# Klaagliederen (איכה, Eikhah) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Klaagliederen 1 _Klaaglied over de eenzame stad Jeruzalem_ ### De stad zit eenzaam en verlaten **1:1** Hoe zit zij daar, eenzaam, de stad die vol volk was! Als een weduwe is zij geworden, zij die groot was onder de volken. De vorstin onder de gewesten is een dwangarbeidster geworden. Brontekst: אֵיכָ֣ה (eikha) = hoe | יָשְׁבָ֣ה (yasheva) = zit zij | בָדָ֗ד (badad) = eenzaam | הָעִיר֙ (hair) = de stad | רַבָּ֣תִי (rabati) = vol van | עָ֔ם (am) = volk | הָיְתָ֖ה (hayeta) = zij is geworden | כְּאַלְמָנָ֑ה (kealmana) = als een weduwe | רַּבָּ֣תִי (rabati) = groot | בַגּוֹיִ֗ם (bagoyim) = onder de volken | שָׂרָ֨תִי֙ (sarati) = vorstin | בַּמְּדִינ֔וֹת (bamedinot) = onder de gewesten | הָיְתָ֖ה (hayeta) = zij is geworden | לָמַֽס (lamas) = tot dwangarbeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Klaagliederen 1 tot en met 4 zijn alfabetgedichten (acrostichons): elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. In hoofdstuk 3 begint elke drie verzen met dezelfde letter. Dit vers begint met de eerste letter, א (alef). Wij vervormen het Nederlands niet om die opbouw na te bootsen; zij is alleen in de grondtekst te zien. Hoofdstuk 5 heeft ook 22 verzen, maar is niet alfabetisch. Voetnoot : אֵיכָה (eikhah), ‘hoe’: een uitroep van klacht en ontzetting. Het is ook de Hebreeuwse naam van dit boek. Het woord opent ook Jes. 1:21 en staat in Deut. 1:12. Voetnoot : רַבָּתִי (rabbati), ‘vol van’ en ‘groot’: hetzelfde woord, twee keer. De stad was vol mensen en groot onder de volken. Voetnoot : מַס (mas), ‘dwangarbeid’: verplichte arbeid voor een overheerser, zoals in Deut. 20:11 en Joz. 16:10. Voetnoot : De stad is Jeruzalem; zij heet in dit hoofdstuk ook Sion, Juda en Dochter Sion. Zie ook: Deut 1:12; Deut 20:11; Joz 16:10; 1 Kon 5:1; Jes 1:21; Jes 3:26; Jes 54:4; Ezra 4:20; Openb 18:16–17 **1:2** Zij weent en weent in de nacht. Haar tranen lopen over haar wangen. Van al haar minnaars is er niemand die haar troost. Al haar vrienden hebben haar verraden. Zij zijn haar vijanden geworden. Brontekst: בָּכ֨וֹ (bakho) = weend | תִבְכֶּ֜ה (tivke) = zij weent | בַּלַּ֗יְלָה (balayla) = in de nacht | וְדִמְעָתָהּ֙ (vedimatah) = en haar tranen | עַ֣ל (al) = op | לֶֽחֱיָ֔הּ (lecheyah) = haar wangen | אֵֽין (ein) = niet is | לָ֥הּ (lah) = voor haar | מְנַחֵ֖ם (menachem) = trooster | מִכָּל (mikal) = van al | אֹהֲבֶ֑יהָ (ohaveiha) = haar minnaars | כָּל (kal) = al | רֵעֶ֨יהָ֙ (reeiha) = haar vrienden | בָּ֣גְדוּ (bagedu) = hebben verraden | בָ֔הּ (bah) = haar | הָ֥יוּ (hayu) = zij zijn geworden | לָ֖הּ (lah) = voor haar | לְאֹיְבִֽים (leoyevim) = tot vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹהֲבֶיהָ (ohaveiha), ‘haar minnaars’: de volken met wie Juda verbonden was en op wie zij steunde. Zie ook Hos. 2:7 (NL 2:5) en Jer. 30:14. Voetnoot : מְנַחֵם (menachem), ‘trooster’: van נִחַם (nicham), ‘troosten’. Dit woord keert terug in vers 9, 16, 17 en 21: er is niemand die troost. Zie ook: Job 19:13–14; Ps 6:7; Hos 2:7; Mi 7:5; Jer 30:14; Klaagl 1:9; Klaagl 1:16; Klaagl 1:17; Klaagl 1:19 **1:3** Juda is weggevoerd, na ellende en zware slavernij. Zij woont onder de volken en vindt geen rust. Al haar achtervolgers hebben haar ingehaald, midden in de benauwdheid. Brontekst: גָּֽלְתָ֨ה (galeta) = zij is weggevoerd | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | מֵעֹ֨נִי֙ (meoni) = na ellende | וּמֵרֹ֣ב (umerov) = en na veel | עֲבֹדָ֔ה (avoda) = slavernij | הִ֚יא (hi) = zij | יָשְׁבָ֣ה (yasheva) = zij woont | בַגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | לֹ֥א (lo) = niet | מָצְאָ֖ה (matsea) = zij heeft gevonden | מָנ֑וֹחַ (manoach) = rust | כָּל (kal) = al | רֹדְפֶ֥יהָ (rodefeiha) = haar achtervolgers | הִשִּׂיג֖וּהָ (hisiguha) = hebben haar ingehaald | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הַמְּצָרִֽים (hametsarim) = de benauwdheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעֹנִי (me’oni), ‘na ellende’: het voorzetsel מִן (min) kan ‘na’ of ‘vanwege’ betekenen. De ballingschap volgt op ellende en zware slavernij. Voetnoot : בֵּין הַמְּצָרִים (ben hammetsarim), ‘midden in de benauwdheid’: letterlijk ‘tussen de engten’. Het woord is verwant aan מֵצַר (metsar), ‘benauwdheid’ in Ps. 118:5. Zie ook: Lev 26:36–39; Ps 118:5; 2 Kon 24:14–15; 2 Kon 25:11; Klaagl 2:9; Klaagl 4:18–19 **1:4** De wegen naar Sion treuren, want niemand komt meer naar de feesttijd. Al haar poorten zijn verlaten. Haar priesters zuchten. Haar maagden zijn bedroefd. En zijzelf: het is bitter voor haar. Brontekst: דַּרְכֵ֨י (darkhei) = wegen van | צִיּ֜וֹן (tsiyon) = Sion | אֲבֵל֗וֹת (avelot) = treurend | מִבְּלִי֙ (mibeli) = omdat niet zijn | בָּאֵ֣י (baei) = komers naar | מוֹעֵ֔ד (moed) = de feesttijd | כָּל (kal) = al | שְׁעָרֶ֨יהָ֙ (sheareiha) = haar poorten | שֽׁוֹמֵמִ֔ין (shomemin) = verlaten | כֹּהֲנֶ֖יהָ (kohaneiha) = haar priesters | נֶאֱנָחִ֑ים (neenachim) = zuchtend | בְּתוּלֹתֶ֥יהָ (betuloteiha) = haar maagden | נּוּג֖וֹת (nugot) = bedroefd | וְהִ֥יא (vehi) = en zij | מַר (mar) = bitter | לָֽהּ (lah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מוֹעֵד (mo’ed), ‘feesttijd’: de vaste tijden waarop heel Israël naar de plaats van Yahweh optrok, zoals in Deut. 16:16. Het woord keert terug in vers 15 en in 2:6, 2:7 en 2:22. Voetnoot : נוּגוֹת (nugot), ‘bedroefd’: van יָגָה (yagah), ‘bedroeven’. Hetzelfde werkwoord staat in vers 5 en 12 (‘bedroefd’) en in 3:32–33. Zie ook: Deut 16:16; Joël 1:8–13; Jes 24:4–6; Jer 9:10; Jer 14:2; Klaagl 1:5; Klaagl 1:12; Klaagl 1:15; Klaagl 2:6–7 **1:5** Haar tegenstanders zijn de baas geworden. Haar vijanden leven in rust. Want Yahweh heeft haar bedroefd om haar vele overtredingen. Haar kleine kinderen zijn als gevangenen weggegaan, voor de tegenstander uit. Brontekst: הָי֨וּ (hayu) = zij zijn geworden | צָרֶ֤יהָ (tsareiha) = haar tegenstanders | לְרֹאשׁ֙ (lerosh) = tot hoofd | אֹיְבֶ֣יהָ (oyeveiha) = haar vijanden | שָׁל֔וּ (shalu) = zij leven in rust | כִּֽי (ki) = want | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | הוֹגָ֖הּ (hogah) = heeft bedroefd | עַ֣ל (al) = om | רֹב (rov) = veelheid van | פְּשָׁעֶ֑יהָ (peshaeiha) = haar overtredingen | עוֹלָלֶ֛יהָ (olaleiha) = haar kleine kinderen | הָלְכ֥וּ (halekhu) = zijn gegaan | שְׁבִ֖י (shevi) = gevangenschap | לִפְנֵי (lifnei) = voor het gezicht van | צָֽר (tsar) = de tegenstander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְרֹאשׁ (lerosh), ‘tot hoofd’: zij zijn de baas geworden. Het is het omgekeerde van Deut. 28:44, waar het volk ‘het hoofd’ had kunnen zijn. Voetnoot : עֹלָלֶיהָ (olaleiha), ‘haar kleine kinderen’: kinderen, ook zuigelingen. Het woord keert terug in 2:11, 2:19, 2:20 en 4:4. Zie ook: Deut 28:44; Deut 32:15–27; Ps 90:7–8; Jer 30:14–15; Jer 39:9; Ezech 8:17–18 **1:6** Uit Dochter Sion is al haar pracht vertrokken. Haar oversten zijn als herten geworden die geen weide vinden. Zonder kracht lopen zij voor de achtervolger uit. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en is vertrokken | מן (min) = uit | מִבַּת (mibat) = van de dochter van | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | כָּל (kal) = al | הֲדָרָ֑הּ (hadarah) = haar pracht | הָי֣וּ (hayu) = zij zijn geworden | שָׂרֶ֗יהָ (sareiha) = haar oversten | כְּאַיָּלִים֙ (keayalim) = als herten | לֹא (lo) = niet | מָצְא֣וּ (matseu) = zij vonden | מִרְעֶ֔ה (mire) = weide | וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en zij gaan | בְלֹא (belo) = zonder | כֹ֖חַ (koach) = kracht | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het gezicht van | רוֹדֵֽף (rodef) = een achtervolger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: de stad Jeruzalem als een jonge vrouw voorgesteld, zoals in Jes. 1:8. Wij houden ‘Dochter Sion’ als vaste naam. Voetnoot : אַיָּלִים (ayyalim), ‘herten’: dieren die zonder weide verzwakt raken. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) מִבַּת (mibbat), ‘van de dochter van’. De geschreven tekst (ketiv) heeft alleen בַּת (bat). Het woord מִן (min), ‘uit’, staat ervoor. Wij vertalen samen: ‘Uit Dochter Sion’. Zie ook: 2 Sam 4:11–12; Ps 96:9; 2 Kon 19:21; Jes 1:8; Jes 12:6; Ezech 24:25 **1:7** Jeruzalem denkt terug aan de dagen van haar ellende en haar zwerftochten, aan al haar kostbaarheden uit vroeger tijd. Toen haar volk in de hand van de tegenstander viel en niemand haar hielp, zagen haar tegenstanders het. Zij lachten om haar ondergang. Brontekst: זָֽכְרָ֣ה (zakhera) = zij denkt terug | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | יְמֵ֤י (yemei) = dagen van | עָנְיָהּ֙ (aneyah) = haar ellende | וּמְרוּדֶ֔יהָ (umerudeiha) = en haar zwerftochten | כֹּ֚ל (kol) = al | מַחֲמֻדֶ֔יהָ (machamudeiha) = haar kostbaarheden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָי֖וּ (hayu) = waren | מִ֣ימֵי (mimei) = van de dagen van | קֶ֑דֶם (qedem) = vroeger | בִּנְפֹ֧ל (binfol) = toen viel | עַמָּ֣הּ (amah) = haar volk | בְּיַד (beyad) = in de hand van | צָ֗ר (tsar) = de tegenstander | וְאֵ֤ין (veein) = en niet is | עוֹזֵר֙ (ozer) = een helper | לָ֔הּ (lah) = voor haar | רָא֣וּהָ (rauha) = zagen haar | צָרִ֔ים (tsarim) = tegenstanders | שָׂחֲק֖וּ (sachaqu) = zij lachten | עַ֥ל (al) = om | מִשְׁבַּתֶּֽהָ (mishbateha) = haar ondergang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מְרוּדֶיהָ (merudeha), ‘haar zwerftochten’: rusteloos rondtrekken. Het verwante woord staat in 3:19. Voetnoot : מִשְׁבַּתֶּהָ (mishbatteha), ‘haar ondergang’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij שָׁבַת (shavat), ‘ophouden’, en kan ook ‘haar ophouden’ of ‘haar sabbatten’ betekenen. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Deut 4:34–37; Ps 42:5; Ps 77:6–10; Ps 79:4; Hos 2:9 **1:8** Jeruzalem heeft zwaar gezondigd. Daarom is zij iets onreins geworden. Allen die haar eerden, verachten haar, want zij hebben haar naaktheid gezien. Ook zijzelf zucht en keert zich af. Brontekst: חֵ֤טְא (chete) = zonde | חָֽטְאָה֙ (chatea) = zij heeft gezondigd | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | עַל (al) = daarom | כֵּ֖ן (ken) = (zo) | לְנִידָ֣ה (lenida) = tot iets onreins | הָיָ֑תָה (hayata) = zij is geworden | כָּֽל (kal) = al | מְכַבְּדֶ֤יהָ (mekhabedeiha) = die haar eerden | הִזִּיל֨וּהָ֙ (hiziluha) = verachten haar | כִּי (ki) = want | רָא֣וּ (rau) = zij hebben gezien | עֶרְוָתָ֔הּ (ervatah) = haar naaktheid | גַּם (gam) = ook | הִ֥יא (hi) = zij | נֶאֶנְחָ֖ה (neencha) = zucht | וַתָּ֥שָׁב (vatashav) = en zij keert zich | אָחֽוֹר (achor) = terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נִידָה (nidah), ‘iets onreins’: het woord lijkt op נִדָּה (niddah), ‘onreinheid’ (Lev. 15:19). Het kan ook ‘iets waarvoor men het hoofd schudt’ betekenen (van נוּד, nud). Wij vertalen ‘iets onreins’, zoals ook in vers 17. Voetnoot : עֶרְוָה (ervah), ‘naaktheid’: het blootleggen en beschamen van de stad, zoals in Ezech. 16:37. Zie ook: Lev 15:19; Jes 59:2–13; Jer 13:22; Klaagl 1:4–5; Klaagl 1:11; Klaagl 1:17; Klaagl 1:20–22; Ezech 16:37 **1:9** Haar onreinheid zit in haar zomen. Zij dacht niet aan haar einde. Zij is ontstellend diep gezonken. Niemand troost haar. Zie, Yahweh, mijn ellende, want de vijand heeft zich groot gemaakt. Brontekst: טֻמְאָתָ֣הּ (tumatah) = haar onreinheid | בְּשׁוּלֶ֗יהָ (beshuleiha) = in haar zomen | לֹ֤א (lo) = niet | זָֽכְרָה֙ (zakhera) = zij dacht aan | אַחֲרִיתָ֔הּ (acharitah) = haar einde | וַתֵּ֣רֶד (vatered) = en zij is gedaald | פְּלָאִ֔ים (pelaim) = ontstellend | אֵ֥ין (ein) = niet is | מְנַחֵ֖ם (menachem) = een trooster | לָ֑הּ (lah) = voor haar | רְאֵ֤ה (ree) = zie | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | עָנְיִ֔י (aneyi) = mijn ellende | כִּ֥י (ki) = want | הִגְדִּ֖יל (higdil) = heeft zich groot gemaakt | אוֹיֵֽב (oyev) = de vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּלֶיהָ (shuleiha), ‘haar zomen’: de onderrand van het kleed. De onreinheid zit zichtbaar in de kleren, zoals in Jer. 13:22. Voetnoot : פְּלָאִים (pelaim), ‘ontstellend’: letterlijk ‘wonderlijk’. Haar val is verbijsterend. Voetnoot : Vanaf ‘Zie, Yahweh’ spreekt de stad zelf. Haar stem klinkt ook aan het slot van vers 11 en in vers 12–22. In de tekst staat niet aangegeven wie spreekt; de wisseling blijkt uit het ‘ik’ en ‘mijn’. Wij zetten geen aanhalingstekens. Voetnoot : אֲדֹנָי (Adonai) staat voor het eerst in vers 14. Zie ook: Deut 32:29; Ps 25:18; Pred 4:1; Jes 47:7; Jer 13:22; Klaagl 1:11; Klaagl 1:12–22; Klaagl 1:14; Klaagl 1:17 **1:10** De tegenstander heeft zijn hand uitgestrekt naar al haar kostbaarheden. Zij heeft gezien hoe volken haar heiligdom binnengingen, volken van wie U gezegd had dat zij Uw vergadering niet mochten binnengaan. Brontekst: יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | פָּ֣רַשׂ (paras) = heeft uitgestrekt | צָ֔ר (tsar) = de tegenstander | עַ֖ל (al) = naar | כָּל (kal) = al | מַחֲמַדֶּ֑יהָ (machamadeiha) = haar kostbaarheden | כִּֽי (ki) = want | רָאֲתָ֤ה (raata) = zij heeft gezien | גוֹיִם֙ (goyim) = volken | בָּ֣אוּ (bau) = zij zijn binnengegaan | מִקְדָּשָׁ֔הּ (miqdashah) = in haar heiligdom | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | צִוִּ֔יתָה (tsivita) = U hebt bevolen | לֹא (lo) = niet | יָבֹ֥אוּ (yavou) = zij zullen binnengaan | בַקָּהָ֖ל (baqahal) = in de vergadering | לָֽךְ (lakh) = Uw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: de tempel van Yahweh. Voetnoot : Het verbod waarnaar de zin verwijst, staat voor Ammonieten en Moabieten in Deut. 23:4 (NL 23:3). Zie ook: Deut 23:4; Ps 74:4–8; Jes 64:9–10; Jer 51:51; Neh 13:1 **1:11** Heel haar volk zucht en zoekt brood. Zij hebben hun kostbaarheden voor voedsel gegeven om weer op krachten te komen. Zie, Yahweh, en kijk: ik ben een verachte geworden. Brontekst: כָּל (kal) = al | עַמָּ֤הּ (amah) = haar volk | נֶאֱנָחִים֙ (neenachim) = zuchtend | מְבַקְּשִׁ֣ים (mevaqeshim) = zoekend | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | נָתְנ֧וּ (natenu) = zij hebben gegeven | מַחֲמַדֵּיהֶ֛ם (machamadeihem) = hun kostbaarheden | בְּאֹ֖כֶל (beokhel) = voor voedsel | לְהָשִׁ֣יב (lehashiv) = om terug te brengen | נָ֑פֶשׁ (nafesh) = leven | רְאֵ֤ה (ree) = zie | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְֽהַבִּ֔יטָה (vehabita) = en kijk | כִּ֥י (ki) = want | הָיִ֖יתִי (hayiti) = ik ben geworden | זוֹלֵלָֽה (zolela) = een verachte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זוֹלֵלָה (zolelah), ‘verachte’: het woord kan ook ‘gulzige’ betekenen (Deut. 21:20). Wij kiezen ‘verachte’, omdat het past bij הִזִּילוּהָ (hizilu-ha), ‘zij verachten haar’, in vers 8. Voetnoot : לְהָשִׁיב נֶפֶשׁ (lehashiv nefesh), ‘om weer op krachten te komen’: letterlijk ‘om de ziel terug te brengen’. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat voor ‘ziel, leven’; zie ook vers 16 en 19. Zie ook: Deut 21:20; Deut 28:52–57; 1 Sam 30:11–12; Jer 38:9; Jer 52:6; Klaagl 1:8; Klaagl 1:16; Klaagl 1:19; Klaagl 2:12 ### De stad roept de voorbijgangers aan **1:12** Raakt het jullie niet, alle voorbijgangers? Kijk en zie: is er een pijn zoals mijn pijn, die mij is aangedaan? Yahweh heeft mij bedroefd op de dag van Zijn brandende toorn. Brontekst: ל֣וֹא (lo) = raakt het niet | אֲלֵיכֶם֮ (aleikhem) = jullie | כָּל (kal) = al | עֹ֣בְרֵי (overei) = voorbijgangers van | דֶרֶךְ֒ (derekh) = de weg | הַבִּ֣יטוּ (habitu) = kijkt | וּרְא֗וּ (ureu) = en ziet | אִם (im) = of | יֵ֤שׁ (yesh) = er is | מַכְאוֹב֙ (makhov) = pijn | כְּמַכְאֹבִ֔י (kemakhovi) = zoals mijn pijn | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עוֹלַ֖ל (olal) = is aangedaan | לִ֑י (li) = aan mij | אֲשֶׁר֙ (asher) = waarmee | הוֹגָ֣ה (hoga) = heeft bedroefd | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | חֲר֥וֹן (charon) = gloed van | אַפּֽוֹ (apo) = Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לוֹא אֲלֵיכֶם (lo alekhem), ‘raakt het jullie niet’: de betekenis van deze twee woorden is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij kiezen een vraag aan de voorbijgangers. Voetnoot : De voorbijgangers zijn de mensen die langs de verwoeste stad komen; zie ook 2:15. Voetnoot : הוּגָה (hugah), ‘bedroefd’: zie vers 4 en 5. Zie ook: Jer 18:16; Jer 30:24; Klaagl 1:4; Klaagl 1:5; Klaagl 4:6–11; Dan 9:12; Luc 23:28–31 **1:13** Uit de hoogte heeft Hij vuur in mijn beenderen gezonden, en het overmeestert ze. Hij heeft een net voor mijn voeten gespreid. Hij heeft mij achterwaarts doen keren. Hij heeft mij tot een woestenij gemaakt, kwijnend de hele dag. Brontekst: מִמָּר֛וֹם (mimarom) = uit de hoogte | שָֽׁלַח (shalach) = Hij heeft gezonden | אֵ֥שׁ (esh) = vuur | בְּעַצְמֹתַ֖י (beatsmotay) = in mijn beenderen | וַיִּרְדֶּ֑נָּה (vayirdena) = en het overmeestert ze | פָּרַ֨שׂ (paras) = Hij heeft gespreid | רֶ֤שֶׁת (reshet) = een net | לְרַגְלַי֙ (leraglay) = voor mijn voeten | הֱשִׁיבַ֣נִי (heshivani) = Hij heeft mij doen keren | אָח֔וֹר (achor) = achterwaarts | נְתָנַ֨נִי֙ (netanani) = Hij heeft mij gemaakt | שֹֽׁמֵמָ֔ה (shomema) = tot een woestenij | כָּל (kal) = de hele | הַיּ֖וֹם (hayom) = dag | דָּוָֽה (dava) = kwijnend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּרְדֶּנָּה (vayyirdennah), ‘en het overmeestert ze’: het werkwoord kan van רָדָה (radah), ‘heersen’, komen. Het kan ook ‘en het daalt erin’ betekenen. De betekenis is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : דָּוָה (davah), ‘kwijnend’: ziek, zwak, zoals in vers 22 (דַּוָּי, davvay). Zie ook: Job 19:6; Job 30:30; Ps 22:15; Hab 3:16; Klaagl 1:22; Ezech 17:20 **1:14** Het juk van mijn overtredingen is door Zijn hand vastgebonden. Ze zijn ineengevlochten en op mijn nek gekomen. Hij heeft mijn kracht doen wankelen. De Heer heeft mij overgegeven in handen waartegen ik niet kan opstaan. Brontekst: נִשְׂקַד֩ (nisqad) = is vastgebonden | עֹ֨ל (ol) = juk van | פְּשָׁעַ֜י (peshaay) = mijn overtredingen | בְּיָד֗וֹ (beyado) = door Zijn hand | יִשְׂתָּֽרְג֛וּ (yistaregu) = zij zijn ineengevlochten | עָל֥וּ (alu) = zij zijn omhoog gekomen | עַל (al) = op | צַוָּארִ֖י (tsavari) = mijn nek | הִכְשִׁ֣יל (hikhshil) = Hij heeft laten wankelen | כֹּחִ֑י (kochi) = mijn kracht | נְתָנַ֣נִי (netanani) = Hij heeft mij gegeven | אֲדֹנָ֔י (adonay) = de Heer | בִּידֵ֖י (bidei) = in handen van | לֹא (lo) = niet | אוּכַ֥ל (ukhal) = ik kan | קֽוּם (qum) = opstaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: een titel van Yahweh. Wij vertalen hem als ‘de Heer’ en, als de dichter Hem aanspreekt, als ‘Heer’ (zie 3:58). Als de titel bij Yahweh staat, vertalen wij ‘Heer Yahweh’. Voetnoot : נִשְׂקַד (nisqad), ‘is vastgebonden’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Het beeld is een juk dat met touwen is vastgemaakt. Zie ook: Deut 28:48; Spr 5:22; Jes 47:6; Jer 28:14; Ezech 25:7 **1:15** De Heer heeft al mijn sterken in mijn midden terzijde geschoven. Hij heeft een feesttijd tegen mij uitgeroepen om mijn jongemannen te breken. De Heer heeft de wijnpers getreden voor de maagd, Dochter Juda. Brontekst: סִלָּ֨ה (sila) = Hij heeft terzijde geschoven | כָל (kal) = al | אַבִּירַ֤י (abiray) = mijn sterken | אֲדֹנָי֙ (adonay) = de Heer | בְּקִרְבִּ֔י (beqirbi) = in mijn midden | קָרָ֥א (qara) = Hij heeft geroepen | עָלַ֛י (alay) = tegen mij | מוֹעֵ֖ד (moed) = een feesttijd | לִשְׁבֹּ֣ר (lishbor) = om te breken | בַּחוּרָ֑י (bachuray) = mijn jongemannen | גַּ֚ת (gat) = wijnpers | דָּרַ֣ךְ (darakh) = Hij heeft getreden | אֲדֹנָ֔י (adonay) = de Heer | לִבְתוּלַ֖ת (livtulat) = voor de maagd | בַּת (bat) = dochter van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סִלָּה (sillah), ‘Hij heeft terzijde geschoven’: het is niet het woord ‘Sela’ uit de Psalmen. Het werkwoord komt ook voor in Ps. 119:118 (‘U verwerpt’). De betekenis is ‘wegwerpen als iets waardeloos’. Voetnoot : מוֹעֵד (mo’ed), ‘feesttijd’: Yahweh roept een ‘feesttijd’ uit, maar nu is het een dag van oordeel. Zie ook vers 4. Voetnoot : גַּת (gat), ‘wijnpers’: het beeld van het oordeel als het treden van druiven. Zie Jes. 63:3 en Joël 4:13 (NL 3:13). Zie ook: Ps 119:118; Joël 4:13; Jes 28:18; Jes 63:3; Klaagl 1:4; Mal 3:21; Heb 10:29; Openb 19:15 **1:16** Daarom huil ik. Mijn oog, mijn oog stroomt over van water. Want ver van mij is een trooster, iemand die mij weer op krachten brengt. Mijn zonen zijn verwoest, want de vijand heeft de overhand gekregen. Brontekst: עַל (al) = om | אֵ֣לֶּה (ele) = deze dingen | אֲנִ֣י (ani) = ik | בוֹכִיָּ֗ה (bokhiya) = huilend | עֵינִ֤י (eini) = mijn oog | עֵינִי֙ (eini) = mijn oog | יֹ֣רְדָה (yoreda) = daalt | מַּ֔יִם (mayim) = water | כִּֽי (ki) = want | רָחַ֥ק (rachaq) = is ver | מִמֶּ֛נִּי (mimeni) = van mij | מְנַחֵ֖ם (menachem) = een trooster | מֵשִׁ֣יב (meshiv) = die terugbrengt | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn ziel | הָי֤וּ (hayu) = zij zijn geworden | בָנַי֙ (banay) = mijn zonen | שֽׁוֹמֵמִ֔ים (shomemim) = verwoest | כִּ֥י (ki) = want | גָבַ֖ר (gavar) = heeft de overhand gekregen | אוֹיֵֽב (oyev) = de vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשִׁיב נַפְשִׁי (meshiv nafshi), ‘die mij weer op krachten brengt’: zoals in vers 11 en 19. Zie ook: Ps 119:136; Jer 13:17; Klaagl 1:2; Klaagl 1:11; Klaagl 1:19; Klaagl 2:18; Klaagl 3:48–49 **1:17** Sion strekt haar handen uit. Niemand troost haar. Yahweh heeft over Jakob bevolen dat zijn tegenstanders rondom hem zijn. Jeruzalem is onrein geworden te midden van hen. Brontekst: פֵּֽרְשָׂ֨ה (peresa) = heeft uitgespreid | צִיּ֜וֹן (tsiyon) = Sion | בְּיָדֶ֗יהָ (beyadeiha) = haar handen | אֵ֤ין (ein) = niet is | מְנַחֵם֙ (menachem) = een trooster | לָ֔הּ (lah) = voor haar | צִוָּ֧ה (tsiva) = Hij heeft bevolen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְיַעֲקֹ֖ב (leyaaqov) = over Jakob | סְבִיבָ֣יו (sevivav) = rondom hem | צָרָ֑יו (tsarav) = zijn tegenstanders | הָיְתָ֧ה (hayeta) = is geworden | יְרוּשָׁלִַ֛ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לְנִדָּ֖ה (lenida) = tot iets onreins | בֵּינֵיהֶֽם (beineihem) = tussen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Jakob staat hier voor het hele volk. Voetnoot : In dit vers praat de dichter weer over de stad in de derde persoon (‘Sion strekt haar handen uit’). Daarna volgt in vers 18 weer de stem van de stad. Zie ook: Jes 1:15; Jer 4:31; Jer 21:4–5; Jer 34:22; Klaagl 1:9; Klaagl 1:18 ### Yahweh is rechtvaardig **1:18** Yahweh is rechtvaardig, want tegen Zijn mond ben ik weerspannig geweest. Hoor toch, alle volken, en zie mijn pijn. Mijn maagden en mijn jongemannen zijn in gevangenschap gegaan. Brontekst: צַדִּ֥יק (tsadiq) = rechtvaardig | ה֛וּא (hu) = Hij | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֣י (ki) = want | פִ֣יהוּ (pihu) = Zijn mond | מָרִ֑יתִי (mariti) = ik ben weerspannig geweest | שִׁמְעוּ (shimu) = hoort | נָ֣א (na) = toch | כָל (kal) = al | הָֽעַמִּ֗ים (haamim) = de volken | וּרְאוּ֙ (ureu) = en ziet | מַכְאֹבִ֔י (makhovi) = mijn pijn | בְּתוּלֹתַ֥י (betulotay) = mijn maagden | וּבַחוּרַ֖י (uvachuray) = en mijn jongemannen | הָלְכ֥וּ (halekhu) = zijn gegaan | בַשֶּֽׁבִי (bashevi) = in gevangenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: de stad erkent dat Yahweh recht doet. Voetnoot : פִּיהוּ (pihu), ‘Zijn mond’: wat Yahweh gezegd en bevolen heeft. De stad zegt: ik ben weerspannig geweest tegen Zijn woord. Zie ook: 1 Sam 12:14–15; Ps 119:75; Sef 3:5; Jer 12:1; Klaagl 1:12 **1:19** Ik riep naar mijn minnaars, maar zij hebben mij bedrogen. Mijn priesters en mijn oudsten zijn in de stad omgekomen, terwijl zij voedsel zochten om weer op krachten te komen. Brontekst: קָרָ֤אתִי (qarati) = ik riep | לַֽמְאַהֲבַי֙ (lamahavay) = naar mijn minnaars | הֵ֣מָּה (hema) = zij | רִמּ֔וּנִי (rimuni) = hebben mij bedrogen | כֹּהֲנַ֥י (kohanay) = mijn priesters | וּזְקֵנַ֖י (uzeqenay) = en mijn oudsten | בָּעִ֣יר (bair) = in de stad | גָּוָ֑עוּ (gavau) = zijn omgekomen | כִּֽי (ki) = terwijl | בִקְשׁ֥וּ (biqshu) = zij zochten | אֹ֨כֶל֙ (okhel) = voedsel | לָ֔מוֹ (lamo) = voor zich | וְיָשִׁ֖יבוּ (veyashivu) = om te laten terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשָֽׁם (nafsham) = hun ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִמּוּנִי (rimmuni), ‘zij hebben mij bedrogen’: van רָמָה (ramah), ‘bedriegen’. De minnaars zijn de bondgenoten uit vers 2. Zie ook: Job 19:13–19; Jer 27:13–15; Klaagl 1:2; Klaagl 1:11; Klaagl 2:20 **1:20** Zie, Yahweh, want ik ben in nood. Mijn ingewanden koken. Mijn hart is in mijn binnenste omgekeerd, want ik ben zeer weerspannig geweest. Buiten maakt het zwaard kinderloos; binnen is het als de dood. Brontekst: רְאֵ֨ה (ree) = zie | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | צַר (tsar) = benauwd is het | לִי֙ (li) = voor mij | מֵעַ֣י (meay) = mijn ingewanden | חֳמַרְמָ֔רוּ (chomarmaru) = koken | נֶהְפַּ֤ךְ (nehpakh) = is omgekeerd | לִבִּי֙ (libi) = mijn hart | בְּקִרְבִּ֔י (beqirbi) = in mijn binnenste | כִּ֥י (ki) = want | מָר֖וֹ (maro) = zeer | מָרִ֑יתִי (mariti) = ik ben weerspannig geweest | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | שִׁכְּלָה (shikela) = maakt kinderloos | חֶ֖רֶב (cherev) = het zwaard | בַּבַּ֥יִת (babayit) = binnen | כַּמָּֽוֶת (kamavet) = als de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֳמַרְמָרוּ (chomarmaru), ‘koken’: het beeld van een onrustig kolkend binnenste. Voetnoot : מָרוֹ מָרִיתִי (maro mariti), ‘ik ben zeer weerspannig geweest’: het werkwoord staat twee keer, en dat geeft nadruk. Zie ook vers 18. Voetnoot : בַּבַּיִת כַּמָּוֶת (babayit kamavet), ‘binnen is het als de dood’: binnen het huis heerst honger en ziekte. Vergelijk Ezech. 7:15. Zie ook: Deut 32:25; Spr 28:13; Jes 16:11; Klaagl 1:18; Klaagl 2:11; Ezech 7:15 **1:21** Men heeft gehoord dat ik zucht, maar niemand troost mij. Al mijn vijanden hebben gehoord van het onheil dat mij treft. Zij zijn blij dat U het hebt gedaan. U hebt de dag laten komen die U hebt uitgeroepen. Laat hen worden zoals ik. Brontekst: שָׁמְע֞וּ (shameu) = zij hebben gehoord | כִּ֧י (ki) = dat | נֶאֱנָחָ֣ה (neenacha) = zuchtend | אָ֗נִי (ani) = ik | אֵ֤ין (ein) = niet is | מְנַחֵם֙ (menachem) = een trooster | לִ֔י (li) = voor mij | כָּל (kal) = al | אֹ֨יְבַ֜י (oyevay) = mijn vijanden | שָׁמְע֤וּ (shameu) = hebben gehoord | רָֽעָתִי֙ (raati) = mijn onheil | שָׂ֔שׂוּ (sasu) = zij zijn blij | כִּ֥י (ki) = dat | אַתָּ֖ה (ata) = U | עָשִׂ֑יתָ (asita) = hebt gedaan | הֵבֵ֥אתָ (heveta) = U hebt laten komen | יוֹם (yom) = de dag | קָרָ֖אתָ (qarata) = U hebt uitgeroepen | וְיִֽהְי֥וּ (veyihyu) = en laat hen zijn | כָמֽוֹנִי (kamoni) = zoals ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵבֵאתָ יוֹם־קָרָאתָ (heveta yom qarata), ‘U hebt de dag laten komen die U hebt uitgeroepen’: de vorm van het werkwoord kan ook een bede zijn (‘laat de dag komen’). Wij kiezen de voltooide vorm en laten daarna de bede volgen: ‘Laat hen worden zoals ik.’ Vers 22 vervolgt die bede. Zie ook: Jer 50:11; Klaagl 1:8; Klaagl 1:16; Klaagl 1:22; Klaagl 2:15 **1:22** Laat al hun kwaad voor U komen. Doe met hen wat U met mij hebt gedaan vanwege al mijn overtredingen. Want mijn zuchten zijn vele en mijn hart is ziek. Brontekst: תָּבֹ֨א (tavo) = laat komen | כָל (kal) = al | רָעָתָ֤ם (raatam) = hun kwaad | לְפָנֶ֨יךָ֙ (lefaneikha) = voor U | וְעוֹלֵ֣ל (veolel) = en doe | לָ֔מוֹ (lamo) = aan hen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עוֹלַ֛לְתָּ (olalta) = U hebt gedaan | לִ֖י (li) = aan mij | עַ֣ל (al) = vanwege | כָּל (kal) = al | פְּשָׁעָ֑י (peshaay) = mijn overtredingen | כִּֽי (ki) = want | רַבּ֥וֹת (rabot) = veel zijn | אַנְחֹתַ֖י (anchotay) = mijn zuchten | וְלִבִּ֥י (velibi) = en mijn hart | דַוָּֽי (davay) = ziek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 109:14–15; Jer 8:18; Klaagl 5:17; Neh 3:36–37; Openb 6:10 ## Klaagliederen 2 _Klaaglied over Yahweh's toorn over Sion_ ### De Heer is als een vijand geworden **2:1** Hoe heeft de Heer in Zijn toorn Dochter Sion met een wolk bedekt! Hij heeft de pracht van Israël uit de hemel op de aarde geworpen. Op de dag van Zijn toorn heeft Hij niet gedacht aan Zijn voetbank. Brontekst: אֵיכָה֩ (eikha) = hoe | יָעִ֨יב (yaiv) = heeft met een wolk bedekt | בְּאַפּ֤וֹ (beapo) = in Zijn toorn | אֲדֹנָי֙ (adonay) = de Heer | אֶת (et) = (obj.) | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | הִשְׁלִ֤יךְ (hishlikh) = Hij heeft neergeworpen | מִשָּׁמַ֨יִם֙ (mishamayim) = uit de hemel | אֶ֔רֶץ (erets) = op de aarde | תִּפְאֶ֖רֶת (tiferet) = pracht van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֹא (velo) = en niet | זָכַ֥ר (zakhar) = Hij heeft gedacht aan | הֲדֹם (hadom) = de voetbank van | רַגְלָ֖יו (raglav) = Zijn voeten | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | אַפּֽוֹ (apo) = Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk is een alfabetgedicht (acrostichon): elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Dit vers begint met א (alef), net als Klaagl. 1:1. Wij vervormen het Nederlands niet om die opbouw na te bootsen. Zie ook de uitleg bij 1:1 en bij vers 16. Voetnoot : אֵיכָה (eikhah), ‘hoe’: dezelfde klaagkreet als in 1:1. Voetnoot : יָעִיב (ya’iv), ‘met een wolk bedekt’: dit werkwoord komt alleen hier voor. Het hoort bij עָב (av), ‘wolk’. Het beeld is een donkere wolk van toorn boven Sion. Voetnoot : הֲדֹם רַגְלָיו (hadom raglav), ‘de voetbank van Zijn voeten’: de ark of de tempel; zie Ps. 99:5, Ps. 132:7 en 1 Kron. 28:2. תִּפְאֶרֶת יִשְׂרָאֵל (tif’eret Yisra’el), ‘de pracht van Israël’, is waarschijnlijk dezelfde plaats of de stad. Zie ook: 1 Kron 28:2; Ps 99:5; Ps 132:7; Klaagl 1:1; Klaagl 2:16; Klaagl 3:43–44; Ezech 28:14–16; Openb 12:7–9 **2:2** De Heer heeft alle woningen van Jakob verslonden, zonder medelijden. In Zijn woede heeft Hij de vestingen van Dochter Juda neergehaald. Hij heeft ze tot de grond gebracht. Hij heeft het koninkrijk en zijn oversten ontwijd. Brontekst: בִּלַּ֨ע (bila) = Hij heeft verslonden | אֲדֹנָ֜י (adonay) = de Heer | וְלֹ֣א (velo) = en niet | חָמַ֗ל (chamal) = Hij heeft medelijden gehad | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | נְא֣וֹת (neot) = woningen van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | הָרַ֧ס (haras) = Hij heeft neergehaald | בְּעֶבְרָת֛וֹ (beevrato) = in Zijn woede | מִבְצְרֵ֥י (mivtserei) = vestingen van | בַת (bat) = dochter van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | הִגִּ֣יעַ (higia) = Hij heeft gebracht | לָאָ֑רֶץ (laarets) = tot de aarde | חִלֵּ֥ל (chilel) = Hij heeft ontwijd | מַמְלָכָ֖ה (mamlakha) = koninkrijk | וְשָׂרֶֽיהָ (vesareiha) = en zijn oversten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאוֹת (ne’ot), ‘woningen’: weidegronden en verblijfplaatsen. Het woord kan ook ‘weiden’ betekenen. Voetnoot : חָמַל (chamal), ‘medelijden hebben’: het werkwoord keert terug in vers 17 en 21 en in 3:43. Telkens is het ‘geen medelijden’. Zie ook: Ps 89:40–41; Jes 25:12; Jes 43:28; Klaagl 2:17; Klaagl 2:21; Klaagl 3:43 **2:3** In brandende toorn heeft Hij heel de hoorn van Israël afgehakt. Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts laten keren voor de vijand. In Jakob heeft Hij gebrand als een vlammend vuur dat rondom verslindt. Brontekst: גָּדַ֣ע (gada) = Hij heeft afgehakt | בָּֽחֳרִי (bachori) = in gloed van | אַ֗ף (af) = toorn | כֹּ֚ל (kol) = al | קֶ֣רֶן (qeren) = hoorn van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הֵשִׁ֥יב (heshiv) = Hij heeft laten keren | אָח֛וֹר (achor) = achterwaarts | יְמִינ֖וֹ (yemino) = Zijn rechterhand | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor het gezicht van | אוֹיֵ֑ב (oyev) = de vijand | וַיִּבְעַ֤ר (vayivar) = en Hij heeft gebrand | בְּיַעֲקֹב֙ (beyaaqov) = in Jakob | כְּאֵ֣שׁ (keesh) = als vuur | לֶֽהָבָ֔ה (lehava) = vlam | אָכְלָ֖ה (akhela) = verslindend | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: het beeld van kracht en eer, zoals bij een stier. Zie ook vers 17 en Ps. 75:11 (NL 75:10). Voetnoot : יְמִינוֹ (yemino), ‘Zijn rechterhand’: de hand van hulp. Yahweh trekt haar terug, zodat Hij het volk niet meer helpt tegen de vijand. Zie ook: Ps 74:11; Ps 75:6; Ps 75:11; Jes 42:25; Jer 48:25; Klaagl 2:17 **2:4** Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand. Zijn rechterhand stond gereed als die van een tegenstander. Hij heeft gedood alles wat het oog begeerde. In de tent van Dochter Sion heeft Hij Zijn gramschap als vuur uitgegoten. Brontekst: דָּרַ֨ךְ (darakh) = Hij heeft gespannen | קַשְׁתּ֜וֹ (qashto) = Zijn boog | כְּאוֹיֵ֗ב (keoyev) = als een vijand | נִצָּ֤ב (nitsav) = staande | יְמִינוֹ֙ (yemino) = Zijn rechterhand | כְּצָ֔ר (ketsar) = als een tegenstander | וַֽיַּהֲרֹ֔ג (vayaharog) = en Hij heeft gedood | כֹּ֖ל (kol) = al | מַחֲמַדֵּי (machamadei) = wat kostbaar was voor | עָ֑יִן (ayin) = het oog | בְּאֹ֨הֶל֙ (beohel) = in de tent van | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | שָׁפַ֥ךְ (shafakh) = Hij heeft uitgegoten | כָּאֵ֖שׁ (kaesh) = als vuur | חֲמָתֽוֹ (chamato) = Zijn gramschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Yahweh treedt op als een vijand die met boog en rechterhand aanvalt. Het beeld loopt door in vers 5. Voetnoot : בָּאֹהֶל (be’ohel), ‘in de tent’: de woning van Dochter Sion, ook als beeld voor de stad. Zie ook: Job 6:4; Jes 42:25; Jer 7:20; Jer 21:5; Klaagl 2:5; Ezech 24:25 **2:5** De Heer is als een vijand geworden. Hij heeft Israël verslonden. Hij heeft al haar paleizen verslonden en zijn vestingen vernield. In Dochter Juda heeft Hij klacht en jammer vermenigvuldigd. Brontekst: הָיָ֨ה (haya) = Hij is geworden | אֲדֹנָ֤י (adonay) = de Heer | כְּאוֹיֵב֙ (keoyev) = als een vijand | בִּלַּ֣ע (bila) = Hij heeft verslonden | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בִּלַּע֙ (bila) = Hij heeft verslonden | כָּל (kal) = al | אַרְמְנוֹתֶ֔יהָ (armenoteiha) = haar paleizen | שִׁחֵ֖ת (shichet) = Hij heeft vernield | מִבְצָרָ֑יו (mivtsarav) = zijn vestingen | וַיֶּ֨רֶב֙ (vayerev) = en Hij heeft vermenigvuldigd | בְּבַת (bevat) = in de dochter van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | תַּאֲנִיָּ֖ה (taaniya) = klacht | וַאֲנִיָּֽה (vaaniya) = en jammer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּאֲנִיָּה וַאֲנִיָּה (ta’aniyyah va’aniyyah), ‘klacht en jammer’: een woordspel. Het eerste woord komt alleen hier voor; beide klinken als het werkwoord אנה (anah), ‘klagen’. Voetnoot : In de tekst staat ‘haar paleizen’ (Sion) en ‘zijn vestingen’ (Israël). Wij laten het wisselen van het voornaamwoord staan. Zie ook: 2 Kon 25:9; Jer 30:14; Jer 52:13; Klaagl 2:2; Klaagl 2:4 **2:6** Hij heeft Zijn hut afgebroken als een tuinhut. Hij heeft Zijn plaats van samenkomst vernield. Yahweh heeft in Sion feesttijd en sabbat doen vergeten. In de verontwaardiging van Zijn toorn heeft Hij koning en priester versmaad. Brontekst: וַיַּחְמֹ֤ס (vayachmos) = en Hij heeft weggerukt | כַּגַּן֙ (kagan) = als een tuin | שֻׂכּ֔וֹ (suko) = Zijn hut | שִׁחֵ֖ת (shichet) = Hij heeft vernield | מוֹעֲד֑וֹ (moado) = Zijn plaats van samenkomst | שִׁכַּ֨ח (shikach) = Hij heeft laten vergeten | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | בְּצִיּוֹן֙ (betsiyon) = in Sion | מוֹעֵ֣ד (moed) = feesttijd | וְשַׁבָּ֔ת (veshabat) = en sabbat | וַיִּנְאַ֥ץ (vayinats) = en Hij heeft versmaad | בְּזַֽעַם (bezaam) = in de verontwaardiging van | אַפּ֖וֹ (apo) = Zijn toorn | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning | וְכֹהֵֽן (vekhohen) = en priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שֻׂכּוֹ (sukko), ‘Zijn hut’: de tempel als hut of tent. De betekenis van het geheel is onzeker; het kan ook ‘als een tuin’ betekenen. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : מוֹעֲדוֹ (mo’ado), ‘Zijn plaats van samenkomst’: de tempel; het kan ook ‘Zijn vaste tijd’ betekenen. Het volgende woord מוֹעֵד (mo’ed) is ‘feesttijd’. Zie 1:4. Voetnoot : שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’. Zie ook: Jes 5:5; Sef 3:18; Klaagl 1:4; Klaagl 4:16; Klaagl 4:20 **2:7** De Heer heeft Zijn altaar verstoten en Zijn heiligdom verafschuwd. Hij heeft de muren van haar paleizen in de hand van de vijand overgeleverd. In het huis van Yahweh hebben zij hun stem laten horen, als op de dag van een feesttijd. Brontekst: זָנַ֨ח (zanach) = Hij heeft verstoten | אֲדֹנָ֤י (adonay) = de Heer | מִזְבְּחוֹ֙ (mizbecho) = Zijn altaar | נִאֵ֣ר (nier) = Hij heeft verafschuwd | מִקְדָּשׁ֔וֹ (miqdasho) = Zijn heiligdom | הִסְגִּיר֙ (hisgir) = Hij heeft overgeleverd | בְּיַד (beyad) = in de hand van | אוֹיֵ֔ב (oyev) = de vijand | חוֹמֹ֖ת (chomot) = muur van | אַרְמְנוֹתֶ֑יהָ (armenoteiha) = haar paleizen | ק֛וֹל (qol) = stem | נָתְנ֥וּ (natenu) = zij hebben gegeven | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כְּי֥וֹם (keyom) = als op de dag van | מוֹעֵֽד (moed) = feesttijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹל נָתְנוּ (qol natenu), ‘zij hebben hun stem laten horen’: de vijanden juichten in het huis van Yahweh, zoals men vroeger op de feesttijden zong. Zie ook: Ps 74:3–8; Amos 2:5; Jer 52:13; Ezech 7:20–22; Ezech 24:21 **2:8** Yahweh heeft besloten de muur van Dochter Sion te verwoesten. Hij heeft het meetsnoer gespannen. Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van het verslinden. Voorwal en muur liet Hij treuren; samen kwijnen ze weg. Brontekst: חָשַׁ֨ב (chashav) = Hij heeft besloten | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַשְׁחִית֙ (lehashchit) = om te verwoesten | חוֹמַ֣ת (chomat) = muur van | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | נָ֣טָה (nata) = Hij heeft gespannen | קָ֔ו (qav) = een meetsnoer | לֹא (lo) = niet | הֵשִׁ֥יב (heshiv) = Hij heeft teruggetrokken | יָד֖וֹ (yado) = Zijn hand | מִבַּלֵּ֑עַ (mibalea) = van het verslinden | וַיַּֽאֲבֶל (vayaavel) = en Hij heeft doen treuren | חֵ֥ל (chel) = voorwal | וְחוֹמָ֖ה (vechoma) = en muur | יַחְדָּ֥ו (yachdav) = samen | אֻמְלָֽלוּ (umlalu) = zij kwijnen weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קָו (qav), ‘meetsnoer’: een koord waarmee men afmeet wat men gaat afbreken, zoals in 2 Kon. 21:13 en Jes. 34:11. Voetnoot : חֵל (chel), ‘voorwal’: de lage buitenmuur voor de hoofdmuur. Zie ook: 2 Kon 21:13; Amos 7:7–8; Jes 3:26; Jes 34:11; Jer 14:2 **2:9** Haar poorten zijn in de aarde gezonken. Hij heeft haar grendels vernietigd en gebroken. Haar koning en haar oversten zijn onder de volken. Er is geen wet meer. Ook haar profeten vinden geen visioen van Yahweh. Brontekst: טָבְע֤וּ (taveu) = zij zijn gezonken | בָאָ֨רֶץ֙ (baarets) = in de aarde | שְׁעָרֶ֔יהָ (sheareiha) = haar poorten | אִבַּ֥ד (ibad) = Hij heeft vernietigd | וְשִׁבַּ֖ר (veshibar) = en gebroken | בְּרִיחֶ֑יהָ (bericheiha) = haar grendels | מַלְכָּ֨הּ (malkah) = haar koning | וְשָׂרֶ֤יהָ (vesareiha) = en haar oversten | בַגּוֹיִם֙ (bagoyim) = onder de volken | אֵ֣ין (ein) = niet is | תּוֹרָ֔ה (tora) = wet | גַּם (gam) = ook | נְבִיאֶ֕יהָ (nevieiha) = haar profeten | לֹא (lo) = niet | מָצְא֥וּ (matseu) = zij hebben gevonden | חָז֖וֹן (chazon) = visioen | מֵיְהוָֽה (meYahweh) = van Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. Zonder tempel en priesters wordt de Torah niet meer onderwezen. Voetnoot : חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: zoals in Jes. 1:1. Zie ook: Ps 74:9; 2 Kron 15:3; Hos 3:4; Jes 1:1; Ezech 7:26; Neh 1:3 **2:10** De oudsten van Dochter Sion zitten op de grond en zijn stil. Zij hebben stof op hun hoofd gegooid en rouwkleden omgegord. De maagden van Jeruzalem hebben hun hoofd naar de grond gebogen. Brontekst: יֵשְׁב֨וּ (yeshevu) = zij zitten | לָאָ֤רֶץ (laarets) = op de grond | יִדְּמוּ֙ (yidemu) = zij zijn stil | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | בַת (bat) = dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | הֶֽעֱל֤וּ (heelu) = zij hebben laten opgaan | עָפָר֙ (afar) = stof | עַל (al) = op | רֹאשָׁ֔ם (rosham) = hun hoofd | חָגְר֖וּ (chageru) = zij hebben omgegord | שַׂקִּ֑ים (saqim) = rouwkleden | הוֹרִ֤ידוּ (horidu) = zij hebben laten zakken | לָאָ֨רֶץ֙ (laarets) = naar de grond | רֹאשָׁ֔ן (roshan) = hun hoofd | בְּתוּלֹ֖ת (betulot) = maagden van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Stil zitten op de grond, stof op het hoofd en rouwkleden omgord zijn de tekenen van rouw, zoals in Job 2:12 en Ezech. 27:30–31. Zie ook: Job 2:12–13; Joz 7:6; Amos 8:3; Jes 3:26; Jes 15:3; Ezech 27:30–31 ### Mijn ogen zijn op van de tranen **2:11** Mijn ogen zijn op van de tranen. Mijn ingewanden koken. Mijn lever is op de grond uitgegoten om de breuk van de Dochter van mijn volk. Kind en zuigeling bezwijken op de pleinen van de stad. Brontekst: כָּל֨וּ (kalu) = zij zijn op | בַדְּמָע֤וֹת (bademaot) = door tranen | עֵינַי֙ (einay) = mijn ogen | חֳמַרְמְר֣וּ (chomarmeru) = koken | מֵעַ֔י (meay) = mijn ingewanden | נִשְׁפַּ֤ךְ (nishpakh) = is uitgegoten | לָאָ֨רֶץ֙ (laarets) = op de grond | כְּבֵדִ֔י (kevedi) = mijn lever | עַל (al) = over | שֶׁ֖בֶר (shever) = breuk van | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּ֑י (ami) = mijn volk | בֵּֽעָטֵ֤ף (beatef) = als zwak worden | עוֹלֵל֙ (olel) = kind | וְיוֹנֵ֔ק (veyoneq) = en zuigeling | בִּרְחֹב֖וֹת (birchovot) = op de pleinen van | קִרְיָֽה (qirya) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt de dichter in de eerste persoon (‘mijn ogen’). Voetnoot : כָּבֵד (kaved), ‘lever’: het uitgieten van het binnenste is een beeld van diepe rouw; vergelijk Job 16:13. Voetnoot : שֶׁבֶר בַּת־עַמִּי (sheber bat ammi), ‘de breuk van de Dochter van mijn volk’: zoals in Jer. 8:21. Het volk is als een jonge vrouw voorgesteld. Voetnoot : עֹלֵל (olel), ‘kind’, en יוֹנֵק (yoneq), ‘zuigeling’: de kleinsten lijden het eerst. Zie ook: Job 16:13; Jer 4:19; Jer 8:21; Klaagl 1:16; Klaagl 1:20; Klaagl 3:48–51 **2:12** Tegen hun moeders zeggen zij: „Waar zijn graan en wijn?” Zij bezwijken als een gesneuvelde op de pleinen van de stad. Hun leven vloeit weg in de schoot van hun moeders. Brontekst: לְאִמֹּתָם֙ (leimotam) = tegen hun moeders | יֹֽאמְר֔וּ (yomru) = zij zeggen | אַיֵּ֖ה (aye) = waar | דָּגָ֣ן (dagan) = graan | וָיָ֑יִן (vayayin) = en wijn | בְּהִֽתְעַטְּפָ֤ם (behitatefam) = terwijl zij zwak worden | כֶּֽחָלָל֙ (kechalal) = als een gesneuvelde | בִּרְחֹב֣וֹת (birchovot) = op de pleinen van | עִ֔יר (ir) = de stad | בְּהִשְׁתַּפֵּ֣ךְ (behishtapekh) = terwijl wordt uitgegoten | נַפְשָׁ֔ם (nafsham) = hun ziel | אֶל (el) = in | חֵ֖יק (cheiq) = de schoot van | אִמֹּתָֽם (imotam) = hun moeders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלָל (chalal), ‘gesneuvelde’: letterlijk ‘doorboorde’, iemand die in de strijd is gevallen. Het woord is hier een beeld van een uitgehongerd kind. Het staat ook in 4:9. Zie ook: Jes 53:12; Ezech 30:24 ### Wie kan je genezen? **2:13** Wat kan ik voor je getuigen? Waarmee kan ik je vergelijken, Dochter Jeruzalem? Waaraan kan ik je gelijkstellen om je te troosten, maagd, Dochter Sion? Want je breuk is zo groot als de zee. Wie kan je genezen? Brontekst: מָֽה (ma) = wat | אֲעִידֵ֞ךְ (aidekh) = kan ik voor je getuigen | מָ֣ה (ma) = wat | אֲדַמֶּה (adame) = kan ik vergelijken | לָּ֗ךְ (lakh) = met je | הַבַּת֙ (habat) = de dochter | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מָ֤ה (ma) = wat | אַשְׁוֶה (ashve) = kan ik gelijkstellen | לָּךְ֙ (lakh) = met je | וַאֲנַֽחֲמֵ֔ךְ (vaanachamekh) = en ik zal je troosten | בְּתוּלַ֖ת (betulat) = maagd | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֑וֹן (tsiyon) = Sion | כִּֽי (ki) = want | גָד֥וֹל (gadol) = groot | כַּיָּ֛ם (kayam) = als de zee | שִׁבְרֵ֖ךְ (shivrekh) = je breuk | מִ֥י (mi) = wie | יִרְפָּא (yirpa) = zal genezen | לָֽךְ (lakh) = je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מָה אֲעִידֵךְ (mah a’idekh), ‘wat kan ik voor je getuigen’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘waarmee kan ik je waarschuwen’ betekenen. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : שִׁבְרֵךְ (shivrekh), ‘je breuk’: zie vers 11. De breuk is zo groot als de zee. Zie ook: 2 Sam 5:20; Jer 8:22; Jer 14:17; Jer 30:12–15; Klaagl 1:12; Klaagl 2:11 **2:14** Je profeten hebben voor je uitspraken gezien van leegte en onzin. Zij hebben je schuld niet onthuld om je lot te keren. Zij hebben voor je lege uitspraken gezien, uitspraken die je verdreven. Brontekst: נְבִיאַ֗יִךְ (neviayikh) = je profeten | חָ֤זוּ (chazu) = hebben gezien | לָךְ֙ (lakh) = voor je | שָׁ֣וְא (shave) = leegte | וְתָפֵ֔ל (vetafel) = en onzin | וְלֹֽא (velo) = en niet | גִלּ֥וּ (gilu) = zij hebben onthuld | עַל (al) = over | עֲוֺנֵ֖ךְ (avonekh) = je schuld | לְהָשִׁ֣יב (lehashiv) = om terug te brengen | שְׁבוּתֵ֑ךְ (shevutekh) = je lot | וַיֶּ֣חֱזוּ (vayechezu) = en zij hebben gezien | לָ֔ךְ (lakh) = voor je | מַשְׂא֥וֹת (masot) = uitspraken van | שָׁ֖וְא (shave) = leegte | וּמַדּוּחִֽים (umaduchim) = en verdrijvingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot keren’: een vaste uitdrukking voor herstel, zoals in Jer. 29:14 en Jer. 30:3. Voetnoot : מַשָּׂאוֹת (massa’ot), ‘uitspraken’: het meervoud van מַשָּׂא (massa). Dat woord betekent letterlijk ‘last’, iets wat wordt gedragen. Het kan ook een uitspraak van een profeet aanduiden, die hij als last ‘opheft’ en uitspreekt (zoals in Jes. 13:1). Wij vertalen het hier als ‘uitspraken’, omdat er ‘leegte en onzin’ bij staat. Voetnoot : מַדּוּחִים (madduchim), ‘verdrijvingen’: van נָדַח (nadach), ‘verdrijven’. Het zijn uitspraken die tot verbanning leidden. Het woord kan ook ‘misleidingen’ betekenen. Voetnoot : De profeten hadden Juda niet gewaarschuwd voor haar schuld. Zie ook: Jes 13:1; Jes 58:1; Mi 3:5–7; Jer 5:31; Jer 29:14; Jer 30:3; Ezech 22:25; Ezech 22:28 **2:15** Allen die voorbijgaan, klappen over je in hun handen. Zij fluiten en schudden hun hoofd over Dochter Jeruzalem. „Is dit de stad waarvan men zei: ‘Volmaakt van schoonheid, vreugde van heel de aarde’?” Brontekst: סָֽפְק֨וּ (safequ) = zij klappen | עָלַ֤יִךְ (alayikh) = over je | כַּפַּ֨יִם֙ (kapayim) = handen | כָּל (kal) = al | עֹ֣בְרֵי (overei) = voorbijgangers van | דֶ֔רֶךְ (derekh) = de weg | שָֽׁרְקוּ֙ (sharequ) = zij fluiten | וַיָּנִ֣עוּ (vayaniu) = en zij schudden | רֹאשָׁ֔ם (rosham) = hun hoofd | עַל (al) = over | בַּ֖ת (bat) = dochter van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הֲזֹ֣את (hazot) = deze | הָעִ֗יר (hair) = de stad | שֶׁיֹּֽאמְרוּ֙ (sheyomru) = die zij zeiden | כְּלִ֣ילַת (kelilat) = volmaaktheid van | יֹ֔פִי (yofi) = schoonheid | מָשׂ֖וֹשׂ (masos) = vreugde van | לְכָל (lekhal) = voor heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: סָפַק כַּפַּיִם (safaq kappayim), ‘in de handen klappen’: een gebaar van spot, zoals in Job 27:23. שָׁרַק (sharaq), ‘fluiten’, en הֵנִיעַ רֹאשׁ (henia rosh), ‘het hoofd schudden’, zijn ook gebaren van spot (Jer. 19:8; Ps. 22:8, NL 22:7). Voetnoot : כְּלִילַת יֹפִי (kelilat yofi), ‘volmaakt van schoonheid’: zo noemt Ps. 50:2 Sion. מְשׂוֹשׂ כָּל־הָאָרֶץ (mesos kol ha’arets), ‘vreugde van heel de aarde’: zo staat het ook in Ps. 48:3 (NL 48:2). Zie ook: Job 27:23; Ps 22:8; Ps 48:3; Ps 50:2; Jer 18:16; Jer 19:8; Ezech 25:6 **2:16** Al je vijanden sperren hun mond tegen je open. Zij fluiten en knarsen met hun tanden. Zij zeggen: „Wij hebben haar verslonden! Zeker, dit is de dag waarop wij hoopten. Wij hebben hem bereikt, wij hebben hem gezien.” Brontekst: פָּצ֨וּ (patsu) = zij hebben opengesperd | עָלַ֤יִךְ (alayikh) = tegen je | פִּיהֶם֙ (pihem) = hun mond | כָּל (kal) = al | א֣וֹיְבַ֔יִךְ (oyevayikh) = je vijanden | שָֽׁרְקוּ֙ (sharequ) = zij fluiten | וַיַּֽחַרְקוּ (vayacharqu) = en zij knarsen | שֵׁ֔ן (shen) = tand | אָמְר֖וּ (ameru) = zij zeggen | בִּלָּ֑עְנוּ (bilaenu) = wij hebben verslonden | אַ֣ךְ (akh) = zeker | זֶ֥ה (ze) = dit | הַיּ֛וֹם (hayom) = de dag | שֶׁקִּוִּינֻ֖הוּ (sheqivinuhu) = waarop wij hoopten | מָצָ֥אנוּ (matsanu) = wij hebben bereikt | רָאִֽינוּ (rainu) = wij hebben gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers begint met פ (pe); vers 17 begint met ע (ayin). In Klaagl. 1:16–17 is de volgorde omgekeerd: daar staat de ayin vóór de pe. In hoofdstuk 3 en 4 staat de pe, net als hier, vóór de ayin. De volgorde van het alfabet was dus niet overal gelijk. Voetnoot : פָּצוּ פִיהֶם (patsu fihem), ‘zij sperren hun mond open’: zoals in Job 16:10 en Ps. 22:14 (NL 22:13). Zie ook: Job 16:9–10; Job 16:10; Ps 22:14; Ps 35:21; Ps 37:12; Ps 56:3; Klaagl 1:16–17; Klaagl 2:17; Klaagl 3:46 **2:17** Yahweh heeft gedaan wat Hij van plan was. Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij vanouds had bevolen. Hij heeft neergehaald zonder medelijden. Hij heeft de vijand over je laten juichen. Hij heeft de hoorn van je tegenstanders omhooggebracht. Brontekst: עָשָׂ֨ה (asa) = Hij heeft gedaan | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | זָמָ֗ם (zamam) = Hij had gepland | בִּצַּ֤ע (bitsa) = Hij heeft vervuld | אֶמְרָתוֹ֙ (emrato) = Zijn woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | צִוָּ֣ה (tsiva) = Hij had bevolen | מִֽימֵי (mimei) = van de dagen van | קֶ֔דֶם (qedem) = vroeger | הָרַ֖ס (haras) = Hij heeft neergehaald | וְלֹ֣א (velo) = en niet | חָמָ֑ל (chamal) = Hij had medelijden | וַיְשַׂמַּ֤ח (vaysamach) = en Hij heeft laten verblijden | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = over je | אוֹיֵ֔ב (oyev) = de vijand | הֵרִ֖ים (herim) = Hij heeft verhoogd | קֶ֥רֶן (qeren) = hoorn van | צָרָֽיִךְ (tsarayikh) = je tegenstanders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּצַּע אֶמְרָתוֹ (bitsa emrato), ‘Hij heeft Zijn woord vervuld’: het woord van de vloeken van het verbond (Lev. 26; Deut. 28), dat Hij vanouds had gesproken. Voetnoot : קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: zie vers 3. De hoorn van Israël is afgehakt; de hoorn van de tegenstanders is verhoogd. Zie ook: Deut 28:15–68; Ps 89:43; Klaagl 1:5; Klaagl 2:3; Ezech 5:11; Ezech 7:8–9 ### Roep tot de Heer **2:18** Hun hart riep tot de Heer. Muur van Dochter Sion, laat dag en nacht tranen als een beek neerstromen. Gun jezelf geen rust. Laat de dochter van je oog niet stilstaan. Brontekst: צָעַ֥ק (tsaaq) = het heeft geroepen | לִבָּ֖ם (libam) = hun hart | אֶל (el) = tot | אֲדֹנָ֑י (adonay) = de Heer | חוֹמַ֣ת (chomat) = muur van | בַּת (bat) = dochter van | צִ֠יּוֹן (tsiyon) = Sion | הוֹרִ֨ידִי (horidi) = laat neerstromen | כַנַּ֤חַל (kanachal) = als een beek | דִּמְעָה֙ (dima) = tranen | יוֹמָ֣ם (yomam) = overdag | וָלַ֔יְלָה (valayla) = en 's nachts | אַֽל (al) = niet | תִּתְּנִ֤י (titeni) = geef | פוּגַת֙ (pugat) = rust | לָ֔ךְ (lakh) = aan jezelf | אַל (al) = niet | תִּדֹּ֖ם (tidom) = laat stilstaan | בַּת (bat) = dochter van | עֵינֵֽךְ (einekh) = je oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חוֹמַת בַּת־צִיּוֹן (chomat bat Tsiyyon), ‘muur van Dochter Sion’: de muur wordt als persoon aangesproken. De woorden komen van het hart van het volk. Voetnoot : בַּת־עֵינֵךְ (bat einekh), ‘de dochter van je oog’: de oogappel, zoals in Ps. 17:8. Zij mag niet ophouden met tranen. Voetnoot : פּוּגָה (pugah), ‘rust’: dit woord komt alleen hier voor. Het betekent ‘verlamming, stilstand’. Zie ook: Ps 17:8; Ps 119:136; Ps 119:145; Jer 8:23; Klaagl 2:8; Klaagl 3:48–49 **2:19** Sta op, roep het uit in de nacht, bij het begin van de nachtwaken. Giet je hart uit als water voor het aangezicht van de Heer. Til je handen naar Hem op voor het leven van je kleine kinderen, die van honger bezwijken aan het begin van alle straten. Brontekst: ק֣וּמִי (qumi) = sta op | רֹ֣נִּי (roni) = roep het uit | בַלַּ֗יְלָה (balayla) = in de nacht | לְרֹאשׁ֙ (lerosh) = bij het begin van | אַשְׁמֻר֔וֹת (ashmurot) = de nachtwaken | שִׁפְכִ֤י (shifkhi) = giet uit | כַמַּ֨יִם֙ (kamayim) = als water | לִבֵּ֔ךְ (libekh) = je hart | נֹ֖כַח (nokhach) = tegenover | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | אֲדֹנָ֑י (adonay) = de Heer | שְׂאִ֧י (sei) = til op | אֵלָ֣יו (elav) = naar Hem | כַּפַּ֗יִךְ (kapayikh) = je handen | עַל (al) = voor | נֶ֨פֶשׁ֙ (nefesh) = het leven van | עֽוֹלָלַ֔יִךְ (olalayikh) = je kleine kinderen | הָעֲטוּפִ֥ים (haatufim) = die bezwijken | בְּרָעָ֖ב (beraav) = van honger | בְּרֹ֥אשׁ (berosh) = aan het hoofd van | כָּל (kal) = alle | חוּצֽוֹת (chutsot) = straten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָנִּי (ronni), ‘roep het uit’: het werkwoord betekent ‘jubelen’, maar ook ‘luid roepen’. Hier is het een luide klacht. Voetnoot : אַשְׁמֻרוֹת (ashmurot), ‘nachtwaken’: de nacht werd verdeeld in drie wakes. Zie Richt. 7:19. Voetnoot : עֹלָלַיִךְ (olalayikh), ‘je kleine kinderen’: zie 1:5. Zie ook: Re 7:19; Ps 62:9; Ps 119:147–148; Ps 142:3; Jes 26:9; Mar 1:35 ### Zie, Yahweh, en kijk **2:20** Zie, Yahweh, en kijk: aan wie hebt U dit ooit aangedaan? Moeten vrouwen hun vrucht eten, de kinderen die zij op handen droegen? Moeten in het heiligdom van de Heer priester en profeet gedood worden? Brontekst: רְאֵ֤ה (ree) = zie | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְֽהַבִּ֔יטָה (vehabita) = en kijk | לְמִ֖י (lemi) = aan wie | עוֹלַ֣לְתָּ (olalta) = U hebt aangedaan | כֹּ֑ה (ko) = zo | אִם (im) = of | תֹּאכַ֨לְנָה (tokhalna) = zullen eten | נָשִׁ֤ים (nashim) = vrouwen | פִּרְיָם֙ (piryam) = hun vrucht | עֹלֲלֵ֣י (olalei) = kinderen van | טִפֻּחִ֔ים (tipuchim) = die zij op handen droegen | אִם (im) = of | יֵהָרֵ֛ג (yehareg) = zal gedood worden | בְּמִקְדַּ֥שׁ (bemiqdash) = in het heiligdom van | אֲדֹנָ֖י (adonay) = de Heer | כֹּהֵ֥ן (kohen) = priester | וְנָבִֽיא (venavi) = en profeet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier is Sion zelf weer de spreker. Zij bidt tot Yahweh. Voetnoot : טִפֻּחִים (tippuchim), ‘die zij op handen droegen’: het woord komt alleen hier voor. Het kan ‘gekoesterd’ of ‘handbreedte groot’ betekenen. Wij volgen ‘op handen gedragen’. Voetnoot : Dat vrouwen hun kinderen aten, is de vervulling van de vloek in Lev. 26:29 en Deut. 28:53–57. Zie ook: Ex 32:11; Lev 26:29; Deut 9:26; Deut 28:53–57; Ps 78:64; Jer 19:9; Klaagl 4:10 **2:21** Op de grond in de straten liggen jongen en oude man. Mijn maagden en mijn jongemannen zijn door het zwaard gevallen. U hebt gedood op de dag van Uw toorn. U hebt geslacht, zonder medelijden. Brontekst: שָׁכְב֨וּ (shakhevu) = zij liggen | לָאָ֤רֶץ (laarets) = op de grond | חוּצוֹת֙ (chutsot) = straten | נַ֣עַר (naar) = jongen | וְזָקֵ֔ן (vezaqen) = en oude man | בְּתוּלֹתַ֥י (betulotay) = mijn maagden | וּבַחוּרַ֖י (uvachuray) = en mijn jongemannen | נָפְל֣וּ (nafelu) = zij zijn gevallen | בֶחָ֑רֶב (becharev) = door het zwaard | הָרַ֨גְתָּ֙ (haragta) = U hebt gedood | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | אַפֶּ֔ךָ (apekha) = Uw toorn | טָבַ֖חְתָּ (tavachta) = U hebt geslacht | לֹ֥א (lo) = niet | חָמָֽלְתָּ (chamalta) = U had medelijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 36:17; Jer 13:14; Jer 18:21; Klaagl 3:43; Zach 11:6 **2:22** U hebt mijn verschrikkingen van rondom uitgeroepen, als voor een feesttijd. Op de dag van de toorn van Yahweh was er niemand die ontkwam of overbleef. Wie ik op handen heb gedragen en heb grootgebracht, mijn vijand heeft hen allen vernietigd. Brontekst: תִּקְרָא֩ (tiqra) = U hebt uitgeroepen | כְי֨וֹם (keyom) = als op de dag van | מוֹעֵ֤ד (moed) = feesttijd | מְגוּרַי֙ (meguray) = mijn verschrikkingen | מִסָּבִ֔יב (misaviv) = van rondom | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הָיָ֛ה (haya) = was | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | אַף (af) = toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | פָּלִ֣יט (palit) = ontkomene | וְשָׂרִ֑יד (vesarid) = en overlevende | אֲשֶׁר (asher) = die | טִפַּ֥חְתִּי (tipachti) = ik op handen droeg | וְרִבִּ֖יתִי (veribiti) = en ik heb groot gemaakt | אֹיְבִ֥י (oyevi) = mijn vijand | כִלָּֽם (kilam) = heeft hen vernietigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְגוּרַי מִסָּבִיב (megurai missaviv), ‘mijn verschrikkingen van rondom’: ‘schrik rondom’ (magor missaviv) is een vaste uitdrukking in Jer. 6:25, Jer. 20:10 en Ps. 31:14 (NL 31:13). Voetnoot : כְּיוֹם מוֹעֵד (keyom mo’ed), ‘als op de dag van een feesttijd’: Yahweh heeft de verschrikkingen uitgenodigd zoals men gasten voor een feest uitnodigt. Voetnoot : כִּלָּם (killam), ‘heeft hen vernietigd’: zij zijn tot het einde gekomen. De dichter noemt de kinderen van vers 20. Zie ook: Ps 31:14; Jes 24:17–18; Jer 6:25; Jer 16:2–4; Jer 20:3; Jer 20:10; Klaagl 2:20 ## Klaagliederen 3 _Klaaglied van de man die ellende heeft gezien, en zijn hoop op Yahweh_ ### De man die ellende heeft gezien **3:1** Ik ben de man die ellende heeft gezien onder de stok van Zijn woede. Brontekst: אֲנִ֤י (ani) = ik | הַגֶּ֨בֶר֙ (hagever) = de man | רָאָ֣ה (raa) = heeft gezien | עֳנִ֔י (oni) = ellende | בְּשֵׁ֖בֶט (beshevet) = met de stok van | עֶבְרָתֽוֹ (evrato) = Zijn woede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk is een drievoudig alfabetgedicht (acrostichon): drie verzen achter elkaar beginnen met dezelfde letter. Vers 1–3 beginnen met א (alef), 4–6 met ב (bet), 7–9 met ג (gimel), 10–12 met ד (dalet), 13–15 met ה (he), 16–18 met ו (vav), 19–21 met ז (zajin), 22–24 met ח (chet), 25–27 met ט (tet), 28–30 met י (jod), 31–33 met כ (kaf), 34–36 met ל (lamed), 37–39 met מ (mem), 40–42 met נ (noen), 43–45 met ס (samech), 46–48 met פ (pe), 49–51 met ע (ayin), 52–54 met צ (tsade), 55–57 met ק (qof), 58–60 met ר (resj), 61–63 met שׁ (sjin) en 64–66 met ת (tav). Wij vervormen het Nederlands niet om die opbouw na te bootsen. Voetnoot : גֶּבֶר (gever), ‘man’: een sterke man. De ‘ik’ van dit hoofdstuk noemt zich zo, en spreekt voor allen die lijden. Voetnoot : שֵׁבֶט (shevet), ‘stok’: de stok waarmee men straft, zoals in Spr. 22:15. Voetnoot : עֶבְרָה (evrah), ‘woede’: zoals in 2:2. Zie ook: Job 19:21; Ps 88:8; Ps 88:16–17; Spr 22:15; Jes 53:3; Klaagl 1:12–14 **3:2** Mij heeft Hij geleid en laten gaan in duisternis, en niet in licht. Brontekst: אוֹתִ֥י (oti) = mij | נָהַ֛ג (nahag) = Hij heeft geleid | וַיֹּלַ֖ךְ (vayolakh) = en Hij heeft laten gaan | חֹ֥שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וְלֹא (velo) = en niet | אֽוֹר (or) = licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 30:26; Amos 5:18–20; Jes 59:9; Klaagl 2:1; Klaagl 3:53–55 **3:3** Zeker, tegen mij keert Hij Zijn hand steeds opnieuw, de hele dag. Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = zeker | בִּ֥י (bi) = tegen mij | יָשֻׁ֛ב (yashuv) = steeds opnieuw | יַהֲפֹ֥ךְ (yahafokh) = Hij keert | יָד֖וֹ (yado) = Zijn hand | כָּל (kal) = de hele | הַיּֽוֹם (hayom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:21; Deut 29:19; Jes 1:25; Jes 5:25; Klaagl 2:4–7 **3:4** Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen verslijten. Hij heeft mijn beenderen gebroken. Brontekst: בִּלָּ֤ה (bila) = Hij heeft doen verslijten | בְשָׂרִי֙ (besari) = mijn vlees | וְעוֹרִ֔י (veori) = en mijn huid | שִׁבַּ֖ר (shibar) = Hij heeft gebroken | עַצְמוֹתָֽי (atsmotay) = mijn beenderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 31:10–11; Ps 38:3–9; Ps 51:10; Jes 38:13; Jer 50:17 **3:5** Hij heeft tegen mij gebouwd en mij omringd met gif en moeite. Brontekst: בָּנָ֥ה (bana) = Hij heeft gebouwd | עָלַ֛י (alay) = tegen mij | וַיַּקַּ֖ף (vayaqaf) = en Hij heeft omringd | רֹ֥אשׁ (rosh) = gif | וּתְלָאָֽה (utelaa) = en moeite Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹאשׁ (rosh), ‘gif’: een giftige, bittere plant of het gif ervan. Het staat vaak naast לַעֲנָה (la’anah), ‘alsem’, zoals in Deut. 29:17 (NL 29:18) en hier in vers 19. Voetnoot : תְּלָאָה (tela’ah), ‘moeite’: zwoegen en ellende. Zie ook: Job 19:8; Deut 29:17; Ps 69:22; Jer 9:14; Jer 23:15; Klaagl 3:19 **3:6** In duistere plaatsen heeft Hij mij laten wonen, zoals zij die lang geleden gestorven zijn. Brontekst: בְּמַחֲשַׁכִּ֥ים (bemachashakim) = in duistere plaatsen | הוֹשִׁיבַ֖נִי (hoshivani) = Hij heeft mij laten wonen | כְּמֵתֵ֥י (kemetei) = zoals doden van | עוֹלָֽם (olam) = lang geleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 6 staat in dezelfde woorden als Ps. 143:3: ‘zoals zij die lang geleden gestorven zijn’ (kemetei olam). Zie ook: Ps 88:6–7; Ps 143:3; Ps 143:7 **3:7** Hij heeft een muur om mij heen gebouwd, zodat ik niet naar buiten kan. Hij heeft mijn koperen boeien zwaar gemaakt. Brontekst: גָּדַ֧ר (gadar) = Hij heeft omheind | בַּעֲדִ֛י (baadi) = om mij heen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֵצֵ֖א (etse) = ik kan naar buiten gaan | הִכְבִּ֥יד (hikhbid) = Hij heeft zwaar gemaakt | נְחָשְׁתִּֽי (nechashti) = mijn koperen boeien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: het kan ook ‘brons’ betekenen. Het woord נְחֹשְׁתִּי (nechoshti) staat hier voor ‘mijn koperen boeien’, ketens van koper. Zie ook: Job 3:23; Job 19:8; Hos 2:8; Jer 38:6; Klaagl 1:14 **3:8** Ook als ik roep en om hulp schreeuw, houdt Hij mijn gebed tegen. Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | כִּ֤י (ki) = als | אֶזְעַק֙ (ezaq) = ik roep | וַאֲשַׁוֵּ֔עַ (vaashavea) = en ik schreeuw om hulp | שָׂתַ֖ם (satam) = Hij houdt tegen | תְּפִלָּתִֽי (tefilati) = mijn gebed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂתַם (satam), ‘Hij houdt tegen’: letterlijk ‘Hij stopt dicht’. Het gebed komt niet door. Zie ook vers 44. Zie ook: Job 19:7; Job 30:20; Ps 22:3; Klaagl 3:44; Mat 27:46 **3:9** Hij heeft mijn wegen met gehouwen steen afgesloten. Hij heeft mijn paden krom gemaakt. Brontekst: גָּדַ֤ר (gadar) = Hij heeft omheind | דְּרָכַי֙ (derakhay) = mijn wegen | בְּגָזִ֔ית (begazit) = met gehouwen steen | נְתִיבֹתַ֖י (netivotay) = mijn paden | עִוָּֽה (iva) = Hij heeft krom gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 2:8; Jes 30:28; Jes 63:17; Klaagl 3:11 **3:10** Een beer die op de loer ligt, is Hij voor mij, een leeuw in schuilplaatsen. Brontekst: דֹּ֣ב (dov) = beer | אֹרֵ֥ב (orev) = op de loer | הוּא֙ (hu) = Hij | לִ֔י (li) = voor mij | אֲרִ֖י (ari) = leeuw | בְּמִסְתָּרִֽים (bemistarim) = in schuilplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:16; Amos 5:18–20; Hos 5:14; Hos 13:7–8; Jes 38:13 **3:11** Hij heeft mijn wegen doen afwijken en mij stukgescheurd. Hij heeft mij verwoest achtergelaten. Brontekst: דְּרָכַ֥י (derakhay) = mijn wegen | סוֹרֵ֛ר (sorer) = Hij heeft laten afwijken | וַֽיְפַשְּׁחֵ֖נִי (vayfashecheni) = en Hij heeft mij stukgescheurd | שָׂמַ֥נִי (samani) = Hij heeft mij gemaakt | שֹׁמֵֽם (shomem) = verwoest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּשְׁחַנִי (pishchani), ‘Hij heeft mij stukgescheurd’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : שֹׁמֵם (shomem), ‘verwoest’: iemand die geen tegenstand meer kan bieden en tot niets is gemaakt. Zie ook: Job 16:12–13; Hos 6:1; Jes 3:26; Jer 32:43; Klaagl 1:13 **3:12** Hij heeft Zijn boog gespannen en mij als doelwit voor de pijl neergezet. Brontekst: דָּרַ֤ךְ (darakh) = Hij heeft gespannen | קַשְׁתוֹ֙ (qashto) = Zijn boog | וַיַּצִּיבֵ֔נִי (vayatsiveni) = en Hij heeft mij neergezet | כַּמַּטָּרָ֖א (kamatara) = als doelwit | לַחֵֽץ (lachets) = voor de pijl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטָּרָא (matara), ‘doelwit’: de schijf waarop men schiet, zoals in Job 16:12. Zie ook: Job 6:4; Job 7:20; Job 16:12; Ps 7:13–14; Ps 38:3; Klaagl 2:4 **3:13** Hij heeft de zonen van Zijn pijlkoker in mijn nieren laten doordringen. Brontekst: הֵבִיא֙ (hevi) = Hij heeft laten doordringen | בְּכִלְיוֹתָ֔י (bekhilyotay) = in mijn nieren | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | אַשְׁפָּתֽוֹ (ashpato) = Zijn pijlkoker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי אַשְׁפָּתוֹ (benei ashpato), ‘de zonen van Zijn pijlkoker’: de pijlen. Zij doorboren de ‘nieren’, het binnenste, de plaats van gevoel. Zie ook: Job 6:4; Job 41:20; Deut 32:23 **3:14** Ik ben de spot van heel mijn volk geworden, hun spotlied de hele dag. Brontekst: הָיִ֤יתִי (hayiti) = ik ben geworden | שְּׂחֹק֙ (sechoq) = spot | לְכָל (lekhal) = voor heel | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | נְגִינָתָ֖ם (neginatam) = hun spotlied | כָּל (kal) = de hele | הַיּֽוֹם (hayom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַמִּי (ammi), ‘mijn volk’: sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook vers 63, waar de spot van de vijanden in dezelfde woorden terugkomt. Zie ook: Job 30:1–9; Ps 22:7–8; Jer 20:7; Klaagl 3:63; Mat 27:39–44 **3:15** Hij heeft mij met bitterheid verzadigd. Hij heeft mij met alsem dronken gevoerd. Brontekst: הִשְׂבִּיעַ֥נִי (hisbiani) = Hij heeft mij verzadigd | בַמְּרוֹרִ֖ים (bamerorim) = met bitterheden | הִרְוַ֥נִי (hirvani) = Hij heeft mij dronken gevoerd | לַעֲנָֽה (laana) = met alsem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:18; Ruth 1:20; Jer 9:14; Jer 23:15; Jer 25:15–18 **3:16** Hij heeft mijn tanden op grind stukgebroken. Hij heeft mij in de as gedrukt. Brontekst: וַיַּגְרֵ֤ס (vayagres) = en Hij heeft stukgebroken | בֶּֽחָצָץ֙ (bechatsats) = op grind | שִׁנָּ֔י (shinay) = mijn tanden | הִכְפִּישַׁ֖נִי (hikhpishani) = Hij heeft mij gedrukt | בָּאֵֽפֶר (baefer) = in as Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִכְפִּישַׁנִי (hikpishani), ‘Hij heeft mij gedrukt’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker: ‘Hij heeft mij laten wegzakken’ of ‘Hij heeft mij bedekt’. Voetnoot : חָצָץ (chatsats), ‘grind’: kleine steentjes in het brood. Wie erin bijt, breekt zijn tanden. Zie ook: Ps 3:8; Ps 58:7; Spr 20:17; Jona 3:6; Jer 6:26 **3:17** Mijn ziel is ver van de vrede verstoten. Ik ben het goede vergeten. Brontekst: וַתִּזְנַ֧ח (vatiznach) = en zij is verstoten | מִשָּׁל֛וֹם (mishalom) = van vrede | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | נָשִׁ֥יתִי (nashiti) = ik ben vergeten | טוֹבָֽה (tova) = het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het werkwoord וַתִּזְנַח (vatiznach), ‘en zij is verstoten’, staat in de vrouwelijke vorm: ‘mijn ziel’ is het onderwerp. Het werkwoord זָנַח (zanach), ‘verstoten’, staat ook in 2:7 en in vers 31. Zie ook: Job 7:7; Jes 54:10; Jes 59:11; Jer 8:15; Klaagl 3:31; Zach 8:10 **3:18** Ik zei: „Mijn kracht is verdwenen, en mijn hoop op Yahweh.” Brontekst: וָאֹמַר֙ (vaomar) = en ik zei | אָבַ֣ד (avad) = is verdwenen | נִצְחִ֔י (nitschi) = mijn kracht | וְתוֹחַלְתִּ֖י (vetochalti) = en mijn hoop | מֵיְהוָֽה (meYahweh) = op Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִצְחִי (nitsechi), ‘mijn kracht’: het woord is verwant aan נֶצַח (netsach), ‘duur, bestendigheid, roem’. Het kan ook ‘mijn roem’ of ‘mijn uithoudingsvermogen’ betekenen. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : De wanhoop van vers 17–18 staat tegenover de hoop van vers 21–26. Zie ook: Job 6:11; Job 17:15; 1 Sam 27:1; Ps 116:11; Klaagl 3:17–18; Klaagl 3:21–26; Ezech 37:11 ### Denk aan mijn ellende **3:19** Denk aan mijn ellende en mijn zwerven, aan alsem en gif. Brontekst: זְכָר (zekhar) = gedenk | עָנְיִ֥י (aneyi) = mijn ellende | וּמְרוּדִ֖י (umerudi) = en mijn zwerven | לַעֲנָ֥ה (laana) = alsem | וָרֹֽאשׁ (varosh) = en gif Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרוּדִי (merudi), ‘mijn zwerven’: rusteloos rondtrekken. Zie 1:7. Zie ook: Ps 89:51; Ps 132:1; Klaagl 3:5; Klaagl 3:15; Neh 9:32 **3:20** Mijn ziel denkt er voortdurend aan en is diep in mij gebogen. Brontekst: זָכ֣וֹר (zakhor) = eraan denken | תִּזְכּ֔וֹר (tizkor) = zij zal eraan denken | וְתָשׁ֥וֹחַ (vetashoach) = en zij is gebogen | עָלַ֖י (alay) = in mij | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וְתָשׁוֹחַ (vetashoach), ‘en zij is gebogen’. De geschreven tekst (ketiv) heeft ותשיח, ‘en zij spreekt’. Het gaat om dezelfde medeklinkers, in een andere klinkervorm. Zie ook: Job 21:6; Ps 42:6–7; Ps 42:12; Ps 43:5; Ps 44:26 ### Daarom blijf ik hopen **3:21** Dit neem ik mij ter harte; daarom blijf ik hopen. Brontekst: זֹ֛את (zot) = dit | אָשִׁ֥יב (ashiv) = ik zal laten terugkeren | אֶל (el) = naar | לִבִּ֖י (libi) = mijn hart | עַל (al) = daarom | כֵּ֥ן (ken) = (zo) | אוֹחִֽיל (ochil) = ik zal hopen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint de wending van het hoofdstuk: de man haalt zich de trouw van Yahweh voor de geest. Het werkwoord יָחַל (yachal), ‘hopen’, staat ook in vers 24 en 26. Zie ook: Ps 77:8–12; Ps 119:81; Ps 130:7; Hab 2:3; Klaagl 3:24–29; Klaagl 3:26 **3:22** Door de trouw van Yahweh zijn wij niet ten einde gekomen, want Zijn ontferming houdt niet op. Brontekst: חַֽסְדֵ֤י (chasdei) = daden van trouw van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כִּ֣י (ki) = dat | לֹא (lo) = niet | תָ֔מְנוּ (tamenu) = wij zijn ten einde | כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | כָל֖וּ (kalu) = zij zijn ten einde | רַחֲמָֽיו (rachamav) = Zijn ontferming Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַסְדֵי יְהוָה (chasdei Yahweh), ‘de trouw van Yahweh’: het woord חֶסֶד (chesed) betekent ‘verbondstrouw, goedertierenheid’. Het staat hier in het meervoud, dus in vele daden van trouw. Voetnoot : תַּמְנוּ (tamnu), ‘wij zijn ten einde’: het Hebreeuwse woord heeft ‘wij’ als onderwerp. Sommige oude vertalingen lezen ‘zij zijn niet ten einde’, dus ‘de trouw van Yahweh houdt niet op’. Wij volgen het Hebreeuws zoals het er staat. Voetnoot : רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’: van רֶחֶם (rechem), ‘schoot’, dus ‘ontferming zoals van een moeder’. Zie ook: Ps 86:15; Mi 7:18–19; Neh 9:31; Mal 3:6; Luc 1:50 **3:23** Elke morgen zijn ze nieuw. Groot is Uw betrouwbaarheid. Brontekst: חֲדָשִׁים֙ (chadashim) = nieuw | לַבְּקָרִ֔ים (labeqarim) = elke morgen | רַבָּ֖ה (raba) = groot | אֱמוּנָתֶֽךָ (emunatekha) = Uw betrouwbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’: dat waarop men kan bouwen. Wij vertalen emunah in dit boek met ‘betrouwbaarheid’; dat is iets anders dan חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Zie ook: Ps 30:6; Ps 36:6; Ps 89:34; Jes 33:2; Heb 10:23 **3:24** „Yahweh is mijn deel”, zegt mijn ziel. Daarom hoop ik op Hem. Brontekst: חֶלְקִ֤י (chelqi) = mijn deel | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אָמְרָ֣ה (amera) = zegt | נַפְשִׁ֔י (nafshi) = mijn ziel | עַל (al) = daarom | כֵּ֖ן (ken) = (zo) | אוֹחִ֥יל (ochil) = ik zal hopen | לֽוֹ (lo) = op Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶלְקִי יְהוָה (chelqi Yahweh), ‘Yahweh is mijn deel’: het deel dat een Leviet kreeg in plaats van grond (Num. 18:20). Zie ook Ps. 16:5 en Ps. 73:26. Zie ook: Num 18:20; Ps 16:5; Ps 33:18; Ps 73:26; Ps 142:6; Klaagl 3:21 ### Yahweh is goed **3:25** Yahweh is goed voor wie op Hem hopen, voor de ziel die Hem zoekt. Brontekst: ט֤וֹב (tov) = goed | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְקוָֹ֔ו (leqov) = voor wie op Hem hopen | לְנֶ֖פֶשׁ (lenefesh) = voor de ziel | תִּדְרְשֶֽׁנּוּ (tidreshenu) = die Hem zoekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:34; Ps 130:5–6; Jes 40:31; Mi 7:7–8; Klaagl 3:26 **3:26** Het is goed te hopen en stil te zijn, wachtend op de redding van Yahweh. Brontekst: ט֤וֹב (tov) = goed | וְיָחִיל֙ (veyachil) = en hopen | וְדוּמָ֔ם (vedumam) = en stil zijn | לִתְשׁוּעַ֖ת (litshuat) = op de redding van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיָחִיל (veyachil), ‘en te hopen’: de vorm is ongewoon en de betekenis niet helemaal zeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : תְּשׁוּעָה (teshuah), ‘redding’: de hulp die Yahweh brengt. Zie ook: Gen 49:18; Ps 37:7; Ps 37:34; Ps 130:5; Heb 10:35 **3:27** Het is goed voor een man dat hij het juk draagt in zijn jeugd. Brontekst: ט֣וֹב (tov) = goed | לַגֶּ֔בֶר (lagever) = voor een man | כִּֽי (ki) = dat | יִשָּׂ֥א (yisa) = hij draagt | עֹ֖ל (ol) = juk | בִּנְעוּרָֽיו (binurav) = in zijn jeugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹל (ol), ‘juk’: het houten juk van een trekdier. Hier is het beeld: de tucht van Yahweh dragen, vanaf jonge leeftijd. Zie ook: Ps 94:12; Ps 119:71; Pred 12:1; Mat 11:29–30; Heb 12:5–12 **3:28** Hij zit alleen en zwijgt, want Hij heeft het hem opgelegd. Brontekst: יֵשֵׁ֤ב (yeshev) = hij zit | בָּדָד֙ (badad) = alleen | וְיִדֹּ֔ם (veyidom) = en hij zwijgt | כִּ֥י (ki) = want | נָטַ֖ל (natal) = Hij heeft opgelegd | עָלָֽיו (alav) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 28–30 zijn in de grondtekst een toelichting bij ‘het juk’ van vers 27. De werkwoorden kunnen als aansporing (‘laat hij…’) of als beschrijving worden gelezen. Wij vertalen beschrijvend. Zie ook: Ps 39:10; Ps 102:8; Jer 15:17; Klaagl 2:10; Klaagl 3:27 **3:29** Hij legt zijn mond in het stof; misschien is er hoop. Brontekst: יִתֵּ֤ן (yiten) = hij legt | בֶּֽעָפָר֙ (beafar) = in het stof | פִּ֔יהוּ (pihu) = zijn mond | אוּלַ֖י (ulay) = misschien | יֵ֥שׁ (yesh) = er is | תִּקְוָֽה (tiqva) = hoop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het mond in het stof leggen is een beeld van diepe nederigheid, vergelijk Ps. 72:9 en Micha 7:17. Zie ook: Job 40:4; Ps 72:9; Joël 2:14; Jona 3:9; Mi 7:17; Luc 15:18–19; Rom 3:19 **3:30** Hij geeft zijn wang aan wie hem slaat; hij wordt verzadigd met smaad. Brontekst: יִתֵּ֧ן (yiten) = hij geeft | לְמַכֵּ֛הוּ (lemakehu) = aan wie hem slaat | לֶ֖חִי (lechi) = wang | יִשְׂבַּ֥ע (yisba) = hij wordt verzadigd | בְּחֶרְפָּֽה (becherpa) = met smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:10; Jes 50:6; Mat 5:39; Mat 26:67; 2 Kor 11:20 **3:31** Want de Heer verstoot niet voor eeuwig. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | יִזְנַ֛ח (yiznach) = Hij verstoot | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor eeuwig | אֲדֹנָֽי (adonay) = de Heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 77:8; Ps 94:14; Ps 103:8–10; Jes 54:7–10; Jes 57:16 **3:32** Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich ook, naar de grootte van Zijn trouw. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = als | הוֹגָ֔ה (hoga) = Hij heeft bedroefd | וְרִחַ֖ם (vericham) = en Hij ontfermt Zich | כְּרֹ֥ב (kerov) = naar de grootte van | חֲסָדָֽיו (chasadav) = Zijn trouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹגָה (hogah), ‘Hij heeft bedroefd’: zie 1:4, 1:5 en 1:12. Zie ook: Ps 30:6; Ps 78:38; Ps 103:11; Ps 106:43–45; Hos 11:8 **3:33** Want niet van harte vernedert Hij en bedroeft Hij de mensen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | עִנָּה֙ (ina) = Hij vernedert | מִלִּבּ֔וֹ (milibo) = van harte | וַיַּגֶּ֖ה (vayage) = en Hij bedroeft | בְנֵי (benei) = zonen van | אִֽישׁ (ish) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִנָּה (innah), ‘vernederen’: het werkwoord betekent ook ‘verdrukken, plagen’, zoals in Deut. 8:2 en 8:3. Voetnoot : מִלִּבּוֹ (millibbo), ‘van harte’: letterlijk ‘uit Zijn hart’. Hij doet het niet met plezier. Zie ook: Deut 8:2; Deut 8:3; Jes 28:21; Ezech 18:32; Ezech 33:11; Heb 12:9–10 ### Wat de Heer ziet **3:34** Alle gevangenen van het land onder iemands voeten verbrijzelen; Brontekst: לְדַכֵּא֙ (ledake) = om te verbrijzelen | תַּ֣חַת (tachat) = onder | רַגְלָ֔יו (raglav) = zijn voeten | כֹּ֖ל (kol) = alle | אֲסִ֥ירֵי (asirei) = gevangenen van | אָֽרֶץ (arets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 34–36 bestaan in het Hebreeuws uit drie werkwoorden in de onbepaalde vorm (‘verbrijzelen, buigen, verdraaien’), gevolgd door de zin ‘de Heer heeft het niet gezien’. Het onderwerp is niet genoemd: het gaat om onrecht, door wie dan ook gepleegd. Zie ook: Ps 69:34; Ps 102:21; Jes 49:9; Jes 51:22–23; Zach 9:11–12 **3:35** het recht van een man buigen voor het aangezicht van de Allerhoogste; Brontekst: לְהַטּוֹת֙ (lehatot) = om te buigen | מִשְׁפַּט (mishpat) = recht van | גָּ֔בֶר (gaver) = een man | נֶ֖גֶד (neged) = tegenover | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | עֶלְיֽוֹן (elyon) = de Allerhoogste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:36** een mens in zijn rechtszaak verdraaien: heeft de Heer dat niet gezien? Brontekst: לְעַוֵּ֤ת (leavet) = om te verdraaien | אָדָם֙ (adam) = een mens | בְּרִיב֔וֹ (berivo) = in zijn rechtszaak | אֲדֹנָ֖י (adonay) = de Heer | לֹ֥א (lo) = niet | רָאָֽה (raa) = Hij heeft gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier geen vraagteken: ‘de Heer heeft het niet gezien’. Dat kan een stelling zijn (‘de Heer ziet het niet’), een stelling dat Hij het niet goedkeurt, of een retorische vraag. Wij kiezen de vraag: ‘Heeft de Heer dat niet gezien?’ Dat past bij vers 37–38. Zie ook: 2 Sam 11:27; Jes 59:15; Jer 22:3; Hab 1:13; Klaagl 3:37–38 **3:37** Wie is het die iets zegt en het gebeurt, zonder dat de Heer het heeft bevolen? Brontekst: מִ֣י (mi) = wie | זֶ֤ה (ze) = is die | אָמַר֙ (amar) = gezegd heeft | וַתֶּ֔הִי (vatehi) = en het gebeurde | אֲדֹנָ֖י (adonay) = de Heer | לֹ֥א (lo) = niet | צִוָּֽה (tsiva) = heeft bevolen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 33:9–11; Spr 16:9; Spr 19:21; Spr 21:30; Jes 46:10 **3:38** Komen uit de mond van de Allerhoogste niet het onheil en het goede voort? Brontekst: מִפִּ֤י (mipi) = uit de mond van | עֶלְיוֹן֙ (elyon) = de Allerhoogste | לֹ֣א (lo) = niet | תֵצֵ֔א (tetse) = gaat uit | הָרָע֖וֹת (haraot) = het onheil | וְהַטּֽוֹב (vehatov) = en het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרָעוֹת (hara’ot), ‘het onheil’: het woord staat in het meervoud en betekent hier rampen, niet zedelijk kwaad. Ook hier staat geen vraagteken in het Hebreeuws; wij lezen een retorische vraag. Vergelijk Jes. 45:7 en Amos 3:6. Zie ook: Job 2:10; Ps 75:8; Amos 3:6; Jes 45:7; Jer 32:42 **3:39** Waarom klaagt een levend mens, een man, over zijn zonden? Brontekst: מַה (ma) = wat | יִּתְאוֹנֵן֙ (yitonen) = klaagt | אָדָ֣ם (adam) = een mens | חָ֔י (chay) = levend | גֶּ֖בֶר (gever) = man | עַל (al) = over | חֲטָאָֽיו (chataav) = zijn zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin kan twee kanten op: ‘Waarom zou een levend mens klagen over zijn straf?’ of ‘Laat ieder klagen over zijn zonden.’ Wij laten de woorden zoals ze staan. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) חֲטָאָיו (chata’av), ‘zijn zonden’. De geschreven tekst (ketiv) heeft het enkelvoud חטאו. Zie ook: Gen 4:5–7; Spr 19:3; Mi 7:9; Jer 30:15; Ezra 9:13 ### Laten wij terugkeren tot Yahweh **3:40** Laten wij onze wegen onderzoeken en doorgronden, en laten wij terugkeren tot Yahweh. Brontekst: נַחְפְּשָׂ֤ה (nachpesa) = laten wij onderzoeken | דְרָכֵ֨ינוּ֙ (derakheinu) = onze wegen | וְֽנַחְקֹ֔רָה (venachqora) = en laten wij doorgronden | וְנָשׁ֖וּבָה (venashuva) = en laten wij terugkeren | עַד (ad) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 4:5; Ps 139:23–24; Joël 2:12–13; Jes 55:7; 2 Kor 13:5 **3:41** Laten wij ons hart en onze handen opheffen tot El in de hemel. Brontekst: נִשָּׂ֤א (nisa) = laten wij opheffen | לְבָבֵ֨נוּ֙ (levavenu) = ons hart | אֶל (el) = met | כַּפָּ֔יִם (kapayim) = handen | אֶל (el) = tot | אֵ֖ל (el) = El | בַּשָּׁמָֽיִם (bashamayim) = in de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל (El): een naam voor Elohim. Het opheffen van het hart en de handen is een gebedshouding; zie Ps. 28:2 en Ps. 141:2. Zie ook: Ps 25:1; Ps 28:2; Ps 86:4; Ps 141:2; Ps 143:6–8; 1 Tess 2:8 **3:42** Wij hebben overtreden en wij zijn weerspannig geweest. U hebt niet vergeven. Brontekst: נַ֤חְנוּ (nachnu) = wij | פָשַׁ֨עְנוּ֙ (pashanu) = wij hebben overtreden | וּמָרִ֔ינוּ (umarinu) = en wij zijn weerspannig geweest | אַתָּ֖ה (ata) = U | לֹ֥א (lo) = niet | סָלָֽחְתָּ (salachta) = U hebt vergeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּשַׁע (pasha), ‘overtreden’: het hoort bij פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’; zie 1:5. מָרָה (marah), ‘weerspannig zijn’: zie 1:18 en 1:20. Zie ook: 2 Kon 24:4; Jer 5:7–9; Klaagl 1:18; Neh 9:26; Luc 15:18–19 **3:43** U hebt U in toorn gehuld en ons achtervolgd. U hebt gedood, zonder medelijden. Brontekst: סַכֹּ֤תָה (sakota) = U hebt gehuld | בָאַף֙ (baaf) = in toorn | וַֽתִּרְדְּפֵ֔נוּ (vatirdefenu) = en U hebt ons achtervolgd | הָרַ֖גְתָּ (haragta) = U hebt gedood | לֹ֥א (lo) = niet | חָמָֽלְתָּ (chamalta) = U had medelijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַכֹּתָה (sakkota), ‘U hebt U gehuld’: het werkwoord סָכַךְ (sakhakh) betekent ‘bedekken, afschermen’. Hetzelfde werkwoord staat in vers 44. Zie ook: Ps 83:16; Klaagl 2:1–2; Klaagl 2:17; Klaagl 2:21; Klaagl 3:44; Klaagl 3:66 **3:44** U hebt U in een wolk gehuld, zodat geen gebed erdoorheen kan. Brontekst: סַכּ֤וֹתָה (sakota) = U hebt gehuld | בֶֽעָנָן֙ (beanan) = in een wolk | לָ֔ךְ (lakh) = voor Uzelf | מֵעֲב֖וֹר (meavor) = zodat niet doorgaat | תְּפִלָּֽה (tefila) = gebed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh hult Zich in een wolk, zodat het gebed niet tot Hem doordringt. Vergelijk vers 8. Zie ook: Ps 97:2; Jer 14:11; Jer 15:1; Klaagl 3:8; Zach 7:13 **3:45** U maakt ons tot afval en walging te midden van de volken. Brontekst: סְחִ֧י (sechi) = afval | וּמָא֛וֹס (umaos) = en walging | תְּשִׂימֵ֖נוּ (tesimenu) = U maakt ons | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | הָעַמִּֽים (haamim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְחִי (sechi), ‘afval’: het woord komt alleen hier voor en hoort bij het wegvegen van vuil. Zie ook: Deut 28:37; Klaagl 2:15; Klaagl 3:14; Klaagl 4:14–15; 1 Kor 4:13 **3:46** Al onze vijanden sperren hun mond tegen ons open. Brontekst: פָּצ֥וּ (patsu) = zij sperren open | עָלֵ֛ינוּ (aleinu) = tegen ons | פִּיהֶ֖ם (pihem) = hun mond | כָּל (kal) = al | אֹיְבֵֽינוּ (oyeveinu) = onze vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 30:9–11; Ps 22:7–9; Ps 44:14–15; Klaagl 2:16; Mat 27:38–45 **3:47** Schrik en valkuil zijn ons deel geworden, verwoesting en breuk. Brontekst: פַּ֧חַד (pachad) = schrik | וָפַ֛חַת (vafachat) = en valkuil | הָ֥יָה (haya) = is geworden | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | הַשֵּׁ֥את (hashet) = verwoesting | וְהַשָּֽׁבֶר (vehashaver) = en breuk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחַד וָפַחַת (pachad vafachat), ‘schrik en valkuil’: een woordspel; de twee woorden klinken bijna hetzelfde. Zie ook Jes. 24:17 en Jer. 48:43. Zie ook: Jes 24:17–18; Jes 51:19; Jer 48:43–44; Klaagl 1:4; Luc 21:35 ### Mijn oog stroomt van tranen **3:48** Waterbeken stromen uit mijn oog over de breuk van de Dochter van mijn volk. Brontekst: פַּלְגֵי (palgei) = beken van | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | תֵּרַ֣ד (terad) = daalt | עֵינִ֔י (eini) = mijn oog | עַל (al) = over | שֶׁ֖בֶר (shever) = breuk van | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּֽי (ami) = mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 119:136; Jer 8:23; Jer 9:17; Klaagl 1:16; Klaagl 2:11 **3:49** Mijn oog stroomt en houdt niet op, zonder onderbreking, Brontekst: עֵינִ֧י (eini) = mijn oog | נִגְּרָ֛ה (nigera) = stroomt | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִדְמֶ֖ה (tidme) = zij houdt op | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | הֲפֻגֽוֹת (hafugot) = onderbreking Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲפֻגוֹת (hafugot), ‘onderbreking’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het woord פּוּגָה (pugah) in 2:18. Zie ook: Ps 77:3; Jer 14:17; Klaagl 1:16 **3:50** totdat Yahweh uit de hemel neerkijkt en ziet. Brontekst: עַד (ad) = totdat | יַשְׁקִ֣יף (yashqif) = Hij neerkijkt | וְיֵ֔רֶא (veyere) = en Hij ziet | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִשָּׁמָֽיִם (mishamayim) = uit de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 80:15–17; Ps 102:20–21; Jes 63:15; Jes 63:19; Klaagl 5:1 **3:51** Mijn oog doet pijn aan mijn ziel, vanwege alle dochters van mijn stad. Brontekst: עֵינִי֙ (eini) = mijn oog | עֽוֹלְלָ֣ה (olela) = doet pijn | לְנַפְשִׁ֔י (lenafshi) = aan mijn ziel | מִכֹּ֖ל (mikol) = vanwege al | בְּנ֥וֹת (benot) = dochters van | עִירִֽי (iri) = mijn stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹלְלָה (olelah), ‘doet pijn’: het werkwoord is hetzelfde als in 1:12 en 1:22, ‘aandoen’. Voetnoot : מִכֹּל (mikkol), ‘vanwege alle’: het voorzetsel kan ook ‘meer dan’ betekenen. De betekenis is onzeker. Zie ook: Jer 14:18; Jer 19:9; Klaagl 2:21; Klaagl 5:11; Luc 19:41–44 ### Zij hebben op mij gejaagd **3:52** Mijn vijanden hebben op mij gejaagd als op een vogel, zonder reden. Brontekst: צ֥וֹד (tsod) = jagen | צָד֛וּנִי (tsaduni) = zij hebben mij gejaagd | כַּצִּפּ֖וֹר (katsipor) = als een vogel | אֹיְבַ֥י (oyevay) = mijn vijanden | חִנָּֽם (chinam) = zonder reden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 11:1; Ps 35:7; Ps 35:19; Jer 37:15–16; Jer 37:18 **3:53** Zij hebben mijn leven in de kuil tot zwijgen gebracht en een steen op mij geworpen. Brontekst: צָֽמְת֤וּ (tsametu) = zij hebben tot zwijgen gebracht | בַבּוֹר֙ (babor) = in de kuil | חַיָּ֔י (chayay) = mijn leven | וַיַּדּוּ (vayadu) = en zij hebben geworpen | אֶ֖בֶן (even) = steen | בִּֽי (bi) = op mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָמַת (tsamat), ‘tot zwijgen brengen’: het hoort bij het werkwoord ‘vernietigen’. Het beeld is dat van iemand die levend in een kuil wordt gesmoord, zoals Jeremia in een put werd gezet (Jer. 38:6). Zie ook: Jer 37:16; Jer 38:6; Jer 38:9; Dan 6:18; Mat 27:60 **3:54** Water stroomde over mijn hoofd. Ik zei: „Ik ben afgesneden!” Brontekst: צָֽפוּ (tsafu) = zij stroomden | מַ֥יִם (mayim) = water | עַל (al) = over | רֹאשִׁ֖י (roshi) = mijn hoofd | אָמַ֥רְתִּי (amarti) = ik zei | נִגְזָֽרְתִּי (nigzarti) = ik ben afgesneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִגְזַרְתִּי (nigzarti), ‘ik ben afgesneden’: van het volk of van het leven, zoals in Jes. 53:8. Zie ook: Ps 18:5; Ps 69:2–3; Jona 2:4–6; Jes 53:8; Ezech 37:11; 2 Kor 1:8–10 ### Ik riep Uw naam aan **3:55** Ik riep Uw naam aan, Yahweh, uit de diepste kuil. Brontekst: קָרָ֤אתִי (qarati) = ik riep aan | שִׁמְךָ֙ (shimkha) = Uw naam | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִבּ֖וֹר (mibor) = uit de kuil van | תַּחְתִּיּֽוֹת (tachtiyot) = de diepten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 40:2–3; Ps 116:3–4; Ps 142:4–8; Jer 38:6; Hand 16:24–28 **3:56** U hebt mijn stem gehoord. Verberg Uw oor niet voor mijn verlichting, voor mijn hulpgeroep. Brontekst: קוֹלִ֖י (qoli) = mijn stem | שָׁמָ֑עְתָּ (shamata) = U hebt gehoord | אַל (al) = niet | תַּעְלֵ֧ם (talem) = verberg | אָזְנְךָ֛ (azenekha) = Uw oor | לְרַוְחָתִ֖י (leravchati) = voor mijn verlichting | לְשַׁוְעָתִֽי (leshavati) = voor mijn hulpgeroep Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְרַוְחָתִי (leravchati), ‘voor mijn verlichting’: het woord hoort bij רֶוַח (revach), ‘ruimte, opluchting’. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Job 34:28; Ps 34:7; Ps 55:2; Ps 88:14–15; Jes 38:5 **3:57** U kwam dichtbij op de dag dat ik U aanriep. U zei: „Wees niet bang.” Brontekst: קָרַ֨בְתָּ֙ (qaravta) = U kwam dichtbij | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag dat | אֶקְרָאֶ֔ךָּ (eqraeka) = ik U aanriep | אָמַ֖רְתָּ (amarta) = U zei | אַל (al) = niet | תִּירָֽא (tira) = wees bang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַל־תִּירָא (al tira), ‘wees niet bang’: een antwoord van Yahweh dat de dichter zich herinnert. Woorden van Yahweh binnen een gebed van een mens staan zwart; wij zetten ze dus niet in rood. Zie ook: Jes 41:10; Jes 41:14; Jes 58:9; Jak 4:8; Openb 2:10 **3:58** U hebt, Heer, de zaak van mijn ziel gevoerd. U hebt mijn leven verlost. Brontekst: רַ֧בְתָּ (ravta) = U hebt gevoerd | אֲדֹנָ֛י (adonay) = Heer | רִיבֵ֥י (rivei) = de zaak van | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | גָּאַ֥לְתָּ (gaalta) = U hebt verlost | חַיָּֽי (chayay) = mijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִיב (riv), ‘rechtszaak’: Yahweh voert de zaak van de man als zijn advocaat. גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: zie Jes. 43:1. Zie ook: Ps 34:23–35:1; Ps 71:23; Ps 103:4; Jes 43:1; Jer 50:34; Jer 51:36 **3:59** U hebt gezien, Yahweh, hoe mijn recht is verdraaid. Doe recht aan mijn zaak. Brontekst: רָאִ֤יתָה (raita) = U hebt gezien | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַוָּ֣תָתִ֔י (avatati) = hoe mijn recht is verdraaid | שָׁפְטָ֖ה (shafeta) = doe recht | מִשְׁפָּטִֽי (mishpati) = aan mijn zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַוָּתָתִי (avvatati), ‘hoe mijn recht is verdraaid’: letterlijk ‘mijn verdraaiing’. Het hoort bij het werkwoord in vers 36, ‘verdraaien’. Zie ook: Gen 31:42; Ps 9:5; Ps 26:1; Ps 43:1; Klaagl 3:36; 1 Petr 2:23 **3:60** U hebt al hun wraak gezien, al hun plannen tegen mij. Brontekst: רָאִ֨יתָה֙ (raita) = U hebt gezien | כָּל (kal) = al | נִקְמָתָ֔ם (niqmatam) = hun wraak | כָּל (kal) = al | מַחְשְׁבֹתָ֖ם (machshevotam) = hun plannen | לִֽי (li) = tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 10:14; Jer 11:19–20; Klaagl 3:59 **3:61** U hebt hun smaad gehoord, Yahweh, al hun plannen tegen mij. Brontekst: שָׁמַ֤עְתָּ (shamata) = U hebt gehoord | חֶרְפָּתָם֙ (cherpatam) = hun smaad | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = al | מַחְשְׁבֹתָ֖ם (machshevotam) = hun plannen | עָלָֽי (alay) = tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 74:18; Ps 89:51; Sef 2:8; Klaagl 3:30; Klaagl 5:1 **3:62** De lippen van mijn tegenstanders en hun gemompel zijn tegen mij, de hele dag. Brontekst: שִׂפְתֵ֤י (siftei) = lippen van | קָמַי֙ (qamay) = mijn tegenstanders | וְהֶגְיוֹנָ֔ם (vehegyonam) = en hun gemompel | עָלַ֖י (alay) = tegen mij | כָּל (kal) = de hele | הַיּֽוֹם (hayom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶגְיוֹן (hegyon), ‘gemompel’: een zacht, voortdurend praten of overpeinzen. Een verwant woord, ‘Higgajon’, staat in Ps. 9:17 (NL 9:16). Zie ook: Ps 9:17; Ps 59:8; Ps 59:13; Ps 140:4; Jer 18:18; Ezech 36:3 **3:63** Kijk naar hun zitten en hun opstaan: ik ben hun spotlied. Brontekst: שִׁבְתָּ֤ם (shivtam) = hun zitten | וְקִֽימָתָם֙ (veqimatam) = en hun opstaan | הַבִּ֔יטָה (habita) = kijk | אֲנִ֖י (ani) = ik | מַנְגִּינָתָֽם (manginatam) = hun spotlied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 30:9; Ps 139:2; Klaagl 3:14 ### Geef hun terug wat zij verdienen **3:64** Geef hun een vergelding terug, Yahweh, naar het werk van hun handen. Brontekst: תָּשִׁ֨יב (tashiv) = U zult teruggeven | לָהֶ֥ם (lahem) = aan hen | גְּמ֛וּל (gemul) = vergelding | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כְּמַעֲשֵׂ֥ה (kemaase) = naar het werk van | יְדֵיהֶֽם (yedeihem) = hun handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 28:4; Jer 11:20; 2 Tim 4:14; Openb 6:10; Openb 18:6 **3:65** Geef hun een versluierd hart, Uw vloek over hen. Brontekst: תִּתֵּ֤ן (titen) = U zult geven | לָהֶם֙ (lahem) = aan hen | מְגִנַּת (meginat) = versluiering van | לֵ֔ב (lev) = hart | תַּאֲלָֽתְךָ֖ (taalatekha) = Uw vloek | לָהֶֽם (lahem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְגִנַּת לֵב (meginnat lev), ‘versluiering van het hart’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; sommige oude vertalingen lezen anders. Het kan ‘verharding’ of ‘schild’ betekenen. De bede is dat hun hart niet meer kan inzien. Zie ook: Deut 2:30; Deut 27:15–26; Ps 109:17–18; Jes 6:10; 1 Kor 16:22 **3:66** Achtervolg hen in toorn en vernietig hen onder de hemel van Yahweh. Brontekst: תִּרְדֹּ֤ף (tirdof) = U zult achtervolgen | בְּאַף֙ (beaf) = in toorn | וְתַשְׁמִידֵ֔ם (vetashmidem) = en U zult hen vernietigen | מִתַּ֖חַת (mitachat) = van onder | שְׁמֵ֥י (shemei) = de hemel van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחַת שְׁמֵי יְהוָה (tachat shemei Yahweh), ‘onder de hemel van Yahweh’: de aarde, voor zover die onder de hemel ligt. Zie ook: Deut 25:19; Ps 8:4; Ps 115:16; Jer 10:11; Klaagl 3:43 ## Klaagliederen 4 _Klaaglied over de val van Sion en het einde van haar koning_ ### Hoe is het goud dof geworden **4:1** Hoe is het goud dof geworden, het fijne goud veranderd! De stenen van het heiligdom liggen verspreid aan het begin van alle straten. Brontekst: אֵיכָה֙ (eikha) = hoe | יוּעַ֣ם (yuam) = is dof geworden | זָהָ֔ב (zahav) = goud | יִשְׁנֶ֖א (yishne) = is veranderd | הַכֶּ֣תֶם (haketem) = het edelgoud | הַטּ֑וֹב (hatov) = het goede | תִּשְׁתַּפֵּ֨כְנָה֙ (tishtapekhena) = liggen verspreid | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | קֹ֔דֶשׁ (qodesh) = heiligdom | בְּרֹ֖אשׁ (berosh) = aan het hoofd van | כָּל (kal) = alle | חוּצֽוֹת (chutsot) = straten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ook dit hoofdstuk is een alfabetgedicht (acrostichon): elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Dit vers begint met א (alef). Zie ook de uitleg bij Klaagl. 1:1 en 3:1. Voetnoot : אֵיכָה (eikhah), ‘hoe’: dezelfde klaagkreet als in 1:1 en 2:1. Voetnoot : כֶּתֶם (ketem), ‘fijn goud’: zuiver, kostbaar goud, zoals in Job 28:16. Voetnoot : אַבְנֵי־קֹדֶשׁ (avnei qodesh), ‘stenen van het heiligdom’: de stenen van de tempel. Het kan ook ‘heilige stenen’ in de zin van ‘kostbare stenen’ betekenen. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Job 28:16; Jes 1:21; Jes 14:12; Klaagl 1:1; Klaagl 2:19; Klaagl 3:1; Ezech 7:19–22; Mat 24:2 **4:2** De kostbare zonen van Sion, die tegen zuiver goud opwogen: hoe worden zij gerekend als aarden kruiken, het werk van de handen van een pottenbakker! Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | צִיּוֹן֙ (tsiyon) = Sion | הַיְקָרִ֔ים (hayqarim) = de kostbare | הַמְסֻלָּאִ֖ים (hamsulaim) = die opwogen | בַּפָּ֑ז (bapaz) = tegen zuiver goud | אֵיכָ֤ה (eikha) = hoe | נֶחְשְׁבוּ֙ (nechshevu) = zij worden gerekend | לְנִבְלֵי (lenivlei) = als kruiken van | חֶ֔רֶשׂ (cheres) = aardewerk | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | יְדֵ֥י (yedei) = handen van | יוֹצֵֽר (yotser) = een pottenbakker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַמְסֻלָּאִים (hamsullaim), ‘die opwogen’: letterlijk ‘de gewogenen’. Zij waren zoveel waard als hun gewicht in zuiver goud. Voetnoot : נִבְלֵי־חֶרֶשׂ (nivlei cheres), ‘aarden kruiken’: gewone gebruiksvoorwerpen, het tegenovergestelde van goud. Zie Jer. 19:1 (de kruik van de pottenbakker). Zie ook: Jes 30:14; Jer 19:1; Jer 19:11; 2 Kor 4:7; Rom 9:21–23; 2 Tim 2:20 **4:3** Zelfs jakhalzen ontbloten de borst en voeden hun jongen. De Dochter van mijn volk is wreed geworden, zoals de struisvogels in de woestijn. Brontekst: גַּם (gam) = ook | תַּנִּים֙ (tanim) = jakhalzen | חָ֣לְצוּ (chaletsu) = zij ontbloten | שַׁ֔ד (shad) = de borst | הֵינִ֖יקוּ (heiniqu) = zij voeden | גּוּרֵיהֶ֑ן (gureihen) = hun jongen | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּ֣י (ami) = mijn volk | לְאַכְזָ֔ר (leakhzar) = tot wreed | כַּיְעֵנִ֖ים (kayenim) = als struisvogels | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלְצוּ שָׁד (chaltsu shad), ‘zij ontbloten de borst’: zelfs jakhalzen geven hun jongen de borst. Zie Job 39:13–16, waar de struisvogel haar jongen verwaarloost. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) תַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’. De geschreven tekst (ketiv) heeft תנין (tannin), ‘zeemonsters’ of ‘draken’. Zie ook: Job 39:13–16; Lev 26:29; Klaagl 2:20; Klaagl 4:10; Ezech 5:10; Luc 23:28–29 ### Honger onder de kinderen **4:4** De tong van de zuigeling kleeft aan zijn gehemelte van dorst. Kleine kinderen vragen om brood, maar niemand deelt het hun uit. Brontekst: דָּבַ֨ק (davaq) = kleeft | לְשׁ֥וֹן (leshon) = tong van | יוֹנֵ֛ק (yoneq) = de zuigeling | אֶל (el) = aan | חכּ֖וֹ (chko) = zijn gehemelte | בַּצָּמָ֑א (batsama) = van dorst | עֽוֹלָלִים֙ (olalim) = kleine kinderen | שָׁ֣אֲלוּ (shaalu) = zij vragen | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | פֹּרֵ֖שׂ (pores) = iemand die uitdeelt | אֵ֥ין (ein) = niet is | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֹּרֵשׂ (poresh), ‘iemand die uitdeelt’: letterlijk ‘iemand die breekt’, namelijk het brood breken en het uitreiken. Zie ook: Deut 32:24; Ps 22:16; Ps 137:6; Klaagl 1:11; Klaagl 2:11–12 **4:5** Wie lekkernijen at, ligt verlaten in de straten. Wie op karmozijn werd gedragen, omhelst de vuilnishopen. Brontekst: הָאֹֽכְלִים֙ (haokhelim) = die eten | לְמַ֣עֲדַנִּ֔ים (lemaadanim) = lekkernijen | נָשַׁ֖מּוּ (nashamu) = zijn verlaten | בַּחוּצ֑וֹת (bachutsot) = in de straten | הָאֱמֻנִים֙ (haemunim) = die gedragen werden | עֲלֵ֣י (alei) = op | תוֹלָ֔ע (tola) = karmozijn | חִבְּק֖וּ (chibequ) = zij omhelzen | אַשְׁפַּתּֽוֹת (ashpatot) = vuilnishopen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹלָע (tola), ‘karmozijn’: diepe rode stof, zoals in Jes. 1:18. Wie daarop werd gedragen, groeide in rijkdom op. Voetnoot : אַשְׁפַּתּוֹת (ashpattot), ‘vuilnishopen’: de hopen afval buiten de stad, waar nu de armen liggen. Zie ook: Spr 31:21; Amos 6:3–7; Jes 1:18; Luc 15:16; Luc 16:19; 1 Tim 5:6 **4:6** De schuld van de Dochter van mijn volk is groter dan de zonde van Sodom. Dat werd in een ogenblik omgekeerd, zonder dat er handen aan te pas kwamen. Brontekst: וַיִּגְדַּל֙ (vayigdal) = en is groter geworden | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | מֵֽחַטַּ֖את (mechatat) = dan de zonde van | סְדֹ֑ם (sedom) = Sodom | הַֽהֲפוּכָ֣ה (hahafukha) = dat werd omgekeerd | כְמוֹ (kemo) = als | רָ֔גַע (raga) = een ogenblik | וְלֹא (velo) = en niet | חָ֥לוּ (chalu) = zij kwamen te pas | בָ֖הּ (bah) = aan haar | יָדָֽיִם (yadayim) = handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Sodom werd in een ogenblik omgekeerd (Gen. 19:24–25). Hier gaat het om de langere straf van Jeruzalem. Voetnoot : חָלוּ בָהּ יָדַיִם (chalu vah yadayim), ‘er kwamen handen aan te pas’: het werkwoord חוּל (chul) betekent ‘wriemelen, zich inspannen’. Sodom werd zonder menselijk ingrijpen verwoest. De betekenis van het werkwoord is niet helemaal zeker. Zie ook: Gen 19:24–25; Gen 19:25; Jes 1:9–10; Mat 24:21; Luc 10:12; Luc 12:47 **4:7** Haar uitverkorenen waren zuiverder dan sneeuw, witter dan melk. Hun lichaam was roder dan parels, hun gestalte als saffier. Brontekst: זַכּ֤וּ (zaku) = waren zuiver | נְזִירֶ֨יהָ֙ (nezireiha) = haar uitverkorenen | מִשֶּׁ֔לֶג (misheleg) = dan sneeuw | צַח֖וּ (tsachu) = waren stralend wit | מֵחָלָ֑ב (mechalav) = dan melk | אָ֤דְמוּ (ademu) = waren rood | עֶ֨צֶם֙ (etsem) = lichaam | מִפְּנִינִ֔ים (mipeninim) = dan parels | סַפִּ֖יר (sapir) = saffier | גִּזְרָתָֽם (gizratam) = hun gestalte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְזִירֶיהָ (nezireiha), ‘haar uitverkorenen’: een נָזִיר (nazir) is een afgezonderde. Het woord staat ook in Deut. 33:16 (‘uitverkorene’); voor de gelofte van een nazireeër zie Num. 6:2. Hier zijn het de leiders of edelen van Sion. Voetnoot : פְּנִינִים (peninim), ‘parels’: zo vertalen wij het woord ook in Spr. 3:15 en Job 28:18. Omdat hier van ‘rood’ sprake is, is de betekenis niet helemaal zeker. Het kan ook een rode edelsteen zijn, zoals koraal. Voetnoot : גִּזְרָתָם (gizratam), ‘hun gestalte’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het werkwoord ‘snijden’, dus ‘hun gesneden vorm’. De betekenis is onzeker. Zie ook: Job 28:18; Num 6:2; Deut 33:16; Re 13:5; 1 Sam 16:12; Ps 51:9; Ps 144:12; Hoogl 5:10; Spr 3:15 **4:8** Hun uiterlijk is donkerder dan roet. Men herkent hen niet op straat. Hun huid kleeft aan hun beenderen; zij is droog geworden als hout. Brontekst: חָשַׁ֤ךְ (chashakh) = is donker | מִשְּׁחוֹר֙ (mishechor) = dan roet | תָּֽאֳרָ֔ם (taoram) = hun uiterlijk | לֹ֥א (lo) = niet | נִכְּר֖וּ (nikeru) = zij worden herkend | בַּחוּצ֑וֹת (bachutsot) = in de straten | צָפַ֤ד (tsafad) = is gekleefd | עוֹרָם֙ (oram) = hun huid | עַל (al) = aan | עַצְמָ֔ם (atsmam) = hun beenderen | יָבֵ֖שׁ (yavesh) = droog | הָיָ֥ה (haya) = is geworden | כָעֵֽץ (kaets) = als hout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁחוֹר (shachor), ‘roet’: letterlijk ‘zwartheid’. Door honger en rook is het gezicht donker geworden. Voetnoot : צָפַד (tsafad), ‘kleven’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De huid kleeft strak aan de botten. Zie ook: Job 19:20; Job 30:30; Ps 102:4–6; Ps 119:83; Klaagl 5:10 **4:9** Beter af waren zij die door het zwaard sneuvelden dan zij die door honger sneuvelden. Dezen kwijnen weg, doorboord, omdat de opbrengst van het veld ontbreekt. Brontekst: טוֹבִ֤ים (tovim) = beter | הָיוּ֙ (hayu) = waren | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | מֵֽחַלְלֵ֖י (mechallei) = dan gesneuvelden van | רָעָ֑ב (raav) = honger | שֶׁ֣הֵ֤ם (shehem) = die | יָז֨וּבוּ֙ (yazuvu) = zij kwijnen weg | מְדֻקָּרִ֔ים (meduqarim) = doorboord | מִתְּנוּבֹ֖ת (mitenuvot) = door gebrek aan opbrengst van | שָׂדָֽי (saday) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲלַלֵי (chalalei), ‘gesneuvelden’: letterlijk ‘doorboorden’. Wie door het zwaard sterft, sterft snel; wie door honger sterft, kwijnt langzaam weg. Zie ook: Lev 26:39; Jer 16:4; Ezech 24:23; Ezech 33:10 **4:10** De handen van barmhartige vrouwen hebben hun eigen kinderen gekookt. Zij werden hun tot voedsel bij de breuk van de Dochter van mijn volk. Brontekst: יְדֵ֗י (yedei) = handen van | נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | רַחֲמָ֣נִיּ֔וֹת (rachamaniyot) = barmhartige | בִּשְּׁל֖וּ (bishelu) = hebben gekookt | יַלְדֵיהֶ֑ן (yaldeihen) = hun kinderen | הָי֤וּ (hayu) = zij zijn geworden | לְבָרוֹת֙ (levarot) = tot voedsel | לָ֔מוֹ (lamo) = voor hen | בְּשֶׁ֖בֶר (beshever) = bij breuk van | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּֽי (ami) = mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat vrouwen hun kinderen aten, is een uitwerking van de vloek in Lev. 26:29 en Deut. 28:53–57. Zie ook 2 Kon. 6:28–29. Voetnoot : בָּרוֹת (barot), ‘voedsel’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het werkwoord ‘eten’. Zie ook: Lev 26:29; Deut 28:53–57; 2 Kon 6:26–29; 2 Kon 6:28–29; Jes 49:15; Jer 19:9; Klaagl 2:20; Klaagl 3:48 ### Yahweh heeft Zijn toorn uitgegoten **4:11** Yahweh heeft Zijn gramschap volledig laten uitwerken. Hij heeft Zijn brandende toorn uitgegoten. Hij heeft in Sion een vuur aangestoken, dat haar fundamenten heeft verteerd. Brontekst: כִּלָּ֤ה (kila) = Hij heeft voltooid | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | חֲמָת֔וֹ (chamato) = Zijn gramschap | שָׁפַ֖ךְ (shafakh) = Hij heeft uitgegoten | חֲר֣וֹן (charon) = gloed van | אַפּ֑וֹ (apo) = Zijn toorn | וַיַּצֶּת (vayatset) = en Hij heeft aangestoken | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | בְּצִיּ֔וֹן (betsiyon) = in Sion | וַתֹּ֖אכַל (vatokhal) = en het heeft verteerd | יְסוֹדֹתֶֽיהָ (yesodoteiha) = haar fundamenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְסוֹדֹתֶיהָ (yesodoteiha), ‘haar fundamenten’: het vuur heeft de stad tot op de grond verteerd. Zie 2 Kon. 25:9. Zie ook: 2 Kon 25:9; Jer 7:20; Jer 17:27; Klaagl 2:17; Ezech 22:31; Dan 9:12 **4:12** De koningen van de aarde geloofden niet dat een tegenstander en een vijand door de poorten van Jeruzalem zou binnenkomen. Evenmin geloofden alle bewoners van de wereld het. Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | הֶאֱמִ֨ינוּ֙ (heeminu) = zij geloofden | מַלְכֵי (malkhei) = koningen van | אֶ֔רֶץ (erets) = de aarde | כֹּ֖ל (kol) = al | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | תֵבֵ֑ל (tevel) = de wereld | כִּ֤י (ki) = dat | יָבֹא֙ (yavo) = zou binnenkomen | צַ֣ר (tsar) = tegenstander | וְאוֹיֵ֔ב (veoyev) = en vijand | בְּשַׁעֲרֵ֖י (beshaarei) = in de poorten van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Deut 29:23–27; Ps 48:5–7; 1 Kon 9:8–9; Jer 21:13 **4:13** Dit is gebeurd om de zonden van haar profeten, om de ongerechtigheden van haar priesters, die in haar midden het bloed van rechtvaardigen vergoten. Brontekst: מֵֽחַטֹּ֣את (mechatot) = vanwege de zonden van | נְבִיאֶ֔יהָ (nevieiha) = haar profeten | עֲוֺנ֖וֹת (avonot) = ongerechtigheden van | כֹּהֲנֶ֑יהָ (kohaneiha) = haar priesters | הַשֹּׁפְכִ֥ים (hashofekhim) = die vergieten | בְּקִרְבָּ֖הּ (beqirbah) = in haar midden | דַּ֥ם (dam) = bloed van | צַדִּיקִֽים (tsadiqim) = rechtvaardigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De profeten en priesters droegen de schuld door onrecht en geweld in de stad, zoals in Jer. 26:8–11 en Ezech. 22:26–28. Zie ook: Jer 5:31; Jer 6:13; Jer 26:8–9; Ezech 22:26–28; Mat 23:31 **4:14** Als blinden dwalen zij door de straten, zo bezoedeld met bloed dat niemand hun kleren kan aanraken. Brontekst: נָע֤וּ (nau) = zij dolen | עִוְרִים֙ (ivrim) = blinden | בַּֽחוּצ֔וֹת (bachutsot) = in de straten | נְגֹֽאֲל֖וּ (negoalu) = zij zijn bezoedeld | בַּדָּ֑ם (badam) = met bloed | בְּלֹ֣א (belo) = zodat | יֽוּכְל֔וּ (yukhelu) = zij kunnen | יִגְּע֖וּ (yigeu) = zij raken aan | בִּלְבֻשֵׁיהֶֽם (bilvusheihem) = hun kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְגֹאֲלוּ (nego’alu), ‘zijn bezoedeld’: dit is een ander werkwoord dan גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’ (3:58). Het is verwant aan גֹּאַל (go’al), ‘bevlekking’ (Neh. 13:29). Het bloed maakt de mensen onrein, zodat niemand hen durft aanraken. Zie ook: Num 19:16; Deut 28:28–29; Jes 1:15; Jes 56:10; Jer 2:34; Neh 13:29 **4:15** „Ga weg, onrein!” riep men hun toe. „Ga weg, ga weg, raak ons niet aan!” Ja, zij zijn gevlucht en zij zwerven rond. Onder de volken zei men: „Zij zullen hier niet langer verblijven.” Brontekst: ס֣וּרוּ (suru) = wijkt | טָמֵ֞א (tame) = onrein | קָ֣רְאוּ (qareu) = zij riepen | לָ֗מוֹ (lamo) = tot hen | ס֤וּרוּ (suru) = wijkt | ס֨וּרוּ֙ (suru) = wijkt | אַל (al) = niet | תִּגָּ֔עוּ (tigau) = raakt aan | כִּ֥י (ki) = ja | נָצ֖וּ (natsu) = zij zijn gevlucht | גַּם (gam) = ook | נָ֑עוּ (nau) = zij zijn gaan zwerven | אָֽמְרוּ֙ (ameru) = zij zeiden | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | לֹ֥א (lo) = niet | יוֹסִ֖יפוּ (yosifu) = zij zullen voortgaan | לָגֽוּר (lagur) = te verblijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טָמֵא (tame), ‘onrein’: de uitroep van de melaatsen (Lev. 13:45). Wie onrein is, mag niet worden aangeraakt. De ballingen worden behandeld als melaatsen. Voetnoot : Het vers heeft in het Hebreeuws geen aanhalingstekens. De sprekers zijn de mensen die de vluchtelingen weerhouden, daarna de volken. Wij zetten ze als leeshulp. Zie ook: Lev 13:45–46 **4:16** Het aangezicht van Yahweh heeft hen verspreid. Hij kijkt niet meer naar hen om. Zij hebben priesters niet in aanzien gehouden en oudsten geen gunst bewezen. Brontekst: פְּנֵ֤י (penei) = aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | חִלְּקָ֔ם (chileqam) = heeft hen verspreid | לֹ֥א (lo) = niet | יוֹסִ֖יף (yosif) = Hij zal voortgaan | לְהַבִּיטָ֑ם (lehabitam) = om naar hen te kijken | פְּנֵ֤י (penei) = aangezicht van | כֹהֲנִים֙ (kohanim) = priesters | לֹ֣א (lo) = niet | נָשָׂ֔אוּ (nasau) = zij hebben opgeheven | וּזְקֵנִ֖ים (uzeqenim) = en oudsten | לֹ֥א (lo) = niet | חָנָֽנוּ (chananu) = zij hebben gunst bewezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִלְּקָם (chilleqam), ‘heeft hen verspreid’: letterlijk ‘heeft hen verdeeld’. Het werkwoord kan ook ‘hun deel toebedelen’ betekenen. Wij kiezen ‘verspreiden’, zoals in Gen. 49:7. Voetnoot : נָשְׂאוּ פְנֵי (nasu fenei), ‘zij hielden in aanzien’: letterlijk ‘zij hieven het aangezicht op’, dus zij toonden respect. Zie ook: Gen 49:7; Deut 28:25; Deut 32:26; Jes 9:13–15; Klaagl 5:12; Heb 8:9 ### Wij keken uit naar hulp **4:17** Nog steeds kwijnen onze ogen weg naar onze hulp, tevergeefs. Op onze uitkijkpost hebben wij uitgekeken naar een volk dat niet kan redden. Brontekst: עוֹדֵ֨ינוּ֙ (odeinu) = nog steeds wij | תִּכְלֶ֣ינָה (tikhleina) = zij kwijnen weg | עֵינֵ֔ינוּ (eineinu) = onze ogen | אֶל (el) = naar | עֶזְרָתֵ֖נוּ (ezratenu) = onze hulp | הָ֑בֶל (havel) = tevergeefs | בְּצִפִּיָּתֵ֣נוּ (betsipiyatenu) = op onze uitkijkpost | צִפִּ֔ינוּ (tsipinu) = wij hebben uitgekeken | אֶל (el) = naar | גּ֖וֹי (goy) = een volk | לֹ֥א (lo) = niet | יוֹשִֽׁעַ (yoshia) = het kan redden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָבֶל (hevel), ‘tevergeefs’: letterlijk ‘damp’. Hulp van mensen is als damp, zonder inhoud. Voetnoot : גּוֹי לֹא יוֹשִׁעַ (goy lo yoshia), ‘een volk dat niet kan redden’: waarschijnlijk Egypte (zie Jer. 37:5–7). Zie ook: 2 Kon 24:7; Jes 20:5; Jes 30:1–7; Jer 2:18; Jer 37:5–7; Ezech 29:16 **4:18** Zij hebben onze stappen belaagd, zodat wij niet op onze pleinen konden lopen. Ons einde is nabij. Onze dagen zijn vol, want ons einde is gekomen. Brontekst: צָד֣וּ (tsadu) = zij hebben belaagd | צְעָדֵ֔ינוּ (tseadeinu) = onze stappen | מִלֶּ֖כֶת (milekhet) = van het lopen | בִּרְחֹבֹתֵ֑ינוּ (birchovoteinu) = op onze pleinen | קָרַ֥ב (qarav) = nabij is | קִצֵּ֛ינוּ (qitseinu) = ons einde | מָלְא֥וּ (maleu) = zij zijn vol | יָמֵ֖ינוּ (yameinu) = onze dagen | כִּי (ki) = want | בָ֥א (ba) = is gekomen | קִצֵּֽינוּ (qitseinu) = ons einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָדוּ (tsadu), ‘zij hebben belaagd’: het werkwoord betekent ‘jagen op wild’. Men durfde niet meer buiten te lopen. Zie ook: Ps 140:12; Amos 8:2; Jer 16:16; Klaagl 3:52; Ezech 7:2–12 **4:19** Onze achtervolgers waren sneller dan de arenden van de hemel. Op de bergen zetten zij ons vurig achterna. In de woestijn lagen zij voor ons op de loer. Brontekst: קַלִּ֤ים (qalim) = snel | הָיוּ֙ (hayu) = waren | רֹדְפֵ֔ינוּ (rodefeinu) = onze achtervolgers | מִנִּשְׁרֵ֖י (minishrei) = dan arenden van | שָׁמָ֑יִם (shamayim) = de hemel | עַל (al) = op | הֶהָרִ֣ים (heharim) = de bergen | דְּלָקֻ֔נוּ (delaqunu) = zij zetten ons vurig achterna | בַּמִּדְבָּ֖ר (bamidbar) = in de woestijn | אָ֥רְבוּ (arevu) = zij lagen op de loer | לָֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשָׁרִים (nesharim), ‘arenden’: het Hebreeuwse woord kan ook ‘gieren’ betekenen. Zie ook Deut. 28:49 (de vijand ‘als een arend’). Zie ook: Deut 28:49; Hos 8:1; Jes 5:26–28; Jer 4:13; Hab 1:8 **4:20** De adem van onze neus, de gezalfde van Yahweh, is in hun kuilen gevangen. Van hem zeiden wij: „In zijn schaduw zullen wij leven onder de volken.” Brontekst: ר֤וּחַ (ruach) = adem van | אַפֵּ֨ינוּ֙ (apeinu) = onze neus | מְשִׁ֣יחַ (meshiach) = gezalfde van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נִלְכַּ֖ד (nilkad) = is gevangen | בִּשְׁחִיתוֹתָ֑ם (bishchitotam) = in hun kuilen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = van wie | אָמַ֔רְנוּ (amarnu) = wij zeiden | בְּצִלּ֖וֹ (betsilo) = in zijn schaduw | נִֽחְיֶ֥ה (nichye) = wij zullen leven | בַגּוֹיִֽם (bagoyim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשִׁיחַ יְהוָה (meshiach Yahweh), ‘de gezalfde van Yahweh’: de koning, zoals ook Saul zo heet in 1 Sam. 24:7 (NL 24:6). Hier is het waarschijnlijk Zedekia (zie 2 Kon. 25:4–7 en Jer. 39:4–7). Wij vertalen het woord als titel en niet als ‘Messias’. Voetnoot : שְׁחִיתוֹת (shechitot), ‘kuilen’: de vallen van de vijanden, zoals de kuil voor wilde dieren in Ezech. 19:4 en 19:8. Zie ook: Gen 2:7; 1 Sam 24:7; 2 Sam 1:14; 2 Sam 19:22; 2 Kon 25:4–7; Jer 39:4–7; Jer 39:5; Ezech 12:13; Ezech 19:4; Ezech 19:8 ### Het lot van Dochter Edom **4:21** Wees blij en verheug je, Dochter Edom, die in het land Uz woont. Ook over jou gaat de beker heen. Je wordt dronken en ontbloot jezelf. Brontekst: שִׂ֤ישִׂי (sisi) = wees blij | וְשִׂמְחִי֙ (vesimchi) = en verheug je | בַּת (bat) = dochter van | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | יוֹשֶׁ֖בֶת (yoshevet) = die woont | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | ע֑וּץ (uts) = Uz | גַּם (gam) = ook | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = over jou | תַּעֲבָר (taavar) = zal doorgaan | כּ֔וֹס (kos) = beker | תִּשְׁכְּרִ֖י (tishkeri) = je zult dronken worden | וְתִתְעָרִֽי (vetitari) = en je zult jezelf ontbloten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: עוּץ (Uts), ‘Uz’: een land dat bij Edom hoort (Gen. 36:28 noemt een zoon van Dishan met die naam; zie ook Job 1:1). De ligging is niet zeker. Voetnoot : כּוֹס (kos), ‘beker’: het beeld van Yahweh’s oordeel, dat de volken laat drinken tot ze dronken zijn. Zie Jer. 25:15–17 en Jer. 49:12. Zie ook: Gen 36:28; Job 1:1; Ps 137:7; Amos 1:11; Jer 25:15–17; Jer 49:12; Openb 16:15 **4:22** Je schuld is voleindigd, Dochter Sion. Hij zal je niet opnieuw in ballingschap voeren. Hij zal je schuld straffen, Dochter Edom. Hij onthult je zonden. Brontekst: תַּם (tam) = is voleindigd | עֲוֺנֵךְ֙ (avonekh) = je schuld | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | לֹ֥א (lo) = niet | יוֹסִ֖יף (yosif) = Hij zal voortgaan | לְהַגְלוֹתֵ֑ךְ (lehaglotekh) = om je weg te voeren | פָּקַ֤ד (paqad) = Hij zal straffen | עֲוֺנֵךְ֙ (avonekh) = je schuld | בַּת (bat) = dochter van | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | גִּלָּ֖ה (gila) = Hij heeft onthuld | עַל (al) = over | חַטֹּאתָֽיִךְ (chatotayikh) = je zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: תַּם עֲוֹנֵךְ (tam avonekh), ‘je schuld is voleindigd’: de straf is voltooid. Dat is een belofte voor Sion: de ballingschap zal niet worden herhaald. Zie ook Jes. 40:2. Voetnoot : פָּקַד עֲוֹנֵךְ (paqad avonekh), ‘Hij zal je schuld straffen’: letterlijk ‘Hij zal je schuld bezoeken’. Voor Edom is de straf nog te komen. Zie ook: Ps 137:7; Jes 40:2; Jer 32:40; Jer 50:20; Klaagl 4:21 ## Klaagliederen 5 _Gebed van het volk: Yahweh, breng ons terug_ ### Gedenk wat ons is overkomen **5:1** Denk eraan, Yahweh, wat ons is overkomen. Kijk en zie onze smaad. Brontekst: זְכֹ֤ר (zekhor) = gedenk | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מֶֽה (me) = wat | הָ֣יָה (haya) = is geweest | לָ֔נוּ (lanu) = ons | הַבִּ֖יטָה (habita) = kijk | וּרְאֵ֥ה (uree) = en zie | אֶת (et) = (obj.) | חֶרְפָּתֵֽנוּ (cherpatenu) = onze smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk heeft ook 22 verzen, maar is geen alfabetgedicht. Het is een gebed van het volk aan Yahweh, in de ‘wij’-vorm. Voetnoot : חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’: schande, bespotting. Zie 3:61. Zie ook: Ps 44:14–17; Ps 79:12; Ps 89:51–52; Klaagl 3:19; Neh 3:36 **5:2** Ons erfdeel is aan vreemden overgegaan, onze huizen aan buitenlanders. Brontekst: נַחֲלָתֵ֨נוּ֙ (nachalatenu) = ons erfdeel | נֶֽהֶפְכָ֣ה (nehefkha) = is omgekeerd | לְזָרִ֔ים (lezarim) = naar vreemden | בָּתֵּ֖ינוּ (bateinu) = onze huizen | לְנָכְרִֽים (lenakherim) = naar buitenlanders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: het land dat Yahweh aan Israël gaf om te bezitten (Num. 26:52–56). Zie ook: Num 26:52–56; Deut 28:30–68; Ps 79:1–2; Jes 1:7; Jes 63:18; Sef 1:13 **5:3** Wij zijn wezen geworden, zonder vader. Onze moeders zijn als weduwen. Brontekst: יְתוֹמִ֤ים (yetomim) = wezen | הָיִ֨ינוּ֙ (hayinu) = wij zijn geworden | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | אָ֔ב (av) = vader | אִמֹּתֵ֖ינוּ (imoteinu) = onze moeders | כְּאַלְמָנֽוֹת (kealmanot) = als weduwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat de vaders er niet meer zijn, kan in het Hebreeuws om hun dood of om hun afwezigheid in de ballingschap gaan. Zie ook: Ex 22:23; Hos 14:4; Jer 15:8; Jer 18:21 **5:4** Ons water drinken wij voor geld. Ons hout komt tegen betaling. Brontekst: מֵימֵ֨ינוּ֙ (meimeinu) = ons water | בְּכֶ֣סֶף (bekhesef) = voor geld | שָׁתִ֔ינוּ (shatinu) = wij drinken | עֵצֵ֖ינוּ (etseinu) = ons hout | בִּמְחִ֥יר (bimchir) = tegen betaling | יָבֹֽאוּ (yavou) = het komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:48; Jes 3:1; Ezech 4:9–17 **5:5** Op onze nek worden wij achtervolgd. Wij zijn moe en er is ons geen rust gegund. Brontekst: עַ֤ל (al) = op | צַוָּארֵ֨נוּ֙ (tsavarenu) = onze nek | נִרְדָּ֔פְנוּ (nirdafenu) = wij worden achtervolgd | יָגַ֖עְנוּ (yaganu) = wij zijn moe geworden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הֽוּנַ֖ח (hunach) = is rust gegeven | לָֽנוּ (lanu) = aan ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל צַוָּארֵנוּ (al tsavvarenu), ‘op onze nek’: de achtervolgers zitten ons op de nek. Het kan ook betekenen dat het juk op onze nek ligt. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Jer 27:8; Jer 27:11–12; Jer 28:14; Klaagl 1:14; Neh 9:36–37 **5:6** Wij hebben de hand gereikt aan Egypte en aan Assyrië, om verzadigd te worden met brood. Brontekst: מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = aan Egypte | נָתַ֣נּוּ (natanu) = wij hebben gegeven | יָ֔ד (yad) = hand | אַשּׁ֖וּר (ashur) = aan Assyrië | לִשְׂבֹּ֥עַֽ (lisboa) = om te verzadigen | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: נָתַן יָד (natan yad), ‘de hand reiken’: zich overgeven of een verdrag sluiten. Juda zocht brood bij Egypte en Assyrië; zie Hos. 7:11 en Jer. 2:18. Zie ook: Hos 7:11; Hos 9:3; Hos 12:2; Jer 2:18; Jer 2:36 **5:7** Onze vaderen hebben gezondigd; zij zijn er niet meer. Wij dragen hun ongerechtigheden. Brontekst: אֲבֹתֵ֤ינוּ (avoteinu) = onze vaderen | חָֽטְאוּ֙ (chateu) = hebben gezondigd | וְאֵינָ֔ם (veeinam) = en zij zijn er niet meer | וַאֲנַ֖חְנוּ (vaanachnu) = en wij | עֲוֺנֹתֵיהֶ֥ם (avonoteihem) = hun ongerechtigheden | סָבָֽלְנוּ (savalenu) = wij hebben gedragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is anders dan Ezech. 18:2–4, waar Yahweh zegt dat ieder voor zijn eigen zonde sterft. Hier spreekt het volk zijn ervaring uit: de straf van de vaderen drukt op de kinderen. Zie ook Jer. 31:29–30. Zie ook: Ex 20:5; Jer 14:20; Jer 16:12; Jer 31:29; Ezech 18:2 **5:8** Knechten heersen over ons. Niemand rukt ons los uit hun hand. Brontekst: עֲבָדִים֙ (avadim) = knechten | מָ֣שְׁלוּ (mashelu) = zij heersen | בָ֔נוּ (banu) = over ons | פֹּרֵ֖ק (poreq) = iemand die losrukt | אֵ֥ין (ein) = niet is | מִיָּדָֽם (miyadam) = uit hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבָדִים (avadim), ‘knechten’: de dienaren van de vreemde koningen, zoals hun ambtenaren. Dat zij nu over het volk heersen, is een omkering van de orde. Zie ook: Job 10:7; Ps 7:3; Spr 30:22; Zach 11:6; Neh 5:15 **5:9** Ons brood halen wij met gevaar voor ons leven, vanwege het zwaard in de woestijn. Brontekst: בְּנַפְשֵׁ֨נוּ֙ (benafshenu) = met onze ziel | נָבִ֣יא (navi) = wij brengen | לַחְמֵ֔נוּ (lachmenu) = ons brood | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard van | הַמִּדְבָּֽר (hamidbar) = de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנַפְשֵׁנוּ (benafshenu), ‘met gevaar voor ons leven’: letterlijk ‘met onze ziel’. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, staat hier voor het leven zelf. Voetnoot : חֶרֶב הַמִּדְבָּר (cherev hammidbar), ‘het zwaard in de woestijn’: rovers en vijanden op de wegen. Zie ook: Jer 40:9–12; Jer 41:1–10; Jer 42:16; Ezech 4:16–17; Ezech 12:18–19 **5:10** Onze huid gloeit als een oven door de verzengende gloed van de honger. Brontekst: עוֹרֵ֨נוּ֙ (orenu) = onze huid | כְּתַנּ֣וּר (ketanur) = als een oven | נִכְמָ֔רוּ (nikhmaru) = is verhit | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | זַלְעֲפ֥וֹת (zalafot) = gloed van | רָעָֽב (raav) = honger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִכְמָרוּ (nikmaru), ‘gloeit’: van het werkwoord כָּמַר (kamar), ‘verschrompelen, gloeien’. De huid wordt heet en donker als een oven. Voetnoot : זַלְעָפוֹת (zalafot), ‘verzengende gloed’: een brandende hitte. Het woord staat ook in Ps. 11:6 en Ps. 119:53. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Job 30:30; Ps 11:6; Ps 119:53; Ps 119:83; Klaagl 3:4; Klaagl 4:8 **5:11** Vrouwen in Sion zijn vernederd, maagden in de steden van Juda. Brontekst: נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | בְּצִיּ֣וֹן (betsiyon) = in Sion | עִנּ֔וּ (inu) = zij zijn vernederd | בְּתֻלֹ֖ת (betulot) = maagden | בְּעָרֵ֥י (bearei) = in steden van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: עִנּוּ (innu), ‘zij zijn vernederd’: het werkwoord betekent ‘vernederen, geweld aandoen’ en wordt ook gebruikt voor verkrachting (Gen. 34:2). Zie ook: Gen 34:2; Deut 28:30; Jes 13:16; Zach 14:2 **5:12** Oversten zijn door hun hand opgehangen. Het aangezicht van oudsten is niet geëerd. Brontekst: שָׂרִים֙ (sarim) = oversten | בְּיָדָ֣ם (beyadam) = door hun hand | נִתְל֔וּ (nitlu) = zijn opgehangen | פְּנֵ֥י (penei) = aangezicht van | זְקֵנִ֖ים (zeqenim) = oudsten | לֹ֥א (lo) = niet | נֶהְדָּֽרוּ (nehdaru) = zij zijn geëerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּיָדָם נִתְלוּ (beyadam nitlu), ‘door hun hand opgehangen’: zij werden door de vijanden opgehangen. Het kan ook ‘bij hun hand’ betekenen. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Jes 47:6; Jer 39:6–7; Jer 52:25–27; Klaagl 2:10; Klaagl 4:16 **5:13** Jongemannen dragen de maalsteen en jongens struikelen onder het hout. Brontekst: בַּחוּרִים֙ (bachurim) = jongemannen | טְח֣וֹן (techon) = maalsteen | נָשָׂ֔אוּ (nasau) = zij dragen | וּנְעָרִ֖ים (unearim) = en jongens | בָּעֵ֥ץ (baets) = onder het hout | כָּשָֽׁלוּ (kashalu) = zij struikelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טְחוֹן (techon), ‘maalsteen’: het werk van slaven en vrouwen (Exod. 11:5). Jongemannen moeten nu zware handenarbeid doen. Zie ook: Job 31:10; Ex 2:11; Ex 11:5; Ex 23:5; Re 16:21; Mat 23:4 **5:14** De oudsten zijn weggebleven uit de poort, de jongemannen uit hun muziek. Brontekst: זְקֵנִים֙ (zeqenim) = oudsten | מִשַּׁ֣עַר (mishaar) = uit de poort | שָׁבָ֔תוּ (shavatu) = zij zijn weggebleven | בַּחוּרִ֖ים (bachurim) = jongemannen | מִנְּגִינָתָֽם (mineginatam) = uit hun muziek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְנַגִּינָתָם (menaginatam), ‘hun muziek’: het snarenspel. Hetzelfde woord als in 3:14 en 3:63, daar als ‘spotlied’. Zie ook: Deut 16:18; Jes 24:7–11; Jer 7:34; Ezech 26:13; Openb 18:22 **5:15** De vreugde van ons hart is opgehouden. Onze reidans is in rouw veranderd. Brontekst: שָׁבַת֙ (shavat) = is opgehouden | מְשׂ֣וֹשׂ (mesos) = vreugde van | לִבֵּ֔נוּ (libenu) = ons hart | נֶהְפַּ֥ךְ (nehpakh) = is veranderd | לְאֵ֖בֶל (leevel) = in rouw | מְחֹלֵֽנוּ (mecholenu) = onze reidans Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָחוֹל (machol), ‘reidans’: de dans van de feesten, zoals in Ps. 30:12 (NL 30:11) en Jer. 31:13. Zie ook: Ps 30:12; Amos 6:4–7; Amos 8:10; Jer 25:10; Jer 31:13; Jak 4:9–10 **5:16** De kroon van ons hoofd is gevallen. Wee ons, want wij hebben gezondigd. Brontekst: נָֽפְלָה֙ (nafela) = is gevallen | עֲטֶ֣רֶת (ateret) = kroon van | רֹאשֵׁ֔נוּ (roshenu) = ons hoofd | אֽוֹי (oy) = wee | נָ֥א (na) = toch | לָ֖נוּ (lanu) = ons | כִּ֥י (ki) = want | חָטָֽאנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲטֶרֶת רֹאשֵׁנוּ (ateret roshenu), ‘de kroon van ons hoofd’: de eer en glans van het volk, zoals in Job 19:9. Het kan ook de koning betekenen. Zie ook: Job 19:9; Ps 89:40; Jes 3:9–11; Jer 13:18; Klaagl 4:13 **5:17** Hierom is ons hart ziek geworden. Hierom zijn onze ogen donker geworden: Brontekst: עַל (al) = om | זֶ֗ה (ze) = dit | הָיָ֤ה (haya) = is geworden | דָוֶה֙ (dave) = ziek | לִבֵּ֔נוּ (libenu) = ons hart | עַל (al) = om | אֵ֖לֶּה (ele) = deze dingen | חָשְׁכ֥וּ (chashekhu) = zij zijn donker geworden | עֵינֵֽינוּ (eineinu) = onze ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:7; Ps 6:8; Jes 1:5; Jes 38:14; Klaagl 2:11 **5:18** om de berg Sion, die verwoest is. Vossen lopen erop rond. Brontekst: עַ֤ל (al) = om | הַר (har) = berg | צִיּוֹן֙ (tsiyon) = Sion | שֶׁשָּׁמֵ֔ם (sheshamem) = die verwoest is | שׁוּעָלִ֖ים (shualim) = vossen | הִלְּכוּ (hilekhu) = zij lopen | בֽוֹ (bo) = erop rond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שׁוּעָלִים (shu’alim), ‘vossen’: het woord kan ook ‘jakhalzen’ betekenen. Dieren die in ruïnes wonen, zoals ook in Ps. 63:11 (NL 63:10) en Neh. 3:35 (NL 4:3). Zie ook: Ps 63:11; Ps 74:2–3; Mi 3:12; Jer 9:10; Jer 17:3; Klaagl 2:8–9; Neh 3:35 ### U, Yahweh, troont voor eeuwig **5:19** U, Yahweh, troont voor eeuwig. Uw troon blijft van generatie op generatie. Brontekst: אַתָּ֤ה (ata) = U | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְעוֹלָ֣ם (leolam) = voor eeuwig | תֵּשֵׁ֔ב (teshev) = U troont | כִּסְאֲךָ֖ (kisakha) = Uw troon | לְדֹ֥ר (ledor) = van generatie | וָדֽוֹר (vador) = op generatie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּשֵׁב (teshev), ‘U troont’: het werkwoord betekent ‘zitten’ en ‘wonen’. Yahweh zetelt onveranderlijk, ook nu de aardse troon van Sion is verwoest. Zie ook Ps. 102:13 (NL 102:12). Zie ook: Ps 45:7; Ps 102:13; Ps 102:26–28; Ps 145:13; Heb 1:8–12 **5:20** Waarom vergeet U ons voor altijd? Waarom verlaat U ons zo lange tijd? Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | לָנֶ֨צַח֙ (lanetsach) = voor altijd | תִּשְׁכָּחֵ֔נוּ (tishkachenu) = U vergeet ons | תַּֽעַזְבֵ֖נוּ (taazvenu) = U verlaat ons | לְאֹ֥רֶךְ (leorekh) = voor lengte van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 13:2; Ps 44:25; Ps 79:5; Ps 89:47; Jer 14:19–21 **5:21** Breng ons terug naar U, Yahweh, dan keren wij terug. Maak onze dagen nieuw zoals vroeger. Brontekst: הֲשִׁיבֵ֨נוּ (hashivenu) = breng ons terug | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = naar U | וְֽנָשׁ֔וּבָה (venashuva) = en wij zullen terugkeren | חַדֵּ֥שׁ (chadesh) = maak nieuw | יָמֵ֖ינוּ (yameinu) = onze dagen | כְּקֶֽדֶם (keqedem) = zoals vroeger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲשִׁיבֵנוּ (hashivenu), ‘breng ons terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv) betekent ‘terugkeren’ en ‘terugbrengen’. De bede is dat Yahweh het volk keert, zodat het zelf kan terugkeren. Zie ook Jer. 31:18 en Ps. 80:4 (NL 80:3). Zie ook: Ps 80:4; Ps 80:8; Ps 80:20; Ps 85:5; Jer 31:18 **5:22** Of hebt U ons helemaal verworpen? Bent U buitengewoon vertoornd op ons? Brontekst: כִּ֚י (ki) = of | אִם (im) = tenzij | מָאֹ֣ס (maos) = helemaal verwerpen | מְאַסְתָּ֔נוּ (meastanu) = U hebt ons verworpen | קָצַ֥פְתָּ (qatsafta) = U bent vertoornd | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = over ons | עַד (ad) = tot aan | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּי אִם (ki im): de betekenis van deze twee woorden is niet helemaal zeker. Ze kunnen ‘tenzij’, ‘want als’ of ‘of’ betekenen. Wij lezen het gebed als een vraag: ‘Of hebt U ons helemaal verworpen?’ Een andere lezing is: ‘tenzij U ons helemaal hebt verworpen en buitengewoon op ons vertoornd bent’. Voetnoot : In de joodse leestraditie herhaalt men na dit vers vers 21, zodat het boek niet met de klacht eindigt. Zie ook: Ps 44:10; Ps 60:3–4; Hos 1:6; Jes 64:8; Klaagl 5:21; Ezech 37:11