# Leviticus (ויקרא, Vayikra) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Leviticus 1 _Het brandoffer_ ### Yahweh spreekt vanuit de tent van samenkomst **1:1** Yahweh riep Mozes en sprak vanuit de tent van samenkomst tot hem: Brontekst: וַיִּקְרָ֖א (vayiqra) = en Hij riep | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | מֵאֹ֥הֶל (meohel) = vanuit de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit boek heet in het Hebreeuws וַיִּקְרָא (wajjiqra), ‘en Hij riep’, naar het eerste woord. Aan het einde van Exodus vulde de heerlijkheid van Yahweh de tabernakel, zodat Mozes niet naar binnen kon (Exod. 40:34–35). Nu roept Yahweh hem en spreekt Hij vanuit de tent. Zie ook: Ex 19:3; Ex 25:22; Ex 29:42; Ex 40:34–35; Num 7:89 **1:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Wanneer iemand van jullie een offergave voor Yahweh brengt, moet die van het vee zijn. Van het rundvee of van het kleinvee.** Brontekst: דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | אָדָ֗ם (adam) = een mens | כִּֽי (ki) = wanneer | יַקְרִ֥יב (yaqriv) = hij brengt | מִכֶּ֛ם (mikem) = van jullie | קָרְבָּ֖ן (qarban) = een offergave | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | מִן (min) = van | הַבְּהֵמָ֗ה (habehema) = het vee | מִן (min) = van | הַבָּקָר֙ (habaqar) = het rundvee | וּמִן (umin) = en van | הַצֹּ֔אן (hatson) = het kleinvee | תַּקְרִ֖יבוּ (taqrivu) = zullen jullie brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבַּנְכֶֽם (qarbankhem) = jullie offergave Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָרְבָּן (qorban), ‘offergave’: wat iemand bij Yahweh in de buurt brengt, van het werkwoord קָרַב (qarav), ‘dichtbij komen’. Het is de verzamelnaam voor alle offers in Lev. 1–7. Voetnoot : צֹאן (tson), ‘kleinvee’: schapen en geiten (vers 10). Voetnoot : De toespraak die hier begint, loopt door tot en met Lev. 3:17. In Lev. 4:1 begint een nieuwe toespraak. Zie ook: Gen 4:5; Lev 1:10; Lev 3:17; Lev 4:1; Lev 22:18–19; 1 Kron 16:29; Rom 12:6; Ef 5:2 ### Het brandoffer van het rundvee **1:3** **Als zijn offergave een brandoffer van het rundvee is, moet hij een mannelijk dier zonder gebrek brengen. Hij moet het naar de ingang van de tent van samenkomst brengen, zodat hij aanvaard wordt voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: אִם (im) = als | עֹלָ֤ה (ola) = een brandoffer | קָרְבָּנוֹ֙ (qarbano) = zijn offergave | מִן (min) = van | הַבָּקָ֔ר (habaqar) = het rundvee | זָכָ֥ר (zakhar) = een mannelijk dier | תָּמִ֖ים (tamim) = zonder gebrek | יַקְרִיבֶ֑נּוּ (yaqrivenu) = hij zal het brengen | אֶל (el) = naar | פֶּ֝תַח (petach) = de ingang van | אֹ֤הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵד֙ (moed) = samenkomst | יַקְרִ֣יב (yaqriv) = hij zal brengen | אֹת֔וֹ (oto) = het | לִרְצֹנ֖וֹ (lirtsono) = tot zijn aanvaarding | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹלָה (olah), ‘brandoffer’, komt van עָלָה (alah), ‘opgaan’: het hele dier gaat op het altaar in rook op (Lev. 6:2–6). Voetnoot : תָּמִים (tamim), ‘zonder gebrek’: heel en gezond, zonder lichaamsgebrek. Zie Lev. 22:19–21. Voetnoot Lezing: לִרְצֹנוֹ (lirtsono) kan ‘zodat hij aanvaard wordt’ betekenen, maar ook ‘uit eigen vrije wil’. Wij vertalen ‘zodat hij aanvaard wordt’, omdat vers 4 zegt dat het offer ‘voor hem aanvaard wordt’ (נִרְצָה, nirtsah). Zie ook: Ex 12:5; Lev 1:4; Lev 6:2–6; Lev 22:19–24; Deut 15:21; Ef 5:27; Heb 9:14 **1:4** **Hij moet zijn hand op de kop van het brandoffer leggen, dan wordt het voor hem aanvaard, om verzoening voor hem te doen.** Brontekst: וְסָמַ֣ךְ (vesamakh) = en hij zal leggen | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | עַ֖ל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | וְנִרְצָ֥ה (venirtsa) = en het zal aanvaard worden | ל֖וֹ (lo) = voor hem | לְכַפֵּ֥ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עָלָֽיו (alav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָמַךְ (samakh), ‘leggen’, betekent eigenlijk ‘steunen, leunen’: de offeraar steunt met zijn hand op de kop van het dier. Vergelijk Exod. 29:15. Voetnoot : כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’, wordt vaak verklaard als ‘bedekken’: het brandoffer doet verzoening voor degene die het brengt. Zie ook: Ex 29:15; Lev 3:2; Lev 3:8; Lev 4:20; 2 Kron 29:23–24; Rom 12:1 **1:5** **Hij moet de jonge stier voor het aangezicht van Yahweh slachten. Aärons zonen, de priesters, moeten het bloed brengen. Zij moeten het rondom op het altaar sprenkelen, het altaar bij de ingang van de tent van samenkomst.** Brontekst: וְשָׁחַ֛ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֥ן (ben) = de zoon van | הַבָּקָ֖ר (habaqar) = het rundvee | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְ֠הִקְרִיבוּ (vehiqrivu) = en zij zullen brengen | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | הַֽכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | וְזָרְק֨וּ (vezarequ) = en zij zullen sprenkelen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֤ם (hadam) = het bloed | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | אֲשֶׁר (asher) = dat | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן־בָּקָר (ben baqar), ‘jonge stier’: letterlijk ‘zoon van het rundvee’ (Exod. 29:1). Voetnoot : Het bloed wordt rondom op het altaar gesprenkeld. Later zegt Yahweh dat het bloed verzoening doet voor het leven (Lev. 17:11). Zie ook: Ex 29:1; Lev 1:11; Lev 3:2; Lev 3:8; Lev 17:11; 2 Kron 35:11; 1 Petr 1:2 **1:6** **Hij moet de huid van het brandoffer afstropen en het in stukken snijden.** Brontekst: וְהִפְשִׁ֖יט (vehifshit) = en hij zal de huid afstropen | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | וְנִתַּ֥ח (venitach) = en hij zal in stukken snijden | אֹתָ֖הּ (otah) = het | לִנְתָחֶֽיהָ (lintacheiha) = in haar stukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִפְשִׁיט (hifshit) betekent ‘uitkleden’ en hier ‘de huid afstropen’. De huid van het brandoffer is voor de priester (Lev. 7:8). Zie ook: Gen 3:21; Lev 7:8 **1:7** **De zonen van de priester Aäron moeten vuur op het altaar leggen en hout op het vuur schikken.** Brontekst: וְ֠נָתְנוּ (venatenu) = en zij zullen leggen | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וְעָרְכ֥וּ (vearekhu) = en zij zullen schikken | עֵצִ֖ים (etsim) = hout | עַל (al) = op | הָאֵֽשׁ (haesh) = het vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 22:9; Lev 6:5–6; 1 Kron 21:26; 2 Kron 7:1; Mal 1:10 **1:8** **Aärons zonen, de priesters, moeten de stukken, de kop en het vetweefsel schikken op het hout. Dat ligt op het vuur, op het altaar.** Brontekst: וְעָרְכ֗וּ (vearekhu) = en zij zullen schikken | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הַנְּתָחִ֔ים (hanetachim) = de stukken | אֶת (et) = (obj.) | הָרֹ֖אשׁ (harosh) = de kop | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַפָּ֑דֶר (hapader) = het vetweefsel | עַל (al) = op | הָעֵצִים֙ (haetsim) = het hout | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָאֵ֔שׁ (haesh) = het vuur | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּדֶר (peder), ‘vetweefsel’, is een zeldzaam woord. Wij vertalen ‘vetweefsel’; de precieze betekenis is niet zeker. Zie ook: Lev 1:12; Lev 8:18–21; Lev 9:13–14; 1 Kon 18:23; 1 Kon 18:33 **1:9** **Zijn ingewanden en zijn poten moet hij met water wassen. De priester moet alles op het altaar in rook laten opgaan: een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְקִרְבּ֥וֹ (veqirbo) = en zijn ingewanden | וּכְרָעָ֖יו (ukheraav) = en zijn poten | יִרְחַ֣ץ (yirchats) = hij zal wassen | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = met water | וְהִקְטִ֨יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּל֙ (hakol) = alles | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = op het altaar | עֹלָ֛ה (ola) = een brandoffer | אִשֵּׁ֥ה (ishe) = een vuuroffer | רֵֽיחַ (reiach) = een geur van | נִיח֖וֹחַ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִשֶּׁה (ishsheh), ‘vuuroffer’: een offer dat in het vuur opgaat. Voetnoot : רֵיחַ נִיחוֹחַ (reach nichoach), ‘aangename geur’: letterlijk ‘geur van rust’ of ‘geur van tevredenheid’. Zie Gen. 8:20–21. Zie ook: Gen 8:20–21; Gen 8:21; Ex 29:18; Lev 1:13; Ezech 20:41; Ef 5:2 ### Het brandoffer van het kleinvee **1:10** **Als zijn offergave een brandoffer van het kleinvee is, van de schapen of van de geiten, moet hij een mannelijk dier zonder gebrek brengen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מִן (min) = van | הַצֹּ֨אן (hatson) = het kleinvee | קָרְבָּנ֧וֹ (qarbano) = zijn offergave | מִן (min) = van | הַכְּשָׂבִ֛ים (hakesavim) = de schapen | א֥וֹ (o) = of | מִן (min) = van | הָעִזִּ֖ים (haizim) = de geiten | לְעֹלָ֑ה (leola) = als brandoffer | זָכָ֥ר (zakhar) = een mannelijk dier | תָּמִ֖ים (tamim) = zonder gebrek | יַקְרִיבֶֽנּוּ (yaqrivenu) = hij zal het brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:20; Lev 1:2–3; Lev 22:19; Jes 53:6–7; Mal 1:14 **1:11** **Hij moet het aan de noordkant van het altaar slachten, voor het aangezicht van Yahweh. Aärons zonen, de priesters, moeten zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen.** Brontekst: וְשָׁחַ֨ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֹת֜וֹ (oto) = het | עַ֣ל (al) = aan | יֶ֧רֶךְ (yerekh) = de zijkant van | הַמִּזְבֵּ֛חַ (hamizbeach) = het altaar | צָפֹ֖נָה (tsafona) = noordwaarts | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְזָרְק֡וּ (vezarequ) = en zij zullen sprenkelen | בְּנֵי֩ (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֲנִ֧ים (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = (obj.) | דָּמ֛וֹ (damo) = zijn bloed | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶרֶךְ (yerekh), ‘zijkant’, is eigenlijk ‘dij, flank’. Het kleinvee wordt dus aan de noordkant van het altaar geslacht. Zie ook: Lev 1:5; Lev 1:7–9; Lev 7:2; Lev 9:12–14; Ezech 8:5 **1:12** **Hij moet het in stukken snijden, met zijn kop en zijn vetweefsel. De priester moet ze schikken op het hout. Dat ligt op het vuur, op het altaar.** Brontekst: וְנִתַּ֤ח (venitach) = en hij zal in stukken snijden | אֹתוֹ֙ (oto) = het | לִנְתָחָ֔יו (lintachav) = in zijn stukken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רֹאשׁ֖וֹ (rosho) = zijn kop | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פִּדְר֑וֹ (pidro) = zijn vetweefsel | וְעָרַ֤ךְ (vearakh) = en zal schikken | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֹתָ֔ם (otam) = ze | עַל (al) = op | הָֽעֵצִים֙ (haetsim) = het hout | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָאֵ֔שׁ (haesh) = het vuur | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:13** **De ingewanden en de poten moet hij met water wassen. De priester moet alles brengen en op het altaar in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְהַקֶּ֥רֶב (vehaqerev) = en de ingewanden | וְהַכְּרָעַ֖יִם (vehakeraayim) = en de poten | יִרְחַ֣ץ (yirchats) = hij zal wassen | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = met water | וְהִקְרִ֨יב (vehiqriv) = en zal brengen | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּל֙ (hakol) = alles | וְהִקְטִ֣יר (vehiqtir) = en zal in rook laten opgaan | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = op het altaar | עֹלָ֣ה (ola) = een brandoffer | ה֗וּא (hu) = het is | אִשֵּׁ֛ה (ishe) = een vuuroffer | רֵ֥יחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:9 ### Het brandoffer van vogels **1:14** **Als zijn offergave aan Yahweh een brandoffer van de vogels is, moet hij zijn offergave brengen van de tortelduiven of van de jonge duiven.** Brontekst: וְאִ֧ם (veim) = en als | מִן (min) = van | הָע֛וֹף (haof) = de vogels | עֹלָ֥ה (ola) = een brandoffer | קָרְבָּנ֖וֹ (qarbano) = zijn offergave | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְהִקְרִ֣יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | מִן (min) = van | הַתֹּרִ֗ים (hatorim) = de tortelduiven | א֛וֹ (o) = of | מִן (min) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | הַיּוֹנָ֖ה (hayona) = de duif | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנֽוֹ (qarbano) = zijn offergave Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּר (tor), ‘tortelduif’, en בְּנֵי יוֹנָה (bnei jonah), ‘jonge duiven’, letterlijk ‘zonen van de duif’. Wie geen schaap kan betalen, mag vogels brengen (Lev. 5:7). Zie ook: Gen 15:9; Lev 5:7; Lev 12:8; Luc 2:24; 2 Kor 8:12 **1:15** **De priester moet het naar het altaar brengen. Hij moet de kop afknijpen en op het altaar in rook laten opgaan. Het bloed moet tegen de wand van het altaar worden uitgeperst.** Brontekst: וְהִקְרִיב֤וֹ (vehiqrivo) = en zal het brengen | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֶל (el) = naar | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וּמָלַק֙ (umalaq) = en hij zal afknijpen | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn kop | וְהִקְטִ֖יר (vehiqtir) = en zal in rook laten opgaan | הַמִּזְבֵּ֑חָה (hamizbecha) = op het altaar | וְנִמְצָ֣ה (venimtsa) = en het zal worden uitgeperst | דָמ֔וֹ (damo) = zijn bloed | עַ֖ל (al) = tegen | קִ֥יר (qir) = de wand van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָלַק (malaq), ‘afknijpen’: de kop wordt van de nek afgeknepen. Voetnoot : נִמְצָה (nimtsah), ‘uitgeperst’: het bloed van een vogel wordt tegen de wand van het altaar uitgedrukt en niet gesprenkeld. Zie ook: Lev 5:8–9; Ps 22:2; Jes 53:4–5; Jes 53:10; Mat 26:1–27 **1:16** **Hij moet de krop met de veren eraf halen en naast het altaar wegwerpen, aan de oostkant, op de plaats van de as.** Brontekst: וְהֵסִ֥יר (vehesir) = en hij zal verwijderen | אֶת (et) = (obj.) | מֻרְאָת֖וֹ (murato) = zijn krop | בְּנֹצָתָ֑הּ (benotsatah) = met zijn veren | וְהִשְׁלִ֨יךְ (vehishlikh) = en hij zal wegwerpen | אֹתָ֜הּ (otah) = het | אֵ֤צֶל (etsel) = naast | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | קֵ֔דְמָה (qedema) = oostwaarts | אֶל (el) = naar | מְק֖וֹם (meqom) = de plaats van | הַדָּֽשֶׁן (hadashen) = de as Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֻרְאָה (murah) is de krop, waarin het voedsel van de vogel zit. Voetnoot Lezing: בְּנֹצָתָהּ (bnotsatah) vertalen wij ‘met zijn veren’. Het woord komt maar één keer voor, dus de betekenis is niet helemaal zeker; sommigen verstaan ‘met zijn inhoud’. De Septuaginta heeft ‘met de veren’. Zie ook: Lev 4:12; Lev 16:27; Luc 1:35; 1 Petr 1:2; Heb 13:11–14 **1:17** **Hij moet het bij de vleugels openscheuren, zonder het te scheiden. De priester moet het op het altaar in rook laten opgaan, op het hout dat op het vuur ligt. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְשִׁסַּ֨ע (veshisa) = en hij zal openscheuren | אֹת֣וֹ (oto) = het | בִכְנָפָיו֮ (bikhnafav) = bij zijn vleugels | לֹ֣א (lo) = niet | יַבְדִּיל֒ (yavdil) = hij zal scheiden | וְהִקְטִ֨יר (vehiqtir) = en zal in rook laten opgaan | אֹת֤וֹ (oto) = het | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = op het altaar | עַל (al) = op | הָעֵצִ֖ים (haetsim) = het hout | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָאֵ֑שׁ (haesh) = het vuur | עֹלָ֣ה (ola) = een brandoffer | ה֗וּא (hu) = het is | אִשֵּׁ֛ה (ishe) = een vuuroffer | רֵ֥יחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא יַבְדִּיל (lo jabdil), ‘zonder het te scheiden’: de vogel wordt opengescheurd, maar niet in twee delen gedeeld. Zie ook: Gen 15:10; Lev 5:8; Mat 27:50; Joh 19:30; Heb 13:15–16 ## Leviticus 2 _Het graanoffer_ ### Het graanoffer van fijn meel **2:1** **Wanneer iemand een graanoffer als offergave voor Yahweh brengt, moet zijn offergave van fijn meel zijn. Hij moet er olie op gieten en er wierook op leggen.** Brontekst: וְנֶ֗פֶשׁ (venefesh) = en een mens | כִּֽי (ki) = wanneer | תַקְרִ֞יב (taqriv) = hij brengt | קָרְבַּ֤ן (qarban) = een offergave van | מִנְחָה֙ (mincha) = graanoffer | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | קָרְבָּנ֑וֹ (qarbano) = zijn offergave | וְיָצַ֤ק (veyatsaq) = en hij zal gieten | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = daarop | שֶׁ֔מֶן (shemen) = olie | וְנָתַ֥ן (venatan) = en hij zal leggen | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = daarop | לְבֹנָֽה (levona) = wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: een offergave van meel, olie en wierook, zonder dier. In Gen. 4:3–5 vertalen wij hetzelfde woord als ‘offergave’. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘iemand’: letterlijk ‘ziel’ of ‘levend wezen’. Voetnoot : לְבֹנָה (levonah), ‘wierook’: een witte hars die een geur geeft als zij verbrandt. Zie Exod. 30:34. Zie ook: Gen 4:3–5; Ex 30:34; Lev 6:7–11; Lev 9:17; Jes 66:20; Jud 1:20; Openb 8:3 **2:2** **Hij moet het naar Aärons zonen, de priesters, brengen. Daarvan moet hij een handvol nemen, van het meel en van de olie, samen met alle wierook. De priester moet het gedenkdeel ervan op het altaar in rook laten opgaan: een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וֶֽהֱבִיאָ֗הּ (veheviah) = en hij zal het brengen | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹן֮ (aharon) = Aäron | הַכֹּהֲנִים֒ (hakohanim) = de priesters | וְקָמַ֨ץ (veqamats) = en hij zal een handvol nemen | מִשָּׁ֜ם (misham) = daarvan | מְלֹ֣א (melo) = de volheid van | קֻמְצ֗וֹ (qumtso) = zijn handvol | מִסָּלְתָּהּ֙ (misaltah) = van haar meel | וּמִשַּׁמְנָ֔הּ (umishamnah) = en van haar olie | עַ֖ל (al) = met | כָּל (kal) = al | לְבֹנָתָ֑הּ (levonatah) = haar wierook | וְהִקְטִ֨יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | אַזְכָּרָתָהּ֙ (azkaratah) = haar gedenkdeel | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = op het altaar | אִשֵּׁ֛ה (ishe) = een vuuroffer | רֵ֥יחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַזְכָּרָה (azkarah), ‘gedenkdeel’: het deel van het graanoffer dat op het altaar in rook opgaat; het woord komt van זָכַר (zakar), ‘gedenken’. Het is de handvol van het meel en de olie, met alle wierook. Voetnoot Lezing: Bij ‘hij zal een handvol nemen’ staat in het Hebreeuws geen onderwerp. Wij laten ‘hij’ staan; uit het vervolg blijkt dat de priester het offer ontvangt en op het altaar laat opgaan. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 21:7–9 bevestigt dat de geur van het offer aangenaam is voor Yahweh. Zie ook: Jub 21:7–9; Lev 2:9; Lev 5:12; Lev 6:8; Lev 24:7; Hand 10:4 **2:3** **Wat van het graanoffer overblijft, is voor Aäron en zijn zonen: het is hoogheilig, afkomstig van de vuuroffers van Yahweh.** Brontekst: וְהַנּוֹתֶ֨רֶת֙ (vehanoteret) = en wat overblijft | מִן (min) = van | הַמִּנְחָ֔ה (hamincha) = het graanoffer | לְאַהֲרֹ֖ן (leaharon) = voor Aäron | וּלְבָנָ֑יו (ulevanav) = en voor zijn zonen | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = van de heilige dingen | מֵאִשֵּׁ֥י (meishei) = van de vuuroffers van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ קָדָשִׁים (qodesh qodashim), ‘hoogheilig’: het heiligste. Wat overblijft is voor de priesters; zie Lev. 6:7–11. Zie ook: Lev 6:7–11; Lev 6:9–10; Lev 7:9; Lev 10:12–13; Lev 21:22; Num 18:9 ### Het graanoffer uit de oven, van de bakplaat en uit de pan **2:4** **Als je als offergave een graanoffer brengt dat in een oven is gebakken, moet het van fijn meel zijn. Het moeten ongezuurde koeken zijn, met olie gekneed, of ongezuurde wafels, met olie bestreken.** Brontekst: וְכִ֥י (vekhi) = en wanneer | תַקְרִ֛ב (taqriv) = je brengt | קָרְבַּ֥ן (qarban) = een offergave van | מִנְחָ֖ה (mincha) = graanoffer | מַאֲפֵ֣ה (maafe) = iets gebakken in | תַנּ֑וּר (tanur) = een oven | סֹ֣לֶת (solet) = fijn meel | חַלּ֤וֹת (chalot) = koeken | מַצֹּת֙ (matsot) = ongezuurde | בְּלוּלֹ֣ת (belulot) = gekneed | בַּשֶּׁ֔מֶן (bashemen) = met olie | וּרְקִיקֵ֥י (ureqiqei) = en wafels van | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurde | מְשֻׁחִ֥ים (meshuchim) = bestreken | בַּשָּֽׁמֶן (bashamen) = met olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַלּוֹת (challot), ‘koeken’, en רְקִיקִים (reqiqim), ‘wafels’: dezelfde woorden als in Exod. 29:2. Zie ook: Ex 29:2; Ps 22:15; Jes 42:1; Joh 12:27; 1 Kor 5:7–8 **2:5** **Als je offergave een graanoffer van de bakplaat is, moet het van fijn meel zijn, met olie gekneed en ongezuurd.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מִנְחָ֥ה (mincha) = een graanoffer | עַל (al) = op | הַֽמַּחֲבַ֖ת (hamachavat) = de bakplaat | קָרְבָּנֶ֑ךָ (qarbanekha) = je offergave | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gekneed | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | מַצָּ֥ה (matsa) = ongezuurd | תִהְיֶֽה (tihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחֲבַת (machavat), ‘bakplaat’: een platte plaat of schotel waarop gebakken wordt. Zie ook: Lev 6:14; Lev 7:9 **2:6** **Breek het in stukken en giet er olie op; het is een graanoffer.** Brontekst: פָּת֤וֹת (patot) = breken | אֹתָהּ֙ (otah) = het | פִּתִּ֔ים (pitim) = in stukken | וְיָצַקְתָּ֥ (veyatsaqta) = en je zult gieten | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = daarop | שָׁ֑מֶן (shamen) = olie | מִנְחָ֖ה (mincha) = een graanoffer | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּתוֹת (patot) betekent ‘in stukken breken’; het gaat om brokken of kruimels. Zie ook: Lev 1:6; Ps 22:2–22; Mar 14:1–15; Joh 18:1–19 **2:7** **Als je offergave een graanoffer uit de pan is, moet het van fijn meel met olie gemaakt worden.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מִנְחַ֥ת (minchat) = een graanoffer van | מַרְחֶ֖שֶׁת (marcheshet) = de pan | קָרְבָּנֶ֑ךָ (qarbanekha) = je offergave | סֹ֥לֶת (solet) = fijn meel | בַּשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | תֵּעָשֶֽׂה (tease) = het zal gemaakt worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְחֶשֶׁת (marcheshet), ‘pan’: een dieper bakgerei; de precieze vorm is niet zeker. Zie ook: Lev 2:1–2; Lev 7:9 **2:8** **Je moet het graanoffer dat hiervan gemaakt wordt, voor Yahweh meebrengen. Breng het naar de priester; hij moet het naar het altaar brengen.** Brontekst: וְהֵבֵאתָ֣ (veheveta) = en je zult meebrengen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָ֗ה (hamincha) = het graanoffer | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | יֵעָשֶׂ֛ה (yease) = gemaakt wordt | מֵאֵ֖לֶּה (meele) = van deze dingen | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְהִקְרִיבָהּ֙ (vehiqrivah) = en je zult het brengen | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְהִגִּישָׁ֖הּ (vehigishah) = en hij zal het laten naderen | אֶל (el) = naar | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er staan drie werkwoorden: je brengt het graanoffer mee (הֵבֵאתָ, hevetah), je brengt het bij de priester (הִקְרִיב, hiqriv) en de priester laat het naar het altaar naderen (הִגִּישׁ, higgish). **2:9** **De priester moet het gedenkdeel van het graanoffer afnemen en op het altaar in rook laten opgaan: een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְהֵרִ֨ים (veherim) = en hij zal afnemen | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | מִן (min) = van | הַמִּנְחָה֙ (hamincha) = het graanoffer | אֶת (et) = (obj.) | אַזְכָּ֣רָתָ֔הּ (azkaratah) = haar gedenkdeel | וְהִקְטִ֖יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַמִּזְבֵּ֑חָה (hamizbecha) = op het altaar | אִשֵּׁ֛ה (ishe) = een vuuroffer | רֵ֥יחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵרִים (herim) betekent letterlijk ‘optillen’; hier gaat het om het apart nemen van het gedenkdeel. Het woord hoort bij תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’. Zie ook: Ex 29:18; Lev 2:2; Ef 5:2; Fil 2:17; Fil 4:18 **2:10** **Wat van het graanoffer overblijft, is voor Aäron en zijn zonen: het is hoogheilig, afkomstig van de vuuroffers van Yahweh.** Brontekst: וְהַנּוֹתֶ֨רֶת֙ (vehanoteret) = en wat overblijft | מִן (min) = van | הַמִּנְחָ֔ה (hamincha) = het graanoffer | לְאַהֲרֹ֖ן (leaharon) = voor Aäron | וּלְבָנָ֑יו (ulevanav) = en voor zijn zonen | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = van de heilige dingen | מֵאִשֵּׁ֥י (meishei) = van de vuuroffers van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 2:3 ### Geen zuurdeeg en geen honing **2:11** **Geen enkel graanoffer dat jullie voor Yahweh brengen, mag gezuurd gemaakt worden. Want jullie mogen er geen zuurdeeg en geen honing van in rook laten opgaan als vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: כָּל (kal) = elk | הַמִּנְחָ֗ה (hamincha) = het graanoffer | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | תַּקְרִ֨יבוּ֙ (taqrivu) = jullie zullen brengen | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | תֵעָשֶׂ֖ה (tease) = het zal gemaakt worden | חָמֵ֑ץ (chamets) = gezuurd | כִּ֤י (ki) = want | כָל (kal) = al | שְׂאֹר֙ (seor) = zuurdeeg | וְכָל (vekhal) = en al | דְּבַ֔שׁ (devash) = honing | לֹֽא (lo) = niet | תַקְטִ֧ירוּ (taqtiru) = jullie zullen in rook laten opgaan | מִמֶּ֛נּוּ (mimenu) = ervan | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָמֵץ (chamets), ‘gezuurd’, en שְׂאֹר (se'or), ‘zuurdeeg’: bij dit offer is niets gezuurds toegestaan. דְּבַשׁ (devash) is ‘honing’. Zie ook Exod. 23:18. Zie ook: Ex 23:18; Spr 25:27; Mar 8:15; Luc 12:1; Gal 5:9 **2:12** **Als offergave van het eerste mogen jullie ze voor Yahweh brengen, maar op het altaar mogen ze niet opgaan tot een aangename geur.** Brontekst: קָרְבַּ֥ן (qarban) = een offergave van | רֵאשִׁ֛ית (reshit) = het eerste | תַּקְרִ֥יבוּ (taqrivu) = jullie zullen brengen | אֹתָ֖ם (otam) = ze | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְאֶל (veel) = en naar | הַמִּזְבֵּ֥חַ (hamizbeach) = het altaar | לֹא (lo) = niet | יַעֲל֖וּ (yaalu) = zullen ze opgaan | לְרֵ֥יחַ (lereiach) = tot een geur van | נִיחֹֽחַ (nichoach) = aangenaamheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: de eerste opbrengst van de oogst; zie ook vers 14. Zuurdeeg en honing mogen als eerste opbrengst voor Yahweh gebracht worden, maar niet op het altaar komen. Zie ook: Gen 23:17; Ex 22:28; Ex 23:10–11; Ex 23:19; Lev 2:14; Lev 7:13 ### Het zout van het verbond **2:13** **Elke offergave van je graanoffer moet je met zout zouten. Het zout van het verbond van je Elohim mag je niet van je graanoffer laten ontbreken. Bij al je offergaven moet je zout brengen.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en al | קָרְבַּ֣ן (qarban) = een offergave van | מִנְחָתְךָ֮ (minchatekha) = je graanoffer | בַּמֶּ֣לַח (bamelach) = met zout | תִּמְלָח֒ (timlach) = je zult zouten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַשְׁבִּ֗ית (tashbit) = je zult laten ontbreken | מֶ֚לַח (melach) = het zout van | בְּרִ֣ית (berit) = het verbond van | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | מֵעַ֖ל (meal) = van | מִנְחָתֶ֑ךָ (minchatekha) = je graanoffer | עַ֥ל (al) = bij | כָּל (kal) = al | קָרְבָּנְךָ֖ (qarbanekha) = je offergave | תַּקְרִ֥יב (taqriv) = je zult brengen | מֶֽלַח (melach) = zout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֶלַח בְּרִית (melach berit), ‘zout van het verbond’: zout houdt voedsel goed. Een ‘zoutverbond’ is een blijvend verbond; zie Num. 18:19. Ook de wierook wordt gezouten (Exod. 30:35). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 21:11 bevestigt dit. Zie ook: Jub 21:11; Ex 30:35; Num 18:19; Ezech 43:24; Mat 5:13; Mar 9:49–50; Kol 4:6 ### Het graanoffer van de eerstelingen **2:14** **Als je een graanoffer van eerstelingen voor Yahweh brengt, moet je jonge aren brengen, in het vuur geroosterd, en gestampt vers graan. Dat moet je brengen als graanoffer van je eerstelingen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | תַּקְרִ֛יב (taqriv) = je brengt | מִנְחַ֥ת (minchat) = een graanoffer van | בִּכּוּרִ֖ים (bikurim) = eerstelingen | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | אָבִ֞יב (aviv) = jonge aren | קָל֤וּי (qaluy) = geroosterd | בָּאֵשׁ֙ (baesh) = in het vuur | גֶּ֣רֶשׂ (geres) = gestampt | כַּרְמֶ֔ל (karmel) = vers graan | תַּקְרִ֕יב (taqriv) = je zult brengen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִנְחַ֥ת (minchat) = het graanoffer van | בִּכּוּרֶֽיךָ (bikureikha) = je eerstelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבִיב (aviv), ‘jonge aren’: graan dat net rijp wordt. Voetnoot : כַּרְמֶל (karmel), ‘vers graan’: hier gaat het niet om de berg Karmel, maar om vers graan. De precieze betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 23:10; Spr 3:9–10; Jes 53:2–10; Mal 1:11; Openb 14:4 **2:15** **Doe er olie op en leg er wierook op; het is een graanoffer.** Brontekst: וְנָתַתָּ֤ (venatata) = en je zult doen | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = daarop | שֶׁ֔מֶן (shemen) = olie | וְשַׂמְתָּ֥ (vesamta) = en je zult leggen | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = daarop | לְבֹנָ֑ה (levona) = wierook | מִנְחָ֖ה (mincha) = een graanoffer | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:16** **De priester moet het gedenkdeel in rook laten opgaan, van het gestampte graan en van de olie, samen met alle wierook: een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: וְהִקְטִ֨יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | אַזְכָּרָתָ֗הּ (azkaratah) = haar gedenkdeel | מִגִּרְשָׂהּ֙ (migirsah) = van haar gestampte graan | וּמִשַּׁמְנָ֔הּ (umishamnah) = en van haar olie | עַ֖ל (al) = met | כָּל (kal) = al | לְבֹנָתָ֑הּ (levonatah) = haar wierook | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 2:12; Jes 11:2–4; Jes 61:1; Rom 8:26–27; Heb 5:7 ## Leviticus 3 _Het vredeoffer_ ### Het vredeoffer van het rundvee **3:1** **Als zijn offergave een vredeoffer is dat hij van het rundvee brengt, mannelijk of vrouwelijk, moet het zonder gebrek zijn. Hij moet het voor het aangezicht van Yahweh brengen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | זֶ֥בַח (zevach) = een slachtoffer van | שְׁלָמִ֖ים (shelamim) = vredeoffers | קָרְבָּנ֑וֹ (qarbano) = zijn offergave | אִ֤ם (im) = als | מִן (min) = van | הַבָּקָר֙ (habaqar) = het rundvee | ה֣וּא (hu) = hij | מַקְרִ֔יב (maqriv) = brengt | אִם (im) = of | זָכָר֙ (zakhar) = mannelijk | אִם (im) = of | נְקֵבָ֔ה (neqeva) = vrouwelijk | תָּמִ֥ים (tamim) = zonder gebrek | יַקְרִיבֶ֖נּוּ (yaqrivenu) = hij zal het brengen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffer’: een deel van het vlees wordt later door de offeraar gegeten (Lev. 7:15). In het Hebreeuws staat hier זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’, voor שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffers’. Wij geven beide samen weer als ‘vredeoffer’, zoals in Exod. 29:28. Voetnoot : Bij het brandoffer moet het dier mannelijk zijn (Lev. 1:3 en 1:10); bij het vredeoffer mag het ook vrouwelijk zijn. Zie ook: Ex 29:28; Lev 1:3; Lev 1:10; Lev 7:11–34; Lev 7:15; Num 6:14; Amos 5:22; 1 Joh 1:3 **3:2** **Hij moet zijn hand op de kop van zijn offergave leggen. Hij moet het slachten bij de ingang van de tent van samenkomst. Aärons zonen, de priesters, moeten het bloed rondom op het altaar sprenkelen.** Brontekst: וְסָמַ֤ךְ (vesamakh) = en hij zal leggen | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | קָרְבָּנ֔וֹ (qarbano) = zijn offergave | וּשְׁחָט֕וֹ (ushechato) = en hij zal het slachten | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְזָרְק֡וּ (vezarequ) = en zij zullen sprenkelen | בְּנֵי֩ (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֲנִ֧ים (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֛ם (hadam) = het bloed | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:10; Lev 1:4–5; Lev 8:22; Hand 3:26; Hand 4:10–12 **3:3** **Van het vredeoffer moet hij een vuuroffer voor Yahweh brengen: het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat op de ingewanden zit,** Brontekst: וְהִקְרִיב֙ (vehiqriv) = en hij zal brengen | מִזֶּ֣בַח (mizevach) = van het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִ֔ים (hashelamim) = het vredeoffer | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | הַֽמְכַסֶּ֣ה (hamkhase) = dat bedekt | אֶת (et) = (obj.) | הַקֶּ֔רֶב (haqerev) = de ingewanden | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַחֵ֔לֶב (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַקֶּֽרֶב (haqerev) = de ingewanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bij het vredeoffer gaat het vet in rook op: het vet rondom de ingewanden, de nieren en het aanhangsel van de lever. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 21:7–9 bevestigt dit. Zie ook: Jub 21:7–9; Ex 29:13; Ex 29:22; Lev 4:8–9; Spr 23:26; Mat 15:8 **3:4** **de twee nieren met het vet dat erop zit, aan de lendenen, en het aanhangsel van de lever. Dat moet hij samen met de nieren wegnemen.** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הַכְּלָיֹ֔ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲלֵהֶ֔ן (alehen) = erop | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַכְּסָלִ֑ים (hakesalim) = de lendenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיֹּתֶ֨רֶת֙ (hayoteret) = het aanhangsel | עַל (al) = op | הַכָּבֵ֔ד (hakaved) = de lever | עַל (al) = bij | הַכְּלָי֖וֹת (hakelayot) = de nieren | יְסִירֶֽנָּה (yesirena) = hij zal het wegnemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיֹּתֶרֶת עַל־הַכָּבֵד (hajoteret al-hakaved), ‘het aanhangsel van de lever’: dezelfde woorden als in Exod. 29:13. Wat dit deel precies is, is niet helemaal zeker. Voetnoot : כְּסָלִים (kesalim), ‘lendenen’: het gebied bij de onderrug. Zie ook: Ex 29:13; Lev 3:10; Lev 3:15; Lev 4:9; Lev 9:10; Lev 9:19 **3:5** **Aärons zonen moeten het op het altaar in rook laten opgaan, bovenop het brandoffer. Dat ligt op het hout, op het vuur. Het is een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְהִקְטִ֨ירוּ (vehiqtiru) = en zij zullen in rook laten opgaan | אֹת֤וֹ (oto) = het | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = op het altaar | עַל (al) = op | הָ֣עֹלָ֔ה (haola) = het brandoffer | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָעֵצִ֖ים (haetsim) = het hout | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָאֵ֑שׁ (haesh) = het vuur | אִשֵּׁ֛ה (ishe) = een vuuroffer | רֵ֥יחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vet van het vredeoffer gaat op het brandoffer in rook op, dat op het altaar ligt; zie Lev. 6:5. Zie ook: Ex 29:13; Lev 6:5; 2 Kron 35:14; Ezech 44:15; 1 Petr 2:5 ### Het vredeoffer van het kleinvee **3:6** **Als zijn offergave voor Yahweh een vredeoffer van het kleinvee is, mannelijk of vrouwelijk, moet het zonder gebrek zijn. Hij moet het brengen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מִן (min) = van | הַצֹּ֧אן (hatson) = het kleinvee | קָרְבָּנ֛וֹ (qarbano) = zijn offergave | לְזֶ֥בַח (lezevach) = als slachtoffer van | שְׁלָמִ֖ים (shelamim) = vredeoffers | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | זָכָר֙ (zakhar) = mannelijk | א֣וֹ (o) = of | נְקֵבָ֔ה (neqeva) = vrouwelijk | תָּמִ֖ים (tamim) = zonder gebrek | יַקְרִיבֶֽנּוּ (yaqrivenu) = hij zal het brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:2; Lev 3:1–17; Hand 4:27; Gal 4:4; Tit 2:11–12 **3:7** **Als hij een schaap als offergave brengt, moet hij het voor het aangezicht van Yahweh brengen.** Brontekst: אִם (im) = als | כֶּ֥שֶׂב (kesev) = een schaap | הֽוּא (hu) = hij | מַקְרִ֖יב (maqriv) = brengt | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנ֑וֹ (qarbano) = zijn offergave | וְהִקְרִ֥יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | אֹת֖וֹ (oto) = het | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:1; Lev 17:8–9; 1 Kon 8:62; Ef 5:2; Heb 9:14 **3:8** **Hij moet zijn hand op de kop van zijn offergave leggen. Hij moet het slachten voor de tent van samenkomst. Aärons zonen moeten zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen.** Brontekst: וְסָמַ֤ךְ (vesamakh) = en hij zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | קָרְבָּנ֔וֹ (qarbano) = zijn offergave | וְשָׁחַ֣ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֹת֔וֹ (oto) = het | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְ֠זָרְקוּ (vezarequ) = en zij zullen sprenkelen | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | דָּמ֛וֹ (damo) = zijn bloed | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:5; Lev 1:11; Lev 4:15; 2 Kor 5:19; Ef 2:18 **3:9** **Van het vredeoffer moet hij een vuuroffer voor Yahweh brengen: zijn vet, de hele vette staart. Die moet hij vlak bij de ruggengraat wegnemen. En het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat op de ingewanden zit,** Brontekst: וְהִקְרִ֨יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | מִזֶּ֣בַח (mizevach) = van het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֮ (hashelamim) = het vredeoffer | אִשֶּׁ֣ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָה֒ (laYahweh) = voor Yahweh | חֶלְבּוֹ֙ (chelbo) = zijn vet | הָאַלְיָ֣ה (haalya) = de vette staart | תְמִימָ֔ה (temima) = geheel | לְעֻמַּ֥ת (leumat) = dicht bij | הֶעָצֶ֖ה (heatse) = de ruggengraat | יְסִירֶ֑נָּה (yesirena) = hij zal haar wegnemen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | הַֽמְכַסֶּ֣ה (hamkhase) = dat bedekt | אֶת (et) = (obj.) | הַקֶּ֔רֶב (haqerev) = de ingewanden | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַחֵ֔לֶב (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַקֶּֽרֶב (haqerev) = de ingewanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַלְיָה (alyah), ‘vette staart’: bij sommige schapen een dikke staart vol vet; zie ook Exod. 29:22. Voetnoot : עֶצָה (etsah), ‘ruggengraat’: het woord komt maar hier voor. De precieze plek, de onderkant van de ruggengraat bij de staart, is niet helemaal zeker. Zie ook: Ex 29:22; Lev 7:3; Lev 9:19; Spr 23:26; Jes 53:10 **3:10** **de twee nieren met het vet dat erop zit, aan de lendenen, en het aanhangsel van de lever. Dat moet hij samen met de nieren wegnemen.** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הַכְּלָיֹ֔ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲלֵהֶ֔ן (alehen) = erop | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַכְּסָלִ֑ים (hakesalim) = de lendenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיֹּתֶ֨רֶת֙ (hayoteret) = het aanhangsel | עַל (al) = op | הַכָּבֵ֔ד (hakaved) = de lever | עַל (al) = bij | הַכְּלָיֹ֖ת (hakelayot) = de nieren | יְסִירֶֽנָּה (yesirena) = hij zal het wegnemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:4 **3:11** **De priester moet het op het altaar in rook laten opgaan als voedsel, een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: וְהִקְטִיר֥וֹ (vehiqtiro) = en hij zal ze in rook laten opgaan | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | הַמִּזְבֵּ֑חָה (hamizbecha) = op het altaar | לֶ֥חֶם (lechem) = voedsel | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶחֶם (lechem) betekent ‘brood’ en ook ‘voedsel’. Wij vertalen hier ‘voedsel’, omdat het om vet gaat en niet om brood. Het woord staat ook in vers 16. Zie ook: Lev 3:5; Lev 3:16; Lev 21:6; Lev 21:8; Lev 21:17 ### Het vredeoffer van een geit **3:12** **Als zijn offergave een geit is, dan moet hij die voor het aangezicht van Yahweh brengen.** Brontekst: וְאִ֥ם (veim) = en als | עֵ֖ז (ez) = een geit | קָרְבָּנ֑וֹ (qarbano) = zijn offergave | וְהִקְרִיב֖וֹ (vehiqrivo) = en hij zal haar brengen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:1; Lev 9:15; Lev 10:16; 2 Kor 5:21; Rom 8:3 **3:13** **Hij moet zijn hand op de kop ervan leggen. Hij moet het slachten voor de tent van samenkomst. Aärons zonen moeten zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen.** Brontekst: וְסָמַ֤ךְ (vesamakh) = en hij zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | עַל (al) = op | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = haar kop | וְשָׁחַ֣ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֹת֔וֹ (oto) = haar | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְ֠זָרְקוּ (vezarequ) = en zij zullen sprenkelen | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | דָּמ֛וֹ (damo) = haar bloed | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:8; Jes 53:11–12; 2 Kor 5:21; 1 Petr 3:18; Heb 12:24 **3:14** **Hij moet daarvan zijn offergave brengen als vuuroffer voor Yahweh: het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat op de ingewanden zit,** Brontekst: וְהִקְרִ֤יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = ervan | קָרְבָּנ֔וֹ (qarbano) = zijn offergave | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | הַֽמְכַסֶּ֣ה (hamkhase) = dat bedekt | אֶת (et) = (obj.) | הַקֶּ֔רֶב (haqerev) = de ingewanden | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַחֵ֔לֶב (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַקֶּֽרֶב (haqerev) = de ingewanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:3–5; Lev 3:9–11; Ps 22:15–16; Mat 26:38; Rom 12:1–2 **3:15** **de twee nieren met het vet dat erop zit, aan de lendenen, en het aanhangsel van de lever. Dat moet hij samen met de nieren wegnemen.** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הַכְּלָיֹ֔ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲלֵהֶ֔ן (alehen) = erop | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַכְּסָלִ֑ים (hakesalim) = de lendenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיֹּתֶ֨רֶת֙ (hayoteret) = het aanhangsel | עַל (al) = op | הַכָּבֵ֔ד (hakaved) = de lever | עַל (al) = bij | הַכְּלָיֹ֖ת (hakelayot) = de nieren | יְסִירֶֽנָּה (yesirena) = hij zal het wegnemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:16** **De priester moet ze op het altaar in rook laten opgaan als voedsel, een vuuroffer, een aangename geur. Al het vet is voor Yahweh.** Brontekst: וְהִקְטִירָ֥ם (vehiqtiram) = en hij zal ze in rook laten opgaan | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | הַמִּזְבֵּ֑חָה (hamizbecha) = op het altaar | לֶ֤חֶם (lechem) = voedsel | אִשֶּׁה֙ (ishe) = een vuuroffer | לְרֵ֣יחַ (lereiach) = tot een geur van | נִיחֹ֔חַ (nichoach) = aangenaamheid | כָּל (kal) = al | חֵ֖לֶב (chelev) = het vet | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:13; Lev 3:9–11; Lev 4:8–19; Lev 4:31; Lev 7:23–25 ### Geen vet en geen bloed eten **3:17** **Dit is een eeuwig voorschrift voor al jullie generaties, overal waar jullie wonen: geen vet en geen bloed mogen jullie eten.”** Brontekst: חֻקַּ֤ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | מֽוֹשְׁבֹתֵיכֶ֑ם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen | כָּל (kal) = al | חֵ֥לֶב (chelev) = vet | וְכָל (vekhal) = en al | דָּ֖ם (dam) = bloed | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie zullen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbod op vet geldt voor runderen, schapen en geiten (Lev. 7:23–25). Het verbod op bloed staat ook in Lev. 7:26–27 en Lev. 17:10–14; het is ouder dan de wet van Mozes (Gen. 9:4). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 21:18 bevestigt het verbod op bloed. Zie ook: Gen 9:4; Jub 21:18; Lev 7:23; Lev 7:26–27; Lev 17:10–14; Deut 12:23; Deut 15:23; Mat 26:28 ## Leviticus 4 _Het zondoffer_ ### Zonden bij vergissing **4:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Wanneer iemand bij vergissing zondigt tegen de geboden van Yahweh en een van de dingen doet die niet gedaan mogen worden,** Brontekst: דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֘ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | נֶ֗פֶשׁ (nefesh) = iemand | כִּֽי (ki) = wanneer | תֶחֱטָ֤א (techeta) = hij zondigt | בִשְׁגָגָה֙ (bishgaga) = bij vergissing | מִכֹּל֙ (mikol) = tegen alle | מִצְוֺ֣ת (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | תֵעָשֶׂ֑ינָה (teaseina) = gedaan mogen worden | וְעָשָׂ֕ה (veasa) = en hij doet | מֵאַחַ֖ת (meachat) = één | מֵהֵֽנָּה (mehena) = van deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’: hetzelfde woord betekent ook ‘zonde’. Wij vertalen ‘zondoffer’ waar het om het offer gaat (Exod. 29:14) en ‘zonde’ waar het om het kwaad gaat (vers 14). Voetnoot : בִּשְׁגָגָה (bishgagah), ‘bij vergissing’: zonder opzet, uit onwetendheid of onachtzaamheid. Voor wie met opzet zondigt, geldt iets anders (Num. 15:30–31). Vergelijk Num. 15:27. Voetnoot : De toespraak die hier begint, loopt door tot en met Lev. 5:13. Zie ook: Ex 29:14; Lev 4:14; Lev 4:27; Lev 5:13; Num 15:22–29; Num 15:27; Num 15:30–31; 1 Sam 14:27; Ps 19:13; Heb 9:7 ### Het zondoffer voor de gezalfde priester **4:3** **Als het de gezalfde priester is die zondigt, zodat het volk schuldig wordt. Hij moet voor de zonde die hij begaan heeft een jonge stier zonder gebrek voor Yahweh brengen als zondoffer.** Brontekst: אִ֣ם (im) = als | הַכֹּהֵ֧ן (hakohen) = de priester | הַמָּשִׁ֛יחַ (hamashiach) = de gezalfde | יֶחֱטָ֖א (yecheta) = hij zondigt | לְאַשְׁמַ֣ת (leashmat) = tot schuld van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וְהִקְרִ֡יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | עַ֣ל (al) = voor | חַטָּאתוֹ֩ (chatato) = zijn zonde | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | חָטָ֜א (chata) = hij zondigde | פַּ֣ר (par) = een stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֥ר (baqar) = rund | תָּמִ֛ים (tamim) = zonder gebrek | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֵן הַמָּשִׁיחַ (hakohen hamashiach), ‘de gezalfde priester’: de priester die met olie gezalfd is (Exod. 29:7; Lev. 8:12), de hogepriester. Voetnoot Lezing: לְאַשְׁמַת הָעָם (leashmat haam) vertalen wij ‘zodat het volk schuldig wordt’: de zonde van de gezalfde priester brengt schuld over het hele volk. Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘tot schuld van het volk’. Zie ook: Ex 29:7; Lev 2; Lev 4:14; Lev 8:12; Lev 9:2; 2 Kor 5:21; Heb 5:3; Heb 7:27–28 **4:4** **Hij moet de stier naar de ingang van de tent van samenkomst brengen, voor het aangezicht van Yahweh. Hij moet zijn hand op de kop van de stier leggen en de stier voor het aangezicht van Yahweh slachten.** Brontekst: וְהֵבִ֣יא (vehevi) = en hij zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֗ר (hapar) = de stier | אֶל (el) = naar | פֶּ֛תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְסָמַ֤ךְ (vesamakh) = en hij zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | הַפָּ֔ר (hapar) = de stier | וְשָׁחַ֥ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֖ר (hapar) = de stier | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:10–11; Lev 1:3–4; Lev 16:21; Jes 53:6; Dan 9:26 **4:5** **De gezalfde priester moet van het bloed van de stier nemen en het in de tent van samenkomst brengen.** Brontekst: וְלָקַ֛ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵ֥ן (hakohen) = de priester | הַמָּשִׁ֖יחַ (hamashiach) = de gezalfde | מִדַּ֣ם (midam) = van het bloed van | הַפָּ֑ר (hapar) = de stier | וְהֵבִ֥יא (vehevi) = en hij zal brengen | אֹת֖וֹ (oto) = het | אֶל (el) = naar | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:16–17; Lev 16:14; Lev 16:19; Num 19:4; 1 Joh 1:7 **4:6** **De priester moet zijn vinger in het bloed dopen. Hij moet zeven keer van het bloed sprenkelen, voor het aangezicht van Yahweh, voor de voorhang van het heiligdom.** Brontekst: וְטָבַ֧ל (vetaval) = en hij zal dopen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | אֶצְבָּע֖וֹ (etsbao) = zijn vinger | בַּדָּ֑ם (badam) = in het bloed | וְהִזָּ֨ה (vehiza) = en hij zal sprenkelen | מִן (min) = van | הַדָּ֜ם (hadam) = het bloed | שֶׁ֤בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִים֙ (peamim) = keer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֖י (penei) = de voorzijde van | פָּרֹ֥כֶת (parokhet) = de voorhang van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרֹכֶת (paroket), ‘voorhang’: het gordijn dat het heiligdom afsluit (Exod. 26:31–33). Zie ook: Ex 26:31–33; Lev 14:18; Lev 16:14; Lev 16:19; Lev 26:18; Lev 26:24 **4:7** **De priester moet van het bloed op de hoorns van het altaar voor de welriekende wierook doen, voor het aangezicht van Yahweh, in de tent van samenkomst. Al het bloed van de stier moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de tent van samenkomst staat.** Brontekst: וְנָתַן֩ (venatan) = en hij zal doen | הַכֹּהֵ֨ן (hakohen) = de priester | מִן (min) = van | הַדָּ֜ם (hadam) = het bloed | עַל (al) = op | קַ֠רְנוֹת (qarnot) = de hoorns van | מִזְבַּ֨ח (mizbach) = het altaar van | קְטֹ֤רֶת (qetoret) = de wierook van | הַסַּמִּים֙ (hasamim) = de welriekende kruiden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | דַּ֣ם (dam) = het bloed van | הַפָּ֗ר (hapar) = de stier | יִשְׁפֹּךְ֙ (yishpokh) = hij zal uitgieten | אֶל (el) = aan | יְסוֹד֙ (yesod) = de voet van | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | הָעֹלָ֔ה (haola) = het brandoffer | אֲשֶׁר (asher) = dat | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְטֹרֶת הַסַּמִּים (qetoret hassammim), ‘welriekende wierook’: het gouden altaar waarop elke morgen en avond wierook opgaat (Exod. 30:1–9). Voetnoot : קַרְנוֹת (qarnot), ‘hoorns’: de uitsteeksels op de vier hoeken van het altaar (Exod. 30:2). Zie ook: Ex 30:1–9; Ex 30:2; Lev 4:18; Lev 4:34; Lev 5:9; Lev 8:15; Lev 9:9 **4:8** **Al het vet van de stier van het zondoffer moet hij ervan afnemen: het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat op de ingewanden zit,** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | חֵ֛לֶב (chelev) = het vet van | פַּ֥ר (par) = de stier van | הַֽחַטָּ֖את (hachatat) = het zondoffer | יָרִ֣ים (yarim) = hij zal afnemen | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = ervan | אֶת (et) = (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | הַֽמְכַסֶּ֣ה (hamkhase) = dat bedekt | עַל (al) = op | הַקֶּ֔רֶב (haqerev) = de ingewanden | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַחֵ֔לֶב (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַקֶּֽרֶב (haqerev) = de ingewanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:3–5; Lev 4:26; Lev 4:35; Jes 53:10; Joh 12:27 **4:9** **de twee nieren met het vet dat erop zit, aan de lendenen, en het aanhangsel van de lever. Dat moet hij samen met de nieren wegnemen,** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הַכְּלָיֹ֔ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲלֵיהֶ֔ן (aleihen) = erop | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַכְּסָלִ֑ים (hakesalim) = de lendenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיֹּתֶ֨רֶת֙ (hayoteret) = het aanhangsel | עַל (al) = op | הַכָּבֵ֔ד (hakaved) = de lever | עַל (al) = bij | הַכְּלָי֖וֹת (hakelayot) = de nieren | יְסִירֶֽנָּה (yesirena) = hij zal het wegnemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:4 **4:10** **zoals het wordt afgenomen van het rund van het vredeoffer. De priester moet het op het brandofferaltaar in rook laten opgaan.** Brontekst: כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | יוּרַ֔ם (yuram) = het wordt afgenomen | מִשּׁ֖וֹר (mishor) = van het rund van | זֶ֣בַח (zevach) = het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִ֑ים (hashelamim) = de vredeoffers | וְהִקְטִירָם֙ (vehiqtiram) = en hij zal ze in rook laten opgaan | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | עַ֖ל (al) = op | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = het altaar van | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:11** **De huid van de stier en al zijn vlees, met zijn kop en zijn poten, zijn ingewanden en zijn mest,** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | ע֤וֹר (or) = de huid van | הַפָּר֙ (hapar) = de stier | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | בְּשָׂר֔וֹ (besaro) = zijn vlees | עַל (al) = met | רֹאשׁ֖וֹ (rosho) = zijn kop | וְעַל (veal) = en met | כְּרָעָ֑יו (keraav) = zijn poten | וְקִרְבּ֖וֹ (veqirbo) = en zijn ingewanden | וּפִרְשֽׁוֹ (ufirsho) = en zijn mest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּרֶשׁ (peresh), ‘mest’: de inhoud van de ingewanden. Zie ook: Ex 29:14; Lev 6:23; Lev 8:14–17; Lev 16:27; Num 19:5 **4:12** **de hele stier moet hij naar buiten brengen, buiten het kamp, naar een reine plaats, naar de stortplaats van de as. Hij moet hem op hout met vuur verbranden. Op de stortplaats van de as moet hij verbrand worden.** Brontekst: וְהוֹצִ֣יא (vehotsi) = en hij zal naar buiten brengen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַ֠פָּר (hapar) = de stier | אֶל (el) = naar | מִח֨וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֜ה (lamachane) = het kamp | אֶל (el) = naar | מָק֤וֹם (maqom) = een plaats | טָהוֹר֙ (tahor) = rein | אֶל (el) = naar | שֶׁ֣פֶךְ (shefekh) = de stortplaats van | הַדֶּ֔שֶׁן (hadeshen) = de as | וְשָׂרַ֥ף (vesaraf) = en hij zal verbranden | אֹת֛וֹ (oto) = hem | עַל (al) = op | עֵצִ֖ים (etsim) = hout | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | עַל (al) = op | שֶׁ֥פֶךְ (shefekh) = de stortplaats van | הַדֶּ֖שֶׁן (hadeshen) = de as | יִשָּׂרֵֽף (yisaref) = hij zal verbrand worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁפֶךְ הַדֶּשֶׁן (shefekh hadeshen), ‘stortplaats van de as’: de plek buiten het kamp waar de as van het altaar heen wordt gebracht (Lev. 6:3–4). Zij heet ‘rein’, omdat het zondoffer daar op een reine plek wordt verbrand. Zie ook: Ex 29:14; Lev 6:3–4; Lev 16:27; Num 19:3; Heb 13:11 ### Het zondoffer voor de hele gemeenschap **4:13** **Als heel de gemeenschap van Israël zich vergist, terwijl de zaak voor de ogen van de vergadering verborgen blijft. En zij doen een van de dingen die volgens de geboden van Yahweh niet gedaan mogen worden, zodat zij schuldig worden.** Brontekst: וְאִ֨ם (veim) = en als | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֤ת (adat) = de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יִשְׁגּ֔וּ (yishgu) = zij vergissen zich | וְנֶעְלַ֣ם (venelam) = en het blijft verborgen | דָּבָ֔ר (davar) = de zaak | מֵעֵינֵ֖י (meeinei) = voor de ogen van | הַקָּהָ֑ל (haqahal) = de vergadering | וְ֠עָשׂוּ (veasu) = en zij doen | אַחַ֨ת (achat) = één | מִכָּל (mikal) = van alle | מִצְוֺ֧ת (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תֵעָשֶׂ֖ינָה (teaseina) = gedaan mogen worden | וְאָשֵֽׁמוּ (veashemu) = en zij worden schuldig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵדָה (edah), ‘gemeenschap’, en קָהָל (qahal), ‘vergadering’: beide woorden staan in dit vers; wij houden ze uit elkaar. Voetnoot : שָׁגָה (shagah), ‘zich vergissen’: een ander woord dan in vers 2, maar met dezelfde gedachte van een zonde zonder opzet. Zie ook: Lev 4:2; Lev 5:2–5; Lev 5:17; Num 15:24–29; Joz 7:11; 1 Kor 11:27 **4:14** **En de zonde waarmee zij gezondigd hebben, wordt bekend, dan moet de vergadering een jonge stier als zondoffer brengen. Zij moeten hem voor de tent van samenkomst brengen.** Brontekst: וְנֽוֹדְעָה֙ (venodea) = en het wordt bekend | הַֽחַטָּ֔את (hachatat) = de zonde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חָטְא֖וּ (chateu) = zij zondigden | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = erover | וְהִקְרִ֨יבוּ (vehiqrivu) = en zij zullen brengen | הַקָּהָ֜ל (haqahal) = de vergadering | פַּ֤ר (par) = een stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָר֙ (baqar) = rund | לְחַטָּ֔את (lechatat) = als zondoffer | וְהֵבִ֣יאוּ (veheviu) = en zij zullen brengen | אֹת֔וֹ (oto) = hem | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:3; Lev 4:23; Lev 4:28 **4:15** **De oudsten van de gemeenschap moeten hun handen op de kop van de stier leggen, voor het aangezicht van Yahweh. Dan moet de stier voor het aangezicht van Yahweh geslacht worden.** Brontekst: וְ֠סָמְכוּ (vesamekhu) = en zij zullen leggen | זִקְנֵ֨י (ziqnei) = de oudsten van | הָעֵדָ֧ה (haeda) = de gemeenschap | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֛ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = de kop van | הַפָּ֖ר (hapar) = de stier | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְשָׁחַ֥ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֖ר (hapar) = de stier | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:4; Lev 4:4; Lev 16:21; Num 8:10; Deut 21:3–9 **4:16** **De gezalfde priester moet van het bloed van de stier in de tent van samenkomst brengen.** Brontekst: וְהֵבִ֛יא (vehevi) = en hij zal brengen | הַכֹּהֵ֥ן (hakohen) = de priester | הַמָּשִׁ֖יחַ (hamashiach) = de gezalfde | מִדַּ֣ם (midam) = van het bloed van | הַפָּ֑ר (hapar) = de stier | אֶל (el) = naar | אֹ֖הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:5–12; Heb 9:12–14 **4:17** **De priester moet zijn vinger in het bloed dopen. Hij moet zeven keer sprenkelen, voor het aangezicht van Yahweh, voor de voorhang.** Brontekst: וְטָבַ֧ל (vetaval) = en hij zal dopen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶצְבָּע֖וֹ (etsbao) = zijn vinger | מִן (min) = van | הַדָּ֑ם (hadam) = het bloed | וְהִזָּ֞ה (vehiza) = en hij zal sprenkelen | שֶׁ֤בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִים֙ (peamim) = keer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֖ת (et) = (obj.) | פְּנֵ֥י (penei) = de voorzijde van | הַפָּרֹֽכֶת (haparokhet) = de voorhang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:6–7 **4:18** **Hij moet van het bloed op de hoorns doen van het altaar dat voor het aangezicht van Yahweh in de tent van samenkomst staat. Al het bloed moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de tent van samenkomst staat.** Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַדָּ֞ם (hadam) = het bloed | יִתֵּ֣ן (yiten) = hij zal doen | עַל (al) = op | קַרְנֹ֣ת (qarnot) = de hoorns van | הַמִּזְבֵּ֗חַ (hamizbeach) = het altaar | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדָּ֗ם (hadam) = het bloed | יִשְׁפֹּךְ֙ (yishpokh) = hij zal uitgieten | אֶל (el) = aan | יְסוֹד֙ (yesod) = de voet van | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | הָעֹלָ֔ה (haola) = het brandoffer | אֲשֶׁר (asher) = dat | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:7 **4:19** **Al zijn vet moet hij ervan afnemen en op het altaar in rook laten opgaan.** Brontekst: וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | חֶלְבּ֖וֹ (chelbo) = zijn vet | יָרִ֣ים (yarim) = hij zal afnemen | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = ervan | וְהִקְטִ֖יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַמִּזְבֵּֽחָה (hamizbecha) = naar het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:8–10; Lev 4:35; Lev 5:26; Lev 12:8; Num 15:25 **4:20** **Hij moet met deze stier doen zoals hij met de stier van het zondoffer gedaan heeft. Zo moet hij het doen. De priester moet voor hen verzoening doen, en het wordt hun vergeven.** Brontekst: וְעָשָׂ֣ה (veasa) = en hij zal doen | לַפָּ֔ר (lapar) = met de stier | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | עָשָׂה֙ (asa) = hij deed | לְפַ֣ר (lefar) = met de stier van | הַֽחַטָּ֔את (hachatat) = het zondoffer | כֵּ֖ן (ken) = zo | יַעֲשֶׂה (yaase) = hij zal doen | לּ֑וֹ (lo) = ermee | וְכִפֶּ֧ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עֲלֵהֶ֛ם (alehem) = voor hen | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | וְנִסְלַ֥ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לָהֶֽם (lahem) = hun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִסְלַח (venislach), ‘en het wordt vergeven’: het werkwoord סָלַח (salach) heeft in de Bijbel alleen Elohim als gever. De vorm is lijdend: de zonde wordt door Hem vergeven. Vergelijk Exod. 34:9. Zie ook: Ex 34:9; Lev 12:8; Num 15:25; Heb 9:14; Heb 10:10–12; Openb 1:5 **4:21** **Hij moet de stier buiten het kamp brengen en hem verbranden, zoals hij de eerste stier verbrand heeft. Het is het zondoffer van de vergadering.** Brontekst: וְהוֹצִ֣יא (vehotsi) = en hij zal naar buiten brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֗ר (hapar) = de stier | אֶל (el) = naar | מִחוּץ֙ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֔ה (lamachane) = het kamp | וְשָׂרַ֣ף (vesaraf) = en hij zal verbranden | אֹת֔וֹ (oto) = hem | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | שָׂרַ֔ף (saraf) = hij verbrandde | אֵ֖ת (et) = (obj.) | הַפָּ֣ר (hapar) = de stier | הָרִאשׁ֑וֹן (harishon) = de eerste | חַטַּ֥את (chatat) = zondoffer van | הַקָּהָ֖ל (haqahal) = de vergadering | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:11–12; Lev 16:15; Lev 16:21; Mat 20:28; 1 Tim 2:5–6 ### Het zondoffer voor een leider **4:22** **Wanneer een leider zondigt en bij vergissing een van de dingen doet die volgens de geboden van Yahweh, zijn Elohim, niet gedaan mogen worden, en hij wordt schuldig,** Brontekst: אֲשֶׁ֥ר (asher) = wanneer | נָשִׂ֖יא (nasi) = een leider | יֶֽחֱטָ֑א (yecheta) = hij zondigt | וְעָשָׂ֡ה (veasa) = en hij doet | אַחַ֣ת (achat) = één | מִכָּל (mikal) = van alle | מִצְוֺת֩ (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֜יו (elohav) = zijn Elohim | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תֵעָשֶׂ֛ינָה (teaseina) = gedaan mogen worden | בִּשְׁגָגָ֖ה (bishgaga) = bij vergissing | וְאָשֵֽׁם (veashem) = en hij wordt schuldig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׂיא (nasi), ‘leider’: een hoofd van een stam of een familie. Zie Exod. 16:22. Voetnoot : אֲשֶׁר (asher) staat hier waar de andere gevallen ‘als’ of ‘wanneer’ hebben (vers 3, 13 en 27). Wij vertalen ‘wanneer’. Zie ook: Ex 16:22; Ex 18:21; Lev 4:2; Lev 4:3; Lev 4:13; Lev 4:27; 2 Sam 21:1–3; 2 Sam 24:10–17 **4:23** **of als hem zijn zonde bekend gemaakt wordt, de zonde waarmee hij gezondigd heeft, dan moet hij als zijn offergave een geitenbok brengen, een mannelijk dier zonder gebrek.** Brontekst: אֽוֹ (o) = of | הוֹדַ֤ע (hoda) = het wordt bekend gemaakt | אֵלָיו֙ (elav) = aan hem | חַטָּאת֔וֹ (chatato) = zijn zonde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חָטָ֖א (chata) = hij zondigde | בָּ֑הּ (bah) = daarmee | וְהֵבִ֧יא (vehevi) = en hij zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנ֛וֹ (qarbano) = zijn offergave | שְׂעִ֥יר (seir) = een bok van | עִזִּ֖ים (izim) = geiten | זָכָ֥ר (zakhar) = mannelijk | תָּמִֽים (tamim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂעִיר עִזִּים (sa'ir izzim), ‘geitenbok’: een mannelijke geit. In vers 28 staat שְׂעִירַת עִזִּים (se'irat izzim), ‘geit’: een vrouwelijke geit. Zie ook: Lev 4:14; Lev 4:28; Lev 5:4; Num 28:15; Num 29:19; Rom 8:3 **4:24** **Hij moet zijn hand op de kop van de bok leggen en hem slachten op de plaats waar het brandoffer geslacht wordt, voor het aangezicht van Yahweh. Het is een zondoffer.** Brontekst: וְסָמַ֤ךְ (vesamakh) = en hij zal leggen | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | הַשָּׂעִ֔יר (hasair) = de bok | וְשָׁחַ֣ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֹת֔וֹ (oto) = hem | בִּמְק֛וֹם (bimqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | יִשְׁחַ֥ט (yishchat) = men slacht | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:11; Lev 3:2; Lev 7:2; Lev 16:15; Jes 53:6 **4:25** **De priester moet met zijn vinger van het bloed van het zondoffer nemen en het op de hoorns van het brandofferaltaar doen. Zijn bloed moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar.** Brontekst: וְלָקַ֨ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | מִדַּ֤ם (midam) = van het bloed van | הַֽחַטָּאת֙ (hachatat) = het zondoffer | בְּאֶצְבָּע֔וֹ (beetsbao) = met zijn vinger | וְנָתַ֕ן (venatan) = en hij zal doen | עַל (al) = op | קַרְנֹ֖ת (qarnot) = de hoorns van | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דָּמ֣וֹ (damo) = zijn bloed | יִשְׁפֹּ֔ךְ (yishpokh) = hij zal uitgieten | אֶל (el) = aan | יְס֖וֹד (yesod) = de voet van | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = het altaar van | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:7; Lev 4:18; Lev 4:30; Lev 4:34; Lev 9:9 **4:26** **Al zijn vet moet hij op het altaar in rook laten opgaan, zoals het vet van het vredeoffer. De priester moet voor hem verzoening doen voor zijn zonde, en het wordt hem vergeven.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | חֶלְבּוֹ֙ (chelbo) = zijn vet | יַקְטִ֣יר (yaqtir) = hij zal in rook laten opgaan | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = naar het altaar | כְּחֵ֖לֶב (kechelev) = zoals het vet van | זֶ֣בַח (zevach) = het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִ֑ים (hashelamim) = de vredeoffers | וְכִפֶּ֨ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֧יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | מֵחַטָּאת֖וֹ (mechatato) = voor zijn zonde | וְנִסְלַ֥ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:5; Lev 4:20; Lev 4:31; Lev 5:10; Num 15:28 ### Het zondoffer voor iemand uit het volk **4:27** **Als iemand uit het volk van het land bij vergissing zondigt door een van de dingen te doen die volgens de geboden van Yahweh niet gedaan mogen worden. En hij wordt schuldig.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | נֶ֧פֶשׁ (nefesh) = iemand | אַחַ֛ת (achat) = één | תֶּחֱטָ֥א (techeta) = hij zondigt | בִשְׁגָגָ֖ה (bishgaga) = bij vergissing | מֵעַ֣ם (meam) = van het volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | בַּ֠עֲשֹׂתָהּ (baasotah) = in zijn doen | אַחַ֨ת (achat) = één | מִמִּצְוֺ֧ת (mimitsvot) = van de geboden van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תֵעָשֶׂ֖ינָה (teaseina) = gedaan mogen worden | וְאָשֵֽׁם (veashem) = en hij wordt schuldig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַם הָאָרֶץ (am ha'arets), ‘het volk van het land’: de gewone Israëlieten, niet de priester en niet de leider. אַחַת (achat), ‘één’: een enkele persoon, tegenover de hele gemeenschap in vers 13. Zie ook: Lev 4:2; Lev 4:13; Num 5:6; Num 15:27; Num 15:29 **4:28** **Of als hem zijn zonde bekend gemaakt wordt. Dan moet hij als zijn offergave een geit brengen, een vrouwelijk dier zonder gebrek, voor de zonde die hij begaan heeft.** Brontekst: א֚וֹ (o) = of | הוֹדַ֣ע (hoda) = het wordt bekend gemaakt | אֵלָ֔יו (elav) = aan hem | חַטָּאת֖וֹ (chatato) = zijn zonde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָטָ֑א (chata) = hij zondigde | וְהֵבִ֨יא (vehevi) = en hij zal brengen | קָרְבָּנ֜וֹ (qarbano) = zijn offergave | שְׂעִירַ֤ת (seirat) = een geit van | עִזִּים֙ (izim) = geiten | תְּמִימָ֣ה (temima) = zonder gebrek | נְקֵבָ֔ה (neqeva) = vrouwelijk | עַל (al) = voor | חַטָּאת֖וֹ (chatato) = zijn zonde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חָטָֽא (chata) = hij zondigde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:3; Lev 4:23; Lev 4:32; Lev 5:6; Rom 8:3 **4:29** **Hij moet zijn hand op de kop van het zondoffer leggen en het zondoffer slachten op de plaats van het brandoffer.** Brontekst: וְסָמַךְ֙ (vesamakh) = en hij zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | עַ֖ל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | הַֽחַטָּ֑את (hachatat) = het zondoffer | וְשָׁחַט֙ (veshachat) = en hij zal slachten | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣חַטָּ֔את (hachatat) = het zondoffer | בִּמְק֖וֹם (bimqom) = op de plaats van | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:4; Lev 4:4; Lev 4:15; Lev 4:24; Lev 4:33 **4:30** **De priester moet met zijn vinger van het bloed ervan nemen en het op de hoorns van het brandofferaltaar doen. Al het bloed ervan moet hij uitgieten aan de voet van het altaar.** Brontekst: וְלָקַ֨ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | מִדָּמָהּ֙ (midamah) = van haar bloed | בְּאֶצְבָּע֔וֹ (beetsbao) = met zijn vinger | וְנָתַ֕ן (venatan) = en hij zal doen | עַל (al) = op | קַרְנֹ֖ת (qarnot) = de hoorns van | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | דָּמָ֣הּ (damah) = haar bloed | יִשְׁפֹּ֔ךְ (yishpokh) = hij zal uitgieten | אֶל (el) = aan | יְס֖וֹד (yesod) = de voet van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:7; Lev 4:25; Lev 4:34; Jes 42:21; Rom 8:3–4 **4:31** **Al het vet ervan moet hij wegnemen, zoals het vet van het vredeoffer weggenomen wordt. De priester moet het op het altaar in rook laten opgaan tot een aangename geur voor Yahweh. De priester moet voor hem verzoening doen, en het wordt hem vergeven.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | חֶלְבָּ֣הּ (chelbah) = haar vet | יָסִ֗יר (yasir) = hij zal wegnemen | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | הוּסַ֣ר (husar) = het werd weggenomen | חֵלֶב֮ (chelev) = het vet | מֵעַ֣ל (meal) = van | זֶ֣בַח (zevach) = het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֒ (hashelamim) = de vredeoffers | וְהִקְטִ֤יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = naar het altaar | לְרֵ֥יחַ (lereiach) = tot een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֛יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | וְנִסְלַ֥ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:21; Ex 29:18; Lev 1:9; Lev 4:26; Lev 4:35 ### Een lam als zondoffer **4:32** **Als hij een lam als zijn offergave voor het zondoffer brengt, moet hij een vrouwelijk dier zonder gebrek brengen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | כֶּ֛בֶשׂ (keves) = een lam | יָבִ֥יא (yavi) = hij zal brengen | קָרְבָּנ֖וֹ (qarbano) = zijn offergave | לְחַטָּ֑את (lechatat) = als zondoffer | נְקֵבָ֥ה (neqeva) = vrouwelijk | תְמִימָ֖ה (temima) = zonder gebrek | יְבִיאֶֽנָּה (yeviena) = hij zal het brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:28; Lev 5:6; Joh 1:29; 1 Petr 2:22; 1 Petr 3:18 **4:33** **Hij moet zijn hand op de kop van het zondoffer leggen en het als zondoffer slachten op de plaats waar het brandoffer geslacht wordt.** Brontekst: וְסָמַךְ֙ (vesamakh) = en hij zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | עַ֖ל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | הַֽחַטָּ֑את (hachatat) = het zondoffer | וְשָׁחַ֤ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֹתָהּ֙ (otah) = het | לְחַטָּ֔את (lechatat) = als zondoffer | בִּמְק֕וֹם (bimqom) = op de plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | יִשְׁחַ֖ט (yishchat) = men slacht | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:4; Lev 4:29–31 **4:34** **De priester moet met zijn vinger van het bloed van het zondoffer nemen en het op de hoorns van het brandofferaltaar doen. Al het bloed ervan moet hij uitgieten aan de voet van het altaar.** Brontekst: וְלָקַ֨ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | מִדַּ֤ם (midam) = van het bloed van | הַֽחַטָּאת֙ (hachatat) = het zondoffer | בְּאֶצְבָּע֔וֹ (beetsbao) = met zijn vinger | וְנָתַ֕ן (venatan) = en hij zal doen | עַל (al) = op | קַרְנֹ֖ת (qarnot) = de hoorns van | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | דָּמָ֣הּ (damah) = haar bloed | יִשְׁפֹּ֔ךְ (yishpokh) = hij zal uitgieten | אֶל (el) = aan | יְס֖וֹד (yesod) = de voet van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:7; Lev 4:25; Lev 4:30; Heb 2:10; Heb 10:29 **4:35** **Al het vet ervan moet hij wegnemen, zoals het vet van het lam van het vredeoffer weggenomen wordt. De priester moet het op het altaar in rook laten opgaan, op de vuuroffers van Yahweh. De priester moet voor hem verzoening doen voor de zonde die hij begaan heeft, en het wordt hem vergeven.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | חֶלְבָּ֣ה (chelba) = haar vet | יָסִ֗יר (yasir) = hij zal wegnemen | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יוּסַ֥ר (yusar) = het wordt weggenomen | חֵֽלֶב (chelev) = het vet van | הַכֶּשֶׂב֮ (hakesev) = het lam | מִזֶּ֣בַח (mizevach) = van het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֒ (hashelamim) = de vredeoffers | וְהִקְטִ֨יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | אֹתָם֙ (otam) = ze | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = naar het altaar | עַ֖ל (al) = op | אִשֵּׁ֣י (ishei) = de vuuroffers van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְכִפֶּ֨ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֧יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | עַל (al) = voor | חַטָּאת֥וֹ (chatato) = zijn zonde | אֲשֶׁר (asher) = die | חָטָ֖א (chata) = hij zondigde | וְנִסְלַ֥ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:20; Lev 4:26; Lev 4:30–31; Lev 5:26; Lev 14:18 ## Leviticus 5 _Het zondoffer en het schuldoffer_ ### Zwijgen als getuige **5:1** **En wanneer iemand zondigt doordat hij een oproep onder ede hoort, en hij is getuige, of hij heeft het gezien of geweten. Als hij het niet zegt, moet hij zijn schuld dragen.** Brontekst: וְנֶ֣פֶשׁ (venefesh) = en iemand | כִּֽי (ki) = wanneer | תֶחֱטָ֗א (techeta) = hij zondigt | וְשָֽׁמְעָה֙ (veshamea) = en hij hoort | ק֣וֹל (qol) = de stem van | אָלָ֔ה (ala) = een eed | וְה֣וּא (vehu) = en hij | עֵ֔ד (ed) = een getuige | א֥וֹ (o) = of | רָאָ֖ה (raa) = hij heeft gezien | א֣וֹ (o) = of | יָדָ֑ע (yada) = hij heeft geweten | אִם (im) = als | ל֥וֹא (lo) = niet | יַגִּ֖יד (yagid) = hij zegt het | וְנָשָׂ֥א (venasa) = dan zal hij dragen | עֲוֺנֽוֹ (avono) = zijn schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘eed’: een plechtige oproep waarbij een vloek wordt uitgesproken over wie niet spreekt. Voetnoot : נָשָׂא עָוֹן (nasa avon), ‘zijn schuld dragen’: de gevolgen van de schuld komen op hem. Voetnoot Lezing: קוֹל אָלָה (qol alah) is letterlijk ‘de stem van een eed’. Wij vertalen ‘een oproep onder ede’: een openbare oproep aan getuigen om te spreken. Zie ook: Lev 5:17; Lev 7:18; Lev 19:8; Spr 29:24; Mat 26:63 ### Verborgen onreinheid en onbezonnen eden **5:2** **Of wanneer iemand iets onreins aanraakt, of het kadaver van een onrein wild dier, of het kadaver van onrein vee, of het kadaver van een onrein kruipend dier. Het blijft voor hem verborgen. Hij is onrein en schuldig.** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | נֶ֗פֶשׁ (nefesh) = iemand | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּגַּע֮ (tiga) = hij raakt aan | בְּכָל (bekhal) = elk | דָּבָ֣ר (davar) = ding | טָמֵא֒ (tame) = onrein | אוֹ֩ (o) = of | בְנִבְלַ֨ת (benivlat) = het kadaver van | חַיָּ֜ה (chaya) = een wild dier | טְמֵאָ֗ה (temea) = onrein | א֤וֹ (o) = of | בְּנִבְלַת֙ (benivlat) = het kadaver van | בְּהֵמָ֣ה (behema) = vee | טְמֵאָ֔ה (temea) = onrein | א֕וֹ (o) = of | בְּנִבְלַ֖ת (benivlat) = het kadaver van | שֶׁ֣רֶץ (sherets) = een kruipend dier | טָמֵ֑א (tame) = onrein | וְנֶעְלַ֣ם (venelam) = en het blijft verborgen | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = voor hem | וְה֥וּא (vehu) = en hij | טָמֵ֖א (tame) = onrein | וְאָשֵֽׁם (veashem) = en hij wordt schuldig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’: een dier dat vanzelf is doodgegaan. Welke dieren onrein zijn, staat in Lev. 11:8 en 11:29. Voetnoot : שֶׁרֶץ (sherets), ‘kruipend dier’: kleine dieren die over de grond kruipen of wemelen. Zie ook: Lev 5:17; Lev 11:8; Lev 11:24–40; Lev 11:29; Num 19:11–16; Deut 14:8; Hag 2:13 **5:3** **Of wanneer hij de onreinheid van een mens aanraakt, welke onreinheid het ook is waardoor iemand onrein wordt. Het blijft voor hem verborgen. Als hij het weet, is hij schuldig.** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | כִ֤י (ki) = wanneer | יִגַּע֙ (yiga) = hij raakt aan | בְּטֻמְאַ֣ת (betumat) = de onreinheid van | אָדָ֔ם (adam) = een mens | לְכֹל֙ (lekhol) = bij elke | טֻמְאָת֔וֹ (tumato) = zijn onreinheid | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | יִטְמָ֖א (yitma) = hij onrein wordt | בָּ֑הּ (bah) = daardoor | וְנֶעְלַ֣ם (venelam) = en het blijft verborgen | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = voor hem | וְה֥וּא (vehu) = en hij | יָדַ֖ע (yada) = hij weet | וְאָשֵֽׁם (veashem) = en hij wordt schuldig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De onreinheid van een mens is bijvoorbeeld een lichaamsvloeiing (Lev. 15:2). Zie ook: Lev 12:1–8; Lev 15:1–33; Lev 15:2; Lev 22:4–6; Num 19:11–16 **5:4** **Of wanneer iemand onbezonnen met zijn lippen zweert, om kwaad te doen of om goed te doen, bij alles wat een mens onbezonnen met een eed uitspreekt. Het blijft voor hem verborgen. Als hij het weet, is hij schuldig aan een van deze dingen.** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | נֶ֡פֶשׁ (nefesh) = iemand | כִּ֣י (ki) = wanneer | תִשָּׁבַע֩ (tishava) = hij zweert | לְבַטֵּ֨א (levate) = onbezonnen uit te spreken | בִשְׂפָתַ֜יִם (bisfatayim) = met de lippen | לְהָרַ֣ע (lehara) = om kwaad te doen | א֣וֹ (o) = of | לְהֵיטִ֗יב (leheitiv) = om goed te doen | לְ֠כֹל (lekhol) = bij alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יְבַטֵּ֧א (yevate) = hij onbezonnen uitspreekt | הָאָדָ֛ם (haadam) = de mens | בִּשְׁבֻעָ֖ה (bishvua) = met een eed | וְנֶעְלַ֣ם (venelam) = en het blijft verborgen | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = voor hem | וְהוּא (vehu) = en hij | יָדַ֥ע (yada) = hij weet | וְאָשֵׁ֖ם (veashem) = en hij wordt schuldig | לְאַחַ֥ת (leachat) = aan één | מֵאֵֽלֶּה (meele) = van deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבַטֵּא (levatte), ‘onbezonnen uitspreken’: iets zeggen zonder na te denken. Het gaat om een eed om iets te doen, goed of kwaad, die de spreker vergeet of niet nakomt. Zie ook: Re 11:31; 1 Sam 25:22; Pred 5:1–5; Mar 6:23; Hand 23:12 **5:5** **Wanneer hij aan een van deze dingen schuldig wordt, moet hij belijden waarin hij gezondigd heeft.** Brontekst: וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | כִֽי (ki) = wanneer | יֶאְשַׁ֖ם (yesham) = hij schuldig wordt | לְאַחַ֣ת (leachat) = aan één | מֵאֵ֑לֶּה (meele) = van deze | וְהִ֨תְוַדָּ֔ה (vehitvada) = en hij zal belijden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | חָטָ֖א (chata) = hij zondigde | עָלֶֽיהָ (aleiha) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְוַדָּה (hitvaddah), ‘belijden’: hardop zeggen wat men gedaan heeft. Vergelijk Num. 5:6–7. Zie ook: Lev 16:21; Lev 26:40; Num 5:6–7; Num 5:7; Spr 28:13; Rom 10:10 ### Het zondoffer naar het vermogen van de zondaar **5:6** **Hij moet zijn schuldoffer voor Yahweh brengen, voor zijn zonde die hij begaan heeft: een vrouwelijk dier van het kleinvee, een ooilam of een geit, als zondoffer. De priester moet voor hem verzoening doen voor zijn zonde.** Brontekst: וְהֵבִ֣יא (vehevi) = en hij zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲשָׁמ֣וֹ (ashamo) = zijn schuldoffer | לַיהוָ֡ה (laYahweh) = voor Yahweh | עַ֣ל (al) = voor | חַטָּאתוֹ֩ (chatato) = zijn zonde | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | חָטָ֜א (chata) = hij zondigde | נְקֵבָ֨ה (neqeva) = een vrouwelijk dier | מִן (min) = van | הַצֹּ֥אן (hatson) = het kleinvee | כִּשְׂבָּ֛ה (kisba) = een ooilam | אֽוֹ (o) = of | שְׂעִירַ֥ת (seirat) = een geit van | עִזִּ֖ים (izim) = geiten | לְחַטָּ֑את (lechatat) = als zondoffer | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֛יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | מֵחַטָּאתֽוֹ (mechatato) = van zijn zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָשָׁם (asham) betekent ‘schuld’ en ook ‘schuldoffer’. Hier heet het dier ‘zijn schuldoffer’, maar het offer zelf heet ‘zondoffer’ (חַטָּאת, chatat). Het eigenlijke schuldoffer volgt in vers 15 en 25. Voetnoot : כִּשְׂבָּה (kisbah), ‘ooilam’: een vrouwelijk lam. Zie ook: Lev 4:20; Lev 4:28; Lev 4:32; Lev 5:15; Lev 5:25; Lev 19:21–22; Ezech 42:13 **5:7** **Als hij een stuk kleinvee niet kan betalen, moet hij voor Yahweh zijn schuldoffer brengen voor zijn zonde: twee tortelduiven of twee jonge duiven. Eén als zondoffer en één als brandoffer.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֨א (lo) = niet | תַגִּ֣יע (tagi) = het reikt | יָדוֹ֮ (yado) = zijn hand | דֵּ֣י (dei) = genoeg voor | שֶׂה֒ (se) = een stuk kleinvee | וְהֵבִ֨יא (vehevi) = dan zal hij brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲשָׁמ֜וֹ (ashamo) = zijn schuldoffer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | חָטָ֗א (chata) = hij zondigde | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | תֹרִ֛ים (torim) = tortelduiven | אֽוֹ (o) = of | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יוֹנָ֖ה (yona) = een duif | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֶחָ֥ד (echad) = één | לְחַטָּ֖את (lechatat) = als zondoffer | וְאֶחָ֥ד (veechad) = en één | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא תַגִּיעַ יָדוֹ דֵּי שֶׂה (lo tagia jado dei seh), letterlijk ‘zijn hand reikt niet genoeg voor een stuk kleinvee’: hij kan zich geen stuk kleinvee veroorloven. Vogels als brandoffer: Lev. 1:14–17. Zie ook: Lev 1:14–17; Lev 5:8–9; Lev 12:8; Lev 14:21–22; Lev 14:31; Mat 3:16 **5:8** **Hij moet ze naar de priester brengen. Die moet eerst brengen wat voor het zondoffer is. Hij moet de kop vlak bij de nek afknijpen, zonder hem af te scheiden.** Brontekst: וְהֵבִ֤יא (vehevi) = en hij zal brengen | אֹתָם֙ (otam) = ze | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְהִקְרִ֛יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לַחַטָּ֖את (lachatat) = als zondoffer | רִאשׁוֹנָ֑ה (rishona) = eerst | וּמָלַ֧ק (umalaq) = en hij zal afknijpen | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֛וֹ (rosho) = zijn kop | מִמּ֥וּל (mimul) = tegenover | עָרְפּ֖וֹ (arpo) = zijn nek | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַבְדִּֽיל (yavdil) = hij zal scheiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָלַק (malaq), ‘afknijpen’: zie Lev. 1:15. Bij het zondoffer van een vogel wordt de kop niet van het lichaam gescheiden. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt bij het tweede ‘hij zal brengen’ (הִקְרִיב, hiqriv) geen onderwerp. Wij lezen: de priester. Daarom staat er ‘Die’. Zie ook: Lev 1:15; Lev 1:17; Rom 4:25; 1 Petr 3:18 **5:9** **Hij moet van het bloed van het zondoffer op de wand van het altaar sprenkelen. Wat van het bloed overblijft, moet worden uitgeperst aan de voet van het altaar. Het is een zondoffer.** Brontekst: וְהִזָּ֞ה (vehiza) = en hij zal sprenkelen | מִדַּ֤ם (midam) = van het bloed van | הַחַטָּאת֙ (hachatat) = het zondoffer | עַל (al) = op | קִ֣יר (qir) = de wand van | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וְהַנִּשְׁאָ֣ר (vehanishar) = en wat overblijft | בַּדָּ֔ם (badam) = van het bloed | יִמָּצֵ֖ה (yimatse) = het zal uitgeperst worden | אֶל (el) = aan | יְס֣וֹד (yesod) = de voet van | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:7; Lev 4:18; Lev 4:25; Lev 4:30; Lev 4:34 **5:10** **De tweede moet hij als brandoffer klaarmaken, volgens het recht. De priester moet voor hem verzoening doen voor zijn zonde die hij begaan heeft, en het wordt hem vergeven.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשֵּׁנִ֛י (hasheni) = de tweede | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = hij zal maken | עֹלָ֖ה (ola) = als brandoffer | כַּמִּשְׁפָּ֑ט (kamishpat) = volgens het recht | וְכִפֶּ֨ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֧יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | מֵחַטָּאת֥וֹ (mechatato) = van zijn zonde | אֲשֶׁר (asher) = die | חָטָ֖א (chata) = hij zondigde | וְנִסְלַ֥ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: hier de vaste regel voor het brandoffer van vogels (Lev. 1:14–17). Zie ook: Lev 1:14–17; Lev 4:20; Lev 4:26; Lev 5:13; 1 Joh 2:2 **5:11** **Als hij geen twee tortelduiven of twee jonge duiven kan betalen, moet hij voor zijn zonde als offergave een tiende efa fijn meel brengen als zondoffer. Hij mag er geen olie op doen en er geen wierook op leggen, want het is een zondoffer.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹא֩ (lo) = niet | תַשִּׂ֨יג (tasig) = het bereikt | יָד֜וֹ (yado) = zijn hand | לִשְׁתֵּ֣י (lishtei) = tot twee | תֹרִ֗ים (torim) = tortelduiven | אוֹ֮ (o) = of | לִשְׁנֵ֣י (lishnei) = tot twee | בְנֵי (benei) = zonen van | יוֹנָה֒ (yona) = een duif | וְהֵבִ֨יא (vehevi) = dan zal hij brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנ֜וֹ (qarbano) = zijn offergave | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | חָטָ֗א (chata) = hij zondigde | עֲשִׂירִ֧ת (asirit) = een tiende van | הָאֵפָ֛ה (haefa) = de efa | סֹ֖לֶת (solet) = fijn meel | לְחַטָּ֑את (lechatat) = als zondoffer | לֹא (lo) = niet | יָשִׂ֨ים (yasim) = hij zal doen | עָלֶ֜יהָ (aleiha) = daarop | שֶׁ֗מֶן (shemen) = olie | וְלֹא (velo) = en niet | יִתֵּ֤ן (yiten) = hij zal leggen | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = daarop | לְבֹנָ֔ה (levona) = wierook | כִּ֥י (ki) = want | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | הִֽיא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲשִׂירִת הָאֵפָה (asirit haefah), ‘een tiende efa’: ongeveer 2,2 liter (een efa is ongeveer 22 liter). Voetnoot : Olie en wierook horen bij het graanoffer (Lev. 2:1); bij dit zondoffer worden ze weggelaten. Zie ook: Lev 2:1–2; Lev 2:4–5; Num 5:15; Num 7:19–89; Num 15:4–9 **5:12** **Hij moet het naar de priester brengen. De priester moet er een handvol van nemen. Het gedenkdeel ervan moet hij op het altaar in rook laten opgaan, op de vuuroffers van Yahweh. Het is een zondoffer.** Brontekst: וֶהֱבִיאָהּ֮ (veheviah) = en hij zal het brengen | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵן֒ (hakohen) = de priester | וְקָמַ֣ץ (veqamats) = en hij zal een handvol nemen | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | מִ֠מֶּנָּה (mimena) = ervan | מְל֨וֹא (melo) = de volheid van | קֻמְצ֜וֹ (qumtso) = zijn handvol | אֶת (et) = (obj.) | אַזְכָּרָתָה֙ (azkarata) = haar gedenkdeel | וְהִקְטִ֣יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = naar het altaar | עַ֖ל (al) = op | אִשֵּׁ֣י (ishei) = de vuuroffers van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַזְכָּרָה (azkarah), ‘gedenkdeel’: zie Lev. 2:2. Zie ook: Lev 1:13; Lev 2:2; Lev 2:9; Lev 4:35; Lev 6:8 **5:13** **De priester moet voor hem verzoening doen voor zijn zonde die hij met een van deze dingen begaan heeft, en het wordt hem vergeven. Het zal voor de priester zijn, zoals bij het graanoffer.”** Brontekst: וְכִפֶּר֩ (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֨יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | עַל (al) = voor | חַטָּאת֧וֹ (chatato) = zijn zonde | אֲשֶׁר (asher) = die | חָטָ֛א (chata) = hij zondigde | מֵֽאַחַ֥ת (meachat) = aan één | מֵאֵ֖לֶּה (meele) = van deze | וְנִסְלַ֣ח (venislach) = en het zal vergeven worden | ל֑וֹ (lo) = hem | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en het zal zijn | לַכֹּהֵ֖ן (lakohen) = voor de priester | כַּמִּנְחָֽה (kamincha) = als het graanoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wat overblijft, is voor de priester, zoals bij het graanoffer (Lev. 2:3). Zie ook: Lev 2:3; Lev 4:26; Lev 4:31; 1 Sam 2:28; 1 Kor 9:13 **5:14** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het schuldoffer bij ontrouw aan het heilige **5:15** **„Wanneer iemand ontrouw pleegt en bij vergissing zondigt tegen de heilige dingen van Yahweh. Hij moet zijn schuldoffer voor Yahweh brengen: een ram zonder gebrek uit het kleinvee, naar jouw schatting in zilveren sikkels, volgens de sikkel van het heiligdom, als schuldoffer.** Brontekst: נֶ֚פֶשׁ (nefesh) = iemand | כִּֽי (ki) = wanneer | תִמְעֹ֣ל (timol) = hij pleegt | מַ֔עַל (maal) = ontrouw | וְחָֽטְאָה֙ (vechatea) = en hij zondigt | בִּשְׁגָגָ֔ה (bishgaga) = bij vergissing | מִקָּדְשֵׁ֖י (miqadeshei) = tegen de heilige dingen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהֵבִיא֩ (vehevi) = dan zal hij brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲשָׁמ֨וֹ (ashamo) = zijn schuldoffer | לַֽיהוָ֜ה (laYahweh) = voor Yahweh | אַ֧יִל (ayil) = een ram | תָּמִ֣ים (tamim) = zonder gebrek | מִן (min) = van | הַצֹּ֗אן (hatson) = het kleinvee | בְּעֶרְכְּךָ֛ (beerkekha) = naar jouw schatting | כֶּֽסֶף (kesef) = zilver van | שְׁקָלִ֥ים (sheqalim) = sikkels | בְּשֶֽׁקֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | לְאָשָֽׁם (leasham) = als schuldoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָעַל (ma'al), ‘ontrouw plegen’: de trouw aan Yahweh breken, hier door iets te gebruiken dat Hem toebehoort. Voetnoot : בְּעֶרְכְּךָ (be'erkekha), ‘naar jouw schatting’: in het Hebreeuws staat ‘jouw’ in het enkelvoud; de waarde van het dier wordt geschat. Voetnoot : שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram zilver. Zie ook: Ex 30:13; Lev 4:2; Lev 7:1; Lev 22:1–16; Ezra 10:19 **5:16** **Wat hij verkeerd gedaan heeft met het heilige, moet hij vergoeden. Hij moet er een vijfde deel bij doen en het aan de priester geven. De priester moet voor hem verzoening doen met de ram van het schuldoffer, en het wordt hem vergeven.** Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁר֩ (asher) = wat | חָטָ֨א (chata) = hij zondigde | מִן (min) = van | הַקֹּ֜דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | יְשַׁלֵּ֗ם (yeshalem) = hij zal vergoeden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמִֽישִׁתוֹ֙ (chamishito) = zijn vijfde deel | יוֹסֵ֣ף (yosef) = hij zal toevoegen | עָלָ֔יו (alav) = eraan | וְנָתַ֥ן (venatan) = en hij zal geven | אֹת֖וֹ (oto) = het | לַכֹּהֵ֑ן (lakohen) = aan de priester | וְהַכֹּהֵ֗ן (vehakohen) = en de priester | יְכַפֵּ֥ר (yekhaper) = hij zal verzoening doen | עָלָ֛יו (alav) = voor hem | בְּאֵ֥יל (beeil) = met de ram van | הָאָשָׁ֖ם (haasham) = het schuldoffer | וְנִסְלַ֥ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָטָא מִן־הַקֹּדֶשׁ (chata min haqodesh), letterlijk ‘zondigen van het heilige’: iets van het heilige wegnemen of niet geven. Wie het doet, vergoedt het en voegt er een vijfde deel aan toe (Lev. 22:14; Num. 5:6–8). Zie ook: Lev 5:23–24; Lev 22:14; Lev 27:13; Lev 27:31; Num 5:6–8; Num 5:7 ### Een zonde zonder het te weten **5:17** **Wanneer iemand zondigt en een van de dingen doet die volgens de geboden van Yahweh niet gedaan mogen worden, zonder het te weten, dan is hij schuldig. Hij moet zijn schuld dragen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | נֶ֨פֶשׁ֙ (nefesh) = iemand | כִּ֣י (ki) = wanneer | תֶֽחֱטָ֔א (techeta) = hij zondigt | וְעָֽשְׂתָ֗ה (veaseta) = en hij doet | אַחַת֙ (achat) = één | מִכָּל (mikal) = van alle | מִצְוֺ֣ת (mitsvot) = geboden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | תֵעָשֶׂ֑ינָה (teaseina) = gedaan mogen worden | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָדַ֥ע (yada) = hij wist | וְאָשֵׁ֖ם (veashem) = en hij wordt schuldig | וְנָשָׂ֥א (venasa) = dan zal hij dragen | עֲוֺנֽוֹ (avono) = zijn schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:2–4; Lev 4:13; Lev 4:27; Lev 5:15; Ps 19:13 **5:18** **Hij moet naar de priester een ram zonder gebrek uit het kleinvee brengen, naar jouw schatting, als schuldoffer. De priester moet voor hem verzoening doen voor de vergissing die hij zonder het te weten begaan heeft, en het wordt hem vergeven.** Brontekst: וְ֠הֵבִיא (vehevi) = en hij zal brengen | אַ֣יִל (ayil) = een ram | תָּמִ֧ים (tamim) = zonder gebrek | מִן (min) = van | הַצֹּ֛אן (hatson) = het kleinvee | בְּעֶרְכְּךָ֥ (beerkekha) = naar jouw schatting | לְאָשָׁ֖ם (leasham) = als schuldoffer | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וְכִפֶּר֩ (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֨יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | עַ֣ל (al) = voor | שִׁגְגָת֧וֹ (shiggato) = zijn vergissing | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁגָ֛ג (shagag) = hij zich vergiste | וְה֥וּא (vehu) = en hij | לֹֽא (lo) = niet | יָדַ֖ע (yada) = hij wist | וְנִסְלַ֥ח (venislach) = en het zal vergeven worden | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:4; Lev 4:20; Lev 5:15–16; Lev 5:25–26; 1 Tim 2:5–6 **5:19** **Het is een schuldoffer: hij is zeker schuldig geworden tegenover Yahweh.”** Brontekst: אָשָׁ֖ם (asham) = een schuldoffer | ה֑וּא (hu) = het is | אָשֹׁ֥ם (ashom) = hij is zeker | אָשַׁ֖ם (asham) = schuldig geworden | לַיהוָֽה (laYahweh) = tegenover Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אָשֹׁם אָשַׁם (ashom asham): hetzelfde werkwoord staat twee keer, met nadruk. Wij vertalen ‘hij is zeker schuldig geworden’. Zie ook: Ps 51:6; Ezra 10:2; Mal 3:8; 2 Kor 5:19–21 **5:20** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het schuldoffer bij ontrouw tegenover een volksgenoot **5:21** **„Wanneer iemand zondigt en ontrouw is aan Yahweh, doordat hij tegen zijn volksgenoot liegt over iets wat hem in bewaring is gegeven of in zijn hand is gelegd. Of over iets wat hij geroofd heeft. Of doordat hij zijn volksgenoot afperst.** Brontekst: נֶ֚פֶשׁ (nefesh) = iemand | כִּ֣י (ki) = wanneer | תֶחֱטָ֔א (techeta) = hij zondigt | וּמָעֲלָ֥ה (umaala) = en hij pleegt | מַ֖עַל (maal) = ontrouw | בַּיהוָ֑ה (baYahweh) = tegen Yahweh | וְכִחֵ֨שׁ (vekhichesh) = en hij liegt | בַּעֲמִית֜וֹ (baamito) = tegen zijn volksgenoot | בְּפִקָּד֗וֹן (befiqadon) = over een toevertrouwd goed | אֽוֹ (o) = of | בִתְשׂ֤וּמֶת (bitsumet) = over een onderpand van | יָד֙ (yad) = de hand | א֣וֹ (o) = of | בְגָזֵ֔ל (begazel) = over roof | א֖וֹ (o) = of | עָשַׁ֥ק (ashaq) = hij perst af | אֶת (et) = (obj.) | עֲמִיתֽוֹ (amito) = zijn volksgenoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲמִית (amit), ‘volksgenoot’: iemand die tot hetzelfde volk behoort. Hetzelfde woord staat in Lev. 18:20; 19:11, 15 en 17; 24:19 en 25:14–17. Voetnoot : עֹשֶׁק (osheq), ‘afpersing’: iets afnemen van iemand die zwakker is. Voetnoot : תְּשׂוּמֶת יָד (tesumet yad), letterlijk ‘wat in de hand gelegd is’: iets wat aan iemand is toevertrouwd of als onderpand is gegeven. Zie ook: Lev 5:15; Lev 18:20; Lev 19:11; Num 5:6–8; Spr 24:28; Kol 3:9 **5:22** **Of doordat hij iets verlorens gevonden heeft en daarover liegt en vals zweert, over een van alle dingen die een mens kan doen en waarmee hij zondigt.** Brontekst: אֽוֹ (o) = of | מָצָ֧א (matsa) = hij heeft gevonden | אֲבֵדָ֛ה (aveda) = iets verlorens | וְכִ֥חֶשׁ (vekhichesh) = en hij liegt | בָּ֖הּ (bah) = erover | וְנִשְׁבַּ֣ע (venishba) = en hij zweert | עַל (al) = op | שָׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | עַל (al) = over | אַחַ֗ת (achat) = één | מִכֹּ֛ל (mikol) = van alle | אֲשֶׁר (asher) = wat | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = hij doet | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mens | לַחֲטֹ֥א (lachato) = zondigend | בָהֵֽנָּה (bahena) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:4; Lev 19:12; Deut 22:1–4; Spr 30:9; Jer 7:9 **5:23** **Als hij zo zondigt en schuldig wordt. Hij moet teruggeven wat hij geroofd heeft, of wat hij afgeperst heeft, of wat hem in bewaring is gegeven, of het verlorene dat hij gevonden heeft,** Brontekst: וְהָיָה֮ (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יֶחֱטָ֣א (yecheta) = hij zondigt | וְאָשֵׁם֒ (veashem) = en hij wordt schuldig | וְהֵשִׁ֨יב (veheshiv) = dan zal hij teruggeven | אֶת (et) = (obj.) | הַגְּזֵלָ֜ה (hagezela) = de roof | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | גָּזָ֗ל (gazal) = hij roofde | א֤וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹ֨שֶׁק֙ (haosheq) = wat afgeperst is | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשָׁ֔ק (ashaq) = hij afperste | א֚וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | הַפִּקָּד֔וֹן (hapiqadon) = het toevertrouwde goed | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הָפְקַ֖ד (hafeqad) = het werd toevertrouwd | אִתּ֑וֹ (ito) = bij hem | א֥וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲבֵדָ֖ה (haaveda) = het verlorene | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | מָצָֽא (matsa) = hij vond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eerst moet hij herstellen wat hij heeft afgenomen (vers 23–24); daarna brengt hij het schuldoffer (vers 25). Zie ook: Gen 21:25; Job 24:2; Lev 5:25; Jes 59:6; Ezech 18:7; Ezech 18:12 **5:24** **of alles waarover hij vals gezworen heeft. Hij moet het volledig vergoeden en er een vijfde deel bij doen. Hij moet het geven aan wie het toebehoort, op de dag van zijn schuld.** Brontekst: א֠וֹ (o) = of | מִכֹּ֞ל (mikol) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = waarover | יִשָּׁבַ֣ע (yishava) = hij zweert | עָלָיו֮ (alav) = erover | לַשֶּׁקֶר֒ (lasheqer) = vals | וְשִׁלַּ֤ם (veshilam) = en hij zal betalen | אֹתוֹ֙ (oto) = het | בְּרֹאשׁ֔וֹ (berosho) = naar de hoofdsom | וַחֲמִשִׁתָ֖יו (vachamishitav) = en zijn vijfde deel | יֹסֵ֣ף (yosef) = hij zal toevoegen | עָלָ֑יו (alav) = eraan | לַאֲשֶׁ֨ר (laasher) = aan wie | ה֥וּא (hu) = het is | ל֛וֹ (lo) = van hem | יִתְּנֶ֖נּוּ (yitenenu) = hij zal het geven | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | אַשְׁמָתֽוֹ (ashmato) = zijn schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: בְּרֹאשׁוֹ (berosho), letterlijk ‘in zijn hoofd’: de hoofdsom, het geheel. Wij vertalen ‘volledig’. Voetnoot : בְּיוֹם אַשְׁמָתוֹ (beyom ashmato), letterlijk ‘op de dag van zijn schuld’: de dag waarop hij zijn schuld erkent en zijn schuldoffer brengt. Zie ook: Ex 22:8; Lev 5:16; 1 Sam 12:3; 2 Sam 12:6; Luc 19:8 **5:25** **Hij moet zijn schuldoffer naar de priester brengen, voor Yahweh: een ram zonder gebrek uit het kleinvee, naar jouw schatting, als schuldoffer.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲשָׁמ֥וֹ (ashamo) = zijn schuldoffer | יָבִ֖יא (yavi) = hij zal brengen | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | אַ֣יִל (ayil) = een ram | תָּמִ֧ים (tamim) = zonder gebrek | מִן (min) = van | הַצֹּ֛אן (hatson) = het kleinvee | בְּעֶרְכְּךָ֥ (beerkekha) = naar jouw schatting | לְאָשָׁ֖ם (leasham) = als schuldoffer | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 5:15; Lev 5:18; Jes 53:10–11 **5:26** **De priester moet voor het aangezicht van Yahweh voor hem verzoening doen. En het wordt hem vergeven, voor elk van de dingen die hij gedaan heeft en waardoor hij schuldig werd.”** Brontekst: וְכִפֶּ֨ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֧יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְנִסְלַ֣ח (venislach) = en het zal vergeven worden | ל֑וֹ (lo) = hem | עַל (al) = over | אַחַ֛ת (achat) = één | מִכֹּ֥ל (mikol) = van alle | אֲשֶֽׁר (asher) = wat | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = hij doet | לְאַשְׁמָ֥ה (leashma) = tot schuld | בָֽהּ (bah) = daardoor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:26; Ezech 18:21–23; Ezech 18:26–27; 1 Joh 1:9; 1 Joh 2:1–2 ## Leviticus 6 _De wet voor de priesters: brandoffer, graanoffer en zondoffer_ ### De wet van het brandoffer **6:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:2** **„Geef Aäron en zijn zonen dit bevel: Dit is de wet van het brandoffer. Het brandoffer moet de hele nacht tot de morgen op zijn brandplaats op het altaar blijven. Het vuur van het altaar moet daarop blijven branden.** Brontekst: צַ֤ו (tsav) = gebied | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֣יו (banav) = zijn zonen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | זֹ֥את (zot) = dit is | תּוֹרַ֖ת (torat) = de wet van | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | הִ֣וא (hi) = het | הָעֹלָ֡ה (haola) = het brandoffer | עַל֩ (al) = op | מוֹקְדָ֨ה (moqeda) = zijn brandplaats | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֤חַ (hamizbeach) = het altaar | כָּל (kal) = heel | הַלַּ֨יְלָה֙ (halayla) = de nacht | עַד (ad) = tot | הַבֹּ֔קֶר (haboqer) = de morgen | וְאֵ֥שׁ (veesh) = en het vuur van | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | תּ֥וּקַד (tuqad) = het zal blijven branden | בּֽוֹ (bo) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht, aanwijzing. In Lev. 1–5 stond wat wie het offer brengt moet doen; in Lev. 6:2–7:38 staat wat de priesters moeten doen. Voetnoot : מוֹקְדָה (moqdah), ‘brandplaats’: de haard op het altaar, waar het offer brandt. Zie ook: Ex 29:38–42; Lev 1:1–17; Lev 6:5–6; Num 28:3; Num 28:9 **6:3** **De priester moet zijn linnen gewaad aantrekken en een linnen onderbroek aan zijn lichaam doen. Dan moet hij de as afnemen waartoe het vuur het brandoffer op het altaar verteerd heeft, en haar naast het altaar neerleggen.** Brontekst: וְלָבַ֨שׁ (velavash) = en hij zal aantrekken | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | מִדּ֣וֹ (mido) = zijn gewaad | בַ֗ד (bad) = van linnen | וּמִֽכְנְסֵי (umikhnesei) = en de onderbroek van | בַד֮ (bad) = linnen | יִלְבַּ֣שׁ (yilbash) = hij zal aantrekken | עַל (al) = op | בְּשָׂרוֹ֒ (besaro) = zijn lichaam | וְהֵרִ֣ים (veherim) = en hij zal afnemen | אֶת (et) = (obj.) | הַדֶּ֗שֶׁן (hadeshen) = de as | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | תֹּאכַ֥ל (tokhal) = het zal verteren | הָאֵ֛שׁ (haesh) = het vuur | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וְשָׂמ֕וֹ (vesamo) = en hij zal haar neerleggen | אֵ֖צֶל (etsel) = naast | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּד (bad), ‘linnen’, en מִכְנְסֵי (mikhnesei), ‘onderbroek’: zie Exod. 28:42. Voetnoot : הֵרִים (herim), ‘afnemen’: zoals in Lev. 2:9; hier wordt de as van het brandoffer van het altaar afgenomen. Voetnoot : דֶּשֶׁן (deshen), ‘as’: zie Lev. 4:12. Zie ook: Ex 28:39–43; Ex 28:42; Lev 1:9; Lev 2:9; Lev 4:12; Lev 16:4; Ezech 44:17–18; Openb 7:13 **6:4** **Dan moet hij zijn kleren uittrekken en andere kleren aantrekken. Hij moet de as buiten het kamp brengen, naar een reine plaats.** Brontekst: וּפָשַׁט֙ (ufashat) = en hij zal uittrekken | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְלָבַ֖שׁ (velavash) = en hij zal aantrekken | בְּגָדִ֣ים (begadim) = kleren | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | וְהוֹצִ֤יא (vehotsi) = en hij zal naar buiten brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַדֶּ֨שֶׁן֙ (hadeshen) = de as | אֶל (el) = naar | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֔ה (lamachane) = het kamp | אֶל (el) = naar | מָק֖וֹם (maqom) = een plaats | טָהֽוֹר (tahor) = rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Buiten het kamp komt de as op een reine plaats (Lev. 4:12). De priester trekt andere kleren aan, omdat hij zijn dienstkleren niet buiten het heiligdom draagt. Zie ook: Lev 4:12; Lev 4:21; Lev 16:23–24; Ezech 44:19; Heb 13:11–13 **6:5** **Het vuur op het altaar moet daarop blijven branden. Het mag niet doven. Elke morgen moet de priester er hout op laten branden. Hij moet het brandoffer erop schikken en het vet van de vredeoffers erop in rook laten opgaan.** Brontekst: וְהָאֵ֨שׁ (vehaesh) = en het vuur | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֤חַ (hamizbeach) = het altaar | תּֽוּקַד (tuqad) = het zal blijven branden | בּוֹ֙ (bo) = daarop | לֹ֣א (lo) = niet | תִכְבֶּ֔ה (tikhbe) = het zal doven | וּבִעֵ֨ר (uvier) = en hij zal laten branden | עָלֶ֧יהָ (aleiha) = daarop | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | עֵצִ֖ים (etsim) = hout | בַּבֹּ֣קֶר (baboqer) = elke morgen | בַּבֹּ֑קֶר (baboqer) = elke morgen | וְעָרַ֤ךְ (vearakh) = en hij zal schikken | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = daarop | הָֽעֹלָ֔ה (haola) = het brandoffer | וְהִקְטִ֥יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = daarop | חֶלְבֵ֥י (chelvei) = het vet van | הַשְּׁלָמִֽים (hashelamim) = de vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vuur op het altaar kwam van Yahweh zelf (Lev. 9:24) en moest blijven branden. Voetnoot : חֶלְבֵי הַשְּׁלָמִים (chelvei hashelamim), ‘het vet van de vredeoffers’: zie Lev. 3:3–5. Zie ook: Ex 29:38–42; Lev 1:7–9; Lev 3:3–5; Lev 9:24; Neh 13:31 **6:6** **Voortdurend moet er vuur op het altaar blijven branden. Het mag niet doven.** Brontekst: אֵ֗שׁ (esh) = vuur | תָּמִ֛יד (tamid) = voortdurend | תּוּקַ֥ד (tuqad) = het zal blijven branden | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | לֹ֥א (lo) = niet | תִכְבֶֽה (tikhve) = het zal doven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De wet van het graanoffer **6:7** **Dit is de wet van het graanoffer: Aärons zonen moeten het brengen, voor het aangezicht van Yahweh, voor het altaar.** Brontekst: וְזֹ֥את (vezot) = en dit is | תּוֹרַ֖ת (torat) = de wet van | הַמִּנְחָ֑ה (hamincha) = het graanoffer | הַקְרֵ֨ב (haqrev) = brengen | אֹתָ֤הּ (otah) = het | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֖י (penei) = de voorzijde van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 2:1–2; Num 15:4; Num 15:6; Num 15:9; Joh 6:32 **6:8** **Hij moet met zijn handvol iets ervan afnemen, van het meel van het graanoffer en van de olie ervan, met al de wierook die op het graanoffer ligt. Hij moet het op het altaar in rook laten opgaan als aangename geur, als gedenkdeel voor Yahweh.** Brontekst: וְהֵרִ֨ים (veherim) = en hij zal afnemen | מִמֶּ֜נּוּ (mimenu) = ervan | בְּקֻמְצ֗וֹ (bequmtso) = met zijn handvol | מִסֹּ֤לֶת (misolet) = van het meel van | הַמִּנְחָה֙ (hamincha) = het graanoffer | וּמִשַּׁמְנָ֔הּ (umishamnah) = en van haar olie | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַלְּבֹנָ֔ה (halevona) = de wierook | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | הַמִּנְחָ֑ה (hamincha) = het graanoffer | וְהִקְטִ֣יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַמִּזְבֵּ֗חַ (hamizbeach) = naar het altaar | רֵ֧יחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֛חַ (nichoach) = aangenaamheid | אַזְכָּרָתָ֖הּ (azkaratah) = haar gedenkdeel | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 2:2; Lev 2:9 **6:9** **Wat ervan overblijft, mogen Aäron en zijn zonen eten. Het moet ongezuurd gegeten worden, op een heilige plaats. In het voorhof van de tent van samenkomst moeten zij het eten.** Brontekst: וְהַנּוֹתֶ֣רֶת (vehanoteret) = en wat overblijft | מִמֶּ֔נָּה (mimena) = ervan | יֹאכְל֖וּ (yokhlu) = zij zullen eten | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֑יו (uvanav) = en zijn zonen | מַצּ֤וֹת (matsot) = ongezuurd | תֵּֽאָכֵל֙ (teakhel) = het zal gegeten worden | בְּמָק֣וֹם (bemaqom) = op een plaats | קָדֹ֔שׁ (qadosh) = heilig | בַּחֲצַ֥ר (bachatsar) = in het voorhof van | אֹֽהֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | יֹאכְלֽוּהָ (yokhluha) = zij zullen het eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצּוֹת (matzot), ‘ongezuurd’: zie Lev. 2:11. De priesters eten het graanoffer ongezuurd (Lev. 10:12). Zie ook: Ex 12:8; Lev 2:3; Lev 2:11; Lev 6:19; Lev 10:12–13; Ezech 44:29 **6:10** **Het mag niet gezuurd gebakken worden. Als hun deel heb Ik het gegeven, uit Mijn vuuroffers. Het is hoogheilig, zoals het zondoffer en het schuldoffer.** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | תֵאָפֶה֙ (teafe) = het zal gebakken worden | חָמֵ֔ץ (chamets) = gezuurd | חֶלְקָ֛ם (chelqam) = hun deel | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֹתָ֖הּ (otah) = het | מֵאִשָּׁ֑י (meishay) = uit Mijn vuuroffers | קֹ֤דֶשׁ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִׁים֙ (qadashim) = van de heilige dingen | הִ֔וא (hi) = het is | כַּחַטָּ֖את (kachatat) = als het zondoffer | וְכָאָשָֽׁם (vekhaasham) = en als het schuldoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶלְקָם (chelqam), ‘hun deel’: het deel van het graanoffer dat voor de priesters is (Lev. 2:3). Zie ook: Lev 2:3; Lev 2:11; Lev 6:18; Lev 7:1; Num 18:9–10 **6:11** **Elke man onder de zonen van Aäron mag ervan eten. Het is een eeuwig voorschrift voor al jullie generaties, uit de vuuroffers van Yahweh. Al wat ze aanraakt, wordt heilig.”** Brontekst: כָּל (kal) = elk | זָכָ֞ר (zakhar) = mannelijk | בִּבְנֵ֤י (bivnei) = onder de zonen van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | יֹֽאכֲלֶ֔נָּה (yokhalena) = hij zal het eten | חָק (chaq) = een voorschrift van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | מֵאִשֵּׁ֖י (meishei) = uit de vuuroffers van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִגַּ֥ע (yiga) = het raakt | בָּהֶ֖ם (bahem) = ze | יִקְדָּֽשׁ (yiqdash) = het zal heilig worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יִקְדָּשׁ (yiqdash) vertalen wij ‘wordt heilig’, zoals in Exod. 29:37. Het kan ook ‘moet heilig zijn’ betekenen. Zie ook: Ex 29:37; Lev 6:20; Lev 6:22; Num 18:10; Hag 2:12–14 ### Het graanoffer van de gezalfde priester **6:12** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:13** **„Dit is de offergave van Aäron en zijn zonen, die zij voor Yahweh moeten brengen op de dag dat hij gezalfd wordt. Een tiende efa fijn meel als voortdurend graanoffer: de helft ervan ’s morgens en de helft ervan ’s avonds.** Brontekst: זֶ֡ה (ze) = dit is | קָרְבַּן֩ (qarban) = de offergave van | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֜יו (uvanav) = en zijn zonen | אֲשֶׁר (asher) = die | יַקְרִ֣יבוּ (yaqrivu) = zij zullen brengen | לַֽיהוָ֗ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag van | הִמָּשַׁ֣ח (himashach) = gezalfd worden | אֹת֔וֹ (oto) = hem | עֲשִׂירִ֨ת (asirit) = een tiende van | הָאֵפָ֥ה (haefa) = de efa | סֹ֛לֶת (solet) = fijn meel | מִנְחָ֖ה (mincha) = als graanoffer | תָּמִ֑יד (tamid) = voortdurend | מַחֲצִיתָ֣הּ (machatsitah) = de helft ervan | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = ’s morgens | וּמַחֲצִיתָ֖הּ (umachatsitah) = en de helft ervan | בָּעָֽרֶב (baarev) = ’s avonds Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲשִׂירִת הָאֵפָה (asirit haefah), ‘een tiende efa’: ongeveer 2,2 liter (een efa is ongeveer 22 liter). Voetnoot Lezing: אֹתוֹ (oto), ‘hem’: in het Hebreeuws staat het enkelvoud. Wij vertalen ‘hij gezalfd wordt’; het gaat om Aäron en om elke gezalfde priester na hem (vers 15). Zie ook: Ex 16:36; Ex 29:2; Lev 2:1–16; Lev 5:1; Lev 6:15; Num 18:26–32 **6:14** **Het moet op een bakplaat met olie gemaakt worden. Goed gemengd moet je het binnenbrengen. Als een graanoffer van gebakken brokken moet je het brengen, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: עַֽל (al) = op | מַחֲבַ֗ת (machavat) = een bakplaat | בַּשֶּׁ֛מֶן (bashemen) = met olie | תֵּעָשֶׂ֖ה (tease) = het zal gemaakt worden | מֻרְבֶּ֣כֶת (murbekhet) = goed gemengd | תְּבִיאֶ֑נָּה (teviena) = je zult het binnenbrengen | תֻּפִינֵי֙ (tufinei) = gebakken stukken van | מִנְחַ֣ת (minchat) = het graanoffer van | פִּתִּ֔ים (pitim) = brokken | תַּקְרִ֥יב (taqriv) = je zult brengen | רֵֽיחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מֻרְבֶּכֶת (murbekhet), ‘goed gemengd’, en תֻּפִינֵי (tufinei), ‘gebakken brokken’, zijn zeldzame woorden. Murbekhet staat ook in Lev. 7:12; tufinei komt alleen hier voor. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 2:5; Lev 7:9; Lev 7:12; 1 Kron 9:31 **6:15** **De gezalfde priester die uit zijn zonen in zijn plaats komt, moet het maken. Het is een eeuwig voorschrift voor Yahweh. Het moet geheel in rook opgaan.** Brontekst: וְהַכֹּהֵ֨ן (vehakohen) = en de priester | הַמָּשִׁ֧יחַ (hamashiach) = de gezalfde | תַּחְתָּ֛יו (tachtav) = in zijn plaats | מִבָּנָ֖יו (mibanav) = uit zijn zonen | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = hij zal maken | אֹתָ֑הּ (otah) = het | חָק (chaq) = een voorschrift van | עוֹלָ֕ם (olam) = eeuwigheid | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | כָּלִ֥יל (kalil) = geheel | תָּקְטָֽר (taqetar) = het zal in rook opgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּלִיל (kalil), ‘geheel’: het hele offer gaat op in het vuur. Zie ook vers 16. Zie ook: Ex 29:22–25; Lev 4:3; Lev 6:16; Deut 10:6; Jes 53:10; Heb 7:23 **6:16** **Elk graanoffer van een priester moet een geheel offer zijn. Het mag niet gegeten worden.”** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | מִנְחַ֥ת (minchat) = graanoffer van | כֹּהֵ֛ן (kohen) = een priester | כָּלִ֥יל (kalil) = geheel | תִּהְיֶ֖ה (tihye) = het zal zijn | לֹ֥א (lo) = niet | תֵאָכֵֽל (teakhel) = het zal gegeten worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 2:10; Lev 6:9–10 ### De wet van het zondoffer **6:17** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:18** **„Spreek tot Aäron en zijn zonen en zeg: Dit is de wet van het zondoffer. Op de plaats waar het brandoffer geslacht wordt, moet het zondoffer geslacht worden, voor het aangezicht van Yahweh. Het is hoogheilig.** Brontekst: דַּבֵּ֤ר (daber) = spreek | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וְאֶל (veel) = en tot | בָּנָ֣יו (banav) = zijn zonen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | זֹ֥את (zot) = dit is | תּוֹרַ֖ת (torat) = de wet van | הַֽחַטָּ֑את (hachatat) = het zondoffer | בִּמְק֡וֹם (bimqom) = op de plaats | אֲשֶׁר֩ (asher) = waar | תִּשָּׁחֵ֨ט (tishachet) = het wordt geslacht | הָעֹלָ֜ה (haola) = het brandoffer | תִּשָּׁחֵ֤ט (tishachet) = het zal geslacht worden | הַֽחַטָּאת֙ (hachatat) = het zondoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = van de heilige dingen | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:3; Lev 1:5; Lev 1:11; Lev 4:24; Lev 4:29 **6:19** **De priester die ermee ontzondigt, moet het eten. Het moet gegeten worden op een heilige plaats, in het voorhof van de tent van samenkomst.** Brontekst: הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | הַֽמְחַטֵּ֥א (hamchate) = die ontzondigt | אֹתָ֖הּ (otah) = het | יֹאכֲלֶ֑נָּה (yokhalena) = hij zal het eten | בְּמָק֤וֹם (bemaqom) = op een plaats | קָדֹשׁ֙ (qadosh) = heilig | תֵּֽאָכֵ֔ל (teakhel) = het zal gegeten worden | בַּחֲצַ֖ר (bachatsar) = in het voorhof van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִטֵּא (chitte), ‘ontzondigen’: de zonde wegnemen. Hetzelfde werkwoord staat in Exod. 29:36 bij het altaar. De priester die het zondoffer brengt, eet er zelf van. Zie ook: Ex 29:36; Lev 10:17–18; Hos 4:8; Ezech 42:13; Ezech 44:28–29; Ezech 46:20 **6:20** **Al wat haar vlees aanraakt, wordt heilig. Als er van haar bloed op een kleed spat, moet je het kleed waarop het gespat is, wassen op een heilige plaats.** Brontekst: כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִגַּ֥ע (yiga) = het raakt | בִּבְשָׂרָ֖הּ (bivsarah) = haar vlees | יִקְדָּ֑שׁ (yiqdash) = het zal heilig worden | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en wat | יִזֶּ֤ה (yize) = het spat | מִדָּמָהּ֙ (midamah) = van haar bloed | עַל (al) = op | הַבֶּ֔גֶד (habeged) = het kleed | אֲשֶׁר֙ (asher) = waarop | יִזֶּ֣ה (yize) = het spatte | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erop | תְּכַבֵּ֖ס (tekhabes) = je zult wassen | בְּמָק֥וֹם (bemaqom) = op een plaats | קָדֹֽשׁ (qadosh) = heilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַזֶּה (yazzeh), ‘spatten’: bloed dat per ongeluk op een kleed komt. Dit kleed moet op een heilige plaats gewassen worden. Zie ook: Ex 29:37; Lev 11:32; Hag 2:12; Mat 9:21; 2 Kor 7:1 **6:21** **Het aarden vat waarin het gekookt is, moet gebroken worden. Als het in een koperen vat gekookt is, moet dat geschuurd en met water gespoeld worden.** Brontekst: וּכְלִי (ukheli) = en het vat van | חֶ֛רֶשׂ (cheres) = aardewerk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | תְּבֻשַּׁל (tevushal) = het gekookt wordt | בּ֖וֹ (bo) = daarin | יִשָּׁבֵ֑ר (yishaver) = het zal gebroken worden | וְאִם (veim) = en als | בִּכְלִ֤י (bikhli) = in een vat van | נְחֹ֨שֶׁת֙ (nechoshet) = koper | בֻּשָּׁ֔לָה (bushala) = het gekookt werd | וּמֹרַ֥ק (umoraq) = en het zal geschuurd worden | וְשֻׁטַּ֖ף (veshutaf) = en het zal gespoeld worden | בַּמָּֽיִם (bamayim) = met water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: zoals in Exodus. Het kan ook brons zijn. Zie ook: Lev 11:33; Lev 15:12; Heb 9:9–10 **6:22** **Elke man onder de priesters mag ervan eten. Het is hoogheilig.** Brontekst: כָּל (kal) = elk | זָכָ֥ר (zakhar) = mannelijk | בַּכֹּהֲנִ֖ים (bakohanim) = onder de priesters | יֹאכַ֣ל (yokhal) = hij zal eten | אֹתָ֑הּ (otah) = het | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = van de heilige dingen | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 6:10–11; Lev 6:18; Num 18:10 **6:23** **Elk zondoffer waarvan bloed in de tent van samenkomst gebracht wordt om verzoening te doen in het heiligdom, mag niet gegeten worden. Het moet met vuur verbrand worden.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | חַטָּ֡את (chatat) = zondoffer | אֲשֶׁר֩ (asher) = waarvan | יוּבָ֨א (yuva) = het wordt gebracht | מִדָּמָ֜הּ (midamah) = van haar bloed | אֶל (el) = naar | אֹ֧הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֛ד (moed) = samenkomst | לְכַפֵּ֥ר (lekhaper) = om verzoening te doen | בַּקֹּ֖דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | לֹ֣א (lo) = niet | תֵאָכֵ֑ל (teakhel) = het zal gegeten worden | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | תִּשָּׂרֵֽף (tisaref) = het zal verbrand worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Als het bloed van een zondoffer in de tent van samenkomst is gebracht (Lev. 4:5–7 en 4:16–18), wordt het vlees niet gegeten maar buiten het kamp verbrand (Lev. 4:12 en 4:21). Zie ook: Lev 4:3–21; Lev 4:5–7; Lev 4:12; Lev 4:16; Lev 4:21; Lev 10:18; Lev 16:27–28; Heb 9:11–12; Heb 13:11 ## Leviticus 7 _Het schuldoffer, het vredeoffer en het deel van de priesters_ ### De wet van het schuldoffer **7:1** **Dit is de wet van het schuldoffer. Het is hoogheilig.** Brontekst: וְזֹ֥את (vezot) = en dit is | תּוֹרַ֖ת (torat) = de wet van | הָאָשָׁ֑ם (haasham) = het schuldoffer | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = van de heilige dingen | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’: zie Lev. 5:15–16 en 5:25. Ook dit is hoogheilig; de priesters eten ervan (vers 6). Zie ook: Lev 5:1–6; Lev 5:14–26; Lev 5:15–16; Lev 5:25; Lev 6:10; Lev 6:18; Lev 7:6; Lev 21:22 **7:2** **Op de plaats waar zij het brandoffer slachten, moeten zij het schuldoffer slachten. Zijn bloed moet hij rondom op het altaar sprenkelen.** Brontekst: בִּמְק֗וֹם (bimqom) = op de plaats | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | יִשְׁחֲטוּ֙ (yishchatu) = zij slachten | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣עֹלָ֔ה (haola) = het brandoffer | יִשְׁחֲט֖וּ (yishchatu) = zij zullen slachten | אֶת (et) = (obj.) | הָאָשָׁ֑ם (haasham) = het schuldoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דָּמ֛וֹ (damo) = zijn bloed | יִזְרֹ֥ק (yizroq) = hij zal sprenkelen | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:5; Lev 1:11; Lev 4:29; Lev 4:33; Lev 6:18; Lev 11 **7:3** **Al het vet ervan moet hij brengen: de vette staart en het vet dat de ingewanden bedekt,** Brontekst: וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | חֶלְבּ֖וֹ (chelbo) = zijn vet | יַקְרִ֣יב (yaqriv) = hij zal brengen | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = ervan | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הָֽאַלְיָ֔ה (haalya) = de vette staart | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֖לֶב (hachelev) = het vet | הַֽמְכַסֶּ֥ה (hamkhase) = dat bedekt | אֶת (et) = (obj.) | הַקֶּֽרֶב (haqerev) = de ingewanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vet van het schuldoffer is hetzelfde vet als bij het vredeoffer (Lev. 3:3–4 en 3:9–10). Zie ook: Ex 29:13; Lev 3:3–4; Lev 3:9; Lev 3:15–16; Lev 4:8–10; Ps 51:8; Ps 51:19 **7:4** **de twee nieren met het vet dat erop zit, aan de lendenen, en het aanhangsel van de lever. Dat moet hij samen met de nieren wegnemen.** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | הַכְּלָיֹ֔ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲלֵיהֶ֔ן (aleihen) = erop | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַכְּסָלִ֑ים (hakesalim) = de lendenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיֹּתֶ֨רֶת֙ (hayoteret) = het aanhangsel | עַל (al) = op | הַכָּבֵ֔ד (hakaved) = de lever | עַל (al) = bij | הַכְּלָיֹ֖ת (hakelayot) = de nieren | יְסִירֶֽנָּה (yesirena) = hij zal het wegnemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:4 **7:5** **De priester moet ze op het altaar in rook laten opgaan als vuuroffer voor Yahweh. Het is een schuldoffer.** Brontekst: וְהִקְטִ֨יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | אֹתָ֤ם (otam) = ze | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | הַמִּזְבֵּ֔חָה (hamizbecha) = naar het altaar | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | אָשָׁ֖ם (asham) = schuldoffer | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 2:9; Lev 2:16; Lev 3:16; Gal 2:20; Gal 5:24 ### Het deel van de priesters **7:6** **Elke man onder de priesters mag het eten. Het moet gegeten worden op een heilige plaats. Het is hoogheilig.** Brontekst: כָּל (kal) = elk | זָכָ֥ר (zakhar) = mannelijk | בַּכֹּהֲנִ֖ים (bakohanim) = onder de priesters | יֹאכְלֶ֑נּוּ (yokhlenu) = hij zal het eten | בְּמָק֤וֹם (bemaqom) = op een plaats | קָדוֹשׁ֙ (qadosh) = heilig | יֵאָכֵ֔ל (yeakhel) = het zal gegeten worden | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = van de heilige dingen | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vlees van het zondoffer en het schuldoffer is hoogheilig en wordt op een heilige plaats gegeten (Lev. 6:19 en 6:22). Zie ook: Lev 2:3; Lev 6:9–11; Lev 6:19; Lev 6:22; Num 18:9–10 **7:7** **Zoals het zondoffer, zo is het schuldoffer: voor beide geldt één wet. Het is voor de priester die ermee verzoening doet.** Brontekst: כַּֽחַטָּאת֙ (kachatat) = als het zondoffer | כָּֽאָשָׁ֔ם (kaasham) = als het schuldoffer | תּוֹרָ֥ה (tora) = wet | אַחַ֖ת (achat) = één | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יְכַפֶּר (yekhaper) = hij zal verzoening doen | בּ֖וֹ (bo) = ermee | ל֥וֹ (lo) = voor hem | יִהְיֶֽה (yihye) = het zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 6:18–19; Lev 14:13; 1 Kor 9:13 **7:8** **De priester die het brandoffer van iemand brengt, krijgt de huid van het brandoffer dat hij gebracht heeft. Voor hem is die.** Brontekst: וְהַ֨כֹּהֵ֔ן (vehakohen) = en de priester | הַמַּקְרִ֖יב (hamaqriv) = die brengt | אֶת (et) = (obj.) | עֹ֣לַת (olat) = het brandoffer van | אִ֑ישׁ (ish) = iemand | ע֤וֹר (or) = de huid van | הָֽעֹלָה֙ (haola) = het brandoffer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הִקְרִ֔יב (hiqriv) = hij bracht | לַכֹּהֵ֖ן (lakohen) = voor de priester | ל֥וֹ (lo) = voor hem | יִהְיֶֽה (yihye) = het zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt twee keer ‘voor de priester, voor hem’. Wij vertalen dat één keer. Hetzelfde geldt voor vers 9 en 14. Zie ook: Gen 3:21; Ex 29:14; Lev 1:6; Lev 7:9; Lev 7:14; Num 19:5; Rom 13:14 **7:9** **Elk graanoffer dat in een oven gebakken is, en alles wat in een pan of op een bakplaat gemaakt is, is voor de priester die het brengt. Voor hem is het.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | מִנְחָ֗ה (mincha) = graanoffer | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | תֵּֽאָפֶה֙ (teafe) = het wordt gebakken | בַּתַּנּ֔וּר (batanur) = in een oven | וְכָל (vekhal) = en alles | נַעֲשָׂ֥ה (naasa) = wat gemaakt is | בַמַּרְחֶ֖שֶׁת (bamarcheshet) = in een pan | וְעַֽל (veal) = en op | מַחֲבַ֑ת (machavat) = een bakplaat | לַכֹּהֵ֛ן (lakohen) = voor de priester | הַמַּקְרִ֥יב (hamaqriv) = die brengt | אֹתָ֖הּ (otah) = het | ל֥וֹ (lo) = voor hem | תִֽהְיֶֽה (tihye) = het zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 2:3–7; Lev 2:10; Num 18:9; Ezech 44:29; Gal 6:6 **7:10** **Elk graanoffer, gekneed met olie of droog, is voor alle zonen van Aäron, voor ieder evenveel als voor zijn broer.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | מִנְחָ֥ה (mincha) = graanoffer | בְלוּלָֽה (belula) = gekneed | בַשֶּׁ֖מֶן (bashemen) = met olie | וַחֲרֵבָ֑ה (vachareva) = en droog | לְכָל (lekhal) = voor alle | בְּנֵ֧י (benei) = zonen van | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | תִּהְיֶ֖ה (tihye) = het zal zijn | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | כְּאָחִֽיו (keachiv) = als zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלוּלָה (belulah), ‘gekneed’, en חֲרֵבָה (charevah), ‘droog’: het graanoffer met olie en het graanoffer zonder olie. Alle zonen van Aäron hebben er evenveel recht op. Zie ook: Ex 16:18; 2 Kor 8:14 ### De wet van het vredeoffer **7:11** **Dit is de wet van het vredeoffer dat iemand voor Yahweh brengt.** Brontekst: וְזֹ֥את (vezot) = en dit is | תּוֹרַ֖ת (torat) = de wet van | זֶ֣בַח (zevach) = het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִ֑ים (hashelamim) = de vredeoffers | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יַקְרִ֖יב (yaqriv) = hij zal brengen | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:1–17; Lev 22:18–21; Ezech 45:15 ### Het dankoffer **7:12** **Als hij het brengt als dankoffer. Hij moet bij het dankoffer ongezuurde koeken brengen, met olie gekneed, ongezuurde wafels, met olie bestreken, en fijn meel, goed gemengd, koeken met olie gekneed.** Brontekst: אִ֣ם (im) = als | עַל (al) = voor | תּוֹדָה֮ (toda) = een dankoffer | יַקְרִיבֶנּוּ֒ (yaqrivenu) = hij brengt het | וְהִקְרִ֣יב (vehiqriv) = dan zal hij brengen | עַל (al) = bij | זֶ֣בַח (zevach) = het slachtoffer van | הַתּוֹדָ֗ה (hatoda) = het dankoffer | חַלּ֤וֹת (chalot) = koeken | מַצּוֹת֙ (matsot) = ongezuurde | בְּלוּלֹ֣ת (belulot) = gekneed | בַּשֶּׁ֔מֶן (bashemen) = met olie | וּרְקִיקֵ֥י (ureqiqei) = en wafels van | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurd | מְשֻׁחִ֣ים (meshuchim) = bestreken | בַּשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | וְסֹ֣לֶת (vesolet) = en fijn meel | מֻרְבֶּ֔כֶת (murbekhet) = goed gemengd | חַלֹּ֖ת (chalot) = koeken | בְּלוּלֹ֥ת (belulot) = gekneed | בַּשָּֽׁמֶן (bashamen) = met olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹדָה (todah), ‘dankoffer’: een vredeoffer dat iemand uit dank brengt. Het woord betekent ‘dank’. Voetnoot : מֻרְבֶּכֶת (murbekhet), ‘goed gemengd’: zie Lev. 6:14. Zie ook: Lev 2:4; Lev 6:14; Num 6:15; Luc 17:16; 2 Kor 9:11–15; 1 Petr 2:5 **7:13** **Bij het dankoffer van zijn vredeoffer moet hij zijn offergave brengen met koeken van gezuurd brood.** Brontekst: עַל (al) = bij | חַלֹּת֙ (chalot) = koeken van | לֶ֣חֶם (lechem) = brood | חָמֵ֔ץ (chamets) = gezuurd | יַקְרִ֖יב (yaqriv) = hij zal brengen | קָרְבָּנ֑וֹ (qarbano) = zijn offergave | עַל (al) = bij | זֶ֖בַח (zevach) = het slachtoffer van | תּוֹדַ֥ת (todat) = het dankoffer van | שְׁלָמָֽיו (shelamav) = zijn vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bij het dankoffer hoort ook gezuurd brood. Dit brood komt niet op het altaar (Lev. 2:11–12). Zie ook: Lev 2:11–12; Lev 23:17; Amos 4:5; Mat 13:33; 1 Tim 4:4 **7:14** **Van elke soort offergave moet hij er één als heffing voor Yahweh brengen. Het is voor de priester die het bloed van het vredeoffer sprenkelt.** Brontekst: וְהִקְרִ֨יב (vehiqriv) = en hij zal brengen | מִמֶּ֤נּוּ (mimenu) = ervan | אֶחָד֙ (echad) = één | מִכָּל (mikal) = van elke | קָרְבָּ֔ן (qarban) = offergave | תְּרוּמָ֖ה (teruma) = als heffing | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | לַכֹּהֵ֗ן (lakohen) = voor de priester | הַזֹּרֵ֛ק (hazoreq) = die sprenkelt | אֶת (et) = (obj.) | דַּ֥ם (dam) = het bloed van | הַשְּׁלָמִ֖ים (hashelamim) = de vredeoffers | ל֥וֹ (lo) = voor hem | יִהְיֶֽה (yihye) = het zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: een deel dat voor Yahweh wordt opgetild en aan de priester wordt gegeven. Zie Lev. 2:9. Zie ook: Ex 29:27–28; Lev 2:9; Num 18:8–11; Num 18:19; Num 31:29; Num 31:41 **7:15** **Het vlees van zijn vredeoffer als dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het brengt. Hij mag er niets van tot de morgen laten overblijven.** Brontekst: וּבְשַׂ֗ר (uvesar) = en het vlees van | זֶ֚בַח (zevach) = het slachtoffer van | תּוֹדַ֣ת (todat) = het dankoffer van | שְׁלָמָ֔יו (shelamav) = zijn vredeoffers | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | קָרְבָּנ֖וֹ (qarbano) = zijn offergave | יֵאָכֵ֑ל (yeakhel) = het zal gegeten worden | לֹֽא (lo) = niet | יַנִּ֥יחַ (yaniach) = hij zal laten overblijven | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | עַד (ad) = tot | בֹּֽקֶר (boqer) = de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vlees van het dankoffer moet nog dezelfde dag gegeten worden (Lev. 22:30). Zie ook: Lev 22:29–30; Lev 22:30 ### De gelofte en de vrijwillige gave **7:16** **Is zijn offergave een gelofte of een vrijwillige gave, dan moet het slachtoffer gegeten worden op de dag dat hij het brengt. Wat ervan overblijft, mag de volgende dag nog gegeten worden.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | נֶ֣דֶר (neder) = een gelofte | א֣וֹ (o) = of | נְדָבָ֗ה (nedava) = een vrijwillige gave | זֶ֚בַח (zevach) = het slachtoffer van | קָרְבָּנ֔וֹ (qarbano) = zijn offergave | בְּי֛וֹם (beyom) = op de dag van | הַקְרִיב֥וֹ (haqrivo) = zijn brengen | אֶת (et) = (obj.) | זִבְח֖וֹ (zivcho) = zijn slachtoffer | יֵאָכֵ֑ל (yeakhel) = het zal gegeten worden | וּמִֽמָּחֳרָ֔ת (umimachorat) = en de volgende dag | וְהַנּוֹתָ֥ר (vehanotar) = en wat overblijft | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | יֵאָכֵֽל (yeakhel) = het zal gegeten worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶדֶר (neder), ‘gelofte’: iets wat iemand aan Yahweh beloofd heeft. נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: iets wat iemand uit eigen wil brengt. Zie Lev. 22:18–21. Voetnoot : זֶבַח (zevach) staat hier zonder ‘vredeoffer’. Wij vertalen ‘offer’. Zie ook: Lev 19:5–8; Lev 22:18–21; Lev 22:29; Num 15:3; Deut 12:6; Deut 12:11 **7:17** **Wat van het vlees van het slachtoffer overblijft op de derde dag, moet met vuur verbrand worden.** Brontekst: וְהַנּוֹתָ֖ר (vehanotar) = en wat overblijft | מִבְּשַׂ֣ר (mibesar) = van het vlees van | הַזָּ֑בַח (hazavach) = het slachtoffer | בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | יִשָּׂרֵֽף (yisaref) = het zal verbrand worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:10; Ex 19:11; Lev 10:16; Hos 6:2; 1 Kor 15:4 **7:18** **Wordt er toch op de derde dag van het vlees van zijn vredeoffer gegeten, dan wordt wie het brengt niet aanvaard. Het wordt hem niet toegerekend. Het is iets verwerpelijks, en wie ervan eet, moet zijn schuld dragen.** Brontekst: וְאִ֣ם (veim) = en als | הֵאָכֹ֣ל (heakhol) = zeker | יֵ֠אָכֵל (yeakhel) = het wordt gegeten | מִבְּשַׂר (mibesar) = van het vlees van | זֶ֨בַח (zevach) = het slachtoffer van | שְׁלָמָ֜יו (shelamav) = zijn vredeoffers | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁי֮ (hashelishi) = de derde | לֹ֣א (lo) = niet | יֵרָצֶה֒ (yeratse) = het zal aanvaard worden | הַמַּקְרִ֣יב (hamaqriv) = wie brengt | אֹת֗וֹ (oto) = het | לֹ֧א (lo) = niet | יֵחָשֵׁ֛ב (yechashev) = het zal gerekend worden | ל֖וֹ (lo) = voor hem | פִּגּ֣וּל (pigul) = iets verwerpelijks | יִהְיֶ֑ה (yihye) = het zal zijn | וְהַנֶּ֛פֶשׁ (vehanefesh) = en de persoon | הָאֹכֶ֥לֶת (haokhelet) = die eet | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | עֲוֺנָ֥הּ (avonah) = zijn schuld | תִּשָּֽׂא (tisa) = zal dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּגּוּל (piggul), ‘iets verwerpelijks’: een offer dat onbruikbaar is geworden en afschuw wekt. Zie ook Lev. 19:7. Voetnoot Lezing: לֹא יֵרָצֶה הַמַּקְרִיב אֹתוֹ (lo yeratseh hamaqriv oto) is letterlijk ‘wie het brengt, wordt niet aanvaard’. Wij blijven bij de woorden van de tekst. Vergelijk Lev. 1:3–4. Zie ook: Lev 1:3–4; Lev 11:41; Lev 19:7–8; Lev 22:25; Num 18:27; Jer 14:10 **7:19** **Het vlees dat iets onreins aanraakt, mag niet gegeten worden. Het moet met vuur verbrand worden. Ieder die rein is, mag het vlees eten.** Brontekst: וְהַבָּשָׂ֞ר (vehabasar) = en het vlees | אֲשֶׁר (asher) = dat | יִגַּ֤ע (yiga) = het raakt | בְּכָל (bekhal) = iets | טָמֵא֙ (tame) = onreins | לֹ֣א (lo) = niet | יֵֽאָכֵ֔ל (yeakhel) = het zal gegeten worden | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | יִשָּׂרֵ֑ף (yisaref) = het zal verbrand worden | וְהַ֨בָּשָׂ֔ר (vehabasar) = en wat het vlees betreft | כָּל (kal) = ieder | טָה֖וֹר (tahor) = rein | יֹאכַ֥ל (yokhal) = hij zal eten | בָּשָֽׂר (basar) = vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 19:11–16; Hand 10:15–16; Rom 14:14; Rom 14:20; Tit 1:15 **7:20** **De persoon die vlees van het vredeoffer voor Yahweh eet terwijl zijn onreinheid op hem is, die persoon moet van zijn volk worden afgesneden.** Brontekst: וְהַנֶּ֜פֶשׁ (vehanefesh) = en de persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | תֹּאכַ֣ל (tokhal) = hij eet | בָּשָׂ֗ר (basar) = vlees van | מִזֶּ֤בַח (mizevach) = het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִים֙ (hashelamim) = de vredeoffers | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְטֻמְאָת֖וֹ (vetumato) = en zijn onreinheid | עָלָ֑יו (alav) = op hem | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = dan zal worden afgesneden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מֵעַמֶּֽיהָ (meameiha) = van zijn volksgenoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִכְרְתָה (nikhretah), ‘worden afgesneden’: uit het volk verwijderd. Zie ook Gen. 17:14 en Exod. 12:19. Voetnoot : מֵעַמֶּיהָ (me'ammeiha), letterlijk ‘van haar volken’ (meervoud): de eigen volksgenoten. Zie ook: Gen 17:14; Ex 12:19; Lev 15:2–33; Lev 22:3–7; 1 Kor 11:28 **7:21** **Of wanneer iemand iets onreins aanraakt: de onreinheid van een mens, onrein vee of iets afschuwelijks dat onrein is. Eet hij dan vlees van het vredeoffer dat voor Yahweh is, dan moet die persoon van zijn volk worden afgesneden.”** Brontekst: וְנֶ֜פֶשׁ (venefesh) = en iemand | כִּֽי (ki) = wanneer | תִגַּ֣ע (tiga) = hij raakt aan | בְּכָל (bekhal) = iets | טָמֵ֗א (tame) = onreins | בְּטֻמְאַ֤ת (betumat) = de onreinheid van | אָדָם֙ (adam) = een mens | א֣וֹ (o) = of | בִּבְהֵמָ֣ה (bivhema) = vee | טְמֵאָ֗ה (temea) = onrein | א֚וֹ (o) = of | בְּכָל (bekhal) = iets | שֶׁ֣קֶץ (sheqets) = afschuwelijks | טָמֵ֔א (tame) = onrein | וְאָכַ֛ל (veakhal) = en hij eet | מִבְּשַׂר (mibesar) = van het vlees van | זֶ֥בַח (zevach) = het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִ֖ים (hashelamim) = de vredeoffers | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = dan zal worden afgesneden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מֵעַמֶּֽיהָ (meameiha) = van zijn volksgenoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁקֶץ (sheqets), ‘iets afschuwelijks’: een onrein dier dat men niet mag eten (Lev. 11:10). Zie ook: Lev 5:2–3; Lev 11:10–13; Lev 11:20; Lev 12:1–13:59; Lev 15:1–33 ### Geen vet en geen bloed eten **7:22** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:23** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Geen enkel vet van een rund, een schaap of een geit mogen jullie eten.** Brontekst: דַּבֵּ֛ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כָּל (kal) = geen enkel | חֵ֜לֶב (chelev) = het vet van | שׁ֥וֹר (shor) = een rund | וְכֶ֛שֶׂב (vekhesev) = en een schaap | וָעֵ֖ז (vaez) = en een geit | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie zullen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:16–17; Lev 17:6; Deut 32:38; Hand 28:27; Rom 8:13 **7:24** **Het vet van een kadaver en het vet van een verscheurd dier mag voor allerlei werk gebruikt worden. Maar eten mogen jullie het niet.** Brontekst: וְחֵ֤לֶב (vechelev) = en het vet van | נְבֵלָה֙ (nevela) = een kadaver | וְחֵ֣לֶב (vechelev) = en het vet van | טְרֵפָ֔ה (terefa) = een verscheurd dier | יֵעָשֶׂ֖ה (yease) = het mag gebruikt worden | לְכָל (lekhal) = voor elk | מְלָאכָ֑ה (melakha) = werk | וְאָכֹ֖ל (veakhol) = maar eten | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכְלֻֽהוּ (tokhluhu) = jullie zullen het eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טְרֵפָה (terefah), ‘verscheurd dier’: een dier dat door een wild dier is gedood (Exod. 22:30). Zie ook: Ex 22:30; Lev 17:15; Lev 22:8; Deut 14:21; Ezech 4:14 **7:25** **Want ieder die vet eet van het vee waarvan men een vuuroffer voor Yahweh brengt: de persoon die het eet, moet van zijn volk worden afgesneden.** Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | כָּל (kal) = ieder | אֹכֵ֣ל (okhel) = die eet | חֵ֔לֶב (chelev) = vet | מִן (min) = van | הַ֨בְּהֵמָ֔ה (habehema) = het vee | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarvan | יַקְרִ֥יב (yaqriv) = men brengt | מִמֶּ֛נָּה (mimena) = ervan | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = dan zal worden afgesneden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הָאֹכֶ֖לֶת (haokhelet) = die eet | מֵֽעַמֶּֽיהָ (meameiha) = van zijn volksgenoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:26** **Geen enkel bloed mogen jullie eten, overal waar jullie wonen, van vogels of van vee.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en geen enkel | דָּם֙ (dam) = bloed | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכְל֔וּ (tokhlu) = jullie zullen eten | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | מוֹשְׁבֹתֵיכֶ֑ם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen | לָע֖וֹף (laof) = van vogels | וְלַבְּהֵמָֽה (velabehema) = en van vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbod op bloed staat ook in Gen. 9:4, Lev. 3:17 en Lev. 17:10–14. Zie ook: Gen 9:4; Lev 3:17; Lev 17:10–14; 1 Sam 14:33–34; Hand 15:20 **7:27** **Ieder die bloed eet, welk bloed ook, die persoon moet van zijn volk worden afgesneden.”** Brontekst: כָּל (kal) = elke | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | תֹּאכַ֣ל (tokhal) = hij eet | כָּל (kal) = enig | דָּ֑ם (dam) = bloed | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = dan zal worden afgesneden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מֵֽעַמֶּֽיהָ (meameiha) = van zijn volksgenoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 7:20–21; Lev 7:25; Heb 10:29 ### De borst en de rechterdij voor de priesters **7:28** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:29** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Wie zijn vredeoffer voor Yahweh brengt, moet zijn offergave uit zijn vredeoffer voor Yahweh brengen.** Brontekst: דַּבֵּ֛ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הַמַּקְרִ֞יב (hamaqriv) = wie brengt | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֤בַח (zevach) = het slachtoffer van | שְׁלָמָיו֙ (shelamav) = zijn vredeoffers | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | יָבִ֧יא (yavi) = hij zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבָּנ֛וֹ (qarbano) = zijn offergave | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | מִזֶּ֥בַח (mizevach) = uit het slachtoffer van | שְׁלָמָֽיו (shelamav) = zijn vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:1–17; Kol 1:20; 1 Joh 1:7 **7:30** **Zijn handen moeten de vuuroffers van Yahweh brengen. Het vet moet hij brengen samen met de borst, de borst om die als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh te zwaaien.** Brontekst: יָדָ֣יו (yadav) = zijn handen | תְּבִיאֶ֔ינָה (tevieina) = zij zullen brengen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אִשֵּׁ֣י (ishei) = de vuuroffers van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַחֵ֤לֶב (hachelev) = het vet | עַל (al) = op | הֶֽחָזֶה֙ (hechaze) = de borst | יְבִיאֶ֔נּוּ (yevienu) = hij zal het brengen | אֵ֣ת (et) = (obj.) | הֶחָזֶ֗ה (hechaze) = de borst | לְהָנִ֥יף (lehanif) = om te zwaaien | אֹת֛וֹ (oto) = het | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּנוּפָה (tenufah), ‘beweegoffer’: de borst wordt voor Yahweh heen en weer bewogen (Exod. 29:24–26). Zie ook: Ex 29:24–26; Lev 3:3–4; Lev 3:9; Lev 3:14; Num 6:20; Ps 110:3 **7:31** **De priester moet het vet op het altaar in rook laten opgaan. De borst is voor Aäron en zijn zonen.** Brontekst: וְהִקְטִ֧יר (vehiqtir) = en hij zal in rook laten opgaan | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַחֵ֖לֶב (hachelev) = het vet | הַמִּזְבֵּ֑חָה (hamizbecha) = naar het altaar | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | הֶֽחָזֶ֔ה (hechaze) = de borst | לְאַהֲרֹ֖ן (leaharon) = voor Aäron | וּלְבָנָֽיו (ulevanav) = en voor zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:5; Lev 3:11; Lev 3:16; Lev 5:13; Lev 7:34 **7:32** **De rechterdij moeten jullie de priester als heffing geven, uit jullie vredeoffers.** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שׁ֣וֹק (shoq) = de dij van | הַיָּמִ֔ין (hayamin) = de rechterkant | תִּתְּנ֥וּ (titenu) = jullie zullen geven | תְרוּמָ֖ה (teruma) = als heffing | לַכֹּהֵ֑ן (lakohen) = aan de priester | מִזִּבְחֵ֖י (mizivchei) = uit de slachtoffers van | שַׁלְמֵיכֶֽם (shalmeikhem) = jullie vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: de rechterdij wordt opgetild (Exod. 29:27–28). Zie ook: Ex 29:27–28; Lev 7:34; Lev 9:21; Num 6:20; Num 18:18–19; 1 Kor 9:13–14 **7:33** **Wie van Aärons zonen het bloed van het vredeoffer en het vet brengt, krijgt de rechterdij als deel.** Brontekst: הַמַּקְרִ֞יב (hamaqriv) = wie brengt | אֶת (et) = (obj.) | דַּ֧ם (dam) = het bloed van | הַשְּׁלָמִ֛ים (hashelamim) = de vredeoffers | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֖לֶב (hachelev) = het vet | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | אַהֲרֹ֑ן (aharon) = Aäron | ל֧וֹ (lo) = voor hem | תִהְיֶ֛ה (tihye) = het zal zijn | שׁ֥וֹק (shoq) = de dij van | הַיָּמִ֖ין (hayamin) = de rechterkant | לְמָנָֽה (lemana) = als deel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 5:20–6:23; Lev 7:3; Lev 26:1–46 **7:34** **Want de borst van het beweegoffer en de dij van de heffing heb Ik genomen van de zonen van Israël, uit hun vredeoffers. Ik heb ze gegeven aan de priester Aäron en zijn zonen, als een eeuwig voorschrift, van de zonen van Israël.”** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | חֲזֵ֨ה (chaze) = de borst van | הַתְּנוּפָ֜ה (hatenufa) = het beweegoffer | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שׁ֣וֹק (shoq) = de dij van | הַתְּרוּמָ֗ה (hateruma) = de heffing | לָקַ֨חְתִּי֙ (laqachti) = Ik heb genomen | מֵאֵ֣ת (meet) = van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִזִּבְחֵ֖י (mizivchei) = uit de slachtoffers van | שַׁלְמֵיהֶ֑ם (shalmeihem) = hun vredeoffers | וָאֶתֵּ֣ן (vaeten) = en Ik heb gegeven | אֹ֠תָם (otam) = ze | לְאַהֲרֹ֨ן (leaharon) = aan Aäron | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | וּלְבָנָיו֙ (ulevanav) = en aan zijn zonen | לְחָק (lechaq) = als voorschrift van | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwigheid | מֵאֵ֖ת (meet) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Exod. 29:28 zegt hetzelfde van de borst en de dij van de inwijdingsram. Daar vertalen wij ‘vanwege de zonen van Israël’, hier ‘van de zonen van Israël’ (מֵאֵת, me'et). Zie ook: Ex 29:9; Ex 29:28; Lev 7:30–32; Lev 10:14–15; Num 18:18–19; Deut 18:3 **7:35** Dit is het zalvingsdeel van Aäron en het zalvingsdeel van zijn zonen, uit de vuuroffers van Yahweh. Op de dag dat hij hen liet naderen om Yahweh als priesters te dienen. Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit is | מִשְׁחַ֤ת (mishchat) = het zalvingsdeel van | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וּמִשְׁחַ֣ת (umishchat) = en het zalvingsdeel van | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | מֵאִשֵּׁ֖י (meishei) = uit de vuuroffers van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag | הִקְרִ֣יב (hiqriv) = hij liet naderen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | לְכַהֵ֖ן (lekhahen) = om priester te zijn | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מִשְׁחָה (mishchah), ‘zalvingsdeel’: wat hun toekomt vanwege hun zalving. Voetnoot : Het Hebreeuws noemt bij ‘hij liet naderen’ geen onderwerp. Wij lezen: Mozes (Lev. 8:6). Voetnoot : Wij lezen vers 35–36 als woorden van de verteller en niet als woorden van Yahweh, omdat Yahweh in de derde persoon wordt genoemd. Zie ook: Ex 28:1; Lev 8:6; Lev 8:10–12; Lev 8:30; Jes 10:27; 1 Joh 2:20 **7:36** Dat heeft Yahweh geboden hun te geven, van de zonen van Israël, op de dag dat hij hen zalfde. Het is een eeuwig voorschrift voor hun generaties. Brontekst: אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | צִוָּ֨ה (tsiva) = Hij gebood | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | לָהֶ֗ם (lahem) = hun | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag | מָשְׁח֣וֹ (mashecho) = zijn zalven | אֹתָ֔ם (otam) = hen | מֵאֵ֖ת (meet) = van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | חֻקַּ֥ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹתָֽם (ledorotam) = voor hun generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Ook bij ‘hij hen zalfde’ staat geen onderwerp. Wij lezen: Mozes (Lev. 8:12 en 8:30). Zie ook: Ex 40:13–15; Lev 8:12; Lev 8:30 ### Het slot van de offerwetten **7:37** Dit is de wet voor het brandoffer, het graanoffer, het zondoffer, het schuldoffer, de inwijding en het vredeoffer, Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit is | הַתּוֹרָ֗ה (hatora) = de wet | לָֽעֹלָה֙ (laola) = voor het brandoffer | לַמִּנְחָ֔ה (lamincha) = voor het graanoffer | וְלַֽחַטָּ֖את (velachatat) = en voor het zondoffer | וְלָאָשָׁ֑ם (velaasham) = en voor het schuldoffer | וְלַ֨מִּלּוּאִ֔ים (velamiluim) = en voor de inwijding | וּלְזֶ֖בַח (ulezevach) = en voor het slachtoffer van | הַשְּׁלָמִֽים (hashelamim) = de vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלֻּאִים (milluim), ‘inwijding’: de wijding van de priesters (Exod. 29:22; Lev. 8). Zie ook: Ex 29:1; Ex 29:22; Lev 1:1–5:6; Lev 6:2–11; Lev 6:13–7:7; Lev 7:11–21 **7:38** die Yahweh aan Mozes op de berg Sinaï geboden heeft, op de dag dat Hij de zonen van Israël gebood hun offergaven voor Yahweh te brengen. In de woestijn Sinaï. Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | צִוָּ֧ה (tsiva) = Hij gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּהַ֣ר (behar) = op de berg | סִינָ֑י (sinay) = Sinaï | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag | צַוֺּת֜וֹ (tsavoto) = Zijn gebieden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לְהַקְרִ֧יב (lehaqriv) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבְּנֵיהֶ֛ם (qarbeneihem) = hun offergaven | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּמִדְבַּ֥ר (bemidbar) = in de woestijn van | סִינָֽי (sinay) = Sinaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Sinaï en de woestijn Sinaï liggen op het zuidelijke deel van het Sinaïschiereiland. De traditionele berg is de Jebel Musa; de ligging is niet zeker. Zie ook: Lev 1:1–2 ## Leviticus 8 _De inwijding van Aäron en zijn zonen_ ### Het bevel van Yahweh **8:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk voert uit wat Yahweh in Exod. 29:1–37 en Exod. 40:12–15 geboden had. Mozes doet de inwijding zelf; Aäron en zijn zonen ontvangen alleen. Voetnoot Aanvullend: Jasher 83:1–3 bevestigt de inwijding en de zeven dagen bij de ingang van de tent van samenkomst. Zie ook: Jas 83:1–3; Ex 29:1–37; Ex 40:12–15 **8:2** **„Neem Aäron en zijn zonen met hem, de kleren, de zalfolie, de stier van het zondoffer, de twee rammen en de mand met de ongezuurde broden,** Brontekst: קַ֤ח (qach) = neem | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֣יו (banav) = zijn zonen | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הַבְּגָדִ֔ים (habegadim) = de kleren | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie van | הַמִּשְׁחָ֑ה (hamishcha) = de zalving | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | פַּ֣ר (par) = stier van | הַֽחַטָּ֗את (hachatat) = het zondoffer | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | הָֽאֵילִ֔ים (haeilim) = de rammen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | סַ֥ל (sal) = mand van | הַמַּצּֽוֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:2–4; Ex 28:40–29:4; Ex 39:1–31; Ex 39:41; Heb 7:27 **8:3** **en roep heel de gemeenschap bijeen bij de ingang van de tent van samenkomst.”** Brontekst: וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | הַקְהֵ֑ל (haqhel) = roep bijeen | אֶל (el) = bij | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקְהֵל (haqhel), ‘roep bijeen’, komt van hetzelfde grondwoord als קָהָל (qahal), ‘vergadering’. Heel de gemeenschap (עֵדָה, edah) is getuige van de inwijding. Zie ook: 1 Kron 13:5; 2 Kron 30:2; 2 Kron 30:13; 2 Kron 30:25; Hand 2:1 **8:4** Mozes deed zoals Yahweh hem geboden had, en de gemeenschap kwam bijeen bij de ingang van de tent van samenkomst. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en deed | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כַּֽאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֹת֑וֹ (oto) = hem | וַתִּקָּהֵל֙ (vatiqahel) = en kwam bijeen | הָֽעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | אֶל (el) = bij | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 39:1; Ex 39:7; Lev 8:29; Deut 13:1; Mat 28:20 **8:5** Mozes zei tegen de gemeenschap: „Dit is wat Yahweh geboden heeft te doen.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | הָעֵדָ֑ה (haeda) = de gemeenschap | זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:4–37 ### Aäron wordt gewassen en gekleed **8:6** Mozes liet Aäron en zijn zonen naderen en waste hen met water. Brontekst: וַיַּקְרֵ֣ב (vayaqrev) = en liet naderen | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וַיִּרְחַ֥ץ (vayirchats) = en waste | אֹתָ֖ם (otam) = hen | בַּמָּֽיִם (bamayim) = met water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aäron en zijn zonen worden eerst gewassen, zoals Yahweh in Exod. 29:4 en Exod. 40:12 gebood. Zie ook: Ex 29:4; Ex 40:12; Ps 26:6; Ps 51:9; 1 Kor 6:11; Ef 5:26 **8:7** Hij trok Aäron het onderkleed aan en omgordde hem met de gordel. Hij kleedde hem met de mantel en deed hem de efod om. Hij omgordde hem met de kunstig geweven band van de efod en bond de efod daarmee om hem vast. Brontekst: וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en deed | עָלָ֜יו (alav) = op hem | אֶת (et) = (obj.) | הַכֻּתֹּ֗נֶת (hakutonet) = het onderkleed | וַיַּחְגֹּ֤ר (vayachgor) = en omgordde | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | בָּֽאַבְנֵ֔ט (baavnet) = met de gordel | וַיַּלְבֵּ֤שׁ (vayalbesh) = en kleedde | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | אֶֽת (et) = (obj.) | הַמְּעִ֔יל (hameil) = de mantel | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en deed | עָלָ֖יו (alav) = op hem | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵפֹ֑ד (haefod) = de efod | וַיַּחְגֹּ֣ר (vayachgor) = en omgordde | אֹת֗וֹ (oto) = hem | בְּחֵ֨שֶׁב֙ (becheshev) = met de band van | הָֽאֵפֹ֔ד (haefod) = de efod | וַיֶּאְפֹּ֥ד (vayepod) = en bond vast | ל֖וֹ (lo) = hem | בּֽוֹ (bo) = daarmee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De kleren heten in het Hebreeuws: כֻּתֹּנֶת (kuttonet), ‘onderkleed’; אַבְנֵט (avnet), ‘gordel’; מְעִיל (me’il), ‘mantel’; אֵפוֹד (efod); חֵשֶׁב (cheshev), ‘kunstig geweven band’. Zij worden beschreven in Exod. 28:4–8 en 28:31–35. Zie ook: Ex 28:4; Ex 28:31; Ex 29:5; Ex 39:1–7; Gal 3:27; Rom 13:14 **8:8** Hij legde hem de borstplaat om en legde de Urim en de Tummim in de borstplaat. Brontekst: וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en legde | עָלָ֖יו (alav) = op hem | אֶת (et) = (obj.) | הַחֹ֑שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en legde | אֶל (el) = in | הַחֹ֔שֶׁן (hachoshen) = de borstplaat | אֶת (et) = (obj.) | הָאוּרִ֖ים (haurim) = de Urim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתֻּמִּֽים (hatumim) = de Tummim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאוּרִים וְהַתֻּמִּים (ha’urim wehatummim), ‘de Urim en de Tummim’: voorwerpen waarmee de wil van Yahweh werd gevraagd. Zij liggen in de borstplaat (Exod. 28:30). Zie ook: Ex 28:15–30; Ex 28:30; Jes 59:17; Ezra 2:63; 1 Tess 5:8; Ef 6:14 **8:9** Hij zette de tulband op zijn hoofd en zette aan de voorkant van de tulband de gouden plaat, de heilige kroon, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en zette | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּצְנֶ֖פֶת (hamitsnefet) = de tulband | עַל (al) = op | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיָּ֨שֶׂם (vayasem) = en zette | עַֽל (al) = op | הַמִּצְנֶ֜פֶת (hamitsnefet) = de tulband | אֶל (el) = naar | מ֣וּל (mul) = de voorkant van | פָּנָ֗יו (panav) = zijn aangezicht | אֵ֣ת (et) = (obj.) | צִ֤יץ (tsits) = plaat van | הַזָּהָב֙ (hazahav) = het goud | נֵ֣זֶר (nezer) = kroon van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִיץ הַזָּהָב (tsits hazahav), ‘gouden plaat’, wordt hier ook נֵזֶר הַקֹּדֶשׁ (nezer haqodesh), ‘heilige kroon’, genoemd. Zie Exod. 28:36–38 en Exod. 29:6. Zie ook: Ex 28:36–38; Ex 29:6; Ex 39:28–30; Zach 3:5; Zach 6:11–14; Fil 2:9–11 ### De zalving **8:10** Mozes nam de zalfolie en zalfde de tabernakel en alles wat erin was. Zo heiligde hij ze. Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie van | הַמִּשְׁחָ֔ה (hamishcha) = de zalving | וַיִּמְשַׁ֥ח (vayimshach) = en zalfde | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּשְׁכָּ֖ן (hamishkan) = de tabernakel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בּ֑וֹ (bo) = erin | וַיְקַדֵּ֖שׁ (vayqadesh) = en heiligde | אֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:23–29; Ex 40:9–11; Lev 8:2 **8:11** Hij sprenkelde er zeven keer van op het altaar. Hij zalfde het altaar met al zijn voorwerpen, en het wasbekken met zijn voetstuk, om ze te heiligen. Brontekst: וַיַּ֥ז (vayaz) = en sprenkelde | מִמֶּ֛נּוּ (mimenu) = ervan | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֑ים (peamim) = keer | וַיִּמְשַׁ֨ח (vayimshach) = en zalfde | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֜חַ (hamizbeach) = het altaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כֵּלָ֗יו (kelav) = zijn voorwerpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכִּיֹּ֛ר (hakiyor) = het wasbekken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כַּנּ֖וֹ (kano) = zijn voetstuk | לְקַדְּשָֽׁם (leqadesham) = om ze te heiligen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 16:14; Ex 16:19; Ex 30:29; Jes 52:15; Ezech 36:25 **8:12** Hij goot van de zalfolie op het hoofd van Aäron en zalfde hem om hem te heiligen. Brontekst: וַיִּצֹק֙ (vayitsoq) = en goot | מִשֶּׁ֣מֶן (mishemen) = van olie van | הַמִּשְׁחָ֔ה (hamishcha) = de zalving | עַ֖ל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd van | אַהֲרֹ֑ן (aharon) = Aäron | וַיִּמְשַׁ֥ח (vayimshach) = en zalfde | אֹת֖וֹ (oto) = hem | לְקַדְּשֽׁוֹ (leqadesho) = om hem te heiligen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:7; Ex 30:30; Lev 4:3; Lev 21:10–12; Ps 133:2 **8:13** Mozes liet de zonen van Aäron naderen en kleedde hen met onderkleden. Hij omgordde hen met een gordel en bond hun hoofdbanden om, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וַיַּקְרֵ֨ב (vayaqrev) = en liet naderen | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | וַיַּלְבִּשֵׁ֤ם (vayalbishem) = en kleedde hen | כֻּתֳּנֹת֙ (kutonot) = onderkleden | וַיַּחְגֹּ֤ר (vayachgor) = en omgordde | אֹתָם֙ (otam) = hen | אַבְנֵ֔ט (avnet) = gordel | וַיַּחֲבֹ֥שׁ (vayachavosh) = en bond om | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | מִגְבָּע֑וֹת (migbaot) = hoofdbanden | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִגְבָּעוֹת (migba’ot), ‘hoofdbanden’: het hoofddeksel van de gewone priesters (Exod. 28:40; 29:9). Zie ook: Ex 28:40–41; Ex 29:8–9; Ex 29:9; Ps 132:9; 1 Petr 2:5; Openb 1:6 ### Het zondoffer **8:14** Hij bracht de stier van het zondoffer naar voren, en Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de stier van het zondoffer. Brontekst: וַיַּגֵּ֕שׁ (vayagesh) = en bracht naar voren | אֵ֖ת (et) = (obj.) | פַּ֣ר (par) = stier van | הַֽחַטָּ֑את (hachatat) = het zondoffer | וַיִּסְמֹ֨ךְ (vayismokh) = en legde | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | וּבָנָיו֙ (uvanav) = en zijn zonen | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֔ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = op | רֹ֖אשׁ (rosh) = kop van | פַּ֥ר (par) = stier van | הַֽחַטָּֽאת (hachatat) = het zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:10–14; Lev 4:3–12; Lev 8:2; Jes 53:10; Ezech 43:19 **8:15** Mozes slachtte hem, nam het bloed en deed het met zijn vinger rondom op de hoorns van het altaar. Zo ontzondigde hij het altaar. Het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. Zo heiligde hij het door er verzoening voor te doen. Brontekst: וַיִּשְׁחָ֗ט (vayishchat) = en slachtte | וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּם֙ (hadam) = het bloed | וַ֠יִּתֵּן (vayiten) = en deed | עַל (al) = op | קַרְנ֨וֹת (qarnot) = hoorns van | הַמִּזְבֵּ֤חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | בְּאֶצְבָּע֔וֹ (beetsbao) = met zijn vinger | וַיְחַטֵּ֖א (vaychate) = en ontzondigde | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדָּ֗ם (hadam) = het bloed | יָצַק֙ (yatsaq) = goot uit | אֶל (el) = aan | יְס֣וֹד (yesod) = voet van | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וַֽיְקַדְּשֵׁ֖הוּ (vayqadeshehu) = en heiligde het | לְכַפֵּ֥ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עָלָֽיו (alav) = voor het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְחַטֵּא (wayechatte), ‘en hij ontzondigde’: van חֵטְא (chet), ‘zonde’. Het altaar wordt van zonde gereinigd, zoals in Exod. 29:36. Vergelijk Lev. 16:18–19. Zie ook: Ex 29:36; Lev 1:11; Lev 3:2; Lev 4:7; Lev 16:18–19; Lev 16:20; 2 Kron 29:24 **8:16** Hij nam al het vet dat op de ingewanden zit, het aanhangsel van de lever, de twee nieren en hun vet. Mozes liet het op het altaar in rook opgaan. Brontekst: וַיִּקַּ֗ח (vayiqach) = en nam | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַחֵלֶב֮ (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַקֶּרֶב֒ (haqerev) = de ingewanden | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | יֹתֶ֣רֶת (yoteret) = aanhangsel van | הַכָּבֵ֔ד (hakaved) = de lever | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | הַכְּלָיֹ֖ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | חֶלְבְּהֶ֑ן (chelbehen) = hun vet | וַיַּקְטֵ֥ר (vayaqter) = en liet in rook opgaan | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | הַמִּזְבֵּֽחָה (hamizbecha) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:13; Lev 3:3–5; Lev 4:8–9 **8:17** De stier met zijn huid, zijn vlees en zijn mest verbrandde hij met vuur buiten het kamp, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַפָּ֤ר (hapar) = de stier | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֹרוֹ֙ (oro) = zijn huid | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּשָׂר֣וֹ (besaro) = zijn vlees | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פִּרְשׁ֔וֹ (pirsho) = zijn mest | שָׂרַ֣ף (saraf) = verbrandde | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֑ה (lamachane) = het kamp | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:14; Lev 4:11–12; Lev 4:21; Lev 16:27; Heb 13:11–13 ### Het brandoffer **8:18** Hij bracht de ram van het brandoffer naar voren, en Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram. Brontekst: וַיַּקְרֵ֕ב (vayaqrev) = en bracht naar voren | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֵ֣יל (eil) = ram van | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | וַֽיִּסְמְכ֞וּ (vayismekhu) = en legden | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֛יו (uvanav) = en zijn zonen | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = kop van | הָאָֽיִל (haayil) = de ram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:15–18; Lev 1:4–13; Lev 8:2 **8:19** Mozes slachtte hem en sprenkelde het bloed rondom op het altaar. Brontekst: וַיִּשְׁחָ֑ט (vayishchat) = en slachtte | וַיִּזְרֹ֨ק (vayizroq) = en sprenkelde | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֛ם (hadam) = het bloed | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:20** De ram sneed hij in stukken. Mozes liet de kop, de stukken en het vetweefsel in rook opgaan. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַ֔יִל (haayil) = de ram | נִתַּ֖ח (nitach) = sneed in stukken | לִנְתָחָ֑יו (lintachav) = in zijn stukken | וַיַּקְטֵ֤ר (vayaqter) = en liet in rook opgaan | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = de kop | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנְּתָחִ֖ים (hanetachim) = de stukken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַפָּֽדֶר (hapader) = het vetweefsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:8 **8:21** De ingewanden en de poten waste hij met water. Mozes liet de hele ram op het altaar in rook opgaan. Het was een brandoffer, tot een aangename geur; het was een vuuroffer voor Yahweh, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַקֶּ֥רֶב (haqerev) = de ingewanden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכְּרָעַ֖יִם (hakeraayim) = de poten | רָחַ֣ץ (rachats) = waste hij | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = met water | וַיַּקְטֵר֩ (vayaqter) = en liet in rook opgaan | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאַ֜יִל (haayil) = de ram | הַמִּזְבֵּ֗חָה (hamizbecha) = op het altaar | עֹלָ֨ה (ola) = brandoffer | ה֤וּא (hu) = het is | לְרֵֽיחַ (lereiach) = tot een geur van | נִיחֹ֨חַ֙ (nichoach) = aangenaamheid | אִשֶּׁ֥ה (ishe) = vuuroffer | הוּא֙ (hu) = het is | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:21; Ex 29:18; Lev 1:17; Lev 2:9; Ef 5:2 ### De ram van de inwijding **8:22** Hij bracht de tweede ram naar voren, de ram van de inwijding, en Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram. Brontekst: וַיַּקְרֵב֙ (vayaqrev) = en bracht naar voren | אֶת (et) = (obj.) | הָאַ֣יִל (haayil) = de ram | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | אֵ֖יל (eil) = ram van | הַמִּלֻּאִ֑ים (hamiluim) = de inwijding | וַֽיִּסְמְכ֞וּ (vayismekhu) = en legden | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֛יו (uvanav) = en zijn zonen | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = kop van | הָאָֽיִל (haayil) = de ram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵיל הַמִּלֻּאִים (ayil hammillu’im), ‘ram van de inwijding’: letterlijk ‘ram van de vullingen’. מִלֵּא יָד (mille yad), ‘de hand vullen’, betekent ‘inwijden’ (Exod. 29:9, 29:22). Zie ook: Ex 29:9; Ex 29:22; Lev 8:2; Lev 8:29; Joh 17:19; 2 Kor 5:21; Ef 5:27 **8:23** Mozes slachtte hem en nam van zijn bloed. Hij deed het op de rechteroorlel van Aäron, op de rechterduim van zijn hand en op de rechter grote teen van zijn voet. Brontekst: וַיִּשְׁחָ֓ט (vayishchat) = en slachtte | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | מִדָּמ֔וֹ (midamo) = van zijn bloed | וַיִּתֵּ֛ן (vayiten) = en deed | עַל (al) = op | תְּנ֥וּךְ (tenukh) = lel van | אֹֽזֶן (ozen) = oor van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | הַיְמָנִ֑ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֤הֶן (bohen) = duim van | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֥הֶן (bohen) = grote teen van | רַגְל֖וֹ (raglo) = zijn voet | הַיְמָנִֽית (haymanit) = de rechter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bloed op oor, duim en grote teen wijdt de hele persoon: wat hij hoort, doet en loopt (zie Exod. 29:20). Vergelijk Lev. 14:14. Zie ook: Ex 29:20; Lev 14:14; Lev 14:17; 1 Kor 1:2; Rom 12:1 **8:24** Hij liet de zonen van Aäron naderen. Hij deed van het bloed op hun rechteroorlel, op de rechterduim van hun hand en op de rechter grote teen van hun voet. Het bloed sprenkelde Mozes rondom op het altaar. Brontekst: וַיַּקְרֵ֞ב (vayaqrev) = en liet naderen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en deed | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | מִן (min) = van | הַדָּם֙ (hadam) = het bloed | עַל (al) = op | תְּנ֤וּךְ (tenukh) = lel van | אָזְנָם֙ (azenam) = hun oor | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֤הֶן (bohen) = duim van | יָדָם֙ (yadam) = hun hand | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֥הֶן (bohen) = grote teen van | רַגְלָ֖ם (raglam) = hun voet | הַיְמָנִ֑ית (haymanit) = de rechter | וַיִּזְרֹ֨ק (vayizroq) = en sprenkelde | מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֛ם (hadam) = het bloed | עַל (al) = op | הַֽמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Heb 9:18–22 **8:25** Hij nam het vet, de vette staart, al het vet dat op de ingewanden zit, het aanhangsel van de lever, de twee nieren met hun vet en de rechterdij. Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | הַחֵ֣לֶב (hachelev) = het vet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽאַלְיָ֗ה (haalya) = de vette staart | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַחֵלֶב֮ (hachelev) = het vet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַקֶּרֶב֒ (haqerev) = de ingewanden | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | יֹתֶ֣רֶת (yoteret) = aanhangsel van | הַכָּבֵ֔ד (hakaved) = de lever | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | הַכְּלָיֹ֖ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | חֶלְבְּהֶ֑ן (chelbehen) = hun vet | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שׁ֥וֹק (shoq) = dij van | הַיָּמִֽין (hayamin) = de rechterkant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:22–25; Lev 3:3–5; Lev 3:9; Spr 23:26; Jes 53:10 **8:26** Uit de mand met de ongezuurde broden, die voor het aangezicht van Yahweh stond, nam hij één ongezuurde koek, één broodkoek met olie en één wafel. Hij legde ze op het vet en op de rechterdij. Brontekst: וּמִסַּ֨ל (umisal) = en uit mand van | הַמַּצּ֜וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֠קַח (laqach) = nam hij | חַלַּ֨ת (chalat) = koek van | מַצָּ֤ה (matsa) = ongezuurd | אַחַת֙ (achat) = één | וְֽחַלַּ֨ת (vechalat) = en koek van | לֶ֥חֶם (lechem) = brood | שֶׁ֛מֶן (shemen) = olie | אַחַ֖ת (achat) = één | וְרָקִ֣יק (veraqiq) = en wafel | אֶחָ֑ד (echad) = één | וַיָּ֨שֶׂם֙ (vayasem) = en legde | עַל (al) = op | הַ֣חֲלָבִ֔ים (hachalavim) = het vet | וְעַ֖ל (veal) = en op | שׁ֥וֹק (shoq) = dij van | הַיָּמִֽין (hayamin) = de rechterkant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:23; Joh 1:14; Hand 5:12; 1 Tim 2:5 **8:27** Alles legde hij op de handen van Aäron en op de handen van zijn zonen, en hij zwaaide het als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en legde | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּ֔ל (hakol) = alles | עַ֚ל (al) = op | כַּפֵּ֣י (kapei) = handen van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | וְעַ֖ל (veal) = en op | כַּפֵּ֣י (kapei) = handen van | בָנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וַיָּ֧נֶף (vayanef) = en zwaaide | אֹתָ֛ם (otam) = ze | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:24–37; Lev 7:30–31; Jer 30:21; Heb 9:14 **8:28** Mozes nam het van hun handen en liet het op het altaar in rook opgaan, boven op het brandoffer. Het was een inwijding, tot een aangename geur; het was een vuuroffer voor Yahweh. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | אֹתָם֙ (otam) = ze | מֵעַ֣ל (meal) = van op | כַּפֵּיהֶ֔ם (kapeihem) = hun handen | וַיַּקְטֵ֥ר (vayaqter) = en liet in rook opgaan | הַמִּזְבֵּ֖חָה (hamizbecha) = op het altaar | עַל (al) = op | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | מִלֻּאִ֥ים (miluim) = inwijding | הֵם֙ (hem) = zij zijn | לְרֵ֣יחַ (lereiach) = tot een geur van | נִיחֹ֔חַ (nichoach) = aangenaamheid | אִשֶּׁ֥ה (ishe) = vuuroffer | ה֖וּא (hu) = het is | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלֻּאִים (millu’im), ‘inwijding’: het hele offer van de tweede ram heet zo (vers 22). Zie ook: Ex 29:25; Lev 8:22; Ps 22:14–15; Zach 13:7; Heb 10:14–22 **8:29** Mozes nam de borst en zwaaide die als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh. Van de ram van de inwijding was dat het deel voor Mozes, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | הֶ֣חָזֶ֔ה (hechaze) = de borst | וַיְנִיפֵ֥הוּ (vaynifehu) = en zwaaide hem | תְנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מֵאֵ֣יל (meeil) = van ram van | הַמִּלֻּאִ֗ים (hamiluim) = de inwijding | לְמֹשֶׁ֤ה (lemoshe) = voor Mozes | הָיָה֙ (haya) = het was | לְמָנָ֔ה (lemana) = tot deel | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָנָה (manah), ‘deel’: de borst van de ram is voor Mozes, omdat hij bij deze inwijding als priester optreedt. Zie Exod. 29:26. Zie ook: Ex 29:26–27; Lev 7:30–34; Jes 66:20; 1 Kor 10:31; 1 Petr 4:11 **8:30** Mozes nam van de zalfolie en van het bloed dat op het altaar was. Hij sprenkelde het op Aäron en zijn kleren, en op zijn zonen en de kleren van zijn zonen met hem. Zo heiligde hij Aäron en zijn kleren, en zijn zonen en de kleren van zijn zonen met hem. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | מִשֶּׁ֣מֶן (mishemen) = van olie van | הַמִּשְׁחָ֗ה (hamishcha) = de zalving | וּמִן (umin) = en van | הַדָּם֮ (hadam) = het bloed | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּחַ֒ (hamizbeach) = het altaar | וַיַּ֤ז (vayaz) = en sprenkelde | עַֽל (al) = op | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | עַל (al) = op | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְעַל (veal) = en op | בָּנָ֛יו (banav) = zijn zonen | וְעַל (veal) = en op | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | וַיְקַדֵּ֤שׁ (vayqadesh) = en heiligde | אֶֽת (et) = (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֛יו (banav) = zijn zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:21; Ex 30:30; Num 3:3; Jes 61:1; 1 Joh 2:27 ### Zeven dagen bij de tent van samenkomst **8:31** Mozes zei tegen Aäron en tegen zijn zonen: „Kook het vlees bij de ingang van de tent van samenkomst en eet het daar. Eet ook het brood dat in de mand van de inwijding is, zoals ik geboden heb: ‘Aäron en zijn zonen moeten het eten.’ Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | וְאֶל (veel) = en tot | בָּנָ֗יו (banav) = zijn zonen | בַּשְּׁל֣וּ (bashelu) = kook | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּשָׂר֮ (habasar) = het vlees | פֶּ֣תַח (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵד֒ (moed) = samenkomst | וְשָׁם֙ (vesham) = en daar | תֹּאכְל֣וּ (tokhlu) = zullen jullie eten | אֹת֔וֹ (oto) = het | וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | הַלֶּ֔חֶם (halechem) = het brood | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בְּסַ֣ל (besal) = in de mand van | הַמִּלֻּאִ֑ים (hamiluim) = de inwijding | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | צִוֵּ֨יתִי֙ (tsiveiti) = ik heb geboden | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֖יו (uvanav) = en zijn zonen | יֹאכְלֻֽהוּ (yokhluhu) = zullen het eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: צִוֵּיתִי (tsiwwiti) staat hier met de klinkers van ‘ik heb geboden’; in vers 35 en Lev. 10:13 staat צֻוֵּיתִי (tsuwweti), ‘mij is geboden’. Wij volgen de klinkers van de tekst: Mozes geeft het gebod van Yahweh door in zijn eigen naam. De medeklinkers laten ook ‘mij is geboden’ toe. Zie ook: Ex 29:31–32; Lev 6:21; Lev 8:35; Lev 10:13; Joh 6:33; Joh 6:35; Joh 6:51 **8:32** Wat van het vlees en van het brood overblijft, moeten jullie met vuur verbranden. Brontekst: וְהַנּוֹתָ֥ר (vehanotar) = en wat overblijft | בַּבָּשָׂ֖ר (babasar) = van het vlees | וּבַלָּ֑חֶם (uvalachem) = en van het brood | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | תִּשְׂרֹֽפוּ (tisrofu) = zullen jullie verbranden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:10; Ex 29:34; Spr 27:1; Pred 9:10; Heb 3:13–14 **8:33** Zeven dagen lang mogen jullie niet weggaan van de ingang van de tent van samenkomst, tot de dag dat de dagen van jullie inwijding voorbij zijn. Want zeven dagen lang worden jullie ingewijd. Brontekst: וּמִפֶּתַח֩ (umipetach) = en van de ingang van | אֹ֨הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֜ד (moed) = samenkomst | לֹ֤א (lo) = niet | תֵֽצְאוּ֙ (tetseu) = zullen jullie weggaan | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | עַ֚ד (ad) = tot | י֣וֹם (yom) = dag van | מְלֹ֔את (melot) = het voltooien van | יְמֵ֖י (yemei) = dagen van | מִלֻּאֵיכֶ֑ם (milueikhem) = jullie inwijding | כִּ֚י (ki) = want | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | יְמַלֵּ֖א (yemale) = hij zal vullen | אֶת (et) = (obj.) | יֶדְכֶֽם (yedkhem) = jullie hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְמַלֵּא אֶת־יֶדְכֶם (yemalle et-yedkhem), letterlijk ‘hij vult jullie hand’: ‘hij wijdt jullie in’ (vers 22). Voetnoot Lezing: Er staat niet wie de hand vult. Wij vertalen onpersoonlijk: ‘worden jullie ingewijd’. Zie ook: Ex 29:30; Ex 29:35; Lev 8:22; Lev 14:8; Num 19:12; Ezech 43:25–27 **8:34** Zoals vandaag gedaan is, zo heeft Yahweh geboden te doen, om verzoening voor jullie te doen. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֖ה (asa) = is gedaan | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | צִוָּ֧ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשֹׂ֖ת (laasot) = om te doen | לְכַפֵּ֥ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Heb 7:16; Heb 7:27; Heb 10:11–12 **8:35** Bij de ingang van de tent van samenkomst moeten jullie zeven dagen lang dag en nacht blijven en de wacht van Yahweh houden, zodat jullie niet sterven. Want zo is mij geboden.” Brontekst: וּפֶתַח֩ (ufetach) = en de ingang van | אֹ֨הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֜ד (moed) = samenkomst | תֵּשְׁב֨וּ (teshevu) = zullen jullie blijven | יוֹמָ֤ם (yomam) = overdag | וָלַ֨יְלָה֙ (valayla) = en 's nachts | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | וּשְׁמַרְתֶּ֛ם (ushemartem) = en jullie zullen houden | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = de wacht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָמ֑וּתוּ (tamutu) = zullen jullie sterven | כִּי (ki) = want | כֵ֖ן (ken) = zo | צֻוֵּֽיתִי (tsuveiti) = mij is geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת יְהוָה (mishmeret Yahweh), ‘de wacht van Yahweh’: wat Yahweh te bewaken heeft opgedragen. Zie ook Num. 3:7. Zie ook: Num 3:7; Num 9:19; Deut 11:1; 1 Kon 2:3; 1 Tim 1:3–4 **8:36** Aäron en zijn zonen deden alles wat Yahweh door Mozes geboden had. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וּבָנָ֑יו (uvanav) = en zijn zonen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de dingen | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 39:43; Ex 40:16; Deut 4:2; Deut 13:1; 1 Sam 15:22 ## Leviticus 9 _De achtste dag: de eerste offers van Aäron_ ### De achtste dag **9:1** Op de achtste dag riep Mozes Aäron, zijn zonen en de oudsten van Israël. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁמִינִ֔י (hashemini) = de achtste | קָרָ֣א (qara) = riep | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לְאַהֲרֹ֖ן (leaharon) = Aäron | וּלְבָנָ֑יו (ulevanav) = en zijn zonen | וּלְזִקְנֵ֖י (uleziqnei) = en de oudsten van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De achtste dag volgt op de zeven dagen van de inwijding (Lev. 8:33–35). Nu begint de dienst van de priesters. Voetnoot Aanvullend: Jasher 83:5 bevestigt de offers van deze dag. Zie ook: Jas 83:5; Lev 8:33–35; Lev 14:10; Lev 14:23; Lev 15:29; Num 6:10; Mat 28:1 **9:2** Hij zei tegen Aäron: „Neem voor jezelf een kalf, een jong rund, als zondoffer en een ram als brandoffer, beide zonder gebrek. Breng ze voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | קַח (qach) = neem | לְ֠ךָ (lekha) = voor jezelf | עֵ֣גֶל (egel) = een kalf | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֧ר (baqar) = rundvee | לְחַטָּ֛את (lechatat) = als zondoffer | וְאַ֥יִל (veayil) = en een ram | לְעֹלָ֖ה (leola) = als brandoffer | תְּמִימִ֑ם (temimim) = zonder gebrek | וְהַקְרֵ֖ב (vehaqrev) = en breng | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵגֶל בֶּן־בָּקָר (egel ben-baqar), letterlijk ‘kalf, zoon van het rundvee’: een jong rund. Aäron brengt eerst een offer voor zichzelf en daarna voor het volk (vers 7–15). Zie ook: Ex 29:1; Lev 4:3; Lev 8:14; Lev 8:18; Lev 9:7–15; Heb 10:10–14 **9:3** En tot de zonen van Israël moet je zeggen: ‘Neem een geitenbok als zondoffer, en een kalf en een lam van een jaar, beide zonder gebrek, als brandoffer, Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | תְּדַבֵּ֣ר (tedaber) = je zult spreken | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | קְח֤וּ (qechu) = neem | שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּים֙ (izim) = geiten | לְחַטָּ֔את (lechatat) = als zondoffer | וְעֵ֨גֶל (veegel) = en kalf | וָכֶ֧בֶשׂ (vakheves) = en lam | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָׁנָ֛ה (shana) = een jaar | תְּמִימִ֖ם (temimim) = zonder gebrek | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂעִיר עִזִּים (se’ir izzim), ‘geitenbok’: letterlijk ‘harige van de geiten’. Voor een leider is het zondoffer ook een geitenbok (Lev. 4:23). Zie ook: Lev 4:23; Ezra 6:17; Ezra 10:19; Tit 2:14; Openb 5:9 **9:4** en een stier en een ram als vredeoffer, om voor het aangezicht van Yahweh te slachten, en een graanoffer, met olie gekneed. Want vandaag verschijnt Yahweh aan jullie.’” Brontekst: וְשׁ֨וֹר (veshor) = en stier | וָאַ֜יִל (vaayil) = en ram | לִשְׁלָמִ֗ים (lishlamim) = als vredeoffer | לִזְבֹּ֨חַ֙ (lizboach) = om te slachten | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמִנְחָ֖ה (umincha) = en graanoffer | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשָּׁ֑מֶן (bashamen) = met olie | כִּ֣י (ki) = want | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נִרְאָ֥ה (nira) = verschijnt | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹר (shor), ‘stier’, is hier een ander woord dan פָּר (par), ‘jonge stier’, in Lev. 8. Wij houden beide woorden uit elkaar. Zie ook: Ex 29:43; Ex 40:34–35; Lev 9:6; Lev 9:23; Ezech 43:2 **9:5** Zij brachten wat Mozes geboden had mee tot voor de tent van samenkomst. Heel de gemeenschap kwam dichterbij en bleef staan voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיִּקְח֗וּ (vayiqchu) = en zij namen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | צִוָּ֣ה (tsiva) = had geboden | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֖י (penei) = voorkant van | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וַֽיִּקְרְבוּ֙ (vayiqrevu) = en kwamen dichtbij | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | וַיַּֽעַמְד֖וּ (vayaamdu) = en bleven staan | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:17; Deut 31:12; 1 Kron 15:3; 2 Kron 5:2–3; Neh 8:1 **9:6** Mozes zei: „Dit is wat Yahweh geboden heeft. Doe het, dan verschijnt de heerlijkheid van Yahweh aan jullie.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | זֶ֧ה (ze) = dit | הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תַּעֲשׂ֑וּ (taasu) = doe het | וְיֵרָ֥א (veyera) = en zal verschijnen | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = aan jullie | כְּב֥וֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּבוֹד יְהוָה (kevod Yahweh), ‘heerlijkheid van Yahweh’: dezelfde heerlijkheid die de tabernakel vulde (Exod. 40:34–35). Zij verschijnt aan het einde van dit hoofdstuk (vers 23). Zie ook: Ex 24:16; Ex 40:34–35; Lev 9:23; 2 Kron 5:13–14; Ezech 43:2 **9:7** Mozes zei tegen Aäron: „Kom naar het altaar. Breng je zondoffer en je brandoffer en doe verzoening voor jezelf en voor het volk. Breng ook de offergave van het volk en doe verzoening voor hen, zoals Yahweh geboden heeft.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | קְרַ֤ב (qerav) = kom dichtbij | אֶל (el) = naar | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | וַעֲשֵׂ֞ה (vaase) = en breng | אֶת (et) = (obj.) | חַטָּֽאתְךָ֙ (chatatkha) = je zondoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֹ֣לָתֶ֔ךָ (olatekha) = je brandoffer | וְכַפֵּ֥ר (vekhaper) = en doe verzoening | בַּֽעַדְךָ֖ (baadkha) = voor jou | וּבְעַ֣ד (uvead) = en voor | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַעֲשֵׂ֞ה (vaase) = en breng | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבַּ֤ן (qarban) = offergave van | הָעָם֙ (haam) = het volk | וְכַפֵּ֣ר (vekhaper) = en doe verzoening | בַּֽעֲדָ֔ם (baadam) = voor hen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:3; Heb 5:1; Heb 5:3; Heb 7:27–28; Heb 9:7 ### Het zondoffer van Aäron **9:8** Aäron kwam naar het altaar en slachtte het kalf van het zondoffer, dat voor hemzelf was. Brontekst: וַיִּקְרַ֥ב (vayiqrav) = en kwam dichtbij | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | אֶל (el) = naar | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וַיִּשְׁחַ֛ט (vayishchat) = en slachtte | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֥גֶל (egel) = kalf van | הַחַטָּ֖את (hachatat) = het zondoffer | אֲשֶׁר (asher) = dat | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:4–5; Lev 4:1–12; Lev 4:29 **9:9** Aärons zonen brachten hem het bloed. Hij doopte zijn vinger in het bloed, deed het op de hoorns van het altaar en goot het bloed uit aan de voet van het altaar. Brontekst: וַ֠יַּקְרִבוּ (vayaqrivu) = en brachten | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּם֮ (hadam) = het bloed | אֵלָיו֒ (elav) = naar hem | וַיִּטְבֹּ֤ל (vayitbol) = en doopte | אֶצְבָּעוֹ֙ (etsbao) = zijn vinger | בַּדָּ֔ם (badam) = in het bloed | וַיִּתֵּ֖ן (vayiten) = en deed | עַל (al) = op | קַרְנ֣וֹת (qarnot) = hoorns van | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדָּ֣ם (hadam) = het bloed | יָצַ֔ק (yatsaq) = goot hij uit | אֶל (el) = aan | יְס֖וֹד (yesod) = voet van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:6–7; Lev 8:15; Lev 9:18; Lev 16:18; Heb 2:10 **9:10** Het vet, de nieren en het aanhangsel van de lever van het zondoffer liet hij op het altaar in rook opgaan, zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֵ֨לֶב (hachelev) = het vet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכְּלָיֹ֜ת (hakelayot) = de nieren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיֹּתֶ֤רֶת (hayoteret) = het aanhangsel | מִן (min) = van | הַכָּבֵד֙ (hakaved) = de lever | מִן (min) = van | הַ֣חַטָּ֔את (hachatat) = het zondoffer | הִקְטִ֖יר (hiqtir) = liet hij in rook opgaan | הַמִּזְבֵּ֑חָה (hamizbecha) = op het altaar | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:9–11; Lev 4:34–35; Spr 23:26; Jes 57:15; Jes 66:2 **9:11** Het vlees en de huid verbrandde hij met vuur buiten het kamp. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבָּשָׂ֖ר (habasar) = het vlees | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָע֑וֹר (haor) = de huid | שָׂרַ֣ף (saraf) = verbrandde hij | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶֽה (lamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:11–12; Lev 4:21; Lev 8:17; Lev 16:27–28; Heb 13:11–12 ### Het brandoffer van Aäron **9:12** Hij slachtte het brandoffer. Aärons zonen gaven hem het bloed aan en hij sprenkelde het rondom op het altaar. Brontekst: וַיִּשְׁחַ֖ט (vayishchat) = en slachtte | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | וַ֠יַּמְצִאוּ (vayamtsiu) = en gaven aan | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | אֵלָיו֙ (elav) = aan hem | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | וַיִּזְרְקֵ֥הוּ (vayizreqehu) = en hij sprenkelde het | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:1–17; Lev 8:18–21; Ef 5:2; Ef 5:25–27 **9:13** Het brandoffer gaven zij hem aan, in stukken, met de kop. Hij liet het op het altaar in rook opgaan. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעֹלָ֗ה (haola) = het brandoffer | הִמְצִ֧יאוּ (himtsiu) = zij gaven aan | אֵלָ֛יו (elav) = aan hem | לִנְתָחֶ֖יהָ (lintacheiha) = in zijn stukken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָרֹ֑אשׁ (harosh) = de kop | וַיַּקְטֵ֖ר (vayaqter) = en liet in rook opgaan | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:14** Hij waste de ingewanden en de poten en liet ze op het altaar in rook opgaan, boven op het brandoffer. Brontekst: וַיִּרְחַ֥ץ (vayirchats) = en waste | אֶת (et) = (obj.) | הַקֶּ֖רֶב (haqerev) = de ingewanden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכְּרָעָ֑יִם (hakeraayim) = de poten | וַיַּקְטֵ֥ר (vayaqter) = en liet in rook opgaan | עַל (al) = op | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | הַמִּזְבֵּֽחָה (hamizbecha) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 8:21 ### De offers van het volk **9:15** Hij bracht de offergave van het volk. Hij nam de geitenbok van het zondoffer voor het volk, slachtte hem en bracht hem als zondoffer, zoals het eerste. Brontekst: וַיַּקְרֵ֕ב (vayaqrev) = en bracht | אֵ֖ת (et) = (obj.) | קָרְבַּ֣ן (qarban) = offergave van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | שְׂעִ֤יר (seir) = bok van | הַֽחַטָּאת֙ (hachatat) = het zondoffer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לָעָ֔ם (laam) = voor het volk | וַיִּשְׁחָטֵ֥הוּ (vayishchatehu) = en slachtte hem | וַֽיְחַטְּאֵ֖הוּ (vaychateehu) = en bracht hem als zondoffer | כָּרִאשֽׁוֹן (karishon) = zoals het eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְחַטְּאֵהוּ (wayechatte’ehu), letterlijk ‘en hij ontzondigde hem’: hij bracht hem als zondoffer (vergelijk Lev. 8:15). Zie ook: Lev 4:27–31; Lev 8:15; Lev 9:3; 2 Kor 5:21; Heb 2:17; Heb 5:3 **9:16** Hij bracht het brandoffer en deed het volgens het recht. Brontekst: וַיַּקְרֵ֖ב (vayaqrev) = en bracht | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָ֑ה (haola) = het brandoffer | וַֽיַּעֲשֶׂ֖הָ (vayaaseha) = en bereidde het | כַּמִּשְׁפָּֽט (kamishpat) = volgens het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּמִּשְׁפָּט (kamishpat), ‘volgens het recht’: zoals voorgeschreven. Zie Lev. 1:3–9 en Lev. 5:10. Zie ook: Lev 1:1–13; Lev 1:3–9; Lev 5:10; Lev 8:18–21; Lev 9:12–14; Heb 10:1–22 **9:17** Hij bracht het graanoffer, nam er een handvol van en liet dat op het altaar in rook opgaan, naast het brandoffer van de morgen. Brontekst: וַיַּקְרֵב֮ (vayaqrev) = en bracht | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָה֒ (hamincha) = het graanoffer | וַיְמַלֵּ֤א (vaymale) = en vulde | כַפּוֹ֙ (kapo) = zijn handpalm | מִמֶּ֔נָּה (mimena) = ervan | וַיַּקְטֵ֖ר (vayaqter) = en liet in rook opgaan | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | מִלְּבַ֖ד (milevad) = naast | עֹלַ֥ת (olat) = brandoffer van | הַבֹּֽקֶר (haboqer) = de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְמַלֵּא כַפּוֹ (wayemalle kappo), letterlijk ‘en hij vulde zijn handpalm’: hij nam een handvol (vergelijk Lev. 2:2). Voetnoot : Het brandoffer van de morgen is het dagelijkse offer (Exod. 29:38–42). Het offer van deze dag komt daarbovenop. Zie ook: Ex 29:38–42; Lev 2:1–2; Lev 2:2; Lev 3:5; Lev 9:1; Joh 6:53 **9:18** Hij slachtte de stier en de ram, het vredeoffer voor het volk. Aärons zonen gaven hem het bloed aan en hij sprenkelde het rondom op het altaar. Brontekst: וַיִּשְׁחַ֤ט (vayishchat) = en slachtte | אֶת (et) = (obj.) | הַשּׁוֹר֙ (hashor) = de stier | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַ֔יִל (haayil) = de ram | זֶ֥בַח (zevach) = slachtoffer van | הַשְּׁלָמִ֖ים (hashelamim) = het vredeoffer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לָעָ֑ם (laam) = voor het volk | וַ֠יַּמְצִאוּ (vayamtsiu) = en gaven aan | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֤ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּם֙ (hadam) = het bloed | אֵלָ֔יו (elav) = aan hem | וַיִּזְרְקֵ֥הוּ (vayizreqehu) = en hij sprenkelde het | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 7:11–18; Rom 5:1; Rom 5:10; Ef 2:14–17; Kol 1:20 **9:19** Ook het vet van de stier en van de ram gaven zij hem aan. De vette staart, het vet dat de ingewanden bedekt, de nieren en het aanhangsel van de lever. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֲלָבִ֖ים (hachalavim) = het vet | מִן (min) = van | הַשּׁ֑וֹר (hashor) = de stier | וּמִן (umin) = en van | הָאַ֔יִל (haayil) = de ram | הָֽאַלְיָ֤ה (haalya) = de vette staart | וְהַֽמְכַסֶּה֙ (vehamkhase) = en wat bedekt | וְהַכְּלָיֹ֔ת (vehakelayot) = en de nieren | וְיֹתֶ֖רֶת (veyoteret) = en aanhangsel van | הַכָּבֵֽד (hakaved) = de lever Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְכַסֶּה (hamekhasseh), ‘het bedekkende’: het vet dat de ingewanden bedekt (Lev. 3:3). Het werkwoord ‘gaven aan’ van vers 18 loopt in dit vers door. Zie ook: Lev 3:3; Lev 3:5; Lev 3:9; Lev 3:16; Lev 9:10; Lev 9:18 **9:20** Zij legden het vet op de borststukken en hij liet het vet op het altaar in rook opgaan. Brontekst: וַיָּשִׂ֥ימוּ (vayasimu) = en legden | אֶת (et) = (obj.) | הַחֲלָבִ֖ים (hachalavim) = het vet | עַל (al) = op | הֶחָז֑וֹת (hechazot) = de borststukken | וַיַּקְטֵ֥ר (vayaqter) = en liet in rook opgaan | הַחֲלָבִ֖ים (hachalavim) = het vet | הַמִּזְבֵּֽחָה (hamizbecha) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:14–17; Lev 7:29–34 **9:21** De borststukken en de rechterdij zwaaide Aäron als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh, zoals Mozes geboden had. Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הֶחָז֗וֹת (hechazot) = de borststukken | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שׁ֣וֹק (shoq) = dij van | הַיָּמִ֔ין (hayamin) = de rechterkant | הֵנִ֧יף (henif) = zwaaide | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:24; Lev 7:26; Lev 7:30–34; Luc 2:13; 1 Petr 4:11 ### Aäron zegent het volk **9:22** Aäron hief zijn handen op naar het volk en zegende hen. Daarna kwam hij naar beneden, nadat hij het zondoffer, het brandoffer en de vredeoffers had gebracht. Brontekst: וַיִּשָּׂ֨א (vayisa) = en hief op | אַהֲרֹ֧ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | יָדָ֛יו (yadav) = zijn handen | אֶל (el) = naar | הָעָ֖ם (haam) = het volk | וַֽיְבָרְכֵ֑ם (vayvarekhem) = en zegende hen | וַיֵּ֗רֶד (vayered) = en kwam naar beneden | מֵעֲשֹׂ֧ת (measot) = van het brengen van | הַֽחַטָּ֛את (hachatat) = het zondoffer | וְהָעֹלָ֖ה (vehaola) = en het brandoffer | וְהַשְּׁלָמִֽים (vehashelamim) = en de vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aäron spreekt de zegen uit over het volk; vergelijk de priesterzegen in Num. 6:22–27. Voetnoot Lezing: De tekst schrijft יָדוֹ (yado), ‘zijn hand’, maar de leestraditie heeft יָדָיו (yadaw), ‘zijn handen’. Wij vertalen ‘zijn handen’. Zie ook: Num 6:22–27; Num 6:23–27; Deut 21:5; 1 Kron 23:13; Mar 10:16; Luc 24:50 ### De heerlijkheid van Yahweh en het vuur **9:23** Mozes en Aäron gingen de tent van samenkomst binnen. Toen zij weer naar buiten kwamen, zegenden zij het volk. En de heerlijkheid van Yahweh verscheen aan heel het volk. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwamen | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | וְאַהֲרֹן֙ (veaharon) = en Aäron | אֶל (el) = in | אֹ֣הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וַיֵּ֣צְא֔וּ (vayetseu) = en kwamen naar buiten | וַֽיְבָרֲכ֖וּ (vayvarakhu) = en zegenden | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיֵּרָ֥א (vayera) = en verscheen | כְבוֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | כָּל (kal) = heel | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 9:6; Num 14:10; Num 16:19; Num 17:7; Luc 1:21–22 **9:24** Er ging vuur uit van het aangezicht van Yahweh en verteerde op het altaar het brandoffer en het vet. Heel het volk zag het, ze juichten en vielen op hun gezicht. Brontekst: וַתֵּ֤צֵא (vatetse) = en kwam uit | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = van voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַתֹּ֨אכַל֙ (vatokhal) = en verteerde | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֲלָבִ֑ים (hachalavim) = het vet | וַיַּ֤רְא (vayar) = en zag | כָּל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | וַיָּרֹ֔נּוּ (vayaronu) = en juichte | וַֽיִּפְּל֖וּ (vayipelu) = en viel | עַל (al) = op | פְּנֵיהֶֽם (peneihem) = hun gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vuur van Yahweh bevestigt het offer, zoals later bij Elia en bij Salomo (1 Kon. 18:38; 2 Kron. 7:1). In Lev. 10:2 gaat hetzelfde vuur opnieuw uit van Yahweh. Zie ook: Ex 3:2; Lev 10:2; Re 6:21; Re 13:19–20; 1 Kron 21:26; 1 Kon 18:38–39; 2 Kron 7:1 ## Leviticus 10 _Nadab en Abihu_ ### Nadab en Abihu **10:1** Nadab en Abihu, de zonen van Aäron, namen ieder zijn vuurpan, deden er vuur in en legden er wierook op. Zo brachten zij vreemd vuur voor het aangezicht van Yahweh, iets wat Hij hun niet geboden had. Brontekst: וַיִּקְח֣וּ (vayiqchu) = en namen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | אַ֠הֲרֹן (aharon) = Aäron | נָדָ֨ב (nadav) = Nadab | וַאֲבִיה֜וּא (vaavihu) = en Abihu | אִ֣ישׁ (ish) = man | מַחְתָּת֗וֹ (machtato) = zijn vuurpan | וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en deden | בָהֵן֙ (bahen) = erin | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | וַיָּשִׂ֥ימוּ (vayasimu) = en legden | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = daarop | קְטֹ֑רֶת (qetoret) = wierook | וַיַּקְרִ֜בוּ (vayaqrivu) = en brachten | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | זָרָ֔ה (zara) = vreemd | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | לֹ֦א (lo) = niet | צִוָּ֖ה (tsiva) = had geboden | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nadab en Abihu zijn de oudste zonen van Aäron (Exod. 6:23). Zij gingen met Mozes de berg op (Exod. 24:1; 24:9). Voetnoot : מַחְתָּה (machtah), ‘vuurpan’: een pan om gloeiende kolen in te dragen (vergelijk Lev. 16:12). Voetnoot : אֵשׁ זָרָה (esh zarah), ‘vreemd vuur’: vuur dat Yahweh niet geboden had. De tekst zegt niet precies wat er fout was. Vergelijk Exod. 30:9, waar vreemde wierook verboden wordt, en Num. 3:4. Voetnoot Aanvullend: Jasher 83:6 bevestigt de dood van Nadab en Abihu. Zie ook: Jas 83:6; Ex 6:23; Ex 24:1; Ex 24:9; Ex 30:9; Lev 16:12; Num 3:4; Num 17:11; Num 26:61; Deut 13:1 **10:2** Er ging vuur uit van het aangezicht van Yahweh en verteerde hen. Ze stierven voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַתֵּ֥צֵא (vatetse) = en kwam uit | אֵ֛שׁ (esh) = vuur | מִלִּפְנֵ֥י (milifnei) = van voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַתֹּ֣אכַל (vatokhal) = en verteerde | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | וַיָּמֻ֖תוּ (vayamutu) = en zij stierven | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is hetzelfde vuur dat in Lev. 9:24 het offer verteerde. Nu verteert het de priesters zelf. Zie ook: Lev 9:24; Num 3:3–4; Num 16:35; Num 26:61; 2 Sam 6:7 ### Aäron zwijgt **10:3** Mozes zei tegen Aäron: „Dit is wat Yahweh gesproken heeft: **‘Bij hen die Mij nabij zijn, zal Ik geheiligd worden. En voor het aangezicht van heel het volk zal Ik verheerlijkt worden.’**” Aäron zweeg. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | הוּא֩ (hu) = dit is het | אֲשֶׁר (asher) = wat | דִּבֶּ֨ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹר֙ (lemor) = zeggende | בִּקְרֹבַ֣י (biqrovay) = bij hen die Mij nabij zijn | אֶקָּדֵ֔שׁ (eqadesh) = zal Ik geheiligd worden | וְעַל (veal) = en voor | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | כָל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶכָּבֵ֑ד (ekaved) = zal Ik verheerlijkt worden | וַיִּדֹּ֖ם (vayidom) = en zweeg | אַהֲרֹֽן (aharon) = Aäron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּקְרֹבַי (biqrovay), ‘bij hen die Mij nabij zijn’: de priesters, die het dichtst bij Yahweh staan (vergelijk Exod. 19:22). Het woord kan ook ‘in hen die Mij naderen’ betekenen. Voetnoot : וַיִּדֹּם (wayyiddom), ‘en hij zweeg’: Aäron zegt niets terug. Zie ook: Ex 19:22; Lev 21:6; Num 20:12; 1 Sam 2:30; Jes 49:3 ### De doden worden weggedragen **10:4** Mozes riep Misjaël en Elsafan, de zonen van Uzziël, de oom van Aäron. Hij zei tegen hen: „Kom hier en draag jullie broers weg van voor het heiligdom, naar buiten het kamp.” Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | מִֽישָׁאֵל֙ (mishael) = Misjaël | וְאֶ֣ל (veel) = en tot | אֶלְצָפָ֔ן (eltsafan) = Elsafan | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עֻזִּיאֵ֖ל (uziel) = Uzziël | דֹּ֣ד (dod) = oom van | אַהֲרֹ֑ן (aharon) = Aäron | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | קִ֠רְב֞וּ (qirvu) = kom dichtbij | שְׂא֤וּ (seu) = draag weg | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֵיכֶם֙ (acheikhem) = jullie broers | מֵאֵ֣ת (meet) = van | פְּנֵי (penei) = voor het aangezicht van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | אֶל (el) = naar | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶֽה (lamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּד (dod), ‘oom’: Uzziël was een broer van Amram, de vader van Aäron (Exod. 6:18; 6:22). Voetnoot : אֲחֵיכֶם (achichem), ‘jullie broers’: hier bedoeld als verwanten. Misjaël en Elsafan zijn neven van Nadab en Abihu. Zie ook: Ex 6:18; Ex 6:22; Num 3:19; Num 3:30; Hand 5:9–10 **10:5** Ze kwamen en droegen hen in hun onderkleden naar buiten het kamp, zoals Mozes gezegd had. Brontekst: וַֽיִּקְרְב֗וּ (vayiqrevu) = en kwamen dichtbij | וַיִּשָּׂאֻם֙ (vayisaum) = en droegen hen | בְּכֻתֳּנֹתָ֔ם (bekhutonotam) = in hun onderkleden | אֶל (el) = naar | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֑ה (lamachane) = het kamp | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = had gesproken | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 8:13 **10:6** Mozes zei tegen Aäron en tegen zijn zonen Eleazar en Itamar: „Laat het haar op jullie hoofd niet loshangen en scheur jullie kleren niet. Anders sterven jullie en wordt Hij boos op de hele gemeenschap. Maar jullie broers, heel het huis van Israël, mogen wenen om de brand die Yahweh heeft laten branden. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֡ן (aharon) = Aäron | וּלְאֶלְעָזָר֩ (uleelazar) = en tot Eleazar | וּלְאִֽיתָמָ֨ר (uleitamar) = en tot Itamar | בָּנָ֜יו (banav) = zijn zonen | רָֽאשֵׁיכֶ֥ם (rasheikhem) = jullie hoofden | אַל (al) = niet | תִּפְרָ֣עוּ (tifrau) = laat loshangen | וּבִגְדֵיכֶ֤ם (uvigdeikhem) = en jullie kleren | לֹֽא (lo) = niet | תִפְרֹ֨מוּ֙ (tifromu) = scheur | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָמֻ֔תוּ (tamutu) = sterf | וְעַ֥ל (veal) = en over | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | יִקְצֹ֑ף (yiqtsof) = zal Hij toornig zijn | וַאֲחֵיכֶם֙ (vaacheikhem) = en jullie broers | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | יִבְכּוּ֙ (yivku) = zullen wenen | אֶת (et) = (obj.) | הַשְּׂרֵפָ֔ה (haserefa) = de brand | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | שָׂרַ֥ף (saraf) = heeft gebrand | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרַע (para) betekent ‘loslaten’. Letterlijk staat er: ‘jullie hoofden mogen jullie niet loslaten’. Wij vertalen: ‘laat het haar op jullie hoofd niet loshangen’. Los haar en gescheurde kleren zijn tekenen van rouw. Voor de hogepriester geldt dit verbod altijd (Lev. 21:10). Voetnoot : שְׂרֵפָה (serefah), ‘brand’: de brand die Yahweh heeft laten branden, dus het vuur van vers 2. Zie ook: Lev 10:2; Lev 13:45; Lev 21:10; Num 1:53; Num 16:22; Joz 7:1; Joz 22:18 **10:7** Ga niet weg van de ingang van de tent van samenkomst, anders sterven jullie. Want de zalfolie van Yahweh is op jullie.” Zij deden wat Mozes zei. Brontekst: וּמִפֶּתַח֩ (umipetach) = en van de ingang van | אֹ֨הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֜ד (moed) = samenkomst | לֹ֤א (lo) = niet | תֵֽצְאוּ֙ (tetseu) = gaan weg | פֶּן (pen) = opdat niet | תָּמֻ֔תוּ (tamutu) = jullie sterven | כִּי (ki) = want | שֶׁ֛מֶן (shemen) = olie van | מִשְׁחַ֥ת (mishchat) = de zalving van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = op jullie | וַֽיַּעֲשׂ֖וּ (vayaasu) = en zij deden | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = naar het woord van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De priesters zijn gezalfd (Lev. 8:12; 8:30). Daarom moeten zij bij de tent van samenkomst blijven. Zie ook: Ex 28:41; Lev 8:12; Lev 8:30; Lev 21:12; Hand 10:38; 2 Kor 1:21 ### Geen wijn voor de priesters die dienst doen **10:8** Yahweh sprak tot Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh alleen tot Aäron. **10:9** **„Wijn en sterke drank mag je niet drinken, jij en je zonen met je, wanneer jullie de tent van samenkomst binnengaan, zodat jullie niet sterven. Dit is een eeuwig voorschrift voor jullie generaties.** Brontekst: יַ֣יִן (yayin) = wijn | וְשֵׁכָ֞ר (veshekhar) = en sterke drank | אַל (al) = niet | תֵּ֣שְׁתְּ (tesht) = drink | אַתָּ֣ה (ata) = jij | וּבָנֶ֣יךָ (uvaneikha) = en je zonen | אִתָּ֗ךְ (itakh) = met je | בְּבֹאֲכֶ֛ם (bevoakhem) = wanneer jullie binnengaan | אֶל (el) = in | אֹ֥הֶל (ohel) = tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָמֻ֑תוּ (tamutu) = sterven jullie | חֻקַּ֥ת (chuqat) = voorschrift van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹתֵיכֶֽם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁכָר (shekhar), ‘sterke drank’: een bedwelmende drank. De tekst zegt niet dat Nadab en Abihu gedronken hadden. Vergelijk Ezech. 44:21. Zie ook: Jes 28:7; Ezech 44:21; Luc 1:15; Ef 5:18; 1 Tim 3:3; Tit 1:7 **10:10** **Jullie moeten onderscheid maken tussen het heilige en het gewone, en tussen het onreine en het reine,** Brontekst: וּֽלֲהַבְדִּ֔יל (ulahavdil) = en om onderscheid te maken | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַחֹ֑ל (hachol) = het gewone | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הַטָּמֵ֖א (hatame) = het onreine | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הַטָּהֽוֹר (hatahor) = het reine Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹל (chol), ‘het gewone’: wat niet heilig is. Voetnoot Lezing: De tekst heeft hier een infinitief: ‘en om onderscheid te maken’. Hij sluit aan op het verbod van vers 9. Wij vertalen het als opdracht aan de priesters. Zie ook Lev. 11:47 en Ezech. 44:23. Zie ook: Lev 10:9; Lev 11:47; Ezech 22:26; Ezech 44:23; Tit 1:15; 1 Petr 1:14–16 **10:11** **en de zonen van Israël onderwijzen in alle voorschriften die Yahweh door Mozes tot hen gesproken heeft.”** Brontekst: וּלְהוֹרֹ֖ת (ulehorot) = en om te onderwijzen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַ֣חֻקִּ֔ים (hachuqim) = de voorschriften | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | דִּבֶּ֧ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹרָה (horah), ‘onderwijzen’, komt van hetzelfde grondwoord als תּוֹרָה (torah), ‘wet’ (zie Lev. 11:46). Zie ook: Lev 11:46; Deut 24:8; Neh 8:2; Neh 8:8; Mal 2:7; Mat 28:20 ### De overgebleven offers **10:12** Mozes sprak tot Aäron en tot Eleazar en Itamar, zijn zonen die waren overgebleven: „Neem het graanoffer dat overblijft van de vuuroffers van Yahweh. En eet het ongezuurd naast het altaar. Want het is hoogheilig. Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | וְאֶ֣ל (veel) = en tot | אֶ֠לְעָזָר (elazar) = Eleazar | וְאֶל (veel) = en tot | אִ֨יתָמָ֥ר (itamar) = Itamar | בָּנָיו֮ (banav) = zijn zonen | הַנּֽוֹתָרִים֒ (hanotarim) = de overgeblevenen | קְח֣וּ (qechu) = neem | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָ֗ה (hamincha) = het graanoffer | הַנּוֹתֶ֨רֶת֙ (hanoteret) = dat overblijft | מֵאִשֵּׁ֣י (meishei) = van de vuuroffers van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאִכְל֥וּהָ (veikhluha) = en eet het | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurd | אֵ֣צֶל (etsel) = naast | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | כִּ֛י (ki) = want | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilige van | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = heiligen | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De regels voor het graanoffer staan in Lev. 6:7–11; het deel dat overblijft is voor de priesters en wordt ongezuurd gegeten op een heilige plaats (Lev. 6:9). Zie ook: Ex 29:2; Lev 2:1–16; Lev 6:7–11; Lev 6:9; Lev 21:22; Num 18:9–10; Ezech 44:29 **10:13** Eet het op een heilige plaats, want het is jouw deel en het deel van je zonen, van de vuuroffers van Yahweh. Zo is mij geboden. Brontekst: וַאֲכַלְתֶּ֤ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | אֹתָהּ֙ (otah) = het | בְּמָק֣וֹם (bemaqom) = op een plaats | קָדֹ֔שׁ (qadosh) = heilig | כִּ֣י (ki) = want | חָקְךָ֤ (chaqekha) = jouw deel | וְחָק (vechaq) = en deel van | בָּנֶ֨יךָ֙ (baneikha) = je zonen | הִ֔וא (hi) = het is | מֵאִשֵּׁ֖י (meishei) = van de vuuroffers van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּי (ki) = want | כֵ֖ן (ken) = zo | צֻוֵּֽיתִי (tsuveiti) = mij is geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹק (choq), ‘deel’: wat iemand toekomt. Dit is een verwant woord van חֻקָּה (chuqqah), ‘voorschrift’ (vers 9). In vers 13–15 vertalen wij het met ‘deel’. Zie ook: Lev 2:3; Lev 6:9; Lev 10:9; Num 18:10 **10:14** De borst van het beweegoffer en de dij van de heffing moeten jullie eten op een reine plaats: jij, je zonen en je dochters met je. Want als jouw deel en het deel van je zonen zijn ze gegeven uit de vredeoffers van de zonen van Israël. Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | חֲזֵ֨ה (chaze) = borst van | הַתְּנוּפָ֜ה (hatenufa) = het beweegoffer | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שׁ֣וֹק (shoq) = dij van | הַתְּרוּמָ֗ה (hateruma) = de heffing | תֹּֽאכְלוּ֙ (tokhlu) = jullie zullen eten | בְּמָק֣וֹם (bemaqom) = op een plaats | טָה֔וֹר (tahor) = rein | אַתָּ֕ה (ata) = jij | וּבָנֶ֥יךָ (uvaneikha) = en je zonen | וּבְנֹתֶ֖יךָ (uvenoteikha) = en je dochters | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met je | כִּֽי (ki) = want | חָקְךָ֤ (chaqekha) = jouw deel | וְחָק (vechaq) = en deel van | בָּנֶ֨יךָ֙ (baneikha) = je zonen | נִתְּנ֔וּ (nitenu) = zijn gegeven | מִזִּבְחֵ֥י (mizivchei) = slachtoffers van | שַׁלְמֵ֖י (shalmei) = vredeoffers van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor de borst en de dij van het vredeoffer, zie Lev. 7:30–34. Zie ook: Ex 29:24–28; Lev 7:29–34; Lev 7:30–34; Lev 9:21; Num 18:11; Joh 4:34 **10:15** De dij van de heffing en de borst van het beweegoffer moeten zij samen met de vuuroffers van het vet brengen. Om ze als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh te zwaaien. Dan zijn ze voor jou en voor je zonen met je, als eeuwig deel, zoals Yahweh geboden heeft.” Brontekst: שׁ֣וֹק (shoq) = dij van | הַתְּרוּמָ֞ה (hateruma) = de heffing | וַחֲזֵ֣ה (vachaze) = en borst van | הַתְּנוּפָ֗ה (hatenufa) = het beweegoffer | עַ֣ל (al) = bij | אִשֵּׁ֤י (ishei) = vuuroffers van | הַחֲלָבִים֙ (hachalavim) = het vet | יָבִ֔יאוּ (yaviu) = zij zullen brengen | לְהָנִ֥יף (lehanif) = om te zwaaien | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | לְךָ֜ (lekha) = voor jou | וּלְבָנֶ֤יךָ (ulevaneikha) = en voor je zonen | אִתְּךָ֙ (itekha) = met je | לְחָק (lechaq) = tot een deel van | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwigheid | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 13:15; Gen 17:8; Gen 17:13; Lev 7:29–30; Lev 7:34 ### Het zondoffer dat verbrand werd **10:16** Mozes zocht ijverig naar de geitenbok van het zondoffer, en zie: hij was verbrand! Hij werd boos op Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die waren overgebleven, en zei: Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שְׂעִ֣יר (seir) = bok van | הַֽחַטָּ֗את (hachatat) = het zondoffer | דָּרֹ֥שׁ (darosh) = zocht | דָּרַ֛שׁ (darash) = zocht | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | שֹׂרָ֑ף (soraf) = verbrand | וַ֠יִּקְצֹף (vayiqtsof) = en werd toornig | עַל (al) = op | אֶלְעָזָ֤ר (elazar) = Eleazar | וְעַל (veal) = en op | אִֽיתָמָר֙ (itamar) = Itamar | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | הַנּוֹתָרִ֖ם (hanotarim) = de overgeblevenen | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂעִיר הַחַטָּאת (se’ir hachatat), ‘geitenbok van het zondoffer’: het zondoffer van het volk (Lev. 9:15). Voetnoot : דָּרֹשׁ דָּרַשׁ (daroshe darash), ‘hij zocht en zocht’: Mozes zocht ijverig. Zie ook: Ex 32:19–22; Lev 9:3; Lev 9:15; Num 12:3; Mat 5:22 **10:17** „Waarom hebben jullie het zondoffer niet gegeten op de heilige plaats? Want het is hoogheilig. Hij heeft het jullie gegeven om de schuld van de gemeenschap te dragen en om voor hen verzoening te doen voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: מַדּ֗וּעַ (madua) = waarom | לֹֽא (lo) = niet | אֲכַלְתֶּ֤ם (akhaltem) = hebben jullie gegeten | אֶת (et) = (obj.) | הַֽחַטָּאת֙ (hachatat) = het zondoffer | בִּמְק֣וֹם (bimqom) = op de plaats van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | כִּ֛י (ki) = want | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilige van | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = heiligen | הִ֑וא (hi) = het is | וְאֹתָ֣הּ (veotah) = en het | נָתַ֣ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֗ם (lakhem) = aan jullie | לָשֵׂאת֙ (laset) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | הָעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | לְכַפֵּ֥ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = voor hen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De priesters dragen de schuld van de gemeenschap door het vlees van het zondoffer te eten (vergelijk Lev. 6:19). Zie ook: Ex 28:38; Lev 6:17–23; Lev 6:19; Lev 7:6–7; Num 18:1; Ezech 18:19–20 **10:18** Zie, het bloed ervan is niet naar binnen gebracht, in het heiligdom. Jullie hadden het beslist moeten eten in het heiligdom, zoals ik geboden heb.” Brontekst: הֵ֚ן (hen) = zie | לֹא (lo) = niet | הוּבָ֣א (huva) = is gebracht | אֶת (et) = (obj.) | דָּמָ֔הּ (damah) = zijn bloed | אֶל (el) = naar | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | פְּנִ֑ימָה (penima) = naar binnen | אָכ֨וֹל (akhol) = eten | תֹּאכְל֥וּ (tokhlu) = zullen jullie eten | אֹתָ֛הּ (otah) = het | בַּקֹּ֖דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוֵּֽיתִי (tsiveiti) = ik heb geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wordt het bloed van een zondoffer in de tent van samenkomst gebracht, dan moet het vlees verbrand worden (Lev. 6:23). Anders moeten de priesters het eten (Lev. 6:19). Hier was het bloed niet naar binnen gebracht. Voetnoot Lezing: צִוֵּיתִי (tsiwwiti), ‘ik heb geboden’: Mozes geeft het gebod van Yahweh door in zijn eigen naam. Zie de voetnoot bij Lev. 8:31. Zie ook: Lev 6:19; Lev 6:23; Lev 8:31 **10:19** Aäron sprak tot Mozes: „Zie, vandaag hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht van Yahweh gebracht, en toch is mij zoiets overkomen. Als ik vandaag een zondoffer had gegeten, zou het dan goed zijn in de ogen van Yahweh?” Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en sprak | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | הֵ֣ן (hen) = zie | הַ֠יּוֹם (hayom) = vandaag | הִקְרִ֨יבוּ (hiqrivu) = hebben gebracht | אֶת (et) = (obj.) | חַטָּאתָ֤ם (chatatam) = hun zondoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֹֽלָתָם֙ (olatam) = hun brandoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַתִּקְרֶ֥אנָה (vatiqrena) = en zijn overkomen | אֹתִ֖י (oti) = mij | כָּאֵ֑לֶּה (kaele) = zoals deze | וְאָכַ֤לְתִּי (veakhalti) = en had ik gegeten | חַטָּאת֙ (chatat) = zondoffer | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | הַיִּיטַ֖ב (hayitav) = zou het goed zijn | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zij’ (הִקְרִיבוּ, hiqrivu) is niet nader aangeduid: waarschijnlijk Aärons overgebleven zonen. Met ‘zoiets’ bedoelt Aäron de dood van zijn zonen (vers 1–2). Zie ook: Lev 9:8; Lev 9:12; Lev 10:1–2; Jes 1:15; Jer 6:20; Mal 1:13 **10:20** Mozes hoorde het, en het was goed in zijn ogen. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hoorde | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | וַיִּיטַ֖ב (vayitav) = en het was goed | בְּעֵינָֽיו (beeinav) = in zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 30:18–20; Zach 7:8–9; Mat 12:3–7; Mat 12:20 ## Leviticus 11 _Reine en onreine dieren_ ### Yahweh spreekt tot Mozes en Aäron **11:1** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron en zei tot hen: Brontekst: וַיְדַבֵּ֧ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹ֥ר (lemor) = zeggende | אֲלֵהֶֽם (alehem) = tot hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De landdieren **11:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Dit zijn de dieren die jullie mogen eten van alle landdieren op de aarde.** Brontekst: דַּבְּר֛וּ (daberu) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | זֹ֤את (zot) = dit is | הַֽחַיָּה֙ (hachaya) = het dier | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תֹּאכְל֔וּ (tokhlu) = jullie mogen eten | מִכָּל (mikal) = van alle | הַבְּהֵמָ֖ה (habehema) = het landdier | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּהֵמָה (behemah), ‘landdier’: een viervoetig dier van het land, gedomesticeerd of wild. In Gen. 1:24 vertalen wij hetzelfde woord met ‘vee’; hier gaat het ook om wilde dieren zoals de kameel en de klipdas. חַיָּה (chayyah), ‘dier’: een levend wezen. Voetnoot : De indeling in rein en onrein bestond al voor de zondvloed (Gen. 7:2). Een parallel van dit hoofdstuk staat in Deut. 14:3–21. Zie ook: Gen 1:24; Gen 7:2; Lev 11:11; Deut 14:3–21; Dan 1:8; Mat 15:11; Mar 7:15–19; Heb 9:10 **11:3** **Elk landdier dat gespleten hoeven heeft, hoeven die geheel gespleten zijn, en dat herkauwt: dat mogen jullie eten.** Brontekst: כֹּ֣ל (kol) = alles | מַפְרֶ֣סֶת (mafreset) = dat splijt | פַּרְסָ֗ה (parsa) = een hoef | וְשֹׁסַ֤עַת (veshosaat) = en dat splitst | שֶׁ֨סַע֙ (shesa) = een spleet | פְּרָסֹ֔ת (perasot) = van hoeven | מַעֲלַ֥ת (maalat) = dat opbrengt | גֵּרָ֖ה (gera) = herkauwing | בַּבְּהֵמָ֑ה (babehema) = onder het landdier | אֹתָ֖הּ (otah) = het | תֹּאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie mogen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּרְסָה (parsah), ‘hoef’. Een dier mag gegeten worden als het twee kenmerken heeft: een geheel gespleten hoef en herkauwen (מַעֲלַת גֵּרָה, ma’alat gerah, letterlijk ‘het opbrengen van het herkauwde’). Zie ook: Deut 16:3–8; Spr 2:10; Spr 9:6; Hand 17:11; 2 Kor 6:17 **11:4** **Maar van de dieren die herkauwen of een gespleten hoef hebben, mogen jullie deze niet eten: de kameel. Want hij herkauwt wel, maar zijn hoef is niet gespleten. Hij is onrein voor jullie.** Brontekst: אַ֤ךְ (akh) = maar | אֶת (et) = (obj.) | זֶה֙ (ze) = dit | לֹ֣א (lo) = niet | תֹֽאכְל֔וּ (tokhlu) = jullie mogen eten | מִֽמַּעֲלֵי֙ (mimaalei) = van hen die opbrengen | הַגֵּרָ֔ה (hagera) = de herkauwing | וּמִמַּפְרִיסֵ֖י (umimafrisei) = en van hen die splijten | הַפַּרְסָ֑ה (haparsa) = de hoef | אֶֽת (et) = (obj.) | הַ֠גָּמָל (hagamal) = de kameel | כִּֽי (ki) = want | מַעֲלֵ֨ה (maale) = die opbrengt | גֵרָ֜ה (gera) = herkauwing | ה֗וּא (hu) = hij | וּפַרְסָה֙ (ufarsa) = en hoef | אֵינֶ֣נּוּ (einenu) = niet is hij | מַפְרִ֔יס (mafris) = die splijt | טָמֵ֥א (tame) = onrein | ה֖וּא (hu) = hij is | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּמָל (gamal), ‘kameel’. Het dier heeft slechts één van de twee kenmerken. Zo ook de dieren in vers 5–7. Zie ook: Lev 11:5–7 **11:5** **Ook de klipdas, want hij herkauwt wel, maar zijn hoef is niet gespleten; hij is onrein voor jullie.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשָּׁפָ֗ן (hashafan) = de klipdas | כִּֽי (ki) = want | מַעֲלֵ֤ה (maale) = die opbrengt | גֵרָה֙ (gera) = herkauwing | ה֔וּא (hu) = hij | וּפַרְסָ֖ה (ufarsa) = en hoef | לֹ֣א (lo) = niet | יַפְרִ֑יס (yafris) = hij splijt | טָמֵ֥א (tame) = onrein | ה֖וּא (hu) = hij is | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁפָן (shafan), ‘klipdas’: een klein dier dat in rotsen leeft (Ps. 104:18; Spr. 30:26). Deze weergave is gangbaar maar niet helemaal zeker. Zie ook: Ps 104:18; Spr 30:26; Mat 7:26; Fil 3:18–19; Tit 1:16 **11:6** **Ook de haas, want hij herkauwt wel, maar zijn hoef is niet gespleten; hij is onrein voor jullie.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַרְנֶ֗בֶת (haarnevet) = de haas | כִּֽי (ki) = want | מַעֲלַ֤ת (maalat) = die opbrengt | גֵּרָה֙ (gera) = herkauwing | הִ֔וא (hi) = hij | וּפַרְסָ֖ה (ufarsa) = en hoef | לֹ֣א (lo) = niet | הִפְרִ֑יסָה (hifrisa) = hij splijt | טְמֵאָ֥ה (temea) = onrein | הִ֖וא (hi) = zij is | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְנֶבֶת (arnevet), ‘haas’. Dit kan ook een konijn of een ander dier zijn; de weergave is gangbaar maar niet helemaal zeker. Zie ook: Deut 14:7 **11:7** **Ook het varken, want het heeft wel een gespleten hoef, een geheel gespleten hoef, maar het herkauwt niet; het is onrein voor jullie.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֠חֲזִיר (hachazir) = het varken | כִּֽי (ki) = want | מַפְרִ֨יס (mafris) = dat splijt | פַּרְסָ֜ה (parsa) = een hoef | ה֗וּא (hu) = het | וְשֹׁסַ֥ע (veshosa) = en dat splitst | שֶׁ֨סַע֙ (shesa) = een spleet | פַּרְסָ֔ה (parsa) = hoef | וְה֖וּא (vehu) = en het | גֵּרָ֣ה (gera) = herkauwing | לֹֽא (lo) = niet | יִגָּ֑ר (yigar) = het herkauwt | טָמֵ֥א (tame) = onrein | ה֖וּא (hu) = het is | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲזִיר (chazir), ‘varken’. Het varken heeft wel een gespleten hoef maar herkauwt niet. Zie ook: Deut 14:8; Jes 65:4; Jes 66:3; Jes 66:17; Luc 8:33 **11:8** **Van hun vlees mogen jullie niet eten en hun kadaver mogen jullie niet aanraken; ze zijn onrein voor jullie.** Brontekst: מִבְּשָׂרָם֙ (mibesaram) = van hun vlees | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵ֔לוּ (tokhelu) = jullie zullen eten | וּבְנִבְלָתָ֖ם (uvenivlatam) = en hun kadaver | לֹ֣א (lo) = niet | תִגָּ֑עוּ (tigau) = jullie zullen aanraken | טְמֵאִ֥ים (temeim) = onrein | הֵ֖ם (hem) = zij zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’: een dood dier dat niet geslacht is. Zie ook Lev. 17:15. Zie ook: Lev 5:2; Lev 17:15; Hos 9:3; Jes 52:11; Kol 2:16; Heb 9:10 ### De dieren in het water **11:9** **Dit mogen jullie eten van alles wat in het water is: alles wat vinnen en schubben heeft, in het water, in de zeeën en in de beken. Dat mogen jullie eten.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | זֶה֙ (ze) = dit | תֹּֽאכְל֔וּ (tokhlu) = jullie mogen eten | מִכֹּ֖ל (mikol) = van alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = in het water | כֹּ֣ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לוֹ֩ (lo) = heeft | סְנַפִּ֨יר (senapir) = vin | וְקַשְׂקֶ֜שֶׂת (veqasqeset) = en schub | בַּמַּ֗יִם (bamayim) = in het water | בַּיַּמִּ֛ים (bayamim) = in de zeeën | וּבַנְּחָלִ֖ים (uvanechalim) = en in de beken | אֹתָ֥ם (otam) = die | תֹּאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie mogen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַמִּים (yammim), ‘zeeën’, en נְחָלִים (nechalim), ‘beken’: het gaat om alle wateren, zowel zout als zoet. Zie ook: Deut 14:9–10; Hand 20:21; Jak 2:18; Gal 5:6; 1 Joh 5:2–5 **11:10** **Maar alles wat in de zeeën en in de beken geen vinnen en schubben heeft. Van alle wemelende dieren van het water en van alle levende wezens in het water. Die zijn afschuwelijk voor jullie.** Brontekst: וְכֹל֩ (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | אֵֽין (ein) = niet is | ל֜וֹ (lo) = aan hem | סְנַפִּ֣יר (senapir) = vin | וְקַשְׂקֶ֗שֶׂת (veqasqeset) = en schub | בַּיַּמִּים֙ (bayamim) = in de zeeën | וּבַנְּחָלִ֔ים (uvanechalim) = en in de beken | מִכֹּל֙ (mikol) = van alle | שֶׁ֣רֶץ (sherets) = wemelend dier van | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | וּמִכֹּ֛ל (umikol) = en van alle | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = wezen van | הַחַיָּ֖ה (hachaya) = het levende | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = in het water | שֶׁ֥קֶץ (sheqets) = afschuwelijk | הֵ֖ם (hem) = zij zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁקֶץ (sheqets), ‘afschuwelijk’: wat men verafschuwt. Het woord is sterker dan ‘onrein’. Wij vertalen het werkwoord שִׁקֵּץ (shiqqets) met ‘verafschuwen’. Voetnoot : שֶׁרֶץ (sheretz), ‘wemelend dier’: kleine dieren die in grote aantallen wemelen. Het woord hoort bij het werkwoord שָׁרַץ (sharats), ‘wemelen’ (Gen. 1:20). Zie ook: Gen 1:20; Lev 7:18; Deut 14:3; Ps 139:21–22; Spr 13:20; Spr 29:27 **11:11** **Ze moeten afschuwelijk voor jullie zijn: van hun vlees mogen jullie niet eten, en hun kadaver moeten jullie verafschuwen.** Brontekst: וְשֶׁ֖קֶץ (vesheqets) = en afschuwelijk | יִהְי֣וּ (yihyu) = zij zullen zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | מִבְּשָׂרָם֙ (mibesaram) = van hun vlees | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵ֔לוּ (tokhelu) = jullie zullen eten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נִבְלָתָ֖ם (nivlatam) = hun kadaver | תְּשַׁקֵּֽצוּ (teshaqetsu) = jullie zullen verafschuwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:12** **Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is afschuwelijk voor jullie.** Brontekst: כֹּ֣ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אֵֽין (ein) = niet is | ל֛וֹ (lo) = aan hem | סְנַפִּ֥יר (senapir) = vin | וְקַשְׂקֶ֖שֶׂת (veqasqeset) = en schub | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = in het water | שֶׁ֥קֶץ (sheqets) = afschuwelijk | ה֖וּא (hu) = het is | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De vogels **11:13** **Dit zijn de vogels die jullie moeten verafschuwen. Ze mogen niet gegeten worden, ze zijn afschuwelijk: de arend, de lammergier en de zwarte gier,** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = deze | תְּשַׁקְּצ֣וּ (teshaqetsu) = jullie zullen verafschuwen | מִן (min) = van | הָע֔וֹף (haof) = de vogels | לֹ֥א (lo) = niet | יֵאָכְל֖וּ (yeakhelu) = zij mogen gegeten worden | שֶׁ֣קֶץ (sheqets) = afschuwelijk | הֵ֑ם (hem) = zij zijn | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֨שֶׁר֙ (hanesher) = de arend | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַפֶּ֔רֶס (haperes) = de lammergier | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | הָעָזְנִיָּֽה (haazeniya) = de zwarte gier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de vogels in vers 13–19 zijn deels onzeker. Wij gebruiken de gangbare weergave. Voetnoot : נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’; פֶּרֶס (peres), ‘lammergier’; עָזְנִיָּה (ozniyyah), ‘zwarte gier’. Bij nesher wordt ook ‘gier’ voorgesteld. Een parallel staat in Deut. 14:12–18. Zie ook: Job 28:7; Deut 14:12–18; Jer 4:13; Klaagl 4:19; Rom 1:28–32; Tit 3:3 **11:14** **de wouw en de valk naar zijn soort,** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֨דָּאָ֔ה (hadaa) = de wouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַיָּ֖ה (haaya) = de valk | לְמִינָֽהּ (leminah) = naar haar soort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּאָה (da’ah), ‘wouw’; אַיָּה (ayyah), ‘valk’. In Deut. 14:13 staat רָאָה (ra’ah) in plaats van דָּאָה. Dat is waarschijnlijk dezelfde vogel. Zie ook: Deut 14:13 **11:15** **elke raaf naar zijn soort,** Brontekst: אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | עֹרֵ֖ב (orev) = raaf | לְמִינֽוֹ (lemino) = naar zijn soort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:7; Spr 30:17; 1 Kon 17:4; 1 Kon 17:6; Luc 12:24 **11:16** **de struisvogel, de nachtzwaluw, de meeuw en de havik naar zijn soort,** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | בַּ֣ת (bat) = dochter van | הַֽיַּעֲנָ֔ה (hayaana) = de struis | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתַּחְמָ֖ס (hatachmas) = de nachtzwaluw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשָּׁ֑חַף (hashachaf) = de meeuw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנֵּ֖ץ (hanets) = de havik | לְמִינֵֽהוּ (leminehu) = naar zijn soort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּת הַיַּעֲנָה (bat hayya’anah), letterlijk ‘dochter van de struis’: de struisvogel. תַּחְמָס (tachmas), ‘nachtzwaluw’; שַׁחַף (shachaf), ‘meeuw’; נֵץ (nets), ‘havik’. Alle vier zijn onzeker. Zie ook: Jes 34:11–15; 1 Tess 5:5–7; Ef 2:2–3; Fil 3:18–19; Openb 18:2 **11:17** **het steenuiltje, de aalscholver en de ooruil,** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכּ֥וֹס (hakos) = het steenuiltje | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשָּׁלָ֖ךְ (hashalakh) = de aalscholver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיַּנְשֽׁוּף (hayanshuf) = de ooruil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כּוֹס (kos), ‘steenuiltje’; שָׁלָךְ (shalakh), ‘aalscholver’; יַנְשׁוּף (yanshuf), ‘ooruil’. De weergave van deze drie is onzeker. **11:18** **de purperkoet, de pelikaan en de aasgier,** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתִּנְשֶׁ֥מֶת (hatinshemet) = de purperkoet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַקָּאָ֖ת (haqaat) = de pelikaan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָרָחָֽם (haracham) = de aasgier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּנְשֶׁמֶת (tinshemet), ‘purperkoet’; קָאָת (qa’at), ‘pelikaan’; רָחָם (racham), ‘aasgier’. De weergave van deze drie is onzeker. Voor תִּנְשֶׁמֶת wordt ook ‘uil’ voorgesteld. Hetzelfde woord staat in vers 30 voor een kruipend dier. Zie ook: Lev 11:30 **11:19** **de ooievaar, de reiger naar zijn soort, de hop en de vleermuis.** Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הַחֲסִידָ֔ה (hachasida) = de ooievaar | הָאֲנָפָ֖ה (haanafa) = de reiger | לְמִינָ֑הּ (leminah) = naar haar soort | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדּוּכִיפַ֖ת (hadukhifat) = de hop | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעֲטַלֵּֽף (haatalef) = de vleermuis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲסִידָה (chasidah), ‘ooievaar’; אֲנָפָה (anafah), ‘reiger’; דּוּכִיפַת (dukhifat), ‘hop’; עֲטַלֵּף (atallef), ‘vleermuis’. De vleermuis wordt in de Hebreeuwse tekst tot de vogels gerekend: alle gevleugelde dieren staan in één groep. ### De gevleugelde wemelende dieren **11:20** **Alle gevleugelde wemelende dieren die op vier poten gaan, zijn afschuwelijk voor jullie.** Brontekst: כֹּ֚ל (kol) = alle | שֶׁ֣רֶץ (sherets) = wemelend dier van | הָע֔וֹף (haof) = het gevleugelde | הַהֹלֵ֖ךְ (haholekh) = dat gaat | עַל (al) = op | אַרְבַּ֑ע (arba) = vier | שֶׁ֥קֶץ (sheqets) = afschuwelijk | ה֖וּא (hu) = het is | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁרֶץ הָעוֹף (sheretz ha’of), ‘gevleugelde wemelende dieren’: kleine gevleugelde dieren zoals insecten. Vers 21–23 spreken over sprinkhanen. Zie ook: Lev 11:21–23; Lev 11:27; Deut 14:19; Mat 6:24; Jud 1:10; Jud 1:19 **11:21** **Maar dit mogen jullie eten van alle gevleugelde wemelende dieren die op vier poten gaan. De dieren die boven hun poten sprongpoten hebben, om daarmee over de grond te springen.** Brontekst: אַ֤ךְ (akh) = maar | אֶת (et) = (obj.) | זֶה֙ (ze) = dit | תֹּֽאכְל֔וּ (tokhlu) = jullie mogen eten | מִכֹּל֙ (mikol) = van alle | שֶׁ֣רֶץ (sherets) = wemelend dier van | הָע֔וֹף (haof) = het gevleugelde | הַהֹלֵ֖ךְ (haholekh) = dat gaat | עַל (al) = op | אַרְבַּ֑ע (arba) = vier | אֲשֶׁר (asher) = dat | ל֤וֹ (lo) = aan hem | כְרָעַ֨יִם֙ (keraayim) = sprongpoten | מִמַּ֣עַל (mimaal) = boven | לְרַגְלָ֔יו (leraglav) = zijn poten | לְנַתֵּ֥ר (lenater) = om te springen | בָּהֵ֖ן (bahen) = daarmee | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּרָעַיִם (kera’ayim), ‘sprongpoten’: de lange achterpoten van een sprinkhaan. Voetnoot Lezing: De medeklinkertekst heeft לֹא (lo), ‘niet’: ‘die geen sprongpoten hebben’. De leestraditie heeft לוֹ (lo), ‘aan hem’: ‘die sprongpoten hebben’. Alleen de tweede lezing past bij vers 22. Wij vertalen ‘die … hebben’. Zie ook: Lev 11:22 **11:22** **Hiervan mogen jullie eten: de sprinkhaan naar zijn soort, de woestijnsprinkhaan naar zijn soort, de krekel naar zijn soort en de veldsprinkhaan naar zijn soort.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | אֵ֤לֶּה (ele) = deze | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | תֹּאכֵ֔לוּ (tokhelu) = jullie mogen eten | אֶת (et) = (obj.) | הָֽאַרְבֶּ֣ה (haarbe) = de sprinkhaan | לְמִינ֔וֹ (lemino) = naar zijn soort | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַסָּלְעָ֖ם (hasaleam) = de woestijnsprinkhaan | לְמִינֵ֑הוּ (leminehu) = naar zijn soort | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחַרְגֹּ֣ל (hachargol) = de krekel | לְמִינֵ֔הוּ (leminehu) = naar zijn soort | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הֶחָגָ֖ב (hechagav) = de veldsprinkhaan | לְמִינֵֽהוּ (leminehu) = naar zijn soort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’ (Exod. 10:4); סָלְעָם (sol’am), ‘woestijnsprinkhaan’; חַרְגֹּל (chargol), ‘krekel’; חָגָב (chagav), ‘veldsprinkhaan’. Hoe de vier soorten precies te onderscheiden zijn, is onzeker. Sprinkhanen waren ook later voedsel (Matt. 3:4). Zie ook: Ex 10:4–5; Jes 35:3; Mat 3:4; Mar 1:6; Rom 14:1 **11:23** **En alle gevleugelde wemelende dieren die vier poten hebben, zijn afschuwelijk voor jullie.** Brontekst: וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | שֶׁ֣רֶץ (sherets) = wemelend dier van | הָע֔וֹף (haof) = het gevleugelde | אֲשֶׁר (asher) = dat | ל֖וֹ (lo) = aan hem | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | רַגְלָ֑יִם (raglayim) = poten | שֶׁ֥קֶץ (sheqets) = afschuwelijk | ה֖וּא (hu) = het is | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers herhaalt vers 20. De uitzondering in vers 21–22 blijft gelden. Zie ook: Lev 11:20; Lev 11:21–22 ### Onreinheid door een kadaver **11:24** **Door deze dieren worden jullie onrein: ieder die hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond.** Brontekst: וּלְאֵ֖לֶּה (uleele) = en door deze | תִּטַּמָּ֑אוּ (titamau) = zullen jullie onrein worden | כָּל (kal) = ieder | הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = die aanraakt | בְּנִבְלָתָ֖ם (benivlatam) = hun kadaver | יִטְמָ֥א (yitma) = hij zal onrein zijn | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gaat om de dieren die in vers 4–8 en 26–27 onrein genoemd zijn. De onreinheid duurt tot de avond (zie ook vers 25, 28 en 31). Zie ook: Lev 11:4–8; Lev 11:8; Lev 11:25; Lev 11:26; Lev 11:28; Lev 11:31; 1 Kor 15:33; Ef 5:11; Kol 2:20; 1 Joh 1:7 **11:25** **Ieder die iets van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en ieder | הַנֹּשֵׂ֖א (hanose) = die draagt | מִנִּבְלָתָ֑ם (minivlatam) = van hun kadaver | יְכַבֵּ֥ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֖יו (begadav) = zijn kleren | וְטָמֵ֥א (vetame) = en onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:40; Lev 14:8; Lev 15:5; Lev 16:28; Num 31:24 **11:26** **Elk landdier dat de hoef wel splijt, maar niet geheel gespleten heeft, en dat niet herkauwt, is onrein voor jullie. Ieder die ze aanraakt, is onrein.** Brontekst: לְֽכָל (lekhal) = voor elk | הַבְּהֵמָ֡ה (habehema) = landdier | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הִוא֩ (hi) = het is | מַפְרֶ֨סֶת (mafreset) = dat splijt | פַּרְסָ֜ה (parsa) = een hoef | וְשֶׁ֣סַע (veshesa) = en een spleet | אֵינֶ֣נָּה (einena) = niet is het | שֹׁסַ֗עַת (shosaat) = gespleten | וְגֵרָה֙ (vegera) = en herkauwing | אֵינֶ֣נָּה (einena) = niet is het | מַעֲלָ֔ה (maala) = dat opbrengt | טְמֵאִ֥ים (temeim) = onrein | הֵ֖ם (hem) = zij zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = ieder | הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = die aanraakt | בָּהֶ֖ם (bahem) = hen | יִטְמָֽא (yitma) = hij zal onrein zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:27** **Alles wat op zijn zolen loopt, onder alle dieren die op vier poten gaan, is onrein voor jullie. Ieder die hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond.** Brontekst: וְכֹ֣ל (vekhol) = en alles | הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = wat gaat | עַל (al) = op | כַּפָּ֗יו (kapav) = zijn zolen | בְּכָל (bekhal) = onder alle | הַֽחַיָּה֙ (hachaya) = het dier | הַהֹלֶ֣כֶת (haholekhet) = dat gaat | עַל (al) = op | אַרְבַּ֔ע (arba) = vier | טְמֵאִ֥ים (temeim) = onrein | הֵ֖ם (hem) = zij zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = ieder | הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = die aanraakt | בְּנִבְלָתָ֖ם (benivlatam) = hun kadaver | יִטְמָ֥א (yitma) = hij zal onrein zijn | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּפַּיִם (kappayim), letterlijk ‘handpalmen’: dieren die op zolen lopen en geen hoeven hebben. Het is onzeker welke dieren bedoeld zijn. Zie ook: Lev 11:20; Lev 11:23 **11:28** **Wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. Ze zijn onrein voor jullie.** Brontekst: וְהַנֹּשֵׂא֙ (vehanose) = en wie draagt | אֶת (et) = (obj.) | נִבְלָתָ֔ם (nivlatam) = hun kadaver | יְכַבֵּ֥ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֖יו (begadav) = zijn kleren | וְטָמֵ֣א (vetame) = en onrein | עַד (ad) = tot | הָעָ֑רֶב (haarev) = de avond | טְמֵאִ֥ים (temeim) = onrein | הֵ֖מָּה (hema) = zij zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:24–25 ### De wemelende dieren op de grond **11:29** **Dit is voor jullie onrein onder de wemelende dieren die op de grond wemelen: de wezel, de muis en de grote hagedis naar zijn soort,** Brontekst: וְזֶ֤ה (veze) = en dit | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | הַטָּמֵ֔א (hatame) = het onreine | בַּשֶּׁ֖רֶץ (basherets) = onder de wemelende dieren | הַשֹּׁרֵ֣ץ (hashorets) = die wemelen | עַל (al) = op | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | הַחֹ֥לֶד (hacholed) = de wezel | וְהָעַכְבָּ֖ר (vehaakhbar) = en de muis | וְהַצָּ֥ב (vehatsav) = en de grote hagedis | לְמִינֵֽהוּ (leminehu) = naar zijn soort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de dieren in vers 29–30 zijn onzeker. חֹלֶד (choled), ‘wezel’ (ook ‘mol’); עַכְבָּר (akhbar), ‘muis’; צָב (tsav), ‘grote hagedis’ (ook ‘landschildpad’ of ‘pad’). Zie ook: Lev 11:20–21; Lev 11:41–42; Joh 6:26; Joh 6:66; Ef 4:14 **11:30** **de gekko, de varaan, de hagedis, de slak en de kameleon.** Brontekst: וְהָאֲנָקָ֥ה (vehaanaqa) = en de gekko | וְהַכֹּ֖חַ (vehakoach) = en de varaan | וְהַלְּטָאָ֑ה (vehaletaa) = en de hagedis | וְהַחֹ֖מֶט (vehachomet) = en de slak | וְהַתִּנְשָֽׁמֶת (vehatinshamet) = en de kameleon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנָקָה (anaqah), ‘gekko’ (ook ‘egel’); כֹּחַ (koach), ‘varaan’; לְטָאָה (leta’ah), ‘hagedis’; חֹמֶט (chomet), ‘slak’ (ook ‘zandhagedis’); תִּנְשֶׁמֶת (tinshemet), ‘kameleon’ (ook ‘mol’). De weergave van deze vijf is onzeker. **11:31** **Dit zijn de dieren die voor jullie onrein zijn onder alle wemelende dieren. Ieder die ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond.** Brontekst: אֵ֛לֶּה (ele) = deze | הַטְּמֵאִ֥ים (hatemeim) = de onreinen | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | בְּכָל (bekhal) = onder alle | הַשָּׁ֑רֶץ (hasharets) = de wemelende dieren | כָּל (kal) = ieder | הַנֹּגֵ֧עַ (hanogea) = die aanraakt | בָּהֶ֛ם (bahem) = hen | בְּמֹתָ֖ם (bemotam) = bij hun dood | יִטְמָ֥א (yitma) = hij zal onrein zijn | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:8; Lev 11:24–25 **11:32** **Alles waarop iets van hen valt als ze dood zijn, wordt onrein: elk houten voorwerp, elk kleed, elke huid en elke zak, elk voorwerp waarmee werk wordt gedaan. Het moet in water worden gedaan. Het blijft onrein tot de avond; dan is het rein.** Brontekst: וְכֹ֣ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִפֹּל (yipol) = valt | עָלָיו֩ (alav) = erop | מֵהֶ֨ם (mehem) = van hen | בְּמֹתָ֜ם (bemotam) = bij hun dood | יִטְמָ֗א (yitma) = zal onrein zijn | מִכָּל (mikal) = van elk | כְּלִי (keli) = voorwerp van | עֵץ֙ (ets) = hout | א֣וֹ (o) = of | בֶ֤גֶד (beged) = kleed | אוֹ (o) = of | עוֹר֙ (or) = huid | א֣וֹ (o) = of | שָׂ֔ק (saq) = zak | כָּל (kal) = elk | כְּלִ֕י (keli) = voorwerp | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | יֵעָשֶׂ֥ה (yease) = gedaan wordt | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | בָּהֶ֑ם (bahem) = daarmee | בַּמַּ֧יִם (bamayim) = in water | יוּבָ֛א (yuva) = moet gebracht worden | וְטָמֵ֥א (vetame) = en onrein | עַד (ad) = tot | הָעֶ֖רֶב (haerev) = de avond | וְטָהֵֽר (vetaher) = en rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers noemt vijf soorten voorwerpen: een houten voorwerp, een kleed, een huid, een zak en elk ander voorwerp waarmee gewerkt wordt. Een onrein voorwerp moet in water; het is onrein tot de avond. Zie ook: Lev 6:21; Lev 15:12; Tit 2:14; Tit 3:5 **11:33** **Elk aarden vat waarin iets van hen valt: alles wat erin is, wordt onrein, en het vat moeten jullie breken.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | כְּלִי (keli) = vat van | חֶ֔רֶשׂ (cheres) = aardewerk | אֲשֶׁר (asher) = waarin | יִפֹּ֥ל (yipol) = valt | מֵהֶ֖ם (mehem) = van hen | אֶל (el) = in | תּוֹכ֑וֹ (tokho) = zijn binnenste | כֹּ֣ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | בְּתוֹכ֛וֹ (betokho) = in zijn binnenste | יִטְמָ֖א (yitma) = zal onrein zijn | וְאֹת֥וֹ (veoto) = en het | תִשְׁבֹּֽרוּ (tishboru) = zullen jullie breken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een aarden vat dat onrein is geworden, wordt niet gereinigd maar gebroken. Vergelijk Lev. 6:21 en Lev. 15:12. Zie ook: Lev 6:21; Lev 14:45; Lev 15:12; 2 Kor 5:1–8; Fil 3:21 **11:34** **Al het voedsel dat gegeten wordt, wordt onrein als er water op komt. Ook alle drank die gedronken wordt, wordt onrein, in welk vat ook.** Brontekst: מִכָּל (mikal) = van al | הָאֹ֜כֶל (haokhel) = het voedsel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יֵאָכֵ֗ל (yeakhel) = gegeten wordt | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | יָב֥וֹא (yavo) = komt | עָלָ֛יו (alav) = erop | מַ֖יִם (mayim) = water | יִטְמָ֑א (yitma) = zal onrein zijn | וְכָל (vekhal) = en alle | מַשְׁקֶה֙ (mashqe) = drank | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִשָּׁתֶ֔ה (yishate) = gedronken wordt | בְּכָל (bekhal) = in elk | כְּלִ֖י (keli) = vat | יִטְמָֽא (yitma) = zal onrein zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 15:8; Spr 21:4; Spr 21:27; Spr 28:8; Tit 1:15 **11:35** **Alles waarop iets van hun kadaver valt, wordt onrein. Oven en fornuis moeten worden afgebroken. Ze zijn onrein en blijven onrein voor jullie.** Brontekst: וְ֠כֹל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = waarop | יִפֹּ֨ל (yipol) = valt | מִנִּבְלָתָ֥ם (minivlatam) = van hun kadaver | עָלָיו֮ (alav) = erop | יִטְמָא֒ (yitma) = zal onrein zijn | תַּנּ֧וּר (tanur) = oven | וְכִירַ֛יִם (vekhirayim) = en fornuis | יֻתָּ֖ץ (yutats) = moet afgebroken worden | טְמֵאִ֣ים (temeim) = onrein | הֵ֑ם (hem) = zij zijn | וּטְמֵאִ֖ים (utemeim) = en onrein | יִהְי֥וּ (yihyu) = zij zullen zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּנּוּר (tannur), ‘oven’, en כִּירַיִם (kirayim), ‘fornuis’: letterlijk ‘twee kookplaatsen’. Wat er precies met het fornuis bedoeld wordt, is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 6:21; Lev 11:33; Lev 15:12; 2 Kor 5:1–7 **11:36** **Maar een bron of een put, een verzameling van water, blijft rein. Wie echter hun kadaver aanraakt, wordt onrein.** Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = maar | מַעְיָ֥ן (mayan) = bron | וּב֛וֹר (uvor) = en put | מִקְוֵה (miqve) = verzameling van | מַ֖יִם (mayim) = water | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | טָה֑וֹר (tahor) = rein | וְנֹגֵ֥עַ (venogea) = en wie aanraakt | בְּנִבְלָתָ֖ם (benivlatam) = hun kadaver | יִטְמָֽא (yitma) = zal onrein zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְוֵה מַיִם (miqweh mayim), ‘verzameling van water’: een put of bak waarin water zich verzamelt. Water uit een bron blijft rein. Zie ook: Zach 13:1; Joh 4:14 **11:37** **Als iets van hun kadaver valt op zaad dat gezaaid wordt, dan is dat rein.** Brontekst: וְכִ֤י (vekhi) = en als | יִפֹּל֙ (yipol) = valt | מִנִּבְלָתָ֔ם (minivlatam) = van hun kadaver | עַל (al) = op | כָּל (kal) = elk | זֶ֥רַע (zera) = zaad | זֵר֖וּעַ (zerua) = gezaaid | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יִזָּרֵ֑עַ (yizarea) = gezaaid wordt | טָה֖וֹר (tahor) = rein | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 15:37; 1 Petr 1:23; 1 Joh 3:9; 1 Joh 5:18 **11:38** **Maar als er water op het zaad is gedaan en er valt iets van hun kadaver op, dan is het onrein voor jullie.** Brontekst: וְכִ֤י (vekhi) = en als | יֻתַּן (yutan) = wordt gedaan | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | עַל (al) = op | זֶ֔רַע (zera) = zaad | וְנָפַ֥ל (venafal) = en valt | מִנִּבְלָתָ֖ם (minivlatam) = van hun kadaver | עָלָ֑יו (alav) = erop | טָמֵ֥א (tame) = onrein | ה֖וּא (hu) = het is | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Een kadaver van een dier dat gegeten mag worden **11:39** **Als een van de landdieren sterft die jullie mogen eten, dan is ieder die het kadaver ervan aanraakt, onrein tot de avond.** Brontekst: וְכִ֤י (vekhi) = en als | יָמוּת֙ (yamut) = sterft | מִן (min) = van | הַבְּהֵמָ֔ה (habehema) = het landdier | אֲשֶׁר (asher) = dat | הִ֥יא (hi) = het is | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לְאָכְלָ֑ה (leakhela) = tot voedsel | הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = wie aanraakt | בְּנִבְלָתָ֖הּ (benivlatah) = zijn kadaver | יִטְמָ֥א (yitma) = hij zal onrein zijn | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een dier dat jullie mogen eten maar dat uit zichzelf gestorven is, maakt onrein. Zie ook Lev. 17:15, Lev. 22:8 en Deut. 14:21. Zie ook: Lev 11:31; Lev 15:5; Lev 15:7; Lev 17:15; Lev 22:8; Num 19:11; Num 19:16; Deut 14:21 **11:40** **Wie van het kadaver eet, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. Wie het kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond.** Brontekst: וְהָֽאֹכֵל֙ (vehaokhel) = en wie eet | מִנִּבְלָתָ֔הּ (minivlatah) = van zijn kadaver | יְכַבֵּ֥ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֖יו (begadav) = zijn kleren | וְטָמֵ֣א (vetame) = en onrein | עַד (ad) = tot | הָעָ֑רֶב (haarev) = de avond | וְהַנֹּשֵׂא֙ (vehanose) = en wie draagt | אֶת (et) = (obj.) | נִבְלָתָ֔הּ (nivlatah) = zijn kadaver | יְכַבֵּ֥ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֖יו (begadav) = zijn kleren | וְטָמֵ֥א (vetame) = en onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:30; Lev 22:8; Deut 14:21; Ezech 4:14; Ezech 44:31 ### Wees heilig, want Ik ben heilig **11:41** **Elk wemelend dier dat op de grond wemelt, is afschuwelijk; het mag niet gegeten worden.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | הַשֶּׁ֖רֶץ (hasherets) = wemelend dier | הַשֹּׁרֵ֣ץ (hashorets) = dat wemelt | עַל (al) = op | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | שֶׁ֥קֶץ (sheqets) = afschuwelijk | ה֖וּא (hu) = het is | לֹ֥א (lo) = niet | יֵאָכֵֽל (yeakhel) = het mag gegeten worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:20; Lev 11:23; Lev 11:29 **11:42** **Alles wat op de buik gaat, alles wat op vier poten gaat en alles wat veel poten heeft, van alle wemelende dieren die op de grond wemelen. Die mogen jullie niet eten. Want ze zijn afschuwelijk.** Brontekst: כֹּל֩ (kol) = alles | הוֹלֵ֨ךְ (holekh) = wat gaat | עַל (al) = op | גָּח֜וֹן (gachon) = de buik | וְכֹ֣ל (vekhol) = en alles | הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = wat gaat | עַל (al) = op | אַרְבַּ֗ע (arba) = vier | עַ֚ד (ad) = tot en met | כָּל (kal) = alles | מַרְבֵּ֣ה (marbe) = wat vermeerdert | רַגְלַ֔יִם (raglayim) = poten | לְכָל (lekhal) = van alle | הַשֶּׁ֖רֶץ (hasherets) = de wemelende dieren | הַשֹּׁרֵ֣ץ (hashorets) = die wemelen | עַל (al) = op | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכְל֖וּם (tokhlum) = jullie zullen ze eten | כִּי (ki) = want | שֶׁ֥קֶץ (sheqets) = afschuwelijk | הֵֽם (hem) = zij zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּחוֹן (gachon), ‘buik’: dieren zoals slangen, die op hun buik gaan. Zie ook: Gen 3:14–15; Jes 65:25; Mat 3:7; Mat 23:23; Tit 1:12 **11:43** **Maak jullie zelf niet afschuwelijk door al die wemelende dieren. Maak jullie er niet onrein mee, zodat jullie er niet door onrein worden.** Brontekst: אַל (al) = niet | תְּשַׁקְּצוּ֙ (teshaqetsu) = maak afschuwelijk | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֹׁ֣תֵיכֶ֔ם (nafshoteikhem) = jullie zelf | בְּכָל (bekhal) = door alle | הַשֶּׁ֖רֶץ (hasherets) = de wemelende dieren | הַשֹּׁרֵ֑ץ (hashorets) = die wemelen | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תִֽטַּמְּאוּ֙ (titameu) = maak onrein | בָּהֶ֔ם (bahem) = door hen | וְנִטְמֵתֶ֖ם (venitmetem) = en jullie zouden onrein worden | בָּֽם (bam) = door hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשֹׁתֵיכֶם (nafshotekhem), letterlijk ‘jullie zielen’, wordt hier ‘jullie zelf’. הַשֶּׁרֶץ הַשֹּׁרֵץ (hasheretz hasoretz), ‘de wemelende dieren die wemelen’, vertalen wij hier met ‘al die wemelende dieren’. Zie ook: Lev 11:41–42; Lev 20:25 **11:44** **Want Ik ben Yahweh, jullie Elohim. Heilig jullie zelf en wees heilig, want Ik ben heilig. Maak jullie zelf niet onrein door de wemelende dieren die zich op de grond voortbewegen.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֒ (eloheikhem) = jullie Elohim | וְהִתְקַדִּשְׁתֶּם֙ (vehitqadishtem) = en heilig jullie zelf | וִהְיִיתֶ֣ם (vihyitem) = en wees | קְדֹשִׁ֔ים (qedoshim) = heilig | כִּ֥י (ki) = want | קָד֖וֹשׁ (qadosh) = heilig | אָ֑נִי (ani) = Ik | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תְטַמְּאוּ֙ (tetameu) = maak onrein | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֹׁ֣תֵיכֶ֔ם (nafshoteikhem) = jullie zelf | בְּכָל (bekhal) = door alle | הַשֶּׁ֖רֶץ (hasherets) = de wemelende dieren | הָרֹמֵ֥שׂ (haromes) = die zich voortbewegen | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְקַדֵּשׁ (hitqaddesh), ‘zich heiligen’: zich afzonderen voor Yahweh. Zie ook Lev. 19:2 en 1 Petr. 1:16. Voetnoot : רָמַשׂ (ramas), ‘zich voortbewegen’: een kruipend of trippelend dier. Zie ook: Ex 20:2; Lev 19:2; Lev 20:7; Lev 20:26; 1 Petr 1:15–16; 1 Petr 1:16 **11:45** **Want Ik ben Yahweh, die jullie uit het land Egypte heb laten optrekken om jullie tot Elohim te zijn. Wees heilig, want Ik ben heilig.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הַֽמַּעֲלֶ֤ה (hamaale) = die laat optrekken | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לִהְיֹ֥ת (lihyot) = om te zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לֵאלֹהִ֑ים (lElohim) = tot Elohim | וִהְיִיתֶ֣ם (vihyitem) = en wees | קְדֹשִׁ֔ים (qedoshim) = heilig | כִּ֥י (ki) = want | קָד֖וֹשׁ (qadosh) = heilig | אָֽנִי (ani) = Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De zin ‘om jullie tot Elohim te zijn’ staat ook in Exod. 6:7. Zie ook: Ex 6:7; Ex 20:2; Lev 11:44; Ps 105:43–45; 1 Petr 1:16 **11:46** **Dit is de wet voor het landdier en de vogel. Voor elk levend wezen dat zich in het water beweegt en voor elk levend wezen dat op de grond wemelt,** Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit is | תּוֹרַ֤ת (torat) = de wet van | הַבְּהֵמָה֙ (habehema) = het landdier | וְהָע֔וֹף (vehaof) = en de vogel | וְכֹל֙ (vekhol) = en elk | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = wezen | הַֽחַיָּ֔ה (hachaya) = van het levende | הָרֹמֶ֖שֶׂת (haromeset) = dat zich beweegt | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = in het water | וּלְכָל (ulekhal) = en voor elk | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = wezen | הַשֹּׁרֶ֥צֶת (hashoretset) = dat wemelt | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht. Deze slotzin vat de wetten van het hoofdstuk samen. Zie ook: Lev 7:37; Lev 14:54; Lev 15:32; Ezech 43:12 **11:47** **om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen het dier dat gegeten mag worden en het dier dat niet gegeten mag worden.”** Brontekst: לְהַבְדִּ֕יל (lehavdil) = om onderscheid te maken | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הַטָּמֵ֖א (hatame) = het onreine | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַטָּהֹ֑ר (hatahor) = het reine | וּבֵ֤ין (uvein) = en tussen | הַֽחַיָּה֙ (hachaya) = het dier | הַֽנֶּאֱכֶ֔לֶת (haneekhelet) = dat gegeten wordt | וּבֵין֙ (uvein) = en tussen | הַֽחַיָּ֔ה (hachaya) = het dier | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | לֹ֥א (lo) = niet | תֵאָכֵֽל (teakhel) = gegeten wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De priesters moeten dit onderscheid kennen en doorgeven (Lev. 10:10–11). Zie ook: Lev 10:10; Ezech 44:23; Mal 3:18; Rom 14:2–3; Rom 14:13–23 ## Leviticus 12 _De reiniging van een vrouw na de bevalling_ ### De onreinheid na de geboorte van een kind **12:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Wanneer een vrouw zwanger wordt en een mannelijk kind baart, is zij zeven dagen onrein. Zoals in de dagen van haar menstruatie, van haar ongesteldheid, is zij onrein.** Brontekst: דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אִשָּׁה֙ (isha) = een vrouw | כִּ֣י (ki) = wanneer | תַזְרִ֔יעַ (tazria) = zij zwanger wordt | וְיָלְדָ֖ה (veyaleda) = en zij baart | זָכָ֑ר (zakhar) = een mannelijk kind | וְטָֽמְאָה֙ (vetamea) = en zij is onrein | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven van | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | כִּימֵ֛י (kimei) = zoals de dagen van | נִדַּ֥ת (nidat) = de menstruatie van | דְּוֺתָ֖הּ (devotah) = haar ongesteldheid | תִּטְמָֽא (titma) = zij zal onrein zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טָמֵא (tamé), ‘onrein’: het gaat om rituele onreinheid, niet om zonde. Wie onrein is, mag niet bij het heiligdom komen en mag niets heiligs aanraken. Voetnoot : תַזְרִיעַ (tazria), ‘zwanger worden’: letterlijk ‘zaad geven’. Voetnoot : נִדָּה (niddah), ‘menstruatie’, en דְּוֺתָהּ (devotah), ‘haar ongesteldheid’: wij geven beide woorden weer. Voetnoot : אִשָּׁה (ishshah), ‘vrouw’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 3:10–13 bevestigt de tijden van onreinheid en reiniging. Zie ook: Jub 3:10–13; Job 25:4; Lev 15:19; Lev 18:19; Luc 2:22; Rom 5:12–19 **12:3** **Op de achtste dag moet het vlees van zijn voorhuid worden besneden.** Brontekst: וּבַיּ֖וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁמִינִ֑י (hashemini) = de achtste | יִמּ֖וֹל (yimol) = hij zal besneden worden | בְּשַׂ֥ר (besar) = het vlees van | עָרְלָתֽוֹ (arelato) = zijn voorhuid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De besnijdenis op de achtste dag is ouder dan deze wet (Gen. 17:12). Zie ook Lukas 2:21. Zie ook: Gen 17:11–12; Gen 17:12; Luc 1:59; Luc 2:21; Joh 7:22–23; Fil 3:5 **12:4** **Dan moet zij nog 33 dagen blijven in het bloed van reiniging. Zij mag niets heiligs aanraken en het heiligdom niet binnengaan, totdat de dagen van haar reiniging voorbij zijn.** Brontekst: וּשְׁלֹשִׁ֥ים (usheloshim) = en dertig | יוֹם֙ (yom) = dag | וּשְׁלֹ֣שֶׁת (usheloshet) = en drie van | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | תֵּשֵׁ֖ב (teshev) = zij zal blijven | בִּדְמֵ֣י (bidmei) = in het bloed van | טָהֳרָ֑ה (tahora) = reiniging | בְּכָל (bekhal) = in alles wat | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig is | לֹֽא (lo) = niet | תִגָּ֗ע (tiga) = zij zal aanraken | וְאֶל (veel) = en tot | הַמִּקְדָּשׁ֙ (hamiqdash) = het heiligdom | לֹ֣א (lo) = niet | תָבֹ֔א (tavo) = zij zal binnengaan | עַד (ad) = totdat | מְלֹ֖את (melot) = de vervulling van | יְמֵ֥י (yemei) = de dagen van | טָהֳרָֽהּ (tahorah) = haar reiniging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּמֵי טָהֳרָה (demei tahorah), ‘bloed van reiniging’: de tijd van reiniging na de eerste onreine dagen. In die tijd gelden nog twee beperkingen: niets heiligs aanraken en niet naar het heiligdom gaan. Voetnoot : מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: de tabernakel en later de tempel. Zie ook: Lev 15:25–28; Hag 2:13; Luc 2:22–23 **12:5** **Als zij een vrouwelijk kind baart, is zij twee weken onrein, zoals bij haar menstruatie. Dan moet zij 66 dagen blijven in het bloed van reiniging.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | נְקֵבָ֣ה (neqeva) = een vrouwelijk kind | תֵלֵ֔ד (teled) = zij baart | וְטָמְאָ֥ה (vetamea) = en zij is onrein | שְׁבֻעַ֖יִם (shevuayim) = twee weken | כְּנִדָּתָ֑הּ (kenidatah) = zoals bij haar menstruatie | וְשִׁשִּׁ֥ים (veshishim) = en zes en zestig | יוֹם֙ (yom) = dag | וְשֵׁ֣שֶׁת (vesheshet) = en zes van | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | תֵּשֵׁ֖ב (teshev) = zij zal blijven | עַל (al) = in | דְּמֵ֥י (demei) = het bloed van | טָהֳרָֽה (tahora) = reiniging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבֻעַיִם (shevuayim), ‘twee weken’: letterlijk ‘twee zevens’, dus 14 dagen. Bij een meisje is de tijd dubbel zo lang: 14 en 66 dagen, samen 80. Bij een jongen zijn het 7 en 33 dagen, samen 40. Zie ook: Gen 3:13; Lev 12:2; Lev 12:4; 1 Tim 2:14–15 ### Het offer na de reinigingstijd **12:6** **Als de dagen van haar reiniging voorbij zijn, voor een zoon of voor een dochter. Zij moet een lam van een jaar brengen als brandoffer en een jonge duif of een tortelduif als zondoffer. Zij moet dit brengen naar de ingang van de tent van samenkomst, naar de priester.** Brontekst: וּבִמְלֹ֣את (uvimlot) = en als de vervulling van | יְמֵ֣י (yemei) = de dagen van | טָהֳרָ֗הּ (tahorah) = haar reiniging | לְבֵן֮ (leven) = voor een zoon | א֣וֹ (o) = of | לְבַת֒ (levat) = voor een dochter | תָּבִ֞יא (tavi) = zij zal brengen | כֶּ֤בֶשׂ (keves) = een lam | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָתוֹ֙ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָ֔ה (leola) = als brandoffer | וּבֶן (uven) = en een zoon van | יוֹנָ֥ה (yona) = duif | אוֹ (o) = of | תֹ֖ר (tor) = een tortelduif | לְחַטָּ֑את (lechatat) = als zondoffer | אֶל (el) = naar | פֶּ֥תַח (petach) = de ingang van | אֹֽהֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een tortelduif (תֹּר, tor) en een jonge duif (בֶּן־יוֹנָה, ben-yonah) zijn ook de vogels van het brandoffer in Lev. 1:14. Zie ook Lukas 2:22–24. Zie ook: Lev 1:14; Lev 15:29; Luc 2:22; Joh 1:29; 2 Kor 5:21; 1 Petr 1:18–19 **12:7** **De priester moet het voor het aangezicht van Yahweh aanbieden en verzoening voor haar doen. Dan is zij rein van de bron van haar bloed. Dit is de wet voor de vrouw die baart, voor een mannelijk of een vrouwelijk kind.** Brontekst: וְהִקְרִיב֞וֹ (vehiqrivo) = en hij zal het aanbieden | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְכִפֶּ֣ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = voor haar | וְטָהֲרָ֖ה (vetahara) = en zij is rein | מִמְּקֹ֣ר (mimeqor) = van de bron van | דָּמֶ֑יהָ (dameiha) = haar bloed | זֹ֤את (zot) = dit | תּוֹרַת֙ (torat) = is de wet van | הַיֹּלֶ֔דֶת (hayoledet) = de vrouw die baart | לַזָּכָ֖ר (lazakhar) = voor een mannelijk kind | א֥וֹ (o) = of | לַנְּקֵבָֽה (laneqeva) = voor een vrouwelijk kind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’, ‘wijsheid die je de weg wijst’. Wij vertalen steeds ‘wet’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier alleen ‘hij’ (en hij brengt het aan). Dat is de priester uit het vorige vers; wij schrijven ‘de priester’. Zie ook: Lev 1:4; Lev 4:31; Lev 15:28–30; Gal 3:28; Rom 3:26 ### Het offer van wie arm is **12:8** **Als zij niet genoeg heeft voor een schaap, moet zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen: één als brandoffer en één als zondoffer. De priester moet verzoening voor haar doen, en zij is rein.”** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֨א (lo) = niet | תִמְצָ֣א (timtsa) = zij vindt | יָדָהּ֮ (yadah) = haar hand | דֵּ֣י (dei) = genoeg voor | שֶׂה֒ (se) = een schaap | וְלָקְחָ֣ה (velaqecha) = en zij zal nemen | שְׁתֵּֽי (shetei) = twee | תֹרִ֗ים (torim) = tortelduiven | א֤וֹ (o) = of | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יוֹנָ֔ה (yona) = duif | אֶחָ֥ד (echad) = de ene | לְעֹלָ֖ה (leola) = als brandoffer | וְאֶחָ֣ד (veechad) = en de ene | לְחַטָּ֑את (lechatat) = als zondoffer | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלֶ֛יהָ (aleiha) = voor haar | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | וְטָהֵֽרָה (vetahera) = en zij is rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie geen lam kan betalen, mag twee vogels brengen. Zie ook Lev. 5:7 en Lukas 2:24. Zie ook: Lev 1:14; Lev 4:26; Lev 5:7; Lev 14:22; Luc 2:22–24; Luc 2:24 ## Leviticus 13 _Melaatsheid bij mensen en in kleding_ ### Melaatsheid op de huid **13:1** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:2** **„Wanneer iemand op de huid van zijn lichaam een zwelling, uitslag of glanzende vlek krijgt. En het wordt op de huid van zijn lichaam een plek van melaatsheid. Dan moet hij naar de priester Aäron worden gebracht, of naar een van zijn zonen, de priesters.** Brontekst: אָדָ֗ם (adam) = een mens | כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֤ה (yihye) = er is | בְעוֹר (beor) = op de huid van | בְּשָׂרוֹ֙ (besaro) = zijn lichaam | שְׂאֵ֤ת (seet) = een zwelling | אֽוֹ (o) = of | סַפַּ֨חַת֙ (sapachat) = uitslag | א֣וֹ (o) = of | בַהֶ֔רֶת (baheret) = een glanzende vlek | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het wordt | בְעוֹר (beor) = op de huid van | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn lichaam | לְנֶ֣גַע (lenega) = tot een plek van | צָרָ֑עַת (tsaraat) = melaatsheid | וְהוּבָא֙ (vehuva) = en hij wordt gebracht | אֶל (el) = tot | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | א֛וֹ (o) = of | אֶל (el) = tot | אַחַ֥ד (achad) = een van | מִבָּנָ֖יו (mibanav) = zijn zonen | הַכֹּהֲנִֽים (hakohanim) = de priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרַעַת (tsara‘at), ‘melaatsheid’: een verzamelnaam voor huidaandoeningen. Het woord staat ook voor een aantasting van kleding (vers 47) en van huizen (Lev. 14:34). Het is niet dezelfde ziekte als lepra in onze tijd. Wij vertalen het steeds met ‘melaatsheid’, ook bij kleding en huizen, zoals in Exod. 4:6. Voetnoot : נֶגַע (nega‘), ‘plek’: letterlijk ‘slag’ of ‘aanraking’; een plek die op de huid of op een voorwerp komt. Voetnoot : שְׂאֵת (se’et), ‘zwelling’, סַפַּחַת (sappachat), ‘uitslag’, en בַּהֶרֶת (baheret), ‘glanzende vlek’: een heldere, lichte plek op de huid. Voetnoot : De priester stelt vast of iets onrein is. Hij geneest niet. Zie ook: Ex 4:6; Lev 13:47; Lev 14:3; Lev 14:34; Lev 14:56; Num 12:10; Deut 24:8; 2 Kon 5:27 **13:3** **De priester moet de plek op de huid van het lichaam bekijken. Is het haar in de plek wit geworden en ziet de plek er dieper uit dan de huid van zijn lichaam, dan is het een plek van melaatsheid. De priester moet hem bekijken en onrein verklaren.** Brontekst: וְרָאָ֣ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֣גַע (hanega) = de plek | בְּעֽוֹר (beor) = op de huid van | הַ֠בָּשָׂר (habasar) = het lichaam | וְשֵׂעָ֨ר (vesear) = en het haar | בַּנֶּ֜גַע (banega) = in de plek | הָפַ֣ךְ (hafakh) = is geworden | לָבָ֗ן (lavan) = wit | וּמַרְאֵ֤ה (umare) = en het aanzien van | הַנֶּ֨גַע֙ (hanega) = de plek | עָמֹק֙ (amoq) = dieper | מֵע֣וֹר (meor) = dan de huid van | בְּשָׂר֔וֹ (besaro) = zijn lichaam | נֶ֥גַע (nega) = een plek van | צָרַ֖עַת (tsaraat) = melaatsheid | ה֑וּא (hu) = het is | וְרָאָ֥הוּ (veraahu) = en hij bekijkt hem | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | וְטִמֵּ֥א (vetime) = en hij verklaart onrein | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טִמֵּא (timme), ‘onrein verklaren’, en טִהֵר (tihér), ‘rein verklaren’: de priester maakt niemand onrein of rein, hij verklaart wat hij ziet. Voetnoot : עָמֹק (amoq), ‘diep’: een plek die dieper lijkt te liggen dan de huid eromheen. Zie ook: Ezech 16:30; Hag 2:11; Joh 20:23; Hand 20:28; Rom 3:19–20 **13:4** **Is de glanzende vlek wit op de huid van zijn lichaam, maar ziet zij er niet dieper uit dan de huid. En is het haar niet wit geworden. Dan moet de priester de plek zeven dagen afzonderen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בַּהֶרֶת֩ (baheret) = een glanzende vlek | לְבָנָ֨ה (levana) = wit | הִ֜וא (hi) = zij is | בְּע֣וֹר (beor) = op de huid van | בְּשָׂר֗וֹ (besaro) = zijn lichaam | וְעָמֹק֙ (veamoq) = en dieper | אֵין (ein) = niet | מַרְאֶ֣הָ (mareha) = haar aanzien | מִן (min) = dan | הָע֔וֹר (haor) = de huid | וּשְׂעָרָ֖ה (useara) = en haar haar | לֹא (lo) = niet | הָפַ֣ךְ (hafakh) = is geworden | לָבָ֑ן (lavan) = wit | וְהִסְגִּ֧יר (vehisgir) = en hij zondert af | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֖גַע (hanega) = de plek | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִסְגִּיר (hisgir), ‘afzonderen’: letterlijk ‘sluiten’ of ‘afsluiten’. De persoon (later ook een voorwerp of huis, Lev. 14:38) wordt apart gehouden, zodat de priester kan zien of de plek verandert. Wij vertalen steeds ‘afzonderen’. Zie ook: Lev 14:38; Num 12:15; Deut 13:15; Ezech 44:10; 1 Kor 4:5; 1 Tim 5:24 **13:5** **Op de zevende dag moet de priester hem bekijken. Ziet hij dan dat de plek in zijn ogen gelijk is gebleven en zich niet over de huid heeft verspreid. Dan moet de priester hem nog eens zeven dagen afzonderen.** Brontekst: וְרָאָ֣הוּ (veraahu) = en hij bekijkt hem | הַכֹּהֵן֮ (hakohen) = de priester | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִי֒ (hashevii) = de zevende | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | הַנֶּ֨גַע֙ (hanega) = de plek | עָמַ֣ד (amad) = is blijven staan | בְּעֵינָ֔יו (beeinav) = in zijn ogen | לֹֽא (lo) = niet | פָשָׂ֥ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֖גַע (hanega) = de plek | בָּע֑וֹר (baor) = op de huid | וְהִסְגִּיר֧וֹ (vehisgiro) = en hij zondert hem af | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | שֵׁנִֽית (shenit) = voor de tweede keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּעֵינָיו (be‘einav), ‘in zijn ogen’: zoals de priester het ziet. Voetnoot : עָמַד (amad), ‘blijven staan’: de plek is gelijk gebleven. Voetnoot : פָשָׂה (pasah), ‘zich verspreiden’: de plek wordt groter. **13:6** **Op de zevende dag moet de priester hem nog eens bekijken. Ziet hij dan dat de plek dof is geworden en zich niet over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem rein verklaren. Het is uitslag. Hij moet zijn kleren wassen, en dan is hij rein.** Brontekst: וְרָאָה֩ (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֨ן (hakohen) = de priester | אֹת֜וֹ (oto) = hem | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִי֮ (hashevii) = de zevende | שֵׁנִית֒ (shenit) = voor de tweede keer | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | כֵּהָ֣ה (keha) = is dof geworden | הַנֶּ֔גַע (hanega) = de plek | וְלֹא (velo) = en niet | פָשָׂ֥ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֖גַע (hanega) = de plek | בָּע֑וֹר (baor) = op de huid | וְטִהֲר֤וֹ (vetiharo) = en hij verklaart hem rein | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | מִסְפַּ֣חַת (mispachat) = uitslag | הִ֔יא (hi) = het is | וְכִבֶּ֥ס (vekhibes) = en hij wast | בְּגָדָ֖יו (begadav) = zijn kleren | וְטָהֵֽר (vetaher) = en hij is rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּהָה (kehah), ‘dof’: de plek is minder helder geworden. Zie ook: Lev 11:25; Lev 14:8; 1 Kon 8:38; 1 Kon 8:45; Jes 42:3 **13:7** **Maar als de uitslag zich over de huid verspreidt nadat hij aan de priester is getoond om rein verklaard te worden. Hij moet nog eens aan de priester worden getoond.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | פָּשֹׂ֨ה (paso) = zich verspreiden | תִפְשֶׂ֤ה (tifse) = zal verspreiden | הַמִּסְפַּ֨חַת֙ (hamispachat) = de uitslag | בָּע֔וֹר (baor) = op de huid | אַחֲרֵ֧י (acharei) = nadat | הֵרָאֹת֛וֹ (heraoto) = hij getoond is | אֶל (el) = aan | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | לְטָהֳרָת֑וֹ (letahorato) = om hem rein te verklaren | וְנִרְאָ֥ה (venira) = en hij wordt getoond | שֵׁנִ֖ית (shenit) = voor de tweede keer | אֶל (el) = aan | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:35–36; Ps 38:4; Jes 1:5–6; Rom 6:12–14; 2 Tim 2:16–17 **13:8** **De priester moet hem bekijken. Ziet hij dat de uitslag zich over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem onrein verklaren. Het is melaatsheid.** Brontekst: וְרָאָה֙ (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | פָּשְׂתָ֥ה (paseta) = heeft zich verspreid | הַמִּסְפַּ֖חַת (hamispachat) = de uitslag | בָּע֑וֹר (baor) = op de huid | וְטִמְּא֥וֹ (vetimeo) = en hij verklaart hem onrein | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | צָרַ֥עַת (tsaraat) = melaatsheid | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:3; Mat 15:7–8; Hand 8:21; Fil 3:18–19; 2 Petr 2:19 ### De plek van melaatsheid bij een mens **13:9** **Wanneer iemand een plek van melaatsheid krijgt, moet hij naar de priester worden gebracht.** Brontekst: נֶ֣גַע (nega) = een plek van | צָרַ֔עַת (tsaraat) = melaatsheid | כִּ֥י (ki) = wanneer | תִהְיֶ֖ה (tihye) = zij is | בְּאָדָ֑ם (beadam) = in een mens | וְהוּבָ֖א (vehuva) = en hij wordt gebracht | אֶל (el) = tot | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:10** **De priester moet hem bekijken. Ziet hij een witte zwelling op de huid, ziet hij dat het haar wit is geworden en dat er in de zwelling een plek levend vlees zit,** Brontekst: וְרָאָ֣ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | שְׂאֵת (seet) = een zwelling | לְבָנָה֙ (levana) = wit | בָּע֔וֹר (baor) = op de huid | וְהִ֕יא (vehi) = en zij | הָפְכָ֖ה (hafekha) = heeft veranderd | שֵׂעָ֣ר (sear) = haar | לָבָ֑ן (lavan) = wit | וּמִֽחְיַ֛ת (umichyat) = en een plek van | בָּשָׂ֥ר (basar) = vlees | חַ֖י (chay) = levend | בַּשְׂאֵֽת (baset) = in de zwelling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִחְיַת בָּשָׂר חַי (michyat basar chai), ‘een plek levend vlees’: waarschijnlijk rauw, rood vlees dat in de zwelling zichtbaar is. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 13:3–4; 2 Kon 5:27; 2 Kron 26:19–20; Amos 5:10; Joh 7:7 **13:11** **dan is het oude melaatsheid op de huid van zijn lichaam. De priester moet hem onrein verklaren. Hij hoeft hem niet af te zonderen, want hij is onrein.** Brontekst: צָרַ֨עַת (tsaraat) = melaatsheid | נוֹשֶׁ֤נֶת (noshenet) = oud | הִוא֙ (hi) = het is | בְּע֣וֹר (beor) = op de huid van | בְּשָׂר֔וֹ (besaro) = zijn lichaam | וְטִמְּא֖וֹ (vetimeo) = en hij verklaart hem onrein | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | לֹ֣א (lo) = niet | יַסְגִּרֶ֔נּוּ (yasgirenu) = hij zal hem afzonderen | כִּ֥י (ki) = want | טָמֵ֖א (tame) = onrein | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נוֹשֶׁנֶת (noshenet), ‘oud’: al lang bestaand, diep ingeworteld. **13:12** **Wanneer de melaatsheid op de huid uitbreekt en de hele huid met de plek bedekt, van zijn hoofd tot zijn voeten, zover de ogen van de priester kunnen zien,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | פָּר֨וֹחַ (paroach) = uitbreken | תִּפְרַ֤ח (tifrach) = zal uitbreken | הַצָּרַ֨עַת֙ (hatsaraat) = de melaatsheid | בָּע֔וֹר (baor) = op de huid | וְכִסְּתָ֣ה (vekhiseta) = en zij bedekt | הַצָּרַ֗עַת (hatsaraat) = de melaatsheid | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | ע֣וֹר (or) = de huid van | הַנֶּ֔גַע (hanega) = de plek | מֵרֹאשׁ֖וֹ (merosho) = van zijn hoofd | וְעַד (vead) = en tot | רַגְלָ֑יו (raglav) = zijn voeten | לְכָל (lekhal) = naar heel | מַרְאֵ֖ה (mare) = het zien van | עֵינֵ֥י (einei) = de ogen van | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרוֹחַ תִּפְרַח (parovach tifrach), ‘uitbreken’: letterlijk ‘bloeien’, zich als een bloem openen. Wij vertalen steeds ‘uitbreken’ (ook in vers 20, 25 en 57). Zie ook: Job 40:4; Job 42:6; Lev 13:20; Lev 13:25; Lev 13:57; Joh 16:8–9; Rom 7:14; 1 Joh 1:8–10 **13:13** **dan moet de priester kijken. Ziet hij dat de melaatsheid zijn hele lichaam heeft bedekt, dan moet hij de aangetaste rein verklaren. Alles is wit geworden: hij is rein.** Brontekst: וְרָאָ֣ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | כִסְּתָ֤ה (kiseta) = heeft bedekt | הַצָּרַ֨עַת֙ (hatsaraat) = de melaatsheid | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | בְּשָׂר֔וֹ (besaro) = zijn lichaam | וְטִהַ֖ר (vetihar) = en hij verklaart rein | אֶת (et) = (obj.) | הַנָּ֑גַע (hanaga) = de aangetaste | כֻּלּ֛וֹ (kulo) = geheel | הָפַ֥ךְ (hafakh) = is veranderd | לָבָ֖ן (lavan) = wit | טָה֥וֹר (tahor) = rein | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de klinkertekens staat הַנָּגַע (hannaga), ‘de aangetaste’, en niet הַנֶּגַע (hannega), ‘de plek’. Wij volgen dat: wie helemaal wit is geworden, wordt rein verklaard. Zie ook: Jes 64:5; Joh 9:41 **13:14** **Maar op de dag dat er levend vlees op hem verschijnt, is hij onrein.** Brontekst: וּבְי֨וֹם (uveyom) = en op de dag van | הֵרָא֥וֹת (heraot) = verschijnen | בּ֛וֹ (bo) = in hem | בָּשָׂ֥ר (basar) = vlees | חַ֖י (chay) = levend | יִטְמָֽא (yitma) = hij is onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:15** **De priester moet het levende vlees bekijken en hem onrein verklaren. Het levende vlees is onrein: het is melaatsheid.** Brontekst: וְרָאָ֧ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּשָׂ֥ר (habasar) = het vlees | הַחַ֖י (hachay) = het levende | וְטִמְּא֑וֹ (vetimeo) = en hij verklaart hem onrein | הַבָּשָׂ֥ר (habasar) = het vlees | הַחַ֛י (hachay) = het levende | טָמֵ֥א (tame) = onrein | ה֖וּא (hu) = het is | צָרַ֥עַת (tsaraat) = melaatsheid | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:16** **Maar als het levende vlees weer verandert en wit wordt, moet hij naar de priester gaan.** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | כִ֥י (ki) = wanneer | יָשׁ֛וּב (yashuv) = het keert terug | הַבָּשָׂ֥ר (habasar) = het vlees | הַחַ֖י (hachay) = het levende | וְנֶהְפַּ֣ךְ (venehpakh) = en het verandert | לְלָבָ֑ן (lelavan) = tot wit | וּבָ֖א (uva) = en hij komt | אֶל (el) = tot | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gal 1:14–16; Rom 7:14–24; Fil 3:6–8; 1 Tim 1:13–15 **13:17** **De priester moet hem bekijken. Ziet hij dat de plek wit is geworden, dan moet de priester de aangetaste rein verklaren: hij is rein.** Brontekst: וְרָאָ֨הוּ֙ (veraahu) = en hij bekijkt hem | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | נֶהְפַּ֥ךְ (nehpakh) = is veranderd | הַנֶּ֖גַע (hanega) = de plek | לְלָבָ֑ן (lelavan) = tot wit | וְטִהַ֧ר (vetihar) = en hij verklaart rein | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֖גַע (hanega) = de plek | טָה֥וֹר (tahor) = rein | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Een zweer die genezen is **13:18** **Wanneer iemand op zijn huid een zweer krijgt en die geneest,** Brontekst: וּבָשָׂ֕ר (uvasar) = en vlees | כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֥ה (yihye) = er is | בֽוֹ (bo) = in hem | בְעֹר֖וֹ (beoro) = in zijn huid | שְׁחִ֑ין (shechin) = een zweer | וְנִרְפָּֽא (venirpa) = en het is genezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁחִין (shechin), ‘zweer’: een ontsteking van de huid; het woord staat ook in Exod. 9:9–11. Zie ook: Job 2:7; Ex 9:9; Ex 15:26; Ps 38:4–8; Jes 38:21 **13:19** **en op de plaats van de zweer komt een witte zwelling of een roodachtig witte glanzende vlek, dan moet hij aan de priester worden getoond.** Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het wordt | בִּמְק֤וֹם (bimqom) = op de plaats van | הַשְּׁחִין֙ (hashechin) = de zweer | שְׂאֵ֣ת (seet) = een zwelling | לְבָנָ֔ה (levana) = wit | א֥וֹ (o) = of | בַהֶ֖רֶת (baheret) = een glanzende vlek | לְבָנָ֣ה (levana) = wit | אֲדַמְדָּ֑מֶת (adamdamet) = roodachtig | וְנִרְאָ֖ה (venira) = en hij wordt getoond | אֶל (el) = aan | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:24 **13:20** **De priester moet kijken. Ziet hij dat de plek lager ligt dan de huid en dat het haar wit is geworden, dan moet de priester hem onrein verklaren. Het is een plek van melaatsheid, uitgebroken in de zweer.** Brontekst: וְרָאָ֣ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | מַרְאֶ֨הָ֙ (mareha) = haar aanzien | שָׁפָ֣ל (shafal) = lager | מִן (min) = dan | הָע֔וֹר (haor) = de huid | וּשְׂעָרָ֖הּ (usearah) = en haar haar | הָפַ֣ךְ (hafakh) = is veranderd | לָבָ֑ן (lavan) = wit | וְטִמְּא֧וֹ (vetimeo) = en hij verklaart hem onrein | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | נֶֽגַע (nega) = een plek van | צָרַ֥עַת (tsaraat) = melaatsheid | הִ֖וא (hi) = zij is | בַּשְּׁחִ֥ין (bashechin) = in de zweer | פָּרָֽחָה (paracha) = zij is uitgebroken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:3; Mat 12:45; Joh 5:14; 2 Petr 2:20 **13:21** **Bekijkt de priester haar, dan ziet hij dat er geen wit haar in zit, dat zij niet lager ligt dan de huid en dat zij dof is. Dan moet de priester hem zeven dagen afzonderen.** Brontekst: וְאִ֣ם (veim) = en als | יִרְאֶ֣נָּה (yirena) = hij haar ziet | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | אֵֽין (ein) = niet is | בָּהּ֙ (bah) = in haar | שֵׂעָ֣ר (sear) = haar | לָבָ֔ן (lavan) = wit | וּשְׁפָלָ֥ה (ushefala) = en lager | אֵינֶ֛נָּה (einena) = zij is niet | מִן (min) = dan | הָע֖וֹר (haor) = de huid | וְהִ֣יא (vehi) = en zij | כֵהָ֑ה (keha) = dof is | וְהִסְגִּיר֥וֹ (vehisgiro) = en hij zondert hem af | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 5:5 **13:22** **Als zij zich over de huid verspreidt, moet de priester hem onrein verklaren. Het is een plek.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | פָּשֹׂ֥ה (paso) = zich verspreiden | תִפְשֶׂ֖ה (tifse) = zal verspreiden | בָּע֑וֹר (baor) = op de huid | וְטִמֵּ֧א (vetime) = en hij verklaart onrein | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֹת֖וֹ (oto) = hem | נֶ֥גַע (nega) = een plek | הִֽוא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:23** **Maar blijft de glanzende vlek op haar plaats en verspreidt zij zich niet, dan is dit het litteken van de zweer. De priester moet hem rein verklaren.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | תַּחְתֶּ֜יהָ (tachteiha) = op haar plaats | תַּעֲמֹ֤ד (taamod) = zal blijven staan | הַבַּהֶ֨רֶת֙ (habaheret) = de glanzende vlek | לֹ֣א (lo) = niet | פָשָׂ֔תָה (pasata) = heeft zich verspreid | צָרֶ֥בֶת (tsarevet) = het litteken van | הַשְּׁחִ֖ין (hashechin) = de zweer | הִ֑וא (hi) = zij is | וְטִהֲר֖וֹ (vetiharo) = en hij verklaart hem rein | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרֶבֶת (tsarevet), ‘litteken’: het woord staat alleen hier en in vers 28. De betekenis (litteken of brandplek) is niet helemaal zeker. Zie ook: Gen 38:26; Job 34:31–32; Lev 13:28; 2 Kron 19:2–3; Mat 26:75; Gal 6:1 ### Een brandwond **13:24** **Of wanneer iemand op zijn huid een brandwond door vuur krijgt en het levende vlees van de brandwond een roodachtig witte of een witte glanzende vlek wordt,** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | בָשָׂ֔ר (basar) = vlees | כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֥ה (yihye) = er is | בְעֹר֖וֹ (beoro) = in zijn huid | מִכְוַת (mikhvat) = een brandwond van | אֵ֑שׁ (esh) = vuur | וְֽהָיְתָ֞ה (vehayeta) = en het wordt | מִֽחְיַ֣ת (michyat) = het levende vlees van | הַמִּכְוָ֗ה (hamikhva) = de brandwond | בַּהֶ֛רֶת (baheret) = een glanzende vlek | לְבָנָ֥ה (levana) = wit | אֲדַמְדֶּ֖מֶת (adamdemet) = roodachtig | א֥וֹ (o) = of | לְבָנָֽה (levana) = wit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִכְוָה (mikvah), ‘brandwond’. Zie ook: Jes 3:24 **13:25** **dan moet de priester haar bekijken. Ziet hij dat het haar in de glanzende vlek wit is geworden en dat zij dieper uitziet dan de huid, dan is het melaatsheid, uitgebroken in de brandwond. De priester moet hem onrein verklaren. Het is een plek van melaatsheid.** Brontekst: וְרָאָ֣ה (veraa) = en hij ziet | אֹתָ֣הּ (otah) = haar | הַכֹּהֵ֡ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | נֶהְפַּךְ֩ (nehpakh) = is veranderd | שֵׂעָ֨ר (sear) = haar | לָבָ֜ן (lavan) = wit | בַּבַּהֶ֗רֶת (babaheret) = in de glanzende vlek | וּמַרְאֶ֨הָ֙ (umareha) = en haar aanzien | עָמֹ֣ק (amoq) = dieper | מִן (min) = dan | הָע֔וֹר (haor) = de huid | צָרַ֣עַת (tsaraat) = melaatsheid | הִ֔וא (hi) = zij is | בַּמִּכְוָ֖ה (bamikhva) = in de brandwond | פָּרָ֑חָה (paracha) = zij is uitgebroken | וְטִמֵּ֤א (vetime) = en hij verklaart onrein | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | נֶ֥גַע (nega) = een plek van | צָרַ֖עַת (tsaraat) = melaatsheid | הִֽוא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:4; Lev 13:18–20 **13:26** **Bekijkt de priester haar. Dan ziet hij dat er geen wit haar in de glanzende vlek zit, dat zij niet lager ligt dan de huid en dat zij dof is. Dan moet de priester hem zeven dagen afzonderen.** Brontekst: וְאִ֣ם (veim) = en als | יִרְאֶ֣נָּה (yirena) = hij haar ziet | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | אֵֽין (ein) = niet is | בַּבֶּהֶ֨רֶת֙ (babeheret) = in de glanzende vlek | שֵׂעָ֣ר (sear) = haar | לָבָ֔ן (lavan) = wit | וּשְׁפָלָ֥ה (ushefala) = en lager | אֵינֶ֛נָּה (einena) = zij is niet | מִן (min) = dan | הָע֖וֹר (haor) = de huid | וְהִ֣וא (vehi) = en zij | כֵהָ֑ה (keha) = dof is | וְהִסְגִּיר֥וֹ (vehisgiro) = en hij zondert hem af | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:4–5; Lev 13:23 **13:27** **Op de zevende dag moet de priester hem bekijken. Als zij zich over de huid heeft verspreid, moet de priester hem onrein verklaren. Het is een plek van melaatsheid.** Brontekst: וְרָאָ֥הוּ (veraahu) = en hij bekijkt hem | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֑י (hashevii) = de zevende | אִם (im) = als | פָּשֹׂ֤ה (paso) = zich verspreiden | תִפְשֶׂה֙ (tifse) = zal verspreiden | בָּע֔וֹר (baor) = op de huid | וְטִמֵּ֤א (vetime) = en hij verklaart onrein | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֹת֔וֹ (oto) = hem | נֶ֥גַע (nega) = een plek van | צָרַ֖עַת (tsaraat) = melaatsheid | הִֽוא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:28** **Maar blijft de glanzende vlek op haar plaats, verspreidt zij zich niet over de huid en is zij dof, dan is het de zwelling van de brandwond. De priester moet hem rein verklaren, want het is het litteken van de brandwond.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | תַּחְתֶּיהָ֩ (tachteiha) = op haar plaats | תַעֲמֹ֨ד (taamod) = blijft staan | הַבַּהֶ֜רֶת (habaheret) = de glanzende vlek | לֹא (lo) = niet | פָשְׂתָ֤ה (paseta) = heeft zich verspreid | בָעוֹר֙ (baor) = op de huid | וְהִ֣וא (vehi) = en zij | כֵהָ֔ה (keha) = dof is | שְׂאֵ֥ת (seet) = de zwelling van | הַמִּכְוָ֖ה (hamikhva) = de brandwond | הִ֑וא (hi) = zij is | וְטִֽהֲרוֹ֙ (vetiharo) = en hij verklaart hem rein | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | כִּֽי (ki) = want | צָרֶ֥בֶת (tsarevet) = het litteken van | הַמִּכְוָ֖ה (hamikhva) = de brandwond | הִֽוא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Schurft op het hoofd of in de baard **13:29** **Wanneer een man of een vrouw een plek heeft op het hoofd of in de baard,** Brontekst: וְאִישׁ֙ (veish) = en een man | א֣וֹ (o) = of | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֥ה (yihye) = er is | ב֖וֹ (bo) = in hem | נָ֑גַע (naga) = een plek | בְּרֹ֖אשׁ (berosh) = op het hoofd | א֥וֹ (o) = of | בְזָקָֽן (bezaqan) = in de baard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 53:5; 1 Kon 8:38; 1 Kon 12:28; Hand 22:3–4; 2 Tess 2:11–12 **13:30** **dan moet de priester de plek bekijken. Ziet hij dat zij dieper uitziet dan de huid en dat er dun, geel haar in zit, dan moet de priester hem onrein verklaren. Het is schurft, melaatsheid van het hoofd of van de baard.** Brontekst: וְרָאָ֨ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֗גַע (hanega) = de plek | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | מַרְאֵ֨הוּ֙ (marehu) = haar aanzien | עָמֹ֣ק (amoq) = dieper | מִן (min) = dan | הָע֔וֹר (haor) = de huid | וּב֛וֹ (uvo) = en in haar | שֵׂעָ֥ר (sear) = haar | צָהֹ֖ב (tsahov) = geel | דָּ֑ק (daq) = dun | וְטִמֵּ֨א (vetime) = en hij verklaart onrein | אֹת֤וֹ (oto) = hem | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | נֶ֣תֶק (neteq) = schurft | ה֔וּא (hu) = het is | צָרַ֧עַת (tsaraat) = melaatsheid van | הָרֹ֛אשׁ (harosh) = het hoofd | א֥וֹ (o) = of | הַזָּקָ֖ן (hazaqan) = de baard | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶתֶק (netek), ‘schurft’: een aandoening van hoofd of baard, waarbij het haar dun en geel wordt. Het woord komt alleen in dit hoofdstuk en in Lev. 14:54 voor. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 13:34–37; Lev 14:54 **13:31** **Bekijkt de priester de plek van de schurft, dan ziet hij dat zij er niet dieper uitziet dan de huid en dat er geen zwart haar in zit. Dan moet de priester de plek van de schurft zeven dagen afzonderen.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִרְאֶ֨ה (yire) = hij ziet | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | נֶ֣גַע (nega) = de plek van | הַנֶּ֗תֶק (haneteq) = de schurft | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | אֵין (ein) = niet is | מַרְאֵ֨הוּ֙ (marehu) = haar aanzien | עָמֹ֣ק (amoq) = dieper | מִן (min) = dan | הָע֔וֹר (haor) = de huid | וְשֵׂעָ֥ר (vesear) = en haar | שָׁחֹ֖ר (shachor) = zwart | אֵ֣ין (ein) = niet is | בּ֑וֹ (bo) = in haar | וְהִסְגִּ֧יר (vehisgir) = en hij zondert af | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | נֶ֥גַע (nega) = de plek van | הַנֶּ֖תֶק (haneteq) = de schurft | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:32** **Op de zevende dag moet de priester de plek bekijken. Ziet hij dat de schurft zich niet heeft verspreid, dat er geen geel haar in zit en dat de schurft er niet dieper uitziet dan de huid,** Brontekst: וְרָאָ֨ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּגַע֮ (hanega) = de plek | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִי֒ (hashevii) = de zevende | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | לֹא (lo) = niet | פָשָׂ֣ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֔תֶק (haneteq) = de schurft | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֥יָה (haya) = is geweest | ב֖וֹ (bo) = in haar | שֵׂעָ֣ר (sear) = haar | צָהֹ֑ב (tsahov) = geel | וּמַרְאֵ֣ה (umare) = en het aanzien van | הַנֶּ֔תֶק (haneteq) = de schurft | אֵ֥ין (ein) = niet is | עָמֹ֖ק (amoq) = dieper | מִן (min) = dan | הָעֽוֹר (haor) = de huid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:30; Mat 23:5; Luc 18:9–12; Rom 2:23 **13:33** **dan moet hij zich scheren, maar de schurft zelf mag hij niet scheren. De priester moet de schurft nog eens zeven dagen afzonderen.** Brontekst: וְהִ֨תְגַּלָּ֔ח (vehitgalach) = en hij scheert zich | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנֶּ֖תֶק (haneteq) = de schurft | לֹ֣א (lo) = niet | יְגַלֵּ֑חַ (yegaleach) = hij zal scheren | וְהִסְגִּ֨יר (vehisgir) = en hij zondert af | הַכֹּהֵ֧ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֛תֶק (haneteq) = de schurft | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | שֵׁנִֽית (shenit) = voor de tweede keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:34** **Op de zevende dag moet de priester de schurft bekijken. Ziet hij dat de schurft zich niet over de huid heeft verspreid en er niet dieper uitziet dan de huid, dan moet de priester hem rein verklaren. Hij moet zijn kleren wassen, en dan is hij rein.** Brontekst: וְרָאָה֩ (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֨ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֜תֶק (haneteq) = de schurft | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | וְ֠הִנֵּה (vehine) = en zie | לֹא (lo) = niet | פָשָׂ֤ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֨תֶק֙ (haneteq) = de schurft | בָּע֔וֹר (baor) = op de huid | וּמַרְאֵ֕הוּ (umarehu) = en haar aanzien | אֵינֶ֥נּוּ (einenu) = niet is | עָמֹ֖ק (amoq) = dieper | מִן (min) = dan | הָע֑וֹר (haor) = de huid | וְטִהַ֤ר (vetihar) = en hij verklaart rein | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְכִבֶּ֥ס (vekhibes) = en hij wast | בְּגָדָ֖יו (begadav) = zijn kleren | וְטָהֵֽר (vetaher) = en hij is rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jud 1:22; 1 Joh 4:1; Openb 2:2 **13:35** **Maar als de schurft zich over de huid verspreidt nadat hij rein is verklaard,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | פָּשֹׂ֥ה (paso) = zich verspreiden | יִפְשֶׂ֛ה (yifse) = zal verspreiden | הַנֶּ֖תֶק (haneteq) = de schurft | בָּע֑וֹר (baor) = op de huid | אַחֲרֵ֖י (acharei) = nadat | טָהֳרָתֽוֹ (tahorato) = zijn reinverklaring Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:7; Lev 13:27; 2 Tim 2:16–17; 2 Tim 3:13 **13:36** **dan moet de priester hem bekijken. Ziet hij dat de schurft zich over de huid heeft verspreid, dan hoeft de priester niet naar het gele haar te zoeken: hij is onrein.** Brontekst: וְרָאָ֨הוּ֙ (veraahu) = en hij ziet hem | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | פָּשָׂ֥ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֖תֶק (haneteq) = de schurft | בָּע֑וֹר (baor) = op de huid | לֹֽא (lo) = niet | יְבַקֵּ֧ר (yevaqer) = hij zal zoeken | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | לַשֵּׂעָ֥ר (lasear) = naar het haar | הַצָּהֹ֖ב (hatsahov) = het gele | טָמֵ֥א (tame) = onrein | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:37** **Maar is de schurft in zijn ogen gelijk gebleven en is er zwart haar in gegroeid, dan is de schurft genezen: hij is rein. De priester moet hem rein verklaren.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בְּעֵינָיו֩ (beeinav) = in zijn ogen | עָמַ֨ד (amad) = is blijven staan | הַנֶּ֜תֶק (haneteq) = de schurft | וְשֵׂעָ֨ר (vesear) = en haar | שָׁחֹ֧ר (shachor) = zwart | צָֽמַח (tsamach) = is gegroeid | בּ֛וֹ (bo) = in haar | נִרְפָּ֥א (nirpa) = is genezen | הַנֶּ֖תֶק (haneteq) = de schurft | טָה֣וֹר (tahor) = rein | ה֑וּא (hu) = hij is | וְטִהֲר֖וֹ (vetiharo) = en hij verklaart hem rein | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Glanzende vlekken en kaalheid **13:38** **Wanneer een man of een vrouw op de huid van hun lichaam glanzende vlekken heeft, witte glanzende vlekken,** Brontekst: וְאִישׁ֙ (veish) = en een man | אֽוֹ (o) = of | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֥ה (yihye) = er zijn | בְעוֹר (beor) = op de huid van | בְּשָׂרָ֖ם (besaram) = hun lichaam | בֶּהָרֹ֑ת (beharot) = glanzende vlekken | בֶּהָרֹ֖ת (beharot) = glanzende vlekken | לְבָנֹֽת (levanot) = witte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:39** **dan moet de priester kijken. Ziet hij dat de glanzende vlekken op de huid van hun lichaam dof wit zijn, dan is het bohak, uitgebroken op de huid. Hij is rein.** Brontekst: וְרָאָ֣ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֧ה (vehine) = en zie | בְעוֹר (beor) = op de huid van | בְּשָׂרָ֛ם (besaram) = hun lichaam | בֶּהָרֹ֖ת (beharot) = glanzende vlekken | כֵּה֣וֹת (kehot) = dof | לְבָנֹ֑ת (levanot) = wit | בֹּ֥הַק (bohaq) = bohak | ה֛וּא (hu) = het is | פָּרַ֥ח (parach) = het is uitgebroken | בָּע֖וֹר (baor) = op de huid | טָה֥וֹר (tahor) = rein | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּהַק (bohak): een onschuldige huiduitslag met dof witte vlekken. Het woord staat alleen hier en wij laten het onvertaald, omdat het geen gewoon Nederlands woord heeft. Het is geen melaatsheid. Zie ook: Pred 7:20; Jak 3:2; Rom 7:22–25 **13:40** **Wanneer iemand het haar op zijn hoofd verliest, is hij kaal aan de achterkant. Hij is rein.** Brontekst: וְאִ֕ישׁ (veish) = en een man | כִּ֥י (ki) = wanneer | יִמָּרֵ֖ט (yimaret) = wordt kaal | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | קֵרֵ֥חַ (qereach) = kaal aan de achterkant | ה֖וּא (hu) = hij is | טָה֥וֹר (tahor) = rein | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֵרֵחַ (qereach), ‘kaal aan de achterkant’ van het hoofd, en גִּבֵּחַ (gibbeach), ‘kaal aan de voorkant’ (vers 41). Kaalheid op zich maakt niet onrein. Zie ook: Lev 13:41; Hoogl 5:11; 2 Kon 2:23; Gal 4:13; Rom 6:12; Rom 8:10 **13:41** **Verliest hij het haar vanaf de voorkant van zijn gezicht, dan is hij kaal aan de voorkant. Hij is rein.** Brontekst: וְאִם֙ (veim) = en als | מִפְּאַ֣ת (mipeat) = vanaf de voorkant van | פָּנָ֔יו (panav) = zijn gezicht | יִמָּרֵ֖ט (yimaret) = wordt kaal | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | גִּבֵּ֥חַ (gibeach) = kaal aan de voorkant | ה֖וּא (hu) = hij is | טָה֥וֹר (tahor) = rein | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִפְּאַת פָּנָיו (mippe’at panav), ‘vanaf de voorkant van zijn gezicht’: de rand van het voorhoofd. **13:42** **Maar wanneer er op de kale plek achter of voor een roodachtig witte plek komt, is het melaatsheid die uitbreekt op zijn kale plek achter of voor.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִהְיֶ֤ה (yihye) = er is | בַקָּרַ֨חַת֙ (baqarachat) = op de kale plek achter | א֣וֹ (o) = of | בַגַּבַּ֔חַת (bagabachat) = op de kale plek voor | נֶ֖גַע (nega) = een plek | לָבָ֣ן (lavan) = wit | אֲדַמְדָּ֑ם (adamdam) = roodachtig | צָרַ֤עַת (tsaraat) = melaatsheid | פֹּרַ֨חַת֙ (porachat) = uitbrekend | הִ֔וא (hi) = zij is | בְּקָרַחְתּ֖וֹ (beqarachto) = op zijn kale plek achter | א֥וֹ (o) = of | בְגַבַּחְתּֽוֹ (begabachto) = op zijn kale plek voor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָרַחַת (qarachat), ‘kale plek achter’, en גַּבַּחַת (gabbachat), ‘kale plek voor’: de plek op het hoofd waar het haar is weggevallen. **13:43** **De priester moet hem bekijken. Ziet hij dat de zwelling van de plek roodachtig wit is op zijn kale plek achter of voor, zoals melaatsheid van de huid van het lichaam eruitziet,** Brontekst: וְרָאָ֨ה (veraa) = en hij ziet | אֹת֜וֹ (oto) = hem | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | שְׂאֵת (seet) = de zwelling van | הַנֶּ֨גַע֙ (hanega) = de plek | לְבָנָ֣ה (levana) = wit | אֲדַמְדֶּ֔מֶת (adamdemet) = roodachtig | בְּקָרַחְתּ֖וֹ (beqarachto) = op zijn kale plek achter | א֣וֹ (o) = of | בְגַבַּחְתּ֑וֹ (begabachto) = op zijn kale plek voor | כְּמַרְאֵ֥ה (kemare) = zoals het aanzien van | צָרַ֖עַת (tsaraat) = melaatsheid van | ע֥וֹר (or) = de huid van | בָּשָֽׂר (basar) = het lichaam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De melaatse man **13:44** **dan is hij een melaatse man: hij is onrein. De priester moet hem zeker onrein verklaren. De plek zit op zijn hoofd.** Brontekst: אִישׁ (ish) = een man | צָר֥וּעַ (tsarua) = melaatse | ה֖וּא (hu) = hij is | טָמֵ֣א (tame) = onrein | ה֑וּא (hu) = hij is | טַמֵּ֧א (tame) = zeker onrein verklaren | יְטַמְּאֶ֛נּוּ (yetameenu) = hij zal hem onrein verklaren | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | בְּרֹאשׁ֥וֹ (berosho) = op zijn hoofd | נִגְעֽוֹ (nigo) = zijn plek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַמֵּא יְטַמְּאֶנּוּ (tamme yetammeennu), ‘hem zeker onrein verklaren’: de herhaling in het Hebreeuws maakt het sterker. Zie ook: Job 36:14; Jes 1:5; Mat 6:23; 2 Petr 2:1–2; 2 Joh 1:8–10 **13:45** **De melaatse bij wie de plek zit: zijn kleren moeten gescheurd zijn en zijn haar moet loshangen. Hij moet zijn bovenlip bedekken en roepen: ‘Onrein, onrein!’** Brontekst: וְהַצָּר֜וּעַ (vehatsarua) = en de melaatse | אֲשֶׁר (asher) = bij wie | בּ֣וֹ (bo) = in hem | הַנֶּ֗גַע (hanega) = de plek | בְּגָדָ֞יו (begadav) = zijn kleren | יִהְי֤וּ (yihyu) = zij zullen zijn | פְרֻמִים֙ (perumim) = gescheurd | וְרֹאשׁוֹ֙ (verosho) = en zijn hoofd | יִהְיֶ֣ה (yihye) = het zal zijn | פָר֔וּעַ (parua) = loshangend | וְעַל (veal) = en over | שָׂפָ֖ם (safam) = de bovenlip | יַעְטֶ֑ה (yate) = hij zal bedekken | וְטָמֵ֥א (vetame) = en onrein | טָמֵ֖א (tame) = onrein | יִקְרָֽא (yiqra) = hij zal roepen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gescheurde kleren, loshangend haar en een bedekte bovenlip zijn ook tekens van rouw (Lev. 10:6; Lev. 21:10). Zie ook: Lev 10:6; Lev 21:10; Mi 3:7; Klaagl 4:15; Ezech 24:17; Ezech 24:22 **13:46** **Zolang de plek op hem zit, blijft hij onrein. Onrein is hij. Hij moet alleen wonen. Zijn woonplaats is buiten het kamp.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | יְמֵ֞י (yemei) = dagen dat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarin | הַנֶּ֥גַע (hanega) = de plek | בּ֛וֹ (bo) = op hem is | יִטְמָ֖א (yitma) = hij is onrein | טָמֵ֣א (tame) = onrein | ה֑וּא (hu) = hij is | בָּדָ֣ד (badad) = alleen | יֵשֵׁ֔ב (yeshev) = hij zal wonen | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֖ה (lamachane) = het kamp | מוֹשָׁבֽוֹ (moshavo) = zijn woonplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor het verblijf buiten het kamp zie ook Num. 5:2–3. Mirjam werd zo zeven dagen buiten het kamp gehouden (Num. 12:10–15). Zie ook: Num 5:1–4; Num 5:2–3; Num 12:10–15; Num 12:14–15; 2 Kon 7:3; 2 Kon 15:5; 2 Kron 26:21 ### Melaatsheid in kleding en leer **13:47** **Wanneer er een plek van melaatsheid zit in een kledingstuk, in een wollen kledingstuk of een linnen kledingstuk,** Brontekst: וְהַבֶּ֕גֶד (vehabeged) = en het kledingstuk | כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֥ה (yihye) = er is | ב֖וֹ (bo) = in het | נֶ֣גַע (nega) = een plek van | צָרָ֑עַת (tsaraat) = melaatsheid | בְּבֶ֣גֶד (beveged) = in een kledingstuk van | צֶ֔מֶר (tsemer) = wol | א֖וֹ (o) = of | בְּבֶ֥גֶד (beveged) = in een kledingstuk van | פִּשְׁתִּֽים (pishtim) = linnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶמֶר (tsemer), ‘wol’, en פִּשְׁתִּים (pishtim), ‘linnen’: stof van vlas. Zie ook: Jes 59:6; Jes 64:5; Rom 13:12; Ef 4:22; Jud 1:23 **13:48** **of in de kettingdraad of de inslagdraad, van linnen of van wol, of in leer of in enig leerwerk.** Brontekst: א֤וֹ (o) = of | בִֽשְׁתִי֙ (bishti) = in de kettingdraad | א֣וֹ (o) = of | בְעֵ֔רֶב (beerev) = in de inslagdraad | לַפִּשְׁתִּ֖ים (lapishtim) = van linnen | וְלַצָּ֑מֶר (velatsamer) = en van wol | א֣וֹ (o) = of | בְע֔וֹר (beor) = in leer | א֖וֹ (o) = of | בְּכָל (bekhal) = in enig | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֽוֹר (or) = leer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁתִי (shti), ‘kettingdraad’, en עֵרֶב (erev), ‘inslagdraad’: de draden van een weefsel, in de lengte en in de breedte. Voetnoot : מְלֶאכֶת עוֹר (melekhet or), ‘leerwerk’: iets wat van leer gemaakt is. Zie ook: Lev 13:51; Deut 8:11; Jud 1:23; Openb 3:4 **13:49** **En de plek is groenig of roodachtig in het kledingstuk, in het leer, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in enig leren voorwerp. Dan is het een plek van melaatsheid. Het moet aan de priester getoond worden.** Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het is | הַנֶּ֜גַע (hanega) = de plek | יְרַקְרַ֣ק (yeraqraq) = groenig | א֣וֹ (o) = of | אֲדַמְדָּ֗ם (adamdam) = roodachtig | בַּבֶּגֶד֩ (babeged) = in het kledingstuk | א֨וֹ (o) = of | בָע֜וֹר (baor) = in het leer | אֽוֹ (o) = of | בַשְּׁתִ֤י (basheti) = in de kettingdraad | אוֹ (o) = of | בָעֵ֨רֶב֙ (baerev) = in de inslagdraad | א֣וֹ (o) = of | בְכָל (bekhal) = in enig | כְּלִי (keli) = voorwerp van | ע֔וֹר (or) = leer | נֶ֥גַע (nega) = een plek van | צָרַ֖עַת (tsaraat) = melaatsheid | ה֑וּא (hu) = het is | וְהָרְאָ֖ה (veharea) = en het wordt getoond | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְרַקְרַק (yeraqraq), ‘groenig’, en אֲדַמְדָּם (adamdam), ‘roodachtig’: de kleur van de plek. **13:50** **De priester moet de plek bekijken en haar zeven dagen afzonderen.** Brontekst: וְרָאָ֥ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַנָּ֑גַע (hanaga) = de plek | וְהִסְגִּ֥יר (vehisgir) = en hij zondert af | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֖גַע (hanega) = de plek | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 44:23 **13:51** **Op de zevende dag moet hij de plek bekijken. Heeft de plek zich verspreid in het kledingstuk, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in het leer, waarvoor het leer ook gebruikt wordt. Dan is het kwaadaardige melaatsheid. De plek is onrein.** Brontekst: וְרָאָ֨ה (veraa) = en hij ziet | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֜גַע (hanega) = de plek | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | כִּֽי (ki) = dat | פָשָׂ֤ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֨גַע֙ (hanega) = de plek | בַּ֠בֶּגֶד (babeged) = in het kledingstuk | אֽוֹ (o) = of | בַשְּׁתִ֤י (basheti) = in de kettingdraad | אֽוֹ (o) = of | בָעֵ֨רֶב֙ (baerev) = in de inslagdraad | א֣וֹ (o) = of | בָע֔וֹר (baor) = in het leer | לְכֹ֛ל (lekhol) = voor alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֵעָשֶׂ֥ה (yease) = gemaakt wordt | הָע֖וֹר (haor) = het leer | לִמְלָאכָ֑ה (limlakha) = tot werk | צָרַ֧עַת (tsaraat) = melaatsheid | מַמְאֶ֛רֶת (mameret) = kwaadaardige | הַנֶּ֖גַע (hanega) = de plek | טָמֵ֥א (tame) = onrein | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרַעַת מַמְאֶרֶת (tsara‘at mam’eret), ‘kwaadaardige melaatsheid’: het woord מַמְאֶרֶת staat alleen hier, in vers 52 en in Lev. 14:44. De betekenis (‘pijnlijk’, ‘prikkend’, ‘om zich heen grijpend’) is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 13:52; Lev 14:44 **13:52** **Hij moet het kledingstuk verbranden, of de kettingdraad of de inslagdraad, van wol of van linnen, of elk leren voorwerp waarin de plek zit. Want het is kwaadaardige melaatsheid. In het vuur moet het verbrand worden.** Brontekst: וְשָׂרַ֨ף (vesaraf) = en hij verbrandt | אֶת (et) = (obj.) | הַבֶּ֜גֶד (habeged) = het kledingstuk | א֥וֹ (o) = of | אֶֽת (et) = (obj.) | הַשְּׁתִ֣י (hasheti) = de kettingdraad | א֣וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | הָעֵ֗רֶב (haerev) = de inslagdraad | בַּצֶּ֨מֶר֙ (batsemer) = van wol | א֣וֹ (o) = of | בַפִּשְׁתִּ֔ים (bapishtim) = van linnen | א֚וֹ (o) = of | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = elk | כְּלִ֣י (keli) = voorwerp van | הָע֔וֹר (haor) = het leer | אֲשֶׁר (asher) = waarin | יִהְיֶ֥ה (yihye) = er is | ב֖וֹ (bo) = in het | הַנָּ֑גַע (hanaga) = de plek | כִּֽי (ki) = want | צָרַ֤עַת (tsaraat) = melaatsheid | מַמְאֶ֨רֶת֙ (mameret) = kwaadaardige | הִ֔וא (hi) = het is | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = in het vuur | תִּשָּׂרֵֽף (tisaref) = het wordt verbrand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:33; Lev 11:35; Deut 7:25–26; Jes 30:22; Hand 19:19–20 **13:53** **Maar als de priester ziet dat de plek zich niet heeft verspreid in het kledingstuk, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in enig leren voorwerp,** Brontekst: וְאִם֮ (veim) = en als | יִרְאֶ֣ה (yire) = hij ziet | הַכֹּהֵן֒ (hakohen) = de priester | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | לֹא (lo) = niet | פָשָׂ֣ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֔גַע (hanega) = de plek | בַּבֶּ֕גֶד (babeged) = in het kledingstuk | א֥וֹ (o) = of | בַשְּׁתִ֖י (basheti) = in de kettingdraad | א֣וֹ (o) = of | בָעֵ֑רֶב (baerev) = in de inslagdraad | א֖וֹ (o) = of | בְּכָל (bekhal) = in enig | כְּלִי (keli) = voorwerp van | עֽוֹר (or) = leer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:54** **dan moet de priester bevelen dat zij wassen waarin de plek zit. Hij moet het nog eens zeven dagen afzonderen.** Brontekst: וְצִוָּה֙ (vetsiva) = en hij beveelt | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְכִ֨בְּס֔וּ (vekhibesu) = en zij wassen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | בּ֖וֹ (bo) = in het | הַנָּ֑גַע (hanaga) = de plek | וְהִסְגִּיר֥וֹ (vehisgiro) = en hij zondert het af | שִׁבְעַת (shivat) = zeven van | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | שֵׁנִֽית (shenit) = voor de tweede keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:55** **Nadat het gewassen is, moet de priester de plek bekijken. Ziet hij dat de plek haar uiterlijk niet heeft veranderd en zich niet heeft verspreid, dan is het onrein. Je moet het in het vuur verbranden. Het is een kale plek, aan de achterkant of aan de voorkant.** Brontekst: וְרָאָ֨ה (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אַחֲרֵ֣י (acharei) = nadat | הֻכַּבֵּ֣ס (hukabes) = het gewassen is | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֗גַע (hanega) = de plek | וְ֠הִנֵּה (vehine) = en zie | לֹֽא (lo) = niet | הָפַ֨ךְ (hafakh) = heeft veranderd | הַנֶּ֤גַע (hanega) = de plek | אֶת (et) = (obj.) | עֵינוֹ֙ (eino) = haar uiterlijk | וְהַנֶּ֣גַע (vehanega) = en de plek | לֹֽא (lo) = niet | פָשָׂ֔ה (pasa) = heeft zich verspreid | טָמֵ֣א (tame) = onrein | ה֔וּא (hu) = het is | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = in het vuur | תִּשְׂרְפֶ֑נּוּ (tisrefenu) = je zult het verbranden | פְּחֶ֣תֶת (pechetet) = een kale plek | הִ֔וא (hi) = het is | בְּקָרַחְתּ֖וֹ (beqarachto) = op zijn achterkant | א֥וֹ (o) = of | בְגַבַּחְתּֽוֹ (begabachto) = op zijn voorkant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּחֶתֶת (pechetet), ‘kale plek’: letterlijk ‘uitgeholde plek’. Het woord staat alleen hier. Voetnoot : קָרַחַת (qarachat) en גַּבַּחַת (gabbachat) hebben hier een andere betekenis dan in vers 42: de achterkant en de voorkant van de stof. Voetnoot : אֶת עֵינוֹ (et eno), ‘haar uiterlijk’: letterlijk ‘haar oog’. Zie ook: Lev 13:42; Ezech 24:13; 2 Petr 1:9; 2 Petr 2:20–22; Heb 6:4–8 **13:56** **Maar als de priester ziet dat de plek dof is geworden nadat het gewassen is. Dan moet hij haar scheuren uit het kledingstuk, uit het leer, uit de kettingdraad of uit de inslagdraad.** Brontekst: וְאִם֮ (veim) = en als | רָאָ֣ה (raa) = hij ziet | הַכֹּהֵן֒ (hakohen) = de priester | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | כֵּהָ֣ה (keha) = is dof geworden | הַנֶּ֔גַע (hanega) = de plek | אַחֲרֵ֖י (acharei) = nadat | הֻכַּבֵּ֣ס (hukabes) = het gewassen is | אֹת֑וֹ (oto) = het | וְקָרַ֣ע (veqara) = en hij scheurt | אֹת֗וֹ (oto) = het | מִן (min) = uit | הַבֶּ֨גֶד֙ (habeged) = het kledingstuk | א֣וֹ (o) = of | מִן (min) = uit | הָע֔וֹר (haor) = het leer | א֥וֹ (o) = of | מִן (min) = uit | הַשְּׁתִ֖י (hasheti) = de kettingdraad | א֥וֹ (o) = of | מִן (min) = uit | הָעֵֽרֶב (haerev) = de inslagdraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:57** **Maar verschijnt zij nog eens in het kledingstuk, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in enig leren voorwerp, dan is zij uitgebroken. Je moet in het vuur verbranden waarin de plek zit.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | תֵּרָאֶ֨ה (terae) = zij verschijnt | ע֜וֹד (od) = nog | בַּ֠בֶּגֶד (babeged) = in het kledingstuk | אֽוֹ (o) = of | בַשְּׁתִ֤י (basheti) = in de kettingdraad | אֽוֹ (o) = of | בָעֵ֨רֶב֙ (baerev) = in de inslagdraad | א֣וֹ (o) = of | בְכָל (bekhal) = in enig | כְּלִי (keli) = voorwerp van | ע֔וֹר (or) = leer | פֹּרַ֖חַת (porachat) = uitbrekend | הִ֑וא (hi) = zij is | בָּאֵ֣שׁ (baesh) = in het vuur | תִּשְׂרְפֶ֔נּוּ (tisrefenu) = je zult het verbranden | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | בּ֖וֹ (bo) = in het | הַנָּֽגַע (hanaga) = de plek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 33:14; Mat 3:12; Mat 25:41; Openb 21:8; Openb 21:27 **13:58** **Maar het kledingstuk, de kettingdraad, de inslagdraad of elk leren voorwerp dat je hebt gewassen en waaruit de plek is verdwenen, moet nog eens gewassen worden. Dan is het rein.** Brontekst: וְהַבֶּ֡גֶד (vehabeged) = en het kledingstuk | אֽוֹ (o) = of | הַשְּׁתִ֨י (hasheti) = de kettingdraad | אוֹ (o) = of | הָעֵ֜רֶב (haerev) = de inslagdraad | אֽוֹ (o) = of | כָל (kal) = elk | כְּלִ֤י (keli) = voorwerp van | הָעוֹר֙ (haor) = het leer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תְּכַבֵּ֔ס (tekhabes) = je wast | וְסָ֥ר (vesar) = en is verdwenen | מֵהֶ֖ם (mehem) = van hen | הַנָּ֑גַע (hanaga) = de plek | וְכֻבַּ֥ס (vekhubas) = en het wordt gewassen | שֵׁנִ֖ית (shenit) = voor de tweede keer | וְטָהֵֽר (vetaher) = en het is rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 5:10; 2 Kor 7:1; 2 Kor 12:8; Heb 9:10; Openb 1:5 ### Afsluiting van de wet **13:59** **Dit is de wet voor de plek van melaatsheid. In een wollen of linnen kledingstuk, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in enig leren voorwerp, om het rein of onrein te verklaren.”** Brontekst: זֹ֠את (zot) = dit | תּוֹרַ֨ת (torat) = de wet van | נֶֽגַע (nega) = de plek van | צָרַ֜עַת (tsaraat) = melaatsheid | בֶּ֥גֶד (beged) = het kledingstuk van | הַצֶּ֣מֶר (hatsemer) = de wol | א֣וֹ (o) = of | הַפִּשְׁתִּ֗ים (hapishtim) = het linnen | א֤וֹ (o) = of | הַשְּׁתִי֙ (hasheti) = de kettingdraad | א֣וֹ (o) = of | הָעֵ֔רֶב (haerev) = de inslagdraad | א֖וֹ (o) = of | כָּל (kal) = elk | כְּלִי (keli) = voorwerp van | ע֑וֹר (or) = leer | לְטַהֲר֖וֹ (letaharo) = om het rein te verklaren | א֥וֹ (o) = of | לְטַמְּאֽוֹ (letameo) = om het onrein te verklaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’. Wij vertalen steeds ‘wet’. ## Leviticus 14 _De reiniging van de melaatse en melaatsheid in huizen_ ### De reiniging van de melaatse **14:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:2** **„Dit is de wet voor de melaatse op de dag van zijn reiniging. Hij moet naar de priester worden gebracht.** Brontekst: זֹ֤את (zot) = dit | תִּֽהְיֶה֙ (tihye) = zij zal zijn | תּוֹרַ֣ת (torat) = de wet van | הַמְּצֹרָ֔ע (hametsora) = de melaatse | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | טָהֳרָת֑וֹ (tahorato) = zijn reiniging | וְהוּבָ֖א (vehuva) = en hij wordt gebracht | אֶל (el) = tot | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְצֹרָע (metsora‘), ‘melaatse’: iemand die tsara‘at heeft gehad (zie Lev. 13:2). Wie genezen is, moet door de priester rein worden verklaard.\nתּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’. Wij vertalen steeds ‘wet’.\nZie ook Matt. 8:4 en Lukas 5:14, waar Yeshua een genezen man naar de priester stuurt. Zie ook: Lev 13:2; Num 6:9; Mat 8:2–4; Mat 8:4; Mar 1:40–44; Luc 5:12–14; Luc 5:14; Luc 17:14 **14:3** **De priester moet buiten het kamp gaan en kijken. Ziet de priester dat de plek van melaatsheid bij de melaatse genezen is,** Brontekst: וְיָצָא֙ (veyatsa) = en hij gaat uit | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אֶל (el) = naar | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֑ה (lamachane) = het kamp | וְרָאָה֙ (veraa) = en hij ziet | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | נִרְפָּ֥א (nirpa) = is genezen | נֶֽגַע (nega) = de plek van | הַצָּרַ֖עַת (hatsaraat) = de melaatsheid | מִן (min) = van | הַצָּרֽוּעַ (hatsarua) = de melaatse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De melaatse woonde buiten het kamp (Lev. 13:46). Daarom gaat de priester naar hem toe. Zie ook: Lev 13:46; 2 Kon 5:3; 2 Kon 5:14; Luc 7:22; 1 Kor 6:9–11 **14:4** **dan moet de priester bevelen dat men voor wie rein verklaard wordt twee levende, reine vogels neemt, met cederhout, karmozijnrood garen en hysop.** Brontekst: וְצִוָּה֙ (vetsiva) = en hij beveelt | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְלָקַ֧ח (velaqach) = en men neemt | לַמִּטַּהֵ֛ר (lamitaher) = voor wie rein verklaard wordt | שְׁתֵּֽי (shetei) = twee van | צִפֳּרִ֥ים (tsiporim) = vogels | חַיּ֖וֹת (chayot) = levend | טְהֹר֑וֹת (tehorot) = rein | וְעֵ֣ץ (veets) = en hout van | אֶ֔רֶז (erez) = ceder | וּשְׁנִ֥י (usheni) = en karmozijn van | תוֹלַ֖עַת (tolaat) = de worm | וְאֵזֹֽב (veezov) = en hysop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Reine vogels zijn vogels die niet in de lijst van onreine vogels staan (Lev. 11:13–19).\nעֵץ אֶרֶז (ets erez), ‘cederhout’; אֵזֹב (ezov), ‘hysop’: een geurige plant; שְׁנִי תוֹלַעַת (shni tola‘at), ‘karmozijnrood garen’. De rode kleur komt van een worm (tola‘at); zie ook Exod. 25:4. Zie ook: Ex 12:22; Ex 25:4; Lev 11:13–19; Lev 14:6; Num 19:6; Ps 51:9; Heb 9:19 **14:5** **De priester moet bevelen dat men de ene vogel slacht in een aarden schaal, boven levend water.** Brontekst: וְצִוָּה֙ (vetsiva) = en hij beveelt | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְשָׁחַ֖ט (veshachat) = en men slacht | אֶת (et) = (obj.) | הַצִּפּ֣וֹר (hatsipor) = de vogel | הָאֶחָ֑ת (haechat) = de ene | אֶל (el) = in | כְּלִי (keli) = een schaal van | חֶ֖רֶשׂ (cheres) = aarde | עַל (al) = boven | מַ֥יִם (mayim) = water | חַיִּֽים (chayim) = levend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַיִם חַיִּים (mayim chayyim), ‘levend water’: stromend, vers water uit een bron; zie ook Gen. 26:19.\nכְּלִי־חֶרֶשׂ (keli-cheres), ‘aarden schaal’: een vat van aardewerk. Zie ook: Gen 26:19; Lev 14:50; Num 5:17; 2 Kor 4:7; 2 Kor 5:1; Heb 2:14 **14:6** **De levende vogel moet hij nemen, samen met het cederhout, het karmozijnrood garen en de hysop. Hij moet ze dopen, met de levende vogel, in het bloed van de geslachte vogel boven het levende water.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַצִּפֹּ֤ר (hatsipor) = de vogel | הַֽחַיָּה֙ (hachaya) = de levende | יִקַּ֣ח (yiqach) = hij zal nemen | אֹתָ֔הּ (otah) = haar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵ֥ץ (ets) = hout van | הָאֶ֛רֶז (haerez) = de ceder | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁנִ֥י (sheni) = karmozijn van | הַתּוֹלַ֖עַת (hatolaat) = de worm | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֵזֹ֑ב (haezov) = de hysop | וְטָבַ֨ל (vetaval) = en hij zal dopen | אוֹתָ֜ם (otam) = hen | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הַצִּפֹּ֣ר (hatsipor) = de vogel | הַֽחַיָּ֗ה (hachaya) = de levende | בְּדַם֙ (bedam) = in het bloed van | הַצִּפֹּ֣ר (hatsipor) = de vogel | הַשְּׁחֻטָ֔ה (hashechuta) = de geslachte | עַ֖ל (al) = boven | הַמַּ֥יִם (hamayim) = het water | הַֽחַיִּֽים (hachayim) = het levende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:51–53; Zach 13:1; Joh 14:19; Openb 1:5; Openb 1:18 **14:7** **Hij moet zeven keer sprenkelen op wie van de melaatsheid rein verklaard wordt, en hem rein verklaren. Dan moet hij de levende vogel laten gaan, over het open veld.** Brontekst: וְהִזָּ֗ה (vehiza) = en hij zal sprenkelen | עַ֧ל (al) = op | הַמִּטַּהֵ֛ר (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | מִן (min) = van | הַצָּרַ֖עַת (hatsaraat) = de melaatsheid | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֑ים (peamim) = keer | וְטִ֣הֲר֔וֹ (vetiharo) = en hij verklaart hem rein | וְשִׁלַּ֛ח (veshilach) = en hij zal laten gaan | אֶת (et) = (obj.) | הַצִּפֹּ֥ר (hatsipor) = de vogel | הַֽחַיָּ֖ה (hachaya) = de levende | עַל (al) = over | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טִהֵר (tihér), ‘rein verklaren’: de priester verklaart hem rein. Wij vertalen het steeds zo, ook bij de reinigingsriten van dit hoofdstuk. Zie ook: 2 Kon 5:10; 2 Kon 5:14; Jes 52:15; Ezech 36:25; Heb 9:19 **14:8** **Wie rein verklaard wordt, moet zijn kleren wassen, al zijn haar afscheren en zich met water wassen. Dan is hij rein. Daarna mag hij het kamp binnengaan, maar zeven dagen moet hij buiten zijn tent wonen.** Brontekst: וְכִבֶּס֩ (vekhibes) = en hij zal wassen | הַמִּטַּהֵ֨ר (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֜יו (begadav) = zijn kleren | וְגִלַּ֣ח (vegilach) = en hij zal afscheren | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | שְׂעָר֗וֹ (searo) = zijn haar | וְרָחַ֤ץ (verachats) = en hij zal zich baden | בַּמַּ֨יִם֙ (bamayim) = in het water | וְטָהֵ֔ר (vetaher) = en hij is rein | וְאַחַ֖ר (veachar) = en daarna | יָב֣וֹא (yavo) = hij zal komen | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | וְיָשַׁ֛ב (veyashav) = en hij zal wonen | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לְאָהֳל֖וֹ (leaholo) = zijn tent | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De man wast zich in vers 8 en nog eens op de zevende dag (vers 9). Zie ook: Lev 11:25; Lev 14:9; Lev 14:20; Lev 15:5–8; Num 8:7; 1 Petr 3:21 **14:9** **Op de zevende dag moet hij al zijn haar afscheren: zijn hoofd, zijn baard en zijn wenkbrauwen. Al zijn haar moet hij afscheren. Hij moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Dan is hij rein.** Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֜י (hashevii) = de zevende | יְגַלַּ֣ח (yegalach) = hij zal afscheren | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | שְׂעָר֗וֹ (searo) = zijn haar | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֤וֹ (rosho) = zijn hoofd | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זְקָנוֹ֙ (zeqano) = zijn baard | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | גַּבֹּ֣ת (gabot) = de wenkbrauwen van | עֵינָ֔יו (einav) = zijn ogen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | שְׂעָר֖וֹ (searo) = zijn haar | יְגַלֵּ֑חַ (yegaleach) = hij zal afscheren | וְכִבֶּ֣ס (vekhibes) = en hij zal wassen | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֗יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֧ץ (verachats) = en hij zal baden | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂר֛וֹ (besaro) = zijn lichaam | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = in het water | וְטָהֵֽר (vetaher) = en hij is rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּבֹּת עֵינָיו (gabbot einav), ‘wenkbrauwen’: letterlijk ‘bogen van zijn ogen’. Zie ook: Lev 14:8; Num 6:9; Num 8:7 ### De offers op de achtste dag **14:10** **Op de achtste dag moet hij twee lammeren zonder gebrek nemen en één vrouwelijk lam van een jaar zonder gebrek. Ook drie tiende efa fijn meel als graanoffer, met olie gekneed, en één log olie.** Brontekst: וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁמִינִ֗י (hashemini) = de achtste | יִקַּ֤ח (yiqach) = hij zal nemen | שְׁנֵֽי (shenei) = twee van | כְבָשִׂים֙ (kevasim) = lammeren | תְּמִימִ֔ים (temimim) = zonder gebrek | וְכַבְשָׂ֥ה (vekhavsa) = en een ooilam | אַחַ֛ת (achat) = één | בַּת (bat) = dochter van | שְׁנָתָ֖הּ (shenatah) = haar jaar | תְּמִימָ֑ה (temima) = zonder gebrek | וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | עֶשְׂרֹנִ֗ים (esronim) = tienden | סֹ֤לֶת (solet) = meel van | מִנְחָה֙ (mincha) = graanoffer | בְּלוּלָ֣ה (belula) = gekneed | בַשֶּׁ֔מֶן (bashemen) = met de olie | וְלֹ֥ג (velog) = en een log | אֶחָ֖ד (echad) = één | שָֽׁמֶן (shamen) = olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶשְׂרֹנִים (esronim), ‘tienden’: tienden van een efa. Een efa is ongeveer 22 liter; drie tienden is dus ongeveer 6,6 liter, en één tiende ongeveer 2,2 liter (vers 21). Het woord ‘efa’ vullen wij aan, zoals in Exod. 29:40.\nלֹג (log): een inhoudsmaat van ongeveer 0,3 liter.\nכַבְשָׂה (kavsah), ‘vrouwelijk lam’. Zie ook: Ex 29:40; Lev 2:1; Lev 14:12; Lev 14:15; Lev 14:21; Mar 1:44; Luc 5:14 **14:11** **De priester die hem rein verklaart, moet de man die rein verklaard wordt, samen met dit alles, voor het aangezicht van Yahweh laten staan. Bij de ingang van de tent van samenkomst.** Brontekst: וְהֶעֱמִ֞יד (veheemid) = en hij zal laten staan | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַֽמְטַהֵ֗ר (hamtaher) = die rein verklaart | אֵ֛ת (et) = (obj.) | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | הַמִּטַּהֵ֖ר (hamitaher) = die rein verklaard wordt | וְאֹתָ֑ם (veotam) = en hen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:1–4; Num 8:6–11; Num 8:21; Ef 5:26–27; Jud 1:24 **14:12** **De priester moet het ene lam nemen en het als schuldoffer brengen, samen met de log olie. Hij moet ze als beweegoffer zwaaien voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְלָקַ֨ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֣בֶשׂ (hakeves) = het lam | הָאֶחָ֗ד (haechad) = het ene | וְהִקְרִ֥יב (vehiqriv) = en hij zal het brengen | אֹת֛וֹ (oto) = het | לְאָשָׁ֖ם (leasham) = als schuldoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לֹ֣ג (log) = de log van | הַשָּׁ֑מֶן (hashamen) = de olie | וְהֵנִ֥יף (vehenif) = en hij zal zwaaien | אֹתָ֛ם (otam) = hen | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’. De genezen man brengt ook een zondoffer (vers 19) en een brandoffer (vers 20).\nהֵנִיף (hénif), ‘zwaaien’; תְּנוּפָה (tenufah), ‘beweegoffer’: het offer wordt voor Yahweh heen en weer bewogen, zoals in Exod. 29:24. Zie ook: Ex 29:24; Lev 5:2–3; Lev 5:18–19; Lev 5:25–26; Lev 14:19; Lev 14:20; Jes 53:10 **14:13** **Hij moet het lam slachten op de plaats waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, op de heilige plaats. Want het schuldoffer is, net als het zondoffer, voor de priester. Het is hoogheilig.** Brontekst: וְשָׁחַ֣ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֗בֶשׂ (hakeves) = het lam | בִּ֠מְקוֹם (bimqom) = op de plaats | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | יִשְׁחַ֧ט (yishchat) = men slacht | אֶת (et) = (obj.) | הַֽחַטָּ֛את (hachatat) = het zondoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעֹלָ֖ה (haola) = het brandoffer | בִּמְק֣וֹם (bimqom) = op de plaats van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid | כִּ֡י (ki) = want | כַּ֠חַטָּאת (kachatat) = zoals het zondoffer | הָאָשָׁ֥ם (haasham) = het schuldoffer | הוּא֙ (hu) = het is | לַכֹּהֵ֔ן (lakohen) = voor de priester | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heiligheid van | קָֽדָשִׁ֖ים (qadashim) = hoogheilig | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:11; Lev 1:11; Lev 2:3; Lev 4:4; Lev 4:24 **14:14** **De priester moet van het bloed van het schuldoffer nemen. Hij moet het doen op de rechteroorlel van wie rein verklaard wordt, op de rechterduim van zijn hand en op de rechter grote teen van zijn voet.** Brontekst: וְלָקַ֣ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵן֮ (hakohen) = de priester | מִדַּ֣ם (midam) = van het bloed van | הָאָשָׁם֒ (haasham) = het schuldoffer | וְנָתַן֙ (venatan) = en hij zal doen | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | עַל (al) = op | תְּנ֛וּךְ (tenukh) = de lel van | אֹ֥זֶן (ozen) = het oor van | הַמִּטַּהֵ֖ר (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | הַיְמָנִ֑ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֤הֶן (bohen) = de duim van | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֥הֶן (bohen) = de grote teen van | רַגְל֖וֹ (raglo) = zijn voet | הַיְמָנִֽית (haymanit) = de rechter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bloed op het oorlel, de duim en de grote teen is dezelfde handeling als bij de wijding van de priesters (Exod. 29:20; Lev. 8:23–24). Zie ook: Ex 29:20; Lev 8:23–24; 1 Kor 6:20; 2 Kor 7:1; Rom 6:19 **14:15** **De priester moet van de log olie nemen en haar gieten in de palm van de linkerhand van de priester.** Brontekst: וְלָקַ֥ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | מִלֹּ֣ג (milog) = van de log van | הַשָּׁ֑מֶן (hashamen) = de olie | וְיָצַ֛ק (veyatsaq) = en hij zal gieten | עַל (al) = op | כַּ֥ף (kaf) = de palm van | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | הַשְּׂמָאלִֽית (hasemalit) = de linker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 45:8; Joh 3:34; 1 Joh 2:20 **14:16** **De priester moet zijn rechtervinger dopen in de olie die in zijn linkerhandpalm is. Met zijn vinger moet hij zeven keer van de olie sprenkelen voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְטָבַ֤ל (vetaval) = en hij zal dopen | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | אֶצְבָּע֣וֹ (etsbao) = zijn vinger | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | מִן (min) = van | הַשֶּׁ֕מֶן (hashemen) = de olie | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עַל (al) = op | כַּפּ֖וֹ (kapo) = zijn palm | הַשְּׂמָאלִ֑ית (hasemalit) = de linker | וְהִזָּ֨ה (vehiza) = en hij zal sprenkelen | מִן (min) = van | הַשֶּׁ֧מֶן (hashemen) = de olie | בְּאֶצְבָּע֛וֹ (beetsbao) = met zijn vinger | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֖ים (peamim) = keer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:6; Lev 4:17; Luc 17:18; 1 Kor 10:31 **14:17** **Van de rest van de olie in zijn handpalm moet de priester doen op de rechteroorlel van wie rein verklaard wordt. Op zijn rechterduim en op zijn rechter grote teen, boven op het bloed van het schuldoffer.** Brontekst: וּמִיֶּ֨תֶר (umiyeter) = en van de rest van | הַשֶּׁ֜מֶן (hashemen) = de olie | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = op | כַּפּ֗וֹ (kapo) = zijn palm | יִתֵּ֤ן (yiten) = hij zal doen | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | עַל (al) = op | תְּנ֞וּךְ (tenukh) = de lel van | אֹ֤זֶן (ozen) = het oor van | הַמִּטַּהֵר֙ (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֤הֶן (bohen) = de duim van | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֥הֶן (bohen) = de grote teen van | רַגְל֖וֹ (raglo) = zijn voet | הַיְמָנִ֑ית (haymanit) = de rechter | עַ֖ל (al) = op | דַּ֥ם (dam) = het bloed van | הָאָשָֽׁם (haasham) = het schuldoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:20–21; Lev 8:30; Ezech 36:27; Tit 3:3–6; 1 Petr 1:2 **14:18** **Wat er van de olie in de hand van de priester overblijft, moet hij op het hoofd van wie rein verklaard wordt doen. De priester moet voor hem verzoening doen voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְהַנּוֹתָ֗ר (vehanotar) = en wat overblijft | בַּשֶּׁ֨מֶן֙ (bashemen) = van de olie | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = op | כַּ֣ף (kaf) = de palm van | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | יִתֵּ֖ן (yiten) = hij zal doen | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | הַמִּטַּהֵ֑ר (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֛יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:26; Lev 5:16; Lev 8:12; 2 Kor 1:21–22; Ef 1:17–18 **14:19** **De priester moet het zondoffer opdragen en verzoening doen voor wie rein verklaard wordt, van zijn onreinheid. Daarna moet hij het brandoffer slachten.** Brontekst: וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en hij zal opdragen | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣חַטָּ֔את (hachatat) = het zondoffer | וְכִפֶּ֕ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עַל (al) = voor | הַמִּטַּהֵ֖ר (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | מִטֻּמְאָת֑וֹ (mitumato) = van zijn onreinheid | וְאַחַ֖ר (veachar) = en daarna | יִשְׁחַ֥ט (yishchat) = hij zal slachten | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 5:1; Lev 5:6; Lev 14:12; 2 Kor 5:21; Rom 8:3 **14:20** **De priester moet het brandoffer en het graanoffer naar het altaar brengen. De priester moet verzoening voor hem doen, en dan is hij rein.** Brontekst: וְהֶעֱלָ֧ה (veheela) = en hij zal omhoog brengen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָ֥ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּנְחָ֖ה (hamincha) = het graanoffer | הַמִּזְבֵּ֑חָה (hamizbecha) = naar het altaar | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֛יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | וְטָהֵֽר (vetaher) = en hij is rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:8; Lev 14:10; Ef 5:2 ### Het offer van wie arm is **14:21** **Als hij arm is en niet genoeg heeft, moet hij één lam nemen als schuldoffer, om te zwaaien en verzoening voor hem te doen. Ook een tiende fijn meel, met olie gekneed, als graanoffer, en een log olie.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | דַּ֣ל (dal) = arm | ה֗וּא (hu) = hij is | וְאֵ֣ין (veein) = en niet | יָדוֹ֮ (yado) = zijn hand | מַשֶּׂגֶת֒ (maseget) = bereikt | וְ֠לָקַח (velaqach) = en hij zal nemen | כֶּ֣בֶשׂ (keves) = een lam | אֶחָ֥ד (echad) = één | אָשָׁ֛ם (asham) = schuldoffer | לִתְנוּפָ֖ה (litnufa) = als beweegoffer | לְכַפֵּ֣ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עָלָ֑יו (alav) = voor hem | וְעִשָּׂר֨וֹן (veisaron) = en een tiende | סֹ֜לֶת (solet) = meel | אֶחָ֨ד (echad) = één | בָּל֥וּל (balul) = gekneed | בַּשֶּׁ֛מֶן (bashemen) = met de olie | לְמִנְחָ֖ה (lemincha) = als graanoffer | וְלֹ֥ג (velog) = en een log | שָֽׁמֶן (shamen) = olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor wie arm is, gelden lichtere eisen: één lam en twee vogels in plaats van drie dieren. Zie ook Lev. 12:8. Zie ook: Lev 5:7; Lev 12:8; Spr 17:5; Spr 22:2; Jak 2:5–6 **14:22** **Ook twee tortelduiven of twee jonge duiven, zoveel als hij kan betalen. De ene wordt een zondoffer en de andere een brandoffer.** Brontekst: וּשְׁתֵּ֣י (ushtei) = en twee van | תֹרִ֗ים (torim) = tortelduiven | א֤וֹ (o) = of | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יוֹנָ֔ה (yona) = duif | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תַּשִּׂ֖יג (tasig) = zijn hand bereikt | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | אֶחָד֙ (echad) = de ene | חַטָּ֔את (chatat) = zondoffer | וְהָאֶחָ֖ד (vehaechad) = en de andere | עֹלָֽה (ola) = brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 5:7; Ps 68:14; Hoogl 2:14; Jes 38:14; Ezech 7:16 **14:23** **Op de achtste dag, voor zijn reiniging, moet hij ze brengen naar de priester, naar de ingang van de tent van samenkomst, voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְהֵבִ֨יא (vehevi) = en hij zal brengen | אֹתָ֜ם (otam) = hen | בַּיּ֧וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁמִינִ֛י (hashemini) = de achtste | לְטָהֳרָת֖וֹ (letahorato) = voor zijn reiniging | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | אֶל (el) = naar | פֶּ֥תַח (petach) = de ingang van | אֹֽהֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:10–11 **14:24** **De priester moet het lam van het schuldoffer nemen en de log olie. De priester moet ze als beweegoffer zwaaien voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְלָקַ֧ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | כֶּ֥בֶשׂ (keves) = het lam van | הָאָשָׁ֖ם (haasham) = het schuldoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לֹ֣ג (log) = de log van | הַשָּׁ֑מֶן (hashamen) = de olie | וְהֵנִ֨יף (vehenif) = en hij zal zwaaien | אֹתָ֧ם (otam) = hen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = als beweegoffer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:10; Lev 14:12 **14:25** **Hij moet het lam van het schuldoffer slachten. De priester moet van het bloed van het schuldoffer nemen. Hij moet het doen op de rechteroorlel van wie rein verklaard wordt, op de rechterduim van zijn hand en op de rechter grote teen van zijn voet.** Brontekst: וְשָׁחַט֮ (veshachat) = en hij zal slachten | אֶת (et) = (obj.) | כֶּ֣בֶשׂ (keves) = het lam van | הָֽאָשָׁם֒ (haasham) = het schuldoffer | וְלָקַ֤ח (velaqach) = en hij zal nemen | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | מִדַּ֣ם (midam) = van het bloed van | הָֽאָשָׁ֔ם (haasham) = het schuldoffer | וְנָתַ֛ן (venatan) = en hij zal doen | עַל (al) = op | תְּנ֥וּךְ (tenukh) = de lel van | אֹֽזֶן (ozen) = het oor van | הַמִּטַּהֵ֖ר (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | הַיְמָנִ֑ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֤הֶן (bohen) = de duim van | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֥הֶן (bohen) = de grote teen van | רַגְל֖וֹ (raglo) = zijn voet | הַיְמָנִֽית (haymanit) = de rechter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:14–20; Ps 40:7; Pred 4:17 **14:26** **Van de olie moet de priester gieten in de palm van de linkerhand van de priester.** Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַשֶּׁ֖מֶן (hashemen) = de olie | יִצֹ֣ק (yitsoq) = hij zal gieten | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | עַל (al) = op | כַּ֥ף (kaf) = de palm van | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | הַשְּׂמָאלִֽית (hasemalit) = de linker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:27** **Met zijn rechtervinger moet de priester zeven keer sprenkelen van de olie die in zijn linkerhandpalm is, voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְהִזָּ֤ה (vehiza) = en hij zal sprenkelen | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | בְּאֶצְבָּע֣וֹ (beetsbao) = met zijn vinger | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | מִן (min) = van | הַשֶּׁ֕מֶן (hashemen) = de olie | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עַל (al) = op | כַּפּ֖וֹ (kapo) = zijn palm | הַשְּׂמָאלִ֑ית (hasemalit) = de linker | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֖ים (peamim) = keer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:28** **De priester moet van de olie in zijn handpalm doen op de rechteroorlel van wie rein verklaard wordt. Op zijn rechterduim en op zijn rechter grote teen, op de plaats van het bloed van het schuldoffer.** Brontekst: וְנָתַ֨ן (venatan) = en hij zal doen | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | מִן (min) = van | הַשֶּׁ֣מֶן (hashemen) = de olie | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = op | כַּפּ֗וֹ (kapo) = zijn palm | עַל (al) = op | תְּנ֞וּךְ (tenukh) = de lel van | אֹ֤זֶן (ozen) = het oor van | הַמִּטַּהֵר֙ (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֤הֶן (bohen) = de duim van | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | וְעַל (veal) = en op | בֹּ֥הֶן (bohen) = de grote teen van | רַגְל֖וֹ (raglo) = zijn voet | הַיְמָנִ֑ית (haymanit) = de rechter | עַל (al) = op | מְק֖וֹם (meqom) = de plaats van | דַּ֥ם (dam) = het bloed van | הָאָשָֽׁם (haasham) = het schuldoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:29** **Wat er van de olie in de hand van de priester overblijft, moet hij op het hoofd van wie rein verklaard wordt doen. Om verzoening voor hem te doen voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְהַנּוֹתָ֗ר (vehanotar) = en wat overblijft | מִן (min) = van | הַשֶּׁ֨מֶן֙ (hashemen) = de olie | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = op | כַּ֣ף (kaf) = de palm van | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | יִתֵּ֖ן (yiten) = hij zal doen | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | הַמִּטַּהֵ֑ר (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | לְכַפֵּ֥ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עָלָ֖יו (alav) = voor hem | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:18; Lev 14:20; Joh 17:19; 1 Joh 2:1–2; 1 Joh 5:6 **14:30** **Hij moet de ene opdragen, van de tortelduiven of van de jonge duiven, van wat hij kan betalen:** Brontekst: וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en hij zal opdragen | אֶת (et) = (obj.) | הָֽאֶחָד֙ (haechad) = de ene | מִן (min) = van | הַתֹּרִ֔ים (hatorim) = de tortelduiven | א֖וֹ (o) = of | מִן (min) = van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַיּוֹנָ֑ה (hayona) = de duif | מֵאֲשֶׁ֥ר (measher) = van wat | תַּשִּׂ֖יג (tasig) = zijn hand bereikt | יָדֽוֹ (yado) = zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 12:8; Lev 14:22; Lev 15:14–15; Luc 2:24; Rom 8:3 **14:31** **wat hij kan betalen, de ene als zondoffer en de andere als brandoffer, bij het graanoffer. De priester moet voor het aangezicht van Yahweh verzoening doen voor wie rein verklaard wordt.** Brontekst: אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | תַּשִּׂ֞יג (tasig) = zijn hand bereikt | יָד֗וֹ (yado) = zijn hand | אֶת (et) = (obj.) | הָאֶחָ֥ד (haechad) = de ene | חַטָּ֛את (chatat) = zondoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֶחָ֥ד (haechad) = de andere | עֹלָ֖ה (ola) = brandoffer | עַל (al) = bij | הַמִּנְחָ֑ה (hamincha) = het graanoffer | וְכִפֶּ֧ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | עַ֥ל (al) = voor | הַמִּטַּהֵ֖ר (hamitaher) = wie rein verklaard wordt | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 5:7; Lev 14:18 **14:32** **Dit is de wet voor degene bij wie een plek van melaatsheid zit en die niet genoeg heeft voor zijn reiniging.”** Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit | תּוֹרַ֔ת (torat) = de wet van | אֲשֶׁר (asher) = wie | בּ֖וֹ (bo) = in hem | נֶ֣גַע (nega) = een plek van | צָרָ֑עַת (tsaraat) = melaatsheid | אֲשֶׁ֛ר (asher) = wie | לֹֽא (lo) = niet | תַשִּׂ֥יג (tasig) = zijn hand bereikt | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | בְּטָהֳרָתֽוֹ (betahorato) = voor zijn reiniging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:59; Lev 14:10; Lev 14:21; Ps 136:23; Mat 11:5 ### Melaatsheid in een huis **14:33** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:34** **„Wanneer jullie in het land Kanaän komen, dat Ik jullie als bezit geef. En Ik zet een plek van melaatsheid in een huis van het land dat jullie bezitten,** Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תָבֹ֨אוּ֙ (tavou) = jullie komen | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֲנִ֛י (ani) = Ik | נֹתֵ֥ן (noten) = geef | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | לַאֲחֻזָּ֑ה (laachuza) = als bezit | וְנָתַתִּי֙ (venatati) = en Ik zet | נֶ֣גַע (nega) = een plek van | צָרַ֔עַת (tsaraat) = melaatsheid | בְּבֵ֖ית (beveit) = in een huis van | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | אֲחֻזַּתְכֶֽם (achuzatkhem) = jullie bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: וְנָתַתִּי (venatatti), ‘en Ik zet’: letterlijk ‘en Ik geef’. Yahweh zegt dat Hij de plek in het huis legt. Wij vertalen ‘zetten’, omdat ‘geven’ hier niet natuurlijk Nederlands is. Zie ook: Gen 17:8; Lev 25:2; Deut 7:1–2; Deut 12:1; Deut 32:49 **14:35** **dan moet de eigenaar van het huis komen en het de priester vertellen: ‘Ik zie in het huis iets wat op een plek lijkt.’** Brontekst: וּבָא֙ (uva) = en hij komt | אֲשֶׁר (asher) = wie | ל֣וֹ (lo) = van hem | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וְהִגִּ֥יד (vehigid) = en hij vertelt | לַכֹּהֵ֖ן (lakohen) = aan de priester | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כְּנֶ֕גַע (kenega) = als een plek | נִרְאָ֥ה (nira) = is verschenen | לִ֖י (li) = aan mij | בַּבָּֽיִת (babayit) = in het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 7:26; 1 Sam 3:12–14; Ps 91:10; 1 Kon 13:34; Zach 5:4 **14:36** **De priester moet bevelen dat men het huis leegmaakt voordat hij komt om de plek te bekijken, zodat niets van wat in het huis is onrein wordt. Daarna moet de priester komen om het huis te bekijken.** Brontekst: וְצִוָּ֨ה (vetsiva) = en hij beveelt | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | וּפִנּ֣וּ (ufinu) = en men maakt leeg | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֗יִת (habayit) = het huis | בְּטֶ֨רֶם (beterem) = voordat | יָבֹ֤א (yavo) = hij komt | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | לִרְא֣וֹת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֔גַע (hanega) = de plek | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִטְמָ֖א (yitma) = hij wordt onrein | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בַּבָּ֑יִת (babayit) = in het huis | וְאַ֥חַר (veachar) = en daarna | כֵּ֛ן (ken) = zo | יָבֹ֥א (yavo) = hij komt | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | לִרְא֥וֹת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 15:33; 2 Tim 2:17–18; Heb 12:15; Openb 18:4 **14:37** **Hij moet de plek bekijken. Ziet hij dat de plek in de muren van het huis groenige of roodachtige holten heeft en dat die er lager uitzien dan de muur,** Brontekst: וְרָאָ֣ה (veraa) = en hij ziet | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֗גַע (hanega) = de plek | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | הַנֶּ֨גַע֙ (hanega) = de plek | בְּקִירֹ֣ת (beqirot) = in de muren van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | שְׁקַֽעֲרוּרֹת֙ (sheqaarurot) = holten | יְרַקְרַקֹּ֔ת (yeraqraqot) = groenige | א֖וֹ (o) = of | אֲדַמְדַּמֹּ֑ת (adamdamot) = roodachtige | וּמַרְאֵיהֶ֥ן (umareihen) = en hun aanzien | שָׁפָ֖ל (shafal) = lager | מִן (min) = dan | הַקִּֽיר (haqir) = de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁקַעֲרוּרֹת (sheqaarurot), ‘holten’: kleine inzakkingen in de muur. Het woord staat alleen hier. Zie ook: Lev 13:3; Lev 13:19–20; Lev 13:42; Lev 13:49 **14:38** **dan moet de priester het huis uitgaan, naar de ingang van het huis, en het huis zeven dagen afzonderen.** Brontekst: וְיָצָ֧א (veyatsa) = en hij gaat uit | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | מִן (min) = uit | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | אֶל (el) = naar | פֶּ֣תַח (petach) = de ingang van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וְהִסְגִּ֥יר (vehisgir) = en hij zondert af | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:50 **14:39** **Op de zevende dag moet de priester terugkomen en kijken. Heeft de plek zich verspreid in de muren van het huis,** Brontekst: וְשָׁ֥ב (veshav) = en hij keert terug | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֑י (hashevii) = de zevende | וְרָאָ֕ה (veraa) = en hij ziet | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | פָּשָׂ֥ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֖גַע (hanega) = de plek | בְּקִירֹ֥ת (beqirot) = in de muren van | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:7–8; Lev 13:22; Lev 13:27; Lev 13:36; Lev 13:51 **14:40** **dan moet de priester bevelen dat men de stenen waarin de plek zit, losmaakt en ze buiten de stad werpt, op een onreine plaats.** Brontekst: וְצִוָּה֙ (vetsiva) = en hij beveelt | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְחִלְּצוּ֙ (vechiletsu) = en men maakt los | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֲבָנִ֔ים (haavanim) = de stenen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | בָּהֵ֖ן (bahen) = in hen | הַנָּ֑גַע (hanaga) = de plek | וְהִשְׁלִ֤יכוּ (vehishlikhu) = en men werpt | אֶתְהֶן֙ (ethen) = hen | אֶל (el) = naar | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לָעִ֔יר (lair) = de stad | אֶל (el) = naar | מָק֖וֹם (maqom) = een plaats | טָמֵֽא (tame) = onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 101:7–8; 2 Joh 1:10–11; Openb 2:2; Openb 2:6; Openb 2:14–16 **14:41** **Het huis moet hij van binnen rondom laten afkrabben. Het stof dat zij hebben afgekrabd, moeten zij buiten de stad storten, op een onreine plaats.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבַּ֛יִת (habayit) = het huis | יַקְצִ֥עַ (yaqtsia) = hij zal laten afkrabben | מִבַּ֖יִת (mibayit) = van binnen | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְשָׁפְכ֗וּ (veshafekhu) = en men zal storten | אֶת (et) = (obj.) | הֶֽעָפָר֙ (heafar) = het stof | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הִקְצ֔וּ (hiqtsu) = men heeft afgekrabd | אֶל (el) = naar | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לָעִ֔יר (lair) = de stad | אֶל (el) = naar | מָק֖וֹם (maqom) = een plaats | טָמֵֽא (tame) = onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַקְצִעַ (yaqtsia), ‘laten afkrabben’: de binnenkant van de muren wordt afgekrabd. Het woord staat alleen hier en in vers 43. Zie ook: Job 36:13–14; Lev 14:43; Jes 65:4; Mat 8:28; Mat 24:51; Openb 22:15 **14:42** **Dan moet men andere stenen nemen en ze in de plaats van de eerste stenen brengen. Ook moet men ander stof nemen en het huis bepleisteren.** Brontekst: וְלָקְחוּ֙ (velaqechu) = en men neemt | אֲבָנִ֣ים (avanim) = stenen | אֲחֵר֔וֹת (acherot) = andere | וְהֵבִ֖יאוּ (veheviu) = en men brengt | אֶל (el) = naar | תַּ֣חַת (tachat) = de plaats van | הָאֲבָנִ֑ים (haavanim) = de stenen | וְעָפָ֥ר (veafar) = en stof | אַחֵ֛ר (acher) = ander | יִקַּ֖ח (yiqach) = hij zal nemen | וְטָ֥ח (vetach) = en hij pleistert | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:19; 2 Kron 17:7–9; 2 Kron 19:5–7; Tit 1:5–9; 2 Tim 2:2 **14:43** **Als de plek terugkomt en in het huis uitbreekt, nadat men de stenen heeft losgemaakt, nadat het huis is afgekrabd en nadat het is bepleisterd,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | יָשׁ֤וּב (yashuv) = het keert terug | הַנֶּ֨גַע֙ (hanega) = de plek | וּפָרַ֣ח (ufarach) = en zij breekt uit | בַּבַּ֔יִת (babayit) = in het huis | אַחַ֖ר (achar) = nadat | חִלֵּ֣ץ (chilets) = hij heeft losgemaakt | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲבָנִ֑ים (haavanim) = de stenen | וְאַחֲרֵ֛י (veacharei) = en nadat | הִקְצ֥וֹת (hiqtsot) = het afkrabben van | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | וְאַחֲרֵ֥י (veacharei) = en nadat | הִטּֽוֹחַ (hitoach) = het bepleisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 6:28–30; Ezech 24:13; 2 Petr 2:22; Heb 6:4–8; Jud 1:12 **14:44** **dan moet de priester komen en kijken. Heeft de plek zich in het huis verspreid, dan is het kwaadaardige melaatsheid in het huis: het is onrein.** Brontekst: וּבָא֙ (uva) = en hij komt | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְרָאָ֕ה (veraa) = en hij ziet | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | פָּשָׂ֥ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֖גַע (hanega) = de plek | בַּבָּ֑יִת (babayit) = in het huis | צָרַ֨עַת (tsaraat) = melaatsheid | מַמְאֶ֥רֶת (mameret) = kwaadaardige | הִ֛וא (hi) = het is | בַּבַּ֖יִת (babayit) = in het huis | טָמֵ֥א (tame) = onrein | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרַעַת מַמְאֶרֶת (tsara‘at mam’eret), ‘kwaadaardige melaatsheid’: zie Lev. 13:51. Zie ook: Lev 13:51–52; Zach 5:4 **14:45** **Het huis moet worden afgebroken, met zijn stenen, zijn hout en al het stof van het huis. Alles moet naar buiten worden gebracht, buiten de stad, naar een onreine plaats.** Brontekst: וְנָתַ֣ץ (venatats) = en hij breekt af | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֗יִת (habayit) = het huis | אֶת (et) = (obj.) | אֲבָנָיו֙ (avanav) = zijn stenen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵצָ֔יו (etsav) = zijn hout | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | עֲפַ֣ר (afar) = het stof van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וְהוֹצִיא֙ (vehotsi) = en hij brengt naar buiten | אֶל (el) = naar | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לָעִ֔יר (lair) = de stad | אֶל (el) = naar | מָק֖וֹם (maqom) = een plaats | טָמֵֽא (tame) = onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 9:6–9; 2 Kon 18:4; Jer 52:13; Ezech 5:4; Mat 24:2 **14:46** **Wie het huis binnengaat zolang het is afgezonderd, is onrein tot de avond.** Brontekst: וְהַבָּא֙ (vehaba) = en wie binnengaat | אֶל (el) = naar | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֖י (yemei) = dagen dat | הִסְגִּ֣יר (hisgir) = hij het heeft afgezonderd | אֹת֑וֹ (oto) = het | יִטְמָ֖א (yitma) = hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:24–25; Lev 15:10; Lev 17:15; Lev 22:6; Num 19:21–22 **14:47** **Wie in het huis gaat liggen, moet zijn kleren wassen. Wie in het huis eet, moet zijn kleren wassen.** Brontekst: וְהַשֹּׁכֵ֣ב (vehashokhev) = en wie ligt | בַּבַּ֔יִת (babayit) = in het huis | יְכַבֵּ֖ס (yekhabes) = hij zal wassen | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֑יו (begadav) = zijn kleren | וְהָאֹכֵ֣ל (vehaokhel) = en wie eet | בַּבַּ֔יִת (babayit) = in het huis | יְכַבֵּ֖ס (yekhabes) = hij zal wassen | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָֽיו (begadav) = zijn kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:25; Lev 14:8–9 **14:48** **Maar als de priester komt en kijkt en ziet dat de plek zich niet in het huis heeft verspreid nadat het is bepleisterd. Dan moet de priester het huis rein verklaren. Want de plek is genezen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בֹּ֨א (bo) = komen | יָבֹ֜א (yavo) = zal komen | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וְרָאָה֙ (veraa) = en hij ziet | וְ֠הִנֵּה (vehine) = en zie | לֹא (lo) = niet | פָשָׂ֤ה (pasa) = heeft zich verspreid | הַנֶּ֨גַע֙ (hanega) = de plek | בַּבַּ֔יִת (babayit) = in het huis | אַחֲרֵ֖י (acharei) = nadat | הִטֹּ֣חַ (hitoach) = het bepleisteren | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וְטִהַ֤ר (vetihar) = en hij verklaart rein | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | כִּ֥י (ki) = want | נִרְפָּ֖א (nirpa) = is genezen | הַנָּֽגַע (hanaga) = de plek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:3; Mar 5:29; Mar 5:34; Luc 7:21; 1 Kor 6:11 ### De reiniging van het huis **14:49** **Om het huis te ontzondigen moet hij twee vogels nemen, cederhout, karmozijnrood garen en hysop.** Brontekst: וְלָקַ֛ח (velaqach) = en hij zal nemen | לְחַטֵּ֥א (lechate) = om te ontzondigen | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee van | צִפֳּרִ֑ים (tsiporim) = vogels | וְעֵ֣ץ (veets) = en hout van | אֶ֔רֶז (erez) = ceder | וּשְׁנִ֥י (usheni) = en karmozijn van | תוֹלַ֖עַת (tolaat) = de worm | וְאֵזֹֽב (veezov) = en hysop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִטֵּא (chitté), ‘ontzondigen’: letterlijk ‘van zonde reinigen’; hetzelfde woord als in Exod. 29:36. Het huis krijgt dezelfde reiniging als de genezen man. Zie ook: Ex 29:36; Lev 14:4 **14:50** **Hij moet de ene vogel slachten in een aarden schaal, boven levend water.** Brontekst: וְשָׁחַ֖ט (veshachat) = en hij zal slachten | אֶת (et) = (obj.) | הַצִּפֹּ֣ר (hatsipor) = de vogel | הָאֶחָ֑ת (haechat) = de ene | אֶל (el) = in | כְּלִי (keli) = een schaal van | חֶ֖רֶשׂ (cheres) = aarde | עַל (al) = boven | מַ֥יִם (mayim) = water | חַיִּֽים (chayim) = levend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:51** **Hij moet het cederhout, de hysop, het karmozijnrood garen en de levende vogel nemen en ze dopen in het bloed van de geslachte vogel en in het levende water. Hij moet het huis er zeven keer mee besprenkelen.** Brontekst: וְלָקַ֣ח (velaqach) = en hij zal nemen | אֶת (et) = (obj.) | עֵֽץ (ets) = hout van | הָ֠אֶרֶז (haerez) = de ceder | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָ֨אֵזֹ֜ב (haezov) = de hysop | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שְׁנִ֣י (sheni) = karmozijn van | הַתּוֹלַ֗עַת (hatolaat) = de worm | וְאֵת֮ (veet) = en (obj.) | הַצִּפֹּ֣ר (hatsipor) = de vogel | הַֽחַיָּה֒ (hachaya) = de levende | וְטָבַ֣ל (vetaval) = en hij zal dopen | אֹתָ֗ם (otam) = hen | בְּדַם֙ (bedam) = in het bloed van | הַצִּפֹּ֣ר (hatsipor) = de vogel | הַשְּׁחוּטָ֔ה (hashechuta) = de geslachte | וּבַמַּ֖יִם (uvamayim) = en in het water | הַֽחַיִּ֑ים (hachayim) = het levende | וְהִזָּ֥ה (vehiza) = en hij zal sprenkelen | אֶל (el) = naar | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִֽים (peamim) = keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 51:9 **14:52** **Hij moet het huis ontzondigen met het bloed van de vogel, het levende water, de levende vogel, het cederhout, de hysop en het karmozijnrood garen.** Brontekst: וְחִטֵּ֣א (vechite) = en hij zal ontzondigen | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | בְּדַם֙ (bedam) = met het bloed van | הַצִּפּ֔וֹר (hatsipor) = de vogel | וּבַמַּ֖יִם (uvamayim) = en met het water | הַֽחַיִּ֑ים (hachayim) = het levende | וּבַצִּפֹּ֣ר (uvatsipor) = en met de vogel | הַחַיָּ֗ה (hachaya) = de levende | וּבְעֵ֥ץ (uveets) = en met het hout van | הָאֶ֛רֶז (haerez) = de ceder | וּבָאֵזֹ֖ב (uvaezov) = en met de hysop | וּבִשְׁנִ֥י (uvishni) = en met het karmozijn van | הַתּוֹלָֽעַת (hatolaat) = de worm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:53** **De levende vogel moet hij buiten de stad laten gaan, over het open veld. Hij moet voor het huis verzoening doen, en dan is het rein.** Brontekst: וְשִׁלַּ֞ח (veshilach) = en hij zal laten gaan | אֶת (et) = (obj.) | הַצִּפֹּ֧ר (hatsipor) = de vogel | הַֽחַיָּ֛ה (hachaya) = de levende | אֶל (el) = naar | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לָעִ֖יר (lair) = de stad | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֣י (penei) = het oppervlak van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עַל (al) = voor | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | וְטָהֵֽר (vetaher) = en het is rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 14:7; Lev 14:20 ### Afsluiting van de wetten over melaatsheid **14:54** **Dit is de wet voor elke plek van melaatsheid en voor schurft,** Brontekst: זֹ֖את (zot) = dit | הַתּוֹרָ֑ה (hatora) = de wet | לְכָל (lekhal) = voor elke | נֶ֥גַע (nega) = plek van | הַצָּרַ֖עַת (hatsaraat) = de melaatsheid | וְלַנָּֽתֶק (velanateq) = en voor de schurft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶתֶק (netek), ‘schurft’: zie Lev. 13:30. Zie ook: Lev 6:2; Lev 13:30; Lev 14:2; Lev 14:32; Lev 15:32; Num 5:29 **14:55** **voor melaatsheid in kleding en in een huis,** Brontekst: וּלְצָרַ֥עַת (uletsaraat) = en voor melaatsheid van | הַבֶּ֖גֶד (habeged) = het kledingstuk | וְלַבָּֽיִת (velabayit) = en voor het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:47–59 **14:56** **voor een zwelling, uitslag en glanzende vlek,** Brontekst: וְלַשְׂאֵ֥ת (velaset) = en voor de zwelling | וְלַסַּפַּ֖חַת (velasapachat) = en voor de uitslag | וְלַבֶּהָֽרֶת (velabeharet) = en voor de glanzende vlek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 13:2 **14:57** **om te onderwijzen op de dag dat iemand onrein is en op de dag dat hij rein is. Dit is de wet voor de melaatsheid.”** Brontekst: לְהוֹרֹ֕ת (lehorot) = om te onderwijzen | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | הַטָּמֵ֖א (hatame) = het onreine | וּבְי֣וֹם (uveyom) = en op de dag van | הַטָּהֹ֑ר (hatahor) = het reine | זֹ֥את (zot) = dit | תּוֹרַ֖ת (torat) = de wet van | הַצָּרָֽעַת (hatsaraat) = de melaatsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהוֹרֹת (lehorot), ‘onderwijzen’: hetzelfde grondwoord als תּוֹרָה (torah), ‘wet’. Zie ook: Lev 10:10; Deut 24:8; Jer 15:19; Ezech 44:23 ## Leviticus 15 _Afscheidingen die onrein maken_ ### De man met een vloeiing **15:1** Yahweh sprak tot Mozes en Aäron: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽל (veel) = en tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:1; Lev 13:1; Ps 25:14; Amos 3:7; Heb 1:1 **15:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Wanneer een man, wie hij ook is, een vloeiing uit zijn lichaam heeft. Hij is onrein door zijn vloeiing.** Brontekst: דַּבְּרוּ֙ (daberu) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַאֲמַרְתֶּ֖ם (vaamartem) = en zeg | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אִ֗ישׁ (ish) = een man | כִּ֤י (ki) = wanneer | יִהְיֶה֙ (yihye) = er is | זָ֣ב (zav) = met een vloeiing | מִבְּשָׂר֔וֹ (mibesaro) = uit zijn lichaam | זוֹב֖וֹ (zovo) = zijn vloeiing | טָמֵ֥א (tame) = onrein | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָב (zav), ‘man met een vloeiing’, en זוֹב (zov), ‘vloeiing’: een afscheiding uit het geslachtsdeel van de man. Het Hebreeuws zegt ‘uit zijn vlees’ (בָּשָׂר, basar), een omschrijving. Wij vertalen basar steeds ‘lichaam’.\nאִישׁ אִישׁ (ish ish), ‘een man, wie hij ook is’: letterlijk ‘man, man’; het woord is dubbel om iedereen mee te nemen. Zie ook: Lev 22:4; Num 5:2; Deut 4:7–8; 2 Sam 3:29; Mat 9:20 **15:3** **Dit is zijn onreinheid bij zijn vloeiing: of zijn lichaam laat zijn vloeiing lopen, of zijn lichaam houdt zijn vloeiing tegen. Dat is zijn onreinheid.** Brontekst: וְזֹ֛את (vezot) = en dit | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zij zal zijn | טֻמְאָת֖וֹ (tumato) = zijn onreinheid | בְּזוֹב֑וֹ (bezovo) = in zijn vloeiing | רָ֣ר (rar) = laat lopen | בְּשָׂר֞וֹ (besaro) = zijn lichaam | אֶת (et) = (obj.) | זוֹב֗וֹ (zovo) = zijn vloeiing | אֽוֹ (o) = of | הֶחְתִּ֤ים (hechtim) = houdt tegen | בְּשָׂרוֹ֙ (besaro) = zijn lichaam | מִזּוֹב֔וֹ (mizovo) = van zijn vloeiing | טֻמְאָת֖וֹ (tumato) = zijn onreinheid | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָר (rar), ‘laat lopen’, en הֶחְתִּים (hechtim), ‘houdt tegen’: de betekenis van beide woorden is niet helemaal zeker. In beide gevallen is de man onrein. Zie ook: Lev 12:3; Ezech 16:26; Ezech 23:20 **15:4** **Elk bed waarop de man met de vloeiing ligt, wordt onrein. Elk voorwerp waarop hij zit, wordt onrein.** Brontekst: כָּל (kal) = elk | הַמִּשְׁכָּ֗ב (hamishkav) = bed | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | יִשְׁכַּ֥ב (yishkav) = hij ligt | עָלָ֛יו (alav) = daarop | הַזָּ֖ב (hazav) = de man met de vloeiing | יִטְמָ֑א (yitma) = wordt onrein | וְכָֽל (vekhal) = en elk | הַכְּלִ֛י (hakeli) = voorwerp | אֲשֶׁר (asher) = waarop | יֵשֵׁ֥ב (yeshev) = hij zit | עָלָ֖יו (alav) = daarop | יִטְמָֽא (yitma) = wordt onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 15:33; Ef 5:11; Tit 1:15 **15:5** **Iedereen die zijn bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְאִ֕ישׁ (veish) = en een man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִגַּ֖ע (yiga) = aanraakt | בְּמִשְׁכָּב֑וֹ (bemishkavo) = zijn bed | יְכַבֵּ֧ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַד־הָעֶרֶב (ad-haerev), ‘tot de avond’: de dag eindigt bij zonsondergang. Daarna is de ander weer rein. Zie ook: Lev 11:25; Lev 13:6; Lev 14:27; Lev 16:26; Lev 17:15 **15:6** **Wie gaat zitten op het voorwerp waarop de man met de vloeiing heeft gezeten, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְהַיֹּשֵׁב֙ (vehayoshev) = en wie zit | עַֽל (al) = op | הַכְּלִ֔י (hakeli) = het voorwerp | אֲשֶׁר (asher) = waarop | יֵשֵׁ֥ב (yeshev) = hij zit | עָלָ֖יו (alav) = daarop | הַזָּ֑ב (hazav) = de man met de vloeiing | יְכַבֵּ֧ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:16; Jak 4:8 **15:7** **Wie het lichaam van de man met de vloeiing aanraakt, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְהַנֹּגֵ֖עַ (vehanogea) = en wie aanraakt | בִּבְשַׂ֣ר (bivsar) = het lichaam van | הַזָּ֑ב (hazav) = de man met de vloeiing | יְכַבֵּ֧ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:8** **Als de man met de vloeiing spuugt op iemand die rein is, moet die zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יָרֹ֛ק (yaroq) = spuwt | הַזָּ֖ב (hazav) = de man met de vloeiing | בַּטָּה֑וֹר (batahor) = op iemand die rein is | וְכִבֶּ֧ס (vekhibes) = en hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרֹק (yaroq), ‘spugen’. Zie ook: Jes 1:16; Gal 1:8–9; Tit 1:9–10; 2 Petr 2:1–3; Jud 1:4 **15:9** **Elk zadel waarop de man met de vloeiing rijdt, wordt onrein.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | הַמֶּרְכָּ֗ב (hamerkav) = zadel | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | יִרְכַּ֥ב (yirkav) = hij rijdt | עָלָ֛יו (alav) = daarop | הַזָּ֖ב (hazav) = de man met de vloeiing | יִטְמָֽא (yitma) = wordt onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֶרְכָּב (merkav), ‘zadel’: de betekenis (zadel, zitplaats of rijtuig) is niet helemaal zeker. Zie ook: Gen 31:34 **15:10** **Iedereen die iets aanraakt wat onder hem was, is onrein tot de avond. Wie die dingen draagt, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | הַנֹּגֵ֗עַ (hanogea) = die aanraakt | בְּכֹל֙ (bekhol) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | יִהְיֶ֣ה (yihye) = het is | תַחְתָּ֔יו (tachtav) = onder hem | יִטְמָ֖א (yitma) = hij wordt onrein | עַד (ad) = tot | הָעָ֑רֶב (haarev) = de avond | וְהַנּוֹשֵׂ֣א (vehanose) = en wie draagt | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | יְכַבֵּ֧ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 15:5; Lev 15:8; Ps 26:6; Jak 4:8 **15:11** **Iedereen die door de man met de vloeiing wordt aangeraakt, terwijl hij zijn handen niet met water heeft gespoeld, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְכֹ֨ל (vekhol) = en elk | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִגַּע (yiga) = aanraakt | בּוֹ֙ (bo) = hem | הַזָּ֔ב (hazav) = de man met de vloeiing | וְיָדָ֖יו (veyadav) = en zijn handen | לֹא (lo) = niet | שָׁטַ֣ף (shataf) = heeft gespoeld | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = met water | וְכִבֶּ֧ס (vekhibes) = en hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁטַף (shataf), ‘spoelen’: kort afspoelen met water. Het woord staat ook in vers 12. Zie ook: Lev 15:12 **15:12** **Een aarden vat dat de man met de vloeiing aanraakt, moet worden stukgeslagen. Elk houten vat moet met water worden gespoeld.** Brontekst: וּכְלִי (ukheli) = en een vat van | חֶ֛רֶשׂ (cheres) = aarde | אֲשֶׁר (asher) = dat | יִגַּע (yiga) = aanraakt | בּ֥וֹ (bo) = hem | הַזָּ֖ב (hazav) = de man met de vloeiing | יִשָּׁבֵ֑ר (yishaver) = het wordt stukgeslagen | וְכָל (vekhal) = en elk | כְּלִי (keli) = vat van | עֵ֔ץ (ets) = hout | יִשָּׁטֵ֖ף (yishatef) = het wordt gespoeld | בַּמָּֽיִם (bamayim) = met water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor een aarden vat zie ook Lev. 11:33. Zie ook: Lev 6:21; Lev 11:32–33; Lev 11:33; Ps 2:9; Spr 1:21; Spr 1:23 ### De reiniging van de man **15:13** **Wanneer de man met de vloeiing rein wordt van zijn vloeiing, moet hij voor zichzelf zeven dagen tellen voor zijn reiniging. Hij moet zijn kleren wassen en zijn lichaam wassen in levend water. Dan is hij rein.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִטְהַ֤ר (yithar) = hij rein wordt | הַזָּב֙ (hazav) = de man met de vloeiing | מִזּוֹב֔וֹ (mizovo) = van zijn vloeiing | וְסָ֨פַר (vesafar) = en hij zal tellen | ל֜וֹ (lo) = voor zich | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִ֛ים (yamim) = dagen | לְטָהֳרָת֖וֹ (letahorato) = voor zijn reiniging | וְכִבֶּ֣ס (vekhibes) = en hij zal wassen | בְּגָדָ֑יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֧ץ (verachats) = en hij zal wassen | בְּשָׂר֛וֹ (besaro) = zijn lichaam | בְּמַ֥יִם (bemayim) = in water | חַיִּ֖ים (chayim) = levend | וְטָהֵֽר (vetaher) = en hij is rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַיִם חַיִּים (mayim chayyim), ‘levend water’: stromend water, zoals in Lev. 14:5. Zie ook: Lev 8:33; Lev 14:5; Lev 14:8; Lev 14:10; Lev 15:5; Lev 15:28 **15:14** **Op de achtste dag moet hij voor zichzelf twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen. Hij moet voor het aangezicht van Yahweh komen, bij de ingang van de tent van samenkomst, en ze aan de priester geven.** Brontekst: וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁמִינִ֗י (hashemini) = de achtste | יִֽקַּֽח (yiqach) = hij zal nemen | לוֹ֙ (lo) = voor zich | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee van | תֹרִ֔ים (torim) = tortelduiven | א֥וֹ (o) = of | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יוֹנָ֑ה (yona) = duif | וּבָ֣א (uva) = en hij zal komen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | פֶּ֨תַח֙ (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וּנְתָנָ֖ם (unetanam) = en hij zal ze geven | אֶל (el) = aan | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Twee vogels zijn ook het offer van de moeder na de bevalling (Lev. 12:8) en van de arme melaatse (Lev. 14:22). Zie ook: Lev 12:8; Lev 14:22; Lev 15:29–30; Num 6:10; Heb 10:12; Heb 10:14 **15:15** **De priester moet ze opdragen, de ene als zondoffer en de andere als brandoffer. De priester moet voor het aangezicht van Yahweh verzoening voor hem doen vanwege zijn vloeiing.** Brontekst: וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en hij zal opdragen | אֹתָם֙ (otam) = hen | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אֶחָ֣ד (echad) = de ene | חַטָּ֔את (chatat) = zondoffer | וְהָאֶחָ֖ד (vehaechad) = en de andere | עֹלָ֑ה (ola) = brandoffer | וְכִפֶּ֨ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלָ֧יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִזּוֹבֽוֹ (mizovo) = vanwege zijn vloeiing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:20; Lev 4:26; Lev 14:30–31; Num 25:13; Mat 3:17 ### Zaadlozing **15:16** **Wanneer bij een man een zaadlozing plaatsvindt, moet hij zijn hele lichaam met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְאִ֕ישׁ (veish) = en een man | כִּֽי (ki) = wanneer | תֵצֵ֥א (tetse) = uitgaat | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van hem | שִׁכְבַת (shikhvat) = de lozing van | זָ֑רַע (zara) = zaad | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֛יִם (bamayim) = met water | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn lichaam | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁכְבַת־זֶרַע (shichvat-zera), ‘zaadlozing’: letterlijk ‘het liggen van zaad’. Het woord זֶרַע (zera) betekent hier ‘zaad’ van de man; elders vertalen wij het met ‘nageslacht’. Zie ook: Lev 15:5; Lev 22:4; Deut 23:11–12; 1 Petr 2:11; 1 Joh 1:7 **15:17** **Elk kledingstuk en elk leren voorwerp waarop een zaadlozing komt, moet met water worden gewassen. Het is onrein tot de avond.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | בֶּ֣גֶד (beged) = kledingstuk | וְכָל (vekhal) = en elk | ע֔וֹר (or) = leren voorwerp | אֲשֶׁר (asher) = dat | יִהְיֶ֥ה (yihye) = het is | עָלָ֖יו (alav) = daarop | שִׁכְבַת (shikhvat) = de lozing van | זָ֑רַע (zara) = zaad | וְכֻבַּ֥ס (vekhubas) = en het wordt gewassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en het is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:18** **Wanneer een man met een zaadlozing bij een vrouw ligt, moeten zij zich met water wassen. Zij zijn onrein tot de avond.** Brontekst: וְאִשָּׁ֕ה (veisha) = en een vrouw | אֲשֶׁ֨ר (asher) = bij wie | יִשְׁכַּ֥ב (yishkav) = hij ligt | אִ֛ישׁ (ish) = een man | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | שִׁכְבַת (shikhvat) = de lozing van | זָ֑רַע (zara) = zaad | וְרָחֲצ֣וּ (verachatsu) = en zij zullen zich wassen | בַמַּ֔יִם (bamayim) = met water | וְטָמְא֖וּ (vetameu) = en zij zijn onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 15:5; Ps 51:7; 1 Kor 6:12; Ef 5:3–11; 2 Tim 2:22 ### De vrouw met een vloeiing van bloed **15:19** **Wanneer een vrouw een vloeiing heeft en haar vloeiing in haar lichaam bloed is, dan is zij zeven dagen in haar menstruatie. Iedereen die haar aanraakt, is onrein tot de avond.** Brontekst: וְאִשָּׁה֙ (veisha) = en een vrouw | כִּֽי (ki) = wanneer | תִהְיֶ֣ה (tihye) = zij is | זָבָ֔ה (zava) = met een vloeiing | דָּ֛ם (dam) = bloed | יִהְיֶ֥ה (yihye) = het is | זֹבָ֖הּ (zovah) = haar vloeiing | בִּבְשָׂרָ֑הּ (bivsarah) = in haar lichaam | שִׁבְעַ֤ת (shivat) = zeven van | יָמִים֙ (yamim) = dagen | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zij zal zijn | בְנִדָּתָ֔הּ (benidatah) = in haar menstruatie | וְכָל (vekhal) = en elk | הַנֹּגֵ֥עַ (hanogea) = die aanraakt | בָּ֖הּ (bah) = haar | יִטְמָ֥א (yitma) = hij wordt onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדָּה (niddah), ‘menstruatie’: zie Lev. 12:2. Zie ook: Lev 12:2; Lev 12:4; Klaagl 1:8–9; Mat 15:19; Mar 5:25 **15:20** **Alles waarop zij ligt tijdens haar menstruatie, wordt onrein. Alles waarop zij zit, wordt onrein.** Brontekst: וְכֹל֩ (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | תִּשְׁכַּ֥ב (tishkav) = zij ligt | עָלָ֛יו (alav) = daarop | בְּנִדָּתָ֖הּ (benidatah) = in haar menstruatie | יִטְמָ֑א (yitma) = wordt onrein | וְכֹ֛ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | תֵּשֵׁ֥ב (teshev) = zij zit | עָלָ֖יו (alav) = daarop | יִטְמָֽא (yitma) = wordt onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 15:4–9; Spr 5:3–13; Spr 6:35; Spr 9:13–18; Spr 22:27 **15:21** **Iedereen die haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | הַנֹּגֵ֖עַ (hanogea) = die aanraakt | בְּמִשְׁכָּבָ֑הּ (bemishkavah) = haar bed | יְכַבֵּ֧ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 15:5–6; Jes 22:14; 2 Kor 7:1; Heb 9:26; Openb 7:14 **15:22** **Iedereen die een voorwerp aanraakt waarop zij heeft gezeten, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | הַנֹּגֵ֔עַ (hanogea) = die aanraakt | בְּכָל (bekhal) = elk | כְּלִ֖י (keli) = voorwerp | אֲשֶׁר (asher) = waarop | תֵּשֵׁ֣ב (teshev) = zij zit | עָלָ֑יו (alav) = daarop | יְכַבֵּ֧ס (yekhabes) = hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:23** **Als het op het bed ligt of op het voorwerp waarop zij zit, is hij die het aanraakt, onrein tot de avond.** Brontekst: וְאִ֨ם (veim) = en als | עַֽל (al) = op | הַמִּשְׁכָּ֜ב (hamishkav) = het bed | ה֗וּא (hu) = het is | א֧וֹ (o) = of | עַֽל (al) = op | הַכְּלִ֛י (hakeli) = het voorwerp | אֲשֶׁר (asher) = waarop | הִ֥וא (hi) = zij | יֹשֶֽׁבֶת (yoshevet) = zit | עָלָ֖יו (alav) = daarop | בְּנָגְעוֹ (benageo) = bij zijn aanraken | ב֑וֹ (bo) = het | יִטְמָ֖א (yitma) = hij wordt onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen ‘het’ (הוּא, hu). Wij laten dat zo staan; bedoeld is iets van haar dat op het bed of op het voorwerp ligt. **15:24** **Als een man bij haar ligt en haar menstruatie komt op hem, is hij zeven dagen onrein. Elk bed waarop hij ligt, wordt onrein.** Brontekst: וְאִ֡ם (veim) = en als | שָׁכֹב֩ (shakhov) = liggen | יִשְׁכַּ֨ב (yishkav) = hij ligt | אִ֜ישׁ (ish) = een man | אֹתָ֗הּ (otah) = haar | וּתְהִ֤י (utehi) = en zij is | נִדָּתָהּ֙ (nidatah) = haar menstruatie | עָלָ֔יו (alav) = op hem | וְטָמֵ֖א (vetame) = en hij is onrein | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven van | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וְכָל (vekhal) = en elk | הַמִּשְׁכָּ֛ב (hamishkav) = bed | אֲשֶׁר (asher) = waarop | יִשְׁכַּ֥ב (yishkav) = hij ligt | עָלָ֖יו (alav) = daarop | יִטְמָֽא (yitma) = wordt onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:19; Lev 20:18; Ezech 18:6; 1 Petr 2:11; Heb 13:4 ### Bloeding buiten de menstruatie **15:25** **Wanneer het bloed van een vrouw veel dagen vloeit, buiten de tijd van haar menstruatie, of wanneer het over haar menstruatie heen vloeit. Dan is zij alle dagen van haar onreine vloeiing onrein. Zoals in de dagen van haar menstruatie is zij onrein.** Brontekst: וְאִשָּׁ֡ה (veisha) = en een vrouw | כִּֽי (ki) = wanneer | יָזוּב֩ (yazuv) = vloeit | ז֨וֹב (zov) = de vloeiing van | דָּמָ֜הּ (damah) = haar bloed | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֗ים (rabim) = vele | בְּלֹא֙ (belo) = buiten | עֶת (et) = de tijd van | נִדָּתָ֔הּ (nidatah) = haar menstruatie | א֥וֹ (o) = of | כִֽי (ki) = wanneer | תָז֖וּב (tazuv) = zij vloeit | עַל (al) = over | נִדָּתָ֑הּ (nidatah) = haar menstruatie | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֞י (yemei) = dagen van | ז֣וֹב (zov) = de vloeiing van | טֻמְאָתָ֗הּ (tumatah) = haar onreinheid | כִּימֵ֧י (kimei) = zoals de dagen van | נִדָּתָ֛הּ (nidatah) = haar menstruatie | תִּהְיֶ֖ה (tihye) = zij zal zijn | טְמֵאָ֥ה (temea) = onrein | הִֽוא (hi) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een vrouw die langere tijd bloedt buiten haar menstruatie. Zie ook Matt. 9:20–22. Zie ook: Lev 15:19–24; Mat 9:20; Mar 5:25; Mar 7:20–23; Luc 8:43 **15:26** **Elk bed waarop zij ligt, alle dagen van haar vloeiing, is voor haar zoals het bed van haar menstruatie. Elk voorwerp waarop zij zit, is onrein, zoals bij de onreinheid van haar menstruatie.** Brontekst: כָּל (kal) = elk | הַמִּשְׁכָּ֞ב (hamishkav) = bed | אֲשֶׁר (asher) = waarop | תִּשְׁכַּ֤ב (tishkav) = zij ligt | עָלָיו֙ (alav) = daarop | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | זוֹבָ֔הּ (zovah) = haar vloeiing | כְּמִשְׁכַּ֥ב (kemishkav) = zoals het bed van | נִדָּתָ֖הּ (nidatah) = haar menstruatie | יִֽהְיֶה (yihye) = het zal zijn | לָּ֑הּ (lah) = voor haar | וְכָֽל (vekhal) = en elk | הַכְּלִי֙ (hakeli) = voorwerp | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarop | תֵּשֵׁ֣ב (teshev) = zij zit | עָלָ֔יו (alav) = daarop | טָמֵ֣א (tame) = onrein | יִהְיֶ֔ה (yihye) = het zal zijn | כְּטֻמְאַ֖ת (ketumat) = zoals de onreinheid van | נִדָּתָֽהּ (nidatah) = haar menstruatie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:27** **Iedereen die ze aanraakt, is onrein. Hij moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | הַנּוֹגֵ֥עַ (hanogea) = die aanraakt | בָּ֖ם (bam) = hen | יִטְמָ֑א (yitma) = hij wordt onrein | וְכִבֶּ֧ס (vekhibes) = en hij zal wassen | בְּגָדָ֛יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij zal zich wassen | בַּמַּ֖יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 15:5–8; Lev 15:13; Lev 15:21; Ezech 36:25; 1 Petr 1:18–19 ### De reiniging van de vrouw **15:28** **Als zij rein wordt van haar vloeiing, moet zij voor zichzelf zeven dagen tellen. Daarna is zij rein.** Brontekst: וְאִֽם (veim) = en als | טָהֲרָ֖ה (tahara) = zij rein wordt | מִזּוֹבָ֑הּ (mizovah) = van haar vloeiing | וְסָ֥פְרָה (vesafera) = en zij zal tellen | לָּ֛הּ (lah) = voor zich | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | וְאַחַ֥ר (veachar) = en daarna | תִּטְהָֽר (tithar) = zal zij rein zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 15:13–15; Mat 1:21; Gal 3:13; Gal 4:4; 1 Kor 1:30 **15:29** **Op de achtste dag moet zij voor zichzelf twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen. Zij moet ze naar de priester brengen, naar de ingang van de tent van samenkomst.** Brontekst: וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁמִינִ֗י (hashemini) = de achtste | תִּֽקַּֽח (tiqach) = zij zal nemen | לָהּ֙ (lah) = voor zich | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee van | תֹרִ֔ים (torim) = tortelduiven | א֥וֹ (o) = of | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יוֹנָ֑ה (yona) = duif | וְהֵבִיאָ֤ה (vehevia) = en zij zal ze brengen | אוֹתָם֙ (otam) = hen | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אֶל (el) = naar | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:30** **De priester moet de ene opdragen als zondoffer en de andere als brandoffer. De priester moet voor het aangezicht van Yahweh verzoening voor haar doen vanwege de vloeiing van haar onreinheid.** Brontekst: וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en hij zal opdragen | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הָאֶחָ֣ד (haechad) = de ene | חַטָּ֔את (chatat) = zondoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֶחָ֖ד (haechad) = de andere | עֹלָ֑ה (ola) = brandoffer | וְכִפֶּ֨ר (vekhiper) = en hij zal verzoening doen | עָלֶ֤יהָ (aleiha) = voor haar | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִזּ֖וֹב (mizov) = vanwege de vloeiing van | טֻמְאָתָֽהּ (tumatah) = haar onreinheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Afsluiting: de tabernakel niet onrein maken **15:31** **Jullie moeten de zonen van Israël van hun onreinheid afhouden, zodat zij niet sterven in hun onreinheid door Mijn tabernakel, dat in hun midden is, onrein te maken.** Brontekst: וְהִזַּרְתֶּ֥ם (vehizartem) = en jullie zullen afhouden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִטֻּמְאָתָ֑ם (mitumatam) = van hun onreinheid | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יָמֻ֨תוּ֙ (yamutu) = zij zullen sterven | בְּטֻמְאָתָ֔ם (betumatam) = in hun onreinheid | בְּטַמְּאָ֥ם (betameam) = door hun onrein te maken | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁכָּנִ֖י (mishkani) = Mijn tabernakel | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בְּתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִזַּרְתֶּם (hizzartem), ‘afhouden’: van het grondwoord נזר (nazar), ‘scheiden’. Wij vertalen ‘van hun onreinheid afhouden’.\nWie onrein bij de tabernakel komt, brengt zichzelf in gevaar; zie ook Lev. 22:3. Zie ook: Lev 22:3; Num 5:3; Num 19:13; Num 19:20; Ezech 5:11; Ezech 23:38 **15:32** **Dit is de wet voor de man met een vloeiing, en voor wie een zaadlozing heeft, zodat hij daardoor onrein wordt,** Brontekst: זֹ֥את (zot) = dit | תּוֹרַ֖ת (torat) = de wet van | הַזָּ֑ב (hazav) = de man met de vloeiing | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en wie | תֵּצֵ֥א (tetse) = uitgaat | מִמֶּ֛נּוּ (mimenu) = van hem | שִׁכְבַת (shikhvat) = de lozing van | זֶ֖רַע (zera) = zaad | לְטָמְאָה (letamea) = om onrein te worden | בָֽהּ (bah) = daardoor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’. Wij vertalen steeds ‘wet’. Zie ook: Lev 11:46; Lev 13:59; Num 6:13; Num 19:14; Ezech 43:12 **15:33** **en voor de vrouw die ongesteld is in haar menstruatie, voor wie een vloeiing heeft, mannelijk of vrouwelijk, en voor de man die ligt bij een onreine vrouw.”** Brontekst: וְהַדָּוָה֙ (vehadava) = en voor de vrouw die ongesteld is | בְּנִדָּתָ֔הּ (benidatah) = in haar menstruatie | וְהַזָּב֙ (vehazav) = en voor wie een vloeiing heeft | אֶת (et) = (obj.) | זוֹב֔וֹ (zovo) = zijn vloeiing | לַזָּכָ֖ר (lazakhar) = voor mannelijk | וְלַנְּקֵבָ֑ה (velaneqeva) = en voor vrouwelijk | וּלְאִ֕ישׁ (uleish) = en voor een man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִשְׁכַּ֖ב (yishkav) = ligt | עִם (im) = met | טְמֵאָֽה (temea) = een onreine vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 15:19; Lev 15:24–25; Lev 20:18 ## Leviticus 16 _De Verzoendag_ ### Het gevaar van het heiligdom **16:1** Yahweh sprak tot Mozes na de dood van de twee zonen van Aäron, die stierven toen zij voor het aangezicht van Yahweh kwamen. Brontekst: וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | מ֔וֹת (mot) = de dood van | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֑ן (aharon) = Aäron | בְּקָרְבָתָ֥ם (beqarevatam) = bij hun naderen | לִפְנֵי (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּמֻֽתוּ (vayamutu) = en zij stierven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De twee zonen van Aäron zijn Nadab en Abihu; zie Lev. 10:1–2. Zie ook: Lev 10:1–2 **16:2** Yahweh zei tot Mozes: **„Spreek tot je broer Aäron: hij mag niet op elk moment het heiligdom binnengaan. Binnen de voorhang, voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, zodat hij niet sterft. Want Ik verschijn in de wolk boven het verzoendeksel.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | דַּבֵּר֮ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | אָחִיךָ֒ (achikha) = je broer | וְאַל (veal) = en niet | יָבֹ֤א (yavo) = hij mag komen | בְכָל (bekhal) = op elk | עֵת֙ (et) = moment | אֶל (el) = in | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | מִבֵּ֖ית (mibeit) = binnen | לַפָּרֹ֑כֶת (laparokhet) = de voorhang | אֶל (el) = voor | פְּנֵ֨י (penei) = het aangezicht van | הַכַּפֹּ֜רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָאָרֹן֙ (haaron) = de ark | וְלֹ֣א (velo) = zodat niet | יָמ֔וּת (yamut) = hij sterft | כִּ֚י (ki) = want | בֶּֽעָנָ֔ן (beanan) = in de wolk | אֵרָאֶ֖ה (erae) = Ik verschijn | עַל (al) = boven | הַכַּפֹּֽרֶת (hakaporet) = het verzoendeksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקֹּדֶשׁ (haqodesh), ‘het heiligdom’: hier het binnenste deel van de tabernakel, achter de voorhang, met de ark en het verzoendeksel. Voetnoot : פָּרֹכֶת (paroket), ‘voorhang’: het doek dat de ruimte met de ark afscheidt; zie Exod. 26:31–33. Voetnoot : כַּפֹּרֶת (kapporet), ‘verzoendeksel’: het deksel op de ark; zie Exod. 25:17–22. Voetnoot Lezing: ‘De wolk’ kan de wolk zijn waarin Yahweh aanwezig is (Exod. 40:34–35) of de wierookwolk uit vers 13. Wij laten dat open en vertalen zoals het er staat. Zie ook: Ex 25:17–22; Ex 26:31–33; Ex 30:10; Ex 40:34–35; Lev 16:13; 1 Kon 8:10–12; Heb 9:7–8; Heb 9:25; Heb 10:19–20 ### De kleren en de offers van Aäron **16:3** **Zo moet Aäron het heiligdom binnengaan: met een jonge stier als zondoffer en met een ram als brandoffer.** Brontekst: בְּזֹ֛את (bezot) = hiermee | יָבֹ֥א (yavo) = moet binnengaan | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | אֶל (el) = in | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | בְּפַ֧ר (befar) = met een stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֛ר (baqar) = rund | לְחַטָּ֖את (lechatat) = als zondoffer | וְאַ֥יִל (veayil) = en een ram | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor zichzelf brengt Aäron een stier als zondoffer (vers 6 en 11) en een ram als brandoffer; voor het volk komen er twee bokken als zondoffer en één ram als brandoffer (vers 5). Zie ook vers 24. Zie ook: Lev 1:10; Lev 4:3; Lev 8:18; Lev 16:5; Lev 16:6; Lev 16:11; Lev 16:24; Heb 9:7; Heb 9:24–25 **16:4** **Hij moet een heilig onderkleed van linnen aantrekken. Op zijn lichaam moeten linnen onderbroeken zijn. Hij moet zich omgorden met een linnen gordel en een linnen tulband omwinden. Dit zijn heilige kleren. Hij moet zijn lichaam met water wassen en ze dan aantrekken.** Brontekst: כְּתֹֽנֶת (ketonet) = een onderkleed van | בַּ֨ד (bad) = linnen | קֹ֜דֶשׁ (qodesh) = heilig | יִלְבָּ֗שׁ (yilbash) = hij moet aantrekken | וּמִֽכְנְסֵי (umikhnesei) = en onderbroeken van | בַד֮ (bad) = linnen | יִהְי֣וּ (yihyu) = zullen zijn | עַל (al) = op | בְּשָׂרוֹ֒ (besaro) = zijn lichaam | וּבְאַבְנֵ֥ט (uveavnet) = en met een gordel van | בַּד֙ (bad) = linnen | יַחְגֹּ֔ר (yachgor) = hij moet omgorden | וּבְמִצְנֶ֥פֶת (uvemitsnefet) = en met een tulband van | בַּ֖ד (bad) = linnen | יִצְנֹ֑ף (yitsnof) = hij moet omwinden | בִּגְדֵי (bigdei) = kleren van | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | הֵ֔ם (hem) = zij | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij moet wassen | בַּמַּ֛יִם (bamayim) = met water | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn lichaam | וּלְבֵשָֽׁם (ulevesham) = en hij moet ze aantrekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Op deze dag draagt Aäron linnen kleren, zonder de gouden en gekleurde onderdelen van Exod. 28:4–8. Voor de onderbroeken: zie Exod. 28:42. Zie ook: Ex 28:4–8; Ex 28:39–43; Ex 28:42; Ex 30:20; Lev 6:3; Ezech 44:17–18; Heb 7:26 **16:5** **Van de gemeenschap van de zonen van Israël moet hij twee geitenbokken nemen als zondoffer, en één ram als brandoffer.** Brontekst: וּמֵאֵ֗ת (umeet) = en van | עֲדַת֙ (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | יִקַּ֛ח (yiqach) = hij moet nemen | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | שְׂעִירֵ֥י (seirei) = bokken van | עִזִּ֖ים (izim) = geiten | לְחַטָּ֑את (lechatat) = als zondoffer | וְאַ֥יִל (veayil) = en een ram | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 8:2; Lev 9:8–16; Num 29:11; 2 Kron 29:21; Ezra 6:17 **16:6** **Aäron moet de stier van het zondoffer brengen, die voor hemzelf is. Hij moet verzoening doen voor zichzelf en voor zijn huis.** Brontekst: וְהִקְרִ֧יב (vehiqriv) = en hij moet brengen | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | פַּ֥ר (par) = de stier van | הַחַטָּ֖את (hachatat) = het zondoffer | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֑וֹ (lo) = voor hemzelf | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en hij moet verzoening doen | בַּעֲד֖וֹ (baado) = voor hem | וּבְעַ֥ד (uvead) = en voor | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:5; Lev 9:7; Ezech 43:27; Ezra 10:18–19; Heb 9:7 ### De twee bokken **16:7** **Dan moet hij de twee bokken nemen en ze voor het aangezicht van Yahweh laten staan, bij de ingang van de tent van samenkomst.** Brontekst: וְלָקַ֖ח (velaqach) = en hij moet nemen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | הַשְּׂעִירִ֑ם (haseirim) = de bokken | וְהֶעֱמִ֤יד (veheemid) = en hij moet laten staan | אֹתָם֙ (otam) = hen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:3; Lev 4:4; Lev 12:6–7; Mat 16:21; Rom 12:1 **16:8** **Aäron moet over de twee bokken loten werpen: één lot voor Yahweh en één lot voor Azazel.** Brontekst: וְנָתַ֧ן (venatan) = en hij moet geven | אַהֲרֹ֛ן (aharon) = Aäron | עַל (al) = over | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הַשְּׂעִירִ֖ם (haseirim) = de bokken | גּוֹרָל֑וֹת (goralot) = loten | גּוֹרָ֤ל (goral) = een lot | אֶחָד֙ (echad) = één | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְגוֹרָ֥ל (vegoral) = en een lot | אֶחָ֖ד (echad) = één | לַעֲזָאזֵֽל (laazazel) = voor Azazel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲזָאזֵל (azazel): wat deze naam betekent, is onzeker. Wij laten hem onvertaald. Voorgesteld zijn onder meer een persoonsnaam (van een wezen in de woestijn), een plaatsnaam (een onherbergzame plek) of een omschrijving van de bok zelf (‘de bok die weggaat’). Het Hebreeuws zegt alleen dat het ene lot ‘voor Yahweh’ is en het andere ‘voor Azazel’. Voetnoot Lezing: Wij nemen geen standpunt in over wat Azazel is; de tekst zegt het niet. Dezelfde naam staat in vers 10 en 26. Voetnoot Aanvullend: Henoch 8:1 en 10:4–8 gebruiken dezelfde naam voor een van de Wachters, die in de woestijn wordt vastgebonden. Of Lev. 16 hetzelfde bedoelt, zeggen wij hier niet. Zie ook: Hen 8:1; Hen 10:4; Lev 16:10; Lev 16:26; Num 26:55; 1 Sam 14:41–42; Spr 16:33; Jona 1:7; Hand 1:23–26 **16:9** **Aäron moet de bok brengen waarop het lot voor Yahweh is gevallen, en hem als zondoffer toebereiden.** Brontekst: וְהִקְרִ֤יב (vehiqriv) = en hij moet brengen | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׂעִ֔יר (hasair) = de bok | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | עָלָ֥ה (ala) = is opgekomen | עָלָ֛יו (alav) = op hem | הַגּוֹרָ֖ל (hagoral) = het lot | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְעָשָׂ֖הוּ (veasahu) = en hij moet hem toebereiden | חַטָּֽאת (chatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hand 2:23; Hand 4:27–28 **16:10** **De bok waarop het lot voor Azazel is gevallen, moet levend voor het aangezicht van Yahweh worden gesteld. Dan wordt er verzoening voor hem gedaan, en wordt hij naar Azazel de woestijn in gestuurd.** Brontekst: וְהַשָּׂעִ֗יר (vehasair) = en de bok | אֲשֶׁר֩ (asher) = waarop | עָלָ֨ה (ala) = is opgekomen | עָלָ֤יו (alav) = op hem | הַגּוֹרָל֙ (hagoral) = het lot | לַעֲזָאזֵ֔ל (laazazel) = voor Azazel | יָֽעֳמַד (yaomad) = moet worden gesteld | חַ֛י (chay) = levend | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְכַפֵּ֣ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עָלָ֑יו (alav) = over hem | לְשַׁלַּ֥ח (leshalach) = om weg te sturen | אֹת֛וֹ (oto) = hem | לַעֲזָאזֵ֖ל (laazazel) = naar Azazel | הַמִּדְבָּֽרָה (hamidbara) = de woestijn in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 16:21–22; Jes 53:4–11; Heb 9:23–24; 1 Joh 2:2; 1 Joh 3:16 ### De verzoening binnen de voorhang **16:11** **Aäron moet de stier van het zondoffer brengen, die voor hemzelf is. Hij moet verzoening doen voor zichzelf en voor zijn huis. Dan moet hij de stier van het zondoffer, die voor hemzelf is, slachten.** Brontekst: וְהִקְרִ֨יב (vehiqriv) = en hij moet brengen | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | פַּ֤ר (par) = de stier van | הַֽחַטָּאת֙ (hachatat) = het zondoffer | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֔וֹ (lo) = voor hemzelf | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en hij moet verzoening doen | בַּֽעֲד֖וֹ (baado) = voor hem | וּבְעַ֣ד (uvead) = en voor | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וְשָׁחַ֛ט (veshachat) = en hij moet slachten | אֶת (et) = (obj.) | פַּ֥ר (par) = de stier van | הַֽחַטָּ֖את (hachatat) = het zondoffer | אֲשֶׁר (asher) = die | לֽוֹ (lo) = voor hemzelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 16:3; Lev 16:6; Heb 7:27; Heb 9:7 **16:12** **Hij moet een vuurpan vol gloeiende kolen van het altaar nemen, van voor het aangezicht van Yahweh, en zijn handen vol fijne, welriekende wierook. Dan moet hij dat binnen de voorhang brengen.** Brontekst: וְלָקַ֣ח (velaqach) = en hij moet nemen | מְלֹֽא (melo) = de volheid van | הַ֠מַּחְתָּה (hamachta) = de vuurpan | גַּֽחֲלֵי (gachalei) = gloeiende kolen van | אֵ֞שׁ (esh) = vuur | מֵעַ֤ל (meal) = van boven | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = van voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמְלֹ֣א (umelo) = en de volheid van | חָפְנָ֔יו (chafenav) = zijn handen | קְטֹ֥רֶת (qetoret) = wierook van | סַמִּ֖ים (samim) = specerijen | דַּקָּ֑ה (daqa) = fijn | וְהֵבִ֖יא (vehevi) = en hij moet brengen | מִבֵּ֥ית (mibeit) = binnen | לַפָּרֹֽכֶת (laparokhet) = de voorhang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 30:34–38; Lev 10:1; Num 16:18; Num 17:11; Openb 8:3–4 **16:13** **Hij moet de wierook op het vuur leggen, voor het aangezicht van Yahweh. De wolk van de wierook moet het verzoendeksel bedekken dat op het getuigenis ligt, zodat hij niet sterft.** Brontekst: וְנָתַ֧ן (venatan) = en hij moet leggen | אֶֽת (et) = (obj.) | הַקְּטֹ֛רֶת (haqetoret) = de wierook | עַל (al) = op | הָאֵ֖שׁ (haesh) = het vuur | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְכִסָּ֣ה (vekhisa) = en zal bedekken | עֲנַ֣ן (anan) = de wolk van | הַקְּטֹ֗רֶת (haqetoret) = de wierook | אֶת (et) = (obj.) | הַכַּפֹּ֛רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָעֵד֖וּת (haedut) = het getuigenis | וְלֹ֥א (velo) = zodat niet | יָמֽוּת (yamut) = hij sterft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֵדוּת (ha’edut), ‘het getuigenis’: de stenen tafelen in de ark; zie Exod. 25:16 en 25:21. Zie ook: Ex 25:16; Ex 25:21; Ex 30:1; Ex 30:7–8; Num 16:7; 1 Joh 2:1–2 **16:14** **Hij moet van het bloed van de stier nemen en het met zijn vinger op de voorkant van het verzoendeksel spatten, aan de oostkant. Voor het verzoendeksel moet hij zeven keer met zijn vinger van het bloed spatten.** Brontekst: וְלָקַח֙ (velaqach) = en hij moet nemen | מִדַּ֣ם (midam) = van het bloed van | הַפָּ֔ר (hapar) = de stier | וְהִזָּ֧ה (vehiza) = en hij moet spatten | בְאֶצְבָּע֛וֹ (beetsbao) = met zijn vinger | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = de voorkant van | הַכַּפֹּ֖רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | קֵ֑דְמָה (qedema) = naar het oosten | וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor | הַכַּפֹּ֗רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | יַזֶּ֧ה (yaze) = hij moet spatten | שֶֽׁבַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֛ים (peamim) = keer | מִן (min) = van | הַדָּ֖ם (hadam) = het bloed | בְּאֶצְבָּעֽוֹ (beetsbao) = met zijn vinger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 4:5–6; Lev 4:17; Heb 9:7; Heb 9:13; Heb 9:25 **16:15** **Dan moet hij de bok van het zondoffer slachten, die voor het volk is. Hij moet zijn bloed binnen de voorhang brengen. Met dat bloed moet hij doen wat hij met het bloed van de stier gedaan heeft: hij moet het op het verzoendeksel en voor het verzoendeksel spatten.** Brontekst: וְשָׁחַ֞ט (veshachat) = en hij moet slachten | אֶת (et) = (obj.) | שְׂעִ֤יר (seir) = de bok van | הַֽחַטָּאת֙ (hachatat) = het zondoffer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לָעָ֔ם (laam) = voor het volk | וְהֵבִיא֙ (vehevi) = en hij moet brengen | אֶת (et) = (obj.) | דָּמ֔וֹ (damo) = zijn bloed | אֶל (el) = naar | מִבֵּ֖ית (mibeit) = binnen | לַפָּרֹ֑כֶת (laparokhet) = de voorhang | וְעָשָׂ֣ה (veasa) = en hij moet doen | אֶת (et) = (obj.) | דָּמ֗וֹ (damo) = zijn bloed | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | עָשָׂה֙ (asa) = hij deed | לְדַ֣ם (ledam) = met het bloed van | הַפָּ֔ר (hapar) = de stier | וְהִזָּ֥ה (vehiza) = en hij moet spatten | אֹת֛וֹ (oto) = het | עַל (al) = op | הַכַּפֹּ֖רֶת (hakaporet) = het verzoendeksel | וְלִפְנֵ֥י (velifnei) = en voor | הַכַּפֹּֽרֶת (hakaporet) = het verzoendeksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 16:2; Heb 2:17; Heb 9:3; Heb 9:7; Heb 9:12 **16:16** **Zo moet hij verzoening doen voor het heiligdom, vanwege de onreinheden van de zonen van Israël en vanwege hun overtredingen, met al hun zonden. Hetzelfde moet hij doen voor de tent van samenkomst, die bij hen woont, midden in hun onreinheden.** Brontekst: וְכִפֶּ֣ר (vekhiper) = en hij moet verzoening doen | עַל (al) = over | הַקֹּ֗דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | מִטֻּמְאֹת֙ (mitumot) = vanwege de onreinheden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּמִפִּשְׁעֵיהֶ֖ם (umipisheihem) = en vanwege hun overtredingen | לְכָל (lekhal) = bij | חַטֹּאתָ֑ם (chatotam) = al hun zonden | וְכֵ֤ן (vekhen) = en zo | יַעֲשֶׂה֙ (yaase) = hij moet doen | לְאֹ֣הֶל (leohel) = voor de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | הַשֹּׁכֵ֣ן (hashokhen) = die woont | אִתָּ֔ם (itam) = bij hen | בְּת֖וֹךְ (betokh) = in het midden van | טֻמְאֹתָֽם (tumotam) = hun onreinheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טֻמְאָה (tum’ah), ‘onreinheid’: rituele onreinheid. Het heiligdom wordt door de onreinheid en de overtredingen van het volk geraakt; daarom wordt er ook voor het heiligdom verzoening gedaan (vers 16, 19 en 33). Zie ook Lev. 15:31. Zie ook: Ex 29:36–37; Lev 8:15; Lev 15:31; Lev 16:18; Lev 16:19; Lev 16:33; Ezech 45:18–19; Heb 9:22–23 **16:17** **Niemand mag in de tent van samenkomst zijn wanneer hij binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, tot hij weer naar buiten komt. Hij moet verzoening doen voor zichzelf, voor zijn huis en voor de hele vergadering van Israël.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en geen | אָדָ֞ם (adam) = mens | לֹא (lo) = niet | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֗ד (moed) = samenkomst | בְּבֹא֛וֹ (bevoo) = bij zijn binnenkomen | לְכַפֵּ֥ר (lekhaper) = om verzoening te doen | בַּקֹּ֖דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | עַד (ad) = tot | צֵאת֑וֹ (tseto) = zijn naar buiten komen | וְכִפֶּ֤ר (vekhiper) = en hij moet verzoening doen | בַּעֲדוֹ֙ (baado) = voor hem | וּבְעַ֣ד (uvead) = en voor | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | וּבְעַ֖ד (uvead) = en voor | כָּל (kal) = heel | קְהַ֥ל (qehal) = de vergadering van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 34:3; Lev 16:10–11; Jes 53:6; Luc 1:10; 1 Petr 2:24 **16:18** **Dan moet hij naar buiten gaan, naar het altaar dat voor het aangezicht van Yahweh is, en daarvoor verzoening doen. Hij moet van het bloed van de stier en van het bloed van de bok nemen en het rondom op de hoorns van het altaar doen.** Brontekst: וְיָצָ֗א (veyatsa) = en hij moet naar buiten gaan | אֶל (el) = naar | הַמִּזְבֵּ֛חַ (hamizbeach) = het altaar | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְכִפֶּ֣ר (vekhiper) = en hij moet verzoening doen | עָלָ֑יו (alav) = erover | וְלָקַ֞ח (velaqach) = en hij moet nemen | מִדַּ֤ם (midam) = van het bloed van | הַפָּר֙ (hapar) = de stier | וּמִדַּ֣ם (umidam) = en van het bloed van | הַשָּׂעִ֔יר (hasair) = de bok | וְנָתַ֛ן (venatan) = en hij moet doen | עַל (al) = op | קַרְנ֥וֹת (qarnot) = de hoorns van | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen ‘het altaar dat voor het aangezicht van Yahweh is’. Dat kan het gouden wierookaltaar zijn (Exod. 30:1–10) of het altaar voor de brandoffers (Exod. 27:1–8). Wij laten het open. Zie ook: Ex 27:1–8; Ex 30:1–10; Ex 30:10; Lev 4:7; Lev 4:18; Lev 16:16; Heb 5:7–8 **16:19** **Hij moet er met zijn vinger zeven keer van het bloed op spatten. Zo moet hij het rein maken en heiligen, weg van de onreinheden van de zonen van Israël.** Brontekst: וְהִזָּ֨ה (vehiza) = en hij moet spatten | עָלָ֧יו (alav) = erop | מִן (min) = van | הַדָּ֛ם (hadam) = het bloed | בְּאֶצְבָּע֖וֹ (beetsbao) = met zijn vinger | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֑ים (peamim) = keer | וְטִהֲר֣וֹ (vetiharo) = en hij moet het rein maken | וְקִדְּשׁ֔וֹ (veqidesho) = en hij moet het heiligen | מִטֻּמְאֹ֖ת (mitumot) = van de onreinheden van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 43:18–22; Zach 13:1 ### De bok die wordt weggestuurd **16:20** **Als hij klaar is met de verzoening voor het heiligdom, de tent van samenkomst en het altaar, moet hij de levende bok brengen.** Brontekst: וְכִלָּה֙ (vekhila) = en hij is klaar | מִכַּפֵּ֣ר (mikaper) = met verzoening doen voor | אֶת (et) = (obj.) | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וְהִקְרִ֖יב (vehiqriv) = en hij moet brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׂעִ֥יר (hasair) = de bok | הֶחָֽי (hechay) = de levende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 8:15; Lev 16:16; Ezech 45:20; Rom 4:25; Rom 8:34 **16:21** **Aäron moet zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen. Daarbij moet hij alle schuld van de zonen van Israël belijden, en al hun overtredingen, al hun zonden. Hij moet ze op de kop van de bok leggen. Daarna moet hij de bok de woestijn in sturen, door een man die daarvoor klaarstaat.** Brontekst: וְסָמַ֨ךְ (vesamakh) = en hij moet leunen | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | אֶת (et) = (obj.) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | יָדָ֗יו (yadav) = zijn handen | עַ֨ל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | הַשָּׂעִיר֮ (hasair) = de bok | הַחַי֒ (hachay) = de levende | וְהִתְוַדָּ֣ה (vehitvada) = en hij moet belijden | עָלָ֗יו (alav) = over hem | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עֲוֺנֹת֙ (avonot) = de schuld van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | פִּשְׁעֵיהֶ֖ם (pisheihem) = hun overtredingen | לְכָל (lekhal) = bij | חַטֹּאתָ֑ם (chatotam) = al hun zonden | וְנָתַ֤ן (venatan) = en hij moet leggen | אֹתָם֙ (otam) = hen | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = de kop van | הַשָּׂעִ֔יר (hasair) = de bok | וְשִׁלַּ֛ח (veshilach) = en hij moet wegsturen | בְּיַד (beyad) = door de hand van | אִ֥ישׁ (ish) = een man | עִתִּ֖י (iti) = die klaarstaat | הַמִּדְבָּֽרָה (hamidbara) = de woestijn in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָמַךְ (samakh), ‘leggen’: letterlijk ‘leunen’. Aäron leunt met beide handen op de kop van de bok; bij andere offers wordt één hand gelegd (Lev. 1:4; 3:2). Voetnoot : הִתְוַדָּה (hitvaddah), ‘belijden’: hardop zeggen wat men gedaan heeft. Voetnoot : עִתִּי (itti), ‘klaarstaand’: een man die voor dit moment klaarstaat. Het woord komt maar hier voor; de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 1:4; Lev 3:2; Ps 51:5; Spr 28:13; Jes 53:6; Ezra 10:1; 2 Kor 5:21 **16:22** **De bok moet al hun schuld op zich dragen naar een afgelegen land. Hij moet de bok in de woestijn wegsturen.** Brontekst: וְנָשָׂ֨א (venasa) = en hij zal dragen | הַשָּׂעִ֥יר (hasair) = de bok | עָלָ֛יו (alav) = op zich | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עֲוֺנֹתָ֖ם (avonotam) = hun schuld | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | גְּזֵרָ֑ה (gezera) = afgesneden | וְשִׁלַּ֥ח (veshilach) = en hij moet wegsturen | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׂעִ֖יר (hasair) = de bok | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: de bok draagt de schuld weg. Hetzelfde werkwoord staat bij ‘zijn schuld dragen’ (Lev. 5:1). Voetnoot : גְּזֵרָה (gezerah), ‘afgesneden’: een land dat van de bewoonde wereld is afgesneden. Wij vertalen ‘afgelegen’. De precieze betekenis is niet zeker. Zie ook: Lev 5:1; Ps 103:10; Jes 53:11–12; Mi 7:19; Joh 1:29; 1 Petr 2:24 ### Aäron kleedt zich om **16:23** **Aäron moet de tent van samenkomst ingaan. Hij moet de linnen kleren uittrekken die hij heeft aangetrokken toen hij het heiligdom binnenging, en ze daar neerleggen.** Brontekst: וּבָ֤א (uva) = en hij moet gaan | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֔ד (moed) = samenkomst | וּפָשַׁט֙ (ufashat) = en hij moet uittrekken | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֣י (bigdei) = de kleren van | הַבָּ֔ד (habad) = het linnen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לָבַ֖שׁ (lavash) = hij aantrok | בְּבֹא֣וֹ (bevoo) = bij zijn binnenkomen | אֶל (el) = in | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וְהִנִּיחָ֖ם (vehinicham) = en hij moet ze neerleggen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 16:4; Ezech 42:14; Ezech 44:19; Rom 8:3; Fil 2:6–11 **16:24** **Hij moet zijn lichaam op een heilige plaats met water wassen en zijn kleren aantrekken. Dan moet hij naar buiten gaan en zijn brandoffer en het brandoffer van het volk toebereiden. Hij moet verzoening doen voor zichzelf en voor het volk.** Brontekst: וְרָחַ֨ץ (verachats) = en hij moet wassen | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂר֤וֹ (besaro) = zijn lichaam | בַמַּ֨יִם֙ (bamayim) = met water | בְּמָק֣וֹם (bemaqom) = op een plaats | קָד֔וֹשׁ (qadosh) = heilig | וְלָבַ֖שׁ (velavash) = en hij moet aantrekken | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֑יו (begadav) = zijn kleren | וְיָצָ֗א (veyatsa) = en hij moet naar buiten gaan | וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en hij moet toebereiden | אֶת (et) = (obj.) | עֹֽלָתוֹ֙ (olato) = zijn brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֹלַ֣ת (olat) = het brandoffer van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְכִפֶּ֥ר (vekhiper) = en hij moet verzoening doen | בַּעֲד֖וֹ (baado) = voor hem | וּבְעַ֥ד (uvead) = en voor | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 8:6–9; Lev 16:3–5; Lev 22:6; Heb 9:10; Heb 10:19–22 **16:25** **Het vet van het zondoffer moet hij op het altaar in rook laten opgaan.** Brontekst: וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | חֵ֥לֶב (chelev) = het vet van | הַֽחַטָּ֖את (hachatat) = het zondoffer | יַקְטִ֥יר (yaqtir) = hij moet in rook laten opgaan | הַמִּזְבֵּֽחָה (hamizbecha) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:13; Lev 4:8–10; Lev 4:19; Lev 16:6 **16:26** **Wie de bok naar Azazel heeft weggestuurd, moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Daarna mag hij het kamp binnengaan.** Brontekst: וְהַֽמְשַׁלֵּ֤חַ (vehamshaleach) = en wie wegstuurt | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׂעִיר֙ (hasair) = de bok | לַֽעֲזָאזֵ֔ל (laazazel) = naar Azazel | יְכַבֵּ֣ס (yekhabes) = hij moet wassen | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij moet wassen | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn lichaam | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = met water | וְאַחֲרֵי (veacharei) = en na | כֵ֖ן (ken) = dat | יָב֥וֹא (yavo) = mag hij binnengaan | אֶל (el) = in | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 15:5–11; Lev 16:10; Lev 16:28; Num 19:7–8; Heb 7:19 **16:27** **De stier van het zondoffer en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed binnengebracht is om verzoening te doen in het heiligdom, moet hij naar buiten brengen. Buiten het kamp. Hun huid, hun vlees en hun mest moeten met vuur worden verbrand.** Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | פַּ֨ר (par) = de stier van | הַֽחַטָּ֜את (hachatat) = het zondoffer | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שְׂעִ֣יר (seir) = de bok van | הַֽחַטָּ֗את (hachatat) = het zondoffer | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarvan | הוּבָ֤א (huva) = is binnengebracht | אֶת (et) = (obj.) | דָּמָם֙ (damam) = hun bloed | לְכַפֵּ֣ר (lekhaper) = om verzoening te doen | בַּקֹּ֔דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | יוֹצִ֖יא (yotsi) = hij moet naar buiten brengen | אֶל (el) = naar | מִח֣וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֑ה (lamachane) = het kamp | וְשָׂרְפ֣וּ (vesarefu) = en zij moeten verbranden | בָאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | אֶת (et) = (obj.) | עֹרֹתָ֥ם (orotam) = hun huiden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּשָׂרָ֖ם (besaram) = hun vlees | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פִּרְשָֽׁם (pirsham) = hun mest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ook bij andere zondoffers wordt het dier buiten het kamp verbrand; zie Lev. 4:11–12 en Exod. 29:14. Zie ook: Ex 29:14; Lev 4:11–12; Lev 4:21; Lev 6:23; Lev 8:17; Heb 13:11–14 **16:28** **Wie ze verbrandt, moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Daarna mag hij het kamp binnengaan.** Brontekst: וְהַשֹּׂרֵ֣ף (vehasoref) = en wie verbrandt | אֹתָ֔ם (otam) = hen | יְכַבֵּ֣ס (yekhabes) = hij moet wassen | בְּגָדָ֔יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij moet wassen | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn lichaam | בַּמָּ֑יִם (bamayim) = met water | וְאַחֲרֵי (veacharei) = en na | כֵ֖ן (ken) = dat | יָב֥וֹא (yavo) = mag hij binnengaan | אֶל (el) = in | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De Verzoendag voor het volk **16:29** **Dit moet voor jullie een eeuwig voorschrift zijn: in de zevende maand, op de tiende dag van de maand, moeten jullie jezelf kwellen. Jullie mogen geen enkel werk doen, de inheemse niet en de vreemdeling die in jullie midden verblijft niet.** Brontekst: וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en het zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לְחֻקַּ֣ת (lechuqat) = tot een voorschrift van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַ֠שְּׁבִיעִי (hashevii) = de zevende | בֶּֽעָשׂ֨וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹ֜דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | תְּעַנּ֣וּ (teanu) = jullie moeten kwellen | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֹֽׁתֵיכֶ֗ם (nafshoteikhem) = jullie levens | וְכָל (vekhal) = en geen | מְלָאכָה֙ (melakha) = werk | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֔וּ (taasu) = jullie mogen doen | הָֽאֶזְרָ֔ח (haezrach) = de inheemse | וְהַגֵּ֖ר (vehager) = en de vreemdeling | הַגָּ֥ר (hagar) = die verblijft | בְּתוֹכְכֶֽם (betokhekhem) = in jullie midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּעַנּוּ אֶת־נַפְשֹׁתֵיכֶם (te’annu et-nafshoteikhem), ‘jullie moeten jezelf kwellen’: letterlijk ‘jullie levens kwellen’. Het gaat om vasten en je inhouden; zie ook Lev. 23:27–32 en Num. 29:7. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘leven, wezen, persoon’: zie ook Lev. 17:11. Voetnoot : De zevende maand valt ongeveer in september en oktober; de tiende dag van die maand is de Grote Verzoendag (Yom Kippur). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 34:18–19 noemt dezelfde dag, de tiende van de zevende maand, en de verzoening eenmaal per jaar. Zie ook: Jub 34:18–19; Ex 20:10; Lev 17:11; Lev 23:7–8; Lev 23:27–32; Num 29:7; Jes 58:3; Dan 10:12 **16:30** **Want op deze dag wordt er verzoening voor jullie gedaan, om jullie rein te maken. Van al jullie zonden zullen jullie rein worden voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | בַיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | יְכַפֵּ֥ר (yekhaper) = er wordt verzoening gedaan | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = voor jullie | לְטַהֵ֣ר (letaher) = om rein te maken | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | מִכֹּל֙ (mikol) = van al | חַטֹּ֣אתֵיכֶ֔ם (chatoteikhem) = jullie zonden | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תִּטְהָֽרוּ (titharu) = jullie zullen rein worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 51:4; Ps 51:12; Jer 33:8; Ef 5:26; Heb 10:1–2 **16:31** **Het is voor jullie een sabbat van volledige rust. Jullie moeten jezelf kwellen. Dit is een eeuwig voorschrift.** Brontekst: שַׁבַּ֨ת (shabat) = een sabbat van | שַׁבָּת֥וֹן (shabaton) = volledige rust | הִיא֙ (hi) = het is | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | וְעִנִּיתֶ֖ם (veinitem) = en jullie moeten kwellen | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם (nafshoteikhem) = jullie levens | חֻקַּ֖ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:15; Ex 35:2; Lev 23:32; Jes 58:3; Jes 58:5 ### Wie de verzoening doet **16:32** **De priester die gezalfd wordt en ingewijd wordt om priester te zijn in plaats van zijn vader, moet verzoening doen. Hij moet de linnen kleren aantrekken, de heilige kleren.** Brontekst: וְכִפֶּ֨ר (vekhiper) = en hij moet verzoening doen | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֲשֶׁר (asher) = die | יִמְשַׁ֣ח (yimshach) = men zalft | אֹת֗וֹ (oto) = hem | וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en die | יְמַלֵּא֙ (yemale) = men inwijdt | אֶת (et) = (obj.) | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | לְכַהֵ֖ן (lekhahen) = om priester te zijn | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וְלָבַ֛שׁ (velavash) = en hij moet aantrekken | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = de kleren van | הַבָּ֖ד (habad) = het linnen | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = de kleren van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִלֵּא אֶת־יָדוֹ (mille et-yado), ‘zijn hand vullen’, betekent ‘inwijden’; zie Exod. 29:9. Zie ook: Ex 29:9; Ex 29:29–30; Lev 4:16; Lev 16:4; Num 20:26–28 **16:33** **Hij moet verzoening doen voor het heilige heiligdom. Ook voor de tent van samenkomst en voor het altaar moet hij verzoening doen. Voor de priesters en voor heel het volk van de vergadering moet hij ook verzoening doen.** Brontekst: וְכִפֶּר֙ (vekhiper) = en hij moet verzoening doen | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדַּ֣שׁ (miqdash) = het heiligdom van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹ֧הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֛ד (moed) = samenkomst | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | יְכַפֵּ֑ר (yekhaper) = hij moet verzoening doen | וְעַ֧ל (veal) = en voor | הַכֹּהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | וְעַל (veal) = en voor | כָּל (kal) = heel | עַ֥ם (am) = het volk van | הַקָּהָ֖ל (haqahal) = de vergadering | יְכַפֵּֽר (yekhaper) = hij moet verzoening doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:25–26; Lev 16:6; Lev 16:11; Lev 16:16; Lev 16:24 **16:34** **Dit moet voor jullie een eeuwig voorschrift zijn: eenmaal per jaar verzoening doen voor de zonen van Israël, voor al hun zonden.”** Er werd gedaan zoals Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וְהָֽיְתָה (vehayeta) = en het zal zijn | זֹּ֨את (zot) = dit | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | לְחֻקַּ֣ת (lechuqat) = tot een voorschrift van | עוֹלָ֗ם (olam) = eeuwigheid | לְכַפֵּ֞ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עַל (al) = voor | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מִכָּל (mikal) = van al | חַטֹּאתָ֔ם (chatotam) = hun zonden | אַחַ֖ת (achat) = eenmaal | בַּשָּׁנָ֑ה (bashana) = per jaar | וַיַּ֕עַשׂ (vayaas) = en er werd gedaan | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat bij ‘en hij deed’ geen onderwerp; waarschijnlijk is het Aäron. Wij vertalen onpersoonlijk. Zie ook: Ex 30:10; Heb 9:7; Heb 9:25; Heb 10:3; Heb 10:14 ## Leviticus 17 _Slachten en bloed_ ### Slachten alleen bij de tent van samenkomst **17:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:2** **„Spreek tot Aäron, tot zijn zonen en tot alle zonen van Israël en zeg tegen hen: dit is het woord dat Yahweh geboden heeft:** Brontekst: דַּבֵּ֨ר (daber) = spreek | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | וְאֶל (veel) = en tot | בָּנָ֗יו (banav) = zijn zonen | וְאֶל֙ (veel) = en tot | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = tegen hen | זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:3** **Ieder man uit het huis van Israël die een rund, een schaap of een geit slacht, in het kamp of buiten het kamp,** Brontekst: אִ֥ישׁ (ish) = man | אִישׁ֙ (ish) = man | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִשְׁחַ֜ט (yishchat) = slacht | שׁ֥וֹר (shor) = een rund | אוֹ (o) = of | כֶ֛שֶׂב (kesev) = een schaap | אוֹ (o) = of | עֵ֖ז (ez) = een geit | בַּֽמַּחֲנֶ֑ה (bamachane) = in het kamp | א֚וֹ (o) = of | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִשְׁחַ֔ט (yishchat) = slacht | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶֽה (lamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gaat om de dieren die ook als offer dienen: rund, schaap en geit. Het verbod geldt voor slachten zonder dat het dier als offer bij de tent van samenkomst wordt gebracht. Zie ook: Lev 17:8; Lev 17:12–13; Lev 17:15; Deut 12:11–15; Deut 12:26–27 **17:4** **en het niet naar de ingang van de tent van samenkomst brengt om het als offergave voor Yahweh te brengen, voor de tabernakel van Yahweh. Aan die man wordt bloed toegerekend. Hij heeft bloed vergoten. Die man moet uit zijn volk worden afgesneden.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | פֶּ֜תַח (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵד֮ (moed) = samenkomst | לֹ֣א (lo) = niet | הֱבִיאוֹ֒ (hevio) = hij het brengt | לְהַקְרִ֤יב (lehaqriv) = om te brengen | קָרְבָּן֙ (qarban) = een offergave | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | מִשְׁכַּ֣ן (mishkan) = de tabernakel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | דָּ֣ם (dam) = bloed | יֵחָשֵׁ֞ב (yechashev) = wordt toegerekend | לָאִ֤ישׁ (laish) = aan de man | הַהוּא֙ (hahu) = die | דָּ֣ם (dam) = bloed | שָׁפָ֔ךְ (shafakh) = hij heeft vergoten | וְנִכְרַ֛ת (venikhrat) = en hij wordt afgesneden | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | הַה֖וּא (hahu) = die | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמּֽוֹ (amo) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּם יֵחָשֵׁב (dam yechashev), ‘bloed wordt toegerekend’: een slachting buiten de tent van samenkomst telt als bloedvergieten. Dezelfde woorden שָׁפַךְ דָּם (shafakh dam), ‘bloed vergieten’, staan ook bij moord (Gen. 9:6). Voetnoot : נִכְרַת (nikhrat), ‘afgesneden’: de persoon verliest zijn plaats in het volk. De precieze zin is niet helemaal zeker; zie ook Gen. 17:14 en Lev. 20:3. Zie ook: Gen 9:6; Gen 17:14; Lev 20:3; Jes 66:3; Ezech 20:40; Joh 10:7; Joh 14:6 **17:5** **Het doel is dat de zonen van Israël hun slachtoffers brengen, die zij nu op het open veld slachten. Zij moeten ze voor Yahweh brengen, naar de priester bij de ingang van de tent van samenkomst. Daar moeten zij ze als vredeoffers voor Yahweh slachten.** Brontekst: לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יָבִ֜יאוּ (yaviu) = zij brengen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֶֽת (et) = (obj.) | זִבְחֵיהֶם֮ (zivcheihem) = hun slachtoffers | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֵ֣ם (hem) = zij | זֹבְחִים֮ (zovechim) = slachten | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het oppervlak van | הַשָּׂדֶה֒ (hasade) = het veld | וֶֽהֱבִיאֻ֣ם (vehevium) = en zij moeten ze brengen | לַֽיהוָ֗ה (laYahweh) = naar Yahweh | אֶל (el) = naar | פֶּ֛תַח (petach) = de ingang van | אֹ֥הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | אֶל (el) = naar | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | וְזָ֨בְח֜וּ (vezavechu) = en zij moeten slachten | זִבְחֵ֧י (zivchei) = slachtoffers van | שְׁלָמִ֛ים (shelamim) = vredeoffers | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In vers 5 gaat het over slachtingen op het open veld. Die dieren moeten nu bij de ingang van de tent van samenkomst worden gebracht, als vredeoffers (Lev. 3). Zie ook: Gen 21:33; Ex 24:5; 1 Kon 14:23; 2 Kon 17:10; 2 Kron 28:4 **17:6** **De priester moet het bloed op het altaar van Yahweh sprenkelen, bij de ingang van de tent van samenkomst. Hij moet het vet in rook laten opgaan als aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְזָרַ֨ק (vezaraq) = en hij moet sprenkelen | הַכֹּהֵ֤ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּם֙ (hadam) = het bloed | עַל (al) = op | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְהִקְטִ֣יר (vehiqtir) = en hij moet in rook laten opgaan | הַחֵ֔לֶב (hachelev) = het vet | לְרֵ֥יחַ (lereiach) = tot een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:2; Lev 3:8; Lev 3:13; Lev 3:16; Num 18:17 ### Geen offers aan de bokgeesten **17:7** **Zij mogen hun slachtoffers niet meer slachten voor de bokgeesten, waaraan zij zich overgeven. Dit moet voor hen een eeuwig voorschrift zijn, voor hun generaties.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יִזְבְּח֥וּ (yizbechu) = zij zullen slachten | עוֹד֙ (od) = meer | אֶת (et) = (obj.) | זִבְחֵיהֶ֔ם (zivcheihem) = hun slachtoffers | לַשְּׂעִירִ֕ם (laseirim) = aan de bokgeesten | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waaraan | הֵ֥ם (hem) = zij | זֹנִ֖ים (zonim) = zich overgeven | אַחֲרֵיהֶ֑ם (achareihem) = achter hen aan | חֻקַּ֥ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָ֛ם (olam) = eeuwigheid | תִּֽהְיֶה (tihye) = zal zijn | זֹּ֥את (zot) = dit | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְדֹרֹתָֽם (ledorotam) = voor hun generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂעִירִם (se’irim), ‘bokken’: letterlijk ‘harigen’. Wat deze bokken precies zijn, is niet zeker: geesten, demonen of afgodsbeelden in de vorm van bokken. Het woord staat ook in Jes. 13:21, Jes. 34:14 en 2 Kron. 11:15. Voetnoot : זֹנִים (zonim), ‘zich overgeven aan’: ontrouw aan Yahweh, als een verbroken huwelijk; zie ook Exod. 34:15–16. Voetnoot Lezing: Wij vertalen ‘bokgeesten’, omdat ‘bokken’ hier niet de gewone dieren bedoelt. Het is een keuze voor de betekenis; de letterlijke vorm is ‘harigen’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 1:11 spreekt ook over offers aan demonen. Zie ook: Jub 1:11; Ex 34:15; Deut 32:17; Ps 106:37; 2 Kron 11:15; Jes 13:21; Jes 34:14; 1 Kor 10:20 ### Alle offers bij de tent van samenkomst **17:8** **Zeg ook tegen hen: ieder man uit het huis van Israël of van de vreemdelingen die in hun midden verblijven, die een brandoffer of een slachtoffer opdraagt,** Brontekst: וַאֲלֵהֶ֣ם (vaalehem) = en tegen hen | תֹּאמַ֔ר (tomar) = je zult zeggen | אִ֥ישׁ (ish) = man | אִישׁ֙ (ish) = man | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּמִן (umin) = en uit | הַגֵּ֖ר (hager) = de vreemdeling | אֲשֶׁר (asher) = die | יָג֣וּר (yagur) = verblijft | בְּתוֹכָ֑ם (betokham) = in hun midden | אֲשֶׁר (asher) = die | יַעֲלֶ֥ה (yaale) = opdraagt | עֹלָ֖ה (ola) = een brandoffer | אוֹ (o) = of | זָֽבַח (zavach) = een slachtoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 1:2–3; Lev 17:4; Lev 17:10; Re 6:26; 1 Kon 18:30–38 **17:9** **en het niet naar de ingang van de tent van samenkomst brengt om het voor Yahweh te bereiden, die man moet uit zijn volk worden afgesneden.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | פֶּ֜תַח (petach) = de ingang van | אֹ֤הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵד֙ (moed) = samenkomst | לֹ֣א (lo) = niet | יְבִיאֶ֔נּוּ (yevienu) = hij het brengt | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te bereiden | אֹת֖וֹ (oto) = het | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְנִכְרַ֛ת (venikhrat) = en hij wordt afgesneden | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | הַה֖וּא (hahu) = die | מֵעַמָּֽיו (meamav) = uit zijn volksgenoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 17:4 ### Geen bloed eten **17:10** **Ieder man uit het huis van Israël of van de vreemdelingen die in hun midden verblijven, die enig bloed eet. Tegen die persoon die het bloed eet zal Ik Mijn aangezicht richten. Ik zal hem uit zijn volk afsnijden.** Brontekst: וְאִ֨ישׁ (veish) = en man | אִ֜ישׁ (ish) = man | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וּמִן (umin) = en uit | הַגֵּר֙ (hager) = de vreemdeling | הַגָּ֣ר (hagar) = die verblijft | בְּתוֹכָ֔ם (betokham) = in hun midden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יֹאכַ֖ל (yokhal) = eet | כָּל (kal) = enig | דָּ֑ם (dam) = bloed | וְנָתַתִּ֣י (venatati) = en Ik zal richten | פָנַ֗י (panay) = Mijn aangezicht | בַּנֶּ֨פֶשׁ֙ (banefesh) = tegen de persoon | הָאֹכֶ֣לֶת (haokhelet) = die eet | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמָּֽהּ (amah) = haar volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּנַי נָתַתִּי (natati panai), ‘Ik zal Mijn aangezicht richten’: Yahweh keert zich tegen deze persoon; zie ook Lev. 20:3, 20:5–6 en 26:17. Zie ook: Lev 3:17; Lev 17:11; Lev 20:3; Lev 20:5; Lev 26:17; Deut 12:16; Deut 12:23 **17:11** **Want het leven van het vlees is in het bloed. Ik heb het jullie op het altaar gegeven om verzoening te doen voor jullie levens. Want het is het bloed dat door het leven verzoening doet.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = het leven van | הַבָּשָׂר֮ (habasar) = het vlees | בַּדָּ֣ם (badam) = in het bloed | הִוא֒ (hi) = het is | וַאֲנִ֞י (vaani) = en Ik | נְתַתִּ֤יו (netativ) = heb het gegeven | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עַל (al) = voor | נַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם (nafshoteikhem) = jullie levens | כִּֽי (ki) = want | הַדָּ֥ם (hadam) = het bloed | ה֖וּא (hu) = het | בַּנֶּ֥פֶשׁ (banefesh) = door het leven | יְכַפֵּֽר (yekhaper) = doet verzoening Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘leven’: het woord betekent ook ‘ziel, wezen, persoon’. In vers 11 en 14 vertalen wij ‘leven’ en ‘levens’; in vers 10, 12 en 15 gaat het om een persoon. Voetnoot : כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: het bloed op het altaar doet verzoening voor het leven van de offeraar; zie ook Lev. 16. Voetnoot : בַּנֶּפֶשׁ (bannefesh), ‘door het leven’: het voorzetsel ב kan ‘door’, ‘in’ of ‘als prijs voor’ betekenen. Wij vertalen ‘door’: het bloed doet verzoening doordat het het leven is. Voetnoot : Zie ook Gen. 9:4, Deut. 12:23 en Hebr. 9:22. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 6:7 en 21:18 bevestigen dat het bloed het leven is. Zie ook: Gen 9:4; Jub 6:7; Jub 21:18; Lev 17:10; Lev 17:12; Lev 17:14; Lev 17:15; Deut 12:23; Mar 14:24; Rom 3:25; Heb 9:22; 1 Joh 1:7; Openb 1:5 **17:12** **Daarom heb Ik tegen de zonen van Israël gezegd: niemand van jullie mag bloed eten, en de vreemdeling die in jullie midden verblijft, mag geen bloed eten.** Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֤ן (ken) = zo | אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = heb Ik gezegd | לִבְנֵ֣י (livnei) = tegen de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כָּל (kal) = elke | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = persoon | מִכֶּ֖ם (mikem) = van jullie | לֹא (lo) = niet | תֹ֣אכַל (tokhal) = mag eten | דָּ֑ם (dam) = bloed | וְהַגֵּ֛ר (vehager) = en de vreemdeling | הַגָּ֥ר (hagar) = die verblijft | בְּתוֹכְכֶ֖ם (betokhekhem) = in jullie midden | לֹא (lo) = niet | יֹ֥אכַל (yokhal) = mag eten | דָּֽם (dam) = bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:49 ### Het bloed van wild en vogels **17:13** **Ieder man van de zonen van Israël of van de vreemdelingen die in hun midden verblijven. Die op een wild dier of een vogel jaagt dat gegeten mag worden, moet zijn bloed vergieten en het met stof bedekken.** Brontekst: וְאִ֨ישׁ (veish) = en man | אִ֜ישׁ (ish) = man | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וּמִן (umin) = en uit | הַגֵּר֙ (hager) = de vreemdeling | הַגָּ֣ר (hagar) = die verblijft | בְּתוֹכָ֔ם (betokham) = in hun midden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יָצ֜וּד (yatsud) = jaagt | צֵ֥יד (tseid) = de jacht op | חַיָּ֛ה (chaya) = een wild dier | אוֹ (o) = of | ע֖וֹף (of) = een vogel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יֵאָכֵ֑ל (yeakhel) = gegeten mag worden | וְשָׁפַךְ֙ (veshafakh) = en hij moet vergieten | אֶת (et) = (obj.) | דָּמ֔וֹ (damo) = zijn bloed | וְכִסָּ֖הוּ (vekhisahu) = en hij moet het bedekken | בֶּעָפָֽר (beafar) = met stof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bloed van gejaagd wild en vogels komt niet op het altaar, maar wordt vergoten en met stof bedekt. Zie ook Deut. 12:16 en 12:24. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 21:17 bevestigt dit: bedek het bloed met aarde. Zie ook: Jub 21:17; Lev 7:26; Deut 12:16; Deut 12:24; Deut 15:23; Ezech 24:7 **17:14** **Want het leven van al het vlees is zijn bloed, dat in zijn leven is. Ik zei tegen de zonen van Israël: het bloed van geen enkel vlees mogen jullie eten, want het leven van al het vlees is zijn bloed. Ieder die het eet, moet worden afgesneden.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = het leven van | כָּל (kal) = al | בָּשָׂ֗ר (basar) = vlees | דָּמ֣וֹ (damo) = zijn bloed | בְנַפְשׁוֹ֮ (benafsho) = in zijn leven | הוּא֒ (hu) = het is | וָֽאֹמַר֙ (vaomar) = en Ik zei | לִבְנֵ֣י (livnei) = tegen de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | דַּ֥ם (dam) = het bloed van | כָּל (kal) = al | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכֵ֑לוּ (tokhelu) = jullie zullen eten | כִּ֣י (ki) = want | נֶ֤פֶשׁ (nefesh) = het leven van | כָּל (kal) = al | בָּשָׂר֙ (basar) = vlees | דָּמ֣וֹ (damo) = zijn bloed | הִ֔וא (hi) = het is | כָּל (kal) = ieder | אֹכְלָ֖יו (okhelav) = die het eet | יִכָּרֵֽת (yikaret) = hij wordt afgesneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘want het leven van al het vlees, zijn bloed, is in zijn leven’. De zin is moeilijk. Wij vertalen: ‘het leven van al het vlees is zijn bloed, dat in zijn leven is’. De bedoeling is dat bloed en leven bij elkaar horen (vers 11). Zie ook: Gen 9:4; Lev 17:11–12; Deut 12:23 ### Wat vanzelf gestorven of verscheurd is **17:15** **Iedere persoon die een dier eet dat vanzelf gestorven of verscheurd is, een inheemse of een vreemdeling, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond, dan is hij rein.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en iedere | נֶ֗פֶשׁ (nefesh) = persoon | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | תֹּאכַ֤ל (tokhal) = eet | נְבֵלָה֙ (nevela) = een kadaver | וּטְרֵפָ֔ה (uterefa) = en een verscheurd dier | בָּאֶזְרָ֖ח (baezrach) = onder de inheemse | וּבַגֵּ֑ר (uvager) = en onder de vreemdeling | וְכִבֶּ֨ס (vekhibes) = en hij moet wassen | בְּגָדָ֜יו (begadav) = zijn kleren | וְרָחַ֥ץ (verachats) = en hij moet zich wassen | בַּמַּ֛יִם (bamayim) = met water | וְטָמֵ֥א (vetame) = en hij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעֶ֖רֶב (haerev) = de avond | וְטָהֵֽר (vetaher) = en hij is rein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’: een dier dat vanzelf gestorven is. Voetnoot : טְרֵפָה (terefah), ‘verscheurd dier’: een dier dat door een wild dier is gedood; zie ook Exod. 22:30. Voetnoot : Onrein tot de avond: zie ook Lev. 11:39–40. Zie ook: Ex 22:30; Lev 11:25; Lev 11:39–40; Lev 22:8; Deut 14:21; Openb 7:14 **17:16** **Maar als hij ze niet wast en zijn lichaam niet wast, moet hij zijn schuld dragen.”** Brontekst: וְאִם֙ (veim) = en als | לֹ֣א (lo) = niet | יְכַבֵּ֔ס (yekhabes) = hij wast | וּבְשָׂר֖וֹ (uvesaro) = en zijn lichaam | לֹ֣א (lo) = niet | יִרְחָ֑ץ (yirchats) = hij wast | וְנָשָׂ֖א (venasa) = en hij zal dragen | עֲוֺנֽוֹ (avono) = zijn schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנָשָׂא עֲוֺנוֹ (venasa avono), ‘hij moet zijn schuld dragen’: hij draagt zelf de gevolgen van zijn schuld; zie ook Lev. 5:1 en Lev. 19:8. Zie ook: Lev 5:1; Lev 19:8; Lev 20:17; Num 19:19–20; Jes 53:11; 1 Petr 2:24 ## Leviticus 18 _Seksuele voorschriften_ ### Niet doen wat Egypte en Kanaän doen **18:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: דַּבֵּר֙ (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tegen hen | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:7; Lev 11:44; Lev 20:7; Ps 33:12; Ezech 20:5 **18:3** **Jullie mogen niet doen wat men doet in het land Egypte, waar jullie gewoond hebben. Jullie mogen ook niet doen wat men doet in het land Kanaän, waarheen Ik jullie breng. Jullie mogen hun voorschriften niet volgen.** Brontekst: כְּמַעֲשֵׂ֧ה (kemaase) = zoals het doen van | אֶֽרֶץ (erets) = het land | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | יְשַׁבְתֶּם (yeshavtem) = jullie hebben gewoond | בָּ֖הּ (bah) = daarin | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie mogen doen | וּכְמַעֲשֵׂ֣ה (ukhemaase) = en zoals het doen van | אֶֽרֶץ (erets) = het land | כְּנַ֡עַן (kenaan) = Kanaän | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | אֲנִי֩ (ani) = Ik | מֵבִ֨יא (mevi) = breng | אֶתְכֶ֥ם (etkhem) = jullie | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֔וּ (taasu) = jullie mogen doen | וּבְחֻקֹּתֵיהֶ֖ם (uvechuqoteihem) = en volgens hun voorschriften | לֹ֥א (lo) = niet | תֵלֵֽכוּ (telekhu) = jullie mogen wandelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Israël heeft in Egypte gewoond en gaat naar Kanaän. Wat de volken daar doen, wordt in dit hoofdstuk beschreven en verboden (vers 24–30). Zie ook: Ex 23:24; Lev 18:24–30; Lev 20:23; Ezech 20:7–8; Ezech 23:8; 1 Petr 4:2–4 **18:4** **Jullie moeten Mijn rechtsregels uitvoeren en Mijn voorschriften bewaren, door ze te volgen. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפָּטַ֧י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | תַּעֲשׂ֛וּ (taasu) = jullie moeten doen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֻקֹּתַ֥י (chuqotay) = Mijn voorschriften | תִּשְׁמְר֖וּ (tishmeru) = jullie moeten bewaren | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te wandelen | בָּהֶ֑ם (bahem) = daarin | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:2; Lev 18:26; Lev 19:37; Deut 6:1; Ezech 20:19 **18:5** **Jullie moeten Mijn voorschriften en Mijn rechtsregels bewaren. De mens die ze doet, zal erdoor leven. Ik ben Yahweh.** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֤ם (ushemartem) = en jullie moeten bewaren | אֶת (et) = (obj.) | חֻקֹּתַי֙ (chuqotay) = Mijn voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפָּטַ֔י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = doet | אֹתָ֛ם (otam) = hen | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mens | וָחַ֣י (vachay) = en hij zal leven | בָּהֶ֑ם (bahem) = door hen | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Erdoor leven’: wie de voorschriften en rechtsregels van Yahweh doet, leeft daardoor. Zie ook Ezech. 20:11, Rom. 10:5 en Gal. 3:12. Zie ook: Ezech 20:11; Ezech 20:13; Ezech 20:21; Gal 3:12; Rom 10:5 ### De naaktheid van naaste verwanten **18:6** **Niemand van jullie mag een naaste verwant naderen om de naaktheid te ontbloten. Ik ben Yahweh.** Brontekst: אִ֥ישׁ (ish) = man | אִישׁ֙ (ish) = man | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = elke | שְׁאֵ֣ר (sheer) = naaste verwant van | בְּשָׂר֔וֹ (besaro) = zijn vlees | לֹ֥א (lo) = niet | תִקְרְב֖וּ (tiqrevu) = jullie mogen naderen | לְגַלּ֣וֹת (legalot) = om te ontbloten | עֶרְוָ֑ה (erva) = naaktheid | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶרְוָה (ervah), ‘naaktheid’, en גִּלָּה (gillah), ‘ontbloten’: letterlijk ‘de naaktheid blootleggen’. In deze wetten betekent de uitdrukking: seksuele omgang hebben met iemand. Wij houden de woorden van het Hebreeuws aan. Voetnoot : שְׁאֵר בָּשָׂר (she’er basar), ‘naaste verwant’: letterlijk ‘rest van het vlees’, iemand van het eigen bloed of de eigen familie. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 3:30–31 zegt ook dat de schaamte bedekt moet worden en niet ontbloot. Zie ook: Jub 3:30–31; Lev 18:7–19; Lev 20:11–12; Lev 20:17–21 **18:7** **De naaktheid van je vader en de naaktheid van je moeder mag je niet ontbloten. Zij is je moeder; haar naaktheid mag je niet ontbloten.** Brontekst: עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אָבִ֛יךָ (avikha) = je vader | וְעֶרְוַ֥ת (veervat) = en de naaktheid van | אִמְּךָ֖ (imekha) = je moeder | לֹ֣א (lo) = niet | תְגַלֵּ֑ה (tegale) = je mag ontbloten | אִמְּךָ֣ (imekha) = je moeder | הִ֔וא (hi) = zij is | לֹ֥א (lo) = niet | תְגַלֶּ֖ה (tegale) = je mag ontbloten | עֶרְוָתָֽהּ (ervatah) = haar naaktheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: ‘De naaktheid van je vader en de naaktheid van je moeder’ kan ook gelezen worden als ‘de naaktheid van je vader, dat is: de naaktheid van je moeder’ (vergelijk vers 8, waar de naaktheid van de vrouw van je vader ‘de naaktheid van je vader’ is). Wij vertalen zoals het er staat. Zie ook: Lev 18:8–16; Lev 20:11; Lev 20:14; Ezech 22:10 **18:8** **De naaktheid van de vrouw van je vader mag je niet ontbloten. Dat is de naaktheid van je vader.** Brontekst: עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אֵֽשֶׁת (eshet) = de vrouw van | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | לֹ֣א (lo) = niet | תְגַלֵּ֑ה (tegale) = je mag ontbloten | עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | הִֽוא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Lev. 20:11 en Deut. 27:20. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 33:9–13 bevestigt dit verbod. Zie ook: Jub 33:9–13; Lev 20:11; Deut 23:1; Deut 27:20; Amos 2:7; 1 Kor 5:1 **18:9** **De naaktheid van je zuster mag je niet ontbloten, de dochter van je vader of de dochter van je moeder. Of zij binnen het huis geboren is of daarbuiten.** Brontekst: עֶרְוַ֨ת (ervat) = de naaktheid van | אֲחֽוֹתְךָ֤ (achotekha) = je zuster | בַת (bat) = de dochter van | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | א֣וֹ (o) = of | בַת (bat) = de dochter van | אִמֶּ֔ךָ (imekha) = je moeder | מוֹלֶ֣דֶת (moledet) = geboren in | בַּ֔יִת (bayit) = het huis | א֖וֹ (o) = of | מוֹלֶ֣דֶת (moledet) = geboren | ח֑וּץ (chuts) = buiten | לֹ֥א (lo) = niet | תְגַלֶּ֖ה (tegale) = je mag ontbloten | עֶרְוָתָֽן (ervatan) = hun naaktheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹלֶדֶת בַּיִת אוֹ מוֹלֶדֶת חוּץ (moledet bayit o moledet chuts), ‘geboren in het huis of geboren buiten’: bedoeld is waarschijnlijk of zij in hetzelfde gezin is geboren of in een ander gezin. De precieze betekenis is niet zeker. Zie ook Lev. 20:17. Zie ook: Lev 18:11; Lev 20:17; Deut 27:22; 2 Sam 13:11–14; Ezech 22:11 **18:10** **De naaktheid van de dochter van je zoon of van de dochter van je dochter mag je niet ontbloten, want zij zijn je eigen naaktheid.** Brontekst: עֶרְוַ֤ת (ervat) = de naaktheid van | בַּת (bat) = de dochter van | בִּנְךָ֙ (binkha) = je zoon | א֣וֹ (o) = of | בַֽת (bat) = de dochter van | בִּתְּךָ֔ (bitekha) = je dochter | לֹ֥א (lo) = niet | תְגַלֶּ֖ה (tegale) = je mag ontbloten | עֶרְוָתָ֑ן (ervatan) = hun naaktheid | כִּ֥י (ki) = want | עֶרְוָתְךָ֖ (ervatekha) = je eigen naaktheid | הֵֽנָּה (hena) = zij zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een eigen dochter wordt in dit hoofdstuk niet apart genoemd. **18:11** **De naaktheid van de dochter van de vrouw van je vader, die aan je vader geboren is, zij is je zuster: haar naaktheid mag je niet ontbloten.** Brontekst: עֶרְוַ֨ת (ervat) = de naaktheid van | בַּת (bat) = de dochter van | אֵ֤שֶׁת (eshet) = de vrouw van | אָבִ֨יךָ֙ (avikha) = je vader | מוֹלֶ֣דֶת (moledet) = geboren aan | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | אֲחוֹתְךָ֖ (achotekha) = je zuster | הִ֑וא (hi) = zij is | לֹ֥א (lo) = niet | תְגַלֶּ֖ה (tegale) = je mag ontbloten | עֶרְוָתָֽהּ (ervatah) = haar naaktheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:12** **De naaktheid van de zuster van je vader mag je niet ontbloten. Zij is een naaste verwante van je vader.** Brontekst: עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אֲחוֹת (achot) = de zuster van | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | לֹ֣א (lo) = niet | תְגַלֵּ֑ה (tegale) = je mag ontbloten | שְׁאֵ֥ר (sheer) = naaste verwante van | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | הִֽוא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Lev. 20:19 en Exod. 6:20. Daar staat dat Amram, de vader van Mozes, Jochebed, zijn tante, tot vrouw nam; dat was vóór dit voorschrift werd gegeven. Zie ook: Ex 6:20; Lev 20:19 **18:13** **De naaktheid van de zuster van je moeder mag je niet ontbloten, want zij is een naaste verwante van je moeder.** Brontekst: עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אֲחֽוֹת (achot) = de zuster van | אִמְּךָ֖ (imekha) = je moeder | לֹ֣א (lo) = niet | תְגַלֵּ֑ה (tegale) = je mag ontbloten | כִּֽי (ki) = want | שְׁאֵ֥ר (sheer) = naaste verwante van | אִמְּךָ֖ (imekha) = je moeder | הִֽוא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:14** **De naaktheid van de broer van je vader mag je niet ontbloten. Tot zijn vrouw mag je niet naderen: zij is je tante.** Brontekst: עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אֲחִֽי (achi) = de broer van | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | לֹ֣א (lo) = niet | תְגַלֵּ֑ה (tegale) = je mag ontbloten | אֶל (el) = tot | אִשְׁתּוֹ֙ (ishto) = zijn vrouw | לֹ֣א (lo) = niet | תִקְרָ֔ב (tiqrav) = je mag naderen | דֹּדָֽתְךָ֖ (dodatekha) = je tante | הִֽוא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּדָה (dodah), ‘tante’: hier de vrouw van de broer van je vader. Zie ook Lev. 20:20. Zie ook: Lev 20:20 **18:15** **De naaktheid van je schoondochter mag je niet ontbloten. Zij is de vrouw van je zoon. Haar naaktheid mag je niet ontbloten.** Brontekst: עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | כַּלָּֽתְךָ֖ (kalatekha) = je schoondochter | לֹ֣א (lo) = niet | תְגַלֵּ֑ה (tegale) = je mag ontbloten | אֵ֤שֶׁת (eshet) = de vrouw van | בִּנְךָ֙ (binkha) = je zoon | הִ֔וא (hi) = zij is | לֹ֥א (lo) = niet | תְגַלֶּ֖ה (tegale) = je mag ontbloten | עֶרְוָתָֽהּ (ervatah) = haar naaktheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Lev. 20:12. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 41:23–26 bevestigt dit verbod. Zie ook: Gen 38:18–19; Gen 38:26; Jub 41:23–26; Lev 20:12; Ezech 22:11 **18:16** **De naaktheid van de vrouw van je broer mag je niet ontbloten. Het is de naaktheid van je broer.** Brontekst: עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אֵֽשֶׁת (eshet) = de vrouw van | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | לֹ֣א (lo) = niet | תְגַלֵּ֑ה (tegale) = je mag ontbloten | עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | הִֽוא (hi) = zij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een uitzondering staat in Deut. 25:5–6: de broer van een man die kinderloos gestorven is. Zie ook Lev. 20:21, Matt. 14:3–4 en Mark. 6:17–18. Zie ook: Lev 20:21; Deut 25:5; Mat 14:3–4; Mat 22:24; Mar 6:17; Mar 12:19 **18:17** **De naaktheid van een vrouw en van haar dochter mag je niet ontbloten. Je mag de dochter van haar zoon of de dochter van haar dochter niet nemen om haar naaktheid te ontbloten. Het zijn naaste verwanten; het is een schanddaad.** Brontekst: עֶרְוַ֥ת (ervat) = de naaktheid van | אִשָּׁ֛ה (isha) = een vrouw | וּבִתָּ֖הּ (uvitah) = en haar dochter | לֹ֣א (lo) = niet | תְגַלֵּ֑ה (tegale) = je mag ontbloten | אֶֽת (et) = (obj.) | בַּת (bat) = de dochter van | בְּנָ֞הּ (benah) = haar zoon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בַּת (bat) = de dochter van | בִּתָּ֗הּ (bitah) = haar dochter | לֹ֤א (lo) = niet | תִקַּח֙ (tiqach) = je mag nemen | לְגַלּ֣וֹת (legalot) = om te ontbloten | עֶרְוָתָ֔הּ (ervatah) = haar naaktheid | שַׁאֲרָ֥ה (shaara) = naaste verwanten | הֵ֖נָּה (hena) = zij zijn | זִמָּ֥ה (zima) = schanddaad | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: een ernstig, schandelijk vergrijp. Zie ook Lev. 20:14. Zie ook: Lev 20:14; Deut 27:23; Amos 2:7 ### Andere verboden **18:18** **Je mag een vrouw niet nemen naast haar zuster, om haar tot rivale te maken en haar naaktheid naast haar te ontbloten, zolang zij leeft.** Brontekst: וְאִשָּׁ֥ה (veisha) = en een vrouw | אֶל (el) = tot | אֲחֹתָ֖הּ (achotah) = haar zuster | לֹ֣א (lo) = niet | תִקָּ֑ח (tiqach) = je mag nemen | לִצְרֹ֗ר (litsror) = om tot rivale te maken | לְגַלּ֧וֹת (legalot) = om te ontbloten | עֶרְוָתָ֛הּ (ervatah) = haar naaktheid | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = naast haar | בְּחַיֶּֽיהָ (bechayeiha) = in haar leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gaat om een man die al met de ene zuster getrouwd is. Voetnoot : צָרַר (tsarar), ‘tot rivale maken’: letterlijk ‘benauwen’; een tweede vrouw die voor de eerste een tegenstander wordt. Zie ook: Gen 4:19; Gen 29:28; Gen 30:15; 1 Sam 1:6–8; Mal 2:15 **18:19** **Je mag niet naderen tot een vrouw tijdens de onreinheid van haar menstruatie om haar naaktheid te ontbloten.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | אִשָּׁ֖ה (isha) = een vrouw | בְּנִדַּ֣ת (benidat) = tijdens de menstruatie van | טֻמְאָתָ֑הּ (tumatah) = haar onreinheid | לֹ֣א (lo) = niet | תִקְרַ֔ב (tiqrav) = je mag naderen | לְגַלּ֖וֹת (legalot) = om te ontbloten | עֶרְוָתָֽהּ (ervatah) = haar naaktheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדָּה (niddah), ‘menstruatie’: zie Lev. 12:2 en Lev. 15:19–24. Zie ook Lev. 20:18. Zie ook: Lev 12:2; Lev 15:19; Lev 15:24; Lev 20:18; Ezech 18:6; Ezech 22:10 **18:20** **Met de vrouw van je volksgenoot mag je geen seksuele omgang hebben, zodat je zaad geeft en door haar onrein wordt.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | אֵ֨שֶׁת֙ (eshet) = de vrouw van | עֲמִֽיתְךָ֔ (amitekha) = je volksgenoot | לֹא (lo) = niet | תִתֵּ֥ן (titen) = je mag geven | שְׁכָבְתְּךָ֖ (shekhavtekha) = je bijslaap | לְזָ֑רַע (lezara) = tot zaad | לְטָמְאָה (letamea) = om onrein te worden | בָֽהּ (bah) = door haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁכָבְתְּךָ לְזָרַע (shekhavtekha lezara), letterlijk ‘je bijslaap tot zaad geven’: seksuele omgang waarbij zaad wordt gegeven. Zie ook Lev. 20:10. Zie ook: Ex 20:14; Lev 20:10; Mat 5:27–28; 1 Kor 6:9; Heb 13:4 **18:21** **Je mag niemand van je nageslacht aan Molech geven om hem te laten overgaan. Je mag de naam van je Elohim niet ontheiligen. Ik ben Yahweh.** Brontekst: וּמִֽזַּרְעֲךָ֥ (umizarakha) = en van je nageslacht | לֹא (lo) = niet | תִתֵּ֖ן (titen) = je mag geven | לְהַעֲבִ֣יר (lehaavir) = om te laten overgaan | לַמֹּ֑לֶךְ (lamolekh) = aan Molech | וְלֹ֧א (velo) = en niet | תְחַלֵּ֛ל (techalel) = je mag ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֥ם (shem) = de naam van | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֹלֶךְ (Molech) is een afgod waaraan men nageslacht gaf; zie Lev. 20:2–5, 2 Kon. 23:10 en Jer. 32:35. Het werkwoord הֶעֱבִיר (he’evir), ‘laten overgaan’, staat elders met ‘door het vuur’ (Deut. 18:10). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 30:10 noemt Molech ook en veroordeelt het geven van nageslacht aan hem. Zie ook: Jub 30:10; Lev 19:12; Lev 20:2–5; Lev 22:32; Deut 12:31; Deut 18:10; 2 Kon 23:10; Jer 32:35 **18:22** **Met een man mag je niet liggen zoals men bij een vrouw ligt. Het is een gruwel.** Brontekst: וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | זָכָ֔ר (zakhar) = een man | לֹ֥א (lo) = niet | תִשְׁכַּ֖ב (tishkav) = je mag liggen | מִשְׁכְּבֵ֣י (mishkevei) = liggingen van | אִשָּׁ֑ה (isha) = een vrouw | תּוֹעֵבָ֖ה (toeva) = gruwel | הִֽוא (hi) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: iets wat Yahweh verafschuwt. Zie ook Lev. 20:13. Voetnoot : מִשְׁכְּבֵי אִשָּׁה (mishkevei ishah), ‘de liggingen van een vrouw’: de manier waarop men bij een vrouw ligt. Zie ook: Lev 20:13; 1 Kor 6:9; Rom 1:26–27; 1 Tim 1:10; Jud 1:7 **18:23** **Je mag met geen enkel dier seksuele omgang hebben, zodat je door het onrein wordt. Een vrouw mag niet voor een dier gaan staan om zich ermee te paren. Het is een perversie.** Brontekst: וּבְכָל (uvekhal) = en met elk | בְּהֵמָ֛ה (behema) = dier | לֹא (lo) = niet | תִתֵּ֥ן (titen) = je mag geven | שְׁכָבְתְּךָ֖ (shekhavtekha) = je bijslaap | לְטָמְאָה (letamea) = om onrein te worden | בָ֑הּ (bah) = door het | וְאִשָּׁ֗ה (veisha) = en een vrouw | לֹֽא (lo) = niet | תַעֲמֹ֞ד (taamod) = zal staan | לִפְנֵ֧י (lifnei) = voor | בְהֵמָ֛ה (behema) = een dier | לְרִבְעָ֖הּ (lerivah) = om zich ermee te paren | תֶּ֥בֶל (tevel) = perversie | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֶּבֶל (tevel), ‘perversie’: het woord komt van een grondwoord ‘mengen’ en betekent een vermenging die niet hoort. Het woord staat ook in Lev. 20:12. Zie ook Lev. 20:15–16 en Exod. 22:18. Zie ook: Ex 22:18; Lev 20:12; Lev 20:15–16; Deut 27:21 ### Het land spuwt de volken uit **18:24** **Maak jezelf niet onrein door al deze dingen. Want door al deze dingen zijn de volken onrein geworden die Ik voor jullie uit wegstuur.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּֽטַּמְּא֖וּ (titameu) = jullie mogen onrein worden | בְּכָל (bekhal) = door al | אֵ֑לֶּה (ele) = deze | כִּ֤י (ki) = want | בְכָל (bekhal) = door al | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = deze | נִטְמְא֣וּ (nitmeu) = zijn onrein geworden | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = die | אֲנִ֥י (ani) = Ik | מְשַׁלֵּ֖חַ (meshaleach) = wegzend | מִפְּנֵיכֶֽם (mipeneikhem) = voor jullie uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Gen. 15:16, waar de schuld van de Amorieten nog niet vol is. Zie ook: Gen 15:16; Lev 18:30; Lev 20:22–23; Deut 18:12; Mat 15:18–20; 1 Kor 3:17 **18:25** **Het land is onrein geworden. Ik heb de schuld ervan aan het land bezocht, en het land heeft zijn bewoners uitgespuwd.** Brontekst: וַתִּטְמָ֣א (vatitma) = en is onrein geworden | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וָאֶפְקֹ֥ד (vaefqod) = en Ik heb bezocht | עֲוֺנָ֖הּ (avonah) = zijn schuld | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = erop | וַתָּקִ֥א (vataqi) = en het spuwde uit | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֶֽיהָ (yosheveiha) = zijn bewoners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד (paqad), ‘bezoeken’: de schuld komt als straf over het land; hetzelfde werkwoord staat in Exod. 20:5 en 34:7. Voetnoot : קִיא (qi), ‘uitspuwen’: het land spuwt zijn bewoners uit (ook vers 28 en Lev. 20:22). Zie ook: Ex 20:5; Ex 34:7; Lev 18:28; Lev 20:22–23; Ps 106:38; Jer 2:7; Jer 9:8 **18:26** **Jullie moeten Mijn voorschriften en Mijn rechtsregels bewaren. Jullie mogen niets doen van al deze gruwelen: de inheemse niet en de vreemdeling die in jullie midden verblijft niet.** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֣ם (ushemartem) = en jullie moeten bewaren | אַתֶּ֗ם (atem) = jullie | אֶת (et) = (obj.) | חֻקֹּתַי֙ (chuqotay) = Mijn voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפָּטַ֔י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַעֲשׂ֔וּ (taasu) = jullie mogen doen | מִכֹּ֥ל (mikol) = van alle | הַתּוֹעֵבֹ֖ת (hatoevot) = de gruwelen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | הָֽאֶזְרָ֔ח (haezrach) = de inheemse | וְהַגֵּ֖ר (vehager) = en de vreemdeling | הַגָּ֥ר (hagar) = die verblijft | בְּתוֹכְכֶֽם (betokhekhem) = in jullie midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 17:8; Lev 18:5; Deut 4:1–2; Ps 105:44–45; Joh 14:21–23 **18:27** **Want al deze gruwelen hebben de mensen van het land gedaan die vóór jullie waren, en het land is onrein geworden.** Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַתּוֹעֵבֹ֣ת (hatoevot) = de gruwelen | הָאֵ֔ל (hael) = deze | עָשׂ֥וּ (asu) = hebben gedaan | אַנְשֵֽׁי (anshei) = de mensen van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לִפְנֵיכֶ֑ם (lifneikhem) = voor jullie | וַתִּטְמָ֖א (vatitma) = en is onrein geworden | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:24; Deut 20:18; Deut 25:16; 2 Kon 16:3; 2 Kon 21:2 **18:28** **Laat het land jullie niet uitspuwen wanneer jullie het onrein maken, zoals het land het volk heeft uitgespuwd dat vóór jullie was.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תָקִ֤יא (taqi) = zal uitspuwen | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | בְּטַֽמַּאֲכֶ֖ם (betamaakhem) = als jullie onrein maken | אֹתָ֑הּ (otah) = het | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | קָאָ֛ה (qaa) = het heeft uitgespuwd | אֶת (et) = (obj.) | הַגּ֖וֹי (hagoy) = het volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לִפְנֵיכֶֽם (lifneikhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:25; Lev 20:22; Jer 9:18; Ezech 36:17; Openb 3:16 **18:29** **Want ieder die iets van al deze gruwelen doet: die personen moeten uit hun volk worden afgesneden.** Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | כָּל (kal) = ieder | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֔ה (yaase) = doet | מִכֹּ֥ל (mikol) = van alle | הַתּוֹעֵב֖וֹת (hatoevot) = de gruwelen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וְנִכְרְת֛וּ (venikhretu) = en zullen worden afgesneden | הַנְּפָשׁ֥וֹת (hanefashot) = de personen | הָעֹשֹׂ֖ת (haosot) = die doen | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמָּֽם (amam) = hun volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:15; Lev 17:10; Lev 20:6 **18:30** **Jullie moeten Mijn opdracht bewaren, zodat jullie niets doen van de voorschriften van de gruwelen die vóór jullie gedaan zijn. En zodat jullie je er niet onrein door maken. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֣ם (ushemartem) = en jullie moeten bewaren | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמַרְתִּ֗י (mishmarti) = Mijn opdracht | לְבִלְתִּ֨י (levilti) = zodat niet | עֲשׂ֜וֹת (asot) = doen | מֵחֻקּ֤וֹת (mechuqot) = van de voorschriften van | הַתּֽוֹעֵבֹת֙ (hatoevot) = de gruwelen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נַעֲשׂ֣וּ (naasu) = zijn gedaan | לִפְנֵיכֶ֔ם (lifneikhem) = voor jullie | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִֽטַּמְּא֖וּ (titameu) = jullie mogen onrein worden | בָּהֶ֑ם (bahem) = door hen | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘opdracht’: wat bewaakt moet worden, de taak die Yahweh geeft. Zie ook: Lev 18:2–4; Lev 18:26–27; Lev 20:23; Lev 22:9; Deut 18:9–12 ## Leviticus 19 _Het heiligheidsgebod_ ### Heilig zijn, want Yahweh is heilig **19:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:2** **„Spreek tot de hele gemeenschap van de zonen van Israël en zeg tegen hen: Heilig moeten jullie zijn, want Ik, Yahweh, jullie Elohim, ben heilig.** Brontekst: דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = de hele | עֲדַ֧ת (adat) = gemeenschap van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֥ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֖ם (alehem) = tegen hen | קְדֹשִׁ֣ים (qedoshim) = heilig | תִּהְי֑וּ (tihyu) = jullie moeten zijn | כִּ֣י (ki) = want | קָד֔וֹשׁ (qadosh) = heilig | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדוֹשׁ (qadosh), ‘heilig’: afgezonderd voor Yahweh. Het volk moet heilig zijn, omdat Yahweh heilig is. Zie ook Lev. 11:44–45, Lev. 20:7 en 1 Petr. 1:16. Zie ook: Lev 11:44–45; Lev 20:7; Mat 5:48; 2 Kor 6:14–16; 1 Petr 1:15–16; 1 Petr 1:16 **19:3** **Ieder van jullie moet ontzag hebben voor zijn moeder en zijn vader. Mijn sabbatten moeten jullie bewaren. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = man | אִמּ֤וֹ (imo) = zijn moeder | וְאָבִיו֙ (veaviv) = en zijn vader | תִּירָ֔אוּ (tirau) = jullie moeten ontzag hebben voor | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁבְּתֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | תִּשְׁמֹ֑רוּ (tishmoru) = jullie moeten bewaren | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּירָאוּ (tira’u), ‘ontzag hebben voor’: eerbied en ontzag. Hetzelfde werkwoord staat in vers 14 en 32 bij ‘ontzag hebben voor je Elohim’. Zie ook Exod. 20:12 en, voor de sabbat, Exod. 20:8–11. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 7:20 noemt ook het eren van vader en moeder. Zie ook: Jub 7:20; Ex 20:8; Ex 20:12; Lev 19:14; Lev 19:32; Spr 30:17; Ef 6:1–3; Heb 12:9 **19:4** **Wend jullie niet tot de nietige goden en maak geen gegoten goden voor jezelf. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּפְנוּ֙ (tifnu) = jullie mogen je wenden | אֶל (el) = tot | הָ֣אֱלִילִ֔ים (haelilim) = de nietige goden | וֵֽאלֹהֵי֙ (velohei) = en goden van | מַסֵּכָ֔ה (masekha) = gegoten | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשׂ֖וּ (taasu) = jullie mogen maken | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jezelf | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלִילִים (elilim), ‘nietige goden’: letterlijk ‘nietigheden’. Zie ook Lev. 26:1 en Exod. 34:17 voor ‘gegoten goden’. Zie ook: Ex 20:23; Ex 34:17; Lev 26:1; Deut 27:15; Ps 115:4–7 ### Het vredeoffer **19:5** **Wanneer jullie een vredeoffer voor Yahweh slachten, moeten jullie het zo slachten dat jullie aanvaard worden.** Brontekst: וְכִ֧י (vekhi) = en wanneer | תִזְבְּח֛וּ (tizbechu) = jullie slachten | זֶ֥בַח (zevach) = een slachtoffer van | שְׁלָמִ֖ים (shelamim) = vredeoffers | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | לִֽרְצֹנְכֶ֖ם (lirtsonekhem) = zodat jullie aanvaard worden | תִּזְבָּחֻֽהוּ (tizbachuhu) = jullie moeten het slachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: לִרְצֹנְכֶם (lirtsonkhem) kan ‘zodat jullie aanvaard worden’ of ‘uit eigen vrije wil’ betekenen. Wij kiezen ‘aanvaard’, zoals in Lev. 1:3–4. Zie ook Lev. 7:15–18. Zie ook: Lev 1:3; Lev 7:15–18; Lev 7:16; Lev 22:19; Lev 22:29; Ef 2:13–14 **19:6** **Het moet gegeten worden op de dag dat jullie het slachten en ook de dag erna. Wat overblijft tot de derde dag, moet met vuur worden verbrand.** Brontekst: בְּי֧וֹם (beyom) = op de dag van | זִבְחֲכֶ֛ם (zivchakhem) = jullie slachting | יֵאָכֵ֖ל (yeakhel) = het moet worden gegeten | וּמִֽמָּחֳרָ֑ת (umimachorat) = en de dag erna | וְהַנּוֹתָר֙ (vehanotar) = en wat overblijft | עַד (ad) = tot | י֣וֹם (yom) = de dag | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | יִשָּׂרֵֽף (yisaref) = het moet worden verbrand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 7:11–17 **19:7** **Als het toch op de derde dag gegeten wordt, is het verwerpelijk; het wordt niet aanvaard.** Brontekst: וְאִ֛ם (veim) = en als | הֵאָכֹ֥ל (heakhol) = te eten | יֵאָכֵ֖ל (yeakhel) = het wordt gegeten | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֑י (hashelishi) = de derde | פִּגּ֥וּל (pigul) = verwerpelijk | ה֖וּא (hu) = het is | לֹ֥א (lo) = niet | יֵרָצֶֽה (yeratse) = het wordt aanvaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּגּוּל (piggul), ‘verwerpelijk’: een offer dat niet aanvaard wordt en niet gegeten mag worden. Hetzelfde woord staat in Lev. 7:18. Zie ook: Lev 7:18–21; Lev 22:25; Jes 1:13; Jes 65:4; Jes 66:3 **19:8** **Wie ervan eet, moet zijn schuld dragen, want hij heeft het heilige van Yahweh ontheiligd. Die persoon moet uit zijn volk worden afgesneden.** Brontekst: וְאֹֽכְלָיו֙ (veokhelav) = en wie ervan eet | עֲוֺנ֣וֹ (avono) = zijn schuld | יִשָּׂ֔א (yisa) = hij zal dragen | כִּֽי (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = het heilige van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | חִלֵּ֑ל (chilel) = hij heeft ontheiligd | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = en zal worden afgesneden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מֵעַמֶּֽיהָ (meameiha) = uit haar volksgenoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא עָוֺן (nasa avon), ‘zijn schuld dragen’: hij draagt de gevolgen van zijn schuld; zie ook Lev. 17:16. Zie ook: Lev 5:1; Lev 17:16; Lev 22:15 ### Omgaan met de arme en de vreemdeling **19:9** **Wanneer jullie de oogst van jullie land maaien, mag je de rand van je veld niet volledig afmaaien. De nalezing van je oogst mag je niet oprapen.** Brontekst: וּֽבְקֻצְרְכֶם֙ (uvequtsrekhem) = en bij jullie maaien | אֶת (et) = (obj.) | קְצִ֣יר (qetsir) = de oogst van | אַרְצְכֶ֔ם (artsekhem) = jullie land | לֹ֧א (lo) = niet | תְכַלֶּ֛ה (tekhale) = je mag voltooien | פְּאַ֥ת (peat) = de rand van | שָׂדְךָ֖ (sadekha) = je veld | לִקְצֹ֑ר (liqtsor) = om te maaien | וְלֶ֥קֶט (veleqet) = en de nalezing van | קְצִֽירְךָ֖ (qetsirekha) = je oogst | לֹ֥א (lo) = niet | תְלַקֵּֽט (telaqet) = je mag oprapen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֵּאָה (pe’ah), ‘rand’: de buitenrand van het veld, die niet wordt afgemaaid. Zie ook Lev. 23:22, Deut. 24:19 en Ruth 2:2–3. Zie ook: Lev 23:10; Lev 23:22; Deut 24:19–22; Ruth 2:2; Ruth 2:15 **19:10** **Je mag je wijngaard niet nalezen en de afgevallen druiven van je wijngaard niet oprapen. Voor de arme en de vreemdeling moet je ze laten liggen. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: וְכַרְמְךָ֙ (vekharmekha) = en je wijngaard | לֹ֣א (lo) = niet | תְעוֹלֵ֔ל (teolel) = je mag nalezen | וּפֶ֥רֶט (uferet) = en de afgevallen druiven van | כַּרְמְךָ֖ (karmekha) = je wijngaard | לֹ֣א (lo) = niet | תְלַקֵּ֑ט (telaqet) = je mag oprapen | לֶֽעָנִ֤י (leani) = voor de arme | וְלַגֵּר֙ (velager) = en voor de vreemdeling | תַּעֲזֹ֣ב (taazov) = je moet laten liggen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּרֶט (peret), ‘afgevallen druiven’: de betekenis is niet helemaal zeker; het woord staat maar hier. Zie ook Deut. 24:21. Zie ook: Lev 25:6; Deut 24:21; Jes 17:6; Jes 24:13; Mi 7:1; Jer 49:9 ### Eerlijkheid en recht **19:11** **Jullie mogen niet stelen, niet liegen en niet bedriegen, niemand van jullie tegenover zijn volksgenoot.** Brontekst: לֹ֖א (lo) = niet | תִּגְנֹ֑בוּ (tignovu) = jullie mogen stelen | וְלֹא (velo) = en niet | תְכַחֲשׁ֥וּ (tekhachashu) = jullie mogen liegen | וְלֹֽא (velo) = en niet | תְשַׁקְּר֖וּ (teshaqeru) = jullie mogen bedriegen | אִ֥ישׁ (ish) = man | בַּעֲמִיתֽוֹ (baamito) = tegenover zijn volksgenoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּחֵשׁ (kichesh), ‘liegen’, en שִׁקֵּר (shikker), ‘bedriegen’: twee verschillende woorden voor onwaarheid. Zie ook Exod. 20:15–16. Zie ook: Ex 20:15; Ps 101:7; Zach 5:3–4; Ef 4:25; Kol 3:9 **19:12** **Jullie mogen niet vals zweren bij Mijn naam. Dan ontheilig je de naam van je Elohim. Ik ben Yahweh.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | תִשָּׁבְע֥וּ (tishaveu) = jullie mogen zweren | בִשְׁמִ֖י (bishmi) = bij Mijn naam | לַשָּׁ֑קֶר (lashaqer) = vals | וְחִלַּלְתָּ֛ (vechilalta) = en je zou ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֥ם (shem) = de naam van | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 20:7. Zie ook: Ex 20:7; Lev 5:22; Lev 18:21; Deut 5:11; Jak 5:12 **19:13** **Je mag je naaste niet uitbuiten en niet beroven. Het loon van een loonarbeider mag niet tot de morgen bij jou blijven.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תַעֲשֹׁ֥ק (taashoq) = je mag uitbuiten | אֶת (et) = (obj.) | רֵֽעֲךָ֖ (reakha) = je naaste | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִגְזֹ֑ל (tigzol) = je mag beroven | לֹֽא (lo) = niet | תָלִ֞ין (talin) = zal blijven overnachten | פְּעֻלַּ֥ת (peulat) = het loon van | שָׂכִ֛יר (sakhir) = een loonarbeider | אִתְּךָ֖ (itekha) = bij jou | עַד (ad) = tot | בֹּֽקֶר (boqer) = de morgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Deut. 24:14–15: het loon van een arme arbeider moet dezelfde dag worden betaald. Zie ook: Deut 24:14–15; Spr 20:10; Jer 22:13; Mal 3:5; Jak 5:4 **19:14** **Je mag een dove niet vervloeken en voor een blinde geen struikelblok leggen. Je moet ontzag hebben voor je Elohim. Ik ben Yahweh.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | תְקַלֵּ֣ל (teqalel) = je mag vervloeken | חֵרֵ֔שׁ (cheresh) = een dove | וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor | עִוֵּ֔ר (iver) = een blinde | לֹ֥א (lo) = niet | תִתֵּ֖ן (titen) = je mag leggen | מִכְשֹׁ֑ל (mikhshol) = een struikelblok | וְיָרֵ֥אתָ (veyareta) = en je moet ontzag hebben | מֵּאֱלֹהֶ֖יךָ (meeloheikha) = voor je Elohim | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Deut. 27:18. Zie ook: Lev 19:32; Lev 25:17; Deut 27:18; Rom 14:13; 1 Petr 2:17 **19:15** **Jullie mogen geen onrecht doen in het recht. Je mag de arme niet voortrekken en de grote geen eer bewijzen. Je moet je volksgenoot rechtvaardig oordelen.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | תַעֲשׂ֥וּ (taasu) = jullie mogen doen | עָ֨וֶל֙ (avel) = onrecht | בַּמִּשְׁפָּ֔ט (bamishpat) = in het recht | לֹא (lo) = niet | תִשָּׂ֣א (tisa) = je mag opheffen | פְנֵי (penei) = het gezicht van | דָ֔ל (dal) = een arme | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֶהְדַּ֖ר (tehdar) = je mag eer bewijzen | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | גָד֑וֹל (gadol) = een grote | בְּצֶ֖דֶק (betsedeq) = rechtvaardig | תִּשְׁפֹּ֥ט (tishpot) = je moet oordelen | עֲמִיתֶֽךָ (amitekha) = je volksgenoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּמִּשְׁפָּט (bammishpat), ‘in het recht’: bij het spreken van recht. Voetnoot : הָדַר (hadar), ‘eer bewijzen’: hetzelfde werkwoord staat in vers 32 bij de oudere. Hier gaat het om voorkeur voor de grote in een rechtszaak. Zie ook Exod. 23:3 en 23:6. Zie ook: Ex 23:2–3; Ex 23:3; Ex 23:6–8; Lev 19:32; Deut 1:17; Deut 27:19; Spr 24:23 **19:16** **Je mag niet als roddelaar rondgaan onder je volk. Je mag niet optreden tegen het bloed van je naaste. Ik ben Yahweh.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | תֵלֵ֤ךְ (telekh) = je mag gaan | רָכִיל֙ (rakhil) = als roddelaar | בְּעַמֶּ֔יךָ (beameikha) = onder je volk | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲמֹ֖ד (taamod) = je mag staan | עַל (al) = tegen | דַּ֣ם (dam) = het bloed van | רֵעֶ֑ךָ (reekha) = je naaste | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: רָכִיל (rakhil) is ‘roddelaar’. לֹא תַעֲמֹד עַל־דַּם רֵעֶךָ (lo ta’amod al-dam re’ekha), ‘je mag niet optreden tegen het bloed van je naaste’, kan betekenen: niet optreden tegen zijn leven (bijvoorbeeld met een valse beschuldiging), of niet werkloos toekijken als zijn leven in gevaar is. Wij vertalen zoals het er staat. Zie ook Exod. 23:1. Zie ook: Ex 23:1; Ex 23:7; Spr 11:13; Spr 20:19; Ezech 22:9 ### Heb je naaste lief **19:17** **Je mag je broer niet haten in je hart. Je moet je volksgenoot zeker terechtwijzen, zodat je vanwege hem geen zonde draagt.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִשְׂנָ֥א (tisna) = je mag haten | אֶת (et) = (obj.) | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | בִּלְבָבֶ֑ךָ (bilvavekha) = in je hart | הוֹכֵ֤חַ (hokheach) = terechtwijzen | תּוֹכִ֨יחַ֙ (tokhiach) = je moet terechtwijzen | אֶת (et) = (obj.) | עֲמִיתֶ֔ךָ (amitekha) = je volksgenoot | וְלֹא (velo) = en niet | תִשָּׂ֥א (tisa) = je zult dragen | עָלָ֖יו (alav) = vanwege hem | חֵֽטְא (chete) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹכֵחַ תּוֹכִיחַ (hokhe’ach tokhiach), ‘terechtwijzen’: ernstig en openlijk zeggen wat er mis is. Zo draag jij geen zonde vanwege de ander. Zie ook Matt. 18:15. Zie ook: Spr 26:24–26; Mat 18:15; Luc 17:3; 1 Joh 2:9; 1 Joh 2:11; 1 Joh 3:12–15 **19:18** **Je mag geen wraak nemen en geen wrok koesteren tegen de zonen van je volk. Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben Yahweh.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִקֹּ֤ם (tiqom) = je mag wraak nemen | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִטֹּר֙ (titor) = je mag wrok koesteren | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמֶּ֔ךָ (amekha) = je volk | וְאָֽהַבְתָּ֥ (veahavta) = en je zult liefhebben | לְרֵעֲךָ֖ (lereakha) = je naaste | כָּמ֑וֹךָ (kamokha) = zoals jezelf | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאָהַבְתָּ לְרֵעֲךָ כָּמוֹךָ (we’ahavta lere’akha kamokha), ‘heb je naaste lief als jezelf’. Yeshua noemt dit het tweede grote gebod: Matt. 22:39, Mark. 12:31 en Luc. 10:27. Zie ook Matt. 5:43 en Matt. 19:19. Het wordt ook aangehaald in Rom. 13:9, Gal. 5:14 en Jak. 2:8. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 7:20 noemt ook dat ieder zijn naaste moet liefhebben. Zie ook: Jub 7:20; Mat 5:43; Mat 19:19; Mat 22:39–40; Mar 12:31–34; Luc 10:27–37; Jak 2:8; Gal 5:14; Rom 13:9 ### Voorschriften over vermenging **19:19** **Mijn voorschriften moeten jullie bewaren. Je mag je vee niet laten paren met een ander soort. Je mag je veld niet bezaaien met twee soorten zaad. Een kleed van twee soorten stof, sjaatnez, mag je niet aan hebben.** Brontekst: אֶֽת (et) = (obj.) | חֻקֹּתַי֮ (chuqotay) = Mijn voorschriften | תִּשְׁמֹרוּ֒ (tishmoru) = jullie moeten bewaren | בְּהֶמְתְּךָ֙ (behemtekha) = je vee | לֹא (lo) = niet | תַרְבִּ֣יעַ (tarbia) = je mag laten paren | כִּלְאַ֔יִם (kilayim) = twee soorten | שָׂדְךָ֖ (sadekha) = je veld | לֹא (lo) = niet | תִזְרַ֣ע (tizra) = je mag bezaaien | כִּלְאָ֑יִם (kilayim) = twee soorten | וּבֶ֤גֶד (uveged) = en een kleed van | כִּלְאַ֨יִם֙ (kilayim) = twee soorten | שַֽׁעַטְנֵ֔ז (shaatnez) = sjaatnez | לֹ֥א (lo) = niet | יַעֲלֶ֖ה (yaale) = zal komen | עָלֶֽיךָ (aleikha) = op je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּלְאַיִם (kil’ayim), ‘twee soorten’: een vermenging van twee soorten. Wij vullen bij het veld ‘zaad’ en bij het kleed ‘stof’ aan, zoals Deut. 22:9–11 het uitwerkt. Voetnoot : שַׁעַטְנֵז (sha’atnez) is een mengweefsel; Deut. 22:11 noemt wol en linnen samen. Wij schrijven het woord in letters over. Zie ook: Deut 22:9–11; Deut 22:11; 2 Sam 13:29; Mat 9:16–17; Gal 3:9–11; 2 Kor 6:14–17 ### De slavin die aan een man is toegezegd **19:20** **Wanneer een man seksuele omgang heeft met een vrouw. En zij is een slavin die aan een man is toegezegd, maar nog niet is vrijgekocht en geen vrijheid heeft gekregen. Dan moet er een onderzoek komen. Zij mogen niet gedood worden, want zij is niet vrijgelaten.** Brontekst: וְ֠אִישׁ (veish) = en man | כִּֽי (ki) = wanneer | יִשְׁכַּ֨ב (yishkav) = hij ligt | אֶת (et) = met | אִשָּׁ֜ה (isha) = een vrouw | שִׁכְבַת (shikhvat) = bijslaap van | זֶ֗רַע (zera) = zaad | וְהִ֤וא (vehi) = en zij | שִׁפְחָה֙ (shifcha) = een slavin | נֶחֱרֶ֣פֶת (necherefet) = toegezegd | לְאִ֔ישׁ (leish) = aan een man | וְהָפְדֵּה֙ (vehafde) = en vrijkoping | לֹ֣א (lo) = niet | נִפְדָּ֔תָה (nifdata) = is vrijgekocht | א֥וֹ (o) = of | חֻפְשָׁ֖ה (chufsha) = vrijheid | לֹ֣א (lo) = niet | נִתַּן (nitan) = is gegeven | לָ֑הּ (lah) = aan haar | בִּקֹּ֧רֶת (biqoret) = onderzoek | תִּהְיֶ֛ה (tihye) = er zal zijn | לֹ֥א (lo) = niet | יוּמְת֖וּ (yumetu) = zij zullen worden gedood | כִּי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | חֻפָּֽשָׁה (chupasha) = zij was vrijgelaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶחֱרֶפֶת (necherefet), ‘toegezegd’: het woord komt maar hier voor; de betekenis is niet helemaal zeker, mogelijk ‘bestemd voor’ of ‘verloofd met’. Voetnoot : שִׁפְחָה (shifchah), ‘slavin’: een vrouw die in dienst is van een ander en niet vrij is. Voetnoot Lezing: בִּקֹּרֶת (biqqoret), ‘onderzoek’: ook dit woord komt maar hier voor; het kan ook ‘straf’ of ‘schadevergoeding’ betekenen. Het Hebreeuws heeft ‘zij zullen niet gedood worden’ in het meervoud; wij vertalen dat zo. Zie ook: Ex 21:20–21; Deut 22:23–24 **19:21** **Hij moet zijn schuldoffer voor Yahweh brengen, naar de ingang van de tent van samenkomst: een ram als schuldoffer.** Brontekst: וְהֵבִ֤יא (vehevi) = en hij moet brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֲשָׁמוֹ֙ (ashamo) = zijn schuldoffer | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֶל (el) = naar | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | אֵ֖יל (eil) = een ram van | אָשָֽׁם (asham) = schuldoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’: zie Lev. 5:14–26. Zie ook: Lev 5:1–6; Lev 5:14–26; Lev 5:15; Lev 5:25–26 **19:22** **De priester moet met de ram van het schuldoffer voor het aangezicht van Yahweh verzoening voor hem doen, voor de zonde die hij begaan heeft. Dan wordt hem de zonde vergeven die hij begaan heeft.** Brontekst: וְכִפֶּר֩ (vekhiper) = en hij moet verzoening doen | עָלָ֨יו (alav) = voor hem | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | בְּאֵ֤יל (beeil) = met de ram van | הָֽאָשָׁם֙ (haasham) = het schuldoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = voor | חַטָּאת֖וֹ (chatato) = zijn zonde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָטָ֑א (chata) = hij heeft gezondigd | וְנִסְלַ֣ח (venislach) = en het wordt vergeven | ל֔וֹ (lo) = aan hem | מֵחַטָּאת֖וֹ (mechatato) = van zijn zonde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חָטָֽא (chata) = hij heeft gezondigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִסְלַח (venislach), ‘en het wordt vergeven’: van סָלַח (salach), ‘vergeven’. Zie ook Lev. 4:20. Zie ook: Lev 4:20; Lev 4:26 ### De vruchten van de bomen **19:23** **Wanneer jullie in het land komen en allerlei bomen planten waarvan je kunt eten, moeten jullie de vrucht ervan als onbesneden beschouwen. Drie jaar lang is de vrucht voor jullie onbesneden. Ze mag niet gegeten worden.** Brontekst: וְכִי (vekhi) = en wanneer | תָבֹ֣אוּ (tavou) = jullie komen | אֶל (el) = in | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | וּנְטַעְתֶּם֙ (unetatem) = en jullie planten | כָּל (kal) = elke | עֵ֣ץ (ets) = boom van | מַאֲכָ֔ל (maakhal) = voedsel | וַעֲרַלְתֶּ֥ם (vaaraltem) = en jullie moeten als onbesneden beschouwen | עָרְלָת֖וֹ (arelato) = zijn voorhuid | אֶת (et) = (obj.) | פִּרְי֑וֹ (piryo) = zijn vrucht | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | שָׁנִ֗ים (shanim) = jaar | יִהְיֶ֥ה (yihye) = het zal zijn | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | עֲרֵלִ֖ים (arelim) = onbesneden | לֹ֥א (lo) = niet | יֵאָכֵֽל (yeakhel) = het mag worden gegeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרֵל (arel), ‘onbesneden’: de vrucht van de eerste drie jaar mag niet gegeten worden; hij wordt als ‘onbesneden’ beschouwd. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 7:35–37 bevestigt dit: drie jaar niet plukken, in het vierde jaar is de vrucht heilig. Zie ook: Jub 7:35–37; Ex 22:28–29; Lev 12:3; Lev 22:27; Jer 9:24–25; Hand 7:51 **19:24** **In het vierde jaar is al de vrucht ervan heilig, lofprijzingen voor Yahweh.** Brontekst: וּבַשָּׁנָה֙ (uvashana) = en in het jaar | הָרְבִיעִ֔ת (hareviit) = het vierde | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | כָּל (kal) = al | פִּרְי֑וֹ (piryo) = zijn vrucht | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | הִלּוּלִ֖ים (hilulim) = lofprijzingen | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִלּוּלִים (hillulim), ‘lofprijzingen’: de vrucht van het vierde jaar is heilig en wordt aan Yahweh gewijd, met lof. Zie ook: Num 18:12–13; Deut 12:17–18; Deut 14:28–29; Deut 18:4; Spr 3:9 **19:25** **In het vijfde jaar mogen jullie de vrucht ervan eten, zodat de opbrengst voor jullie toeneemt. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: וּבַשָּׁנָ֣ה (uvashana) = en in het jaar | הַחֲמִישִׁ֗ת (hachamishit) = het vijfde | תֹּֽאכְלוּ֙ (tokhlu) = jullie mogen eten | אֶת (et) = (obj.) | פִּרְי֔וֹ (piryo) = zijn vrucht | לְהוֹסִ֥יף (lehosif) = om te laten toenemen | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | תְּבוּאָת֑וֹ (tevuato) = zijn opbrengst | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:3–4; Pred 11:1–2; Hag 1:4–6; Hag 1:9–11; Mal 3:8–10 ### Geen waarzeggerij en geen rouwtekens **19:26** **Jullie mogen niets eten met het bloed erin. Jullie mogen geen voortekenen duiden en geen toverij bedrijven.** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכְל֖וּ (tokhlu) = jullie mogen eten | עַל (al) = met | הַדָּ֑ם (hadam) = het bloed | לֹ֥א (lo) = niet | תְנַחֲשׁ֖וּ (tenachashu) = jullie mogen voortekenen duiden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תְעוֹנֵֽנוּ (teonenu) = jullie mogen toverij bedrijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל־הַדָּם (al-haddam), ‘met het bloed erin’: het voorzetsel kan ook ‘boven’ of ‘bij’ betekenen. Wij sluiten aan bij Lev. 17:10–14. Voetnoot : נִחֵשׁ (nichesh), ‘voortekenen duiden’, en עוֹנֵן (onen), ‘toverij bedrijven’: de betekenis van beide woorden is niet helemaal zeker. Zie ook Deut. 18:10. Zie ook: Lev 17:10–14; Deut 12:23; Deut 18:10–14; 2 Kon 17:17; 2 Kon 21:6; 2 Kron 33:6 **19:27** **Jullie mogen de rand van jullie hoofd niet rondom afknippen, en je mag de rand van je baard niet beschadigen.** Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תַקִּ֔פוּ (taqifu) = jullie mogen rondom afknippen | פְּאַ֖ת (peat) = de rand van | רֹאשְׁכֶ֑ם (roshkhem) = jullie hoofd | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַשְׁחִ֔ית (tashchit) = je mag beschadigen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | פְּאַ֥ת (peat) = de rand van | זְקָנֶֽךָ (zeqanekha) = je baard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֵּאָה (pe’ah), ‘rand’: hier de rand van het haar bij het hoofd en de baard. Zie ook Lev. 21:5. Zie ook: Lev 21:5; Deut 14:1; Jes 15:2; Jer 48:37; Ezech 44:20 **19:28** **Voor een overledene mogen jullie geen insnijding in jullie vlees maken en geen tatoeages op jezelf aanbrengen. Ik ben Yahweh.** Brontekst: וְשֶׂ֣רֶט (veseret) = en een insnijding | לָנֶ֗פֶשׁ (lanefesh) = voor een overledene | לֹ֤א (lo) = niet | תִתְּנוּ֙ (titenu) = jullie mogen aanbrengen | בִּבְשַׂרְכֶ֔ם (bivsarkhem) = in jullie vlees | וּכְתֹ֣בֶת (ukhetovet) = en een inscriptie van | קַֽעֲקַ֔ע (qaaqa) = tatoeage | לֹ֥א (lo) = niet | תִתְּנ֖וּ (titenu) = jullie mogen aanbrengen | בָּכֶ֑ם (bakhem) = op jullie | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׂרֶט לָנֶפֶשׁ (seret lannefesh), ‘insnijding voor een overledene’: נֶפֶשׁ (nefesh) staat hier voor een dode persoon (zie Lev. 21:1). Zie ook Deut. 14:1. Voetnoot : קַעֲקַע (qa’aqa) komt maar hier voor; ‘tatoeage’ is de gangbare vertaling, de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 21:1; Lev 21:5; Deut 14:1; 1 Kon 18:28; Jer 16:6 **19:29** **Je mag je dochter niet ontheiligen door haar te laten hoereren, zodat het land niet gaat hoereren en niet vol schanddaden wordt.** Brontekst: אַל (al) = niet | תְּחַלֵּ֥ל (techalel) = je mag ontheiligen | אֶֽת (et) = (obj.) | בִּתְּךָ֖ (bitekha) = je dochter | לְהַזְנוֹתָ֑הּ (lehaznotah) = om haar te laten hoereren | וְלֹא (velo) = en niet | תִזְנֶ֣ה (tizne) = zal hoereren | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וּמָלְאָ֥ה (umalea) = en vol wordt | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | זִמָּֽה (zima) = van schanddaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָנָה (zanah), ‘hoereren’. Zie ook Lev. 21:9. Voor זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: zie Lev. 18:17. Zie ook: Lev 18:17; Lev 21:7; Lev 21:9; Deut 23:18–19; Hos 4:12–14; 1 Kor 6:15 **19:30** **Mijn sabbatten moeten jullie bewaren en voor Mijn heiligdom moeten jullie ontzag hebben. Ik ben Yahweh.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתֹתַ֣י (shabetotay) = Mijn sabbatten | תִּשְׁמֹ֔רוּ (tishmoru) = jullie moeten bewaren | וּמִקְדָּשִׁ֖י (umiqdashi) = en voor Mijn heiligdom | תִּירָ֑אוּ (tirau) = jullie moeten ontzag hebben | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 16:2; Lev 19:3; Lev 26:2; Pred 4:17; 2 Kor 6:16 **19:31** **Wend jullie niet tot de geesten van doden en tot de waarzeggers. Zoek hen niet op, zodat jullie door hen onrein worden. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּפְנ֤וּ (tifnu) = jullie mogen je wenden | אֶל (el) = tot | הָאֹבֹת֙ (haovot) = de geesten van doden | וְאֶל (veel) = en tot | הַיִּדְּעֹנִ֔ים (hayideonim) = de waarzeggers | אַל (al) = niet | תְּבַקְשׁ֖וּ (tevaqshu) = jullie mogen zoeken | לְטָמְאָ֣ה (letamea) = om onrein te worden | בָהֶ֑ם (bahem) = door hen | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹבוֹת (ovot), ‘geesten van doden’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’, letterlijk ‘wetenden’: mensen die contact zoeken met doden. Zie ook Lev. 20:6, Lev. 20:27 en Deut. 18:11. Zie ook: Lev 20:6–7; Lev 20:27; Deut 18:10–14; Deut 18:11; 2 Kron 33:6; Jes 8:19 ### Eerbied voor ouderen en voor de vreemdeling **19:32** **Voor grijs haar moet je opstaan. Je moet een oudere eer bewijzen en ontzag hebben voor je Elohim. Ik ben Yahweh.** Brontekst: מִפְּנֵ֤י (mipenei) = voor | שֵׂיבָה֙ (seiva) = grijs haar | תָּק֔וּם (taqum) = je moet opstaan | וְהָדַרְתָּ֖ (vehadarta) = en je moet eer bewijzen | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | זָקֵ֑ן (zaqen) = een oudere | וְיָרֵ֥אתָ (veyareta) = en je moet ontzag hebben | מֵּאֱלֹהֶ֖יךָ (meeloheikha) = voor je Elohim | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׂיבָה (sevah), ‘grijs haar’: ouderdom. Zie ook: Job 32:4; Spr 16:31; Spr 20:29; Klaagl 5:12; 1 Tim 5:1 **19:33** **Wanneer een vreemdeling bij je verblijft in jullie land, mogen jullie hem niet slecht behandelen.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יָג֧וּר (yagur) = verblijft | אִתְּךָ֛ (itekha) = bij jou | גֵּ֖ר (ger) = een vreemdeling | בְּאַרְצְכֶ֑ם (beartsekhem) = in jullie land | לֹ֥א (lo) = niet | תוֹנ֖וּ (tonu) = jullie mogen slecht behandelen | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָנָה (yanah), ‘slecht behandelen’: zie ook Exod. 22:20. Zie ook: Ex 22:20; Ex 23:9; Deut 24:14; Jer 7:6; Mal 3:5 **19:34** **De vreemdeling die bij jullie verblijft, moet voor jullie zijn als een inheemse uit jullie midden. Heb hem lief als jezelf, want vreemdelingen zijn jullie geweest in het land Egypte. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: כְּאֶזְרָ֣ח (keezrach) = als een inheemse | מִכֶּם֩ (mikem) = uit jullie | יִהְיֶ֨ה (yihye) = hij zal zijn | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | הַגֵּ֣ר (hager) = de vreemdeling | הַגָּ֣ר (hagar) = die verblijft | אִתְּכֶ֗ם (itekhem) = bij jullie | וְאָהַבְתָּ֥ (veahavta) = en je zult liefhebben | לוֹ֙ (lo) = hem | כָּמ֔וֹךָ (kamokha) = zoals jezelf | כִּֽי (ki) = want | גֵרִ֥ים (gerim) = vreemdelingen | הֱיִיתֶ֖ם (heyitem) = jullie zijn geweest | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 22:20, Exod. 23:9 en Deut. 10:19. Zie ook: Ex 12:48–49; Ex 22:20; Ex 23:9; Lev 19:18; Deut 10:19; Mat 5:43 ### Eerlijke maten en gewichten **19:35** **Jullie mogen geen onrecht doen in het recht, bij de maat, het gewicht en de inhoudsmaat.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | תַעֲשׂ֥וּ (taasu) = jullie mogen doen | עָ֖וֶל (avel) = onrecht | בַּמִּשְׁפָּ֑ט (bamishpat) = in het recht | בַּמִּדָּ֕ה (bamida) = in de maat | בַּמִּשְׁקָ֖ל (bamishqal) = in het gewicht | וּבַמְּשׂוּרָֽה (uvamesura) = en in de inhoudsmaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִדָּה (middah), ‘maat’: lengtemaat; מְשׂוּרָה (mesurah), ‘inhoudsmaat’: voor vloeistoffen. Zie ook: Deut 25:13; Deut 25:15; Spr 20:10; Ezech 22:12–13; Mat 7:2 **19:36** **Jullie moeten rechtvaardige weegschalen, rechtvaardige gewichten, een rechtvaardige efa en een rechtvaardige hin hebben. Ik ben Yahweh, jullie Elohim, die jullie uit het land Egypte heb geleid.** Brontekst: מֹ֧אזְנֵי (moznei) = weegschalen van | צֶ֣דֶק (tsedeq) = rechtvaardig | אַבְנֵי (avnei) = gewichten van | צֶ֗דֶק (tsedeq) = rechtvaardig | אֵ֥יפַת (eifat) = een efa van | צֶ֛דֶק (tsedeq) = rechtvaardig | וְהִ֥ין (vehin) = en een hin van | צֶ֖דֶק (tsedeq) = rechtvaardig | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | אֲנִי֙ (ani) = Ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | הוֹצֵ֥אתִי (hotseti) = heb uitgeleid | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אֵיפָה (efa), ‘ongeveer 22 liter’; הִין (hin), ‘ongeveer 3,7 liter’. Zie ook Deut. 25:13–16. Zie ook: Ex 20:2; Deut 25:13–15; Spr 11:1; Spr 20:10 **19:37** **Jullie moeten al Mijn voorschriften en al Mijn rechtsregels bewaren en uitvoeren. Ik ben Yahweh.”** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֤ם (ushemartem) = en jullie moeten bewaren | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | חֻקֹּתַי֙ (chuqotay) = Mijn voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | מִשְׁפָּטַ֔י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie moeten doen | אֹתָ֑ם (otam) = hen | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:4–5; Deut 5:1; Deut 8:1; Ps 119:34; 1 Joh 3:22–23 ## Leviticus 20 _Straffen voor Molech, bezwering en ontucht_ ### Het offeren aan Molech en de omgang met geesten **20:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **20:2** **„Zeg ook tot de zonen van Israël: Ieder man van de zonen van Israël, of van de vreemdelingen die in Israël verblijven. Die van zijn nageslacht aan Molech geeft, moet zeker gedood worden. Het volk van het land moet hem stenigen.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֘ל (yisrael) = Israël | תֹּאמַר֒ (tomar) = je zult zeggen | אִ֣ישׁ (ish) = man | אִישׁ֩ (ish) = man | מִבְּנֵ֨י (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | וּמִן (umin) = en van | הַגֵּ֣ר (hager) = de vreemdeling | הַגָּ֣ר (hagar) = die verblijft | בְּיִשְׂרָאֵ֗ל (beyisrael) = in Israël | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִתֵּ֧ן (yiten) = geeft | מִזַּרְע֛וֹ (mizaro) = van zijn nageslacht | לַמֹּ֖לֶךְ (lamolekh) = aan Molech | מ֣וֹת (mot) = dood | יוּמָ֑ת (yumat) = zal gedood worden | עַ֥ם (am) = het volk van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | יִרְגְּמֻ֥הוּ (yirgemuhu) = zij zullen hem stenigen | בָאָֽבֶן (baaven) = met stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֹלֶךְ (Molech) is de naam van een god van de omringende volken, aan wie men kinderen gaf. Hetzelfde verbod staat in Lev. 18:21. Voetnoot : עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: de leden van het volk, die samen de straf uitvoeren. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 30:7–10 bevestigt dit. Zie ook: Jub 30:7–10; Lev 18:21; Lev 20:27; Lev 24:14; Lev 24:23; Deut 21:21 **20:3** **Ik zal Mijn aangezicht tegen die man richten en hem uit het midden van zijn volk afsnijden. Want hij heeft van zijn nageslacht aan Molech gegeven, om Mijn heiligdom onrein te maken en Mijn heilige naam te ontheiligen.** Brontekst: וַאֲנִ֞י (vaani) = en Ik | אֶתֵּ֤ן (eten) = Ik zal richten | אֶת (et) = (obj.) | פָּנַי֙ (panay) = Mijn aangezicht | בָּאִ֣ישׁ (baish) = tegen de man | הַה֔וּא (hahu) = die | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | אֹת֖וֹ (oto) = hem | מִקֶּ֣רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמּ֑וֹ (amo) = zijn volk | כִּ֤י (ki) = want | מִזַּרְעוֹ֙ (mizaro) = van zijn nageslacht | נָתַ֣ן (natan) = hij heeft gegeven | לַמֹּ֔לֶךְ (lamolekh) = aan Molech | לְמַ֗עַן (lemaan) = om | טַמֵּא֙ (tame) = onrein te maken | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדָּשִׁ֔י (miqdashi) = Mijn heiligdom | וּלְחַלֵּ֖ל (ulechalel) = en te ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֥ם (shem) = de naam van | קָדְשִֽׁי (qadeshi) = Mijn heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִכְרַתִּי (vehichrati), ‘en Ik zal afsnijden’: de straf van Elohim zelf. Wie wordt afgesneden, verliest zijn plaats in het volk; vergelijk Exod. 12:19 en Lev. 17:4. Zie ook de verzen 5 en 6 en Lev. 23:30. Voetnoot : פָּנַי (panai), ‘Mijn aangezicht’: Yahweh keert Zich tegen de man, zodat Hij hem niet meer beschermt. Zie ook: Ex 12:19; Lev 17:4; Lev 17:10; Lev 18:21; Lev 23:30; Ezech 5:11; Ezech 20:39; Ezech 23:38–39 **20:4** **Als het volk van het land zijn ogen voor die man werkelijk sluit, wanneer hij van zijn nageslacht aan Molech geeft, en hem niet ter dood brengt,** Brontekst: וְאִ֡ם (veim) = en als | הַעְלֵ֣ם (halem) = zeker | יַעְלִימֽוּ֩ (yalimu) = zij sluiten | עַ֨ם (am) = het volk van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | עֵֽינֵיהֶם֙ (eineihem) = hun ogen | מִן (min) = voor | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַה֔וּא (hahu) = die | בְּתִתּ֥וֹ (betito) = bij zijn geven | מִזַּרְע֖וֹ (mizaro) = van zijn nageslacht | לַמֹּ֑לֶךְ (lamolekh) = aan Molech | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = om niet | הָמִ֥ית (hamit) = ter dood te brengen | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Als het volk de straf van vers 2 niet uitvoert, treedt Yahweh Zelf op (vers 5). Zie ook: Lev 20:2; Lev 20:5; Deut 13:9; Deut 17:2–5; 1 Sam 3:13–14; 1 Kon 20:42; Hand 17:30 **20:5** **dan zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn familie richten. Ik zal hem afsnijden uit het midden van hun volk, en ook allen die achter hem aan hoereren om achter Molech aan te hoereren.** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֨י (vesamti) = en Ik zal zetten | אֲנִ֧י (ani) = Ik | אֶת (et) = (obj.) | פָּנַ֛י (panay) = Mijn aangezicht | בָּאִ֥ישׁ (baish) = tegen de man | הַה֖וּא (hahu) = die | וּבְמִשְׁפַּחְתּ֑וֹ (uvemishpachto) = en tegen zijn familie | וְהִכְרַתִּ֨י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | אֹת֜וֹ (oto) = hem | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַזֹּנִ֣ים (hazonim) = die hoereren | אַחֲרָ֗יו (acharav) = achter hem aan | לִזְנ֛וֹת (liznot) = om te hoereren | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | הַמֹּ֖לֶךְ (hamolekh) = Molech | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמָּֽם (amam) = hun volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָנָה (zanah), ‘hoereren’: hier beeldspraak voor afgoderij, het achternalopen van andere goden; zo ook in vers 6. Zie ook: Ex 20:5; Lev 17:7; Lev 20:6; Ps 106:39; Hos 2:15; Jer 3:2 **20:6** **Ik zal Mijn aangezicht richten tegen de persoon die zich wendt tot de dodengeesten en de waarzeggers, om achter hen aan te hoereren. Ik zal hem uit het midden van zijn volk afsnijden.** Brontekst: וְהַנֶּ֗פֶשׁ (vehanefesh) = en de persoon | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | תִּפְנֶ֤ה (tifne) = zich wendt | אֶל (el) = tot | הָֽאֹבֹת֙ (haovot) = de dodengeesten | וְאֶל (veel) = en tot | הַיִּדְּעֹנִ֔ים (hayideonim) = de waarzeggers | לִזְנ֖וֹת (liznot) = om te hoereren | אַחֲרֵיהֶ֑ם (achareihem) = achter hen aan | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal richten | אֶת (et) = (obj.) | פָּנַי֙ (panay) = Mijn aangezicht | בַּנֶּ֣פֶשׁ (banefesh) = tegen de persoon | הַהִ֔וא (hahi) = die | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | אֹת֖וֹ (oto) = hem | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמּֽוֹ (amo) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹב (ov), ‘dodengeest’: iemand of iets waarmee men de doden raadpleegt. יִדְּעֹנִי (yidoni), ‘waarzegger’: letterlijk ‘de wetende’. Beide staan ook in vers 27; zie ook Lev. 19:31 en Deut. 18:11. Zie ook: Lev 19:31; Lev 20:27; Deut 18:10–14; Deut 18:11; 1 Kron 10:13–14; Jes 8:19 ### Heilig zijn **20:7** **Jullie moeten jullie zelf heiligen en heilig zijn, want Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: וְהִ֨תְקַדִּשְׁתֶּ֔ם (vehitqadishtem) = en jullie zullen jullie heiligen | וִהְיִיתֶ֖ם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | קְדֹשִׁ֑ים (qedoshim) = heilig | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:44; Lev 19:2; Ef 1:4; Kol 3:12; 1 Petr 1:15–16 **20:8** **Houd Mijn voorschriften en doe ze. Ik ben Yahweh, die jullie heiligt.** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּם֙ (ushemartem) = en jullie zullen houden | אֶת (et) = (obj.) | חֻקֹּתַ֔י (chuqotay) = Mijn voorschriften | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדִּשְׁכֶֽם (meqadishkhem) = die jullie heiligt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:13; Lev 21:8; Mat 5:19; Jak 1:22; 1 Tess 5:23 ### Straffen voor ontucht en schending van het gezin **20:9** **Want ieder man die zijn vader of zijn moeder vervloekt, moet zeker gedood worden. Hij heeft zijn vader en zijn moeder vervloekt; zijn bloed komt over hem.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אִ֣ישׁ (ish) = man | אִ֗ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יְקַלֵּ֧ל (yeqalel) = vervloekt | אֶת (et) = (obj.) | אָבִ֛יו (aviv) = zijn vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִמּ֖וֹ (imo) = zijn moeder | מ֣וֹת (mot) = dood | יוּמָ֑ת (yumat) = zal gedood worden | אָבִ֧יו (aviv) = zijn vader | וְאִמּ֛וֹ (veimo) = en zijn moeder | קִלֵּ֖ל (qilel) = hij heeft vervloekt | דָּמָ֥יו (damav) = zijn bloed | בּֽוֹ (bo) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּמָיו בּוֹ (damav bo), letterlijk ‘zijn bloeden zijn op hem’: de schuld voor zijn dood ligt bij hemzelf. Dezelfde uitdrukking staat in de verzen 11–13, 16 en 27. Het gebod komt ook voor in Exod. 21:17. Zie ook: Ex 21:17; Deut 27:16; Spr 20:20; Mat 15:4; Mar 7:10 **20:10** **Een man die overspel pleegt met de vrouw van een ander, een man die overspel pleegt met de vrouw van zijn naaste, moet zeker gedood worden. De overspelige man en de overspelige vrouw.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִנְאַף֙ (yinaf) = overspel pleegt | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | אִ֔ישׁ (ish) = een man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִנְאַ֖ף (yinaf) = overspel pleegt | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | מֽוֹת (mot) = dood | יוּמַ֥ת (yumat) = zal gedood worden | הַנֹּאֵ֖ף (hanoef) = de overspelige man | וְהַנֹּאָֽפֶת (vehanoafet) = en de overspelige vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:14; Lev 18:20; Deut 5:18; Deut 22:22–24; Joh 8:4–5 **20:11** **Een man die slaapt met de vrouw van zijn vader, heeft de naaktheid van zijn vader ontbloot. Beiden moeten zeker gedood worden; hun bloed komt over hen.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִשְׁכַּב֙ (yishkav) = slaapt met | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | עֶרְוַ֥ת (ervat) = naaktheid van | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | גִּלָּ֑ה (gila) = hij heeft ontbloot | מֽוֹת (mot) = dood | יוּמְת֥וּ (yumetu) = zij zullen gedood worden | שְׁנֵיהֶ֖ם (sheneihem) = beiden | דְּמֵיהֶ֥ם (demeihem) = hun bloed | בָּֽם (bam) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:7–8; Deut 27:20; Deut 27:23; Amos 2:7; 1 Kor 5:1 **20:12** **Een man die slaapt met zijn schoondochter: beiden moeten zeker gedood worden. Zij hebben een perversie begaan; hun bloed komt over hen.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִשְׁכַּב֙ (yishkav) = slaapt met | אֶת (et) = (obj.) | כַּלָּת֔וֹ (kalato) = zijn schoondochter | מ֥וֹת (mot) = dood | יוּמְת֖וּ (yumetu) = zij zullen gedood worden | שְׁנֵיהֶ֑ם (sheneihem) = beiden | תֶּ֥בֶל (tevel) = perversie | עָשׂ֖וּ (asu) = zij hebben begaan | דְּמֵיהֶ֥ם (demeihem) = hun bloed | בָּֽם (bam) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֶּבֶל (tevel), ‘perversie’: afgeleid van een werkwoord dat ‘vermengen’ betekent. Het woord staat ook in Lev. 18:23. Zie ook: Gen 38:16; Gen 38:18; Lev 18:15; Lev 18:23; Deut 27:23 **20:13** **Een man die slaapt met een man zoals men met een vrouw slaapt: beiden hebben een gruwel begaan. Zij moeten zeker gedood worden; hun bloed komt over hen.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִשְׁכַּ֤ב (yishkav) = slaapt met | אֶת (et) = (obj.) | זָכָר֙ (zakhar) = een man | מִשְׁכְּבֵ֣י (mishkevei) = het slapen van | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | תּוֹעֵבָ֥ה (toeva) = gruwel | עָשׂ֖וּ (asu) = zij hebben begaan | שְׁנֵיהֶ֑ם (sheneihem) = beiden | מ֥וֹת (mot) = dood | יוּמָ֖תוּ (yumatu) = zij zullen gedood worden | דְּמֵיהֶ֥ם (demeihem) = hun bloed | בָּֽם (bam) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁכְּבֵי אִשָּׁה (mishkevei ishah), letterlijk ‘de liggingen van een vrouw’: de manier waarop men met een vrouw slaapt. Het woord תּוֹעֵבָה (toevah), ‘gruwel’, staat ook in Lev. 18:22. Zie ook: Lev 18:22; Deut 23:18; 1 Kor 6:9; 1 Tim 1:10; Jud 1:7 **20:14** **Een man die een vrouw neemt en ook haar moeder: dat is een schanddaad. Men moet hem en hen met vuur verbranden, zodat er geen schanddaad in jullie midden is.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִקַּ֧ח (yiqach) = neemt | אֶת (et) = (obj.) | אִשָּׁ֛ה (isha) = een vrouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִמָּ֖הּ (imah) = haar moeder | זִמָּ֣ה (zima) = schanddaad | הִ֑וא (hi) = het is | בָּאֵ֞שׁ (baesh) = met vuur | יִשְׂרְפ֤וּ (yisrefu) = zij zullen verbranden | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | וְאֶתְהֶ֔ן (veethen) = en hen | וְלֹא (velo) = en niet | תִהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | זִמָּ֖ה (zima) = schanddaad | בְּתוֹכְכֶֽם (betokhekhem) = in jullie midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: een ernstige schande in het seksuele leven; zie ook Lev. 18:17. ‘Hem en hen’ zijn de man en de twee vrouwen. Zie ook: Lev 18:17; Lev 21:9; Deut 27:23; Joz 7:15; Amos 2:7 **20:15** **Een man die seksuele omgang heeft met een dier, moet zeker gedood worden. Ook het dier moeten jullie doden.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִתֵּ֧ן (yiten) = geeft | שְׁכָבְתּ֛וֹ (shekhavto) = zijn bijslaap | בִּבְהֵמָ֖ה (bivhema) = met een dier | מ֣וֹת (mot) = dood | יוּמָ֑ת (yumat) = zal gedood worden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבְּהֵמָ֖ה (habehema) = het dier | תַּהֲרֹֽגוּ (taharogu) = jullie zullen doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:18; Lev 18:23; Deut 27:21 **20:16** **Een vrouw die bij een dier komt om zich door het te laten bespringen: de vrouw en het dier moet je doden. Zij moeten zeker gedood worden; hun bloed komt over hen.** Brontekst: וְאִשָּׁ֗ה (veisha) = en vrouw | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | תִּקְרַ֤ב (tiqrav) = nadert | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = elk | בְּהֵמָה֙ (behema) = dier | לְרִבְעָ֣ה (leriva) = om te laten bespringen | אֹתָ֔הּ (otah) = haar | וְהָרַגְתָּ֥ (veharagta) = en je zult doden | אֶת (et) = (obj.) | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבְּהֵמָ֑ה (habehema) = het dier | מ֥וֹת (mot) = dood | יוּמָ֖תוּ (yumatu) = zij zullen gedood worden | דְּמֵיהֶ֥ם (demeihem) = hun bloed | בָּֽם (bam) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:13; Ex 21:28; Ex 21:32; Heb 12:20 **20:17** **Een man die zijn zuster neemt, de dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder, en haar naaktheid ziet. Terwijl zij zijn naaktheid ziet: dat is een schande. Zij moeten voor de ogen van de zonen van hun volk afgesneden worden. De naaktheid van zijn zuster heeft hij ontbloot; hij moet zijn schuld dragen.** Brontekst: וְאִ֣ישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁר (asher) = die | יִקַּ֣ח (yiqach) = neemt | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֹת֡וֹ (achoto) = zijn zuster | בַּת (bat) = dochter van | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | א֣וֹ (o) = of | בַת (bat) = dochter van | אִ֠מּוֹ (imo) = zijn moeder | וְרָאָ֨ה (veraa) = en hij ziet | אֶת (et) = (obj.) | עֶרְוָתָ֜הּ (ervatah) = haar naaktheid | וְהִֽיא (vehi) = en zij | תִרְאֶ֤ה (tire) = ziet | אֶת (et) = (obj.) | עֶרְוָתוֹ֙ (ervato) = zijn naaktheid | חֶ֣סֶד (chesed) = schande | ה֔וּא (hu) = het is | וְנִ֨כְרְת֔וּ (venikhretu) = en zij zullen afgesneden worden | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמָּ֑ם (amam) = hun volk | עֶרְוַ֧ת (ervat) = naaktheid van | אֲחֹת֛וֹ (achoto) = zijn zuster | גִּלָּ֖ה (gila) = hij heeft ontbloot | עֲוֺנ֥וֹ (avono) = zijn schuld | יִשָּֽׂא (yisa) = hij zal dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed) betekent elders ‘trouw’. Hier gebruikt het Hebreeuws het woord voor ‘schande’. Wij vertalen daarom ‘schande’ en houden ‘trouw’ voor de andere plaatsen. Voetnoot : נָשָׂא עָוֹן (nasa avon), ‘zijn schuld dragen’: hij moet de gevolgen van zijn daad zelf dragen. Zie ook: Gen 20:12; Lev 18:9; Deut 27:22; 2 Sam 13:12; Ezech 22:11 **20:18** **Een man die slaapt met een vrouw die ongesteld is en haar naaktheid ontbloot, haar bron bloot maakt, terwijl zij de bron van haar bloed ontbloot. Beiden moeten uit het midden van hun volk afgesneden worden.** Brontekst: וְ֠אִישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁר (asher) = die | יִשְׁכַּ֨ב (yishkav) = slaapt met | אֶת (et) = (obj.) | אִשָּׁ֜ה (isha) = een vrouw | דָּוָ֗ה (dava) = die ongesteld is | וְגִלָּ֤ה (vegila) = en hij ontbloot | אֶת (et) = (obj.) | עֶרְוָתָהּ֙ (ervatah) = haar naaktheid | אֶת (et) = (obj.) | מְקֹרָ֣הּ (meqorah) = haar bron | הֶֽעֱרָ֔ה (heera) = hij heeft bloot gemaakt | וְהִ֕יא (vehi) = en zij | גִּלְּתָ֖ה (gileta) = zij heeft ontbloot | אֶת (et) = (obj.) | מְק֣וֹר (meqor) = de bron van | דָּמֶ֑יהָ (dameiha) = haar bloed | וְנִכְרְת֥וּ (venikhretu) = en zij zullen afgesneden worden | שְׁנֵיהֶ֖ם (sheneihem) = beiden | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמָּֽם (amam) = hun volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּוָה (davah) betekent ‘ziek, ongesteld’: een vrouw tijdens haar menstruatie. מָקוֹר (maqor), ‘bron’, is een beeld voor haar bloed; zie ook Lev. 15:19–24. Zie ook: Lev 15:19–24; Lev 15:24; Lev 18:19; Ezech 18:6; Ezech 22:10 **20:19** **De naaktheid van de zuster van je moeder en van de zuster van je vader mag je niet ontbloten. Want hij heeft zijn naaste bloedverwant ontbloot. Zij moeten hun schuld dragen.** Brontekst: וְעֶרְוַ֨ת (veervat) = en naaktheid van | אֲח֧וֹת (achot) = zuster van | אִמְּךָ֛ (imekha) = je moeder | וַאֲח֥וֹת (vaachot) = en zuster van | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | לֹ֣א (lo) = niet | תְגַלֵּ֑ה (tegale) = zul je ontbloten | כִּ֧י (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאֵר֛וֹ (sheero) = zijn naaste bloedverwant | הֶעֱרָ֖ה (heera) = hij heeft ontbloot | עֲוֺנָ֥ם (avonam) = hun schuld | יִשָּֽׂאוּ (yisau) = zij zullen dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:20; Lev 18:6; Lev 18:12–30 **20:20** **Een man die slaapt met zijn tante, heeft de naaktheid van zijn oom ontbloot. Zij moeten hun zonde dragen; kinderloos zullen zij sterven.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִשְׁכַּב֙ (yishkav) = slaapt met | אֶת (et) = (obj.) | דֹּ֣דָת֔וֹ (dodato) = zijn tante | עֶרְוַ֥ת (ervat) = naaktheid van | דֹּד֖וֹ (dodo) = zijn oom | גִּלָּ֑ה (gila) = hij heeft ontbloot | חֶטְאָ֥ם (chetam) = hun zonde | יִשָּׂ֖אוּ (yisau) = zij zullen dragen | עֲרִירִ֥ים (aririm) = kinderloos | יָמֻֽתוּ (yamutu) = zij zullen sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֹּדָה (dodah), ‘tante’, en דּוֹד (dod), ‘oom’: hier de zuster of schoonzus van de vader of moeder, en haar man. Zie ook: Job 18:19; Lev 18:14; Jer 22:30; Luc 1:7; Luc 1:25 **20:21** **Een man die de vrouw van zijn broer neemt: dat is een afstotende onreinheid. Hij heeft de naaktheid van zijn broer ontbloot; kinderloos zullen zij zijn.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִקַּ֛ח (yiqach) = neemt | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | נִדָּ֣ה (nida) = afstotende onreinheid | הִ֑וא (hi) = het is | עֶרְוַ֥ת (ervat) = naaktheid van | אָחִ֛יו (achiv) = zijn broer | גִּלָּ֖ה (gila) = hij heeft ontbloot | עֲרִירִ֥ים (aririm) = kinderloos | יִהְיֽוּ (yihyu) = zij zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדָּה (niddah), ‘afstotende onreinheid’: hetzelfde woord als voor de onreinheid van de menstruatie. Een uitzondering is de wet over de broer die kinderloos stierf (Deut. 25:5–10). Zie ook: Lev 18:16; Deut 25:5–10; Mat 14:3–4 ### Het land en de afzondering van de volken **20:22** **Houd al Mijn voorschriften en al Mijn rechtsregels en doe ze, zodat het land waar Ik jullie naartoe breng om erin te wonen, jullie niet uitbraakt.** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּ֤ם (ushemartem) = en jullie zullen houden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | חֻקֹּתַי֙ (chuqotay) = Mijn voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | מִשְׁפָּטַ֔י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | וְלֹא (velo) = en niet | תָקִ֤יא (taqi) = zal uitbraken | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | אֲנִ֜י (ani) = Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = breng | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לָשֶׁ֥בֶת (lashevet) = om te wonen | בָּֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het land dat ‘uitbraakt’: zie ook Lev. 18:28. Zie ook: Lev 18:25–28; Lev 18:28; Ps 119:80; Ps 119:145; Ps 119:160; Ezech 36:27 **20:23** **Jullie mogen niet leven volgens de voorschriften van de natie die Ik voor jullie uit wegstuur. Want al die dingen hebben zij gedaan, en Ik walgde van hen.** Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | תֵֽלְכוּ֙ (telekhu) = jullie zullen leven | בְּחֻקֹּ֣ת (bechuqot) = volgens de voorschriften van | הַגּ֔וֹי (hagoy) = de natie | אֲשֶׁר (asher) = die | אֲנִ֥י (ani) = Ik | מְשַׁלֵּ֖חַ (meshaleach) = wegstuur | מִפְּנֵיכֶ֑ם (mipeneikhem) = voor jullie uit | כִּ֤י (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = deze dingen | עָשׂ֔וּ (asu) = zij hebben gedaan | וָאָקֻ֖ץ (vaaquts) = en Ik walgde | בָּֽם (bam) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגּוֹי (hagoy), ‘de natie’: hier zijn de Kanaänieten bedoeld, die het land voor Israël moeten verlaten. Zie ook: Lev 18:3; Lev 18:24; Lev 18:30; Deut 9:5; Deut 12:30–31 **20:24** **Ik heb tegen jullie gezegd: ‘Jullie zullen hun land bezitten. Ik zal het aan jullie geven om het te bezitten, een land dat overvloeit van melk en honing.’ Ik ben Yahweh, jullie Elohim. Ik heb jullie van de volken afgezonderd.** Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en Ik zei | לָכֶ֗ם (lakhem) = tegen jullie | אַתֶּם֮ (atem) = jullie | תִּֽירְשׁ֣וּ (tireshu) = zullen bezitten | אֶת (et) = (obj.) | אַדְמָתָם֒ (admatam) = hun land | וַאֲנִ֞י (vaani) = en Ik | אֶתְּנֶ֤נָּה (etenena) = Ik zal het geven | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | לָרֶ֣שֶׁת (lareshet) = om te bezitten | אֹתָ֔הּ (otah) = het | אֶ֛רֶץ (erets) = een land | זָבַ֥ת (zavat) = dat overvloeit van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָ֑שׁ (udevash) = en honing | אֲנִי֙ (ani) = Ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | הִבְדַּ֥לְתִּי (hivdalti) = Ik heb afgezonderd | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִן (min) = van | הָֽעַמִּֽים (haamim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het land dat ‘overvloeit van melk en honing’ staat ook in Exod. 3:8. Zie ook: Ex 3:8; Ex 3:17; Ex 6:8; Deut 7:6; Deut 14:2 **20:25** **Jullie moeten onderscheid maken tussen het reine dier en het onreine, en tussen de onreine vogel en de reine. Maak jezelf niet walgelijk door een dier, een vogel of iets wat zich over de grond beweegt. Ik heb dat voor jullie afgezonderd als onrein.** Brontekst: וְהִבְדַּלְתֶּ֞ם (vehivdaltem) = en jullie zullen onderscheid maken | בֵּֽין (bein) = tussen | הַבְּהֵמָ֤ה (habehema) = het dier | הַטְּהֹרָה֙ (hatehora) = het reine | לַטְּמֵאָ֔ה (latemea) = en het onreine | וּבֵין (uvein) = en tussen | הָע֥וֹף (haof) = de vogel | הַטָּמֵ֖א (hatame) = de onreine | לַטָּהֹ֑ר (latahor) = en het reine | וְלֹֽא (velo) = en niet | תְשַׁקְּצ֨וּ (teshaqetsu) = maak walgelijk | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֹֽׁתֵיכֶ֜ם (nafshoteikhem) = jullie zelf | בַּבְּהֵמָ֣ה (babehema) = door een dier | וּבָע֗וֹף (uvaof) = en door een vogel | וּבְכֹל֙ (uvekhol) = en door alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | תִּרְמֹ֣שׂ (tirmos) = zich beweegt | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | הִבְדַּ֥לְתִּי (hivdalti) = Ik heb afgezonderd | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לְטַמֵּֽא (letame) = als onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor de reine en onreine dieren zie Lev. 11:1–47. Zie ook: Lev 11:1–47; Deut 14:3–21; Hand 10:11–15; Hand 10:28; Ef 5:7–11 **20:26** **Jullie moeten heilig voor Mij zijn, want Ik, Yahweh, ben heilig. Ik heb jullie van de volken afgezonderd, zodat jullie van Mij zijn.** Brontekst: וִהְיִ֤יתֶם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | לִי֙ (li) = voor Mij | קְדֹשִׁ֔ים (qedoshim) = heilig | כִּ֥י (ki) = want | קָד֖וֹשׁ (qadosh) = heilig | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וָאַבְדִּ֥ל (vaavdil) = en Ik heb afgezonderd | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | מִן (min) = van | הָֽעַמִּ֖ים (haamim) = de volken | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לִֽי (li) = van Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:2; Lev 20:7; Lev 20:24; Tit 2:14; 1 Petr 1:15–16 ### Dodengeesten en waarzeggers **20:27** **Een man of een vrouw bij wie een dodengeest of een waarzegger is, moet zeker gedood worden. Men moet hen met stenen stenigen; hun bloed komt over hen.”** Brontekst: וְאִ֣ישׁ (veish) = en man | אֽוֹ (o) = of | אִשָּׁ֗ה (isha) = vrouw | כִּֽי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֨ה (yihye) = er is | בָהֶ֥ם (bahem) = bij hen | א֛וֹב (ov) = een dodengeest | א֥וֹ (o) = of | יִדְּעֹנִ֖י (yideoni) = een waarzegger | מ֣וֹת (mot) = dood | יוּמָ֑תוּ (yumatu) = zij zullen gedood worden | בָּאֶ֛בֶן (baeven) = met stenen | יִרְגְּמ֥וּ (yirgemu) = zij zullen stenigen | אֹתָ֖ם (otam) = hen | דְּמֵיהֶ֥ם (demeihem) = hun bloed | בָּֽם (bam) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie de verzen 6 en 2 voor de dodengeest, de waarzegger en het stenigen. Zie ook: Ex 22:17; Lev 19:31; Lev 20:6; Deut 18:10–12; 1 Sam 28:7–9 ## Leviticus 21 _De heiligheid van de priesters_ ### Regels voor de priesters bij een dode **21:1** Yahweh zei tot Mozes: **„Zeg tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Voor een dode onder zijn volk mag hij zich niet onrein maken,** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֱמֹ֥ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tot | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֑ן (aharon) = Aäron | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | לְנֶ֥פֶשׁ (lenefesh) = voor een dode | לֹֽא (lo) = niet | יִטַּמָּ֖א (yitama) = hij zal zich onrein maken | בְּעַמָּֽיו (beamav) = onder zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘persoon, leven’, staat hier voor een gestorven mens; zie ook vers 11. Wie een dode aanraakt, wordt onrein (Num. 19:11–13). Zie ook: Lev 10:6–7; Lev 19:28; Lev 21:11; Num 19:11–13; Num 19:14; Ezech 44:25 **21:2** **behalve voor zijn naaste verwant: voor zijn moeder, zijn vader, zijn zoon, zijn dochter en zijn broer,** Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | אִם (im) = maar | לִשְׁאֵר֔וֹ (lishero) = voor zijn naaste verwant | הַקָּרֹ֖ב (haqarov) = die dicht bij | אֵלָ֑יו (elav) = hem is | לְאִמּ֣וֹ (leimo) = voor zijn moeder | וּלְאָבִ֔יו (uleaviv) = en voor zijn vader | וְלִבְנ֥וֹ (velivno) = en voor zijn zoon | וּלְבִתּ֖וֹ (ulevito) = en voor zijn dochter | וּלְאָחִֽיו (uleachiv) = en voor zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:6; 1 Tess 4:13 **21:3** **en voor zijn zuster, de maagd die dicht bij hem staat en nog geen man had. Voor haar mag hij zich onrein maken.** Brontekst: וְלַאֲחֹת֤וֹ (velaachoto) = en voor zijn zuster | הַבְּתוּלָה֙ (habetula) = de maagd | הַקְּרוֹבָ֣ה (haqerova) = die dicht bij | אֵלָ֔יו (elav) = hem is | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | הָיְתָ֖ה (hayeta) = zij had | לְאִ֑ישׁ (leish) = een man | לָ֖הּ (lah) = voor haar | יִטַּמָּֽא (yitama) = hij zal zich onrein maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:4** **Als gebieder onder zijn volk mag hij zich niet onrein maken: dat zou hem ontheiligen.** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | יִטַּמָּ֖א (yitama) = hij zal zich onrein maken | בַּ֣עַל (baal) = gebieder | בְּעַמָּ֑יו (beamav) = onder zijn volk | לְהֵ֖חַלּֽוֹ (lehechalo) = om zich te ontheiligen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: בַּעַל (baal) betekent ‘heer, eigenaar’ en ook ‘echtgenoot’. De zin is moeilijk. Wij lezen: een man met gezag onder zijn volk. Het kan ook betekenen: ‘als echtgenoot van een vrouw uit een ander volk’, of ‘voor de familie van zijn vrouw’. Onzeker. Zie ook: Ezech 24:16–17 ### Geen tekenen van rouw en een heilig leven **21:5** **Zij mogen op hun hoofd geen kale plek scheren. De rand van hun baard mogen zij niet afscheren, en in hun vlees mogen zij geen sneden maken.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יִקְרְח֤וּ (yiqrechu) = zij zullen scheren | קָרְחָה֙ (qarecha) = een kale plek | בְּרֹאשָׁ֔ם (berosham) = op hun hoofd | וּפְאַ֥ת (ufeat) = en de rand van | זְקָנָ֖ם (zeqanam) = hun baard | לֹ֣א (lo) = niet | יְגַלֵּ֑חוּ (yegalechu) = zij zullen afscheren | וּבִ֨בְשָׂרָ֔ם (uvivsaram) = en in hun vlees | לֹ֥א (lo) = niet | יִשְׂרְט֖וּ (yisretu) = zij zullen snijden | שָׂרָֽטֶת (saratet) = een snee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een kale plek op het hoofd, een afgeschoren baardrand en sneden in het vlees waren gebruiken bij rouw bij andere volken; zie ook Lev. 19:27–28 en Deut. 14:1. Zie ook: Lev 10:6; Lev 19:27–28; Deut 14:1; Jer 16:6; Ezech 44:20 **21:6** **Zij moeten heilig zijn voor hun Elohim en de naam van hun Elohim niet ontheiligen. Want zij brengen de vuuroffers van Yahweh, het voedsel van hun Elohim. Zij moeten heilig zijn.** Brontekst: קְדֹשִׁ֤ים (qedoshim) = heilig | יִהְיוּ֙ (yihyu) = zij zullen zijn | לֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם (leloheihem) = voor hun Elohim | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְחַלְּל֔וּ (yechalelu) = zij zullen ontheiligen | שֵׁ֖ם (shem) = de naam van | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | כִּי֩ (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | אִשֵּׁ֨י (ishei) = de vuuroffers van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לֶ֧חֶם (lechem) = het voedsel van | אֱלֹהֵיהֶ֛ם (eloheihem) = hun Elohim | הֵ֥ם (hem) = zij | מַקְרִיבִ֖ם (maqrivim) = brengen | וְהָ֥יוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | קֹֽדֶשׁ (qodesh) = heilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:11; Lev 18:21; Jes 52:11; Ezech 44:7; 1 Petr 2:9 ### Het huwelijk van de priesters **21:7** **Een vrouw die hoer is of ontheiligd, mogen zij niet nemen. Ook een vrouw die van haar man gescheiden is, mogen zij niet nemen, want hij is heilig voor zijn Elohim.** Brontekst: אִשָּׁ֨ה (isha) = een vrouw | זֹנָ֤ה (zona) = hoer | וַחֲלָלָה֙ (vachalala) = en ontheiligd | לֹ֣א (lo) = niet | יִקָּ֔חוּ (yiqachu) = zij zullen nemen | וְאִשָּׁ֛ה (veisha) = en een vrouw | גְּרוּשָׁ֥ה (gerusha) = gescheiden | מֵאִישָׁ֖הּ (meishah) = van haar man | לֹ֣א (lo) = niet | יִקָּ֑חוּ (yiqachu) = zij zullen nemen | כִּֽי (ki) = want | קָדֹ֥שׁ (qadosh) = heilig | ה֖וּא (hu) = hij is | לֵאלֹהָֽיו (lelohav) = voor zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲלָלָה (chalalah), ‘ontheiligde vrouw’: een vrouw die door verboden omgang ontheiligd is. Het woord is verwant met ‘ontheiligen’ (חִלֵּל, chillel). גְּרוּשָׁה (gerushah), ‘gescheiden vrouw’, is letterlijk ‘een verstoten vrouw’. Zie ook: Lev 21:8; Lev 21:13–14; Jes 50:1; Ezech 44:22; 1 Tim 3:11 **21:8** **Je moet hem heiligen, want hij brengt het voedsel van je Elohim. Hij moet heilig voor je zijn, want heilig ben Ik, Yahweh, die jullie heiligt.** Brontekst: וְקִדַּשְׁתּ֔וֹ (veqidashto) = en je zult hem heiligen | כִּֽי (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | לֶ֥חֶם (lechem) = het voedsel van | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | ה֣וּא (hu) = hij | מַקְרִ֑יב (maqriv) = brengt | קָדֹשׁ֙ (qadosh) = heilig | יִֽהְיֶה (yihye) = hij zal zijn | לָּ֔ךְ (lakh) = voor je | כִּ֣י (ki) = want | קָד֔וֹשׁ (qadosh) = heilig | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדִּשְׁכֶֽם (meqadishkhem) = die jullie heiligt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers staat ‘je’ in het enkelvoud, daarna weer ‘jullie’. Het Hebreeuws wisselt hier van aanspreking; wij houden dat zo. Zie ook: Lev 11:44–45; Lev 19:2; Lev 20:7–8; Lev 21:6; Heb 7:26 ### De dochter van een priester **21:9** **Als de dochter van een priester zich ontheiligt door te hoereren, ontheiligt zij haar vader. Zij moet met vuur verbrand worden.** Brontekst: וּבַת֙ (uvat) = en de dochter van | אִ֣ישׁ (ish) = een man | כֹּהֵ֔ן (kohen) = priester | כִּ֥י (ki) = wanneer | תֵחֵ֖ל (techel) = zij zich ontheiligt | לִזְנ֑וֹת (liznot) = door te hoereren | אֶת (et) = (obj.) | אָבִ֨יהָ֙ (aviha) = haar vader | הִ֣יא (hi) = zij | מְחַלֶּ֔לֶת (mechalelet) = ontheiligt | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | תִּשָּׂרֵֽף (tisaref) = zij zal verbrand worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 38:24; Lev 19:29; Joz 7:15; 1 Sam 2:34; 1 Sam 3:13–14 ### De hogepriester **21:10** **De hogepriester onder zijn broers, op wiens hoofd de zalfolie is gegoten. En die ingewijd is om de kleren te dragen, mag zijn haar niet laten loshangen en zijn kleren niet scheuren.** Brontekst: וְהַכֹּהֵן֩ (vehakohen) = en de priester | הַגָּד֨וֹל (hagadol) = de grote | מֵאֶחָ֜יו (meechav) = onder zijn broers | אֲֽשֶׁר (asher) = op wie | יוּצַ֥ק (yutsaq) = is gegoten | עַל (al) = op | רֹאשׁ֣וֹ (rosho) = zijn hoofd | שֶׁ֤מֶן (shemen) = olie van | הַמִּשְׁחָה֙ (hamishcha) = de zalving | וּמִלֵּ֣א (umile) = en die gevuld heeft | אֶת (et) = (obj.) | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | לִלְבֹּ֖שׁ (lilbosh) = om te dragen | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּגָדִ֑ים (habegadim) = de kleren | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁוֹ֙ (rosho) = zijn hoofd | לֹ֣א (lo) = niet | יִפְרָ֔ע (yifra) = hij zal laten loshangen | וּבְגָדָ֖יו (uvegadav) = en zijn kleren | לֹ֥א (lo) = niet | יִפְרֹֽם (yifrom) = hij zal scheuren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakohen hagadol), ‘de hogepriester’: letterlijk ‘de grote priester’. מִלֵּא אֶת יָדוֹ (mille et yado), ‘zijn hand vullen’, betekent ‘inwijden’ (Exod. 29:9). Voetnoot : פָּרַע (para), ‘laten loshangen’: het haar wordt ongekamd gelaten, een teken van rouw; zie ook Lev. 10:6. Zie ook: Ex 29:9; Lev 8:12; Lev 10:6–7; Lev 16:32; Num 35:25; Mat 26:65 **21:11** **Hij mag bij geen enkel lijk komen. Voor zijn vader en zijn moeder mag hij zich niet onrein maken.** Brontekst: וְעַ֛ל (veal) = en bij | כָּל (kal) = alle | נַפְשֹׁ֥ת (nafshot) = lijken van | מֵ֖ת (met) = een dode | לֹ֣א (lo) = niet | יָבֹ֑א (yavo) = hij zal komen | לְאָבִ֥יו (leaviv) = voor zijn vader | וּלְאִמּ֖וֹ (uleimo) = en voor zijn moeder | לֹ֥א (lo) = niet | יִטַּמָּֽא (yitama) = hij zal zich onrein maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשֹׁת מֵת (nafshot met), ‘lijken’: letterlijk ‘personen van een dode’. Zie ook: Lev 19:28; Lev 21:1–2; Num 6:7; Num 19:14; Luc 14:26 **21:12** **Hij mag het heiligdom niet verlaten en het heiligdom van zijn Elohim niet ontheiligen. Want de kroon van de zalfolie van zijn Elohim is op hem. Ik ben Yahweh.** Brontekst: וּמִן (umin) = en uit | הַמִּקְדָּשׁ֙ (hamiqdash) = het heiligdom | לֹ֣א (lo) = niet | יֵצֵ֔א (yetse) = hij zal gaan | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְחַלֵּ֔ל (yechalel) = hij zal ontheiligen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִקְדַּ֣שׁ (miqdash) = het heiligdom van | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn Elohim | כִּ֡י (ki) = want | נֵ֠זֶר (nezer) = kroon van | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie van | מִשְׁחַ֧ת (mishchat) = de zalving van | אֱלֹהָ֛יו (elohav) = zijn Elohim | עָלָ֖יו (alav) = op hem | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵזֶר (nezer), ‘kroon’: de zalfolie op het hoofd is als een kroon van wijding; zie ook Exod. 29:6. Zie ook: Ex 28:36; Ex 29:6–7; Lev 8:9–12; Lev 10:7; Hand 10:38 **21:13** **Hij moet een vrouw nemen die nog maagd is.** Brontekst: וְה֕וּא (vehu) = en hij | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | בִבְתוּלֶ֖יהָ (bivtuleiha) = in haar maagdelijkheid | יִקָּֽח (yiqach) = hij zal nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 21:7; Ezech 44:22; 2 Kor 11:2; Openb 14:4 **21:14** **Een weduwe, een gescheiden vrouw, een ontheiligde vrouw en een hoer mag hij niet nemen. Alleen een maagd uit zijn volk mag hij tot vrouw nemen.** Brontekst: אַלְמָנָ֤ה (almana) = een weduwe | וּגְרוּשָׁה֙ (ugerusha) = en een gescheiden vrouw | וַחֲלָלָ֣ה (vachalala) = en een ontheiligde vrouw | זֹנָ֔ה (zona) = een hoer | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | לֹ֣א (lo) = niet | יִקָּ֑ח (yiqach) = hij zal nemen | כִּ֛י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | בְּתוּלָ֥ה (betula) = een maagd | מֵעַמָּ֖יו (meamav) = uit zijn volk | יִקַּ֥ח (yiqach) = hij zal nemen | אִשָּֽׁה (isha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 21:7; Ezech 44:22 **21:15** **Hij mag zijn nageslacht onder zijn volk niet ontheiligen, want Ik ben Yahweh, die hem heiligt.”** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יְחַלֵּ֥ל (yechalel) = hij zal ontheiligen | זַרְע֖וֹ (zaro) = zijn nageslacht | בְּעַמָּ֑יו (beamav) = onder zijn volk | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדְּשֽׁוֹ (meqadesho) = die hem heiligt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:19; Ezra 9:2; Mal 2:15; 1 Kor 7:14; Rom 11:16 ### Priesters met een gebrek **21:16** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:17** **„Spreek tot Aäron en zeg: Een man uit je nageslacht, door al hun generaties heen. Die een gebrek heeft, mag niet naderen om het voedsel van zijn Elohim te brengen.** Brontekst: דַּבֵּ֥ר (daber) = spreek | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מִֽזַּרְעֲךָ֞ (mizarakha) = uit je nageslacht | לְדֹרֹתָ֗ם (ledorotam) = voor hun generaties | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | בוֹ֙ (bo) = in hem | מ֔וּם (mum) = een gebrek | לֹ֣א (lo) = niet | יִקְרַ֔ב (yiqrav) = hij zal naderen | לְהַקְרִ֖יב (lehaqriv) = om te brengen | לֶ֥חֶם (lechem) = het voedsel van | אֱלֹהָֽיו (elohav) = zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:11; Lev 3:16; Lev 10:3; Num 16:5; Ps 65:5 **21:18** **Want niemand die een gebrek heeft, mag naderen: een blinde, een kreupele, een man met een misvormd gezicht of een te lang lidmaat,** Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | כָל (kal) = elke | אִ֛ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = die | בּ֥וֹ (bo) = in hem | מ֖וּם (mum) = een gebrek | לֹ֣א (lo) = niet | יִקְרָ֑ב (yiqrav) = hij zal naderen | אִ֤ישׁ (ish) = een man | עִוֵּר֙ (iver) = blind | א֣וֹ (o) = of | פִסֵּ֔חַ (piseach) = kreupel | א֥וֹ (o) = of | חָרֻ֖ם (charum) = met een misvormd gezicht | א֥וֹ (o) = of | שָׂרֽוּעַ (sarua) = met een te lang lidmaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרֻם (charum) en שָׂרוּעַ (saru’a) komen zelden voor. Wij vertalen ‘met een misvormd gezicht’ en ‘een te lang lidmaat’. De precieze betekenis is niet helemaal zeker; het tweede woord staat ook in Lev. 22:23. Zie ook: Lev 22:19–25; Lev 22:23; Jes 56:10; Mat 23:16–17; 1 Tim 3:2–3; 1 Tim 3:7 **21:19** **of een man met een gebroken voet of een gebroken hand,** Brontekst: א֣וֹ (o) = of | אִ֔ישׁ (ish) = een man | אֲשֶׁר (asher) = die | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | ב֖וֹ (bo) = in hem | שֶׁ֣בֶר (shever) = een breuk van | רָ֑גֶל (ragel) = voet | א֖וֹ (o) = of | שֶׁ֥בֶר (shever) = een breuk van | יָֽד (yad) = hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:20** **of een gebochelde, een dwerg, een man met een vlek in zijn oog, met schurft, met huiduitslag of met geplette teelballen.** Brontekst: אֽוֹ (o) = of | גִבֵּ֣ן (giben) = gebocheld | אוֹ (o) = of | דַ֔ק (daq) = een dwerg | א֖וֹ (o) = of | תְּבַלֻּ֣ל (tevalul) = een vlek | בְּעֵינ֑וֹ (beeino) = in zijn oog | א֤וֹ (o) = of | גָרָב֙ (garav) = schurft | א֣וֹ (o) = of | יַלֶּ֔פֶת (yalefet) = huiduitslag | א֖וֹ (o) = of | מְר֥וֹחַ (meroach) = geplette | אָֽשֶׁךְ (ashekh) = teelballen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבֵּן (gibben), ‘gebochelde’, en דַּק (dak), ‘dwerg’, zijn niet helemaal zeker; er zijn ook ‘met lange wenkbrauwen’ en ‘iemand met een mager lichaam’ voorgesteld. Voetnoot : גָּרָב (garav), ‘schurft’, en יַלֶּפֶת (yallefet), ‘huiduitslag’, staan ook in Lev. 22:22. Zie ook: Lev 22:22; Deut 23:2; Jes 56:3 **21:21** **Geen enkele man uit het nageslacht van de priester Aäron die een gebrek heeft, mag naderen om de vuuroffers van Yahweh te brengen. Hij heeft een gebrek: het voedsel van zijn Elohim mag hij niet naderen om te brengen.** Brontekst: כָּל (kal) = elke | אִ֞ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = die | בּ֣וֹ (bo) = in hem | מ֗וּם (mum) = een gebrek | מִזֶּ֨רַע֙ (mizera) = uit het nageslacht van | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | לֹ֣א (lo) = niet | יִגַּ֔שׁ (yigash) = hij zal naderen | לְהַקְרִ֖יב (lehaqriv) = om te brengen | אֶת (et) = (obj.) | אִשֵּׁ֣י (ishei) = de vuuroffers van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מ֣וּם (mum) = een gebrek | בּ֔וֹ (bo) = in hem | אֵ֚ת (et) = (obj.) | לֶ֣חֶם (lechem) = het voedsel van | אֱלֹהָ֔יו (elohav) = zijn Elohim | לֹ֥א (lo) = niet | יִגַּ֖שׁ (yigash) = hij zal naderen | לְהַקְרִֽיב (lehaqriv) = om te brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 21:6; Lev 21:8; Lev 21:17 **21:22** **Het voedsel van zijn Elohim, van het hoogheilige en van de heilige dingen, mag hij eten.** Brontekst: לֶ֣חֶם (lechem) = het voedsel van | אֱלֹהָ֔יו (elohav) = zijn Elohim | מִקָּדְשֵׁ֖י (miqadeshei) = van het heilige van | הַקֳּדָשִׁ֑ים (haqodashim) = de heilige dingen | וּמִן (umin) = en van | הַקֳּדָשִׁ֖ים (haqodashim) = de heilige dingen | יֹאכֵֽל (yokhel) = hij zal eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een priester met een gebrek mag wel eten van het offervlees van de priesters; zie Lev. 6:9–11 en Lev. 7:6. Voetnoot : מִקָּדְשֵׁי הַקֳּדָשִׁים (miqqodshei haqodashim), letterlijk ‘van het heilige van de heilige dingen’: het hoogheilige. Zie ook: Lev 2:3; Lev 2:10; Lev 6:9–10; Lev 7:1; Lev 7:6; Lev 24:8–9 **21:23** **Maar tot de voorhang mag hij niet gaan en het altaar mag hij niet naderen, want er is een gebrek aan hem. Hij mag Mijn heiligdommen niet ontheiligen, want Ik ben Yahweh, die hen heiligt.”** Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = maar | אֶל (el) = tot | הַפָּרֹ֜כֶת (haparokhet) = de voorhang | לֹ֣א (lo) = niet | יָבֹ֗א (yavo) = hij zal gaan | וְאֶל (veel) = en tot | הַמִּזְבֵּ֛חַ (hamizbeach) = het altaar | לֹ֥א (lo) = niet | יִגַּ֖שׁ (yigash) = hij zal naderen | כִּֽי (ki) = want | מ֣וּם (mum) = een gebrek | בּ֑וֹ (bo) = in hem | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יְחַלֵּל֙ (yechalel) = hij zal ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדָּשַׁ֔י (miqdashay) = Mijn heiligdommen | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדְּשָֽׁם (meqadesham) = die hen heiligt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De voorhang scheidt het heilige van het hoogheilige; zie Exod. 26:33. Zie ook: Ex 26:33; Ex 30:6–8; Ex 40:26–27; Lev 15:31; Lev 21:12; Ezech 44:9–14 **21:24** Mozes sprak tot Aäron, tot zijn zonen en tot alle zonen van Israël. Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | וְאֶל (veel) = en tot | בָּנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וְאֶֽל (veel) = en tot | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mal 2:1–7; Kol 4:17; 1 Tim 1:18; 2 Tim 2:2 ## Leviticus 22 _De heilige dingen en de offers zonder gebrek_ ### Wie van de heilige dingen mag eten **22:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:2** **„Spreek tot Aäron en zijn zonen: Zij moeten zich onthouden van de heilige dingen van de zonen van Israël en Mijn heilige naam niet ontheiligen. In wat zij aan Mij heiligen. Ik ben Yahweh.** Brontekst: דַּבֵּ֨ר (daber) = spreek | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | וְאֶל (veel) = en tot | בָּנָ֗יו (banav) = zijn zonen | וְיִנָּֽזְרוּ֙ (veyinazeru) = en zij zullen zich onthouden | מִקָּדְשֵׁ֣י (miqadeshei) = van de heilige dingen van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְחַלְּל֖וּ (yechalelu) = zij zullen ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | קָדְשִׁ֑י (qadeshi) = Mijn heiligheid | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֵ֧ם (hem) = zij | מַקְדִּשִׁ֛ים (maqdishim) = heiligen | לִ֖י (li) = aan Mij | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֳדָשִׁים (qodashim), ‘de heilige dingen’: de offers en gaven die aan Yahweh zijn gewijd en waarvan de priesters mogen eten. Het enkelvoud קֹדֶשׁ (qodesh), ‘het heilige’, staat in de verzen 10 en 14. Voetnoot : נָזַר (nazar), ‘zich onthouden, zich afzonderen’: verwant met נָזִיר (nazir), ‘de afgezonderde’ (Num. 6:2). Zie ook: Ex 13:12; Ex 28:38; Lev 18:21; Num 6:2; Num 18:32; Deut 15:19 **22:3** **Zeg tot hen: Voor al jullie generaties geldt dit. Ieder man van heel jullie nageslacht die de heilige dingen nadert die de zonen van Israël aan Yahweh heiligen, terwijl zijn onreinheid op hem is. Die persoon wordt afgesneden, weg van Mijn aangezicht. Ik ben Yahweh.** Brontekst: אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | לְדֹרֹ֨תֵיכֶ֜ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | כָּל (kal) = elke | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = die | יִקְרַ֣ב (yiqrav) = nadert | מִכָּל (mikal) = van heel | זַרְעֲכֶ֗ם (zarakhem) = jullie nageslacht | אֶל (el) = tot | הַקֳּדָשִׁים֙ (haqodashim) = de heilige dingen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יַקְדִּ֤ישׁוּ (yaqdishu) = heiligen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְטֻמְאָת֖וֹ (vetumato) = en zijn onreinheid | עָלָ֑יו (alav) = op hem | וְנִכְרְתָ֞ה (venikhreta) = en zal worden afgesneden | הַנֶּ֧פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֛וא (hahi) = die | מִלְּפָנַ֖י (milefanay) = van voor Mij | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het afsnijden is hier een straf van Yahweh zelf; zie ook Lev. 20:3. Zie ook: Ex 33:14–15; Lev 7:20–21; Lev 20:3; Ps 51:13; Mat 25:41; 2 Tess 1:9 **22:4** **Ieder man uit het nageslacht van Aäron die melaats is of een vloeiing heeft, mag niet van de heilige dingen eten totdat hij rein is. Dat geldt ook voor wie iets aanraakt dat onrein is door een dode, of voor een man bij wie een zaadlozing is geweest,** Brontekst: אִ֣ישׁ (ish) = man | אִ֞ישׁ (ish) = man | מִזֶּ֣רַע (mizera) = uit het nageslacht van | אַהֲרֹ֗ן (aharon) = Aäron | וְה֤וּא (vehu) = en hij | צָר֨וּעַ֙ (tsarua) = melaats | א֣וֹ (o) = of | זָ֔ב (zav) = met een vloeiing | בַּקֳּדָשִׁים֙ (baqodashim) = van de heilige dingen | לֹ֣א (lo) = niet | יֹאכַ֔ל (yokhal) = hij zal eten | עַ֖ד (ad) = totdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יִטְהָ֑ר (yithar) = hij rein is | וְהַנֹּגֵ֨עַ֙ (vehanogea) = en wie aanraakt | בְּכָל (bekhal) = iets | טְמֵא (teme) = onrein | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = door een dode | א֣וֹ (o) = of | אִ֔ישׁ (ish) = een man | אֲשֶׁר (asher) = die | תֵּצֵ֥א (tetse) = uitgaat | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van hem | שִׁכְבַת (shikhvat) = een uitstorting van | זָֽרַע (zara) = zaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרוּעַ (tsarua), ‘melaats’: iemand met de huidziekte צָרַעַת (tsara’at); zie Exod. 4:6 en Lev. 13. זָב (zav), ‘iemand met een vloeiing’: zie Lev. 15:2–15. שִׁכְבַת זֶרַע (shichvat zera), ‘een uitstorting van zaad’: zie Lev. 15:16. Zie ook: Ex 4:6; Lev 11:39; Lev 13:44–46; Lev 15:2–3; Lev 15:13–16; Lev 15:16; Num 19:11–16 **22:5** **of voor een man die een kruipend dier aanraakt waardoor hij onrein wordt, of een mens door wie hij onrein wordt, wat zijn onreinheid ook is.** Brontekst: אוֹ (o) = of | אִישׁ֙ (ish) = een man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִגַּ֔ע (yiga) = aanraakt | בְּכָל (bekhal) = elk | שֶׁ֖רֶץ (sherets) = kruipend dier | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יִטְמָא (yitma) = hij onrein wordt | ל֑וֹ (lo) = door het | א֤וֹ (o) = of | בְאָדָם֙ (beadam) = een mens | אֲשֶׁ֣ר (asher) = door wie | יִטְמָא (yitma) = hij onrein wordt | ל֔וֹ (lo) = door het | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor elke | טֻמְאָתֽוֹ (tumato) = zijn onreinheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:24–28; Lev 11:43–44; Lev 15:7; Lev 15:19 **22:6** **De persoon die daarmee in aanraking komt, is onrein tot de avond. Hij mag niet van de heilige dingen eten, tenzij hij zijn lichaam met water heeft gewassen.** Brontekst: נֶ֚פֶשׁ (nefesh) = de persoon | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּגַּע (tiga) = aanraakt | בּ֔וֹ (bo) = het | וְטָמְאָ֖ה (vetamea) = en zij is onrein | עַד (ad) = tot | הָעָ֑רֶב (haarev) = de avond | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יֹאכַל֙ (yokhal) = hij zal eten | מִן (min) = van | הַקֳּדָשִׁ֔ים (haqodashim) = de heilige dingen | כִּ֛י (ki) = maar | אִם (im) = als | רָחַ֥ץ (rachats) = hij heeft gewassen | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn lichaam | בַּמָּֽיִם (bamayim) = met water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 11:24–25; Lev 15:5; Lev 16:24–28; Num 19:7–10; Heb 10:22 **22:7** **Wanneer de zon ondergaat, is hij rein. Daarna mag hij van de heilige dingen eten, want het is zijn voedsel.** Brontekst: וּבָ֥א (uva) = en is ondergegaan | הַשֶּׁ֖מֶשׁ (hashemesh) = de zon | וְטָהֵ֑ר (vetaher) = en hij is rein | וְאַחַר֙ (veachar) = en daarna | יֹאכַ֣ל (yokhal) = hij zal eten | מִן (min) = van | הַקֳּדָשִׁ֔ים (haqodashim) = de heilige dingen | כִּ֥י (ki) = want | לַחְמ֖וֹ (lachmo) = zijn voedsel | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 21:22; Num 18:11–19; Deut 18:3–4; 1 Kor 9:4; 1 Kor 9:13–14 **22:8** **Een kadaver of een verscheurd dier mag hij niet eten, om zich daaraan onrein te maken. Ik ben Yahweh.** Brontekst: נְבֵלָ֧ה (nevela) = kadaver | וּטְרֵפָ֛ה (uterefa) = en verscheurd dier | לֹ֥א (lo) = niet | יֹאכַ֖ל (yokhal) = hij zal eten | לְטָמְאָה (letamea) = om onrein te worden | בָ֑הּ (bah) = daaraan | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:30; Lev 7:24; Lev 17:15; Deut 14:21; Ezech 44:31 **22:9** **Zij moeten Mijn opdracht bewaren, zodat zij er geen zonde door op zich dragen en er niet door sterven, wanneer zij het ontheiligen. Ik ben Yahweh, die hen heiligt.** Brontekst: וְשָׁמְר֣וּ (veshameru) = en zij zullen bewaren | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמַרְתִּ֗י (mishmarti) = Mijn opdracht | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִשְׂא֤וּ (yisu) = zij zullen dragen | עָלָיו֙ (alav) = daarom | חֵ֔טְא (chete) = zonde | וּמֵ֥תוּ (umetu) = en zij zullen sterven | ב֖וֹ (bo) = daardoor | כִּ֣י (ki) = wanneer | יְחַלְּלֻ֑הוּ (yechaleluhu) = zij het ontheiligen | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדְּשָֽׁם (meqadesham) = die hen heiligt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘opdracht’: wat Yahweh de priesters te bewaken heeft gegeven. נָשָׂא חֵטְא (nasa chet), ‘zonde op zich dragen’: de gevolgen van de zonde zelf dragen. Zie ook: Ex 28:43; Lev 10:1–2; Lev 22:16; Num 18:22; Num 18:32 ### Wie bij de priesters hoort en wie niet **22:10** **Geen vreemde mag van het heilige eten. Een bijwoner van een priester of een dagloner mag niet van het heilige eten.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elke | זָ֖ר (zar) = vreemde | לֹא (lo) = niet | יֹ֣אכַל (yokhal) = hij zal eten | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = het heilige | תּוֹשַׁ֥ב (toshav) = bijwoner van | כֹּהֵ֛ן (kohen) = een priester | וְשָׂכִ֖יר (vesakhir) = en dagloner | לֹא (lo) = niet | יֹ֥אכַל (yokhal) = hij zal eten | קֹֽדֶשׁ (qodesh) = het heilige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָר (zar), ‘vreemde’: iemand die geen priester is; zie ook Exod. 29:33. תּוֹשָׁב (toshav), ‘bijwoner’: iemand die tijdelijk bij een priester woont. Zie ook: Ex 29:33; 1 Sam 21:7; Mat 12:4 **22:11** **Maar als een priester iemand met zijn geld koopt, dan mag die ervan eten. Ook zij die in zijn huis geboren zijn, mogen van zijn voedsel eten.** Brontekst: וְכֹהֵ֗ן (vekhohen) = en een priester | כִּֽי (ki) = wanneer | יִקְנֶ֥ה (yiqne) = hij koopt | נֶ֨פֶשׁ֙ (nefesh) = een persoon | קִנְיַ֣ן (qinyan) = als aankoop van | כַּסְפּ֔וֹ (kaspo) = zijn geld | ה֖וּא (hu) = hij | יֹ֣אכַל (yokhal) = zal eten | בּ֑וֹ (bo) = ervan | וִילִ֣יד (vilid) = en de geborene van | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | הֵ֖ם (hem) = zij | יֹאכְל֥וּ (yokhlu) = zullen eten | בְלַחְמֽוֹ (belachmo) = van zijn voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִנְיַן כַּסְפּוֹ (qinyan kaspo), ‘gekocht met zijn geld’: iemand die tot het huis van de priester behoort. Zie ook: Gen 17:13; Ex 12:44; Num 18:11–13 **22:12** **Een dochter van een priester die de vrouw van een vreemde wordt, mag niet eten van de heffing van de heilige dingen.** Brontekst: וּבַת (uvat) = en de dochter van | כֹּהֵ֔ן (kohen) = een priester | כִּ֥י (ki) = wanneer | תִהְיֶ֖ה (tihye) = zij wordt | לְאִ֣ישׁ (leish) = aan een man | זָ֑ר (zar) = een vreemde | הִ֕וא (hi) = zij | בִּתְרוּמַ֥ת (bitrumat) = van de heffing van | הַקֳּדָשִׁ֖ים (haqodashim) = de heilige dingen | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכֵֽל (tokhel) = zal eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: het deel dat voor de priesters wordt opgeheven; zie Exod. 29:27. Zie ook: Ex 29:27; Lev 21:3; Jes 40:13 **22:13** **Maar de dochter van een priester die weduwe of gescheiden is en geen nageslacht heeft. En die naar het huis van haar vader terugkeert zoals in haar jeugd, mag eten van het voedsel van haar vader. Geen vreemde mag ervan eten.** Brontekst: וּבַת (uvat) = en de dochter van | כֹּהֵן֩ (kohen) = een priester | כִּ֨י (ki) = wanneer | תִהְיֶ֜ה (tihye) = zij wordt | אַלְמָנָ֣ה (almana) = weduwe | וּגְרוּשָׁ֗ה (ugerusha) = en gescheiden | וְזֶרַע֮ (vezera) = en nageslacht | אֵ֣ין (ein) = er is geen | לָהּ֒ (lah) = voor haar | וְשָׁבָ֞ה (veshava) = en zij is teruggekeerd | אֶל (el) = naar | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | אָבִ֨יהָ֙ (aviha) = haar vader | כִּנְעוּרֶ֔יהָ (kinureiha) = als in haar jeugd | מִלֶּ֥חֶם (milechem) = van het voedsel van | אָבִ֖יהָ (aviha) = haar vader | תֹּאכֵ֑ל (tokhel) = zal zij eten | וְכָל (vekhal) = en elke | זָ֖ר (zar) = vreemde | לֹא (lo) = niet | יֹ֥אכַל (yokhal) = hij zal eten | בּֽוֹ (bo) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 38:11; Lev 10:14; Num 18:11–19 **22:14** **Wanneer iemand per ongeluk van het heilige eet, moet hij er een vijfde deel bij doen en het heilige aan de priester geven.** Brontekst: וְאִ֕ישׁ (veish) = en een man | כִּֽי (ki) = wanneer | יֹאכַ֥ל (yokhal) = hij eet | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = het heilige | בִּשְׁגָגָ֑ה (bishgaga) = per ongeluk | וְיָסַ֤ף (veyasaf) = en hij zal toevoegen | חֲמִֽשִׁיתוֹ֙ (chamishito) = een vijfde deel ervan | עָלָ֔יו (alav) = erbij | וְנָתַ֥ן (venatan) = en hij zal geven | לַכֹּהֵ֖ן (lakohen) = aan de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heilige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּשְׁגָגָה (bishgagah), ‘per ongeluk’: zie ook Lev. 4:2. Het vijfde deel erbij staat ook in Lev. 5:16. Zie ook: Lev 4:2; Lev 5:15–19; Lev 5:16; Lev 27:13; Lev 27:15 **22:15** **Zij mogen de heilige dingen van de zonen van Israël, die zij voor Yahweh heffen, niet ontheiligen,** Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְחַלְּל֔וּ (yechalelu) = zij zullen ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | קָדְשֵׁ֖י (qadeshei) = de heilige dingen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | יָרִ֖ימוּ (yarimu) = zij heffen | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:8; Lev 22:9; Num 18:32; Ezech 22:26 **22:16** **en zo hen de schuld van overtreding laten dragen, doordat zij hun heilige dingen eten. Ik ben Yahweh, die hen heiligt.”** Brontekst: וְהִשִּׂ֤יאוּ (vehisiu) = en zij zullen laten dragen | אוֹתָם֙ (otam) = hen | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | אַשְׁמָ֔ה (ashma) = overtreding | בְּאָכְלָ֖ם (beakhelam) = bij hun eten | אֶת (et) = (obj.) | קָדְשֵׁיהֶ֑ם (qadesheihem) = hun heilige dingen | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדְּשָֽׁם (meqadesham) = die hen heiligt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt niet duidelijk wie ‘zij’ en wie ‘hen’ zijn. Wij houden de tekst zoals hij er staat. Het gaat erom dat wie de heilige dingen ontheiligt, schuld op zich laadt. Zie ook: Lev 7:18; Lev 22:9; Ps 38:5; Jes 53:11–12; 1 Petr 2:24 ### Offers zonder gebrek **22:17** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:18** **„Spreek tot Aäron, zijn zonen en alle zonen van Israël en zeg tot hen: Ieder man uit het huis van Israël of uit de vreemdelingen in Israël. Die zijn offergave brengt, voor al hun geloften en al hun vrijwillige gaven die zij aan Yahweh als brandoffer brengen:** Brontekst: דַּבֵּ֨ר (daber) = spreek | אֶֽל (el) = tot | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | וְאֶל (veel) = en tot | בָּנָ֗יו (banav) = zijn zonen | וְאֶל֙ (veel) = en tot | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | אִ֣ישׁ (ish) = man | אִישׁ֩ (ish) = man | מִבֵּ֨ית (mibeit) = uit het huis van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | וּמִן (umin) = en van | הַגֵּ֣ר (hager) = de vreemdeling | בְּיִשְׂרָאֵ֗ל (beyisrael) = in Israël | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יַקְרִ֤יב (yaqriv) = brengt | קָרְבָּנוֹ֙ (qarbano) = zijn offergave | לְכָל (lekhal) = voor alle | נִדְרֵיהֶם֙ (nidreihem) = hun geloften | וּלְכָל (ulekhal) = en voor alle | נִדְבוֹתָ֔ם (nidvotam) = hun vrijwillige gaven | אֲשֶׁר (asher) = die | יַקְרִ֥יבוּ (yaqrivu) = zij brengen | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | לְעֹלָֽה (leola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶדֶר (neder), ‘gelofte’, en נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: zie ook Lev. 7:16. Zie ook: Lev 1:2; Lev 1:10; Lev 7:16; Num 15:3; Deut 12:6; Ps 56:13 **22:19** **zodat jullie aanvaard worden, moet het een mannelijk dier zonder gebrek zijn, van het rundvee, van de schapen of van de geiten.** Brontekst: לִֽרְצֹנְכֶ֑ם (lirtsonekhem) = voor jullie aanvaarding | תָּמִ֣ים (tamim) = zonder gebrek | זָכָ֔ר (zakhar) = mannelijk | בַּבָּקָ֕ר (babaqar) = van het rundvee | בַּכְּשָׂבִ֖ים (bakesavim) = van de schapen | וּבָֽעִזִּֽים (uvaizim) = en van de geiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Lev. 1:3 voor ‘aanvaard worden’. Zie ook: Ex 12:5; Lev 1:3; Lev 1:10; 1 Petr 1:19; 1 Petr 2:22–24 **22:20** **Alles wat een gebrek heeft, mogen jullie niet brengen, want het wordt niet voor jullie aanvaard.** Brontekst: כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בּ֥וֹ (bo) = in hem | מ֖וּם (mum) = een gebrek | לֹ֣א (lo) = niet | תַקְרִ֑יבוּ (taqrivu) = jullie zullen brengen | כִּי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | לְרָצ֖וֹן (leratson) = tot aanvaarding | יִהְיֶ֥ה (yihye) = het zal zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 15:21; Deut 17:1; Mal 1:8; 1 Petr 1:19; Heb 9:14 **22:21** **Wanneer iemand een vredeoffer aan Yahweh brengt om een gelofte te vervullen of als vrijwillige gave, van het rundvee of van het kleinvee. Het moet zonder gebrek zijn om aanvaard te worden. Er mag geen enkel gebrek aan zitten.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en man | כִּֽי (ki) = wanneer | יַקְרִ֤יב (yaqriv) = hij brengt | זֶֽבַח (zevach) = slachtoffer van | שְׁלָמִים֙ (shelamim) = vredeoffers | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | לְפַלֵּא (lefale) = om te vervullen | נֶ֨דֶר֙ (neder) = een gelofte | א֣וֹ (o) = of | לִנְדָבָ֔ה (lindava) = als vrijwillige gave | בַּבָּקָ֖ר (babaqar) = van het rundvee | א֣וֹ (o) = of | בַצֹּ֑אן (batson) = van het kleinvee | תָּמִ֤ים (tamim) = zonder gebrek | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = het zal zijn | לְרָצ֔וֹן (leratson) = tot aanvaarding | כָּל (kal) = elk | מ֖וּם (mum) = gebrek | לֹ֥א (lo) = niet | יִהְיֶה (yihye) = het zal zijn | בּֽוֹ (bo) = eraan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:1; Lev 3:6; Num 15:3; Num 15:8; Pred 5:3–4 **22:22** **Een blind dier, een dier met een breuk, een verminkt dier, een dier met een gezwel, met schurft of met huiduitslag: die mogen jullie niet aan Yahweh brengen. Ook mogen jullie er geen vuuroffer van op het altaar voor Yahweh geven.** Brontekst: עַוֶּרֶת֩ (averet) = blind | א֨וֹ (o) = of | שָׁב֜וּר (shavur) = gebroken | אוֹ (o) = of | חָר֣וּץ (charuts) = verminkt | אֽוֹ (o) = of | יַבֶּ֗לֶת (yabelet) = met een gezwel | א֤וֹ (o) = of | גָרָב֙ (garav) = schurft | א֣וֹ (o) = of | יַלֶּ֔פֶת (yalefet) = huiduitslag | לֹא (lo) = niet | תַקְרִ֥יבוּ (taqrivu) = jullie zullen brengen | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְאִשֶּׁ֗ה (veishe) = en een vuuroffer | לֹא (lo) = niet | תִתְּנ֥וּ (titenu) = jullie zullen geven | מֵהֶ֛ם (mehem) = van hen | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרוּץ (charuts), ‘verminkt’, en יַבֶּלֶת (yabbelet), ‘gezwel’, komen zelden voor; de betekenis is niet helemaal zeker. גָּרָב (garav), ‘schurft’, en יַלֶּפֶת (yallefet), ‘huiduitslag’, staan ook in Lev. 21:20. Zie ook: Lev 1:9; Lev 1:13; Lev 3:3; Lev 21:20; Lev 22:20; Mal 1:8 **22:23** **Een rund of een schaap met een te lang of een te kort lidmaat mag je als vrijwillige gave offeren. Maar als gelofte wordt het niet aanvaard.** Brontekst: וְשׁ֥וֹר (veshor) = en een rund | וָשֶׂ֖ה (vase) = en een schaap | שָׂר֣וּעַ (sarua) = te lang | וְקָל֑וּט (veqalut) = en te kort | נְדָבָה֙ (nedava) = een vrijwillige gave | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = je zult het doen | אֹת֔וֹ (oto) = het | וּלְנֵ֖דֶר (uleneder) = en als gelofte | לֹ֥א (lo) = niet | יֵרָצֶֽה (yeratse) = het wordt aanvaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרוּעַ (saru’a), ‘te lang’, en קָלוּט (qalut), ‘te kort’ (letterlijk ‘ingekort’): zie ook Lev. 21:18. Hier geldt een mildere regel dan in vers 20: voor een vrijwillige gave is zo’n dier toegestaan, voor een gelofte niet. Waarom, is niet helemaal duidelijk. Zie ook: Lev 21:18; Lev 22:20 **22:24** **Een dier dat gekneusd, geplet, afgerukt of afgesneden is, mogen jullie niet aan Yahweh brengen. In jullie land mogen jullie dat niet doen.** Brontekst: וּמָע֤וּךְ (umaukh) = en gekneusd | וְכָתוּת֙ (vekhatut) = en geplet | וְנָת֣וּק (venatuq) = en afgerukt | וְכָר֔וּת (vekharut) = en afgesneden | לֹ֥א (lo) = niet | תַקְרִ֖יבוּ (taqrivu) = jullie zullen brengen | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וּֽבְאַרְצְכֶ֖ם (uveartsekhem) = en in jullie land | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vier woorden (‘gekneusd, geplet, afgerukt, afgesneden’) noemen geen lichaamsdeel. Van oudsher worden de teelballen bedoeld; wij laten het zoals het Hebreeuws het zegt. Zie ook: Lev 21:20; Lev 22:20; Deut 23:2 **22:25** **Ook uit de hand van een buitenlander mogen jullie het voedsel van jullie Elohim niet brengen, van al deze dieren. Want hun beschadiging zit in hen; er is een gebrek aan hen. Zij worden niet voor jullie aanvaard.”** Brontekst: וּמִיַּ֣ד (umiyad) = en uit de hand van | בֶּן (ben) = een zoon van | נֵכָ֗ר (nekhar) = een vreemde | לֹ֥א (lo) = niet | תַקְרִ֛יבוּ (taqrivu) = jullie zullen brengen | אֶת (et) = (obj.) | לֶ֥חֶם (lechem) = het voedsel van | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | מִכָּל (mikal) = van al | אֵ֑לֶּה (ele) = deze | כִּ֣י (ki) = want | מָשְׁחָתָ֤ם (mashechatam) = hun beschadiging | בָּהֶם֙ (bahem) = in hen | מ֣וּם (mum) = een gebrek | בָּ֔ם (bam) = in hen | לֹ֥א (lo) = niet | יֵרָצ֖וּ (yeratsu) = zij worden aanvaard | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן נֵכָר (ben nekhar), ‘buitenlander’: letterlijk ‘zoon van een vreemd land’. Dit is iets anders dan de vreemdeling (גֵּר, ger) die in Israël woont. Zie ook: Lev 21:6; Num 15:14–16; Ezra 6:8–10; Mal 1:7–8; Mal 1:12–14 ### Regels voor jonge dieren en het dankoffer **22:26** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:27** **„Wanneer een rund, een schaap of een geit geboren wordt, blijft het zeven dagen bij zijn moeder. Vanaf de achtste dag wordt het aanvaard als offergave, een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: שׁ֣וֹר (shor) = rund | אוֹ (o) = of | כֶ֤שֶׂב (kesev) = schaap | אוֹ (o) = of | עֵז֙ (ez) = geit | כִּ֣י (ki) = wanneer | יִוָּלֵ֔ד (yivaled) = het geboren wordt | וְהָיָ֛ה (vehaya) = en het zal zijn | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | תַּ֣חַת (tachat) = onder | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | וּמִיּ֤וֹם (umiyom) = en vanaf de dag | הַשְּׁמִינִי֙ (hashemini) = de achtste | וָהָ֔לְאָה (vahalea) = en verder | יֵרָצֶ֕ה (yeratse) = het wordt aanvaard | לְקָרְבַּ֥ן (leqarban) = als offergave van | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Exod. 22:29 (Hebreeuwse nummering). Zie ook: Ex 22:29; Lev 12:2–3; Lev 19:23–24; Lev 22:25 **22:28** **Een rund of een schaap, het dier en zijn jong, mogen jullie niet op één dag slachten.** Brontekst: וְשׁ֖וֹר (veshor) = en rund | אוֹ (o) = of | שֶׂ֑ה (se) = schaap | אֹת֣וֹ (oto) = het | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn jong | לֹ֥א (lo) = niet | תִשְׁחֲט֖וּ (tishchatu) = jullie zullen slachten | בְּי֥וֹם (beyom) = op dag | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:19; Ex 34:26; Deut 14:21; Deut 22:6–7 **22:29** **Wanneer jullie een dankoffer aan Yahweh slachten, moeten jullie het slachten zodat jullie aanvaard worden.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | תִזְבְּח֥וּ (tizbechu) = jullie slachten | זֶֽבַח (zevach) = slachtoffer van | תּוֹדָ֖ה (toda) = dankzegging | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | לִֽרְצֹנְכֶ֖ם (lirtsonekhem) = voor jullie aanvaarding | תִּזְבָּֽחוּ (tizbachu) = jullie zullen het slachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹדָה (todah), ‘dankzegging’: wij vertalen ‘dankoffer’. Zie ook Lev. 7:12–15. Zie ook: Lev 7:12–15; Ps 107:22; Ps 116:17; Amos 4:5; Hos 14:3; 1 Petr 2:5 **22:30** **Op die dag moet het gegeten worden. Jullie mogen er niets van overlaten tot de morgen. Ik ben Yahweh.** Brontekst: בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | יֵאָכֵ֔ל (yeakhel) = het wordt gegeten | לֹֽא (lo) = niet | תוֹתִ֥ירוּ (totiru) = jullie zullen overlaten | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | עַד (ad) = tot | בֹּ֑קֶר (boqer) = de morgen | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde regel voor het dankoffer staat in Lev. 7:15. Zie ook: Ex 16:19–20; Lev 7:15–18; Lev 19:7 **22:31** **Houd Mijn geboden en doe ze. Ik ben Yahweh.** Brontekst: וּשְׁמַרְתֶּם֙ (ushemartem) = en jullie zullen houden | מִצְוֺתַ֔י (mitsvotay) = Mijn geboden | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:4–5; Lev 19:37; Num 15:40; Deut 4:40; 1 Tess 4:1–2 **22:32** **Jullie mogen Mijn heilige naam niet ontheiligen. Ik moet geheiligd worden te midden van de zonen van Israël. Ik ben Yahweh, die jullie heiligt.** Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | תְחַלְּלוּ֙ (techalelu) = jullie zullen ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | קָדְשִׁ֔י (qadeshi) = Mijn heiligheid | וְנִ֨קְדַּשְׁתִּ֔י (veniqdashti) = en Ik word geheiligd | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדִּשְׁכֶֽם (meqadishkhem) = die jullie heiligt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִקְדַּשְׁתִּי (niqdashti), ‘Ik word geheiligd’: Yahweh wordt als heilig erkend door hoe Israël leeft. Zie ook: Lev 10:3; Lev 18:21; Mat 6:9; Luc 11:2; Joh 17:17 **22:33** **Ik heb jullie uit het land Egypte geleid om jullie Elohim te zijn. Ik ben Yahweh.”** Brontekst: הַמּוֹצִ֤יא (hamotsi) = die uitleidt | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לֵאלֹהִ֑ים (lElohim) = tot Elohim | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 6:7; Ex 20:2; Lev 11:45; Lev 25:38; Num 15:41 ## Leviticus 23 _De vastgestelde tijden van Yahweh_ **23:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De vastgestelde tijden van Yahweh **23:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: De vastgestelde tijden van Yahweh, die jullie moeten uitroepen als heilige samenkomsten: dit zijn Mijn vastgestelde tijden.** Brontekst: דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | מוֹעֲדֵ֣י (moadei) = de vastgestelde tijden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = die | תִּקְרְא֥וּ (tiqreu) = jullie zullen uitroepen | אֹתָ֖ם (otam) = ze | מִקְרָאֵ֣י (miqraei) = samenkomsten van | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | אֵ֥לֶּה (ele) = dit zijn | הֵ֖ם (hem) = zij | מוֹעֲדָֽי (moaday) = Mijn vastgestelde tijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹעֵד (mo’ed), ‘vastgestelde tijd’: een tijd die Yahweh heeft vastgesteld. Het is hetzelfde woord als in ‘tent van samenkomst’ (אֹהֶל מוֹעֵד, ohel mo’ed), de plaats waar Hij Zich laat ontmoeten. Voetnoot : מִקְרָא קֹדֶשׁ (miqra qodesh), ‘heilige samenkomst’: een dag waarop het volk wordt bijeengeroepen; zie Exod. 12:16. Voetnoot : Overzicht van de tijden in dit hoofdstuk: de sabbat (vers 3); Pesach op de 14e van de eerste maand (vers 5); de ongezuurde broden van de 15e tot de 21e (verzen 6–8); de eerste schoof en het tellen van 50 dagen (verzen 9–21); de eerste van de zevende maand (verzen 24–25); Verzoendag op de 10e van de zevende maand (verzen 27–32); het feest van de hutten van de 15e tot de 21e, met een slotsamenkomst op de 22e (verzen 34–43). De eerste maand valt ongeveer in maart en april, de zevende ongeveer in september en oktober; de maanden volgen de maan. Zie ook: Ex 12:16; Ex 23:14–17; Lev 23:3; Lev 23:4; Lev 23:5; Lev 23:37; Joël 2:15; Hos 2:13 ### De sabbat **23:3** **Zes dagen mag er werk gedaan worden, maar de zevende dag is een sabbat van volledige rust, een heilige samenkomst. Geen enkel werk mogen jullie doen. Het is een sabbat voor Yahweh, overal waar jullie wonen.** Brontekst: שֵׁ֣שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִים֮ (yamim) = dagen | תֵּעָשֶׂ֣ה (tease) = zal gedaan worden | מְלָאכָה֒ (melakha) = werk | וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | שַׁבַּ֤ת (shabat) = sabbat van | שַׁבָּתוֹן֙ (shabaton) = volledige rust | מִקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֔דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | כָּל (kal) = alle | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie zullen doen | שַׁבָּ֥ת (shabat) = sabbat | הִוא֙ (hi) = het is | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | מֽוֹשְׁבֹתֵיכֶֽם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁבַּת שַׁבָּתוֹן (shabbat shabbaton), ‘sabbat van volledige rust’: zie Exod. 31:15 en 35:2. Voetnoot : מְלָאכָה (melakhah), ‘werk’, staat hier en op Verzoendag (verzen 28, 30 en 31). Bij de andere feestdagen staat מְלֶאכֶת עֲבֹדָה (melekhet avodah), letterlijk ‘werk van arbeid’; wij vertalen ‘gewoon werk’ (vers 7). Wat daaronder precies valt, zegt de tekst niet. Zie ook: Ex 23:12; Ex 31:13–17; Ex 31:15; Ex 35:2–3; Lev 19:3; Lev 23:7; Luc 13:14 **23:4** **Dit zijn de vastgestelde tijden van Yahweh, heilige samenkomsten, die jullie op hun vastgestelde tijd moeten uitroepen:** Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn | מוֹעֲדֵ֣י (moadei) = de vastgestelde tijden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִקְרָאֵ֖י (miqraei) = samenkomsten van | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | אֲשֶׁר (asher) = die | תִּקְרְא֥וּ (tiqreu) = jullie zullen uitroepen | אֹתָ֖ם (otam) = ze | בְּמוֹעֲדָֽם (bemoadam) = op hun vastgestelde tijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:14; Lev 23:2; Lev 23:37 ### Pesach en het feest van de ongezuurde broden **23:5** **In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen de twee avonden, is het Pesach voor Yahweh.** Brontekst: בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָרִאשׁ֗וֹן (harishon) = de eerste | בְּאַרְבָּעָ֥ה (bearbaa) = op vier | עָשָׂ֛ר (asar) = en tien | לַחֹ֖דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הָעַרְבָּ֑יִם (haarbayim) = de twee avonden | פֶּ֖סַח (pesach) = pesach | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּין הָעַרְבַּיִם (ben ha’arbayim), ‘tussen de twee avonden’: zie Exod. 12:6. פֶּסַח (pesach) is het Pesach van Exod. 12. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 49:1 bevestigt de veertiende van de eerste maand. Zie ook: Jub 49:1; Ex 12:6; Ex 12:18–19; Ex 13:3–10; Num 28:16–17; Deut 16:1–8; Joz 5:10 **23:6** **Op de vijftiende dag van deze maand is het feest van de ongezuurde broden voor Yahweh. Zeven dagen lang moeten jullie ongezuurde broden eten.** Brontekst: וּבַחֲמִשָּׁ֨ה (uvachamisha) = en op vijf | עָשָׂ֥ר (asar) = en tien | יוֹם֙ (yom) = dag | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | חַ֥ג (chag) = feest van | הַמַּצּ֖וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | מַצּ֥וֹת (matsot) = ongezuurde broden | תֹּאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie zullen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַג הַמַּצּוֹת (chag hamatsot), ‘feest van de ongezuurde broden’: zie Exod. 12:15–20, 23:15 en 34:18. Het eten van ongezuurde broden begint op de avond van de veertiende en duurt tot de avond van de eenentwintigste (Exod. 12:18). Zo zijn er zeven dagen, van de vijftiende tot de eenentwintigste. Zie ook: Ex 12:15–16; Ex 12:18; Ex 13:6–7; Ex 23:15; Ex 34:18; Deut 16:8; Hand 12:3–4 **23:7** **Op de eerste dag is er voor jullie een heilige samenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen.** Brontekst: בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הָֽרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | מִקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = elk | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = arbeid | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:8; Lev 23:21; Lev 23:25; Lev 23:35–36; Num 28:18–25 **23:8** **Zeven dagen lang moeten jullie een vuuroffer voor Yahweh brengen. Op de zevende dag is er een heilige samenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen.”** Brontekst: וְהִקְרַבְתֶּ֥ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | אִשֶּׁ֛ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִי֙ (hashevii) = de zevende | מִקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֔דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | כָּל (kal) = elk | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = arbeid | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De eerste schoof van de oogst **23:9** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **23:10** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Wanneer jullie in het land komen dat Ik jullie geef en de oogst ervan maaien. Jullie moeten een schoof, het eerste van jullie oogst, naar de priester brengen.** Brontekst: דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | כִּֽי (ki) = wanneer | תָבֹ֣אוּ (tavou) = jullie komen | אֶל (el) = in | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | אֲנִי֙ (ani) = Ik | נֹתֵ֣ן (noten) = geef | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | וּקְצַרְתֶּ֖ם (uqetsartem) = en jullie zullen maaien | אֶת (et) = (obj.) | קְצִירָ֑הּ (qetsirah) = de oogst ervan | וַהֲבֵאתֶ֥ם (vahavetem) = en jullie zullen brengen | אֶת (et) = (obj.) | עֹ֛מֶר (omer) = een schoof van | רֵאשִׁ֥ית (reshit) = het eerste van | קְצִירְכֶ֖ם (qetsirekhem) = jullie oogst | אֶל (el) = tot | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹמֶר (omer), ‘schoof’: een bundel afgesneden aren. In Exod. 16 betekent hetzelfde woord een maat, de gomer (ongeveer 2,2 liter; Exod. 16:36). Hier is het een schoof, zoals in Deut. 24:19. Voetnoot : רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: zoals in Lev. 2:12. Zie ook: Ex 16:36; Ex 23:19; Ex 34:26; Lev 2:12; Deut 16:9; Deut 24:19; Jak 1:18; 1 Kor 15:20–23 **23:11** **Op de dag na de sabbat moet de priester de schoof bewegen. Hij moet hem voor het aangezicht van Yahweh bewegen, zodat jullie aanvaard worden.** Brontekst: וְהֵנִ֧יף (vehenif) = en hij zal bewegen | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹ֛מֶר (haomer) = de schoof | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִֽרְצֹנְכֶ֑ם (lirtsonekhem) = tot jullie aanvaarding | מִֽמָּחֳרַת֙ (mimachorat) = op de dag na | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | יְנִיפֶ֖נּוּ (yenifenu) = hij zal hem bewegen | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מִמָּחֳרַת הַשַּׁבָּת (mimmochorat hashabbat), ‘de dag na de sabbat’: de uitleg verschilt al heel lang. Sommigen lezen: de dag na de sabbat van elke week, dus de eerste dag van de week. Anderen lezen: de dag na de eerste feestdag van de ongezuurde broden (vers 7), dus de zestiende van de eerste maand. Wij vertalen letterlijk en kiezen niet. Dit bepaalt ook de dag waarop de vijftig dagen eindigen (vers 15–16). Zie ook: Ex 29:24; Lev 9:21; Lev 10:14; Lev 23:7; Lev 23:15–16 **23:12** **Op de dag dat jullie de schoof bewegen, moeten jullie een lam van één jaar zonder gebrek als brandoffer voor Yahweh offeren.** Brontekst: וַעֲשִׂיתֶ֕ם (vaasitem) = en jullie zullen offeren | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | הֲנִֽיפְכֶ֖ם (hanifekhem) = jullie bewegen | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹ֑מֶר (haomer) = de schoof | כֶּ֣בֶשׂ (keves) = een lam | תָּמִ֧ים (tamim) = zonder gebrek | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֛וֹ (shenato) = zijn jaar | לְעֹלָ֖ה (leola) = als brandoffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן שְׁנָתוֹ (ben shenato), ‘zoon van zijn jaar’: een jaar oud. Zie ook: Lev 1:10; 1 Petr 1:19; Heb 10:10–12 **23:13** **Het graanoffer ervan: twee tiende efa fijn meel, met olie gekneed, een vuuroffer voor Yahweh, een aangename geur. Het plengoffer ervan: wijn, een kwart hin.** Brontekst: וּמִנְחָתוֹ֩ (uminchato) = en zijn graanoffer | שְׁנֵ֨י (shenei) = twee | עֶשְׂרֹנִ֜ים (esronim) = tienden | סֹ֣לֶת (solet) = fijn meel | בְּלוּלָ֥ה (belula) = gekneed | בַשֶּׁ֛מֶן (bashemen) = met olie | אִשֶּׁ֥ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | רֵ֣יחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֑חַ (nichoach) = aangenaamheid | וְנִסְכֹּ֥ה (venisko) = en zijn plengoffer | יַ֖יִן (yayin) = wijn | רְבִיעִ֥ת (reviit) = een kwart van | הַהִֽין (hahin) = de hin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een efa is ongeveer 22 liter; een tiende efa is dus ongeveer 2,2 liter en twee tiende efa ongeveer 4,4 liter. Een hin is ongeveer 3,7 liter; een kwart hin is ongeveer 0,9 liter. Zie ook Exod. 29:40. Zie ook: Ex 29:40; Lev 2:14–16; Lev 6:13; Lev 14:10; Joël 1:9; Joël 2:14 **23:14** **Brood, geroosterd graan en vers graan mogen jullie niet eten tot op deze zelfde dag, tot jullie de offergave van jullie Elohim hebben gebracht. Dit is een eeuwig voorschrift voor al jullie generaties, overal waar jullie wonen.** Brontekst: וְלֶחֶם֩ (velechem) = en brood | וְקָלִ֨י (veqali) = en geroosterd graan | וְכַרְמֶ֜ל (vekharmel) = en vers graan | לֹ֣א (lo) = niet | תֹֽאכְל֗וּ (tokhlu) = jullie zullen eten | עַד (ad) = tot | עֶ֨צֶם֙ (etsem) = zelf | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | עַ֚ד (ad) = tot | הֲבִ֣יאֲכֶ֔ם (haviakhem) = jullie brengen | אֶת (et) = (obj.) | קָרְבַּ֖ן (qarban) = de offergave van | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | חֻקַּ֤ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | מֹשְׁבֹֽתֵיכֶֽם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָלִי (qali), ‘geroosterd graan’, en כַּרְמֶל (karmel), ‘vers graan’: zie Lev. 2:14. Pas na de eerste schoof en het offer mag het nieuwe graan worden gegeten. Zie ook: Gen 4:4–5; Ex 34:26; Lev 2:14; Lev 10:11; Deut 16:12; Joz 5:11–12 ### Het feest van de weken **23:15** **Vanaf de dag na de sabbat, vanaf de dag dat jullie de schoof van het beweegoffer brengen, moeten jullie tellen. Zeven sabbatten moeten het zijn, volledig.** Brontekst: וּסְפַרְתֶּ֤ם (usefartem) = en jullie zullen tellen | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | מִמָּחֳרַ֣ת (mimachorat) = vanaf de dag na | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | מִיּוֹם֙ (miyom) = vanaf de dag | הֲבִ֣יאֲכֶ֔ם (haviakhem) = jullie brengen | אֶת (et) = (obj.) | עֹ֖מֶר (omer) = de schoof van | הַתְּנוּפָ֑ה (hatenufa) = het beweegoffer | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שַׁבָּת֖וֹת (shabatot) = sabbatten | תְּמִימֹ֥ת (temimot) = volledig | תִּהְיֶֽינָה (tihyeina) = zij zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De telling begint op de dag dat de schoof wordt gebracht en bewogen. שַׁבָּת (shabbat) betekent hier ‘week’: zeven sabbatten zijn zeven volle weken, dus 49 dagen. De vijftigste dag is de dag na de zevende sabbat (vers 16). Zie ook: Ex 34:22; Lev 23:10–11; Lev 23:16; Lev 25:8; Num 28:26; Deut 16:9–10 **23:16** **Tot de dag na de zevende sabbat moeten jullie vijftig dagen tellen. Dan moeten jullie een nieuw graanoffer voor Yahweh brengen.** Brontekst: עַ֣ד (ad) = tot | מִֽמָּחֳרַ֤ת (mimachorat) = de dag na | הַשַּׁבָּת֙ (hashabat) = de sabbat | הַשְּׁבִיעִ֔ת (hasheviit) = de zevende | תִּסְפְּר֖וּ (tisperu) = jullie zullen tellen | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | י֑וֹם (yom) = dag | וְהִקְרַבְתֶּ֛ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | מִנְחָ֥ה (mincha) = een graanoffer | חֲדָשָׁ֖ה (chadasha) = nieuw | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het feest dat Exodus ‘het feest van de weken’ (חַג שָׁבֻעוֹת, chag shavu’ot) noemt (Exod. 34:22), ook ‘oogstfeest’ (Exod. 23:16). Dit hoofdstuk noemt de naam niet. Voetnoot : מִנְחָה חֲדָשָׁה (minchah chadashah), ‘nieuw graanoffer’: de eerste opbrengst van de nieuwe graanoogst. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:1–2 noemt dit het feest van de eerstelingen van de oogst. Zie ook: Jub 15:1–2; Ex 23:16; Ex 34:22; Num 28:26; Hand 2:1 **23:17** **Uit jullie woonplaatsen moeten jullie twee broden als beweegoffer brengen. Ze moeten van twee tiende efa fijn meel zijn en gezuurd gebakken worden. Het zijn eerstelingen voor Yahweh.** Brontekst: מִמּוֹשְׁבֹ֨תֵיכֶ֜ם (mimoshevoteikhem) = uit jullie woonplaatsen | תָּבִ֣יאּוּ (taviu) = jullie zullen brengen | לֶ֣חֶם (lechem) = brood van | תְּנוּפָ֗ה (tenufa) = beweegoffer | שְׁ֚תַּיִם (shetayim) = twee | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | עֶשְׂרֹנִ֔ים (esronim) = tienden | סֹ֣לֶת (solet) = fijn meel | תִּהְיֶ֔ינָה (tihyeina) = zij zullen zijn | חָמֵ֖ץ (chamets) = gezuurd | תֵּאָפֶ֑ינָה (teafeina) = zij zullen gebakken worden | בִּכּוּרִ֖ים (bikurim) = eerstelingen | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit brood is gezuurd, anders dan de meeste graanoffers (Lev. 2:11–12). בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerstelingen’: zie ook Exod. 23:19. Zie ook: Ex 23:19; Ex 34:22; Ex 34:26; Lev 2:11–12; Lev 7:13; Lev 23:10; Num 28:26 **23:18** **Bij het brood moeten jullie zeven lammeren van een jaar zonder gebrek brengen, één jonge stier en twee rammen. Zij zijn een brandoffer voor Yahweh, met hun graanoffer en hun plengoffers: een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.** Brontekst: וְהִקְרַבְתֶּ֣ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | עַל (al) = bij | הַלֶּ֗חֶם (halechem) = het brood | שִׁבְעַ֨ת (shivat) = zeven | כְּבָשִׂ֤ים (kevasim) = lammeren | תְּמִימִם֙ (temimim) = zonder gebrek | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | שָׁנָ֔ה (shana) = een jaar | וּפַ֧ר (ufar) = en een jonge stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֛ר (baqar) = rund | אֶחָ֖ד (echad) = één | וְאֵילִ֣ם (veeilim) = en rammen | שְׁנָ֑יִם (shenayim) = twee | יִהְי֤וּ (yihyu) = zij zullen zijn | עֹלָה֙ (ola) = brandoffer | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וּמִנְחָתָם֙ (uminchatam) = en hun graanoffer | וְנִסְכֵּיהֶ֔ם (veniskeihem) = en hun plengoffers | אִשֵּׁ֥ה (ishe) = een vuuroffer | רֵֽיחַ (reiach) = een geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:12–13; Num 15:4–12; Num 28:27–31; Mal 1:13–14 **23:19** **Jullie moeten één geitenbok als zondoffer offeren en twee lammeren van een jaar als vredeoffer.** Brontekst: וַעֲשִׂיתֶ֛ם (vaasitem) = en jullie zullen offeren | שְׂעִיר (seir) = een geitenbok | עִזִּ֥ים (izim) = van de geiten | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְחַטָּ֑את (lechatat) = als zondoffer | וּשְׁנֵ֧י (ushenei) = en twee | כְבָשִׂ֛ים (kevasim) = lammeren | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | שָׁנָ֖ה (shana) = een jaar | לְזֶ֥בַח (lezevach) = als slachtoffer van | שְׁלָמִֽים (shelamim) = vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 3:1–17; Lev 7:11–18; Num 28:30; 2 Kor 5:21; Rom 8:3 **23:20** **De priester moet ze bewegen, samen met het brood van de eerstelingen, als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh, met de twee lammeren. Ze zijn heilig voor Yahweh, voor de priester.** Brontekst: וְהֵנִ֣יף (vehenif) = en hij zal bewegen | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | אֹתָ֡ם (otam) = ze | עַל֩ (al) = met | לֶ֨חֶם (lechem) = het brood van | הַבִּכּוּרִ֤ים (habikurim) = de eerstelingen | תְּנוּפָה֙ (tenufa) = beweegoffer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = met | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | כְּבָשִׂ֑ים (kevasim) = lammeren | קֹ֛דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | יִהְי֥וּ (yihyu) = zij zullen zijn | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | לַכֹּהֵֽן (lakohen) = voor de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:24; Lev 7:29–34; Lev 8:29; Lev 10:14–15; Deut 18:4 **23:21** **Op diezelfde dag moeten jullie een heilige samenkomst uitroepen. Zo is er voor jullie een heilige samenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen. Dit is een eeuwig voorschrift in al jullie woonplaatsen, voor jullie generaties.** Brontekst: וּקְרָאתֶ֞ם (uqeratem) = en jullie zullen uitroepen | בְּעֶ֣צֶם (beetsem) = op de zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | מִֽקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = heiligheid | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | כָּל (kal) = elk | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = arbeid | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie zullen doen | חֻקַּ֥ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָ֛ם (olam) = eeuwigheid | בְּכָל (bekhal) = in al | מוֹשְׁבֹ֥תֵיכֶ֖ם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen | לְדֹרֹֽתֵיכֶֽם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:7; Lev 23:2; Lev 23:4; Lev 23:14; Num 18:23 ### De rand van het veld **23:22** **Wanneer jullie de oogst van jullie land maaien, mag je de rand van je veld niet tot het einde afmaaien. Wat bij je oogst is blijven liggen, mag je niet oprapen. Laat het voor de arme en de vreemdeling. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”** Brontekst: וּֽבְקֻצְרְכֶ֞ם (uvequtsrekhem) = en bij jullie maaien | אֶת (et) = (obj.) | קְצִ֣יר (qetsir) = de oogst van | אַרְצְכֶ֗ם (artsekhem) = jullie land | לֹֽא (lo) = niet | תְכַלֶּ֞ה (tekhale) = zul je voltooien | פְּאַ֤ת (peat) = de rand van | שָֽׂדְךָ֙ (sadekha) = je veld | בְּקֻצְרֶ֔ךָ (bequtsrekha) = bij je maaien | וְלֶ֥קֶט (veleqet) = en wat blijft liggen van | קְצִירְךָ֖ (qetsirekha) = je oogst | לֹ֣א (lo) = niet | תְלַקֵּ֑ט (telaqet) = zul je oprapen | לֶֽעָנִ֤י (leani) = voor de arme | וְלַגֵּר֙ (velager) = en voor de vreemdeling | תַּעֲזֹ֣ב (taazov) = zul je laten | אֹתָ֔ם (otam) = ze | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde regel staat in Lev. 19:9–10 en Deut. 24:19–22. Het Hebreeuws wisselt hier van ‘jullie’ naar ‘je’; wij houden dat zo. Zie ook: Lev 19:9–10; Deut 24:19–21; Ruth 2:15–23; Spr 11:24–25; Jes 58:10 **23:23** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De eerste dag van de zevende maand **23:24** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: In de zevende maand, op de eerste van de maand, is er voor jullie een dag van volledige rust. Een gedachtenis met luid geschal, een heilige samenkomst.** Brontekst: דַּבֵּ֛ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | בַּחֹ֨דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁבִיעִ֜י (hashevii) = de zevende | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op de eerste | לַחֹ֗דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | יִהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | שַׁבָּת֔וֹן (shabaton) = volledige rust | זִכְר֥וֹן (zikhron) = een gedachtenis van | תְּרוּעָ֖ה (terua) = geschal | מִקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹֽדֶשׁ (qodesh) = heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁבָּתוֹן (shabbaton), ‘dag van volledige rust’. Voetnoot : זִכְרוֹן תְּרוּעָה (zikhron teru’ah), ‘een gedachtenis met luid geschal’: תְּרוּעָה (teru’ah) is een luid geschal of signaal, meestal gegeven met een hoorn of trompet (Num. 10:5–10; 29:1). Dit hoofdstuk noemt geen instrument. Zie ook: Lev 25:9; Num 10:5–10; Num 10:9–10; Num 29:1–6; 1 Tess 4:16; 1 Kor 15:52 **23:25** **Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen. Jullie moeten een vuuroffer voor Yahweh brengen.”** Brontekst: כָּל (kal) = elk | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = arbeid | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie zullen doen | וְהִקְרַבְתֶּ֥ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:21 **23:26** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Verzoendag **23:27** **„Maar op de tiende van deze zevende maand is het Verzoendag. Er is voor jullie een heilige samenkomst. Jullie moeten jezelf kwellen en een vuuroffer voor Yahweh brengen.** Brontekst: אַ֡ךְ (akh) = maar | בֶּעָשׂ֣וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹדֶשׁ֩ (lachodesh) = van de maand | הַשְּׁבִיעִ֨י (hashevii) = de zevende | הַזֶּ֜ה (haze) = deze | י֧וֹם (yom) = dag van | הַכִּפֻּרִ֣ים (hakipurim) = de verzoeningen | ה֗וּא (hu) = hij | מִֽקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = heiligheid | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | וְעִנִּיתֶ֖ם (veinitem) = en jullie zullen kwellen | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם (nafshoteikhem) = jullie zelf | וְהִקְרַבְתֶּ֥ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם הַכִּפֻּרִים (yom hakkippurim), ‘Verzoendag’: letterlijk ‘dag van de verzoeningen’ (meervoud). Voor wat er op die dag gebeurt, zie Lev. 16. Voetnoot : וְעִנִּיתֶם אֶת נַפְשֹׁתֵיכֶם (ve’initem et nafshoteichem), ‘jullie moeten jezelf kwellen’: letterlijk ‘jullie zielen kwellen’. Dit wordt van oudsher opgevat als vasten; zie Ps. 35:13, Jes. 58:3–5 en Lev. 16:29–31. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 34:18 bevestigt de tiende van de zevende maand als dag van kwellen en verzoening. Zie ook: Jub 34:18; Ex 30:10; Lev 16:15; Lev 16:24; Lev 16:29–31; Num 29:7–11; Ps 35:13; Jes 58:3–5 **23:28** **Op diezelfde dag mogen jullie geen enkel werk doen. Want het is Verzoendag, om verzoening voor jullie te doen voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | מְלָאכָה֙ (melakha) = werk | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֔וּ (taasu) = jullie zullen doen | בְּעֶ֖צֶם (beetsem) = op de zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּ֣י (ki) = want | י֤וֹם (yom) = dag van | כִּפֻּרִים֙ (kipurim) = verzoeningen | ה֔וּא (hu) = hij | לְכַפֵּ֣ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = voor jullie | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 16:34; Zach 3:9; Heb 10:10; 1 Joh 4:10; 1 Joh 5:6 **23:29** **Want iedere persoon die zich op diezelfde dag niet kwelt, wordt uit zijn volk afgesneden.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | כָל (kal) = elke | הַנֶּ֨פֶשׁ֙ (hanefesh) = persoon | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | תְעֻנֶּ֔ה (teune) = zal gekweld worden | בְּעֶ֖צֶם (beetsem) = op de zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְנִכְרְתָ֖ה (venikhreta) = en zal afgesneden worden | מֵֽעַמֶּֽיהָ (meameiha) = van haar volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִכְרְתָה (nikretah), ‘afgesneden worden’: zie Lev. 20:3 en Lev. 17:4. Zie ook: Gen 17:14; Lev 17:4; Lev 20:3; Lev 23:27; Lev 23:32; Num 5:2; Jes 22:12 **23:30** **Iedere persoon die op diezelfde dag enig werk doet, die persoon zal Ik uit het midden van zijn volk vernietigen.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elke | הַנֶּ֗פֶשׁ (hanefesh) = persoon | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | תַּעֲשֶׂה֙ (taase) = zal doen | כָּל (kal) = elk | מְלָאכָ֔ה (melakha) = werk | בְּעֶ֖צֶם (beetsem) = op de zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְהַֽאֲבַדְתִּ֛י (vehaavadti) = en Ik zal vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | הַהִ֖וא (hahi) = die | מִקֶּ֥רֶב (miqerev) = uit het midden van | עַמָּֽהּ (amah) = haar volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַאֲבַדְתִּי (ha’avadti), ‘Ik zal vernietigen’: Yahweh doet het Zelf. Het werkwoord אָבַד (avad) betekent ‘omkomen’; hier laat Yahweh de persoon omkomen. Zie ook: Gen 17:14; Lev 20:3; Lev 20:5–6; Sef 2:5; Ezech 14:9 **23:31** **Geen enkel werk mogen jullie doen. Dit is een eeuwig voorschrift voor al jullie generaties, overal waar jullie wonen.** Brontekst: כָּל (kal) = elk | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie zullen doen | חֻקַּ֤ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | מֹֽשְׁבֹֽתֵיכֶֽם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **23:32** **Het is voor jullie een sabbat van volledige rust, en jullie moeten jezelf kwellen. Op de negende van de maand, ’s avonds, van avond tot avond, moeten jullie sabbat houden.”** Brontekst: שַׁבַּ֨ת (shabat) = sabbat van | שַׁבָּת֥וֹן (shabaton) = volledige rust | הוּא֙ (hu) = het is | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | וְעִנִּיתֶ֖ם (veinitem) = en jullie zullen kwellen | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם (nafshoteikhem) = jullie zelf | בְּתִשְׁעָ֤ה (betisha) = op de negende | לַחֹ֨דֶשׁ֙ (lachodesh) = van de maand | בָּעֶ֔רֶב (baerev) = in de avond | מֵעֶ֣רֶב (meerev) = van avond | עַד (ad) = tot | עֶ֔רֶב (erev) = avond | תִּשְׁבְּת֖וּ (tishbetu) = jullie zullen vieren | שַׁבַּתְּכֶֽם (shabatekhem) = jullie sabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעֶרֶב עַד עֶרֶב (me’erev ad erev), ‘van avond tot avond’: de dag loopt van zonsondergang tot zonsondergang (Gen. 1:5). Verzoendag begint dus op de avond van de negende en duurt tot de avond van de tiende. Zie ook: Gen 1:5; Lev 16:31; Lev 23:27; Ps 35:13; Ps 51:19; Ps 69:11–12 **23:33** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het feest van de hutten **23:34** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Op de vijftiende dag van deze zevende maand is het feest van de hutten voor Yahweh, zeven dagen lang.** Brontekst: דַּבֵּ֛ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | בַּחֲמִשָּׁ֨ה (bachamisha) = op vijf | עָשָׂ֜ר (asar) = en tien | י֗וֹם (yom) = dag | לַחֹ֤דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשְּׁבִיעִי֙ (hashevii) = de zevende | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | חַ֧ג (chag) = feest van | הַסֻּכּ֛וֹת (hasukot) = de hutten | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | לַיהֹוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַג הַסֻּכּוֹת (chag hassukkot), ‘feest van de hutten’: dit is het feest dat Exodus ‘het feest van de inzameling’ noemt (Exod. 23:16 en 34:22). סֻכָּה (sukkah) is een hut van takken. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 16:29–31 bevestigt dit. Zie ook: Jub 16:29–31; Ex 23:16; Ex 34:22; Num 29:12; Ezra 3:4; Neh 8:14; Joh 7:2 **23:35** **Op de eerste dag is er een heilige samenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen.** Brontekst: בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הָרִאשׁ֖וֹן (harishon) = de eerste | מִקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | כָּל (kal) = elk | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = arbeid | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:7–8; Lev 23:24–25 **23:36** **Zeven dagen lang moeten jullie een vuuroffer voor Yahweh brengen. Op de achtste dag is er voor jullie een heilige samenkomst, en jullie moeten een vuuroffer voor Yahweh brengen. Het is een slotsamenkomst. Geen enkel gewoon werk mogen jullie doen.** Brontekst: שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | תַּקְרִ֥יבוּ (taqrivu) = jullie zullen brengen | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁמִינִ֡י (hashemini) = de achtste | מִקְרָא (miqra) = samenkomst | קֹדֶשׁ֩ (qodesh) = heiligheid | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | וְהִקְרַבְתֶּ֨ם (vehiqravtem) = en jullie zullen brengen | אִשֶּׁ֤ה (ishe) = een vuuroffer | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | עֲצֶ֣רֶת (atseret) = slotsamenkomst | הִ֔וא (hi) = het is | כָּל (kal) = elk | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | עֲבֹדָ֖ה (avoda) = arbeid | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצֶרֶת (atseret), ‘slotsamenkomst’: een afsluitende, plechtige bijeenkomst; zie ook Num. 29:35. Zie ook: Num 29:12–38; Num 29:35; Deut 16:8; 2 Kron 7:8–11; Neh 8:18; Joh 7:37 ### Wat bij de feesten hoort **23:37** **Dit zijn de vastgestelde tijden van Yahweh, die jullie als heilige samenkomsten moeten uitroepen, om een vuuroffer voor Yahweh te brengen. Een brandoffer, een graanoffer, een slachtoffer en plengoffers, ieder voor zijn eigen dag.** Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit zijn | מוֹעֲדֵ֣י (moadei) = de vastgestelde tijden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = die | תִּקְרְא֥וּ (tiqreu) = jullie zullen uitroepen | אֹתָ֖ם (otam) = ze | מִקְרָאֵ֣י (miqraei) = samenkomsten van | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | לְהַקְרִ֨יב (lehaqriv) = om te brengen | אִשֶּׁ֜ה (ishe) = een vuuroffer | לַיהוָ֗ה (laYahweh) = voor Yahweh | עֹלָ֧ה (ola) = brandoffer | וּמִנְחָ֛ה (umincha) = en graanoffer | זֶ֥בַח (zevach) = slachtoffer | וּנְסָכִ֖ים (unesakhim) = en plengoffers | דְּבַר (devar) = de zaak van | י֥וֹם (yom) = de dag | בְּיוֹמֽוֹ (beyomo) = op zijn dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor de offers die op elke feestdag horen, zie Num. 28 en 29. Zie ook: Lev 23:2; Lev 23:4; Deut 16:16–17; Pred 3:1 **23:38** **Dat komt naast de sabbatten van Yahweh, naast jullie gaven, naast al jullie geloften en naast al jullie vrijwillige gaven die jullie aan Yahweh geven.** Brontekst: מִלְּבַ֖ד (milevad) = afgezien van | שַׁבְּתֹ֣ת (shabetot) = de sabbatten van | יְּהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּמִלְּבַ֣ד (umilevad) = en afgezien van | מַתְּנֽוֹתֵיכֶ֗ם (matenoteikhem) = jullie gaven | וּמִלְּבַ֤ד (umilevad) = en afgezien van | כָּל (kal) = al | נִדְרֵיכֶם֙ (nidreikhem) = jullie geloften | וּמִלְּבַד֙ (umilevad) = en afgezien van | כָּל (kal) = al | נִדְב֣וֹתֵיכֶ֔ם (nidvoteikhem) = jullie vrijwillige gaven | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תִּתְּנ֖וּ (titenu) = jullie geven | לַיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:2–3; Lev 19:3; Num 29:39; 2 Kron 35:7–8; Ezra 2:68–69 **23:39** **Maar op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer jullie de opbrengst van het land inzamelen, moeten jullie zeven dagen lang het feest van Yahweh vieren. Op de eerste dag is er een dag van volledige rust, en op de achtste dag ook.** Brontekst: אַ֡ךְ (akh) = maar | בַּחֲמִשָּׁה֩ (bachamisha) = op vijf | עָשָׂ֨ר (asar) = en tien | י֜וֹם (yom) = dag | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | בְּאָסְפְּכֶם֙ (beaspekhem) = bij jullie inzamelen | אֶת (et) = (obj.) | תְּבוּאַ֣ת (tevuat) = de opbrengst van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | תָּחֹ֥גּוּ (tachogu) = jullie zullen vieren | אֶת (et) = (obj.) | חַג (chag) = het feest van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הָֽרִאשׁוֹן֙ (harishon) = de eerste | שַׁבָּת֔וֹן (shabaton) = volledige rust | וּבַיּ֥וֹם (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁמִינִ֖י (hashemini) = de achtste | שַׁבָּתֽוֹן (shabaton) = volledige rust Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:16; Lev 23:24; Lev 23:34; Lev 23:36; Deut 16:13 **23:40** **Op de eerste dag moeten jullie nemen: de vrucht van prachtige bomen, palmtakken, een tak van een boom met dicht loof en wilgen van de beek. Dan moeten jullie je zeven dagen lang verheugen voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: וּלְקַחְתֶּ֨ם (uleqachtem) = en jullie zullen nemen | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הָרִאשׁ֗וֹן (harishon) = de eerste | פְּרִ֨י (peri) = vrucht van | עֵ֤ץ (ets) = boom van | הָדָר֙ (hadar) = pracht | כַּפֹּ֣ת (kapot) = takken van | תְּמָרִ֔ים (temarim) = palmen | וַעֲנַ֥ף (vaanaf) = en tak van | עֵץ (ets) = boom van | עָבֹ֖ת (avot) = dicht loof | וְעַרְבֵי (vearvei) = en wilgen van | נָ֑חַל (nachal) = de beek | וּשְׂמַחְתֶּ֗ם (usemachtem) = en jullie zullen je verheugen | לִפְנֵ֛י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּרִי עֵץ הָדָר (peri etz hadar), ‘vrucht van prachtige bomen’; כַּפֹּת תְּמָרִים (kappot temarim), ‘palmtakken’; עֲנַף עֵץ עָבֹת (anaf etz avot), ‘tak van een boom met dicht loof’; עַרְבֵי נָחַל (arvei nachal), ‘wilgen van de beek’. Welke bomen precies bedoeld zijn, zegt de tekst niet. Zie ook: Deut 16:14–15; Mat 21:8; Joh 12:13; Fil 4:4; Openb 7:9 **23:41** **Jullie moeten het als feest voor Yahweh vieren, zeven dagen per jaar. Het is een eeuwig voorschrift voor jullie generaties: in de zevende maand moeten jullie het vieren.** Brontekst: וְחַגֹּתֶ֤ם (vechagotem) = en jullie zullen vieren | אֹתוֹ֙ (oto) = het | חַ֣ג (chag) = feest | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | בַּשָּׁנָ֑ה (bashana) = in het jaar | חֻקַּ֤ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁבִיעִ֖י (hashevii) = de zevende | תָּחֹ֥גּוּ (tachogu) = jullie zullen vieren | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 29:12; Neh 8:18 **23:42** **In hutten moeten jullie zeven dagen wonen. Ieder inheemse in Israël moet in hutten wonen,** Brontekst: בַּסֻּכֹּ֥ת (basukot) = in de hutten | תֵּשְׁב֖וּ (teshevu) = jullie zullen wonen | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | כָּל (kal) = elke | הָֽאֶזְרָח֙ (haezrach) = inheemse | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | יֵשְׁב֖וּ (yeshevu) = zullen wonen | בַּסֻּכֹּֽת (basukot) = in de hutten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶזְרָח (ezrach), ‘inheemse’: iemand die in het land is geboren; zie Exod. 12:19. Zie ook: Gen 33:17; Ex 12:19; Num 24:2; Num 24:5; Jer 35:10; Neh 8:14–17 **23:43** **zodat jullie generaties weten dat Ik de zonen van Israël in hutten liet wonen toen Ik hen uit het land Egypte leidde. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”** Brontekst: לְמַעַן֮ (lemaan) = opdat | יֵדְע֣וּ (yedeu) = zij weten | דֹרֹֽתֵיכֶם֒ (doroteikhem) = jullie generaties | כִּ֣י (ki) = dat | בַסֻּכּ֗וֹת (basukot) = in hutten | הוֹשַׁ֨בְתִּי֙ (hoshavti) = Ik liet wonen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּהוֹצִיאִ֥י (behotsii) = bij Mijn uitleiden | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dat Yahweh Israël in hutten liet wonen, gaat over de tocht door de woestijn na de uittocht uit Egypte. Zie ook: Ex 13:14; Deut 31:10–13; Ps 78:5–6 **23:44** Mozes maakte de vastgestelde tijden van Yahweh aan de zonen van Israël bekend. Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | מֹעֲדֵ֖י (moadei) = de vastgestelde tijden van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 21:24; Lev 23:1–2; Mat 18:20 ## Leviticus 24 _De lamp, het brood op de tafel en de man die de Naam vervloekte_ ### De lamp **24:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:2** **„Gebied de zonen van Israël dat zij je zuivere, gestampte olijfolie brengen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden.** Brontekst: צַ֞ו (tsav) = gebied | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְיִקְח֨וּ (veyiqchu) = dat zij brengen | אֵלֶ֜יךָ (eleikha) = tot jou | שֶׁ֣מֶן (shemen) = olie van | זַ֥יִת (zayit) = olijf | זָ֛ךְ (zakh) = zuivere | כָּתִ֖ית (katit) = gestampte | לַמָּא֑וֹר (lamaor) = voor het licht | לְהַעֲלֹ֥ת (lehaalot) = om te laten branden | נֵ֖ר (ner) = een lamp | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit gebod staat ook in Exod. 27:20–21. Het Hebreeuws heeft hier ‘een lamp’ (נֵר, ner, enkelvoud); in vers 4 staan ‘de lampen’ (meervoud). Voetnoot : עָרַךְ (arach), ‘in orde brengen’ (vers 3–4): wij vertalen ‘verzorgen’ voor de lamp, zoals in Exod. 27:21. Zie ook: Ex 27:20–21; Ex 27:21; Lev 24:3–4; Lev 24:4; Joh 8:12; 2 Kor 4:6; Ef 1:17–18; Ef 5:8–14 **24:3** **Buiten de voorhang van het getuigenis, in de tent van samenkomst, moet Aäron die verzorgen, van de avond tot de morgen, voortdurend voor het aangezicht van Yahweh. Dit is een eeuwig voorschrift voor al jullie generaties.** Brontekst: מִחוּץ֩ (michuts) = buiten | לְפָרֹ֨כֶת (lefarokhet) = de voorhang van | הָעֵדֻ֜ת (haedut) = het getuigenis | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | מוֹעֵ֗ד (moed) = samenkomst | יַעֲרֹךְ֩ (yaarokh) = zal verzorgen | אֹת֨וֹ (oto) = het | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | מֵעֶ֧רֶב (meerev) = van avond | עַד (ad) = tot | בֹּ֛קֶר (boqer) = morgen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תָּמִ֑יד (tamid) = voortdurend | חֻקַּ֥ת (chuqat) = een voorschrift van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | לְדֹרֹֽתֵיכֶֽם (ledoroteikhem) = voor jullie generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:4** **Op de zuivere kandelaar moet hij de lampen verzorgen, voortdurend voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: עַ֚ל (al) = op | הַמְּנֹרָ֣ה (hamenora) = de kandelaar | הַטְּהֹרָ֔ה (hatehora) = de zuivere | יַעֲרֹ֖ךְ (yaarokh) = zal verzorgen | אֶת (et) = (obj.) | הַנֵּר֑וֹת (hanerot) = de lampen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:8; Ex 37:17–24; Ex 39:37; Num 4:9; Openb 11:4 ### Het brood op de tafel **24:5** **Neem fijn meel en bak daarvan twaalf koeken. Elke koek moet twee tiende efa zijn.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֣ (velaqachta) = en neem | סֹ֔לֶת (solet) = fijn meel | וְאָפִיתָ֣ (veafita) = en bak | אֹתָ֔הּ (otah) = het | שְׁתֵּ֥ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | חַלּ֑וֹת (chalot) = koeken | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee van | עֶשְׂרֹנִ֔ים (esronim) = tiende delen | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | הַֽחַלָּ֥ה (hachala) = de koek | הָאֶחָֽת (haechat) = de ene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִשָּׂרוֹן (issaron), ‘tiende deel’: twee tiende efa is ongeveer 4,4 liter meel per koek (een efa is ongeveer 22 liter). Er zijn twaalf koeken, zes in elke rij: het getal past bij de twaalf stammen van Israël. Voetnoot : In dit hoofdstuk heet het gewoon ‘brood’. In Exod. 25:30 heet het ‘toonbrood’, het brood van het aangezicht. Zie ook: Ex 25:30; Ex 40:23; 1 Sam 21:5–6; 1 Kon 18:31; Hand 26:7 **24:6** **Leg ze in twee rijen, zes in elke rij, op de zuivere tafel voor het aangezicht van Yahweh.** Brontekst: וְשַׂמְתָּ֥ (vesamta) = en leg | אוֹתָ֛ם (otam) = ze | שְׁתַּ֥יִם (shetayim) = twee | מַֽעֲרָכ֖וֹת (maarakhot) = rijen | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | הַֽמַּעֲרָ֑כֶת (hamaarakhet) = de rij | עַ֛ל (al) = op | הַשֻּׁלְחָ֥ן (hashulchan) = de tafel | הַטָּהֹ֖ר (hatahor) = de zuivere | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:23–24; Ex 37:10–16; 1 Kon 7:48; 2 Kron 13:11; Heb 9:2 **24:7** **Doe op elke rij zuivere wierook. Die moet voor het brood een gedenkdeel zijn, een vuuroffer voor Yahweh.** Brontekst: וְנָתַתָּ֥ (venatata) = en doe | עַל (al) = op | הַֽמַּעֲרֶ֖כֶת (hamaarekhet) = de rij | לְבֹנָ֣ה (levona) = wierook | זַכָּ֑ה (zaka) = zuivere | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zij zal zijn | לַלֶּ֨חֶם֙ (lalechem) = voor het brood | לְאַזְכָּרָ֔ה (leazkara) = tot gedenkdeel | אִשֶּׁ֖ה (ishe) = vuuroffer | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבֹנָה (levonah), ‘wierook’. אַזְכָּרָה (azkarah), ‘gedenkdeel’: het deel dat Yahweh aan het offer herinnert, zoals bij het graanoffer in Lev. 2:2. Zie ook: Ex 13:9; Lev 2:2; Hand 10:31; Ef 1:6; Openb 8:3–4 **24:8** **Elke sabbatdag moet hij het voortdurend klaarleggen voor het aangezicht van Yahweh, namens de zonen van Israël. Het is een eeuwig verbond.** Brontekst: בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֜ת (hashabat) = de sabbat | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֗ת (hashabat) = de sabbat | יַֽעַרְכֶ֛נּוּ (yaarkhenu) = zal het klaarleggen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תָּמִ֑יד (tamid) = voortdurend | מֵאֵ֥ת (meet) = namens | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּרִ֥ית (berit) = een verbond van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרַךְ (arach) betekent ‘in orde leggen’. Bij het brood vertalen wij ‘klaarleggen’, omdat het om rijen op een tafel gaat. Voetnoot : מֵאֵת (me’et), ‘namens’: letterlijk ‘van de kant van’. De priester legt het brood neer namens de zonen van Israël. Zie ook: Num 4:7; 1 Kron 9:32; 1 Kron 23:29; 2 Kron 2:3; Neh 10:34 **24:9** **Het is voor Aäron en zijn zonen. Zij moeten het eten op een heilige plaats. Want voor hem is het hoogheilig, afkomstig van de vuuroffers van Yahweh. Het is een eeuwig voorschrift.”** Brontekst: וְהָֽיְתָה֙ (vehayeta) = en zij zal zijn | לְאַהֲרֹ֣ן (leaharon) = voor Aäron | וּלְבָנָ֔יו (ulevanav) = en voor zijn zonen | וַאֲכָלֻ֖הוּ (vaakhaluhu) = en zij zullen het eten | בְּמָק֣וֹם (bemaqom) = op een plaats | קָדֹ֑שׁ (qadosh) = heilige | כִּ֡י (ki) = want | קֹדֶשׁ֩ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִׁ֨ים (qadashim) = van de heilige dingen | ה֥וּא (hu) = zij | ל֛וֹ (lo) = voor hem | מֵאִשֵּׁ֥י (meishei) = afkomstig van de vuuroffers van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | חָק (chaq) = een voorschrift van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het brood is voor Aäron en zijn zonen. Zij eten het op een heilige plaats, net als wat van het graanoffer overblijft (Lev. 2:3). Zie ook: Lev 2:3; Lev 8:31; Lev 10:17; Mat 12:4; Mar 2:26; Luc 6:4 ### De man die de Naam vervloekte **24:10** Te midden van de zonen van Israël ging de zoon van een Israëlitische vrouw naar buiten. Hij was ook de zoon van een Egyptische man. In het kamp vochten de zoon van de Israëlitische vrouw en een Israëlitische man. Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en ging uit | בֶּן (ben) = zoon van | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | יִשְׂרְאֵלִ֔ית (yisreelit) = Israëlitische | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | בֶּן (ben) = zoon van | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מִצְרִ֔י (mitsri) = Egyptische | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּנָּצוּ֙ (vayinatsu) = en zij vochten | בַּֽמַּחֲנֶ֔ה (bamachane) = in het kamp | בֶּ֚ן (ben) = de zoon van | הַיִּשְׂרְאֵלִ֔ית (hayisreelit) = de Israëlitische | וְאִ֖ישׁ (veish) = en een man | הַיִּשְׂרְאֵלִֽי (hayisreeli) = de Israëliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zijn vader is een Egyptenaar, zijn moeder Israëlitisch. Bij de uittocht ging ‘een grote gemengde schare’ met Israël mee (Exod. 12:38). Zie ook: Ex 12:38; Num 11:4 **24:11** De zoon van de Israëlitische vrouw sprak de Naam uit en vervloekte. Zij brachten hem bij Mozes. De naam van zijn moeder was Selomit, dochter van Dibri, van de stam Dan. Brontekst: וַ֠יִּקֹּב (vayiqov) = en sprak uit | בֶּן (ben) = zoon van | הָֽאִשָּׁ֨ה (haisha) = de vrouw | הַיִּשְׂרְאֵלִ֤ית (hayisreelit) = de Israëlitische | אֶת (et) = (obj.) | הַשֵּׁם֙ (hashem) = de Naam | וַיְקַלֵּ֔ל (vayqalel) = en vervloekte | וַיָּבִ֥יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | אִמּ֛וֹ (imo) = zijn moeder | שְׁלֹמִ֥ית (shelomit) = Selomit | בַּת (bat) = dochter van | דִּבְרִ֖י (divri) = Dibri | לְמַטֵּה (lemate) = van de stam | דָֽן (dan) = Dan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָקַב (naqav), ‘doorboren, bepalen, uitspreken’. Het woord staat hier samen met וַיְקַלֵּל (vayqallel), ‘en hij vervloekte’. Wij vertalen ‘sprak uit’ en laten de lastering blijken uit ‘vervloekte’. Wat hij precies zei, staat er niet. Voetnoot : שְׁלֹמִית (Shelomit) is de moeder; haar vader Dibri is uit de stam Dan. De man zelf heeft in de tekst geen naam. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier ‘de Naam’ (הַשֵּׁם, hashem). In vers 16 staat ‘de naam van Yahweh’. Zie ook: Ex 3:15; Ex 18:22; Ex 20:7; Lev 24:16; Jes 8:21; Mat 26:65 **24:12** Zij zetten hem in bewaring, tot het hun door de mond van Yahweh duidelijk zou worden gemaakt. Brontekst: וַיַּנִּיחֻ֖הוּ (vayanichuhu) = en zij zetten hem neer | בַּמִּשְׁמָ֑ר (bamishmar) = in bewaring | לִפְרֹ֥שׁ (lifrosh) = om duidelijk te maken | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | עַל (al) = op | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier een onbepaalde vorm, לִפְרֹשׁ (lifrosh), ‘om duidelijk te maken’, zonder onderwerp. Wij vertalen ‘tot het hun duidelijk zou worden gemaakt’. Een vergelijkbaar geval staat in Num. 15:34, bij de man die op sabbat hout sprokkelde. Zie ook: Ex 18:15–16; Ex 18:23; Num 15:34; Num 27:5; Num 36:5–6 **24:13** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:14** **„Breng de vervloeker naar buiten, buiten het kamp. Allen die het gehoord hebben, moeten hun handen op zijn hoofd leggen. Dan moet heel de gemeenschap hem stenigen.** Brontekst: הוֹצֵ֣א (hotse) = breng uit | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמְקַלֵּ֗ל (hamqalel) = de vervloeker | אֶל (el) = naar | מִחוּץ֙ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֔ה (lamachane) = het kamp | וְסָמְכ֧וּ (vesamekhu) = en zij zullen leggen | כָֽל (kal) = alle | הַשֹּׁמְעִ֛ים (hashomeim) = die gehoord hebben | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | עַל (al) = op | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וְרָגְמ֥וּ (veragemu) = en zij zullen stenigen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De getuigen leggen hun handen op zijn hoofd. Het handen leggen komt ook voor bij offers (Lev. 1:4). De steniging gebeurt buiten het kamp, zoals in vers 23. Zie ook: Lev 1:4; Lev 20:2; Lev 20:27; Lev 24:23; Deut 17:7; Deut 21:21; Joh 10:31–33 **24:15** **Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Ieder die zijn Elohim vervloekt, moet zijn zonde dragen.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | תְּדַבֵּ֣ר (tedaber) = je zult spreken | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אִ֥ישׁ (ish) = man | אִ֛ישׁ (ish) = man | כִּֽי (ki) = wanneer | יְקַלֵּ֥ל (yeqalel) = hij vervloekt | אֱלֹהָ֖יו (elohav) = zijn Elohim | וְנָשָׂ֥א (venasa) = en hij zal dragen | חֶטְאֽוֹ (cheto) = zijn zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא חֵטְא (nasa chet), ‘zijn zonde dragen’: de gevolgen van de zonde dragen. Het Hebreeuws heeft hier ‘zijn Elohim’ (אֱלֹהָיו, elohav). Vergelijk Exod. 22:27, waar staat dat Elohim niet vervloekt mag worden. Zie ook: Ex 22:27; Lev 5:1; Lev 20:16–17; Num 9:13 **24:16** **Wie de naam van Yahweh uitspreekt, moet zeker gedood worden. Heel de gemeenschap moet hem zeker stenigen. Of het een vreemdeling is of een inheemse: als hij de Naam uitspreekt, moet hij gedood worden.** Brontekst: וְנֹקֵ֤ב (venoqev) = en wie uitspreekt | שֵׁם (shem) = de naam van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מ֣וֹת (mot) = doden | יוּמָ֔ת (yumat) = zal gedood worden | רָג֥וֹם (ragom) = stenigen | יִרְגְּמוּ (yirgemu) = zij zullen stenigen | ב֖וֹ (bo) = hem | כָּל (kal) = heel | הָעֵדָ֑ה (haeda) = de gemeenschap | כַּגֵּר֙ (kager) = als de vreemdeling | כָּֽאֶזְרָ֔ח (kaezrach) = als de inheemse | בְּנָקְבוֹ (benaqevo) = bij zijn uitspreken van | שֵׁ֖ם (shem) = de Naam | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּר (ger), ‘vreemdeling’, en אֶזְרָח (ezrach), ‘inheemse’: het recht geldt voor beiden gelijk, zoals ook in vers 22. Zie ook Exod. 12:49. Voetnoot Lezing: נָקַב (naqav) is hier ‘uitspreken’, zoals in vers 11. De Septuaginta heeft ‘noemen’ (ὀνομάζων). De samenhang met vers 15 (‘vervloeken’) laat zien dat het om lasteren gaat; wij zetten dat woord niet in de tekst. Zie ook: Ex 12:49; Lev 24:11; Lev 24:15; Lev 24:22; Mat 12:31; Mar 3:28–29; Joh 10:33–36; Jak 2:7; 1 Tim 1:13 ### Recht bij doodslag en letsel **24:17** **Als iemand een mens doodslaat, wie dan ook, moet hij zeker gedood worden.** Brontekst: וְאִ֕ישׁ (veish) = en een man | כִּ֥י (ki) = wanneer | יַכֶּ֖ה (yake) = hij slaat | כָּל (kal) = elk | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = leven van | אָדָ֑ם (adam) = mens | מ֖וֹת (mot) = doden | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘leven, levend wezen’. Bij een mens vertalen wij ‘een mens doodslaan’, bij een dier ‘een dier doodslaan’. Op het doodslaan van een mens staat de doodstraf. Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden (vers 18 en 21). Zie ook: Gen 9:5–6; Ex 21:12–14; Lev 24:18; Lev 24:21; Num 35:30–31; Deut 19:11–12; Deut 27:24 **24:18** **Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden: leven voor leven.** Brontekst: וּמַכֵּ֥ה (umake) = en wie slaat | נֶֽפֶשׁ (nefesh) = leven van | בְּהֵמָ֖ה (behema) = een dier | יְשַׁלְּמֶ֑נָּה (yeshalemena) = hij zal het vergoeden | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = leven | תַּ֥חַת (tachat) = voor | נָֽפֶשׁ (nafesh) = leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:34–36; Lev 24:21 **24:19** **Als iemand zijn volksgenoot een gebrek toebrengt, moet hem worden gedaan wat hij gedaan heeft.** Brontekst: וְאִ֕ישׁ (veish) = en een man | כִּֽי (ki) = wanneer | יִתֵּ֥ן (yiten) = hij toebrengt | מ֖וּם (mum) = gebrek | בַּעֲמִית֑וֹ (baamito) = aan zijn volksgenoot | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֔ה (asa) = hij deed | כֵּ֖ן (ken) = zo | יֵעָ֥שֶׂה (yease) = zal gedaan worden | לּֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 19:21; Mat 5:38; Mat 7:2 **24:20** **Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand. Zoals hij een mens een gebrek toebrengt, zo moet het hem worden toegebracht.** Brontekst: שֶׁ֚בֶר (shever) = breuk | תַּ֣חַת (tachat) = voor | שֶׁ֔בֶר (shever) = breuk | עַ֚יִן (ayin) = oog | תַּ֣חַת (tachat) = voor | עַ֔יִן (ayin) = oog | שֵׁ֖ן (shen) = tand | תַּ֣חַת (tachat) = voor | שֵׁ֑ן (shen) = tand | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יִתֵּ֥ן (yiten) = hij toebrengt | מוּם֙ (mum) = gebrek | בָּֽאָדָ֔ם (baadam) = aan een mens | כֵּ֖ן (ken) = zo | יִנָּ֥תֶן (yinaten) = zal toegebracht worden | בּֽוֹ (bo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand’ staat ook in Exod. 21:23–25 en Deut. 19:21. De regel begrenst de vergelding: wat iemand heeft aangedaan, mag hem worden aangedaan, niet meer. Zie ook: Ex 21:23–25; Deut 19:21; Mat 5:38 **24:21** **Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden. Wie een mens doodslaat, moet gedood worden.** Brontekst: וּמַכֵּ֥ה (umake) = en wie slaat | בְהֵמָ֖ה (behema) = een dier | יְשַׁלְּמֶ֑נָּה (yeshalemena) = hij zal het vergoeden | וּמַכֵּ֥ה (umake) = en wie slaat | אָדָ֖ם (adam) = een mens | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:33; Lev 24:17–18 **24:22** **Eén recht moet voor jullie gelden, voor de vreemdeling net als voor de inheemse. Want Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”** Brontekst: מִשְׁפַּ֤ט (mishpat) = recht | אֶחָד֙ (echad) = één | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | כַּגֵּ֥ר (kager) = als de vreemdeling | כָּאֶזְרָ֖ח (kaezrach) = als de inheemse | יִהְיֶ֑ה (yihye) = zal zijn | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Eén recht voor de vreemdeling en voor de inheemse: vergelijk Exod. 12:49 en Num. 15:15–16. Zie ook: Ex 12:49; Lev 19:34; Num 9:14; Num 15:15–16; Num 15:29 ### De uitvoering van het vonnis **24:23** Mozes sprak tot de zonen van Israël. Zij brachten de vervloeker naar buiten, buiten het kamp, en stenigden hem met stenen. De zonen van Israël deden wat Yahweh Mozes geboden had. Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | מֹשֶׁה֮ (moshe) = Mozes | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וַיּוֹצִ֣יאוּ (vayotsiu) = en zij brachten uit | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמְקַלֵּ֗ל (hamqalel) = de vervloeker | אֶל (el) = naar | מִחוּץ֙ (michuts) = buiten | לַֽמַּחֲנֶ֔ה (lamachane) = het kamp | וַיִּרְגְּמ֥וּ (vayirgemu) = en zij stenigden | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אָ֑בֶן (aven) = steen | וּבְנֵֽי (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | עָשׂ֔וּ (asu) = deden | כַּֽאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = geboden had | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een soortgelijk vonnis staat in Num. 15:32–36, bij de man die op sabbat hout sprokkelde. Ook hij werd buiten het kamp gestenigd. Zie ook: Lev 24:14–16; Num 15:32–36; Num 15:35–36; Heb 2:2–3; Heb 10:28–29 ## Leviticus 25 _Het sabbatsjaar en het jubeljaar_ ### De sabbat van het land **25:1** Yahweh sprak tot Mozes op de berg Sinaï: Brontekst: וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | סִינַ֖י (sinay) = Sinaï | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Sinaï wordt traditioneel gezocht bij Jebel Musa, in het zuiden van het Sinaïschiereiland (Egypte). De ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: De wetten van dit boek zijn op de Sinaï gegeven; zie ook Lev. 26:46 en 27:34. Zie ook: Ex 19:1; Lev 26:46; Lev 27:34; Num 1:1; Num 10:11–12; Gal 4:24–25 **25:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Wanneer jullie in het land komen dat Ik jullie geef. Dan moet het land rusten: een sabbat voor Yahweh.** Brontekst: דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | כִּ֤י (ki) = wanneer | תָבֹ֨אוּ֙ (tavou) = jullie komen | אֶל (el) = in | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | נֹתֵ֣ן (noten) = geef | לָכֶ֑ם (lakhem) = aan jullie | וְשָׁבְתָ֣ה (veshaveta) = en zal rusten | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | שַׁבָּ֖ת (shabat) = sabbat | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’, ‘rust’: het land houdt sabbat, net zoals het volk elke zevende dag. Dit staat ook in Exod. 23:10–11. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 50:2–3 bevestigt de sabbatten van het land en de jubeljaren. Zie ook: Jub 50:2–3; Ex 23:10; Lev 26:34–35; Deut 32:8; 2 Kron 36:21; Jes 8:8 **25:3** **Zes jaar mag je je akker bezaaien en zes jaar je wijngaard snoeien en de opbrengst ervan binnenhalen.** Brontekst: שֵׁ֤שׁ (shesh) = zes | שָׁנִים֙ (shanim) = jaren | תִּזְרַ֣ע (tizra) = je zult zaaien | שָׂדֶ֔ךָ (sadekha) = je akker | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | תִּזְמֹ֣ר (tizmor) = je zult snoeien | כַּרְמֶ֑ךָ (karmekha) = je wijngaard | וְאָסַפְתָּ֖ (veasafta) = en je zult binnenhalen | אֶת (et) = (obj.) | תְּבוּאָתָֽהּ (tevuatah) = haar opbrengst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:10 **25:4** **Maar het zevende jaar moet voor het land een sabbat van volledige rust zijn, een sabbat voor Yahweh. Je akker mag je niet bezaaien en je wijngaard niet snoeien.** Brontekst: וּבַשָּׁנָ֣ה (uvashana) = en in het jaar | הַשְּׁבִיעִ֗ת (hasheviit) = het zevende | שַׁבַּ֤ת (shabat) = sabbat van | שַׁבָּתוֹן֙ (shabaton) = volledige rust | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָאָ֔רֶץ (laarets) = voor het land | שַׁבָּ֖ת (shabat) = sabbat | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | שָֽׂדְךָ֙ (sadekha) = je akker | לֹ֣א (lo) = niet | תִזְרָ֔ע (tizra) = je zult zaaien | וְכַרְמְךָ֖ (vekharmekha) = en je wijngaard | לֹ֥א (lo) = niet | תִזְמֹֽר (tizmor) = je zult snoeien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁבַּת שַׁבָּתוֹן (shabbat shabbaton), ‘sabbat van volledige rust’: dezelfde woorden als bij de sabbatdag in Exod. 31:15. Het land rust volledig. Zie ook: Ex 23:10–11; Ex 31:15; Lev 25:20–23; Lev 26:34–35; Lev 26:43; 2 Kron 36:21 **25:5** **Wat na je oogst vanzelf opkomt, mag je niet maaien, en de druiven van je ongesnoeide wijnstok mag je niet plukken. Het moet een jaar van volledige rust zijn voor het land.** Brontekst: אֵ֣ת (et) = (obj.) | סְפִ֤יחַ (sefiach) = wat vanzelf groeit van | קְצִֽירְךָ֙ (qetsirekha) = je oogst | לֹ֣א (lo) = niet | תִקְצ֔וֹר (tiqtsor) = je zult maaien | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עִנְּבֵ֥י (inevei) = druiven van | נְזִירֶ֖ךָ (nezirekha) = je ongesnoeide wijnstok | לֹ֣א (lo) = niet | תִבְצֹ֑ר (tivtsor) = je zult plukken | שְׁנַ֥ת (shenat) = jaar van | שַׁבָּת֖וֹן (shabaton) = volledige rust | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָאָֽרֶץ (laarets) = voor het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָפִיחַ (safiach), ‘wat vanzelf groeit’: het graan dat na de oogst zelf opkomt. Voetnoot : נָזִיר (nazir), ‘ongesnoeide wijnstok’: letterlijk ‘afgezonderde’. In het sabbatsjaar blijft de wijnstok onaangeroerd. Zie ook: 2 Kon 19:29; Jes 37:30 **25:6** **Wat het land tijdens zijn sabbat voortbrengt, is voor jullie om te eten. Voor jou, je dienaar en je dienares, je loonarbeider en je bijwoner, die als vreemdeling bij je verblijven.** Brontekst: וְ֠הָיְתָה (vehayeta) = en zal zijn | שַׁבַּ֨ת (shabat) = sabbat van | הָאָ֤רֶץ (haarets) = het land | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לְאָכְלָ֔ה (leakhela) = tot voedsel | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | וּלְעַבְדְּךָ֣ (uleavdekha) = en voor je dienaar | וְלַאֲמָתֶ֑ךָ (velaamatekha) = en voor je dienares | וְלִשְׂכִֽירְךָ֙ (veliskhirekha) = en voor je loonarbeider | וּלְתוֹשָׁ֣בְךָ֔ (uletoshavekha) = en voor je bijwoner | הַגָּרִ֖ים (hagarim) = die als vreemdeling verblijven | עִמָּֽךְ (imakh) = bij jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁבַּת הָאָרֶץ (shabbat ha’arets), letterlijk ‘de sabbat van het land’: wij vertalen wat het land in zijn rustjaar voortbrengt. Dat is voor iedereen: ook voor de dienaar, de dienares, de loonarbeider en de bijwoner (vergelijk Exod. 12:45). Zie ook: Ex 12:45; Ex 23:11; Lev 25:20; Hand 2:44; Hand 4:32; Hand 4:34–35 **25:7** **En voor je vee en voor de wilde dieren in je land moet heel de opbrengst ervan tot voedsel zijn.** Brontekst: וְלִ֨בְהֶמְתְּךָ֔ (velivhemtekha) = en voor je vee | וְלַֽחַיָּ֖ה (velachaya) = en voor de wilde dieren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּאַרְצֶ֑ךָ (beartsekha) = in je land | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | כָל (kal) = heel | תְּבוּאָתָ֖הּ (tevuatah) = haar opbrengst | לֶאֱכֹֽל (leekhol) = om te eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het jubeljaar: vrijheid uitroepen **25:8** **Tel voor jezelf zeven sabbatten van jaren, zeven jaar, zeven keer. De tijd van de zeven sabbatten van jaren is voor jou 49 jaar.** Brontekst: וְסָפַרְתָּ֣ (vesafarta) = en je zult tellen | לְךָ֗ (lekha) = voor jezelf | שֶׁ֚בַע (sheva) = zeven | שַׁבְּתֹ֣ת (shabetot) = sabbatten van | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֑ים (peamim) = keer | וְהָי֣וּ (vehayu) = en zullen zijn | לְךָ֗ (lekha) = voor jou | יְמֵי֙ (yemei) = dagen van | שֶׁ֚בַע (sheva) = zeven | שַׁבְּתֹ֣ת (shabetot) = sabbatten van | הַשָּׁנִ֔ים (hashanim) = de jaren | תֵּ֥שַׁע (tesha) = negen | וְאַרְבָּעִ֖ים (vearbaim) = en veertig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zeven maal zeven jaar is 49 jaar. Het vijftigste jaar volgt daarop (vers 10). Voetnoot : שַׁבְּתֹת שָׁנִים (shabbetot shanim), ‘sabbatten van jaren’: elke zeven jaar is er een sabbatsjaar. Zie ook: Gen 2:2; Lev 23:15; Lev 25:10 **25:9** **In de zevende maand, op de tiende van de maand, moet je de ramshoorn met luid geschal laten klinken. Op de Verzoendag moeten jullie de ramshoorn laten klinken in heel jullie land.** Brontekst: וְהַֽעֲבַרְתָּ֞ (vehaavarta) = en je zult laten klinken | שׁוֹפַ֤ר (shofar) = ramshoorn van | תְּרוּעָה֙ (terua) = geschal | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁבִעִ֔י (hashevii) = de zevende | בֶּעָשׂ֖וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag van | הַכִּפֻּרִ֔ים (hakipurim) = de verzoeningen | תַּעֲבִ֥ירוּ (taaviru) = jullie zullen laten klinken | שׁוֹפָ֖ר (shofar) = ramshoorn | בְּכָל (bekhal) = in heel | אַרְצְכֶֽם (artsekhem) = jullie land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’. De zevende maand is ongeveer september–oktober. Op de tiende dag is de Verzoendag (Lev. 16:29–34). Voetnoot : יוֹם הַכִּפֻּרִים (yom hakkippurim), ‘Verzoendag’: letterlijk ‘dag van de verzoeningen’. Zie ook: Lev 16:29–34; Lev 16:30; Lev 23:24; Lev 23:27; Lev 27:17; Lev 27:24 **25:10** **Jullie moeten het vijftigste jaar heiligen en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn bewoners. Het moet een jubeljaar voor jullie zijn. Ieder van jullie keert terug naar zijn bezit en ieder naar zijn familie.** Brontekst: וְקִדַּשְׁתֶּ֗ם (veqidashtem) = en jullie zullen heiligen | אֵ֣ת (et) = (obj.) | שְׁנַ֤ת (shenat) = jaar van | הַחֲמִשִּׁים֙ (hachamishim) = de vijftig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּקְרָאתֶ֥ם (uqeratem) = en jullie zullen uitroepen | דְּר֛וֹר (deror) = vrijheid | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = in het land | לְכָל (lekhal) = voor alle | יֹשְׁבֶ֑יהָ (yosheveiha) = haar bewoners | יוֹבֵ֥ל (yovel) = jubeljaar | הִוא֙ (hi) = het | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | וְשַׁבְתֶּ֗ם (veshavtem) = en jullie zullen terugkeren | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = naar | אֲחֻזָּת֔וֹ (achuzato) = zijn bezit | וְאִ֥ישׁ (veish) = en ieder | אֶל (el) = naar | מִשְׁפַּחְתּ֖וֹ (mishpachto) = zijn familie | תָּשֻֽׁבוּ (tashuvu) = jullie zullen terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּרוֹר (deror), ‘vrijheid’: de vrijlating van wie vastzit, in dit hoofdstuk van de verkochte broer en het verkochte land. ‘Vrijheid uitroepen’ (וּקְרָאתֶם דְּרוֹר, uqratem deror) is een kernuitdrukking. Zie ook Jer. 34:8, 15 en 17, en Jes. 61:1, waar de uitroep terugkomt. Yeshua leest Jes. 61:1–2 voor in Lukas 4:18–19. Voetnoot : יוֹבֵל (yovel), ‘jubeljaar’: het woord betekent ‘ram’ en ‘ramshoorn’. Het jaar is genoemd naar de hoorn waarmee het wordt aangekondigd (vers 9). Voetnoot : אֲחֻזָּה (achuzzah), ‘bezit’: het stuk land dat een familie in bezit heeft gekregen. In het jubeljaar komt het bij de familie terug. Voetnoot Lezing: Wij nemen het vijftigste jaar als het jaar ná de 49 jaar van vers 8. Of het jubeljaar samenvalt met het 49e jaar, zegt de tekst niet. Zie ook: Lev 25:8; Lev 25:9; Lev 25:13; Jes 61:1–3; Jes 63:4; Jer 34:8; Luc 4:18–19; 1 Petr 2:16 **25:11** **Dat vijftigste jaar is voor jullie een jubeljaar. Jullie mogen niet zaaien, wat vanzelf opkomt niet maaien en de ongesnoeide wijnstokken niet plukken.** Brontekst: יוֹבֵ֣ל (yovel) = jubeljaar | הִ֗וא (hi) = het | שְׁנַ֛ת (shenat) = jaar van | הַחֲמִשִּׁ֥ים (hachamishim) = de vijftig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | לֹ֣א (lo) = niet | תִזְרָ֔עוּ (tizrau) = jullie zullen zaaien | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תִקְצְרוּ֙ (tiqtseru) = jullie zullen maaien | אֶת (et) = (obj.) | סְפִיחֶ֔יהָ (seficheiha) = wat vanzelf groeit ervan | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִבְצְר֖וּ (tivtseru) = jullie zullen plukken | אֶת (et) = (obj.) | נְזִרֶֽיהָ (nezireiha) = haar ongesnoeide wijnstokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het jubeljaar is ook een rustjaar: niet zaaien, niet maaien, niet plukken, zoals in het sabbatsjaar (vers 4–5). Het Hebreeuws heeft hier ‘haar ongesnoeide wijnstokken’ (נְזִרֶיהָ, nezireha); in vers 5 staan de druiven ervan erbij. Zie ook: Lev 25:4–5; Lev 25:5; Lev 27:17 **25:12** **Want het is een jubeljaar; het moet heilig voor jullie zijn. Van het veld mogen jullie de opbrengst eten.** Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | יוֹבֵ֣ל (yovel) = jubeljaar | הִ֔וא (hi) = het | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | מִן (min) = van | הַ֨שָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | תֹּאכְל֖וּ (tokhlu) = jullie zullen eten | אֶת (et) = (obj.) | תְּבוּאָתָֽהּ (tevuatah) = haar opbrengst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:6–7 **25:13** **In dit jubeljaar moet ieder van jullie terugkeren naar zijn bezit.** Brontekst: בִּשְׁנַ֥ת (bishnat) = in het jaar van | הַיּוֹבֵ֖ל (hayovel) = het jubeljaar | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | תָּשֻׁ֕בוּ (tashuvu) = jullie zullen terugkeren | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = naar | אֲחֻזָּתֽוֹ (achuzato) = zijn bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:10; Lev 27:17–24; Num 36:4 ### Eerlijk kopen en verkopen **25:14** **Wanneer jullie iets aan je volksgenoot verkopen of van je volksgenoot kopen, mogen jullie elkaar niet benadelen.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | תִמְכְּר֤וּ (timkeru) = jullie verkopen | מִמְכָּר֙ (mimkar) = een verkoop | לַעֲמִיתֶ֔ךָ (laamitekha) = aan je volksgenoot | א֥וֹ (o) = of | קָנֹ֖ה (qano) = kopen | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | עֲמִיתֶ֑ךָ (amitekha) = je volksgenoot | אַל (al) = niet | תּוֹנ֖וּ (tonu) = jullie zullen benadelen | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָנָה (yanah), ‘benadelen’: iemand onrecht aandoen, hier in de handel. In Exod. 22:20 staat hetzelfde woord, daar vertaald als ‘slecht behandelen’. Zie ook: Ex 22:20; Lev 19:13; Lev 25:17; Jes 58:6; Mi 6:10–12; Ezech 22:12–13 **25:15** **Je moet van je volksgenoot kopen naar het aantal jaren na het jubeljaar. Hij moet aan jou verkopen naar het aantal oogstjaren.** Brontekst: בְּמִסְפַּ֤ר (bemispar) = naar het aantal van | שָׁנִים֙ (shanim) = jaren | אַחַ֣ר (achar) = na | הַיּוֹבֵ֔ל (hayovel) = het jubeljaar | תִּקְנֶ֖ה (tiqne) = je zult kopen | מֵאֵ֣ת (meet) = van | עֲמִיתֶ֑ךָ (amitekha) = je volksgenoot | בְּמִסְפַּ֥ר (bemispar) = naar het aantal van | שְׁנֵֽי (shenei) = jaren van | תְבוּאֹ֖ת (tevuot) = oogsten | יִמְכָּר (yimkar) = hij zal verkopen | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Land wordt in dit hoofdstuk niet voor altijd verkocht, maar voor een aantal oogsten (vers 16). De prijs hangt af van het aantal jaren tot het jubeljaar. Zie ook: Lev 25:16; Lev 27:18–23; Fil 4:5 **25:16** **Zijn er veel jaren, dan moet je de koopprijs verhogen. Zijn er weinig jaren, dan moet je de koopprijs verlagen. Want hij verkoopt je een aantal oogsten.** Brontekst: לְפִ֣י (lefi) = naar | רֹ֣ב (rov) = de menigte van | הַשָּׁנִ֗ים (hashanim) = de jaren | תַּרְבֶּה֙ (tarbe) = je zult vermeerderen | מִקְנָת֔וֹ (miqnato) = zijn koopprijs | וּלְפִי֙ (ulefi) = en naar | מְעֹ֣ט (meot) = het weinige van | הַשָּׁנִ֔ים (hashanim) = de jaren | תַּמְעִ֖יט (tamit) = je zult verminderen | מִקְנָת֑וֹ (miqnato) = zijn koopprijs | כִּ֚י (ki) = want | מִסְפַּ֣ר (mispar) = aantal van | תְּבוּאֹ֔ת (tevuot) = oogsten | ה֥וּא (hu) = hij | מֹכֵ֖ר (mokher) = verkoopt | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:27; Lev 25:51 **25:17** **Jullie mogen elkaar niet benadelen. Vrees je Elohim, want Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | תוֹנוּ֙ (tonu) = jullie zullen benadelen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | עֲמִית֔וֹ (amito) = zijn volksgenoot | וְיָרֵ֖אתָ (veyareta) = en je zult vrezen | מֵֽאֱלֹהֶ֑יךָ (meeloheikha) = je Elohim | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהֹוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:18; Ex 20:20; Lev 19:14; Lev 19:32; Lev 25:43 ### Veilig wonen en de zegen van het zesde jaar **25:18** **Jullie moeten Mijn voorschriften doen en Mijn rechtsregels houden, en ze doen. Dan zullen jullie veilig in het land wonen.** Brontekst: וַעֲשִׂיתֶם֙ (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֶת (et) = (obj.) | חֻקֹּתַ֔י (chuqotay) = Mijn voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפָּטַ֥י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | תִּשְׁמְר֖וּ (tishmeru) = jullie zullen houden | וַעֲשִׂיתֶ֣ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | וִֽישַׁבְתֶּ֥ם (vishavtem) = en jullie zullen wonen | עַל (al) = op | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לָבֶֽטַח (lavetach) = in veiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:3–12; Deut 12:10; Ps 4:9; Spr 1:33; Jer 23:6 **25:19** **Het land zal zijn vrucht geven. Jullie zullen eten tot jullie verzadigd zijn en er veilig wonen.** Brontekst: וְנָתְנָ֤ה (venatena) = en zal geven | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | פִּרְיָ֔הּ (piryah) = haar vrucht | וַאֲכַלְתֶּ֖ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | לָשֹׂ֑בַע (lasova) = tot verzadiging | וִֽישַׁבְתֶּ֥ם (vishavtem) = en jullie zullen wonen | לָבֶ֖טַח (lavetach) = in veiligheid | עָלֶֽיהָ (aleiha) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:5; Ps 85:13; Joël 2:26; Jes 30:23; Jes 65:21–22 **25:20** **Als jullie zeggen: ‘Wat moeten wij in het zevende jaar eten? Wij zaaien immers niet en wij halen onze opbrengst niet binnen!’** Brontekst: וְכִ֣י (vekhi) = en wanneer | תֹאמְר֔וּ (tomru) = jullie zeggen | מַה (ma) = wat | נֹּאכַ֤֖ל (nokhal) = zullen wij eten | בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַשְּׁבִיעִ֑ת (hasheviit) = het zevende | הֵ֚ן (hen) = zie | לֹ֣א (lo) = niet | נִזְרָ֔ע (nizra) = wij zullen zaaien | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נֶאֱסֹ֖ף (neesof) = wij zullen binnenhalen | אֶת (et) = (obj.) | תְּבוּאָתֵֽנוּ (tevuatenu) = onze opbrengst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier הֵן (hen), ‘zie’. Wij vertalen ‘immers’. Zie ook: Lev 25:4; Num 11:4; Num 11:13; 2 Kron 25:9; Luc 12:29 **25:21** **Dan zal Ik Mijn zegen over jullie gebieden in het zesde jaar. Die brengt de opbrengst voort voor de drie jaren.** Brontekst: וְצִוִּ֤יתִי (vetsiviti) = en Ik zal gebieden | אֶת (et) = (obj.) | בִּרְכָתִי֙ (birkhati) = Mijn zegen | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | בַּשָּׁנָ֖ה (bashana) = in het jaar | הַשִּׁשִּׁ֑ית (hashishit) = het zesde | וְעָשָׂת֙ (veasat) = en zij zal voortbrengen | אֶת (et) = (obj.) | הַתְּבוּאָ֔ה (hatevua) = de opbrengst | לִשְׁלֹ֖שׁ (lishlosh) = voor drie | הַשָּׁנִֽים (hashanim) = de jaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Drie jaar’: het zesde, het zevende en het achtste jaar. Het zesde jaar moet dus genoeg opleveren voor het rustjaar en voor het jaar daarna. Vers 22 zegt dat zij tot de oogst van het negende jaar van de oude opbrengst eten. Zie ook: Lev 25:22; Deut 28:3; Deut 28:8; Ps 133:3; Spr 10:22; 2 Kor 9:10 **25:22** **In het achtste jaar zaaien jullie en eten jullie van de oude opbrengst. Tot het negende jaar, tot haar opbrengst binnenkomt, eten jullie van de oude.** Brontekst: וּזְרַעְתֶּ֗ם (uzeratem) = en jullie zullen zaaien | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הַשָּׁנָ֣ה (hashana) = het jaar | הַשְּׁמִינִ֔ת (hasheminit) = het achtste | וַאֲכַלְתֶּ֖ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | מִן (min) = van | הַתְּבוּאָ֣ה (hatevua) = de opbrengst | יָשָׁ֑ן (yashan) = oude | עַ֣ד (ad) = tot | הַשָּׁנָ֣ה (hashana) = het jaar | הַתְּשִׁיעִ֗ת (hateshiit) = het negende | עַד (ad) = tot | בּוֹא֙ (bo) = het komen van | תְּב֣וּאָתָ֔הּ (tevuatah) = haar opbrengst | תֹּאכְל֖וּ (tokhlu) = jullie zullen eten | יָשָֽׁן (yashan) = oude Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:10; Joz 5:11–12; 2 Kon 19:29; Jes 37:30 ### Het land is van Yahweh: lossing van land **25:23** **Het land mag niet voorgoed verkocht worden, want het land is van Mij. Want jullie zijn vreemdelingen en bijwoners bij Mij.** Brontekst: וְהָאָ֗רֶץ (vehaarets) = en het land | לֹ֤א (lo) = niet | תִמָּכֵר֙ (timakher) = zal verkocht worden | לִצְמִתֻ֔ת (litsmitut) = voorgoed | כִּי (ki) = want | לִ֖י (li) = van Mij | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | כִּֽי (ki) = want | גֵרִ֧ים (gerim) = vreemdelingen | וְתוֹשָׁבִ֛ים (vetoshavim) = en bijwoners | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | עִמָּדִֽי (imadi) = bij Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִצְמִתֻת (litsmitut), ‘voorgoed’: zonder dat het kan worden teruggegeven. Het land is van Yahweh (vergelijk Ps. 24:1). Israël woont erop als vreemdeling en bijwoner. Zie ook: 1 Kron 29:15; Ps 24:1; Ps 39:13; Ezech 48:14; 1 Petr 2:11 **25:24** **In heel het land van jullie bezit moeten jullie voor het land lossing toestaan.** Brontekst: וּבְכֹ֖ל (uvekhol) = en in heel | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | אֲחֻזַּתְכֶ֑ם (achuzatkhem) = jullie bezit | גְּאֻלָּ֖ה (geula) = lossing | תִּתְּנ֥וּ (titenu) = jullie zullen geven | לָאָֽרֶץ (laarets) = aan het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּאֻלָּה (ge’ullah), ‘lossing’: het recht om land terug te kopen dat verkocht is. Wij gebruiken ‘lossen’ voor גָּאַל (ga’al), ‘terugkopen’; in Exod. 6:6 staat hetzelfde woord, daar vertaald als ‘verlossen’. Zie ook: Ex 6:6; Lev 25:31; Lev 25:51–53; 1 Kor 1:30; Ef 1:7; Ef 1:14 **25:25** **Wanneer je broer verarmt en iets van zijn bezit verkoopt, moet zijn naaste losser bij hem komen en de verkoop van zijn broer lossen.** Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יָמ֣וּךְ (yamukh) = verarmt | אָחִ֔יךָ (achikha) = je broer | וּמָכַ֖ר (umakhar) = en verkoopt | מֵאֲחֻזָּת֑וֹ (meachuzato) = van zijn bezit | וּבָ֤א (uva) = en komt | גֹֽאֲלוֹ֙ (goalo) = zijn losser | הַקָּרֹ֣ב (haqarov) = de naaste | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | וְגָאַ֕ל (vegaal) = en lost | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִמְכַּ֥ר (mimkar) = verkoop van | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּאֵל (go’el), ‘losser’: de naaste verwant die het land of de persoon terugkoopt. Het recht en de plicht van de losser staan ook in Ruth 4:1–6. Zie ook: Ruth 2:20; Ruth 3:2; Ruth 3:9; Ruth 3:12; Ruth 4:1–6; Jer 32:7–8 **25:26** **Heeft iemand geen losser, maar komt hij zelf aan genoeg voor zijn lossing,** Brontekst: וְאִ֕ישׁ (veish) = en een man | כִּ֛י (ki) = wanneer | לֹ֥א (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לּ֖וֹ (lo) = voor hem | גֹּאֵ֑ל (goel) = losser | וְהִשִּׂ֣יגָה (vehisiga) = en bereikt | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | וּמָצָ֖א (umatsa) = en vindt | כְּדֵ֥י (kedei) = genoeg voor | גְאֻלָּתֽוֹ (geulato) = zijn lossing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 5:7 **25:27** **dan moet hij de jaren sinds zijn verkoop berekenen en het overschot teruggeven aan de man aan wie hij verkocht heeft. Dan keert hij terug naar zijn bezit.** Brontekst: וְחִשַּׁב֙ (vechishav) = en hij zal rekenen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֣י (shenei) = jaren van | מִמְכָּר֔וֹ (mimkaro) = zijn verkoop | וְהֵשִׁיב֙ (veheshiv) = en hij zal teruggeven | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣עֹדֵ֔ף (haodef) = het overschot | לָאִ֖ישׁ (laish) = aan de man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = aan wie | מָֽכַר (makhar) = hij verkocht | ל֑וֹ (lo) = aan hem | וְשָׁ֖ב (veshav) = en hij zal terugkeren | לַאֲחֻזָּתֽוֹ (laachuzato) = naar zijn bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘overschot’ (הָעֹדֵף, ha’odef) is het deel van de koopprijs dat hoort bij de jaren die tot het jubeljaar nog over zijn. Dat betaalt de verkoper terug aan de koper. Land wordt verkocht voor oogsten (vers 15–16), niet voor altijd. Zie ook: Lev 25:15–16 **25:28** **Vindt hij niet genoeg om het aan hem terug te geven, dan blijft wat hij verkocht heeft in de hand van de koper tot het jubeljaar. In het jubeljaar komt het vrij, en hij keert terug naar zijn bezit.** Brontekst: וְאִ֨ם (veim) = en als | לֹֽא (lo) = niet | מָֽצְאָ֜ה (matsea) = vindt | יָד֗וֹ (yado) = zijn hand | דֵּי֮ (dei) = genoeg | הָשִׁ֣יב (hashiv) = om terug te geven | לוֹ֒ (lo) = aan hem | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en zal zijn | מִמְכָּר֗וֹ (mimkaro) = zijn verkochte | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | הַקֹּנֶ֣ה (haqone) = de koper | אֹת֔וֹ (oto) = hem | עַ֖ד (ad) = tot | שְׁנַ֣ת (shenat) = jaar van | הַיּוֹבֵ֑ל (hayovel) = het jubeljaar | וְיָצָא֙ (veyatsa) = en het zal uitgaan | בַּיֹּבֵ֔ל (bayovel) = in het jubeljaar | וְשָׁ֖ב (veshav) = en hij zal terugkeren | לַאֲחֻזָּתֽוֹ (laachuzato) = naar zijn bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:10; Jes 35:9–10; Jer 32:15; 1 Tess 4:13–18; 1 Kor 15:52–54 **25:29** **Wanneer iemand een woonhuis verkoopt in een ommuurde stad, dan kan hij het lossen tot het einde van het jaar van zijn verkoop. Een jaar lang geldt zijn lossing.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en een man | כִּֽי (ki) = wanneer | יִמְכֹּ֤ר (yimkor) = hij verkoopt | בֵּית (beit) = huis van | מוֹשַׁב֙ (moshav) = woning | עִ֣יר (ir) = stad van | חוֹמָ֔ה (choma) = muur | וְהָיְתָה֙ (vehayeta) = en zal zijn | גְּאֻלָּת֔וֹ (geulato) = zijn lossing | עַד (ad) = tot | תֹּ֖ם (tom) = voltooiing van | שְׁנַ֣ת (shenat) = jaar van | מִמְכָּר֑וֹ (mimkaro) = zijn verkoop | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | גְאֻלָּתֽוֹ (geulato) = zijn lossing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָמִים (yamim), letterlijk ‘dagen’: hier een jaar. Vers 30 zegt het met ‘een vol jaar’. Een woonhuis in een ommuurde stad hoort niet bij het familiebezit van het land. Daarom mag het alleen binnen een jaar worden gelost. Zie ook: Lev 25:30 **25:30** **Wordt het niet gelost voordat een vol jaar voorbij is, dan gaat het huis in de ommuurde stad voorgoed over aan de koper, voor al zijn generaties. In het jubeljaar komt het niet vrij.** Brontekst: וְאִ֣ם (veim) = en als | לֹֽא (lo) = niet | יִגָּאֵ֗ל (yigael) = hij gelost wordt | עַד (ad) = tot | מְלֹ֣את (melot) = volledig zijn | לוֹ֮ (lo) = voor hem | שָׁנָ֣ה (shana) = jaar | תְמִימָה֒ (temima) = vol | וְ֠קָם (veqam) = en zal vaststaan | הַבַּ֨יִת (habayit) = het huis | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּעִ֜יר (bair) = in de stad | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֣וֹ (lo) = voor haar | חֹמָ֗ה (choma) = muur | לַצְּמִיתֻ֛ת (latsemitut) = voorgoed | לַקֹּנֶ֥ה (laqone) = aan de koper | אֹת֖וֹ (oto) = hem | לְדֹרֹתָ֑יו (ledorotav) = voor zijn generaties | לֹ֥א (lo) = niet | יֵצֵ֖א (yetse) = zal uitgaan | בַּיֹּבֵֽל (bayovel) = in het jubeljaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:31** **Huizen in dorpen zonder muur eromheen worden gerekend bij het veld van het land. Daarvoor geldt lossing, en in het jubeljaar komen ze vrij.** Brontekst: וּבָתֵּ֣י (uvatei) = en huizen van | הַחֲצֵרִ֗ים (hachatserim) = de dorpen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אֵין (ein) = niet is | לָהֶ֤ם (lahem) = voor hen | חֹמָה֙ (choma) = muur | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | עַל (al) = tot | שְׂדֵ֥ה (sede) = veld van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | יֵחָשֵׁ֑ב (yechashev) = zullen gerekend worden | גְּאֻלָּה֙ (geula) = lossing | תִּהְיֶה (tihye) = zal zijn | לּ֔וֹ (lo) = voor hem | וּבַיֹּבֵ֖ל (uvayovel) = en in het jubeljaar | יֵצֵֽא (yetse) = zal uitgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲצֵרִים (chatserim), ‘dorpen’: nederzettingen zonder muur. Zij horen bij het land eromheen en volgen dus de regels van het land: lossing, en vrij in het jubeljaar. Zie ook: Ps 49:8–9 **25:32** **Voor de steden van de Levieten, de huizen in de steden van hun bezit, geldt voor de Levieten altijd lossing.** Brontekst: וְעָרֵי֙ (vearei) = en steden van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | בָּתֵּ֖י (batei) = huizen van | עָרֵ֣י (arei) = steden van | אֲחֻזָּתָ֑ם (achuzatam) = hun bezit | גְּאֻלַּ֥ת (geulat) = lossing van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | לַלְוִיִּֽם (lalviyim) = voor de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 35:1–8; Joz 21:1–45 **25:33** **Wat iemand van de Levieten lost: het verkochte huis in de stad van zijn bezit komt in het jubeljaar vrij. Want de huizen in de steden van de Levieten zijn hun bezit te midden van de zonen van Israël.** Brontekst: וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en wat | יִגְאַל֙ (yigal) = gelost wordt | מִן (min) = van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | וְיָצָ֧א (veyatsa) = en zal uitgaan | מִמְכַּר (mimkar) = verkoop van | בַּ֛יִת (bayit) = huis | וְעִ֥יר (veir) = en stad van | אֲחֻזָּת֖וֹ (achuzato) = zijn bezit | בַּיֹּבֵ֑ל (bayovel) = in het jubeljaar | כִּ֣י (ki) = want | בָתֵּ֞י (batei) = huizen van | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | הִ֚וא (hi) = het | אֲחֻזָּתָ֔ם (achuzatam) = hun bezit | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws is moeilijk: וַאֲשֶׁר יִגְאַל מִן־הַלְוִיִּם (va’asher yig’al min-halviyyim), ‘en wat gelost wordt van de Levieten’. Wij lezen: wat iemand van de Levieten lost, komt in het jubeljaar vrij. De reden staat in het tweede deel: de steden van de Levieten zijn hun bezit. Het Hebreeuws zegt niet duidelijk wie lost; de uitkomst is in beide gevallen dat het huis in het jubeljaar bij de Leviet terugkomt. Zie ook: Num 18:20–24; Deut 18:1–2 **25:34** **Maar het weideland rond hun steden mag niet verkocht worden, want het is hun bezit voor altijd.** Brontekst: וּֽשְׂדֵ֛ה (usede) = en veld van | מִגְרַ֥שׁ (migrash) = weidegrond van | עָרֵיהֶ֖ם (areihem) = hun steden | לֹ֣א (lo) = niet | יִמָּכֵ֑ר (yimakher) = zal verkocht worden | כִּֽי (ki) = want | אֲחֻזַּ֥ת (achuzat) = bezit van | עוֹלָ֛ם (olam) = eeuwigheid | ה֖וּא (hu) = het | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִגְרָשׁ (migrash), ‘weideland’: de open grond rond de steden van de Levieten (Num. 35:2–5). Zie ook: Lev 25:23; Num 35:2–5; Hand 4:36–37 ### Hulp aan een verarmde broer **25:35** **Wanneer je broer verarmt en bij jou niet meer op eigen benen kan staan, moet je hem steunen. Als vreemdeling en bijwoner moet hij bij je kunnen leven.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יָמ֣וּךְ (yamukh) = verarmt | אָחִ֔יךָ (achikha) = je broer | וּמָ֥טָה (umata) = en wankelt | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | עִמָּ֑ךְ (imakh) = bij jou | וְהֶֽחֱזַ֣קְתָּ (vehechezaqta) = en je zult steunen | בּ֔וֹ (bo) = hem | גֵּ֧ר (ger) = vreemdeling | וְתוֹשָׁ֛ב (vetoshav) = en bijwoner | וָחַ֖י (vachay) = en hij zal leven | עִמָּֽךְ (imakh) = bij jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָטָה יָדוֹ (matah yado), letterlijk ‘zijn hand wankelt’: hij kan niet meer voor zichzelf zorgen. Wij vertalen ‘niet meer op eigen benen kan staan’. Voetnoot : גֵּר וְתוֹשָׁב (ger vetoshav), ‘vreemdeling en bijwoner’: zoals een vreemdeling die bij je woont, moet je hem een plaats geven. Zie ook: Lev 19:34; Deut 10:18–19; Deut 15:7–8; Luc 6:35; Hand 11:29 **25:36** **Neem geen rente en geen winst van hem. Vrees je Elohim, en laat je broer bij je leven.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּקַּ֤ח (tiqach) = je zult nemen | מֵֽאִתּוֹ֙ (meito) = van hem | נֶ֣שֶׁךְ (neshekh) = rente | וְתַרְבִּ֔ית (vetarbit) = en winst | וְיָרֵ֖אתָ (veyareta) = en je zult vrezen | מֵֽאֱלֹהֶ֑יךָ (meeloheikha) = je Elohim | וְחֵ֥י (vechei) = en hij zal leven | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | עִמָּֽךְ (imakh) = bij jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶשֶׁךְ (neshech), ‘rente’, en תַּרְבִּית (tarbit), ‘winst’: wat iemand bovenop het geleende vraagt. Geld en voedsel dat iemand leent, mag niet met een toeslag worden teruggevraagd (vers 37). Zie ook Exod. 22:24 en Deut. 23:20–21. Zie ook: Ex 22:24; Lev 25:17; Lev 25:37; Deut 23:20–21; Ezech 18:8; Ezech 18:13 **25:37** **Je geld mag je hem niet geven tegen rente, en je voedsel niet tegen winst.** Brontekst: אֶ֨ת (et) = (obj.) | כַּסְפְּךָ֔ (kaspekha) = je geld | לֹֽא (lo) = niet | תִתֵּ֥ן (titen) = je zult geven | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בְּנֶ֑שֶׁךְ (beneshekh) = tegen rente | וּבְמַרְבִּ֖ית (uvemarbit) = en tegen winst | לֹא (lo) = niet | תִתֵּ֥ן (titen) = je zult geven | אָכְלֶֽךָ (akhelekha) = je voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:38** **Ik ben Yahweh, jullie Elohim, die jullie uit het land Egypte heb geleid om jullie het land Kanaän te geven en jullie Elohim te zijn.** Brontekst: אֲנִ֗י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | הוֹצֵ֥אתִי (hotseti) = Ik uitleidde | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | לָתֵ֤ת (latet) = om te geven | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kanaän is het land tussen de Jordaan en de Middellandse Zee, het huidige Israël, Palestina, Libanon en Jordanië (westelijk deel). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit is de reden voor alle wetten van dit hoofdstuk: Yahweh heeft Israël bevrijd en geeft het land. Zie ook: Ex 20:2; Lev 11:45; Num 15:41; Jer 31:1; Jer 32:38 ### Een verkochte broer is geen slaaf **25:39** **Wanneer je broer bij jou verarmt en aan jou verkocht wordt, mag je hem geen slavenwerk laten doen.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יָמ֥וּךְ (yamukh) = verarmt | אָחִ֛יךָ (achikha) = je broer | עִמָּ֖ךְ (imakh) = bij jou | וְנִמְכַּר (venimkar) = en zich verkoopt | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | לֹא (lo) = niet | תַעֲבֹ֥ד (taavod) = je zult laten dienen | בּ֖וֹ (bo) = hem | עֲבֹ֥דַת (avodat) = dienst van | עָֽבֶד (aved) = slaaf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבֶד (eved). Wij vertalen ‘slaaf’ waar een mens wordt gekocht of verkocht (vers 39, 42, 44 en 46), zoals in Exod. 21. Waar Israël Yahweh dient, vertalen wij ‘dienaar’ (vers 42 en 55). Een verarmde Israëliet die zich verkoopt, mag niet als slaaf werken. Zie ook: Ex 21:2; Lev 25:42; Lev 25:44; Lev 25:46; Lev 25:55; 1 Kon 9:22; 2 Kon 4:1; Neh 5:5 **25:40** **Als een loonarbeider, als een bijwoner moet hij bij je zijn. Tot het jubeljaar mag hij bij je werken.** Brontekst: כְּשָׂכִ֥יר (kesakhir) = als loonarbeider | כְּתוֹשָׁ֖ב (ketoshav) = als bijwoner | יִהְיֶ֣ה (yihye) = hij zal zijn | עִמָּ֑ךְ (imakh) = bij jou | עַד (ad) = tot | שְׁנַ֥ת (shenat) = jaar van | הַיֹּבֵ֖ל (hayovel) = het jubeljaar | יַעֲבֹ֥ד (yaavod) = hij zal dienen | עִמָּֽךְ (imakh) = bij jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂכִיר (sachir), ‘loonarbeider’ (Exod. 12:45): iemand die voor loon werkt en daarna weggaat. Zie ook: Ex 12:45; Ex 21:2–3 **25:41** **Dan gaat hij bij je weg, hij en zijn zonen met hem. Hij keert terug naar zijn familie, naar het bezit van zijn vaderen.** Brontekst: וְיָצָא֙ (veyatsa) = en hij zal uitgaan | מֵֽעִמָּ֔ךְ (meimakh) = van bij jou | ה֖וּא (hu) = hij | וּבָנָ֣יו (uvanav) = en zijn zonen | עִמּ֑וֹ (imo) = met hem | וְשָׁב֙ (veshav) = en hij zal terugkeren | אֶל (el) = naar | מִשְׁפַּחְתּ֔וֹ (mishpachto) = zijn familie | וְאֶל (veel) = en naar | אֲחֻזַּ֥ת (achuzat) = bezit van | אֲבֹתָ֖יו (avotav) = zijn vaderen | יָשֽׁוּב (yashuv) = hij zal terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:3; Lev 25:10; Lev 25:28; Joh 8:32; Rom 6:14 **25:42** **Want zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte geleid heb. Zij mogen niet verkocht worden zoals een slaaf verkocht wordt.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עֲבָדַ֣י (avaday) = Mijn dienaren | הֵ֔ם (hem) = zij | אֲשֶׁר (asher) = die | הוֹצֵ֥אתִי (hotseti) = Ik uitleidde | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | לֹ֥א (lo) = niet | יִמָּכְר֖וּ (yimakheru) = zij zullen verkocht worden | מִמְכֶּ֥רֶת (mimkeret) = verkoop van | עָֽבֶד (aved) = slaaf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Yahweh heeft Israël uit Egypte geleid: daarom zijn zij Zijn dienaren en kunnen zij niet het bezit van een mens worden. Zie ook: Lev 25:55; 1 Kor 7:21–23; Rom 6:22 **25:43** **Je mag niet met wreedheid over hem heersen. Vrees je Elohim.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | תִרְדֶּ֥ה (tirde) = je zult heersen | ב֖וֹ (bo) = over hem | בְּפָ֑רֶךְ (befarekh) = met wreedheid | וְיָרֵ֖אתָ (veyareta) = en je zult vrezen | מֵאֱלֹהֶֽיךָ (meeloheikha) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּרֶךְ (perech), ‘wreedheid’: dezelfde zware dwang als in Exod. 1:13, waaronder Israël in Egypte leed. Zie ook: Ex 1:13–14; Lev 25:17; Lev 25:46; Lev 25:53; Kol 4:1 ### Slaven van de volken en een broer bij een vreemdeling **25:44** **Een slaaf en een slavin die jullie hebben, moeten van de volken rondom jullie komen. Van hen mogen jullie een slaaf en een slavin kopen.** Brontekst: וְעַבְדְּךָ֥ (veavdekha) = en je slaaf | וַאֲמָתְךָ֖ (vaamatekha) = en je slavin | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִהְיוּ (yihyu) = zullen zijn | לָ֑ךְ (lakh) = voor jou | מֵאֵ֣ת (meet) = van | הַגּוֹיִ֗ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | סְבִיבֹ֣תֵיכֶ֔ם (sevivoteikhem) = rondom jullie | מֵהֶ֥ם (mehem) = van hen | תִּקְנ֖וּ (tiqnu) = jullie zullen kopen | עֶ֥בֶד (eved) = slaaf | וְאָמָֽה (veama) = en slavin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Slaven uit de volken rondom mogen wel gekocht worden. Hun regels staan in vers 45–46. Zie ook: Ex 12:44; Lev 25:45–46; Ps 2:8–9; Jes 14:1–2; Openb 2:26–27 **25:45** **Ook van de zonen van de bijwoners die als vreemdeling bij jullie verblijven, mogen jullie kopen. En van hun families die bij jullie zijn, die in jullie land geboren zijn. Zij worden jullie bezit.** Brontekst: וְ֠גַם (vegam) = en ook | מִבְּנֵ֨י (mibenei) = van de zonen van | הַתּוֹשָׁבִ֜ים (hatoshavim) = de bijwoners | הַגָּרִ֤ים (hagarim) = die als vreemdeling verblijven | עִמָּכֶם֙ (imakhem) = bij jullie | מֵהֶ֣ם (mehem) = van hen | תִּקְנ֔וּ (tiqnu) = jullie zullen kopen | וּמִמִּשְׁפַּחְתָּם֙ (umimishpachtam) = en van hun familie | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = bij jullie | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הוֹלִ֖ידוּ (holidu) = zij verwekten | בְּאַרְצְכֶ֑ם (beartsekhem) = in jullie land | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לַֽאֲחֻזָּֽה (laachuza) = tot bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 56:3–6 **25:46** **Jullie mogen hen aan jullie zonen na jullie laten erven, als erfelijk bezit. Voor altijd mogen jullie hen voor je laten werken. Maar over jullie broers, de zonen van Israël, mag je niet met wreedheid heersen, ieder over zijn broer.** Brontekst: וְהִתְנַחֲלְתֶּ֨ם (vehitnachaltem) = en jullie zullen laten erven | אֹתָ֜ם (otam) = hen | לִבְנֵיכֶ֤ם (livneikhem) = aan jullie zonen | אַחֲרֵיכֶם֙ (achareikhem) = na jullie | לָרֶ֣שֶׁת (lareshet) = om te erven | אֲחֻזָּ֔ה (achuza) = bezit | לְעֹלָ֖ם (leolam) = voor altijd | בָּהֶ֣ם (bahem) = met hen | תַּעֲבֹ֑דוּ (taavodu) = jullie zullen laten werken | וּבְאַ֨חֵיכֶ֤ם (uveacheikhem) = en over jullie broers | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | בְּאָחִ֔יו (beachiv) = over zijn broer | לֹא (lo) = niet | תִרְדֶּ֥ה (tirde) = je zult heersen | ב֖וֹ (bo) = over hem | בְּפָֽרֶךְ (befarekh) = met wreedheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:43; Jes 14:2 **25:47** **Wanneer een vreemdeling of bijwoner bij jou aan geld komt. En je broer bij hem verarmt en zich verkoopt aan die vreemdeling, die bijwoner bij je, of aan een nakomeling uit de familie van een vreemdeling,** Brontekst: וְכִ֣י (vekhi) = en wanneer | תַשִּׂ֗יג (tasig) = bereikt | יַ֣ד (yad) = hand van | גֵּ֤ר (ger) = vreemdeling | וְתוֹשָׁב֙ (vetoshav) = en bijwoner | עִמָּ֔ךְ (imakh) = bij jou | וּמָ֥ךְ (umakh) = en verarmt | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | עִמּ֑וֹ (imo) = bij hem | וְנִמְכַּ֗ר (venimkar) = en zich verkoopt | לְגֵ֤ר (leger) = aan een vreemdeling | תּוֹשָׁב֙ (toshav) = bijwoner | עִמָּ֔ךְ (imakh) = bij jou | א֥וֹ (o) = of | לְעֵ֖קֶר (leeqer) = aan een nakomeling van | מִשְׁפַּ֥חַת (mishpachat) = familie van | גֵּֽר (ger) = een vreemdeling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּשִּׂיג יָד (tassig yad), ‘zijn hand bereikt’: hij komt aan geld. In vers 26 en 49 staat dezelfde uitdrukking: daar ‘aan genoeg komen’. Voetnoot : עֵקֶר (eqer), ‘nakomeling’: letterlijk ‘wortel’. Zie ook: Lev 25:26; Lev 25:49; 1 Sam 2:7–8; Jak 2:5 **25:48** **dan heeft hij na zijn verkoop recht op lossing. Eén van zijn broers mag hem lossen:** Brontekst: אַחֲרֵ֣י (acharei) = nadat | נִמְכַּ֔ר (nimkar) = hij zich verkocht heeft | גְּאֻלָּ֖ה (geula) = lossing | תִּהְיֶה (tihye) = zal zijn | לּ֑וֹ (lo) = voor hem | אֶחָ֥ד (echad) = één | מֵאֶחָ֖יו (meechav) = van zijn broers | יִגְאָלֶֽנּוּ (yigalenu) = hij zal hem lossen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:25; Lev 25:35; Neh 5:5; Gal 4:4–5; Heb 2:11–13 **25:49** **zijn oom of de zoon van zijn oom, of iemand van zijn naaste bloedverwanten uit zijn familie. Of als hij zelf aan genoeg komt, wordt hij gelost.** Brontekst: אוֹ (o) = of | דֹד֞וֹ (dodo) = zijn oom | א֤וֹ (o) = of | בֶן (ben) = zoon van | דֹּדוֹ֙ (dodo) = zijn oom | יִגְאָלֶ֔נּוּ (yigalenu) = hij zal hem lossen | אֽוֹ (o) = of | מִשְּׁאֵ֧ר (misheer) = van het overige van | בְּשָׂר֛וֹ (besaro) = zijn vlees | מִמִּשְׁפַּחְתּ֖וֹ (mimishpachto) = van zijn familie | יִגְאָלֶ֑נּוּ (yigalenu) = hij zal hem lossen | אֽוֹ (o) = of | הִשִּׂ֥יגָה (hisiga) = bereikt | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | וְנִגְאָֽל (venigal) = en hij wordt gelost Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְּׁאֵר בְּשָׂרוֹ (mishe’er besaro), letterlijk ‘van de rest van zijn vlees’: een naaste bloedverwant. Zie ook: Lev 25:26 **25:50** **Hij moet met zijn koper afrekenen, van het jaar dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar. De prijs van zijn verkoop gaat naar het aantal jaren: hij is bij hem zoals een loonarbeider.** Brontekst: וְחִשַּׁב֙ (vechishav) = en hij zal rekenen | עִם (im) = met | קֹנֵ֔הוּ (qonehu) = zijn koper | מִשְּׁנַת֙ (mishenat) = vanaf het jaar | הִמָּ֣כְרוֹ (himakhero) = van zijn zich verkopen | ל֔וֹ (lo) = aan hem | עַ֖ד (ad) = tot | שְׁנַ֣ת (shenat) = jaar van | הַיֹּבֵ֑ל (hayovel) = het jubeljaar | וְהָיָ֞ה (vehaya) = en zal zijn | כֶּ֤סֶף (kesef) = geld van | מִמְכָּרוֹ֙ (mimkaro) = zijn verkoop | בְּמִסְפַּ֣ר (bemispar) = naar het aantal van | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | כִּימֵ֥י (kimei) = zoals de dagen van | שָׂכִ֖יר (sakhir) = loonarbeider | יִהְיֶ֥ה (yihye) = hij zal zijn | עִמּֽוֹ (imo) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De lossingssom wordt berekend naar de jaren die nog over zijn: zijn werk telt als het werk van een loonarbeider, jaar na jaar. Hoe minder jaren, hoe lager de som (vers 51–52). Zie ook: Job 14:6; Lev 25:40; Lev 25:51–52; Deut 15:18; Jes 16:14; Jes 21:16 **25:51** **Zijn er nog veel jaren, dan moet hij daarnaar zijn lossing teruggeven, uit het geld van zijn koopprijs.** Brontekst: אִם (im) = als | ע֥וֹד (od) = nog | רַבּ֖וֹת (rabot) = veel | בַּשָּׁנִ֑ים (bashanim) = in de jaren | לְפִיהֶן֙ (lefihen) = naar hen | יָשִׁ֣יב (yashiv) = hij zal teruggeven | גְּאֻלָּת֔וֹ (geulato) = zijn lossing | מִכֶּ֖סֶף (mikesef) = van het geld van | מִקְנָתֽוֹ (miqnato) = zijn koopprijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:52** **Zijn er nog maar weinig jaren over tot het jubeljaar, dan moet hij met hem afrekenen. Naar zijn jaren moet hij zijn lossing teruggeven.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מְעַ֞ט (meat) = weinig | נִשְׁאַ֧ר (nishar) = overblijft | בַּשָּׁנִ֛ים (bashanim) = in de jaren | עַד (ad) = tot | שְׁנַ֥ת (shenat) = jaar van | הַיֹּבֵ֖ל (hayovel) = het jubeljaar | וְחִשַּׁב (vechishav) = en hij zal rekenen | ל֑וֹ (lo) = met hem | כְּפִ֣י (kefi) = naar | שָׁנָ֔יו (shanav) = zijn jaren | יָשִׁ֖יב (yashiv) = hij zal teruggeven | אֶת (et) = (obj.) | גְּאֻלָּתֽוֹ (geulato) = zijn lossing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:53** **Als een loonarbeider, jaar na jaar, moet hij bij hem zijn. Hij mag niet met wreedheid over hem heersen, voor je ogen.** Brontekst: כִּשְׂכִ֥יר (kiskhir) = als loonarbeider | שָׁנָ֛ה (shana) = jaar | בְּשָׁנָ֖ה (beshana) = in jaar | יִהְיֶ֣ה (yihye) = hij zal zijn | עִמּ֑וֹ (imo) = bij hem | לֹֽא (lo) = niet | יִרְדֶּ֥נּֽוּ (yirdenu) = hij zal heersen over hem | בְּפֶ֖רֶךְ (beferekh) = met wreedheid | לְעֵינֶֽיךָ (leeineikha) = voor je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:43; Lev 25:46 **25:54** **Wordt hij op die manieren niet gelost, dan gaat hij in het jubeljaar vrij weg, hij en zijn zonen met hem.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֥א (lo) = niet | יִגָּאֵ֖ל (yigael) = hij gelost wordt | בְּאֵ֑לֶּה (beele) = op deze | וְיָצָא֙ (veyatsa) = en hij zal uitgaan | בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar van | הַיֹּבֵ֔ל (hayovel) = het jubeljaar | ה֖וּא (hu) = hij | וּבָנָ֥יו (uvanav) = en zijn zonen | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Op die manieren’ (בְּאֵלֶּה, be’elleh): door een verwant (vers 48–49) of door zichzelf (vers 49). Zie ook: Ex 21:2–3; Lev 25:40–41; Lev 25:48–49; Lev 25:49; Jes 49:9; Jes 49:25; Jes 52:3 **25:55** **Want voor Mij zijn de zonen van Israël dienaren. Zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte geleid heb. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | לִ֤י (li) = voor Mij | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | עֲבָדִ֔ים (avadim) = dienaren | עֲבָדַ֣י (avaday) = Mijn dienaren | הֵ֔ם (hem) = zij | אֲשֶׁר (asher) = die | הוֹצֵ֥אתִי (hotseti) = Ik uitleidde | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit slot herhaalt vers 42. Israël is door de uittocht Yahweh toegewijd en daarom vrij van elk ander meester. Zie ook: Lev 25:42; Jes 43:3; 1 Kor 9:21; Rom 6:14; Rom 6:22 ## Leviticus 26 _Zegen en vloek_ ### Geen nietige goden **26:1** **Jullie mogen geen nietige goden voor jezelf maken. Een gesneden beeld of een gewijde zuil mogen jullie niet oprichten. Een steen met beeldwerk mogen jullie niet in jullie land neerzetten om je ervoor neer te buigen. Want Ik ben Yahweh, jullie Elohim.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תַעֲשׂ֨וּ (taasu) = jullie zullen maken | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | אֱלִילִ֗ם (elilim) = nietige goden | וּפֶ֤סֶל (ufesel) = en gesneden beeld | וּמַצֵּבָה֙ (umatseva) = en gewijde zuil | לֹֽא (lo) = niet | תָקִ֣ימוּ (taqimu) = jullie zullen oprichten | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | וְאֶ֣בֶן (veeven) = en steen van | מַשְׂכִּ֗ית (maskit) = beeldwerk | לֹ֤א (lo) = niet | תִתְּנוּ֙ (titenu) = jullie zullen plaatsen | בְּאַרְצְכֶ֔ם (beartsekhem) = in jullie land | לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֖ת (lehishtachavot) = om neer te buigen | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = voor haar | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלִילִים (elilim), ‘nietige goden’: het woord betekent ‘niets, nietig’. In vers 30 staat een ander woord, גִּלּוּלִים (gillulim), ‘afgoden’. Voetnoot : פֶּסֶל (pesel), ‘gesneden beeld’ (zoals in Exod. 20:4). מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde zuil’: een rechtopstaande steen voor aanbidding. אֶבֶן מַשְׂכִּית (even maskit), ‘steen met beeldwerk’: een steen met figuren erop; de betekenis van het woord is niet helemaal zeker. Voetnoot : Deze toespraak begint al in Lev. 25:2 en loopt door tot en met vers 45. Zie ook: Ex 20:4–5; Ex 23:24; Lev 19:4; Lev 25:2; Lev 26:30; Lev 26:45; Num 33:52; Deut 27:15 **26:2** **Mijn sabbatten moeten jullie houden, en Mijn heiligdom moeten jullie vrezen. Ik ben Yahweh.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתֹתַ֣י (shabetotay) = Mijn sabbatten | תִּשְׁמֹ֔רוּ (tishmoru) = jullie zullen houden | וּמִקְדָּשִׁ֖י (umiqdashi) = en Mijn heiligdom | תִּירָ֑אוּ (tirau) = jullie zullen vrezen | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: het huis dat Israël voor Yahweh maakt (Exod. 25:8). Wij vertalen ‘vrezen’ voor יָרֵא (yare), zoals in Lev. 25:17. Zie ook: Ex 25:8; Lev 19:30; Lev 25:17 ### De zegen bij gehoorzaamheid **26:3** **Als jullie in Mijn voorschriften wandelen, Mijn geboden houden en ze doen,** Brontekst: אִם (im) = als | בְּחֻקֹּתַ֖י (bechuqotay) = in Mijn voorschriften | תֵּלֵ֑כוּ (telekhu) = jullie zullen wandelen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִצְוֺתַ֣י (mitsvotay) = Mijn geboden | תִּשְׁמְר֔וּ (tishmeru) = jullie zullen houden | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | אֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָלַךְ (halakh), ‘wandelen’: leven en handelen. Wij houden ‘wandelen’ omdat het woord in dit hoofdstuk steeds terugkomt, ook in ‘in tegenstand wandelen’ (vers 21–28, 40–41). Vanaf hier volgt de zegen (vers 3–13) en daarna de vloek (vers 14–45); zie ook Deut. 28:1–14 en 28:15–68. Zie ook: Lev 26:14–45; Lev 26:21–28; Lev 26:40; Deut 11:13–15; Deut 28:1–14; Deut 28:15; Ps 81:13–17; Jes 1:19; Jes 48:18–19 **26:4** **dan zal Ik jullie regen geven op zijn tijd. Het land zal zijn opbrengst geven en de bomen van het veld hun vrucht.** Brontekst: וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | גִשְׁמֵיכֶ֖ם (gishmeikhem) = jullie regens | בְּעִתָּ֑ם (beitam) = op hun tijd | וְנָתְנָ֤ה (venatena) = en zal geven | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | יְבוּלָ֔הּ (yevulah) = haar opbrengst | וְעֵ֥ץ (veets) = en boom van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | יִתֵּ֥ן (yiten) = zal geven | פִּרְיֽוֹ (piryo) = zijn vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 11:14; Ps 67:7; Jes 30:23; Ezech 34:26–27; Zach 8:12 **26:5** **Het dorsen zal voor jullie doorgaan tot de druivenoogst, en de druivenoogst tot het zaaien. Jullie zullen je brood eten tot jullie verzadigd zijn en veilig in jullie land wonen.** Brontekst: וְהִשִּׂ֨יג (vehisig) = en zal reiken | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | דַּ֨יִשׁ֙ (dayish) = dorsen | אֶת (et) = (obj.) | בָּצִ֔יר (batsir) = druivenoogst | וּבָצִ֖יר (uvatsir) = en druivenoogst | יַשִּׂ֣יג (yasig) = zal reiken | אֶת (et) = (obj.) | זָ֑רַע (zara) = zaaitijd | וַאֲכַלְתֶּ֤ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | לַחְמְכֶם֙ (lachmekhem) = jullie brood | לָשֹׂ֔בַע (lasova) = tot verzadiging | וִֽישַׁבְתֶּ֥ם (vishavtem) = en jullie zullen wonen | לָבֶ֖טַח (lavetach) = in veiligheid | בְּאַרְצְכֶֽם (beartsekhem) = in jullie land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּיִשׁ (dayish), ‘dorsen’, en בָּצִיר (batsir), ‘druivenoogst’: de oogsten zijn zo rijk dat het werk van de ene tijd doorloopt in de volgende. Het dorsen in het voorjaar loopt door tot de druivenoogst in het najaar, en die tot het zaaien. Zie ook: Lev 25:18–19; Deut 11:15; Joël 2:19; Joël 2:26; Amos 9:13 **26:6** **Ik zal vrede geven in het land. Jullie zullen gaan liggen en niemand zal jullie doen schrikken. Ik zal de gevaarlijke wilde dieren uit het land laten verdwijnen, en het zwaard zal niet door jullie land trekken.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal geven | שָׁלוֹם֙ (shalom) = vrede | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | וּשְׁכַבְתֶּ֖ם (ushekhavtem) = en jullie zullen liggen | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | מַחֲרִ֑יד (macharid) = wie doet schrikken | וְהִשְׁבַּתִּ֞י (vehishbati) = en Ik zal laten ophouden | חַיָּ֤ה (chaya) = wild dier | רָעָה֙ (raa) = gevaarlijk | מִן (min) = uit | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְחֶ֖רֶב (vecherev) = en zwaard | לֹא (lo) = niet | תַעֲבֹ֥ר (taavor) = zal doortrekken | בְּאַרְצְכֶֽם (beartsekhem) = in jullie land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַיָּה רָעָה (chayah ra’ah), ‘gevaarlijke wilde dieren’: in Gen. 37:20 staat dezelfde uitdrukking, daar vertaald als ‘wild dier’. Zie ook: Gen 37:20; Ps 147:14; Hos 2:20; Jes 35:9; Sef 3:13; Jer 30:10 **26:7** **Jullie zullen jullie vijanden achtervolgen, en zij zullen voor jullie vallen door het zwaard.** Brontekst: וּרְדַפְתֶּ֖ם (uredaftem) = en jullie zullen achtervolgen | אֶת (et) = (obj.) | אֹיְבֵיכֶ֑ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | וְנָפְל֥וּ (venafelu) = en zij zullen vallen | לִפְנֵיכֶ֖ם (lifneikhem) = voor jullie | לֶחָֽרֶב (lecharev) = door het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:8** **Vijf van jullie zullen honderd achtervolgen, en honderd van jullie zullen tienduizend achtervolgen. Jullie vijanden zullen voor jullie vallen door het zwaard.** Brontekst: וְרָדְפ֨וּ (veradefu) = en zullen achtervolgen | מִכֶּ֤ם (mikem) = van jullie | חֲמִשָּׁה֙ (chamisha) = vijf | מֵאָ֔ה (mea) = honderd | וּמֵאָ֥ה (umea) = en honderd | מִכֶּ֖ם (mikem) = van jullie | רְבָבָ֣ה (revava) = tienduizend | יִרְדֹּ֑פוּ (yirdofu) = zullen achtervolgen | וְנָפְל֧וּ (venafelu) = en zullen vallen | אֹיְבֵיכֶ֛ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | לִפְנֵיכֶ֖ם (lifneikhem) = voor jullie | לֶחָֽרֶב (lecharev) = door het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְבָבָה (revavah), ‘tienduizend’. Zie ook: Deut 28:7; Deut 32:30; Joz 23:10; Re 7:19–21; 1 Kron 11:20 **26:9** **Ik zal Mij tot jullie wenden. Ik zal jullie vruchtbaar maken en talrijk maken, en Mijn verbond met jullie oprichten.** Brontekst: וּפָנִ֣יתִי (ufaniti) = en Ik zal Mij wenden | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = tot jullie | וְהִפְרֵיתִ֣י (vehifreiti) = en Ik zal vruchtbaar maken | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְהִרְבֵּיתִ֖י (vehirbeiti) = en Ik zal talrijk maken | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וַהֲקִימֹתִ֥י (vahaqimoti) = en Ik zal oprichten | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | אִתְּכֶֽם (itekhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:6–7; Ps 107:38; Jes 55:3; Ezech 16:62; Neh 9:23 **26:10** **Jullie zullen eten wat oud is, lang bewaard, en wat oud is weghalen om plaats te maken voor het nieuwe.** Brontekst: וַאֲכַלְתֶּ֥ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | יָשָׁ֖ן (yashan) = oud | נוֹשָׁ֑ן (noshan) = lang bewaard | וְיָשָׁ֕ן (veyashan) = en oud | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = om plaats voor | חָדָ֖שׁ (chadash) = nieuw | תּוֹצִֽיאוּ (totsiu) = jullie zullen weghalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:22; Joz 5:11; 2 Kon 19:29; Luc 12:17 **26:11** **Ik zal Mijn tabernakel in jullie midden zetten, en Ik zal jullie niet verafschuwen.** Brontekst: וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal zetten | מִשְׁכָּנִ֖י (mishkani) = Mijn tabernakel | בְּתוֹכְכֶ֑ם (betokhekhem) = te midden van jullie | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִגְעַ֥ל (tigal) = zal verafschuwen | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = Mijn ziel | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’: de woning van Yahweh in het midden van het kamp (Exod. 25:8–9). Voetnoot : נַפְשִׁי (nafshi), letterlijk ‘Mijn ziel’: dit is een manier om ‘Ik’ te zeggen. Wij vertalen ‘Ik’. Zo ook in vers 30, en ‘jullie ziel’ (vers 15) en ‘hun ziel’ (vers 43): wij laten ‘ziel’ weg. Voetnoot : גָּעַל (ga’al), ‘verafschuwen’. Let op: גָּעַל (met ayin) is iets anders dan גָּאַל (met alef), ‘lossen’, in Lev. 25. Zie ook: Ex 25:8; Ex 29:45; Lev 26:15; Lev 26:30; Lev 26:43; Ps 132:13–14; Ef 2:22; Openb 21:3 **26:12** **Ik zal in jullie midden wandelen. Ik zal jullie Elohim zijn en jullie zullen Mijn volk zijn.** Brontekst: וְהִתְהַלַּכְתִּי֙ (vehithalakhti) = en Ik zal wandelen | בְּת֣וֹכְכֶ֔ם (betokhekhem) = te midden van jullie | וְהָיִ֥יתִי (vehayiti) = en Ik zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לֵֽאלֹהִ֑ים (lElohim) = tot Elohim | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | תִּהְיוּ (tihyu) = zullen zijn | לִ֥י (li) = voor Mij | לְעָֽם (leam) = tot volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze zin is de kern van het verbond. Vergelijk Exod. 29:45. Zie ook: Ex 6:7; Ex 29:45; Deut 23:15; Jer 7:23; Jer 30:22; 2 Kor 6:16 **26:13** **Ik ben Yahweh, jullie Elohim, die jullie uit het land Egypte heb geleid, zodat jullie niet langer hun slaven waren. Ik heb de staven van jullie juk gebroken en jullie rechtop laten lopen.** Brontekst: אֲנִ֞י (ani) = Ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֗ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הוֹצֵ֤אתִי (hotseti) = Ik uitleidde | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | מִֽהְיֹ֥ת (mihyot) = van te zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | עֲבָדִ֑ים (avadim) = slaven | וָאֶשְׁבֹּר֙ (vaeshbor) = en Ik brak | מֹטֹ֣ת (motot) = staven van | עֻלְּכֶ֔ם (ulekhem) = jullie juk | וָאוֹלֵ֥ךְ (vaolekh) = en Ik liet gaan | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | קֽוֹמְמִיּֽוּת (qomemiyut) = rechtop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מֹטֹת עֹל (motot ol), ‘staven van het juk’: de staven waarmee dieren het juk dragen. קוֹמְמִיּוּת (qomemiyyut), ‘rechtop’: met opgeheven hoofd, als vrije mensen. Zie ook: Ex 20:2; Lev 25:38; Ps 116:16; Ezech 34:27; 1 Kor 6:19–20 ### De vloek bij ongehoorzaamheid **26:14** **Maar als jullie niet naar Mij luisteren en al deze geboden niet doen,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֥א (lo) = niet | תִשְׁמְע֖וּ (tishmeu) = jullie luisteren | לִ֑י (li) = naar Mij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַעֲשׂ֔וּ (taasu) = jullie doen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַמִּצְוֺ֖ת (hamitsvot) = de geboden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:18; Deut 28:15–68; Jer 17:27; Klaagl 2:17; Mal 2:2 **26:15** **en als jullie Mijn voorschriften verwerpen en Mijn rechtsregels verafschuwen, zodat jullie al Mijn geboden niet doen en Mijn verbond verbreken,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בְּחֻקֹּתַ֣י (bechuqotay) = Mijn voorschriften | תִּמְאָ֔סוּ (timasu) = jullie verwerpen | וְאִ֥ם (veim) = en als | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפָּטַ֖י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | תִּגְעַ֣ל (tigal) = verafschuwt | נַפְשְׁכֶ֑ם (nafshekhem) = jullie ziel | לְבִלְתִּ֤י (levilti) = om niet | עֲשׂוֹת֙ (asot) = te doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מִצְוֺתַ֔י (mitsvotay) = Mijn geboden | לְהַפְרְכֶ֖ם (lehafrekhem) = waardoor jullie verbreken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִֽי (beriti) = Mijn verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het begin van de lange reeks van vloeken. Het woord ‘verwerpen’ (מָאַס, ma’as) en ‘verafschuwen’ (גָּעַל, ga’al) komen terug in vers 43–44. Zie ook: Lev 26:43–44; Num 15:31; Deut 31:16; 2 Kon 17:15; Ezech 16:59; Zach 7:11–13 **26:16** **dan zal ook Ik dit jullie doen: Ik zal plotselinge schrik over jullie laten komen, tering en koorts, die de ogen doen versmachten en het leven doen wegkwijnen. Jullie zullen tevergeefs jullie zaad zaaien, en jullie vijanden zullen het opeten.** Brontekst: אַף (af) = ook | אֲנִ֞י (ani) = Ik | אֶֽעֱשֶׂה (eese) = zal doen | זֹּ֣את (zot) = dit | לָכֶ֗ם (lakhem) = aan jullie | וְהִפְקַדְתִּ֨י (vehifqadti) = en Ik zal laten komen | עֲלֵיכֶ֤ם (aleikhem) = over jullie | בֶּֽהָלָה֙ (behala) = plotselinge schrik | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁחֶ֣פֶת (hashachefet) = tering | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַקַּדַּ֔חַת (haqadachat) = koorts | מְכַלּ֥וֹת (mekhalot) = die doen versmachten | עֵינַ֖יִם (einayim) = ogen | וּמְדִיבֹ֣ת (umedivot) = en doen wegkwijnen | נָ֑פֶשׁ (nafesh) = leven | וּזְרַעְתֶּ֤ם (uzeratem) = en jullie zullen zaaien | לָרִיק֙ (lariq) = tevergeefs | זַרְעֲכֶ֔ם (zarakhem) = jullie zaad | וַאֲכָלֻ֖הוּ (vaakhaluhu) = en zullen het eten | אֹיְבֵיכֶֽם (oyeveikhem) = jullie vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּהָלָה (behalah), ‘plotselinge schrik’. שַׁחֶפֶת (shachefet), ‘tering’: een ziekte die het lichaam uitput. קַדַּחַת (qaddachat), ‘koorts’. Zie ook Deut. 28:22. Zie ook: Job 31:8; Deut 28:22; Deut 28:51; 1 Sam 2:33; Mi 6:15; Jer 5:17 **26:17** **Ik zal Mijn aangezicht tegen jullie keren. Jullie zullen verslagen worden door jullie vijanden, en wie jullie haten, zullen over jullie heersen. Jullie zullen vluchten terwijl niemand jullie achtervolgt.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal zetten | פָנַי֙ (panay) = Mijn aangezicht | בָּכֶ֔ם (bakhem) = tegen jullie | וְנִגַּפְתֶּ֖ם (venigaftem) = en jullie zullen verslagen worden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | אֹיְבֵיכֶ֑ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | וְרָד֤וּ (veradu) = en zullen heersen | בָכֶם֙ (bakhem) = over jullie | שֹֽׂנְאֵיכֶ֔ם (soneeikhem) = jullie haters | וְנַסְתֶּ֖ם (venastem) = en jullie zullen vluchten | וְאֵין (veein) = en niet is | רֹדֵ֥ף (rodef) = wie achtervolgt | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 17:10; Lev 26:36–37; Deut 28:25; Ps 53:6; Spr 28:1 ### Zevenmaal zwaarder **26:18** **En als jullie zelfs dan niet naar Mij luisteren, zal Ik doorgaan jullie te tuchtigen, zevenmaal zoveel vanwege jullie zonden.** Brontekst: וְאִ֨ם (veim) = en als | עַד (ad) = tot | אֵ֔לֶּה (ele) = deze dingen | לֹ֥א (lo) = niet | תִשְׁמְע֖וּ (tishmeu) = jullie luisteren | לִ֑י (li) = naar Mij | וְיָסַפְתִּי֙ (veyasafti) = en Ik zal doorgaan | לְיַסְּרָ֣ה (leyasera) = om te tuchtigen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | עַל (al) = vanwege | חַטֹּאתֵיכֶֽם (chatoteikhem) = jullie zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁבַע (sheva), ‘zeven’: het staat vier keer in dit hoofdstuk (vers 18, 21, 24 en 28). Het geeft een volle maat aan: na elke weigering komt de straf in een zwaardere vorm. Wij vertalen ‘zevenmaal zoveel’. Zie ook: Lev 26:21; Lev 26:24; Lev 26:28; 1 Sam 2:5; Ps 119:164 **26:19** **Ik zal de trots van jullie kracht breken. Ik zal jullie hemel maken als ijzer en jullie land als koper.** Brontekst: וְשָׁבַרְתִּ֖י (veshavarti) = en Ik zal breken | אֶת (et) = (obj.) | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | עֻזְּכֶ֑ם (uzekhem) = jullie kracht | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמֵיכֶם֙ (shemeikhem) = jullie hemel | כַּבַּרְזֶ֔ל (kabarzel) = als ijzer | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אַרְצְכֶ֖ם (artsekhem) = jullie land | כַּנְּחֻשָֽׁה (kanechusha) = als koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een hemel als ijzer geeft geen regen en een land als koper geeft geen vrucht. Zie ook: Deut 28:23; 1 Kon 17:1; Jes 25:11; Jer 13:9; Jer 14:1–6 **26:20** **Jullie kracht zal tevergeefs opgebruikt worden. Jullie land zal zijn opbrengst niet geven en de bomen van het land hun vrucht niet.** Brontekst: וְתַ֥ם (vetam) = en zal opgebruikt zijn | לָרִ֖יק (lariq) = tevergeefs | כֹּחֲכֶ֑ם (kochakhem) = jullie kracht | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִתֵּ֤ן (titen) = zal geven | אַרְצְכֶם֙ (artsekhem) = jullie land | אֶת (et) = (obj.) | יְבוּלָ֔הּ (yevulah) = haar opbrengst | וְעֵ֣ץ (veets) = en boom van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | לֹ֥א (lo) = niet | יִתֵּ֖ן (yiten) = zal geven | פִּרְיֽוֹ (piryo) = zijn vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:4; Deut 11:17; Ps 127:1; Jes 49:4; Hab 2:13 **26:21** **En als jullie in tegenstand met Mij wandelen en niet naar Mij willen luisteren, dan zal Ik jullie nog een slag toevoegen, zevenmaal zoveel als jullie zonden.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | תֵּֽלְכ֤וּ (telekhu) = jullie wandelen | עִמִּי֙ (imi) = met Mij | קֶ֔רִי (qeri) = in tegenstand | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֹאב֖וּ (tovu) = jullie willen | לִשְׁמֹ֣עַֽ (lishmoa) = om te luisteren | לִ֑י (li) = naar Mij | וְיָסַפְתִּ֤י (veyasafti) = en Ik zal toevoegen | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = over jullie | מַכָּ֔ה (maka) = slag | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | כְּחַטֹּאתֵיכֶֽם (kechatoteikhem) = volgens jullie zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶרִי (qeri), ‘tegenstand’: een houding van weerstand, ‘tegen Mij ingaan’. Het woord komt zeven keer voor in dit hoofdstuk. Wij houden één woord: ‘in tegenstand wandelen’. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Lev 26:18; Lev 26:27 **26:22** **Ik zal de wilde dieren van het veld op jullie afsturen. Zij zullen jullie kinderloos maken, jullie vee uitroeien en jullie aantal verminderen, en jullie wegen zullen verlaten zijn.** Brontekst: וְהִשְׁלַחְתִּ֨י (vehishlachti) = en Ik zal zenden | בָכֶ֜ם (bakhem) = onder jullie | אֶת (et) = (obj.) | חַיַּ֤ת (chayat) = wilde dieren van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | וְשִׁכְּלָ֣ה (veshikela) = en zij zullen kinderloos maken | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְהִכְרִ֨יתָה֙ (vehikhrita) = en zij zullen uitroeien | אֶת (et) = (obj.) | בְּהֶמְתְּכֶ֔ם (behemtekhem) = jullie vee | וְהִמְעִ֖יטָה (vehimita) = en zij zullen verminderen | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וְנָשַׁ֖מּוּ (venashamu) = en zullen verlaten zijn | דַּרְכֵיכֶֽם (darkheikhem) = jullie wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:24; Re 5:6; 2 Kon 17:25; Ezech 14:15; Zach 7:14 **26:23** **En als jullie je hierdoor niet door Mij laten tuchtigen en in tegenstand met Mij blijven wandelen,** Brontekst: וְאִ֨ם (veim) = en als | בְּאֵ֔לֶּה (beele) = door deze dingen | לֹ֥א (lo) = niet | תִוָּסְר֖וּ (tivaseru) = jullie laten tuchtigen | לִ֑י (li) = door Mij | וַהֲלַכְתֶּ֥ם (vahalakhtem) = en jullie zullen wandelen | עִמִּ֖י (imi) = met Mij | קֶֽרִי (qeri) = in tegenstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:21; Amos 4:6–12; Jer 2:30; Jer 5:3; Ezech 24:13–14 **26:24** **dan zal ook Ik in tegenstand met jullie wandelen. Ik zal jullie slaan, ook Ik, zevenmaal zoveel vanwege jullie zonden.** Brontekst: וְהָלַכְתִּ֧י (vehalakhti) = en Ik zal wandelen | אַף (af) = ook | אֲנִ֛י (ani) = Ik | עִמָּכֶ֖ם (imakhem) = met jullie | בְּקֶ֑רִי (beqeri) = in tegenstand | וְהִכֵּיתִ֤י (vehikeiti) = en Ik zal slaan | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | גַּם (gam) = ook | אָ֔נִי (ani) = Ik | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | עַל (al) = vanwege | חַטֹּאתֵיכֶֽם (chatoteikhem) = jullie zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘ook Ik’ (אַף אֲנִי, af ani): Yahweh doet met Israël wat Israël met Hem doet. Zie ook: Job 9:4; 2 Sam 22:27; Ps 18:27; Jes 63:10 **26:25** **Ik zal het zwaard over jullie brengen, dat de wraak van het verbond neemt. Als jullie je in jullie steden verzamelen, zal Ik de pest in jullie midden sturen, en jullie zullen in de hand van een vijand worden gegeven.** Brontekst: וְהֵבֵאתִ֨י (veheveti) = en Ik zal brengen | עֲלֵיכֶ֜ם (aleikhem) = over jullie | חֶ֗רֶב (cherev) = zwaard | נֹקֶ֨מֶת֙ (noqemet) = dat wreekt | נְקַם (neqam) = wraak van | בְּרִ֔ית (berit) = verbond | וְנֶאֱסַפְתֶּ֖ם (veneesaftem) = en jullie zullen zich verzamelen | אֶל (el) = in | עָרֵיכֶ֑ם (areikhem) = jullie steden | וְשִׁלַּ֤חְתִּי (veshilachti) = en Ik zal zenden | דֶ֨בֶר֙ (dever) = pest | בְּת֣וֹכְכֶ֔ם (betokhekhem) = te midden van jullie | וְנִתַּתֶּ֖ם (venitatem) = en jullie zullen gegeven worden | בְּיַד (beyad) = in de hand van | אוֹיֵֽב (oyev) = een vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְקַם בְּרִית (neqam berit), ‘wraak van het verbond’: de straf die het verbond zelf aankondigt voor wie het verbreekt. Zie ook: Num 14:12; Deut 28:21; Ezech 5:17; Ezech 20:37; Ezech 29:8 **26:26** **Wanneer Ik voor jullie de staf van het brood breek, zullen tien vrouwen jullie brood in één oven bakken. Zij geven jullie brood terug op gewicht. Jullie zullen eten en niet verzadigd worden.** Brontekst: בְּשִׁבְרִ֣י (beshivri) = bij Mijn breken | לָכֶם֮ (lakhem) = voor jullie | מַטֵּה (mate) = staf van | לֶחֶם֒ (lechem) = brood | וְ֠אָפוּ (veafu) = en zullen bakken | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | נָשִׁ֤ים (nashim) = vrouwen | לַחְמְכֶם֙ (lachmekhem) = jullie brood | בְּתַנּ֣וּר (betanur) = in oven | אֶחָ֔ד (echad) = één | וְהֵשִׁ֥יבוּ (veheshivu) = en zullen teruggeven | לַחְמְכֶ֖ם (lachmekhem) = jullie brood | בַּמִּשְׁקָ֑ל (bamishqal) = op gewicht | וַאֲכַלְתֶּ֖ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִשְׂבָּֽעוּ (tisbau) = jullie zullen verzadigd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטֵּה לֶחֶם (matteh lechem), ‘staf van het brood’: het brood is de steun van het leven en die steun wordt gebroken. Dezelfde uitdrukking staat in Ps. 105:16 en Ezech. 4:16. Tien vrouwen bakken in één oven: er is zo weinig brood dat één oven genoeg is. Zie ook: Ps 105:16; Jes 3:1; Mi 6:14; Ezech 4:16; Ezech 5:16; Ezech 14:13 **26:27** **En als jullie hierdoor niet naar Mij luisteren en in tegenstand met Mij wandelen,** Brontekst: וְאִ֨ם (veim) = en als | בְּזֹ֔את (bezot) = door dit | לֹ֥א (lo) = niet | תִשְׁמְע֖וּ (tishmeu) = jullie luisteren | לִ֑י (li) = naar Mij | וַהֲלַכְתֶּ֥ם (vahalakhtem) = en jullie zullen wandelen | עִמִּ֖י (imi) = met Mij | בְּקֶֽרִי (beqeri) = in tegenstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:21; Lev 26:24 **26:28** **dan zal Ik in woedende tegenstand met jullie wandelen en jullie tuchtigen, ook Ik, zevenmaal zoveel vanwege jullie zonden.** Brontekst: וְהָלַכְתִּ֥י (vehalakhti) = en Ik zal wandelen | עִמָּכֶ֖ם (imakhem) = met jullie | בַּחֲמַת (bachamat) = in woede van | קֶ֑רִי (qeri) = tegenstand | וְיִסַּרְתִּ֤י (veyisarti) = en Ik zal tuchtigen | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | אַף (af) = ook | אָ֔נִי (ani) = Ik | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | עַל (al) = vanwege | חַטֹּאתֵיכֶם (chatoteikhem) = jullie zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 59:18; Jer 21:5; Ezech 5:13; Ezech 5:15; Ezech 8:18 **26:29** **Jullie zullen het vlees van jullie zonen eten, en het vlees van jullie dochters zullen jullie eten.** Brontekst: וַאֲכַלְתֶּ֖ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | בְּשַׂ֣ר (besar) = vlees van | בְּנֵיכֶ֑ם (beneikhem) = jullie zonen | וּבְשַׂ֥ר (uvesar) = en vlees van | בְּנֹתֵיכֶ֖ם (benoteikhem) = jullie dochters | תֹּאכֵֽלוּ (tokhelu) = jullie zullen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook Deut. 28:53–57 en 2 Kon. 6:28–29. Zie ook: Deut 28:53–57; 2 Kon 6:28–29; Klaagl 4:10; Ezech 5:10; Mat 24:19; Luc 23:29 **26:30** **Ik zal jullie offerhoogten verdelgen en jullie wierookaltaren omhakken. Ik zal jullie lijken leggen op de lijken van jullie afgoden, en Ik zal jullie verafschuwen.** Brontekst: וְהִשְׁמַדְתִּ֞י (vehishmadti) = en Ik zal verdelgen | אֶת (et) = (obj.) | בָּמֹֽתֵיכֶ֗ם (bamoteikhem) = jullie offerhoogten | וְהִכְרַתִּי֙ (vehikhrati) = en Ik zal omhakken | אֶת (et) = (obj.) | חַמָּ֣נֵיכֶ֔ם (chamaneikhem) = jullie wierookaltaren | וְנָֽתַתִּי֙ (venatati) = en Ik zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | פִּגְרֵיכֶ֔ם (pigreikhem) = jullie lijken | עַל (al) = op | פִּגְרֵ֖י (pigrei) = lijken van | גִּלּוּלֵיכֶ֑ם (giluleikhem) = jullie afgoden | וְגָעֲלָ֥ה (vegaala) = en zal verafschuwen | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = Mijn ziel | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘offerhoogten’: plaatsen op de hoogte waar offers worden gebracht. חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis van het woord is niet helemaal zeker. גִּלּוּלִים (gillulim), ‘afgoden’: het woord wordt afgeleid van ‘mest’ en is een scheldwoord. Zie ook: 2 Kon 23:20; 2 Kron 34:3–7; Jes 27:9; Ezech 6:3–6; Ezech 6:13 **26:31** **Ik zal jullie steden tot een ruïne maken en jullie heiligdommen verwoesten, en Ik zal jullie aangename geur niet ruiken.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | עָֽרֵיכֶם֙ (areikhem) = jullie steden | חָרְבָּ֔ה (charba) = tot ruïne | וַהֲשִׁמּוֹתִ֖י (vahashimoti) = en Ik zal verwoesten | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדְּשֵׁיכֶ֑ם (miqdesheikhem) = jullie heiligdommen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אָרִ֔יחַ (ariach) = Ik zal ruiken | בְּרֵ֖יחַ (bereiach) = de geur van | נִיחֹֽחֲכֶֽם (nichochakhem) = jullie aangenaamheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵיחַ נִיחֹחַ (reach nichoach), ‘aangename geur’: zoals bij het brandoffer (Lev. 1:9). Hier wordt Yahweh de geur van hun offers niet meer aangenaam; het Hebreeuws zegt alleen ‘jullie aangename geur’. Zie ook: Lev 1:9; Ps 74:3–8; 2 Kon 25:4–10; Klaagl 2:7; Ezech 9:6; Neh 2:3 **26:32** **Ik zal het land verwoesten, en jullie vijanden die erin wonen, zullen erover ontzet zijn.** Brontekst: וַהֲשִׁמֹּתִ֥י (vahashimoti) = en Ik zal verwoesten | אֲנִ֖י (ani) = Ik | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְשָֽׁמְמ֤וּ (veshamemu) = en zullen ontzet zijn | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = erover | אֹֽיְבֵיכֶ֔ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die wonen | בָּֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:37; Jer 9:10; Jer 18:16; Jer 19:8; Jer 25:11 **26:33** **Jullie zal Ik onder de volken verstrooien, en Ik zal het zwaard achter jullie aan trekken. Jullie land zal een woestenij worden en jullie steden een ruïne.** Brontekst: וְאֶתְכֶם֙ (veetkhem) = en jullie | אֱזָרֶ֣ה (ezare) = Ik zal verstrooien | בַגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וַהֲרִיקֹתִ֥י (vahariqoti) = en Ik zal trekken | אַחֲרֵיכֶ֖ם (achareikhem) = achter jullie | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal zijn | אַרְצְכֶם֙ (artsekhem) = jullie land | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = woestenij | וְעָרֵיכֶ֖ם (veareikhem) = en jullie steden | יִהְי֥וּ (yihyu) = zullen zijn | חָרְבָּֽה (charba) = ruïne Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:27; Deut 28:64–66; Ezech 20:23; Ezech 22:15; Zach 7:14 ### Het land maakt zijn sabbatten goed **26:34** **Dan zal het land zijn sabbatten goedmaken, al de dagen van de verwoesting, terwijl jullie in het land van jullie vijanden zijn. Dan zal het land rusten en zijn sabbatten goedmaken.** Brontekst: אָז֩ (az) = dan | תִּרְצֶ֨ה (tirtse) = zal goedmaken | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתֹתֶ֗יהָ (shabetoteiha) = haar sabbatten | כֹּ֚ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | הֳשַׁמָּ֔ה (hoshama) = de verwoesting | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | אֹיְבֵיכֶ֑ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | אָ֚ז (az) = dan | תִּשְׁבַּ֣ת (tishbat) = zal rusten | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְהִרְצָ֖ת (vehirtsat) = en zal goedmaken | אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתֹתֶֽיהָ (shabetoteiha) = haar sabbatten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָצָה (ratsah), ‘goedmaken’: het woord betekent ook ‘aanvaarden’ en ‘afbetalen’. Het land maakt de sabbatjaren goed die het niet gekregen heeft (Lev. 25:2–7). Zie ook 2 Kron. 36:21. Zie ook: Lev 25:2–4; Lev 25:10; Lev 26:43; 2 Kron 36:21 **26:35** **Al de dagen van de verwoesting zal het rusten: de rust die het niet had op jullie sabbatten, toen jullie erop woonden.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | הָשַּׁמָּ֖ה (hashama) = de verwoesting | תִּשְׁבֹּ֑ת (tishbot) = zal rusten | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | שָׁבְתָ֛ה (shaveta) = het rustte | בְּשַׁבְּתֹתֵיכֶ֖ם (beshabetoteikhem) = op jullie sabbatten | בְּשִׁבְתְּכֶ֥ם (beshivtekhem) = bij jullie wonen | עָלֶֽיהָ (aleiha) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier wordt de reden gegeven: Israël heeft de sabbatsjaren niet gehouden. Zie ook Jer. 25:11–12 en 29:10. Zie ook: Jes 24:5–6; Jer 25:11–12; Jer 29:10; Rom 8:22 **26:36** **Wie van jullie overblijven: Ik zal zwakheid in hun hart brengen, in de landen van hun vijanden. Het geluid van een wegdrijvend blad zal hen achtervolgen. Zij zullen vluchten zoals men vlucht voor het zwaard, en vallen terwijl niemand hen achtervolgt.** Brontekst: וְהַנִּשְׁאָרִ֣ים (vehanisharim) = en wie overblijven | בָּכֶ֔ם (bakhem) = onder jullie | וְהֵבֵ֤אתִי (veheveti) = en Ik zal brengen | מֹ֨רֶךְ֙ (morekh) = zwakheid | בִּלְבָבָ֔ם (bilvavam) = in hun hart | בְּאַרְצֹ֖ת (beartsot) = in de landen van | אֹיְבֵיהֶ֑ם (oyeveihem) = hun vijanden | וְרָדַ֣ף (veradaf) = en zal achtervolgen | אֹתָ֗ם (otam) = hen | ק֚וֹל (qol) = geluid van | עָלֶ֣ה (ale) = blad | נִדָּ֔ף (nidaf) = dat wegdrijft | וְנָס֧וּ (venasu) = en zij zullen vluchten | מְנֻֽסַת (menusat) = vluchten van | חֶ֛רֶב (cherev) = zwaard | וְנָפְל֖וּ (venafelu) = en zij zullen vallen | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | רֹדֵֽף (rodef) = wie achtervolgt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֹרֶךְ (morekh), ‘zwakheid’: de moed is weg. עָלֶה נִדָּף (aleh niddaf), ‘wegdrijvend blad’: een blad dat door de wind wordt meegevoerd. Zie ook: Lev 26:17; Deut 28:65–67; Spr 28:1; Jes 30:17; Ezech 21:12 **26:37** **Zij zullen struikelen, ieder over zijn broer, als voor het zwaard, terwijl niemand hen achtervolgt. Jullie zullen voor jullie vijanden niet kunnen standhouden.** Brontekst: וְכָשְׁל֧וּ (vekhashelu) = en zij zullen struikelen | אִישׁ (ish) = ieder | בְּאָחִ֛יו (beachiv) = over zijn broer | כְּמִפְּנֵי (kemipenei) = als voor | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard | וְרֹדֵ֣ף (verodef) = en achtervolger | אָ֑יִן (ayin) = niet is | וְלֹא (velo) = en niet | תִֽהְיֶ֤ה (tihye) = zal zijn | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | תְּקוּמָ֔ה (tequma) = standhouden | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֹֽיְבֵיכֶֽם (oyeveikhem) = jullie vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:42; Joz 7:12–13; Re 2:14; Re 7:22; Jer 37:10 **26:38** **Jullie zullen omkomen onder de volken, en het land van jullie vijanden zal jullie opeten.** Brontekst: וַאֲבַדְתֶּ֖ם (vaavadtem) = en jullie zullen omkomen | בַּגּוֹיִ֑ם (bagoyim) = onder de volken | וְאָכְלָ֣ה (veakhela) = en zal opeten | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | אֶ֖רֶץ (erets) = land van | אֹיְבֵיכֶֽם (oyeveikhem) = jullie vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:26–27; Jes 27:13; Jer 42:17–18; Jer 42:22; Jer 44:12–14 **26:39** **Wie van jullie overblijven, zullen wegkwijnen door hun schuld in de landen van jullie vijanden. Ook door de schuld van hun vaderen zullen zij met hen wegkwijnen.** Brontekst: וְהַנִּשְׁאָרִ֣ים (vehanisharim) = en wie overblijven | בָּכֶ֗ם (bakhem) = onder jullie | יִמַּ֨קּוּ֙ (yimaqu) = zullen wegkwijnen | בַּֽעֲוֺנָ֔ם (baavonam) = door hun schuld | בְּאַרְצֹ֖ת (beartsot) = in de landen van | אֹיְבֵיכֶ֑ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | וְאַ֛ף (veaf) = en ook | בַּעֲוֺנֹ֥ת (baavonot) = door de schuld van | אֲבֹתָ֖ם (avotam) = hun vaderen | אִתָּ֥ם (itam) = met hen | יִמָּֽקּוּ (yimaqu) = zullen wegkwijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִמַּקּוּ (yimmaqqu), ‘wegkwijnen’. Het Hebreeuws zegt ‘met hen’ (אִתָּם): samen met hun eigen schuld dragen zij ook de schuld van hun vaderen. Zie ook: Deut 28:65; Ezech 4:17; Ezech 24:23; Ezech 33:10; Mat 23:35–36 ### Belijdenis en herinnering aan het verbond **26:40** **Dan zullen zij hun schuld belijden en de schuld van hun vaderen. Hun ontrouw waarmee zij ontrouw tegen Mij zijn geweest, en ook dat zij in tegenstand met Mij zijn gewandeld.** Brontekst: וְהִתְוַדּ֤וּ (vehitvadu) = en zij zullen belijden | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺנָם֙ (avonam) = hun schuld | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | אֲבֹתָ֔ם (avotam) = hun vaderen | בְּמַעֲלָ֖ם (bemaalam) = in hun ontrouw | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | מָֽעֲלוּ (maalu) = zij waren ontrouw | בִ֑י (bi) = tegen Mij | וְאַ֕ף (veaf) = en ook | אֲשֶׁר (asher) = dat | הָֽלְכ֥וּ (halekhu) = zij wandelden | עִמִּ֖י (imi) = met Mij | בְּקֶֽרִי (beqeri) = in tegenstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעַל (ma’al), ‘ontrouw’: het woord wordt gebruikt voor het breken van de trouw aan Yahweh (vergelijk Lev. 5:15). Zie ook: Lev 5:15; Num 5:7; Spr 28:13; Hos 5:15–6:2; Neh 9:2–5; 1 Joh 1:8–10 **26:41** **Ook Ik zal in tegenstand met hen wandelen en hen naar het land van hun vijanden brengen. Als dan hun onbesneden hart zich buigt en zij dan hun schuld goedmaken,** Brontekst: אַף (af) = ook | אֲנִ֗י (ani) = Ik | אֵלֵ֤ךְ (elekh) = zal wandelen | עִמָּם֙ (imam) = met hen | בְּקֶ֔רִי (beqeri) = in tegenstand | וְהֵבֵאתִ֣י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | אֹיְבֵיהֶ֑ם (oyeveihem) = hun vijanden | אוֹ (o) = of | אָ֣ז (az) = dan | יִכָּנַ֗ע (yikana) = zal zich buigen | לְבָבָם֙ (levavam) = hun hart | הֶֽעָרֵ֔ל (hearel) = het onbesneden | וְאָ֖ז (veaz) = en dan | יִרְצ֥וּ (yirtsu) = zullen goedmaken | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺנָֽם (avonam) = hun schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרֵל (arel), ‘onbesneden’: een onbesneden hart is een hart dat dicht is en niet luistert (zie Deut. 10:16). Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft אוֹ אָז (o az), ‘of dan’. Vers 41 en vers 42 horen bij elkaar: wanneer hun hart zich dan buigt (vers 41), dan gedenkt Yahweh het verbond (vers 42). Wij laten ‘of’ weg en vertalen ‘als dan’. Zie ook: Lev 26:42; Deut 10:16; 2 Kron 12:6–7; Jer 4:4; Jer 9:24–25; Ezech 44:7; Hand 7:51 **26:42** **dan zal Ik Mijn verbond met Jakob gedenken, en ook Mijn verbond met Isaak, en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken. En het land zal Ik gedenken.** Brontekst: וְזָכַרְתִּ֖י (vezakharti) = en Ik zal gedenken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֣י (beriti) = Mijn verbond met | יַעֲק֑וֹב (yaaqov) = Jakob | וְאַף֩ (veaf) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֨י (beriti) = Mijn verbond met | יִצְחָ֜ק (yitschaq) = Isaak | וְאַ֨ף (veaf) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֧י (beriti) = Mijn verbond met | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | אֶזְכֹּ֖ר (ezkor) = Ik zal gedenken | וְהָאָ֥רֶץ (vehaarets) = en het land | אֶזְכֹּֽר (ezkor) = Ik zal gedenken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De volgorde is hier omgekeerd: Jakob, Isaak en Abraham. Zo staat het alleen hier. Vergelijk Exod. 2:24, waar de volgorde Abraham, Isaak en Jakob is. Zie ook: Ex 2:24; Ex 6:5; Ps 106:45; Ps 136:23; Ezech 16:60 **26:43** **Het land zal door hen verlaten worden en zijn sabbatten goedmaken terwijl het zonder hen verwoest ligt. Zij zullen hun schuld goedmaken, omdat, ja omdat zij Mijn rechtsregels verworpen hebben en Mijn voorschriften verafschuwd hebben.** Brontekst: וְהָאָרֶץ֩ (vehaarets) = en het land | תֵּעָזֵ֨ב (teazev) = zal verlaten worden | מֵהֶ֜ם (mehem) = door hen | וְתִ֣רֶץ (vetirets) = en zal goedmaken | אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתֹתֶ֗יהָ (shabetoteiha) = haar sabbatten | בָּהְשַׁמָּה֙ (baheshama) = terwijl het verwoest ligt | מֵהֶ֔ם (mehem) = zonder hen | וְהֵ֖ם (vehem) = en zij | יִרְצ֣וּ (yirtsu) = zullen goedmaken | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺנָ֑ם (avonam) = hun schuld | יַ֣עַן (yaan) = omdat | וּבְיַ֔עַן (uveyaan) = en omdat | בְּמִשְׁפָּטַ֣י (bemishpatay) = Mijn rechtsregels | מָאָ֔סוּ (maasu) = zij verwierpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֻקֹּתַ֖י (chuqotay) = Mijn voorschriften | גָּעֲלָ֥ה (gaala) = verafschuwde | נַפְשָֽׁם (nafsham) = hun ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het land rust en maakt zijn sabbatten goed terwijl Israël weg is; zie vers 34–35. Zie ook: Lev 26:15; Lev 26:34–35; Lev 26:41; 1 Kon 8:46–48; Rom 8:7 **26:44** **En toch, ook dan, terwijl zij in het land van hun vijanden zijn, heb Ik hen niet verworpen en niet verafschuwd. Om hen te vernietigen en Mijn verbond met hen te verbreken. Want Ik ben Yahweh, hun Elohim.** Brontekst: וְאַף (veaf) = en ook | גַּם (gam) = zelfs | זֹ֠את (zot) = dit | בִּֽהְיוֹתָ֞ם (bihyotam) = terwijl zij zijn | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | אֹֽיְבֵיהֶ֗ם (oyeveihem) = hun vijanden | לֹֽא (lo) = niet | מְאַסְתִּ֤ים (meastim) = Ik heb hen verworpen | וְלֹֽא (velo) = en niet | גְעַלְתִּים֙ (gealtim) = Ik heb hen verafschuwd | לְכַלֹּתָ֔ם (lekhalotam) = om hen te vernietigen | לְהָפֵ֥ר (lehafer) = om te verbreken | בְּרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | אִתָּ֑ם (itam) = met hen | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De werkwoorden staan in de voltooide tijd: ‘Ik heb hen niet verworpen’. Wij volgen die voltooide tijd. Zie ook: Deut 4:29–31; Ps 94:14; 2 Kon 13:23; Neh 9:31; Rom 11:2 **26:45** **Ik zal voor hen het verbond met de eersten gedenken. Die Ik voor de ogen van de volken uit het land Egypte heb geleid om hun Elohim te zijn. Ik ben Yahweh.”** Brontekst: וְזָכַרְתִּ֥י (vezakharti) = en Ik zal gedenken | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | בְּרִ֣ית (berit) = verbond van | רִאשֹׁנִ֑ים (rishonim) = de eersten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הוֹצֵֽאתִי (hotseti) = Ik uitleidde | אֹתָם֩ (otam) = hen | מֵאֶ֨רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = Egypte | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | הַגּוֹיִ֗ם (hagoyim) = de volken | לִהְיֹ֥ת (lihyot) = om te zijn | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | לֵאלֹהִ֖ים (lElohim) = tot Elohim | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: רִאשֹׁנִים (rishonim), ‘de eersten’: de generatie die uit Egypte is geleid. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 1:13–18 bevestigt de verstrooiing onder de volken, de terugkeer en dat Yahweh hun Elohim zal zijn. Zie ook: Jub 1:13–18; Lev 22:33; Lev 25:38; Ps 98:2–3; Ezech 20:9; Ezech 20:22 ### Slot van de wetten van de Sinaï **26:46** Dit zijn de voorschriften, de rechtsregels en de wetten die Yahweh tussen Zich en de zonen van Israël gegeven heeft op de berg Sinaï, door Mozes. Brontekst: אֵ֠לֶּה (ele) = dit zijn | הַֽחֻקִּ֣ים (hachuqim) = de voorschriften | וְהַמִּשְׁפָּטִים֮ (vehamishpatim) = en de rechtsregels | וְהַתּוֹרֹת֒ (vehatorot) = en de wetten | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | נָתַ֣ן (natan) = gaf | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּינ֕וֹ (beino) = tussen Zich | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | סִינַ֖י (sinay) = Sinaï | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Sinaï wordt traditioneel gezocht bij Jebel Musa, in het zuiden van het Sinaïschiereiland (Egypte). De ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: תּוֹרוֹת (torot), ‘wetten’: meervoud van תּוֹרָה (torah), ‘wet’ of ‘onderwijs’. Het slot noemt de voorschriften, rechtsregels en wetten samen. Vergelijk Lev. 7:37. Zie ook: Lev 7:37; Lev 25:1; Lev 27:34; Deut 6:1; Deut 12:1; Deut 13:5 ## Leviticus 27 _Geloften en schattingen_ ### De schatting van personen **27:1** Yahweh sprak tot Mozes: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | לֵּאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Als iemand een bijzondere gelofte aflegt, dan geldt voor personen die voor Yahweh zijn, jouw schatting.** Brontekst: דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | אִ֕ישׁ (ish) = een man | כִּ֥י (ki) = wanneer | יַפְלִ֖א (yafli) = uitzonderlijk doet | נֶ֑דֶר (neder) = gelofte | בְּעֶרְכְּךָ֥ (beerkekha) = volgens jouw schatting | נְפָשֹׁ֖ת (nefashot) = personen | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶדֶר (neder), ‘gelofte’; יַפְלִא (yafli), ‘bijzonder doen’: een bijzondere, buitengewone gelofte. Wie belooft zichzelf of een ander aan Yahweh te wijden, kan dat met een betaling lossen. De hoogte van het bedrag is de ‘schatting’ (עֶרֶךְ, erekh), die hier volgt. Voetnoot : De schatting is geen loon of verkoopprijs, maar het bedrag om de gelofte af te kopen. Zie ook: Num 6:2; Re 11:30–31; Re 11:39; 1 Sam 1:11; 1 Sam 1:28 **27:3** **Jouw schatting voor een man van 20 tot 60 jaar is 50 sikkels zilver, naar de sikkel van het heiligdom.** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | עֶרְכְּךָ֙ (erkekha) = jouw schatting | הַזָּכָ֔ר (hazakhar) = de man | מִבֶּן֙ (miben) = van zoon van | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וְעַ֖ד (vead) = en tot | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁשִּׁ֣ים (shishim) = zestig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en zal zijn | עֶרְכְּךָ֗ (erkekha) = jouw schatting | חֲמִשִּׁ֛ים (chamishim) = vijftig | שֶׁ֥קֶל (sheqel) = sikkel | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | בְּשֶׁ֥קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een sikkel (שֶׁקֶל, sheqel) weegt ongeveer 11,4 gram; ‘de sikkel van het heiligdom’ is de vaste maat (vers 25). De bedragen komen dus ongeveer neer op: 50 sikkels = 570 gram zilver; 30 sikkels = 342 gram; 20 sikkels = 228 gram; 15 sikkels = 171 gram; 10 sikkels = 114 gram; 5 sikkels = 57 gram; 3 sikkels = 34 gram. Voetnoot : Dertig sikkels is ook de vergoeding voor een slaaf die door een stier gedood wordt (Exod. 21:32). Zie ook: Ex 21:32; Ex 30:13; Lev 27:14; Lev 27:25; Num 3:47; Num 18:16 **27:4** **Is het een vrouw, dan is jouw schatting 30 sikkels.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | נְקֵבָ֖ה (neqeva) = vrouw | הִ֑וא (hi) = zij | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | עֶרְכְּךָ֖ (erkekha) = jouw schatting | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | שָֽׁקֶל (shaqel) = sikkel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Zach 11:12–13; Mat 26:15; Mat 27:9–10 **27:5** **Gaat het om iemand van 5 tot 20 jaar, dan is jouw schatting voor een mannelijk persoon 20 sikkels en voor een vrouwelijk persoon 10 sikkels.** Brontekst: וְאִ֨ם (veim) = en als | מִבֶּן (miben) = van zoon van | חָמֵ֜שׁ (chamesh) = vijf | שָׁנִ֗ים (shanim) = jaren | וְעַד֙ (vead) = en tot | בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וְהָיָ֧ה (vehaya) = en zal zijn | עֶרְכְּךָ֛ (erkekha) = jouw schatting | הַזָּכָ֖ר (hazakhar) = de man | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | שְׁקָלִ֑ים (sheqalim) = sikkels | וְלַנְּקֵבָ֖ה (velaneqeva) = en voor de vrouw | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien | שְׁקָלִֽים (sheqalim) = sikkels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bedrag verschilt naar leeftijd en geslacht (vers 3–7). Voor een mannelijk persoon is het steeds hoger dan voor een vrouwelijk persoon. Zie ook: Lev 27:3–7 **27:6** **Gaat het om iemand van een maand tot 5 jaar. Dan is jouw schatting voor een mannelijk persoon 5 sikkels zilver. En voor een vrouwelijk persoon is jouw schatting 3 sikkels zilver.** Brontekst: וְאִ֣ם (veim) = en als | מִבֶּן (miben) = van zoon van | חֹ֗דֶשׁ (chodesh) = maand | וְעַד֙ (vead) = en tot | בֶּן (ben) = zoon van | חָמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | עֶרְכְּךָ֙ (erkekha) = jouw schatting | הַזָּכָ֔ר (hazakhar) = de man | חֲמִשָּׁ֥ה (chamisha) = vijf | שְׁקָלִ֖ים (sheqalim) = sikkels | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וְלַנְּקֵבָ֣ה (velaneqeva) = en voor de vrouw | עֶרְכְּךָ֔ (erkekha) = jouw schatting | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | שְׁקָלִ֖ים (sheqalim) = sikkels | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 3:40–43; Num 18:14–16 **27:7** **Gaat het om iemand van 60 jaar en ouder, dan is jouw schatting voor een man 15 sikkels en voor een vrouw 10 sikkels.** Brontekst: וְ֠אִם (veim) = en als | מִבֶּן (miben) = van zoon van | שִׁשִּׁ֨ים (shishim) = zestig | שָׁנָ֤ה (shana) = jaar | וָמַ֨עְלָה֙ (vamala) = en daarboven | אִם (im) = als | זָכָ֔ר (zakhar) = man | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en zal zijn | עֶרְכְּךָ֔ (erkekha) = jouw schatting | חֲמִשָּׁ֥ה (chamisha) = vijf | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | שָׁ֑קֶל (shaqel) = sikkel | וְלַנְּקֵבָ֖ה (velaneqeva) = en voor de vrouw | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | שְׁקָלִֽים (sheqalim) = sikkels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 90:10 **27:8** **Is hij armer dan jouw schatting, dan moet hij hem voor de priester laten staan. De priester moet hem schatten; naar wat de hand van degene die de gelofte aflegt kan bereiken, moet de priester hem schatten.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מָ֥ךְ (makh) = arm | הוּא֙ (hu) = hij | מֵֽעֶרְכֶּ֔ךָ (meerkekha) = dan jouw schatting | וְהֶֽעֱמִידוֹ֙ (veheemido) = en hij zal laten staan | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְהֶעֱרִ֥יךְ (veheerikh) = en zal schatten | אֹת֖וֹ (oto) = hem | הַכֹּהֵ֑ן (hakohen) = de priester | עַל (al) = naar | פִּ֗י (pi) = de mond van | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | תַּשִּׂיג֙ (tasig) = bereikt | יַ֣ד (yad) = hand van | הַנֹּדֵ֔ר (hanoder) = die de gelofte doet | יַעֲרִיכֶ֖נּוּ (yaarikhenu) = zal hem schatten | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie armer is dan het vastgestelde bedrag, laat de priester het bedrag bepalen naar wat hij kan betalen. Wie ‘hij’ en ‘hem’ zijn, zegt het Hebreeuws niet duidelijk. Wij lezen: ‘hij’ is degene die de gelofte aflegt en ‘hem’ de persoon die gewijd is. Zie ook: Lev 5:7; Lev 5:11; Lev 14:21–22; Mar 14:7; 2 Kor 8:12 ### Gewijde dieren **27:9** **Is het een dier waarvan men een offergave voor Yahweh brengt, dan is alles wat iemand ervan aan Yahweh geeft, heilig.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בְּהֵמָ֔ה (behema) = dier | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יַקְרִ֧יבוּ (yaqrivu) = men brengt | מִמֶּ֛נָּה (mimena) = ervan | קָרְבָּ֖ן (qarban) = offergave | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | כֹּל֩ (kol) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יִתֵּ֥ן (yiten) = hij geeft | מִמֶּ֛נּוּ (mimenu) = ervan | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | קֹּֽדֶשׁ (qodesh) = heilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָרְבָּן (qorban), ‘offergave’: zoals in Lev. 1:2. Een dier dat geschikt is om te offeren, wordt als gelofte direct heilig: het mag niet vervangen worden (vers 10). Zie ook: Lev 1:2; Lev 27:10 **27:10** **Hij mag het niet vervangen of ruilen, goed voor slecht of slecht voor goed. Ruilt hij toch het ene dier voor het andere, dan zijn het dier en wat ervoor geruild is allebei heilig.** Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | יַחֲלִיפֶ֗נּוּ (yachalifenu) = hij zal het vervangen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָמִ֥יר (yamir) = hij zal ruilen | אֹת֛וֹ (oto) = het | ט֥וֹב (tov) = goed | בְּרָ֖ע (bera) = voor slecht | אוֹ (o) = of | רַ֣ע (ra) = slecht | בְּט֑וֹב (betov) = voor goed | וְאִם (veim) = en als | הָמֵ֨ר (hamer) = ruilen | יָמִ֤יר (yamir) = hij zal ruilen | בְּהֵמָה֙ (behema) = dier | בִּבְהֵמָ֔ה (bivhema) = voor dier | וְהָֽיָה (vehaya) = dan zal zijn | ה֥וּא (hu) = het | וּתְמוּרָת֖וֹ (utemurato) = en wat ervoor geruild is | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | קֹּֽדֶשׁ (qodesh) = heilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 27:15–33; Jak 1:8 **27:11** **Is het een onrein dier, waarvan men geen offergave voor Yahweh brengt, dan moet hij het dier voor de priester laten staan.** Brontekst: וְאִם֙ (veim) = en als | כָּל (kal) = elk | בְּהֵמָ֣ה (behema) = dier | טְמֵאָ֔ה (temea) = onrein | אֲ֠שֶׁר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יַקְרִ֧יבוּ (yaqrivu) = men brengt | מִמֶּ֛נָּה (mimena) = ervan | קָרְבָּ֖ן (qarban) = offergave | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְהֶֽעֱמִ֥יד (veheemid) = en hij zal laten staan | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּהֵמָ֖ה (habehema) = het dier | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een onrein dier kan niet geofferd worden (Lev. 11). De priester schat het dier; de eigenaar kan het terugkopen met een vijfde erbij (vers 13 en 27). Zie ook: Lev 27:13; Lev 27:27; Deut 23:19; Mal 1:14 **27:12** **De priester moet het schatten, of het goed is of slecht. Zoals jij, priester, het schat, zo zal het zijn.** Brontekst: וְהֶעֱרִ֤יךְ (veheerikh) = en zal schatten | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | אֹתָ֔הּ (otah) = het | בֵּ֥ין (bein) = tussen | ט֖וֹב (tov) = goed | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | רָ֑ע (ra) = slecht | כְּעֶרְכְּךָ֥ (keerkekha) = zoals jouw schatting | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | כֵּ֥ן (ken) = zo | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier כְּעֶרְכְּךָ הַכֹּהֵן (ke’erkekha hakohen), letterlijk ‘volgens jouw schatting, de priester’. Wij lezen dit als aanspreking van de priester: ‘Zoals jij, priester, het schat’. Ook een lezing zonder aanspreking is mogelijk: ‘zoals de priester het schat’. **27:13** **Wil hij het toch lossen, dan moet hij een vijfde toevoegen aan jouw schatting.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | גָּאֹ֖ל (gaol) = lossen | יִגְאָלֶ֑נָּה (yigalena) = hij zal het lossen | וְיָסַ֥ף (veyasaf) = en hij zal toevoegen | חֲמִישִׁת֖וֹ (chamishito) = zijn vijfde | עַל (al) = op | עֶרְכֶּֽךָ (erkekha) = jouw schatting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie een gewijd dier of huis of veld wil terugkopen, moet het geschatte bedrag plus een vijfde betalen (vers 15, 19, 27, 31). Zie ook: Lev 5:23–24; Lev 22:14; Lev 27:10; Lev 27:15; Lev 27:19; Lev 27:27; Lev 27:31 ### Gewijde huizen en velden **27:14** **Wijdt iemand zijn huis als iets heiligs aan Yahweh, dan moet de priester het schatten, of het goed is of slecht. Zoals de priester het schat, zo blijft het staan.** Brontekst: וְאִ֗ישׁ (veish) = en een man | כִּֽי (ki) = wanneer | יַקְדִּ֨שׁ (yaqdish) = hij wijdt | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית֥וֹ (beito) = zijn huis | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = heilig | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְהֶעֱרִיכוֹ֙ (veheerikho) = en zal schatten | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | בֵּ֥ין (bein) = tussen | ט֖וֹב (tov) = goed | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | רָ֑ע (ra) = slecht | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יַעֲרִ֥יךְ (yaarikh) = hij schat | אֹת֛וֹ (oto) = het | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | כֵּ֥ן (ken) = zo | יָקֽוּם (yaqum) = zal blijven staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:29–31; Lev 27:21; Num 18:14; Ps 101:2–7 **27:15** **Lost degene die het gewijd heeft zijn huis, dan moet hij een vijfde van het geld van jouw schatting erbij doen, en het wordt van hem.** Brontekst: וְאִ֨ם (veim) = en als | הַמַּקְדִּ֔ישׁ (hamaqdish) = die gewijd heeft | יִגְאַ֖ל (yigal) = hij lost | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וְ֠יָסַף (veyasaf) = en hij zal toevoegen | חֲמִישִׁ֧ית (chamishit) = vijfde van | כֶּֽסֶף (kesef) = geld van | עֶרְכְּךָ֛ (erkekha) = jouw schatting | עָלָ֖יו (alav) = erop | וְהָ֥יָה (vehaya) = en het zal zijn | לֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 27:13 **27:16** **Wijdt iemand aan Yahweh een deel van het veld van zijn bezit. Dan moet jouw schatting zijn naar het zaaigoed: een chomer gerst als zaaigoed voor 50 sikkels zilver.** Brontekst: וְאִ֣ם (veim) = en als | מִשְּׂדֵ֣ה (misede) = van het veld van | אֲחֻזָּת֗וֹ (achuzato) = zijn bezit | יַקְדִּ֥ישׁ (yaqdish) = hij wijdt | אִישׁ֙ (ish) = een man | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | עֶרְכְּךָ֖ (erkekha) = jouw schatting | לְפִ֣י (lefi) = naar | זַרְע֑וֹ (zaro) = zijn zaaigoed | זֶ֚רַע (zera) = zaaigoed van | חֹ֣מֶר (chomer) = chomer | שְׂעֹרִ֔ים (seorim) = gerst | בַּחֲמִשִּׁ֖ים (bachamishim) = voor vijftig | שֶׁ֥קֶל (sheqel) = sikkel | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹמֶר (chomer), een inhoudsmaat: ongeveer 220 liter (10 efa; een efa is ongeveer 22 liter). Het veld wordt geschat naar de hoeveelheid gerst die erop gezaaid kan worden. 50 sikkels is ongeveer 570 gram zilver. Zie ook: Hos 3:2; Jes 5:10; Ezech 45:11–14; Hand 4:34–37; Hand 5:4 **27:17** **Wijdt hij zijn veld vanaf het jubeljaar, dan blijft het staan zoals jouw schatting is.** Brontekst: אִם (im) = als | מִשְּׁנַ֥ת (mishenat) = vanaf het jaar van | הַיֹּבֵ֖ל (hayovel) = het jubeljaar | יַקְדִּ֣ישׁ (yaqdish) = hij wijdt | שָׂדֵ֑הוּ (sadehu) = zijn veld | כְּעֶרְכְּךָ֖ (keerkekha) = zoals jouw schatting | יָקֽוּם (yaqum) = zal blijven staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie het veld vlak na het jubeljaar wijdt, krijgt de volle schatting. Hoe dichter bij het volgende jubeljaar, hoe lager het bedrag (vers 18). Zie Lev. 25:15–16. Zie ook: Lev 25:15–16; Lev 27:18 **27:18** **Wijdt hij zijn veld na het jubeljaar. Dan moet de priester voor hem het geld berekenen naar de jaren die nog overblijven tot het jubeljaar. En het wordt van jouw schatting afgetrokken.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אַחַ֣ר (achar) = na | הַיֹּבֵל֮ (hayovel) = het jubeljaar | יַקְדִּ֣ישׁ (yaqdish) = hij wijdt | שָׂדֵהוּ֒ (sadehu) = zijn veld | וְחִשַּׁב (vechishav) = en zal berekenen | ל֨וֹ (lo) = voor hem | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֗סֶף (hakesef) = het geld | עַל (al) = naar | פִּ֤י (pi) = de mond van | הַשָּׁנִים֙ (hashanim) = de jaren | הַנּ֣וֹתָרֹ֔ת (hanotarot) = die overblijven | עַ֖ד (ad) = tot | שְׁנַ֣ת (shenat) = jaar van | הַיֹּבֵ֑ל (hayovel) = het jubeljaar | וְנִגְרַ֖ע (venigra) = en het zal worden afgetrokken | מֵֽעֶרְכֶּֽךָ (meerkekha) = van jouw schatting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:15–16; Lev 25:27; Lev 25:51–52 **27:19** **Wil degene die het veld gewijd heeft het toch lossen, dan moet hij een vijfde van het geld van jouw schatting erbij doen, en het blijft van hem.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | גָּאֹ֤ל (gaol) = lossen | יִגְאַל֙ (yigal) = hij zal lossen | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | הַמַּקְדִּ֖ישׁ (hamaqdish) = die gewijd heeft | אֹת֑וֹ (oto) = het | וְ֠יָסַף (veyasaf) = en hij zal toevoegen | חֲמִשִׁ֧ית (chamishit) = vijfde van | כֶּֽסֶף (kesef) = geld van | עֶרְכְּךָ֛ (erkekha) = jouw schatting | עָלָ֖יו (alav) = erop | וְקָ֥ם (veqam) = en het zal blijven | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 27:13 **27:20** **Lost hij het veld niet, of heeft hij het veld aan een ander verkocht, dan kan het niet meer gelost worden.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֤א (lo) = niet | יִגְאַל֙ (yigal) = hij lost | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | וְאִם (veim) = en als | מָכַ֥ר (makhar) = hij verkocht | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | לְאִ֣ישׁ (leish) = aan een man | אַחֵ֑ר (acher) = andere | לֹ֥א (lo) = niet | יִגָּאֵ֖ל (yigael) = het zal gelost worden | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie het veld verkoopt: de eigenaar of het heiligdom. Wij houden ‘hij’. **27:21** **Wanneer het veld in het jubeljaar vrijkomt, is het heilig voor Yahweh, zoals een veld dat onder de ban is. Het wordt het bezit van de priester.** Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en zal zijn | הַשָּׂדֶ֜ה (hasade) = het veld | בְּצֵאת֣וֹ (betseto) = bij zijn uitgaan | בַיֹּבֵ֗ל (bayovel) = in het jubeljaar | קֹ֛דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | כִּשְׂדֵ֣ה (kisde) = zoals veld van | הַחֵ֑רֶם (hacherem) = de ban | לַכֹּהֵ֖ן (lakohen) = voor de priester | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | אֲחֻזָּתֽוֹ (achuzato) = zijn bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘ban’: iets wat volledig aan Yahweh is toegewijd en niet teruggenomen kan worden (zie vers 28). Het veld dat niet gelost is, wordt in het jubeljaar eigendom van de priester. Zie ook: Lev 25:10; Lev 25:28; Lev 25:31; Lev 27:28; Num 18:14; Ezech 44:29 **27:22** **Wijdt iemand aan Yahweh een veld dat hij gekocht heeft en dat niet bij het veld van zijn bezit hoort,** Brontekst: וְאִם֙ (veim) = en als | אֶת (et) = (obj.) | שְׂדֵ֣ה (sede) = veld van | מִקְנָת֔וֹ (miqnato) = zijn koop | אֲשֶׁ֕ר (asher) = dat | לֹ֖א (lo) = niet | מִשְּׂדֵ֣ה (misede) = van het veld van | אֲחֻזָּת֑וֹ (achuzato) = zijn bezit | יַקְדִּ֖ישׁ (yaqdish) = hij wijdt | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:10; Lev 25:25 **27:23** **dan moet de priester voor hem het bedrag van jouw schatting berekenen tot het jubeljaar. En hij moet jouw schatting op die dag geven als iets heiligs voor Yahweh.** Brontekst: וְחִשַּׁב (vechishav) = en zal berekenen | ל֣וֹ (lo) = voor hem | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | אֵ֚ת (et) = (obj.) | מִכְסַ֣ת (mikhsat) = bedrag van | הָֽעֶרְכְּךָ֔ (haerkekha) = de schatting | עַ֖ד (ad) = tot | שְׁנַ֣ת (shenat) = jaar van | הַיֹּבֵ֑ל (hayovel) = het jubeljaar | וְנָתַ֤ן (venatan) = en hij zal geven | אֶת (et) = (obj.) | הָעֶרְכְּךָ֙ (haerkekha) = de schatting | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 27:12; Lev 27:18 **27:24** **In het jubeljaar keert het veld terug naar degene van wie hij het gekocht heeft, naar degene aan wie het landbezit toebehoort.** Brontekst: בִּשְׁנַ֤ת (bishnat) = in het jaar van | הַיּוֹבֵל֙ (hayovel) = het jubeljaar | יָשׁ֣וּב (yashuv) = zal terugkeren | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | לַאֲשֶׁ֥ר (laasher) = naar degene | קָנָ֖הוּ (qanahu) = die kocht het | מֵאִתּ֑וֹ (meito) = van hem | לַאֲשֶׁר (laasher) = naar degene | ל֖וֹ (lo) = voor wie | אֲחֻזַּ֥ת (achuzat) = bezit van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:28; Lev 27:20 **27:25** **Elke schatting van jou moet in de sikkel van het heiligdom zijn: twintig gera is de sikkel.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elke | עֶרְכְּךָ֔ (erkekha) = jouw schatting | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | בְּשֶׁ֣קֶל (besheqel) = naar de sikkel van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | גֵּרָ֖ה (gera) = gera | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | הַשָּֽׁקֶל (hashaqel) = de sikkel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּרָה (gera): een sikkel is twintig gera (Exod. 30:13). Een gera is ongeveer 0,57 gram. Zie ook: Ex 30:13; Lev 27:3; Num 3:47; Num 18:16; Ezech 45:12 ### De eerstgeborene en de ban **27:26** **Alleen een eerstgeborene die voor Yahweh eerstgeboren is onder het vee, die mag niemand wijden. Of het een rund is of een stuk kleinvee, het is van Yahweh.** Brontekst: אַךְ (akh) = alleen | בְּכ֞וֹר (bekhor) = eerstgeborene | אֲשֶׁר (asher) = die | יְבֻכַּ֤ר (yevukar) = eerstgeboren is | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | בִּבְהֵמָ֔ה (bivhema) = onder het vee | לֹֽא (lo) = niet | יַקְדִּ֥ישׁ (yaqdish) = zal wijden | אִ֖ישׁ (ish) = een man | אֹת֑וֹ (oto) = het | אִם (im) = of | שׁ֣וֹר (shor) = rund | אִם (im) = of | שֶׂ֔ה (se) = kleinvee | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een eerstgeboren dier is al van Yahweh en kan dus niet nog eens gewijd worden (Exod. 13:2, 12). Een onrein eerstgeboren dier wordt vrijgekocht (vers 27). Zie ook: Ex 13:2; Ex 13:12–13; Ex 22:29; Lev 27:27; Num 18:17; Deut 15:19 **27:27** **Is het een onrein dier, dan moet hij het vrijkopen naar jouw schatting en er een vijfde bij doen. Wordt het niet gelost, dan wordt het verkocht naar jouw schatting.** Brontekst: וְאִ֨ם (veim) = en als | בַּבְּהֵמָ֤ה (babehema) = onder het dier | הַטְּמֵאָה֙ (hatemea) = onreine | וּפָדָ֣ה (ufada) = en hij zal vrijkopen | בְעֶרְכֶּ֔ךָ (beerkekha) = naar jouw schatting | וְיָסַ֥ף (veyasaf) = en hij zal toevoegen | חֲמִשִׁת֖וֹ (chamishito) = zijn vijfde | עָלָ֑יו (alav) = erop | וְאִם (veim) = en als | לֹ֥א (lo) = niet | יִגָּאֵ֖ל (yigael) = het gelost wordt | וְנִמְכַּ֥ר (venimkar) = en het wordt verkocht | בְּעֶרְכֶּֽךָ (beerkekha) = naar jouw schatting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’, en גָּאַל (ga’al), ‘lossen’. In Exod. 13:13 vertalen wij padah als ‘lossen’; hier, waar beide woorden samen staan, onderscheiden wij ze. Zie ook: Ex 13:13; Lev 27:11 **27:28** **Maar niets wat iemand van alles wat hij heeft onder de ban brengt voor Yahweh, mens, dier of veld van zijn bezit, mag verkocht of gelost worden. Alles wat onder de ban is, is hoogheilig voor Yahweh.** Brontekst: אַךְ (akh) = alleen | כָּל (kal) = elke | חֵ֡רֶם (cherem) = ban | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יַחֲרִם֩ (yacharim) = hij onder de ban brengt | אִ֨ישׁ (ish) = een man | לַֽיהוָ֜ה (laYahweh) = voor Yahweh | מִכָּל (mikal) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֗וֹ (lo) = van hem is | מֵאָדָ֤ם (meadam) = van mens | וּבְהֵמָה֙ (uvehema) = en dier | וּמִשְּׂדֵ֣ה (umisede) = en van het veld van | אֲחֻזָּת֔וֹ (achuzato) = zijn bezit | לֹ֥א (lo) = niet | יִמָּכֵ֖ר (yimakher) = wordt verkocht | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִגָּאֵ֑ל (yigael) = wordt gelost | כָּל (kal) = elke | חֵ֕רֶם (cherem) = ban | קֹֽדֶשׁ (qodesh) = heilig | קָֽדָשִׁ֥ים (qadashim) = van de heilige dingen | ה֖וּא (hu) = het is | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wat onder de ban is, is voorgoed van Yahweh en kan niet worden verkocht of gelost. Dit verschilt van de gelofte in vers 2–8, die wel kan worden afgekocht. Zie ook: Ex 22:19; Lev 27:2–8; Lev 27:21; Deut 20:16–17; Deut 25:19; Joz 6:17–19 **27:29** **Niemand van de mensen die onder de ban gebracht is, kan vrijgekocht worden. Hij moet zeker gedood worden.** Brontekst: כָּל (kal) = elke | חֵ֗רֶם (cherem) = ban | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | יָחֳרַ֛ם (yachoram) = onder de ban gebracht wordt | מִן (min) = van | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mens | לֹ֣א (lo) = niet | יִפָּדֶ֑ה (yipade) = wordt vrijgekocht | מ֖וֹת (mot) = doden | יוּמָֽת (yumat) = zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt niet welke mensen onder de ban vallen: waarschijnlijk wie tot de dood veroordeeld is (zie Exod. 22:19 voor de ban over wie aan andere goden offert). Daarom kan niemand van hen worden vrijgekocht. Zie ook: Ex 22:19; Num 21:2–3; 1 Sam 15:18–23 ### Het tiende deel **27:30** **Elk tiende deel van het land, van het zaad van het land en van de vrucht van de bomen, is van Yahweh. Het is heilig voor Yahweh.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | מַעְשַׂ֨ר (masar) = tiende deel van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | מִזֶּ֤רַע (mizera) = van het zaad van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | מִפְּרִ֣י (miperi) = van de vrucht van | הָעֵ֔ץ (haets) = de boom | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | ה֑וּא (hu) = het is | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende deel’. Zie ook Num. 18:21–32 en Deut. 14:22–29. Zie ook: Gen 28:22; Num 18:21–32; Deut 14:22–29; 2 Kron 31:5–6; Neh 10:38–39; Neh 13:12; Mat 23:23 **27:31** **Wil iemand toch iets van zijn tiende lossen, dan moet hij er een vijfde bij doen.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | גָּאֹ֥ל (gaol) = lossen | יִגְאַ֛ל (yigal) = hij zal lossen | אִ֖ישׁ (ish) = een man | מִמַּֽעַשְׂר֑וֹ (mimaasro) = van zijn tiende | חֲמִשִׁית֖וֹ (chamishito) = zijn vijfde | יֹסֵ֥ף (yosef) = hij zal toevoegen | עָלָֽיו (alav) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:32** **Elk tiende deel van het rundvee en het kleinvee, alles wat onder de staf doorgaat, het tiende, zal heilig zijn voor Yahweh.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en elk | מַעְשַׂ֤ר (masar) = tiende deel van | בָּקָר֙ (baqar) = rundvee | וָצֹ֔אן (vatson) = en kleinvee | כֹּ֥ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יַעֲבֹ֖ר (yaavor) = doorgaat | תַּ֣חַת (tachat) = onder | הַשָּׁ֑בֶט (hashavet) = de staf | הָֽעֲשִׂירִ֕י (haasiri) = het tiende | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | קֹּ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁבֶט (shevet), ‘staf’: de herder laat de dieren één voor één onder zijn staf doorgaan en telt ze; elk tiende dier is voor Yahweh. Zie ook: Mi 7:14; Jer 33:13; Ezech 20:37 **27:33** **Hij mag niet onderzoeken of het goed is of slecht, en hij mag het niet ruilen. Ruilt hij toch, dan zijn het dier en wat ervoor geruild is allebei heilig. Het mag niet gelost worden.”** Brontekst: לֹ֧א (lo) = niet | יְבַקֵּ֛ר (yevaqer) = hij zal onderzoeken | בֵּֽין (bein) = tussen | ט֥וֹב (tov) = goed | לָרַ֖ע (lara) = en slecht | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְמִירֶ֑נּוּ (yemirenu) = hij zal het ruilen | וְאִם (veim) = en als | הָמֵ֣ר (hamer) = ruilen | יְמִירֶ֔נּוּ (yemirenu) = hij zal het ruilen | וְהָֽיָה (vehaya) = dan zal zijn | ה֧וּא (hu) = het | וּתְמוּרָת֛וֹ (utemurato) = en wat ervoor geruild is | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לֹ֥א (lo) = niet | יִגָּאֵֽל (yigael) = zal gelost worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het tiende dier wordt niet uitgekozen op kwaliteit: de herder mag niet onderzoeken of het goed is of slecht, en het niet ruilen. Zie ook vers 10. Zie ook: Lev 27:10 ### Slot van het boek **27:34** Dit zijn de geboden die Yahweh Mozes voor de zonen van Israël geboden heeft op de berg Sinaï. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | הַמִּצְוֺ֗ת (hamitsvot) = de geboden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | צִוָּ֧ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶל (el) = aan | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בְּהַ֖ר (behar) = op de berg | סִינָֽי (sinay) = Sinaï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Uitleg: Het boek eindigt zoals het is begonnen: met de geboden aan Mozes bij de Sinaï. In Lev. 1:1 spreekt Yahweh tot Mozes vanuit de tent van samenkomst; in Lev. 25:1 en 26:46 en hier is de berg Sinaï genoemd. Voetnoot : Aansluiting op Numeri: Num. 1:1 begint met ‘Yahweh sprak tot Mozes in de woestijn van de Sinaï, in de tent van samenkomst, op de eerste dag van de tweede maand van het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte’. De tabernakel is opgericht op de eerste dag van de eerste maand (Exod. 40:17). Tussen die dag en Num. 1:1 ligt ongeveer een maand. Israël is dan nog steeds bij de Sinaï, en Numeri gaat verder met de telling van het volk. Zie ook: Ex 40:17; Lev 1:1; Lev 25:1; Lev 26:46; Num 1:1; Deut 4:5; Deut 4:45; Joh 1:17