρῆμα (parachrema) = meteen Bron: SBLGNT **8:48** Hij zei tegen haar: **„Dochter, je geloof heeft je gered. Ga in vrede.”** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tot haar | Θυγάτηρ (Thygater) = dochter | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | σου (sou) = je | σέσωκέν (sesoken) = heeft gered | σε (se) = je | πορεύου (poreuou) = ga | εἰς (eis) = naar | εἰρήνην (eirenen) = vrede Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Ga in vrede’ (πορεύου εἰς εἰρήνην, poreuou eis eirenen) is een afscheidsgroet; vergelijk 1 Sam. 1:17. Zie ook: 1 Sam 1:17 ### De dochter van Jaïrus **8:49** Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van de synagogeleider. Die zei: „Uw dochter is gestorven. Val de leraar niet meer lastig.” Brontekst: Ἔτι (Eti) = nog | αὐτοῦ (autou) = Hij | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | ἔρχεταί (erchetai) = komt | τις (tis) = iemand | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | ἀρχισυναγώγου (archisynagogou) = synagogeleider | λέγων (legon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Τέθνηκεν (Tethneken) = is gestorven | ἡ (he) = de | θυγάτηρ (thygater) = dochter | σου (sou) = uw | μηκέτι (meketi) = niet meer | σκύλλε (skylle) = val lastig | τὸν (ton) = de | διδάσκαλον (didaskalon) = leraar Bron: SBLGNT **8:50** Toen Yeshua dit hoorde, antwoordde Hij hem: **„Wees niet bang, geloof alleen, en zij zal gered worden.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = hem | Μὴ (Me) = niet | φοβοῦ (phobou) = wees bang | μόνον (monon) = alleen | πίστευσον (pisteuson) = geloof | καὶ (kai) = en | σωθήσεται (sothesetai) = zij zal gered worden Bron: SBLGNT **8:51** Toen Hij bij het huis kwam, liet Hij niemand met Zich naar binnen gaan, behalve Petrus, Johannes en Jakobus, en de vader en de moeder van het meisje. Brontekst: ἐλθὼν (elthon) = gekomen | δὲ (de) = maar | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | οὐκ (ouk) = niet | ἀφῆκεν (apheken) = liet Hij toe | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | τινα (tina) = iemand | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | τῆς (tes) = van het | παιδὸς (paidos) = meisje | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder Bron: SBLGNT **8:52** Allen huilden en rouwden om haar. Maar Hij zei: **„Huil niet, want zij is niet gestorven, maar slaapt.”** Brontekst: ἔκλαιον (eklaion) = huilden | δὲ (de) = maar | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = en | ἐκόπτοντο (ekoptonto) = rouwden | αὐτήν (auten) = om haar | ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Μὴ (Me) = niet | κλαίετε (klaiete) = huilt | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἀπέθανεν (apethanen) = zij stierf | ἀλλὰ (alla) = maar | καθεύδει (katheudei) = zij slaapt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόπτομαι (koptomai), ‘rouwen’: uit rouw op de borst slaan en weeklagen; zie Matt. 11:17. Yeshua zegt ‘zij slaapt’; zij lachten Hem uit omdat zij wisten dat zij gestorven was (8:53). Zie ook: Mat 11:17 **8:53** Zij lachten Hem uit, omdat zij wisten dat zij gestorven was. Brontekst: καὶ (kai) = en | κατεγέλων (kategelon) = lachten uit | αὐτοῦ (autou) = Hem | εἰδότες (eidotes) = wetend | ὅτι (hoti) = dat | ἀπέθανεν (apethanen) = zij stierf Bron: SBLGNT **8:54** Maar Hij nam haar bij de hand en riep: **„Meisje, sta op!”** Brontekst: αὐτὸς (autos) = Hijzelf | δὲ (de) = maar | κρατήσας (kratesas) = vastgepakt hebbend | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτῆς (autes) = haar | ἐφώνησεν (ephonesen) = riep | λέγων (legon) = zeggend | Ἡ (He) = het | παῖς (pais) = meisje | ἔγειρε (egeire) = sta op Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡ παῖς (he pais), ‘het meisje’: letterlijk ‘het kind’. Markus heeft hier het Aramese Talitha koem (Mark. 5:41); Lucas heeft Grieks. Zie ook: Mar 5:41 **8:55** Haar geest keerde terug en zij stond meteen op. Hij gaf opdracht haar te eten te geven. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπέστρεψεν (epestrepsen) = keerde terug | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = geest | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | ἀνέστη (aneste) = stond op | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | καὶ (kai) = en | διέταξεν (dietaxen) = gaf opdracht | αὐτῇ (aute) = haar | δοθῆναι (dothenai) = te geven | φαγεῖν (phagein) = te eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: het woord betekent ook ‘adem, wind’. Hier is het haar levensgeest; wij schrijven ‘geest’ met een kleine letter. **8:56** Haar ouders waren buiten zichzelf. Hij gebood hun aan niemand te vertellen wat er gebeurd was. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξέστησαν (exestesan) = waren buiten zichzelf | οἱ (hoi) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | αὐτῆς (autes) = haar | ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | παρήγγειλεν (parengeilen) = gebood | αὐτοῖς (autois) = hun | μηδενὶ (medeni) = aan niemand | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen | τὸ (to) = het | γεγονός (gegonos) = gebeurde Bron: SBLGNT ## Lucas 9 _De uitzending van de twaalf, de broden voor 5000, de belijdenis van Petrus, de verheerlijking en de weg naar Jeruzalem_ ### De twaalf worden uitgezonden **9:1** Hij riep de twaalf bij elkaar en gaf hun kracht en gezag over alle demonen en om ziekten te genezen. Brontekst: Συγκαλεσάμενος (Synkalesamenos) = samengeroepen hebbend | δὲ (de) = maar | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | δύναμιν (dynamin) = kracht | καὶ (kai) = en | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἐπὶ (epi) = over | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | καὶ (kai) = en | νόσους (nosous) = ziekten | θεραπεύειν (therapeuein) = te genezen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ δώδεκα (hoi dodeka), ‘de twaalf’: de kring van de twaalf leerlingen. Zie ook Matt. 10:1; Mark. 6:7. Zie ook: Mat 10:1; Mar 6:7 **9:2** Hij zond hen uit om het koninkrijk van Elohim te verkondigen en de zieken te genezen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | αὐτοὺς (autous) = hen | κηρύσσειν (keryssein) = te verkondigen | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἰᾶσθαι (iasthai) = te genezen | τοὺς (tous) = de | ἀσθενεῖς (astheneis) = zieken Bron: SBLGNT **9:3** Hij zei tegen hen: **„Neem niets mee voor onderweg: geen staf, geen reistas, geen brood, geen zilver, en geen twee hemden per persoon.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Μηδὲν (Meden) = niets | αἴρετε (airete) = neemt | εἰς (eis) = op | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg | μήτε (mete) = noch | ῥάβδον (rhabdon) = staf | μήτε (mete) = noch | πήραν (peran) = reistas | μήτε (mete) = noch | ἄρτον (arton) = brood | μήτε (mete) = noch | ἀργύριον (argyrion) = zilver | μήτε (mete) = noch | ἀνὰ (ana) = per | δύο (dyo) = twee | χιτῶνας (chitonas) = hemden | ἔχειν (echein) = te hebben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πήρα (pera), ‘reistas’: een tas voor proviant. ἀργύριον (argyrion), ‘zilver’: zilvergeld. χιτών (chiton), ‘hemd’: het kledingstuk dat onder de mantel gedragen werd. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:9–10; Mark. 6:8–9; Luc. 10:4. Zie ook: Mat 10:9–10; Mar 6:8–9; Luc 10:4 **9:4** **In welk huis jullie ook binnengaan, blijf daar en vertrek vandaar weer.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | ἣν (hen) = welk | ἂν (an) = ook | οἰκίαν (oikian) = huis | εἰσέλθητε (eiselthete) = jullie binnengaan | ἐκεῖ (ekei) = daar | μένετε (menete) = blijft | καὶ (kai) = en | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | ἐξέρχεσθε (exerchesthe) = vertrekt Bron: SBLGNT **9:5** **Waar men jullie niet ontvangt: ga uit die stad weg en schud het stof van jullie voeten als getuigenis tegen hen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅσοι (hosoi) = zovelen | ἂν (an) = ook | μὴ (me) = niet | δέχωνται (dechontai) = ontvangen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐξερχόμενοι (exerchomenoi) = uitgaand | ἀπὸ (apo) = uit | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | ἐκείνης (ekeines) = die | τὸν (ton) = het | κονιορτὸν (koniorton) = stof | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ποδῶν (podon) = voeten | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἀποτινάσσετε (apotinassete) = schudt af | εἰς (eis) = tot | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis | ἐπ’ (ep’) = tegen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het stof afschudden van de voeten is een teken dat men met een plaats niets meer te maken wil hebben. Zie ook Matt. 10:14; Mark. 6:11. Zie ook: Mat 10:14; Mar 6:11 **9:6** Zij vertrokken en trokken door de dorpen. Overal brachten zij de goede boodschap en genazen zij. Brontekst: ἐξερχόμενοι (exerchomenoi) = uitgaand | δὲ (de) = maar | διήρχοντο (dierchonto) = trokken door | κατὰ (kata) = langs | τὰς (tas) = de | κώμας (komas) = dorpen | εὐαγγελιζόμενοι (euangelizomenoi) = goede boodschap brengend | καὶ (kai) = en | θεραπεύοντες (therapeuontes) = genezend | πανταχοῦ (pantachou) = overal Bron: SBLGNT ### Herodes is in verwarring **9:7** Herodes, de viervorst, hoorde alles wat er gebeurde en wist niet wat hij ervan moest denken. Want sommigen zeiden dat Johannes uit de doden was opgewekt, Brontekst: Ἤκουσεν (Ekousen) = hoorde | δὲ (de) = maar | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ὁ (ho) = de | τετραάρχης (tetraarches) = viervorst | τὰ (ta) = wat | γινόμενα (ginomena) = gebeurde | πάντα (panta) = alles | καὶ (kai) = en | διηπόρει (dieporei) = was in verwarring | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | λέγεσθαι (legesthai) = gezegd werd | ὑπό (hypo) = door | τινων (tinon) = sommigen | ὅτι (hoti) = dat | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ἠγέρθη (egerthe) = is opgewekt | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τετραάρχης (tetraarches), ‘viervorst’: letterlijk heerser over een vierde deel. Herodes Antipas bestuurde Galilea en Perea. Zie ook Matt. 14:1–2; Mark. 6:14–16. Zie ook: Mat 14:1–2; Mar 6:14–16 **9:8** anderen dat Elia verschenen was, en weer anderen dat een van de profeten van vroeger was opgestaan. Brontekst: ὑπό (hypo) = door | τινων (tinon) = sommigen | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = dat | Ἠλίας (Elias) = Elia | ἐφάνη (ephane) = is verschenen | ἄλλων (allon) = anderen | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = dat | προφήτης (prophetes) = profeet | τις (tis) = een | τῶν (ton) = van de | ἀρχαίων (archaion) = vroegere | ἀνέστη (aneste) = is opgestaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Elia werd volgens Mal. 3:23 (in de Nederlandse telling 4:5) verwacht vóór de komst van de dag van Yahweh. Zie ook: Mal 3:23 **9:9** Herodes zei: „Johannes heb ik laten onthoofden. Wie is dan deze, over wie ik zulke dingen hoor?” En hij probeerde Hem te zien. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = (de) | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | ἐγὼ (ego) = ik | ἀπεκεφάλισα (apekephalisa) = liet onthoofden | τίς (tis) = wie | δέ (de) = maar | ἐστιν (estin) = is | οὗτος (houtos) = deze | περὶ (peri) = over | οὗ (hou) = wie | ἀκούω (akouo) = ik hoor | τοιαῦτα (toiauta) = zulke dingen | καὶ (kai) = en | ἐζήτει (ezetei) = probeerde | ἰδεῖν (idein) = te zien | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπεκεφάλισα (apekephalisa), ‘ik liet onthoofden’: letterlijk ‘ik onthoofdde’; Herodes gaf het bevel. Zie ook Matt. 14:3–12; Mark. 6:17–29. Zie ook: Mat 14:3–12; Mar 6:17–29 ### Yeshua geeft 5000 mannen te eten **9:10** Toen de apostelen terugkwamen, vertelden zij Hem alles wat zij gedaan hadden. Hij nam hen mee en trok zich met hen apart terug naar een stad die Betsaïda heet. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὑποστρέψαντες (hypostrepsantes) = teruggekeerd | οἱ (hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | διηγήσαντο (diegesanto) = vertelden | αὐτῷ (auto) = Hem | ὅσα (hosa) = wat | ἐποίησαν (epoiesan) = zij deden | καὶ (kai) = en | παραλαβὼν (paralabon) = meegenomen hebbend | αὐτοὺς (autous) = hen | ὑπεχώρησεν (hypechoresen) = trok zich terug | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | εἰς (eis) = naar | πόλιν (polin) = stad | καλουμένην (kaloumenen) = genaamd | Βηθσαϊδά (Bethsaida) = Betsaïda Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan. Ook el-Araj is voorgesteld. Voetnoot Uitleg: ἀπόστολοι (apostoloi), ‘apostelen’: ‘gezondenen’, van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’ (9:2). Zie ook Matt. 14:13; Mark. 6:30–32; Joh. 6:1. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ‘naar een verlaten plaats bij een stad die Betsaïda heet’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Mat 14:13; Mar 6:30–32; Joh 6:1 **9:11** Toen de menigten dat merkten, volgden zij Hem. Hij ontving hen, sprak met hen over het koninkrijk van Elohim en genas wie genezing nodig hadden. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ὄχλοι (ochloi) = menigten | γνόντες (gnontes) = gemerkt hebbend | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | ἀποδεξάμενος (apodexamenos) = ontvangen hebbend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐλάλει (elalei) = sprak | αὐτοῖς (autois) = met hen | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = degenen die | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχοντας (echontas) = hadden aan | θεραπείας (therapeias) = genezing | ἰᾶτο (iato) = genas Bron: SBLGNT **9:12** De dag begon te dalen. De twaalf kwamen naar Hem toe en zeiden: „Stuur de menigte weg. Dan kunnen zij naar de dorpen en landerijen in de omtrek gaan om onderdak en voedsel te vinden. Want wij zijn hier in een afgelegen streek.” Brontekst: Ἡ (He) = de | δὲ (de) = maar | ἡμέρα (hemera) = dag | ἤρξατο (erxato) = begon | κλίνειν (klinein) = te dalen | προσελθόντες (proselthontes) = genaderd | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἀπόλυσον (Apolyson) = stuur weg | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | ἵνα (hina) = opdat | πορευθέντες (poreuthentes) = gegaan | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | κύκλῳ (kyklo) = omliggende | κώμας (komas) = dorpen | καὶ (kai) = en | ἀγροὺς (agrous) = landerijen | καταλύσωσιν (katalysosin) = zij onderdak vinden | καὶ (kai) = en | εὕρωσιν (heurosin) = zij vinden | ἐπισιτισμόν (episitismon) = voedsel | ὅτι (hoti) = omdat | ὧδε (hode) = hier | ἐν (en) = in | ἐρήμῳ (eremo) = afgelegen | τόπῳ (topo) = plaats | ἐσμέν (esmen) = wij zijn Bron: SBLGNT **9:13** Hij zei tegen hen: **„Geef jullie hun te eten.”** Zij zeiden: „Wij hebben niet meer dan 5 broden en 2 vissen, tenzij wij zelf gaan en voor heel dit volk voedsel kopen.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Δότε (Dote) = geeft | αὐτοῖς (autois) = hun | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | φαγεῖν (phagein) = te eten | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Οὐκ (Ouk) = niet | εἰσὶν (eisin) = zijn | ἡμῖν (hemin) = ons | πλεῖον (pleion) = meer | ἢ (e) = dan | ἄρτοι (artoi) = broden | πέντε (pente) = vijf | καὶ (kai) = en | ἰχθύες (ichthyes) = vissen | δύο (dyo) = twee | εἰ (ei) = tenzij | μήτι (meti) = misschien | πορευθέντες (poreuthentes) = gegaan | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἀγοράσωμεν (agorasomen) = kopen | εἰς (eis) = voor | πάντα (panta) = heel | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | τοῦτον (touton) = dit | βρώματα (bromata) = voedsel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Geef jullie hun te eten’: ‘jullie’ is nadrukkelijk (ὑμεῖς, hymeis). Zie ook Matt. 14:15–21; Mark. 6:35–44; Joh. 6:5–13. Zie ook: Mat 14:15–21; Mar 6:35–44; Joh 6:5–13 **9:14** Het waren namelijk ongeveer 5000 mannen. Hij zei tegen Zijn leerlingen: **„Laat hen gaan zitten, ongeveer 50 per groep.”** Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | γὰρ (gar) = want | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | ἄνδρες (andres) = mannen | πεντακισχίλιοι (pentakischilioi) = vijfduizend | εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tot | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Κατακλίνατε (Kataklinate) = laat zitten | αὐτοὺς (autous) = hen | κλισίας (klisias) = groepen | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | ἀνὰ (ana) = per | πεντήκοντα (pentekonta) = vijftig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κλισία (klisia), ‘groep’: een groep mensen die samen aanliggen aan tafel. Ongeveer 5000 mannen: vrouwen en kinderen zijn niet meegeteld (zie Matt. 14:21). Zie ook: Mat 14:21 **9:15** Zij deden dat en lieten allen gaan zitten. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐποίησαν (epoiesan) = deden | οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = en | κατέκλιναν (kateklinan) = lieten zitten | ἅπαντας (hapantas) = allen Bron: SBLGNT **9:16** Hij nam de 5 broden en de 2 vissen, keek op naar de hemel en sprak de zegen erover uit. Hij brak ze en gaf ze aan de leerlingen om aan de menigte uit te delen. Brontekst: λαβὼν (labon) = genomen hebbend | δὲ (de) = maar | τοὺς (tous) = de | πέντε (pente) = vijf | ἄρτους (artous) = broden | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | δύο (dyo) = twee | ἰχθύας (ichthyas) = vissen | ἀναβλέψας (anablepsas) = opgekeken hebbend | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | εὐλόγησεν (eulogesen) = zegende | αὐτοὺς (autous) = die | καὶ (kai) = en | κατέκλασεν (kateklasen) = brak | καὶ (kai) = en | ἐδίδου (edidou) = gaf | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | παραθεῖναι (paratheinai) = voor te zetten | τῷ (to) = aan de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐλόγησεν (eulogesen), ‘sprak de zegen uit’: een lofprijzing over het brood. κατέκλασεν (kateklasen), ‘brak’. **9:17** Zij aten en werden allen verzadigd. Wat zij overhadden aan stukken werd opgeraapt: twaalf manden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔφαγον (ephagon) = aten | καὶ (kai) = en | ἐχορτάσθησαν (echortasthesan) = werden verzadigd | πάντες (pantes) = allen | καὶ (kai) = en | ἤρθη (erthe) = werd opgeraapt | τὸ (to) = wat | περισσεῦσαν (perisseusan) = overbleef | αὐτοῖς (autois) = hun | κλασμάτων (klasmaton) = van stukken | κόφινοι (kophinoi) = manden | δώδεκα (dodeka) = twaalf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόφινος (kophinos), ‘mand’: een stevige mand. Ook Joh. 6:13 noemt twaalf manden. Zie ook: Joh 6:13 ### Petrus belijdt dat Yeshua de Messias is **9:18** Toen Hij een keer alleen aan het bidden was, waren de leerlingen bij Hem. Hij vroeg hun: **„Wie zeggen de menigten dat Ik ben?”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | εἶναι (einai) = zijn | αὐτὸν (auton) = Hem | προσευχόμενον (proseuchomenon) = biddend | κατὰ (kata) = in | μόνας (monas) = eenzaamheid | συνῆσαν (synesan) = waren bij | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | αὐτοὺς (autous) = hen | λέγων (legon) = zeggend | Τίνα (Tina) = wie | με (me) = mij | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten | λέγουσιν (legousin) = zeggen | εἶναι (einai) = te zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατὰ μόνας (kata monas), ‘alleen’: letterlijk ‘op eenzame wijze’. Zie ook Matt. 16:13–20; Mark. 8:27–30. Zie ook: Mat 16:13–20; Mar 8:27–30 **9:19** Zij antwoordden: „Johannes de Doper. Anderen zeggen Elia, en weer anderen dat een van de profeten van vroeger is opgestaan.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἀποκριθέντες (apokrithentes) = antwoordend | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | τὸν (ton) = de | βαπτιστήν (baptisten) = Doper | ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | Ἠλίαν (Elian) = Elia | ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = dat | προφήτης (prophetes) = profeet | τις (tis) = een | τῶν (ton) = van de | ἀρχαίων (archaion) = vroegere | ἀνέστη (aneste) = is opgestaan Bron: SBLGNT **9:20** Hij zei tegen hen: **„En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?”** Petrus antwoordde: „De Messias van Elohim.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | τίνα (tina) = wie | με (me) = mij | λέγετε (legete) = zeggen jullie | εἶναι (einai) = te zijn | Πέτρος (Petros) = Petrus | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Τὸν (Ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χριστός (christos), ‘Messias’: zie 2:11. **9:21** Hij bestrafte hen en gebood hun dit aan niemand te zeggen. Brontekst: Ὁ (Ho) = Hij | δὲ (de) = maar | ἐπιτιμήσας (epitimesas) = bestraft hebbend | αὐτοῖς (autois) = hen | παρήγγειλεν (parengeilen) = gebood | μηδενὶ (medeni) = aan niemand | λέγειν (legein) = te zeggen | τοῦτο (touto) = dit Bron: SBLGNT **9:22** Hij zei dat de Mensenzoon veel moest lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen moest worden. De Mensenzoon moest gedood worden en op de derde dag opgewekt worden. Brontekst: εἰπὼν (eipon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Δεῖ (Dei) = moet | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | πολλὰ (polla) = veel | παθεῖν (pathein) = lijden | καὶ (kai) = en | ἀποδοκιμασθῆναι (apodokimasthenai) = verworpen worden | ἀπὸ (apo) = door | τῶν (ton) = de | πρεσβυτέρων (presbyteron) = oudsten | καὶ (kai) = en | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | ἀποκτανθῆναι (apoktanthenai) = gedood worden | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | τρίτῃ (trite) = derde | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐγερθῆναι (egerthenai) = opgewekt worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δεῖ (dei), ‘moest’: ‘het is nodig, het moet’. ‘De Mensenzoon’: zie 5:24. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:21; Mark. 8:31. Zie ook: Mat 16:21; Mar 8:31 ### Wat het kost om Yeshua te volgen **9:23** Hij zei tegen allen: **„Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, elke dag zijn kruis opnemen en Mij volgen.** Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tot | πάντας (pantas) = allen | Εἴ (Ei) = als | τις (tis) = iemand | θέλει (thelei) = wil | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = mij | ἔρχεσθαι (erchesthai) = komen | ἀρνησάσθω (arnesastho) = laat hem verloochenen | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | καὶ (kai) = en | ἀράτω (arato) = opnemen | τὸν (ton) = het | σταυρὸν (stauron) = kruis | αὐτοῦ (autou) = zijn | καθ’ (kath’) = per | ἡμέραν (hemeran) = dag | καὶ (kai) = en | ἀκολουθείτω (akoloutheito) = volgen | μοι (moi) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het kruis opnemen: de veroordeelde droeg zelf de dwarsbalk naar de plaats van terechtstelling. Hier is het een beeld voor bereidheid tot lijden. Zie ook Matt. 16:24–28; Mark. 8:34–9:1. Zie ook: Mat 16:24–28; Mar 8:34–9:1 **9:24** **Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het redden.** Brontekst: ὃς (hos) = wie | γὰρ (gar) = want | ἂν (an) = ook | θέλῃ (thele) = wil | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | σῶσαι (sosai) = redden | ἀπολέσει (apolesei) = zal verliezen | αὐτήν (auten) = het | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | ἀπολέσῃ (apolese) = verliest | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | ἐμοῦ (emou) = Mij | οὗτος (houtos) = die | σώσει (sosei) = zal redden | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’: het woord betekent ook ‘ziel, mens zelf’. **9:25** **Want wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schade lijdt?** Brontekst: τί (ti) = wat | γὰρ (gar) = want | ὠφελεῖται (opheleitai) = heeft eraan | ἄνθρωπος (anthropos) = een mens | κερδήσας (kerdesas) = gewonnen hebbend | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ὅλον (holon) = hele | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | δὲ (de) = maar | ἀπολέσας (apolesas) = verloren hebbend | ἢ (e) = of | ζημιωθείς (zemiotheis) = schade geleden hebbend Bron: SBLGNT **9:26** **Want wie zich schaamt voor Mij en voor Mijn woorden, voor die zal de Mensenzoon zich schamen. Dat zal zijn wanneer Hij komt in Zijn heerlijkheid en in die van de Vader en van de heilige engelen.** Brontekst: ὃς (hos) = wie | γὰρ (gar) = want | ἂν (an) = ook | ἐπαισχυνθῇ (epaischynthe) = zich schaamt | με (me) = mij | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἐμοὺς (emous) = mijn | λόγους (logous) = woorden | τοῦτον (touton) = voor die | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐπαισχυνθήσεται (epaischynthesetai) = zal zich schamen | ὅταν (hotan) = wanneer | ἔλθῃ (elthe) = Hij komt | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | δόξῃ (doxe) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = Vader | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = van de | ἁγίων (hagion) = heilige | ἀγγέλων (angelon) = engelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 16:27; Mark. 8:38. Zie ook: Mat 16:27; Mar 8:38 **9:27** **Ik zeg jullie in waarheid: sommigen van hen die hier staan, zullen de dood zeker niet proeven voordat zij het koninkrijk van Elohim gezien hebben.”** Brontekst: λέγω (lego) = ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀληθῶς (alethos) = in waarheid | εἰσίν (eisin) = zijn | τινες (tines) = sommigen | τῶν (ton) = van de | αὐτοῦ (autou) = hier | ἑστηκότων (hestekoton) = staanden | οἳ (hoi) = die | οὐ (ou) = zeker | μὴ (me) = niet | γεύσωνται (geusontai) = zullen proeven | θανάτου (thanatou) = dood | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = ooit | ἴδωσιν (idosin) = zij zien | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οὐ μὴ γεύσωνται θανάτου (ou me geusontai thanatou), ‘de dood zeker niet proeven’: een uitdrukking voor sterven. ### Yeshua verheerlijkt op de berg **9:28** Ongeveer 8 dagen na deze woorden nam Hij Petrus, Johannes en Jakobus mee en ging de berg op om te bidden. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = maar | μετὰ (meta) = na | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ὀκτὼ (okto) = acht | καὶ (kai) = en | παραλαβὼν (paralabon) = meegenomen hebbend | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | καὶ (kai) = en | Ἰάκωβον (Iakobon) = Jakobus | ἀνέβη (anebe) = ging op | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | προσεύξασθαι (proseuxasthai) = om te bidden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ongeveer 8 dagen: Matteüs en Markus hebben ‘na 6 dagen’ (Matt. 17:1; Mark. 9:2). Zie ook Matt. 17:1–8; Mark. 9:2–8. Zie ook: Mat 17:1; Mar 9:2 **9:29** Terwijl Hij bad, veranderde het uiterlijk van Zijn gezicht en werd Zijn kleding wit en schitterend. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | προσεύχεσθαι (proseuchesthai) = bidden | αὐτὸν (auton) = Hem | τὸ (to) = het | εἶδος (eidos) = uiterlijk | τοῦ (tou) = van het | προσώπου (prosopou) = gezicht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἕτερον (heteron) = anders | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἱματισμὸς (himatismos) = kleding | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λευκὸς (leukos) = wit | ἐξαστράπτων (exastrapton) = schitterend Bron: SBLGNT **9:30** En zie: twee mannen spraken met Hem. Het waren Mozes en Elia. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄνδρες (andres) = mannen | δύο (dyo) = twee | συνελάλουν (synelaloun) = spraken met | αὐτῷ (auto) = Hem | οἵτινες (hoitines) = die | ἦσαν (esan) = waren | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | καὶ (kai) = en | Ἠλίας (Elias) = Elia Bron: SBLGNT **9:31** Zij verschenen in heerlijkheid en spraken over Zijn heengaan, dat Hij in Jeruzalem zou volbrengen. Brontekst: οἳ (hoi) = die | ὀφθέντες (ophthentes) = verschenen | ἐν (en) = in | δόξῃ (doxe) = heerlijkheid | ἔλεγον (elegon) = spraken over | τὴν (ten) = het | ἔξοδον (exodon) = heengaan | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἣν (hen) = dat | ἤμελλεν (emellen) = Hij zou | πληροῦν (pleroun) = volbrengen | ἐν (en) = in | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἔξοδον (exodon), ‘heengaan’: letterlijk ‘uitgang’, hier de dood van Yeshua, die in Jeruzalem volbracht wordt. Hetzelfde woord kan ook ‘uittocht’ betekenen, zoals de uittocht uit Egypte. **9:32** Petrus en wie bij hem waren, waren door slaap overmand. Toen zij wakker werden, zagen zij Zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = zij die | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem | ἦσαν (esan) = waren | βεβαρημένοι (bebaremenoi) = bezwaard | ὕπνῳ (hypno) = door slaap | διαγρηγορήσαντες (diagregoresantes) = wakker geworden | δὲ (de) = maar | εἶδον (eidon) = zagen | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | δύο (dyo) = twee | ἄνδρας (andras) = mannen | τοὺς (tous) = die | συνεστῶτας (synestotas) = stonden bij | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαγρηγορήσαντες (diagregoresantes), ‘wakker geworden’: het Grieks kan ook ‘wakker gebleven’ betekenen. Het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. **9:33** Toen die van Hem weggingen, zei Petrus tegen Yeshua: „Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten wij 3 hutten maken: een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.” Hij wist niet wat hij zei. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | διαχωρίζεσθαι (diachorizesthai) = weggaan | αὐτοὺς (autous) = zij | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = Hem | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | Ἐπιστάτα (Epistata) = Meester | καλόν (kalon) = goed | ἐστιν (estin) = is | ἡμᾶς (hemas) = dat wij | ὧδε (hode) = hier | εἶναι (einai) = zijn | καὶ (kai) = en | ποιήσωμεν (poiesomen) = laten wij maken | σκηνὰς (skenas) = hutten | τρεῖς (treis) = drie | μίαν (mian) = een | σοὶ (soi) = voor U | καὶ (kai) = en | μίαν (mian) = een | Μωϋσεῖ (Moysei) = voor Mozes | καὶ (kai) = en | μίαν (mian) = een | Ἠλίᾳ (Elia) = voor Elia | μὴ (me) = niet | εἰδὼς (eidos) = wetend | ὃ (ho) = wat | λέγει (legei) = hij zegt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκηνή (skene), ‘hut’: een tijdelijke verblijfplaats van takken. ἐπιστάτης (epistates), ‘Meester’; zie 8:24. **9:34** Terwijl hij dit zei, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Zij werden bang toen zij de wolk ingingen. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | λέγοντος (legontos) = sprekend | ἐγένετο (egeneto) = kwam | νεφέλη (nephele) = wolk | καὶ (kai) = en | ἐπεσκίαζεν (epeskiazen) = overschaduwde | αὐτούς (autous) = hen | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bang | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnengaan | αὐτοὺς (autous) = zij | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | νεφέλην (nephelen) = wolk Bron: SBLGNT **9:35** En uit de wolk kwam een stem: **„Dit is Mijn Zoon, de Uitverkorene. Luister naar Hem.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | φωνὴ (phone) = stem | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | νεφέλης (nepheles) = wolk | λέγουσα (legousa) = zeggend | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = Zoon | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | ἐκλελεγμένος (eklelegmenos) = Uitverkorene | αὐτοῦ (autou) = naar Hem | ἀκούετε (akouete) = luistert Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ ἐκλελεγμένος (ho eklelegmenos), ‘de Uitverkorene’: letterlijk ‘de uitgekozene’; vergelijk Jes. 42:1. Zie ook Matt. 17:5; Mark. 9:7. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ‘de geliefde’ (ἀγαπητός, agapetos), zoals in Matt. 17:5. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: Jes 42:1; Mat 17:5; Mar 9:7 **9:36** Toen de stem klonk, bleek Yeshua alleen te zijn. Zij zwegen en vertelden in die dagen aan niemand iets van wat zij gezien hadden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | γενέσθαι (genesthai) = komen | τὴν (ten) = de | φωνὴν (phonen) = stem | εὑρέθη (heurethe) = werd bevonden | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | μόνος (monos) = alleen | καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἐσίγησαν (esigesan) = zwegen | καὶ (kai) = en | οὐδενὶ (oudeni) = aan niemand | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = vertelden | ἐν (en) = in | ἐκείναις (ekeinais) = die | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | οὐδὲν (ouden) = niets | ὧν (hon) = van wat | ἑώρακαν (heorakan) = zij hebben gezien Bron: SBLGNT ### Yeshua geneest de jongen met de onreine geest **9:37** De dag daarna, toen zij van de berg afgekomen waren, kwam een grote menigte Hem tegemoet. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = maar | τῇ (te) = op de | ἑξῆς (hexes) = volgende | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | κατελθόντων (katelthonton) = afgekomen | αὐτῶν (auton) = zij | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | ὄρους (orous) = berg | συνήντησεν (synentesen) = kwam tegemoet | αὐτῷ (auto) = Hem | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολύς (polys) = grote Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 17:14–21; Mark. 9:14–29. Zie ook: Mat 17:14–21; Mar 9:14–29 **9:38** En zie: een man uit de menigte riep: „Leraar, ik smeek U, kijk naar mijn zoon om, want hij is mijn enige. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἀνὴρ (aner) = man | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | ἐβόησεν (eboesen) = riep | λέγων (legon) = zeggend | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | δέομαί (deomai) = ik smeek | σου (sou) = U | ἐπιβλέψαι (epiblepsai) = kijk om | ἐπὶ (epi) = naar | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = zoon | μου (mou) = mijn | ὅτι (hoti) = omdat | μονογενής (monogenes) = enige | μοί (moi) = mij | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **9:39** En zie: een geest grijpt hem. Plotseling schreeuwt die en schudt hem hevig heen en weer, met schuim op de mond. Met moeite gaat die van hem weg en maakt hem daarbij kapot. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | πνεῦμα (pneuma) = geest | λαμβάνει (lambanei) = grijpt | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐξαίφνης (exaiphnes) = plotseling | κράζει (krazei) = schreeuwt | καὶ (kai) = en | σπαράσσει (sparassei) = schudt hevig heen en weer | αὐτὸν (auton) = hem | μετὰ (meta) = met | ἀφροῦ (aphrou) = schuim | καὶ (kai) = en | μόγις (mogis) = met moeite | ἀποχωρεῖ (apochorei) = gaat weg | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | συντρῖβον (syntribon) = kapotmakend | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier een boze geest die de jongen in zijn greep heeft. **9:40** Ik heb Uw leerlingen gesmeekt hem uit te drijven, maar zij konden het niet.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐδεήθην (edeethen) = ik smeekte | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | σου (sou) = Uw | ἵνα (hina) = opdat | ἐκβάλωσιν (ekbalosin) = zij uitdreven | αὐτό (auto) = hem | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠδυνήθησαν (edynethesan) = konden zij Bron: SBLGNT **9:41** Yeshua antwoordde: **„O ongelovige en verdraaide generatie, hoelang moet Ik nog bij jullie zijn en jullie verdragen? Breng je zoon hier.”** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ὦ (O) = o | γενεὰ (genea) = generatie | ἄπιστος (apistos) = ongelovige | καὶ (kai) = en | διεστραμμένη (diestrammene) = verdraaide | ἕως (heos) = tot | πότε (pote) = wanneer | ἔσομαι (esomai) = zal ik zijn | πρὸς (pros) = bij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καὶ (kai) = en | ἀνέξομαι (anexomai) = zal verdragen | ὑμῶν (hymon) = jullie | προσάγαγε (prosagage) = breng | ὧδε (hode) = hier | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = zoon | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 32:5: ‘een verdraaid en kronkelig geslacht’. Voetnoot : Zie ook Matt. 17:17; Mark. 9:19. Zie ook: Deut 32:5; Mat 17:17; Mar 9:19 **9:42** Terwijl hij nog naar Hem toe kwam, wierp de demon hem neer en trok hem krampachtig heen en weer. Yeshua bestrafte de onreine geest, genas de jongen en gaf hem terug aan zijn vader. Brontekst: ἔτι (eti) = nog | δὲ (de) = maar | προσερχομένου (proserchomenou) = naderend | αὐτοῦ (autou) = hij | ἔρρηξεν (errexen) = wierp neer | αὐτὸν (auton) = hem | τὸ (to) = de | δαιμόνιον (daimonion) = demon | καὶ (kai) = en | συνεσπάραξεν (synesparaxen) = trok krampachtig heen en weer | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τῷ (to) = aan de | πνεύματι (pneumati) = geest | τῷ (to) = de | ἀκαθάρτῳ (akatharto) = onreine | καὶ (kai) = en | ἰάσατο (iasato) = genas | τὸν (ton) = de | παῖδα (paida) = jongen | καὶ (kai) = en | ἀπέδωκεν (apedoken) = gaf terug | αὐτὸν (auton) = hem | τῷ (to) = aan de | πατρὶ (patri) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παῖς (pais), ‘jongen’: het woord betekent ook ‘kind, knecht’; hier is het de zoon van de man uit 9:38. ### De Mensenzoon staat op het punt overgeleverd te worden **9:43** Allen stonden versteld van de grootheid van Elohim. Terwijl allen zich verwonderden over alles wat Hij deed, zei Hij tegen Zijn leerlingen: Brontekst: ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto) = stonden versteld | δὲ (de) = maar | πάντες (pantes) = allen | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = de | μεγαλειότητι (megaleioteti) = grootheid | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | Πάντων (Panton) = allen | δὲ (de) = maar | θαυμαζόντων (thaumazonton) = zich verwonderend | ἐπὶ (epi) = over | πᾶσιν (pasin) = alles | οἷς (hois) = wat | ἐποίει (epoiei) = Hij deed | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μεγαλειότης (megaleiotes), ‘grootheid’: de majesteit van Elohim. **9:44** **„Laat jullie zelf deze woorden in jullie oren zinken: de Mensenzoon staat op het punt overgeleverd te worden in de handen van mensen.”** Brontekst: Θέσθε (Thesthe) = laat zinken | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | εἰς (eis) = in | τὰ (ta) = de | ὦτα (ota) = oren | ὑμῶν (hymon) = jullie | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze | ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | μέλλει (mellei) = staat op het punt | παραδίδοσθαι (paradidosthai) = overgeleverd te worden | εἰς (eis) = in | χεῖρας (cheiras) = handen | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Θέσθε εἰς τὰ ὦτα (thesthe eis ta ota), letterlijk ‘leg in de oren’: wij schrijven ‘laat in jullie oren zinken’, dus goed onthouden. μέλλει (mellei), ‘staat op het punt’. Voetnoot : Zie ook Matt. 17:22–23; Mark. 9:30–32. Zie ook: Mat 17:22–23; Mar 9:30–32 **9:45** Maar zij begrepen dit woord niet. Het was voor hen verborgen, zodat zij het niet zouden begrijpen, en zij waren bang Hem over dit woord te vragen. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἠγνόουν (egnooun) = begrepen niet | τὸ (to) = het | ῥῆμα (rhema) = woord | τοῦτο (touto) = dit | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | παρακεκαλυμμένον (parakekalymmenon) = verborgen | ἀπ’ (ap’) = voor | αὐτῶν (auton) = hen | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | αἴσθωνται (aisthontai) = zij zouden begrijpen | αὐτό (auto) = het | καὶ (kai) = en | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = waren bang | ἐρωτῆσαι (erotesai) = te vragen | αὐτὸν (auton) = Hem | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | ῥήματος (rhematos) = woord | τούτου (toutou) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Het was voor hen verborgen’: het Grieks laat open door wie (παρακεκαλυμμένον, parakekalymmenon); het kan op Elohim wijzen. ### Wie is de grootste? **9:46** Er ontstond een discussie onder hen over wie van hen de grootste was. Brontekst: Εἰσῆλθεν (Eiselthen) = kwam op | δὲ (de) = maar | διαλογισμὸς (dialogismos) = discussie | ἐν (en) = onder | αὐτοῖς (autois) = hen | τὸ (to) = de | τίς (tis) = wie | ἂν (an) = ook | εἴη (eie) = zou zijn | μείζων (meizon) = grootste | αὐτῶν (auton) = van hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 18:1–5; Mark. 9:33–37. Zie ook: Mat 18:1–5; Mar 9:33–37 **9:47** Yeshua kende de gedachten van hun hart. Hij nam een kind, zette het naast Zich Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰδὼς (eidos) = wetend | τὸν (ton) = de | διαλογισμὸν (dialogismon) = discussie | τῆς (tes) = van het | καρδίας (kardias) = hart | αὐτῶν (auton) = hun | ἐπιλαβόμενος (epilabomenos) = genomen hebbend | παιδίον (paidion) = kind | ἔστησεν (estesen) = zette | αὐτὸ (auto) = het | παρ’ (par’) = naast | ἑαυτῷ (heauto) = Zich Bron: SBLGNT **9:48** en zei tegen hen: **„Wie dit kind ontvangt in Mijn naam, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. Want wie de kleinste is onder jullie allen, die is groot.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὃς (Hos) = wie | ἂν (an) = ook | δέξηται (dexetai) = ontvangt | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | ἐμὲ (eme) = Mij | δέχεται (dechetai) = ontvangt | καὶ (kai) = en | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = ook | ἐμὲ (eme) = Mij | δέξηται (dexetai) = ontvangt | δέχεται (dechetai) = ontvangt | τὸν (ton) = Hem die | ἀποστείλαντά (aposteilanta) = gezonden heeft | με (me) = Mij | ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | μικρότερος (mikroteros) = kleinste | ἐν (en) = onder | πᾶσιν (pasin) = allen | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὑπάρχων (hyparchon) = zijnde | οὗτός (houtos) = die | ἐστιν (estin) = is | μέγας (megas) = groot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een kind was in die tijd van weinig aanzien; wie zo iemand ontvangt, ontvangt Yeshua zelf. ### Wie niet tegen jullie is **9:49** Johannes antwoordde: „Meester, wij hebben iemand gezien die in Uw naam demonen uitdreef, en wij hebben hem tegengehouden, omdat hij ons niet volgt.” Brontekst: Ἀποκριθεὶς (Apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐπιστάτα (Epistata) = Meester | εἴδομέν (eidomen) = wij zagen | τινα (tina) = iemand | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | σου (sou) = Uw | ἐκβάλλοντα (ekballonta) = uitdrijvend | δαιμόνια (daimonia) = demonen | καὶ (kai) = en | ἐκωλύομεν (ekolyomen) = wij hielden tegen | αὐτὸν (auton) = hem | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | ἀκολουθεῖ (akolouthei) = volgt | μεθ’ (meth’) = met | ἡμῶν (hemon) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 9:38–40. Zie ook: Mar 9:38–40 **9:50** Yeshua zei tegen hem: **„Houd hem niet tegen. Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Μὴ (Me) = niet | κωλύετε (kolyete) = houdt tegen | ὃς (hos) = wie | γὰρ (gar) = want | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | καθ’ (kath’) = tegen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὑπὲρ (hyper) = voor | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Luc. 11:23, waar Yeshua het omgekeerde zegt: ‘Wie niet met Mij is, is tegen Mij.’ Zie ook: Luc 11:23 ### Yeshua gaat naar Jeruzalem **9:51** Toen de dagen van Zijn opneming vervuld werden, richtte Hij vastberaden Zijn gezicht om naar Jeruzalem te gaan. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | συμπληροῦσθαι (symplerousthai) = vervuld worden | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | τῆς (tes) = van de | ἀναλήμψεως (analempseos) = opneming | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | τὸ (to) = het | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | ἐστήρισεν (esterisen) = richtte vastberaden | τοῦ (tou) = van het | πορεύεσθαι (poreuesthai) = gaan | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἀνάλημψις (analempsis), ‘opneming’: Yeshua’s heengaan naar de hemel. Het woord komt alleen hier voor. τὸ πρόσωπον ἐστήρισεν (to prosopon esterisen), ‘richtte vastberaden Zijn gezicht’: een Hebreeuwse uitdrukking voor een vaste koers (vergelijk Jes. 50:7). Zie ook: Jes 50:7 **9:52** Hij zond boden voor Zich uit. Zij gingen een Samaritaans dorp binnen om alles voor Hem klaar te maken. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | ἀγγέλους (angelous) = boden | πρὸ (pro) = voor | προσώπου (prosopou) = gezicht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | πορευθέντες (poreuthentes) = gegaan | εἰσῆλθον (eiselthon) = gingen binnen | εἰς (eis) = in | κώμην (komen) = dorp | Σαμαριτῶν (Samariton) = van Samaritanen | ὡς (hos) = om | ἑτοιμάσαι (hetoimasai) = klaar te maken | αὐτῷ (auto) = voor Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγγέλους (angelous), ‘boden’: hetzelfde woord betekent ook ‘engelen’. Σαμαρίται (Samaritai), ‘Samaritanen’: de bewoners van Samaria, die de Joden niet als broeders zagen en op de berg Gerizim aanbaden (zie Joh. 4:20). Zie ook: Joh 4:20 **9:53** Maar zij ontvingen Hem niet, omdat Hij met Zijn gezicht naar Jeruzalem op weg was. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐδέξαντο (edexanto) = ontvingen | αὐτόν (auton) = Hem | ὅτι (hoti) = omdat | τὸ (to) = het | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἦν (en) = was | πορευόμενον (poreuomenon) = gaand | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Een pelgrim naar Jeruzalem werd door Samaritanen niet gastvrij ontvangen. **9:54** Toen de leerlingen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: „Heer, wilt U dat wij zeggen dat er vuur uit de hemel neerkomt en hen verteert?” Brontekst: ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | Ἰάκωβος (Iakobos) = Jakobus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | εἶπαν (eipan) = zeiden | Κύριε (Kyrie) = Heer | θέλεις (theleis) = wilt U | εἴπωμεν (eipomen) = laten wij zeggen | πῦρ (pyr) = vuur | καταβῆναι (katabenai) = neer te komen | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | ἀναλῶσαι (analosai) = te verteren | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk 2 Kon. 1:10–12, waar Elia vuur uit de hemel laat neerkomen. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften voegen toe: ‘zoals ook Elia deed’. Wij volgen de SBLGNT. Zie ook: 2 Kon 1:10–12 **9:55** Hij draaide Zich om en bestrafte hen. Brontekst: στραφεὶς (strapheis) = gedraaid | δὲ (de) = maar | ἐπετίμησεν (epetimesen) = bestrafte | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben hier verder: ‘en zei: Jullie weten niet van welke geest jullie zijn. De Mensenzoon is niet gekomen om mensenlevens te verderven, maar te redden’ (aan het eind van 9:55 en in 9:56). Wij volgen de SBLGNT, die dit niet heeft. **9:56** Zij gingen naar een ander dorp. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπορεύθησαν (eporeuthesan) = gingen | εἰς (eis) = naar | ἑτέραν (heteran) = ander | κώμην (komen) = dorp Bron: SBLGNT ### Wie wil Yeshua volgen? **9:57** Terwijl zij onderweg waren, zei iemand tegen Hem: „Ik zal U volgen, waar U ook heen gaat.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | πορευομένων (poreuomenon) = onderweg zijnd | αὐτῶν (auton) = zij | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | εἶπέν (eipen) = zei | τις (tis) = iemand | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = Hem | Ἀκολουθήσω (Akoloutheso) = ik zal volgen | σοι (soi) = U | ὅπου (hopou) = waar | ἐὰν (ean) = ook | ἀπέρχῃ (aperche) = U heengaat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 8:19–22. Zie ook: Mat 8:19–22 **9:58** Yeshua zei tegen hem: **„De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten. Maar de Mensenzoon heeft geen plaats waar Hij Zijn hoofd kan neerleggen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Αἱ (Hai) = de | ἀλώπεκες (alopekes) = vossen | φωλεοὺς (pholeous) = holen | ἔχουσιν (echousin) = hebben | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | κατασκηνώσεις (kataskenoseis) = nesten | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft | ποῦ (pou) = waar | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | κλίνῃ (kline) = Hij kan neerleggen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vossen en vogels hebben een vaste plaats; de Mensenzoon niet. Zie ook Matt. 8:20. Zie ook: Mat 8:20 **9:59** Tegen een ander zei Hij: **„Volg Mij.”** Maar die zei: „Heer, sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tot | ἕτερον (heteron) = een ander | Ἀκολούθει (Akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij | ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἐπίτρεψόν (epitrepson) = sta toe | μοι (moi) = mij | ἀπελθόντι (apelthonti) = heengegaan | πρῶτον (proton) = eerst | θάψαι (thapsai) = te begraven | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Mijn vader begraven’: wellicht dat de vader nog leefde en de man wilde wachten tot hij gestorven was; dat is niet zeker. **9:60** Hij zei tegen hem: **„Laat de doden hun eigen doden begraven. Maar jij, ga heen en maak het koninkrijk van Elohim bekend.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ἄφες (Aphes) = laat | τοὺς (tous) = de | νεκροὺς (nekrous) = doden | θάψαι (thapsai) = begraven | τοὺς (tous) = de | ἑαυτῶν (heauton) = van zichzelf | νεκρούς (nekrous) = doden | σὺ (sy) = jij | δὲ (de) = maar | ἀπελθὼν (apelthon) = weggegaan | διάγγελλε (diangelle) = maak bekend | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De doden hun eigen doden’: met de eerste ‘doden’ bedoelt Yeshua waarschijnlijk mensen die Zijn roep niet volgen. διαγγέλλω (diangello), ‘bekendmaken’. **9:61** Weer een ander zei: „Ik zal U volgen, Heer, maar sta mij toe eerst afscheid te nemen van wie in mijn huis zijn.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ἕτερος (heteros) = een ander | Ἀκολουθήσω (Akoloutheso) = ik zal volgen | σοι (soi) = U | κύριε (kyrie) = Heer | πρῶτον (proton) = eerst | δὲ (de) = maar | ἐπίτρεψόν (epitrepson) = sta toe | μοι (moi) = mij | ἀποτάξασθαι (apotaxasthai) = afscheid te nemen | τοῖς (tois) = van hen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = het | οἶκόν (oikon) = huis | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 19:19–21, waar Elisa afscheid neemt van zijn ouders voordat hij Elia volgt. Zie ook: 1 Kon 19:19–21 **9:62** Yeshua zei tegen hem: **„Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en omkijkt naar wat achter hem ligt, is geschikt voor het koninkrijk van Elohim.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐδεὶς (Oudeis) = niemand | ἐπιβαλὼν (epibalon) = gelegd hebbend | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ἐπ’ (ep’) = op | ἄροτρον (arotron) = ploeg | καὶ (kai) = en | βλέπων (blepon) = kijkend | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | ὀπίσω (opiso) = achterliggende dingen | εὔθετός (euthetos) = geschikt | ἐστιν (estin) = is | τῇ (te) = voor het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een ploeger die omkijkt, trekt een kromme voor. Het beeld vraagt om ongedeelde toewijding. ## Lucas 10 _De zending van de 72, de barmhartige Samaritaan en Marta en Maria_ ### Yeshua zendt 72 anderen uit **10:1** Hierna stelde de Heer nog 72 anderen aan. Hij zond hen twee aan twee voor Zich uit, naar elke stad en plaats waar Hij zelf heen zou gaan. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = maar | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ἀνέδειξεν (anedeixen) = wees aan | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | καὶ (kai) = en | ἑτέρους (heterous) = anderen | ἑβδομήκοντα (hebdomekonta) = zeventig | δύο (dyo) = twee | καὶ (kai) = en | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀνὰ (ana) = telkens | δύο (dyo) = twee | δύο (dyo) = twee | πρὸ (pro) = voor | προσώπου (prosopou) = aangezicht | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = naar | πᾶσαν (pasan) = elke | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | τόπον (topon) = plaats | οὗ (hou) = waar | ἤμελλεν (emellen) = stond op het punt | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | ἔρχεσθαι (erchesthai) = te gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: zie 7:13. ἀνέδειξεν (anedeixen), ‘aanstellen’: iemand openlijk voor een taak aanwijzen. De zending van de twaalf staat in Luc. 9:1–6. Voetnoot Lezing: De handschriften zijn verdeeld: sommige hebben ‘70’, andere ‘72’. Wij vertalen 72, ook in vers 17. Zie ook: Luc 9:1–6; Luc 10:17 **10:2** Hij zei tegen hen: **„De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraag dus aan de Heer van de oogst of Hij arbeiders wil uitsturen naar Zijn oogst.** Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Ὁ (Ho) = de | μὲν (men) = enerzijds | θερισμὸς (therismos) = oogst | πολύς (polys) = groot | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = anderzijds | ἐργάται (ergatai) = arbeiders | ὀλίγοι (oligoi) = weinig | δεήθητε (deethete) = vraag | οὖν (oun) = dus | τοῦ (tou) = aan de | κυρίου (kyriou) = Heer | τοῦ (tou) = van de | θερισμοῦ (therismou) = oogst | ὅπως (hopos) = opdat | ἐργάτας (ergatas) = arbeiders | ἐκβάλῃ (ekbale) = Hij uitstuurt | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | θερισμὸν (therismon) = oogst | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De Heer van de oogst’ is Elohim. Voetnoot : Zie ook Matt. 9:37–38. Zie ook: Mat 9:37–38 **10:3** **Ga heen. Zie, Ik zend jullie als lammeren te midden van wolven.** Brontekst: ὑπάγετε (hypagete) = ga heen | ἰδοὺ (idou) = zie | ἀποστέλλω (apostello) = Ik zend | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὡς (hos) = als | ἄρνας (arnas) = lammeren | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | λύκων (lykon) = van wolven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρνες (arnes), ‘lammeren’: in Matt. 10:16 staan ‘schapen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:16. Zie ook: Mat 10:16 **10:4** **Neem geen geldbuidel mee, geen reistas en geen sandalen. En groet onderweg niemand.** Brontekst: μὴ (me) = niet | βαστάζετε (bastazete) = neem mee | βαλλάντιον (ballantion) = geldbuidel | μὴ (me) = niet | πήραν (peran) = reistas | μὴ (me) = niet | ὑποδήματα (hypodemata) = sandalen | καὶ (kai) = en | μηδένα (medena) = niemand | κατὰ (kata) = op | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | ἀσπάσησθε (aspasesthe) = groet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαλλάντιον (ballantion), ‘geldbuidel’: een zakje voor geld. πήρα (pera), ‘reistas’: zie Matt. 10:10. Wij vertalen ἀσπάζομαι (aspazomai) letterlijk als ‘groeten’; vergelijk 2 Kon. 4:29, waar Elisa zijn jongen Gechazi hetzelfde opdraagt. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:9–10; Mark. 6:8–9. Zie ook: 2 Kon 4:29; Mat 10:9–10; Mat 10:10; Mar 6:8–9 **10:5** **In welk huis jullie ook binnengaan, zeg eerst: ‘Vrede voor dit huis.’** Brontekst: εἰς (eis) = in | ἣν (hen) = welk | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | εἰσέλθητε (eiselthete) = jullie binnengaan | οἰκίαν (oikian) = huis | πρῶτον (proton) = eerst | λέγετε (legete) = zeg | Εἰρήνη (Eirene) = vrede | τῷ (to) = aan het | οἴκῳ (oiko) = huis | τούτῳ (touto) = dit Bron: SBLGNT **10:6** **Als daar een zoon van vrede is, zal jullie vrede op hem rusten. Zo niet, dan keert die naar jullie terug.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | ᾖ (e) = is | ἐκεῖ (ekei) = daar | υἱὸς (huios) = zoon | εἰρήνης (eirenes) = van vrede | ἐπαναπαήσεται (epanapaesetai) = zal rusten | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτὸν (auton) = hem | ἡ (he) = de | εἰρήνη (eirene) = vrede | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μήγε (mege) = zo niet | ἐφ’ (eph’) = op | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἀνακάμψει (anakampsei) = zal terugkeren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Een zoon van vrede’ (υἱὸς εἰρήνης, huios eirenes) is een Hebreeuwse manier van spreken voor iemand die de vrede aanneemt. εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: het Hebreeuwse שָׁלוֹם (shalom). Voetnoot : Zie ook Matt. 10:12–13. Zie ook: Mat 10:12–13 **10:7** **Blijf in datzelfde huis en eet en drink wat zij jullie geven. Want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van huis naar huis.** Brontekst: ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = datzelfde | δὲ (de) = maar | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | μένετε (menete) = blijf | ἐσθίοντες (esthiontes) = etend | καὶ (kai) = en | πίνοντες (pinontes) = drinkend | τὰ (ta) = de dingen | παρ’ (par’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἄξιος (axios) = waard | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | ἐργάτης (ergates) = arbeider | τοῦ (tou) = van het | μισθοῦ (misthou) = loon | αὐτοῦ (autou) = zijn | μὴ (me) = niet | μεταβαίνετε (metabainete) = ga over | ἐξ (ex) = uit | οἰκίας (oikias) = huis | εἰς (eis) = naar | οἰκίαν (oikian) = huis Bron: SBLGNT **10:8** **In welke stad jullie ook binnengaan en men ontvangt jullie: eet wat jullie wordt voorgezet.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | ἣν (hen) = welke | ἂν (an) = ook | πόλιν (polin) = stad | εἰσέρχησθε (eiserchesthe) = jullie binnengaan | καὶ (kai) = en | δέχωνται (dechontai) = zij ontvangen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐσθίετε (esthiete) = eet | τὰ (ta) = de dingen | παρατιθέμενα (paratithemena) = voorgezet wordend | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT **10:9** **Genees de zieken die daar zijn en zeg tegen hen: ‘Het koninkrijk van Elohim is bij jullie nabij gekomen.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | θεραπεύετε (therapeuete) = genees | τοὺς (tous) = de | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = haar | ἀσθενεῖς (astheneis) = zieken | καὶ (kai) = en | λέγετε (legete) = zeg | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἤγγικεν (Engiken) = is nabij gekomen | ἐφ’ (eph’) = bij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἤγγικεν (engiken), ‘is nabij gekomen’: zie Mark. 1:15. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:7–8. Zie ook: Mat 10:7–8; Mar 1:15 **10:10** **Maar in welke stad jullie ook binnengaan en men ontvangt jullie niet: ga naar buiten, de straten van die stad op, en zeg:** Brontekst: εἰς (eis) = in | ἣν (hen) = welke | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ook | πόλιν (polin) = stad | εἰσέλθητε (eiselthete) = jullie binnengaan | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | δέχωνται (dechontai) = zij ontvangen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐξελθόντες (exelthontes) = naar buiten gegaan | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | πλατείας (plateias) = straten | αὐτῆς (autes) = haar | εἴπατε (eipate) = zeg Bron: SBLGNT **10:11** **‘Ook het stof van jullie stad dat aan onze voeten is blijven kleven, vegen wij tegen jullie af. Maar weet dit: het koninkrijk van Elohim is nabij gekomen.’** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | τὸν (ton) = het | κονιορτὸν (koniorton) = stof | τὸν (ton) = dat | κολληθέντα (kollethenta) = gekleefd heeft | ἡμῖν (hemin) = aan ons | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰς (eis) = aan | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | ἀπομασσόμεθα (apomassometha) = wij vegen af | ὑμῖν (hymin) = tegen jullie | πλὴν (plen) = maar | τοῦτο (touto) = dit | γινώσκετε (ginoskete) = weet | ὅτι (hoti) = dat | ἤγγικεν (engiken) = is nabij gekomen | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het stof van de voeten afvegen was een teken dat men niets met die plaats te maken wilde hebben. ἀπομάσσω (apomasso), ‘afvegen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:14; Mark. 6:11. Zie ook: Mat 10:14; Mar 6:11 **10:12** **Ik zeg jullie: het zal voor Sodom op die dag draaglijker zijn dan voor die stad.** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | Σοδόμοις (Sodomois) = voor Sodom | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐκείνῃ (ekeine) = die | ἀνεκτότερον (anektoteron) = draaglijker | ἔσται (estai) = zal zijn | ἢ (e) = dan | τῇ (te) = voor de | πόλει (polei) = stad | ἐκείνῃ (ekeine) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Sodom: zie Gen. 19:24–25. ‘Op die dag’ is de dag van het oordeel, zoals in Matt. 10:15. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:15. Zie ook: Gen 19:24–25; Mat 10:15 ### Wee over de steden die zich niet bekeren **10:13** **Wee je, Chorazin! Wee je, Betsaïda! Want als in Tyrus en Sidon de krachten gebeurd waren die onder jullie gebeurd zijn, dan hadden zij zich allang bekeerd, zittend in rouwkleed en as.** Brontekst: Οὐαί (Ouai) = wee | σοι (soi) = je | Χοραζίν (Chorazin) = Chorazin | οὐαί (ouai) = wee | σοι (soi) = je | Βηθσαϊδά (Bethsaida) = Betsaïda | ὅτι (hoti) = want | εἰ (ei) = als | ἐν (en) = in | Τύρῳ (Tyro) = Tyrus | καὶ (kai) = en | Σιδῶνι (Sidoni) = Sidon | ἐγενήθησαν (egenethesan) = gebeurden | αἱ (hai) = de | δυνάμεις (dynameis) = krachten | αἱ (hai) = die | γενόμεναι (genomenai) = gebeurd zijn | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | πάλαι (palai) = allang | ἂν (an) = zou | ἐν (en) = in | σάκκῳ (sakko) = rouwkleed | καὶ (kai) = en | σποδῷ (spodo) = as | καθήμενοι (kathemenoi) = zittend | μετενόησαν (metenoesan) = zij bekeerden zich Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Chorazin: Chorazin (Khirbet Karazeh) lag in het noorden van het meer van Galilea, ten noorden van Kapernaüm. De ligging is waarschijnlijk. Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan. Ook el-Araj is voorgesteld. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: Χοραζίν (Chorazin) en Βηθσαϊδά (Betsaïda) lagen bij het meer van Galilea. σάκκος (sakkos), ‘rouwkleed’: grove stof die men uit rouw of boete droeg, samen met as; vergelijk Jona 3:5. Tyrus en Sidon waren steden buiten Israël aan de kust; zie ook Jes. 23. Voetnoot : Zie ook Matt. 11:21–22. Zie ook: Jona 3:5; Mat 11:21–22 **10:14** **Maar voor Tyrus en Sidon zal het in het oordeel draaglijker zijn dan voor jullie.** Brontekst: πλὴν (plen) = maar | Τύρῳ (Tyro) = voor Tyrus | καὶ (kai) = en | Σιδῶνι (Sidoni) = Sidon | ἀνεκτότερον (anektoteron) = draaglijker | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | κρίσει (krisei) = oordeel | ἢ (e) = dan | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. **10:15** **En jij, Kapernaüm, zul je tot de hemel verhoogd worden? Tot in het dodenrijk zul je neergebracht worden!** Brontekst: καὶ (kai) = en | σύ (sy) = jij | Καφαρναούμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | μὴ (me) = toch niet | ἕως (heos) = tot | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ὑψωθήσῃ (hypsothese) = zul je verhoogd worden | ἕως (heos) = tot | τοῦ (tou) = het | ᾅδου (hadou) = dodenrijk | καταβιβασθήσῃ (katabibasthese) = zul je neergebracht worden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: Dit lijkt op Jes. 14:13–15, waar de koning van Babel naar de hemel wil opstijgen maar naar Sjeol wordt neergebracht. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’. ᾅδης (hades), ‘dodenrijk’: het Hebreeuwse שְׁאוֹל (Sjeol). Voetnoot : Zie ook Matt. 11:23. Zie ook: Jes 14:13–15; Mat 11:23 ### Wie naar jullie luistert, luistert naar Mij **10:16** **Wie naar jullie luistert, luistert naar Mij. En wie jullie afwijst, wijst Mij af. En wie Mij afwijst, wijst Hem af die Mij gezonden heeft.”** Brontekst: Ὁ (Ho) = de | ἀκούων (akouon) = luisterende | ὑμῶν (hymon) = naar jullie | ἐμοῦ (emou) = naar Mij | ἀκούει (akouei) = luistert | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἀθετῶν (atheton) = afwijzende | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐμὲ (eme) = Mij | ἀθετεῖ (athetei) = wijst af | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἐμὲ (eme) = Mij | ἀθετῶν (atheton) = afwijzende | ἀθετεῖ (athetei) = wijst af | τὸν (ton) = de | ἀποστείλαντά (aposteilanta) = gezonden hebbende | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀθετέω (atheteo), ‘afwijzen’. ‘Hem die Mij gezonden heeft’ is de Vader. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:40. Zie ook: Mat 10:40 ### De 72 keren terug **10:17** De 72 keerden terug met vreugde en zeiden: „Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons in Uw naam.” Brontekst: Ὑπέστρεψαν (Hypestrepsan) = keerden terug | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | ἑβδομήκοντα (hebdomekonta) = zeventig | δύο (dyo) = twee | μετὰ (meta) = met | χαρᾶς (charas) = vreugde | λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | καὶ (kai) = ook | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ὑποτάσσεται (hypotassetai) = onderwerpt zich | ἡμῖν (hemin) = aan ons | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT **10:18** Hij zei tegen hen: **„Ik zag Satan als een bliksemflits uit de hemel vallen.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἐθεώρουν (Etheoroun) = ik zag | τὸν (ton) = de | Σατανᾶν (Satanan) = Satan | ὡς (hos) = als | ἀστραπὴν (astrapen) = bliksem | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | πεσόντα (pesonta) = gevallen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐθεώρουν (etheoroun), ‘ik zag’: letterlijk ‘ik keek toe’. Het beeld van een val uit de hemel doet denken aan Jes. 14:12. Zie ook: Jes 14:12 **10:19** **Zie, Ik heb jullie het gezag gegeven om op slangen en schorpioenen te trappen, en over heel de kracht van de vijand. En niets zal jullie ooit schaden.** Brontekst: ἰδοὺ (idou) = zie | δέδωκα (dedoka) = Ik heb gegeven | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | τὴν (ten) = het | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | τοῦ (tou) = om | πατεῖν (patein) = te trappen | ἐπάνω (epano) = op | ὄφεων (opheon) = slangen | καὶ (kai) = en | σκορπίων (skorpion) = schorpioenen | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = over | πᾶσαν (pasan) = heel | τὴν (ten) = de | δύναμιν (dynamin) = kracht | τοῦ (tou) = van de | ἐχθροῦ (echthrou) = vijand | καὶ (kai) = en | οὐδὲν (ouden) = niets | ὑμᾶς (hymas) = jullie | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | ἀδικήσῃ (adikese) = zal schaden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’; δύναμις (dynamis), ‘kracht’. Vergelijk Ps. 91:13: ‘Over leeuw en adder zul je lopen’. Zie ook: Ps 91:13 **10:20** **Maar verheug jullie er niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen. Verheug jullie er liever over dat jullie namen in de hemelen zijn opgeschreven.”** Brontekst: πλὴν (plen) = maar | ἐν (en) = in | τούτῳ (touto) = dit | μὴ (me) = niet | χαίρετε (chairete) = verheug jullie | ὅτι (hoti) = dat | τὰ (ta) = de | πνεύματα (pneumata) = geesten | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὑποτάσσεται (hypotassetai) = zich onderwerpen | χαίρετε (chairete) = verheug jullie | δὲ (de) = liever | ὅτι (hoti) = dat | τὰ (ta) = de | ὀνόματα (onomata) = namen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐγγέγραπται (engegraptai) = zijn opgeschreven | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Opgeschreven in de hemelen’ doet denken aan het boek dat Elohim bijhoudt: zie Exod. 32:32–33 en Ps. 69:29 (‘het boek van het leven’). Zie ook: Ex 32:32–33; Ps 69:29 ### Yeshua jubelt in de Heilige Geest **10:21** Op datzelfde uur jubelde Hij in de Heilige Geest en zei: **„Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en de aarde. Want U hebt deze dingen verborgen voor wijzen en verstandigen, en U hebt ze onthuld aan kleine kinderen. Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen.** Brontekst: Ἐν (En) = in | αὐτῇ (aute) = datzelfde | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | ἠγαλλιάσατο (egalliasato) = jubelde | τῷ (to) = in de | πνεύματι (pneumati) = Geest | τῷ (to) = de | ἁγίῳ (hagio) = Heilige | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐξομολογοῦμαί (Exomologoumai) = Ik prijs | σοι (soi) = U | πάτερ (pater) = Vader | κύριε (kyrie) = Heer | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | ὅτι (hoti) = want | ἀπέκρυψας (apekrypsas) = U verborg | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ἀπὸ (apo) = voor | σοφῶν (sophon) = wijzen | καὶ (kai) = en | συνετῶν (syneton) = verstandigen | καὶ (kai) = en | ἀπεκάλυψας (apekalypsas) = U onthulde | αὐτὰ (auta) = die | νηπίοις (nepiois) = aan kleine kinderen | ναί (nai) = ja | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | ὅτι (hoti) = want | οὕτως (houtos) = zo | εὐδοκία (eudokia) = welbehagen | ἐγένετο (egeneto) = werd | ἔμπροσθέν (emprosthen) = voor | σου (sou) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγαλλιάομαι (agalliaomai), ‘jubelen’: hetzelfde woord als in Matt. 5:12. ἐξομολογοῦμαι (exomologoumai), ‘Ik prijs U’: ook ‘Ik belijd U openlijk’. κύριε (kyrie), ‘Heer’: een aanspreking van de Vader, geen citaat uit het Oude Testament. νήπιοι (nepioi), ‘kleine kinderen’: kinderen die nog niet kunnen redeneren. Voetnoot : Zie ook Matt. 11:25–26. Zie ook: Mat 5:12; Mat 11:25–26 **10:22** **Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader. Niemand weet wie de Zoon is, behalve de Vader, en wie de Vader is, behalve de Zoon en degene aan wie de Zoon het wil onthullen.”** Brontekst: πάντα (panta) = alles | μοι (moi) = aan Mij | παρεδόθη (paredothe) = is overgegeven | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | γινώσκει (ginoskei) = weet | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | εἰ (ei) = behalve | μὴ (me) = als niet | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | καὶ (kai) = en | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | εἰ (ei) = behalve | μὴ (me) = als niet | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | καὶ (kai) = en | ᾧ (ho) = aan wie | ἐὰν (ean) = indien | βούληται (bouletai) = wil | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | ἀποκαλύψαι (apokalypsai) = onthullen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ‘wil onthullen’ geen voorwerp; wij vertalen ‘het’. Voetnoot : Zie ook Matt. 11:27. Zie ook: Mat 11:27 ### Gelukkig de ogen die zien **10:23** Toen Hij Zich naar de leerlingen keerde, zei Hij apart: **„Gelukkig de ogen die zien wat jullie zien.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | στραφεὶς (strapheis) = zich omdraaiend | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | κατ’ (kat’) = in | ἰδίαν (idian) = afzondering | εἶπεν (eipen) = zei | Μακάριοι (Makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοὶ (ophthalmoi) = ogen | οἱ (hoi) = de | βλέποντες (blepontes) = ziende | ἃ (ha) = wat | βλέπετε (blepete) = jullie zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 13:16–17. Zie ook: Mat 13:16–17 **10:24** **Want Ik zeg jullie dat veel profeten en koningen wilden zien wat jullie zien, maar zagen het niet. Zij wilden horen wat jullie horen, maar hoorden het niet.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | πολλοὶ (polloi) = velen | προφῆται (prophetai) = profeten | καὶ (kai) = en | βασιλεῖς (basileis) = koningen | ἠθέλησαν (ethelesan) = wilden | ἰδεῖν (idein) = te zien | ἃ (ha) = wat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | βλέπετε (blepete) = zien | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | εἶδαν (eidan) = zagen zij | καὶ (kai) = en | ἀκοῦσαι (akousai) = te horen | ἃ (ha) = wat | ἀκούετε (akouete) = jullie horen | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden zij Bron: SBLGNT ### Eeuwig leven en het gebod van liefde **10:25** En zie: een wetgeleerde stond op om Hem op de proef te stellen. Hij zei: „Leraar, wat moet ik doen om eeuwig leven te erven?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | νομικός (nomikos) = wetgeleerde | τις (tis) = een | ἀνέστη (aneste) = stond op | ἐκπειράζων (ekpeirazon) = op de proef stellend | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγων (legon) = zeggend | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | τί (ti) = wat | ποιήσας (poiesas) = doende | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | κληρονομήσω (kleronomeso) = zal ik erven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νομικός (nomikos), ‘wetgeleerde’: iemand die de wet van Mozes kent en uitlegt; zie Matt. 22:35. κληρονομέω (kleronomeo), ‘erven’: zie Mark. 10:17. Voetnoot : Zie ook Matt. 22:34–40; Mark. 12:28–34. Zie ook: Mat 22:34–40; Mat 22:35; Mar 10:17; Mar 12:28–34 **10:26** Hij zei tegen hem: **„Wat staat er in de wet geschreven? Hoe lees je?”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = hem | Ἐν (En) = in | τῷ (to) = de | νόμῳ (nomo) = wet | τί (ti) = wat | γέγραπται (gegraptai) = staat geschreven | πῶς (pos) = hoe | ἀναγινώσκεις (anaginoskeis) = lees je Bron: SBLGNT **10:27** Die antwoordde: „Je moet Yahweh, je Elohim, liefhebben met heel je hart, met heel je ziel, met heel je kracht en met heel je verstand, en je naaste als jezelf.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀγαπήσεις (Agapeseis) = je zult liefhebben | κύριον (kyrion) = Yahweh | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | σου (sou) = je | ἐξ (ex) = uit | ὅλης (holes) = heel | τῆς (tes) = het | καρδίας (kardias) = hart | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = met | ὅλῃ (hole) = heel | τῇ (te) = de | ψυχῇ (psyche) = ziel | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = met | ὅλῃ (hole) = heel | τῇ (te) = de | ἰσχύϊ (ischui) = kracht | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = met | ὅλῃ (hole) = heel | τῇ (te) = het | διανοίᾳ (dianoia) = verstand | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | πλησίον (plesion) = naaste | σου (sou) = je | ὡς (hos) = als | σεαυτόν (seauton) = jezelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Deut. 6:5 en Lev. 19:18. κύριος (kyrios) vertalen wij als ‘Yahweh’, zoals in Deut. 6:5. Het Hebreeuws van Deut. 6:5 noemt hart, ziel en kracht; de Griekse tekst heeft er ook διάνοια (dianoia), ‘verstand’, bij. Voetnoot : Zie ook Matt. 22:37–39; Mark. 12:29–31. Zie ook: Lev 19:18; Deut 6:5; Mat 22:37–39; Mar 12:29–31 **10:28** Hij zei tegen hem: **„Je hebt juist geantwoord. Doe dit, en je zult leven.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ὀρθῶς (Orthos) = juist | ἀπεκρίθης (apekrithes) = je antwoordde | τοῦτο (touto) = dit | ποίει (poiei) = doe | καὶ (kai) = en | ζήσῃ (zese) = je zult leven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Lev. 18:5: ‘De mens die ze doet, zal erdoor leven.’ Zie ook: Lev 18:5 ### De barmhartige Samaritaan **10:29** Maar die wilde zichzelf rechtvaardigen en zei tegen Yeshua: „En wie is mijn naaste?” Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = maar | θέλων (thelon) = willend | δικαιῶσαι (dikaiosai) = rechtvaardigen | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | Καὶ (Kai) = en | τίς (tis) = wie | ἐστίν (estin) = is | μου (mou) = mijn | πλησίον (plesion) = naaste Bron: SBLGNT **10:30** Yeshua nam het woord en zei: **„Een man ging van Jeruzalem naar Jericho af en viel in handen van rovers. Zij kleedden hem uit en brachten hem slagen toe, gingen weg en lieten hem halfdood achter.** Brontekst: ὑπολαβὼν (hypolabon) = nam het woord | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ἄνθρωπός (Anthropos) = mens | τις (tis) = een | κατέβαινεν (katebainen) = ging af | ἀπὸ (apo) = van | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | εἰς (eis) = naar | Ἰεριχὼ (Iericho) = Jericho | καὶ (kai) = en | λῃσταῖς (lestais) = in rovers | περιέπεσεν (periepesen) = viel | οἳ (hoi) = die | καὶ (kai) = ook | ἐκδύσαντες (ekdysantes) = uitgekleed hebbend | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | πληγὰς (plegas) = slagen | ἐπιθέντες (epithentes) = toegebracht hebbend | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | ἀφέντες (aphentes) = achterlatend | ἡμιθανῆ (hemithane) = halfdood Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Deze gelijkenis staat alleen bij Lucas. De weg van Jeruzalem naar Jericho is ongeveer 27 kilometer lang en daalt ongeveer 1000 meter; het was een eenzame weg door rotsachtig gebied. λῃσταί (lestai), ‘rovers’. **10:31** **Toevallig kwam een priester dezelfde weg af. Toen hij hem zag, liep hij aan de overkant voorbij.** Brontekst: κατὰ (kata) = bij | συγκυρίαν (synkyrian) = toeval | δὲ (de) = maar | ἱερεύς (hiereus) = priester | τις (tis) = een | κατέβαινεν (katebainen) = ging af | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | ἐκείνῃ (ekeine) = die | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | αὐτὸν (auton) = hem | ἀντιπαρῆλθεν (antiparelthen) = liep aan de overkant voorbij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een Leviet is een man uit de stam van Levi. Priesters en Levieten dienden in de tempel. **10:32** **Evenzo kwam ook een Leviet bij die plaats, zag hem en liep aan de overkant voorbij.** Brontekst: ὁμοίως (homoios) = evenzo | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | Λευίτης (Leuites) = Leviet | κατὰ (kata) = bij | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | ἀντιπαρῆλθεν (antiparelthen) = liep aan de overkant voorbij Bron: SBLGNT **10:33** **Maar een Samaritaan op reis kwam bij hem, en toen hij hem zag, kreeg hij medelijden.** Brontekst: Σαμαρίτης (Samarites) = Samaritaan | δέ (de) = maar | τις (tis) = een | ὁδεύων (hodeuon) = reizend | ἦλθεν (elthen) = kwam | κατ’ (kat’) = bij | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | ἐσπλαγχνίσθη (esplanchnisthe) = kreeg medelijden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σαμαρίτης (Samarites), ‘Samaritaan’: een inwoner van Samaria. Joden en Samaritanen hadden een gespannen verhouding; zie Joh. 4:9. σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden krijgen’: zie Matt. 9:36. Zie ook: Mat 9:36; Joh 4:9 **10:34** **Hij ging naar hem toe en verbond zijn wonden, waarbij hij er olie en wijn op goot. Hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσελθὼν (proselthon) = naar toe gegaan | κατέδησεν (katedesen) = verbond | τὰ (ta) = de | τραύματα (traumata) = wonden | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐπιχέων (epicheon) = gietend | ἔλαιον (elaion) = olie | καὶ (kai) = en | οἶνον (oinon) = wijn | ἐπιβιβάσας (epibibasas) = gezet hebbend | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = hem | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | ἴδιον (idion) = eigen | κτῆνος (ktenos) = rijdier | ἤγαγεν (egagen) = bracht | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | πανδοχεῖον (pandocheion) = herberg | καὶ (kai) = en | ἐπεμελήθη (epemelethe) = zorgde voor | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κτῆνος (ktenos), ‘rijdier’: een dier om op te rijden of te dragen, zoals een ezel. πανδοχεῖον (pandocheion), ‘herberg’: een plaats langs de weg waar reizigers overnachten. **10:35** **De volgende dag haalde hij 2 denarie tevoorschijn, gaf ze aan de herbergier en zei: ‘Zorg voor hem. Wat je er meer aan uitgeeft, betaal ik je terug wanneer ik terugkom.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | αὔριον (aurion) = volgende dag | ἐκβαλὼν (ekbalon) = tevoorschijn gehaald hebbend | δύο (dyo) = twee | δηνάρια (denaria) = denarie | ἔδωκεν (edoken) = gaf | τῷ (to) = aan de | πανδοχεῖ (pandochei) = herbergier | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐπιμελήθητι (Epimeletheti) = zorg voor | αὐτοῦ (autou) = hem | καὶ (kai) = en | ὅ (ho) = wat | τι (ti) = ook | ἂν (an) = (ooit) | προσδαπανήσῃς (prosdapaneses) = je erbij uitgeeft | ἐγὼ (ego) = ik | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | ἐπανέρχεσθαί (epanerchesthai) = terugkomen | με (me) = mijn | ἀποδώσω (apodoso) = zal ik terugbetalen | σοι (soi) = aan je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 2 denarie is dus ongeveer het loon voor twee dagen. πανδοχεύς (pandocheus), ‘herbergier’. **10:36** **Wie van deze drie lijkt jou de naaste te zijn geworden van degene die in handen van de rovers viel?”** Brontekst: τίς (tis) = wie | τούτων (touton) = van deze | τῶν (ton) = de | τριῶν (trion) = drie | πλησίον (plesion) = naaste | δοκεῖ (dokei) = lijkt | σοι (soi) = jou | γεγονέναι (gegonenai) = geworden te zijn | τοῦ (tou) = van degene die | ἐμπεσόντος (empesontos) = in gevallen was | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | λῃστάς (lestas) = rovers Bron: SBLGNT **10:37** Die zei: „Degene die barmhartigheid aan hem bewees.” Yeshua zei tegen hem: **„Ga heen en doe jij ook zo.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ὁ (Ho) = de | ποιήσας (poiesas) = doende | τὸ (to) = de | ἔλεος (eleos) = barmhartigheid | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = hem | εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Πορεύου (Poreuou) = ga | καὶ (kai) = en | σὺ (sy) = jij | ποίει (poiei) = doe | ὁμοίως (homoios) = evenzo Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’: zie Matt. 23:23. Zie ook: Mat 23:23 ### Marta en Maria **10:38** Terwijl zij verder gingen, kwam Hij zelf in een dorp. Een vrouw die Marta heette, ontving Hem. Brontekst: Ἐν (En) = in | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = het | πορεύεσθαι (poreuesthai) = gaan | αὐτοὺς (autous) = zij | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | κώμην (komen) = dorp | τινά (tina) = een | γυνὴ (gyne) = vrouw | δέ (de) = maar | τις (tis) = een | ὀνόματι (onomati) = met naam | Μάρθα (Martha) = Marta | ὑπεδέξατο (hypedexato) = ontving | αὐτὸν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Lucas noemt de naam van het dorp niet. In Joh. 11:1 wonen Marta en Maria in Betanië. ὑποδέχομαι (hypodechomai), ‘ontvangen’: als gast welkom heten. Zie ook: Joh 11:1 **10:39** Zij had een zus die Maria heette. Die ging ook aan de voeten van Yeshua zitten en luisterde naar Zijn woord. Brontekst: καὶ (kai) = en | τῇδε (tede) = aan deze | ἦν (en) = was | ἀδελφὴ (adelphe) = zus | καλουμένη (kaloumene) = genaamd | Μαριάμ (Mariam) = Maria | ἣ (he) = die | καὶ (kai) = ook | παρακαθεσθεῖσα (parakathestheisa) = zich neergezet hebbend | πρὸς (pros) = bij | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἤκουεν (ekouen) = luisterde | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **10:40** Marta werd helemaal in beslag genomen door het vele dienen. Zij kwam voor Hem staan en zei: „Heer, kan het U niet schelen dat mijn zus mij alleen laat dienen? Zeg haar dan dat zij mij helpt.” Brontekst: ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | Μάρθα (Martha) = Marta | περιεσπᾶτο (periespato) = was in beslag genomen | περὶ (peri) = door | πολλὴν (pollen) = veel | διακονίαν (diakonian) = dienst | ἐπιστᾶσα (epistasa) = erbij gekomen | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Κύριε (Kyrie) = Heer | οὐ (ou) = niet | μέλει (melei) = het is een zorg | σοι (soi) = voor U | ὅτι (hoti) = dat | ἡ (he) = de | ἀδελφή (adelphe) = zus | μου (mou) = mijn | μόνην (monen) = alleen | με (me) = mij | κατέλειπεν (kateleipen) = liet achter | διακονεῖν (diakonein) = om te dienen | εἰπὲ (eipe) = zeg | οὖν (oun) = dus | αὐτῇ (aute) = aan haar | ἵνα (hina) = opdat | μοι (moi) = mij | συναντιλάβηται (synantilabetai) = zij helpt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διακονέω (diakoneo), ‘dienen’, en διακονία (diakonia), ‘dienst’: Marta zorgt voor de gasten. Zie ook Joh. 12:2, waar Marta ook dient. Zie ook: Joh 12:2 **10:41** De Heer antwoordde haar: **„Marta, Marta, je bent bezorgd en maakt je druk over veel dingen.** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = aan haar | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | Μάρθα (Martha) = Marta | Μάρθα (Martha) = Marta | μεριμνᾷς (merimnas) = je bent bezorgd | καὶ (kai) = en | θορυβάζῃ (thorybaze) = maakt je druk | περὶ (peri) = over | πολλά (polla) = veel dingen Bron: SBLGNT **10:42** **Maar weinig is nodig, of maar één ding. Want Maria heeft het goede deel gekozen, en dat zal haar niet afgenomen worden.”** Brontekst: ὀλίγων (oligon) = weinig dingen | δέ (de) = maar | ἐστιν (estin) = is | χρεία (chreia) = nodig | ἢ (e) = of | ἑνός (henos) = van één | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | γὰρ (gar) = namelijk | τὴν (ten) = het | ἀγαθὴν (agathen) = goede | μερίδα (merida) = deel | ἐξελέξατο (exelexato) = koos | ἥτις (hetis) = dat | οὐκ (ouk) = niet | ἀφαιρεθήσεται (aphairethesetai) = zal worden afgenomen | αὐτῆς (autes) = van haar Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ‘maar één ding is nodig’. De SBLGNT heeft ‘weinig is nodig, of maar één’; wij vertalen die tekst. ## Lucas 11 _Het gebed, Yeshua en Beëlzebul, het teken van Jona en de wee-uitspraken_ ### Yeshua leert bidden **11:1** Eens was Hij op een plaats aan het bidden. Toen Hij ophield, zei een van Zijn leerlingen tegen Hem: „Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn leerlingen heeft geleerd.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | εἶναι (einai) = zijn | αὐτὸν (auton) = Hij | ἐν (en) = op | τόπῳ (topo) = plaats | τινὶ (tini) = een | προσευχόμενον (proseuchomenon) = biddend | ὡς (hos) = toen | ἐπαύσατο (epausato) = Hij ophield | εἶπέν (eipen) = zei | τις (tis) = iemand | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | δίδαξον (didaxon) = leer | ἡμᾶς (hemas) = ons | προσεύχεσθαι (proseuchesthai) = bidden | καθὼς (kathos) = zoals | καὶ (kai) = ook | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | ἐδίδαξεν (edidaxen) = leerde | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Johannes is Johannes de Doper. **11:2** Hij zei tegen hen: **„Wanneer jullie bidden, zeg dan: ‘Vader, laat Uw naam geheiligd worden. Laat Uw koninkrijk komen.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὅταν (Hotan) = wanneer | προσεύχησθε (proseuchesthe) = jullie bidden | λέγετε (legete) = zeg | Πάτερ (Pater) = Vader | ἁγιασθήτω (hagiastheto) = laat geheiligd worden | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | σου (sou) = Uw | ἐλθέτω (eltheto) = laat komen | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is de kortere vorm van het gebed dat in Matt. 6:9–13 staat. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben een langere vorm van het gebed, zoals in Matt. 6:9–13 (onder meer ‘Onze Vader in de hemelen’, ‘Laat Uw wil gebeuren’ en ‘maar bevrijd ons van de boze’). Wij vertalen de kortere vorm van de SBLGNT. Voetnoot : Zie ook Matt. 6:9–13. Zie ook: Mat 6:9–13 **11:3** **Geef ons elke dag ons brood voor de komende dag.** Brontekst: τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | ἡμῶν (hemon) = ons | τὸν (ton) = het | ἐπιούσιον (epiousion) = voor de komende dag | δίδου (didou) = geef | ἡμῖν (hemin) = ons | τὸ (to) = het | καθ’ (kath’) = elke | ἡμέραν (hemeran) = dag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιούσιος (epiousios), ‘voor de komende dag’: de betekenis is onzeker; zie Matt. 6:11. τὸ καθ’ ἡμέραν (to kath’ hemeran), ‘elke dag’: in Matt. 6:11 staat ‘vandaag’. Zie ook: Mat 6:11 **11:4** **En vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven ieder die ons iets schuldig is. En breng ons niet in beproeving.’”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄφες (aphes) = vergeef | ἡμῖν (hemin) = ons | τὰς (tas) = de | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | ἡμῶν (hemon) = onze | καὶ (kai) = want | γὰρ (gar) = ook | αὐτοὶ (autoi) = wijzelf | ἀφίομεν (aphiomen) = vergeven | παντὶ (panti) = aan ieder | ὀφείλοντι (opheilonti) = die schuldig is | ἡμῖν (hemin) = ons | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | εἰσενέγκῃς (eisenenkes) = breng binnen | ἡμᾶς (hemas) = ons | εἰς (eis) = in | πειρασμόν (peirasmon) = beproeving Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁμαρτία (hamartia), ‘zonde’: in Matt. 6:12 staat ὀφείλημα (opheilema), ‘schuld’. Hier staat voor degene die ons iets verschuldigd is ὀφείλοντι (opheiloonti), ‘die schuldig is’. πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: zie Matt. 6:13. Zie ook: Mat 6:12; Mat 6:13 ### De vriend om middernacht **11:5** Hij zei tegen hen: **„Wie van jullie heeft een vriend en gaat om middernacht naar hem toe en zegt tegen hem: ‘Vriend, leen mij 3 broden,** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἶπεν (eipen) = Hij zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Τίς (Tis) = wie | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἕξει (hexei) = zal hebben | φίλον (philon) = vriend | καὶ (kai) = en | πορεύσεται (poreusetai) = zal gaan | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | μεσονυκτίου (mesonyktiou) = om middernacht | καὶ (kai) = en | εἴπῃ (eipe) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Φίλε (Phile) = vriend | χρῆσόν (chreson) = leen | μοι (moi) = mij | τρεῖς (treis) = drie | ἄρτους (artous) = broden Bron: SBLGNT **11:6** **want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten’,** Brontekst: ἐπειδὴ (epeide) = omdat | φίλος (philos) = vriend | μου (mou) = mijn | παρεγένετο (paregeneto) = is gekomen | ἐξ (ex) = van | ὁδοῦ (hodou) = reis | πρός (pros) = naar | με (me) = mij | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔχω (echo) = ik heb | ὃ (ho) = wat | παραθήσω (paratheso) = ik zal voorzetten | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **11:7** **en zou die van binnen dan antwoorden: ‘Val mij niet lastig. De deur is al gesloten en mijn kinderen liggen met mij in bed. Ik kan niet opstaan om je iets te geven’?** Brontekst: κἀκεῖνος (kakeinos) = en die | ἔσωθεν (esothen) = van binnen | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἴπῃ (eipe) = zou zeggen | Μή (Me) = niet | μοι (moi) = mij | κόπους (kopous) = lasten | πάρεχε (pareche) = veroorzaak | ἤδη (ede) = al | ἡ (he) = de | θύρα (thyra) = deur | κέκλεισται (kekleistai) = is gesloten | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | παιδία (paidia) = kinderen | μου (mou) = mijn | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = mij | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | κοίτην (koiten) = bed | εἰσίν (eisin) = zijn | οὐ (ou) = niet | δύναμαι (dynamai) = ik kan | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | δοῦναί (dounai) = geven | σοι (soi) = aan je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ‘geven’ geen voorwerp; wij schrijven ‘iets’. De vragen in vers 5–7 vormen in het Grieks één lange vraag. Zie ook: Luc 11:5–7 **11:8** **Ik zeg jullie: ook al staat hij niet op om hem iets te geven omdat hij zijn vriend is, toch zal hij vanwege zijn onbeschaamdheid opstaan. Hij zal hem geven wat hij nodig heeft.** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | εἰ (ei) = als | καὶ (kai) = ook | οὐ (ou) = niet | δώσει (dosei) = hij zal geven | αὐτῷ (auto) = hem | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = het | εἶναι (einai) = zijn | φίλον (philon) = vriend | αὐτοῦ (autou) = zijn | διά (dia) = vanwege | γε (ge) = zeker | τὴν (ten) = de | ἀναίδειαν (anaideian) = onbeschaamdheid | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐγερθεὶς (egertheis) = opgestaan | δώσει (dosei) = zal hij geven | αὐτῷ (auto) = hem | ὅσων (hoson) = zoveel | χρῄζει (chrezei) = hij nodig heeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναίδεια (anaideia), ‘onbeschaamdheid’: aandringen zonder schaamte. Het Grieks heeft hier ‘zijn onbeschaamdheid’; wij lezen: die van de vriend die vraagt. ### Vragen, zoeken, kloppen **11:9** **Ook Ik zeg jullie: vraag, en het zal jullie gegeven worden. Zoek, en jullie zullen vinden. Klop, en er zal voor jullie opengedaan worden.** Brontekst: Κἀγὼ (Kago) = ook Ik | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | λέγω (lego) = zeg | αἰτεῖτε (aiteite) = vraag | καὶ (kai) = en | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ζητεῖτε (zeteite) = zoek | καὶ (kai) = en | εὑρήσετε (heuresete) = jullie zullen vinden | κρούετε (krouete) = klop | καὶ (kai) = en | ἀνοιγήσεται (anoigesetai) = zal opengedaan worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 7:7–11. Zie ook: Mat 7:7–11 **11:10** **Want ieder die vraagt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en voor wie klopt, zal er opengedaan worden.** Brontekst: πᾶς (pas) = ieder | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | αἰτῶν (aiton) = vragende | λαμβάνει (lambanei) = ontvangt | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ζητῶν (zeton) = zoekende | εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = aan de | κρούοντι (krouonti) = kloppende | ἀνοιγήσεται (anoigesetai) = zal opengedaan worden Bron: SBLGNT **11:11** **Welke vader onder jullie zal zijn zoon, als die hem om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven?** Brontekst: τίνα (tina) = welke | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | αἰτήσει (aitesei) = zal vragen | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | ἰχθύν (ichthyn) = vis | καὶ (kai) = en | ἀντὶ (anti) = in plaats van | ἰχθύος (ichthyos) = vis | ὄφιν (ophin) = slang | αὐτῷ (auto) = hem | ἐπιδώσει (epidosei) = zal geven Bron: SBLGNT **11:12** **Of zal hij hem, als die om een ei vraagt, een schorpioen geven?** Brontekst: ἢ (e) = of | καὶ (kai) = ook | αἰτήσει (aitesei) = hij zal vragen | ᾠόν (oon) = ei | ἐπιδώσει (epidosei) = zal hij geven | αὐτῷ (auto) = hem | σκορπίον (skorpion) = schorpioen Bron: SBLGNT **11:13** **Als jullie dan, die slecht zijn, weten hoe je goede gaven aan jullie kinderen geeft: hoeveel meer zal de Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen!”** Brontekst: εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | πονηροὶ (poneroi) = slecht | ὑπάρχοντες (hyparchontes) = zijnde | οἴδατε (oidate) = jullie weten | δόματα (domata) = gaven | ἀγαθὰ (agatha) = goede | διδόναι (didonai) = te geven | τοῖς (tois) = aan de | τέκνοις (teknois) = kinderen | ὑμῶν (hymon) = jullie | πόσῳ (poso) = hoeveel | μᾶλλον (mallon) = meer | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὁ (ho) = die | ἐξ (ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | δώσει (dosei) = zal geven | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ἅγιον (hagion) = Heilige | τοῖς (tois) = aan hen die | αἰτοῦσιν (aitousin) = vragen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πονηρός (poneros), ‘slecht’: zie Matt. 7:11. Daar staan ‘goede dingen’ waar Lucas ‘de Heilige Geest’ heeft. Zie ook: Mat 7:11 ### Yeshua en Beëlzebul **11:14** Hij was een stomme demon aan het uitdrijven. Toen de demon was uitgegaan, sprak de stomme, en de menigten verwonderden zich. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἦν (en) = Hij was | ἐκβάλλων (ekballon) = uitdrijvend | δαιμόνιον (daimonion) = demon | κωφόν (kophon) = stomme | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = toen de | δαιμονίου (daimoniou) = demon | ἐξελθόντος (exelthontos) = uitgegaan was | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | ὁ (ho) = de | κωφός (kophos) = stomme | καὶ (kai) = en | ἐθαύμασαν (ethaumasan) = verwonderden zich | οἱ (hoi) = de | ὄχλοι (ochloi) = menigten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κωφός (kophos), ‘stom’: het woord kan ook ‘doof’ betekenen; hier spreekt de man na de genezing, zoals in Matt. 12:22. Zie ook: Mat 12:22 **11:15** Maar enkelen van hen zeiden: „Hij drijft de demonen uit door Beëlzebul, de leider van de demonen.” Brontekst: τινὲς (tines) = enkelen | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | εἶπον (eipon) = zeiden | Ἐν (En) = door | Βεελζεβοὺλ (Beelzeboul) = Beëlzebul | τῷ (to) = de | ἄρχοντι (archonti) = leider | τῶν (ton) = van de | δαιμονίων (daimonion) = demonen | ἐκβάλλει (ekballei) = drijft uit | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Βεελζεβούλ (Beëlzebul): de naam van de leider van de demonen. De betekenis is onzeker; vergelijk Baäl-Zebub, de god van Ekron (2 Kon. 1:2). Voetnoot : Zie ook Matt. 12:22–32; Mark. 3:22–30. Zie ook: 2 Kon 1:2; Mat 12:22–32; Mar 3:22–30 **11:16** Anderen stelden Hem op de proef en vroegen van Hem een teken uit de hemel. Brontekst: ἕτεροι (heteroi) = anderen | δὲ (de) = maar | πειράζοντες (peirazontes) = op de proef stellend | σημεῖον (semeion) = teken | ἐξ (ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἐζήτουν (ezetoun) = vroegen | παρ’ (par’) = van | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 16:1; Mark. 8:11. Zie ook: Mat 16:1; Mar 8:11 **11:17** Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen hen: **„Elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest, en het ene huis valt op het andere.** Brontekst: αὐτὸς (autos) = Hij | δὲ (de) = maar | εἰδὼς (eidos) = wetend | αὐτῶν (auton) = hun | τὰ (ta) = de | διανοήματα (dianoemata) = gedachten | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Πᾶσα (Pasa) = elk | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | ἐφ’ (eph’) = tegen | ἑαυτὴν (heauten) = zichzelf | διαμερισθεῖσα (diameristheisa) = verdeeld | ἐρημοῦται (eremoutai) = wordt verwoest | καὶ (kai) = en | οἶκος (oikos) = huis | ἐπὶ (epi) = op | οἶκον (oikon) = huis | πίπτει (piptei) = valt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διανόημα (dianoema), ‘gedachte’. Het Grieks heeft letterlijk ‘huis valt op huis’; dat kan betekenen dat een verdeeld huis instort of dat het ene huis op het andere valt. Wij schrijven ‘het ene huis valt op het andere’. **11:18** **Als ook Satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn koninkrijk dan standhouden? Want jullie zeggen dat Ik de demonen door Beëlzebul uitdrijf.** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | ἐφ’ (eph’) = tegen | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | διεμερίσθη (diemeristhe) = is verdeeld | πῶς (pos) = hoe | σταθήσεται (stathesetai) = zal standhouden | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὅτι (hoti) = omdat | λέγετε (legete) = jullie zeggen | ἐν (en) = door | Βεελζεβοὺλ (Beelzeboul) = Beëlzebul | ἐκβάλλειν (ekballein) = uitdrijven | με (me) = Mij | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen Bron: SBLGNT **11:19** **En als Ik de demonen door Beëlzebul uitdrijf, door wie drijven jullie zonen ze dan uit? Daarom zullen zij jullie rechters zijn.** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐν (en) = door | Βεελζεβοὺλ (Beelzeboul) = Beëlzebul | ἐκβάλλω (ekballo) = uitdrijf | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐν (en) = door | τίνι (tini) = wie | ἐκβάλλουσιν (ekballousin) = drijven uit | διὰ (dia) = door | τοῦτο (touto) = dit | αὐτοὶ (autoi) = zij | ὑμῶν (hymon) = jullie | κριταὶ (kritai) = rechters | ἔσονται (esontai) = zullen zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱοὶ ὑμῶν (huioi hymon), ‘jullie zonen’: mensen uit jullie eigen kring. **11:20** **Maar als Ik de demonen door de vinger van Elohim uitdrijf, dan is het koninkrijk van Elohim bij jullie gekomen.** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = door | δακτύλῳ (daktylo) = vinger | θεοῦ (theou) = van Elohim | ἐκβάλλω (ekballo) = Ik drijf uit | τὰ (ta) = de | δαιμόνια (daimonia) = demonen | ἄρα (ara) = dan | ἔφθασεν (ephthasen) = is gekomen | ἐφ’ (eph’) = bij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De vinger van Elohim’: zie Exod. 8:15, waar de magiërs dit zeggen over een plaag. In Matt. 12:28 staat ‘door de Geest van Elohim’. ἔφθασεν (ephthasen), ‘is gekomen’: het is aangekomen, het heeft jullie bereikt. Zie ook: Ex 8:15; Mat 12:28 **11:21** **Wanneer een sterke man, volledig gewapend, zijn eigen binnenplaats bewaakt, is zijn bezit veilig.** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | ὁ (ho) = de | ἰσχυρὸς (ischyros) = sterke | καθωπλισμένος (kathoplismenos) = gewapend | φυλάσσῃ (phylasse) = bewaakt | τὴν (ten) = de | ἑαυτοῦ (heautou) = eigen | αὐλήν (aulen) = binnenplaats | ἐν (en) = in | εἰρήνῃ (eirene) = vrede | ἐστὶν (estin) = is | τὰ (ta) = de | ὑπάρχοντα (hyparchonta) = bezittingen | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αὐλή (aule), ‘binnenplaats’: het open erf binnen het huis of de ommuurde ruimte om het huis. ἐν εἰρήνῃ (en eirene), letterlijk ‘in vrede’: ongestoord, veilig. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:29; Mark. 3:27. Zie ook: Mat 12:29; Mar 3:27 **11:22** **Maar zodra iemand die sterker is dan hij, hem aanvalt en overwint, neemt die zijn wapenrusting af waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit.** Brontekst: ἐπὰν (epan) = zodra | δὲ (de) = maar | ἰσχυρότερος (ischyroteros) = sterker | αὐτοῦ (autou) = dan hij | ἐπελθὼν (epelthon) = aangevallen hebbend | νικήσῃ (nikese) = hij overwint | αὐτόν (auton) = hem | τὴν (ten) = de | πανοπλίαν (panoplian) = wapenrusting | αὐτοῦ (autou) = zijn | αἴρει (airei) = neemt weg | ἐφ’ (eph’) = op | ᾗ (he) = welke | ἐπεποίθει (epepoithei) = hij vertrouwde | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | σκῦλα (skyla) = buit | αὐτοῦ (autou) = zijn | διαδίδωσιν (diadidosin) = verdeelt Bron: SBLGNT **11:23** **Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij verzamelt, verstrooit.** Brontekst: ὁ (ho) = die | μὴ (me) = niet | ὢν (on) = zijnde | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | κατ’ (kat’) = tegen | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = die | μὴ (me) = niet | συνάγων (synagon) = verzamelend | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | σκορπίζει (skorpizei) = verstrooit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 12:30. Zie ook: Mat 12:30 ### De onreine geest keert terug **11:24** **Wanneer de onreine geest uit de mens is weggegaan, gaat hij door dorre plaatsen, op zoek naar rust. Als hij die niet vindt, zegt hij: ‘Ik zal terugkeren naar mijn huis, vanwaar ik ben weggegaan.’** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | τὸ (to) = de | ἀκάθαρτον (akatharton) = onreine | πνεῦμα (pneuma) = geest | ἐξέλθῃ (exelthe) = uitgaat | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | διέρχεται (dierchetai) = gaat door | δι’ (di’) = door | ἀνύδρων (anydron) = waterloze | τόπων (topon) = plaatsen | ζητοῦν (zetoun) = zoekend | ἀνάπαυσιν (anapausin) = rust | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | εὑρίσκον (heuriskon) = vindend | λέγει (legei) = zegt | Ὑποστρέψω (Hypostrepso) = ik zal terugkeren | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκόν (oikon) = huis | μου (mou) = mijn | ὅθεν (hothen) = vanwaar | ἐξῆλθον (exelthon) = ik ging uit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀκάθαρτον πνεῦμα (akatharton pneuma), ‘onreine geest’: een demon. ἄνυδρος (anydros), letterlijk ‘waterloos’, hier ‘dor’. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:43–45. Zie ook: Mat 12:43–45 **11:25** **En als hij komt, vindt hij het aangeveegd en versierd.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὸν (elthon) = gekomen | εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | σεσαρωμένον (sesaromenon) = aangeveegd | καὶ (kai) = en | κεκοσμημένον (kekosmemenon) = versierd Bron: SBLGNT **11:26** **Dan gaat hij en neemt zeven andere geesten mee die slechter zijn dan hijzelf. Zij gaan naar binnen en wonen daar. Dan wordt het einde van die mens erger dan het begin.”** Brontekst: τότε (tote) = toen | πορεύεται (poreuetai) = gaat | καὶ (kai) = en | παραλαμβάνει (paralambanei) = neemt mee | ἕτερα (hetera) = andere | πνεύματα (pneumata) = geesten | πονηρότερα (ponerotera) = slechter | ἑαυτοῦ (heautou) = dan zichzelf | ἑπτά (hepta) = zeven | καὶ (kai) = en | εἰσελθόντα (eiselthonta) = binnengegaan | κατοικεῖ (katoikei) = wonen | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = en | γίνεται (ginetai) = wordt | τὰ (ta) = de | ἔσχατα (eschata) = laatste dingen | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἐκείνου (ekeinou) = die | χείρονα (cheirona) = erger | τῶν (ton) = dan de | πρώτων (proton) = eerste Bron: SBLGNT ### Gelukkig wie het woord bewaart **11:27** Terwijl Hij dit zei, verhief een vrouw uit de menigte haar stem. Zij zei tegen Hem: „Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten waaraan U gezoogd hebt!” Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | λέγειν (legein) = zeggen | αὐτὸν (auton) = Hij | ταῦτα (tauta) = dit | ἐπάρασά (eparasa) = verheffend | τις (tis) = een | φωνὴν (phonen) = stem | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Μακαρία (Makaria) = gelukkig | ἡ (he) = de | κοιλία (koilia) = schoot | ἡ (he) = die | βαστάσασά (bastasasa) = gedragen hebbende | σε (se) = U | καὶ (kai) = en | μαστοὶ (mastoi) = borsten | οὓς (hous) = die | ἐθήλασας (ethelasas) = U zoogde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De vrouw prijst de moeder van Yeshua gelukkig. **11:28** Hij zei: **„Gelukkig zijn juist zij die het woord van Elohim horen en bewaren.”** Brontekst: αὐτὸς (autos) = Hij zelf | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Μενοῦν (Menoun) = veeleer | μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | ἀκούοντες (akouontes) = horende | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | φυλάσσοντες (phylassontes) = bewarende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μενοῦν (menoun), ‘veeleer’: het woord verbetert of vult aan wat de vrouw zegt; wij schrijven ‘juist’. φυλάσσω (phylasso), ‘bewaren’. ### Het teken van Jona **11:29** Toen de menigten zich om Hem verdrongen, begon Hij te zeggen: **„Deze generatie is een slechte generatie. Zij vraagt om een teken, maar er zal haar geen teken gegeven worden, behalve het teken van Jona.** Brontekst: Τῶν (Ton) = de | δὲ (de) = maar | ὄχλων (ochlon) = menigten | ἐπαθροιζομένων (epathroizomenon) = zich verdringend | ἤρξατο (erxato) = begon | λέγειν (legein) = te zeggen | Ἡ (He) = de | γενεὰ (genea) = generatie | αὕτη (haute) = deze | γενεὰ (genea) = generatie | πονηρά (ponera) = slechte | ἐστιν (estin) = is | σημεῖον (semeion) = teken | ζητεῖ (zetei) = zoekt | καὶ (kai) = en | σημεῖον (semeion) = teken | οὐ (ou) = niet | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | αὐτῇ (aute) = aan haar | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken | Ἰωνᾶ (Iona) = van Jona Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σημεῖον (semeion), ‘teken’: een wonder dat iets bewijst. γενεά (genea), ‘generatie’: de tijdgenoten. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:38–42; Matt. 16:1–4. Zie ook: Mat 12:38–42; Mat 16:1–4 **11:30** **Want zoals Jona een teken was voor de Ninevieten, zo zal ook de Mensenzoon dat zijn voor deze generatie.** Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | γὰρ (gar) = want | ἐγένετο (egeneto) = werd | Ἰωνᾶς (Ionas) = Jona | τοῖς (tois) = aan de | Νινευίταις (Nineuitais) = Ninevieten | σημεῖον (semeion) = teken | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | τῇ (te) = voor de | γενεᾷ (genea) = generatie | ταύτῃ (taute) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De Mensenzoon’: zie 5:24. Het teken van Jona: zie Jona 2:1. Matt. 12:40 verbindt dit teken met de drie dagen in de buik van de vis; Lucas zegt dat hier niet. Zie ook: Jona 2:1; Mat 12:40 **11:31** **De koningin van het zuiden zal opgewekt worden in het oordeel, samen met de mannen van deze generatie, en zal hen veroordelen. Want zij kwam van de uiteinden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen. En zie: hier is meer dan Salomo.** Brontekst: βασίλισσα (basilissa) = koningin | νότου (notou) = van het zuiden | ἐγερθήσεται (egerthesetai) = zal opgewekt worden | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | κρίσει (krisei) = oordeel | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ἀνδρῶν (andron) = mannen | τῆς (tes) = van de | γενεᾶς (geneas) = generatie | ταύτης (tautes) = deze | καὶ (kai) = en | κατακρινεῖ (katakrinei) = zal veroordelen | αὐτούς (autous) = hen | ὅτι (hoti) = omdat | ἦλθεν (elthen) = kwam | ἐκ (ek) = van | τῶν (ton) = de | περάτων (peraton) = uiteinden | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | ἀκοῦσαι (akousai) = om te horen | τὴν (ten) = de | σοφίαν (sophian) = wijsheid | Σολομῶνος (Solomonos) = van Salomo | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | πλεῖον (pleion) = meer | Σολομῶνος (Solomonos) = dan Salomo | ὧδε (hode) = hier Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie 1 Kon. 10:1–10: de koningin van Sjeba kwam om de wijsheid van Salomo te horen. Het Grieks heeft νότος (notos), ‘zuiden’. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:42. Zie ook: 1 Kon 10:1–10; Mat 12:42 **11:32** **Mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel, samen met deze generatie, en zullen haar veroordelen. Want zij bekeerden zich op de verkondiging van Jona. En zie: hier is meer dan Jona.** Brontekst: ἄνδρες (andres) = mannen | Νινευῖται (Nineuitai) = van Nineve | ἀναστήσονται (anastesontai) = zullen opstaan | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | κρίσει (krisei) = oordeel | μετὰ (meta) = met | τῆς (tes) = de | γενεᾶς (geneas) = generatie | ταύτης (tautes) = deze | καὶ (kai) = en | κατακρινοῦσιν (katakrinousin) = zullen veroordelen | αὐτήν (auten) = haar | ὅτι (hoti) = omdat | μετενόησαν (metenoesan) = zij bekeerden zich | εἰς (eis) = tot | τὸ (to) = de | κήρυγμα (kerygma) = verkondiging | Ἰωνᾶ (Iona) = van Jona | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | πλεῖον (pleion) = meer | Ἰωνᾶ (Iona) = dan Jona | ὧδε (hode) = hier Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: Zie Jona 3:5: de mannen van Nineve geloofden in Elohim en bekeerden zich. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:41. Zie ook: Jona 3:5; Mat 12:41 ### De lamp van het lichaam **11:33** **Niemand die een lamp heeft aangestoken, zet hem op een verborgen plek of onder de korenmaat, maar op de lampenstandaard, zodat wie binnenkomen het licht zien.** Brontekst: Οὐδεὶς (Oudeis) = niemand | λύχνον (lychnon) = lamp | ἅψας (hapsas) = aangestoken hebbend | εἰς (eis) = op | κρύπτην (krypten) = verborgen plek | τίθησιν (tithesin) = zet | οὐδὲ (oude) = noch | ὑπὸ (hypo) = onder | τὸν (ton) = de | μόδιον (modion) = korenmaat | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | λυχνίαν (lychnian) = lampenstandaard | ἵνα (hina) = opdat | οἱ (hoi) = zij die | εἰσπορευόμενοι (eisporeuomenoi) = binnenkomen | τὸ (to) = het | φέγγος (phengos) = licht | βλέπωσιν (bleposin) = zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μόδιος (modios), ‘korenmaat’, en λυχνία (lychnia), ‘lampenstandaard’: zie Matt. 5:15. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:15; Mark. 4:21; Luc. 8:16. Zie ook: Mat 5:15; Mar 4:21; Luc 8:16 **11:34** **De lamp van het lichaam is je oog. Wanneer je oog zuiver is, is ook heel je lichaam vol licht. Maar wanneer het slecht is, is ook je lichaam vol duisternis.** Brontekst: ὁ (ho) = de | λύχνος (lychnos) = lamp | τοῦ (tou) = van het | σώματός (somatos) = lichaam | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = het | ὀφθαλμός (ophthalmos) = oog | σου (sou) = je | ὅταν (hotan) = wanneer | ὁ (ho) = het | ὀφθαλμός (ophthalmos) = oog | σου (sou) = je | ἁπλοῦς (haplous) = zuiver | ᾖ (e) = is | καὶ (kai) = ook | ὅλον (holon) = heel | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | σου (sou) = je | φωτεινόν (photeinon) = vol licht | ἐστιν (estin) = is | ἐπὰν (epan) = wanneer | δὲ (de) = maar | πονηρὸς (poneros) = slecht | ᾖ (e) = is | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | σου (sou) = je | σκοτεινόν (skoteinon) = vol duisternis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁπλοῦς (haplous), ‘zuiver’, en πονηρός (poneros), ‘slecht’: zie Matt. 6:22–23. Voetnoot : Zie ook Matt. 6:22–23. Zie ook: Mat 6:22–23 **11:35** **Let dus op dat het licht in jou geen duisternis is.** Brontekst: σκόπει (skopei) = let op | οὖν (oun) = dus | μὴ (me) = dat niet | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | τὸ (to) = dat | ἐν (en) = in | σοὶ (soi) = jou | σκότος (skotos) = duisternis | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT **11:36** **Als dus heel je lichaam vol licht is en geen enkel deel duister is, dan zal het geheel vol licht zijn. Het is dan zoals wanneer de lamp je met zijn felle glans verlicht.”** Brontekst: εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | σου (sou) = je | ὅλον (holon) = heel | φωτεινόν (photeinon) = vol licht | μὴ (me) = niet | ἔχον (echon) = hebbend | μέρος (meros) = deel | τι (ti) = enig | σκοτεινόν (skoteinon) = duister | ἔσται (estai) = zal zijn | φωτεινὸν (photeinon) = vol licht | ὅλον (holon) = geheel | ὡς (hos) = zoals | ὅταν (hotan) = wanneer | ὁ (ho) = de | λύχνος (lychnos) = lamp | τῇ (te) = met de | ἀστραπῇ (astrape) = felle glans | φωτίζῃ (photize) = verlicht | σε (se) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀστραπή (astrape), ‘felle glans’: letterlijk ‘bliksem’, zoals in 10:18; hier het schitterende licht van de lamp. ### Wee over de Farizeeën en de wetgeleerden **11:37** Terwijl Hij sprak, vroeg een Farizeeër Hem om bij hem te eten. Hij ging naar binnen en ging aan tafel. Brontekst: Ἐν (En) = in | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = het | λαλῆσαι (lalesai) = spreken | ἐρωτᾷ (erota) = vraagt | αὐτὸν (auton) = Hem | Φαρισαῖος (Pharisaios) = Farizeeër | ὅπως (hopos) = opdat | ἀριστήσῃ (aristese) = hij eet | παρ’ (par’) = bij | αὐτῷ (auto) = hem | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | δὲ (de) = maar | ἀνέπεσεν (anepesen) = ging aan tafel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀριστάω (aristao), ‘eten’: de eerste maaltijd of de maaltijd rond het middaguur. ἀναπίπτω (anapipto), ‘aan tafel gaan’: letterlijk ‘achterover gaan liggen’; men lag aan tafel. **11:38** De Farizeeër zag dit en verwonderde zich dat Hij zich niet eerst had ondergedompeld vóór het eten. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Φαρισαῖος (Pharisaios) = Farizeeër | ἰδὼν (idon) = ziende | ἐθαύμασεν (ethaumasen) = verwonderde zich | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | πρῶτον (proton) = eerst | ἐβαπτίσθη (ebaptisthe) = zich onderdompelde | πρὸ (pro) = vóór | τοῦ (tou) = het | ἀρίστου (aristou) = eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαπτίζω (baptizo), ‘zich onderdompelen’: het ritueel schoonmaken vóór het eten; zie Mark. 7:3–4. Zie ook: Mar 7:3–4 **11:39** De Heer zei tegen hem: **„Nu reinigen jullie Farizeeën de buitenkant van de beker en van de schaal, maar jullie binnenste is vol roof en slechtheid.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = hem | Νῦν (Nyn) = nu | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | τὸ (to) = de | ἔξωθεν (exothen) = buitenkant | τοῦ (tou) = van de | ποτηρίου (poteriou) = beker | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van de | πίνακος (pinakos) = schaal | καθαρίζετε (katharizete) = reinigen | τὸ (to) = het | δὲ (de) = maar | ἔσωθεν (esothen) = binnenste | ὑμῶν (hymon) = van jullie | γέμει (gemei) = is vol | ἁρπαγῆς (harpages) = van roof | καὶ (kai) = en | πονηρίας (ponerias) = van slechtheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πίναξ (pinax), ‘schaal’; πονηρία (poneria), ‘slechtheid’. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:25–26. Zie ook: Mat 23:25–26 **11:40** **Dwazen! Heeft Hij die de buitenkant gemaakt heeft, niet ook de binnenkant gemaakt?** Brontekst: ἄφρονες (aphrones) = dwazen | οὐχ (ouch) = niet | ὁ (ho) = de | ποιήσας (poiesas) = maker | τὸ (to) = de | ἔξωθεν (exothen) = buitenkant | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | ἔσωθεν (esothen) = binnenste | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Hij die de buitenkant gemaakt heeft’ is Elohim. **11:41** **Geef liever wat erin is als aalmoes, en zie: alles is rein voor jullie.** Brontekst: πλὴν (plen) = maar | τὰ (ta) = de dingen | ἐνόντα (enonta) = die erin zijn | δότε (dote) = geef | ἐλεημοσύνην (eleemosynen) = aalmoes | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | πάντα (panta) = alles | καθαρὰ (kathara) = rein | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὰ ἐνόντα (ta enonta), ‘wat erin is’: de betekenis is moeilijk. Het kan gaan om wat in de beker en de schaal zit, of om wat in het hart is. Wij vertalen letterlijk. ἐλεημοσύνη (eleemosyne), ‘aalmoes’: zie Matt. 6:2. Zie ook: Mat 6:2 **11:42** **Maar wee jullie, Farizeeën! Want jullie geven de tiende van munt, wijnruit en elk tuinkruid, en jullie gaan voorbij aan het recht en de liefde van Elohim. Dit had men moeten doen, zonder dat andere na te laten.** Brontekst: Ἀλλὰ (Alla) = maar | οὐαὶ (ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | τοῖς (tois) = de | Φαρισαίοις (Pharisaiois) = Farizeeën | ὅτι (hoti) = omdat | ἀποδεκατοῦτε (apodekatoute) = jullie geven de tiende van | τὸ (to) = de | ἡδύοσμον (hedyosmon) = munt | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | πήγανον (peganon) = wijnruit | καὶ (kai) = en | πᾶν (pan) = elk | λάχανον (lachanon) = tuinkruid | καὶ (kai) = en | παρέρχεσθε (parerchesthe) = jullie gaan voorbij aan | τὴν (ten) = het | κρίσιν (krisin) = recht | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | ἀγάπην (agapen) = liefde | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ταῦτα (tauta) = dit | δὲ (de) = maar | ἔδει (edei) = moest | ποιῆσαι (poiesai) = gedaan worden | κἀκεῖνα (kakeina) = en dat andere | μὴ (me) = niet | παρεῖναι (pareinai) = nalaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποδεκατόω (apodekatoo), ‘de tiende geven van’: zie Lev. 27:30 en Deut. 14:22. ἡδύοσμον (hedyosmon), ‘munt’, πήγανον (peganon), ‘wijnruit’ en λάχανον (lachanon), ‘tuinkruid’ zijn planten uit de tuin. κρίσις (krisis), ‘recht’. ἡ ἀγάπη τοῦ θεοῦ (he agape tou theou) kan ‘de liefde voor Elohim’ en ‘de liefde van Elohim’ betekenen; wij laten het open. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:23. Zie ook: Lev 27:30; Deut 14:22; Mat 23:23 **11:43** **Wee jullie, Farizeeën! Want jullie hebben de voorste zetel in de synagogen lief en de begroetingen op de markten.** Brontekst: οὐαὶ (ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | τοῖς (tois) = de | Φαρισαίοις (Pharisaiois) = Farizeeën | ὅτι (hoti) = omdat | ἀγαπᾶτε (agapate) = jullie hebben lief | τὴν (ten) = de | πρωτοκαθεδρίαν (protokathedrian) = voorste zetel | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἀσπασμοὺς (aspasmous) = begroetingen | ἐν (en) = op | ταῖς (tais) = de | ἀγοραῖς (agorais) = markten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρωτοκαθεδρία (protokathedria), ‘voorste zetel’: de ereplaats in de synagoge. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:6–7; Mark. 12:38–39. Zie ook: Mat 23:6–7; Mar 12:38–39 **11:44** **Wee jullie! Want jullie zijn als de graven die men niet ziet, en de mensen die erover lopen, weten het niet.”** Brontekst: οὐαὶ (ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = omdat | ἐστὲ (este) = jullie zijn | ὡς (hos) = als | τὰ (ta) = de | μνημεῖα (mnemeia) = graven | τὰ (ta) = de | ἄδηλα (adela) = onzichtbare | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | οἱ (hoi) = die | περιπατοῦντες (peripatountes) = lopende | ἐπάνω (epano) = erboven | οὐκ (ouk) = niet | οἴδασιν (oidasin) = weten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μνημεῖα τὰ ἄδηλα (mnemeia ta adela), ‘graven die men niet ziet’: onopvallende graven. Vergelijk Num. 19:16: wie een graf aanraakt, is zeven dagen onrein. Zulke graven maken mensen onrein zonder dat zij het weten. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:27. Zie ook: Num 19:16; Mat 23:27 **11:45** Een van de wetgeleerden antwoordde Hem: „Leraar, als U dit zegt, beledigt U ons ook.” Brontekst: Ἀποκριθεὶς (Apokritheis) = antwoordend | δέ (de) = maar | τις (tis) = een | τῶν (ton) = van de | νομικῶν (nomikon) = wetgeleerden | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | ταῦτα (tauta) = dit | λέγων (legon) = zeggend | καὶ (kai) = ook | ἡμᾶς (hemas) = ons | ὑβρίζεις (hybrizeis) = beledigt U Bron: SBLGNT **11:46** Hij zei: **„Wee ook jullie, wetgeleerden! Want jullie beladen de mensen met lasten die zwaar te dragen zijn, en zelf raken jullie die lasten niet met één van jullie vingers aan.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Καὶ (Kai) = ook | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | τοῖς (tois) = de | νομικοῖς (nomikois) = wetgeleerden | οὐαί (ouai) = wee | ὅτι (hoti) = omdat | φορτίζετε (phortizete) = jullie beladen | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | φορτία (phortia) = lasten | δυσβάστακτα (dysbastakta) = moeilijk te dragen | καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zijzelf | ἑνὶ (heni) = met één | τῶν (ton) = van de | δακτύλων (daktylon) = vingers | ὑμῶν (hymon) = jullie | οὐ (ou) = niet | προσψαύετε (prospsauete) = raken aan | τοῖς (tois) = de | φορτίοις (phortiois) = lasten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φορτίον (phortion), ‘last’; δυσβάστακτος (dysbastaktos), ‘zwaar te dragen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:4. Zie ook: Mat 23:4 **11:47** **Wee jullie! Want jullie bouwen de graven van de profeten, en jullie vaders hebben hen gedood.** Brontekst: οὐαὶ (ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = omdat | οἰκοδομεῖτε (oikodomeite) = jullie bouwen | τὰ (ta) = de | μνημεῖα (mnemeia) = graven | τῶν (ton) = van de | προφητῶν (propheton) = profeten | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | πατέρες (pateres) = vaders | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἀπέκτειναν (apekteinan) = doodden | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **11:48** **Zo zijn jullie getuigen en stemmen jullie in met de werken van jullie vaders. Want zij hebben hen gedood, en jullie bouwen.** Brontekst: ἄρα (ara) = dus | μάρτυρές (martyres) = getuigen | ἐστε (este) = jullie zijn | καὶ (kai) = en | συνευδοκεῖτε (syneudokeite) = jullie stemmen in | τοῖς (tois) = met de | ἔργοις (ergois) = werken | τῶν (ton) = van de | πατέρων (pateron) = vaders | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὅτι (hoti) = omdat | αὐτοὶ (autoi) = zij | μὲν (men) = wel | ἀπέκτειναν (apekteinan) = doodden | αὐτοὺς (autous) = hen | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | οἰκοδομεῖτε (oikodomeite) = bouwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνευδοκέω (syneudokeo), ‘instemmen met’. Het Grieks heeft bij ‘bouwen’ geen voorwerp; bedoeld zijn de graven uit vers 47. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:29–31. Zie ook: Mat 23:29–31; Luc 11:47 **11:49** **Daarom heeft ook de wijsheid van Elohim gezegd: ‘Ik zal profeten en apostelen naar hen zenden, en sommigen van hen zullen zij doden en vervolgen,** Brontekst: διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | καὶ (kai) = ook | ἡ (he) = de | σοφία (sophia) = wijsheid | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀποστελῶ (Apostelo) = Ik zal zenden | εἰς (eis) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | προφήτας (prophetas) = profeten | καὶ (kai) = en | ἀποστόλους (apostolous) = apostelen | καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | ἀποκτενοῦσιν (apoktenousin) = zullen zij doden | καὶ (kai) = en | διώξουσιν (dioxousin) = zullen zij vervolgen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De wijsheid van Elohim’ wordt hier sprekend ingevoerd. Een bepaald vers in de Schrift wordt niet aangewezen; vergelijk Matt. 23:34, waar Yeshua het zelf zegt. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is. Zie ook: Mat 23:34 **11:50** **opdat het bloed van alle profeten, dat sinds de grondlegging van de wereld vergoten is, van deze generatie geëist wordt,** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | ἐκζητηθῇ (ekzetethe) = zal worden geëist | τὸ (to) = het | αἷμα (haima) = bloed | πάντων (panton) = van alle | τῶν (ton) = de | προφητῶν (propheton) = profeten | τὸ (to) = het | ἐκκεχυμένον (ekkechymenon) = vergoten | ἀπὸ (apo) = vanaf | καταβολῆς (kataboles) = grondlegging | κόσμου (kosmou) = van de wereld | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | γενεᾶς (geneas) = generatie | ταύτης (tautes) = deze Bron: SBLGNT **11:51** **vanaf het bloed van Abel tot het bloed van Zacharia, die omkwam tussen het altaar en het huis.’ Ja, Ik zeg jullie: het zal van deze generatie geëist worden.** Brontekst: ἀπὸ (apo) = vanaf | αἵματος (haimatos) = bloed | Ἅβελ (Habel) = van Abel | ἕως (heos) = tot | αἵματος (haimatos) = bloed | Ζαχαρίου (Zachariou) = van Zacharia | τοῦ (tou) = de | ἀπολομένου (apolomenou) = omgekomene | μεταξὺ (metaxy) = tussen | τοῦ (tou) = het | θυσιαστηρίου (thysiasteriou) = altaar | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = het | οἴκου (oikou) = huis | ναί (nai) = ja | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐκζητηθήσεται (ekzetethesetai) = zal worden geëist | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | γενεᾶς (geneas) = generatie | ταύτης (tautes) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Abel: Gen. 4:8–10. Welke Zacharia bedoeld wordt, laten wij open; vergelijk 2 Kron. 24:20–22 en Matt. 23:35. οἶκος (oikos), ‘huis’: hier het heiligdom; in Matt. 23:35 staat ναός (naos), ‘heiligdom’. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:34–36. Zie ook: Gen 4:8–10; 2 Kron 24:20–22; Mat 23:34–36; Mat 23:35 **11:52** **Wee jullie, wetgeleerden! Want jullie hebben de sleutel van de kennis weggenomen. Zelf zijn jullie niet binnengegaan, en wie naar binnen gingen, hebben jullie tegengehouden.”** Brontekst: οὐαὶ (ouai) = wee | ὑμῖν (hymin) = jullie | τοῖς (tois) = de | νομικοῖς (nomikois) = wetgeleerden | ὅτι (hoti) = omdat | ἤρατε (erate) = jullie namen weg | τὴν (ten) = de | κλεῖδα (kleida) = sleutel | τῆς (tes) = van de | γνώσεως (gnoseos) = kennis | αὐτοὶ (autoi) = zijzelf | οὐκ (ouk) = niet | εἰσήλθατε (eiselthate) = gingen binnen | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | εἰσερχομένους (eiserchomenous) = binnengaanden | ἐκωλύσατε (ekolysate) = verhinderden jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κλείς (kleis), ‘sleutel’; γνῶσις (gnosis), ‘kennis’. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:13. Zie ook: Mat 23:13 ### Het verzet neemt toe **11:53** Toen Hij daar vandaan ging, begonnen de schriftgeleerden en de Farizeeën Hem fel te bestoken en Hem over veel dingen uit te vragen. Brontekst: Κἀκεῖθεν (Kakeithen) = en vandaar | ἐξελθόντος (exelthontos) = uitgegaan | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | δεινῶς (deinos) = fel | ἐνέχειν (enechein) = vijandig te zijn | καὶ (kai) = en | ἀποστοματίζειν (apostomatizein) = uit te vragen | αὐτὸν (auton) = Hem | περὶ (peri) = over | πλειόνων (pleionon) = meer dingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐνέχω (enecho), ‘bestoken’: zeer vijandig zijn tegen iemand. ἀποστοματίζω (apostomatizo), ‘uitvragen’: iemand met vragen tot antwoorden dwingen. Dit woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor en de betekenis is niet helemaal zeker. **11:54** Zij loerden op Hem om iets uit Zijn mond te vangen. Brontekst: ἐνεδρεύοντες (enedreuontes) = belagend | αὐτὸν (auton) = Hem | θηρεῦσαί (thereusai) = om te vangen | τι (ti) = iets | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | στόματος (stomatos) = mond | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT ## Lucas 12 _Wees niet bang, de rijke dwaas, wees niet bezorgd en waak, vuur en verdeeldheid_ ### Pas op voor de huichelarij **12:1** Intussen waren tienduizenden uit de menigte bijeengekomen, zodat zij elkaar vertrapten. Hij begon eerst tegen Zijn leerlingen te zeggen: **„Neem jullie in acht voor het zuurdesem van de Farizeeën, dat is huichelarij.** Brontekst: Ἐν (En) = in | οἷς (hois) = welke | ἐπισυναχθεισῶν (episynachtheison) = bijeengekomen | τῶν (ton) = de | μυριάδων (myriadon) = tienduizenden | τοῦ (tou) = van de | ὄχλου (ochlou) = menigte | ὥστε (hoste) = zodat | καταπατεῖν (katapatein) = vertrappen | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | ἤρξατο (erxato) = begon | λέγειν (legein) = te zeggen | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | πρῶτον (proton) = eerst | Προσέχετε (Prosechete) = neem in acht | ἑαυτοῖς (heautois) = zichzelf | ἀπὸ (apo) = voor | τῆς (tes) = het | ζύμης (zymes) = zuurdesem | ἥτις (hetis) = dat | ἐστὶν (estin) = is | ὑπόκρισις (hypokrisis) = huichelarij | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μυριάς (myrias), ‘tienduizendtal’: het meervoud wijst op een enorme menigte. ζύμη (zyme), ‘zuurdesem’: oud deeg dat zuur geworden is en een heel deeg doet rijzen; zie Matt. 16:6 en Mark. 8:15. Hier legt Lucas uit wat het is: ὑπόκρισις (hypokrisis), ‘huichelarij’. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:6; Mark. 8:15. Zie ook: Mat 16:6; Mar 8:15 **12:2** **Er is niets bedekt wat niet onthuld zal worden, en niets verborgen wat niet bekend zal worden.** Brontekst: οὐδὲν (ouden) = niets | δὲ (de) = maar | συγκεκαλυμμένον (synkekalymmenon) = bedekt | ἐστὶν (estin) = is | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἀποκαλυφθήσεται (apokalyphthesetai) = onthuld zal worden | καὶ (kai) = en | κρυπτὸν (krypton) = verborgen | ὃ (ho) = wat | οὐ (ou) = niet | γνωσθήσεται (gnosthesetai) = bekend zal worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 10:26; Mark. 4:22. Zie ook: Mat 10:26; Mar 4:22 **12:3** **Daarom: alles wat jullie in het donker gezegd hebben, zal in het licht gehoord worden. En wat jullie in de binnenkamers in het oor gesproken hebben, zal vanaf de daken verkondigd worden.** Brontekst: ἀνθ’ (anth’) = daarom | ὧν (hon) = omdat | ὅσα (hosa) = alles wat | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | σκοτίᾳ (skotia) = donker | εἴπατε (eipate) = jullie zeiden | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | φωτὶ (photi) = licht | ἀκουσθήσεται (akousthesetai) = zal gehoord worden | καὶ (kai) = en | ὃ (ho) = wat | πρὸς (pros) = in | τὸ (to) = het | οὖς (ous) = oor | ἐλαλήσατε (elalesate) = jullie spraken | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | ταμείοις (tameiois) = binnenkamers | κηρυχθήσεται (kerychthesetai) = zal verkondigd worden | ἐπὶ (epi) = op | τῶν (ton) = de | δωμάτων (domaton) = daken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνθ’ ὧν (anth’ hon), ‘daarom’: letterlijk ‘in ruil voor wat’. ταμεῖον (tameion), ‘binnenkamer’: zie Matt. 6:6. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:27. Zie ook: Mat 6:6; Mat 10:27 ### Wees niet bang voor mensen **12:4** **Ik zeg jullie, Mijn vrienden: wees niet bang voor hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen.** Brontekst: Λέγω (Lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | τοῖς (tois) = de | φίλοις (philois) = vrienden | μου (mou) = Mijn | μὴ (me) = niet | φοβηθῆτε (phobethete) = wees bang | ἀπὸ (apo) = voor | τῶν (ton) = de | ἀποκτεινόντων (apokteinonton) = dodenden | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | μὴ (me) = niet | ἐχόντων (echonton) = hebbend | περισσότερόν (perissoteron) = meer | τι (ti) = iets | ποιῆσαι (poiesai) = te doen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φίλος (philos), ‘vriend’: zie Joh. 15:14–15. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:28. Zie ook: Mat 10:28; Joh 15:14–15 **12:5** **Ik zal jullie laten zien voor wie jullie bang moeten zijn. Wees bang voor Hem die, nadat Hij gedood heeft, het gezag heeft om in de Gehenna te werpen. Ja, Ik zeg jullie: wees bang voor Hem.** Brontekst: ὑποδείξω (hypodeixo) = Ik zal tonen | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | τίνα (tina) = wie | φοβηθῆτε (phobethete) = jullie bang moeten zijn | φοβήθητε (phobethete) = wees bang | τὸν (ton) = voor degene | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = gedood hebben | ἔχοντα (echonta) = hebbend | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἐμβαλεῖν (embalein) = te werpen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | γέενναν (geennan) = Gehenna | ναί (nai) = ja | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | τοῦτον (touton) = voor deze | φοβήθητε (phobethete) = wees bang Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: van het Hebreeuwse גֵּי הִנֹּם (ge-hinnom), het dal van Hinnom ten zuiden van Jeruzalem (Joz. 15:8; Jer. 7:31). Het is een beeld van het oordeel. ‘Hem die het gezag heeft’ is Elohim. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:28. Zie ook: Joz 15:8; Jer 7:31; Mat 10:28 **12:6** **Worden 5 mussen niet voor 2 assaria verkocht? En niet één van hen is vergeten voor het oog van Elohim.** Brontekst: οὐχὶ (ouchi) = toch niet | πέντε (pente) = vijf | στρουθία (strouthia) = mussen | πωλοῦνται (polountai) = worden verkocht | ἀσσαρίων (assarion) = voor assaria | δύο (dyo) = twee | καὶ (kai) = en | ἓν (hen) = één | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐπιλελησμένον (epilelesmenon) = vergeten | ἐνώπιον (enopion) = in het oog van | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀσσάριον (assarion): een kleine koperen munt, ongeveer een zestiende deel van een denarie. Een denarie was ongeveer het loon voor een dag werk; 2 assaria zijn dus ongeveer een achtste van een dagloon. στρουθίον (strouthion), ‘mus’: een klein vogeltje. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:29. Zie ook: Mat 10:29 **12:7** **Zelfs alle haren van jullie hoofd zijn geteld. Wees niet bang: jullie zijn meer waard dan veel mussen.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | αἱ (hai) = de | τρίχες (triches) = haren | τῆς (tes) = van het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd | ὑμῶν (hymon) = jullie | πᾶσαι (pasai) = alle | ἠρίθμηνται (erithmentai) = zijn geteld | μὴ (me) = niet | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang | πολλῶν (pollon) = veel | στρουθίων (strouthion) = mussen | διαφέρετε (diapherete) = jullie zijn meer waard Bron: SBLGNT ### Belijden of verloochenen **12:8** **Ik zeg jullie: ieder die Mij belijdt voor de mensen, ook de Mensenzoon zal hem belijden voor de engelen van Elohim.** Brontekst: Λέγω (Lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | πᾶς (pas) = ieder | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = ook | ὁμολογήσῃ (homologese) = belijdt | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ὁμολογήσει (homologesei) = zal belijden | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τῶν (ton) = de | ἀγγέλων (angelon) = engelen | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Letterlijk ‘belijdt in Mij’; dat is een Semitische manier van zeggen, zoals in Matt. 10:32. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:32–33. Zie ook: Mat 10:32 **12:9** **Maar wie Mij verloochent voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van Elohim.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἀρνησάμενός (arnesamenos) = verloochenende | με (me) = Mij | ἐνώπιον (enopion) = voor | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ἀπαρνηθήσεται (aparnethesetai) = zal verloochend worden | ἐνώπιον (enopion) = voor | τῶν (ton) = de | ἀγγέλων (angelon) = engelen | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **12:10** **En ieder die een woord spreekt tegen de Mensenzoon, hem zal het vergeven worden. Maar wie tegen de Heilige Geest lastert, hem zal het niet vergeven worden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = ieder | ὃς (hos) = wie | ἐρεῖ (erei) = zal spreken | λόγον (logon) = woord | εἰς (eis) = tegen | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = zal vergeven worden | αὐτῷ (auto) = aan hem | τῷ (to) = aan de | δὲ (de) = maar | εἰς (eis) = tegen | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | πνεῦμα (pneuma) = Geest | βλασφημήσαντι (blasphemesanti) = lasterende | οὐκ (ouk) = niet | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = zal vergeven worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βλασφημέω (blasphemeo), ‘lasteren’: kwaadspreken, vooral over Elohim. Voetnoot : Zie ook Matt. 12:31–32; Mark. 3:28–30. Zie ook: Mat 12:31–32; Mar 3:28–30 ### De Heilige Geest zal jullie leren **12:11** **Wanneer men jullie voor de synagogen, de overheden en de gezagsdragers brengt, maak je dan geen zorgen over hoe of waarmee jullie je moeten verdedigen, of wat jullie moeten zeggen.** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | εἰσφέρωσιν (eispherosin) = zij brengen binnen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐπὶ (epi) = voor | τὰς (tas) = de | συναγωγὰς (synagogas) = synagogen | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | ἀρχὰς (archas) = overheden | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | ἐξουσίας (exousias) = gezagsdragers | μὴ (me) = niet | μεριμνήσητε (merimnesete) = maak je zorgen | πῶς (pos) = hoe | ἢ (e) = of | τί (ti) = wat | ἀπολογήσησθε (apologesesthe) = jullie je verdedigen | ἢ (e) = of | τί (ti) = wat | εἴπητε (eipete) = jullie zeggen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρχή (arche), ‘overheid’, en ἐξουσία (exousia), ‘gezag’, in het meervoud ‘gezagsdragers’: bestuurders die het gezag hebben. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:17–20; Mark. 13:9–11. Zie ook: Mat 10:17–20; Mar 13:9–11 **12:12** **Want de Heilige Geest zal jullie op datzelfde uur leren wat jullie moeten zeggen.”** Brontekst: τὸ (to) = de | γὰρ (gar) = want | ἅγιον (hagion) = Heilige | πνεῦμα (pneuma) = Geest | διδάξει (didaxei) = zal onderwijzen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐν (en) = op | αὐτῇ (aute) = datzelfde | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | ἃ (ha) = wat | δεῖ (dei) = nodig is | εἰπεῖν (eipein) = te zeggen Bron: SBLGNT ### De rijke dwaas **12:13** Iemand uit de menigte zei tegen Hem: „Leraar, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij verdeelt.” Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | δέ (de) = maar | τις (tis) = iemand | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | εἰπὲ (eipe) = zeg | τῷ (to) = aan de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | μου (mou) = mijn | μερίσασθαι (merisasthai) = te verdelen | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = mij | τὴν (ten) = de | κληρονομίαν (kleronomian) = erfenis Bron: SBLGNT **12:14** Hij zei tegen hem: **„Mens, wie heeft Mij aangesteld als rechter of verdeler over jullie?”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἄνθρωπε (Anthrope) = mens | τίς (tis) = wie | με (me) = Mij | κατέστησεν (katestesen) = stelde aan | κριτὴν (kriten) = rechter | ἢ (e) = of | μεριστὴν (meristen) = verdeler | ἐφ’ (eph’) = over | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 2:14: ‘Wie heeft jou aangesteld als leider en rechter over ons?’ μεριστής (meristes), ‘verdeler’: iemand die een erfenis verdeelt. Zie ook: Ex 2:14 **12:15** Hij zei tegen hen: **„Let op en pas op voor elke hebzucht. Want het leven van een mens bestaat niet in de overvloed van wat hij bezit.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Ὁρᾶτε (Horate) = let op | καὶ (kai) = en | φυλάσσεσθε (phylassesthe) = pas op | ἀπὸ (apo) = voor | πάσης (pases) = elke | πλεονεξίας (pleonexias) = hebzucht | ὅτι (hoti) = want | οὐκ (ouk) = niet | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | περισσεύειν (perisseuein) = overvloed hebben | τινὶ (tini) = aan iemand | ἡ (he) = het | ζωὴ (zoe) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐστιν (estin) = is | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ὑπαρχόντων (hyparchonton) = bezittingen | αὐτῷ (auto) = aan hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πλεονεξία (pleonexia), ‘hebzucht’. Het Grieks is hier beknopt: letterlijk ‘niet in het overvloed hebben van iemand is zijn leven uit wat hem toebehoort’. Wij vertalen: het leven van een mens bestaat niet in de overvloed van wat hij bezit. **12:16** Hij vertelde hun een gelijkenis: **„Het land van een rijke man bracht veel op.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | πρὸς (pros) = tegen | αὐτοὺς (autous) = hen | λέγων (legon) = zeggend | Ἀνθρώπου (Anthropou) = van mens | τινὸς (tinos) = een | πλουσίου (plousiou) = rijke | εὐφόρησεν (euphoresen) = bracht veel op | ἡ (he) = het | χώρα (chora) = land Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Deze gelijkenis staat alleen bij Lucas. χώρα (chora), ‘land’: het bouwland van de man. **12:17** **Hij overlegde bij zichzelf: ‘Wat zal ik doen, want ik heb geen plaats om mijn vruchten op te slaan?’** Brontekst: καὶ (kai) = en | διελογίζετο (dielogizeto) = overlegde | ἐν (en) = bij | ἑαυτῷ (heauto) = zichzelf | λέγων (legon) = zeggend | Τί (Ti) = wat | ποιήσω (poieso) = zal ik doen | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | ἔχω (echo) = ik heb | ποῦ (pou) = waar | συνάξω (synaxo) = ik zal opslaan | τοὺς (tous) = de | καρπούς (karpous) = vruchten | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **12:18** **Hij zei: ‘Dit zal ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere. Daar zal ik al mijn graan en mijn goederen opslaan.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Τοῦτο (Touto) = dit | ποιήσω (poieso) = zal ik doen | καθελῶ (kathelo) = zal ik afbreken | μου (mou) = mijn | τὰς (tas) = de | ἀποθήκας (apothekas) = schuren | καὶ (kai) = en | μείζονας (meizonas) = grotere | οἰκοδομήσω (oikodomeso) = zal ik bouwen | καὶ (kai) = en | συνάξω (synaxo) = zal ik opslaan | ἐκεῖ (ekei) = daar | πάντα (panta) = al | τὸν (ton) = het | σῖτον (siton) = graan | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | ἀγαθά (agatha) = goederen | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **12:19** **En ik zal tegen mijn ziel zeggen: „Ziel, je hebt veel goederen liggen voor vele jaren. Rust uit, eet, drink en wees vrolijk.”’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐρῶ (ero) = zal ik zeggen | τῇ (te) = aan de | ψυχῇ (psyche) = ziel | μου (mou) = mijn | Ψυχή (Psyche) = ziel | ἔχεις (echeis) = je hebt | πολλὰ (polla) = veel | ἀγαθὰ (agatha) = goederen | κείμενα (keimena) = liggend | εἰς (eis) = voor | ἔτη (ete) = jaren | πολλά (polla) = vele | ἀναπαύου (anapauou) = rust uit | φάγε (phage) = eet | πίε (pie) = drink | εὐφραίνου (euphrainou) = wees vrolijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘ziel’: de man spreekt tegen zichzelf. In vers 22–23 vertalen wij ψυχή met ‘leven’. Vergelijk Pred. 8:15 en Jes. 22:13: ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we!’ Zie ook: Pred 8:15; Jes 22:13; Luc 12:22–23 **12:20** **Maar Elohim zei tegen hem: ‘Dwaas! In deze nacht eisen zij je ziel van je terug. Van wie zal zijn wat je hebt klaargemaakt?’** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | Ἄφρων (Aphron) = dwaas | ταύτῃ (taute) = in deze | τῇ (te) = de | νυκτὶ (nykti) = nacht | τὴν (ten) = de | ψυχήν (psychen) = ziel | σου (sou) = je | ἀπαιτοῦσιν (apaitousin) = eisen terug | ἀπὸ (apo) = van | σοῦ (sou) = je | ἃ (ha) = wat | δὲ (de) = maar | ἡτοίμασας (hetoimasas) = je hebt klaargemaakt | τίνι (tini) = van wie | ἔσται (estai) = zal zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄφρων (aphron), ‘dwaas’: iemand zonder inzicht; hetzelfde woord als in 11:40. ἀπαιτέω (apaiteo), ‘terugeisen’. Het Grieks heeft een meervoud zonder genoemd onderwerp (‘zij eisen’). **12:21** **Zo gaat het met wie schatten voor zichzelf verzamelt en niet rijk is voor Elohim.”** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | ὁ (ho) = de | θησαυρίζων (thesaurizon) = schatten verzamelende | ἑαυτῷ (heauto) = voor zichzelf | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | εἰς (eis) = voor | θεὸν (theon) = Elohim | πλουτῶν (plouton) = rijk zijnde Bron: SBLGNT ### Wees niet bezorgd **12:22** Hij zei tegen Zijn leerlingen: **„Daarom zeg Ik jullie: wees niet bezorgd over het leven, over wat jullie zullen eten, en niet over het lichaam, over wat jullie zullen aantrekken.** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Διὰ (Dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | μὴ (me) = niet | μεριμνᾶτε (merimnate) = wees bezorgd | τῇ (te) = over het | ψυχῇ (psyche) = leven | τί (ti) = wat | φάγητε (phagete) = jullie zullen eten | μηδὲ (mede) = noch | τῷ (to) = over het | σώματι (somati) = lichaam | τί (ti) = wat | ἐνδύσησθε (endysesthe) = jullie zullen aantrekken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’: het Hebreeuwse נֶפֶשׁ (nefesh). Voetnoot : Zie ook Matt. 6:25–34. Zie ook: Mat 6:25–34 **12:23** **Want het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding.** Brontekst: ἡ (he) = het | γὰρ (gar) = want | ψυχὴ (psyche) = leven | πλεῖόν (pleion) = meer | ἐστιν (estin) = is | τῆς (tes) = dan het | τροφῆς (trophes) = voedsel | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | τοῦ (tou) = dan de | ἐνδύματος (endymatos) = kleding Bron: SBLGNT **12:24** **Bekijk goed de raven: zij zaaien niet en oogsten niet, zij hebben geen voorraadkamer en geen schuur, en Elohim voedt hen. Hoeveel meer zijn jullie waard dan de vogels!** Brontekst: κατανοήσατε (katanoesate) = bekijk goed | τοὺς (tous) = de | κόρακας (korakas) = raven | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | σπείρουσιν (speirousin) = zij zaaien | οὐδὲ (oude) = en niet | θερίζουσιν (therizousin) = zij oogsten | οἷς (hois) = voor wie | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ταμεῖον (tameion) = voorraadkamer | οὐδὲ (oude) = en niet | ἀποθήκη (apotheke) = schuur | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τρέφει (trephei) = voedt | αὐτούς (autous) = hen | πόσῳ (poso) = hoeveel | μᾶλλον (mallon) = meer | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | διαφέρετε (diapherete) = zijn waard | τῶν (ton) = dan de | πετεινῶν (peteinon) = vogels Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόραξ (korax), ‘raaf’: vergelijk Ps. 147:9 en Job 38:41, waar Elohim de raven voedt. ταμεῖον (tameion): elders ‘binnenkamer’ (vers 3 en Matt. 6:6); hier is het een opslagplaats, daarom ‘voorraadkamer’. ἀποθήκη (apotheke), ‘schuur’. Voetnoot : Zie ook Matt. 6:26. Zie ook: Job 38:41; Ps 147:9; Mat 6:6; Mat 6:26; Luc 12:3 **12:25** **Wie van jullie kan, door zich zorgen te maken, een el aan zijn lengte toevoegen?** Brontekst: τίς (tis) = wie | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | μεριμνῶν (merimnon) = zich zorgen makend | δύναται (dynatai) = kan | ἐπὶ (epi) = aan | τὴν (ten) = de | ἡλικίαν (helikian) = lengte | αὐτοῦ (autou) = zijn | προσθεῖναι (prostheinai) = toevoegen | πῆχυν (pechyn) = el Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πῆχυς (pechys), ‘el’: ongeveer 45 centimeter. ἡλικία (helikia) kan ‘lengte’ en ‘levensduur’ betekenen; wij kiezen ‘lengte’, zoals in Matt. 6:27. Zie ook: Mat 6:27 **12:26** **Als jullie dus zelfs het geringste niet kunnen, waarom zijn jullie dan bezorgd over de rest?** Brontekst: εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | οὐδὲ (oude) = zelfs niet | ἐλάχιστον (elachiston) = het geringste | δύνασθε (dynasthe) = jullie kunnen | τί (ti) = waarom | περὶ (peri) = over | τῶν (ton) = de | λοιπῶν (loipon) = overige dingen | μεριμνᾶτε (merimnate) = zijn jullie bezorgd Bron: SBLGNT **12:27** **Bekijk goed de lelies, hoe zij groeien. Zij zwoegen niet en spinnen niet. Maar Ik zeg jullie: zelfs Salomo was in al zijn heerlijkheid niet gekleed als een van deze.** Brontekst: κατανοήσατε (katanoesate) = bekijk goed | τὰ (ta) = de | κρίνα (krina) = lelies | πῶς (pos) = hoe | αὐξάνει (auxanei) = zij groeien | οὐ (ou) = niet | κοπιᾷ (kopia) = zij zwoegen | οὐδὲ (oude) = en niet | νήθει (nethei) = zij spinnen | λέγω (lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐδὲ (oude) = zelfs niet | Σολομὼν (Solomon) = Salomo | ἐν (en) = in | πάσῃ (pase) = al | τῇ (te) = de | δόξῃ (doxe) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = zijn | περιεβάλετο (periebaleto) = was gekleed | ὡς (hos) = als | ἓν (hen) = één | τούτων (touton) = van deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίνον (krinon), ‘lelie’: zie Matt. 6:28. Voetnoot : Zie ook Matt. 6:28–29. Zie ook: Mat 6:28 **12:28** **Het gras is vandaag in het veld en wordt morgen in de oven geworpen. Als Elohim dat zo kleedt, hoeveel meer zal Hij jullie dan kleden, kleingelovigen!** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | ἀγρῷ (agro) = veld | τὸν (ton) = het | χόρτον (chorton) = gras | ὄντα (onta) = zijnde | σήμερον (semeron) = vandaag | καὶ (kai) = en | αὔριον (aurion) = morgen | εἰς (eis) = in | κλίβανον (klibanon) = oven | βαλλόμενον (ballomenon) = geworpen wordend | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | οὕτως (houtos) = zo | ἀμφιέζει (amphiezei) = kleedt | πόσῳ (poso) = hoeveel | μᾶλλον (mallon) = meer | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὀλιγόπιστοι (oligopistoi) = kleingelovigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het werkwoord bij ‘hoeveel meer jullie’ ontbreekt in het Grieks; wij schrijven ‘zal Hij jullie kleden’. κλίβανος (klibanos), ‘oven’: zie Matt. 6:30. Vergelijk Jes. 40:6–8 en Ps. 103:15–16, waar de mens als gras is. Voetnoot : Zie ook Matt. 6:30. Zie ook: Ps 103:15–16; Jes 40:6–8; Mat 6:30 **12:29** **En jullie, zoek niet naar wat jullie zullen eten en wat jullie zullen drinken, en wees niet onrustig.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | μὴ (me) = niet | ζητεῖτε (zeteite) = zoek | τί (ti) = wat | φάγητε (phagete) = jullie zullen eten | καὶ (kai) = en | τί (ti) = wat | πίητε (piete) = jullie zullen drinken | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | μετεωρίζεσθε (meteorizesthe) = wees onrustig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετεωρίζομαι (meteorizomai), ‘onrustig zijn’: letterlijk ‘in de lucht hangen’, dus heen en weer geslingerd worden door zorg of twijfel. Het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. **12:30** **Want al deze dingen jagen de volken van de wereld na. Maar jullie Vader weet dat jullie ze nodig hebben.** Brontekst: ταῦτα (tauta) = deze dingen | γὰρ (gar) = want | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | ἐπιζητοῦσιν (epizetousin) = jagen na | ὑμῶν (hymon) = van jullie | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | οἶδεν (oiden) = weet | ὅτι (hoti) = dat | χρῄζετε (chrezete) = jullie nodig hebben | τούτων (touton) = van deze Bron: SBLGNT **12:31** **Zoek liever Zijn koninkrijk, en dit zal jullie erbij gegeven worden.** Brontekst: πλὴν (plen) = maar | ζητεῖτε (zeteite) = zoek | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = deze dingen | προστεθήσεται (prostethesetai) = zal erbij gegeven worden | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Zijn koninkrijk’ is het koninkrijk van Elohim. In Matt. 6:33 staat ‘het koninkrijk en Zijn gerechtigheid’. Zie ook: Mat 6:33 ### Een schat in de hemelen **12:32** **Wees niet bang, kleine kudde, want jullie Vader heeft er behagen in jullie het koninkrijk te geven.** Brontekst: Μὴ (Me) = niet | φοβοῦ (phobou) = wees bang | τὸ (to) = de | μικρὸν (mikron) = kleine | ποίμνιον (poimnion) = kudde | ὅτι (hoti) = omdat | εὐδόκησεν (eudokesen) = had behagen | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | δοῦναι (dounai) = te geven | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐδοκέω (eudokeo), ‘behagen hebben’: zoals in Matt. 3:17. ποίμνιον (poimnion), ‘kudde’: een kleine kudde schapen. Zie ook: Mat 3:17 **12:33** **Verkoop jullie bezittingen en geef aalmoezen. Maak voor jullie geldbuidels die niet verslijten, een onuitputtelijke schat in de hemelen, waar geen dief in de buurt komt en geen mot iets vernietigt.** Brontekst: πωλήσατε (polesate) = verkoop | τὰ (ta) = de | ὑπάρχοντα (hyparchonta) = bezittingen | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | δότε (dote) = geef | ἐλεημοσύνην (eleemosynen) = aalmoes | ποιήσατε (poiesate) = maak | ἑαυτοῖς (heautois) = voor jullie | βαλλάντια (ballantia) = geldbuidels | μὴ (me) = niet | παλαιούμενα (palaioumena) = verslijtend | θησαυρὸν (thesauron) = schat | ἀνέκλειπτον (anekleipton) = onuitputtelijke | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | ὅπου (hopou) = waar | κλέπτης (kleptes) = dief | οὐκ (ouk) = niet | ἐγγίζει (engizei) = nadert | οὐδὲ (oude) = noch | σὴς (ses) = mot | διαφθείρει (diaphtheirei) = vernietigt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαλλάντιον (ballantion), ‘geldbuidel’: zie 10:4. Voetnoot : Zie ook Matt. 6:19–21. Zie ook: Mat 6:19–21 **12:34** **Want waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn.** Brontekst: ὅπου (hopou) = waar | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | θησαυρὸς (thesauros) = schat | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = ook | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔσται (estai) = zal zijn Bron: SBLGNT ### Wees klaar en waak **12:35** **Laat jullie lendenen omgord zijn en jullie lampen branden.** Brontekst: Ἔστωσαν (Estosan) = laten zijn | ὑμῶν (hymon) = jullie | αἱ (hai) = de | ὀσφύες (osphyes) = lendenen | περιεζωσμέναι (periezosmenai) = omgord | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | λύχνοι (lychnoi) = lampen | καιόμενοι (kaiomenoi) = brandend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De lendenen omgorden: de lange kleding met een gordel opschorten, om klaar te staan voor het werk of de reis. Vergelijk Exod. 12:11 en 2 Kon. 4:29. Zie ook: Ex 12:11; 2 Kon 4:29 **12:36** **En jullie, wees als mensen die op hun heer wachten wanneer hij van de bruiloft terugkeert, zodat zij hem meteen opendoen als hij komt en klopt.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὅμοιοι (homoioi) = gelijk aan | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | προσδεχομένοις (prosdechomenois) = wachtend op | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = heer | ἑαυτῶν (heauton) = hun eigen | πότε (pote) = wanneer | ἀναλύσῃ (analyse) = hij terugkeert | ἐκ (ek) = van | τῶν (ton) = de | γάμων (gamon) = bruiloft | ἵνα (hina) = opdat | ἐλθόντος (elthontos) = gekomen zijnde | καὶ (kai) = en | κρούσαντος (krousantos) = kloppend | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀνοίξωσιν (anoixosin) = zij opendoen | αὐτῷ (auto) = voor hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen werkwoord: letterlijk ‘en jullie gelijk aan mensen’. Wij lezen: ‘wees als’. **12:37** **Gelukkig die knechten die de heer, wanneer hij komt, wakend vindt. Voorwaar, Ik zeg jullie: hij zal zich omgorden, hen laten aanliggen, langskomen en hen dienen.** Brontekst: μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | δοῦλοι (douloi) = knechten | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = die | οὓς (hous) = wie | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | εὑρήσει (heuresei) = zal vinden | γρηγοροῦντας (gregorountas) = wakend | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | περιζώσεται (perizosetai) = zal zich omgorden | καὶ (kai) = en | ἀνακλινεῖ (anaklinei) = zal laten aanliggen | αὐτοὺς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | παρελθὼν (parelthon) = langsgekomen | διακονήσει (diakonesei) = zal dienen | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; zie Matt. 24:45. ἀνακλίνω (anaklino), ‘laten aanliggen’: aan tafel laten gaan liggen. Zie ook: Mat 24:45 **12:38** **Of hij nu in de tweede of in de derde nachtwake komt en hen zo vindt: gelukkig zijn zij.** Brontekst: κἂν (kan) = en als | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | δευτέρᾳ (deutera) = tweede | κἂν (kan) = en als | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | τρίτῃ (trite) = derde | φυλακῇ (phylake) = nachtwake | ἔλθῃ (elthe) = hij komt | καὶ (kai) = en | εὕρῃ (heure) = hij vindt | οὕτως (houtos) = zo | μακάριοί (makarioi) = gelukkig | εἰσιν (eisin) = zijn | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φυλακή (phylake), ‘nachtwake’: een deel van de nacht; zie Matt. 24:43. Zie ook: Mat 24:43 **12:39** **Maar dit weten jullie: als de heer van het huis had geweten op welk uur de dief komt, had hij zijn huis niet laten openbreken.** Brontekst: Τοῦτο (Touto) = dit | δὲ (de) = maar | γινώσκετε (ginoskete) = weten jullie | ὅτι (hoti) = dat | εἰ (ei) = als | ᾔδει (edei) = wist | ὁ (ho) = de | οἰκοδεσπότης (oikodespotes) = heer van het huis | ποίᾳ (poia) = op welk | ὥρᾳ (hora) = uur | ὁ (ho) = de | κλέπτης (kleptes) = dief | ἔρχεται (erchetai) = komt | οὐκ (ouk) = niet | ἂν (an) = zou | ἀφῆκεν (apheken) = hebben toegelaten | διορυχθῆναι (diorychthenai) = doorgraven te worden | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διορύσσω (diorysso), ‘openbreken’: door de muur van het huis heen graven; vergelijk Exod. 22:1. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:42–44. Zie ook: Ex 22:1; Mat 24:42–44 **12:40** **Wees ook jullie klaar. Want op een uur waarop jullie het niet verwachten, komt de Mensenzoon.”** Brontekst: καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | γίνεσθε (ginesthe) = wees | ἕτοιμοι (hetoimoi) = klaar | ὅτι (hoti) = omdat | ᾗ (he) = op welk | ὥρᾳ (hora) = uur | οὐ (ou) = niet | δοκεῖτε (dokeite) = verwachten jullie | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἔρχεται (erchetai) = komt Bron: SBLGNT ### De trouwe en de ontrouwe beheerder **12:41** Petrus zei: „Heer, zegt U deze gelijkenis tegen ons, of ook tegen allen?” Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | Κύριε (Kyrie) = Heer | πρὸς (pros) = tegen | ἡμᾶς (hemas) = ons | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ταύτην (tauten) = deze | λέγεις (legeis) = zegt U | ἢ (e) = of | καὶ (kai) = ook | πρὸς (pros) = tegen | πάντας (pantas) = allen Bron: SBLGNT **12:42** De Heer zei: **„Wie is dan de trouwe en verstandige beheerder die zijn heer over zijn huispersoneel zal aanstellen om hun op tijd het voedselrantsoen te geven?** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | Τίς (Tis) = wie | ἄρα (ara) = dan | ἐστὶν (estin) = is | ὁ (ho) = de | πιστὸς (pistos) = trouwe | οἰκονόμος (oikonomos) = beheerder | ὁ (ho) = de | φρόνιμος (phronimos) = verstandige | ὃν (hon) = die | καταστήσει (katastesei) = zal aanstellen | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | ἐπὶ (epi) = over | τῆς (tes) = het | θεραπείας (therapeias) = huispersoneel | αὐτοῦ (autou) = zijn | τοῦ (tou) = om | διδόναι (didonai) = te geven | ἐν (en) = op | καιρῷ (kairo) = tijd | τὸ (to) = het | σιτομέτριον (sitometrion) = voedselrantsoen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκονόμος (oikonomos), ‘beheerder’: wie het huishouden van zijn heer beheert. θεραπεία (therapeia), ‘huispersoneel’: de bedienden van het huis; in Matt. 24:45 staat οἰκετεία (oiketeia). σιτομέτριον (sitometrion), ‘voedselrantsoen’: het afgemeten voedsel voor het huispersoneel; dit woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:45–51. Zie ook: Mat 24:45 **12:43** **Gelukkig die knecht die zijn heer, wanneer hij komt, zo bezig vindt.** Brontekst: μακάριος (makarios) = gelukkig | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ὃν (hon) = wie | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | εὑρήσει (heuresei) = zal vinden | ποιοῦντα (poiounta) = doend | οὕτως (houtos) = zo Bron: SBLGNT **12:44** **Werkelijk, Ik zeg jullie: hij zal hem aanstellen over al zijn bezittingen.** Brontekst: ἀληθῶς (alethos) = werkelijk | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐπὶ (epi) = over | πᾶσιν (pasin) = alle | τοῖς (tois) = de | ὑπάρχουσιν (hyparchousin) = bezittingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | καταστήσει (katastesei) = zal aanstellen | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **12:45** **Maar als die knecht in zijn hart zegt: ‘Mijn heer blijft lang weg’, en hij begint de knechten en de dienaressen te slaan, en te eten, te drinken en dronken te worden,** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | εἴπῃ (eipe) = zegt | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | αὐτοῦ (autou) = zijn | Χρονίζει (Chronizei) = talmt | ὁ (ho) = de | κύριός (kyrios) = heer | μου (mou) = mijn | ἔρχεσθαι (erchesthai) = te komen | καὶ (kai) = en | ἄρξηται (arxetai) = begint | τύπτειν (typtein) = te slaan | τοὺς (tous) = de | παῖδας (paidas) = knechten | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | παιδίσκας (paidiskas) = dienaressen | ἐσθίειν (esthiein) = te eten | τε (te) = en | καὶ (kai) = en | πίνειν (pinein) = te drinken | καὶ (kai) = en | μεθύσκεσθαι (methyskesthai) = dronken te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παῖς (pais), ‘knecht’, en παιδίσκη (paidiske), ‘dienares’: de bedienden in het huis, mannen en vrouwen. **12:46** **dan zal de heer van die knecht komen op een dag waarop hij het niet verwacht en op een uur waarop hij het niet weet. Hij zal hem in tweeën houwen en zijn deel bij de ontrouwen plaatsen.** Brontekst: ἥξει (hexei) = zal komen | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τοῦ (tou) = van de | δούλου (doulou) = knecht | ἐκείνου (ekeinou) = die | ἐν (en) = op | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ᾗ (he) = waarop | οὐ (ou) = niet | προσδοκᾷ (prosdoka) = hij verwacht | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = op | ὥρᾳ (hora) = uur | ᾗ (he) = waarop | οὐ (ou) = niet | γινώσκει (ginoskei) = hij weet | καὶ (kai) = en | διχοτομήσει (dichotomesei) = zal in tweeën houwen | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | μέρος (meros) = deel | αὐτοῦ (autou) = zijn | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ἀπίστων (apiston) = ontrouwen | θήσει (thesei) = zal plaatsen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διχοτομέω (dichotomeo), ‘in tweeën houwen’: letterlijk ‘doormidden snijden’; het kan ook beeldspraak zijn voor een zware straf, zoals in Matt. 24:51. ἄπιστος (apistos), ‘ontrouw’: ook ‘ongelovig’; het is het tegenovergestelde van de ‘trouwe’ (πιστός) beheerder in vers 42. In Matt. 24:51 staan ‘huichelaars’. Zie ook: Mat 24:51; Luc 12:42 **12:47** **Die knecht die de wil van zijn heer kende en zich niet heeft voorbereid of niet naar zijn wil heeft gehandeld, zal veel slagen krijgen.** Brontekst: ἐκεῖνος (ekeinos) = die | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | ὁ (ho) = die | γνοὺς (gnous) = gekend hebbend | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἑτοιμάσας (hetoimasas) = voorbereid hebbend | ἢ (e) = of | ποιήσας (poiesas) = gedaan hebbend | πρὸς (pros) = naar | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | αὐτοῦ (autou) = zijn | δαρήσεται (daresetai) = zal geslagen worden | πολλάς (pollas) = veel Bron: SBLGNT **12:48** **Maar wie het niet kende en dingen deed die slagen verdienen, zal er weinig krijgen. Van ieder aan wie veel gegeven is, zal veel gevraagd worden. En van degene aan wie veel is toevertrouwd, zal men nog meer eisen.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | γνοὺς (gnous) = gekend hebbend | ποιήσας (poiesas) = gedaan hebbend | δὲ (de) = maar | ἄξια (axia) = waardige dingen | πληγῶν (plegon) = van slagen | δαρήσεται (daresetai) = zal geslagen worden | ὀλίγας (oligas) = weinig | παντὶ (panti) = aan ieder | δὲ (de) = maar | ᾧ (ho) = aan wie | ἐδόθη (edothe) = is gegeven | πολύ (poly) = veel | πολὺ (poly) = veel | ζητηθήσεται (zetethesetai) = zal gevraagd worden | παρ’ (par’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | καὶ (kai) = en | ᾧ (ho) = aan wie | παρέθεντο (parethento) = zij vertrouwden toe | πολύ (poly) = veel | περισσότερον (perissoteron) = meer | αἰτήσουσιν (aitesousin) = zullen zij eisen | αὐτόν (auton) = van hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δέρω (dero), ‘slaan’: met een stok of zweep slaan. Het Grieks heeft in vers 47–48 alleen ‘veel’ en ‘weinig’; wij schrijven ‘slagen’. Het laatste werkwoord (‘zullen zij eisen’) heeft geen genoemd onderwerp; wij schrijven ‘men’. Zie ook: Luc 12:47–48 ### Vuur en verdeeldheid **12:49** **Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen. Hoe graag wil Ik dat het al is aangestoken!** Brontekst: Πῦρ (Pyr) = vuur | ἦλθον (elthon) = Ik kwam | βαλεῖν (balein) = te werpen | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = aarde | καὶ (kai) = en | τί (ti) = wat | θέλω (thelo) = wil Ik | εἰ (ei) = als | ἤδη (ede) = al | ἀνήφθη (anephthe) = is aangestoken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft letterlijk ‘en wat wil Ik, als het al is aangestoken?’ Wij lezen dit als een verlangen: ‘Hoe graag wil Ik dat het al is aangestoken!’ Andere uitleggingen zijn mogelijk. **12:50** **Maar Ik heb een doop waarmee Ik gedoopt moet worden, en hoe word Ik beklemd totdat die volbracht is!** Brontekst: βάπτισμα (baptisma) = doop | δὲ (de) = maar | ἔχω (echo) = Ik heb | βαπτισθῆναι (baptisthenai) = gedoopt te worden | καὶ (kai) = en | πῶς (pos) = hoe | συνέχομαι (synechomai) = word Ik beklemd | ἕως (heos) = tot | ὅτου (hotou) = wanneer | τελεσθῇ (telesthe) = volbracht is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βάπτισμα (baptisma), ‘doop’: hier een beeld voor het lijden dat Yeshua te wachten staat, zoals in Mark. 10:38. συνέχομαι (synechomai), ‘beklemd worden’: vastgehouden of benauwd zijn. τελέω (teleo), ‘volbrengen’. Zie ook: Mar 10:38 **12:51** **Denken jullie dat Ik gekomen ben om vrede op de aarde te geven? Nee, Ik zeg jullie, maar verdeeldheid.** Brontekst: δοκεῖτε (dokeite) = denken jullie | ὅτι (hoti) = dat | εἰρήνην (eirenen) = vrede | παρεγενόμην (paregenomen) = Ik kwam | δοῦναι (dounai) = te geven | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | γῇ (ge) = aarde | οὐχί (ouchi) = nee | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀλλ’ (all’) = maar | ἢ (e) = of | διαμερισμόν (diamerismon) = verdeeldheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαμερισμός (diamerismos), ‘verdeeldheid’: in Matt. 10:34 staat ‘het zwaard’. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:34–36. Zie ook: Mat 10:34 **12:52** **Want van nu af zullen er 5 in één huis verdeeld zijn: 3 tegen 2 en 2 tegen 3.** Brontekst: ἔσονται (esontai) = zullen zijn | γὰρ (gar) = want | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | νῦν (nyn) = nu | πέντε (pente) = vijf | ἐν (en) = in | ἑνὶ (heni) = één | οἴκῳ (oiko) = huis | διαμεμερισμένοι (diamemerismenoi) = verdeeld | τρεῖς (treis) = drie | ἐπὶ (epi) = tegen | δυσὶν (dysin) = twee | καὶ (kai) = en | δύο (dyo) = twee | ἐπὶ (epi) = tegen | τρισίν (trisin) = drie Bron: SBLGNT **12:53** **Vader zal tegen zoon verdeeld zijn en zoon tegen vader, moeder tegen dochter en dochter tegen moeder, schoonmoeder tegen haar schoondochter en schoondochter tegen schoonmoeder.”** Brontekst: διαμερισθήσονται (diameristhesontai) = zullen verdeeld worden | πατὴρ (pater) = vader | ἐπὶ (epi) = tegen | υἱῷ (huio) = zoon | καὶ (kai) = en | υἱὸς (huios) = zoon | ἐπὶ (epi) = tegen | πατρί (patri) = vader | μήτηρ (meter) = moeder | ἐπὶ (epi) = tegen | θυγατέρα (thygatera) = dochter | καὶ (kai) = en | θυγάτηρ (thygater) = dochter | ἐπὶ (epi) = tegen | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | πενθερὰ (penthera) = schoonmoeder | ἐπὶ (epi) = tegen | τὴν (ten) = de | νύμφην (nymphen) = schoondochter | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | νύμφη (nymphe) = schoondochter | ἐπὶ (epi) = tegen | τὴν (ten) = de | πενθεράν (pentheran) = schoonmoeder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Micha 7:6: ‘de zoon veracht zijn vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder’. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:35–36. Zie ook: Mi 7:6; Mat 10:35–36 ### De tijd beoordelen **12:54** Hij zei ook tegen de menigten: **„Wanneer jullie een wolk in het westen zien opkomen, zeggen jullie meteen: ‘Er komt een regenbui’, en zo gebeurt het.** Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | τοῖς (tois) = tegen de | ὄχλοις (ochlois) = menigten | Ὅταν (Hotan) = wanneer | ἴδητε (idete) = jullie zien | νεφέλην (nephelen) = wolk | ἀνατέλλουσαν (anatellousan) = opkomend | ἐπὶ (epi) = in | δυσμῶν (dysmon) = het westen | εὐθέως (eutheos) = meteen | λέγετε (legete) = jullie zeggen | ὅτι (hoti) = dat | Ὄμβρος (Ombros) = regenbui | ἔρχεται (erchetai) = komt | καὶ (kai) = en | γίνεται (ginetai) = gebeurt | οὕτως (houtos) = zo Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὄμβρος (ombros), ‘regenbui’. ‘In het westen’ (ἐπὶ δυσμῶν, letterlijk ‘bij ondergang’): de kant van de Middellandse Zee, vanwaar de regen komt. Voetnoot : Zie ook Matt. 16:2–3. Zie ook: Mat 16:2–3 **12:55** **En wanneer de zuidenwind waait, zeggen jullie: ‘Er komt hitte’, en het gebeurt.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | νότον (noton) = zuidenwind | πνέοντα (pneonta) = waaiend | λέγετε (legete) = jullie zeggen | ὅτι (hoti) = dat | Καύσων (Kauson) = hitte | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = en | γίνεται (ginetai) = gebeurt Bron: SBLGNT **12:56** **Huichelaars! Het aanzien van de aarde en de hemel weten jullie te beoordelen. Maar deze tijd, hoe weten jullie die niet te beoordelen?** Brontekst: ὑποκριταί (hypokritai) = huichelaars | τὸ (to) = het | πρόσωπον (prosopon) = aanzien | τῆς (tes) = van de | γῆς (ges) = aarde | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | οἴδατε (oidate) = jullie weten | δοκιμάζειν (dokimazein) = te beoordelen | τὸν (ton) = de | δὲ (de) = maar | καιρὸν (kairon) = tijd | τοῦτον (touton) = deze | πῶς (pos) = hoe | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = jullie weten | δοκιμάζειν (dokimazein) = te beoordelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοκιμάζω (dokimazo), ‘beoordelen’: iets toetsen en erover oordelen. καιρός (kairos), ‘tijd’: een bepaald, beslissend moment; zie Mark. 1:15. Zie ook: Mar 1:15 ### De tegenpartij op weg naar de overheid **12:57** **En waarom oordelen jullie niet zelf wat rechtvaardig is?** Brontekst: Τί (Ti) = waarom | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ἀφ’ (aph’) = van | ἑαυτῶν (heauton) = jezelf | οὐ (ou) = niet | κρίνετε (krinete) = jullie oordelen | τὸ (to) = het | δίκαιον (dikaion) = rechtvaardige Bron: SBLGNT **12:58** **Want als je met je tegenpartij naar een overheid gaat, doe dan onderweg moeite om van hem af te komen. Anders sleept hij je naar de rechter, de rechter levert je uit aan de gerechtsdienaar en de gerechtsdienaar werpt je in de gevangenis.** Brontekst: ὡς (hos) = als | γὰρ (gar) = want | ὑπάγεις (hypageis) = je gaat | μετὰ (meta) = met | τοῦ (tou) = de | ἀντιδίκου (antidikou) = tegenpartij | σου (sou) = je | ἐπ’ (ep’) = naar | ἄρχοντα (archonta) = overheid | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | δὸς (dos) = geef | ἐργασίαν (ergasian) = moeite | ἀπηλλάχθαι (apellachthai) = verlost te zijn | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | μήποτε (mepote) = opdat niet | κατασύρῃ (katasyre) = hij sleept | σε (se) = je | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | κριτήν (kriten) = rechter | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | κριτής (krites) = rechter | σε (se) = je | παραδώσει (paradosei) = zal uitleveren | τῷ (to) = aan de | πράκτορι (praktori) = gerechtsdienaar | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πράκτωρ (praktor) = gerechtsdienaar | σε (se) = je | βαλεῖ (balei) = zal werpen | εἰς (eis) = in | φυλακήν (phylaken) = gevangenis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχων (archon), ‘overheid’: een bestuurder die recht spreekt. ἀντίδικος (antidikos), ‘tegenpartij’; κριτής (krites), ‘rechter’; πράκτωρ (praktor), ‘gerechtsdienaar’: iemand die de uitspraak uitvoert; in Matt. 5:25 staat ὑπηρέτης (hyperetes), ‘gerechtsdienaar’. ἐργασίαν δός (ergasian dos), ‘doe moeite’: letterlijk ‘geef werk’. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:25–26. Zie ook: Mat 5:25 **12:59** **Ik zeg je: je komt daar zeker niet uit, totdat je ook de laatste kleine munt hebt betaald.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | σοι (soi) = je | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | ἐξέλθῃς (exelthes) = je komt uit | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | ἕως (heos) = totdat | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = de | ἔσχατον (eschaton) = laatste | λεπτὸν (lepton) = kleine munt | ἀποδῷς (apodos) = je betaalt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λεπτόν (lepton), ‘kleine munt’: de kleinste koperen munt. Twee kleine munten zijn samen een kwadrant (zie Matt. 5:26 en Mark. 12:42), ongeveer 1/64 van een denarie; een kleine munt is dus ongeveer 1/128 van een denarie. Zie ook: Mat 5:26; Mar 12:42 ## Lucas 13 _Bekering, de gebogen vrouw, de nauwe deur en de klacht over Jeruzalem_ ### Zich bekeren of omkomen **13:1** Op datzelfde moment waren er enkelen aanwezig die Hem vertelden over de Galileeërs, wier bloed Pilatus had vermengd met hun offers. Brontekst: Παρῆσαν (Paresan) = waren aanwezig | δέ (de) = en | τινες (tines) = enkelen | ἐν (en) = op | αὐτῷ (auto) = datzelfde | τῷ (to) = het | καιρῷ (kairo) = moment | ἀπαγγέλλοντες (apangellontes) = vertellend | αὐτῷ (auto) = Hem | περὶ (peri) = over | τῶν (ton) = de | Γαλιλαίων (Galilaion) = Galileeërs | ὧν (hon) = wier | τὸ (to) = het | αἷμα (haima) = bloed | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἔμιξεν (emixen) = vermengde | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | θυσιῶν (thysion) = offers | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit voorval staat alleen bij Lucas. Pilatus: zie Matt. 27:2. Het Grieks zegt niet waar of wanneer dit gebeurde. Zie ook: Mat 27:2 **13:2** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Denken jullie dat deze Galileeërs grotere zondaars waren dan alle Galileeërs, omdat zij dit hebben geleden?** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Δοκεῖτε (Dokeite) = denken jullie | ὅτι (hoti) = dat | οἱ (hoi) = de | Γαλιλαῖοι (Galilaioi) = Galileeërs | οὗτοι (houtoi) = deze | ἁμαρτωλοὶ (hamartoloi) = zondaars | παρὰ (para) = meer dan | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | Γαλιλαίους (Galilaious) = Galileeërs | ἐγένοντο (egenonto) = waren | ὅτι (hoti) = omdat | ταῦτα (tauta) = dit | πεπόνθασιν (peponthasin) = zij hebben geleden Bron: SBLGNT **13:3** **Nee, Ik zeg jullie, maar als jullie je niet bekeren, zullen jullie allemaal op dezelfde manier omkomen.** Brontekst: οὐχί (ouchi) = nee | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | μετανοῆτε (metanoete) = jullie zich bekeren | πάντες (pantes) = allen | ὁμοίως (homoios) = op dezelfde manier | ἀπολεῖσθε (apoleisthe) = jullie zullen omkomen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’: zie 3:3. Voetnoot : ἀπόλλυμι (apollymi), ‘omkomen’: hetzelfde werkwoord als ‘verliezen’ en ‘verloren’ in 15:4, 15:17 en 15:24. **13:4** **Of die 18 op wie de toren in Siloam viel en hen doodde: denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle mensen die in Jeruzalem wonen?** Brontekst: ἢ (e) = of | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = die | οἱ (hoi) = de | δεκαοκτὼ (dekaokto) = 18 | ἐφ’ (eph’) = op | οὓς (hous) = wie | ἔπεσεν (epesen) = viel | ὁ (ho) = de | πύργος (pyrgos) = toren | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | Σιλωὰμ (Siloam) = Siloam | καὶ (kai) = en | ἀπέκτεινεν (apekteinen) = doodde | αὐτούς (autous) = hen | δοκεῖτε (dokeite) = denken jullie | ὅτι (hoti) = dat | αὐτοὶ (autoi) = zij | ὀφειλέται (opheiletai) = schuldenaars | ἐγένοντο (egenonto) = waren | παρὰ (para) = meer dan | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | τοὺς (tous) = die | κατοικοῦντας (katoikountas) = wonen | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = in Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Toren in Siloam (ligging onzeker): Lucas 13:4 noemt een toren in Siloam, in het zuiden van het oude Jeruzalem, bij de vijver van Siloam. De plek van de toren zelf is niet te bepalen. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ὀφειλέτης (opheiletes), ‘schuldenaar’: iemand die schuld heeft; vergelijk Matt. 6:12. Wij schrijven ‘schuldiger’, omdat het Grieks twee groepen met elkaar vergelijkt. Voetnoot : Σιλωάμ (Siloam): waarschijnlijk de vijver in het zuiden van Jeruzalem; zie Joh. 9:7. In ons Jesajaboek heet het water ‘de Siloah’ (Jes. 8:6). De tekst zegt niet meer over deze toren of over de 18 mensen. Zie ook: Jes 8:6; Mat 6:12; Joh 9:7 **13:5** **Nee, Ik zeg jullie, maar als jullie je niet bekeren, zullen jullie allemaal net zo omkomen.”** Brontekst: οὐχί (ouchi) = nee | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | μετανοῆτε (metanoete) = jullie zich bekeren | πάντες (pantes) = allen | ὡσαύτως (hosautos) = net zo | ἀπολεῖσθε (apoleisthe) = jullie zullen omkomen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὡσαύτως (hosautos), ‘net zo’: in vers 3 staat ὁμοίως (homoios), ‘op dezelfde manier’. Zie ook: Luc 13:3 ### De vijgenboom zonder vrucht **13:6** Hij vertelde deze gelijkenis: **„Iemand had een vijgenboom, geplant in zijn wijngaard. Hij kwam vrucht zoeken aan de boom en vond niets.** Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = vertelde Hij | δὲ (de) = en | ταύτην (tauten) = deze | τὴν (ten) = de | παραβολήν (parabolen) = gelijkenis | Συκῆν (Syken) = een vijgenboom | εἶχέν (eichen) = had | τις (tis) = iemand | πεφυτευμένην (pephyteumenen) = geplant | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀμπελῶνι (ampeloni) = wijngaard | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | ζητῶν (zeton) = zoekend | καρπὸν (karpon) = vrucht | ἐν (en) = aan | αὐτῇ (aute) = haar | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | εὗρεν (heuren) = vond Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De gelijkenis staat alleen bij Lucas. De vijgenboom en zijn vrucht komen in de profeten voor als beeld van Israël: zie Hos. 9:10; Jer. 8:13; Mi. 7:1. Zie ook: Hos 9:10; Mi 7:1; Jer 8:13 **13:7** **Hij zei tegen de wijnbouwer: ‘Zie, al drie jaar kom ik vrucht zoeken aan deze vijgenboom, en ik vind niets. Hak hem om! Waarom maakt hij ook nog de grond onbruikbaar?’** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = en | πρὸς (pros) = tegen | τὸν (ton) = de | ἀμπελουργόν (ampelourgon) = wijnbouwer | Ἰδοὺ (Idou) = zie | τρία (tria) = drie | ἔτη (ete) = jaren | ἀφ’ (aph’) = sinds | οὗ (hou) = dit | ἔρχομαι (erchomai) = ik kom | ζητῶν (zeton) = zoekend | καρπὸν (karpon) = vrucht | ἐν (en) = aan | τῇ (te) = de | συκῇ (syke) = vijgenboom | ταύτῃ (taute) = deze | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | εὑρίσκω (heurisko) = ik vind | ἔκκοψον (ekkopson) = hak om | αὐτήν (auten) = haar | ἱνατί (hinati) = waarom | καὶ (kai) = ook | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond | καταργεῖ (katargei) = maakt onbruikbaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμπελουργός (ampelourgos), ‘wijnbouwer’: iemand die voor de wijngaard zorgt. Het Grieks zegt letterlijk ‘drie jaren sinds ik kom’. Voetnoot : καταργέω (katargeo), ‘onbruikbaar maken’: letterlijk ‘werkeloos, nutteloos maken’. **13:8** **Die antwoordde en zei tegen hem: ‘Heer, laat hem ook dit jaar staan, totdat ik rond hem heb gegraven en mest heb neergelegd.** Brontekst: ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Κύριε (Kyrie) = heer | ἄφες (aphes) = laat | αὐτὴν (auten) = haar | καὶ (kai) = ook | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = het | ἔτος (etos) = jaar | ἕως (heos) = tot | ὅτου (hotou) = dat | σκάψω (skapso) = ik graaf | περὶ (peri) = rond | αὐτὴν (auten) = haar | καὶ (kai) = en | βάλω (balo) = ik neerleg | κόπρια (kopria) = mest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘heer’: de wijnbouwer spreekt de eigenaar van de wijngaard aan, niet Yeshua. Voetnoot : κόπρια (kopria), ‘mest’. **13:9** **En als hij in de toekomst vrucht draagt… Zo niet, dan zult u hem omhakken.’”** Brontekst: κἂν (kan) = en als | μὲν (men) = zeker | ποιήσῃ (poiese) = draagt | καρπὸν (karpon) = vrucht | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | μέλλον (mellon) = toekomende | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μήγε (mege) = niet | ἐκκόψεις (ekkopseis) = u zult omhakken | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks laat de zin onaf: ‘en als hij in de toekomst vrucht draagt —’. Wij laten dat zo staan, met puntjes. ### De gebogen vrouw op de sabbat **13:10** Op de sabbat was Hij in een van de synagogen aan het onderwijzen. Brontekst: Ἦν (En) = was Hij | δὲ (de) = en | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | ἐν (en) = in | μιᾷ (mia) = een | τῶν (ton) = van de | συναγωγῶν (synagogon) = synagogen | ἐν (en) = op | τοῖς (tois) = de | σάββασιν (sabbasin) = sabbat Bron: SBLGNT **13:11** En zie, er was een vrouw met een geest van ziekte, al 18 jaar lang. Zij was gebogen en kon zich helemaal niet oprichten. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | γυνὴ (gyne) = een vrouw | πνεῦμα (pneuma) = een geest | ἔχουσα (echousa) = hebbend | ἀσθενείας (astheneias) = van ziekte | ἔτη (ete) = jaren | δεκαοκτώ (dekaokto) = 18 | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | συγκύπτουσα (synkyptousa) = gebogen | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | δυναμένη (dynamene) = kunnend | ἀνακύψαι (anakypsai) = zich oprichten | εἰς (eis) = tot | τὸ (to) = het | παντελές (panteles) = geheel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα ἀσθενείας (pneuma astheneias), ‘een geest van ziekte’: letterlijk. ἀσθένεια (astheneia) betekent ‘zwakte’ en ‘ziekte’. In vers 16 zegt Yeshua dat Satan haar gebonden had. Voetnoot : εἰς τὸ παντελές (eis to panteles), ‘helemaal’: de zin kan betekenen ‘zich helemaal niet kunnen oprichten’ of ‘zich niet volledig kunnen oprichten’. Wij kiezen het eerste. Zie ook: Luc 13:16 **13:12** Toen Yeshua haar zag, riep Hij haar toe en zei tegen haar: **„Vrouw, je bent bevrijd van je ziekte.”** Brontekst: ἰδὼν (idon) = ziende | δὲ (de) = en | αὐτὴν (auten) = haar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | προσεφώνησεν (prosephonesen) = riep toe | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tegen haar | Γύναι (Gynai) = vrouw | ἀπολέλυσαι (apolelysai) = je bent bevrijd | τῆς (tes) = van de | ἀσθενείας (astheneias) = ziekte | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπολέλυσαι (apolelysai), ‘je bent bevrijd’, van ἀπολύω (apolyo), ‘losmaken, laten gaan’. Het is verwant aan λύω (lyo), ‘losmaken’, in de verzen 15 en 16. Voetnoot : προσφωνέω (prosphoneo), ‘toeroepen’. **13:13** Hij legde haar de handen op. Meteen richtte zij zich op en verheerlijkte Elohim. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπέθηκεν (epetheken) = legde op | αὐτῇ (aute) = haar | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | καὶ (kai) = en | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | ἀνωρθώθη (anorthothe) = richtte zich op | καὶ (kai) = en | ἐδόξαζεν (edoxazen) = verheerlijkte | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Matt. 9:18 en Mark. 5:23 over het opleggen van de handen. Voetnoot : ἐδόξαζεν (edoxazen), ‘verheerlijkte’: zij gaf Elohim eer; zie Matt. 9:8. Zie ook: Mat 9:8; Mat 9:18; Mar 5:23 **13:14** De synagogeleider antwoordde, verontwaardigd omdat Yeshua op de sabbat had genezen, en zei tegen de menigte: „Er zijn zes dagen waarop men moet werken. Kom dus op die dagen en laat je genezen, en niet op de dag van de sabbat.” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | ἀρχισυνάγωγος (archisynagogos) = synagogeleider | ἀγανακτῶν (aganakton) = verontwaardigd | ὅτι (hoti) = dat | τῷ (to) = op de | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | ἐθεράπευσεν (etherapeusen) = genas | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἔλεγεν (elegen) = zei | τῷ (to) = tegen de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | ὅτι (hoti) = dat | Ἓξ (Hex) = zes | ἡμέραι (hemerai) = dagen | εἰσὶν (eisin) = er zijn | ἐν (en) = in | αἷς (hais) = welke | δεῖ (dei) = het nodig is | ἐργάζεσθαι (ergazesthai) = te werken | ἐν (en) = op | αὐταῖς (autais) = die | οὖν (oun) = dus | ἐρχόμενοι (erchomenoi) = komend | θεραπεύεσθε (therapeuesthe) = laat je genezen | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | τῇ (te) = op de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τοῦ (tou) = van de | σαββάτου (sabbatou) = sabbat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρχισυνάγωγος (archisynagogos), ‘synagogeleider’: zie Mark. 5:22. Hij verwijst naar het sabbatsgebod: ‘Zes dagen mag je werken’ (Exod. 20:9; Deut. 5:13). Zie ook: Ex 20:9; Deut 5:13; Mar 5:22 **13:15** De Heer antwoordde hem en zei: **„Huichelaars! Maakt niet ieder van jullie op de sabbat zijn os of ezel los van de kribbe, en leidt hem weg en geeft hem te drinken?** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | δὲ (de) = en | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ὑποκριταί (Hypokritai) = huichelaars | ἕκαστος (hekastos) = ieder | ὑμῶν (hymon) = van jullie | τῷ (to) = op de | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | οὐ (ou) = niet | λύει (lyei) = maakt los | τὸν (ton) = de | βοῦν (boun) = os | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἢ (e) = of | τὸν (ton) = de | ὄνον (onon) = ezel | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | φάτνης (phatnes) = kribbe | καὶ (kai) = en | ἀπαγαγὼν (apagagon) = wegleidend | ποτίζει (potizei) = geeft te drinken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: de evangelist noemt Yeshua hier zelf ‘de Heer’. Wij schrijven ‘Heer’ met hoofdletter, zoals in Luc. 7:13 en Joh. 6:23. Voetnoot : ποτίζω (potizo), ‘te drinken geven’. Voetnoot : Vergelijk Matt. 12:11–12 en Luc. 14:5. Zie ook: Mat 12:11–12; Luc 7:13; Luc 14:5; Joh 6:23 **13:16** **En deze dochter van Abraham, die Satan gebonden heeft, zie, al 18 jaar! Moest zij op de dag van de sabbat niet van deze band losgemaakt worden?”** Brontekst: ταύτην (tauten) = deze | δὲ (de) = en | θυγατέρα (thygatera) = dochter | Ἀβραὰμ (Abraam) = van Abraham | οὖσαν (ousan) = zijnde | ἣν (hen) = die | ἔδησεν (edesen) = bond | ὁ (ho) = de | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | ἰδοὺ (idou) = zie | δέκα (deka) = 10 | καὶ (kai) = en | ὀκτὼ (okto) = 8 | ἔτη (ete) = jaren | οὐκ (ouk) = niet | ἔδει (edei) = was het nodig | λυθῆναι (lythenai) = losgemaakt te worden | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | δεσμοῦ (desmou) = band | τούτου (toutou) = deze | τῇ (te) = op de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τοῦ (tou) = van de | σαββάτου (sabbatou) = sabbat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θυγάτηρ Ἀβραάμ (thygater Abraam), ‘dochter van Abraham’: een vrouw uit het volk van Abraham; vergelijk Luc. 19:9, ‘zoon van Abraham’. δεσμός (desmos) is ‘band’. Voetnoot : ἔδει (edei), ‘moest’: letterlijk ‘was het niet nodig’; het hoort bij δεῖ, ‘het is nodig’, in vers 14. Zie ook: Luc 13:14; Luc 19:9 **13:17** Terwijl Hij dit zei, werden al Zijn tegenstanders beschaamd. En de hele menigte verheugde zich over alle heerlijke dingen die door Hem gebeurden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | λέγοντος (legontos) = zeggend | αὐτοῦ (autou) = Hij | κατῃσχύνοντο (kateschynonto) = werden beschaamd | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = de | ἀντικείμενοι (antikeimenoi) = tegenstanders | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἔχαιρεν (echairen) = verheugde zich | ἐπὶ (epi) = over | πᾶσιν (pasin) = alle | τοῖς (tois) = de | ἐνδόξοις (endoxois) = heerlijke dingen | τοῖς (tois) = de | γινομένοις (ginomenois) = gebeurende | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔνδοξος (endoxos), ‘heerlijk’, van δόξα (doxa), ‘heerlijkheid, eer’. ### Het mosterdzaadje en het zuurdesem **13:18** Hij zei dus: **„Waaraan is het koninkrijk van Elohim gelijk, en waarmee zal Ik het vergelijken?** Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = zei Hij | οὖν (oun) = dus | Τίνι (Tini) = waaraan | ὁμοία (homoia) = gelijk | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | τίνι (tini) = waarmee | ὁμοιώσω (homoioso) = zal Ik vergelijken | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT **13:19** **Het is gelijk aan een mosterdzaadje dat een man nam en in zijn tuin wierp. Het groeide en werd een boom, en de vogels van de hemel nestelden in zijn takken.”** Brontekst: ὁμοία (homoia) = gelijk | ἐστὶν (estin) = is | κόκκῳ (kokko) = aan een zaadje | σινάπεως (sinapeos) = van mosterd | ὃν (hon) = dat | λαβὼν (labon) = nemend | ἄνθρωπος (anthropos) = een man | ἔβαλεν (ebalen) = wierp | εἰς (eis) = in | κῆπον (kepon) = tuin | ἑαυτοῦ (heautou) = zijn eigen | καὶ (kai) = en | ηὔξησεν (eyxesen) = groeide | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = werd | εἰς (eis) = tot | δένδρον (dendron) = boom | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πετεινὰ (peteina) = vogels | τοῦ (tou) = van de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | κατεσκήνωσεν (kateskenosen) = nestelden | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | κλάδοις (kladois) = takken | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 13:31–32; Mark. 4:30–32. Matteüs schrijft ‘het koninkrijk van de hemelen’, Markus en Lucas ‘het koninkrijk van Elohim’. κῆπος (kepos), ‘tuin’; Matteüs heeft ἀγρός (agros), ‘akker’. De vogels in de takken doen denken aan Ezech. 17:23; 31:6 en Dan. 4:9 (in de Nederlandse telling 4:12). Zie ook: Ezech 17:23; Ezech 31:6; Dan 4:9; Mat 13:31–32; Mar 4:30–32 **13:20** Hij zei opnieuw: **„Waarmee zal Ik het koninkrijk van Elohim vergelijken?** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | πάλιν (palin) = opnieuw | εἶπεν (eipen) = zei Hij | Τίνι (Tini) = waarmee | ὁμοιώσω (homoioso) = zal Ik vergelijken | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **13:21** **Het is gelijk aan zuurdesem. Dat nam een vrouw en verborg in 3 maten meel, totdat het geheel doorzuurd was.”** Brontekst: ὁμοία (homoia) = gelijk | ἐστὶν (estin) = is | ζύμῃ (zyme) = aan zuurdesem | ἣν (hen) = dat | λαβοῦσα (labousa) = nemend | γυνὴ (gyne) = een vrouw | ἔκρυψεν (ekrypsen) = verborg | εἰς (eis) = in | ἀλεύρου (aleurou) = van meel | σάτα (sata) = maten | τρία (tria) = 3 | ἕως (heos) = tot | οὗ (hou) = dat | ἐζυμώθη (ezymothe) = doorzuurd werd | ὅλον (holon) = geheel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 13:33. σάτον (saton), ‘maat’: de Griekse naam voor de Hebreeuwse se’a, ongeveer 7 liter. 3 maten zijn dus ongeveer 22 liter meel (een efa); vergelijk Gen. 18:6. Zie ook: Gen 18:6; Mat 13:33 ### De nauwe deur **13:22** Hij trok door steden en dorpen, terwijl Hij onderwees en op reis was naar Jeruzalem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | διεπορεύετο (dieporeueto) = trok Hij door | κατὰ (kata) = langs | πόλεις (poleis) = steden | καὶ (kai) = en | κώμας (komas) = dorpen | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | καὶ (kai) = en | πορείαν (poreian) = reis | ποιούμενος (poioumenos) = makend | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) en Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) zijn twee Griekse vormen voor dezelfde stad. Wij schrijven beide ‘Jeruzalem’. **13:23** Iemand zei tegen Hem: „Heer, zijn het er weinigen die gered worden?” Maar Hij zei tegen hen: Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δέ (de) = en | τις (tis) = iemand | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | εἰ (ei) = of | ὀλίγοι (oligoi) = weinigen | οἱ (hoi) = zij | σῳζόμενοι (sozomenoi) = die gered worden | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **13:24** **„Strijd erom binnen te gaan door de nauwe deur. Want velen, Ik zeg jullie, zullen proberen binnen te gaan, maar zij zullen het niet kunnen.** Brontekst: Ἀγωνίζεσθε (Agonizesthe) = strijd | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | στενῆς (stenes) = nauwe | θύρας (thyras) = deur | ὅτι (hoti) = want | πολλοί (polloi) = velen | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ζητήσουσιν (zetesousin) = zullen zoeken | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἰσχύσουσιν (ischysousin) = zullen kunnen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγωνίζομαι (agonizomai), ‘strijden’: zich met kracht inspannen. θύρα (thyra), ‘deur’; Matteüs heeft πύλη (pyle), ‘poort’. Voetnoot : Zie ook Matt. 7:13–14. Zie ook: Mat 7:13–14 **13:25** **Zodra de heer van het huis is opgestaan en de deur heeft gesloten, zullen jullie beginnen buiten te staan en op de deur te kloppen. Jullie zullen zeggen: ‘Heer, doe ons open!’ Dan zal hij antwoorden en tegen jullie zeggen: ‘Ik weet niet waar jullie vandaan komen.’** Brontekst: ἀφ’ (aph’) = vanaf | οὗ (hou) = dat | ἂν (an) = wellicht | ἐγερθῇ (egerthe) = is opgestaan | ὁ (ho) = de | οἰκοδεσπότης (oikodespotes) = heer van het huis | καὶ (kai) = en | ἀποκλείσῃ (apokleise) = heeft gesloten | τὴν (ten) = de | θύραν (thyran) = deur | καὶ (kai) = en | ἄρξησθε (arxesthe) = jullie beginnen | ἔξω (exo) = buiten | ἑστάναι (hestanai) = te staan | καὶ (kai) = en | κρούειν (krouein) = te kloppen | τὴν (ten) = op de | θύραν (thyran) = deur | λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = heer | ἄνοιξον (anoixon) = doe open | ἡμῖν (hemin) = voor ons | καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | ὑμῖν (hymin) = tegen jullie | Οὐκ (Ouk) = niet | οἶδα (oida) = ik weet | ὑμᾶς (hymas) = jullie | πόθεν (pothen) = waarvandaan | ἐστέ (este) = jullie zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκοδεσπότης (oikodespotes), ‘heer van het huis’: de eigenaar van het huis, zoals in Matt. 10:25. De mensen buiten spreken hem aan met κύριε (kyrie), ‘heer’; het is dus geen aanspreking van Yeshua (zie Matt. 25:11). Voetnoot : Zie ook Matt. 25:10–12. Zie ook: Mat 10:25; Mat 25:10–12; Mat 25:11 **13:26** **Dan zullen jullie beginnen te zeggen: ‘Wij hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken, en op onze pleinen hebt u onderwezen.’** Brontekst: τότε (tote) = dan | ἄρξεσθε (arxesthe) = jullie zullen beginnen | λέγειν (legein) = te zeggen | Ἐφάγομεν (Ephagomen) = wij aten | ἐνώπιόν (enopion) = in het bijzijn | σου (sou) = van u | καὶ (kai) = en | ἐπίομεν (epiomen) = wij dronken | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | πλατείαις (plateiais) = pleinen | ἡμῶν (hemon) = onze | ἐδίδαξας (edidaxas) = hebt u onderwezen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πλατεῖα (plateia), ‘plein’: letterlijk ‘brede straat’. Voetnoot : Zie ook Matt. 7:22. Zie ook: Mat 7:22 **13:27** **En hij zal tegen jullie zeggen: ‘Ik weet niet waar jullie vandaan komen. Ga weg van mij, alle werkers van onrecht.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | λέγων (legon) = zeggend | ὑμῖν (hymin) = tegen jullie | Οὐκ (Ouk) = niet | οἶδα (oida) = ik weet | πόθεν (pothen) = waarvandaan | ἐστέ (este) = jullie zijn | ἀπόστητε (apostete) = ga weg | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = mij | πάντες (pantes) = alle | ἐργάται (ergatai) = werkers | ἀδικίας (adikias) = van onrecht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐργάται ἀδικίας (ergatai adikias), ‘werkers van onrecht’: vergelijk Ps. 6:9, ‘alle werkers van onheil’. Elders vertalen wij ἐργάτης (ergates) met ‘arbeider’ (Matt. 9:37); hier kiezen wij ‘werkers’, vanwege de psalm. Voetnoot : Zie ook Matt. 7:23. Zie ook: Ps 6:9; Mat 7:23; Mat 9:37 **13:28** **Daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden, wanneer jullie Abraham, Isaak, Jakob en alle profeten in het koninkrijk van Elohim zien. Maar jullie zelf worden naar buiten geworpen.** Brontekst: ἐκεῖ (ekei) = daar | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = het | κλαυθμὸς (klauthmos) = geween | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | βρυγμὸς (brygmos) = knarsen | τῶν (ton) = van de | ὀδόντων (odonton) = tanden | ὅταν (hotan) = wanneer | ὄψησθε (opsesthe) = jullie zien | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | καὶ (kai) = en | Ἰσαὰκ (Isaak) = Isaak | καὶ (kai) = en | Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | καὶ (kai) = en | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | προφήτας (prophetas) = profeten | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὑμᾶς (hymas) = jullie | δὲ (de) = maar | ἐκβαλλομένους (ekballomenous) = geworpen worden | ἔξω (exo) = buiten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 8:11–12. βρυγμὸς τῶν ὀδόντων (brygmos ton odonton), ‘het knarsen van de tanden’. Zie ook: Mat 8:11–12 **13:29** **Zij zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden. Zij zullen aan tafel zitten in het koninkrijk van Elohim.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἥξουσιν (hexousin) = zullen komen | ἀπὸ (apo) = uit | ἀνατολῶν (anatolon) = het oosten | καὶ (kai) = en | δυσμῶν (dysmon) = het westen | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = uit | βορρᾶ (borra) = het noorden | καὶ (kai) = en | νότου (notou) = het zuiden | καὶ (kai) = en | ἀνακλιθήσονται (anaklithesontai) = zullen aan tafel zitten | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνακλίνω (anaklino), ‘aan tafel zitten’: zie Matt. 8:11. Vergelijk Ps. 107:3, waar Yahweh mensen verzamelt uit de landen: uit het oosten en het westen, uit het noorden en van de zee. Zie ook: Ps 107:3; Mat 8:11 **13:30** **En zie, er zijn laatsten die eersten zullen zijn, en er zijn eersten die laatsten zullen zijn.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | εἰσὶν (eisin) = er zijn | ἔσχατοι (eschatoi) = laatsten | οἳ (hoi) = die | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | πρῶτοι (protoi) = eersten | καὶ (kai) = en | εἰσὶν (eisin) = er zijn | πρῶτοι (protoi) = eersten | οἳ (hoi) = die | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | ἔσχατοι (eschatoi) = laatsten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 19:30; 20:16; Mark. 10:31. Zie ook: Mat 19:30; Mat 20:16; Mar 10:31 ### Waarschuwing voor Herodes **13:31** Op datzelfde uur kwamen enkele Farizeeën naar Hem toe en zeiden: „Ga naar buiten en vertrek van hier, want Herodes wil U doden.” Brontekst: Ἐν (En) = op | αὐτῇ (aute) = datzelfde | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | προσῆλθάν (proselthan) = kwamen naar Hem toe | τινες (tines) = enkele | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | λέγοντες (legontes) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ἔξελθε (Exelthe) = ga naar buiten | καὶ (kai) = en | πορεύου (poreuou) = vertrek | ἐντεῦθεν (enteuthen) = vanhier | ὅτι (hoti) = want | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | θέλει (thelei) = wil | σε (se) = U | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Herodes is Herodes Antipas, de viervorst van Galilea; zie Luc. 3:1. Zie ook: Luc 3:1 **13:32** Hij zei tegen hen: **„Ga heen en zeg tegen die vos: ‘Zie, Ik drijf demonen uit en verricht genezingen, vandaag en morgen. Op de derde dag word Ik voltooid.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei Hij | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Πορευθέντες (Poreuthentes) = gaand | εἴπατε (eipate) = zeg | τῇ (te) = tegen de | ἀλώπεκι (alopeki) = vos | ταύτῃ (taute) = deze | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἐκβάλλω (ekballo) = Ik drijf uit | δαιμόνια (daimonia) = demonen | καὶ (kai) = en | ἰάσεις (iaseis) = genezingen | ἀποτελῶ (apotelo) = Ik verricht | σήμερον (semeron) = vandaag | καὶ (kai) = en | αὔριον (aurion) = morgen | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | τρίτῃ (trite) = derde | τελειοῦμαι (teleioumai) = word Ik voltooid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀλώπηξ (alopex), ‘vos’: Yeshua noemt Herodes zo. ἰάσεις (iaseis), ‘genezingen’. Voetnoot : τελειοῦμαι (teleioumai), ‘word Ik voltooid’: het werkwoord τελειόω (teleioo) betekent ‘voltooien, tot het doel brengen’. De vorm kan ook ‘Ik voltooi Mijn werk’ betekenen. **13:33** **Toch moet Ik vandaag, morgen en de volgende dag verder gaan, want het is niet mogelijk dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt.** Brontekst: πλὴν (plen) = toch | δεῖ (dei) = het is nodig | με (me) = dat Ik | σήμερον (semeron) = vandaag | καὶ (kai) = en | αὔριον (aurion) = morgen | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | ἐχομένῃ (echomene) = volgende | πορεύεσθαι (poreuesthai) = verder te gaan | ὅτι (hoti) = want | οὐκ (ouk) = niet | ἐνδέχεται (endechetai) = het is mogelijk | προφήτην (propheten) = een profeet | ἀπολέσθαι (apolesthai) = om te komen | ἔξω (exo) = buiten | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft τῇ ἐχομένῃ (te echomene), ‘de volgende’; het woord ‘dag’ vult het Nederlands aan. ### De klacht over Jeruzalem **13:34** **Jeruzalem, Jeruzalem, jij die de profeten doodt en degenen stenigt die naar haar gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik jouw kinderen willen bijeenbrengen, zoals een hen haar eigen kuikens onder haar vleugels bijeenbrengt. Maar jullie hebben niet gewild.** Brontekst: Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ἡ (he) = die | ἀποκτείνουσα (apokteinousa) = doodt | τοὺς (tous) = de | προφήτας (prophetas) = profeten | καὶ (kai) = en | λιθοβολοῦσα (lithobolousa) = stenigt | τοὺς (tous) = de | ἀπεσταλμένους (apestalmenous) = gezondenen | πρὸς (pros) = naar | αὐτήν (auten) = haar | ποσάκις (posakis) = hoe vaak | ἠθέλησα (ethelesa) = heb Ik gewild | ἐπισυνάξαι (episynaxai) = bijeen te brengen | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | σου (sou) = je | ὃν (hon) = op welke | τρόπον (tropon) = wijze | ὄρνις (ornis) = een hen | τὴν (ten) = de | ἑαυτῆς (heautes) = haar eigen | νοσσιὰν (nossian) = kuikens | ὑπὸ (hypo) = onder | τὰς (tas) = de | πτέρυγας (pterygas) = vleugels | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠθελήσατε (ethelesate) = hebben jullie gewild Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 23:37–39. Het Grieks gaat van ‘jouw’ (de stad) over op ‘jullie’ (haar inwoners). Voetnoot : νοσσιά (nossia) betekent ‘nest’ en ook ‘de jongen in het nest’; Matteüs heeft het meervoud νοσσία (nossia), ‘kuikens’. Na ‘onder haar vleugels’ heeft het Grieks geen werkwoord; wij vullen ‘bijeenbrengt’ aan uit het begin van de zin. Beschutting onder vleugels is een beeld uit de Psalmen: Ps. 17:8; 91:4. Zie ook: Ps 17:8; Ps 91:4; Mat 23:37–39 **13:35** **Zie, jullie huis wordt aan jullie overgelaten. Maar Ik zeg jullie: jullie zullen Mij beslist niet zien, totdat het moment komt waarop jullie zeggen: ‘Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh.’”** Brontekst: ἰδοὺ (idou) = zie | ἀφίεται (aphietai) = wordt overgelaten | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὁ (ho) = het | οἶκος (oikos) = huis | ὑμῶν (hymon) = jullie | λέγω (lego) = Ik zeg | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἴδητέ (idete) = jullie zien | με (me) = Mij | ἕως (heos) = tot | ἥξει (hexei) = het komt | ὅτε (hote) = wanneer | εἴπητε (eipete) = jullie zeggen | Εὐλογημένος (Eulogemenos) = gezegend | ὁ (ho) = die | ἐρχόμενος (erchomenos) = komt | ἐν (en) = in | ὀνόματι (onomati) = naam | κυρίου (kyriou) = van Yahweh Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Citaat uit Ps. 118:26. κυρίου (kyriou) is vertaald als Yahweh, zoals in het Hebreeuws (יהוה). Zie ook Matt. 23:38–39; 21:9; Luc. 19:38. Voetnoot : ἥξει (hexei), ‘het komt’: het Grieks zegt ‘totdat het komt, wanneer jullie zeggen’; wij vullen ‘het moment’ aan. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften volgt na ‘jullie huis’ nog het woord ἔρημος (eremos), ‘verlaten’, zoals in Matt. 23:38. De SBLGNT heeft het hier niet. Zie ook: Ps 118:26; Mat 21:9; Mat 23:38–39; Luc 19:38 ## Lucas 14 _Genezing op de sabbat, de ereplaatsen, het grote maal en de prijs van het volgen_ ### Genezing van een man met waterzucht **14:1** Het gebeurde dat Hij op een sabbat het huis van een van de leiders van de Farizeeën binnenging om brood te eten. Zij letten op Hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | ἐλθεῖν (elthein) = binnengaan | αὐτὸν (auton) = Hij | εἰς (eis) = in | οἶκόν (oikon) = huis | τινος (tinos) = van een | τῶν (ton) = van de | ἀρχόντων (archonton) = leiders | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | σαββάτῳ (sabbato) = op een sabbat | φαγεῖν (phagein) = te eten | ἄρτον (arton) = brood | καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἦσαν (esan) = waren | παρατηρούμενοι (parateroumenoi) = lettend op | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φαγεῖν ἄρτον (phagein arton), ‘brood eten’: een maaltijd gebruiken. ἄρχων (archon), ‘leider’. παρατηρέω (paratereo), ‘letten op’: nauwkeurig in de gaten houden, zoals in Luc. 6:7. Zie ook: Luc 6:7 **14:2** En zie, voor Hem was er een man die aan waterzucht leed. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄνθρωπός (anthropos) = een man | τις (tis) = zekere | ἦν (en) = was | ὑδρωπικὸς (hydropikos) = met waterzucht | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑδρωπικός (hydropikos), ‘iemand met waterzucht’: een ziekte waarbij het lichaam vocht vasthoudt en opzwelt. **14:3** Yeshua antwoordde en zei tegen de wetgeleerden en de Farizeeën: **„Is het geoorloofd op de sabbat te genezen, of niet?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | νομικοὺς (nomikous) = wetgeleerden | καὶ (kai) = en | Φαρισαίους (Pharisaious) = Farizeeën | λέγων (legon) = zeggend | Ἔξεστιν (Exestin) = is het geoorloofd | τῷ (to) = op de | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | θεραπεῦσαι (therapeusai) = te genezen | ἢ (e) = of | οὔ (ou) = niet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νομικός (nomikos), ‘wetgeleerde’: zie Matt. 22:35. ἔξεστιν (exestin), ‘het is geoorloofd’. Dezelfde vraag staat in Matt. 12:10. Zie ook: Mat 12:10; Mat 22:35 **14:4** Zij zwegen. Hij pakte hem vast, genas hem en liet hem gaan. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἡσύχασαν (hesychasan) = zwegen | καὶ (kai) = en | ἐπιλαβόμενος (epilabomenos) = vastpakkend | ἰάσατο (iasato) = genas | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἀπέλυσεν (apelysen) = liet gaan Bron: SBLGNT **14:5** Toen zei Hij tegen hen: **„Wie van jullie — als zijn zoon of zijn os in een put valt — trekt hem niet meteen eruit op de dag van de sabbat?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | πρὸς (pros) = tot | αὐτοὺς (autous) = hen | εἶπεν (eipen) = zei Hij | Τίνος (Tinos) = van wie | ὑμῶν (hymon) = van jullie | υἱὸς (huios) = zoon | ἢ (e) = of | βοῦς (bous) = os | εἰς (eis) = in | φρέαρ (phrear) = put | πεσεῖται (peseitai) = zal vallen | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀνασπάσει (anaspasei) = zal eruit trekken | αὐτὸν (auton) = hem | ἐν (en) = op | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τοῦ (tou) = van de | σαββάτου (sabbatou) = sabbat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt letterlijk: ‘Van wie van jullie zal een zoon of een os in een put vallen, en zal hij hem niet meteen eruit trekken?’ Wij maken er twee zinsdelen van. Voetnoot : Vergelijk Matt. 12:11–12; Deut. 22:4. Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat ‘ezel’ in plaats van ‘zoon’. De SBLGNT heeft ‘zoon’. Zie ook: Deut 22:4; Mat 12:11–12 **14:6** En zij konden hierop niet antwoorden. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἴσχυσαν (ischysan) = konden | ἀνταποκριθῆναι (antapokrithenai) = antwoorden | πρὸς (pros) = op | ταῦτα (tauta) = dit Bron: SBLGNT ### Ereplaatsen en gasten **14:7** Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, terwijl Hij lette op hoe zij de ereplaatsen uitkozen. Hij zei tegen hen: Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = vertelde Hij | δὲ (de) = en | πρὸς (pros) = aan | τοὺς (tous) = de | κεκλημένους (keklemenous) = genodigden | παραβολήν (parabolen) = een gelijkenis | ἐπέχων (epechon) = lettend op | πῶς (pos) = hoe | τὰς (tas) = de | πρωτοκλισίας (protoklisias) = ereplaatsen | ἐξελέγοντο (exelegonto) = zij uitkozen | λέγων (legon) = zeggend | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρωτοκλισία (protoklisia), ‘ereplaats’: zie Matt. 23:6. Zie ook: Mat 23:6 **14:8** **„Wanneer je door iemand voor een bruiloft wordt uitgenodigd, ga dan niet op de ereplaats zitten. Misschien is iemand die meer geëerd is dan jij, door hem uitgenodigd,** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | κληθῇς (klethes) = je wordt uitgenodigd | ὑπό (hypo) = door | τινος (tinos) = iemand | εἰς (eis) = naar | γάμους (gamous) = een bruiloft | μὴ (me) = niet | κατακλιθῇς (kataklithes) = ga zitten | εἰς (eis) = op | τὴν (ten) = de | πρωτοκλισίαν (protoklisian) = ereplaats | μήποτε (mepote) = misschien | ἐντιμότερός (entimoteros) = meer geëerd | σου (sou) = dan jij | ᾖ (e) = is | κεκλημένος (keklemenos) = uitgenodigd | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατακλίνομαι (kataklinomai), ‘gaan zitten’: bij een maaltijd lag men aan tafel; zie Matt. 8:11. γάμοι (gamoi), ‘bruiloft’: het woord staat in het meervoud, zoals in Matt. 22:2. Voetnoot : μήποτε (mepote), ‘misschien’: het woord zegt letterlijk ‘opdat niet ooit’ en geeft aan wat Hij wil voorkomen. Zie ook: Mat 8:11; Mat 22:2 **14:9** **en komt degene die jou en hem heeft uitgenodigd en zegt tegen je: ‘Geef deze man plaats.’ Dan zul je met schaamte beginnen de laatste plaats in te nemen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = komend | ὁ (ho) = degene die | σὲ (se) = jou | καὶ (kai) = en | αὐτὸν (auton) = hem | καλέσας (kalesas) = heeft uitgenodigd | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | σοι (soi) = tegen je | Δὸς (Dos) = geef | τούτῳ (touto) = aan deze | τόπον (topon) = plaats | καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | ἄρξῃ (arxe) = je zult beginnen | μετὰ (meta) = met | αἰσχύνης (aischynes) = schaamte | τὸν (ton) = de | ἔσχατον (eschaton) = laatste | τόπον (topon) = plaats | κατέχειν (katechein) = in te nemen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt Δὸς τούτῳ τόπον (dos touto topon), ‘geef aan deze plaats’; ‘man’ vult het Nederlands aan. **14:10** **Maar wanneer je wordt uitgenodigd, ga heen en ga zitten op de laatste plaats. Zo zal degene die je heeft uitgenodigd, wanneer hij komt, tegen je zeggen: ‘Vriend, kom hogerop.’ Dan zul je eer hebben in het bijzijn van allen die met je aan tafel zitten.** Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | ὅταν (hotan) = wanneer | κληθῇς (klethes) = je wordt uitgenodigd | πορευθεὶς (poreutheis) = gaand | ἀνάπεσε (anapese) = ga zitten | εἰς (eis) = op | τὸν (ton) = de | ἔσχατον (eschaton) = laatste | τόπον (topon) = plaats | ἵνα (hina) = opdat | ὅταν (hotan) = wanneer | ἔλθῃ (elthe) = komt | ὁ (ho) = degene die | κεκληκώς (keklekos) = heeft uitgenodigd | σε (se) = je | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | σοι (soi) = tegen je | Φίλε (Phile) = vriend | προσανάβηθι (prosanabethi) = kom omhoog | ἀνώτερον (anoteron) = hoger | τότε (tote) = dan | ἔσται (estai) = zal zijn | σοι (soi) = voor je | δόξα (doxa) = eer | ἐνώπιον (enopion) = in het bijzijn van | πάντων (panton) = allen | τῶν (ton) = de | συνανακειμένων (synanakeimenon) = tafelgenoten | σοι (soi) = met je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δόξα (doxa), ‘eer’: hier de eer die mensen elkaar geven. ἐνώπιον (enopion), ‘in het bijzijn van’. Voetnoot : Vergelijk Spr. 25:6–7. Zie ook: Spr 25:6–7 **14:11** **Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.”** Brontekst: ὅτι (hoti) = want | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | ὑψῶν (hypson) = verhoogt | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ταπεινωθήσεται (tapeinothesetai) = zal vernederd worden | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = wie | ταπεινῶν (tapeinon) = vernedert | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ὑψωθήσεται (hypsothesetai) = zal verhoogd worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’; ταπεινόω (tapeinoo), ‘vernederen’. Het Grieks heeft hier twee lijdende vormen die bij Elohim als handelende passen. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:12; Luc. 18:14. Zie ook: Mat 23:12; Luc 18:14 ### Wie je moet uitnodigen **14:12** Hij zei ook tegen degene die Hem had uitgenodigd: **„Wanneer je een middagmaaltijd of een avondmaaltijd geeft, nodig dan niet je vrienden, je broers, je familieleden of rijke buren uit. Misschien nodigen ook zij jou op hun beurt uit, en krijg je zo een terugbetaling.** Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = zei Hij | δὲ (de) = en | καὶ (kai) = ook | τῷ (to) = tegen degene die | κεκληκότι (keklekoti) = had uitgenodigd | αὐτόν (auton) = Hem | Ὅταν (Hotan) = wanneer | ποιῇς (poies) = je maakt | ἄριστον (ariston) = middagmaaltijd | ἢ (e) = of | δεῖπνον (deipnon) = maaltijd | μὴ (me) = niet | φώνει (phonei) = nodig uit | τοὺς (tous) = de | φίλους (philous) = vrienden | σου (sou) = je | μηδὲ (mede) = en ook niet | τοὺς (tous) = de | ἀδελφούς (adelphous) = broers | σου (sou) = je | μηδὲ (mede) = en ook niet | τοὺς (tous) = de | συγγενεῖς (syngeneis) = familieleden | σου (sou) = je | μηδὲ (mede) = en ook niet | γείτονας (geitonas) = buren | πλουσίους (plousious) = rijke | μήποτε (mepote) = misschien | καὶ (kai) = ook | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἀντικαλέσωσίν (antikalesosin) = nodigen terug uit | σε (se) = je | καὶ (kai) = en | γένηται (genetai) = komt | ἀνταπόδομά (antapodoma) = terugbetaling | σοι (soi) = voor je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄριστον (ariston), ‘middagmaaltijd’: de maaltijd rond het midden van de dag; in Matt. 22:4 vertalen wij hetzelfde woord met ‘maaltijd’. δεῖπνον (deipnon), ‘avondmaaltijd’: elders in dit hoofdstuk schrijven wij ‘maaltijd’. Voetnoot : φωνέω (phoneo), ‘roepen’: hier ‘uitnodigen’; in vers 13 staat καλέω (kaleo), ‘uitnodigen’. ἀντικαλέω (antikaleo), ‘op zijn beurt uitnodigen’. Zie ook: Mat 22:4; Luc 14:13 **14:13** **Maar wanneer je een feestmaal geeft, nodig dan armen, verminkten, kreupelen en blinden uit.** Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | ὅταν (hotan) = wanneer | δοχὴν (dochen) = feestmaal | ποιῇς (poies) = je maakt | κάλει (kalei) = nodig uit | πτωχούς (ptochous) = armen | ἀναπείρους (anapeirous) = verminkten | χωλούς (cholous) = kreupelen | τυφλούς (typhlous) = blinden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοχή (doche), ‘feestmaal’: een ontvangst met gasten. ἀνάπειρος (anapeiros), ‘verminkt’; in Matt. 15:30–31 staat κυλλός (kyllos), eveneens ‘verminkt’. In vers 21 staat de opsomming in een andere volgorde: ‘blinden en kreupelen’. Zie ook: Mat 15:30–31; Luc 14:21 **14:14** **En je zult gelukkig zijn, omdat zij het jou niet kunnen terugbetalen. Want het zal je terugbetaald worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | μακάριος (makarios) = gelukkig | ἔσῃ (ese) = je zult zijn | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | ἔχουσιν (echousin) = zij hebben | ἀνταποδοῦναί (antapodounai) = terug te betalen | σοι (soi) = aan je | ἀνταποδοθήσεται (antapodothesetai) = het zal terugbetaald worden | γάρ (gar) = want | σοι (soi) = aan je | ἐν (en) = bij | τῇ (te) = de | ἀναστάσει (anastasei) = opstanding | τῶν (ton) = van de | δικαίων (dikaion) = rechtvaardigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνάστασις τῶν δικαίων (anastasis ton dikaion), ‘opstanding van de rechtvaardigen’: vergelijk Dan. 12:2, ‘velen die slapen in de stofgrond zullen ontwaken’. ἀνταποδίδωμι (antapodidomi), ‘terugbetalen’. Zie ook: Dan 12:2 ### De gelijkenis van het grote maal **14:15** Een van de tafelgenoten hoorde dit en zei tegen Hem: „Gelukkig wie brood zal eten in het koninkrijk van Elohim!” Brontekst: Ἀκούσας (Akousas) = horend | δέ (de) = en | τις (tis) = iemand | τῶν (ton) = van de | συνανακειμένων (synanakeimenon) = tafelgenoten | ταῦτα (tauta) = dit | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Μακάριος (Makarios) = gelukkig | ὅστις (hostis) = wie | φάγεται (phagetai) = zal eten | ἄρτον (arton) = brood | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het eten van brood in het koninkrijk doet denken aan het feestmaal dat Yahweh voor alle volken bereidt: Jes. 25:6. Zie ook Matt. 8:11. Zie ook: Jes 25:6; Mat 8:11 **14:16** Hij zei tegen hem: **„Een man gaf een grote maaltijd en nodigde velen uit.** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἄνθρωπός (Anthropos) = een man | τις (tis) = zekere | ἐποίει (epoiei) = maakte | δεῖπνον (deipnon) = maaltijd | μέγα (mega) = grote | καὶ (kai) = en | ἐκάλεσεν (ekalesen) = nodigde uit | πολλούς (pollous) = velen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De gelijkenis lijkt op die van de bruiloft in Matt. 22:1–14, maar verschilt sterk. Voetnoot : δεῖπνον (deipnon), ‘maaltijd’: zie Joh. 13:2. Zie ook: Mat 22:1–14; Joh 13:2 **14:17** **Op het uur van de maaltijd zond hij zijn knecht om tegen de genodigden te zeggen: ‘Kom, want het is al klaar.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | τὸν (ton) = de | δοῦλον (doulon) = knecht | αὐτοῦ (autou) = zijn | τῇ (te) = op | ὥρᾳ (hora) = het uur | τοῦ (tou) = van de | δείπνου (deipnou) = maaltijd | εἰπεῖν (eipein) = om te zeggen | τοῖς (tois) = aan de | κεκλημένοις (keklemenois) = genodigden | Ἔρχεσθε (Erchesthe) = komt | ὅτι (hoti) = want | ἤδη (ede) = al | ἕτοιμά (hetoima) = klaar | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **14:18** **Maar allen begonnen op dezelfde manier zich te verontschuldigen. De eerste zei tegen hem: ‘Ik heb een akker gekocht en moet erheen gaan om hem te bekijken. Ik vraag u: houd mij voor verontschuldigd.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | ἀπὸ (apo) = vanuit | μιᾶς (mias) = één | πάντες (pantes) = allen | παραιτεῖσθαι (paraiteisthai) = zich te verontschuldigen | ὁ (ho) = de | πρῶτος (protos) = eerste | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἀγρὸν (Agron) = een akker | ἠγόρασα (egorasa) = ik kocht | καὶ (kai) = en | ἔχω (echo) = ik heb | ἀνάγκην (ananken) = noodzaak | ἐξελθὼν (exelthon) = weggaand | ἰδεῖν (idein) = te bekijken | αὐτόν (auton) = hem | ἐρωτῶ (eroto) = ik vraag | σε (se) = u | ἔχε (eche) = houd | με (me) = mij | παρῃτημένον (paretemenon) = verontschuldigd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπὸ μιᾶς (apo mias), letterlijk ‘vanuit één’: het Grieks vult het woord erbij niet in. Wij schrijven ‘op dezelfde manier’. παραιτέομαι (paraiteomai), ‘zich verontschuldigen’: zich laten ontslaan van een verplichting. **14:19** **En een ander zei: ‘Ik heb 5 span ossen gekocht en ga ze keuren. Ik vraag u: houd mij voor verontschuldigd.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἕτερος (heteros) = een ander | εἶπεν (eipen) = zei | Ζεύγη (Zeuge) = spannen | βοῶν (boon) = van ossen | ἠγόρασα (egorasa) = ik kocht | πέντε (pente) = 5 | καὶ (kai) = en | πορεύομαι (poreuomai) = ik ga | δοκιμάσαι (dokimasai) = te keuren | αὐτά (auta) = ze | ἐρωτῶ (eroto) = ik vraag | σε (se) = u | ἔχε (eche) = houd | με (me) = mij | παρῃτημένον (paretemenon) = verontschuldigd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζεῦγος (zeugos), ‘span’: een paar ossen onder één juk; 5 span zijn dus 10 ossen. δοκιμάζω (dokimazo), ‘keuren’: beproeven of ze goed zijn. **14:20** **En weer een ander zei: ‘Ik ben met een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἕτερος (heteros) = een ander | εἶπεν (eipen) = zei | Γυναῖκα (Gynaika) = een vrouw | ἔγημα (egema) = ik trouwde | καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | οὐ (ou) = niet | δύναμαι (dynamai) = ik kan | ἐλθεῖν (elthein) = komen Bron: SBLGNT **14:21** **De knecht kwam en meldde dit aan zijn heer. Toen werd de heer van het huis boos. Hij zei tegen zijn knecht: ‘Ga snel naar de pleinen en straten van de stad en breng de armen, verminkten, blinden en kreupelen hierheen.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | παραγενόμενος (paragenomenos) = aangekomen | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | ἀπήγγειλεν (apengeilen) = meldde | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | ταῦτα (tauta) = dit | τότε (tote) = toen | ὀργισθεὶς (orgistheis) = boos geworden | ὁ (ho) = de | οἰκοδεσπότης (oikodespotes) = heer van het huis | εἶπεν (eipen) = zei | τῷ (to) = tegen de | δούλῳ (doulo) = knecht | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ἔξελθε (Exelthe) = ga naar buiten | ταχέως (tacheos) = snel | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | πλατείας (plateias) = pleinen | καὶ (kai) = en | ῥύμας (rhymas) = straten | τῆς (tes) = van de | πόλεως (poleos) = stad | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | πτωχοὺς (ptochous) = armen | καὶ (kai) = en | ἀναπείρους (anapeirous) = verminkten | καὶ (kai) = en | τυφλοὺς (typhlous) = blinden | καὶ (kai) = en | χωλοὺς (cholous) = kreupelen | εἰσάγαγε (eisagage) = breng binnen | ὧδε (hode) = hierheen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘heer’: de eigenaar van het huis, niet Yeshua; zie Matt. 25:11. οἰκοδεσπότης (oikodespotes) is ‘heer van het huis’ (Matt. 10:25). Voetnoot : πλατεῖαι (plateiai), ‘pleinen’: letterlijk ‘brede straten’. ῥύμαι (rhymai), ‘straten’. Voetnoot : Zie ook Matt. 22:9–10. Zie ook: Mat 10:25; Mat 22:9–10; Mat 25:11 **14:22** **De knecht zei: ‘Heer, wat u bevolen hebt, is gebeurd, en er is nog plaats.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | Κύριε (Kyrie) = heer | γέγονεν (gegonen) = is gebeurd | ὃ (ho) = wat | ἐπέταξας (epetaxas) = u hebt bevolen | καὶ (kai) = en | ἔτι (eti) = nog | τόπος (topos) = plaats | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT **14:23** **De heer zei tegen de knecht: ‘Ga naar de wegen en de heggen en dwing hen binnen te komen, zodat mijn huis vol wordt.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | πρὸς (pros) = tegen | τὸν (ton) = de | δοῦλον (doulon) = knecht | Ἔξελθε (Exelthe) = ga naar buiten | εἰς (eis) = naar | τὰς (tas) = de | ὁδοὺς (hodous) = wegen | καὶ (kai) = en | φραγμοὺς (phragmous) = heggen | καὶ (kai) = en | ἀνάγκασον (anankason) = dwing | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te komen | ἵνα (hina) = opdat | γεμισθῇ (gemisthe) = vol wordt | μου (mou) = mijn | ὁ (ho) = het | οἶκος (oikos) = huis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναγκάζω (anankazo), ‘dwingen’: zie Matt. 14:22. φραγμός (phragmos), ‘heg’: een omheining langs een akker of wijngaard. Zie ook: Mat 14:22 **14:24** **Want ik zeg jullie: niemand van die genodigde mannen zal van mijn maaltijd proeven.’”** Brontekst: λέγω (lego) = ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | τῶν (ton) = van de | ἀνδρῶν (andron) = mannen | ἐκείνων (ekeinon) = die | τῶν (ton) = de | κεκλημένων (keklemenon) = genodigden | γεύσεταί (geusetai) = zal proeven | μου (mou) = mijn | τοῦ (tou) = de | δείπνου (deipnou) = maaltijd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier het meervoud ὑμῖν (hymin), ‘jullie’, terwijl de heer in de verzen 21–23 tot één knecht sprak. Het kunnen dus ook de woorden van Yeshua zijn, gericht tot de genodigden aan tafel. Wij laten het bij de heer in de gelijkenis. ### De prijs van het volgen van Yeshua **14:25** Grote menigten gingen met Hem mee. Hij draaide zich om en zei tegen hen: Brontekst: Συνεπορεύοντο (Syneporeuonto) = gingen mee | δὲ (de) = en | αὐτῷ (auto) = met Hem | ὄχλοι (ochloi) = menigten | πολλοί (polloi) = grote | καὶ (kai) = en | στραφεὶς (strapheis) = zich omdraaiend | εἶπεν (eipen) = zei Hij | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **14:26** **„Als iemand naar Mij toe komt en zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zussen niet haat, ja zelfs zijn eigen leven niet, dan kan hij niet Mijn leerling zijn.** Brontekst: Εἴ (Ei) = als | τις (tis) = iemand | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρός (pros) = naar | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μισεῖ (misei) = haat | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | ἑαυτοῦ (heautou) = zijn eigen | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | ἀδελφάς (adelphas) = zussen | ἔτι (eti) = nog | τε (te) = bovendien | καὶ (kai) = ook | τὴν (ten) = de | ψυχὴν (psychen) = leven | ἑαυτοῦ (heautou) = zijn eigen | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | εἶναί (einai) = zijn | μου (mou) = Mijn | μαθητής (mathetes) = leerling Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μισέω (miseo), ‘haten’: wij vertalen letterlijk, zoals in Joh. 12:25. In het Hebreeuws kan ‘haten’ ook ‘achterstellen’ betekenen: vergelijk Deut. 21:15, ‘de ene bemind en de andere gehaat’, en Gen. 29:30–31 (het Hebreeuws heeft in 29:31 ‘gehaat’; wij schrijven daar ‘niet bemind’). Matteüs schrijft ‘meer liefhebben dan Mij’. Voetnoot : ψυχή (psyche), ‘leven’: zie Matt. 10:39. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:37. Zie ook: Gen 29:30–31; Deut 21:15; Mat 10:37; Mat 10:39; Joh 12:25 **14:27** **Wie zijn eigen kruis niet draagt en achter Mij aan komt, kan niet Mijn leerling zijn.** Brontekst: ὅστις (hostis) = wie | οὐ (ou) = niet | βαστάζει (bastazei) = draagt | τὸν (ton) = het | σταυρὸν (stauron) = kruis | ἑαυτοῦ (heautou) = zijn eigen | καὶ (kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὀπίσω (opiso) = achter | μου (mou) = Mij | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | εἶναί (einai) = zijn | μου (mou) = Mijn | μαθητής (mathetes) = leerling Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σταυρός (stauros), ‘kruis’: zie Matt. 10:38. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:38; 16:24; Mark. 8:34. Zie ook: Mat 10:38; Mat 16:24; Mar 8:34 **14:28** **Want wie van jullie een toren wil bouwen, gaat niet eerst zitten om de kosten te berekenen? Heeft hij genoeg om hem af te maken?** Brontekst: τίς (tis) = wie | γὰρ (gar) = want | ἐξ (ex) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | θέλων (thelon) = willend | πύργον (pyrgon) = een toren | οἰκοδομῆσαι (oikodomesai) = bouwen | οὐχὶ (ouchi) = niet | πρῶτον (proton) = eerst | καθίσας (kathisas) = gaan zitten | ψηφίζει (psephizei) = berekent | τὴν (ten) = de | δαπάνην (dapanen) = kosten | εἰ (ei) = of | ἔχει (echei) = hij heeft | εἰς (eis) = voor | ἀπαρτισμόν (apartismon) = voltooiing Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψηφίζω (psephizo), ‘berekenen’: rekenen met steentjes. πύργος (pyrgos), ‘toren’. **14:29** **Anders, als hij een fundament heeft gelegd en het niet kan afmaken, zullen allen die het zien beginnen hem te bespotten,** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | μήποτε (mepote) = niet misschien | θέντος (thentos) = gelegd hebbend | αὐτοῦ (autou) = hij | θεμέλιον (themelion) = fundament | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἰσχύοντος (ischyontos) = kunnend | ἐκτελέσαι (ektelesai) = af te maken | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = die | θεωροῦντες (theorountes) = kijken | ἄρξωνται (arxontai) = zullen beginnen | αὐτῷ (auto) = hem | ἐμπαίζειν (empaizein) = te bespotten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἵνα μήποτε (hina mepote), letterlijk ‘opdat niet ooit’: wij schrijven ‘Anders’. ἐμπαίζω (empaizo), ‘bespotten’: zie Matt. 20:19. Zie ook: Mat 20:19 **14:30** **en zeggen: ‘Deze man is begonnen te bouwen en kon het niet afmaken.’** Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Οὗτος (Houtos) = deze | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἤρξατο (erxato) = is begonnen | οἰκοδομεῖν (oikodomein) = te bouwen | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἴσχυσεν (ischysen) = kon | ἐκτελέσαι (ektelesai) = af te maken Bron: SBLGNT **14:31** **Of welke koning gaat op weg om de strijd aan te gaan met een andere koning? Gaat hij niet eerst zitten om te overleggen of hij in staat is met 10.000 tegemoet te treden wie met 20.000 tegen hem optrekt?** Brontekst: ἢ (e) = of | τίς (tis) = welke | βασιλεὺς (basileus) = koning | πορευόμενος (poreuomenos) = op weg gaand | ἑτέρῳ (hetero) = met een andere | βασιλεῖ (basilei) = koning | συμβαλεῖν (symbalein) = de strijd aan te gaan | εἰς (eis) = in | πόλεμον (polemon) = oorlog | οὐχὶ (ouchi) = niet | καθίσας (kathisas) = gaan zitten | πρῶτον (proton) = eerst | βουλεύσεται (bouleusetai) = zal overleggen | εἰ (ei) = of | δυνατός (dynatos) = in staat | ἐστιν (estin) = is | ἐν (en) = met | δέκα (deka) = 10 | χιλιάσιν (chiliasin) = duizendtallen | ὑπαντῆσαι (hypantesai) = tegemoet te treden | τῷ (to) = aan hem | μετὰ (meta) = met | εἴκοσι (eikosi) = 20 | χιλιάδων (chiliadon) = duizendtallen | ἐρχομένῳ (erchomeno) = komend | ἐπ’ (ep’) = tegen | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt ‘met tienduizend’ en ‘met twintigduizend’, zonder het woord ‘man’. **14:32** **Zo niet, dan zendt hij, terwijl de ander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt om vredesvoorwaarden.** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μήγε (mege) = niet | ἔτι (eti) = nog | αὐτοῦ (autou) = hij | πόρρω (porro) = ver weg | ὄντος (ontos) = zijnde | πρεσβείαν (presbeian) = gezantschap | ἀποστείλας (aposteilas) = zendend | ἐρωτᾷ (erota) = vraagt | τὰ (ta) = de dingen | πρὸς (pros) = tot | εἰρήνην (eirenen) = vrede Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὰ πρὸς εἰρήνην (ta pros eirenen), letterlijk ‘de dingen tot vrede’: wij schrijven ‘vredesvoorwaarden’. πρεσβεία (presbeia), ‘gezantschap’. **14:33** **Zo kan dus ieder van jullie die niet afstand doet van alles wat hij bezit, niet Mijn leerling zijn.** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | οὖν (oun) = dus | πᾶς (pas) = ieder | ἐξ (ex) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὃς (hos) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἀποτάσσεται (apotassetai) = afstand doet | πᾶσιν (pasin) = van alles | τοῖς (tois) = wat | ἑαυτοῦ (heautou) = van zichzelf | ὑπάρχουσιν (hyparchousin) = bezit | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | εἶναί (einai) = zijn | μου (mou) = Mijn | μαθητής (mathetes) = leerling Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποτάσσομαι (apotassomai), ‘afstand doen van’: letterlijk ‘afscheid nemen van’; zie Mark. 6:46. Zie ook: Mar 6:46 ### Het zout **14:34** **Zout is dus goed. Maar als ook het zout smaakloos wordt, waarmee zal het smaak krijgen?** Brontekst: Καλὸν (Kalon) = goed | οὖν (oun) = dus | τὸ (to) = het | ἅλας (halas) = zout | ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | τὸ (to) = het | ἅλας (halas) = zout | μωρανθῇ (moranthe) = smaakloos wordt | ἐν (en) = met | τίνι (tini) = wat | ἀρτυθήσεται (artythesetai) = zal smaak krijgen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μωραίνω (moraino), ‘smaakloos worden’: zie Matt. 5:13. ἀρτύω (artyo), ‘smaak geven’: zie Mark. 9:50. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:13; Mark. 9:50. Zie ook: Mat 5:13; Mar 9:50 **14:35** **Het is noch voor de grond noch voor de mesthoop geschikt; men gooit het buiten. Wie oren heeft om te horen, laat hem horen.”** Brontekst: οὔτε (oute) = noch | εἰς (eis) = voor | γῆν (gen) = grond | οὔτε (oute) = noch | εἰς (eis) = voor | κοπρίαν (koprian) = mesthoop | εὔθετόν (eutheton) = geschikt | ἐστιν (estin) = is | ἔξω (exo) = buiten | βάλλουσιν (ballousin) = zij gooien | αὐτό (auto) = het | ὁ (ho) = wie | ἔχων (echon) = heeft | ὦτα (ota) = oren | ἀκούειν (akouein) = om te horen | ἀκουέτω (akoueto) = laat horen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοπρία (kopria), ‘mesthoop’. De slotzin staat ook in Mark. 4:9. Zie ook: Mar 4:9 ## Lucas 15 _Het verloren schaap, de verloren drachme en de verloren zoon_ ### Tollenaars en zondaars bij Yeshua **15:1** Alle tollenaars en zondaars kwamen dicht bij Hem om naar Hem te luisteren. Brontekst: Ἦσαν (Esan) = waren | δὲ (de) = en | αὐτῷ (auto) = bij Hem | ἐγγίζοντες (engizontes) = naderend | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | τελῶναι (telonai) = tollenaars | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἁμαρτωλοὶ (hamartoloi) = zondaars | ἀκούειν (akouein) = om te horen | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τελῶναι (telonai), ‘tollenaars’: zie Matt. 18:17. Vergelijk Matt. 9:10–11. Zie ook: Mat 9:10–11; Mat 18:17 **15:2** De Farizeeën en de schriftgeleerden mopperden en zeiden: „Deze man ontvangt zondaars en eet met hen.” Brontekst: καὶ (kai) = en | διεγόγγυζον (diegongyzon) = mopperden | οἵ (hoi) = de | τε (te) = en | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Οὗτος (Houtos) = deze | ἁμαρτωλοὺς (hamartolous) = zondaars | προσδέχεται (prosdechetai) = ontvangt | καὶ (kai) = en | συνεσθίει (synesthiei) = eet mee | αὐτοῖς (autois) = met hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαγογγύζω (diagongyzo), ‘mopperen’: zoals Israël in de woestijn morde (Exod. 16:2); zie ook Matt. 20:11 en Joh. 6:41. προσδέχομαι (prosdechomai), ‘ontvangen’. Zie ook: Ex 16:2; Mat 20:11; Joh 6:41 **15:3** Hij vertelde hun deze gelijkenis: Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei Hij | δὲ (de) = en | πρὸς (pros) = tot | αὐτοὺς (autous) = hen | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ταύτην (tauten) = deze | λέγων (legon) = zeggend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: het Grieks heeft het enkelvoud, maar daarna volgen drie gelijkenissen: het verloren schaap, de verloren drachme en de verloren zoon. ### Het verloren schaap **15:4** **„Welk mens onder jullie die 100 schapen heeft en er één van verliest, laat de 99 niet achter in de woestijn? En gaat hij niet het verlorene achterna, totdat hij het vindt?** Brontekst: Τίς (Tis) = welk | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔχων (echon) = hebbend | ἑκατὸν (hekaton) = 100 | πρόβατα (probata) = schapen | καὶ (kai) = en | ἀπολέσας (apolesas) = verliezend | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἓν (hen) = één | οὐ (ou) = niet | καταλείπει (kataleipei) = laat achter | τὰ (ta) = de | ἐνενήκοντα (enenekonta) = negentig | ἐννέα (ennea) = negen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | καὶ (kai) = en | πορεύεται (poreuetai) = gaat | ἐπὶ (epi) = naar | τὸ (to) = het | ἀπολωλὸς (apololos) = verlorene | ἕως (heos) = totdat | εὕρῃ (heure) = hij vindt | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 18:12–14. ἔρημος (eremos), ‘woestijn’: onbewoond, woest gebied waar vee graast; zie Matt. 3:1. Yahweh zoekt Zelf Zijn verloren schapen: Ezech. 34:11–12, 34:16; vergelijk Ps. 119:176. Voetnoot : ἀπολωλός (apololos), ‘het verlorene’, van ἀπόλλυμι (apollymi), ‘verliezen, verloren gaan’: het woord keert terug in de verzen 6, 24 en 32. Zie ook: Ps 119:176; Ezech 34:11–12; Ezech 34:16; Mat 3:1; Mat 18:12–14 **15:5** **En als hij het heeft gevonden, legt hij het op zijn schouders, terwijl hij zich verheugt.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εὑρὼν (heuron) = vindend | ἐπιτίθησιν (epitithesin) = legt op | ἐπὶ (epi) = op | τοὺς (tous) = de | ὤμους (omous) = schouders | αὐτοῦ (autou) = zijn | χαίρων (chairon) = zich verheugend Bron: SBLGNT **15:6** **Als hij thuiskomt, roept hij zijn vrienden en buren bijeen. Hij zegt tegen hen: ‘Verheug jullie met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = komend | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | συγκαλεῖ (synkalei) = roept samen | τοὺς (tous) = de | φίλους (philous) = vrienden | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | γείτονας (geitonas) = buren | λέγων (legon) = zeggend | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Συγχάρητέ (Syncharete) = verheug jullie met | μοι (moi) = mij | ὅτι (hoti) = want | εὗρον (heuron) = ik vond | τὸ (to) = het | πρόβατόν (probaton) = schaap | μου (mou) = mijn | τὸ (to) = het | ἀπολωλός (apololos) = verlorene Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συγχαίρω (sygchairo), ‘zich met iemand verheugen’, van χαίρω (chairo), ‘zich verheugen’. **15:7** **Ik zeg jullie: zo zal er meer vreugde zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, dan over 99 rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben.** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὕτως (houtos) = zo | χαρὰ (chara) = vreugde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | οὐρανῷ (ourano) = hemel | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐπὶ (epi) = over | ἑνὶ (heni) = één | ἁμαρτωλῷ (hamartolo) = zondaar | μετανοοῦντι (metanoounti) = die zich bekeert | ἢ (e) = dan | ἐπὶ (epi) = over | ἐνενήκοντα (enenekonta) = negentig | ἐννέα (ennea) = negen | δικαίοις (dikaiois) = rechtvaardigen | οἵτινες (hoitines) = die | οὐ (ou) = niet | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχουσιν (echousin) = hebben aan | μετανοίας (metanoias) = bekering Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 18:13. Het Grieks heeft ‘vreugde … dan over 99 rechtvaardigen’; het woord ‘meer’ vult het Nederlands aan. μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: zie 3:3. Zie ook: Mat 18:13 ### De verloren drachme **15:8** **Of welke vrouw die 10 drachmen heeft, steekt niet een lamp aan als zij één drachme verliest? En veegt zij niet het huis en zoekt zij niet zorgvuldig, totdat zij hem vindt?** Brontekst: Ἢ (E) = of | τίς (tis) = welke | γυνὴ (gyne) = vrouw | δραχμὰς (drachmas) = drachmen | ἔχουσα (echousa) = hebbend | δέκα (deka) = 10 | ἐὰν (ean) = als | ἀπολέσῃ (apolese) = zij verliest | δραχμὴν (drachmen) = drachme | μίαν (mian) = één | οὐχὶ (ouchi) = niet | ἅπτει (haptei) = steekt aan | λύχνον (lychnon) = lamp | καὶ (kai) = en | σαροῖ (saroi) = veegt | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | καὶ (kai) = en | ζητεῖ (zetei) = zoekt | ἐπιμελῶς (epimelos) = zorgvuldig | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = dat | εὕρῃ (heure) = zij vindt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δραχμή (drachme), ‘drachme’: een Griekse zilveren munt, ongeveer het loon van een dag (ongeveer 3,4 gram zilver); zie Matt. 17:24. λύχνος (lychnos), ‘lamp’. σαρόω (saroo), ‘vegen’. Zie ook: Mat 17:24 **15:9** **Als zij hem heeft gevonden, roept zij haar vriendinnen en buurvrouwen bijeen. Zij zegt: ‘Verheug jullie met mij, want ik heb de drachme gevonden die ik had verloren.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | εὑροῦσα (heurousa) = vindend | συγκαλεῖ (synkalei) = roept samen | τὰς (tas) = de | φίλας (philas) = vriendinnen | καὶ (kai) = en | γείτονας (geitonas) = buurvrouwen | λέγουσα (legousa) = zeggend | Συγχάρητέ (Syncharete) = verheug jullie met | μοι (moi) = mij | ὅτι (hoti) = want | εὗρον (heuron) = ik vond | τὴν (ten) = de | δραχμὴν (drachmen) = drachme | ἣν (hen) = die | ἀπώλεσα (apolesa) = ik verloor Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het lidwoord is hier vrouwelijk (τὰς, tas): ‘vriendinnen en buurvrouwen’. In vers 6 staat het mannelijk: ‘vrienden en buren’. Zie ook: Luc 15:6 **15:10** **Zo, Ik zeg jullie, is er vreugde in het bijzijn van de engelen van Elohim over één zondaar die zich bekeert.”** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | γίνεται (ginetai) = ontstaat | χαρὰ (chara) = vreugde | ἐνώπιον (enopion) = in het bijzijn van | τῶν (ton) = de | ἀγγέλων (angelon) = engelen | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐπὶ (epi) = over | ἑνὶ (heni) = één | ἁμαρτωλῷ (hamartolo) = zondaar | μετανοοῦντι (metanoounti) = die zich bekeert Bron: SBLGNT ### De verloren zoon **15:11** Hij zei: **„Een man had twee zonen.** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei Hij | δέ (de) = en | Ἄνθρωπός (Anthropos) = een man | τις (tis) = zekere | εἶχεν (eichen) = had | δύο (dyo) = twee | υἱούς (huious) = zonen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De gelijkenis van de twee zonen staat alleen bij Lucas. Vergelijk Matt. 21:28–32, een andere gelijkenis over twee zonen. Zie ook: Mat 21:28–32 **15:12** **De jongste van hen zei tegen zijn vader: ‘Vader, geef mij het deel van het vermogen dat mij toekomt.’ De vader verdeelde zijn bezit onder hen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | νεώτερος (neoteros) = jongste | αὐτῶν (auton) = van hen | τῷ (to) = tegen de | πατρί (patri) = vader | Πάτερ (Pater) = vader | δός (dos) = geef | μοι (moi) = mij | τὸ (to) = het | ἐπιβάλλον (epiballon) = toekomende | μέρος (meros) = deel | τῆς (tes) = van het | οὐσίας (ousias) = vermogen | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | διεῖλεν (dieilen) = verdeelde | αὐτοῖς (autois) = onder hen | τὸν (ton) = het | βίον (bion) = bezit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὸ ἐπιβάλλον μέρος (to epiballon meros), ‘het deel dat hem toekwam’: zijn aandeel in de erfenis; vergelijk Deut. 21:16–17. οὐσία (ousia), ‘vermogen’; βίος (bios), ‘bezit’ (ook in vers 30). Zie ook: Deut 21:16–17; Luc 15:30 **15:13** **Na niet veel dagen verzamelde de jongste zoon alles en trok naar een ver land. Daar verspilde hij zijn vermogen door losbandig te leven.** Brontekst: καὶ (kai) = en | μετ’ (met’) = na | οὐ (ou) = niet | πολλὰς (pollas) = vele | ἡμέρας (hemeras) = dagen | συναγαγὼν (synagagon) = verzamelend | πάντα (panta) = alles | ὁ (ho) = de | νεώτερος (neoteros) = jongste | υἱὸς (huios) = zoon | ἀπεδήμησεν (apedemesen) = trok weg | εἰς (eis) = naar | χώραν (choran) = een land | μακράν (makran) = ver | καὶ (kai) = en | ἐκεῖ (ekei) = daar | διεσκόρπισεν (dieskorpisen) = verspilde | τὴν (ten) = het | οὐσίαν (ousian) = vermogen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ζῶν (zon) = levend | ἀσώτως (asotos) = losbandig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀσώτως (asotos), ‘losbandig’: zonder zelfbeheersing. διασκορπίζω (diaskorpizo), ‘verspillen’: letterlijk ‘verstrooien’. **15:14** **Toen hij alles had uitgegeven, kwam er een zware hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden.** Brontekst: δαπανήσαντος (dapanesantos) = uitgegeven hebbend | δὲ (de) = en | αὐτοῦ (autou) = hij | πάντα (panta) = alles | ἐγένετο (egeneto) = kwam | λιμὸς (limos) = hongersnood | ἰσχυρὰ (ischyra) = zware | κατὰ (kata) = in | τὴν (ten) = het | χώραν (choran) = land | ἐκείνην (ekeinen) = dat | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = hijzelf | ἤρξατο (erxato) = begon | ὑστερεῖσθαι (hystereisthai) = gebrek te lijden Bron: SBLGNT **15:15** **Hij ging heen en voegde zich bij een van de burgers van dat land. Die stuurde hem naar zijn akkers om varkens te weiden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πορευθεὶς (poreutheis) = gaand | ἐκολλήθη (ekollethe) = voegde zich | ἑνὶ (heni) = bij één | τῶν (ton) = van de | πολιτῶν (politon) = burgers | τῆς (tes) = van het | χώρας (choras) = land | ἐκείνης (ekeines) = dat | καὶ (kai) = en | ἔπεμψεν (epempsen) = stuurde | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | ἀγροὺς (agrous) = akkers | αὐτοῦ (autou) = zijn | βόσκειν (boskein) = te weiden | χοίρους (choirous) = varkens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Varkens zijn onrein: Lev. 11:7; Deut. 14:8. Voetnoot : ἐκολλήθη (ekollethe), ‘voegde zich bij’: letterlijk ‘kleefde zich aan’. βόσκω (bosko), ‘weiden’: zie ook Matt. 8:33. Zie ook: Lev 11:7; Deut 14:8; Mat 8:33 **15:16** **Hij verlangde ernaar zijn buik te vullen met de peulen die de varkens aten, maar niemand gaf hem iets.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπεθύμει (epethymei) = verlangde | γεμίσαι (gemisai) = te vullen | τὴν (ten) = de | κοιλίαν (koilian) = buik | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀπὸ (apo) = met | τῶν (ton) = de | κερατίων (keration) = peulen | ὧν (hon) = die | ἤσθιον (esthion) = aten | οἱ (hoi) = de | χοῖροι (choiroi) = varkens | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐδίδου (edidou) = gaf | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κεράτιον (keration), ‘peul’: de vrucht van de johannesbroodboom, voer voor vee. ### De zoon komt tot zichzelf **15:17** **Toen hij tot zichzelf kwam, zei hij: ‘Hoeveel loonarbeiders van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik kom hier om van de honger!** Brontekst: εἰς (eis) = tot | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | δὲ (de) = en | ἐλθὼν (elthon) = komend | ἔφη (ephe) = zei | Πόσοι (Posoi) = hoeveel | μίσθιοι (misthioi) = loonarbeiders | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = vader | μου (mou) = mijn | περισσεύονται (perisseuontai) = hebben overvloed | ἄρτων (arton) = aan brood | ἐγὼ (ego) = ik | δὲ (de) = maar | λιμῷ (limo) = van honger | ὧδε (hode) = hier | ἀπόλλυμαι (apollymai) = kom om Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μίσθιος (misthios), ‘loonarbeider’: iemand die voor loon werkt; vergelijk μισθωτός (misthotos) in Joh. 10:12. ἀπόλλυμαι (apollymai), ‘ik kom om’. Zie ook: Joh 10:12 **15:18** **Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: „Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en in jouw ogen.** Brontekst: ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | πορεύσομαι (poreusomai) = zal ik gaan | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | μου (mou) = mijn | καὶ (kai) = en | ἐρῶ (ero) = zal ik zeggen | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Πάτερ (Pater) = vader | ἥμαρτον (hemarton) = ik zondigde | εἰς (eis) = tegen | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | καὶ (kai) = en | ἐνώπιόν (enopion) = in de ogen | σου (sou) = van jou Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De hemel’ is hier een omschrijving voor Elohim. ἐνώπιον (enopion), ‘in de ogen van’, letterlijk ‘voor het gezicht van’; vergelijk Ps. 51:6, ‘gedaan wat kwaad is in Uw ogen’. Zie ook: Ps 51:6 **15:19** **Ik ben het niet meer waard jouw zoon genoemd te worden. Maak mij als een van je loonarbeiders.”’** Brontekst: οὐκέτι (ouketi) = niet meer | εἰμὶ (eimi) = ben ik | ἄξιος (axios) = waardig | κληθῆναι (klethenai) = genoemd te worden | υἱός (huios) = zoon | σου (sou) = van jou | ποίησόν (poieson) = maak | με (me) = mij | ὡς (hos) = als | ἕνα (hena) = één | τῶν (ton) = van de | μισθίων (misthion) = loonarbeiders | σου (sou) = van jou Bron: SBLGNT **15:20** **Hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nog ver weg was, zag zijn vader hem, kreeg medelijden, rende naar hem toe, viel hem om de hals en kuste hem.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἦλθεν (elthen) = ging | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | ἑαυτοῦ (heautou) = zijn eigen | ἔτι (eti) = nog | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | μακρὰν (makran) = ver | ἀπέχοντος (apechontos) = afwezig zijnde | εἶδεν (eiden) = zag | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἐσπλαγχνίσθη (esplanchnisthe) = kreeg medelijden | καὶ (kai) = en | δραμὼν (dramon) = rennend | ἐπέπεσεν (epepesen) = viel | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = de | τράχηλον (trachelon) = hals | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | κατεφίλησεν (katephilesen) = kuste | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden krijgen’: zie Matt. 18:27. καταφιλέω (kataphileo), ‘kussen’: zie Matt. 26:49. Zie ook: Mat 18:27; Mat 26:49 **15:21** **De zoon zei tegen hem: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en in jouw ogen. Ik ben het niet meer waard jouw zoon genoemd te worden.’** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = en | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Πάτερ (Pater) = vader | ἥμαρτον (hemarton) = ik zondigde | εἰς (eis) = tegen | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | καὶ (kai) = en | ἐνώπιόν (enopion) = in de ogen | σου (sou) = van jou | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | εἰμὶ (eimi) = ben ik | ἄξιος (axios) = waardig | κληθῆναι (klethenai) = genoemd te worden | υἱός (huios) = zoon | σου (sou) = van jou Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In sommige handschriften volgt hier nog: ‘Maak mij als een van je loonarbeiders’, zoals in vers 19. De SBLGNT heeft dit niet. Zie ook: Luc 15:19 **15:22** **Maar de vader zei tegen zijn knechten: ‘Breng snel het beste gewaad naar buiten en trek hem dat aan. Doe een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = en | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | δούλους (doulous) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ταχὺ (Tachy) = snel | ἐξενέγκατε (exenenkate) = breng naar buiten | στολὴν (stolen) = gewaad | τὴν (ten) = het | πρώτην (proten) = beste | καὶ (kai) = en | ἐνδύσατε (endysate) = kleed aan | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | δότε (dote) = geef | δακτύλιον (daktylion) = ring | εἰς (eis) = aan | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ὑποδήματα (hypodemata) = sandalen | εἰς (eis) = aan | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στολὴν τὴν πρώτην (stolen ten proten), ‘het beste gewaad’: letterlijk ‘het eerste gewaad’. δακτύλιος (daktylios), ‘ring’. ὑποδήματα (hypodemata), ‘sandalen’: zie Matt. 3:11. Vergelijk Gen. 41:42, waar de farao Jozef zijn zegelring geeft. Zie ook: Gen 41:42; Mat 3:11 **15:23** **Breng het gemeste kalf en slacht het, en laten wij eten en feestvieren.** Brontekst: καὶ (kai) = en | φέρετε (pherete) = breng | τὸν (ton) = het | μόσχον (moschon) = kalf | τὸν (ton) = het | σιτευτόν (siteuton) = gemeste | θύσατε (thysate) = slacht | καὶ (kai) = en | φαγόντες (phagontes) = etend | εὐφρανθῶμεν (euphranthomen) = laten wij feestvieren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐφραίνω (euphraino), ‘feestvieren’: vrolijk zijn met een feest. Het is een ander woord dan χαίρω (chairo), ‘zich verheugen’. Het staat ook in de verzen 24, 29 en 32. σιτευτός (siteutos), ‘gemest’: verwant aan σιτιστά (sitista), ‘gemeste dieren’, in Matt. 22:4. Zie ook: Mat 22:4 **15:24** **Want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden. Hij was verloren en is gevonden.’ En zij begonnen feest te vieren.** Brontekst: ὅτι (hoti) = want | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = zoon | μου (mou) = mijn | νεκρὸς (nekros) = dood | ἦν (en) = was | καὶ (kai) = en | ἀνέζησεν (anezesen) = werd weer levend | ἦν (en) = was | ἀπολωλὼς (apololos) = verloren | καὶ (kai) = en | εὑρέθη (heurethe) = werd gevonden | καὶ (kai) = en | ἤρξαντο (erxanto) = zij begonnen | εὐφραίνεσθαι (euphrainesthai) = feest te vieren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναζάω (anazao), ‘weer levend worden’. In vers 32 staat ζάω (zao), ‘levend worden’. Zie ook: Luc 15:32 ### De oudste zoon **15:25** **Zijn oudste zoon was op het veld. Toen hij kwam en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans.** Brontekst: Ἦν (En) = was | δὲ (de) = en | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὁ (ho) = de | πρεσβύτερος (presbyteros) = oudste | ἐν (en) = op | ἀγρῷ (agro) = veld | καὶ (kai) = en | ὡς (hos) = zoals | ἐρχόμενος (erchomenos) = komend | ἤγγισεν (engisen) = naderde | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | ἤκουσεν (ekousen) = hoorde | συμφωνίας (symphonias) = muziek | καὶ (kai) = en | χορῶν (choron) = dans Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρεσβύτερος (presbyteros), ‘oudste’: de oudere zoon; in vers 12 staat νεώτερος (neoteros), ‘jongste’. συμφωνία (symphonia), ‘muziek’: letterlijk ‘samenklank’. χορός (choros), ‘dans’: een reidans. Zie ook: Luc 15:12 **15:26** **Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dit zou zijn.** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = roepend bij zich | ἕνα (hena) = één | τῶν (ton) = van de | παίδων (paidon) = knechten | ἐπυνθάνετο (epynthaneto) = vroeg | τί (ti) = wat | ἂν (an) = zou | εἴη (eie) = zijn | ταῦτα (tauta) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παῖς (pais), ‘knecht’: dezelfde mensen als de δοῦλοι (douloi), ‘knechten’, in vers 22. Wij vertalen παῖς als ‘knecht’, zoals in Matt. 8:6. Zie ook: Mat 8:6; Luc 15:22 **15:27** **Die zei tegen hem: ‘Je broer is gekomen, en je vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond terugkreeg.’** Brontekst: ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὅτι (hoti) = dat | Ὁ (Ho) = de | ἀδελφός (adelphos) = broer | σου (sou) = jouw | ἥκει (hekei) = is gekomen | καὶ (kai) = en | ἔθυσεν (ethysen) = slachtte | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = vader | σου (sou) = jouw | τὸν (ton) = het | μόσχον (moschon) = kalf | τὸν (ton) = het | σιτευτόν (siteuton) = gemeste | ὅτι (hoti) = omdat | ὑγιαίνοντα (hygiainonta) = gezond | αὐτὸν (auton) = hem | ἀπέλαβεν (apelaben) = terugkreeg Bron: SBLGNT **15:28** **De oudste zoon werd boos en wilde niet binnengaan. Zijn vader ging naar buiten en smeekte hem.** Brontekst: ὠργίσθη (orgisthe) = werd boos | δὲ (de) = en | καὶ (kai) = ook | οὐκ (ouk) = niet | ἤθελεν (ethelen) = wilde | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnengaan | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | πατὴρ (pater) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐξελθὼν (exelthon) = naar buiten gaand | παρεκάλει (parekalei) = smeekte | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρακαλέω (parakaleo), ‘smeken’: zie Matt. 18:29. Zie ook: Mat 18:29 **15:29** **Die antwoordde en zei tegen zijn vader: ‘Zie, al zoveel jaren dien ik je, en nooit heb ik een gebod van je overtreden. Maar mij heb je nooit een bokje gegeven om feest te vieren met mijn vrienden.** Brontekst: ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | τῷ (to) = tegen de | πατρὶ (patri) = vader | αὐτοῦ (autou) = zijn | Ἰδοὺ (Idou) = zie | τοσαῦτα (tosauta) = zoveel | ἔτη (ete) = jaren | δουλεύω (douleuo) = ik dien | σοι (soi) = jou | καὶ (kai) = en | οὐδέποτε (oudepote) = nooit | ἐντολήν (entolen) = gebod | σου (sou) = van jou | παρῆλθον (parelthon) = ik ben voorbijgegaan | καὶ (kai) = en | ἐμοὶ (emoi) = aan mij | οὐδέποτε (oudepote) = nooit | ἔδωκας (edokas) = gaf je | ἔριφον (eriphon) = een bokje | ἵνα (hina) = opdat | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | φίλων (philon) = vrienden | μου (mou) = mijn | εὐφρανθῶ (euphrantho) = ik feestvier Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δουλεύω (douleuo), ‘dienen’: dienen als knecht, van δοῦλος (doulos), ‘knecht’. παρῆλθον (parelthon), ‘overtreden’: letterlijk ‘voorbijgegaan’. ἔριφος (eriphos), ‘bokje’: een jonge geit. **15:30** **Maar toen deze zoon van je kwam, die je bezit met prostituees heeft opgemaakt, heb je voor hem het gemeste kalf geslacht.’** Brontekst: ὅτε (hote) = toen | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = zoon | σου (sou) = van jou | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = die | καταφαγών (kataphagon) = opgegeten heeft | σου (sou) = van jou | τὸν (ton) = het | βίον (bion) = bezit | μετὰ (meta) = met | πορνῶν (pornon) = prostituees | ἦλθεν (elthen) = kwam | ἔθυσας (ethysas) = slachtte je | αὐτῷ (auto) = voor hem | τὸν (ton) = het | σιτευτὸν (siteuton) = gemeste | μόσχον (moschon) = kalf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πόρναι (pornai), ‘prostituees’: zie Matt. 21:31. De oudste zoon zegt ‘deze zoon van je’ en niet ‘mijn broer’; de vader antwoordt in vers 32 met ‘deze broer van je’. Zie ook: Mat 21:31; Luc 15:32 **15:31** **De vader zei tegen hem: ‘Kind, jij bent altijd bij mij, en alles wat van mij is, is van jou.** Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Τέκνον (Teknon) = kind | σὺ (sy) = jij | πάντοτε (pantote) = altijd | μετ’ (met’) = bij | ἐμοῦ (emou) = mij | εἶ (ei) = bent | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = wat | ἐμὰ (ema) = van mij | σά (sa) = van jou | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τέκνον (teknon), ‘kind’: zie Matt. 21:28. Zie ook: Mat 21:28 **15:32** **Maar feestvieren en zich verheugen was nodig, want deze broer van je was dood en is levend geworden, was verloren en is gevonden.’”** Brontekst: εὐφρανθῆναι (euphranthenai) = feest te vieren | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = en | χαρῆναι (charenai) = zich te verheugen | ἔδει (edei) = was nodig | ὅτι (hoti) = omdat | ὁ (ho) = de | ἀδελφός (adelphos) = broer | σου (sou) = jouw | οὗτος (houtos) = deze | νεκρὸς (nekros) = dood | ἦν (en) = was | καὶ (kai) = en | ἔζησεν (ezesen) = werd levend | καὶ (kai) = en | ἀπολωλὼς (apololos) = verloren | καὶ (kai) = en | εὑρέθη (heurethe) = werd gevonden Bron: SBLGNT ## Lucas 16 _De onrechtvaardige beheerder, de wet en het koninkrijk van Elohim, de rijke man en Lazarus_ ### De gelijkenis van de onrechtvaardige beheerder **16:1** Hij zei ook tegen de leerlingen: **„Er was een rijk man die een beheerder had. Deze werd bij hem aangeklaagd als iemand die zijn bezittingen verspilde.** Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | μαθητάς (mathetas) = leerlingen | Ἄνθρωπός (Anthropos) = mens | τις (tis) = zekere | ἦν (en) = was | πλούσιος (plousios) = rijk | ὃς (hos) = die | εἶχεν (eichen) = had | οἰκονόμον (oikonomon) = beheerder | καὶ (kai) = en | οὗτος (houtos) = deze | διεβλήθη (dieblethe) = werd aangeklaagd | αὐτῷ (auto) = bij hem | ὡς (hos) = als | διασκορπίζων (diaskorpizon) = verspillend | τὰ (ta) = de | ὑπάρχοντα (hyparchonta) = bezittingen | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκονόμος (oikonomos), ‘beheerder’: iemand die het bezit en de zaken van zijn heer beheert; οἰκονομία (oikonomia) is zijn ‘beheer’. In Matt. 20:8 staat een ander woord, ἐπίτροπος (epitropos), ‘rentmeester’. Voetnoot : διασκορπίζω (diaskorpizo), ‘verspillen’: letterlijk ‘verstrooien’, zoals in Matt. 25:24. Zie ook: Mat 20:8; Mat 25:24 **16:2** **Hij riep hem en zei tegen hem: ‘Wat is dit dat ik over je hoor? Leg rekenschap af van je beheer, want je kunt niet langer beheerder zijn.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | φωνήσας (phonesas) = roepend | αὐτὸν (auton) = hem | εἶπεν (eipen) = hij zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Τί (Ti) = wat | τοῦτο (touto) = dit | ἀκούω (akouo) = ik hoor | περὶ (peri) = over | σοῦ (sou) = jou | ἀπόδος (apodos) = geef terug | τὸν (ton) = de | λόγον (logon) = rekenschap | τῆς (tes) = van het | οἰκονομίας (oikonomias) = beheer | σου (sou) = jouw | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | δύνῃ (dyne) = je kunt | ἔτι (eti) = langer | οἰκονομεῖν (oikonomein) = beheren Bron: SBLGNT **16:3** **De beheerder zei bij zichzelf: ‘Wat zal ik doen, nu mijn heer het beheer van mij afneemt? Om te graven ben ik niet sterk genoeg, om te bedelen schaam ik mij.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = bij | ἑαυτῷ (heauto) = zichzelf | ὁ (ho) = de | οἰκονόμος (oikonomos) = beheerder | Τί (Ti) = wat | ποιήσω (poieso) = zal ik doen | ὅτι (hoti) = omdat | ὁ (ho) = de | κύριός (kyrios) = heer | μου (mou) = mijn | ἀφαιρεῖται (aphaireitai) = neemt af | τὴν (ten) = het | οἰκονομίαν (oikonomian) = beheer | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = mij | σκάπτειν (skaptein) = te graven | οὐκ (ouk) = niet | ἰσχύω (ischyo) = ben ik sterk genoeg | ἐπαιτεῖν (epaitein) = te bedelen | αἰσχύνομαι (aischynomai) = ik schaam mij Bron: SBLGNT **16:4** **Ik weet wat ik zal doen, zodat zij mij in hun huizen ontvangen wanneer ik uit het beheer ben gezet.’** Brontekst: ἔγνων (egnon) = ik weet | τί (ti) = wat | ποιήσω (poieso) = ik zal doen | ἵνα (hina) = zodat | ὅταν (hotan) = wanneer | μετασταθῶ (metastatho) = ik ben verwijderd | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | οἰκονομίας (oikonomias) = beheer | δέξωνταί (dexontai) = zij ontvangen | με (me) = mij | εἰς (eis) = in | τοὺς (tous) = de | οἴκους (oikous) = huizen | ἑαυτῶν (heauton) = hun eigen Bron: SBLGNT **16:5** **Hij riep ieder van de schuldenaars van zijn heer bij zich en zei tegen de eerste: ‘Hoeveel ben je mijn heer schuldig?’** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσκαλεσάμενος (proskalesamenos) = bij zich roepend | ἕνα (hena) = één | ἕκαστον (hekaston) = ieder | τῶν (ton) = van de | χρεοφειλετῶν (chreopheileton) = schuldenaars | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = heer | ἑαυτοῦ (heautou) = zijn eigen | ἔλεγεν (elegen) = hij zei | τῷ (to) = tegen de | πρώτῳ (proto) = eerste | Πόσον (Poson) = hoeveel | ὀφείλεις (opheileis) = ben je schuldig | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = heer | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **16:6** **Die zei: ‘100 bat olie.’ Toen zei hij tegen hem: ‘Neem je schuldbrief, ga snel zitten en schrijf 50.’** Brontekst: ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ἑκατὸν (Hekaton) = 100 | βάτους (batous) = bat | ἐλαίου (elaiou) = olie | ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Δέξαι (Dexai) = neem | σου (sou) = jouw | τὰ (ta) = de | γράμματα (grammata) = geschriften | καὶ (kai) = en | καθίσας (kathisas) = gaan zitten | ταχέως (tacheos) = snel | γράψον (grapson) = schrijf | πεντήκοντα (pentekonta) = 50 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βάτος (batos), ‘bat’: een Hebreeuwse inhoudsmaat (בַּת). Een bat is even groot als een efa, ongeveer 22 liter (Ezech. 45:10–11); 100 bat olie is dus ongeveer 2200 liter. Voetnoot : γράμματα (grammata), ‘schuldbrief’: letterlijk ‘geschriften’, het stuk waarop de schuld staat. Zie ook: Ezech 45:10–11 **16:7** **Daarna zei hij tegen een ander: ‘En jij, hoeveel ben je schuldig?’ Die zei: ‘100 kor graan.’ Toen zei hij tegen hem: ‘Neem je schuldbrief en schrijf 80.’** Brontekst: ἔπειτα (epeita) = daarna | ἑτέρῳ (hetero) = tegen een ander | εἶπεν (eipen) = hij zei | Σὺ (Sy) = jij | δὲ (de) = maar | πόσον (poson) = hoeveel | ὀφείλεις (opheileis) = ben je schuldig | ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ἑκατὸν (Hekaton) = 100 | κόρους (korous) = kor | σίτου (sitou) = graan | λέγει (legei) = hij zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Δέξαι (Dexai) = neem | σου (sou) = jouw | τὰ (ta) = de | γράμματα (grammata) = geschriften | καὶ (kai) = en | γράψον (grapson) = schrijf | ὀγδοήκοντα (ogdoekonta) = 80 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόρος (koros), ‘kor’: een Hebreeuwse inhoudsmaat (כֹּר), gelijk aan een homer en aan tien bat, ongeveer 220 liter (Ezech. 45:14); 100 kor graan is dus ongeveer 22.000 liter. Zie ook: Ezech 45:14 **16:8** **En de heer prees de onrechtvaardige beheerder, omdat hij verstandig had gehandeld. Want de zonen van deze eeuw zijn tegenover hun eigen generatie verstandiger dan de zonen van het licht.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπῄνεσεν (epenesen) = prees | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τὸν (ton) = de | οἰκονόμον (oikonomon) = beheerder | τῆς (tes) = van het | ἀδικίας (adikias) = onrecht | ὅτι (hoti) = omdat | φρονίμως (phronimos) = verstandig | ἐποίησεν (epoiesen) = hij handelde | ὅτι (hoti) = want | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | τοῦ (tou) = van de | αἰῶνος (aionos) = eeuw | τούτου (toutou) = deze | φρονιμώτεροι (phronimoteroi) = verstandiger | ὑπὲρ (hyper) = dan | τοὺς (tous) = de | υἱοὺς (huious) = zonen | τοῦ (tou) = van het | φωτὸς (photos) = licht | εἰς (eis) = ten opzichte van | τὴν (ten) = de | γενεὰν (genean) = generatie | τὴν (ten) = de | ἑαυτῶν (heauton) = hun eigen | εἰσιν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de heer’: de heer uit de gelijkenis, de meester van de beheerder. Het Grieks zegt niet of dit de heer uit de gelijkenis is of Yeshua zelf; wij lezen de heer uit de gelijkenis en schrijven ‘heer’ met kleine letter, zoals in 16:3 en 16:5. Voetnoot : τῆς ἀδικίας (tes adikias), ‘onrechtvaardige’: letterlijk ‘van het onrecht’; zo ook in 18:6. Voetnoot : υἱοὶ τοῦ φωτός (huioi tou photos), ‘zonen van het licht’: mensen die bij het licht horen. **16:9** **En Ik zeg jullie: maak voor jullie zelf vrienden met behulp van de Mammon van het onrecht, zodat zij jullie, wanneer die opraakt, ontvangen in de eeuwige hutten.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγὼ (ego) = Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | λέγω (lego) = zeg | ἑαυτοῖς (heautois) = voor jullie zelf | ποιήσατε (poiesate) = maakt | φίλους (philous) = vrienden | ἐκ (ek) = met behulp van | τοῦ (tou) = de | μαμωνᾶ (mamona) = Mammon | τῆς (tes) = van het | ἀδικίας (adikias) = onrecht | ἵνα (hina) = zodat | ὅταν (hotan) = wanneer | ἐκλίπῃ (eklipe) = opraakt | δέξωνται (dexontai) = zij ontvangen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | αἰωνίους (aionious) = eeuwige | σκηνάς (skenas) = hutten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαμωνᾶς (mamonas), ‘Mammon’: een Aramees woord voor bezit en rijkdom; zie 16:13. Voetnoot : ἐκλίπῃ (eklipe), ‘opraakt’: het onderwerp is de Mammon. Het Grieks heeft geen onderwerp bij ‘ontvangen’; wij schrijven ‘zij’. Voetnoot : σκηνάς (skenas), ‘hutten’: het Griekse woord betekent ook ‘tent’. Wij vertalen overal ‘hutten’, zoals in Matt. 17:4. ‘De eeuwige hutten’ zijn blijvende verblijfplaatsen. Zie ook: Mat 17:4 ### Trouw en Mammon **16:10** **Wie trouw is in het kleinste, is ook in veel trouw. En wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook in veel onrechtvaardig.** Brontekst: Ὁ (Ho) = de | πιστὸς (pistos) = trouwe | ἐν (en) = in | ἐλαχίστῳ (elachisto) = het kleinste | καὶ (kai) = ook | ἐν (en) = in | πολλῷ (pollo) = veel | πιστός (pistos) = trouw | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἐν (en) = in | ἐλαχίστῳ (elachisto) = het kleinste | ἄδικος (adikos) = onrechtvaardige | καὶ (kai) = ook | ἐν (en) = in | πολλῷ (pollo) = veel | ἄδικός (adikos) = onrechtvaardig | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **16:11** **Als jullie dus in de onrechtvaardige Mammon niet trouw zijn geweest, wie zal jullie dan het ware toevertrouwen?** Brontekst: εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀδίκῳ (adiko) = onrechtvaardige | μαμωνᾷ (mamona) = Mammon | πιστοὶ (pistoi) = trouw | οὐκ (ouk) = niet | ἐγένεσθε (egenesthe) = jullie zijn geweest | τὸ (to) = het | ἀληθινὸν (alethinon) = ware | τίς (tis) = wie | ὑμῖν (hymin) = jullie | πιστεύσει (pisteusei) = zal toevertrouwen Bron: SBLGNT **16:12** **En als jullie in wat van een ander is niet trouw zijn geweest, wie zal jullie dan geven wat van jullie is?** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰ (ei) = als | ἐν (en) = in | τῷ (to) = wat | ἀλλοτρίῳ (allotrio) = van een ander is | πιστοὶ (pistoi) = trouw | οὐκ (ouk) = niet | ἐγένεσθε (egenesthe) = jullie zijn geweest | τὸ (to) = wat | ὑμέτερον (hymeteron) = van jullie is | τίς (tis) = wie | δώσει (dosei) = zal geven | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT **16:13** **Geen huisknecht kan twee heren dienen. Want hij zal of de een haten en de ander liefhebben, of zich aan de een vasthouden en de ander verachten. Jullie kunnen niet Elohim dienen en Mammon.”** Brontekst: οὐδεὶς (oudeis) = niemand | οἰκέτης (oiketes) = huisknecht | δύναται (dynatai) = kan | δυσὶ (dysi) = twee | κυρίοις (kyriois) = heren | δουλεύειν (douleuein) = dienen | ἢ (e) = of | γὰρ (gar) = want | τὸν (ton) = de | ἕνα (hena) = één | μισήσει (misesei) = zal haten | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | ἕτερον (heteron) = ander | ἀγαπήσει (agapesei) = zal liefhebben | ἢ (e) = of | ἑνὸς (henos) = aan één | ἀνθέξεται (anthexetai) = zal zich vasthouden | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = de | ἑτέρου (heterou) = ander | καταφρονήσει (kataphronesei) = zal verachten | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = jullie kunnen | θεῷ (theo) = Elohim | δουλεύειν (douleuein) = dienen | καὶ (kai) = en | μαμωνᾷ (mamona) = Mammon Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκέτης (oiketes), ‘huisknecht’: een knecht die tot het huis behoort. Het gewone woord voor ‘knecht’ is δοῦλος (doulos). δουλεύω (douleuo), ‘dienen’: dienen als een knecht. Voetnoot : Zie ook Matt. 6:24. Zie ook: Mat 6:24 ### Elohim kent jullie harten **16:14** Dit alles hoorden de Farizeeën, die van geld hielden, en zij lachten Hem uit. Brontekst: Ἤκουον (Ekouon) = zij hoorden | δὲ (de) = maar | ταῦτα (tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | φιλάργυροι (philargyroi) = geldlievend | ὑπάρχοντες (hyparchontes) = zijnde | καὶ (kai) = en | ἐξεμυκτήριζον (exemykterizon) = zij lachten uit | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκμυκτηρίζω (ekmykterizo), ‘uitlachen’: letterlijk ‘de neus voor iemand optrekken’, een teken van spot. φιλάργυρος (philargyros), ‘die van geld houdt’: letterlijk ‘zilverliefhebber’. **16:15** Hij zei tegen hen: **„Jullie zijn degenen die zichzelf rechtvaardig verklaren voor de mensen. Maar Elohim kent jullie harten. Want wat onder mensen hoog is, is een gruwel voor Elohim.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | ἐστε (este) = zijn | οἱ (hoi) = degenen die | δικαιοῦντες (dikaiountes) = rechtvaardig verklaren | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | ἐνώπιον (enopion) = voor | τῶν (ton) = de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | θεὸς (theos) = Elohim | γινώσκει (ginoskei) = kent | τὰς (tas) = de | καρδίας (kardias) = harten | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὅτι (hoti) = want | τὸ (to) = wat | ἐν (en) = onder | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | ὑψηλὸν (hypselon) = hoog is | βδέλυγμα (bdelygma) = gruwel | ἐνώπιον (enopion) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’: wij vertalen het zo ook in 18:14 en in Matt. 12:37. βδέλυγμα (bdelygma), ‘gruwel’: iets wat Elohim verafschuwt. Zie ook: Mat 12:37 ### De wet en het koninkrijk van Elohim **16:16** **De wet en de profeten gelden tot Johannes. Sinds die tijd wordt de goede boodschap van het koninkrijk van Elohim gebracht, en ieder dringt er met kracht in.** Brontekst: Ὁ (Ho) = de | νόμος (nomos) = wet | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten | μέχρι (mechri) = tot | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | ἀπὸ (apo) = sinds | τότε (tote) = die tijd | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | εὐαγγελίζεται (euangelizetai) = wordt als goede boodschap gebracht | καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = ieder | εἰς (eis) = in | αὐτὴν (auten) = het | βιάζεται (biazetai) = dringt met kracht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ‘de wet en de profeten’ geen werkwoord; wij vullen ‘gelden’ aan. εὐαγγελίζεται (euangelizetai): letterlijk ‘wordt als goede boodschap gebracht’. Voetnoot : βιάζεται (biazetai) kan lijdend zijn (‘lijdt geweld’, zoals wij kiezen in Matt. 11:12) of betekenen ‘dringt met kracht’. Omdat hier ‘in haar’ volgt, kiezen wij ‘dringt er met kracht in’. Voetnoot : Johannes is hier Johannes de Doper (zie Luc. 3). Voetnoot : Zie ook Matt. 11:12–13. Zie ook: Mat 11:12 **16:17** **Het is gemakkelijker dat de hemel en de aarde voorbijgaan dan dat één streepje van de wet wegvalt.** Brontekst: Εὐκοπώτερον (Eukopoteron) = gemakkelijker | δέ (de) = maar | ἐστιν (estin) = is | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = aarde | παρελθεῖν (parelthein) = voorbijgaan | ἢ (e) = dan | τοῦ (tou) = van de | νόμου (nomou) = wet | μίαν (mian) = één | κεραίαν (keraian) = streepje | πεσεῖν (pesein) = wegvalt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κεραία (keraia), ‘streepje’: letterlijk ‘hoorntje’, een klein streepje aan een letter. πίπτω (pipto), ‘vallen’: hier ‘wegvallen’, vervallen. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:18. Zie ook: Mat 5:18 ### Over wegsturen en hertrouwen **16:18** **Ieder die zijn vrouw wegstuurt en een andere trouwt, pleegt overspel. En wie een door haar man weggestuurde vrouw trouwt, pleegt overspel.** Brontekst: Πᾶς (Pas) = ieder | ὁ (ho) = die | ἀπολύων (apolyon) = wegstuurt | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | γαμῶν (gamon) = trouwend | ἑτέραν (heteran) = een andere | μοιχεύει (moicheuei) = pleegt overspel | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = wie | ἀπολελυμένην (apolelymenen) = weggestuurde | ἀπὸ (apo) = van | ἀνδρὸς (andros) = man | γαμῶν (gamon) = trouwt | μοιχεύει (moicheuei) = pleegt overspel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπολύω (apolyo), ‘wegsturen’: zoals in Mark. 10:11 en Matt. 19:3. Het Grieks heeft bij de tweede zin ‘van een man’: ‘een van haar man weggestuurde vrouw’. Voetnoot : Zie ook Matt. 5:31–32; Matt. 19:9; Mark. 10:11–12. Zie ook: Mat 5:31–32; Mat 19:3; Mat 19:9; Mar 10:11 ### De rijke man en Lazarus **16:19** **Er was een rijk man. Hij kleedde zich in purper en fijn linnen en vierde elke dag luisterrijk feest.** Brontekst: Ἄνθρωπος (Anthropos) = mens | δέ (de) = maar | τις (tis) = zekere | ἦν (en) = was | πλούσιος (plousios) = rijk | καὶ (kai) = en | ἐνεδιδύσκετο (enedidysketo) = kleedde zich | πορφύραν (porphyran) = purper | καὶ (kai) = en | βύσσον (bysson) = fijn linnen | εὐφραινόμενος (euphrainomenos) = feestvierend | καθ’ (kath’) = elke | ἡμέραν (hemeran) = dag | λαμπρῶς (lampros) = luisterrijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πορφύρα (porphyra), ‘purper’, en βύσσος (byssos), ‘fijn linnen’: kostbare kleding; vergelijk ‘fijn linnen’ in Exod. 26:1. Zie ook: Ex 26:1 **16:20** **Een arme, Lazarus genaamd, lag bij zijn poort, vol zweren.** Brontekst: πτωχὸς (ptochos) = arme | δέ (de) = maar | τις (tis) = zekere | ὀνόματι (onomati) = genaamd | Λάζαρος (Lazaros) = Lazarus | ἐβέβλητο (ebebleto) = lag neergelegd | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | πυλῶνα (pylona) = poort | αὐτοῦ (autou) = zijn | εἱλκωμένος (heilkomenos) = vol zweren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Λάζαρος (Lazaros), ‘Lazarus’: de Griekse vorm van Eleazar (אֶלְעָזָר, El’azar), ‘Elohim helpt’. Het is niet de Lazarus uit Joh. 11:1. Zie ook: Joh 11:1 **16:21** **Hij verlangde ernaar verzadigd te worden met wat van de tafel van de rijke viel. Maar ook de honden kwamen en likten zijn zweren.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπιθυμῶν (epithymon) = verlangend | χορτασθῆναι (chortasthenai) = verzadigd te worden | ἀπὸ (apo) = met | τῶν (ton) = wat | πιπτόντων (piptonton) = viel | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | τραπέζης (trapezes) = tafel | τοῦ (tou) = van de | πλουσίου (plousiou) = rijke | ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | κύνες (kynes) = honden | ἐρχόμενοι (erchomenoi) = komend | ἐπέλειχον (epeleichon) = likten | τὰ (ta) = de | ἕλκη (helke) = zweren | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **16:22** **Het gebeurde dat de arme stierf en door de engelen werd weggedragen naar de schoot van Abraham. Ook de rijke stierf en werd begraven.** Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = maar | ἀποθανεῖν (apothanein) = te sterven | τὸν (ton) = de | πτωχὸν (ptochon) = arme | καὶ (kai) = en | ἀπενεχθῆναι (apenechthenai) = weggedragen te worden | αὐτὸν (auton) = hij | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | ἀγγέλων (angelon) = engelen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | κόλπον (kolpon) = schoot | Ἀβραάμ (Abraam) = van Abraham | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | πλούσιος (plousios) = rijke | καὶ (kai) = en | ἐτάφη (etaphe) = werd begraven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόλπος (kolpos), ‘schoot’: de plaats van grote nabijheid, zoals bij een maaltijd naast de gastheer; vergelijk Joh. 1:18 en 13:23. Zie ook: Joh 1:18; Joh 13:23 **16:23** **In het dodenrijk sloeg hij zijn ogen op, terwijl hij in kwellingen verkeerde, en zag Abraham van ver en Lazarus in zijn schoot.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ᾅδῃ (hade) = dodenrijk | ἐπάρας (eparas) = opslaand | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὑπάρχων (hyparchon) = zijnde | ἐν (en) = in | βασάνοις (basanois) = kwellingen | ὁρᾷ (hora) = ziet | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | ἀπὸ (apo) = van | μακρόθεν (makrothen) = ver | καὶ (kai) = en | Λάζαρον (Lazaron) = Lazarus | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | κόλποις (kolpois) = schoot | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ᾅδης (hades), ‘dodenrijk’: het Hebreeuwse שְׁאוֹל (Sjeol), zoals in Matt. 11:23 en 16:18. βάσανος (basanos), ‘kwelling’: van βασανίζω (basanizo), ‘kwellen’, zoals in Matt. 8:29. Zie ook: Mat 8:29; Mat 11:23; Mat 16:18 **16:24** **Toen riep hij en zei: ‘Vader Abraham, ontferm u over mij. Stuur Lazarus, zodat hij de top van zijn vinger in water indoopt en mijn tong verkoelt. Want ik lijd pijn in deze vlam.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = hij | φωνήσας (phonesas) = roepend | εἶπεν (eipen) = zei | Πάτερ (Pater) = vader | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | ἐλέησόν (eleeson) = ontferm u | με (me) = over mij | καὶ (kai) = en | πέμψον (pempson) = stuur | Λάζαρον (Lazaron) = Lazarus | ἵνα (hina) = zodat | βάψῃ (bapse) = hij indoopt | τὸ (to) = het | ἄκρον (akron) = uiteinde | τοῦ (tou) = van de | δακτύλου (daktylou) = vinger | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὕδατος (hydatos) = in water | καὶ (kai) = en | καταψύξῃ (katapsyxe) = hij verkoelt | τὴν (ten) = de | γλῶσσάν (glossan) = tong | μου (mou) = mijn | ὅτι (hoti) = want | ὀδυνῶμαι (odynomai) = ik lijd pijn | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | φλογὶ (phlogi) = vlam | ταύτῃ (taute) = deze Bron: SBLGNT **16:25** **Abraham zei: ‘Kind, denk eraan dat jij je goede dingen hebt ontvangen in je leven, en Lazarus evenzo de slechte. Nu wordt hij hier getroost, maar jij lijdt pijn.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | Τέκνον (Teknon) = kind | μνήσθητι (mnestheti) = denk eraan | ὅτι (hoti) = dat | ἀπέλαβες (apelabes) = je hebt ontvangen | τὰ (ta) = de | ἀγαθά (agatha) = goede dingen | σου (sou) = jouw | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | ζωῇ (zoe) = leven | σου (sou) = jouw | καὶ (kai) = en | Λάζαρος (Lazaros) = Lazarus | ὁμοίως (homoios) = evenzo | τὰ (ta) = de | κακά (kaka) = slechte dingen | νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | ὧδε (hode) = hier | παρακαλεῖται (parakaleitai) = wordt getroost | σὺ (sy) = jij | δὲ (de) = maar | ὀδυνᾶσαι (odynasai) = lijdt pijn Bron: SBLGNT **16:26** **En bij dit alles is tussen ons en jullie een grote kloof vastgelegd. Zo kunnen zij die vanaf hier naar jullie willen oversteken, dat niet, en kunnen zij ook niet vandaar naar ons overkomen.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐν (en) = bij | πᾶσι (pasi) = alles | τούτοις (toutois) = dit | μεταξὺ (metaxy) = tussen | ἡμῶν (hemon) = ons | καὶ (kai) = en | ὑμῶν (hymon) = jullie | χάσμα (chasma) = kloof | μέγα (mega) = grote | ἐστήρικται (esteriktai) = is vastgelegd | ὅπως (hopos) = zodat | οἱ (hoi) = zij die | θέλοντες (thelontes) = willen | διαβῆναι (diabenai) = oversteken | ἔνθεν (enthen) = vanaf hier | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie | μὴ (me) = niet | δύνωνται (dynontai) = kunnen | μηδὲ (mede) = noch | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | πρὸς (pros) = naar | ἡμᾶς (hemas) = ons | διαπερῶσιν (diaperosin) = zij overkomen Bron: SBLGNT **16:27** **Toen zei hij: ‘Ik vraag u dan, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt,** Brontekst: εἶπεν (eipen) = hij zei | δέ (de) = maar | Ἐρωτῶ (Eroto) = ik vraag | σε (se) = u | οὖν (oun) = dan | πάτερ (pater) = vader | ἵνα (hina) = dat | πέμψῃς (pempses) = u stuurt | αὐτὸν (auton) = hem | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = vader | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **16:28** **want ik heb 5 broers, zodat hij hen waarschuwt, opdat ook zij niet op deze plaats van kwelling komen.’** Brontekst: ἔχω (echo) = ik heb | γὰρ (gar) = want | πέντε (pente) = 5 | ἀδελφούς (adelphous) = broers | ὅπως (hopos) = zodat | διαμαρτύρηται (diamartyretai) = hij waarschuwt | αὐτοῖς (autois) = hen | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | καὶ (kai) = ook | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἔλθωσιν (elthosin) = komen | εἰς (eis) = op | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | τοῦτον (touton) = deze | τῆς (tes) = van de | βασάνου (basanou) = kwelling Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαμαρτύρομαι (diamartyromai), ‘waarschuwen’: letterlijk ‘nadrukkelijk getuigen’, zodat iemand moet luisteren. **16:29** **Abraham zei: ‘Zij hebben Mozes en de profeten. Laten zij naar hen luisteren.’** Brontekst: λέγει (legei) = hij zegt | δὲ (de) = maar | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | Ἔχουσι (Echousi) = zij hebben | Μωϋσέα (Moysea) = Mozes | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | προφήτας (prophetas) = profeten | ἀκουσάτωσαν (akousatosan) = laten zij luisteren | αὐτῶν (auton) = naar hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Mozes en de profeten’ zijn de Schriften van Israël, ‘de wet en de profeten’ van 16:16. **16:30** **Maar die zei: ‘Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe gaat, zullen zij zich bekeren.’** Brontekst: ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐχί (Ouchi) = nee | πάτερ (pater) = vader | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | ἀπὸ (apo) = van | νεκρῶν (nekron) = doden | πορευθῇ (poreuthe) = gaat | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | μετανοήσουσιν (metanoesousin) = zij zullen zich bekeren Bron: SBLGNT **16:31** **Toen zei hij tegen hem: ‘Als zij niet luisteren naar Mozes en de profeten, zullen zij zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden opstaat.’”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = hij zei | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Εἰ (Ei) = als | Μωϋσέως (Moyseos) = naar Mozes | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = naar de | προφητῶν (propheton) = profeten | οὐκ (ouk) = niet | ἀκούουσιν (akouousin) = zij luisteren | οὐδ’ (oud’) = ook niet | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | ἀναστῇ (anaste) = opstaat | πεισθήσονται (peisthesontai) = zij zullen zich laten overtuigen Bron: SBLGNT ## Lucas 17 _Struikelblokken, vergeven, geloof, de 10 melaatsen en de dag van de Mensenzoon_ ### Struikelblokken en vergeven **17:1** Hij zei tegen Zijn leerlingen: **„Het is onmogelijk dat de struikelblokken niet komen. Maar wee degene door wie het komt.** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἀνένδεκτόν (Anendekton) = onmogelijk | ἐστιν (estin) = is | τοῦ (tou) = het | τὰ (ta) = de | σκάνδαλα (skandala) = struikelblokken | μὴ (me) = niet | ἐλθεῖν (elthein) = komen | πλὴν (plen) = maar | οὐαὶ (ouai) = wee | δι’ (di’) = door | οὗ (hou) = wie | ἔρχεται (erchetai) = het komt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’: iets waardoor iemand valt of van de weg afraakt. Wij vertalen σκάνδαλον zo en σκανδαλίζω (skandalizo) met ‘laten struikelen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 18:7. Zie ook: Mat 18:7 **17:2** **Het is beter voor hem als een molensteen om zijn nek ligt en hij in de zee geworpen is. Dat is beter dan dat hij één van deze kleinen laat struikelen.** Brontekst: λυσιτελεῖ (lysitelei) = het is beter | αὐτῷ (auto) = voor hem | εἰ (ei) = als | λίθος (lithos) = steen | μυλικὸς (mylikos) = van een molen | περίκειται (perikeitai) = ligt | περὶ (peri) = om | τὸν (ton) = de | τράχηλον (trachelon) = nek | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἔρριπται (erriptai) = hij is geworpen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee | ἢ (e) = dan | ἵνα (hina) = dat | σκανδαλίσῃ (skandalise) = hij laat struikelen | τῶν (ton) = van de | μικρῶν (mikron) = kleinen | τούτων (touton) = deze | ἕνα (hena) = één Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λίθος μυλικός (lithos mylikos), ‘molensteen’: Matteüs en Markus hebben een ander woord, ‘ezelsmolensteen’ (μύλος ὀνικός). Voetnoot : Zie ook Matt. 18:6; Mark. 9:42. Zie ook: Mat 18:6; Mar 9:42 **17:3** **Let op jezelf. Als je broer zondigt, bestraf hem. En als hij zich bekeert, vergeef hem.** Brontekst: προσέχετε (prosechete) = let op | ἑαυτοῖς (heautois) = jezelf | ἐὰν (ean) = als | ἁμάρτῃ (hamarte) = zondigt | ὁ (ho) = de | ἀδελφός (adelphos) = broer | σου (sou) = je | ἐπιτίμησον (epitimeson) = bestraf | αὐτῷ (auto) = hem | καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | μετανοήσῃ (metanoese) = hij zich bekeert | ἄφες (aphes) = vergeef | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιτιμάω (epitimao), ‘bestraffen’: wij vertalen het overal zo. ἀφίημι (aphiemi), ‘vergeven’: bij zonde, zoals in Matt. 18:21. Voetnoot : Zie ook Matt. 18:15. Zie ook: Mat 18:15; Mat 18:21 **17:4** **En als hij zevenmaal per dag tegen je zondigt en zevenmaal naar je terugkeert en zegt: ‘Ik bekeer mij’, zul je hem vergeven.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | ἑπτάκις (heptakis) = zevenmaal | τῆς (tes) = van de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἁμαρτήσῃ (hamartese) = hij zondigt | εἰς (eis) = tegen | σὲ (se) = jou | καὶ (kai) = en | ἑπτάκις (heptakis) = zevenmaal | ἐπιστρέψῃ (epistrepse) = hij terugkeert | πρὸς (pros) = naar | σὲ (se) = jou | λέγων (legon) = zeggend | Μετανοῶ (Metanoo) = ik bekeer mij | ἀφήσεις (apheseis) = je zult vergeven | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 18:21–22. Zie ook: Mat 18:21–22 ### Geloof als een mosterdzaadje **17:5** De apostelen zeiden tegen de Heer: „Voeg geloof aan ons toe.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | οἱ (hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | τῷ (to) = tegen de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | Πρόσθες (Prosthes) = voeg toe | ἡμῖν (hemin) = aan ons | πίστιν (pistin) = geloof Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τῷ κυρίῳ (to kyrio), ‘de Heer’: zie 7:13. Voetnoot : ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is. **17:6** De Heer zei: **„Als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, zouden jullie tegen deze moerbeiboom zeggen: ‘Word ontworteld en word geplant in de zee.’ En hij zou jullie gehoorzamen.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | Εἰ (Ei) = als | ἔχετε (echete) = jullie hebben | πίστιν (pistin) = geloof | ὡς (hos) = als | κόκκον (kokkon) = zaadje | σινάπεως (sinapeos) = van mosterd | ἐλέγετε (elegete) = jullie zouden zeggen | ἂν (an) = (zou) | τῇ (te) = tegen deze | συκαμίνῳ (sykamino) = moerbeiboom | ταύτῃ (taute) = deze | Ἐκριζώθητι (Ekrizotheti) = word ontworteld | καὶ (kai) = en | φυτεύθητι (phyteutheti) = word geplant | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | θαλάσσῃ (thalasse) = zee | καὶ (kai) = en | ὑπήκουσεν (hypekousen) = hij zou gehoorzamen | ἂν (an) = (zou) | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συκάμινος (sykaminos), ‘moerbeiboom’: een boom die diep wortelt. κόκκος σινάπεως (kokkos sinapeos), ‘mosterdzaadje’: een heel klein zaadje. Voetnoot : Zie ook Matt. 17:20; Matt. 21:21; Mark. 11:23. Zie ook: Mat 17:20; Mat 21:21; Mar 11:23 ### Nutteloze knechten **17:7** **Wie van jullie zal tegen zijn knecht, die ploegt of de kudde hoedt, zeggen als die van het veld binnenkomt: ‘Kom meteen en ga zitten’?** Brontekst: Τίς (Tis) = wie | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | δοῦλον (doulon) = knecht | ἔχων (echon) = hebbend | ἀροτριῶντα (arotrionta) = ploegend | ἢ (e) = of | ποιμαίνοντα (poimainonta) = de kudde hoedend | ὃς (hos) = die | εἰσελθόντι (eiselthonti) = binnengekomen | ἐκ (ek) = van | τοῦ (tou) = het | ἀγροῦ (agrou) = veld | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Εὐθέως (Eutheos) = meteen | παρελθὼν (parelthon) = komend | ἀνάπεσε (anapese) = ga zitten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’. Wij vertalen δοῦλος overal met ‘knecht’, zoals in Matt. 24:45. ποιμαίνω (poimaino), ‘de kudde hoeden’: zoals in Joh. 21:16. ἀναπίπτω (anapipto), ‘gaan zitten’: letterlijk ‘achteroverleunen’, de houding bij het eten (zoals Joh. 6:10). Zie ook: Mat 24:45; Joh 6:10; Joh 21:16 **17:8** **Zal hij niet juist tegen hem zeggen: ‘Maak klaar wat ik kan eten. Doe je gordel om en dien mij, totdat ik gegeten en gedronken heb. Daarna zul jij eten en drinken’?** Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | οὐχὶ (ouchi) = niet | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἑτοίμασον (Hetoimason) = maak klaar | τί (ti) = wat | δειπνήσω (deipneso) = ik kan eten | καὶ (kai) = en | περιζωσάμενος (perizosamenos) = omgordend | διακόνει (diakonei) = dien | μοι (moi) = mij | ἕως (heos) = totdat | φάγω (phago) = ik eet | καὶ (kai) = en | πίω (pio) = ik drink | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | φάγεσαι (phagesai) = zul je eten | καὶ (kai) = en | πίεσαι (piesai) = zul je drinken | σύ (sy) = jij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διακονέω (diakoneo), ‘dienen’: hier aan tafel bedienen. **17:9** **Is hij de knecht dank verschuldigd omdat die heeft gedaan wat hem was opgedragen?** Brontekst: μὴ (me) = niet | ἔχει (echei) = heeft | χάριν (charin) = dank | τῷ (to) = aan de | δούλῳ (doulo) = knecht | ὅτι (hoti) = omdat | ἐποίησεν (epoiesen) = hij deed | τὰ (ta) = wat | διαταχθέντα (diatachthenta) = opgedragen was Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χάρις (charis), ‘dank’: zie 6:32. **17:10** **Zo ook jullie: wanneer jullie alles hebben gedaan wat jullie is opgedragen, zeg dan: ‘Wij zijn nutteloze knechten. Wat wij verplicht waren te doen, hebben wij gedaan.’”** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὅταν (hotan) = wanneer | ποιήσητε (poiesete) = jullie doen | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = wat | διαταχθέντα (diatachthenta) = opgedragen is | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | λέγετε (legete) = zeg | ὅτι (hoti) = dat | Δοῦλοι (Douloi) = knechten | ἀχρεῖοί (achreioi) = nutteloze | ἐσμεν (esmen) = wij zijn | ὃ (ho) = wat | ὠφείλομεν (opheilomen) = wij verplicht waren | ποιῆσαι (poiesai) = te doen | πεποιήκαμεν (pepoiekamen) = wij hebben gedaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀχρεῖος (achreios), ‘nutteloos’: wij vertalen het zo ook in Matt. 25:30. De knechten hebben alleen gedaan wat van hen gevraagd werd. Zie ook: Mat 25:30 ### Yeshua reinigt 10 melaatsen **17:11** Terwijl Hij op weg was naar Jeruzalem, trok Hij door het midden van Samaria en Galilea. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = terwijl | τῷ (to) = het | πορεύεσθαι (poreuesthai) = op weg zijn | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | διήρχετο (diercheto) = trok door | διὰ (dia) = door | μέσον (meson) = het midden | Σαμαρείας (Samareias) = van Samaria | καὶ (kai) = en | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Yeshua trok er op weg naar Galilea doorheen. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: διὰ μέσον (dia meson), ‘door het midden van’: het kan ook betekenen ‘tussen … door’, langs de grens van Samaria en Galilea. Wij houden de woorden van het Grieks. **17:12** Toen Hij een dorp binnenging, kwamen 10 melaatse mannen Hem tegemoet. Zij bleven op een afstand staan, Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσερχομένου (eiserchomenou) = binnengaand | αὐτοῦ (autou) = Hij | εἴς (eis) = in | τινα (tina) = een zeker | κώμην (komen) = dorp | ἀπήντησαν (apentesan) = ontmoetten | δέκα (deka) = 10 | λεπροὶ (leproi) = melaatse | ἄνδρες (andres) = mannen | οἳ (hoi) = die | ἔστησαν (estesan) = gingen staan | πόρρωθεν (porrothen) = op afstand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λεπρός (lepros), ‘melaatse’: iemand met een huidziekte die volgens de wet onrein was en op afstand moest blijven (Lev. 13:45–46). Zie ook Matt. 8:2. Zie ook: Lev 13:45–46; Mat 8:2 **17:13** en verhieven hun stem en zeiden: „Yeshua, Meester, ontferm U over ons!” Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἦραν (eran) = hieven op | φωνὴν (phonen) = stem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἐπιστάτα (epistata) = Meester | ἐλέησον (eleeson) = ontferm U | ἡμᾶς (hemas) = over ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιστάτης (epistates), ‘Meester’: een woord dat alleen Lucas gebruikt, voor iemand die leiding geeft. ἐλεέω (eleeo), ‘zich ontfermen’: wij vertalen het zo ook in Matt. 9:27 en Mark. 10:47. Zie ook: Mat 9:27; Mar 10:47 **17:14** Toen Hij hen zag, zei Hij tegen hen: **„Ga heen en laat je aan de priesters zien.”** Terwijl zij heengingen, werden zij gereinigd. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδὼν (idon) = ziend | εἶπεν (eipen) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Πορευθέντες (Poreuthentes) = gaande | ἐπιδείξατε (epideixate) = laat zien | ἑαυτοὺς (heautous) = jullie zelf | τοῖς (tois) = aan de | ἱερεῦσιν (hiereusin) = priesters | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = terwijl | τῷ (to) = het | ὑπάγειν (hypagein) = heengaan | αὐτοὺς (autous) = zij | ἐκαθαρίσθησαν (ekatharisthesan) = zij werden gereinigd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De priester stelt vast of iemand van een huidziekte genezen en rein is (Lev. 14:2–3). Voetnoot : Zie ook Matt. 8:4; Mark. 1:44. Zie ook: Lev 14:2–3; Mat 8:4; Mar 1:44 **17:15** Eén van hen keerde terug toen hij zag dat hij genezen was, en verheerlijkte Elohim met luide stem, Brontekst: εἷς (heis) = één | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἰδὼν (idon) = ziend | ὅτι (hoti) = dat | ἰάθη (iathe) = hij genezen was | ὑπέστρεψεν (hypestrepsen) = keerde terug | μετὰ (meta) = met | φωνῆς (phones) = stem | μεγάλης (megales) = luide | δοξάζων (doxazon) = verheerlijkend | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT **17:16** en hij viel op zijn gezicht neer aan Zijn voeten en dankte Hem. En hij was een Samaritaan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔπεσεν (epesen) = viel | ἐπὶ (epi) = op | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | παρὰ (para) = aan | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εὐχαριστῶν (euchariston) = dankend | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = hij | ἦν (en) = was | Σαμαρίτης (Samarites) = Samaritaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σαμαρίτης (Samarites), ‘Samaritaan’: iemand uit Samaria. Joden en Samaritanen hadden geen omgang met elkaar (Joh. 4:9). Zie ook: Joh 4:9 **17:17** Yeshua antwoordde en zei: **„Zijn er niet 10 gereinigd? Waar zijn de 9?** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐχὶ (Ouchi) = niet | οἱ (hoi) = de | δέκα (deka) = 10 | ἐκαθαρίσθησαν (ekatharisthesan) = zijn gereinigd | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἐννέα (ennea) = 9 | ποῦ (pou) = waar Bron: SBLGNT **17:18** **Zijn er geen gevonden die zijn teruggekeerd om Elohim eer te geven, behalve deze man van een ander volk?”** Brontekst: οὐχ (ouch) = niet | εὑρέθησαν (heurethesan) = zijn gevonden | ὑποστρέψαντες (hypostrepsantes) = teruggekeerd | δοῦναι (dounai) = om te geven | δόξαν (doxan) = eer | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim | εἰ (ei) = indien | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = de | ἀλλογενὴς (allogenes) = van een ander volk | οὗτος (houtos) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀλλογενής (allogenes), ‘iemand van een ander volk’: letterlijk ‘van een ander geslacht’; hier is het de Samaritaan. δοῦναι δόξαν (dounai doxan), ‘eer geven’: zoals in Joh. 9:24. Zie ook: Joh 9:24 **17:19** Hij zei tegen hem: **„Sta op en ga. Je geloof heeft je gered.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = Hij zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἀναστὰς (Anastas) = sta op | πορεύου (poreuou) = ga | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | σου (sou) = je | σέσωκέν (sesoken) = heeft gered | σε (se) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σέσωκεν (sesoken): van σῴζω (sozo), ‘redden’. Het woord betekent hier ook ‘genezen’; wij vertalen overal ‘redden’. ### De komst van het koninkrijk van Elohim **17:20** Hij werd door de Farizeeën gevraagd wanneer het koninkrijk van Elohim komt. Hij antwoordde hun en zei: **„Het koninkrijk van Elohim komt niet op een manier die men kan waarnemen,** Brontekst: Ἐπερωτηθεὶς (Eperotetheis) = gevraagd | δὲ (de) = maar | ὑπὸ (hypo) = door | τῶν (ton) = de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | πότε (pote) = wanneer | ἔρχεται (erchetai) = komt | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἀπεκρίθη (apekrithe) = Hij antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔρχεται (erchetai) = komt | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | μετὰ (meta) = met | παρατηρήσεως (paratereseos) = waarneming Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρατήρησις (parateresis), ‘waarneming’: het woord betekent nauwkeurig opletten, zoals men op tekenen let. Het Grieks kan ook zo gelezen worden: ‘niet door er speurend naar uit te kijken’. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:23; Mark. 13:21. Zie ook: Mat 24:23; Mar 13:21 **17:21** **en zij zullen niet zeggen: ‘Zie, hier!’ of: ‘Daar!’ Want zie, het koninkrijk van Elohim is binnen jullie.”** Brontekst: οὐδὲ (oude) = noch | ἐροῦσιν (erousin) = zij zullen zeggen | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ὧδε (hode) = hier | ἤ (e) = of | Ἐκεῖ (Ekei) = daar | ἰδοὺ (idou) = zie | γὰρ (gar) = want | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐντὸς (entos) = binnen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐντὸς ὑμῶν (entos hymon), ‘binnen jullie’: het kan betekenen ‘innerlijk, in jullie’ of ‘in jullie midden’, onder jullie. Wij houden de woorden van het Grieks en kiezen niet tussen beide. ### De dag van de Mensenzoon **17:22** Hij zei tegen de leerlingen: **„Er zullen dagen komen waarin jullie ernaar zullen verlangen één van de dagen van de Mensenzoon te zien. En jullie zullen het niet zien.** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | μαθητάς (mathetas) = leerlingen | Ἐλεύσονται (Eleusontai) = zullen komen | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ὅτε (hote) = wanneer | ἐπιθυμήσετε (epithymesete) = jullie zullen verlangen | μίαν (mian) = één | τῶν (ton) = van de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | τοῦ (tou) = van de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἰδεῖν (idein) = te zien | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ὄψεσθε (opsesthe) = jullie zullen zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 5:24. **17:23** **Zij zullen tegen jullie zeggen: ‘Zie, daar!’ of: ‘Zie, hier!’ Ga niet weg en ga hen niet achterna.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐροῦσιν (erousin) = zij zullen zeggen | ὑμῖν (hymin) = tegen jullie | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἐκεῖ (ekei) = daar | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ὧδε (hode) = hier | μὴ (me) = niet | ἀπέλθητε (apelthete) = ga weg | μηδὲ (mede) = en niet | διώξητε (dioxete) = ga achterna Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 24:23; Matt. 24:26; Mark. 13:21. Zie ook: Mat 24:23; Mat 24:26; Mar 13:21 **17:24** **Want zoals de bliksem flitst, licht hij op van de ene kant onder de hemel tot de andere kant onder de hemel. Zo zal de Mensenzoon zijn op Zijn dag.** Brontekst: ὥσπερ (hosper) = zoals | γὰρ (gar) = want | ἡ (he) = de | ἀστραπὴ (astrape) = bliksem | ἀστράπτουσα (astraptousa) = flitsend | ἐκ (ek) = van | τῆς (tes) = de ene | ὑπὸ (hypo) = onder | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | εἰς (eis) = tot | τὴν (ten) = de andere | ὑπ’ (hyp’) = onder | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | λάμπει (lampei) = licht op | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘van (de) onder de hemel naar (de) onder de hemel’; wij vullen ‘de ene kant’ en ‘de andere kant’ aan. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:27. Zie ook: Mat 24:27 **17:25** **Maar eerst moet Hij veel lijden en door deze generatie verworpen worden.** Brontekst: πρῶτον (proton) = eerst | δὲ (de) = maar | δεῖ (dei) = moet | αὐτὸν (auton) = Hij | πολλὰ (polla) = veel | παθεῖν (pathein) = lijden | καὶ (kai) = en | ἀποδοκιμασθῆναι (apodokimasthenai) = verworpen worden | ἀπὸ (apo) = door | τῆς (tes) = de | γενεᾶς (geneas) = generatie | ταύτης (tautes) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποδοκιμάζω (apodokimazo), ‘verwerpen’: zoals in Mark. 8:31. Zie ook: Mar 8:31 **17:26** **En zoals het gebeurde in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon:** Brontekst: καὶ (kai) = en | καθὼς (kathos) = zoals | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | Νῶε (Noe) = van Noach | οὕτως (houtos) = zo | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = ook | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | τοῦ (tou) = van de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Noach: Gen. 7:7. Zie ook Matt. 24:37–39. Zie ook: Gen 7:7; Mat 24:37–39 **17:27** **zij aten, dronken, trouwden en werden ten huwelijk gegeven, tot de dag waarop Noach de ark binnenging. Toen kwam de vloed en bracht allen om.** Brontekst: ἤσθιον (esthion) = zij aten | ἔπινον (epinon) = zij dronken | ἐγάμουν (egamoun) = zij trouwden | ἐγαμίζοντο (egamizonto) = zij werden ten huwelijk gegeven | ἄχρι (achri) = tot | ἧς (hes) = welke | ἡμέρας (hemeras) = dag | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | Νῶε (Noe) = Noach | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | κιβωτόν (kiboton) = ark | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | ὁ (ho) = de | κατακλυσμὸς (kataklysmos) = vloed | καὶ (kai) = en | ἀπώλεσεν (apolesen) = bracht om | πάντας (pantas) = allen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατακλυσμός (kataklysmos), ‘vloed’: zoals in Matt. 24:39. Zie ook: Mat 24:39 **17:28** **Evenzo zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, dronken, kochten, verkochten, plantten en bouwden.** Brontekst: ὁμοίως (homoios) = evenzo | καθὼς (kathos) = zoals | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | Λώτ (Lot) = van Lot | ἤσθιον (esthion) = zij aten | ἔπινον (epinon) = zij dronken | ἠγόραζον (egorazon) = zij kochten | ἐπώλουν (epoloun) = zij verkochten | ἐφύτευον (ephyteuon) = zij plantten | ᾠκοδόμουν (okodomoun) = zij bouwden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen hoofdzin: ‘evenzo, zoals het gebeurde in de dagen van Lot’. Vergelijk 17:26; wij laten de zin zoals hij is. Voetnoot : Zie ook Gen. 19:1. Zie ook: Gen 19:1 **17:29** **Maar op de dag waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht allen om.** Brontekst: ᾗ (he) = op welke | δὲ (de) = maar | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | Λὼτ (Lot) = Lot | ἀπὸ (apo) = uit | Σοδόμων (Sodomon) = Sodom | ἔβρεξεν (ebrexen) = het regende | πῦρ (pyr) = vuur | καὶ (kai) = en | θεῖον (theion) = zwavel | ἀπ’ (ap’) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | ἀπώλεσεν (apolesen) = bracht om | πάντας (pantas) = allen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 19:24: daar laat Yahweh zwavel en vuur regenen over Sodom; Lucas noemt vuur eerst. Zie ook: Gen 19:24 **17:30** **Op dezelfde wijze zal het zijn op de dag waarop de Mensenzoon geopenbaard wordt.** Brontekst: κατὰ (kata) = volgens | τὰ (ta) = de | αὐτὰ (auta) = dezelfde dingen | ἔσται (estai) = zal zijn | ᾗ (he) = op welke | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἀποκαλύπτεται (apokalyptetai) = wordt geopenbaard Bron: SBLGNT **17:31** **Op die dag mag wie op het dak is en zijn spullen in huis heeft, niet naar beneden komen om ze te halen. En wie op het veld is, mag evenzo niet teruggaan.** Brontekst: ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ὃς (hos) = wie | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = het | δώματος (domatos) = dak | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | σκεύη (skeue) = spullen | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | μὴ (me) = niet | καταβάτω (katabato) = laat hij afdalen | ἆραι (arai) = om te halen | αὐτά (auta) = ze | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = wie | ἐν (en) = op | ἀγρῷ (agro) = veld | ὁμοίως (homoios) = evenzo | μὴ (me) = niet | ἐπιστρεψάτω (epistrepsato) = laat hij teruggaan | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = wat | ὀπίσω (opiso) = achter is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὰ ὀπίσω (eis ta opiso), letterlijk ‘naar wat achter is’: dat wil zeggen ‘terug’, zoals in Mark. 13:16. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:17–18; Mark. 13:15–16. Zie ook: Mat 24:17–18; Mar 13:15–16; Mar 13:16 **17:32** **Denk aan de vrouw van Lot.** Brontekst: μνημονεύετε (mnemoneuete) = denk aan | τῆς (tes) = de | γυναικὸς (gynaikos) = vrouw | Λώτ (Lot) = van Lot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 19:26. Zie ook: Gen 19:26 **17:33** **Wie zijn leven probeert te behouden, zal het verliezen. Maar wie het verliest, zal het in leven houden.** Brontekst: ὃς (hos) = wie | ἐὰν (ean) = (ooit) | ζητήσῃ (zetese) = probeert | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | περιποιήσασθαι (peripoiesasthai) = te behouden | ἀπολέσει (apolesei) = zal verliezen | αὐτήν (auten) = het | ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = (ooit) | ἀπολέσῃ (apolese) = verliest | ζῳογονήσει (zoogonesei) = zal in leven houden | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’: zoals in Matt. 16:25. περιποιέομαι (peripoieomai), ‘behouden’, en ζῳογονέω (zoogoneo), ‘in leven houden’: dit zijn andere woorden dan σῴζω (sozo), ‘redden’. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:39; Matt. 16:25; Mark. 8:35; Joh. 12:25. Zie ook: Mat 10:39; Mat 16:25; Mar 8:35; Joh 12:25 **17:34** **Ik zeg jullie: in deze nacht zullen er twee op één bed zijn. De één wordt meegenomen en de ander wordt achtergelaten.** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ταύτῃ (taute) = in deze | τῇ (te) = de | νυκτὶ (nykti) = nacht | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | δύο (dyo) = twee | ἐπὶ (epi) = op | κλίνης (klines) = bed | μιᾶς (mias) = één | ὁ (ho) = de | εἷς (heis) = één | παραλημφθήσεται (paralemphthesetai) = wordt meegenomen | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἕτερος (heteros) = ander | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = wordt achtergelaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet waarheen de meegenomene gaat (zoals Matt. 24:40). Voetnoot : Zie ook Matt. 24:40–41. Zie ook: Mat 24:40 **17:35** **Twee vrouwen zullen samen aan het malen zijn. De ene wordt meegenomen en de andere wordt achtergelaten.”** Brontekst: ἔσονται (esontai) = zullen zijn | δύο (dyo) = twee | ἀλήθουσαι (alethousai) = malend | ἐπὶ (epi) = op | τὸ (to) = het | αὐτό (auto) = zelfde | ἡ (he) = de | μία (mia) = ene | παραλημφθήσεται (paralemphthesetai) = wordt meegenomen | ἡ (he) = de | δὲ (de) = maar | ἑτέρα (hetera) = andere | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = wordt achtergelaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. **17:37** Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: „Waar, Heer?” Hij zei tegen hen: **„Waar het lichaam is, daar zullen ook de arenden zich verzamelen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθέντες (apokrithentes) = antwoordend | λέγουσιν (legousin) = zij zeggen | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ποῦ (Pou) = waar | κύριε (kyrie) = Heer | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὅπου (Hopou) = waar | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἀετοὶ (aetoi) = arenden | ἐπισυναχθήσονται (episynachthesontai) = zullen zich verzamelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σῶμα (soma), ‘lichaam’: Matteüs heeft hier πτῶμα (ptoma), ‘kadaver’. ἀετοί (aetoi), ‘arenden’: het woord kan ook gieren betekenen (zoals in Matt. 24:28). Voetnoot : Zie ook Matt. 24:28. Zie ook: Mat 24:28 ## Lucas 18 _De weduwe en de rechter, de Farizeeër en de tollenaar, de kinderen, de leider met veel bezit en de blinde bij Jericho_ ### De weduwe en de rechter **18:1** Hij vertelde hun een gelijkenis: zij moesten altijd bidden en niet moedeloos worden. Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | αὐτοῖς (autois) = hun | πρὸς (pros) = met het oog op | τὸ (to) = het | δεῖν (dein) = moeten | πάντοτε (pantote) = altijd | προσεύχεσθαι (proseuchesthai) = bidden | αὐτοὺς (autous) = zij | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἐγκακεῖν (enkakein) = moedeloos worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγκακέω (enkakeo), ‘moedeloos worden’: de moed verliezen. **18:2** Hij zei: **„In een stad was er een rechter die Elohim niet vreesde en voor geen mens ontzag had.** Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Κριτής (Krites) = rechter | τις (tis) = zekere | ἦν (en) = was | ἔν (en) = in | τινι (tini) = een zekere | πόλει (polei) = stad | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | μὴ (me) = niet | φοβούμενος (phoboumenos) = vrezend | καὶ (kai) = en | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | μὴ (me) = niet | ἐντρεπόμενος (entrepomenos) = ontzag hebbend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐντρέπομαι (entrepomai), ‘ontzag hebben voor’: iemand eerbiedigen; wij vertalen het zo ook in Matt. 21:37. Zie ook: Mat 21:37 **18:3** **Er was in die stad ook een weduwe. Zij kwam naar hem toe en zei: ‘Verschaf mij recht tegen mijn tegenpartij.’** Brontekst: χήρα (chera) = weduwe | δὲ (de) = maar | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | ἐκείνῃ (ekeine) = die | καὶ (kai) = en | ἤρχετο (ercheto) = kwam | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | λέγουσα (legousa) = zeggend | Ἐκδίκησόν (Ekdikeson) = verschaf recht | με (me) = mij | ἀπὸ (apo) = tegen | τοῦ (tou) = de | ἀντιδίκου (antidikou) = tegenpartij | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χήρα (chera), ‘weduwe’: een vrouw die geen man meer had om haar recht te verdedigen. ἐκδικέω (ekdikeo), ‘recht verschaffen’; ἀντίδικος (antidikos), ‘tegenpartij’, zoals in Matt. 5:25. Zie ook: Mat 5:25 **18:4** **Een tijd lang wilde hij niet. Maar daarna zei hij bij zichzelf: ‘Ook al vrees ik Elohim niet en heb ik voor geen mens ontzag,** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἤθελεν (ethelen) = wilde | ἐπὶ (epi) = gedurende | χρόνον (chronon) = tijd | μετὰ (meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei hij | ἐν (en) = bij | ἑαυτῷ (heauto) = zichzelf | Εἰ (Ei) = als | καὶ (kai) = ook | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | οὐ (ou) = niet | φοβοῦμαι (phoboumai) = ik vrees | οὐδὲ (oude) = en niet | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | ἐντρέπομαι (entrepomai) = ik heb ontzag Bron: SBLGNT **18:5** **toch zal ik deze weduwe recht verschaffen, omdat zij mij moeite bezorgt. Anders komt zij uiteindelijk nog en put zij mij uit.’”** Brontekst: διά (dia) = vanwege | γε (ge) = zeker | τὸ (to) = het | παρέχειν (parechein) = bezorgen | μοι (moi) = mij | κόπον (kopon) = moeite | τὴν (ten) = de | χήραν (cheran) = weduwe | ταύτην (tauten) = deze | ἐκδικήσω (ekdikeso) = ik zal recht verschaffen | αὐτήν (auten) = haar | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | εἰς (eis) = tot | τέλος (telos) = einde | ἐρχομένη (erchomene) = komend | ὑπωπιάζῃ (hypopiaze) = zij uitput | με (me) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόπον παρέχω (kopon parecho), ‘moeite bezorgen’: zoals in Matt. 26:10. ὑπωπιάζω (hypopiazo), ‘uitputten’: letterlijk ‘onder het oog slaan’, iemand een blauw oog geven; het beeld is dat de weduwe de rechter murw maakt. Zie ook: Mat 26:10 **18:6** De Heer zei: **„Luister wat de onrechtvaardige rechter zegt.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | Ἀκούσατε (Akousate) = luister | τί (ti) = wat | ὁ (ho) = de | κριτὴς (krites) = rechter | τῆς (tes) = van het | ἀδικίας (adikias) = onrecht | λέγει (legei) = zegt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: zie 7:13. ὁ κριτὴς τῆς ἀδικίας (ho krites tes adikias): letterlijk ‘de rechter van het onrecht’; wij schrijven ‘de onrechtvaardige rechter’, zoals ‘de onrechtvaardige beheerder’ in 16:8. **18:7** **En Elohim, zal Hij dan niet beslist recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, en heeft Hij geduld met hen?** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | θεὸς (theos) = Elohim | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | ποιήσῃ (poiese) = zal doen | τὴν (ten) = het | ἐκδίκησιν (ekdikesin) = recht | τῶν (ton) = van de | ἐκλεκτῶν (eklekton) = uitverkorenen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τῶν (ton) = die | βοώντων (boonton) = roepen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | ἡμέρας (hemeras) = dag | καὶ (kai) = en | νυκτός (nyktos) = nacht | καὶ (kai) = en | μακροθυμεῖ (makrothymei) = heeft geduld | ἐπ’ (ep’) = met | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkorene’: zoals in Matt. 24:22. οὐ μὴ ποιήσῃ (ou me poiese): een sterke ontkenning in een vraag; de vraag verwacht ‘ja, Hij zal dat zeker doen’. Voetnoot : καὶ μακροθυμεῖ ἐπ’ αὐτοῖς (kai makrothymei ep’ autois) is moeilijk te vertalen: ‘en heeft Hij geduld met hen’ (zo wij), of ‘en laat Hij hen wachten’. Zie ook: Mat 24:22 **18:8** **Ik zeg jullie: Hij zal hun recht doen, en wel spoedig. Maar zal de Mensenzoon, wanneer Hij komt, dan het geloof op de aarde vinden?”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ποιήσει (poiesei) = Hij zal doen | τὴν (ten) = het | ἐκδίκησιν (ekdikesin) = recht | αὐτῶν (auton) = hun | ἐν (en) = in | τάχει (tachei) = snelheid | πλὴν (plen) = maar | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐλθὼν (elthon) = komend | ἆρα (ara) = dan | εὑρήσει (heuresei) = zal vinden | τὴν (ten) = het | πίστιν (pistin) = geloof | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT ### De Farizeeër en de tollenaar **18:9** Hij zei ook deze gelijkenis tegen enkelen die op zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren, en die de anderen verachtten: Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = Hij zei | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | πρός (pros) = tegen | τινας (tinas) = enigen | τοὺς (tous) = die | πεποιθότας (pepoithotas) = vertrouwden | ἐφ’ (eph’) = op | ἑαυτοῖς (heautois) = zichzelf | ὅτι (hoti) = dat | εἰσὶν (eisin) = zij zijn | δίκαιοι (dikaioi) = rechtvaardig | καὶ (kai) = en | ἐξουθενοῦντας (exouthenountas) = verachtten | τοὺς (tous) = de | λοιποὺς (loipous) = anderen | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ταύτην (tauten) = deze Bron: SBLGNT **18:10** **„Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden: de ene was een Farizeeër en de andere een tollenaar.** Brontekst: Ἄνθρωποι (Anthropoi) = mensen | δύο (dyo) = twee | ἀνέβησαν (anebesan) = gingen op | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | προσεύξασθαι (proseuxasthai) = om te bidden | ὁ (ho) = de | εἷς (heis) = ene | Φαρισαῖος (Pharisaios) = Farizeeër | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἕτερος (heteros) = andere | τελώνης (telones) = tollenaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τελώνης (telones), ‘tollenaar’: iemand die belasting inde voor de Romeinse bezetter; hij gold bij velen als een zondaar. **18:11** **De Farizeeër ging staan en bad bij zichzelf: ‘Elohim, ik dank U dat ik niet ben zoals de overige mensen: roofzuchtigen, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar.** Brontekst: ὁ (ho) = de | Φαρισαῖος (Pharisaios) = Farizeeër | σταθεὶς (statheis) = staand | πρὸς (pros) = bij | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ταῦτα (tauta) = dit | προσηύχετο (proseycheto) = bad | Ὁ (Ho) = de | θεός (theos) = Elohim | εὐχαριστῶ (eucharisto) = ik dank | σοι (soi) = U | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ik ben | ὥσπερ (hosper) = zoals | οἱ (hoi) = de | λοιποὶ (loipoi) = overigen | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ἅρπαγες (harpages) = roofzuchtigen | ἄδικοι (adikoi) = onrechtvaardigen | μοιχοί (moichoi) = overspelers | ἢ (e) = of | καὶ (kai) = ook | ὡς (hos) = als | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = de | τελώνης (telones) = tollenaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρὸς ἑαυτόν (pros heauton), ‘bij zichzelf’: hij bidt stil of apart; het kan ook gelezen worden als ‘tot zichzelf’. ἅρπαξ (harpax), ‘roofzuchtig’: zoals in Matt. 7:15. Zie ook: Mat 7:15 **18:12** **Ik vast tweemaal per week. Ik geef de tiende van alles wat ik verwerf.’** Brontekst: νηστεύω (nesteuo) = ik vast | δὶς (dis) = tweemaal | τοῦ (tou) = van de | σαββάτου (sabbatou) = sabbat | ἀποδεκατῶ (apodekato) = ik geef de tiende van | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | κτῶμαι (ktomai) = ik verwerf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δὶς τοῦ σαββάτου (dis tou sabbatou), ‘tweemaal per week’: σάββατον (sabbaton) betekent ‘sabbat’ en ook ‘week’ (zoals in Matt. 28:1). ἀποδεκατόω (apodekatoo), ‘de tiende geven van’: zie Matt. 23:23 en Lev. 27:30. Zie ook: Lev 27:30; Mat 23:23; Mat 28:1 **18:13** **De tollenaar bleef op een afstand staan en wilde zelfs zijn ogen niet opslaan naar de hemel. Maar hij sloeg op zijn borst en zei: ‘Elohim, wees mij, de zondaar, genadig.’** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | τελώνης (telones) = tollenaar | μακρόθεν (makrothen) = van ver | ἑστὼς (hestos) = staand | οὐκ (ouk) = niet | ἤθελεν (ethelen) = wilde | οὐδὲ (oude) = zelfs niet | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | ἐπᾶραι (eparai) = opslaan | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανόν (ouranon) = hemel | ἀλλ’ (all’) = maar | ἔτυπτε (etypte) = sloeg | τὸ (to) = de | στῆθος (stethos) = borst | αὐτοῦ (autou) = zijn | λέγων (legon) = zeggend | Ὁ (Ho) = de | θεός (theos) = Elohim | ἱλάσθητί (hilastheti) = wees genadig | μοι (moi) = mij | τῷ (to) = aan de | ἁμαρτωλῷ (hamartolo) = zondaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Op de borst slaan is een teken van rouw en berouw. ἱλάσκομαι (hilaskomai), ‘genadig zijn’: het woord hoort bij de taal van verzoening en offer; wij schrijven ‘wees mij genadig’. **18:14** **Ik zeg jullie: deze ging rechtvaardig verklaard naar zijn huis, in plaats van die ander. Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | κατέβη (katebe) = ging naar beneden | οὗτος (houtos) = deze | δεδικαιωμένος (dedikaiomenos) = rechtvaardig verklaard | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | παρ’ (par’) = in plaats van | ἐκεῖνον (ekeinon) = die ander | ὅτι (hoti) = want | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | ὑψῶν (hypson) = verhoogt | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ταπεινωθήσεται (tapeinothesetai) = zal vernederd worden | ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | ταπεινῶν (tapeinon) = vernedert | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ὑψωθήσεται (hypsothesetai) = zal verhoogd worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’: zie 16:15. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: het woord kan ook ‘verheffen’ betekenen; wij vertalen het overal ‘verhogen’, zoals in Joh. 3:14 en 12:32. ταπεινόω (tapeinoo), ‘vernederen’. Voetnoot : παρ’ ἐκεῖνον (par’ ekeinon), ‘in plaats van die ander’: de Farizeeër ging niet rechtvaardig verklaard naar huis. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:12; Luc. 14:11. Zie ook: Mat 23:12; Luc 14:11; Joh 3:14; Joh 12:32 ### Yeshua en de kinderen **18:15** Zij brachten ook de baby’s bij Hem, zodat Hij hen zou aanraken. Toen de leerlingen dit zagen, bestraften zij hen. Brontekst: Προσέφερον (Prosepheron) = zij brachten | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = bij Hem | καὶ (kai) = ook | τὰ (ta) = de | βρέφη (brephe) = baby’s | ἵνα (hina) = opdat | αὐτῶν (auton) = hen | ἅπτηται (haptetai) = Hij aanraakt | ἰδόντες (idontes) = ziende | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἐπετίμων (epetimon) = bestraften | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βρέφος (brephos), ‘baby’: een heel jong kind. Zie ook Matt. 19:13–15; Mark. 10:13–16. Zie ook: Mat 19:13–15; Mar 10:13–16 **18:16** Yeshua riep hen bij Zich en zei: **„Laat de kinderen naar Mij toe komen. Houd hen niet tegen, want van mensen zoals zij is het koninkrijk van Elohim.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | προσεκαλέσατο (prosekalesato) = riep bij Zich | αὐτὰ (auta) = hen | λέγων (legon) = zeggend | Ἄφετε (Aphete) = laat | τὰ (ta) = de | παιδία (paidia) = kinderen | ἔρχεσθαι (erchesthai) = komen | πρός (pros) = naar | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | κωλύετε (kolyete) = houd tegen | αὐτά (auta) = hen | τῶν (ton) = van de | γὰρ (gar) = want | τοιούτων (toiouton) = zulke | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τῶν τοιούτων (ton toiouton), ‘van zulke’: het Grieks zegt niet ‘kinderen’ of ‘mensen’; wij schrijven ‘mensen zoals zij’, zoals in Mark. 10:14. Zie ook: Mar 10:14 **18:17** **Voorwaar, Ik zeg jullie: wie het koninkrijk van Elohim niet ontvangt als een kind, zal er zeker niet in binnengaan.”** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὃς (hos) = wie | ἂν (an) = (ooit) | μὴ (me) = niet | δέξηται (dexetai) = ontvangt | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ὡς (hos) = als | παιδίον (paidion) = kind | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker niet | εἰσέλθῃ (eiselthe) = binnengaat | εἰς (eis) = in | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT ### De leider met veel bezit **18:18** Een leider vroeg Hem: „Goede Leraar, wat moet ik doen om eeuwig leven te erven?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐπηρώτησέν (eperotesen) = vroeg | τις (tis) = iemand | αὐτὸν (auton) = Hem | ἄρχων (archon) = leider | λέγων (legon) = zeggend | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | ἀγαθέ (agathe) = goede | τί (ti) = wat | ποιήσας (poiesas) = gedaan hebbend | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | κληρονομήσω (kleronomeso) = ik zal erven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχων (archon), ‘leider’: zoals in Matt. 9:18. κληρονομέω (kleronomeo), ‘erven’: een erfdeel ontvangen. ζωὴ αἰώνιος (zoe aionios), ‘eeuwig leven’. Voetnoot : Zie ook Matt. 19:16–22; Mark. 10:17–22. Zie ook: Mat 9:18; Mat 19:16–22; Mar 10:17–22 **18:19** Yeshua zei tegen hem: **„Waarom noem je Mij goed? Niemand is goed, behalve één: Elohim.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Τί (Ti) = waarom | με (me) = Mij | λέγεις (legeis) = noem je | ἀγαθόν (agathon) = goed | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἀγαθὸς (agathos) = goed | εἰ (ei) = indien | μὴ (me) = niet | εἷς (heis) = één | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim Bron: SBLGNT **18:20** **De geboden ken je: ‘Je zult geen overspel plegen. Je zult niet moorden. Je zult niet stelen. Je zult geen valse getuigenis afleggen. Eer je vader en je moeder.’”** Brontekst: τὰς (tas) = de | ἐντολὰς (entolas) = geboden | οἶδας (oidas) = je kent | Μὴ (Me) = niet | μοιχεύσῃς (moicheuses) = overspel plegen | Μὴ (Me) = niet | φονεύσῃς (phoneuses) = moorden | Μὴ (Me) = niet | κλέψῃς (klepses) = stelen | Μὴ (Me) = niet | ψευδομαρτυρήσῃς (pseudomartyreses) = vals getuigen | Τίμα (Tima) = eer | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | σου (sou) = jouw | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De geboden staan in Exod. 20:12–16 (ook Deut. 5:16–20). Lucas noemt overspel vóór moorden. Zie ook: Ex 20:12–16; Deut 5:16–20 **18:21** Die zei: „Dit alles heb ik onderhouden van jongs af aan.” Brontekst: ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Ταῦτα (Tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | ἐφύλαξα (ephylaxa) = ik heb onderhouden | ἐκ (ek) = van | νεότητος (neotetos) = jeugd | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **18:22** Toen Yeshua dit hoorde, zei Hij tegen hem: **„Nog één ding ontbreekt je. Verkoop alles wat je hebt en verdeel het onder de armen, en je zult een schat hebben in de hemelen. Kom dan, volg Mij.”** Brontekst: ἀκούσας (akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἔτι (Eti) = nog | ἕν (hen) = één | σοι (soi) = je | λείπει (leipei) = ontbreekt | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | ἔχεις (echeis) = je hebt | πώλησον (poleson) = verkoop | καὶ (kai) = en | διάδος (diados) = verdeel | πτωχοῖς (ptochois) = aan armen | καὶ (kai) = en | ἕξεις (hexeis) = je zult hebben | θησαυρὸν (thesauron) = schat | ἐν (en) = in | οὐρανοῖς (ouranois) = hemelen | καὶ (kai) = en | δεῦρο (deuro) = kom | ἀκολούθει (akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαδίδωμι (diadidomi), ‘verdelen’: uitdelen onder velen. **18:23** Toen hij dit hoorde, werd hij diep bedroefd. Want hij was zeer rijk. Brontekst: ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | ἀκούσας (akousas) = horend | ταῦτα (tauta) = dit | περίλυπος (perilypos) = diep bedroefd | ἐγενήθη (egenethe) = werd | ἦν (en) = hij was | γὰρ (gar) = want | πλούσιος (plousios) = rijk | σφόδρα (sphodra) = zeer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: περίλυπος (perilypos), ‘diep bedroefd’: zoals in Matt. 26:38. Zie ook: Mat 26:38 **18:24** Toen Yeshua hem zag, zei Hij: **„Hoe moeilijk gaan zij die rijkdom hebben het koninkrijk van Elohim binnen!** Brontekst: Ἰδὼν (Idon) = ziende | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Πῶς (Pos) = hoe | δυσκόλως (dyskolos) = moeilijk | οἱ (hoi) = zij die | τὰ (ta) = de | χρήματα (chremata) = rijkdom | ἔχοντες (echontes) = hebben | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰσπορεύονται (eisporeuontai) = gaan binnen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 19:23–26; Mark. 10:23–27. Zie ook: Mat 19:23–26; Mar 10:23–27 **18:25** **Want het is gemakkelijker dat een kameel door het gaatje van een naald gaat dan dat een rijke het koninkrijk van Elohim binnengaat.”** Brontekst: εὐκοπώτερον (eukopoteron) = gemakkelijker | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | κάμηλον (kamelon) = kameel | διὰ (dia) = door | τρήματος (trematos) = gaatje | βελόνης (belones) = van naald | εἰσελθεῖν (eiselthein) = te gaan | ἢ (e) = dan | πλούσιον (plousion) = rijke | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τρῆμα βελόνης (trema belones), ‘gaatje van een naald’: Matteüs en Markus gebruiken voor ‘naald’ een ander woord, ῥαφίς (rhafis). Het is een beeld voor iets wat onmogelijk lijkt. **18:26** Zij die het hoorden, zeiden: „En wie kan gered worden?” Brontekst: Εἶπαν (Eipan) = zeiden | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | ἀκούσαντες (akousantes) = horenden | Καὶ (Kai) = en | τίς (tis) = wie | δύναται (dynatai) = kan | σωθῆναι (sothenai) = gered worden Bron: SBLGNT **18:27** Hij zei: **„Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij Elohim.”** Brontekst: ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Τὰ (Ta) = de | ἀδύνατα (adynata) = onmogelijke dingen | παρὰ (para) = bij | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | δυνατὰ (dynata) = mogelijk | παρὰ (para) = bij | τῷ (to) = de | θεῷ (theo) = Elohim | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT ### Wat de leerlingen ontvangen **18:28** Petrus zei: „Zie, wij hebben wat van ons was achtergelaten en zijn U gevolgd.” Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἀφέντες (aphentes) = achterlatend | τὰ (ta) = wat | ἴδια (idia) = eigen was | ἠκολουθήσαμέν (ekolouthesamen) = wij hebben gevolgd | σοι (soi) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὰ ἴδια (ta idia), ‘wat van ons was’: letterlijk ‘het eigene’; Matteüs en Markus hebben ‘alles’. Voetnoot : Zie ook Matt. 19:27; Mark. 10:28. Zie ook: Mat 19:27; Mar 10:28 **18:29** Hij zei tegen hen: **„Voorwaar, Ik zeg jullie: er is niemand die huis, of vrouw, of broers, of ouders, of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van Elohim,** Brontekst: ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐδείς (oudeis) = niemand | ἐστιν (estin) = is | ὃς (hos) = die | ἀφῆκεν (apheken) = liet achter | οἰκίαν (oikian) = huis | ἢ (e) = of | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | ἢ (e) = of | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | ἢ (e) = of | γονεῖς (goneis) = ouders | ἢ (e) = of | τέκνα (tekna) = kinderen | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | τῆς (tes) = het | βασιλείας (basileias) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γονεῖς (goneis), ‘ouders’: vader en moeder. De herhaalde ‘of’ staat zo in het Grieks. Voetnoot : Zie ook Matt. 19:29; Mark. 10:29–30. Zie ook: Mat 19:29; Mar 10:29–30 **18:30** **die niet veelvoudig zal ontvangen in deze tijd, en in de komende eeuw eeuwig leven.”** Brontekst: ὃς (hos) = die | οὐχὶ (ouchi) = niet | μὴ (me) = zeker niet | ἀπολάβῃ (apolabe) = ontvangt | πολλαπλασίονα (pollaplasiona) = veelvoudig | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | καιρῷ (kairo) = tijd | τούτῳ (touto) = deze | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | αἰῶνι (aioni) = eeuw | τῷ (to) = de | ἐρχομένῳ (erchomeno) = komende | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οὐχὶ μή (ouchi me), ‘niet … zeker niet’: een sterke ontkenning; de zin zegt dat niemand die dit alles heeft achtergelaten, zonder veelvoud zal blijven. αἰών (aion), ‘eeuw’: een lang tijdperk; ‘de komende eeuw’ staat tegenover ‘deze tijd’ (καιρός, kairos). ### Yeshua kondigt Zijn dood aan **18:31** Hij nam de twaalf bij Zich en zei tegen hen: **„Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. En alles wat door de profeten is geschreven, zal aan de Mensenzoon voltooid worden.** Brontekst: Παραλαβὼν (Paralabon) = nemend bij zich | δὲ (de) = maar | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ἀναβαίνομεν (anabainomen) = wij gaan op | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | τελεσθήσεται (telesthesetai) = zal voltooid worden | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = wat | γεγραμμένα (gegrammena) = geschreven is | διὰ (dia) = door | τῶν (ton) = de | προφητῶν (propheton) = profeten | τῷ (to) = aan de | υἱῷ (huio) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: τῷ υἱῷ τοῦ ἀνθρώπου (to huio tou anthropou), ‘aan de Mensenzoon’: een datief; het kan ook ‘met betrekking tot de Mensenzoon’ betekenen. τελέω (teleo), ‘voltooien’. Voetnoot : Zie ook Matt. 20:17–19; Mark. 10:32–34. Zie ook: Mat 20:17–19; Mar 10:32–34 **18:32** **Want Hij zal worden overgeleverd aan de volken en bespot, mishandeld en bespuugd worden,** Brontekst: παραδοθήσεται (paradothesetai) = zal worden overgeleverd | γὰρ (gar) = want | τοῖς (tois) = aan de | ἔθνεσιν (ethnesin) = volken | καὶ (kai) = en | ἐμπαιχθήσεται (empaichthesetai) = zal bespot worden | καὶ (kai) = en | ὑβρισθήσεται (hybristhesetai) = zal mishandeld worden | καὶ (kai) = en | ἐμπτυσθήσεται (emptysthesetai) = zal bespuugd worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑβρίζω (hybrizo), ‘mishandelen’: zoals in Matt. 22:6. ἔθνη (ethne), ‘volken’: in het meervoud de niet-Joden. Zie ook: Mat 22:6 **18:33** **en zij zullen Hem geselen en doden. En op de derde dag zal Hij opstaan.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | μαστιγώσαντες (mastigosantes) = geselend | ἀποκτενοῦσιν (apoktenousin) = zullen doden | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τῇ (te) = de | τρίτῃ (trite) = derde | ἀναστήσεται (anastesetai) = zal opstaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαστιγόω (mastigoo), ‘geselen’: slaan met een zweep, zoals in Mark. 10:34. Zie ook: Mar 10:34 **18:34** Zij begrepen hiervan niets. Dit woord was voor hen verborgen en zij wisten niet wat er gezegd werd. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | οὐδὲν (ouden) = niets | τούτων (touton) = hiervan | συνῆκαν (synekan) = begrepen | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | τὸ (to) = het | ῥῆμα (rhema) = woord | τοῦτο (touto) = dit | κεκρυμμένον (kekrymmenon) = verborgen | ἀπ’ (ap’) = voor | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐγίνωσκον (eginoskon) = wisten | τὰ (ta) = wat | λεγόμενα (legomena) = gezegd werd Bron: SBLGNT ### Yeshua geneest een blinde bij Jericho **18:35** Toen Hij Jericho naderde, zat een blinde langs de weg te bedelen. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = het gebeurde | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | ἐγγίζειν (engizein) = naderen | αὐτὸν (auton) = Hij | εἰς (eis) = tot | Ἰεριχὼ (Iericho) = Jericho | τυφλός (typhlos) = blinde | τις (tis) = zekere | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | παρὰ (para) = langs | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | ἐπαιτῶν (epaiton) = bedelend Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Lucas zegt dat de blinde zat toen Yeshua Jericho naderde; Matteüs en Markus plaatsen de genezing bij het verlaten van Jericho. Voetnoot : Zie ook Matt. 20:29–34; Mark. 10:46–52. Zie ook: Mat 20:29–34; Mar 10:46–52 **18:36** Toen hij een menigte voorbij hoorde gaan, vroeg hij wat dit was. Brontekst: ἀκούσας (akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὄχλου (ochlou) = menigte | διαπορευομένου (diaporeuomenou) = voorbijgaand | ἐπυνθάνετο (epynthaneto) = vroeg hij | τί (ti) = wat | εἴη (eie) = het was | τοῦτο (touto) = dit Bron: SBLGNT **18:37** Zij vertelden hem dat Yeshua de Nazoreeër voorbijkwam. Brontekst: ἀπήγγειλαν (apengeilan) = vertelden | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = hem | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | Ναζωραῖος (Nazoraios) = Nazoreeër | παρέρχεται (parerchetai) = voorbijkomt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret, zoals in Matt. 2:23 en Joh. 18:5. Zie ook: Mat 2:23; Joh 18:5 **18:38** Hij riep: „Yeshua, Zoon van David, ontferm U over mij!” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐβόησεν (eboesen) = riep | λέγων (legon) = zeggend | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | υἱὲ (huie) = Zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David | ἐλέησόν (eleeson) = ontferm U | με (me) = over mij Bron: SBLGNT **18:39** Zij die voorop liepen, bestraften hem: hij moest zwijgen. Maar hij riep nog veel harder: „Zoon van David, ontferm U over mij!” Brontekst: καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = zij | προάγοντες (proagontes) = die voorop liepen | ἐπετίμων (epetimon) = bestraften | αὐτῷ (auto) = hem | ἵνα (hina) = opdat | σιγήσῃ (sigese) = hij zwijgt | αὐτὸς (autos) = hij | δὲ (de) = maar | πολλῷ (pollo) = veel | μᾶλλον (mallon) = meer | ἔκραζεν (ekrazen) = riep | Υἱὲ (Huie) = Zoon | Δαυίδ (Dauid) = van David | ἐλέησόν (eleeson) = ontferm U | με (me) = over mij Bron: SBLGNT **18:40** Yeshua bleef staan en beval dat hij bij Hem gebracht werd. Toen hij dichtbij kwam, vroeg Hij hem: Brontekst: σταθεὶς (statheis) = staande | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐκέλευσεν (ekeleusen) = beval | αὐτὸν (auton) = hem | ἀχθῆναι (achthenai) = gebracht te worden | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem | ἐγγίσαντος (engisantos) = naderend | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = hij | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **18:41** **„Wat wil je dat Ik voor je doe?”** De blinde zei: „Heer, dat ik weer kan zien.” Brontekst: Τί (Ti) = wat | σοι (soi) = voor je | θέλεις (theleis) = wil je | ποιήσω (poieso) = dat Ik doe | ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἵνα (hina) = opdat | ἀναβλέψω (anablepso) = ik weer zie Bron: SBLGNT **18:42** Yeshua zei tegen hem: **„Word weer ziende! Je geloof heeft je gered.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἀνάβλεψον (Anablepson) = word weer ziende | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | σου (sou) = je | σέσωκέν (sesoken) = heeft gered | σε (se) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναβλέπω (anablepo), ‘weer zien’: het woord kan ook ‘opkijken’ betekenen. σέσωκεν (sesoken): van σῴζω (sozo), ‘redden’. Het woord betekent hier ook ‘genezen’; wij vertalen overal ‘redden’. **18:43** Meteen kon hij weer zien en hij volgde Hem, terwijl hij Elohim verheerlijkte. Toen heel het volk dit zag, gaf het Elohim lof. Brontekst: καὶ (kai) = en | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | ἀνέβλεψεν (aneblepsen) = kon weer zien | καὶ (kai) = en | ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | αὐτῷ (auto) = Hem | δοξάζων (doxazon) = verheerlijkend | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | ἰδὼν (idon) = ziend | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αἶνον (ainon) = lof | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim Bron: SBLGNT ## Lucas 19 _Zacheüs, de gelijkenis van de minas en de intocht in Jeruzalem_ ### Yeshua en Zacheüs in Jericho **19:1** Hij ging Jericho binnen en trok erdoorheen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | διήρχετο (diercheto) = trok door | τὴν (ten) = de | Ἰεριχώ (Iericho) = Jericho Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. **19:2** En zie, er was een man die Zacheüs genoemd werd. Hij was hoofdtollenaar en hij was rijk. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἀνὴρ (aner) = man | ὀνόματι (onomati) = bij naam | καλούμενος (kaloumenos) = genoemd | Ζακχαῖος (Zakchaios) = Zacheüs | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = hij | ἦν (en) = was | ἀρχιτελώνης (architelones) = hoofdtollenaar | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = hij | πλούσιος (plousios) = rijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρχιτελώνης (architelones), ‘hoofdtollenaar’: iemand die boven andere tollenaars staat. Dit woord staat alleen bij Lucas. Zacheüs komt alleen in dit evangelie voor. **19:3** Hij probeerde te zien wie Yeshua was, maar vanwege de menigte lukte het hem niet, want hij was klein van gestalte. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐζήτει (ezetei) = probeerde | ἰδεῖν (idein) = te zien | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = Hij is | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠδύνατο (edynato) = kon | ἀπὸ (apo) = vanwege | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | ὅτι (hoti) = omdat | τῇ (te) = in de | ἡλικίᾳ (helikia) = gestalte | μικρὸς (mikros) = klein | ἦν (en) = hij was Bron: SBLGNT **19:4** Hij rende naar voren en klom in een sycomoor om Hem te zien, want Hij stond op het punt daarlangs te komen. Brontekst: καὶ (kai) = en | προδραμὼν (prodramon) = vooruitgerend | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voorste | ἀνέβη (anebe) = klom | ἐπὶ (epi) = in | συκομορέαν (sykomorean) = sycomoor | ἵνα (hina) = opdat | ἴδῃ (ide) = hij zou zien | αὐτόν (auton) = Hem | ὅτι (hoti) = want | ἐκείνης (ekeines) = daarlangs | ἤμελλεν (emellen) = stond op het punt | διέρχεσθαι (dierchesthai) = langs te komen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συκομορέα (sykomorea), ‘sycomoor’: een boom met brede takken en vruchten als vijgen. Vergelijk de ‘wilde vijgenbomen’ in 1 Kon. 10:27. Voetnoot : Het Grieks zegt ἐκείνης (ekeines), letterlijk ‘van die’; er staat geen zelfstandig naamwoord bij. Wij vertalen ‘daarlangs’. Zie ook: 1 Kon 10:27 **19:5** Toen Yeshua bij die plaats kwam, keek Hij omhoog. Hij zei tegen hem: **„Zacheüs, kom snel naar beneden, want vandaag moet Ik in jouw huis blijven.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὡς (hos) = toen | ἦλθεν (elthen) = Hij kwam | ἐπὶ (epi) = bij | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | ἀναβλέψας (anablepsas) = omhoogkijkend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = hem | Ζακχαῖε (Zakchaie) = Zacheüs | σπεύσας (speusas) = haast je | κατάβηθι (katabethi) = kom naar beneden | σήμερον (semeron) = vandaag | γὰρ (gar) = want | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | οἴκῳ (oiko) = huis | σου (sou) = jouw | δεῖ (dei) = het is nodig | με (me) = Mij | μεῖναι (meinai) = te blijven Bron: SBLGNT **19:6** Zacheüs haastte zich naar beneden en ontving Hem verheugd. Brontekst: καὶ (kai) = en | σπεύσας (speusas) = haastend | κατέβη (katebe) = kwam naar beneden | καὶ (kai) = en | ὑπεδέξατο (hypedexato) = ontving | αὐτὸν (auton) = Hem | χαίρων (chairon) = verheugd Bron: SBLGNT **19:7** Toen allen dat zagen, begonnen zij te mopperen. Zij zeiden: „Bij een zondige man is Hij binnengegaan om te logeren.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | πάντες (pantes) = allen | διεγόγγυζον (diegongyzon) = mopperden | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Παρὰ (Para) = bij | ἁμαρτωλῷ (hamartolo) = zondige | ἀνδρὶ (andri) = man | εἰσῆλθεν (eiselthen) = is binnengegaan | καταλῦσαι (katalysai) = te logeren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαγογγύζω (diagongyzo), ‘mopperen’: zacht en boos praten met elkaar. καταλῦσαι (katalysai), ‘logeren’: een nacht onderdak krijgen. **19:8** Zacheüs ging staan en zei tegen de Heer: „Zie, de helft van mijn bezittingen, Heer, geef ik aan de armen. En als ik van iemand iets heb afgeperst, geef ik het viervoudig terug.” Brontekst: σταθεὶς (statheis) = ging staan | δὲ (de) = maar | Ζακχαῖος (Zakchaios) = Zacheüs | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | Ἰδοὺ (Idou) = zie | τὰ (ta) = de | ἡμίσιά (hemisia) = helft | μου (mou) = mijn | τῶν (ton) = van de | ὑπαρχόντων (hyparchonton) = bezittingen | κύριε (kyrie) = Heer | τοῖς (tois) = aan de | πτωχοῖς (ptochois) = armen | δίδωμι (didomi) = geef ik | καὶ (kai) = en | εἴ (ei) = als | τινός (tinos) = van iemand | τι (ti) = iets | ἐσυκοφάντησα (esykophantesa) = heb afgeperst | ἀποδίδωμι (apodidomi) = geef ik terug | τετραπλοῦν (tetraploun) = viervoudig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐσυκοφάντησα (esykofantesa), ‘afpersen’: iemand door een valse beschuldiging of dreiging geld afhandig maken. Zacheüs geeft viervoudig terug; vergelijk 2 Sam. 12:6 (‘viervoudig vergoeden’) en Exod. 21:37 (vier stuks kleinvee voor een schaap). Voetnoot : Het Grieks noemt Yeshua hier ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’, en Zacheüs spreekt Hem zo aan. Zie ook: Ex 21:37; 2 Sam 12:6 **19:9** Yeshua zei tegen hem: **„Vandaag is er redding gekomen voor dit huis, omdat ook hij een zoon van Abraham is.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | Σήμερον (Semeron) = vandaag | σωτηρία (soteria) = redding | τῷ (to) = aan het | οἴκῳ (oiko) = huis | τούτῳ (touto) = dit | ἐγένετο (egeneto) = is gekomen | καθότι (kathoti) = omdat | καὶ (kai) = ook | αὐτὸς (autos) = hij | υἱὸς (huios) = zoon | Ἀβραάμ (Abraam) = van Abraham | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σωτηρία (soteria), ‘redding’: het woord is verwant aan σῴζω (sozo), ‘redden’, in vers 10. Zie ook: Luc 19:10 **19:10** **Want de Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren is.”** Brontekst: ἦλθεν (elthen) = kwam | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ζητῆσαι (zetesai) = te zoeken | καὶ (kai) = en | σῶσαι (sosai) = te redden | τὸ (to) = het | ἀπολωλός (apololos) = verlorene Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ezech. 34:16 (‘Wat verloren is, zal Ik zoeken’). Zie ook: Ezech 34:16 ### Gelijkenis van de minas **19:11** Terwijl zij dit hoorden, voegde Hij eraan toe en vertelde een gelijkenis. Hij was namelijk dicht bij Jeruzalem, en zij meenden dat het koninkrijk van Elohim meteen zou verschijnen. Brontekst: Ἀκουόντων (Akouonton) = terwijl horend | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | ταῦτα (tauta) = dit | προσθεὶς (prostheis) = toevoegend | εἶπεν (eipen) = zei | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | ἐγγὺς (engys) = dichtbij | εἶναι (einai) = te zijn | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | δοκεῖν (dokein) = te menen | αὐτοὺς (autous) = zij | ὅτι (hoti) = dat | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | μέλλει (mellei) = op het punt staat | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἀναφαίνεσθαι (anaphainesthai) = te verschijnen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 25:14–30. Die gelijkenis van de talenten heeft verwante beelden, maar is een andere gelijkenis. Zie ook: Mat 25:14–30 **19:12** Hij zei dus: **„Een man van hoge afkomst ging naar een ver land om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen en terug te keren.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | Ἄνθρωπός (Anthropos) = man | τις (tis) = een | εὐγενὴς (eugenes) = van hoge afkomst | ἐπορεύθη (eporeuthe) = ging | εἰς (eis) = naar | χώραν (choran) = land | μακρὰν (makran) = ver | λαβεῖν (labein) = te ontvangen | ἑαυτῷ (heauto) = voor zichzelf | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | καὶ (kai) = en | ὑποστρέψαι (hypostrepsai) = terug te keren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βασιλεία (basileia) betekent hier de koninklijke macht over een gebied; wij vertalen het ‘koninkrijk’, zoals overal. In vers 14 en 27 staat het werkwoord βασιλεύω (basileuo), ‘koning worden’. Zie ook: Luc 19:14; Luc 19:27 **19:13** **Hij riep 10 van zijn knechten, gaf hun 10 minas en zei tegen hen: ‘Drijf handel hiermee totdat ik kom.’** Brontekst: καλέσας (kalesas) = roepend | δὲ (de) = maar | δέκα (deka) = 10 | δούλους (doulous) = knechten | ἑαυτοῦ (heautou) = van zichzelf | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | δέκα (deka) = 10 | μνᾶς (mnas) = minas | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Πραγματεύσασθε (Pragmateusasthe) = drijf handel | ἐν (en) = tot | ᾧ (ho) = dat | ἔρχομαι (erchomai) = ik kom Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; wij schrijven overal ‘knecht’, zoals in Matt. 25:14. Voetnoot : μνᾶ (mna), ‘mina’: een bedrag in zilver. Een mina was ongeveer 100 denariën, dus ongeveer honderd dagen werk van een arbeider (zie Matt. 20:2). Elke knecht krijgt dus een groot bedrag. Voetnoot : πραγματεύομαι (pragmateuomai), ‘handel drijven’: zaken doen om winst te maken. Zie ook: Mat 20:2; Mat 25:14 **19:14** **Maar zijn landgenoten haatten hem. Zij zonden een delegatie achter hem aan en lieten zeggen: ‘Wij willen niet dat deze over ons koning wordt.’** Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | πολῖται (politai) = landgenoten | αὐτοῦ (autou) = van hem | ἐμίσουν (emisoun) = haatten | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | πρεσβείαν (presbeian) = delegatie | ὀπίσω (opiso) = achter | αὐτοῦ (autou) = hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Οὐ (Ou) = niet | θέλομεν (thelomen) = wij willen | τοῦτον (touton) = deze | βασιλεῦσαι (basileusai) = koning te worden | ἐφ’ (eph’) = over | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πολίτης (polites), ‘landgenoot’: letterlijk ‘burger’. πρεσβεία (presbeia), ‘delegatie’: afgezanten die namens een groep spreken. **19:15** **Toen hij terugkwam, nadat hij het koninkrijk had ontvangen, liet hij die knechten bij zich roepen aan wie hij het zilver had gegeven. Hij wilde weten wat zij met handel bereikt hadden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | ἐπανελθεῖν (epanelthein) = terugkomen | αὐτὸν (auton) = hij | λαβόντα (labonta) = ontvangen hebbend | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | φωνηθῆναι (phonethenai) = geroepen te worden | αὐτῷ (auto) = bij hem | τοὺς (tous) = de | δούλους (doulous) = knechten | τούτους (toutous) = deze | οἷς (hois) = aan wie | δεδώκει (dedokei) = had gegeven | τὸ (to) = het | ἀργύριον (argyrion) = zilver | ἵνα (hina) = opdat | γνοῖ (gnoi) = hij zou weten | τί (ti) = wat | διεπραγματεύσαντο (diepragmateusanto) = zij hadden bereikt met handel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀργύριον (argyrion), ‘zilver’: geld, zoals in Matt. 25:18. Zie ook: Mat 25:18 **19:16** **De eerste kwam en zei: ‘Heer, uw mina heeft er 10 minas bij verdiend.’** Brontekst: παρεγένετο (paregeneto) = kwam | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | πρῶτος (protos) = eerste | λέγων (legon) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = heer | ἡ (he) = de | μνᾶ (mna) = mina | σου (sou) = uw | δέκα (deka) = 10 | προσηργάσατο (prosergasato) = heeft erbij verdiend | μνᾶς (mnas) = minas Bron: SBLGNT **19:17** **Hij zei tegen hem: ‘Goed zo, goede knecht! Omdat je in het kleinste trouw bent geweest, heb gezag over 10 steden.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Εὖγε (Euge) = goed zo | ἀγαθὲ (agathe) = goede | δοῦλε (doule) = knecht | ὅτι (hoti) = omdat | ἐν (en) = in | ἐλαχίστῳ (elachisto) = het kleinste | πιστὸς (pistos) = trouw | ἐγένου (egenou) = je bent geweest | ἴσθι (isthi) = wees | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχων (echon) = hebbend | ἐπάνω (epano) = over | δέκα (deka) = 10 | πόλεων (poleon) = steden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Εὖγε (euge), ‘goed zo’; πιστός (pistos), ‘trouw’. Vergelijk Matt. 25:21, 25:23. Zie ook: Mat 25:21; Mat 25:23 **19:18** **De tweede kwam en zei: ‘Heer, uw mina heeft 5 minas opgebracht.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | ὁ (ho) = de | δεύτερος (deuteros) = tweede | λέγων (legon) = zeggend | Ἡ (He) = de | μνᾶ (mna) = mina | σου (sou) = uw | κύριε (kyrie) = heer | ἐποίησεν (epoiesen) = heeft gemaakt | πέντε (pente) = 5 | μνᾶς (mnas) = minas Bron: SBLGNT **19:19** **Ook tegen deze zei hij: ‘Ook jij, heb gezag over 5 steden.’** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | τούτῳ (touto) = tegen deze | Καὶ (Kai) = ook | σὺ (sy) = jij | ἐπάνω (epano) = over | γίνου (ginou) = wees | πέντε (pente) = 5 | πόλεων (poleon) = steden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier alleen ἐπάνω γίνου (epano ginou), letterlijk ‘wees boven’ (5 steden). Wij vullen ‘heb gezag’ aan uit vers 17 (ἐξουσίαν ἔχων, ‘gezag hebbend’). Zie ook: Luc 19:17 **19:20** **De andere kwam en zei: ‘Heer, zie, hier is uw mina, die ik in een zweetdoek bewaard heb.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἕτερος (heteros) = andere | ἦλθεν (elthen) = kwam | λέγων (legon) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = heer | ἰδοὺ (idou) = zie | ἡ (he) = de | μνᾶ (mna) = mina | σου (sou) = uw | ἣν (hen) = die | εἶχον (eichon) = ik had | ἀποκειμένην (apokeimenen) = weggelegd | ἐν (en) = in | σουδαρίῳ (soudario) = zweetdoek Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σουδάριον (soudarion), ‘zweetdoek’: een doek om het zweet af te vegen. Zo ook in Joh. 11:44 en 20:7. Zie ook: Joh 11:44; Joh 20:7 **19:21** **Want ik was bang voor u, omdat u een strenge man bent. U neemt wat u niet hebt neergelegd en u oogst wat u niet hebt gezaaid.’** Brontekst: ἐφοβούμην (ephoboumen) = ik was bang | γάρ (gar) = want | σε (se) = voor u | ὅτι (hoti) = omdat | ἄνθρωπος (anthropos) = man | αὐστηρὸς (austeros) = streng | εἶ (ei) = u bent | αἴρεις (aireis) = u neemt | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔθηκας (ethekas) = u hebt neergelegd | καὶ (kai) = en | θερίζεις (therizeis) = u oogst | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔσπειρας (espeiras) = u hebt gezaaid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αὐστηρός (austeros), ‘streng’: een ander woord dan σκληρός (skleros), ‘hard’, in Matt. 25:24. Zie ook: Mat 25:24 **19:22** **Hij zei tegen hem: ‘Uit jouw mond oordeel ik je, slechte knecht. Je wist dat ik een strenge man ben, die neemt wat ik niet heb neergelegd en oogst wat ik niet heb gezaaid.** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἐκ (Ek) = uit | τοῦ (tou) = de | στόματός (stomatos) = mond | σου (sou) = jouw | κρίνω (krino) = ik oordeel | σε (se) = je | πονηρὲ (ponere) = slechte | δοῦλε (doule) = knecht | ᾔδεις (edeis) = je wist | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = ik | ἄνθρωπος (anthropos) = man | αὐστηρός (austeros) = streng | εἰμι (eimi) = ben | αἴρων (airon) = nemend | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔθηκα (etheka) = ik heb neergelegd | καὶ (kai) = en | θερίζων (therizon) = oogstend | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔσπειρα (espeira) = ik heb gezaaid Bron: SBLGNT **19:23** **Waarom heb je mijn zilver dan niet op de bank gezet? Dan was ik gekomen en had ik het met rente geïnd.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = om | τί (ti) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔδωκάς (edokas) = gaf je | μου (mou) = mijn | τὸ (to) = het | ἀργύριον (argyrion) = zilver | ἐπὶ (epi) = op | τράπεζαν (trapezan) = bank | κἀγὼ (kago) = en ik | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | σὺν (syn) = met | τόκῳ (toko) = rente | ἂν (an) = dan | αὐτὸ (auto) = het | ἔπραξα (epraxa) = zou hebben geïnd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τράπεζα (trapeza) is letterlijk ‘tafel’: de tafel van een geldwisselaar, dus een bank. Vergelijk Matt. 25:27. Zie ook: Mat 25:27 **19:24** **Tegen hen die erbij stonden zei hij: ‘Neem de mina van hem af en geef die aan degene die de 10 minas heeft.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | παρεστῶσιν (parestosin) = omstanders | εἶπεν (eipen) = zei | Ἄρατε (Arate) = neem weg | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | τὴν (ten) = de | μνᾶν (mnan) = mina | καὶ (kai) = en | δότε (dote) = geef | τῷ (to) = aan de | τὰς (tas) = de | δέκα (deka) = 10 | μνᾶς (mnas) = minas | ἔχοντι (echonti) = hebbende Bron: SBLGNT **19:25** **Zij zeiden tegen hem: ‘Heer, hij heeft 10 minas.’** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Κύριε (Kyrie) = heer | ἔχει (echei) = hij heeft | δέκα (deka) = 10 | μνᾶς (mnas) = minas Bron: SBLGNT **19:26** **‘Ik zeg jullie: aan ieder die heeft, zal gegeven worden. Maar van wie niet heeft, zal ook wat hij heeft weggenomen worden.** Brontekst: λέγω (lego) = ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | παντὶ (panti) = aan ieder | τῷ (to) = de | ἔχοντι (echonti) = hebbende | δοθήσεται (dothesetai) = zal gegeven worden | ἀπὸ (apo) = van | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = de | μὴ (me) = niet | ἔχοντος (echontos) = hebbende | καὶ (kai) = ook | ὃ (ho) = wat | ἔχει (echei) = hij heeft | ἀρθήσεται (arthesetai) = zal worden weggenomen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 25:29; Mark. 4:25. Zie ook: Mat 25:29; Mar 4:25 **19:27** **Maar breng die vijanden van mij hier, die niet wilden dat ik koning over hen werd, en dood hen voor mijn ogen.’”** Brontekst: πλὴν (plen) = maar | τοὺς (tous) = de | ἐχθρούς (echthrous) = vijanden | μου (mou) = mijn | τούτους (toutous) = deze | τοὺς (tous) = de | μὴ (me) = niet | θελήσαντάς (thelesantas) = gewild hebbend | με (me) = mij | βασιλεῦσαι (basileusai) = koning te worden | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀγάγετε (agagete) = breng | ὧδε (hode) = hierheen | καὶ (kai) = en | κατασφάξατε (katasphaxate) = dood | αὐτοὺς (autous) = hen | ἔμπροσθέν (emprosthen) = voor | μου (mou) = mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατασφάζω (katasfazo), ‘doden’: het woord betekent letterlijk ‘afslachten’. ### De intocht in Jeruzalem **19:28** Nadat Hij dit gezegd had, ging Hij voorop en trok omhoog naar Jeruzalem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | ταῦτα (tauta) = dit | ἐπορεύετο (eporeueto) = ging | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voorop | ἀναβαίνων (anabainon) = opgaand | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **19:29** Toen Hij Betfage en Betanië naderde, bij de berg die de Olijfberg heet, zond Hij twee van de leerlingen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ὡς (hos) = toen | ἤγγισεν (engisen) = Hij naderde | εἰς (eis) = naar | Βηθφαγὴ (Bethphage) = Betfage | καὶ (kai) = en | Βηθανίαν (Bethanian) = Betanië | πρὸς (pros) = bij | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | τὸ (to) = de | καλούμενον (kaloumenon) = genoemde | Ἐλαιῶν (Elaion) = Olijven | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | δύο (dyo) = twee | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betfage (ligging onzeker): Betfage lag op of aan de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker; van oudsher wordt het gezocht bij et-Tur. Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: Βηθφαγή (Betfage) en Βηθανία (Betanië) liggen bij de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:1–9; Mark. 11:1–10; Joh. 12:12–19. Zie ook: Mat 21:1–9; Mar 11:1–10; Joh 12:12–19 **19:30** Hij zei: **„Ga naar het dorp dat daar tegenover ligt. Zodra jullie daar binnengaan, zullen jullie een veulen vinden dat vastgebonden staat, waarop nog nooit een mens heeft gezeten. Maak het los en breng het.** Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Ὑπάγετε (Hypagete) = ga | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | κατέναντι (katenanti) = tegenover | κώμην (komen) = dorp | ἐν (en) = in | ᾗ (he) = dat | εἰσπορευόμενοι (eisporeuomenoi) = binnengaand | εὑρήσετε (heuresete) = zullen jullie vinden | πῶλον (polon) = veulen | δεδεμένον (dedemenon) = vastgebonden | ἐφ’ (eph’) = op | ὃν (hon) = welk | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | πώποτε (popote) = ooit | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen | ἐκάθισεν (ekathisen) = heeft gezeten | καὶ (kai) = en | λύσαντες (lysantes) = losgemaakt hebbend | αὐτὸν (auton) = het | ἀγάγετε (agagete) = breng Bron: SBLGNT **19:31** **Als iemand jullie vraagt: ‘Waarom maken jullie het los?’, zeg dan zo: ‘De Heer van het veulen heeft het nodig.’”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐρωτᾷ (erota) = vraagt | Διὰ (Dia) = om | τί (ti) = wat | λύετε (lyete) = maken jullie los | οὕτως (houtos) = zo | ἐρεῖτε (ereite) = zullen jullie zeggen | ὅτι (hoti) = dat | Ὁ (Ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | αὐτοῦ (autou) = van het veulen | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχει (echei) = heeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριος αὐτοῦ (ho kyrios autou), letterlijk ‘zijn Heer’, dat wil zeggen de Heer van het veulen. Het kan Yeshua zelf zijn of de eigenaar van het dier. Wij lezen Yeshua en schrijven ‘Heer’, zoals in Matt. 21:3 en Mark. 11:3. Zie ook: Mat 21:3; Mar 11:3 **19:32** Zij die gezonden waren, gingen weg en vonden het zoals Hij tegen hen gezegd had. Brontekst: ἀπελθόντες (apelthontes) = weggegaan | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | ἀπεσταλμένοι (apestalmenoi) = gezondenen | εὗρον (heuron) = vonden | καθὼς (kathos) = zoals | εἶπεν (eipen) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen Bron: SBLGNT **19:33** Toen zij het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars ervan tegen hen: „Waarom maken jullie het veulen los?” Brontekst: λυόντων (lyonton) = terwijl losmakend | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | τὸν (ton) = het | πῶλον (polon) = veulen | εἶπαν (eipan) = zeiden | οἱ (hoi) = de | κύριοι (kyrioi) = eigenaars | αὐτοῦ (autou) = ervan | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Τί (Ti) = wat | λύετε (lyete) = maken jullie los | τὸν (ton) = het | πῶλον (polon) = veulen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριοι (kyrioi) staat hier in het meervoud: de ‘heren’ van het veulen, dus de eigenaars. **19:34** Zij zeiden: „De Heer van het veulen heeft het nodig.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Ὁ (Ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | αὐτοῦ (autou) = van het veulen | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχει (echei) = heeft Bron: SBLGNT **19:35** Zij brachten het naar Yeshua, wierpen hun mantels op het veulen en zetten Yeshua erop. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤγαγον (egagon) = brachten | αὐτὸν (auton) = het | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐπιρίψαντες (epiripsantes) = geworpen hebbend | αὐτῶν (auton) = hun | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = mantels | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = het | πῶλον (polon) = veulen | ἐπεβίβασαν (epebibasan) = zetten erop | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed, zoals in Matt. 21:7–8. Zie ook: Mat 21:7–8 **19:36** Terwijl Hij voortging, spreidden zij hun mantels uit op de weg. Brontekst: πορευομένου (poreuomenou) = terwijl gaand | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hij | ὑπεστρώννυον (hypestronnyon) = spreidden uit | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = mantels | ἑαυτῶν (heauton) = hun eigen | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg Bron: SBLGNT **19:37** Hij was al dicht bij de afdaling van de Olijfberg. Om alle krachten die zij gezien hadden, begon heel de menigte van de leerlingen verheugd Elohim te loven met luide stem. Brontekst: ἐγγίζοντος (engizontos) = terwijl naderend | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hij | ἤδη (ede) = al | πρὸς (pros) = bij | τῇ (te) = de | καταβάσει (katabasei) = afdaling | τοῦ (tou) = van de | Ὄρους (Orous) = Berg | τῶν (ton) = van de | Ἐλαιῶν (Elaion) = Olijven | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | ἅπαν (hapan) = heel | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | χαίροντες (chairontes) = zich verheugend | αἰνεῖν (ainein) = te loven | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = luide | περὶ (peri) = om | πασῶν (pason) = alle | ὧν (hon) = die | εἶδον (eidon) = zij zagen | δυνάμεων (dynameon) = krachten Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: δυνάμεις (dynameis), ‘krachten’: krachtige daden, wonderen. αἰνέω (aineo), ‘loven’. **19:38** Zij zeiden: „Gezegend is de koning die komt in de naam van Yahweh! In de hemel is vrede, en heerlijkheid in de hoogste hoogten!” Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Εὐλογημένος (Eulogemenos) = gezegend | ὁ (ho) = de | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | βασιλεὺς (basileus) = koning | ἐν (en) = in | ὀνόματι (onomati) = naam | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | ἐν (en) = in | οὐρανῷ (ourano) = hemel | εἰρήνη (eirene) = vrede | καὶ (kai) = en | δόξα (doxa) = heerlijkheid | ἐν (en) = in | ὑψίστοις (hypsistois) = de hoogste hoogten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Ps. 118:26. Lucas voegt ‘de koning’ toe. κυρίου (kyriou) vertalen wij als ‘Yahweh’, zoals in Ps. 118:26. ‘In de hemel vrede’ doet denken aan Luc. 2:14. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:9; Mark. 11:9–10; Joh. 12:13. Zie ook: Ps 118:26; Mat 21:9; Mar 11:9–10; Luc 2:14; Joh 12:13 **19:39** Enkele Farizeeën uit de menigte zeiden tegen Hem: „Leraar, bestraf Uw leerlingen.” Brontekst: καί (kai) = en | τινες (tines) = enkele | τῶν (ton) = van de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | εἶπαν (eipan) = zeiden | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = Hem | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | ἐπιτίμησον (epitimeson) = bestraf | τοῖς (tois) = de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT **19:40** Hij antwoordde en zei: **„Ik zeg jullie: als dezen zwijgen, zullen de stenen schreeuwen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | εἶπεν (eipen) = zei | Λέγω (Lego) = ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐὰν (ean) = als | οὗτοι (houtoi) = dezen | σιωπήσουσιν (siopesousin) = zwijgen | οἱ (hoi) = de | λίθοι (lithoi) = stenen | κράξουσιν (kraxousin) = zullen schreeuwen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Hab. 2:11 (‘de steen roept vanuit de muur’). Zie ook: Hab 2:11 ### Yeshua huilt over Jeruzalem **19:41** Toen Hij dichterbij kwam en de stad zag, huilde Hij over haar. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὡς (hos) = toen | ἤγγισεν (engisen) = Hij naderde | ἰδὼν (idon) = ziend | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | ἔκλαυσεν (eklausen) = huilde | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κλαίω (klaio), ‘huilen’: luid huilen, zoals in Mark. 14:72. Zie ook: Mar 14:72 **19:42** Hij zei: **„Had ook jij maar op deze dag herkend wat tot vrede leidt! Maar nu is het voor jouw ogen verborgen.** Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Εἰ (Ei) = als | ἔγνως (egnos) = je had herkend | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ταύτῃ (taute) = deze | καὶ (kai) = ook | σὺ (sy) = jij | τὰ (ta) = wat | πρὸς (pros) = tot | εἰρήνην (eirenen) = vrede | νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | ἐκρύβη (ekrybe) = is verborgen | ἀπὸ (apo) = voor | ὀφθαλμῶν (ophthalmon) = ogen | σου (sou) = jouw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De zin is in het Grieks niet afgemaakt (‘Als je maar had herkend…’). Wij hebben dat zo gelaten, met een uitroepteken. **19:43** **Want er zullen dagen over jou komen, waarin je vijanden een wal tegen je opwerpen, je omsingelen en je van alle kanten insluiten.** Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ἥξουσιν (hexousin) = zullen komen | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ἐπὶ (epi) = over | σὲ (se) = jou | καὶ (kai) = en | παρεμβαλοῦσιν (parembalousin) = zullen opwerpen | οἱ (hoi) = de | ἐχθροί (echthroi) = vijanden | σου (sou) = jouw | χάρακά (charaka) = wal | σοι (soi) = tegen jou | καὶ (kai) = en | περικυκλώσουσίν (perikyklosousin) = zullen omsingelen | σε (se) = je | καὶ (kai) = en | συνέξουσίν (synexousin) = zullen insluiten | σε (se) = je | πάντοθεν (pantothen) = van alle kanten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χάραξ (charax), ‘wal’: een omwalling van palen of aarde, waarmee men een stad insloot. Vergelijk Ezech. 4:2 en Jes. 29:3. Zie ook: Jes 29:3; Ezech 4:2 **19:44** **Zij zullen jou en je kinderen in je met de grond gelijkmaken. Zij zullen in jou geen steen op een andere steen laten, omdat je het tijdstip van je bezoek niet hebt herkend.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐδαφιοῦσίν (edaphiousin) = zullen gelijkmaken met de grond | σε (se) = je | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | σου (sou) = jouw | ἐν (en) = in | σοί (soi) = jou | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἀφήσουσιν (aphesousin) = zullen laten | λίθον (lithon) = steen | ἐπὶ (epi) = op | λίθον (lithon) = steen | ἐν (en) = in | σοί (soi) = jou | ἀνθ’ (anth’) = omdat | ὧν (hon) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνως (egnos) = je herkende | τὸν (ton) = de | καιρὸν (kairon) = tijd | τῆς (tes) = van het | ἐπισκοπῆς (episkopes) = bezoek | σου (sou) = jouw Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπισκοπή (episkope), ‘bezoek’: het moment waarop Elohim naar Zijn volk toe komt, om te redden of om te oordelen. Vergelijk Jer. 6:15 (‘in de tijd dat Ik hen straf’). Voetnoot : Vergelijk Mark. 13:2 en Luc. 21:6: ‘geen steen op een andere steen’. Zie ook: Jer 6:15; Mar 13:2; Luc 21:6 ### Yeshua in de tempel **19:45** Hij ging de tempel binnen en begon de verkopers naar buiten te jagen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἰσελθὼν (eiselthon) = binnengegaan | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | ἤρξατο (erxato) = begon | ἐκβάλλειν (ekballein) = naar buiten te jagen | τοὺς (tous) = de | πωλοῦντας (polountas) = verkopers Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκβάλλω (ekballo) betekent ‘naar buiten werpen’; voor mensen schrijven wij ‘naar buiten jagen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:12–13; Mark. 11:15–17; Joh. 2:13–17. Zie ook: Mat 21:12–13; Mar 11:15–17; Joh 2:13–17 **19:46** Hij zei tegen hen: **„Er staat geschreven: ‘Mijn huis zal een huis van gebed zijn.’ Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.”** Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Γέγραπται (Gegraptai) = er staat geschreven | Καὶ (Kai) = en | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = het | οἶκός (oikos) = huis | μου (mou) = Mijn | οἶκος (oikos) = huis | προσευχῆς (proseuches) = van gebed | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = het | ἐποιήσατε (epoiesate) = hebben gemaakt | σπήλαιον (spelaion) = hol | λῃστῶν (leston) = van rovers Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Jes. 56:7 met een toespeling op Jer. 7:11 (‘een rovershol’). Lucas laat ‘voor alle volken’ weg en heeft ‘zal zijn’ waar Jes. 56:7 ‘zal worden genoemd’ heeft. Het Griekse citaat begint met ‘en’ (καὶ ἔσται, kai estai); dat laten wij in het Nederlands weg. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:13; Mark. 11:17. Zie ook: Jes 56:7; Jer 7:11; Mat 21:13; Mar 11:17 **19:47** Dagelijks onderwees Hij in de tempel. De hogepriesters en de schriftgeleerden probeerden Hem om te brengen, en ook de voornaamsten van het volk. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἦν (en) = Hij was | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | τὸ (to) = het | καθ’ (kath’) = per | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | ἐζήτουν (ezetoun) = probeerden | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπολέσαι (apolesai) = om te brengen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | πρῶτοι (protoi) = voornaamsten | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Mark. 11:18. Zie ook: Mar 11:18 **19:48** Zij vonden niet wat zij konden doen, want heel het volk bleef aan Hem gehecht en luisterde naar Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | εὕρισκον (heuriskon) = vonden | τὸ (to) = het | τί (ti) = wat | ποιήσωσιν (poiesosin) = zij zouden doen | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | γὰρ (gar) = want | ἅπας (hapas) = geheel | ἐξεκρέματο (exekremato) = hing aan | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἀκούων (akouon) = luisterend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκκρεμάννυμι (ekkremannymi), ‘gehecht zijn aan’: letterlijk ‘aan iemand hangen’. ## Lucas 20 _De vraag naar Zijn gezag, de wijngaard, de vragen van de leiders en de Messias als Heer van David_ ### De vraag naar Zijn gezag **20:1** Op een van de dagen onderwees Hij het volk in de tempel en bracht Hij de goede boodschap. De hogepriesters en de schriftgeleerden kwamen met de oudsten op Hem af. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = het gebeurde | ἐν (en) = op | μιᾷ (mia) = een | τῶν (ton) = van de | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | διδάσκοντος (didaskontos) = terwijl onderwijzend | αὐτοῦ (autou) = Hij | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | καὶ (kai) = en | εὐαγγελιζομένου (euangelizomenou) = de goede boodschap brengend | ἐπέστησαν (epestesan) = stonden voor | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | πρεσβυτέροις (presbyterois) = oudsten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: leiders van het volk. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:23–27; Mark. 11:27–33. Zie ook: Mat 21:23–27; Mar 11:27–33 **20:2** Zij zeiden tegen Hem: „Zeg ons: met welk gezag doet U dit, of wie is het die U dit gezag gegeven heeft?” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | λέγοντες (legontes) = zeggend | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = Hem | Εἰπὸν (Eipon) = zeg | ἡμῖν (hemin) = ons | ἐν (en) = met | ποίᾳ (poia) = welk | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ταῦτα (tauta) = dit | ποιεῖς (poieis) = doet U | ἢ (e) = of | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | δούς (dous) = gevende | σοι (soi) = U | τὴν (ten) = het | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ταύτην (tauten) = dit Bron: SBLGNT **20:3** Hij antwoordde en zei tegen hen: **„Ook Ik zal jullie een vraag stellen. Zeg Mij:** Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Ἐρωτήσω (Eroteso) = Ik zal vragen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | κἀγὼ (kago) = ook Ik | λόγον (logon) = vraag | καὶ (kai) = en | εἴπατέ (eipate) = zeg | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λόγον (logon), letterlijk ‘woord’: hier een vraag, zoals in Matt. 21:24. Zie ook: Mat 21:24 **20:4** **De doop van Johannes, was die uit de hemel of van mensen?”** Brontekst: Τὸ (To) = de | βάπτισμα (baptisma) = doop | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | ἐξ (ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἦν (en) = was | ἢ (e) = of | ἐξ (ex) = uit | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξ οὐρανοῦ (ex ouranou), ‘uit de hemel’: een omschrijving voor ‘van Elohim’, zoals in Mark. 11:30. Zie ook: Mar 11:30 **20:5** Zij overlegden onder elkaar en zeiden: „Als wij zeggen: ‘Uit de hemel’, zal Hij zeggen: ‘Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?’ Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | συνελογίσαντο (synelogisanto) = overlegden | πρὸς (pros) = onder | ἑαυτοὺς (heautous) = zich | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἐὰν (Ean) = als | εἴπωμεν (eipomen) = wij zeggen | Ἐξ (Ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἐρεῖ (erei) = zal zeggen | Διὰ (Dia) = om | τί (ti) = wat | οὐκ (ouk) = niet | ἐπιστεύσατε (episteusate) = geloofden jullie | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **20:6** Maar als wij zeggen: ‘Van mensen’, dan zal heel het volk ons stenigen, want het is ervan overtuigd dat Johannes een profeet is.” Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | εἴπωμεν (eipomen) = wij zeggen | Ἐξ (Ex) = uit | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | ἅπας (hapas) = geheel | καταλιθάσει (katalithasei) = zal stenigen | ἡμᾶς (hemas) = ons | πεπεισμένος (pepeismenos) = overtuigd | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | προφήτην (propheten) = profeet | εἶναι (einai) = te zijn Bron: SBLGNT **20:7** Zij antwoordden dat zij niet wisten waar het vandaan kwam. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | μὴ (me) = niet | εἰδέναι (eidenai) = te weten | πόθεν (pothen) = waarvandaan Bron: SBLGNT **20:8** Yeshua zei tegen hen: **„Ook Ik zeg jullie niet met welk gezag Ik dit doe.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Οὐδὲ (Oude) = ook niet | ἐγὼ (ego) = Ik | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐν (en) = met | ποίᾳ (poia) = welk | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | ταῦτα (tauta) = dit | ποιῶ (poio) = doe Bron: SBLGNT ### Gelijkenis van de wijngaard en de pachters **20:9** Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: **„Een man plantte een wijngaard en verpachtte hem aan pachters. Hij reisde voor geruime tijd naar het buitenland.** Brontekst: Ἤρξατο (Erxato) = Hij begon | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | λέγειν (legein) = te zeggen | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ταύτην (tauten) = deze | Ἄνθρωπος (Anthropos) = man | ἐφύτευσεν (ephyteusen) = plantte | ἀμπελῶνα (ampelona) = wijngaard | καὶ (kai) = en | ἐξέδετο (exedeto) = verpachtte | αὐτὸν (auton) = hem | γεωργοῖς (georgois) = aan pachters | καὶ (kai) = en | ἀπεδήμησεν (apedemesen) = reisde naar het buitenland | χρόνους (chronous) = tijden | ἱκανούς (hikanous) = geruime Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De gelijkenis begint zoals het lied over de wijngaard in Jes. 5:1–2. γεωργός (georgos), ‘pachter’: iemand die land van een ander bewerkt en daarvoor een deel van de opbrengst betaalt; ἐκδίδωμι (ekdidomi), ‘verpachten’. Lucas noemt geen omheining, wijnpers of toren, anders dan Mark. 12:1 en Matt. 21:33. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:33–46; Mark. 12:1–12. Zie ook: Jes 5:1–2; Mat 21:33; Mar 12:1 **20:10** **Op de juiste tijd zond hij een knecht naar de pachters, zodat zij hem een deel van de vrucht van de wijngaard zouden geven. Maar de pachters sloegen hem en zonden hem met lege handen weg.** Brontekst: καὶ (kai) = en | καιρῷ (kairo) = op tijd | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | γεωργοὺς (georgous) = pachters | δοῦλον (doulon) = knecht | ἵνα (hina) = opdat | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | καρποῦ (karpou) = vrucht | τοῦ (tou) = van de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard | δώσουσιν (dosousin) = zullen geven | αὐτῷ (auto) = hem | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | γεωργοὶ (georgoi) = pachters | ἐξαπέστειλαν (exapesteilan) = zonden weg | αὐτὸν (auton) = hem | δείραντες (deirantes) = geslagen hebbend | κενόν (kenon) = leeg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft twee werkwoorden voor ‘sturen’: ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’ (hier ‘zond’, ‘zonden’), en πέμπω (pempo), ‘sturen’ (vers 11, 12 en 13). ἐξαποστέλλω (exapostello), ‘wegzenden’, staat in vers 10 en 11 (‘zonden hem … weg’). Zie ook: Luc 20:11; Luc 20:12; Luc 20:13 **20:11** **Hij stuurde nog een andere knecht. Ook die sloegen zij en onteerden zij, en zij zonden hem met lege handen weg.** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσέθετο (prosetheto) = voegde toe | ἕτερον (heteron) = andere | πέμψαι (pempsai) = te sturen | δοῦλον (doulon) = knecht | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | κἀκεῖνον (kakeinon) = ook die | δείραντες (deirantes) = geslagen hebbend | καὶ (kai) = en | ἀτιμάσαντες (atimasantes) = onteerd hebbend | ἐξαπέστειλαν (exapesteilan) = zonden weg | κενόν (kenon) = leeg Bron: SBLGNT **20:12** **Hij stuurde nog een derde. Ook die verwondden zij en wierpen zij naar buiten.** Brontekst: καὶ (kai) = en | προσέθετο (prosetheto) = voegde toe | τρίτον (triton) = derde | πέμψαι (pempsai) = te sturen | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | τοῦτον (touton) = deze | τραυματίσαντες (traumatisantes) = verwond hebbend | ἐξέβαλον (exebalon) = wierpen naar buiten Bron: SBLGNT **20:13** **De heer van de wijngaard zei: ‘Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon sturen. Misschien zullen zij voor hem ontzag hebben.’** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τοῦ (tou) = van de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard | Τί (Ti) = wat | ποιήσω (poieso) = zal ik doen | πέμψω (pempso) = zal ik sturen | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = zoon | μου (mou) = mijn | τὸν (ton) = de | ἀγαπητόν (agapeton) = geliefde | ἴσως (isos) = misschien | τοῦτον (touton) = deze | ἐντραπήσονται (entrapesontai) = zullen ontzag hebben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγαπητός (agapetos), ‘geliefd’: vergelijk Mark. 12:6. ἴσως (isos), ‘misschien’: de heer hoopt het, maar weet het niet. Zie ook: Mar 12:6 **20:14** **Toen de pachters hem zagen, overlegden zij met elkaar en zeiden: ‘Dit is de erfgenaam. Laten wij hem doden, zodat de erfenis van ons wordt.’** Brontekst: ἰδόντες (idontes) = gezien hebbend | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = hem | οἱ (hoi) = de | γεωργοὶ (georgoi) = pachters | διελογίζοντο (dielogizonto) = overlegden | πρὸς (pros) = met | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | λέγοντες (legontes) = zeggend | Οὗτός (Houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | κληρονόμος (kleronomos) = erfgenaam | ἀποκτείνωμεν (apokteinomen) = laten wij doden | αὐτόν (auton) = hem | ἵνα (hina) = opdat | ἡμῶν (hemon) = van ons | γένηται (genetai) = wordt | ἡ (he) = de | κληρονομία (kleronomia) = erfenis Bron: SBLGNT **20:15** **Zij wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wat zal de heer van de wijngaard dan met hen doen?** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκβαλόντες (ekbalontes) = geworpen hebbend | αὐτὸν (auton) = hem | ἔξω (exo) = buiten | τοῦ (tou) = de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard | ἀπέκτειναν (apekteinan) = doodden | τί (ti) = wat | οὖν (oun) = dan | ποιήσει (poiesei) = zal doen | αὐτοῖς (autois) = met hen | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | τοῦ (tou) = van de | ἀμπελῶνος (ampelonos) = wijngaard Bron: SBLGNT **20:16** **Hij zal komen, deze pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.”** Toen zij dit hoorden, zeiden zij: „Dat nooit!” Brontekst: ἐλεύσεται (eleusetai) = zal komen | καὶ (kai) = en | ἀπολέσει (apolesei) = zal ombrengen | τοὺς (tous) = de | γεωργοὺς (georgous) = pachters | τούτους (toutous) = deze | καὶ (kai) = en | δώσει (dosei) = zal geven | τὸν (ton) = de | ἀμπελῶνα (ampelona) = wijngaard | ἄλλοις (allois) = aan anderen | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Μὴ (Me) = niet | γένοιτο (genoito) = moge gebeuren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μὴ γένοιτο (me genoito), letterlijk ‘moge het niet gebeuren’: een felle afwijzing. **20:17** Hij keek hen aan en zei: **„Wat betekent dan dit wat geschreven staat: ‘De steen die de bouwers verwierpen, die is tot hoeksteen geworden’?** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | ἐμβλέψας (emblepsas) = aankijkend | αὐτοῖς (autois) = hen | εἶπεν (eipen) = zei | Τί (Ti) = wat | οὖν (oun) = dan | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschrevene | τοῦτο (touto) = dit | Λίθον (Lithon) = steen | ὃν (hon) = die | ἀπεδοκίμασαν (apedokimasan) = verwierpen | οἱ (hoi) = de | οἰκοδομοῦντες (oikodomountes) = bouwers | οὗτος (houtos) = deze | ἐγενήθη (egenethe) = is geworden | εἰς (eis) = tot | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | γωνίας (gonias) = van hoek Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Ps. 118:22. κεφαλὴ γωνίας (kephale gonias) is letterlijk ‘hoofd van de hoek’; wij vertalen ‘hoeksteen’, zoals in Mark. 12:10. Lucas laat het vervolg (Ps. 118:23, ‘Dit is van Yahweh gekomen’) weg. Zie ook: Ps 118:22; Ps 118:23; Mar 12:10 **20:18** **Ieder die op die steen valt, zal verbrijzeld worden. Op wie hij valt, die zal hij vermalen.”** Brontekst: πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = de | πεσὼν (peson) = gevallene | ἐπ’ (ep’) = op | ἐκεῖνον (ekeinon) = die | τὸν (ton) = de | λίθον (lithon) = steen | συνθλασθήσεται (synthlasthesetai) = zal verbrijzeld worden | ἐφ’ (eph’) = op | ὃν (hon) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ooit | πέσῃ (pese) = hij valt | λικμήσει (likmesei) = zal vermalen | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 8:14–15 (een steen om over te struikelen; ‘zij vallen, worden verbrijzeld’) en Dan. 2:34–35 (een steen die het beeld vermaalt). Vergelijk Matt. 21:44. Zie ook: Jes 8:14–15; Dan 2:34–35; Mat 21:44 **20:19** De schriftgeleerden en de hogepriesters probeerden op datzelfde uur de handen aan Hem te slaan, maar zij werden bang voor het volk. Zij begrepen namelijk dat Hij deze gelijkenis tegen hen had gesproken. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐζήτησαν (ezetesan) = probeerden | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | ἐπιβαλεῖν (epibalein) = te slaan | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτὸν (auton) = Hem | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐν (en) = op | αὐτῇ (aute) = zelfde | τῇ (te) = het | ὥρᾳ (hora) = uur | καὶ (kai) = en | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bang | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk | ἔγνωσαν (egnosan) = ze begrepen | γὰρ (gar) = want | ὅτι (hoti) = dat | πρὸς (pros) = tegen | αὐτοὺς (autous) = hen | εἶπεν (eipen) = Hij zei | τὴν (ten) = de | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | ταύτην (tauten) = deze Bron: SBLGNT ### De belasting voor de keizer **20:20** Zij letten goed op Hem. Zij zonden spionnen die zich als rechtvaardigen voordeden, om Hem op een woord te betrappen. Zo konden zij Hem overleveren aan het bestuur en het gezag van de stadhouder. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | παρατηρήσαντες (parateresantes) = goed opgelet hebbend | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | ἐγκαθέτους (enkathetous) = spionnen | ὑποκρινομένους (hypokrinomenous) = zich voordoend | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | δικαίους (dikaious) = rechtvaardigen | εἶναι (einai) = te zijn | ἵνα (hina) = opdat | ἐπιλάβωνται (epilabontai) = zij zouden betrappen | αὐτοῦ (autou) = Hem | λόγου (logou) = op een woord | ὥστε (hoste) = zodat | παραδοῦναι (paradounai) = over te leveren | αὐτὸν (auton) = Hem | τῇ (te) = aan het | ἀρχῇ (arche) = bestuur | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = aan het | ἐξουσίᾳ (exousia) = gezag | τοῦ (tou) = van de | ἡγεμόνος (hegemonos) = stadhouder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγκάθετος (enkathetos), ‘spion’: iemand die in het geheim is aangesteld om anderen te bespieden. ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: de Romeinse bestuurder van het gebied. Voetnoot : Zie ook Matt. 22:15–22; Mark. 12:13–17. Zie ook: Mat 22:15–22; Mar 12:13–17 **20:21** Zij vroegen Hem: „Leraar, wij weten dat U juist spreekt en onderwijst. U kijkt niet naar iemands gezicht, maar U onderwijst in waarheid de weg van Elohim. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπηρώτησαν (eperotesan) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | ὅτι (hoti) = dat | ὀρθῶς (orthos) = juist | λέγεις (legeis) = U spreekt | καὶ (kai) = en | διδάσκεις (didaskeis) = U onderwijst | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | λαμβάνεις (lambaneis) = U neemt aan | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐπ’ (ep’) = in | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | διδάσκεις (didaskeis) = U onderwijst Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οὐ λαμβάνεις πρόσωπον (ou lambaneis prosopon) is letterlijk ‘U neemt geen gezicht aan’: U bent niet partijdig. Mark. 12:14 en Matt. 22:16 gebruiken een ander werkwoord met dezelfde betekenis; wij vertalen ze alle drie met ‘kijken naar het gezicht’. Zie ook: Mat 22:16; Mar 12:14 **20:22** Is het ons geoorloofd belasting aan de keizer te geven, of niet?” Brontekst: ἔξεστιν (exestin) = is geoorloofd | ἡμᾶς (hemas) = ons | Καίσαρι (Kaisari) = aan de keizer | φόρον (phoron) = belasting | δοῦναι (dounai) = te geven | ἢ (e) = of | οὔ (ou) = niet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φόρος (foros), ‘belasting’: wat aan de Romeinse keizer betaald moest worden. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: de titel van de Romeinse keizer. **20:23** Hij doorzag hun sluwheid en zei tegen hen: Brontekst: κατανοήσας (katanoesas) = doorzien hebbend | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = hun | τὴν (ten) = de | πανουργίαν (panourgian) = sluwheid | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT **20:24** **„Laat Mij een denarie zien. Wiens beeld en opschrift heeft die?”** Zij antwoordden: „Van de keizer.” Brontekst: Δείξατέ (Deixate) = toon | μοι (moi) = Mij | δηνάριον (denarion) = denarie | τίνος (tinos) = wiens | ἔχει (echei) = heeft hij | εἰκόνα (eikona) = beeld | καὶ (kai) = en | ἐπιγραφήν (epigraphen) = opschrift | ἀποκριθέντες (apokrithentes) = antwoordend | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Καίσαρος (Kaisaros) = van de keizer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werken (zie ook Matt. 20:2). Zie ook: Mat 20:2 **20:25** Hij zei tegen hen: **„Geef dan aan de keizer terug wat van de keizer is, en aan Elohim wat van Elohim is.”** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Τοίνυν (Toinyn) = dan | ἀπόδοτε (apodote) = geef terug | τὰ (ta) = het | Καίσαρος (Kaisaros) = van de keizer | Καίσαρι (Kaisari) = aan de keizer | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = het | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim Bron: SBLGNT **20:26** Zij konden Hem niet op een woord betrappen voor het volk. Verbaasd over Zijn antwoord zwegen zij. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἴσχυσαν (ischysan) = konden | ἐπιλαβέσθαι (epilabesthai) = te betrappen | τοῦ (tou) = het | ῥήματος (rhematos) = woord | ἐναντίον (enantion) = voor | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk | καὶ (kai) = en | θαυμάσαντες (thaumasantes) = verbaasd | ἐπὶ (epi) = over | τῇ (te) = het | ἀποκρίσει (apokrisei) = antwoord | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐσίγησαν (esigesan) = zwegen Bron: SBLGNT ### De vraag over de opstanding **20:27** Enkele Sadduceeën kwamen naar Hem toe, die ontkennen dat er een opstanding is. Zij vroegen Hem: Brontekst: Προσελθόντες (Proselthontes) = gekomen | δέ (de) = maar | τινες (tines) = enkele | τῶν (ton) = van de | Σαδδουκαίων (Saddoukaion) = Sadduceeën | οἱ (hoi) = zij die | ἀντιλέγοντες (antilegontes) = ontkennen | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | μὴ (me) = niet | εἶναι (einai) = te zijn | ἐπηρώτησαν (eperotesan) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt van de Sadduceeën dat zij de opstanding ontkennen (ἀντιλέγοντες, antilegontes, ‘tegensprekend’). Voetnoot : Zie ook Matt. 22:23–33; Mark. 12:18–27. Zie ook: Mat 22:23–33; Mar 12:18–27 **20:28** „Leraar, Mozes heeft ons geschreven: als iemands broer sterft, terwijl hij een vrouw heeft en kinderloos is, moet zijn broer de vrouw nemen. Hij moet nageslacht opwekken voor zijn broer. Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | ἔγραψεν (egrapsen) = schreef | ἡμῖν (hemin) = ons | ἐάν (ean) = als | τινος (tinos) = van iemand | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | ἀποθάνῃ (apothane) = sterft | ἔχων (echon) = hebbend | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | καὶ (kai) = en | οὗτος (houtos) = deze | ἄτεκνος (ateknos) = kinderloos | ᾖ (e) = is | ἵνα (hina) = opdat | λάβῃ (labe) = neemt | ὁ (ho) = de | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὴν (ten) = de | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | καὶ (kai) = en | ἐξαναστήσῃ (exanastese) = opwekt | σπέρμα (sperma) = nageslacht | τῷ (to) = aan de | ἀδελφῷ (adelpho) = broer | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Deut. 25:5–6: wanneer een man kinderloos sterft, moet zijn broer de weduwe nemen. Vergelijk Gen. 38:8 (‘wek nageslacht op voor je broer’). Zie ook: Gen 38:8; Deut 25:5–6 **20:29** Er waren dus 7 broers. De eerste nam een vrouw en stierf kinderloos. Brontekst: ἑπτὰ (hepta) = 7 | οὖν (oun) = dus | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | ἦσαν (esan) = waren | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πρῶτος (protos) = eerste | λαβὼν (labon) = genomen hebbend | γυναῖκα (gynaika) = vrouw | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf | ἄτεκνος (ateknos) = kinderloos Bron: SBLGNT **20:30** En de tweede, Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | δεύτερος (deuteros) = tweede Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks laat het werkwoord weg (‘en de tweede’); uit vers 31 volgt ‘nam haar’. Zie ook: Luc 20:31 **20:31** en de derde nam haar. Evenzo lieten ook de 7 geen kinderen na, en zij stierven. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | τρίτος (tritos) = derde | ἔλαβεν (elaben) = nam | αὐτήν (auten) = haar | ὡσαύτως (hosautos) = evenzo | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἑπτὰ (hepta) = 7 | οὐ (ou) = niet | κατέλιπον (katelipon) = lieten achter | τέκνα (tekna) = kinderen | καὶ (kai) = en | ἀπέθανον (apethanon) = stierven Bron: SBLGNT **20:32** Ten slotte stierf ook de vrouw. Brontekst: ὕστερον (hysteron) = ten slotte | καὶ (kai) = ook | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf Bron: SBLGNT **20:33** Bij de opstanding dan: van wie van hen wordt zij de vrouw? Want de 7 hebben haar tot vrouw gehad.” Brontekst: ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | οὖν (oun) = dus | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀναστάσει (anastasei) = opstanding | τίνος (tinos) = van wie | αὐτῶν (auton) = van hen | γίνεται (ginetai) = wordt zij | γυνή (gyne) = vrouw | οἱ (hoi) = de | γὰρ (gar) = want | ἑπτὰ (hepta) = 7 | ἔσχον (eschon) = hadden | αὐτὴν (auten) = haar | γυναῖκα (gynaika) = tot vrouw Bron: SBLGNT **20:34** Yeshua zei tegen hen: **„De zonen van deze eeuw trouwen en worden ten huwelijk gegeven.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οἱ (Hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | τοῦ (tou) = van de | αἰῶνος (aionos) = eeuw | τούτου (toutou) = deze | γαμοῦσιν (gamousin) = trouwen | καὶ (kai) = en | γαμίσκονται (gamiskontai) = worden ten huwelijk gegeven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰών (aion), ‘eeuw’: een tijdperk. ‘Deze eeuw’ is de tegenwoordige tijd; ‘die eeuw’ in vers 35 is de komende tijd. Zie ook: Luc 20:35 **20:35** **Maar zij die waardig geacht worden die eeuw te verkrijgen en de opstanding uit de doden, trouwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven.** Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | καταξιωθέντες (kataxiothentes) = waardig geacht | τοῦ (tou) = van de | αἰῶνος (aionos) = eeuw | ἐκείνου (ekeinou) = die | τυχεῖν (tychein) = te verkrijgen | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = van de | ἀναστάσεως (anastaseos) = opstanding | τῆς (tes) = de | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | οὔτε (oute) = noch | γαμοῦσιν (gamousin) = trouwen | οὔτε (oute) = noch | γαμίζονται (gamizontai) = worden ten huwelijk gegeven Bron: SBLGNT **20:36** **Want zij kunnen ook niet meer sterven. Zij zijn namelijk gelijk aan engelen en zij zijn zonen van Elohim, omdat zij zonen van de opstanding zijn.** Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | γὰρ (gar) = want | ἀποθανεῖν (apothanein) = te sterven | ἔτι (eti) = nog | δύνανται (dynantai) = kunnen zij | ἰσάγγελοι (isangeloi) = gelijk aan engelen | γάρ (gar) = want | εἰσιν (eisin) = zijn zij | καὶ (kai) = en | υἱοί (huioi) = zonen | εἰσιν (eisin) = zijn zij | θεοῦ (theou) = van Elohim | τῆς (tes) = van de | ἀναστάσεως (anastaseos) = opstanding | υἱοὶ (huioi) = zonen | ὄντες (ontes) = zijnde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἰσάγγελοι (isangeloi), ‘gelijk aan engelen’: dit woord komt alleen hier voor. ‘Zonen van de opstanding’: mensen die tot de opstanding behoren. **20:37** **Dat de doden worden opgewekt, heeft ook Mozes laten blijken bij de braamstruik. Hij noemde Yahweh: ‘de Elohim van Abraham, de Elohim van Isaak en de Elohim van Jakob’.** Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | δὲ (de) = maar | ἐγείρονται (egeirontai) = worden opgewekt | οἱ (hoi) = de | νεκροὶ (nekroi) = doden | καὶ (kai) = ook | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | ἐμήνυσεν (emenysen) = liet blijken | ἐπὶ (epi) = bij | τῆς (tes) = de | βάτου (batou) = braamstruik | ὡς (hos) = toen | λέγει (legei) = hij noemt | κύριον (kyrion) = Yahweh | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | Ἀβραὰμ (Abraam) = van Abraham | καὶ (kai) = en | θεὸν (theon) = Elohim | Ἰσαὰκ (Isaak) = van Isaak | καὶ (kai) = en | θεὸν (theon) = Elohim | Ἰακώβ (Iakob) = van Jakob Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Exod. 3:6 en 3:15. κύριος (kyrios) vertalen wij hier als ‘Yahweh’, omdat in Exod. 3:15 ‘Yahweh, Elohim van jullie vaderen, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob’ staat. βάτος (batos), ‘braamstruik’: zoals in Mark. 12:26. Zie ook: Ex 3:6; Ex 3:15; Mar 12:26 **20:38** **Hij is geen Elohim van doden, maar van levenden, want voor Hem leven allen.”** Brontekst: θεὸς (theos) = Elohim | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | νεκρῶν (nekron) = van doden | ἀλλὰ (alla) = maar | ζώντων (zonton) = van levenden | πάντες (pantes) = allen | γὰρ (gar) = want | αὐτῷ (auto) = voor Hem | ζῶσιν (zosin) = leven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen lidwoord bij θεός (theos): ‘Hij is geen Elohim van doden’. Vergelijk Mark. 12:27. Zie ook: Mar 12:27 **20:39** Enkele van de schriftgeleerden antwoordden: „Leraar, U hebt goed gesproken.” Brontekst: ἀποκριθέντες (apokrithentes) = antwoordend | δέ (de) = maar | τινες (tines) = enkele | τῶν (ton) = van de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | εἶπαν (eipan) = zeiden | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | καλῶς (kalos) = goed | εἶπας (eipas) = zei U Bron: SBLGNT **20:40** Want zij durfden Hem niets meer te vragen. Brontekst: οὐκέτι (ouketi) = niet meer | γὰρ (gar) = want | ἐτόλμων (etolmon) = durfden zij | ἐπερωτᾶν (eperotan) = te vragen | αὐτὸν (auton) = Hem | οὐδέν (ouden) = niets Bron: SBLGNT ### Wiens zoon is de Messias? **20:41** Hij zei tegen hen: **„Hoe zeggen zij dat de Messias zoon van David is?** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Πῶς (Pos) = hoe | λέγουσιν (legousin) = zeggen zij | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | εἶναι (einai) = te zijn | Δαυὶδ (Dauid) = van David | υἱόν (huion) = zoon Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 22:41–46; Mark. 12:35–37. Zie ook: Mat 22:41–46; Mar 12:35–37 **20:42** **David zelf zegt immers in het boek van de Psalmen: ‘Yahweh zei tegen mijn Heer: „Zit aan Mijn rechterhand,** Brontekst: αὐτὸς (autos) = zelf | γὰρ (gar) = want | Δαυὶδ (Dauid) = David | λέγει (legei) = zegt | ἐν (en) = in | βίβλῳ (biblo) = boek | ψαλμῶν (psalmon) = van psalmen | Εἶπεν (Eipen) = zei | κύριος (kyrios) = Yahweh | τῷ (to) = aan de | κυρίῳ (kyrio) = Heer | μου (mou) = mijn | Κάθου (Kathou) = zit | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Aanhaling van Ps. 110:1. Daar staat in het Hebreeuws ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer’; het Grieks heeft twee keer κύριος (kyrios). Wij schrijven het eerste als ‘Yahweh’ en het tweede als ‘Heer’. Zie ook: Ps 110:1 **20:43** **totdat Ik je vijanden leg als voetbank voor je voeten.”’** Brontekst: ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = ooit | θῶ (tho) = Ik leg | τοὺς (tous) = de | ἐχθρούς (echthrous) = vijanden | σου (sou) = je | ὑποπόδιον (hypopodion) = voetbank | τῶν (ton) = van de | ποδῶν (podon) = voeten | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Griekse tekst heeft ὑποπόδιον (hypopodion), ‘voetbank’, zoals ons Hebreeuws (‘als voetbank voor je voeten’). Mark. 12:36 en Matt. 22:44 hebben ὑποκάτω (hypokato), ‘onder’; daar schrijven wij ‘onder je voeten’. Zie ook: Mat 22:44; Mar 12:36 **20:44** **David noemt Hem dus Heer. Hoe is Hij dan zijn zoon?”** Brontekst: Δαυὶδ (Dauid) = David | οὖν (oun) = dus | αὐτὸν (auton) = Hem | κύριον (kyrion) = Heer | καλεῖ (kalei) = noemt | καὶ (kai) = en | πῶς (pos) = hoe | αὐτοῦ (autou) = zijn | υἱός (huios) = zoon | ἐστιν (estin) = is Hij Bron: SBLGNT ### Pas op voor de schriftgeleerden **20:45** Terwijl heel het volk luisterde, zei Hij tegen de leerlingen: Brontekst: Ἀκούοντος (Akouontos) = terwijl luisterend | δὲ (de) = maar | παντὸς (pantos) = heel | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk | εἶπεν (eipen) = zei Hij | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen Bron: SBLGNT **20:46** **„Pas op voor de schriftgeleerden die in lange gewaden willen rondlopen. Zij houden van begroetingen op de markten, van de voorste zetels in de synagogen en van de ereplaatsen bij de maaltijden.** Brontekst: Προσέχετε (Prosechete) = pas op | ἀπὸ (apo) = voor | τῶν (ton) = de | γραμματέων (grammateon) = schriftgeleerden | τῶν (ton) = die | θελόντων (thelonton) = willende | περιπατεῖν (peripatein) = rondlopen | ἐν (en) = in | στολαῖς (stolais) = lange gewaden | καὶ (kai) = en | φιλούντων (philounton) = houdend van | ἀσπασμοὺς (aspasmous) = begroetingen | ἐν (en) = op | ταῖς (tais) = de | ἀγοραῖς (agorais) = markten | καὶ (kai) = en | πρωτοκαθεδρίας (protokathedrias) = voorste zetels | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | συναγωγαῖς (synagogais) = synagogen | καὶ (kai) = en | πρωτοκλισίας (protoklisias) = ereplaatsen | ἐν (en) = bij | τοῖς (tois) = de | δείπνοις (deipnois) = maaltijden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στολή (stole), ‘lang gewaad’: een lang, statig kleed. πρωτοκλισία (protoklisia), ‘ereplaats bij een maaltijd’. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:5–7; Mark. 12:38–40. Zie ook: Mat 23:5–7; Mar 12:38–40 **20:47** **Zij die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lang bidden, die zullen een zwaarder oordeel ontvangen.”** Brontekst: οἳ (hoi) = die | κατεσθίουσιν (katesthiousin) = opeten | τὰς (tas) = de | οἰκίας (oikias) = huizen | τῶν (ton) = van de | χηρῶν (cheron) = weduwen | καὶ (kai) = en | προφάσει (prophasei) = voor de schijn | μακρὰ (makra) = lang | προσεύχονται (proseuchontai) = bidden | οὗτοι (houtoi) = die | λήμψονται (lempsontai) = zullen ontvangen | περισσότερον (perissoteron) = zwaarder | κρίμα (krima) = oordeel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίμα (krima), ‘oordeel’; περισσότερον (perissoteron), letterlijk ‘overvloediger’: een zwaarder oordeel, zoals in Mark. 12:40. Zie ook: Mar 12:40 ## Lucas 21 _De arme weduwe en de rede over de verwoesting van Jeruzalem en de komst van de Mensenzoon_ ### De arme weduwe **21:1** Toen Hij opkeek, zag Hij rijken die hun gaven in de schatkamer gooiden. Brontekst: Ἀναβλέψας (Anablepsas) = omhoogkijkend | δὲ (de) = maar | εἶδεν (eiden) = zag | τοὺς (tous) = de | βάλλοντας (ballontas) = gooiende | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | γαζοφυλάκιον (gazophylakion) = schatkamer | τὰ (ta) = de | δῶρα (dora) = gaven | αὐτῶν (auton) = hun | πλουσίους (plousious) = rijken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γαζοφυλάκιον (gazophylakion), ‘schatkamer’: de plaats in de tempel waar geld werd ingelegd. Voetnoot : Zie ook Mark. 12:41–44. Zie ook: Mar 12:41–44 **21:2** Hij zag ook een arme weduwe daar 2 kleine munten gooien. Brontekst: εἶδεν (eiden) = zag | δέ (de) = maar | τινα (tina) = een | χήραν (cheran) = weduwe | πενιχρὰν (penichran) = arme | βάλλουσαν (ballousan) = gooiend | ἐκεῖ (ekei) = daar | λεπτὰ (lepta) = lepta | δύο (dyo) = 2 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λεπτόν (lepton), ‘kleine munt’: de kleinste koperen munt. 2 kleine munten waren samen een kwadrans, ongeveer 1/64 van een denarie (zie Mark. 12:42). Het Grieks gebruikt hier twee woorden voor ‘arm’: πενιχρά (penichra) in vers 2 en πτωχή (ptoche) in vers 3. Wij schrijven beide keren ‘arm’. Zie ook: Mar 12:42; Luc 21:3 **21:3** Hij zei: **„Werkelijk, Ik zeg jullie: deze arme weduwe heeft meer gegooid dan allen.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀληθῶς (Alethos) = werkelijk | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἡ (he) = de | χήρα (chera) = weduwe | ἡ (he) = de | πτωχὴ (ptoche) = arme | αὕτη (haute) = deze | πλεῖον (pleion) = meer | πάντων (panton) = dan allen | ἔβαλεν (ebalen) = heeft gegooid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀληθῶς (alethos), ‘werkelijk’: een ander woord dan ἀμήν (amen), ‘voorwaar’, in Mark. 12:43. Zie ook: Mar 12:43 **21:4** **Want al dezen hebben van wat zij over hadden in de gaven gegooid. Maar zij heeft in haar tekort heel het levensonderhoud gegooid dat zij had.”** Brontekst: πάντες (pantes) = allen | γὰρ (gar) = want | οὗτοι (houtoi) = dezen | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | περισσεύοντος (perisseuontos) = overschot | αὐτοῖς (autois) = hun | ἔβαλον (ebalon) = gooiden | εἰς (eis) = in | τὰ (ta) = de | δῶρα (dora) = gaven | αὕτη (haute) = zij | δὲ (de) = maar | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ὑστερήματος (hysterematos) = tekort | αὐτῆς (autes) = haar | πάντα (panta) = al | τὸν (ton) = het | βίον (bion) = levensonderhoud | ὃν (hon) = dat | εἶχεν (eichen) = zij had | ἔβαλεν (ebalen) = heeft gegooid Bron: SBLGNT ### Yeshua kondigt de verwoesting van de tempel aan **21:5** Toen enkelen over de tempel zeiden dat hij versierd was met mooie stenen en gewijde geschenken, zei Hij: Brontekst: Καί (Kai) = en | τινων (tinon) = enkelen | λεγόντων (legonton) = zeggend | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | ὅτι (hoti) = dat | λίθοις (lithois) = met stenen | καλοῖς (kalois) = mooie | καὶ (kai) = en | ἀναθήμασιν (anathemasin) = gewijde geschenken | κεκόσμηται (kekosmetai) = is versierd | εἶπεν (eipen) = zei Hij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνάθημα (anathema), ‘gewijd geschenk’: een gave die aan Elohim is gewijd en in de tempel hangt of staat. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:1–2; Mark. 13:1–2. Zie ook: Mat 24:1–2; Mar 13:1–2 **21:6** **„Wat jullie hier bekijken: er zullen dagen komen waarin geen steen op een andere steen gelaten zal worden die niet afgebroken wordt.”** Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = dit | ἃ (ha) = wat | θεωρεῖτε (theoreite) = jullie bekijken | ἐλεύσονται (eleusontai) = zullen komen | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ἐν (en) = in | αἷς (hais) = welke | οὐκ (ouk) = niet | ἀφεθήσεται (aphethesetai) = zal gelaten worden | λίθος (lithos) = steen | ἐπὶ (epi) = op | λίθῳ (litho) = steen | ὃς (hos) = die | οὐ (ou) = niet | καταλυθήσεται (katalythesetai) = zal afgebroken worden Bron: SBLGNT **21:7** Zij vroegen Hem: „Leraar, wanneer zal dit dan zijn en wat is het teken wanneer dit op het punt staat te gebeuren?” Brontekst: Ἐπηρώτησαν (Eperotesan) = vroegen | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | πότε (pote) = wanneer | οὖν (oun) = dan | ταῦτα (tauta) = dit | ἔσται (estai) = zal zijn | καὶ (kai) = en | τί (ti) = wat | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken | ὅταν (hotan) = wanneer | μέλλῃ (melle) = op het punt staat | ταῦτα (tauta) = dit | γίνεσθαι (ginesthai) = te gebeuren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 24:3; Mark. 13:3–4. Zie ook: Mat 24:3; Mar 13:3–4 ### Pas op voor misleiding **21:8** Hij zei: **„Pas op dat jullie niet misleid worden. Velen zullen komen in Mijn naam en zeggen: ‘Ik ben het’ en: ‘De tijd is nabij gekomen’. Ga hen niet achterna.** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Βλέπετε (Blepete) = pas op | μὴ (me) = niet | πλανηθῆτε (planethete) = dat jullie misleid worden | πολλοὶ (polloi) = velen | γὰρ (gar) = want | ἐλεύσονται (eleusontai) = zullen komen | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben het | καί (kai) = en | Ὁ (Ho) = de | καιρὸς (kairos) = tijd | ἤγγικεν (engiken) = is nabij gekomen | μὴ (me) = niet | πορευθῆτε (poreuthete) = ga | ὀπίσω (opiso) = achter | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘Ik ben het’: letterlijk ‘Ik ben’. Het Grieks zegt niet voor wie of wat zij zich uitgeven, zoals in Mark. 13:6. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:4–5; Mark. 13:5–6. Zie ook: Mat 24:4–5; Mar 13:5–6; Mar 13:6 **21:9** **Wanneer jullie horen van oorlogen en onrust, schrik dan niet. Dit moet eerst gebeuren, maar het einde is er niet meteen.”** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | ἀκούσητε (akousete) = jullie horen | πολέμους (polemous) = oorlogen | καὶ (kai) = en | ἀκαταστασίας (akatastasias) = onrust | μὴ (me) = niet | πτοηθῆτε (ptoethete) = schrik | δεῖ (dei) = het is nodig | γὰρ (gar) = want | ταῦτα (tauta) = dit | γενέσθαι (genesthai) = te gebeuren | πρῶτον (proton) = eerst | ἀλλ’ (all’) = maar | οὐκ (ouk) = niet | εὐθέως (eutheos) = meteen | τὸ (to) = het | τέλος (telos) = einde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀκαταστασία (akatastasia), ‘onrust’: oproer en wanorde. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:6; Mark. 13:7. Zie ook: Mat 24:6; Mar 13:7 **21:10** Toen zei Hij tegen hen: **„Volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk.** Brontekst: τότε (tote) = toen | ἔλεγεν (elegen) = zei Hij | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἐγερθήσεται (Egerthesetai) = zal opstaan | ἔθνος (ethnos) = volk | ἐπ’ (ep’) = tegen | ἔθνος (ethnos) = volk | καὶ (kai) = en | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | ἐπὶ (epi) = tegen | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 19:2 (‘stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk’). Zie ook Matt. 24:7; Mark. 13:8. Zie ook: Jes 19:2; Mat 24:7; Mar 13:8 **21:11** **Er zullen grote aardbevingen zijn en op verschillende plaatsen hongersnoden en epidemieën. Er zullen schrikbeelden zijn en grote tekenen uit de hemel.** Brontekst: σεισμοί (seismoi) = aardbevingen | τε (te) = en | μεγάλοι (megaloi) = grote | καὶ (kai) = en | κατὰ (kata) = op | τόπους (topous) = plaatsen | λιμοὶ (limoi) = hongersnoden | καὶ (kai) = en | λοιμοὶ (loimoi) = epidemieën | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | φόβητρά (phobetra) = schrikbeelden | τε (te) = en | καὶ (kai) = en | σημεῖα (semeia) = tekenen | ἀπ’ (ap’) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | μεγάλα (megala) = grote | ἔσται (estai) = zullen zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λοιμός (loimos), ‘epidemie’: een ziekte die zich snel onder mensen verspreidt. φόβητρον (fobetron), ‘schrikbeeld’: iets wat angst aanjaagt. ### Vervolging en getuigenis **21:12** **Maar vóór dit alles zullen zij de handen aan jullie slaan en jullie vervolgen. Zij zullen jullie overleveren aan de synagogen en de gevangenissen en jullie voor koningen en stadhouders wegvoeren, omwille van Mijn naam.** Brontekst: Πρὸ (Pro) = vóór | δὲ (de) = maar | τούτων (touton) = dit | πάντων (panton) = alles | ἐπιβαλοῦσιν (epibalousin) = zullen slaan | ἐφ’ (eph’) = op | ὑμᾶς (hymas) = jullie | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | διώξουσιν (dioxousin) = zullen vervolgen | παραδιδόντες (paradidontes) = overleverend | εἰς (eis) = aan | τὰς (tas) = de | συναγωγὰς (synagogas) = synagogen | καὶ (kai) = en | φυλακάς (phylakas) = gevangenissen | ἀπαγομένους (apagomenous) = weggevoerd | ἐπὶ (epi) = voor | βασιλεῖς (basileis) = koningen | καὶ (kai) = en | ἡγεμόνας (hegemonas) = stadhouders | ἕνεκεν (heneken) = omwille van | τοῦ (tou) = de | ὀνόματός (onomatos) = naam | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: een Romeinse bestuurder van een gebied. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:17–18; 24:9; Mark. 13:9. Zie ook: Mat 10:17–18; Mat 24:9; Mar 13:9 **21:13** **Het zal voor jullie uitlopen op een getuigenis.** Brontekst: ἀποβήσεται (apobesetai) = zal uitlopen | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | εἰς (eis) = tot | μαρτύριον (martyrion) = getuigenis Bron: SBLGNT **21:14** **Besluit dus in jullie hart om jullie niet van tevoren voor te bereiden op jullie verdediging.** Brontekst: θέτε (thete) = besluit | οὖν (oun) = dus | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | καρδίαις (kardiais) = harten | ὑμῶν (hymon) = jullie | μὴ (me) = niet | προμελετᾶν (promeletan) = van tevoren voorbereiden | ἀπολογηθῆναι (apologethenai) = zich te verdedigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θέτε ἐν ταῖς καρδίαις (thete en tais kardiais) is letterlijk ‘zet in de harten’: neem een vast besluit. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:19–20; Mark. 13:11; Luc. 12:11–12. Zie ook: Mat 10:19–20; Mar 13:11; Luc 12:11–12 **21:15** **Want Ik zal jullie een mond en wijsheid geven. Al jullie tegenstanders zullen zich daar niet tegen kunnen verzetten en er niets tegen kunnen zeggen.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | γὰρ (gar) = want | δώσω (doso) = zal geven | ὑμῖν (hymin) = jullie | στόμα (stoma) = mond | καὶ (kai) = en | σοφίαν (sophian) = wijsheid | ᾗ (he) = aan welke | οὐ (ou) = niet | δυνήσονται (dynesontai) = zullen kunnen | ἀντιστῆναι (antistenai) = zich verzetten | ἢ (e) = of | ἀντειπεῖν (anteipein) = tegenspreken | ἅπαντες (hapantes) = allen | οἱ (hoi) = de | ἀντικείμενοι (antikeimenoi) = tegenstanders | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT **21:16** **Jullie zullen zelfs overgeleverd worden door ouders, broers, verwanten en vrienden, en zij zullen sommigen van jullie ter dood brengen.** Brontekst: παραδοθήσεσθε (paradothesesthe) = zullen overgeleverd worden | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ὑπὸ (hypo) = door | γονέων (goneon) = ouders | καὶ (kai) = en | ἀδελφῶν (adelphon) = broers | καὶ (kai) = en | συγγενῶν (syngenon) = verwanten | καὶ (kai) = en | φίλων (philon) = vrienden | καὶ (kai) = en | θανατώσουσιν (thanatosousin) = zullen ter dood brengen | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 10:21; Mark. 13:12. Zie ook: Mat 10:21; Mar 13:12 **21:17** **Jullie zullen door allen gehaat worden vanwege Mijn naam.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔσεσθε (esesthe) = zullen zijn | μισούμενοι (misoumenoi) = gehaat | ὑπὸ (hypo) = door | πάντων (panton) = allen | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 10:22; 24:9; Mark. 13:13. Zie ook: Mat 10:22; Mat 24:9; Mar 13:13 **21:18** **En geen haar van jullie hoofd zal beslist verloren gaan.** Brontekst: καὶ (kai) = en | θρὶξ (thrix) = haar | ἐκ (ek) = van | τῆς (tes) = het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd | ὑμῶν (hymon) = jullie | οὐ (ou) = beslist | μὴ (me) = niet | ἀπόληται (apoletai) = zal verloren gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Sam. 14:45 en 2 Sam. 14:11 (‘geen haar van zijn hoofd zal op de grond vallen’). Zie ook: 1 Sam 14:45; 2 Sam 14:11 **21:19** **Verwerf jullie leven door jullie volharding.** Brontekst: ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ὑπομονῇ (hypomone) = volharding | ὑμῶν (hymon) = jullie | κτήσασθε (ktesasthe) = verwerf | τὰς (tas) = de | ψυχὰς (psychas) = levens | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’: blijven staan, niet wijken. ψυχή (psyche) kan ‘leven’ of ‘ziel’ betekenen; hier gaat het om het leven. κτάομαι (ktaomai), ‘verwerven’. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:13; Mark. 13:13. Voetnoot Lezing: Sommige oude handschriften hebben de toekomende tijd: ‘jullie zullen jullie leven verwerven’. Wij volgen de gebiedende wijs van de SBLGNT. Zie ook: Mat 24:13; Mar 13:13 ### De verwoesting van Jeruzalem **21:20** **Wanneer jullie Jeruzalem door legers omsingeld zien, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is.** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | ἴδητε (idete) = jullie zien | κυκλουμένην (kykloumenen) = omsingeld | ὑπὸ (hypo) = door | στρατοπέδων (stratopedon) = legers | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | τότε (tote) = dan | γνῶτε (gnote) = weet | ὅτι (hoti) = dat | ἤγγικεν (engiken) = is nabij gekomen | ἡ (he) = de | ἐρήμωσις (eremosis) = verwoesting | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἐρήμωσις (eremosis), ‘verwoesting’: het woord dat in Mark. 13:14 en Matt. 24:15 in ‘de gruwel van de verwoesting’ staat. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:15–16; Mark. 13:14. Zie ook: Mat 24:15; Mar 13:14 **21:21** **Laten zij die in Judea zijn dan naar de bergen vluchten. Laten zij die midden in haar zijn, daaruit weggaan, en laten zij die op het land zijn, haar niet binnengaan.** Brontekst: τότε (tote) = dan | οἱ (hoi) = zij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Ἰουδαίᾳ (Ioudaia) = Judea | φευγέτωσαν (pheugetosan) = laten vluchten | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | ὄρη (ore) = bergen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = zij | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | αὐτῆς (autes) = haar | ἐκχωρείτωσαν (ekchoreitosan) = laten weggaan | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = zij | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | χώραις (chorais) = velden | μὴ (me) = niet | εἰσερχέσθωσαν (eiserchesthosan) = laten binnengaan | εἰς (eis) = in | αὐτήν (auten) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. **21:22** **Want dit zijn dagen van vergelding, om alles te vervullen wat geschreven is.** Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ἐκδικήσεως (ekdikeseos) = van vergelding | αὗταί (hautai) = deze | εἰσιν (eisin) = zijn | τοῦ (tou) = om | πλησθῆναι (plesthenai) = te vervullen | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | γεγραμμένα (gegrammena) = geschreven dingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Hos. 9:7 (‘de dagen van de vergelding zijn gekomen’). Zie ook: Hos 9:7 **21:23** **Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! Want er zal grote nood zijn op de aarde en toorn over dit volk.** Brontekst: οὐαὶ (ouai) = wee | ταῖς (tais) = aan de | ἐν (en) = in | γαστρὶ (gastri) = schoot | ἐχούσαις (echousais) = hebbende | καὶ (kai) = en | ταῖς (tais) = aan de | θηλαζούσαις (thelazousais) = zogende | ἐν (en) = in | ἐκείναις (ekeinais) = die | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἔσται (estai) = zal zijn | γὰρ (gar) = want | ἀνάγκη (ananke) = nood | μεγάλη (megale) = grote | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | καὶ (kai) = en | ὀργὴ (orge) = toorn | τῷ (to) = aan het | λαῷ (lao) = volk | τούτῳ (touto) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 24:19; Mark. 13:17. Zie ook: Mat 24:19; Mar 13:17 **21:24** **Zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en als gevangenen onder alle volken weggevoerd worden. Jeruzalem zal vertreden worden door de volken, totdat de tijden van de volken vervuld zijn.** Brontekst: καὶ (kai) = en | πεσοῦνται (pesountai) = zullen vallen | στόματι (stomati) = door de mond | μαχαίρης (machaires) = van het zwaard | καὶ (kai) = en | αἰχμαλωτισθήσονται (aichmalotisthesontai) = zullen gevangen worden weggevoerd | εἰς (eis) = onder | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | πάντα (panta) = alle | καὶ (kai) = en | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ἔσται (estai) = zal zijn | πατουμένη (patoumene) = vertreden | ὑπὸ (hypo) = door | ἐθνῶν (ethnon) = volken | ἄχρι (achri) = tot | οὗ (hou) = wanneer | πληρωθῶσιν (plerothosin) = vervuld zijn | καιροὶ (kairoi) = tijden | ἐθνῶν (ethnon) = van volken Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: στόματι μαχαίρης (stomati machaires) is letterlijk ‘door de mond van het zwaard’; wij schrijven ‘de scherpte van het zwaard’, zoals in Gen. 34:26. Voetnoot : καιροὶ ἐθνῶν (kairoi ethnon), ‘tijden van de volken’: de tekst zegt niet hoe lang die tijd duurt. Zie ook: Gen 34:26 ### De komst van de Mensenzoon **21:25** **Er zullen tekenen zijn in de zon, de maan en de sterren. Op de aarde zal benauwdheid zijn onder de volken, in radeloosheid door het geluid van de zee en de deining.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | σημεῖα (semeia) = tekenen | ἐν (en) = in | ἡλίῳ (helio) = zon | καὶ (kai) = en | σελήνῃ (selene) = maan | καὶ (kai) = en | ἄστροις (astrois) = sterren | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | συνοχὴ (synoche) = benauwdheid | ἐθνῶν (ethnon) = van volken | ἐν (en) = in | ἀπορίᾳ (aporia) = radeloosheid | ἤχους (echous) = geluid | θαλάσσης (thalasses) = van zee | καὶ (kai) = en | σάλου (salou) = deining Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 13:10 en Jes. 34:4 (zon, maan en sterren). Zie ook Matt. 24:29; Mark. 13:24–25. Zie ook: Jes 13:10; Jes 34:4; Mat 24:29; Mar 13:24–25 **21:26** **Mensen zullen bezwijken van angst en van verwachting van wat over de bewoonde wereld komt. Want de krachten van de hemelen zullen wankelen.** Brontekst: ἀποψυχόντων (apopsychonton) = bezwijkend | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ἀπὸ (apo) = van | φόβου (phobou) = angst | καὶ (kai) = en | προσδοκίας (prosdokias) = verwachting | τῶν (ton) = van wat | ἐπερχομένων (eperchomenon) = komt | τῇ (te) = over de | οἰκουμένῃ (oikoumene) = bewoonde wereld | αἱ (hai) = de | γὰρ (gar) = want | δυνάμεις (dynameis) = krachten | τῶν (ton) = van de | οὐρανῶν (ouranon) = hemelen | σαλευθήσονται (saleuthesontai) = zullen wankelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκουμένη (oikoumene), ‘bewoonde wereld’: heel de aarde waar mensen wonen. δυνάμεις (dynameis), ‘krachten’: wat hier bedoeld is, zegt de tekst niet. **21:27** **Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk, met kracht en veel heerlijkheid.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τότε (tote) = dan | ὄψονται (opsontai) = zullen zien | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | ἐν (en) = op | νεφέλῃ (nephele) = wolk | μετὰ (meta) = met | δυνάμεως (dynameos) = kracht | καὶ (kai) = en | δόξης (doxes) = heerlijkheid | πολλῆς (polles) = veel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 5:24. In Dan. 7:13 komt iemand als een mensenzoon met de wolken van de hemel. Voetnoot : Zie ook Matt. 24:30; Mark. 13:26. Zie ook: Dan 7:13; Mat 24:30; Mar 13:26 **21:28** **Wanneer dit begint te gebeuren, richt jullie op en hef jullie hoofden omhoog, want jullie bevrijding nadert.”** Brontekst: ἀρχομένων (archomenon) = beginnend | δὲ (de) = maar | τούτων (touton) = dit | γίνεσθαι (ginesthai) = te gebeuren | ἀνακύψατε (anakypsate) = richt op | καὶ (kai) = en | ἐπάρατε (eparate) = hef op | τὰς (tas) = de | κεφαλὰς (kephalas) = hoofden | ὑμῶν (hymon) = jullie | διότι (dioti) = omdat | ἐγγίζει (engizei) = nadert | ἡ (he) = de | ἀπολύτρωσις (apolytrosis) = bevrijding | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπολύτρωσις (apolytrosis), ‘bevrijding’: letterlijk ‘vrijkoping’. Het woord is verwant aan λύτρον (lytron), ‘losgeld’, in Mark. 10:45. Zie ook: Mar 10:45 ### De gelijkenis van de vijgenboom **21:29** Hij vertelde hun een gelijkenis: **„Kijk naar de vijgenboom en alle bomen.** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | παραβολὴν (parabolen) = gelijkenis | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἴδετε (Idete) = kijk | τὴν (ten) = naar de | συκῆν (syken) = vijgenboom | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | δένδρα (dendra) = bomen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 24:32–35; Mark. 13:28–31. Zie ook: Mat 24:32–35; Mar 13:28–31 **21:30** **Zodra zij uitlopen en jullie dat zien, weten jullie zelf dat de zomer al nabij is.** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | προβάλωσιν (probalosin) = zij uitlopen | ἤδη (ede) = al | βλέποντες (blepontes) = ziend | ἀφ’ (aph’) = van | ἑαυτῶν (heauton) = zichzelf | γινώσκετε (ginoskete) = weten jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἤδη (ede) = al | ἐγγὺς (engys) = nabij | τὸ (to) = de | θέρος (theros) = zomer | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT **21:31** **Zo ook jullie: wanneer jullie dit zien gebeuren, weten jullie dat het koninkrijk van Elohim nabij is.** Brontekst: οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὅταν (hotan) = wanneer | ἴδητε (idete) = jullie zien | ταῦτα (tauta) = dit | γινόμενα (ginomena) = gebeurend | γινώσκετε (ginoskete) = weten jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐγγύς (engys) = nabij | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **21:32** **Voorwaar, Ik zeg jullie: deze generatie zal beslist niet voorbijgaan, totdat alles gebeurt.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = beslist | μὴ (me) = niet | παρέλθῃ (parelthe) = zal voorbijgaan | ἡ (he) = de | γενεὰ (genea) = generatie | αὕτη (haute) = deze | ἕως (heos) = totdat | ἂν (an) = ooit | πάντα (panta) = alles | γένηται (genetai) = gebeurt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γενεά (genea), ‘generatie’: de mensen die tegelijk leven. Welke gebeurtenissen ‘alles’ omvat, zegt het Grieks niet. **21:33** **De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen beslist niet voorbijgaan.** Brontekst: ὁ (ho) = de | οὐρανὸς (ouranos) = hemel | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | γῆ (ge) = aarde | παρελεύσονται (pareleusontai) = zullen voorbijgaan | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | λόγοι (logoi) = woorden | μου (mou) = Mijn | οὐ (ou) = beslist | μὴ (me) = niet | παρελεύσονται (pareleusontai) = zullen voorbijgaan Bron: SBLGNT ### Blijf wakker **21:34** **Let op jullie zelf, dat jullie harten niet bezwaard worden door braspartijen, dronkenschap en de zorgen van het leven. Anders komt die dag plotseling over jullie** Brontekst: Προσέχετε (Prosechete) = let op | δὲ (de) = maar | ἑαυτοῖς (heautois) = jullie zelf | μήποτε (mepote) = opdat niet | βαρηθῶσιν (barethosin) = bezwaard worden | ὑμῶν (hymon) = jullie | αἱ (hai) = de | καρδίαι (kardiai) = harten | ἐν (en) = door | κραιπάλῃ (kraipale) = braspartij | καὶ (kai) = en | μέθῃ (methe) = dronkenschap | καὶ (kai) = en | μερίμναις (merimnais) = zorgen | βιωτικαῖς (biotikais) = van het leven | καὶ (kai) = en | ἐπιστῇ (episte) = komt | ἐφ’ (eph’) = over | ὑμᾶς (hymas) = jullie | αἰφνίδιος (aiphnidios) = plotseling | ἡ (he) = die | ἡμέρα (hemera) = dag | ἐκείνη (ekeine) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κραιπάλη (kraipale), ‘braspartij’: te veel eten en drinken. μέριμνα βιωτική (merimna biotike), ‘zorgen van het leven’: de zorgen om het dagelijks bestaan. **21:35** **als een valstrik. Want hij zal komen over allen die op heel de aarde wonen.** Brontekst: ὡς (hos) = als | παγίς (pagis) = valstrik | ἐπεισελεύσεται (epeiseleusetai) = zal komen | γὰρ (gar) = want | ἐπὶ (epi) = over | πάντας (pantas) = alle | τοὺς (tous) = de | καθημένους (kathemenous) = wonenden | ἐπὶ (epi) = op | πρόσωπον (prosopon) = gezicht | πάσης (pases) = van heel | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 24:17 (‘Schrik, kuil en strik zijn over je, bewoner van de aarde’). Zie ook: Jes 24:17 **21:36** **Blijf wakker en smeek op elk moment, zodat jullie de kracht hebben te ontkomen aan alles wat gaat gebeuren en te staan voor de Mensenzoon.”** Brontekst: ἀγρυπνεῖτε (agrypneite) = blijf wakker | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = op | παντὶ (panti) = elk | καιρῷ (kairo) = moment | δεόμενοι (deomenoi) = smekend | ἵνα (hina) = opdat | κατισχύσητε (katischysete) = jullie de kracht hebben | ἐκφυγεῖν (ekphygein) = te ontkomen aan | ταῦτα (tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = wat | μέλλοντα (mellonta) = op het punt staat | γίνεσθαι (ginesthai) = te gebeuren | καὶ (kai) = en | σταθῆναι (stathenai) = te staan | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | τοῦ (tou) = de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = Mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγρυπνέω (agrypneo), ‘wakker blijven’, zoals in Mark. 13:33. δέομαι (deomai), ‘smeken’: dringend bidden. Voetnoot : Zie ook Mark. 13:33. Zie ook: Mar 13:33 ### Yeshua onderwijst in de tempel **21:37** Overdag onderwees Hij in de tempel. ’s Nachts ging Hij naar buiten en overnachtte op de berg die Olijfberg heet. Brontekst: Ἦν (En) = Hij was | δὲ (de) = maar | τὰς (tas) = de | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | τὰς (tas) = de | δὲ (de) = maar | νύκτας (nyktas) = nachten | ἐξερχόμενος (exerchomenos) = naar buiten gaand | ηὐλίζετο (eylizeto) = overnachtte | εἰς (eis) = op | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | τὸ (to) = de | καλούμενον (kaloumenon) = genoemde | Ἐλαιῶν (Elaion) = Olijven Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: αὐλίζομαι (aulizomai), ‘overnachten’: zoals in Matt. 21:17. Ἐλαιῶν (Elaion), ‘Olijven’: de Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem. Zie ook: Mat 21:17 **21:38** Heel het volk kwam vroeg in de morgen naar Hem toe in de tempel om naar Hem te luisteren. Brontekst: καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = heel | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | ὤρθριζεν (orthrizen) = kwam vroeg | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | ἀκούειν (akouein) = om te luisteren | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT ## Lucas 22 _Het laatste maal, Getsemane, de gevangenneming en het verhoor door de Raad_ ### Het plan om Yeshua te doden **22:1** Het feest van de ongezuurde broden, dat Pesach genoemd wordt, naderde. Brontekst: Ἤγγιζεν (Engizen) = naderde | δὲ (de) = en | ἡ (he) = het | ἑορτὴ (heorte) = feest | τῶν (ton) = van de | ἀζύμων (azymon) = ongezuurde broden | ἡ (he) = het | λεγομένη (legomene) = genoemde | Πάσχα (Pascha) = Pesach Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πάσχα (pascha), ‘Pesach’: het feest ter herinnering aan de uittocht uit Egypte (Exod. 12). ἄζυμα (azyma), ‘ongezuurde broden’: het feest dat op het Pesach volgt (Lev. 23:5–6). Lucas noemt hier het hele feest ‘Pesach’. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:1–5; Mark. 14:1–2. Zie ook: Lev 23:5–6; Mat 26:1–5; Mar 14:1–2 **22:2** De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij Hem konden doden, want zij waren bang voor het volk. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | τὸ (to) = het | πῶς (pos) = hoe | ἀνέλωσιν (anelosin) = zij zouden doden | αὐτόν (auton) = Hem | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = zij waren bang | γὰρ (gar) = want | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk Bron: SBLGNT ### Judas en de hogepriesters **22:3** Toen ging Satan binnen in Judas, die Iskariot genoemd werd en tot de twaalf behoorde. Brontekst: Εἰσῆλθεν (Eiselthen) = ging binnen | δὲ (de) = en | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | εἰς (eis) = in | Ἰούδαν (Ioudan) = Judas | τὸν (ton) = de | καλούμενον (kaloumenon) = genoemde | Ἰσκαριώτην (Iskarioten) = Iskariot | ὄντα (onta) = zijnde | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ἀριθμοῦ (arithmou) = aantal | τῶν (ton) = van de | δώδεκα (dodeka) = twaalf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: van het Hebreeuwse שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’; zie Matt. 4:10. Het Grieks zegt letterlijk dat Satan ‘in Judas binnenging’. Ἰσκαριώτης (Iskariotes), ‘Iskariot’: wat de naam betekent, is onzeker. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:14–16; Mark. 14:10–11; Joh. 13:27. Zie ook: Mat 4:10; Mat 26:14–16; Mar 14:10–11; Joh 13:27 **22:4** Hij ging weg en overlegde met de hogepriesters en de bevelhebbers hoe hij Hem aan hen kon overleveren. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπελθὼν (apelthon) = weggegaan | συνελάλησεν (synelalesen) = sprak met | τοῖς (tois) = de | ἀρχιερεῦσιν (archiereusin) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | στρατηγοῖς (strategois) = bevelhebbers | τὸ (to) = het | πῶς (pos) = hoe | αὐτοῖς (autois) = hun | παραδῷ (parado) = hij zou overleveren | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στρατηγός (strategos), ‘bevelhebber’: iemand die leiding geeft; in 22:52 heten zij ‘bevelhebbers van de tempel’. **22:5** Zij werden blij en kwamen met hem overeen hem geld te geven. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐχάρησαν (echaresan) = werden blij | καὶ (kai) = en | συνέθεντο (synethento) = kwamen overeen | αὐτῷ (auto) = met hem | ἀργύριον (argyrion) = geld | δοῦναι (dounai) = te geven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀργύριον (argyrion), ‘geld’: letterlijk ‘zilver’. Matteüs noemt 30 zilverstukken (Matt. 26:15). Zie ook: Mat 26:15 **22:6** Hij stemde toe en zocht een gelegenheid om Hem aan hen over te leveren, zonder dat de menigte erbij was. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξωμολόγησεν (exomologesen) = stemde toe | καὶ (kai) = en | ἐζήτει (ezetei) = zocht | εὐκαιρίαν (eukairian) = gelegenheid | τοῦ (tou) = om | παραδοῦναι (paradounai) = over te leveren | αὐτὸν (auton) = Hem | ἄτερ (ater) = zonder | ὄχλου (ochlou) = menigte | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξομολογέω (exomologeo), ‘toestemmen’: ook ‘belijden’; hier gaat het om instemmen met het voorstel. ἄτερ ὄχλου (ater ochlou), ‘zonder menigte’: Judas zocht een moment waarop de menigte er niet bij was. ### De voorbereiding van het Pesach **22:7** Toen kwam de dag van de ongezuurde broden, waarop het Pesach geslacht moest worden. Brontekst: Ἦλθεν (Elthen) = kwam | δὲ (de) = en | ἡ (he) = de | ἡμέρα (hemera) = dag | τῶν (ton) = van de | ἀζύμων (azymon) = ongezuurde broden | ᾗ (he) = waarop | ἔδει (edei) = moest | θύεσθαι (thyesthai) = geslacht worden | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θύω (thyo), ‘slachten’: het Pesachlam werd geslacht op de veertiende van de eerste maand (Exod. 12:6; Lev. 23:5). Voetnoot : Zie ook Matt. 26:17–19; Mark. 14:12–16. Zie ook: Ex 12:6; Lev 23:5; Mat 26:17–19; Mar 14:12–16 **22:8** Yeshua zond Petrus en Johannes en zei: **„Ga het Pesach voor ons klaarmaken, zodat wij het kunnen eten.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | εἰπών (eipon) = zeggend | Πορευθέντες (Poreuthentes) = ga | ἑτοιμάσατε (hetoimasate) = maak klaar | ἡμῖν (hemin) = voor ons | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | ἵνα (hina) = opdat | φάγωμεν (phagomen) = wij eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen onderwerp (‘en hij zond’); wij noemen de naam Yeshua. **22:9** Zij zeiden tegen Hem: „Waar wilt U dat wij het klaarmaken?” Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ποῦ (Pou) = waar | θέλεις (theleis) = wilt U | ἑτοιμάσωμεν (hetoimasomen) = dat wij klaarmaken Bron: SBLGNT **22:10** Hij zei tegen hen: **„Zie, wanneer jullie de stad binnengaan, zal een man jullie tegemoetkomen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἰδοὺ (Idou) = zie | εἰσελθόντων (eiselthonton) = binnengaand | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | συναντήσει (synantesei) = zal tegemoetkomen | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἄνθρωπος (anthropos) = man | κεράμιον (keramion) = kruik | ὕδατος (hydatos) = van water | βαστάζων (bastazon) = dragend | ἀκολουθήσατε (akolouthesate) = volg | αὐτῷ (auto) = hem | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | εἰς (eis) = in | ἣν (hen) = welk | εἰσπορεύεται (eisporeuetai) = hij binnengaat Bron: SBLGNT **22:11** **En zeg tegen de eigenaar van het huis: ‘De leraar zegt tegen je: „Waar is de gastenkamer, waar Ik het Pesach met Mijn leerlingen kan eten?”’** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐρεῖτε (ereite) = zult zeggen | τῷ (to) = aan de | οἰκοδεσπότῃ (oikodespote) = eigenaar | τῆς (tes) = van het | οἰκίας (oikias) = huis | Λέγει (Legei) = zegt | σοι (soi) = je | ὁ (ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | Ποῦ (Pou) = waar | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = de | κατάλυμα (katalyma) = gastenkamer | ὅπου (hopou) = waar | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | μου (mou) = Mijn | φάγω (phago) = Ik eet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατάλυμα (katalyma), ‘gastenkamer’: een plaats om te eten of te overnachten; zie ook Mark. 14:14. Zie ook: Mar 14:14 **22:12** **Die man zal jullie een grote bovenzaal laten zien, ingericht. Maak het daar klaar.”** Brontekst: κἀκεῖνος (kakeinos) = en die | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | δείξει (deixei) = zal tonen | ἀνάγαιον (anagaion) = bovenzaal | μέγα (mega) = grote | ἐστρωμένον (estromenon) = ingerichte | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἑτοιμάσατε (hetoimasate) = maak klaar Bron: SBLGNT **22:13** Zij gingen weg en vonden het zoals Hij hun gezegd had. Zij maakten het Pesach klaar. Brontekst: ἀπελθόντες (apelthontes) = weggegaan | δὲ (de) = en | εὗρον (heuron) = vonden | καθὼς (kathos) = zoals | εἰρήκει (eirekei) = had gezegd | αὐτοῖς (autois) = hun | καὶ (kai) = en | ἡτοίμασαν (hetoimasan) = maakten klaar | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach Bron: SBLGNT ### Het Pesach-maal **22:14** Toen het uur gekomen was, ging Hij aan tafel liggen, en de apostelen met Hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | ἀνέπεσεν (anepesen) = ging aan tafel | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀπόστολοι (apostoloi) = apostelen | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is. Lucas gebruikt dit woord voor de twaalf. ἀνέπεσεν (anepesen), ‘ging aan tafel liggen’: bij een feestmaal lag men aan tafel. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:20; Mark. 14:17. Zie ook: Mat 26:20; Mar 14:17 **22:15** Hij zei tegen hen: **„Ik heb er vurig naar verlangd dit Pesach met jullie te eten, voordat Ik lijd.** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tot | αὐτούς (autous) = hen | Ἐπιθυμίᾳ (Epithymia) = met vurig verlangen | ἐπεθύμησα (epethymesa) = Ik heb verlangd | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | φαγεῖν (phagein) = te eten | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | πρὸ (pro) = voor | τοῦ (tou) = het | με (me) = Mij | παθεῖν (pathein) = te lijden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιθυμίᾳ ἐπεθύμησα (epithymia epethymesa), letterlijk ‘met verlangen heb Ik verlangd’: een nadrukkelijke manier van spreken. πάσχω (pascho), ‘lijden’. **22:16** **Want Ik zeg jullie: Ik zal het beslist niet meer eten, totdat het vervuld is in het koninkrijk van Elohim.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | φάγω (phago) = Ik eet | αὐτὸ (auto) = het | ἕως (heos) = totdat | ὅτου (hotou) = wanneer | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld is | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **22:17** Hij nam een beker, dankte en zei: **„Neem dit en verdeel het onder jullie.** Brontekst: καὶ (kai) = en | δεξάμενος (dexamenos) = nemend | ποτήριον (poterion) = beker | εὐχαριστήσας (eucharistesas) = dankend | εἶπεν (eipen) = zei | Λάβετε (Labete) = neem | τοῦτο (touto) = dit | καὶ (kai) = en | διαμερίσατε (diamerisate) = verdeel | εἰς (eis) = onder | ἑαυτούς (heautous) = jullie zelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Lucas noemt twee bekers: een vóór het brood (22:17) en een na de maaltijd (22:20). Matteüs en Markus noemen één beker. **22:18** **Want Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik beslist niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok, totdat het koninkrijk van Elohim gekomen is.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | πίω (pio) = Ik drink | ἀπὸ (apo) = vanaf | τοῦ (tou) = het | νῦν (nyn) = nu | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | γενήματος (genematos) = vrucht | τῆς (tes) = van de | ἀμπέλου (ampelou) = wijnstok | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = wanneer | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἔλθῃ (elthe) = komt Bron: SBLGNT **22:19** Hij nam brood, dankte, brak het en gaf het hun. Hij zei: **„Dit is Mijn lichaam, dat voor jullie wordt gegeven. Doe dit tot Mijn gedachtenis.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | ἄρτον (arton) = brood | εὐχαριστήσας (eucharistesas) = dankend | ἔκλασεν (eklasen) = brak | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Τοῦτό (Touto) = dit | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | σῶμά (soma) = lichaam | μου (mou) = Mijn | τὸ (to) = dat | ὑπὲρ (hyper) = voor | ὑμῶν (hymon) = jullie | διδόμενον (didomenon) = gegeven wordt | τοῦτο (touto) = dit | ποιεῖτε (poieite) = doe | εἰς (eis) = tot | τὴν (ten) = de | ἐμὴν (emen) = Mijn | ἀνάμνησιν (anamnesin) = gedachtenis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνάμνησις (anamnesis), ‘gedachtenis’: herinnering. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:26–29; Mark. 14:22–25; 1 Kor. 11:23–26. Voetnoot Lezing: De SBLGNT zet de woorden vanaf ‘dat voor jullie wordt gegeven’ in 22:19 tot en met 22:20 tussen rechte haken. In sommige oude handschriften ontbreken ze. Wij vertalen ze. Zie ook: Mat 26:26–29; Mar 14:22–25; 1 Kor 11:23–26 **22:20** Op dezelfde manier nam Hij na de maaltijd de beker. Hij zei: **„Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond in Mijn bloed.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | ποτήριον (poterion) = beker | ὡσαύτως (hosautos) = evenzo | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | δειπνῆσαι (deipnesai) = maaltijd houden | λέγων (legon) = zeggend | Τοῦτο (Touto) = deze | τὸ (to) = de | ποτήριον (poterion) = beker | ἡ (he) = het | καινὴ (kaine) = nieuwe | διαθήκη (diatheke) = verbond | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | αἵματί (haimati) = bloed | μου (mou) = Mijn | τὸ (to) = dat | ὑπὲρ (hyper) = voor | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐκχυννόμενον (ekchynnomenon) = uitgegoten wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: het Hebreeuwse בְּרִית (berit). Het ‘nieuwe verbond’ staat in Jer. 31:31–34; ‘het bloed van het verbond’ in Exod. 24:8. Het Grieks heeft bij ‘de beker’ geen werkwoord; wij vullen ‘nam Hij’ aan uit vers 19. ἐκχυννόμενον (ekchynnomenon), ‘uitgegoten’: de vorm hoort grammaticaal bij ‘de beker’. Voetnoot Lezing: De rechte haken van de SBLGNT, die in 22:19 openen, sluiten aan het eind van dit vers. Zie de voetnoot bij 22:19. Zie ook: Ex 24:8; Jer 31:31–34; Luc 22:19 **22:21** **Maar zie, de hand van degene die Mij overlevert, is met Mij aan tafel.** Brontekst: πλὴν (plen) = maar | ἰδοὺ (idou) = zie | ἡ (he) = de | χεὶρ (cheir) = hand | τοῦ (tou) = van de | παραδιδόντος (paradidontos) = overleverende | με (me) = Mij | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | τραπέζης (trapezes) = tafel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 41:10 (in de Nederlandse telling is dit 41:9): ‘die mijn brood at, heeft de hiel groot gemaakt tegen mij’. Voetnoot : Zie ook Joh. 13:21–30. Zie ook: Ps 41:10; Joh 13:21–30 **22:22** **Want de Mensenzoon gaat wel heen, volgens wat bepaald is. Maar wee die mens door wie Hij wordt overgeleverd.”** Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | μὲν (men) = wel | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | ὡρισμένον (horismenon) = bepaalde | πορεύεται (poreuetai) = gaat heen | πλὴν (plen) = maar | οὐαὶ (ouai) = wee | τῷ (to) = aan de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = mens | ἐκείνῳ (ekeino) = die | δι’ (di’) = door | οὗ (hou) = wie | παραδίδοται (paradidotai) = wordt overgeleverd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 5:24. ὁρίζω (horizo), ‘bepalen’: de lijdende vorm laat open wie het bepaald heeft. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:24; Mark. 14:21. Zie ook: Mat 26:24; Mar 14:21 **22:23** Zij begonnen onder elkaar te bespreken wie van hen het wel kon zijn die dit zou doen. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἤρξαντο (erxanto) = begonnen | συζητεῖν (syzetein) = te bespreken | πρὸς (pros) = onder | ἑαυτοὺς (heautous) = zichzelf | τὸ (to) = het | τίς (tis) = wie | ἄρα (ara) = dan | εἴη (eie) = zou zijn | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | ὁ (ho) = de | τοῦτο (touto) = dit | μέλλων (mellon) = gaande | πράσσειν (prassein) = te doen Bron: SBLGNT ### De twist over wie de grootste is **22:24** Er ontstond ook een twist onder hen over wie van hen voor de grootste moest gelden. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = ontstond | δὲ (de) = en | καὶ (kai) = ook | φιλονεικία (philoneikia) = twist | ἐν (en) = onder | αὐτοῖς (autois) = hen | τὸ (to) = het | τίς (tis) = wie | αὐτῶν (auton) = van hen | δοκεῖ (dokei) = geldt | εἶναι (einai) = te zijn | μείζων (meizon) = grootste Bron: SBLGNT **22:25** Hij zei tegen hen: **„De koningen van de volken heersen over hen, en zij die gezag over hen uitoefenen, worden weldoeners genoemd.** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Οἱ (Hoi) = de | βασιλεῖς (basileis) = koningen | τῶν (ton) = van de | ἐθνῶν (ethnon) = volken | κυριεύουσιν (kyrieuousin) = heersen | αὐτῶν (auton) = over hen | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = zij die | ἐξουσιάζοντες (exousiazontes) = gezag uitoefenen | αὐτῶν (auton) = over hen | εὐεργέται (euergetai) = weldoeners | καλοῦνται (kalountai) = worden genoemd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθνη (ethne), ‘volken’: de niet-Joodse volken. εὐεργέτης (euergetes), ‘weldoener’: een eretitel voor heersers. Voetnoot : Zie ook Matt. 20:25–28; Mark. 10:42–45. Zie ook: Mat 20:25–28; Mar 10:42–45 **22:26** **Maar jullie niet zo. De grootste onder jullie moet worden als de jongste, en wie leiding geeft, als wie dient.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | οὐχ (ouch) = niet | οὕτως (houtos) = zo | ἀλλ’ (all’) = maar | ὁ (ho) = de | μείζων (meizon) = grootste | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | γινέσθω (ginestho) = moet worden | ὡς (hos) = als | ὁ (ho) = de | νεώτερος (neoteros) = jongste | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἡγούμενος (hegoumenos) = leidinggevende | ὡς (hos) = als | ὁ (ho) = de | διακονῶν (diakonon) = dienende Bron: SBLGNT **22:27** **Want wie is groter: wie aan tafel ligt of wie dient? Is het niet wie aan tafel ligt? Maar Ik ben in jullie midden als wie dient.** Brontekst: τίς (tis) = wie | γὰρ (gar) = want | μείζων (meizon) = groter | ὁ (ho) = de | ἀνακείμενος (anakeimenos) = aan tafel liggende | ἢ (e) = of | ὁ (ho) = de | διακονῶν (diakonon) = dienende | οὐχὶ (ouchi) = niet | ὁ (ho) = de | ἀνακείμενος (anakeimenos) = aan tafel liggende | ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | ὑμῶν (hymon) = van jullie | εἰμι (eimi) = ben | ὡς (hos) = als | ὁ (ho) = de | διακονῶν (diakonon) = dienende Bron: SBLGNT **22:28** **Jullie zijn het die bij Mij gebleven zijn in Mijn beproevingen.** Brontekst: Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | δέ (de) = maar | ἐστε (este) = zijn | οἱ (hoi) = zij die | διαμεμενηκότες (diamemenekotes) = gebleven zijn | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | πειρασμοῖς (peirasmois) = beproevingen | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **22:29** **En ook Ik wijs jullie een koninkrijk toe, zoals Mijn Vader het Mij heeft toegewezen,** Brontekst: κἀγὼ (kago) = en Ik ook | διατίθεμαι (diatithemai) = wijs toe | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | καθὼς (kathos) = zoals | διέθετό (dietheto) = heeft toegewezen | μοι (moi) = aan Mij | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διατίθεμαι (diatithemai), ‘toewijzen’: een regeling treffen. Het is verwant aan διαθήκη (diatheke), ‘verbond’ (22:20). **22:30** **zodat jullie in Mijn koninkrijk aan Mijn tafel eten en drinken, en op tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | ἔσθητε (esthete) = jullie eten | καὶ (kai) = en | πίνητε (pinete) = jullie drinken | ἐπὶ (epi) = aan | τῆς (tes) = de | τραπέζης (trapezes) = tafel | μου (mou) = Mijn | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | καθήσεσθε (kathesesthe) = jullie zullen zitten | ἐπὶ (epi) = op | θρόνων (thronon) = tronen | τὰς (tas) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | φυλὰς (phylas) = stammen | κρίνοντες (krinontes) = oordelend | τοῦ (tou) = van de | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίνω (krino), ‘oordelen’: zoals in Matt. 19:28, waar de twaalf ook ‘op tronen zitten’. Wat dit oordelen inhoudt, zegt de tekst niet. Zie ook: Mat 19:28 ### Yeshua kondigt de verloochening aan **22:31** **Simon, Simon, zie, Satan heeft gevraagd jullie te mogen ziften als tarwe.** Brontekst: Σίμων (Simon) = Simon | Σίμων (Simon) = Simon | ἰδοὺ (idou) = zie | ὁ (ho) = de | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | ἐξῃτήσατο (exetesato) = heeft gevraagd | ὑμᾶς (hymas) = jullie | τοῦ (tou) = om | σινιάσαι (siniasai) = te ziften | ὡς (hos) = als | τὸν (ton) = de | σῖτον (siton) = tarwe Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σινιάζω (siniazo), ‘ziften’: tarwe in een zeef schudden om het kaf van het koren te scheiden. Het Grieks gebruikt hier voor ‘jullie’ het meervoud (ὑμᾶς); daarna, in 22:32, wordt Simon alleen aangesproken (‘voor jou’). **22:32** **Maar Ik heb voor jou gebeden dat je geloof niet ophoudt. En jij, als je eenmaal teruggekeerd bent, sterk dan je broers.”** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | ἐδεήθην (edeethen) = heb gebeden | περὶ (peri) = voor | σοῦ (sou) = jou | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | ἐκλίπῃ (eklipe) = ophoudt | ἡ (he) = het | πίστις (pistis) = geloof | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | σύ (sy) = jij | ποτε (pote) = eenmaal | ἐπιστρέψας (epistrepsas) = teruggekeerd | στήρισον (sterison) = sterk | τοὺς (tous) = de | ἀδελφούς (adelphous) = broers | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιστρέφω (epistrepho), ‘terugkeren’: het kan ook ‘zich omkeren’ betekenen. ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: de andere leerlingen. **22:33** Petrus zei tegen Hem: „Heer, met U ben ik bereid zowel naar de gevangenis als naar de dood te gaan.” Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | μετὰ (meta) = met | σοῦ (sou) = U | ἕτοιμός (hetoimos) = bereid | εἰμι (eimi) = ben ik | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = naar | φυλακὴν (phylaken) = gevangenis | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = naar | θάνατον (thanaton) = dood | πορεύεσθαι (poreuesthai) = te gaan Bron: SBLGNT **22:34** Hij zei: **„Ik zeg je, Petrus: de haan zal vandaag niet kraaien, totdat je drie keer verloochend hebt dat je Mij kent.”** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | Λέγω (Lego) = Ik zeg | σοι (soi) = je | Πέτρε (Petre) = Petrus | οὐ (ou) = niet | φωνήσει (phonesei) = zal kraaien | σήμερον (semeron) = vandaag | ἀλέκτωρ (alektor) = haan | ἕως (heos) = totdat | τρίς (tris) = drie keer | με (me) = Mij | ἀπαρνήσῃ (aparnese) = je verloochent | εἰδέναι (eidenai) = te kennen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπαρνέομαι (aparneomai), ‘verloochenen’: zeggen dat je iemand niet kent. In 22:31 spreekt Yeshua hem aan met ‘Simon’, hier met ‘Petrus’. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:33–35; Mark. 14:29–31; Joh. 13:36–38. Zie ook: Mat 26:33–35; Mar 14:29–31; Joh 13:36–38 ### Beurs, reistas en zwaard **22:35** Hij zei tegen hen: **„Toen Ik jullie zond zonder beurs, reistas en sandalen, hebben jullie soms iets tekortgekomen?”** Zij zeiden: „Niets.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὅτε (Hote) = toen | ἀπέστειλα (apesteila) = Ik zond | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἄτερ (ater) = zonder | βαλλαντίου (ballantiou) = beurs | καὶ (kai) = en | πήρας (peras) = reistas | καὶ (kai) = en | ὑποδημάτων (hypodematon) = sandalen | μή (me) = soms niet | τινος (tinos) = iets | ὑστερήσατε (hysteresate) = hebben jullie tekortgekomen | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Οὐθενός (Outhenos) = niets Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαλλάντιον (ballantion), ‘beurs’; πήρα (pera), ‘reistas’: een tas voor onderweg; ὑπόδημα (hypodema), ‘sandaal’. Voetnoot : Zie ook Luc. 9:3; Luc. 10:4; Matt. 10:9–10; Mark. 6:8–9. Zie ook: Mat 10:9–10; Mar 6:8–9; Luc 9:3; Luc 10:4 **22:36** Hij zei tegen hen: **„Maar nu: wie een beurs heeft, moet die meenemen, en zo ook een reistas. En wie die niet heeft, moet zijn mantel verkopen en een zwaard kopen.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἀλλὰ (Alla) = maar | νῦν (nyn) = nu | ὁ (ho) = wie | ἔχων (echon) = heeft | βαλλάντιον (ballantion) = beurs | ἀράτω (arato) = moet meenemen | ὁμοίως (homoios) = evenzo | καὶ (kai) = ook | πήραν (peran) = reistas | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = wie | μὴ (me) = niet | ἔχων (echon) = heeft | πωλησάτω (polesato) = moet verkopen | τὸ (to) = de | ἱμάτιον (himation) = mantel | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἀγορασάτω (agorasato) = moet kopen | μάχαιραν (machairan) = zwaard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: hier een kort zwaard of mes. Het Grieks heeft alleen ‘en wie niet heeft’, zonder voorwerp; wij vullen ‘die’ aan en bedoelen de beurs en de reistas. Het kan ook ‘een zwaard’ zijn. **22:37** **Want Ik zeg jullie dat dit wat geschreven staat, in Mij voltooid moet worden: ‘En Hij is gerekend onder de wetelozen.’ Want ook wat over Mij gezegd is, komt tot zijn einde.”** Brontekst: λέγω (lego) = Ik zeg | γὰρ (gar) = want | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = het | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschrevene | δεῖ (dei) = moet | τελεσθῆναι (telesthenai) = voltooid worden | ἐν (en) = in | ἐμοί (emoi) = Mij | τό (to) = het | Καὶ (Kai) = en | μετὰ (meta) = met | ἀνόμων (anomon) = wetelozen | ἐλογίσθη (elogisthe) = is gerekend | καὶ (kai) = en | γὰρ (gar) = want | τὸ (to) = het | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij | τέλος (telos) = einde | ἔχει (echei) = heeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 53:12. Het Hebreeuws heeft ‘onder de overtreders is geteld’; de Griekse tekst heeft ἄνομοι (anomoi), ‘wetelozen’. Voetnoot : τέλος ἔχει (telos echei), ‘komt tot zijn einde’: ook ‘wordt vervuld’. Zie ook: Jes 53:12 **22:38** Zij zeiden: „Heer, zie, hier zijn twee zwaarden.” Hij zei tegen hen: **„Het is genoeg.”** Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἰδοὺ (idou) = zie | μάχαιραι (machairai) = zwaarden | ὧδε (hode) = hier | δύο (dyo) = twee | ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἱκανόν (Hikanon) = genoeg | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱκανόν ἐστιν (hikanon estin), ‘het is genoeg’: dat kan betekenen dat twee zwaarden genoeg zijn, of ‘genoeg hierover’. Wat Hij bedoelt, zegt de tekst niet. ### Yeshua op de Olijfberg **22:39** Hij ging naar buiten en ging, zoals gewoonlijk, naar de Olijfberg. De leerlingen volgden Hem ook. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | ἐπορεύθη (eporeuthe) = ging | κατὰ (kata) = volgens | τὸ (to) = het | ἔθος (ethos) = gebruik | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | Ὄρος (Oros) = berg | τῶν (ton) = van de | Ἐλαιῶν (Elaion) = olijven | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | δὲ (de) = en | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal. Voetnoot Uitleg: De Olijfberg ligt tegenover Jeruzalem (Zach. 14:4). Voetnoot : Zie ook Matt. 26:30, 26:36–46; Mark. 14:26, 14:32–42; Joh. 18:1. Zie ook: Zach 14:4; Mat 26:30; Mat 26:36; Mar 14:26; Mar 14:32; Joh 18:1 **22:40** Toen Hij op de plaats gekomen was, zei Hij tegen hen: **„Bid dat jullie niet in beproeving komen.”** Brontekst: γενόμενος (genomenos) = gekomen zijnde | δὲ (de) = en | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = de | τόπου (topou) = plaats | εἶπεν (eipen) = zei Hij | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Προσεύχεσθε (Proseuchesthe) = bid | μὴ (me) = niet | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnen te gaan | εἰς (eis) = in | πειρασμόν (peirasmon) = beproeving Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: van hetzelfde woord als πειράζω, ‘op de proef stellen’ (Matt. 4:1). Zie ook 22:46. Zie ook: Mat 4:1 **22:41** Hij trok Zich van hen terug, ongeveer een steenworp ver, knielde neer en bad. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | ἀπεσπάσθη (apespasthe) = trok Zich terug | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | λίθου (lithou) = van een steen | βολήν (bolen) = worp | καὶ (kai) = en | θεὶς (theis) = plaatsend | τὰ (ta) = de | γόνατα (gonata) = knieën | προσηύχετο (proseycheto) = bad Bron: SBLGNT **22:42** Hij zei: **„Vader, als U wilt, neem deze beker van Mij weg. Toch laat niet Mijn wil geschieden, maar de Uwe.”** Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | Πάτερ (Pater) = Vader | εἰ (ei) = als | βούλει (boulei) = U wilt | παρένεγκε (parenenke) = neem weg | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = de | ποτήριον (poterion) = beker | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = Mij | πλὴν (plen) = toch | μὴ (me) = niet | τὸ (to) = de | θέλημά (thelema) = wil | μου (mou) = Mijn | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸ (to) = de | σὸν (son) = Uwe | γινέσθω (ginestho) = laat geschieden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ποτήριον (poterion), ‘beker’: in de Schrift een beeld voor wat Elohim iemand toemeet, vooral Zijn oordeel (Ps. 75:9, in de Nederlandse telling 75:8; Jes. 51:17, 22). Zie ook: Ps 75:9; Jes 51:17 **22:43** Er verscheen Hem een engel uit de hemel, die Hem versterkte. Brontekst: ὤφθη (ophthe) = verscheen | δὲ (de) = en | αὐτῷ (auto) = aan Hem | ἄγγελος (angelos) = engel | ἀπ’ (ap’) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἐνισχύων (enischyon) = versterkend | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: De verzen 22:43–44 staan in de SBLGNT, maar in sommige oude handschriften ontbreken ze. Wij vertalen ze. **22:44** In zware angst bad Hij nog vuriger. Zijn zweet werd als druppels bloed die op de aarde vielen. Brontekst: καὶ (kai) = en | γενόμενος (genomenos) = zijnde | ἐν (en) = in | ἀγωνίᾳ (agonia) = angst | ἐκτενέστερον (ektenesteron) = vuriger | προσηύχετο (proseycheto) = bad Hij | καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = werd | ὁ (ho) = het | ἱδρὼς (hidros) = zweet | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὡσεὶ (hosei) = als | θρόμβοι (thromboi) = druppels | αἵματος (haimatos) = van bloed | καταβαίνοντες (katabainontes) = neervallend | ἐπὶ (epi) = op | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = aarde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγωνία (agonia), ‘angst’: eigenlijk ‘strijd’, de spanning vóór een beslissend moment. θρόμβος (thrombos), ‘druppel’: het kan ook ‘klont’ betekenen. Lucas zegt ‘als druppels bloed’: het is een vergelijking. **22:45** Hij stond op van het gebed, ging naar de leerlingen en vond hen slapend van verdriet. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | προσευχῆς (proseuches) = gebed | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | εὗρεν (heuren) = vond | κοιμωμένους (koimomenous) = slapend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | λύπης (lypes) = verdriet Bron: SBLGNT **22:46** Hij zei tegen hen: **„Waarom slapen jullie? Sta op en bid, opdat jullie niet in beproeving komen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τί (Ti) = waarom | καθεύδετε (katheudete) = slapen jullie | ἀναστάντες (anastantes) = opgestaan | προσεύχεσθε (proseuchesthe) = bid | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | εἰσέλθητε (eiselthete) = jullie binnengaan | εἰς (eis) = in | πειρασμόν (peirasmon) = beproeving Bron: SBLGNT ### De gevangenneming **22:47** Terwijl Hij nog sprak, zie: een menigte, en degene die Judas genoemd werd, een van de twaalf, ging hen voor. Judas naderde Yeshua om Hem te kussen. Brontekst: Ἔτι (Eti) = nog | αὐτοῦ (autou) = Hij | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | ἰδοὺ (idou) = zie | ὄχλος (ochlos) = menigte | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | λεγόμενος (legomenos) = genoemde | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | προήρχετο (proercheto) = ging voor | αὐτούς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | ἤγγισεν (engisen) = naderde | τῷ (to) = tot de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | φιλῆσαι (philesai) = om te kussen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘en hij naderde Yeshua’; wij herhalen de naam Judas om verwarring te voorkomen. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:47–56; Mark. 14:43–52; Joh. 18:2–12. Zie ook: Mat 26:47–56; Mar 14:43–52; Joh 18:2–12 **22:48** Yeshua zei tegen hem: **„Judas, lever je de Mensenzoon met een kus over?”** Brontekst: Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἰούδα (Iouda) = Judas | φιλήματι (philemati) = met een kus | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | παραδίδως (paradidos) = lever je over Bron: SBLGNT **22:49** Toen zij die om Hem heen waren zagen wat er ging gebeuren, zeiden zij: „Heer, zullen wij met het zwaard slaan?” Brontekst: ἰδόντες (idontes) = ziende | δὲ (de) = en | οἱ (hoi) = zij | περὶ (peri) = rondom | αὐτὸν (auton) = Hem | τὸ (to) = het | ἐσόμενον (esomenon) = komende | εἶπαν (eipan) = zeiden | Κύριε (Kyrie) = Heer | εἰ (ei) = of | πατάξομεν (pataxomen) = zullen wij slaan | ἐν (en) = met | μαχαίρῃ (machaire) = zwaard Bron: SBLGNT **22:50** Een van hen sloeg de knecht van de hogepriester en hieuw hem het rechteroor af. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπάταξεν (epataxen) = sloeg | εἷς (heis) = een | τις (tis) = zekere | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | τὸν (ton) = de | δοῦλον (doulon) = knecht | καὶ (kai) = en | ἀφεῖλεν (apheilen) = hieuw af | τὸ (to) = het | οὖς (ous) = oor | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὸ (to) = het | δεξιόν (dexion) = rechter Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand in dienst van een heer. Johannes noemt hem Malchus (Joh. 18:10). Zie ook: Joh 18:10 **22:51** Yeshua antwoordde en zei: **„Laat het hierbij.”** Hij raakte het oor aan en genas hem. Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐᾶτε (Eate) = laat toe | ἕως (heos) = tot | τούτου (toutou) = dit | καὶ (kai) = en | ἁψάμενος (hapsamenos) = aanrakend | τοῦ (tou) = het | ὠτίου (otiou) = oor | ἰάσατο (iasato) = genas | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἐᾶτε ἕως τούτου (eate heos toutou), letterlijk ‘laat toe tot dit’: het kan een bevel zijn aan de leerlingen om op te houden (‘laat het hierbij’) of een verzoek aan de mannen om Hem dit te laten doen. Wij lezen het eerste. Alleen Lucas vertelt dat Yeshua het oor aanraakte en genas. **22:52** Hogepriesters, bevelhebbers van de tempel en oudsten waren tegen Hem gekomen. Yeshua zei tegen hen: **„Zijn jullie er als tegen een rover op uitgetrokken, met zwaarden en knuppels?** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πρὸς (pros) = tot | τοὺς (tous) = de | παραγενομένους (paragenomenous) = gekomenen | ἐπ’ (ep’) = tegen | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | στρατηγοὺς (strategous) = bevelhebbers | τοῦ (tou) = van de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | καὶ (kai) = en | πρεσβυτέρους (presbyterous) = oudsten | Ὡς (Hos) = als | ἐπὶ (epi) = tegen | λῃστὴν (lesten) = rover | ἐξήλθατε (exelthate) = zijn jullie uitgetrokken | μετὰ (meta) = met | μαχαιρῶν (machairon) = zwaarden | καὶ (kai) = en | ξύλων (xylon) = knuppels Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: στρατηγοὶ τοῦ ἱεροῦ (strategoi tou hierou), ‘bevelhebbers van de tempel’: zij die over de tempel gesteld waren. λῃστής (lestes), ‘rover’. **22:53** **Elke dag was Ik bij jullie in de tempel, en jullie hebben de handen niet naar Mij uitgestrekt. Maar dit is jullie uur en het gezag van de duisternis.”** Brontekst: καθ’ (kath’) = elke | ἡμέραν (hemeran) = dag | ὄντος (ontos) = zijnde | μου (mou) = Ik | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | οὐκ (ouk) = niet | ἐξετείνατε (exeteinate) = hebben jullie uitgestrekt | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | ἐπ’ (ep’) = naar | ἐμέ (eme) = Mij | ἀλλ’ (all’) = maar | αὕτη (haute) = dit | ἐστὶν (estin) = is | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | ἐξουσία (exousia) = gezag | τοῦ (tou) = van de | σκότους (skotous) = duisternis Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te handelen. ‘Het gezag van de duisternis’ is het gezag dat de duisternis nu heeft. ### Petrus verloochent Yeshua **22:54** Zij grepen Hem, voerden Hem weg en brachten Hem het huis van de hogepriester binnen. Petrus volgde van veraf. Brontekst: Συλλαβόντες (Syllabontes) = grijpend | δὲ (de) = en | αὐτὸν (auton) = Hem | ἤγαγον (egagon) = voerden weg | καὶ (kai) = en | εἰσήγαγον (eisegagon) = brachten binnen | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | οἰκίαν (oikian) = huis | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | μακρόθεν (makrothen) = van veraf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van de hogepriester stond in Jeruzalem. De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 26:57–75; Mark. 14:53–72; Joh. 18:12–27. Zie ook: Mat 26:57–75; Mar 14:53–72; Joh 18:12–27 **22:55** Zij hadden midden op de binnenplaats een vuur aangestoken en gingen samen zitten. Petrus zat in hun midden. Brontekst: περιαψάντων (periapsanton) = aangestoken hebbend | δὲ (de) = en | πῦρ (pyr) = vuur | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | τῆς (tes) = van de | αὐλῆς (aules) = binnenplaats | καὶ (kai) = en | συγκαθισάντων (synkathisanton) = samen gaan zitten | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | μέσος (mesos) = midden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van de hogepriester stond in Jeruzalem. De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel. Voetnoot Uitleg: αὐλή (aule), ‘binnenplaats’: de open binnenplaats van het huis, zoals in Matt. 26:58 en Joh. 18:15. Zie ook: Mat 26:58; Joh 18:15 **22:56** Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten, keek hem strak aan en zei: „Ook deze was met Hem.” Brontekst: ἰδοῦσα (idousa) = ziende | δὲ (de) = en | αὐτὸν (auton) = hem | παιδίσκη (paidiske) = dienstmeisje | τις (tis) = een | καθήμενον (kathemenon) = zittend | πρὸς (pros) = bij | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = vuur | καὶ (kai) = en | ἀτενίσασα (atenisasa) = strak aankijkend | αὐτῷ (auto) = naar hem | εἶπεν (eipen) = zei | Καὶ (Kai) = ook | οὗτος (houtos) = deze | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem | ἦν (en) = was Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft φῶς (fos), ‘licht’; wij schrijven ‘vuur’, omdat het licht van het vuur in 22:55 komt. **22:57** Maar hij ontkende het en zei: „Vrouw, ik ken Hem niet.” Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | ἠρνήσατο (ernesato) = ontkende | λέγων (legon) = zeggend | Οὐκ (Ouk) = niet | οἶδα (oida) = ik ken | αὐτόν (auton) = Hem | γύναι (gynai) = vrouw Bron: SBLGNT **22:58** Even later zag een ander hem en zei: „Jij bent ook een van hen.” Maar Petrus zei: „Man, dat ben ik niet.” Brontekst: καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | βραχὺ (brachy) = kort | ἕτερος (heteros) = een ander | ἰδὼν (idon) = ziend | αὐτὸν (auton) = hem | ἔφη (ephe) = zei | Καὶ (Kai) = ook | σὺ (sy) = jij | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἔφη (ephe) = zei | Ἄνθρωπε (Anthrope) = man | οὐκ (ouk) = niet | εἰμί (eimi) = ben ik Bron: SBLGNT **22:59** Ongeveer een uur later hield weer een ander met klem vol: „Werkelijk, ook deze was met Hem, want hij is ook een Galileeër.” Brontekst: καὶ (kai) = en | διαστάσης (diastases) = verstreken zijnde | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | ὥρας (horas) = uur | μιᾶς (mias) = een | ἄλλος (allos) = een andere | τις (tis) = zekere | διϊσχυρίζετο (diischyrizeto) = hield vol | λέγων (legon) = zeggend | Ἐπ’ (Ep’) = in | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | καὶ (kai) = ook | οὗτος (houtos) = deze | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἦν (en) = was | καὶ (kai) = ook | γὰρ (gar) = want | Γαλιλαῖός (Galilaios) = Galileeër | ἐστιν (estin) = is hij Bron: SBLGNT **22:60** Petrus zei: „Man, ik weet niet wat je zegt.” En meteen, terwijl hij nog sprak, kraaide een haan. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | Ἄνθρωπε (Anthrope) = man | οὐκ (ouk) = niet | οἶδα (oida) = ik weet | ὃ (ho) = wat | λέγεις (legeis) = je zegt | καὶ (kai) = en | παραχρῆμα (parachrema) = meteen | ἔτι (eti) = nog | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | αὐτοῦ (autou) = hij | ἐφώνησεν (ephonesen) = kraaide | ἀλέκτωρ (alektor) = haan Bron: SBLGNT **22:61** De Heer draaide zich om en keek Petrus aan. Petrus herinnerde zich het woord van de Heer, hoe Hij tegen hem gezegd had: **„Voordat de haan vandaag kraait, zul je Mij drie keer verloochenen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | στραφεὶς (strapheis) = omgedraaid | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | ἐνέβλεψεν (eneblepsen) = keek aan | τῷ (to) = de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | καὶ (kai) = en | ὑπεμνήσθη (hypemnesthe) = herinnerde zich | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | τοῦ (tou) = het | λόγου (logou) = woord | τοῦ (tou) = van de | κυρίου (kyriou) = Heer | ὡς (hos) = hoe | εἶπεν (eipen) = had gezegd | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὅτι (hoti) = dat | Πρὶν (Prin) = voordat | ἀλέκτορα (alektora) = haan | φωνῆσαι (phonesai) = kraait | σήμερον (semeron) = vandaag | ἀπαρνήσῃ (aparnese) = zul verloochenen | με (me) = Mij | τρίς (tris) = drie keer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: zie 7:13. Alleen Lucas vertelt dat de Heer Petrus aankeek. **22:62** Hij ging naar buiten en huilde bitter. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξελθὼν (exelthon) = uitgegaan | ἔξω (exo) = buiten | ἔκλαυσεν (eklausen) = huilde | πικρῶς (pikros) = bitter Bron: SBLGNT ### Yeshua wordt bespot en geslagen **22:63** De mannen die Hem vasthielden, bespotten Hem en sloegen Hem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἄνδρες (andres) = mannen | οἱ (hoi) = die | συνέχοντες (synechontes) = vasthielden | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐνέπαιζον (enepaizon) = bespotten | αὐτῷ (auto) = Hem | δέροντες (derontes) = slaand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Lucas vertelt de bespotting vóór het verhoor door de Raad; Matteüs en Markus vertellen haar erna (Matt. 26:67–68; Mark. 14:65). Zie ook: Mat 26:67–68; Mar 14:65 **22:64** Zij bedekten Zijn gezicht en vroegen Hem: „Profeteer! Wie is het die U geslagen heeft?” Brontekst: καὶ (kai) = en | περικαλύψαντες (perikalypsantes) = bedekkend | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐπηρώτων (eperoton) = vroegen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Προφήτευσον (Propheteuson) = profeteer | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | παίσας (paisas) = geslagen hebbende | σε (se) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft alleen ‘zij bedekten Hem’; wij vullen ‘Zijn gezicht’ aan, zoals in Mark. 14:65. Zie ook: Mar 14:65 **22:65** Zij zeiden ook nog veel andere dingen tegen Hem en lasterden Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἕτερα (hetera) = andere | πολλὰ (polla) = veel | βλασφημοῦντες (blasphemountes) = lasterend | ἔλεγον (elegon) = zeiden | εἰς (eis) = tegen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT ### Yeshua voor de Raad **22:66** Toen het dag werd, kwam de oudstenraad van het volk bijeen, hogepriesters en schriftgeleerden. Zij voerden Hem weg naar hun Raad. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὡς (hos) = toen | ἐγένετο (egeneto) = werd | ἡμέρα (hemera) = dag | συνήχθη (synechthe) = kwam bijeen | τὸ (to) = de | πρεσβυτέριον (presbyterion) = oudstenraad | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | τε (te) = zowel | καὶ (kai) = als | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | καὶ (kai) = en | ἀπήγαγον (apegagon) = voerden weg | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | συνέδριον (synedrion) = Raad | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρεσβυτέριον (presbyterion), ‘oudstenraad’: de vergadering van de oudsten. συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: het hoogste Joodse gerechtshof in Jeruzalem; zie Matt. 26:59. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:63–66; Mark. 14:61–64. Zie ook: Mat 26:59; Mat 26:63–66; Mar 14:61–64 **22:67** Zij zeiden: „Als U de Messias bent, zeg het ons.” Hij zei tegen hen: **„Als Ik het jullie zeg, zullen jullie beslist niet geloven.** Brontekst: λέγοντες (legontes) = zeggend | Εἰ (Ei) = als | σὺ (sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | εἰπὸν (eipon) = zeg | ἡμῖν (hemin) = ons | εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἐὰν (Ean) = als | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | εἴπω (eipo) = Ik zeg | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | πιστεύσητε (pisteusete) = geloven jullie Bron: SBLGNT **22:68** **En als Ik vraag, zullen jullie beslist niet antwoorden.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | ἐρωτήσω (eroteso) = Ik vraag | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἀποκριθῆτε (apokrithete) = antwoorden jullie Bron: SBLGNT **22:69** **Maar vanaf nu zal de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de kracht van Elohim.”** Brontekst: ἀπὸ (apo) = vanaf | τοῦ (tou) = het | νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | ἔσται (estai) = zal zijn | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | καθήμενος (kathemenos) = zittend | ἐκ (ek) = aan | δεξιῶν (dexion) = rechterhand | τῆς (tes) = van de | δυνάμεως (dynameos) = kracht | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Zitten aan de rechterhand’ komt uit Ps. 110:1 en ‘Mensenzoon’ uit Dan. 7:13. Matteüs en Markus hebben hier ‘de Kracht’ als omschrijving voor Elohim (Matt. 26:64; Mark. 14:62); Lucas schrijft ‘de kracht van Elohim’. Zie ook: Ps 110:1; Dan 7:13; Mat 26:64; Mar 14:62 **22:70** Zij zeiden allen: „U bent dan de Zoon van Elohim?” Hij zei tegen hen: **„Jullie zeggen dat Ik het ben.”** Brontekst: εἶπαν (eipan) = zeiden | δὲ (de) = en | πάντες (pantes) = allen | Σὺ (Sy) = U | οὖν (oun) = dan | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tot | αὐτοὺς (autous) = hen | ἔφη (ephe) = zei | Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | λέγετε (legete) = zeggen | ὅτι (hoti) = dat | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ὑμεῖς λέγετε ὅτι ἐγώ εἰμι (Hymeis legete hoti ego eimi) is letterlijk ‘Jullie zeggen dat Ik ben’. Het kan opgevat worden als ‘Jullie zeggen het, en Ik ben het’ of als ‘Dat Ik het ben, zeggen jullie’. Vergelijk 23:3 (‘Jij zegt het’). **22:71** Zij zeiden: „Waarvoor hebben wij nog getuigenis nodig? Want wij hebben het zelf uit Zijn mond gehoord.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Τί (Ti) = wat | ἔτι (eti) = nog | ἔχομεν (echomen) = hebben wij | μαρτυρίας (martyrias) = van getuigenis | χρείαν (chreian) = behoefte | αὐτοὶ (autoi) = wijzelf | γὰρ (gar) = want | ἠκούσαμεν (ekousamen) = hebben gehoord | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | στόματος (stomatos) = mond | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT ## Lucas 23 _Yeshua voor Pilatus en Herodes, de kruisiging, de dood en het graf_ ### Yeshua voor Pilatus **23:1** Toen stond hun hele menigte op en zij brachten Hem naar Pilatus. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀναστὰν (anastan) = opgestaan | ἅπαν (hapan) = hele | τὸ (to) = de | πλῆθος (plethos) = menigte | αὐτῶν (auton) = hun | ἤγαγον (egagon) = brachten | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐπὶ (epi) = naar | τὸν (ton) = de | Πιλᾶτον (Pilaton) = Pilatus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Πιλᾶτος (Pilatos), ‘Pilatus’: de Romeinse stadhouder over Judea. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:1–2, 27:11–14; Mark. 15:1–5; Joh. 18:28–38. Zie ook: Mat 27:1–2; Mat 27:11; Mar 15:1–5; Joh 18:28–38 **23:2** Zij begonnen Hem te beschuldigen en zeiden: „Wij hebben gevonden dat Hij ons volk op een dwaalspoor brengt. Hij verbiedt belasting aan de keizer te betalen en zegt dat Hij zelf de Messias is, een koning.” Brontekst: ἤρξαντο (erxanto) = zij begonnen | δὲ (de) = en | κατηγορεῖν (kategorein) = te beschuldigen | αὐτοῦ (autou) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Τοῦτον (Touton) = deze | εὕραμεν (heuramen) = vonden wij | διαστρέφοντα (diastrephonta) = op een dwaalspoor brengend | τὸ (to) = het | ἔθνος (ethnos) = volk | ἡμῶν (hemon) = ons | καὶ (kai) = en | κωλύοντα (kolyonta) = verbiedend | φόρους (phorous) = belasting | Καίσαρι (Kaisari) = aan de keizer | διδόναι (didonai) = te betalen | καὶ (kai) = en | λέγοντα (legonta) = zeggend | αὑτὸν (hauton) = zichzelf | χριστὸν (christon) = Messias | βασιλέα (basilea) = koning | εἶναι (einai) = te zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: de Romeinse keizer. Alleen Lucas noemt deze drie beschuldigingen. Vergelijk de vraag over belasting aan de keizer in Luc. 20:22–25. διαστρέφω (diastrefo), ‘op een dwaalspoor brengen’: letterlijk ‘verdraaien, van de weg afbrengen’. Zie ook: Luc 20:22–25 **23:3** Pilatus vroeg Hem: „Bent U de koning van de Joden?” Hij antwoordde hem: **„Jij zegt het.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἠρώτησεν (erotesen) = vroeg | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγων (legon) = zeggend | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | αὐτῷ (auto) = hem | ἔφη (ephe) = zei | Σὺ (Sy) = jij | λέγεις (legeis) = zegt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σὺ λέγεις (Sy legeis), ‘Jij zegt het’: dezelfde woorden als in Matt. 27:11 en Mark. 15:2. Het Grieks zegt letterlijk ‘Jij zegt’; hoe het antwoord bedoeld is, laat de tekst open. Zie ook: Mat 27:11; Mar 15:2 **23:4** Pilatus zei tegen de hogepriesters en de menigten: „Ik vind geen schuld in deze man.” Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ὄχλους (ochlous) = menigten | Οὐδὲν (Ouden) = niets | εὑρίσκω (heurisko) = vind ik | αἴτιον (aition) = schuld | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = man | τούτῳ (touto) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἴτιον (aition), ‘schuld’: een reden om iemand te beschuldigen. Pilatus zegt dit drie keer: 23:4, 23:14 en 23:22. **23:5** Maar zij hielden aan: „Hij brengt het volk in beroering door te onderwijzen in heel Judea, beginnend in Galilea, tot hier.” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐπίσχυον (epischyon) = hielden aan | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Ἀνασείει (Anaseiei) = brengt in beroering | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | καθ’ (kath’) = door | ὅλης (holes) = hele | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | καὶ (kai) = en | ἀρξάμενος (arxamenos) = beginnend | ἀπὸ (apo) = vanaf | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | ἕως (heos) = tot | ὧδε (hode) = hier Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: ἀνασείω (anaseio), ‘in beroering brengen’: letterlijk ‘schudden, ophitsen’. ### Yeshua voor Herodes **23:6** Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was. Brontekst: Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | δὲ (de) = maar | ἀκούσας (akousas) = horend | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = vroeg | εἰ (ei) = of | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | Γαλιλαῖός (Galilaios) = Galileeër | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **23:7** Toen hij vernam dat Hij onder het gezag van Herodes viel, stuurde hij Hem door naar Herodes. Die was in die dagen ook zelf in Jeruzalem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐπιγνοὺς (epignous) = te weten gekomen | ὅτι (hoti) = dat | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | ἐξουσίας (exousias) = gezag | Ἡρῴδου (Herodou) = van Herodes | ἐστὶν (estin) = is | ἀνέπεμψεν (anepempsen) = stuurde door | αὐτὸν (auton) = Hem | πρὸς (pros) = naar | Ἡρῴδην (Heroden) = Herodes | ὄντα (onta) = zijnde | καὶ (kai) = ook | αὐτὸν (auton) = hem | ἐν (en) = in | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | ἐν (en) = in | ταύταις (tautais) = deze | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Herodes is hier de heerser over Galilea (Luc. 3:1). ἀναπέμπω (anapempo), ‘doorsturen’: Pilatus stuurt Hem naar Herodes, omdat Galilea onder diens gezag viel. Zie ook: Luc 3:1 **23:8** Toen Herodes Yeshua zag, was hij zeer blij. Want al lange tijd wilde hij Hem zien, omdat hij over Hem gehoord had. Hij hoopte een teken te zien dat door Hem gedaan werd. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ἰδὼν (idon) = ziende | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἐχάρη (echare) = was blij | λίαν (lian) = zeer | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | ἐξ (ex) = uit | ἱκανῶν (hikanon) = lange | χρόνων (chronon) = tijden | θέλων (thelon) = willend | ἰδεῖν (idein) = zien | αὐτὸν (auton) = Hem | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = het | ἀκούειν (akouein) = horen | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | ἤλπιζέν (elpizen) = hoopte | τι (ti) = een | σημεῖον (semeion) = teken | ἰδεῖν (idein) = te zien | ὑπ’ (hyp’) = door | αὐτοῦ (autou) = Hem | γινόμενον (ginomenon) = gedaan wordend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σημεῖον (semeion), ‘teken’. Vergelijk Luc. 9:7–9, waar Herodes ook over Hem hoort en Hem wil zien. Zie ook: Luc 9:7–9 **23:9** Herodes stelde Hem veel vragen, maar Hij antwoordde hem niets. Brontekst: ἐπηρώτα (eperota) = ondervroeg | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = met | λόγοις (logois) = woorden | ἱκανοῖς (hikanois) = veel | αὐτὸς (autos) = Hij | δὲ (de) = maar | οὐδὲν (ouden) = niets | ἀπεκρίνατο (apekrinato) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **23:10** De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden erbij en beschuldigden Hem heftig. Brontekst: εἱστήκεισαν (heistekeisan) = stonden | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | γραμματεῖς (grammateis) = schriftgeleerden | εὐτόνως (eutonos) = heftig | κατηγοροῦντες (kategorountes) = beschuldigend | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT **23:11** Herodes verachtte Hem met zijn soldaten en bespotte Hem. Daarna deed hij Hem een schitterend gewaad om en stuurde Hem terug naar Pilatus. Brontekst: ἐξουθενήσας (exouthenesas) = verachtend | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | στρατεύμασιν (strateumasin) = soldaten | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | ἐμπαίξας (empaixas) = bespottend | περιβαλὼν (peribalon) = omdoend | ἐσθῆτα (estheta) = gewaad | λαμπρὰν (lampran) = schitterend | ἀνέπεμψεν (anepempsen) = stuurde terug | αὐτὸν (auton) = Hem | τῷ (to) = aan de | Πιλάτῳ (Pilato) = Pilatus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουθενέω (exoutheneo), ‘verachten’: als niets beschouwen. ἐσθὴς λαμπρά (esthes lampra), ‘schitterend gewaad’. **23:12** Herodes en Pilatus werden op die dag vrienden van elkaar. Want eerder waren zij met elkaar in vijandschap geweest. Brontekst: ἐγένοντο (egenonto) = werden | δὲ (de) = maar | φίλοι (philoi) = vrienden | ὅ (ho) = die | τε (te) = zowel | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | καὶ (kai) = als | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἐν (en) = op | αὐτῇ (aute) = dezelfde | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | μετ’ (met’) = met | ἀλλήλων (allelon) = elkaar | προϋπῆρχον (prouperchon) = waren eerder | γὰρ (gar) = want | ἐν (en) = in | ἔχθρᾳ (echthra) = vijandschap | ὄντες (ontes) = zijnde | πρὸς (pros) = tegen | αὑτούς (hautous) = elkaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet waardoor Herodes en Pilatus eerder vijanden waren. ### Het vonnis van Pilatus **23:13** Pilatus riep de hogepriesters, de leiders en het volk bijeen Brontekst: Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | δὲ (de) = maar | συγκαλεσάμενος (synkalesamenos) = bijeengeroepen hebbend | τοὺς (tous) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἄρχοντας (archontas) = leiders | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | λαὸν (laon) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’: de leiders van het volk. **23:14** en zei tegen hen: „Jullie hebben mij deze man gebracht als iemand die het volk afvallig maakt. En zie: ik heb Hem in jullie aanwezigheid onderzocht en in deze man geen enkele schuld gevonden van wat jullie tegen Hem aanvoeren. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Προσηνέγκατέ (Prosenenkate) = jullie hebben gebracht | μοι (moi) = mij | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = man | τοῦτον (touton) = deze | ὡς (hos) = als | ἀποστρέφοντα (apostrephonta) = afvallig makend | τὸν (ton) = het | λαόν (laon) = volk | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἐγὼ (ego) = ik | ἐνώπιον (enopion) = in aanwezigheid | ὑμῶν (hymon) = van jullie | ἀνακρίνας (anakrinas) = onderzocht hebbend | οὐθὲν (outhen) = niets | εὗρον (heuron) = vond ik | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = man | τούτῳ (touto) = deze | αἴτιον (aition) = schuld | ὧν (hon) = van wat | κατηγορεῖτε (kategoreite) = jullie beschuldigen | κατ’ (kat’) = tegen | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποστρέφω (apostrefo), ‘afvallig maken’: letterlijk ‘afwenden’. Dit is een ander woord dan in 23:2. ἀνακρίνω (anakrino), ‘onderzoeken’: een rechterlijk onderzoek houden. **23:15** Maar ook Herodes niet, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd. En zie: door Hem is niets gedaan dat de dood waard is. Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | οὐδὲ (oude) = ook niet | Ἡρῴδης (Herodes) = Herodes | ἀνέπεμψεν (anepempsen) = stuurde terug | γὰρ (gar) = want | αὐτὸν (auton) = Hem | πρὸς (pros) = naar | ἡμᾶς (hemas) = ons | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | οὐδὲν (ouden) = niets | ἄξιον (axion) = waard | θανάτου (thanatou) = van de dood | ἐστὶν (estin) = is | πεπραγμένον (pepragmenon) = gedaan | αὐτῷ (auto) = door Hem Bron: SBLGNT **23:16** Ik zal Hem dus tuchtigen en vrijlaten.” Brontekst: παιδεύσας (paideusas) = tuchtigend | οὖν (oun) = dus | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπολύσω (apolyso) = zal ik vrijlaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Voetnoot : παιδεύω (paideuo), ‘tuchtigen’: straffen met slagen. Dit is een ander woord dan ‘geselen’ in Mark. 15:15. Zie ook: Mar 15:15 **23:18** Maar zij schreeuwden allen tegelijk: „Weg met Hem! Laat ons Barabbas vrij.” Brontekst: Ἀνέκραγον (Anekragon) = zij schreeuwden | δὲ (de) = maar | παμπληθεὶ (pamplethei) = allen tegelijk | λέγοντες (legontes) = zeggend | Αἶρε (Aire) = weg ermee | τοῦτον (touton) = deze | ἀπόλυσον (apolyson) = laat vrij | δὲ (de) = maar | ἡμῖν (hemin) = voor ons | τὸν (ton) = de | Βαραββᾶν (Barabban) = Barabbas Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Βαραββᾶς (Barabbas): zie ook Matt. 27:15–26; Mark. 15:6–15; Joh. 18:39–40. Zie ook: Mat 27:15–26; Mar 15:6–15; Joh 18:39–40 **23:19** Die was wegens een opstand in de stad en wegens moord in de gevangenis geworpen. Brontekst: ὅστις (hostis) = die | ἦν (en) = was | διὰ (dia) = vanwege | στάσιν (stasin) = opstand | τινὰ (tina) = een zekere | γενομένην (genomenen) = geschied zijnde | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | καὶ (kai) = en | φόνον (phonon) = moord | βληθεὶς (bletheis) = geworpen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | φυλακῇ (phylake) = gevangenis Bron: SBLGNT **23:20** Pilatus sprak hen opnieuw toe, omdat hij Yeshua wilde vrijlaten. Brontekst: πάλιν (palin) = opnieuw | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | προσεφώνησεν (prosephonesen) = sprak toe | θέλων (thelon) = willend | ἀπολῦσαι (apolysai) = vrijlaten | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT **23:21** Maar zij riepen: „Kruisig, kruisig Hem!” Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐπεφώνουν (epephonoun) = riepen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Σταύρου (Staurou) = kruisig | σταύρου (staurou) = kruisig | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **23:22** Voor de derde keer zei hij tegen hen: „Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik heb in Hem geen schuld gevonden die de dood verdient. Ik zal Hem dus tuchtigen en vrijlaten.” Brontekst: ὁ (ho) = hij | δὲ (de) = maar | τρίτον (triton) = voor de derde keer | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Τί (Ti) = wat | γὰρ (gar) = want | κακὸν (kakon) = kwaad | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | οὗτος (houtos) = deze | οὐδὲν (ouden) = niets | αἴτιον (aition) = schuld | θανάτου (thanatou) = van de dood | εὗρον (heuron) = vond ik | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = Hem | παιδεύσας (paideusas) = tuchtigend | οὖν (oun) = dus | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀπολύσω (apolyso) = zal ik vrijlaten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τρίτον (triton), ‘voor de derde keer’: Pilatus sprak hen eerder toe in 23:4 en 23:14–16, en opnieuw in 23:20. De tekst zegt niet welke keren hij telt. **23:23** Maar zij hielden aan met luide stemmen en eisten dat Hij gekruisigd werd, en hun stemmen wonnen het. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐπέκειντο (epekeinto) = hielden aan | φωναῖς (phonais) = met stemmen | μεγάλαις (megalais) = luide | αἰτούμενοι (aitoumenoi) = eisend | αὐτὸν (auton) = Hem | σταυρωθῆναι (staurothenai) = gekruisigd te worden | καὶ (kai) = en | κατίσχυον (katischyon) = wonnen | αἱ (hai) = de | φωναὶ (phonai) = stemmen | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **23:24** Pilatus besloot dat hun eis ingewilligd werd. Brontekst: καὶ (kai) = en | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἐπέκρινεν (epekrinen) = besloot | γενέσθαι (genesthai) = te geschieden | τὸ (to) = het | αἴτημα (aitema) = verzoek | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT **23:25** Pilatus liet degene vrij die wegens opstand en moord in de gevangenis was geworpen en om wie zij vroegen. Maar Yeshua leverde hij over aan hun wil. Brontekst: ἀπέλυσεν (apelysen) = liet vrij | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = degene | διὰ (dia) = vanwege | στάσιν (stasin) = opstand | καὶ (kai) = en | φόνον (phonon) = moord | βεβλημένον (beblemenon) = geworpen | εἰς (eis) = in | φυλακὴν (phylaken) = gevangenis | ὃν (hon) = die | ᾐτοῦντο (etounto) = zij vroegen | τὸν (ton) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | παρέδωκεν (paredoken) = leverde over | τῷ (to) = aan de | θελήματι (thelemati) = wil | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT ### De weg naar de kruisiging **23:26** Terwijl zij Hem wegvoerden, grepen zij een zekere Simon van Cyrene, die van het veld kwam. Zij legden hem het kruis op om het achter Yeshua aan te dragen. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὡς (hos) = toen | ἀπήγαγον (apegagon) = wegvoerden | αὐτόν (auton) = Hem | ἐπιλαβόμενοι (epilabomenoi) = grijpend | Σίμωνά (Simona) = Simon | τινα (tina) = een zekere | Κυρηναῖον (Kyrenaion) = Cyreneeër | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | ἀπ’ (ap’) = van | ἀγροῦ (agrou) = veld | ἐπέθηκαν (epethekan) = legden op | αὐτῷ (auto) = hem | τὸν (ton) = het | σταυρὸν (stauron) = kruis | φέρειν (pherein) = te dragen | ὄπισθεν (opisthen) = achter | τοῦ (tou) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Cyrene: Cyrene was de hoofdstad van Cyrenaica, in het noordoosten van het huidige Libië. Er woonde een grote Joodse gemeenschap. Voetnoot Uitleg: Κυρηναῖος (Kyrenaios), ‘van Cyrene’: Cyrene is een stad in Noord-Afrika, nu in Libië. Lucas zegt niet meer over Simon dan zijn naam en zijn herkomst. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:32; Mark. 15:21. Zie ook: Mat 27:32; Mar 15:21 **23:27** Een grote menigte van het volk volgde Hem, ook vrouwen die zich op de borst sloegen en over Hem klaagden. Brontekst: Ἠκολούθει (Ekolouthei) = volgde | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = Hem | πολὺ (poly) = veel | πλῆθος (plethos) = menigte | τοῦ (tou) = van het | λαοῦ (laou) = volk | καὶ (kai) = en | γυναικῶν (gynaikon) = van vrouwen | αἳ (hai) = die | ἐκόπτοντο (ekoptonto) = zich op de borst sloegen | καὶ (kai) = en | ἐθρήνουν (ethrenoun) = klaagden | αὐτόν (auton) = om Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόπτω (kopto), ‘zich op de borst slaan’: een teken van rouw. Alleen Lucas vertelt over de vrouwen die over Hem klaagden en over de woorden van Yeshua tot hen (23:28–31). **23:28** Yeshua draaide zich naar hen om en zei: **„Dochters van Jeruzalem, huil niet over Mij, maar huil over jullie zelf en over jullie kinderen.** Brontekst: στραφεὶς (strapheis) = zich omgedraaid hebbend | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = naar | αὐτὰς (autas) = hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Θυγατέρες (Thygateres) = dochters | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | μὴ (me) = niet | κλαίετε (klaiete) = huil | ἐπ’ (ep’) = over | ἐμέ (eme) = Mij | πλὴν (plen) = maar | ἐφ’ (eph’) = over | ἑαυτὰς (heautas) = jullie zelf | κλαίετε (klaiete) = huil | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = over | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **23:29** **Want zie, er komen dagen waarin men zal zeggen: ‘Gelukkig de onvruchtbare vrouwen, de baarmoeders die niet baarden en de borsten die niet zoogden.’** Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | ἰδοὺ (idou) = zie | ἔρχονται (erchontai) = komen | ἡμέραι (hemerai) = dagen | ἐν (en) = in | αἷς (hais) = welke | ἐροῦσιν (erousin) = zal men zeggen | Μακάριαι (Makariai) = gelukkig | αἱ (hai) = de | στεῖραι (steirai) = onvruchtbaren | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | κοιλίαι (koiliai) = baarmoeders | αἳ (hai) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἐγέννησαν (egennesan) = baarden | καὶ (kai) = en | μαστοὶ (mastoi) = borsten | οἳ (hoi) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἔθρεψαν (ethrepsan) = zoogden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: zoals in de zaligsprekingen in Matt. 5:3–12. Hier wordt het omgekeerd: gelukkig zijn zij die geen kinderen hebben. Zie ook: Mat 5:3–12 **23:30** **Dan zullen zij beginnen te zeggen tegen de bergen: ‘Val op ons!’ en tegen de heuvels: ‘Bedek ons!’** Brontekst: τότε (tote) = toen | ἄρξονται (arxontai) = zullen beginnen | λέγειν (legein) = te zeggen | τοῖς (tois) = aan de | ὄρεσιν (oresin) = bergen | Πέσετε (Pesete) = val | ἐφ’ (eph’) = op | ἡμᾶς (hemas) = ons | καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan de | βουνοῖς (bounois) = heuvels | Καλύψατε (Kalypsate) = bedek | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Hos. 10:8: ‘En zij zeggen tegen de bergen: „Bedek ons!” en tegen de heuvels: „Val op ons!”’ Lucas heeft de volgorde omgekeerd. Zie ook Openb. 6:16. Zie ook: Hos 10:8; Openb 6:16 **23:31** **Want als men dit doet met het groene hout, wat zal er dan gebeuren met het droge?”** Brontekst: ὅτι (hoti) = dat | εἰ (ei) = als | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ὑγρῷ (hygro) = groene | ξύλῳ (xylo) = hout | ταῦτα (tauta) = dit | ποιοῦσιν (poiousin) = zij doen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ξηρῷ (xero) = droge | τί (ti) = wat | γένηται (genetai) = zal gebeuren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is een spreekwoord; wat Yeshua ermee zegt, zegt de tekst niet met zoveel woorden. Vergelijk Ezech. 21:3 (in de Nederlandse telling 20:47): een vuur dat ‘elke groene boom’ en ‘elke droge boom’ verteert. Zie ook: Ezech 21:3 **23:32** Er werden ook twee anderen, misdadigers, met Hem meegevoerd om gedood te worden. Brontekst: Ἤγοντο (Egonto) = werden meegevoerd | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ἕτεροι (heteroi) = anderen | κακοῦργοι (kakourgoi) = misdadigers | δύο (dyo) = twee | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem | ἀναιρεθῆναι (anairethenai) = om gedood te worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κακοῦργος (kakourgos), ‘misdadiger’: Matteüs en Markus hebben hier een ander woord, λῃστής (lestes), ‘rover’. ### De kruisiging **23:33** Toen zij op de plaats kwamen die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de misdadigers, de een rechts en de ander links. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτε (hote) = toen | ἦλθον (elthon) = kwamen | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | τὸν (ton) = de | καλούμενον (kaloumenon) = genoemde | Κρανίον (Kranion) = Schedel | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἐσταύρωσαν (estaurosan) = kruisigden zij | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | κακούργους (kakourgous) = misdadigers | ὃν (hon) = de een | μὲν (men) = wel | ἐκ (ek) = uit | δεξιῶν (dexion) = rechts | ὃν (hon) = de ander | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = uit | ἀριστερῶν (aristeron) = links Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Golgota (Plaats van de Schedel; ligging onzeker): De plaats die Schedel genoemd wordt (Golgota) lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem. De traditie zoekt haar bij de Heilig-Grafkerk in de oude stad. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Κρανίον (Kranion), ‘Schedel’: het Griekse woord voor de plaats. Matteüs, Markus en Johannes geven ook de Aramese naam Golgota. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:33–38; Mark. 15:22–28; Joh. 19:17–24. Zie ook: Mat 27:33–38; Mar 15:22–28; Joh 19:17–24 **23:34** Yeshua zei: **„Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.”** Zij verdeelden Zijn kleren onder elkaar en wierpen er loten over. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἔλεγεν (elegen) = zei | Πάτερ (Pater) = Vader | ἄφες (aphes) = vergeef | αὐτοῖς (autois) = hun | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | οἴδασιν (oidasin) = weten zij | τί (ti) = wat | ποιοῦσιν (poiousin) = doen zij | διαμεριζόμενοι (diamerizomenoi) = verdelend | δὲ (de) = en | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἔβαλον (ebalon) = wierpen | κλήρους (klerous) = loten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 22:19 (in de Nederlandse telling is dit 22:18): ‘Zij verdelen mijn kleren onder zich en over mijn gewaad werpen zij het lot.’ Voetnoot Lezing: De woorden ‘Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen’ ontbreken in sommige oude handschriften. Wij vertalen ze zoals de SBLGNT. Zie ook: Ps 22:19 **23:35** Het volk stond toe te kijken. De leiders spotten ook en zeiden: „Anderen heeft Hij gered. Laat Hij Zichzelf redden, als Hij de Messias van Elohim is, de Uitverkorene.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἱστήκει (heistekei) = stond | ὁ (ho) = het | λαὸς (laos) = volk | θεωρῶν (theoron) = kijkend | ἐξεμυκτήριζον (exemykterizon) = spotten | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | ἄρχοντες (archontes) = leiders | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἄλλους (Allous) = anderen | ἔσωσεν (esosen) = heeft gered | σωσάτω (sosato) = laat redden | ἑαυτόν (heauton) = Zichzelf | εἰ (ei) = als | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὁ (ho) = de | ἐκλεκτός (eklektos) = uitverkorene Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkorene’: vergelijk Jes. 42:1 (‘Mijn uitverkorene, in wie Mijn ziel behagen heeft’). Vergelijk Ps. 22:8 (in de Nederlandse telling is dit 22:7): ‘Allen die mij zien, bespotten mij.’ Voetnoot : Zie ook Matt. 27:39–44; Mark. 15:29–32. Zie ook: Ps 22:8; Jes 42:1; Mat 27:39–44; Mar 15:29–32 **23:36** Ook de soldaten bespotten Hem. Zij kwamen naar Hem toe, boden Hem azijn aan Brontekst: ἐνέπαιξαν (enepaixan) = bespotten | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | στρατιῶται (stratiotai) = soldaten | προσερχόμενοι (proserchomenoi) = naderend | ὄξος (oxos) = azijn | προσφέροντες (prospherontes) = aanbiedend | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὄξος (oxos), ‘azijn’: zure wijn. Vergelijk Ps. 69:22 (in de Nederlandse telling is dit 69:21): ‘voor mijn dorst lieten ze mij azijn drinken’. Zie ook: Ps 69:22 **23:37** en zeiden: „Als U de koning van de Joden bent, red Uzelf.” Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγοντες (legontes) = zeggend | Εἰ (Ei) = als | σὺ (sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | σῶσον (soson) = red | σεαυτόν (seauton) = Uzelf Bron: SBLGNT **23:38** Boven Hem was ook een opschrift: „Dit is de koning van de Joden.” Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ἐπιγραφὴ (epigraphe) = opschrift | ἐπ’ (ep’) = boven | αὐτῷ (auto) = Hem | Ὁ (Ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | οὗτος (houtos) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπιγραφή (epigrafe), ‘opschrift’: de aanklacht boven het kruis. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:37; Mark. 15:26; Joh. 19:19–22. Zie ook: Mat 27:37; Mar 15:26; Joh 19:19–22 **23:39** Een van de misdadigers die daar hingen, lasterde Hem: „Bent U niet de Messias? Red Uzelf en ons.” Brontekst: Εἷς (Heis) = een | δὲ (de) = maar | τῶν (ton) = van de | κρεμασθέντων (kremasthenton) = opgehangen | κακούργων (kakourgon) = misdadigers | ἐβλασφήμει (eblasphemei) = lasterde | αὐτόν (auton) = Hem | λέγων (legon) = zeggend | Οὐχὶ (Ouchi) = niet | σὺ (sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | σῶσον (soson) = red | σεαυτὸν (seauton) = Uzelf | καὶ (kai) = en | ἡμᾶς (hemas) = ons Bron: SBLGNT **23:40** De ander bestrafte hem en zei: „Vrees jij Elohim zelfs niet, terwijl je onder hetzelfde oordeel staat? Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | ἕτερος (heteros) = ander | ἐπιτιμῶν (epitimon) = bestraffend | αὐτῷ (auto) = hem | ἔφη (ephe) = zei | Οὐδὲ (Oude) = ook niet | φοβῇ (phobe) = vreest | σὺ (sy) = jij | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ὅτι (hoti) = omdat | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | αὐτῷ (auto) = zelfde | κρίματι (krimati) = oordeel | εἶ (ei) = bent Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίμα (krima), ‘oordeel’: hier de straf die beiden ondergaan, de kruisiging. **23:41** En wij terecht, want wij krijgen wat onze daden waard zijn. Maar deze heeft niets verkeerds gedaan.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἡμεῖς (hemeis) = wij | μὲν (men) = wel | δικαίως (dikaios) = terecht | ἄξια (axia) = waardig | γὰρ (gar) = want | ὧν (hon) = wat | ἐπράξαμεν (epraxamen) = wij deden | ἀπολαμβάνομεν (apolambanomen) = ontvangen wij | οὗτος (houtos) = deze | δὲ (de) = maar | οὐδὲν (ouden) = niets | ἄτοπον (atopon) = verkeerds | ἔπραξεν (epraxen) = deed Bron: SBLGNT **23:42** En hij zei: „Yeshua, denk aan mij wanneer U in Uw koninkrijk komt.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | μνήσθητί (mnestheti) = denk aan | μου (mou) = mij | ὅταν (hotan) = wanneer | ἔλθῃς (elthes) = U komt | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | βασιλείᾳ (basileia) = koninkrijk | σου (sou) = Uw Bron: SBLGNT **23:43** Yeshua zei tegen hem: **„Voorwaar, Ik zeg je: vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἀμήν (Amen) = voorwaar | σοι (soi) = je | λέγω (lego) = Ik zeg | σήμερον (semeron) = vandaag | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἔσῃ (ese) = zult zijn | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | παραδείσῳ (paradeiso) = paradijs Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παράδεισος (paradeisos), ‘paradijs’: letterlijk een omheinde tuin. Het Grieks heeft geen leestekens: ‘vandaag’ kan bij ‘Ik zeg je’ of bij ‘zul je zijn’ horen. Wij volgen de woordvolgorde en verbinden het met ‘zul je zijn’. ### De dood van Yeshua **23:44** Het was al ongeveer het zesde uur, en er kwam duisternis over het hele land tot het negende uur. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἦν (en) = was | ἤδη (ede) = al | ὡσεὶ (hosei) = ongeveer | ὥρα (hora) = uur | ἕκτη (hekte) = zesde | καὶ (kai) = en | σκότος (skotos) = duisternis | ἐγένετο (egeneto) = kwam | ἐφ’ (eph’) = over | ὅλην (holen) = hele | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | ἕως (heos) = tot | ὥρας (horas) = uur | ἐνάτης (enates) = negende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὥρα ἕκτη (hora hekte), ‘zesde uur’: bij de Joodse dagtelling vanaf zonsopgang is dat ongeveer 12 uur ’s middags; het negende uur is ongeveer 3 uur ’s middags. γῆ (ge), ‘land’: ook ‘aarde’. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:45–56; Mark. 15:33–41. Zie ook: Mat 27:45–56; Mar 15:33–41 **23:45** De zon gaf geen licht meer, en de voorhang van het heiligdom scheurde in het midden. Brontekst: τοῦ (tou) = de | ἡλίου (heliou) = zon | ἐκλιπόντος (eklipontos) = ophoudend | ἐσχίσθη (eschisthe) = scheurde | δὲ (de) = maar | τὸ (to) = de | καταπέτασμα (katapetasma) = voorhang | τοῦ (tou) = van het | ναοῦ (naou) = heiligdom | μέσον (meson) = midden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καταπέτασμα (katapetasma), ‘voorhang’: de voorhang in het heiligdom, die het heilige van het hoogheilige scheidt (Exod. 26:31–33). Lucas vertelt de scheuring vóór Yeshua’s dood; Matteüs en Markus erna. τοῦ ἡλίου ἐκλιπόντος (tou heliou eklipontos), ‘de zon gaf geen licht meer’: letterlijk ‘de zon ophield, uitviel’. Zie ook: Ex 26:31–33 **23:46** Yeshua riep met luide stem: **„Vader, in Uw handen vertrouw Ik Mijn geest toe.”** Toen Hij dit gezegd had, blies Hij Zijn laatste adem uit. Brontekst: καὶ (kai) = en | φωνήσας (phonesas) = roepend | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = luide | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Πάτερ (Pater) = Vader | εἰς (eis) = in | χεῖράς (cheiras) = handen | σου (sou) = Uw | παρατίθεμαι (paratithemai) = vertrouw ik toe | τὸ (to) = de | πνεῦμά (pneuma) = geest | μου (mou) = Mijn | τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | εἰπὼν (eipon) = zeggend | ἐξέπνευσεν (exepneusen) = blies de laatste adem uit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit zijn de woorden van Ps. 31:6 (in de Nederlandse telling is dit 31:5): ‘In Uw hand vertrouw ik mijn geest toe.’ παρατίθεμαι (paratithemai), ‘toevertrouwen’. ἐξέπνευσεν (exepneusen), ‘blies de laatste adem uit’: letterlijk ‘ademde uit’. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:50; Mark. 15:37. Zie ook: Ps 31:6; Mat 27:50; Mar 15:37 **23:47** Toen de centurio zag wat er gebeurd was, verheerlijkte hij Elohim en zei: „Werkelijk, deze mens was rechtvaardig.” Brontekst: Ἰδὼν (Idon) = ziende | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | ἑκατοντάρχης (hekatontarches) = centurio | τὸ (to) = het | γενόμενον (genomenon) = gebeurde | ἐδόξαζεν (edoxazen) = verheerlijkte | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | λέγων (legon) = zeggend | Ὄντως (Ontos) = werkelijk | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | οὗτος (houtos) = deze | δίκαιος (dikaios) = rechtvaardig | ἦν (en) = was Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἑκατοντάρχης (hekatontarches), ‘centurio’: een Romeinse officier over ongeveer 100 soldaten. δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardig’: het kan ook ‘onschuldig’ betekenen. Matteüs en Markus hebben hier ‘Zoon van Elohim’ (Matt. 27:54; Mark. 15:39). Zie ook: Mat 27:54; Mar 15:39 **23:48** Alle menigten die voor dit schouwspel waren samengekomen, zagen wat er gebeurd was, sloegen zich op de borst en keerden terug. Brontekst: καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | συμπαραγενόμενοι (symparagenomenoi) = samengekomen | ὄχλοι (ochloi) = menigten | ἐπὶ (epi) = voor | τὴν (ten) = het | θεωρίαν (theorian) = schouwspel | ταύτην (tauten) = dit | θεωρήσαντες (theoresantes) = aanschouwd hebbend | τὰ (ta) = het | γενόμενα (genomena) = gebeurde | τύπτοντες (typtontes) = slaand | τὰ (ta) = de | στήθη (stethe) = borsten | ὑπέστρεφον (hypestrephon) = keerden terug Bron: SBLGNT **23:49** Al Zijn bekenden stonden van veraf, ook de vrouwen die Hem uit Galilea gevolgd waren. Zij zagen dit. Brontekst: εἱστήκεισαν (heistekeisan) = stonden | δὲ (de) = maar | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | γνωστοὶ (gnostoi) = bekenden | αὐτῷ (auto) = aan Hem | μακρόθεν (makrothen) = van veraf | καὶ (kai) = en | γυναῖκες (gynaikes) = vrouwen | αἱ (hai) = die | συνακολουθοῦσαι (synakolouthousai) = meegevolgd waren | αὐτῷ (auto) = Hem | ἀπὸ (apo) = vanaf | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | ὁρῶσαι (horosai) = ziende | ταῦτα (tauta) = deze dingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 27:55–56; Mark. 15:40–41; Joh. 19:25. Zie ook: Mat 27:55–56; Mar 15:40–41; Joh 19:25 ### De begrafenis **23:50** En zie: er was een man met de naam Jozef, lid van de Raad, een goed en rechtvaardig man. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἀνὴρ (aner) = man | ὀνόματι (onomati) = met de naam | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | βουλευτὴς (bouleutes) = lid van de Raad | ὑπάρχων (hyparchon) = zijnde | ἀνὴρ (aner) = man | ἀγαθὸς (agathos) = goed | καὶ (kai) = en | δίκαιος (dikaios) = rechtvaardig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier een lange zin die pas in 23:52 verdergaat (‘Deze ging naar Pilatus’); wij splitsen hem en voegen ‘er was’ toe. βουλευτής (bouleutes), ‘lid van de Raad’: een raadslid, hier van het hoogste Joodse gerechtshof in Jeruzalem. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:57–61; Mark. 15:42–47; Joh. 19:38–42. Zie ook: Mat 27:57–61; Mar 15:42–47; Joh 19:38–42 **23:51** Deze man had niet ingestemd met hun besluit en hun daad. Hij was afkomstig uit Arimatea, een stad van de Joden, en verwachtte het koninkrijk van Elohim. Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | οὐκ (ouk) = niet | ἦν (en) = was | συγκατατεθειμένος (synkatatetheimenos) = ingestemd hebbend | τῇ (te) = met het | βουλῇ (boule) = besluit | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = de | πράξει (praxei) = daad | αὐτῶν (auton) = hun | ἀπὸ (apo) = van | Ἁριμαθαίας (Harimathaias) = Arimatea | πόλεως (poleos) = stad | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ὃς (hos) = die | προσεδέχετο (prosedecheto) = verwachtte | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Arimatea (Ramataim?; ligging onzeker): De ligging van Arimatea is onbekend. Vaak wordt het gelijkgesteld met Ramataim-Sofim (Rama), ongeveer bij Rentis, ten noordoosten van Lod. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Ἁριμαθαία (Arimathaia), ‘Arimatea’: de ligging is onzeker. βουλή (boule), ‘besluit’: het besluit van de Raad om Yeshua ter dood te brengen. προσδέχομαι (prosdechomai), ‘verwachten’: wachten op, uitzien naar. **23:52** Deze man ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Yeshua. Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | προσελθὼν (proselthon) = naderend | τῷ (to) = aan de | Πιλάτῳ (Pilato) = Pilatus | ᾐτήσατο (etesato) = vroeg | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT **23:53** Jozef nam het af, wikkelde het in een linnen doek en legde Hem in een graf dat in de rots uitgehouwen was. Daarin was nog nooit iemand gelegd. Brontekst: καὶ (kai) = en | καθελὼν (kathelon) = afgenomen hebbend | ἐνετύλιξεν (enetylixen) = wikkelde | αὐτὸ (auto) = het | σινδόνι (sindoni) = linnen doek | καὶ (kai) = en | ἔθηκεν (etheken) = legde | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | μνήματι (mnemati) = graf | λαξευτῷ (laxeuto) = uitgehouwen | οὗ (hou) = waar | οὐκ (ouk) = niet | ἦν (en) = was | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | οὔπω (oupo) = nog nooit | κείμενος (keimenos) = gelegd Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: σινδών (sindon), ‘linnen doek’. λαξευτός (laxeutos), ‘uitgehouwen’: uit de rots gehouwen. **23:54** Het was de voorbereidingsdag, en de sabbat brak aan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἡμέρα (hemera) = dag | ἦν (en) = was | παρασκευῆς (paraskeues) = van voorbereiding | καὶ (kai) = en | σάββατον (sabbaton) = sabbat | ἐπέφωσκεν (epephosken) = brak aan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρασκευή (paraskeue), ‘voorbereidingsdag’: de dag voor de sabbat, vrijdag. De Joodse dag begint bij het vallen van de avond; ἐπέφωσκεν (epefosken), letterlijk ‘gaf licht’, wordt gebruikt voor het aanbreken van een nieuwe dag. **23:55** De vrouwen die met Hem uit Galilea waren meegekomen, gingen erachteraan. Zij bekeken het graf en hoe Zijn lichaam werd neergelegd. Brontekst: κατακολουθήσασαι (katakolouthesasai) = gevolgd hebbend | δὲ (de) = maar | αἱ (hai) = de | γυναῖκες (gynaikes) = vrouwen | αἵτινες (haitines) = die | ἦσαν (esan) = waren | συνεληλυθυῖαι (synelelythuiai) = meegekomen | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | αὐτῷ (auto) = Hem | ἐθεάσαντο (etheasanto) = aanschouwden | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | καὶ (kai) = en | ὡς (hos) = hoe | ἐτέθη (etethe) = werd gelegd | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. **23:56** Daarna keerden zij terug en maakten specerijen en zalfolie klaar. Op de sabbat rustten zij volgens het gebod. Brontekst: ὑποστρέψασαι (hypostrepsasai) = teruggekeerd | δὲ (de) = maar | ἡτοίμασαν (hetoimasan) = maakten klaar | ἀρώματα (aromata) = specerijen | καὶ (kai) = en | μύρα (myra) = zalfolie | Καὶ (Kai) = en | τὸ (to) = de | μὲν (men) = wel | σάββατον (sabbaton) = sabbat | ἡσύχασαν (hesychasan) = rustten | κατὰ (kata) = volgens | τὴν (ten) = het | ἐντολήν (entolen) = gebod Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρώματα (aromata), ‘specerijen’; μύρα (myra), ‘zalfolie’. De sabbatsrust komt uit Exod. 20:8–11. Zie ook: Ex 20:8–11 ## Lucas 24 _Het lege graf, de weg naar Emmaüs, de opgestane Yeshua en de hemelvaart_ ### Het lege graf **24:1** Op de eerste dag van de week gingen zij heel vroeg in de morgen naar het graf, met de specerijen die zij klaargemaakt hadden. Brontekst: τῇ (te) = op de | δὲ (de) = maar | μιᾷ (mia) = eerste | τῶν (ton) = van de | σαββάτων (sabbaton) = week | ὄρθρου (orthrou) = in de vroege morgen | βαθέως (batheos) = diep | ἐπὶ (epi) = naar | τὸ (to) = het | μνῆμα (mnema) = graf | ἦλθον (elthon) = gingen | φέρουσαι (pherousai) = brengend | ἃ (ha) = die | ἡτοίμασαν (hetoimasan) = hadden klaargemaakt | ἀρώματα (aromata) = specerijen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: τῇ μιᾷ τῶν σαββάτων (te mia ton sabbaton), letterlijk ‘op de eerste van de sabbatten’: de eerste dag van de week, de dag na de sabbat. ἄρωμα (aroma), ‘specerij’: geurige stoffen waarmee men een lichaam verzorgde. Voetnoot : Zie ook Matt. 28:1–8; Mark. 16:1–8; Joh. 20:1–10. Zie ook: Mat 28:1–8; Mar 16:1–8; Joh 20:1–10 **24:2** Zij vonden de steen van het graf weggerold. Brontekst: εὗρον (heuron) = vonden | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = de | λίθον (lithon) = steen | ἀποκεκυλισμένον (apokekylismenon) = weggerold | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | μνημείου (mnemeiou) = graf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. **24:3** Zij gingen naar binnen, maar vonden het lichaam niet. Brontekst: εἰσελθοῦσαι (eiselthousai) = binnengegaan | δὲ (de) = maar | οὐχ (ouch) = niet | εὗρον (heuron) = vonden | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier ‘het lichaam van de Heer Yeshua’; de SBLGNT heeft alleen ‘het lichaam’. **24:4** Terwijl zij hierover in verwarring waren, zie: twee mannen in flitsende kleding kwamen bij hen staan. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ἀπορεῖσθαι (aporeisthai) = in verwarring zijn | αὐτὰς (autas) = zij | περὶ (peri) = over | τούτου (toutou) = dit | καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἄνδρες (andres) = mannen | δύο (dyo) = twee | ἐπέστησαν (epestesan) = kwamen staan | αὐταῖς (autais) = bij hen | ἐν (en) = in | ἐσθῆτι (estheti) = kleding | ἀστραπτούσῃ (astraptouse) = flitsend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀστράπτω (astrapto), ‘flitsen’: als een bliksem schitteren. De twee mannen heten in 24:23 ‘engelen’. Vergelijk Matt. 28:2–3; Mark. 16:5; Joh. 20:12. Zie ook: Mat 28:2–3; Mar 16:5; Joh 20:12 **24:5** Zij werden bang en bogen hun gezicht naar de grond. De mannen zeiden tegen hen: „Waarom zoeken jullie de levende bij de doden? Brontekst: ἐμφόβων (emphobon) = bevreesd | δὲ (de) = maar | γενομένων (genomenon) = geworden | αὐτῶν (auton) = zij | καὶ (kai) = en | κλινουσῶν (klinouson) = buigend | τὰ (ta) = het | πρόσωπα (prosopa) = gezicht | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = grond | εἶπαν (eipan) = zeiden | πρὸς (pros) = tegen | αὐτάς (autas) = hen | Τί (Ti) = waarom | ζητεῖτε (zeteite) = zoeken jullie | τὸν (ton) = de | ζῶντα (zonta) = levende | μετὰ (meta) = bij | τῶν (ton) = de | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier alleen ‘zij zeiden’; wij schrijven ‘de mannen’, omdat anders niet duidelijk is wie spreekt. **24:6** Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt. Denk eraan hoe Hij tot jullie sprak toen Hij nog in Galilea was, Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ὧδε (hode) = hier | ἀλλὰ (alla) = maar | ἠγέρθη (egerthe) = is opgewekt | μνήσθητε (mnesthete) = herinner jullie | ὡς (hos) = hoe | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | ὑμῖν (hymin) = tot jullie | ἔτι (eti) = nog | ὢν (on) = zijnde | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Γαλιλαίᾳ (Galilaia) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Vergelijk Luc. 9:22 en Luc. 18:31–33, waar Yeshua Zijn lijden en opstanding aankondigt. Voetnoot : Zie ook Matt. 28:5–7; Mark. 16:6–7. Zie ook: Mat 28:5–7; Mar 16:6–7; Luc 9:22; Luc 18:31–33 **24:7** en zei dat de Mensenzoon moest worden overgeleverd in de handen van zondige mensen, gekruisigd moest worden en op de derde dag moest opstaan.” Brontekst: λέγων (legon) = zeggend | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ὅτι (hoti) = dat | δεῖ (dei) = moet | παραδοθῆναι (paradothenai) = worden overgeleverd | εἰς (eis) = in | χεῖρας (cheiras) = handen | ἀνθρώπων (anthropon) = van mensen | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = zondige | καὶ (kai) = en | σταυρωθῆναι (staurothenai) = gekruisigd worden | καὶ (kai) = en | τῇ (te) = op de | τρίτῃ (trite) = derde | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἀναστῆναι (anastenai) = opstaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 5:24. ἀναστῆναι (anastenai), ‘opstaan’: een ander woord dan ἠγέρθη (egerthe), ‘is opgewekt’ in 24:6. **24:8** Zij herinnerden zich Zijn woorden. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμνήσθησαν (emnesthesan) = herinnerden zich | τῶν (ton) = de | ῥημάτων (rhematon) = woorden | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **24:9** Zij keerden terug van het graf en meldden dit alles aan de elf en aan alle anderen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑποστρέψασαι (hypostrepsasai) = teruggekeerd | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = het | μνημείου (mnemeiou) = graf | ἀπήγγειλαν (apengeilan) = meldden | ταῦτα (tauta) = deze dingen | πάντα (panta) = alle | τοῖς (tois) = aan de | ἕνδεκα (hendeka) = elf | καὶ (kai) = en | πᾶσιν (pasin) = aan allen | τοῖς (tois) = de | λοιποῖς (loipois) = overigen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. **24:10** Het waren Maria Magdalena, Johanna, Maria, de moeder van Jakobus, en de overige vrouwen met hen. Zij zeiden dit tegen de apostelen. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = en | ἡ (he) = de | Μαγδαληνὴ (Magdalene) = Magdalena | Μαρία (Maria) = Maria | καὶ (kai) = en | Ἰωάννα (Ioanna) = Johanna | καὶ (kai) = en | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | Ἰακώβου (Iakobou) = van Jakobus | καὶ (kai) = en | αἱ (hai) = de | λοιπαὶ (loipai) = overige | σὺν (syn) = met | αὐταῖς (autais) = hen | ἔλεγον (elegon) = zeiden | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | ἀποστόλους (apostolous) = apostelen | ταῦτα (tauta) = deze dingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft alleen ‘Maria van Jakobus’; wij vullen ‘de moeder’ aan, zoals in Mark. 16:1. Over Johanna zie Luc. 8:3. Zie ook: Mar 16:1; Luc 8:3 **24:11** Deze woorden kwamen hun voor als onzin, en zij geloofden de vrouwen niet. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐφάνησαν (ephanesan) = verschenen | ἐνώπιον (enopion) = voor | αὐτῶν (auton) = hen | ὡσεὶ (hosei) = als | λῆρος (leros) = onzin | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ταῦτα (tauta) = deze | καὶ (kai) = en | ἠπίστουν (epistoun) = geloofden niet | αὐταῖς (autais) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λῆρος (leros), ‘onzin’: een zeldzaam woord voor praat zonder zin. ἀπιστέω (apisteo), ‘niet geloven’. **24:12** Maar Petrus stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich, zag alleen de linnen doeken liggen en ging weg, bij zichzelf verwonderd over wat er gebeurd was. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | δὲ (de) = maar | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἀναστὰς (anastas) = opgestaan | ἔδραμεν (edramen) = rende | ἐπὶ (epi) = naar | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | καὶ (kai) = en | παρακύψας (parakypsas) = bukkend | βλέπει (blepei) = ziet | τὰ (ta) = de | ὀθόνια (othonia) = linnen doeken | μόνα (mona) = alleen | καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | πρὸς (pros) = bij | αὑτὸν (hauton) = zichzelf | θαυμάζων (thaumazon) = verwonderd | τὸ (to) = het | γεγονός (gegonos) = gebeurde Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: πρὸς ἑαυτόν (pros heauton), ‘bij zichzelf’: het kan ook ‘naar huis’ betekenen. Wij lezen: verwonderd bij zichzelf. Voetnoot : Zie ook Joh. 20:3–10. Voetnoot Lezing: In sommige oude handschriften ontbreekt dit vers. Wij vertalen het zoals de SBLGNT. Zie ook: Joh 20:3–10 ### Op weg naar Emmaüs **24:13** En zie: twee van hen waren op diezelfde dag op weg naar een dorp dat 60 stadiën van Jeruzalem lag en Emmaüs heette. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | δύο (dyo) = twee | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | ἐν (en) = op | αὐτῇ (aute) = diezelfde | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἦσαν (esan) = waren | πορευόμενοι (poreuomenoi) = gaand | εἰς (eis) = naar | κώμην (komen) = dorp | ἀπέχουσαν (apechousan) = liggend | σταδίους (stadious) = stadiën | ἑξήκοντα (hexekonta) = zestig | ἀπὸ (apo) = van | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | ᾗ (he) = welk | ὄνομα (onoma) = naam | Ἐμμαοῦς (Emmaous) = Emmaüs Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Emmaüs (ligging onzeker): De ligging van Emmaüs is onzeker. Het lag 60 stadiën (ongeveer 11 km) van Jeruzalem; voorgesteld worden onder meer Qaloniya/Motza en Abu Gosh (westelijk van Jeruzalem). Imwas (Emmaüs-Nikopolis) ligt op ongeveer 30 km. Dit punt is een gok. Voetnoot Uitleg: Ἐμμαοῦς (Emmaous), ‘Emmaüs’: de ligging is onzeker. στάδιον (stadion), ‘stadie’: ongeveer 185 meter; 60 stadiën is dus ongeveer 11 kilometer. Voetnoot : Zie ook Mark. 16:12–13. Zie ook: Mar 16:12–13 **24:14** Zij spraken met elkaar over alles wat er gebeurd was. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | ὡμίλουν (homiloun) = spraken | πρὸς (pros) = met | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | περὶ (peri) = over | πάντων (panton) = alle | τῶν (ton) = de | συμβεβηκότων (symbebekoton) = gebeurde | τούτων (touton) = deze Bron: SBLGNT **24:15** Terwijl zij spraken en overlegden, kwam Yeshua zelf bij hen en liep met hen mee. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | ὁμιλεῖν (homilein) = spreken | αὐτοὺς (autous) = zij | καὶ (kai) = en | συζητεῖν (syzetein) = overleggen | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐγγίσας (engisas) = genaderd | συνεπορεύετο (syneporeueto) = liep mee | αὐτοῖς (autois) = met hen Bron: SBLGNT **24:16** Maar hun ogen werden tegengehouden, zodat zij Hem niet herkenden. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ὀφθαλμοὶ (ophthalmoi) = ogen | αὐτῶν (auton) = hun | ἐκρατοῦντο (ekratounto) = werden tegengehouden | τοῦ (tou) = om | μὴ (me) = niet | ἐπιγνῶναι (epignonai) = te herkennen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκρατοῦντο (ekratounto), ‘werden tegengehouden’: de lijdende vorm; de tekst zegt niet door wie of wat. Vergelijk Luc. 24:31, waar hun ogen geopend worden. Zie ook: Luc 24:31 **24:17** Hij zei tegen hen: **„Wat zijn dit voor woorden die jullie onder het lopen met elkaar wisselen?”** Zij bleven somber staan. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Τίνες (Tines) = welke | οἱ (hoi) = de | λόγοι (logoi) = woorden | οὗτοι (houtoi) = deze | οὓς (hous) = die | ἀντιβάλλετε (antiballete) = wisselen jullie | πρὸς (pros) = met | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | περιπατοῦντες (peripatountes) = wandelend | καὶ (kai) = en | ἐστάθησαν (estathesan) = bleven staan | σκυθρωποί (skythropoi) = somber Bron: SBLGNT **24:18** Een van hen, Kleopas genaamd, antwoordde Hem: „Bent u als enige een vreemdeling in Jeruzalem? Weet u niet wat daar in deze dagen gebeurd is?” Brontekst: ἀποκριθεὶς (apokritheis) = antwoordend | δὲ (de) = maar | εἷς (heis) = een | ὀνόματι (onomati) = met de naam | Κλεοπᾶς (Kleopas) = Kleopas | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = Hem | Σὺ (Sy) = u | μόνος (monos) = alleen | παροικεῖς (paroikeis) = verblijft als vreemdeling | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνως (egnos) = weet | τὰ (ta) = de | γενόμενα (genomena) = gebeurde | ἐν (en) = in | αὐτῇ (aute) = haar | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ταύταις (tautais) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: παροικέω (paroikeo), ‘als vreemdeling verblijven’. De twee herkennen Hem niet (24:16); daarom spreken zij Hem aan met ‘u’ in kleine letter. **24:19** Hij zei tegen hen: **„Wat voor dingen?”** Zij zeiden tegen Hem: „Wat er met Yeshua de Nazarener gebeurd is. Hij was een man, een profeet, machtig in daad en woord voor Elohim en voor het hele volk. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ποῖα (Poia) = wat voor | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Τὰ (Ta) = de | περὶ (peri) = over | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | τοῦ (tou) = de | Ναζαρηνοῦ (Nazarenou) = Nazarener | ὃς (hos) = die | ἐγένετο (egeneto) = werd | ἀνὴρ (aner) = man | προφήτης (prophetes) = profeet | δυνατὸς (dynatos) = machtig | ἐν (en) = in | ἔργῳ (ergo) = daad | καὶ (kai) = en | λόγῳ (logo) = woord | ἐναντίον (enantion) = voor | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | παντὸς (pantos) = heel | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζαρηνός (Nazarenos), ‘Nazarener’: iemand uit Nazaret; vergelijk Mark. 14:67. Zie ook: Mar 14:67 **24:20** En hoe onze hogepriesters en leiders Hem hebben overgeleverd tot een doodvonnis en Hem hebben gekruisigd. Brontekst: ὅπως (hopos) = hoe | τε (te) = en | παρέδωκαν (paredokan) = overleverden | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἄρχοντες (archontes) = leiders | ἡμῶν (hemon) = onze | εἰς (eis) = tot | κρίμα (krima) = doodvonnis | θανάτου (thanatou) = van de dood | καὶ (kai) = en | ἐσταύρωσαν (estaurosan) = kruisigden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **24:21** Wij hoopten dat Hij het was die Israël zou vrijkopen. Maar bij dit alles is het nu al de derde dag sinds dit gebeurd is. Brontekst: ἡμεῖς (hemeis) = wij | δὲ (de) = maar | ἠλπίζομεν (elpizomen) = hoopten | ὅτι (hoti) = dat | αὐτός (autos) = Hij | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | μέλλων (mellon) = gaande | λυτροῦσθαι (lytrousthai) = vrij te kopen | τὸν (ton) = het | Ἰσραήλ (Israel) = Israël | ἀλλά (alla) = maar | γε (ge) = zeker | καὶ (kai) = ook | σὺν (syn) = bij | πᾶσιν (pasin) = alles | τούτοις (toutois) = dit | τρίτην (triten) = derde | ταύτην (tauten) = deze | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἄγει (agei) = brengt | ἀφ’ (aph’) = sinds | οὗ (hou) = wanneer | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ἐγένετο (egeneto) = gebeurden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λυτρόω (lytroo), ‘vrijkopen’: van λύτρον (lytron), ‘losgeld’ (Mark. 10:45). Het Hebreeuwse pada betekent ‘vrijkopen’. Zie ook: Mar 10:45 **24:22** Maar ook hebben enkele vrouwen uit onze kring ons verbijsterd. Zij waren vroeg in de morgen bij het graf geweest Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | γυναῖκές (gynaikes) = vrouwen | τινες (tines) = enkele | ἐξ (ex) = uit | ἡμῶν (hemon) = ons | ἐξέστησαν (exestesan) = verbijsterden | ἡμᾶς (hemas) = ons | γενόμεναι (genomenai) = geworden | ὀρθριναὶ (orthrinai) = vroeg in de morgen | ἐπὶ (epi) = bij | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ἐξίστημι (existemi), ‘verbijsteren’: letterlijk ‘buiten zinnen brengen’. **24:23** en hadden Zijn lichaam niet gevonden. Zij kwamen en zeiden dat zij ook een verschijning van engelen hadden gezien, die zeggen dat Hij leeft. Brontekst: καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | εὑροῦσαι (heurousai) = gevonden hebbend | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἦλθον (elthon) = kwamen | λέγουσαι (legousai) = zeggend | καὶ (kai) = ook | ὀπτασίαν (optasian) = verschijning | ἀγγέλων (angelon) = van engelen | ἑωρακέναι (heorakenai) = gezien te hebben | οἳ (hoi) = die | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτὸν (auton) = Hem | ζῆν (zen) = te leven Bron: SBLGNT **24:24** Enkelen van ons zijn naar het graf gegaan en vonden het zo, zoals de vrouwen ook gezegd hadden. Maar Hem hebben zij niet gezien.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀπῆλθόν (apelthon) = gingen weg | τινες (tines) = enkelen | τῶν (ton) = van de | σὺν (syn) = met | ἡμῖν (hemin) = ons | ἐπὶ (epi) = naar | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | καὶ (kai) = en | εὗρον (heuron) = vonden | οὕτως (houtos) = zo | καθὼς (kathos) = zoals | καὶ (kai) = ook | αἱ (hai) = de | γυναῖκες (gynaikes) = vrouwen | εἶπον (eipon) = zeiden | αὐτὸν (auton) = Hem | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | εἶδον (eidon) = zagen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. **24:25** Hij zei tegen hen: **„O onverstandigen, traag van hart om te geloven in alles wat de profeten gesproken hebben!** Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hij | εἶπεν (eipen) = zei | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Ὦ (O) = o | ἀνόητοι (anoetoi) = onverstandigen | καὶ (kai) = en | βραδεῖς (bradeis) = traag | τῇ (te) = van het | καρδίᾳ (kardia) = hart | τοῦ (tou) = het | πιστεύειν (pisteuein) = geloven | ἐπὶ (epi) = in | πᾶσιν (pasin) = alles | οἷς (hois) = wat | ἐλάλησαν (elalesan) = spraken | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten Bron: SBLGNT **24:26** **Moest de Messias dit niet lijden en binnengaan in Zijn heerlijkheid?”** Brontekst: οὐχὶ (ouchi) = niet | ταῦτα (tauta) = dit | ἔδει (edei) = moest | παθεῖν (pathein) = lijden | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | καὶ (kai) = en | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnengaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **24:27** Beginnend bij Mozes en bij alle profeten legde Hij hun uit wat er in alle Schriften over Hemzelf staat. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀρξάμενος (arxamenos) = beginnend | ἀπὸ (apo) = bij | Μωϋσέως (Moyseos) = Mozes | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = bij | πάντων (panton) = alle | τῶν (ton) = de | προφητῶν (propheton) = profeten | διερμήνευσεν (diermeneusen) = legde uit | αὐτοῖς (autois) = hun | ἐν (en) = in | πάσαις (pasais) = alle | ταῖς (tais) = de | γραφαῖς (graphais) = Schriften | τὰ (ta) = de dingen | περὶ (peri) = over | ἑαυτοῦ (heautou) = Hemzelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet welke teksten uit de Schriften Hij uitlegde. **24:28** Zij kwamen dicht bij het dorp waar zij heen gingen, en Hij deed alsof Hij verder wilde gaan. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἤγγισαν (engisan) = naderden | εἰς (eis) = tot | τὴν (ten) = het | κώμην (komen) = dorp | οὗ (hou) = waar | ἐπορεύοντο (eporeuonto) = gingen zij | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | προσεποιήσατο (prosepoiesato) = deed alsof | πορρώτερον (porroteron) = verder | πορεύεσθαι (poreuesthai) = te gaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσποιέομαι (prospoieomai), ‘doen alsof’: de tekst zegt niet waarom Hij zo deed. **24:29** Zij drongen bij Hem aan: „Blijf bij ons. Want het loopt tegen de avond en de dag helt al over.” Hij ging naar binnen om bij hen te blijven. Brontekst: καὶ (kai) = en | παρεβιάσαντο (parebiasanto) = drongen aan | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Μεῖνον (Meinon) = blijf | μεθ’ (meth’) = bij | ἡμῶν (hemon) = ons | ὅτι (hoti) = want | πρὸς (pros) = naar | ἑσπέραν (hesperan) = avond | ἐστὶν (estin) = is | καὶ (kai) = en | κέκλικεν (kekliken) = helt over | ἤδη (ede) = al | ἡ (he) = de | ἡμέρα (hemera) = dag | καὶ (kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | τοῦ (tou) = om | μεῖναι (meinai) = te blijven | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT **24:30** Toen Hij met hen aan tafel lag, nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan hen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | κατακλιθῆναι (kataklithenai) = aan tafel liggen | αὐτὸν (auton) = Hij | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | λαβὼν (labon) = nemend | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | εὐλόγησεν (eulogesen) = sprak de zegen uit | καὶ (kai) = en | κλάσας (klasas) = brekend | ἐπεδίδου (epedidou) = gaf | αὐτοῖς (autois) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐλογέω (eulogeo), ‘de zegen uitspreken’: over het brood, zoals bij een maaltijd gebruikelijk. Vergelijk Luc. 22:19. Zie ook: Luc 22:19 **24:31** Hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem. Toen werd Hij onzichtbaar voor hen. Brontekst: αὐτῶν (auton) = hun | δὲ (de) = maar | διηνοίχθησαν (dienoichthesan) = werden geopend | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοὶ (ophthalmoi) = ogen | καὶ (kai) = en | ἐπέγνωσαν (epegnosan) = herkenden | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | ἄφαντος (aphantos) = onzichtbaar | ἐγένετο (egeneto) = werd | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διανοίγω (dianoigo), ‘openen’: staat ook in 24:32 en 24:45. **24:32** Zij zeiden tegen elkaar: „Brandde ons hart niet in ons toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | πρὸς (pros) = tegen | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | Οὐχὶ (Ouchi) = niet | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | ἡμῶν (hemon) = ons | καιομένη (kaiomene) = brandend | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | ἡμῖν (hemin) = ons | ὡς (hos) = toen | ἐλάλει (elalei) = sprak | ἡμῖν (hemin) = tot ons | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | ὡς (hos) = toen | διήνοιγεν (dienoigen) = opende | ἡμῖν (hemin) = ons | τὰς (tas) = de | γραφάς (graphas) = Schriften Bron: SBLGNT **24:33** Op datzelfde uur stonden zij op en keerden terug naar Jeruzalem. Daar vonden zij de elf bijeen, en degenen die bij hen waren. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἀναστάντες (anastantes) = opgestaan | αὐτῇ (aute) = op dat | τῇ (te) = zelfde | ὥρᾳ (hora) = uur | ὑπέστρεψαν (hypestrepsan) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem | καὶ (kai) = en | εὗρον (heuron) = vonden | ἠθροισμένους (ethroismenous) = bijeengebracht | τοὺς (tous) = de | ἕνδεκα (hendeka) = elf | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | σὺν (syn) = met | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: οἱ ἕνδεκα (hoi hendeka), ‘de elf’: de twaalf zonder Judas. Zie ook Mark. 16:14. Zie ook: Mar 16:14 **24:34** Die zeiden: „De Heer is werkelijk opgewekt en aan Simon verschenen.” Brontekst: λέγοντας (legontas) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | ὄντως (ontos) = werkelijk | ἠγέρθη (egerthe) = is opgewekt | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | καὶ (kai) = en | ὤφθη (ophthe) = verscheen | Σίμωνι (Simoni) = aan Simon Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Simon is Simon Petrus. Zie ook 1 Kor. 15:5. Zie ook: 1 Kor 15:5 **24:35** Ook zij vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het brood. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἐξηγοῦντο (exegounto) = vertelden | τὰ (ta) = de dingen | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ὁδῷ (hodo) = weg | καὶ (kai) = en | ὡς (hos) = hoe | ἐγνώσθη (egnosthe) = werd herkend | αὐτοῖς (autois) = door hen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | κλάσει (klasei) = breken | τοῦ (tou) = van het | ἄρτου (artou) = brood Bron: SBLGNT ### Yeshua verschijnt aan de leerlingen **24:36** Terwijl zij hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden. Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = dit | δὲ (de) = maar | αὐτῶν (auton) = zij | λαλούντων (lalounton) = sprekend | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | ἔστη (este) = stond | ἐν (en) = in | μέσῳ (meso) = midden | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Joh. 20:19–23; Mark. 16:14. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgen hier de woorden ‘En Hij zei tegen hen: Vrede voor jullie’ (vergelijk Joh. 20:19); de SBLGNT heeft ze niet. Zie ook: Mar 16:14; Joh 20:19–23 **24:37** Zij schrokken en werden bang, en dachten een geest te zien. Brontekst: πτοηθέντες (ptoethentes) = verschrikt | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = en | ἔμφοβοι (emphoboi) = bevreesd | γενόμενοι (genomenoi) = geworden | ἐδόκουν (edokoun) = dachten | πνεῦμα (pneuma) = geest | θεωρεῖν (theorein) = te zien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier de geest van een gestorvene, geen Heilige Geest; daarom met kleine letter. **24:38** Hij zei tegen hen: **„Waarom zijn jullie ontsteld, en waarom komen er twijfels in jullie hart op?** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τί (Ti) = waarom | τεταραγμένοι (tetaragmenoi) = ontsteld | ἐστέ (este) = zijn jullie | καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = om | τί (ti) = wat | διαλογισμοὶ (dialogismoi) = overwegingen | ἀναβαίνουσιν (anabainousin) = komen op | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | καρδίᾳ (kardia) = hart | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διαλογισμός (dialogismos), ‘overweging’: wat iemand bij zichzelf overlegt; hier gaat het om twijfel. **24:39** **Kijk naar Mijn handen en Mijn voeten: Ik ben het zelf. Raak Mij aan en kijk, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals jullie zien dat Ik die heb.”** Brontekst: ἴδετε (idete) = kijk | τὰς (tas) = de | χεῖράς (cheiras) = handen | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | μου (mou) = Mijn | ὅτι (hoti) = dat | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | αὐτός (autos) = zelf | ψηλαφήσατέ (pselaphesate) = raak aan | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | ἴδετε (idete) = kijk | ὅτι (hoti) = dat | πνεῦμα (pneuma) = geest | σάρκα (sarka) = vlees | καὶ (kai) = en | ὀστέα (ostea) = beenderen | οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft | καθὼς (kathos) = zoals | ἐμὲ (eme) = Mij | θεωρεῖτε (theoreite) = jullie zien | ἔχοντα (echonta) = hebbend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψηλαφάω (psilafao), ‘aanraken, betasten’. Zie ook Joh. 20:20, 20:27. Zie ook: Joh 20:20; Joh 20:27 **24:40** Nadat Hij dit gezegd had, liet Hij hun Zijn handen en Zijn voeten zien. Brontekst: καὶ (kai) = en | τοῦτο (touto) = dit | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | ἔδειξεν (edeixen) = liet zien | αὐτοῖς (autois) = hun | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: De SBLGNT zet dit vers tussen rechte haken. In sommige oude handschriften ontbreekt het. Wij vertalen het. **24:41** Terwijl zij van vreugde nog steeds niet geloofden en zich verwonderden, zei Hij tegen hen: **„Hebben jullie hier iets te eten?”** Brontekst: ἔτι (eti) = nog | δὲ (de) = maar | ἀπιστούντων (apistounton) = ongelovig zijnd | αὐτῶν (auton) = zij | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = de | χαρᾶς (charas) = vreugde | καὶ (kai) = en | θαυμαζόντων (thaumazonton) = zich verwonderend | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἔχετέ (Echete) = hebben jullie | τι (ti) = iets | βρώσιμον (brosimon) = eetbaars | ἐνθάδε (enthade) = hier Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χαρά (chara), ‘vreugde’: ook in 24:52. **24:42** Zij gaven Hem een stuk gebraden vis. Brontekst: οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἐπέδωκαν (epedokan) = gaven | αὐτῷ (auto) = Hem | ἰχθύος (ichthyos) = van vis | ὀπτοῦ (optou) = gebraden | μέρος (meros) = stuk Bron: SBLGNT **24:43** Hij nam het en at het voor hun ogen. Brontekst: καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | ἐνώπιον (enopion) = voor | αὐτῶν (auton) = hun ogen | ἔφαγεν (ephagen) = at Bron: SBLGNT ### De opdracht en de belofte **24:44** Hij zei tegen hen: **„Dit zijn Mijn woorden die Ik tot jullie sprak toen Ik nog bij jullie was. Alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes, de profeten en de psalmen, moet vervuld worden.”** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | Οὗτοι (Houtoi) = dit | οἱ (hoi) = de | λόγοι (logoi) = woorden | μου (mou) = Mijn | οὓς (hous) = die | ἐλάλησα (elalesa) = sprak Ik | πρὸς (pros) = tot | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἔτι (eti) = nog | ὢν (on) = zijnde | σὺν (syn) = met | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | δεῖ (dei) = moet | πληρωθῆναι (plerothenai) = vervuld worden | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = het | γεγραμμένα (gegrammena) = geschrevene | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | νόμῳ (nomo) = wet | Μωϋσέως (Moyseos) = van Mozes | καὶ (kai) = en | προφήταις (prophetais) = profeten | καὶ (kai) = en | ψαλμοῖς (psalmois) = psalmen | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Hier staan de drie delen van de Schriften van Israël naast elkaar: de wet (Torah), de profeten en de psalmen. **24:45** Toen opende Hij hun verstand om de Schriften te begrijpen. Brontekst: τότε (tote) = toen | διήνοιξεν (dienoixen) = opende | αὐτῶν (auton) = hun | τὸν (ton) = het | νοῦν (noun) = verstand | τοῦ (tou) = om | συνιέναι (synienai) = te begrijpen | τὰς (tas) = de | γραφάς (graphas) = Schriften Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νοῦς (nous), ‘verstand’: het vermogen om te begrijpen. **24:46** Hij zei tegen hen: **„Zo staat geschreven dat de Messias zou lijden en op de derde dag uit de doden zou opstaan,** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὅτι (hoti) = dat | οὕτως (houtos) = zo | γέγραπται (gegraptai) = is geschreven | παθεῖν (pathein) = lijden | τὸν (ton) = de | χριστὸν (christon) = Messias | καὶ (kai) = en | ἀναστῆναι (anastenai) = opstaan | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | τῇ (te) = op de | τρίτῃ (trite) = derde | ἡμέρᾳ (hemera) = dag Bron: SBLGNT **24:47** **en dat in Zijn naam bekering en vergeving van zonden verkondigd zou worden aan alle volken, te beginnen in Jeruzalem.** Brontekst: καὶ (kai) = en | κηρυχθῆναι (kerychthenai) = verkondigd worden | ἐπὶ (epi) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | μετάνοιαν (metanoian) = bekering | καὶ (kai) = en | ἄφεσιν (aphesin) = vergeving | ἁμαρτιῶν (hamartion) = van zonden | εἰς (eis) = tot | πάντα (panta) = alle | τὰ (ta) = de | ἔθνη (ethne) = volken | ἀρξάμενοι (arxamenoi) = beginnend | ἀπὸ (apo) = vanaf | Ἰερουσαλήμ (Ierousalem) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 28:19–20; Mark. 16:15. μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: zie 3:3. ἀρξάμενοι (arxamenoi), ‘te beginnen’: de vorm is meervoud en kan bij ‘jullie’ in 24:48 horen (‘jullie, beginnend in Jeruzalem, zijn getuigen’). Zie ook: Mat 28:19–20; Mar 16:15 **24:48** **Jullie zijn getuigen hiervan.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐστε (este) = zijn | μάρτυρες (martyres) = getuigen | τούτων (touton) = hiervan Bron: SBLGNT **24:49** **En zie, Ik zend de belofte van Mijn Vader op jullie. Blijf in de stad totdat jullie bekleed worden met kracht uit de hoogte.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἰδοὺ (idou) = zie | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐξαποστέλλω (exapostello) = zend | τὴν (ten) = de | ἐπαγγελίαν (epangelian) = belofte | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | ἐφ’ (eph’) = op | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | καθίσατε (kathisate) = blijf | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | πόλει (polei) = stad | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = wanneer | ἐνδύσησθε (endysesthe) = bekleed worden | ἐξ (ex) = uit | ὕψους (hypsous) = hoogte | δύναμιν (dynamin) = kracht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπαγγελία (epangelia), ‘belofte’. ἐξαποστέλλω (exapostello), ‘zenden’. De tekst noemt niet wat de belofte van de Vader is; zie Hand. 1:4–5. ὕψος (hypsos), ‘hoogte’: de hemel. Zie ook: Hand 1:4–5 ### De hemelvaart **24:50** Hij leidde hen naar buiten, tot bij Betanië, hief Zijn handen op en zegende hen. Brontekst: Ἐξήγαγεν (Exegagen) = leidde naar buiten | δὲ (de) = maar | αὐτοὺς (autous) = hen | ἕως (heos) = tot | πρὸς (pros) = naar | Βηθανίαν (Bethanian) = Betanië | καὶ (kai) = en | ἐπάρας (eparas) = opheffend | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εὐλόγησεν (eulogesen) = zegende | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Vergelijk Lev. 9:22, waar Aäron zijn handen opheft en het volk zegent. Voetnoot : Zie ook Mark. 16:19–20; Hand. 1:9–12. Zie ook: Lev 9:22; Mar 16:19–20; Hand 1:9–12 **24:51** Terwijl Hij hen zegende, scheidde Hij van hen en werd omhooggedragen naar de hemel. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | εὐλογεῖν (eulogein) = zegenen | αὐτὸν (auton) = Hij | αὐτοὺς (autous) = hen | διέστη (dieste) = scheidde | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | ἀνεφέρετο (anephereto) = werd omhooggedragen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανόν (ouranon) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναφέρω (anafero), ‘omhoogdragen’: letterlijk ‘omhoog brengen’; zie ook Mark. 16:19 en Hand. 1:9–11. Voetnoot Lezing: De SBLGNT zet de woorden ‘en werd omhooggedragen naar de hemel’ tussen rechte haken. In sommige oude handschriften ontbreken ze. Wij vertalen ze. Zie ook: Mar 16:19; Hand 1:9–11 **24:52** Zij bogen zich voor Hem neer en keerden met grote vreugde terug naar Jeruzalem. Brontekst: καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | προσκυνήσαντες (proskynesantes) = zich neerbuigend | αὐτὸν (auton) = voor Hem | ὑπέστρεψαν (hypestrepsan) = keerden terug | εἰς (eis) = naar | Ἰερουσαλὴμ (Ierousalem) = Jeruzalem | μετὰ (meta) = met | χαρᾶς (charas) = vreugde | μεγάλης (megales) = grote Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’. Voetnoot Lezing: De SBLGNT zet de woorden over het zich neerbuigen voor Hem tussen rechte haken. In sommige oude handschriften ontbreken ze. Wij vertalen ze. **24:53** Zij waren voortdurend in de tempel en zegenden Elohim. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦσαν (esan) = waren | διὰ (dia) = door | παντὸς (pantos) = voortdurend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | εὐλογοῦντες (eulogountes) = zegenend | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’: Elohim zegenen is Hem prijzen (vergelijk Ps. 103:1). Zie ook: Ps 103:1