# Richteren (שופטים, Shofetim) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Richteren 1 _Na Jozua: Juda en de stammen trekken op, maar verdrijven de Kanaänieten niet overal_ ### Israël vraagt Yahweh wie als eerste optrekt **1:1** Na de dood van Jozua vroegen de zonen van Israël aan Yahweh: „Wie van ons moet het eerst optrekken tegen de Kanaänieten, om tegen hen te strijden?” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | מ֣וֹת (mot) = de dood van | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | וַֽיִּשְׁאֲלוּ֙ (vayishalu) = en zij vroegen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בַּיהוָ֖ה (baYahweh) = aan Yahweh | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מִ֣י (mi) = wie | יַעֲלֶה (yaale) = zal optrekken | לָּ֧נוּ (lanu) = voor ons | אֶל (el) = naar | הַֽכְּנַעֲנִ֛י (hakenaani) = de Kanaäniet | בַּתְּחִלָּ֖ה (batechila) = in het begin | לְהִלָּ֥חֶם (lehilachem) = om te strijden | בּֽוֹ (bo) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit boek sluit aan op Joz. 24:29–31: Jozua is gestorven en het volk heeft zijn erfdeel ontvangen. Het Hebreeuws noemt hier ‘de Kanaäniet’ in het enkelvoud; wij vertalen ‘de Kanaänieten’, het hele volk. Dat Juda als eerste optrekt past bij Num. 2:9 en Num. 10:14, waar Juda als eerste opbreekt. Zie ook: Ex 28:30; Num 2:9; Num 10:14; Num 27:21; Joz 24:29–31; Re 20:18; Re 20:28; 1 Sam 23:9–10 **1:2** Yahweh zei: **„Juda moet optrekken. Zie, Ik heb het land in zijn hand gegeven.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יְהוּדָ֣ה (yehuda) = Juda | יַעֲלֶ֑ה (yaale) = zal optrekken | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:8–10; Num 7:12; Ps 78:68–70; Heb 7:14; Openb 5:5 **1:3** Juda zei tegen zijn broer Simeon: „Trek met mij op naar mijn lot. Dan strijden wij tegen de Kanaänieten. Dan ga ik ook met jou mee naar jouw lot.” Simeon ging met hem mee. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוּדָה֩ (yehuda) = Juda | לְשִׁמְע֨וֹן (leshimon) = tegen Simeon | אָחִ֜יו (achiv) = zijn broer | עֲלֵ֧ה (ale) = trek op | אִתִּ֣י (iti) = met mij | בְגוֹרָלִ֗י (begorali) = in mijn lot | וְנִֽלָּחֲמָה֙ (venilachama) = en laten wij strijden | בַּֽכְּנַעֲנִ֔י (bakenaani) = tegen de Kanaäniet | וְהָלַכְתִּ֧י (vehalakhti) = en ik zal gaan | גַם (gam) = ook | אֲנִ֛י (ani) = ik | אִתְּךָ֖ (itekha) = met jou | בְּגוֹרָלֶ֑ךָ (begoralekha) = in jouw lot | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | שִׁמְעֽוֹן (shimon) = Simeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹרָל (goral), ‘lot’: het gebied dat bij de loting aan een stam viel. Het gebied van Simeon lag binnen dat van Juda (Joz. 19:1–9). Daarom gaan Juda en Simeon samen op. Zie ook: Gen 29:33; Joz 19:1; Re 1:17; 2 Sam 10:11 ### Adoni-Bezek **1:4** Juda trok op. Yahweh gaf de Kanaänieten en de Perizzieten in hun hand. Zij versloegen in Bezek 10.000 man. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en trok op | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en gaf | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַכְּנַעֲנִ֥י (hakenaani) = de Kanaäniet | וְהַפְּרִזִּ֖י (vehaperizi) = en de Perizziet | בְּיָדָ֑ם (beyadam) = in hun hand | וַיַּכּ֣וּם (vayakum) = en zij versloegen hen | בְּבֶ֔זֶק (bevezeq) = in Bezek | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bezek ligt waarschijnlijk bij Khirbet Ibziq, ten noordoosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever). Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘tien duizend man’. Wij schrijven 10.000. Zie ook: Joz 11:6–8; 1 Sam 11:8; 1 Sam 14:6; 1 Sam 14:10; 1 Kon 22:15 **1:5** In Bezek vonden zij Adoni-Bezek. Zij streden tegen hem en versloegen de Kanaänieten en de Perizzieten. Brontekst: וַֽ֠יִּמְצְאוּ (vayimtseu) = en zij vonden | אֶת (et) = (obj.) | אֲדֹנִ֥י (adoni) = Adoni | בֶ֨זֶק֙ (bezeq) = Bezek | בְּבֶ֔זֶק (bevezeq) = in Bezek | וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ (vayilachamu) = en zij streden | בּ֑וֹ (bo) = tegen hem | וַיַּכּ֕וּ (vayaku) = en zij versloegen | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִ֖י (hakenaani) = de Kanaäniet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַפְּרִזִּֽי (haperizi) = de Perizziet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bezek (ligging onzeker): Bezek wordt gezocht bij Khirbet Ibziq, ten noordoosten van Sichem. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנִי בֶזֶק (Adoni-Bezeq), ‘heer van Bezek’: een naam of een titel van de koning van Bezek. **1:6** Adoni-Bezek vluchtte. Zij achtervolgden hem, grepen hem en hakten de duimen van zijn handen en de grote tenen van zijn voeten af. Brontekst: וַיָּ֨נָס֙ (vayanas) = en vluchtte | אֲדֹ֣נִי (adoni) = Adoni | בֶ֔זֶק (bezeq) = Bezek | וַֽיִּרְדְּפ֖וּ (vayirdefu) = en zij achtervolgden | אַחֲרָ֑יו (acharav) = achter hem | וַיֹּאחֲז֣וּ (vayochazu) = en zij grepen | אֹת֔וֹ (oto) = hem | וַֽיְקַצְּצ֔וּ (vayqatsetsu) = en zij hakten af | אֶת (et) = (obj.) | בְּהֹנ֥וֹת (behonot) = de duimen van | יָדָ֖יו (yadav) = zijn handen | וְרַגְלָֽיו (veraglav) = en zijn voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּהֹנוֹת (behonot), ‘duimen en grote tenen’: Het woord wordt gebruikt voor de duim van de hand en de grote teen van de voet. Wie die kwijt was, kon geen wapens vasthouden en niet goed lopen. **1:7** Adoni-Bezek zei: „Zeventig koningen, van wie de duimen van hun handen en voeten waren afgehakt, raapten onder mijn tafel op. Zoals ik heb gedaan, zo heeft Elohim mij vergolden.” Zij brachten hem naar Jeruzalem en daar stierf hij. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲדֹֽנִי (adoni) = Adoni | בֶ֗זֶק (bezeq) = Bezek | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | מְלָכִ֡ים (melakhim) = koningen | בְּֽהֹנוֹת֩ (behonot) = de duimen van | יְדֵיהֶ֨ם (yedeihem) = hun handen | וְרַגְלֵיהֶ֜ם (veragleihem) = en hun voeten | מְקֻצָּצִ֗ים (mequtsatsim) = afgehakt | הָי֤וּ (hayu) = waren | מְלַקְּטִים֙ (melaqetim) = opraapten | תַּ֣חַת (tachat) = onder | שֻׁלְחָנִ֔י (shulchani) = mijn tafel | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = ik heb gedaan | כֵּ֥ן (ken) = zo | שִׁלַּם (shilam) = heeft vergolden | לִ֖י (li) = mij | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וַיְבִיאֻ֥הוּ (vayviuhu) = en zij brachten hem | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = naar Jeruzalem | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en hij stierf | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jeruzalem ligt in het bergland van Juda, op de grens met Benjamin (Israël). Zie ook vers 8 en vers 21. Voetnoot Uitleg: Wat de koningen onder de tafel ‘opraapten’, staat er niet bij. Het gaat waarschijnlijk om resten van het eten. Het werkwoord שָׁלַם (shalam), ‘vergelden’, betekent: terugbetalen wat iemand heeft gedaan. Adoni-Bezek ziet hierin de hand van Elohim. Zie ook: Lev 24:19–21; Re 1:8; Re 1:21; 1 Sam 15:33; Luc 6:37–38; Jak 2:13; Openb 13:10 ### Jeruzalem, Hebron en Debir **1:8** De zonen van Juda streden tegen Jeruzalem en namen de stad in. Zij sloegen haar met de scherpte van het zwaard. De stad staken zij in brand. Brontekst: וַיִּלָּחֲמ֤וּ (vayilachamu) = en zij streden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushaliam) = tegen Jeruzalem | וַיִּלְכְּד֣וּ (vayilkedu) = en zij namen in | אוֹתָ֔הּ (otah) = haar | וַיַּכּ֖וּהָ (vayakuha) = en zij sloegen haar | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | שִׁלְּח֥וּ (shilechu) = zij zonden | בָאֵֽשׁ (baesh) = in vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vers 8 vertelt dat Juda Jeruzalem inneemt en in brand steekt. Vers 21 zegt dat de Jebusieten er nog steeds wonen. Beide kunnen waar zijn: de stad werd ingenomen, maar de Jebusieten bleven in de burcht of kwamen later terug. Zie ook 2 Sam. 5:6–9. Zie ook: Joz 15:63; Re 1:21; 2 Sam 5:6–9 **1:9** Daarna gingen de zonen van Juda naar beneden om te strijden tegen de Kanaänieten. Die woonden in het bergland, in de Negev en in de Sefela. Brontekst: וְאַחַ֗ר (veachar) = en daarna | יָֽרְדוּ֙ (yaredu) = gingen naar beneden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | לְהִלָּחֵ֖ם (lehilachem) = om te strijden | בַּֽכְּנַעֲנִ֑י (bakenaani) = tegen de Kanaäniet | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = wonend in | הָהָ֔ר (hahar) = het bergland | וְהַנֶּ֖גֶב (vehanegev) = en de Negev | וְהַשְּׁפֵלָֽה (vehashefela) = en de Sefela Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Zie ook: Joz 10:36; Joz 11:21; Joz 15:13–20 **1:10** Juda trok tegen de Kanaänieten die in Hebron woonden. Hebron heette vroeger Kirjat-Arba. Zij versloegen Sjesai, Achiman en Talmai. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = naar | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | הַיּוֹשֵׁ֣ב (hayoshev) = die woonde | בְּחֶבְר֔וֹן (bechevron) = in Hebron | וְשֵׁם (veshem) = en de naam van | חֶבְר֥וֹן (chevron) = Hebron | לְפָנִ֖ים (lefanim) = vroeger | קִרְיַ֣ת (qiryat) = Kirjat | אַרְבַּ֑ע (arba) = Arba | וַיַּכּ֛וּ (vayaku) = en zij versloegen | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁשַׁ֥י (sheshay) = Sjesai | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲחִימַ֖ן (achiman) = Achiman | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תַּלְמָֽי (talmay) = Talmai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Kirjat-Arba is de oude naam (Gen. 23:2). Voetnoot Uitleg: Sjesai, Achiman en Talmai zijn de drie nakomelingen van Anak die ook in Num. 13:22 en Joz. 15:14 voorkomen. Zie ook: Gen 23:2; Num 13:22; Joz 14:15; Joz 15:14; Re 1:20; Pred 9:11; Jer 9:22 **1:11** Vandaar trok hij tegen de inwoners van Debir. Debir heette vroeger Kirjat-Sefer. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | אֶל (el) = naar | יוֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = de inwoners van | דְּבִ֑יר (devir) = Debir | וְשֵׁם (veshem) = en de naam van | דְּבִ֥יר (devir) = Debir | לְפָנִ֖ים (lefanim) = vroeger | קִרְיַת (qiryat) = Kirjat | סֵֽפֶר (sefer) = Sefer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Debir ligt waarschijnlijk bij Khirbet Rabud, ongeveer 20 km ten zuidwesten van Hebron (Westelijke Jordaanoever). De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: קִרְיַת־סֵפֶר (Qiryat-Sefer), ‘stad van het boek’ of ‘stad van de schrijver’. Het woord ‘Sefer’ komt ook in Joz. 15:15 voor. Zie ook: Joz 10:38–39; Joz 15:15 **1:12** Kaleb zei: „Wie Kirjat-Sefer verslaat en inneemt, hem geef ik mijn dochter Aksa als vrouw.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | כָּלֵ֔ב (kalev) = Kaleb | אֲשֶׁר (asher) = wie | יַכֶּ֥ה (yake) = verslaat | אֶת (et) = (obj.) | קִרְיַת (qiryat) = Kirjat | סֵ֖פֶר (sefer) = Sefer | וּלְכָדָ֑הּ (ulekhadah) = en inneemt het | וְנָתַ֥תִּי (venatati) = en ik zal geven | ל֛וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | עַכְסָ֥ה (akhsa) = Aksa | בִתִּ֖י (biti) = mijn dochter | לְאִשָּֽׁה (leisha) = als vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron. Dit is niet geheel zeker. Voetnoot Uitleg: עַכְסָה (Aksa), een vrouwennaam. Vers 12–15 komen bijna woordelijk overeen met Joz. 15:16–19. Zie ook: Joz 15:16–17; 1 Sam 17:25; 1 Sam 18:23 **1:13** Otniël, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb, nam de stad in. Kaleb gaf hem zijn dochter Aksa als vrouw. Brontekst: וַֽיִּלְכְּדָהּ֙ (vayilkedah) = en nam in | עָתְנִיאֵ֣ל (ateniel) = Otniël | בֶּן (ben) = zoon van | קְנַ֔ז (qenaz) = Kenaz | אֲחִ֥י (achi) = broer van | כָלֵ֖ב (kalev) = Kaleb | הַקָּטֹ֣ן (haqaton) = de jongere | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = dan hij | וַיִּתֶּן (vayiten) = en gaf | ל֛וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | עַכְסָ֥ה (akhsa) = Aksa | בִתּ֖וֹ (bito) = zijn dochter | לְאִשָּֽׁה (leisha) = als vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘de jongere dan hij’. Dat kan horen bij Otniël (jonger dan Kaleb) of bij Kenaz. Wij vertalen: Otniël is de jongere broer van Kaleb. Kaleb heet elders ‘de Kenizziet’ (Num. 32:12), dus Kenaz is de stamvader van zijn familie. Zie ook: Num 32:12; Re 3:9 **1:14** Toen zij bij hem kwam, zette zij hem aan om aan haar vader een veld te vragen. Zij steeg van de ezel. Kaleb vroeg haar: „Wat is er met je?” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בְּבוֹאָ֗הּ (bevoah) = bij haar komen | וַתְּסִיתֵ֨הוּ֙ (vatesitehu) = en zij zette hem aan | לִשְׁא֤וֹל (lishol) = om te vragen | מֵֽאֵת (meet) = van | אָבִ֨יהָ֙ (aviha) = haar vader | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | וַתִּצְנַ֖ח (vatitsnach) = en zij steeg neer | מֵעַ֣ל (meal) = van | הַחֲמ֑וֹר (hachamor) = de ezel | וַיֹּֽאמֶר (vayomer) = en zei | לָ֥הּ (lah) = tot haar | כָּלֵ֖ב (kalev) = Kaleb | מַה (ma) = wat | לָּֽךְ (lakh) = is er met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָנַח (tsanach), ‘afdalen’: het werkwoord komt maar een paar keer voor. Hier gaat het om van een ezel stappen of glijden. Wij vertalen ‘zij steeg af’. Voetnoot Lezing: Wij volgen hier de Masoretische tekst: zij zette hem aan (de man) om het veld te vragen. In de Septuaginta staat dat hij haar aanzette. Dat is een andere lezing van dat ene woord. Zie ook: Joz 15:18–19 **1:15** Zij zei tegen hem: „Geef mij een zegen. Want je hebt mij het land van de Negev gegeven. Geef mij ook bronnen van water.” Kaleb gaf haar de bovenste bronnen en de onderste bronnen. Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר (vatomer) = en zij zei | ל֜וֹ (lo) = tot hem | הָֽבָה (hava) = geef | לִּ֣י (li) = mij | בְרָכָ֗ה (berakha) = een zegen | כִּ֣י (ki) = want | אֶ֤רֶץ (erets) = het land van | הַנֶּ֨גֶב֙ (hanegev) = de Negev | נְתַתָּ֔נִי (netatani) = heb je mij gegeven | וְנָתַתָּ֥ה (venatata) = en geef | לִ֖י (li) = mij | גֻּלֹּ֣ת (gulot) = bronnen van | מָ֑יִם (mayim) = water | וַיִּתֶּן (vayiten) = en gaf | לָ֣הּ (lah) = haar | כָּלֵ֗ב (kalev) = Kaleb | אֵ֚ת (et) = (obj.) | גֻּלֹּ֣ת (gulot) = de bronnen van | עִלִּ֔ית (ilit) = boven | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | גֻּלֹּ֥ת (gulot) = de bronnen van | תַּחְתִּֽית (tachtit) = beneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: hier is het een geschenk. Wij houden het woord ‘zegen’ vast. גֻּלֹּת מָיִם (gulloth mayim), ‘bronnen van water’: letterlijk ‘kommen van water’. Het land in de Negev is droog; zonder bronnen heeft het weinig waarde. Zie ook: Gen 33:11; 1 Sam 25:18; 1 Sam 25:27; 1 Petr 3:9; Heb 6:7 ### De Kenieten en Chorma **1:16** De zonen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken op uit de stad van de palmen. Zij gingen met de zonen van Juda naar de woestijn van Juda, in de Negev bij Arad. Zij gingen er bij het volk wonen. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | קֵינִי֩ (qeini) = de Keniet | חֹתֵ֨ן (choten) = schoonvader van | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | עָל֨וּ (alu) = trokken op | מֵעִ֤יר (meir) = uit de stad van | הַתְּמָרִים֙ (hatemarim) = de palmen | אֶת (et) = met | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | מִדְבַּ֣ר (midbar) = woestijn van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּנֶ֣גֶב (benegev) = in de Negev van | עֲרָ֑ד (arad) = Arad | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | אֶת (et) = bij | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ‘De stad van de palmen’ is Jericho (Deut. 34:3). Arad ligt in de Negev, ongeveer 50 km ten zuiden van Hebron (Tel Arad, Israël). Het Hebreeuws zegt ‘de Negev van Arad’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘Keniet’ (enkelvoud) en daarna ‘hij ging en hij woonde’. Wij lezen het als een verzamelnaam voor de Kenieten en vertalen met ‘zij’. Zie Num. 10:29 voor Chobab, de schoonvader van Mozes. Zie ook: Num 10:29–32; Num 21:1; Deut 34:3; Re 4:11; 1 Sam 15:6 **1:17** Juda ging met zijn broer Simeon. Zij versloegen de Kanaänieten die in Zefat woonden. Zij wijdden de stad aan de ban. Men noemde de stad Chorma. Brontekst: וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en ging | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אֶת (et) = met | שִׁמְע֣וֹן (shimon) = Simeon | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | וַיַּכּ֕וּ (vayaku) = en zij versloegen | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִ֖י (hakenaani) = de Kanaäniet | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = die woonde | צְפַ֑ת (tsefat) = Zefat | וַיַּחֲרִ֣ימוּ (vayacharimu) = en zij wijdden aan de ban | אוֹתָ֔הּ (otah) = haar | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁם (shem) = de naam van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | חָרְמָֽה (charema) = Chorma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zefat en Chorma liggen in het zuiden van Juda, in de Negev. De ligging is onzeker. Chorma betekent ‘ban’ (verwijderen om te wijden). Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wijden aan Yahweh door te vernietigen. De naam Chorma staat ook in Num. 21:1–3. Zie ook: Num 14:45; Num 21:1–3; Num 21:3; Joz 19:4; Re 1:3; 2 Kron 14:9 **1:18** Juda nam Gaza in met zijn gebied, Askelon met zijn gebied en Ekron met zijn gebied. Brontekst: וַיִּלְכֹּ֤ד (vayilkod) = en nam in | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אֶת (et) = (obj.) | עַזָּ֣ה (aza) = Gaza | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּבוּלָ֔הּ (gevulah) = haar gebied | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אַשְׁקְל֖וֹן (ashqelon) = Askelon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּבוּלָ֑הּ (gevulah) = haar gebied | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֶקְר֖וֹן (eqron) = Ekron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּבוּלָֽהּ (gevulah) = haar gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gaza, Askelon en Ekron zijn steden van de Filistijnen aan de kust, in het zuidwesten van Israël. Gaza ligt in de huidige Gazastrook, Askelon bij Ashkelon (Israël) en Ekron waarschijnlijk bij Tel Miqne (Israël). Voetnoot Lezing: In een deel van de Septuaginta-handschriften staat dat Juda deze steden niet innam. De Masoretische tekst zegt dat hij ze innam. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Joz 11:22; Joz 13:3; Re 3:3; Re 16:1–2; Re 16:21 ### Wat Juda niet verdreef **1:19** Yahweh was met Juda. Juda nam het bergland in bezit. Maar de inwoners van het dal verdreef hij niet, want zij hadden ijzeren strijdwagens. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en was | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶתּ (et) = met | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיֹּ֖רֶשׁ (vayoresh) = en hij nam in bezit | אֶת (et) = (obj.) | הָהָ֑ר (hahar) = het bergland | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | לְהוֹרִישׁ֙ (lehorish) = om te verdrijven | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de inwoners van | הָעֵ֔מֶק (haemeq) = het dal | כִּי (ki) = want | רֶ֥כֶב (rekhev) = strijdwagens van | בַּרְזֶ֖ל (barzel) = ijzer | לָהֶֽם (lahem) = hadden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘want niet om te verdrijven de inwoners van het dal’. Dit zegt niet dat hij het niet kon. Wij houden de tekst zoals hij staat: Juda verdreef hen niet, want zij hadden ijzeren strijdwagens. Zie ook: Re 1:2; Ps 60:14; Jes 41:10; Jes 41:14–15; Fil 4:13 **1:20** Zij gaven Hebron aan Kaleb, zoals Mozes had gesproken. Kaleb verdreef daaruit de drie zonen van Anak. Brontekst: וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en zij gaven | לְכָלֵב֙ (lekhalev) = aan Kaleb | אֶת (et) = (obj.) | חֶבְר֔וֹן (chevron) = Hebron | כַּֽאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֣ר (diber) = had gesproken | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיּ֣וֹרֶשׁ (vayoresh) = en hij verdreef | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלֹשָׁ֖ה (shelosha) = drie | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | הָעֲנָֽק (haanaq) = Anak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: De gift van Hebron aan Kaleb gebeurde in Joz. 14:6–15 en Joz. 15:13–14. De drie ‘zonen van Anak’ zijn Sjesai, Achiman en Talmai (vers 10). Zie ook: Num 14:24; Deut 1:36; Joz 14:6–15; Joz 14:9–14; Joz 15:13–14; Re 1:10 **1:21** De Jebusieten die in Jeruzalem woonden, verdreven de zonen van Benjamin niet. De Jebusieten wonen tot op deze dag samen met de zonen van Benjamin in Jeruzalem. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיְבוּסִי֙ (hayvusi) = de Jebusiet | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = die woonde | יְרֽוּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | לֹ֥א (lo) = niet | הוֹרִ֖ישׁוּ (horishu) = verdreven | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וַיֵּ֨שֶׁב (vayeshev) = en woonde | הַיְבוּסִ֜י (hayvusi) = de Jebusiet | אֶת (et) = met | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushaliam) = in Jeruzalem | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = deze dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Zie vers 8. De Jebusieten bleven in Jeruzalem wonen. Pas David neemt de burcht later in (2 Sam. 5:6–9). ‘Tot op deze dag’ betekent: tot de tijd van de schrijver van dit boek. Zie ook: Joz 15:63; Joz 18:11–28; Re 1:8; Re 19:10–12; 2 Sam 5:6–9 ### Het huis van Jozef neemt Betel in **1:22** Ook het huis van Jozef trok op naar Betel. Yahweh was met hen. Brontekst: וַיַּעֲל֧וּ (vayaalu) = en zij trokken op | בֵית (beit) = het huis van | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | גַּם (gam) = ook | הֵ֖ם (hem) = zij | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֑ל (el) = El | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | עִמָּֽם (imam) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Num 1:10; Num 1:32; Joz 14:4; Re 1:19; 2 Kon 18:7 **1:23** Het huis van Jozef liet Betel verkennen. Vroeger heette de stad Luz. Brontekst: וַיָּתִ֥ירוּ (vayatiru) = en zij lieten verkennen | בֵית (beit) = het huis van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | בְּבֵֽית (beveit) = Bet | אֵ֑ל (el) = El | וְשֵׁם (veshem) = en de naam van | הָעִ֥יר (hair) = de stad | לְפָנִ֖ים (lefanim) = vroeger | לֽוּז (luz) = Luz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betel ligt ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem (Beitin, Westelijke Jordaanoever). De oude naam Luz staat in Gen. 28:19. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij lieten verkennen’. Het gaat om mannen die het huis van Jozef erop uitstuurde. Zie ook: Gen 28:19; Gen 35:6; Gen 48:3; Joz 7:2; Re 18:2 **1:24** De verkenners zagen een man uit de stad komen. Zij zeiden tegen hem: „Laat ons toch zien waar je de stad binnengaat. Dan bewijzen wij je trouw.” Brontekst: וַיִּרְאוּ֙ (vayiru) = en zij zagen | הַשֹּׁ֣מְרִ֔ים (hashomerim) = de verkenners | אִ֖ישׁ (ish) = een man | יוֹצֵ֣א (yotse) = die uitkwam | מִן (min) = uit | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en zij zeiden | ל֗וֹ (lo) = tot hem | הַרְאֵ֤נוּ (harenu) = laat ons zien | נָא֙ (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | מְב֣וֹא (mevo) = de ingang van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְעָשִׂ֥ינוּ (veasinu) = en wij zullen doen | עִמְּךָ֖ (imekha) = met jou | חָֽסֶד (chased) = trouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁמְרִים (shomerim), ‘wachters’: mannen die de stad in de gaten hielden. Wij vertalen ‘verkenners’, omdat zij in vers 23 de stad verkennen. Voetnoot : חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: wij bewijzen jou trouw als jij ons helpt. Zie ook: Joz 2:12–14; Re 1:23; 1 Sam 30:15 **1:25** Hij liet hun zien waar je de stad binnengaat. Zij sloegen de stad met de scherpte van het zwaard. Maar de man en heel zijn familie lieten zij gaan. Brontekst: וַיַּרְאֵם֙ (vayarem) = en hij liet hen zien | אֶת (et) = (obj.) | מְב֣וֹא (mevo) = de ingang van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en zij sloegen | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | מִשְׁפַּחְתּ֖וֹ (mishpachto) = zijn familie | שִׁלֵּֽחוּ (shilechu) = zij lieten gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 6:22–25 **1:26** De man ging naar het land van de Hethieten. Hij bouwde een stad en noemde haar Luz. Dat is haar naam tot op deze dag. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | אֶ֖רֶץ (erets) = naar het land van | הַחִתִּ֑ים (hachitim) = de Hethieten | וַיִּ֣בֶן (vayiven) = en bouwde | עִ֗יר (ir) = een stad | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en noemde | שְׁמָהּ֙ (shemah) = haar naam | ל֔וּז (luz) = Luz | ה֣וּא (hu) = dat is | שְׁמָ֔הּ (shemah) = haar naam | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = deze dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het land van de Hethieten ligt in het noorden. De plaats van het nieuwe Luz is niet bekend. Voetnoot Uitleg: De man bouwt een nieuwe stad en geeft haar de oude naam, ver buiten Israël. Zie ook: 2 Kon 7:6; 2 Kron 1:17 ### De stammen die de Kanaänieten niet verdreven **1:27** Manasse verdreef de bewoners van Bet-Sean en zijn dochtersteden niet. Ook niet die van Taänak en zijn dochtersteden, van Dor en zijn dochtersteden, van Jibleam en zijn dochtersteden en van Megiddo en zijn dochtersteden. De Kanaänieten waren vastbesloten in dit land te blijven wonen. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | הוֹרִ֣ישׁ (horish) = verdreef | מְנַשֶּׁ֗ה (menashe) = Manasse | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית (beit) = Bet | שְׁאָ֣ן (shean) = Sean | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתֶיהָ֮ (benoteiha) = haar dochtersteden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תַּעְנַ֣ךְ (tanakh) = Taänak | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹתֶיהָ֒ (benoteiha) = haar dochtersteden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יֹשְׁבֵ֨י (yoshevei) = de inwoners van | ד֜וֹר (dor) = Dor | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתֶ֗יהָ (benoteiha) = haar dochtersteden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יוֹשְׁבֵ֤י (yoshevei) = de inwoners van | יִבְלְעָם֙ (yivleam) = Jibleam | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹתֶ֔יהָ (benoteiha) = haar dochtersteden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יוֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = de inwoners van | מְגִדּ֖וֹ (megido) = Megiddo | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתֶ֑יהָ (benoteiha) = haar dochtersteden | וַיּ֨וֹאֶל֙ (vayoel) = en was vastbesloten | הַֽכְּנַעֲנִ֔י (hakenaani) = de Kanaäniet | לָשֶׁ֖בֶת (lashevet) = om te wonen | בָּאָ֥רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Sean ligt bij Tell el-Husn in het Beisan-dal (Israël). Taänak ligt bij Tel Taanach (Westelijke Jordaanoever). Dor ligt bij Tel Dor aan de kust (Israël). Jibleam ligt bij Khirbet Bel’ame (Westelijke Jordaanoever). Megiddo ligt bij Tel Megiddo (Israël). Dit zijn waarschijnlijke ligplaatsen. Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea. Voetnoot Uitleg: בְּנוֹת (banot), ‘dochters’: dorpen die bij een grotere stad horen. Wij vertalen ‘dochtersteden’. Het Hebreeuws zegt: ‘Manasse verdreef Bet-Sean niet’. Wij voegen ‘de bewoners van’ toe, want die worden bedoeld. Zie ook: Joz 17:11–13; Joz 21:25; 1 Sam 15:9; Ps 106:34–35; Jer 48:10 **1:28** Toen Israël sterk werd, legde het de Kanaänieten dwangarbeid op. Maar verdrijven deed het hen niet. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּֽי (ki) = toen | חָזַ֣ק (chazaq) = sterk werd | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en hij legde | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִ֖י (hakenaani) = de Kanaäniet | לָמַ֑ס (lamas) = tot dwangarbeid | וְהוֹרֵ֖ישׁ (vehoreish) = en verdrijven | לֹ֥א (lo) = niet | הוֹרִישֽׁוֹ (horisho) = verdreef hij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַס (mas), ‘dwangarbeid’: arbeid die het volk gedwongen moest doen, zoals in Exod. 1:11. Het Hebreeuws gebruikt een werkwoord met nadruk: ‘verdrijven, niet verdreef hij’. Zie ook: Ex 1:11 **1:29** Efraïm verdreef de Kanaänieten niet die in Gezer woonden. De Kanaänieten bleven midden onder hen in Gezer wonen. Brontekst: וְאֶפְרַ֨יִם֙ (veefrayim) = en Efraïm | לֹ֣א (lo) = niet | הוֹרִ֔ישׁ (horish) = verdreef | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִ֖י (hakenaani) = de Kanaäniet | הַיּוֹשֵׁ֣ב (hayoshev) = die woonde | בְּגָ֑זֶר (begazer) = in Gezer | וַיֵּ֧שֶׁב (vayeshev) = en woonde | הַֽכְּנַעֲנִ֛י (hakenaani) = de Kanaäniet | בְּקִרְבּ֖וֹ (beqirbo) = in zijn midden | בְּגָֽזֶר (begazer) = in Gezer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gezer ligt bij Tel Gezer, ongeveer 30 km ten westen van Jeruzalem (Israël). Dit is zeker. Zie ook: Joz 16:10; 1 Kon 9:16 **1:30** Zebulon verdreef de inwoners van Kitron en de inwoners van Nahalol niet. De Kanaänieten bleven midden onder hen wonen. Zij werden dwangarbeiders. Brontekst: זְבוּלֻ֗ן (zevulun) = Zebulon | לֹ֤א (lo) = niet | הוֹרִישׁ֙ (horish) = verdreef | אֶת (et) = (obj.) | יוֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de inwoners van | קִטְר֔וֹן (qitron) = Kitron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יוֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = de inwoners van | נַהֲלֹ֑ל (nahalol) = Nahalol | וַיֵּ֤שֶׁב (vayeshev) = en woonde | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | בְּקִרְבּ֔וֹ (beqirbo) = in zijn midden | וַיִּֽהְי֖וּ (vayihyu) = en zij werden | לָמַֽס (lamas) = tot dwangarbeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kitron en Nahalol liggen in het gebied van Zebulon, in Galilea. De precieze ligging is onzeker. Zie ook: Joz 19:15 **1:31** Aser verdreef de inwoners van Akko niet. Ook niet die van Sidon, Achlab, Achzib, Chelba, Afik en Rechob. Brontekst: אָשֵׁ֗ר (asher) = Aser | לֹ֤א (lo) = niet | הוֹרִישׁ֙ (horish) = verdreef | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de inwoners van | עַכּ֔וֹ (ako) = Akko | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יוֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = de inwoners van | צִיד֑וֹן (tsidon) = Sidon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַחְלָ֤ב (achlav) = Achlab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַכְזִיב֙ (akhziv) = Achzib | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֶלְבָּ֔ה (chelba) = Chelba | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲפִ֖יק (afiq) = Afik | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רְחֹֽב (rechov) = Rechob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Akko ligt bij Tel Akko aan de kust (Israël). Sidon ligt bij het huidige Saïda (Libanon). Achzib ligt bij Tell el-Beida (Israël, aan de kust). Afik ligt waarschijnlijk bij Tel Afek, ten oosten van Akko. De ligging van Achlab, Chelba en Rechob is onzeker. Zie ook: Joz 19:24–30 **1:32** De Aseriërs woonden midden onder de Kanaänieten, de bewoners van het land. Want zij hadden hen niet verdreven. Brontekst: וַיֵּ֨שֶׁב֙ (vayeshev) = en woonde | הָאָ֣שֵׁרִ֔י (haasheri) = de Aseriet | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | הַֽכְּנַעֲנִ֖י (hakenaani) = de Kanaäniet | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de bewoners van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | כִּ֖י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | הוֹרִישֽׁוֹ (horisho) = verdreven zij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 106:34–35 **1:33** Naftali verdreef de inwoners van Bet-Semes en de inwoners van Bet-Anat niet. Hij woonde midden onder de Kanaänieten, de bewoners van het land. De inwoners van Bet-Semes en Bet-Anat werden dwangarbeiders voor hen. Brontekst: נַפְתָּלִ֗י (naftali) = Naftali | לֹֽא (lo) = niet | הוֹרִ֞ישׁ (horish) = verdreef | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֤י (yoshevei) = de inwoners van | בֵֽית (beit) = Bet | שֶׁ֨מֶשׁ֙ (shemesh) = Semes | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de inwoners van | בֵית (beit) = Bet | עֲנָ֔ת (anat) = Anat | וַיֵּ֕שֶׁב (vayeshev) = en woonde | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | הַֽכְּנַעֲנִ֖י (hakenaani) = de Kanaäniet | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de bewoners van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְיֹשְׁבֵ֤י (veyoshevei) = en de inwoners van | בֵֽית (beit) = Bet | שֶׁ֨מֶשׁ֙ (shemesh) = Semes | וּבֵ֣ית (uveit) = en Bet | עֲנָ֔ת (anat) = Anat | הָי֥וּ (hayu) = waren | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לָמַֽס (lamas) = tot dwangarbeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Semes (in Naftali) en Bet-Anat liggen in Galilea. Hun ligging is onzeker. Er is ook een Bet-Semes in Juda. Zie ook: Joz 19:32–38; Re 1:30; Re 1:35; Ps 18:25 **1:34** De Amorieten drongen de zonen van Dan terug naar het bergland. Zij lieten hen niet afdalen naar het dal. Brontekst: וַיִּלְחֲצ֧וּ (vayilchatsu) = en zij drongen terug | הָאֱמֹרִ֛י (haemori) = de Amoriet | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵי (benei) = de zonen van | דָ֖ן (dan) = Dan | הָהָ֑רָה (hahara) = naar het bergland | כִּי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | נְתָנ֖וֹ (netano) = lieten zij toe | לָרֶ֥דֶת (laredet) = af te dalen | לָעֵֽמֶק (laemeq) = naar het dal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonen van Dan krijgen later een ander gebied in het noorden (Richt. 18). Zie ook: Joz 19:47; Re 18:1 **1:35** De Amorieten waren vastbesloten te blijven wonen op de berg Cheres, in Ajalon en in Saälbim. Toen werd de hand van het huis van Jozef zwaar. De Amorieten werden dwangarbeiders. Brontekst: וַיּ֤וֹאֶל (vayoel) = en was vastbesloten | הָֽאֱמֹרִי֙ (haemori) = de Amoriet | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te wonen | בְּהַר (behar) = op de berg | חֶ֔רֶס (cheres) = Cheres | בְּאַיָּל֖וֹן (beayalon) = in Ajalon | וּבְשַֽׁעַלְבִ֑ים (uveshaalvim) = en in Saälbim | וַתִּכְבַּד֙ (vatikhbad) = en werd zwaar | יַ֣ד (yad) = de hand van | בֵּית (beit) = het huis van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | וַיִּהְי֖וּ (vayihyu) = en zij werden | לָמַֽס (lamas) = tot dwangarbeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ajalon ligt bij Yalo, ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). De berg Cheres en Saälbim zijn onzeker; Saälbim ligt waarschijnlijk in de buurt van Ajalon. Zie ook: Joz 10:12; Joz 19:42; Re 12:12; 1 Kon 4:9 **1:36** De grens van de Amorieten liep van de klim van Akrabbim, vanaf de Sela, en verder omhoog. Brontekst: וּגְבוּל֙ (ugevul) = en de grens van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | מִֽמַּעֲלֵ֖ה (mimaale) = vanaf de klim van | עַקְרַבִּ֑ים (aqrabim) = Akrabbim | מֵהַסֶּ֖לַע (mehasela) = vanaf de Sela | וָמָֽעְלָה (vamaela) = en omhoog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De klim van Akrabbim (‘Schorpioenenklim’) is een pas in het zuiden van Juda (Num. 34:4). De Sela (‘de rots’) is onzeker; dit kan een plaats in Edom zijn. Zie Klim van Akrabbim: De klim van Akrabbim lag in het zuiden van de grens van Kanaän, ten zuidwesten van de Dode Zee. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Num 34:4; Joz 15:2–3 ## Richteren 2 _De engel van Yahweh in Bochim en het patroon van de rechters_ ### De engel van Yahweh in Bochim **2:1** De engel van Yahweh trok op van Gilgal naar Bochim. Hij zei: _„Ik heb jullie uit Egypte laten optrekken. Ik heb jullie gebracht naar het land waarover Ik aan jullie vaders heb gezworen. Ik zei: ‘Ik zal Mijn verbond met jullie nooit verbreken._ Brontekst: וַיַּ֧עַל (vayaal) = en trok op | מַלְאַךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מִן (min) = van | הַגִּלְגָּ֖ל (hagilgal) = Gilgal | אֶל (el) = naar | הַבֹּכִ֑ים (habokhim) = Bochim | וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | אַעֲלֶ֨ה (aale) = Ik heb laten optrekken | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | מִמִּצְרַ֗יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וָאָבִ֤יא (vaavi) = en Ik heb gebracht | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֨עְתִּי֙ (nishbati) = Ik heb gezworen | לַאֲבֹ֣תֵיכֶ֔ם (laavoteikhem) = aan jullie vaders | וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en Ik zei | לֹֽא (lo) = niet | אָפֵ֧ר (afer) = zal Ik verbreken | בְּרִיתִ֛י (beriti) = Mijn verbond | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = met jullie | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bochim betekent ‘de huilenden’ (vers 5). De plaats ligt waarschijnlijk in het bergland van Efraïm, in de buurt van Betel. De ligging is onzeker. Gilgal ligt bij Jericho, in de Jordaanvallei. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יהוה (mal’ak Yahweh), ‘engel van Yahweh’: een bode van Yahweh. Hier spreekt hij in de ik-vorm, zoals in Gen. 16:10 en Exod. 3:2–6. Zijn identiteit wordt verschillend uitgelegd (zie de voetnoot bij Gen. 16:7); daarom staan zijn woorden cursief. Zie ook Richt. 6:11–24. Voetnoot Lezing: In de Septuaginta staat bij Bochim ook ‘en naar Betel en naar het huis van Israël’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 16:7; Gen 16:10; Gen 17:7–8; Ex 3:2–6; Ex 20:2; Ex 23:20; Lev 26:42; Re 2:5; Re 6:11–24; Ps 105:44–45 **2:2** _Jullie mogen met de inwoners van dit land geen verbond sluiten. Jullie moeten hun altaren afbreken.’ Maar jullie hebben niet naar Mijn stem geluisterd. Wat is dit dat jullie hebben gedaan?_ Brontekst: וְאַתֶּ֗ם (veatem) = en jullie | לֹֽא (lo) = niet | תִכְרְת֤וּ (tikhretu) = zullen sluiten | בְרִית֙ (berit) = een verbond | לְיֽוֹשְׁבֵי֙ (leyoshevei) = met de inwoners van | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | מִזְבְּחוֹתֵיהֶ֖ם (mizbechoteihem) = hun altaren | תִּתֹּצ֑וּן (titotsun) = zullen jullie afbreken | וְלֹֽא (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֥ם (shematem) = hebben jullie geluisterd | בְּקֹלִ֖י (beqoli) = naar Mijn stem | מַה (ma) = wat | זֹּ֥את (zot) = dit | עֲשִׂיתֶֽם (asitem) = hebben jullie gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh herinnert aan het gebod in Exod. 23:32–33, Exod. 34:12–13 en Deut. 7:2–5: geen verbond sluiten met de volken van Kanaän, en hun altaren afbreken. Het citaat ‘Ik zal Mijn verbond nooit verbreken … afbreken’ loopt van vers 1 tot vers 2. Zie ook: Ex 23:32–33; Ex 34:12–13; Num 33:52–53; Deut 7:2–4; Deut 7:16; Re 2:1; Jer 2:5; Jer 2:36 **2:3** _Ik heb ook gezegd: ‘Ik zal hen niet voor jullie verdrijven.’ Zij zullen jullie belagers zijn. Hun goden zullen een valstrik voor jullie zijn.”_ Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | אָמַ֔רְתִּי (amarti) = Ik heb gezegd | לֹֽא (lo) = niet | אֲגָרֵ֥שׁ (agaresh) = zal Ik verdrijven | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | מִפְּנֵיכֶ֑ם (mipeneikhem) = voor jullie weg | וְהָי֤וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לְצִדִּ֔ים (letsidim) = tot belagers | וֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם (veloheihem) = en hun goden | יִהְי֥וּ (yihyu) = zullen zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לְמוֹקֵֽשׁ (lemoqesh) = tot een valstrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier לְצִדִּים (letsiddim), letterlijk ‘tot zijden’. Wij vertalen ‘belagers’. Vergelijk Num. 33:55: ‘prikkels in jullie ogen’ en ‘doornen in jullie zij’. Voetnoot Lezing: Het woord is niet zeker. Sommige oude vertalingen lezen ‘benauwers’ of ‘vijanden’. Wij houden het dichtbij de Masoretische tekst: ‘belagers’. Zie ook: Ex 23:33; Num 33:55; Joz 23:13; Re 3:6; Ps 106:36 **2:4** Toen de engel van Yahweh deze woorden tot alle zonen van Israël had gesproken, verhief het volk zijn stem en huilde. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כְּדַבֵּ֞ר (kedaber) = toen sprak | מַלְאַ֤ךְ (malakh) = engel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֶֽל (el) = tot | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en zij hieven op | הָעָ֛ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | קוֹלָ֖ם (qolam) = hun stem | וַיִּבְכּֽוּ (vayivku) = en zij huilden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 7:6; Spr 17:10; Zach 12:10; Jak 4:9; 2 Kor 7:10 **2:5** Zij noemden die plaats Bochim. Daar brachten zij slachtoffers aan Yahweh. Brontekst: וַֽיִּקְרְא֛וּ (vayiqreu) = en zij noemden | שֵֽׁם (shem) = de naam van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַה֖וּא (hahu) = die | בֹּכִ֑ים (bokhim) = Bochim | וַיִּזְבְּחוּ (vayizbechu) = en zij brachten slachtoffers | שָׁ֖ם (sham) = daar | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bochim (ligging onzeker): Bochim lag in het bergland van Efraïm, bij Betel. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: בֹּכִים (bochim), ‘huilenden’: de plaats is naar het huilen van het volk genoemd. Zie ook: Gen 35:8; Joz 7:26; Re 6:24; Re 13:19; 1 Sam 7:9 ### Jozua sterft en een nieuw geslacht komt op **2:6** Jozua stuurde het volk weg. De zonen van Israël gingen, ieder naar zijn erfdeel, om het land in bezit te nemen. Brontekst: וַיְשַׁלַּ֥ח (vayshalach) = en zond weg | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיֵּלְכ֧וּ (vayelekhu) = en zij gingen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְנַחֲלָת֖וֹ (lenachalato) = naar zijn erfdeel | לָרֶ֥שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 6–9 herhalen bijna woordelijk Joz. 24:28–31. Daar staat het einde van Jozua; hier begint daarmee het verhaal van de rechters. Zie ook: Joz 22:6; Joz 24:28–31 **2:7** Het volk diende Yahweh al de dagen van Jozua en al de dagen van de oudsten die na Jozua nog lang leefden. Zij hadden al het grote werk van Yahweh gezien dat Hij voor Israël had gedaan. Brontekst: וַיַּעַבְד֤וּ (vayaavdu) = en zij dienden | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | וְכֹ֣ל (vekhol) = en alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | הַזְּקֵנִ֗ים (hazeqenim) = de oudsten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֶאֱרִ֤יכוּ (heerikhu) = verlengden | יָמִים֙ (yamim) = dagen | אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | יְהוֹשׁ֔וּעַ (yehoshua) = Jozua | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | רָא֗וּ (rau) = hadden gezien | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מַעֲשֵׂ֤ה (maase) = het werk van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = het grote | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עָשָׂ֖ה (asa) = Hij deed | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = voor Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws schrijft de naam van Jozua hier met een andere spelling (יְהוֹשׁוּעַ). Wij vertalen steeds ‘Jozua’. Zie ook: Joz 24:31; 2 Kon 12:3; 2 Kron 24:2; 2 Kron 24:14–22; Fil 2:12 **2:8** Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Yahweh, stierf. Hij was 110 jaar oud. Brontekst: וַיָּ֛מָת (vayamat) = en stierf | יְהוֹשֻׁ֥עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֖וּן (nun) = Nun | עֶ֣בֶד (eved) = dienaar van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בֶּן (ben) = zoon van | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וָעֶ֖שֶׂר (vaeser) = en tien | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat Jozua 110 jaar werd, staat ook in Joz. 24:29. Zie ook: Joz 24:29–30 **2:9** Zij begroeven hem in het gebied van zijn erfdeel, in Timnat-Cheres, in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäsj. Brontekst: וַיִּקְבְּר֤וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אוֹתוֹ֙ (oto) = hem | בִּגְב֣וּל (bigvul) = in het gebied van | נַחֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | בְּתִמְנַת (betimnat) = in Timnat | חֶ֖רֶס (cheres) = Cheres | בְּהַ֣ר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | מִצְּפ֖וֹן (mitsefon) = ten noorden van | לְהַר (lehar) = de berg | גָּֽעַשׁ (gaash) = Gaäsj Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Timnat-Cheres ligt in het bergland van Efraïm, waarschijnlijk bij Khirbet Tibnah in de Westelijke Jordaanoever. In Joz. 24:30 staat de naam Timnat-Serach; dat is dezelfde plaats met twee letters omgewisseld. De berg Gaäsj is onzeker. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie ook: Joz 19:50; Joz 24:30 **2:10** Ook heel dat geslacht werd verzameld bij zijn vaders. Na hen kwam een ander geslacht op dat Yahweh niet kende, en ook niet het werk dat Hij voor Israël had gedaan. Brontekst: וְגַם֙ (vegam) = en ook | כָּל (kal) = heel | הַדּ֣וֹר (hador) = het geslacht | הַה֔וּא (hahu) = dat | נֶאֶסְפ֖וּ (neesfu) = werden verzameld | אֶל (el) = bij | אֲבוֹתָ֑יו (avotav) = zijn vaders | וַיָּקָם֩ (vayaqam) = en stond op | דּ֨וֹר (dor) = een geslacht | אַחֵ֜ר (acher) = ander | אַחֲרֵיהֶ֗ם (achareihem) = na hen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יָֽדְעוּ֙ (yadeu) = kende | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְגַם֙ (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמַּעֲשֶׂ֔ה (hamaase) = het werk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עָשָׂ֖ה (asa) = Hij deed | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = voor Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָסַף (asaf), ‘verzamelen’: ‘bij zijn vaders verzameld worden’ is een gewone manier om te zeggen dat iemand sterft en bij de overleden voorouders komt. Zie ook: Ex 5:2; 1 Sam 2:12; 1 Kron 28:9; Jer 31:34; Tit 1:16 ### Israël valt af, Yahweh laat rechters opstaan **2:11** De zonen van Israël deden wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Zij dienden de Baäls. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֧וּ (vayaasu) = en zij deden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּעַבְד֖וּ (vayaavdu) = en zij dienden | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּעָלִֽים (habealim) = de Baäls Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּעָלִים (be’alim), ‘Baäls’: Baäl betekent ‘heer’ of ‘bezitter’. Zo heette de god van de Kanaänieten, op elke plaats weer anders. Daarom staat het woord hier in het meervoud. Zie ook: Re 3:7; Re 4:1; Re 6:1; Re 10:6; 1 Kon 18:18 **2:12** Zij verlieten Yahweh, de Elohim van hun vaders, die hen uit het land Egypte had geleid. Zij volgden andere goden, goden van de volken om hen heen. Zij bogen zich voor hen neer en tergden Yahweh. Brontekst: וַיַּעַזְב֞וּ (vayaazvu) = en zij verlieten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתָ֗ם (avotam) = hun vaders | הַמּוֹצִ֣יא (hamotsi) = die leidde | אוֹתָם֮ (otam) = hen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | וַיֵּלְכ֞וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֗ים (acherim) = andere | מֵאֱלֹהֵ֤י (meelohei) = uit de goden van | הָֽעַמִּים֙ (haamim) = de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | סְבִיב֣וֹתֵיהֶ֔ם (sevivoteihem) = rondom hen | וַיִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ (vayishtachavu) = en zij bogen zich | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וַיַּכְעִ֖סוּ (vayakhisu) = en zij tergden | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כָּעַס (ka’as), ‘tergen’: Yahweh boos maken. Vergelijk Deut. 4:25. Zie ook: Ex 20:5; Deut 4:25; Deut 5:9; Deut 6:14–15; Deut 13:6; Deut 29:24 **2:13** Zij verlieten Yahweh en dienden Baäl en de Astarten. Brontekst: וַיַּעַזְב֖וּ (vayaazvu) = en zij verlieten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּעַבְד֥וּ (vayaavdu) = en zij dienden | לַבַּ֖עַל (labaal) = Baäl | וְלָעַשְׁתָּרֽוֹת (velaashtarot) = en de Astarten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַשְׁתָּרוֹת (ashtarot), ‘Astarten’: de vrouwelijke godheden van Kanaän, naast Baäl. Zie ook: Re 3:7; Re 10:6; Ps 106:36; 2 Kon 23:13; 1 Kor 10:20–22 **2:14** De toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël. Hij gaf hen over aan plunderaars, die hen plunderden. Hij verkocht hen aan hun vijanden rondom. Zij konden niet meer standhouden tegenover hun vijanden. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֤ף (af) = toorn van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = tegen Israël | וַֽיִּתְּנֵם֙ (vayitenem) = en gaf hen | בְּיַד (beyad) = in de hand van | שֹׁסִ֔ים (shosim) = plunderaars | וַיָּשֹׁ֖סּוּ (vayashosu) = en zij plunderden | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | וַֽיִּמְכְּרֵ֞ם (vayimkerem) = en verkocht hen | בְּיַ֤ד (beyad) = in de hand van | אֽוֹיְבֵיהֶם֙ (oyeveihem) = hun vijanden | מִסָּבִ֔יב (misaviv) = rondom | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָכְל֣וּ (yakhelu) = konden zij | ע֔וֹד (od) = meer | לַעֲמֹ֖ד (laamod) = standhouden | לִפְנֵ֥י (lifnei) = tegenover | אוֹיְבֵיהֶֽם (oyeveihem) = hun vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָכַר (makhar), ‘verkopen’: Yahweh geeft Israël in de macht van de vijand, alsof Hij hen verkoopt. Zie ook Richt. 3:8. Zie ook: Deut 31:17–18; Deut 32:30; Re 3:7–8; Re 3:8; Ps 106:40–42; 2 Kon 17:20 **2:15** Overal waar zij op uittrokken, was de hand van Yahweh tegen hen, ten kwade. Het was zoals Yahweh had gesproken en zoals Yahweh hun had gezworen. Het werd heel benauwd voor hen. Brontekst: בְּכֹ֣ל (bekhol) = in alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | יָצְא֗וּ (yatseu) = zij uittrokken | יַד (yad) = de hand van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הָיְתָה (hayeta) = was | בָּ֣ם (bam) = tegen hen | לְרָעָ֔ה (leraa) = ten kwade | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֣ר (diber) = Hij had gesproken | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְכַאֲשֶׁ֛ר (vekhaasher) = en zoals | נִשְׁבַּ֥ע (nishba) = had gezworen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | וַיֵּ֥צֶר (vayetser) = en het werd benauwd | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:14–46; Deut 28:15–68; Joz 23:15–16; 1 Sam 14:24; Jer 44:11 **2:16** Yahweh liet rechters opstaan. Zij redden hen uit de hand van hun plunderaars. Brontekst: וַיָּ֥קֶם (vayaqem) = en liet opstaan | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שֹֽׁפְטִ֑ים (shofetim) = rechters | וַיּ֣וֹשִׁיע֔וּם (vayoshium) = en zij redden hen | מִיַּ֖ד (miyad) = uit de hand van | שֹׁסֵיהֶֽם (shoseihem) = hun plunderaars Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁפְטִים (shofetim), ‘rechters’: in dit boek zijn dat leiders die het volk redden én recht spraken. Zij worden door Yahweh aangewezen, niet door mensen gekozen. Zie ook: Re 3:15; 1 Sam 12:11; Ps 106:43–45; Neh 9:27; Hand 13:20 **2:17** Maar ook naar hun rechters luisterden zij niet. Zij hoereerden achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Zij weken snel af van de weg die hun vaders waren gegaan om te luisteren naar de geboden van Yahweh. Zo deden zij niet. Brontekst: וְגַ֤ם (vegam) = en ook | אֶל (el) = naar | שֹֽׁפְטֵיהֶם֙ (shofeteihem) = hun rechters | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁמֵ֔עוּ (shameu) = luisterden zij | כִּ֣י (ki) = want | זָנ֗וּ (zanu) = zij hoereerden | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וַיִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ (vayishtachavu) = en zij bogen zich | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | סָ֣רוּ (saru) = zij weken af | מַהֵ֗ר (maher) = snel | מִן (min) = van | הַדֶּ֜רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הָלְכ֧וּ (halekhu) = gingen | אֲבוֹתָ֛ם (avotam) = hun vaders | לִשְׁמֹ֥עַ (lishmoa) = om te luisteren naar | מִצְוֺת (mitsvot) = de geboden van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹא (lo) = niet | עָ֥שׂוּ (asu) = deden zij | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָנָה (zanah), ‘hoereren’: ontrouw zijn aan Yahweh, zoals een echtgenote ontrouw is. Vergelijk Num. 25:1. Zie ook: Num 25:1; Deut 9:12; Re 2:7; Hos 2:4; Gal 1:6; Openb 17:1–5 **2:18** Als Yahweh rechters voor hen liet opstaan, was Yahweh met de rechter. Hij redde hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de rechter. Want Yahweh kreeg medelijden vanwege hun kermen, vanwege hun onderdrukkers en hun verdrukkers. Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | הֵקִ֨ים (heqim) = liet opstaan | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לָהֶם֮ (lahem) = voor hen | שֹֽׁפְטִים֒ (shofetim) = rechters | וְהָיָ֤ה (vehaya) = dan was | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עִם (im) = met | הַשֹּׁפֵ֔ט (hashofet) = de rechter | וְהֽוֹשִׁיעָם֙ (vehoshiam) = en Hij redde hen | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | אֹֽיְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | הַשּׁוֹפֵ֑ט (hashofet) = de rechter | כִּֽי (ki) = want | יִנָּחֵ֤ם (yinachem) = kreeg medelijden | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִנַּֽאֲקָתָ֔ם (minaaqatam) = vanwege hun kermen | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = vanwege | לֹחֲצֵיהֶ֖ם (lochatseihem) = hun onderdrukkers | וְדֹחֲקֵיהֶֽם (vedochaqeihem) = en hun verdrukkers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִחַם (nicham), ‘medelijden krijgen’: het woord kan ook ‘berouw hebben’ betekenen. Hier gaat het om Yahwehs medelijden met het volk. נְאָקָה (ne’aqah), ‘kermen’: hetzelfde woord als in Exod. 2:24. Zie ook: Ex 2:24; Deut 32:36; Joz 1:5; 2 Kon 13:22–23; Hos 11:8 **2:19** Maar als de rechter stierf, vielen zij terug en handelden zij verdorvener dan hun vaders. Zij volgden andere goden, dienden hen en bogen zich voor hen neer. Zij lieten niet af van hun daden en van hun harde weg. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het was | בְּמ֣וֹת (bemot) = bij het sterven van | הַשּׁוֹפֵ֗ט (hashofet) = de rechter | יָשֻׁ֨בוּ֙ (yashuvu) = zij keerden terug | וְהִשְׁחִ֣יתוּ (vehishchitu) = en zij handelden verdorven | מֵֽאֲבוֹתָ֔ם (meavotam) = meer dan hun vaders | לָלֶ֗כֶת (lalekhet) = om te gaan | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | לְעָבְדָ֖ם (leavedam) = om hen te dienen | וּלְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת (ulehishtachavot) = en zich neer te buigen | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | לֹ֤א (lo) = niet | הִפִּ֨ילוּ֙ (hipilu) = lieten zij vallen | מִמַּ֣עַלְלֵיהֶ֔ם (mimaalleihem) = van hun daden | וּמִדַּרְכָּ֖ם (umidarkam) = en van hun weg | הַקָּשָֽׁה (haqasha) = de harde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 3:11–12; Re 4:1; Re 8:33; 2 Kron 24:17–18; Mat 23:32 ### Yahweh laat de volken blijven **2:20** De toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël. Hij zei: **„Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden dat Ik hun vaders heb geboden, en niet naar Mijn stem heeft geluisterd,** Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֥ף (af) = toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = tegen Israël | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יַעַן֩ (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עָבְר֜וּ (averu) = hebben overtreden | הַגּ֣וֹי (hagoy) = het volk | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִי֙ (beriti) = Mijn verbond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | צִוִּ֣יתִי (tsiviti) = Ik heb geboden | אֶת (et) = (obj.) | אֲבוֹתָ֔ם (avotam) = hun vaders | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = hebben zij geluisterd | לְקוֹלִֽי (leqoli) = naar Mijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 20–22 zijn één lange zin van Yahweh: ‘Omdat … zal ook Ik … zo stel Ik’. Wij hebben de zin gesplitst, maar de volgorde van het Hebreeuws blijft. Zie ook: Ex 24:3–8; Ex 32:10–11; Deut 32:22; Joz 23:16; Re 2:14 **2:21** **zal ook Ik niemand meer voor hen verdrijven van de volken die Jozua heeft achtergelaten toen hij stierf.** Brontekst: גַּם (gam) = ook | אֲנִי֙ (ani) = Ik | לֹ֣א (lo) = niet | אוֹסִ֔יף (osif) = zal Ik meer | לְהוֹרִ֥ישׁ (lehorish) = verdrijven | אִ֖ישׁ (ish) = iemand | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = voor hen weg | מִן (min) = van | הַגּוֹיִ֛ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = die | עָזַ֥ב (azav) = achterliet | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 23:13; Re 2:3; Re 3:3; Ezech 20:24 **2:22** **Zo stel Ik Israël door hen op de proef: zullen zij de weg van Yahweh bewaren en erop gaan, zoals hun vaders deden, of niet?”** Brontekst: לְמַ֛עַן (lemaan) = opdat | נַסּ֥וֹת (nasot) = op de proef te stellen | בָּ֖ם (bam) = door hen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הֲשֹׁמְרִ֣ים (hashomerim) = zullen zij bewaren | הֵם֩ (hem) = zij | אֶת (et) = (obj.) | דֶּ֨רֶךְ (derekh) = de weg van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | בָּ֗ם (bam) = erop | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | שָׁמְר֥וּ (shameru) = hebben bewaard | אֲבוֹתָ֖ם (avotam) = hun vaders | אִם (im) = of | לֹֽא (lo) = niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De volken blijven om Israël op de proef te stellen. Zie ook Richt. 3:1–4. Zie ook: Gen 22:1; Deut 8:2; Deut 8:16; Deut 13:4; Re 3:1–4; Spr 17:3 **2:23** Yahweh liet deze volken blijven. Hij verdreef hen niet snel en gaf hen niet in de hand van Jozua. Brontekst: וַיַּנַּ֤ח (vayanach) = en liet blijven | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = om niet | הוֹרִישָׁ֖ם (horisham) = hen te verdrijven | מַהֵ֑ר (maher) = snel | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נְתָנָ֖ם (netanam) = gaf hen | בְּיַד (beyad) = in de hand van | יְהוֹשֻֽׁעַ (yehoshua) = Jozua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ## Richteren 3 _De volken als proef; Otniël, Ehud en Samgar_ ### De volken die Yahweh liet blijven **3:1** Dit zijn de volken die Yahweh liet blijven om Israël door hen op de proef te stellen, iedereen die geen van de oorlogen van Kanaän had gekend. Brontekst: וְאֵ֤לֶּה (veele) = en deze | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִנִּ֣יחַ (hiniach) = liet blijven | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְנַסּ֥וֹת (lenasot) = om op de proef te stellen | בָּ֖ם (bam) = door hen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = allen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָדְע֔וּ (yadeu) = kenden | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מִלְחֲמ֥וֹת (milchamot) = oorlogen van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִסָּה (nissah), ‘op de proef stellen’: Yahweh laat de volken blijven om te zien of Israël Hem trouw blijft. Dit zegt ook Richt. 2:22. Zie ook: Deut 7:22; Deut 8:16; Re 2:21–22; Re 2:22; Spr 17:3; 1 Petr 4:12 **3:2** Het was alleen bedoeld zodat de geslachten van de zonen van Israël het zouden weten. Zij moesten de oorlog leren. Dat gold alleen voor wie er eerder niets van kende. Brontekst: רַ֗ק (raq) = alleen | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | דַּ֚עַת (daat) = weten | דֹּר֣וֹת (dorot) = geslachten van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְלַמְּדָ֖ם (lelamedam) = om hen te leren | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | רַ֥ק (raq) = alleen | אֲשֶׁר (asher) = die | לְפָנִ֖ים (lefanim) = vroeger | לֹ֥א (lo) = niet | יְדָעֽוּם (yedaum) = kenden hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Er staat geen voorwerp bij ‘weten’. Wij laten het open: de nieuwe geslachten moesten leren strijden en leren wat het kost als zij Yahweh niet volgen. Het tweede ‘alleen’ beperkt dit tot hen die de eerdere oorlogen niet hadden meegemaakt. Zie ook: Gen 3:5; Joh 16:33; Ef 6:11–18; 1 Tim 6:12; 2 Tim 2:3 **3:3** Dat zijn de vijf vorsten van de Filistijnen, alle Kanaänieten, de Sidoniërs en de Chiwwieten die in het Libanongebergte woonden, van de berg Baäl-Hermon tot waar je Chamat binnengaat. Brontekst: חֲמֵ֣שֶׁת (chameshet) = vijf | סַרְנֵ֣י (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | וְכָל (vekhal) = en alle | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | וְהַצִּ֣ידֹנִ֔י (vehatsidoni) = en de Sidoniër | וְהַ֣חִוִּ֔י (vehachivi) = en de Chiwwiet | יֹשֵׁ֖ב (yoshev) = die woonde | הַ֣ר (har) = de berg | הַלְּבָנ֑וֹן (halevanon) = de Libanon | מֵהַר֙ (mehar) = van de berg | בַּ֣עַל (baal) = Baäl | חֶרְמ֔וֹן (chermon) = Hermon | עַ֖ד (ad) = tot | לְב֥וֹא (levo) = het binnengaan van | חֲמָֽת (chamat) = Chamat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vijf vorsten van de Filistijnen zijn die van Gaza, Askelon, Asdod, Gat en Ekron (1 Sam. 6:17). De berg Baäl-Hermon ligt bij de Hermon, in het noorden. Chamat ligt bij het huidige Hama in Syrië; ‘waar je Chamat binnengaat’ is de noordgrens van Kanaän (Num. 34:8). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: סַרְנֵי (sarne), ‘vorsten’: dit woord wordt alleen voor de leiders van de Filistijnen gebruikt. Het vers heeft geen werkwoord. Wij lezen het als een opsomming van de volken uit vers 1 en voegen ‘Dat zijn’ toe. Zie ook: Num 34:8; Joz 13:3; Joz 13:5; Re 3:1; Re 4:23–24; Re 14:4; 1 Sam 6:17; 1 Sam 6:18 **3:4** Zij waren er om Israël op de proef te stellen. Zo zou men weten of zij zouden luisteren naar de geboden van Yahweh. Die had Hij hun vaders geboden door Mozes. Brontekst: וַֽיִּהְי֕וּ (vayihyu) = en zij waren | לְנַסּ֥וֹת (lenasot) = om op de proef te stellen | בָּ֖ם (bam) = door hen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לָדַ֗עַת (ladaat) = om te weten | הֲיִשְׁמְעוּ֙ (hayishmeu) = of zij zouden luisteren naar | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוֺ֣ת (mitsvot) = de geboden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֥ה (tsiva) = Hij gebood | אֶת (et) = (obj.) | אֲבוֹתָ֖ם (avotam) = hun vaders | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:25; Deut 33:8; Re 2:22; Re 3:1; 1 Kor 11:19 ### Israël vermengt zich en valt af **3:5** De zonen van Israël woonden midden onder de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | יָשְׁב֖וּ (yashevu) = woonden | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = te midden van | הַֽכְּנַעֲנִ֑י (hakenaani) = de Kanaäniet | הַחִתִּ֤י (hachiti) = de Hethiet | וְהָֽאֱמֹרִי֙ (vehaemori) = en de Amoriet | וְהַפְּרִזִּ֔י (vehaperizi) = en de Perizziet | וְהַחִוִּ֖י (vehachivi) = en de Chiwwiet | וְהַיְבוּסִֽי (vehayvusi) = en de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 10:15–18; Ex 3:8; Ex 3:17; Re 1:29–32; Ps 106:34–38 **3:6** Zij namen de dochters van die volken tot vrouw. Hun eigen dochters gaven zij aan de zonen van die volken. En zij dienden hun goden. Brontekst: וַיִּקְח֨וּ (vayiqchu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנוֹתֵיהֶ֤ם (benoteihem) = hun dochters | לָהֶם֙ (lahem) = voor zich | לְנָשִׁ֔ים (lenashim) = tot vrouwen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתֵיהֶ֖ם (benoteihem) = hun dochters | נָתְנ֣וּ (natenu) = gaven zij | לִבְנֵיהֶ֑ם (livneihem) = aan hun zonen | וַיַּעַבְד֖וּ (vayaavdu) = en zij dienden | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘hun dochters’ en ‘hun dochters’. In de eerste keer zijn de dochters van de volken bedoeld, in de tweede keer de dochters van Israël. Wij schrijven dit uit. Zie ook Deut. 7:3–4, waar dit verboden wordt. Zie ook: Ex 34:16; Deut 7:3–4; 1 Kon 11:1–5; Ezra 9:11–12; Neh 13:23–27 ### Otniël en Kusan-Risataïm **3:7** De zonen van Israël deden wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Zij vergaten Yahweh, hun Elohim, en dienden de Baäls en de Asjera’s. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֨וּ (vayaasu) = en zij deden | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הָרַע֙ (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיִּשְׁכְּח֖וּ (vayishkechu) = en zij vergaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | וַיַּעַבְד֥וּ (vayaavdu) = en zij dienden | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּעָלִ֖ים (habealim) = de Baäls | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֲשֵׁרֽוֹת (haasherot) = de Asjera’s Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֵׁרוֹת (asherot), ‘Asjera’s’: houten palen of beelden bij de aanbidding van de godin Asjera. Zie ook Deut. 16:21. Zie ook: Ex 34:13; Deut 4:9; Deut 16:21; Re 3:12; 2 Kon 23:6; 2 Kron 33:19 **3:8** De toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël. Hij verkocht hen aan Kusan-Risataïm, de koning van Aram-Naharaim. De zonen van Israël dienden Kusan-Risataïm 8 jaar. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֤ף (af) = toorn van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = tegen Israël | וַֽיִּמְכְּרֵ֗ם (vayimkerem) = en verkocht hen | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | כּוּשַׁ֣ן (kushan) = Kusan | רִשְׁעָתַ֔יִם (rishatayim) = Risataïm | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרַ֣ם (aram) = Aram | נַהֲרָ֑יִם (naharayim) = Naharaim | וַיַּעַבְד֧וּ (vayaavdu) = en zij dienden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | כּוּשַׁ֥ן (kushan) = Kusan | רִשְׁעָתַ֖יִם (rishatayim) = Risataïm | שְׁמֹנֶ֥ה (shemone) = acht | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aram-Naharaim (‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat, in het noorden van Mesopotamië (nu in Syrië en Turkije). De ligging is niet precies vast te stellen. Kusan-Risataïm is verder onbekend. Voetnoot Uitleg: כּוּשַׁן רִשְׁעָתַיִם (Kushan-Rish’atayim), ‘Kusan van dubbele boosheid’. Dit is waarschijnlijk een spotnaam die Israël hem gaf. Zie ook: Ex 22:23; Re 2:14; Re 4:9; Ps 85:4; Hab 3:7 **3:9** De zonen van Israël riepen tot Yahweh. Yahweh liet een redder opstaan voor de zonen van Israël. Hij redde hen: Otniël, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb. Brontekst: וַיִּזְעֲק֤וּ (vayizaqu) = en riepen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּ֨קֶם (vayaqem) = en liet opstaan | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | מוֹשִׁ֛יעַ (moshia) = een redder | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וַיּֽוֹשִׁיעֵ֑ם (vayoshiem) = en hij redde hen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | עָתְנִיאֵ֣ל (ateniel) = Otniël | בֶּן (ben) = zoon van | קְנַ֔ז (qenaz) = Kenaz | אֲחִ֥י (achi) = broer van | כָלֵ֖ב (kalev) = Kaleb | הַקָּטֹ֥ן (haqaton) = de jongere | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = dan hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹשִׁיעַ (moshia), ‘redder’: iemand die hulp brengt uit de nood. Otniël is de eerste rechter. Zie Richt. 1:13 voor zijn herkomst. Zie ook: Re 1:13; Re 3:15; Re 6:7; Re 10:10; Ps 22:6 **3:10** De Geest van Yahweh kwam over hem. Hij was rechter over Israël en trok ten strijde. Yahweh gaf Kusan-Risataïm, de koning van Aram, in zijn hand. Zijn hand was sterker dan die van Kusan-Risataïm. Brontekst: וַתְּהִ֨י (vatehi) = en kwam | עָלָ֥יו (alav) = over hem | רֽוּחַ (ruach) = Geest van | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | וַיִּשְׁפֹּ֣ט (vayishpot) = en hij was rechter | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en hij trok uit | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = ten strijde | וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en gaf | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | אֶת (et) = (obj.) | כּוּשַׁ֥ן (kushan) = Kusan | רִשְׁעָתַ֖יִם (rishatayim) = Risataïm | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַתָּ֣עָז (vataaz) = en was sterk | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | עַ֖ל (al) = over | כּוּשַׁ֥ן (kushan) = Kusan | רִשְׁעָתָֽיִם (rishatayim) = Risataïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: רוּחַ יהוה (ruach Yahweh), ‘Geest van Yahweh’: Yahweh geeft de rechter kracht en leiding. Zie ook Num. 24:2. Zie ook: Num 24:2; Re 11:29; Re 13:25; Re 14:6; Re 14:19; 1 Sam 11:6 **3:11** Het land had 40 jaar rust. Toen stierf Otniël, de zoon van Kenaz. Brontekst: וַתִּשְׁקֹ֥ט (vatishqot) = en had rust | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | עָתְנִיאֵ֥ל (ateniel) = Otniël | בֶּן (ben) = zoon van | קְנַֽז (qenaz) = Kenaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 11:23; Re 3:30; Re 5:31; Re 8:28; Est 9:22 ### Ehud en Eglon van Moab **3:12** De zonen van Israël deden opnieuw wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Yahweh maakte Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij deden wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Brontekst: וַיֹּסִ֨פוּ֙ (vayosifu) = en zij deden opnieuw | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְחַזֵּ֨ק (vaychazeq) = en maakte sterk | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | עֶגְל֤וֹן (eglon) = Eglon | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | עַל (al) = tegen | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַ֛ל (al) = omdat | כִּֽי (ki) = dat | עָשׂ֥וּ (asu) = zij deden | אֶת (et) = (obj.) | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Eglon is de koning van Moab, het land ten oosten van de Dode Zee (Jordanië). Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘Yahweh maakte Eglon sterk … omdat zij deden wat kwaad was in de ogen van Yahweh.’ Wij houden de herhaling zoals zij staat. Yahweh gebruikt een vijand om Israël te straffen. Zie ook: Re 2:14; Re 2:19; 1 Sam 12:9; Jes 10:15; Joh 19:11 **3:13** Hij bracht de zonen van Ammon en Amalek bij zich. Hij ging, versloeg Israël en zij namen de stad van de palmen in bezit. Brontekst: וַיֶּאֱסֹ֣ף (vayeesof) = en bracht samen | אֵלָ֔יו (elav) = bij zich | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | וַעֲמָלֵ֑ק (vaamaleq) = en Amalek | וַיֵּ֗לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | וַיַּךְ֙ (vayakh) = en versloeg | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּֽירְשׁ֖וּ (vayireshu) = en zij namen in bezit | אֶת (et) = (obj.) | עִ֥יר (ir) = de stad van | הַתְּמָרִֽים (hatemarim) = de palmen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ‘De stad van de palmen’ is Jericho (Deut. 34:3). Ammon ligt ten oosten van de Jordaan (nu Jordanië). Amalek leeft in de woestijn in het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘hij verzamelde bij zich’. Wij lezen ‘hij’ als Eglon. De vorm ‘zij namen in bezit’ staat in het meervoud: de drie volken samen. Zie ook: Deut 34:3; Re 1:16; Re 5:14; Ps 83:7–8 **3:14** De zonen van Israël dienden Eglon, de koning van Moab, 18 jaar. Brontekst: וַיַּעַבְד֤וּ (vayaavdu) = en zij dienden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | עֶגְל֣וֹן (eglon) = Eglon | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | שְׁמוֹנֶ֥ה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Lev 26:23–25; Deut 28:40; Deut 28:47–48 **3:15** De zonen van Israël riepen tot Yahweh. Yahweh liet een redder voor hen opstaan: Ehud, de zoon van Gera, de Benjaminiet, een man wiens rechterhand gebonden was. De zonen van Israël stuurden door hem een geschenk naar Eglon, de koning van Moab. Brontekst: וַיִּזְעֲק֣וּ (vayizaqu) = en riepen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וַיָּקֶם֩ (vayaqem) = en liet opstaan | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | לָהֶ֜ם (lahem) = voor hen | מוֹשִׁ֗יעַ (moshia) = een redder | אֶת (et) = (obj.) | אֵה֤וּד (ehud) = Ehud | בֶּן (ben) = zoon van | גֵּרָא֙ (gera) = Gera | בֶּן (ben) = zoon van | הַיְמִינִ֔י (haymini) = de Benjaminiet | אִ֥ישׁ (ish) = man | אִטֵּ֖ר (iter) = gebonden | יַד (yad) = hand van | יְמִינ֑וֹ (yemino) = zijn rechter | וַיִּשְׁלְח֨וּ (vayishlechu) = en zij stuurden | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | בְּיָדוֹ֙ (beyado) = door zijn hand | מִנְחָ֔ה (mincha) = een geschenk | לְעֶגְל֖וֹן (leeglon) = aan Eglon | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: אִטֵּר יַד־יְמִינוֹ (itter yad-yemino), ‘gebonden aan zijn rechterhand’: dit betekent waarschijnlijk dat hij linkshandig was. Het kan ook betekenen dat zijn rechterhand beperkt was. Hij is een Benjaminiet; ‘Benjamin’ betekent ‘zoon van de rechterhand’ (Gen. 35:18). Voetnoot : מִנְחָה (minchah), ‘geschenk’: hier de schatting die Israël aan de koning van Moab moest betalen. Het is niet het graanoffer. Zie ook: Gen 35:18; Re 3:9; Re 20:16; Ps 78:34; Jes 36:16; Jer 33:3 **3:16** Ehud maakte voor zichzelf een zwaard met twee scherpe kanten, een gomed lang. Hij gordde het onder zijn kleren om aan zijn rechterdij. Brontekst: וַיַּעַשׂ֩ (vayaas) = en maakte | ל֨וֹ (lo) = voor zich | אֵה֜וּד (ehud) = Ehud | חֶ֗רֶב (cherev) = een zwaard | וְלָ֛הּ (velah) = en het had | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | פֵי֖וֹת (peiot) = monden | גֹּ֣מֶד (gomed) = een gomed | אָרְכָּ֑הּ (arkah) = haar lengte | וַיַּחְגֹּ֤ר (vayachgor) = en hij gordde | אוֹתָהּ֙ (otah) = het | מִתַּ֣חַת (mitachat) = onder | לְמַדָּ֔יו (lemadav) = zijn kleren | עַ֖ל (al) = op | יֶ֥רֶךְ (yerekh) = de dij van | יְמִינֽוֹ (yemino) = zijn rechter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּמֶד (gomed), ‘gomed’: een lengtemaat die alleen hier voorkomt. Waarschijnlijk was het korter dan een el, ongeveer 35 tot 45 cm. Zeker is dat niet. Voetnoot : שְׁנֵי פֵיוֹת (shene fiyyot), ‘twee monden’: wij vertalen ‘twee scherpe kanten’. Zie ook: Ps 45:4; Ps 149:6; Hoogl 3:8; Heb 4:12; Openb 2:12 **3:17** Hij bracht het geschenk naar Eglon, de koning van Moab. Eglon was een zeer dikke man. Brontekst: וַיַּקְרֵב֙ (vayaqrev) = en hij bracht dichtbij | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָ֔ה (hamincha) = het geschenk | לְעֶגְל֖וֹן (leeglon) = aan Eglon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | וְעֶגְל֕וֹן (veeglon) = en Eglon | אִ֥ישׁ (ish) = een man | בָּרִ֖יא (bari) = dik | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: בָּרִיא (bari), ‘dik’: letterlijk ‘gezond’ of ‘goed gevoed’. Hier is het een heel dikke man. Zie ook: Job 15:27; Re 3:29; Jer 5:28; Jer 50:11; Ezech 34:20 **3:18** Toen hij klaar was met het aanbieden van het geschenk, stuurde hij de mensen weg die het geschenk hadden gedragen. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = toen | כִּלָּ֔ה (kila) = klaar was | לְהַקְרִ֖יב (lehaqriv) = om dichtbij te brengen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָ֑ה (hamincha) = het geschenk | וַיְשַׁלַּח֙ (vayshalach) = en hij zond weg | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | נֹשְׂאֵ֖י (noseei) = dragers van | הַמִּנְחָֽה (hamincha) = het geschenk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:19** Zelf keerde hij terug van de gehouwen beelden bij Gilgal. Hij zei: „Ik heb een geheim woord voor u, koning.” De koning zei: „Stil!” Allen die bij hem stonden, gingen bij hem weg. Brontekst: וְה֣וּא (vehu) = en hij | שָׁ֗ב (shav) = keerde terug | מִן (min) = van | הַפְּסִילִים֙ (hapesilim) = de gehouwen beelden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֶת (et) = bij | הַגִּלְגָּ֔ל (hagilgal) = Gilgal | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | דְּבַר (devar) = een woord | סֵ֥תֶר (seter) = geheim | לִ֛י (li) = voor mij | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = aan u | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = koning | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | הָ֔ס (has) = stil | וַיֵּֽצְאוּ֙ (vayetseu) = en zij gingen uit | מֵֽעָלָ֔יו (mealav) = van hem weg | כָּל (kal) = alle | הָעֹמְדִ֖ים (haomedim) = die stonden | עָלָֽיו (alav) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilgal ligt waarschijnlijk bij Jericho, in de Jordaanvallei. Dat is niet zeker. Voetnoot Uitleg: פְּסִילִים (pesilim), ‘gehouwen beelden’: wij vertalen zoals in Deut. 7:5. Sommige vertalers lezen ‘steengroeven’; het Hebreeuws laat beide toe. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt bij de tweede ‘hij zei’ geen naam. Het is de koning die ‘Stil!’ zegt; wij schrijven daarom ‘de koning’. Zie ook: Gen 45:1; Deut 7:5; Joz 4:20; Re 3:20; 2 Kon 9:5–6; Hand 23:18–19 **3:20** Ehud kwam bij hem. Hij zat in de koele bovenkamer die hij voor zichzelf alleen had. Ehud zei: „Ik heb een woord van Elohim voor u.” Toen stond hij op van zijn troon. Brontekst: וְאֵה֣וּד (veehud) = en Ehud | בָּ֣א (ba) = kwam | אֵלָ֗יו (elav) = naar hem | וְהֽוּא (vehu) = en hij | יֹ֠שֵׁב (yoshev) = zat | בַּעֲלִיַּ֨ת (baaliyat) = in de bovenkamer van | הַמְּקֵרָ֤ה (hameqera) = de koelte | אֲשֶׁר (asher) = die | לוֹ֙ (lo) = voor hem | לְבַדּ֔וֹ (levado) = alleen | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵה֔וּד (ehud) = Ehud | דְּבַר (devar) = een woord van | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | לִ֖י (li) = voor mij | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = aan u | וַיָּ֖קָם (vayaqam) = en hij stond op | מֵעַ֥ל (meal) = van | הַכִּסֵּֽא (hakise) = de troon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲלִיַּת הַמְּקֵרָה (aliyyat hamqerah), ‘bovenkamer van de koelte’: een kamer boven op het huis met luchtopeningen, voor de warme dagen. Zie ook: 2 Sam 24:12; Ps 29:1; Amos 3:15; Mi 6:9; Jer 10:7 **3:21** Ehud stak zijn linkerhand uit, pakte het zwaard van zijn rechterdij en stootte het in zijn buik. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stak uit | אֵהוּד֙ (ehud) = Ehud | אֶת (et) = (obj.) | יַ֣ד (yad) = hand van | שְׂמֹאל֔וֹ (semolo) = zijn linker | וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֔רֶב (hacherev) = het zwaard | מֵעַ֖ל (meal) = van op | יֶ֣רֶךְ (yerekh) = de dij van | יְמִינ֑וֹ (yemino) = zijn rechter | וַיִּתְקָעֶ֖הָ (vayitqaeha) = en hij stootte het | בְּבִטְנֽוֹ (bevitno) = in zijn buik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:25; Num 25:7–8; 1 Sam 15:33; Zach 13:3; 2 Kor 5:16 **3:22** Ook het heft ging erin, achter het lemmet. Het vet sloot zich om het lemmet, want hij trok het zwaard niet uit zijn buik. Het vuil kwam naar buiten. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en ging binnen | גַֽם (gam) = ook | הַנִּצָּ֜ב (hanitsav) = het heft | אַחַ֣ר (achar) = achter | הַלַּ֗הַב (halahav) = het lemmet | וַיִּסְגֹּ֤ר (vayisgor) = en sloot zich | הַחֵ֨לֶב֙ (hachelev) = het vet | בְּעַ֣ד (bead) = om | הַלַּ֔הַב (halahav) = het lemmet | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁלַ֛ף (shalaf) = trok hij | הַחֶ֖רֶב (hacherev) = het zwaard | מִבִּטְנ֑וֹ (mibitno) = uit zijn buik | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en kwam naar buiten | הַֽפַּרְשְׁדֹֽנָה (haparshedona) = de parsjedona Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: הַפַּרְשְׁדֹנָה (happarshedonah) komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Wij lezen: wat in de buik zat, kwam naar buiten. Anderen lezen het als ‘achteruitgang’ of ‘opening’. De zin is daarom ook anders te vertalen: ‘Hij kwam naar buiten door …’. **3:23** Ehud ging naar buiten, de gang in. Hij sloot de deuren van de bovenkamer achter zich en deed ze op slot. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging naar buiten | אֵה֖וּד (ehud) = Ehud | הַֽמִּסְדְּר֑וֹנָה (hamisderona) = de gang in | וַיִּסְגֹּ֞ר (vayisgor) = en sloot | דַּלְת֧וֹת (daltot) = deuren van | הָעַלִיָּ֛ה (haaliya) = de bovenkamer | בַּעֲד֖וֹ (baado) = achter zich | וְנָעָֽל (venaal) = en deed op slot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּסְדְּרוֹנָה (hamisderonah) komt alleen hier voor. Het betekent waarschijnlijk ‘zuilengang’ of ‘voorportaal’. Wij vertalen ‘de gang’. **3:24** Toen hij weg was, kwamen zijn dienaren. Zij zagen, en zie: de deuren van de bovenkamer zaten op slot. Zij zeiden: „Hij bedekt zeker zijn voeten in het koele vertrek.” Brontekst: וְה֤וּא (vehu) = en hij | יָצָא֙ (yatsa) = ging uit | וַעֲבָדָ֣יו (vaavadav) = en zijn dienaren | בָּ֔אוּ (bau) = kwamen | וַיִּרְא֕וּ (vayiru) = en zij zagen | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | דַּלְת֥וֹת (daltot) = deuren van | הָעֲלִיָּ֖ה (haaliya) = de bovenkamer | נְעֻל֑וֹת (neulot) = op slot | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | אַ֣ךְ (akh) = zeker | מֵסִ֥יךְ (mesikh) = bedekt | ה֛וּא (hu) = hij | אֶת (et) = (obj.) | רַגְלָ֖יו (raglav) = zijn voeten | בַּחֲדַ֥ר (bachadar) = in de kamer van | הַמְּקֵרָֽה (hameqera) = de koelte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘hij’ is Ehud; de ‘dienaren’ zijn die van Eglon. Voetnoot : מֵסִיךְ אֶת־רַגְלָיו (mesikh et-raglav), ‘zijn voeten bedekken’: een omschrijving voor het gebruiken van het toilet. Zo dachten de dienaren dat hij zich afzonderde. Zie ook: 1 Sam 24:4 **3:25** Zij wachtten tot zij zich schaamden. En zie: hij deed de deuren van de bovenkamer niet open. Zij namen de sleutel en openden ze. En zie: hun heer lag dood op de grond. Brontekst: וַיָּחִ֣ילוּ (vayachilu) = en zij wachtten | עַד (ad) = tot | בּ֔וֹשׁ (bosh) = schaamte | וְהְנֵּ֛ה (vehene) = en zie | אֵינֶ֥נּוּ (einenu) = niet | פֹתֵ֖חַ (poteach) = hij opent | דַּלְת֣וֹת (daltot) = deuren van | הָֽעֲלִיָּ֑ה (haaliya) = de bovenkamer | וַיִּקְח֤וּ (vayiqchu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּפְתֵּ֨חַ֙ (hamafteach) = de sleutel | וַיִּפְתָּ֔חוּ (vayiftachu) = en zij openden | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | אֲדֹ֣נֵיהֶ֔ם (adoneihem) = hun heer | נֹפֵ֥ל (nofel) = gevallen | אַ֖רְצָה (artsa) = naar de grond | מֵֽת (met) = dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַד־בּוֹשׁ (ad-bosh), ‘tot schaamte’: zo lang dat het gênant werd om langer te wachten. **3:26** Ehud was ontkomen terwijl zij talmden. Hij was langs de gehouwen beelden gegaan en ontkomen naar Seïra. Brontekst: וְאֵה֥וּד (veehud) = en Ehud | נִמְלַ֖ט (nimlat) = was ontkomen | עַ֣ד (ad) = terwijl | הִֽתְמַהְמְהָ֑ם (hitmahmeham) = zij talmden | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | עָבַ֣ר (avar) = was gegaan langs | אֶת (et) = (obj.) | הַפְּסִילִ֔ים (hapesilim) = de gehouwen beelden | וַיִּמָּלֵ֖ט (vayimalet) = en ontkwam | הַשְּׂעִירָֽתָה (haseirata) = naar Seïra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Seïra ligt in het bergland van Efraïm. De precieze plaats is onbekend. **3:27** Toen hij aankwam, blies hij de ramshoorn in het bergland van Efraïm. De zonen van Israël gingen met hem van het bergland af, en hij ging voor hen uit. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בְּבוֹא֔וֹ (bevoo) = bij zijn komen | וַיִּתְקַ֥ע (vayitqa) = en hij blies | בַּשּׁוֹפָ֖ר (bashofar) = op de ramshoorn | בְּהַ֣ר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וַיֵּרְד֨וּ (vayeredu) = en zij gingen naar beneden | עִמּ֧וֹ (imo) = met hem | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מִן (min) = van | הָהָ֖ר (hahar) = het bergland | וְה֥וּא (vehu) = en hij | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als signaal diende, om het volk te roepen. Zie ook Lev. 25:9. Zie ook: Lev 25:9; Re 5:14; Re 6:34; Re 19:1; 1 Sam 13:3; 2 Kon 9:13 **3:28** Hij zei tegen hen: „Volg mij! Want Yahweh heeft jullie vijanden, Moab, in jullie hand gegeven.” Zij gingen achter hem aan naar beneden en bezetten de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan naar Moab toe. Zij lieten niemand oversteken. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tegen hen | רִדְפ֣וּ (ridfu) = volg | אַחֲרַ֔י (acharay) = achter mij | כִּֽי (ki) = want | נָתַ֨ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | אֹיְבֵיכֶ֛ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | אֶת (et) = (obj.) | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | בְּיֶדְכֶ֑ם (beyedkhem) = in jullie hand | וַיֵּרְד֣וּ (vayeredu) = en zij gingen naar beneden | אַחֲרָ֗יו (acharav) = achter hem | וַֽיִּלְכְּד֞וּ (vayilkedu) = en zij bezetten | אֶת (et) = (obj.) | מַעְבְּר֤וֹת (maberot) = de doorwaadbare plaatsen van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | לְמוֹאָ֔ב (lemoav) = naar Moab | וְלֹֽא (velo) = en niet | נָתְנ֥וּ (natenu) = lieten zij toe | אִ֖ישׁ (ish) = iemand | לַעֲבֹֽר (laavor) = over te steken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De doorwaadbare plaatsen van de Jordaan lagen tegenover Jericho, tussen Moab en Israël. De precieze plaatsen zijn niet bekend. Zie ook: Joz 2:7; Re 7:9; Re 7:15; Re 12:5; 1 Sam 17:47 **3:29** Op dat moment versloegen zij ongeveer 10.000 man van Moab, allemaal welgedane mannen, allemaal krijgers. Niemand ontkwam. Brontekst: וַיַּכּ֨וּ (vayaku) = en zij versloegen | אֶת (et) = (obj.) | מוֹאָ֜ב (moav) = Moab | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | כַּעֲשֶׂ֤רֶת (kaaseret) = ongeveer tien | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | אִ֔ישׁ (ish) = man | כָּל (kal) = alle | שָׁמֵ֖ן (shamen) = welgedaan | וְכָל (vekhal) = en alle | אִ֣ישׁ (ish) = man van | חָ֑יִל (chayil) = kracht | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נִמְלַ֖ט (nimlat) = ontkwam | אִֽישׁ (ish) = iemand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁמֵן (shamen), ‘vet’: gezond en goed gevoed, krachtig. Het Hebreeuws zegt: ‘alle vet en alle man van kracht’. Wij vertalen ‘welgedane mannen’ en ‘krijgers’. Zie ook: Job 15:27; Deut 32:15; Re 3:17; Ps 17:10 **3:30** Op die dag boog Moab zich onder de hand van Israël. Het land had 80 jaar rust. Brontekst: וַתִּכָּנַ֤ע (vatikana) = en boog zich | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | תַּ֖חַת (tachat) = onder | יַ֣ד (yad) = de hand van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַתִּשְׁקֹ֥ט (vatishqot) = en had rust | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | שְׁמוֹנִ֥ים (shemonim) = tachtig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 3:11; Re 5:31 ### Samgar **3:31** Na hem kwam Samgar, de zoon van Anat. Hij versloeg 600 Filistijnen met een ossenstok. Ook hij redde Israël. Brontekst: וְאַחֲרָ֤יו (veacharav) = en na hem | הָיָה֙ (haya) = was | שַׁמְגַּ֣ר (shamgar) = Samgar | בֶּן (ben) = zoon van | עֲנָ֔ת (anat) = Anat | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en hij versloeg | אֶת (et) = (obj.) | פְּלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | שֵֽׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אִ֔ישׁ (ish) = man | בְּמַלְמַ֖ד (bemalmad) = met de ossenstok van | הַבָּקָ֑ר (habaqar) = het rund | וַיֹּ֥שַׁע (vayosha) = en hij redde | גַּם (gam) = ook | ה֖וּא (hu) = hij | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Samgar is verder onbekend. De Filistijnen wonen aan de kust in het zuidwesten van Israël. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מַלְמַד הַבָּקָר (malmad habaqar), ‘ossenstok’: een lange stok met een ijzeren punt om runderen aan te drijven. Zie ook: Re 2:16; Re 5:6; 1 Sam 17:47; 1 Sam 17:50; 1 Kor 1:17 ## Richteren 4 _Debora en Barak; Jaël verslaat Sisera_ ### Jabin en Sisera onderdrukken Israël **4:1** De zonen van Israël deden opnieuw wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Ehud was gestorven. Brontekst: וַיֹּסִ֨פוּ֙ (vayosifu) = en zij deden opnieuw | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֵה֖וּד (veehud) = en Ehud | מֵֽת (met) = was gestorven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:23–25; Re 3:7; Re 10:6; Ps 106:43–45; Jer 5:3 **4:2** Yahweh verkocht hen aan Jabin, de koning van Kanaän, die in Hazor regeerde. De aanvoerder van zijn leger was Sisera. Die woonde in Charosjet-Hagojim. Brontekst: וַיִּמְכְּרֵ֣ם (vayimkerem) = en verkocht hen | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | יָבִ֣ין (yavin) = Jabin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מָלַ֖ךְ (malakh) = regeerde | בְּחָצ֑וֹר (bechatsor) = in Hazor | וְשַׂר (vesar) = en aanvoerder van | צְבָאוֹ֙ (tsevao) = zijn leger | סִֽיסְרָ֔א (sisera) = Sisera | וְה֥וּא (vehu) = en hij | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = woonde | בַּחֲרֹ֥שֶׁת (bacharoshet) = in Charosjet | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = Hagojim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hazor ligt bij Tel Hazor in het noorden van Galilea (Israël); dat is zeker. Charosjet-Hagojim is onzeker; de plaats lag waarschijnlijk aan de beek Kison, in de buurt van de kust. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Voetnoot Uitleg: Jabin, koning van Hazor, komt ook voor in Joz. 11:1. Het kan een titel zijn, die meer koningen droegen. Zie ook: Joz 11:1; Re 4:13; Re 4:16; 1 Sam 12:9; Ps 83:10 **4:3** De zonen van Israël riepen tot Yahweh, want hij had 900 ijzeren strijdwagens. Hij onderdrukte de zonen van Israël 20 jaar lang met kracht. Brontekst: וַיִּצְעֲק֥וּ (vayitsaqu) = en zij riepen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֠י (ki) = want | תְּשַׁ֨ע (tesha) = negen | מֵא֤וֹת (meot) = honderd | רֶֽכֶב (rekhev) = strijdwagens van | בַּרְזֶל֙ (barzel) = ijzer | ל֔וֹ (lo) = voor hem | וְ֠הוּא (vehu) = en hij | לָחַ֞ץ (lachats) = onderdrukte | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֧י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בְּחָזְקָ֖ה (bechazeqa) = met kracht | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘hij’: bedoeld is Jabin, die de strijdwagens had. Zijn aanvoerder Sisera voert ze aan. Voetnoot : רֶכֶב בַּרְזֶל (rekhev barzel), ‘ijzeren strijdwagens’: wagens met ijzeren beslag. Zie ook: Deut 28:29; Re 1:19; Re 3:9; Ps 50:15; Ps 106:42 ### Debora roept Barak **4:4** Debora was een profetes, de vrouw van Lappidot. Zij was in die tijd rechter over Israël. Brontekst: וּדְבוֹרָה֙ (udevora) = en Debora | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | נְבִיאָ֔ה (nevia) = een profetes | אֵ֖שֶׁת (eshet) = vrouw van | לַפִּיד֑וֹת (lapidot) = Lappidot | הִ֛יא (hi) = zij | שֹׁפְטָ֥ה (shofeta) = was rechter | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בָּעֵ֥ת (baet) = in de tijd | הַהִֽיא (hahi) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבִיאָה (nevi’ah), ‘profetes’: zij spreekt namens Yahweh. Zij is ook rechter: zij spreekt recht (vers 5). Voetnoot : לַפִּידוֹת (lappidot), ‘Lappidot’: de naam van haar man. Het woord betekent ook ‘fakkels’; sommigen lezen ‘een vrouw van fakkels’. Wij houden het als naam. Zie ook: Ex 15:20; Re 4:5; 2 Kon 22:14; Luc 2:36; Hand 21:9; Gal 3:28 **4:5** Zij zat onder de palm van Debora, tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraïm. De zonen van Israël gingen naar haar toe voor het recht. Brontekst: וְ֠הִיא (vehi) = en zij | יוֹשֶׁ֨בֶת (yoshevet) = zat | תַּֽחַת (tachat) = onder | תֹּ֜מֶר (tomer) = de palm van | דְּבוֹרָ֗ה (devora) = Debora | בֵּ֧ין (bein) = tussen | הָרָמָ֛ה (harama) = Rama | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֖ל (el) = El | בְּהַ֣ר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en zij gingen op | אֵלֶ֛יהָ (eleiha) = naar haar | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לַמִּשְׁפָּֽט (lamishpat) = voor het recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama ligt bij er-Ram, ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Betel ligt bij Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Beide liggen in het bergland van Efraïm, aan de grens met Benjamin. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie ook: Ex 18:13; Ex 18:19; Deut 17:8–12; Joz 16:2; Joz 18:25 **4:6** Zij liet Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes in Naftali bij zich roepen. Zij zei tegen hem: „Yahweh, de Elohim van Israël, heeft toch geboden: ‘Ga, trek op naar de berg Tabor. Neem 10.000 man mee uit de zonen van Naftali en uit de zonen van Zebulon. Brontekst: וַתִּשְׁלַ֗ח (vatishlach) = en zij zond | וַתִּקְרָא֙ (vatiqra) = en zij riep | לְבָרָ֣ק (levaraq) = Barak | בֶּן (ben) = zoon van | אֲבִינֹ֔עַם (avinoam) = Abinoam | מִקֶּ֖דֶשׁ (miqedesh) = uit Kedes | נַפְתָּלִ֑י (naftali) = Naftali | וַתֹּ֨אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | הֲלֹ֥א (halo) = niet | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לֵ֤ךְ (lekh) = ga | וּמָֽשַׁכְתָּ֙ (umashakhta) = en trek | בְּהַ֣ר (behar) = naar de berg | תָּב֔וֹר (tavor) = Tabor | וְלָקַחְתָּ֣ (velaqachta) = en neem | עִמְּךָ֗ (imekha) = met je | עֲשֶׂ֤רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | אִ֔ישׁ (ish) = man | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = uit de zonen van | נַפְתָּלִ֖י (naftali) = Naftali | וּמִבְּנֵ֥י (umibenei) = en uit de zonen van | זְבֻלֽוּן (zevulun) = Zebulon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedes in Naftali ligt bij Tel Qedesh in het noorden van Galilea (Israël). De berg Tabor ligt in het zuiden van Galilea (Israël), ongeveer 17 km ten westen van de Zee van Galilea. Voetnoot Uitleg: Debora haalt Yahwehs gebod aan. Daarom staan deze woorden zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Het gebod loopt door tot en met vers 7. Zie ook: Joz 19:37; Re 4:7; Re 8:18; Ps 7:7; Hand 13:47; Heb 11:32 **4:7** Ik zal Sisera, de aanvoerder van het leger van Jabin, naar je toe laten komen, naar de beek Kison, met zijn strijdwagens en zijn menigte. Ik zal hem in je hand geven.’” Brontekst: וּמָשַׁכְתִּ֨י (umashakhti) = en Ik zal trekken | אֵלֶ֜יךָ (eleikha) = naar je toe | אֶל (el) = naar | נַ֣חַל (nachal) = de beek | קִישׁ֗וֹן (qishon) = Kison | אֶת (et) = (obj.) | סִֽיסְרָא֙ (sisera) = Sisera | שַׂר (sar) = aanvoerder van | צְבָ֣א (tseva) = leger van | יָבִ֔ין (yavin) = Jabin | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רִכְבּ֖וֹ (rikhbo) = zijn strijdwagens | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הֲמוֹנ֑וֹ (hamono) = zijn menigte | וּנְתַתִּ֖יהוּ (unetatihu) = en Ik zal geven hem | בְּיָדֶֽךָ (beyadekha) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek Kison stroomt door de vlakte van Jizreël naar de Middellandse Zee, bij het huidige Haifa (Israël). Voetnoot Uitleg: In dit vers spreekt Yahweh in de ik-vorm (‘Ik zal … trekken’), maar het is Debora die Zijn gebod doorgeeft. Wij schrijven ‘Ik’ met een hoofdletter en laten de tekst zwart. Zie ook: Re 5:21; 1 Sam 24:11; Ps 83:10–11; 1 Kon 18:40; Ezech 38:10–16 **4:8** Barak zei tegen haar: „Als jij met mij meegaat, ga ik. Als jij niet met mij meegaat, ga ik niet.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = tot haar | בָּרָ֔ק (baraq) = Barak | אִם (im) = als | תֵּלְכִ֥י (telekhi) = jij gaat | עִמִּ֖י (imi) = met mij | וְהָלָ֑כְתִּי (vehalakhti) = dan zal ik gaan | וְאִם (veim) = en als | לֹ֥א (lo) = niet | תֵלְכִ֛י (telekhi) = jij gaat | עִמִּ֖י (imi) = met mij | לֹ֥א (lo) = niet | אֵלֵֽךְ (elekh) = ga ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 4:10–14; Mat 14:30–31 **4:9** Zij zei: „Ik ga zeker met je mee. Maar op de weg die je gaat, zal de eer niet voor jou zijn. Want Yahweh zal Sisera in de hand van een vrouw verkopen.” Debora stond op en ging met Barak naar Kedes. Brontekst: וַתֹּ֜אמֶר (vatomer) = en zij zei | הָלֹ֧ךְ (halokh) = gaan | אֵלֵ֣ךְ (elekh) = ik zal gaan | עִמָּ֗ךְ (imakh) = met je | אֶ֚פֶס (efes) = echter | כִּי֩ (ki) = dat | לֹ֨א (lo) = niet | תִֽהְיֶ֜ה (tihye) = zal zijn | תִּֽפְאַרְתְּךָ֗ (tifartekha) = jouw eer | עַל (al) = op | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אַתָּ֣ה (ata) = jij | הוֹלֵ֔ךְ (holekh) = gaat | כִּ֣י (ki) = want | בְֽיַד (beyad) = in de hand van | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | יִמְכֹּ֥ר (yimkor) = zal verkopen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | סִֽיסְרָ֑א (sisera) = Sisera | וַתָּ֧קָם (vataqam) = en stond op | דְּבוֹרָ֛ה (devora) = Debora | וַתֵּ֥לֶך (vatelekh) = en ging | עִם (im) = met | בָּרָ֖ק (baraq) = Barak | קֶֽדְשָׁה (qedsha) = naar Kedes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kedes (in Naftali): Kedes (Tel Qedesh) lag in Naftali, ten noordwesten van het meer van Merom. Voetnoot Uitleg: תִּפְאַרְתֶּךָ (tif’artekha), ‘jouw eer’: de eer van de overwinning gaat niet naar Barak, maar naar een vrouw (Jaël, vers 21). Het Hebreeuws zegt: ‘jouw eer zal niet zijn op de weg die je gaat’. Wij houden dat vast. Zie ook: Re 2:14; Re 4:17–22; Re 4:21; Re 5:24–27; 1 Sam 2:30; 2 Sam 20:21–22 ### Barak roept de stammen op **4:10** Barak riep Zebulon en Naftali op naar Kedes. 10.000 man trokken achter hem aan. Ook Debora trok met hem mee op. Brontekst: וַיַּזְעֵ֨ק (vayazeq) = en riep op | בָּרָ֜ק (baraq) = Barak | אֶת (et) = (obj.) | זְבוּלֻ֤ן (zevulun) = Zebulon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נַפְתָּלִי֙ (naftali) = Naftali | קֶ֔דְשָׁה (qedsha) = naar Kedes | וַיַּ֣עַל (vayaal) = en trok op | בְּרַגְלָ֔יו (beraglav) = op zijn voeten | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien | אַלְפֵ֖י (alfei) = duizend van | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַתַּ֥עַל (vataal) = en trok op | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | דְּבוֹרָֽה (devora) = Debora Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kedes (in Naftali): Kedes (Tel Qedesh) lag in Naftali, ten noordwesten van het meer van Merom. Voetnoot Uitleg: בְּרַגְלָיו (beraglav), ‘op zijn voeten’: zij liepen achter hem aan. Zo trokken de tienduizend man mee. Zie ook: Ex 11:8; Re 4:14; Re 5:15; Re 5:18; 1 Sam 25:27 **4:11** Heber, de Keniet, had zich afgescheiden van Kaïn, van de zonen van Chobab, de schoonvader van Mozes. Hij had zijn tent opgeslagen bij de eik in Saänannim, bij Kedes. Brontekst: וְחֶ֤בֶר (vechever) = en Heber | הַקֵּינִי֙ (haqeini) = de Keniet | נִפְרָ֣ד (nifrad) = had zich afgescheiden | מִקַּ֔יִן (miqayin) = van Kaïn | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | חֹבָ֖ב (chovav) = Chobab | חֹתֵ֣ן (choten) = schoonvader van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | וַיֵּ֣ט (vayet) = en spande uit | אָהֳל֔וֹ (aholo) = zijn tent | עַד (ad) = tot aan | אֵל֥וֹן (elon) = de eik | בְּצַעֲנַנִּ֖ים (betsaananim) = in Saänannim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֶת (et) = bij | קֶֽדֶשׁ (qedesh) = Kedes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Saänannim ligt bij Kedes in Naftali. De precieze plaats is onbekend. Voetnoot Uitleg: De Kenieten zijn de nakomelingen van Chobab, de schoonvader van Mozes (Num. 10:29; Richt. 1:16). ‘Kaïn’ is hier de naam van de Kenieten (zie Num. 24:22); het heeft niets met Kaïn uit Genesis te maken. Zie ook: Ex 3:1; Num 10:29; Num 24:22; Joz 19:33; Joz 19:37; Re 1:16 ### Sisera trekt uit **4:12** Men vertelde Sisera dat Barak, de zoon van Abinoam, naar de berg Tabor was opgetrokken. Brontekst: וַיַּגִּ֖דוּ (vayagidu) = en zij vertelden | לְסִֽיסְרָ֑א (lesisera) = aan Sisera | כִּ֥י (ki) = dat | עָלָ֛ה (ala) = was opgetrokken | בָּרָ֥ק (baraq) = Barak | בֶּן (ben) = zoon van | אֲבִינֹ֖עַם (avinoam) = Abinoam | הַר (har) = de berg | תָּבֽוֹר (tavor) = Tabor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tabor: De Tabor is een berg in het zuiden van Galilea, ten oosten van Nazaret. Zie ook: Joz 19:12; Joz 19:34; Re 4:6; Ps 89:13; Jer 46:18 **4:13** Sisera riep al zijn strijdwagens bijeen, 900 ijzeren strijdwagens, en al het volk dat bij hem was, van Charosjet-Hagojim naar de beek Kison. Brontekst: וַיַּזְעֵ֨ק (vayazeq) = en riep bijeen | סִֽיסְרָ֜א (sisera) = Sisera | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | רִכְבּ֗וֹ (rikhbo) = zijn strijdwagens | תְּשַׁ֤ע (tesha) = negen | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | רֶ֣כֶב (rekhev) = strijdwagens van | בַּרְזֶ֔ל (barzel) = ijzer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | מֵחֲרֹ֥שֶׁת (mecharoshet) = van Charosjet | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = Hagojim | אֶל (el) = naar | נַ֥חַל (nachal) = de beek | קִישֽׁוֹן (qishon) = Kison Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Charosjet-Hagojim (ligging onzeker): Charosjet-Hagojim lag bij de beek Kison, in het noorden. De precieze plaats is niet bekend. Zie Kison: De Kison (Nachal Kishon) stroomt door de vlakte van Jizreël naar de Middellandse Zee, bij het huidige Haifa. Zie ook: Re 4:2–3; Re 4:7 **4:14** Debora zei tegen Barak: „Sta op! Want dit is de dag waarop Yahweh Sisera in je hand heeft gegeven. Is Yahweh niet voor je uit gegaan?” Barak daalde af van de berg Tabor, en 10.000 man volgden hem. Brontekst: וַתֹּאמֶר֩ (vatomer) = en zei | דְּבֹרָ֨ה (devora) = Debora | אֶל (el) = tot | בָּרָ֜ק (baraq) = Barak | ק֗וּם (qum) = sta op | כִּ֣י (ki) = want | זֶ֤ה (ze) = dit | הַיּוֹם֙ (hayom) = de dag | אֲשֶׁר֩ (asher) = waarop | נָתַ֨ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | סִֽיסְרָא֙ (sisera) = Sisera | בְּיָדֶ֔ךָ (beyadekha) = in je hand | הֲלֹ֥א (halo) = is niet | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יָצָ֣א (yatsa) = uitgegaan | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je | וַיֵּ֤רֶד (vayered) = en daalde af | בָּרָק֙ (baraq) = Barak | מֵהַ֣ר (mehar) = van de berg | תָּב֔וֹר (tavor) = Tabor | וַעֲשֶׂ֧רֶת (vaaseret) = en tien | אֲלָפִ֛ים (alafim) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | אַחֲרָֽיו (acharav) = achter hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tabor: De Tabor is een berg in het zuiden van Galilea, ten oosten van Nazaret. Voetnoot Uitleg: De vraag ‘Is Yahweh niet voor je uit gegaan?’ betekent: Yahweh strijdt voor jullie. Zie ook Deut. 1:30. Zie ook: Deut 1:30; Deut 9:3; 1 Sam 9:26; 2 Sam 5:24; Ps 68:8–9; Jes 52:12 **4:15** Yahweh bracht Sisera, alle strijdwagens en het hele kamp in verwarring, met de scherpte van het zwaard, voor Barak uit. Sisera sprong van zijn wagen en vluchtte te voet. Brontekst: וַיָּ֣הָם (vayaham) = en bracht in verwarring | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | סִֽיסְרָ֨א (sisera) = Sisera | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָרֶ֧כֶב (harekhev) = de strijdwagens | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַֽמַּחֲנֶ֛ה (hamachane) = het kamp | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֖רֶב (cherev) = het zwaard | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | בָרָ֑ק (baraq) = Barak | וַיֵּ֧רֶד (vayered) = en sprong | סִֽיסְרָ֛א (sisera) = Sisera | מֵעַ֥ל (meal) = van op | הַמֶּרְכָּבָ֖ה (hamerkava) = de wagen | וַיָּ֥נָס (vayanas) = en vluchtte | בְּרַגְלָֽיו (beraglav) = te voet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָמַם (hamam), ‘in verwarring brengen’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 14:24, bij de Egyptenaren aan de Rietzee. Yahweh zelf brengt de vijand in paniek; Barak voert het uit. Zie ook: Ex 14:24; Joz 10:10; Re 5:20–21; Ps 83:10–11; 2 Kon 7:6; Heb 11:32 **4:16** Barak achtervolgde de strijdwagens en het kamp tot Charosjet-Hagojim. Het hele kamp van Sisera viel door de scherpte van het zwaard. Er bleef niet één over. Brontekst: וּבָרָ֗ק (uvaraq) = en Barak | רָדַ֞ף (radaf) = achtervolgde | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | הָרֶ֨כֶב֙ (harekhev) = de strijdwagens | וְאַחֲרֵ֣י (veacharei) = en achter | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | עַ֖ד (ad) = tot | חֲרֹ֣שֶׁת (charoshet) = Charosjet | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = Hagojim | וַיִּפֹּ֞ל (vayipol) = en viel | כָּל (kal) = heel | מַחֲנֵ֤ה (machane) = het kamp van | סִֽיסְרָא֙ (sisera) = Sisera | לְפִי (lefi) = door de scherpte van | חֶ֔רֶב (cherev) = het zwaard | לֹ֥א (lo) = niet | נִשְׁאַ֖ר (nishar) = bleef over | עַד (ad) = zelfs | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Charosjet-Hagojim (ligging onzeker): Charosjet-Hagojim lag bij de beek Kison, in het noorden. De precieze plaats is niet bekend. Zie ook: Lev 26:7–8; Joz 10:19–20; Ps 104:35; Jak 2:13; Rom 2:12 ### Sisera en Jaël **4:17** Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet. Want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en het huis van Heber, de Keniet. Brontekst: וְסִֽיסְרָא֙ (vesisera) = en Sisera | נָ֣ס (nas) = vluchtte | בְּרַגְלָ֔יו (beraglav) = te voet | אֶל (el) = naar | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | יָעֵ֔ל (yael) = Jaël | אֵ֖שֶּׁת (eshet) = vrouw van | חֶ֣בֶר (chever) = Heber | הַקֵּינִ֑י (haqeini) = de Keniet | כִּ֣י (ki) = want | שָׁל֗וֹם (shalom) = vrede | בֵּ֚ין (bein) = tussen | יָבִ֣ין (yavin) = Jabin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | חָצ֔וֹר (chatsor) = Hazor | וּבֵ֕ין (uvein) = en tussen | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | חֶ֥בֶר (chever) = Heber | הַקֵּינִֽי (haqeini) = de Keniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Voetnoot Uitleg: De Kenieten waren vreedzaam met Jabin, daarom vertrouwt Sisera Jaël. Zie ook vers 11. Zie ook: Job 12:19–21; Re 4:11; Ps 37:35–36; Ps 69:23; Spr 29:23; Jes 57:21 **4:18** Jaël ging Sisera tegemoet. Zij zei tegen hem: „Kom binnen, mijn heer, kom binnen bij mij. Wees niet bang.” Hij kwam bij haar in de tent. Zij bedekte hem met een deken. Brontekst: וַתֵּצֵ֣א (vatetse) = en ging uit | יָעֵל֮ (yael) = Jaël | לִקְרַ֣את (liqrat) = tegemoet | סִֽיסְרָא֒ (sisera) = Sisera | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | סוּרָ֧ה (sura) = kom binnen | אֲדֹנִ֛י (adoni) = mijn heer | סוּרָ֥ה (sura) = kom binnen | אֵלַ֖י (elay) = naar mij | אַל (al) = niet | תִּירָ֑א (tira) = wees bang | וַיָּ֤סַר (vayasar) = en hij kwam binnen | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = naar haar | הָאֹ֔הֱלָה (haohela) = naar de tent | וַתְּכַסֵּ֖הוּ (vatekhasehu) = en zij bedekte hem | בַּשְּׂמִיכָֽה (basemikha) = met een deken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂמִיכָה (semikhah), ‘deken’: het woord komt alleen hier voor. Het is een bedekking, waarschijnlijk een deken of mat. Voetnoot : אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: Jaël spreekt Sisera beleefd aan. Zie ook: 2 Kon 6:19 **4:19** Hij zei tegen haar: „Geef mij toch een beetje water te drinken, want ik heb dorst.” Zij maakte de melkzak open, gaf hem te drinken en bedekte hem. Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֛יהָ (eleiha) = tot haar | הַשְׁקִינִי (hashqini) = geef te drinken | נָ֥א (na) = toch | מְעַט (meat) = een beetje | מַ֖יִם (mayim) = water | כִּ֣י (ki) = want | צָמֵ֑אתִי (tsameti) = ik heb dorst | וַתִּפְתַּ֞ח (vatiftach) = en zij opende | אֶת (et) = (obj.) | נֹ֧אוד (novd) = de zak van | הֶחָלָ֛ב (hechalav) = de melk | וַתַּשְׁקֵ֖הוּ (vatashqehu) = en gaf hem te drinken | וַתְּכַסֵּֽהוּ (vatekhasehu) = en bedekte hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹאד הֶחָלָב (no’d hechalav), ‘zak van de melk’: een leren zak met melk. Zie ook: Gen 24:43; Re 5:25–26; 1 Kon 17:10; Jes 41:17; Joh 4:7 **4:20** Hij zei tegen haar: „Ga in de ingang van de tent staan. Als er iemand komt en jou vraagt: ‘Is hier iemand?’, dan zeg je: ‘Nee.’” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = tot haar | עֲמֹ֖ד (amod) = sta | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | הָאֹ֑הֶל (haohel) = de tent | וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | אִ֨ישׁ (ish) = iemand | יָב֜וֹא (yavo) = komt | וּשְׁאֵלֵ֗ךְ (usheelekh) = en jou vraagt | וְאָמַ֛ר (veamar) = en zegt | הֲיֵֽשׁ (hayesh) = is er | פֹּ֥ה (po) = hier | אִ֖ישׁ (ish) = iemand | וְאָמַ֥רְתְּ (veamart) = en je zult zeggen | אָֽיִן (ayin) = nee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 2:3–5; 2 Sam 17:20 **4:21** Jaël, de vrouw van Heber, nam een tentpin en pakte de hamer in haar hand. Zij kwam zachtjes bij hem. Zij dreef de pin in zijn slaap. Die drong in de grond. Hij lag diep te slapen en was uitgeput. Hij stierf. Brontekst: וַתִּקַּ֣ח (vatiqach) = en nam | יָעֵ֣ל (yael) = Jaël | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | חֶ֠בֶר (chever) = Heber | אֶת (et) = (obj.) | יְתַ֨ד (yetad) = de pin van | הָאֹ֜הֶל (haohel) = de tent | וַתָּ֧שֶׂם (vatasem) = en zij legde | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּקֶּ֣בֶת (hamaqevet) = de hamer | בְּיָדָ֗הּ (beyadah) = in haar hand | וַתָּב֤וֹא (vatavo) = en zij kwam | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | בַּלָּ֔אט (balat) = zachtjes | וַתִּתְקַ֤ע (vatitqa) = en zij dreef | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּתֵד֙ (hayated) = de pin | בְּרַקָּת֔וֹ (beraqato) = in zijn slaap | וַתִּצְנַ֖ח (vatitsnach) = en drong door | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in de grond | וְהֽוּא (vehu) = en hij | נִרְדָּ֥ם (nirdam) = sliep diep | וַיָּ֖עַף (vayaaf) = en was uitgeput | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt: ‘en zij sloeg de pin in zijn slaap en zij drong in de grond’. Het onderwerp van ‘drong in de grond’ is niet zeker; het kan de pin zijn of Sisera. Wij lezen: de pin ging door tot in de grond. Zie ook: Re 3:21; Re 3:31; Re 5:26–27; Ps 3:8; 1 Kor 1:27 **4:22** En zie: Barak achtervolgde Sisera. Jaël ging hem tegemoet en zei tegen hem: „Kom, ik laat je de man zien die je zoekt.” Hij ging naar haar toe. En zie: Sisera lag dood neergevallen, met de pin in zijn slaap. Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | בָרָק֮ (baraq) = Barak | רֹדֵ֣ף (rodef) = achtervolgde | אֶת (et) = (obj.) | סִֽיסְרָא֒ (sisera) = Sisera | וַתֵּצֵ֤א (vatetse) = en ging uit | יָעֵל֙ (yael) = Jaël | לִקְרָאת֔וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | ל֔וֹ (lo) = tot hem | לֵ֣ךְ (lekh) = kom | וְאַרְאֶ֔ךָּ (veareka) = en ik zal je laten zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | אַתָּ֣ה (ata) = jij | מְבַקֵּ֑שׁ (mevaqesh) = zoekt | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en hij kwam | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = naar haar | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | סִֽיסְרָא֙ (sisera) = Sisera | נֹפֵ֣ל (nofel) = gevallen | מֵ֔ת (met) = dood | וְהַיָּתֵ֖ד (vehayated) = en de pin | בְּרַקָּתֽוֹ (beraqato) = in zijn slaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook vers 9: Yahweh heeft Sisera in de hand van een vrouw verkocht. Zie ook: Re 4:9; 2 Sam 17:3; 2 Sam 17:10–15 ### Elohim vernedert Jabin **4:23** Op die dag vernederde Elohim Jabin, de koning van Kanaän, voor de zonen van Israël. Brontekst: וַיַּכְנַ֤ע (vayakhna) = en vernederde | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יָבִ֣ין (yavin) = Jabin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: כָּנַע (kana’), ‘vernederen’: Elohim brengt Jabin tot een val. Zie ook: Ps 18:40; Ps 18:48; Neh 9:24; 1 Kor 15:28; Heb 11:33 **4:24** De hand van de zonen van Israël werd steeds harder tegen Jabin, de koning van Kanaän, totdat zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid. Brontekst: וַתֵּ֜לֶךְ (vatelekh) = en ging | יַ֤ד (yad) = hand van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | הָל֣וֹךְ (halokh) = gaande | וְקָשָׁ֔ה (veqasha) = en hard | עַ֖ל (al) = tegen | יָבִ֣ין (yavin) = Jabin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | עַ֚ד (ad) = totdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הִכְרִ֔יתוּ (hikhritu) = zij uitroeiden | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יָבִ֥ין (yavin) = Jabin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: כָּרַת (karat), ‘afsnijden’: wij vertalen ‘uitroeien’. Zie ook: 1 Sam 3:12 ## Richteren 5 _Het lied van Debora en Barak_ ### Het lied van Debora en Barak **5:1** Op die dag zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied: Brontekst: וַתָּ֣שַׁר (vatashar) = en zong | דְּבוֹרָ֔ה (devora) = Debora | וּבָרָ֖ק (uvaraq) = en Barak | בֶּן (ben) = zoon van | אֲבִינֹ֑עַם (avinoam) = Abinoam | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op dag | הַה֖וּא (hahu) = die | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁיר (shir), ‘lied’: Debora en Barak zingen na de overwinning van Richt. 4. Het lied is poëzie met korte, dichte regels. Wij vertalen in heldere zinnen en zetten het lied niet tussen aanhalingstekens; aanhalingen binnen het lied staan tussen „ ”. Voetnoot Lezing: Het lied is een van de oudste en moeilijkste teksten van het Oude Testament. Waar het Hebreeuws onzeker is, zeggen wij dat in de voetnoot. De woord-voor-woordweergave laat zien wat er letterlijk staat. Zie ook: Ex 15:1; Ps 18:2; Jes 12:1–6; Openb 15:3–4; Openb 19:1–3 ### Lofprijs voor Yahweh **5:2** Omdat in Israël de leiders het voortouw namen, omdat het volk zich vrijwillig aanbood: prijs Yahweh! Brontekst: בִּפְרֹ֤עַ (bifroa) = bij het leiden | פְּרָעוֹת֙ (peraot) = leiders | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | בְּהִתְנַדֵּ֖ב (behitnadev) = bij het zich vrijwillig aanbieden | עָ֑ם (am) = het volk | בָּרֲכ֖וּ (barakhu) = prijst | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּרֹעַ פְּרָעוֹת (pero pera’ot), ‘het voortouw nemen’: letterlijk ‘het losmaken van haren’. Dat kan zijn: leiders laten hun haar los, als teken van wijding voor de strijd, of: leiders gaan voorop. Wij kiezen ‘het voortouw nemen’. Voetnoot : הִתְנַדֵּב (hitnadev), ‘zich vrijwillig aanbieden’: het volk deed mee uit eigen wil. Zie ook: Re 5:9; Ps 110:3; Ps 136:19–20; 2 Kron 17:16; Fil 2:13 **5:3** Hoor, koningen! Luister, vorsten! Ik, ja ik zal voor Yahweh zingen. Ik zal voor Yahweh spelen, de Elohim van Israël. Brontekst: שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoort | מְלָכִ֔ים (melakhim) = koningen | הַאֲזִ֖ינוּ (haazinu) = luistert | רֹֽזְנִ֑ים (rozenim) = vorsten | אָֽנֹכִ֗י (anokhi) = ik | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | אָשִׁ֔ירָה (ashira) = zal zingen | אֲזַמֵּ֕ר (azamer) = zal spelen | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 2:10–12; Ps 49:2–3; Ps 119:46; Ps 138:4–5; Ezra 7:21 ### Yahweh komt van Seïr en Sinaï **5:4** Yahweh, toen U uit Seïr uittrok, toen U voortschreed uit het veld van Edom, beefde de aarde. Ook de hemel droop. Ook de wolken lieten water druipen. Brontekst: יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּצֵאתְךָ֤ (betsetkha) = bij Uw uittocht | מִשֵּׂעִיר֙ (miseir) = uit Seïr | בְּצַעְדְּךָ֙ (betsadekha) = bij Uw schrijden | מִשְּׂדֵ֣ה (misede) = uit het veld van | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | אֶ֣רֶץ (erets) = de aarde | רָעָ֔שָׁה (raasha) = beefde | גַּם (gam) = ook | שָׁמַ֖יִם (shamayim) = de hemel | נָטָ֑פוּ (natafu) = droop | גַּם (gam) = ook | עָבִ֖ים (avim) = wolken | נָ֥טְפוּ (natefu) = druipten | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Seïr is het bergland ten oosten van de Araba, het gebied van Edom (Jordanië). Het veld van Edom ligt in hetzelfde gebied. Voetnoot Uitleg: Yahweh komt hier uit het zuiden, zoals ook in Deut. 33:2 en Hab. 3:3. De hemel en de aarde reageren op Zijn komst. Vergelijk Ps. 68:8–9. Zie ook: Deut 33:2; 2 Sam 22:8; Ps 18:8–16; Ps 68:8–9; Ps 77:18; Hab 3:3 **5:5** De bergen stroomden weg voor het aangezicht van Yahweh, die van Sinaï, voor het aangezicht van Yahweh, de Elohim van Israël. Brontekst: הָרִ֥ים (harim) = bergen | נָזְל֖וּ (nazelu) = stroomden weg | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | זֶ֣ה (ze) = die van | סִינַ֔י (sinay) = Sinaï | מִפְּנֵ֕י (mipenei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sinaï is de berg waar Yahweh Zijn verbond sloot (Exod. 19–20). De traditionele berg is de Jebel Musa op het zuiden van het Sinaïschiereiland (Egypte); zeker is dat niet. Voetnoot Uitleg: נָזְלוּ (nazelu), ‘stroomden weg’: letterlijk ‘vloeiden’. Dat kan ook ‘beefden’ of ‘smolten’ betekenen. Vergelijk Ps. 68:9. Voetnoot : זֶה סִינַי (ze Sinai), ‘die van Sinaï’: letterlijk ‘deze Sinaï’. Het kan ook een bijnaam zijn van Yahweh: ‘Hij van Sinaï’. Zie ook: Ex 19:18; Ps 68:9; Ps 97:5; Jes 63:19–64:2; Nah 1:5; Hab 3:10 ### Israël in nood **5:6** In de dagen van Samgar, de zoon van Anat, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op. Wie over de paden reisde, ging over kronkelende omwegen. Brontekst: בִּימֵ֞י (bimei) = in de dagen van | שַׁמְגַּ֤ר (shamgar) = Samgar | בֶּן (ben) = zoon van | עֲנָת֙ (anat) = Anat | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | יָעֵ֔ל (yael) = Jaël | חָדְל֖וּ (chadelu) = hielden op | אֳרָח֑וֹת (orachot) = wegen | וְהֹלְכֵ֣י (veholekhei) = en reizigers van | נְתִיב֔וֹת (netivot) = paden | יֵלְכ֕וּ (yelekhu) = gingen | אֳרָח֖וֹת (orachot) = wegen | עֲקַלְקַלּֽוֹת (aqalqalot) = kronkelende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁמְגַּר (Shamgar) is de rechter die 600 Filistijnen versloeg (Richt. 3:31). Jaël is de vrouw die Sisera doodde (Richt. 4:17–22; zie ook vers 24). Anat is ook de naam van een godin, maar hier is het de naam van Samgars vader. Voetnoot Lezing: Wij lezen de wegen als de grote handelswegen waarop niemand meer durfde te reizen. Daarom gingen reizigers over kronkelende paden. Zie ook: Lev 26:22; Re 3:31; Re 4:17–18; Re 5:24; Jes 33:8; Klaagl 1:4 **5:7** De dorpsbewoners hielden op, in Israël hielden zij op, totdat ik opstond, Debora, totdat ik opstond, een moeder in Israël. Brontekst: חָדְל֧וּ (chadelu) = hielden op | פְרָז֛וֹן (perazon) = dorpsbewoners | בְּיִשְׂרָאֵ֖ל (beyisrael) = in Israël | חָדֵ֑לּוּ (chadelu) = hielden op | עַ֤ד (ad) = totdat | שַׁקַּ֨מְתִּי֙ (shaqamti) = ik opstond | דְּבוֹרָ֔ה (devora) = Debora | שַׁקַּ֥מְתִּי (shaqamti) = ik opstond | אֵ֖ם (em) = moeder | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּרָזוֹן (pirzon), ‘dorpsbewoners’: het woord komt weinig voor en de betekenis is niet zeker. Het kan gaan om mensen in open dorpen, zonder muren, of om ‘bestuur’ of ‘heerschappij’. Wij kiezen ‘dorpsbewoners’. Zie ook vers 11. Voetnoot : Debora noemt zichzelf ‘een moeder in Israël’: iemand die het volk beschermt en leidt. Zie ook: Re 4:4–6; Re 5:11; 2 Sam 20:19; Jes 49:23; Est 9:19; Rom 16:13 **5:8** Men koos nieuwe goden. Toen was er oorlog in de poorten. Was er een schild of een speer te zien onder de 40.000 in Israël? Brontekst: יִבְחַר֙ (yivchar) = men koos | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | חֲדָשִׁ֔ים (chadashim) = nieuwe | אָ֖ז (az) = toen | לָחֶ֣ם (lachem) = oorlog | שְׁעָרִ֑ים (shearim) = poorten | מָגֵ֤ן (magen) = schild | אִם (im) = of | יֵֽרָאֶה֙ (yerae) = wordt gezien | וָרֹ֔מַח (varomach) = en speer | בְּאַרְבָּעִ֥ים (bearbaim) = onder 40 | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘men koos nieuwe elohim’. Hier zijn het goden. Het gaat om de afgoden die Israël volgde (Richt. 2:11–13; 3:7). Het onderwerp van ‘koos’ staat niet in de tekst. Voetnoot Lezing: לָחֶם (lachem) lezen wij als ‘oorlog’ (vergelijk het werkwoord ‘strijden’). De klinkers kunnen ook ‘brood’ geven: ‘brood in de poorten’. Wij kiezen ‘oorlog’, omdat dat bij het schild en de speer past. Het getal 40.000 is vermoedelijk een groot rond getal. Zie ook: Deut 32:16–17; Re 2:11–13; Re 2:12; Re 2:17; Re 3:7; Re 4:3; 1 Sam 13:19–22 ### Dank aan hen die zich aanboden **5:9** Mijn hart is bij de bevelhebbers van Israël, bij hen die zich vrijwillig aanboden onder het volk. Prijs Yahweh! Brontekst: לִבִּי֙ (libi) = mijn hart | לְחוֹקְקֵ֣י (lechoqeqei) = bij de bevelhebbers van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַמִּֽתְנַדְּבִ֖ים (hamitnadevim) = die zich vrijwillig aanboden | בָּעָ֑ם (baam) = onder het volk | בָּרֲכ֖וּ (barakhu) = prijst | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוֹקְקִים (choqeqim), ‘bevelhebbers’: letterlijk ‘wie een staf of een besluit vastlegt’. Hetzelfde woord staat in vers 14. Het kan ook ‘wetgevers’ of ‘aanvoerders’ betekenen. Zie ook: Re 5:2; Re 5:14; 1 Kron 29:9; 2 Kor 8:3–4; 2 Kor 8:17; 2 Kor 9:5 **5:10** Jullie die op lichte ezelinnen rijden, jullie die op kleden zitten en jullie die over de weg gaan: spreek erover! Brontekst: רֹכְבֵי֩ (rokhevei) = rijders van | אֲתֹנ֨וֹת (atonot) = ezelinnen | צְחֹר֜וֹת (tsechorot) = lichte | יֹשְׁבֵ֧י (yoshevei) = zittenden op | עַל (al) = op | מִדִּ֛ין (midin) = kleden | וְהֹלְכֵ֥י (veholekhei) = en gaande op | עַל (al) = op | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = weg | שִֽׂיחוּ (sichu) = spreekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְחֹרוֹת (tsechorot), ‘lichte’: de kleur is niet zeker. Het kan wit, rossig of lichtbruin zijn. Het zijn dure rijdieren van rijke mensen. Voetnoot : מִדִּין (middin), ‘kleden’: dit kan ‘zadeldekens’ of ‘kleden om op te zitten’ zijn. Sommigen lezen het als ‘rechtbank’ (‘die rechtspreken’). De zin richt zich tot alle lagen van het volk: rijken, rechters en gewone reizigers. Voetnoot : שִׂיחוּ (sichu), ‘spreek erover’: ook ‘denk erover na’ of ‘zing erover’. Zie ook: Re 10:4; Re 12:14; Ps 105:2; Ps 145:11; Jes 28:6 **5:11** Weg van het geluid van de boogschutters, bij de plaatsen waar men water put, daar herhalen zij de daden van gerechtigheid van Yahweh. Het zijn de daden van gerechtigheid voor Zijn dorpsbewoners in Israël. Toen daalde het volk van Yahweh af naar de poorten. Brontekst: מִקּ֣וֹל (miqol) = van geluid van | מְחַֽצְצִ֗ים (mechatstsim) = boogschutters | בֵּ֚ין (bein) = tussen | מַשְׁאַבִּ֔ים (mashabim) = drinkplaatsen | שָׁ֤ם (sham) = daar | יְתַנּוּ֙ (yetanu) = zij herhalen | צִדְק֣וֹת (tsidqot) = daden van gerechtigheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | צִדְקֹ֥ת (tsidqot) = daden van gerechtigheid van | פִּרְזֹנ֖וֹ (pirzono) = Zijn dorpsbewoners | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | אָ֛ז (az) = toen | יָרְד֥וּ (yaredu) = daalden af | לַשְּׁעָרִ֖ים (lashearim) = naar de poorten | עַם (am) = volk van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְחַצְצִים (mechatsetsim), ‘boogschutters’: de betekenis is niet zeker. Het woord kan ook ‘wie de buit verdeelt’ of ‘muzikanten’ betekenen. Wij kiezen ‘boogschutters’. Voetnoot : צִדְקוֹת (tsidqot), ‘daden van gerechtigheid’: de reddende daden van Yahweh. Zie ook 1 Sam. 12:7 en Micha 6:5. Voetnoot : De ‘poorten’ zijn de stadspoorten, de plaats waar het volk bijeenkomt en recht spreekt. Zie ook: Deut 22:24; Re 5:8; 1 Sam 12:7; Mi 6:5; Jer 7:2 ### Oproep tot de strijd **5:12** Word wakker, word wakker, Debora! Word wakker, word wakker, spreek een lied! Sta op, Barak, en voer je gevangenen weg, zoon van Abinoam! Brontekst: עוּרִ֤י (uri) = word wakker | עוּרִי֙ (uri) = word wakker | דְּבוֹרָ֔ה (devora) = Debora | ע֥וּרִי (uri) = word wakker | ע֖וּרִי (uri) = word wakker | דַּבְּרִי (daberi) = spreek | שִׁ֑יר (shir) = lied | ק֥וּם (qum) = sta op | בָּרָ֛ק (baraq) = Barak | וּֽשֲׁבֵ֥ה (ushave) = en voer weg | שֶׁבְיְךָ֖ (shevyekha) = je gevangenen | בֶּן (ben) = zoon van | אֲבִינֹֽעַם (avinoam) = Abinoam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 57:9; Ps 68:19; Ef 4:8; Ef 5:14; 2 Tim 2:26 **5:13** Toen kwam een rest af naar de edelen. Het volk van Yahweh kwam voor mij af, onder de helden. Brontekst: אָ֚ז (az) = toen | יְרַ֣ד (yerad) = daalde af | שָׂרִ֔יד (sarid) = rest | לְאַדִּירִ֖ים (leadirim) = naar de edelen | עָ֑ם (am) = volk van | יְהוָ֕ה (Yahweh) = Yahweh | יְרַד (yerad) = daalde af | לִ֖י (li) = voor mij | בַּגִּבּוֹרִֽים (bagiborim) = onder de helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De tekst van dit vers is moeilijk. Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Toen daalde een rest af naar de edelen; het volk van Yahweh daalde voor mij af onder de helden.’ De klinkers kunnen ook anders worden gelezen, zodat er staat: ‘Toen kwam de rest van de edelen en van het volk af’. Wij houden de klinkers van de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 75:8; Jes 41:15–16; Dan 7:18–27; Rom 8:37; Openb 2:26–27 ### De stammen die kwamen **5:14** Uit Efraïm kwamen zij die hun wortel in Amalek hebben. Achter jou aan kwam Benjamin met je volken. Uit Machir kwamen de bevelhebbers af. Uit Zebulon kwamen zij die de staf van de schrijver dragen. Brontekst: מִנִּ֣י (mini) = uit | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | שָׁרְשָׁם֙ (sharesham) = hun wortel | בַּעֲמָלֵ֔ק (baamaleq) = in Amalek | אַחֲרֶ֥יךָ (achareikha) = achter jou | בִנְיָמִ֖ין (binyamin) = Benjamin | בַּֽעֲמָמֶ֑יךָ (baamameikha) = met je volken | מִנִּ֣י (mini) = uit | מָכִ֗יר (makhir) = Machir | יָֽרְדוּ֙ (yaredu) = daalden af | מְחֹ֣קְקִ֔ים (mechoqeqim) = bevelhebbers | וּמִ֨זְּבוּלֻ֔ן (umizevulun) = en uit Zebulon | מֹשְׁכִ֖ים (moshekhim) = die dragen | בְּשֵׁ֥בֶט (beshevet) = staf van | סֹפֵֽר (sofer) = schrijver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘Uit Efraïm hun wortel in Amalek’. Dat kan betekenen dat Efraïm zich vestigde in een gebied waar vroeger Amalekieten woonden (Richt. 12:15), of dat Amalek de plaats van de strijd was. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : מָכִיר (Machir) is de zoon van Manasse (Num. 26:29). Hier staat Machir voor de stam Manasse ten westen van de Jordaan. Voetnoot : שֵׁבֶט סֹפֵר (shevet sofer), ‘staf van de schrijver’: de mannen van Zebulon die het volk telden en indeelden. Het kan ook ‘staf van de legerschrijver’ zijn. Zie ook: Num 26:29; Num 32:39–40; Re 3:13; Re 3:27; Re 4:10; Re 12:15 **5:15** De vorsten in Issachar waren met Debora. Issachar was net als Barak: de vallei in werd hij gestuurd, op zijn voeten. Bij de beken van Ruben waren grote besluiten van het hart. Brontekst: וְשָׂרַ֤י (vesaray) = en vorsten | בְּיִשָּׂשכָר֙ (beyisashkhar) = in Issachar | עִם (im) = met | דְּבֹרָ֔ה (devora) = Debora | וְיִשָּׂשכָר֙ (veyisashkhar) = en Issachar | כֵּ֣ן (ken) = zo | בָּרָ֔ק (baraq) = Barak | בָּעֵ֖מֶק (baemeq) = in de vallei | שֻׁלַּ֣ח (shulach) = gezonden | בְּרַגְלָ֑יו (beraglav) = op zijn voeten | בִּפְלַגּ֣וֹת (biflagot) = bij de beken van | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | גְּדֹלִ֖ים (gedolim) = grote | חִקְקֵי (chiqqei) = besluiten van | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּלַגּוֹת (pelaggot), ‘beken’: kanalen of stromen. Het kan ook ‘afdelingen’ van Ruben betekenen. Wij kiezen ‘beken’ vanwege de verwijzing naar de schaapskooien in vers 16. Voetnoot Lezing: De zin ‘Issachar was net als Barak’ lezen wij als: Issachar volgde Barak zonder aarzelen de vallei in. Het Hebreeuws gebruikt hier het kleine woordje ‘zo’ (כֵּן, ken). De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Re 4:10; Re 4:14; Re 5:16; Hand 15:39; Hand 20:13; 2 Kor 11:2 ### De stammen die bleven **5:16** Waarom bleef je zitten tussen de schaapskooien, om het gefluit bij de kudden te horen? Bij de beken van Ruben waren grote overpeinzingen van het hart. Brontekst: לָ֣מָּה (lama) = waarom | יָשַׁ֗בְתָּ (yashavta) = bleef je zitten | בֵּ֚ין (bein) = tussen | הַֽמִּשְׁפְּתַ֔יִם (hamishpetayim) = de schaapskooien | לִשְׁמֹ֖עַ (lishmoa) = om te horen | שְׁרִק֣וֹת (sheriqot) = gefluit van | עֲדָרִ֑ים (adarim) = kudden | לִפְלַגּ֣וֹת (liflagot) = bij de beken van | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | גְּדוֹלִ֖ים (gedolim) = grote | חִקְרֵי (chiqrei) = overpeinzingen van | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפְּתַיִם (mishpetayim), ‘schaapskooien’: het woord komt ook voor in Gen. 49:14. Het kan ook ‘zadeltassen’ of ‘vuurplaatsen’ betekenen; wij kiezen ‘schaapskooien’. Voetnoot : In vers 15 staat ‘grote besluiten’ (חִקְקֵי, chiqqei), en hier ‘grote overpeinzingen’ (חִקְרֵי, chiqrei). Ruben nam wel grote besluiten, maar bleef daarna bij zijn kudden. Zie ook: Gen 49:14; Num 32:1–5; Num 32:24; Re 5:15; Ps 77:7; Klaagl 3:40–41 **5:17** Gilead bleef aan de overkant van de Jordaan. En Dan, waarom bleef hij bij de schepen? Aser zat aan de kust van de zeeën. Hij bleef bij zijn baaien. Brontekst: גִּלְעָ֗ד (gilad) = Gilead | בְּעֵ֤בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | שָׁכֵ֔ן (shakhen) = bleef | וְדָ֕ן (vedan) = en Dan | לָ֥מָּה (lama) = waarom | יָג֖וּר (yagur) = verblijft hij | אֳנִיּ֑וֹת (oniyot) = schepen | אָשֵׁ֗ר (asher) = Aser | יָשַׁב֙ (yashav) = zat | לְח֣וֹף (lechof) = aan de kust van | יַמִּ֔ים (yamim) = zeeën | וְעַ֥ל (veal) = en bij | מִפְרָצָ֖יו (mifratsav) = zijn baaien | יִשְׁכּֽוֹן (yishkon) = blijft hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië. Dan woonde in het noorden van Israël, maar in de tijd van de rechters woonde de stam nog aan de kust (Richt. 18:1). Aser woonde langs de kust van de Middellandse Zee, in het noorden van Israël. Voetnoot Uitleg: Gilead staat hier voor Gad, de stam die daar woonde (Joz. 13:24–28). Zie ook: Joz 13:24–28; Joz 13:25; Joz 13:31; Joz 19:24–31; Re 18:1 **5:18** Zebulon was een volk dat zijn leven waagde, tot de dood toe. Ook Naftali, op de hoogten van het veld. Brontekst: זְבֻל֗וּן (zevulun) = Zebulon | עַ֣ם (am) = volk | חֵרֵ֥ף (cheref) = dat waagde | נַפְשׁ֛וֹ (nafsho) = zijn leven | לָמ֖וּת (lamut) = te sterven | וְנַפְתָּלִ֑י (venaftali) = en Naftali | עַ֖ל (al) = op | מְרוֹמֵ֥י (meromei) = hoogten van | שָׂדֶֽה (sade) = veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zebulon en Naftali hadden samen met Barak het leger gevormd (Richt. 4:6, 10). Zij zetten hun leven op het spel. Zie ook: Re 4:6; Re 4:10; Est 4:16; Hand 20:24; Openb 12:11 ### De strijd bij Megiddo **5:19** Koningen kwamen, zij streden. Toen streden de koningen van Kanaän bij Taänak, aan de wateren van Megiddo. Winst van zilver namen zij niet. Brontekst: בָּ֤אוּ (bau) = kwamen | מְלָכִים֙ (melakhim) = koningen | נִלְחָ֔מוּ (nilchamu) = zij streden | אָ֤ז (az) = toen | נִלְחֲמוּ֙ (nilchamu) = streden | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | כְנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | בְּתַעְנַ֖ךְ (betanakh) = bij Taänak | עַל (al) = aan | מֵ֣י (mei) = wateren van | מְגִדּ֑וֹ (megido) = Megiddo | בֶּ֥צַע (betsa) = winst van | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | לֹ֥א (lo) = niet | לָקָֽחוּ (laqachu) = namen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Taänak ligt bij Tell Ta’annek, aan de zuidrand van de Jizreëlvlakte, in het noorden van Israël. Megiddo ligt bij Tell el-Mutesellim, ongeveer 8 kilometer verder naar het noordwesten. Beide plaatsen zijn zeker. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: בֶּצַע כֶּסֶף (betsa kesef), ‘winst van zilver’: de koningen kregen geen losgeld en geen buit. Zie ook: Re 1:27; Re 5:30; Ps 44:13; Ps 118:8–12; 1 Kon 4:12 **5:20** Vanuit de hemel streden de sterren. Vanuit hun banen streden zij met Sisera. Brontekst: מִן (min) = uit | שָׁמַ֖יִם (shamayim) = hemel | נִלְחָ֑מוּ (nilchamu) = streden | הַכּֽוֹכָבִים֙ (hakokhavim) = de sterren | מִמְּסִלּוֹתָ֔ם (mimesilotam) = uit hun banen | נִלְחֲמ֖וּ (nilchamu) = streden | עִם (im) = met | סִיסְרָֽא (sisera) = Sisera Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De sterren streden’: Yahweh gebruikte de hemelse machten in de strijd tegen Sisera. Of dit een beeld is voor de regenbui die de beek deed zwellen (vers 21), laat het lied open. Vergelijk Joz. 10:12–14. Zie ook: Joz 10:11; Joz 10:12–14; Re 4:15; Re 5:21; 1 Sam 7:10; Ps 77:18–19 **5:21** De beek Kison spoelde hen weg, de beek van oudsher, de beek Kison. Mijn ziel, trek vooruit met kracht! Brontekst: נַ֤חַל (nachal) = beek | קִישׁוֹן֙ (qishon) = Kison | גְּרָפָ֔ם (gerafam) = spoelde hen weg | נַ֥חַל (nachal) = beek | קְדוּמִ֖ים (qedumim) = van oudsher | נַ֣חַל (nachal) = beek | קִישׁ֑וֹן (qishon) = Kison | תִּדְרְכִ֥י (tidrekhi) = trek vooruit | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | עֹֽז (oz) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Kison is de beek (Nahal Kishon) die door de Jizreëlvlakte naar de Middellandse Zee stroomt, bij het huidige Haifa (Israël). De beek zwol door de regen en maakte het slagveld voor de strijdwagens onbegaanbaar. Voetnoot Uitleg: קְדוּמִים (qedumim), ‘van oudsher’: het woord komt maar één keer voor. Het kan ook ‘beek die hen tegemoetkwam’ betekenen. Wij kiezen ‘van oudsher’. Voetnoot : תִּדְרְכִי (tidreki), ‘trek vooruit’: letterlijk ‘treed’ of ‘betreed’. Debora spoort haar eigen ziel aan. Zie ook: Gen 49:18; Re 4:7; Ps 44:6; Jes 25:10; Mi 7:10 **5:22** Toen hamerden de hoeven van de paarden, door het galopperen, het galopperen van zijn sterke paarden. Brontekst: אָ֥ז (az) = toen | הָלְמ֖וּ (halemu) = hamerden | עִקְּבֵי (iqevei) = hoeven van | ס֑וּס (sus) = paard | מִֽדַּהֲר֖וֹת (midaharot) = door galopperen | דַּהֲר֥וֹת (daharot) = galopperen | אַבִּירָֽיו (abirav) = zijn sterke paarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws herhaalt het woord ‘galopperen’ (דַּהֲרוֹת, daharot). Wij houden die herhaling zichtbaar. Zie ook: Ps 20:8; Ps 33:17; Ps 147:10–11; Jes 5:28; Mi 4:13 ### De vloek over Meroz **5:23** „Vervloek Meroz”, zei de engel van Yahweh, „vervloek, vervloek haar bewoners! Want zij kwamen niet Yahweh te hulp, Yahweh te hulp, onder de helden.” Brontekst: א֣וֹרוּ (oru) = vervloekt | מֵר֗וֹז (meroz) = Meroz | אָמַר֙ (amar) = zei | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֹ֥רוּ (oru) = vervloekt | אָר֖וֹר (aror) = vervloek | יֹשְׁבֶ֑יהָ (yosheveiha) = haar bewoners | כִּ֤י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | בָ֨אוּ֙ (bau) = kwamen | לְעֶזְרַ֣ת (leezrat) = tot hulp van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְעֶזְרַ֥ת (leezrat) = tot hulp van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּגִּבּוֹרִֽים (bagiborim) = onder de helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Meroz is een plaats waarvan wij de ligging niet kennen. Het lag vermoedelijk in de buurt van het slagveld, in het noorden van Israël. De naam komt verder nergens in de Bijbel voor. Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יְהוָה (mal’ak Yahweh), ‘engel van Yahweh’: hij spreekt de vloek uit. Wij zetten deze woorden niet rood, omdat de tekst hier niet laat zien dat de engel als Yahweh zelf spreekt. Vergelijk Richt. 2:1–3 en 6:11–24. Voetnoot : אָרַר (arar), ‘vervloeken’: de inwoners van Meroz waren verplicht mee te strijden. Zie ook: Re 2:1–3; Re 6:11; Re 21:9–10; Jer 48:10; Neh 3:5; 1 Kor 3:9; 1 Kor 16:22 ### Jaël en Sisera **5:24** Gezegend zij Jaël boven alle vrouwen, de vrouw van Heber, de Keniet. Gezegend zij boven alle vrouwen in de tent. Brontekst: תְּבֹרַךְ֙ (tevorakh) = gezegend zij | מִנָּשִׁ֔ים (minashim) = boven vrouwen | יָעֵ֕ל (yael) = Jaël | אֵ֖שֶׁת (eshet) = vrouw van | חֶ֣בֶר (chever) = Heber | הַקֵּינִ֑י (haqeini) = de Keniet | מִנָּשִׁ֥ים (minashim) = boven vrouwen | בָּאֹ֖הֶל (baohel) = in tent | תְּבֹרָֽךְ (tevorakh) = gezegend zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jaël was de vrouw van Heber, de Keniet (Richt. 4:17–21). De Kenieten leefden in vrede met koning Jabin van Hazor. Jaël koos de kant van Israël. Zij wordt gezegend ‘boven alle vrouwen in de tent’, dus boven alle vrouwen die in tenten wonen. Zie ook: Gen 14:19; Re 4:17; Spr 31:31; Luc 1:28; Luc 1:42 **5:25** Water vroeg hij. Melk gaf zij. In een schaal voor edelen bracht zij room. Brontekst: מַ֥יִם (mayim) = water | שָׁאַ֖ל (shaal) = vroeg hij | חָלָ֣ב (chalav) = melk | נָתָ֑נָה (natana) = gaf zij | בְּסֵ֥פֶל (besefel) = in schaal van | אַדִּירִ֖ים (adirim) = edelen | הִקְרִ֥יבָה (hiqriva) = bracht zij | חֶמְאָֽה (chema) = room Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶמְאָה (chem’ah), ‘room’: dikke, gestremde melk of boter. Zie ook Gen. 18:8. De schaal is die van een edele: Jaël ontving Sisera met eer. Vergelijk Richt. 4:19, waar zij hem melk geeft. Zie ook: Gen 18:8; Re 4:19–21 **5:26** Haar hand strekte zij uit naar de tentpin, haar rechterhand naar de hamer van de arbeiders. Zij sloeg Sisera. Zij verbrijzelde zijn hoofd. Zij sloeg zijn slaap stuk en doorboorde die. Brontekst: יָדָהּ֙ (yadah) = haar hand | לַיָּתֵ֣ד (layated) = naar de tentpin | תִּשְׁלַ֔חְנָה (tishlachna) = strekt zij uit | וִֽימִינָ֖הּ (viminah) = en haar rechterhand | לְהַלְמ֣וּת (lehalmut) = naar hamer van | עֲמֵלִ֑ים (amelim) = arbeiders | וְהָלְמָ֤ה (vehalema) = en zij sloeg | סִֽיסְרָא֙ (sisera) = Sisera | מָחֲקָ֣ה (machaqa) = zij verbrijzelde | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn hoofd | וּמָחֲצָ֥ה (umachatsa) = en zij sloeg stuk | וְחָלְפָ֖ה (vechalefa) = en doorboorde | רַקָּתֽוֹ (raqato) = zijn slaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָתֵד (yated), ‘tentpin’: zie Richt. 4:21. De hamer is die van een arbeider, een gewone werkman, geen wapen van een soldaat. Voetnoot : Het lied noemt vier handelingen: slaan, verbrijzelen, stuk slaan, doorboren. Het Hebreeuws gebruikt vier werkwoorden voor één daad, om de kracht te laten voelen. Zie ook: Re 4:21; 1 Sam 17:49–51; 2 Sam 20:22 **5:27** Tussen haar voeten zakte hij ineen, hij viel, hij lag daar. Tussen haar voeten zakte hij ineen, hij viel. Waar hij ineenzakte, daar viel hij, verwoest. Brontekst: בֵּ֣ין (bein) = tussen | רַגְלֶ֔יהָ (ragleiha) = haar voeten | כָּרַ֥ע (kara) = zakte ineen | נָפַ֖ל (nafal) = viel | שָׁכָ֑ב (shakhav) = lag | בֵּ֤ין (bein) = tussen | רַגְלֶ֨יהָ֙ (ragleiha) = haar voeten | כָּרַ֣ע (kara) = zakte ineen | נָפָ֔ל (nafal) = viel | בַּאֲשֶׁ֣ר (baasher) = waar | כָּרַ֔ע (kara) = zakte ineen | שָׁ֖ם (sham) = daar | נָפַ֥ל (nafal) = viel | שָׁדֽוּד (shadud) = verwoest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws herhaalt ‘tussen haar voeten’ en ‘zakte ineen, viel’. Elke herhaling brengt Sisera lager, tot hij ‘verwoest’ is: dood. Voetnoot : כָּרַע (kara), ‘ineenzakken’: letterlijk ‘knielen’. Hier zakt Sisera door zijn knieën, voor haar voeten. Zie ook: Ps 52:9; Mat 7:2; Jak 2:13 ### De moeder van Sisera wacht **5:28** Door het raam keek de moeder van Sisera uit. Zij riep door het traliewerk: „Waarom talmt zijn wagen met komen? Waarom vertragen de hoefslagen van zijn wagens?” Brontekst: בְּעַד֩ (bead) = door | הַחַלּ֨וֹן (hachalon) = het raam | נִשְׁקְפָ֧ה (nishqefa) = keek uit | וַתְּיַבֵּ֛ב (vateyabev) = en riep | אֵ֥ם (em) = moeder van | סִֽיסְרָ֖א (sisera) = Sisera | בְּעַ֣ד (bead) = door | הָֽאֶשְׁנָ֑ב (haeshnav) = het traliewerk | מַדּ֗וּעַ (madua) = waarom | בֹּשֵׁ֤שׁ (boshesh) = talmt | רִכְבּוֹ֙ (rikhbo) = zijn wagen | לָב֔וֹא (lavo) = om te komen | מַדּ֣וּעַ (madua) = waarom | אֶֽחֱר֔וּ (echeru) = vertragen | פַּעֲמֵ֖י (paamei) = hoefslagen van | מַרְכְּבוֹתָֽיו (markevotav) = zijn wagens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De moeder van Sisera wacht op zijn thuiskomst. Dit deel van het lied is een scène: wij horen eerst haar vraag, dan het antwoord van haar edelvrouwen en haar eigen antwoord aan zichzelf (vers 29–30). Voetnoot : בֹּשֵׁשׁ (boshesh), ‘talmen’: letterlijk ‘schaamte hebben’, dus ‘te laat zijn’. Vergelijk Exod. 32:1. Zie ook: Ex 32:1; Re 4:15; Re 5:29–30; Hoogl 2:9; Hoogl 8:14; Spr 7:6; Jak 5:7 **5:29** De wijsten van haar edelvrouwen antwoorden haar. Ook zijzelf geeft haar woorden aan zichzelf terug: Brontekst: חַכְמ֥וֹת (chakhmot) = wijzen van | שָׂרוֹתֶ֖יהָ (saroteiha) = haar edelvrouwen | תַּעֲנֶ֑ינָּה (taaneina) = antwoorden | אַף (af) = ook | הִ֕יא (hi) = zij | תָּשִׁ֥יב (tashiv) = geeft terug | אֲמָרֶ֖יהָ (amareiha) = haar woorden | לָֽהּ (lah) = aan haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:30** „Zijn zij niet bezig te vinden en de buit te verdelen? Een meisje, twee meisjes voor elke man. Buit van gekleurde stoffen voor Sisera, buit van gekleurde stoffen. Geborduurde stof, twee geborduurde doeken voor de nek, als buit.” Brontekst: הֲלֹ֨א (halo) = is het niet dat | יִמְצְא֜וּ (yimtseu) = zij vinden | יְחַלְּק֣וּ (yechalequ) = zij verdelen | שָׁלָ֗ל (shalal) = buit | רַ֤חַם (racham) = meisje | רַחֲמָתַ֨יִם֙ (rachamatayim) = twee meisjes | לְרֹ֣אשׁ (lerosh) = voor het hoofd van | גֶּ֔בֶר (gever) = man | שְׁלַ֤ל (shelal) = buit van | צְבָעִים֙ (tsevaim) = gekleurde stoffen | לְסִ֣יסְרָ֔א (lesisera) = voor Sisera | שְׁלַ֥ל (shelal) = buit van | צְבָעִ֖ים (tsevaim) = gekleurde stoffen | רִקְמָ֑ה (riqma) = borduurwerk | צֶ֥בַע (tseva) = gekleurde stof | רִקְמָתַ֖יִם (riqmatayim) = twee borduurwerken | לְצַוְּארֵ֥י (letsaverei) = voor nekken van | שָׁלָֽל (shalal) = buit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַחַם (racham), ‘meisje’: letterlijk ‘schoot’. Het woord staat voor een vrouw die als buit wordt genomen. De moeder van Sisera spreekt zonder medelijden over de overwonnen vrouwen. Voetnoot : צִבְעֵי (tsiv’ei), ‘gekleurde stoffen’ en רִקְמָה (riqmah), ‘geborduurd’: kostbare kleding. De laatste zin van het vers is moeilijk: letterlijk ‘voor de nekken van de buit’. Wij lezen: kleden voor de nek, als buit. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Gen 37:3; Job 20:5; Ex 15:9; 2 Sam 13:18; Ps 45:15 ### Slot van het lied **5:31** Zo mogen al Uw vijanden omkomen, Yahweh! Wie Hem liefhebben zijn als de zon wanneer zij opgaat in haar kracht. Het land was rustig, veertig jaar. Brontekst: כֵּ֠ן (ken) = zo | יֹאבְד֤וּ (yovdu) = omkomen | כָל (kal) = alle | אוֹיְבֶ֨יךָ֙ (oyeveikha) = Uw vijanden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֹ֣הֲבָ֔יו (veohavav) = en Zijn liefhebbers | כְּצֵ֥את (ketset) = als het opgaan van | הַשֶּׁ֖מֶשׁ (hashemesh) = de zon | בִּגְבֻרָת֑וֹ (bigvurato) = in haar kracht | וַתִּשְׁקֹ֥ט (vatishqot) = en was rustig | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws wisselt van ‘Uw vijanden’ (aanspreking) naar ‘Zijn liefhebbers’ (derde persoon). Wij houden die wisseling. Voetnoot : וַתִּשְׁקֹט (vatishqot), ‘was rustig’: de vrede van veertig jaar duurde tot Gideon (Richt. 6:1). Dit laatste deel van het vers is geen deel van het lied maar van het verhaal. Zie ook: Re 6:1; 2 Sam 23:4; Ps 19:5–6; Ps 37:6; Ps 91:14; 1 Kor 8:3 ## Richteren 6 _Midian, de roeping van Gideon en de vacht_ ### Midian onderdrukt Israël **6:1** De zonen van Israël deden wat slecht was in de ogen van Yahweh. Yahweh gaf hen zeven jaar lang in de hand van Midian. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֧וּ (vayaasu) = en deden | בְנֵי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | הָרַ֖ע (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתְּנֵ֧ם (vayitenem) = en gaf hen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = in hand van | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Midian is een volk van nomaden, nakomelingen van Abrahams zoon Midian (Gen. 25:2). Het leeft ten oosten van de Araba en in het noordwesten van het Arabische schiereiland. Zeven jaar is de duur van deze onderdrukking. Zie ook: Gen 25:2; Num 31:1–3; Re 2:11; Re 2:13–14; Re 2:19–20; Neh 9:26–29 **6:2** De hand van Midian kreeg de overhand over Israël. Vanwege Midian maakten de zonen van Israël voor zichzelf de bergholen die in het bergland liggen, de grotten en de burchten. Brontekst: וַתָּ֥עָז (vataaz) = en werd sterk | יַד (yad) = hand van | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מִפְּנֵ֨י (mipenei) = vanwege | מִדְיָ֜ן (midyan) = Midian | עָשֽׂוּ (asu) = maakten | לָהֶ֣ם (lahem) = voor zich | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְהָרוֹת֙ (haminharot) = de bergholen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בֶּֽהָרִ֔ים (beharim) = in de bergen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּעָר֖וֹת (hamearot) = de grotten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּצָדֽוֹת (hametsadot) = de burchten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּנְהָרוֹת (haminharot), ‘de bergholen’: schuilplaatsen in kloven en rotsen. Het woord komt maar één keer voor, dus de betekenis is niet zeker. Wij houden ons aan de gangbare verklaring ‘holen’. Zie ook: Lev 26:17; Deut 28:47–48; 1 Sam 13:6; 1 Sam 14:11; Heb 11:38 **6:3** Telkens wanneer Israël had gezaaid, trok Midian op, en Amalek en de zonen van het oosten. Zij trokken tegen hem op. Brontekst: וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het was | אִם (im) = als | זָרַ֣ע (zara) = had gezaaid | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְעָלָ֨ה (veala) = en trok op | מִדְיָ֧ן (midyan) = Midian | וַֽעֲמָלֵ֛ק (vaamaleq) = en Amalek | וּבְנֵי (uvenei) = en zonen van | קֶ֖דֶם (qedem) = het oosten | וְעָל֥וּ (vealu) = en trokken op | עָלָֽיו (alav) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי־קֶדֶם (bnei qedem), ‘de zonen van het oosten’: volken van de woestijn ten oosten van de Jordaan, bekend uit Gen. 29:1. Amalek is het volk uit de Negev (Exod. 17:8). Zie ook: Gen 29:1; Job 1:3; Ex 17:8; Re 3:13; Re 6:33; Re 7:12 **6:4** Zij sloegen hun kamp tegen hen op. Zij vernietigden de opbrengst van het land, tot aan Gaza. Zij lieten niets te leven over in Israël: geen schaap, geen rund en geen ezel. Brontekst: וַיַּחֲנ֣וּ (vayachanu) = en legerden zich | עֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tegen hen | וַיַּשְׁחִ֨יתוּ֙ (vayashchitu) = en vernietigden | אֶת (et) = (obj.) | יְב֣וּל (yevul) = opbrengst van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | עַד (ad) = tot | בּוֹאֲךָ֖ (boakha) = je komst | עַזָּ֑ה (aza) = Gaza | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַשְׁאִ֤ירוּ (yashiru) = lieten over | מִֽחְיָה֙ (michya) = levensonderhoud | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | וְשֶׂ֥ה (vese) = en schaap | וָשׁ֖וֹר (vashor) = en rund | וַחֲמֽוֹר (vachamor) = en ezel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van Kanaän (de huidige Gazastrook). De plundertochten van Midian reikten dus van de Jizreëlvlakte in het noorden tot helemaal in het zuiden. Zie ook: Lev 26:16; Deut 28:33; Deut 28:51; Mi 6:15; Jer 49:9–10 **6:5** Want zij trokken op met hun vee en hun tenten. Zij kwamen zo talrijk als sprinkhanen. Zij en hun kamelen waren niet te tellen. Zij kwamen in het land om het te verwoesten. Brontekst: כִּ֡י (ki) = want | הֵם֩ (hem) = zij | וּמִקְנֵיהֶ֨ם (umiqneihem) = en hun vee | יַעֲל֜וּ (yaalu) = trokken op | וְאָהֳלֵיהֶ֗ם (veaholeihem) = en hun tenten | וּבָ֤אוּ (uvau) = en kwamen | כְדֵֽי (kedei) = zoals | אַרְבֶּה֙ (arbe) = sprinkhaan | לָרֹ֔ב (larov) = in menigte | וְלָהֶ֥ם (velahem) = en voor hen | וְלִגְמַלֵּיהֶ֖ם (veligmaleihem) = en voor hun kamelen | אֵ֣ין (ein) = geen | מִסְפָּ֑ר (mispar) = getal | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en kwamen | בָאָ֖רֶץ (baarets) = in het land | לְשַׁחֲתָֽהּ (leshachatah) = om het te verwoesten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Midian kwam met kamelen: een heel nieuwe manier van oorlog voeren, snel en ver. Zie ook Richt. 7:12 en 8:21, 26. De vergelijking met sprinkhanen komt terug in Richt. 7:12. Zie ook: Re 7:12; Re 8:10; Re 8:21; Jes 60:6; Jer 46:23; Jer 49:32 ### Israël roept om hulp **6:6** Israël werd zeer arm door Midian. Toen riepen de zonen van Israël om hulp tot Yahweh. Brontekst: וַיִּדַּ֧ל (vayidal) = en werd arm | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | מִדְיָ֑ן (midyan) = Midian | וַיִּזְעֲק֥וּ (vayizaqu) = en riepen om hulp | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: וַיִּזְעֲקוּ (vayiz’aqu), ‘zij riepen om hulp’: de roep van wie in nood is. Hetzelfde woord staat in Exod. 2:23. Dit is het patroon in Richteren: zonde, onderdrukking, een roep om hulp en een redder. Zie Richt. 3:9, 15. Zie ook: Ex 2:23; Re 3:9; Re 3:15; Ps 50:15; Ps 106:43–44; Jer 5:17 **6:7** Toen de zonen van Israël om hulp riepen tot Yahweh vanwege Midian, Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כִּֽי (ki) = toen | זָעֲק֥וּ (zaaqu) = riepen om hulp | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַ֖ל (al) = vanwege | אֹד֥וֹת (odot) = de zaak van | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De profeet van Yahweh **6:8** stuurde Yahweh een man, een profeet, naar de zonen van Israël. Hij zei tegen hen: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: **‘Ik heb jullie uit Egypte laten optrekken. Ik heb jullie uit het slavenhuis geleid.** Brontekst: וַיִּשְׁלַ֧ח (vayishlach) = en stuurde | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אִ֥ישׁ (ish) = man | נָבִ֖יא (navi) = profeet | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֜ם (lahem) = tot hen | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אָנֹכִ֞י (anokhi) = ik | הֶעֱלֵ֤יתִי (heeleiti) = liet optrekken | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וָאֹצִ֥יא (vaotsi) = en leidde uit | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִֽים (avadim) = slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אִישׁ נָבִיא (ish navi), ‘een man, een profeet’: de naam van deze profeet noemt de tekst niet. Hij brengt een woord van Yahweh. Wij zetten dat woord rood, omdat Yahweh er in de ik-vorm in spreekt. Vergelijk Exod. 5:1 en Richt. 2:1–3. Voetnoot : בֵּית עֲבָדִים (beit avadim), ‘slavenhuis’: Egypte. Zie Exod. 13:3 en Deut. 5:6. Zie ook: Ex 5:1; Ex 13:3; Deut 5:6; Re 2:1–3; Ps 136:10–16; Jes 63:9–14; Ezech 20:5–32; Neh 9:9–12 **6:9** **Ik heb jullie gered uit de hand van Egypte en uit de hand van allen die jullie onderdrukten. Ik heb hen voor jullie uit verdreven en jullie hun land gegeven.** Brontekst: וָאַצִּ֤ל (vaatsil) = en redde | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וּמִיַּ֖ד (umiyad) = en uit de hand van | כָּל (kal) = alle | לֹחֲצֵיכֶ֑ם (lochatseikhem) = die jullie onderdrukten | וָאֲגָרֵ֤שׁ (vaagaresh) = en verdreef | אוֹתָם֙ (otam) = hen | מִפְּנֵיכֶ֔ם (mipeneikhem) = voor jullie uit | וָאֶתְּנָ֥ה (vaetena) = en gaf | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָֽם (artsam) = hun land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit woord herinnert aan de verdrijving van de volken uit Kanaän (Exod. 23:28–31; Joz. 24:11–13). Zie ook: Ex 23:28–31; Joz 24:11–13; Ps 44:3–4 **6:10** **Ik zei tegen jullie: Ik ben Yahweh, jullie Elohim. Vrees de goden van de Amorieten niet, in wier land jullie wonen. Maar jullie hebben niet naar Mijn stem geluisterd.’**” Brontekst: וָאֹמְרָ֣ה (vaomera) = en zei | לָכֶ֗ם (lakhem) = tot jullie | אֲנִי֙ (ani) = ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לֹ֤א (lo) = niet | תִֽירְאוּ֙ (tireu) = vrees | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = goden van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | יוֹשְׁבִ֣ים (yoshevim) = wonende | בְּאַרְצָ֑ם (beartsam) = in hun land | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֖ם (shematem) = hebben jullie geluisterd | בְּקוֹלִֽי (beqoli) = naar Mijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘goden van de Amorieten’ zijn de goden van de volken in het land, zoals Baäl en Asjera (vers 25). Dat Israël niet naar Yahweh luisterde, is de reden van de onderdrukking. Zie Exod. 20:2–5 en Richt. 2:1–3. Zie ook: Ex 20:2–3; Re 2:1–3; Re 6:25; 2 Kon 17:35–39; Jer 9:12; Jer 10:2; Jer 43:4 ### De engel van Yahweh roept Gideon **6:11** De engel van Yahweh kwam en ging zitten onder de terebint bij Ofra. Die was van Joas, de Abiëzeriet. Zijn zoon Gideon sloeg tarwe uit in de wijnpers, om het in veiligheid te brengen voor Midian. Brontekst: וַיָּבֹ֞א (vayavo) = en kwam | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּ֨שֶׁב֙ (vayeshev) = en zat | תַּ֤חַת (tachat) = onder | הָֽאֵלָה֙ (haela) = de terebint | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּעָפְרָ֔ה (beafera) = in Ofra | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לְיוֹאָ֖שׁ (leyoash) = van Joas | אֲבִ֣י (avi) = vader van | הָֽעֶזְרִ֑י (haezri) = de Ezriet | וְגִדְע֣וֹן (vegidon) = en Gideon | בְּנ֗וֹ (beno) = zijn zoon | חֹבֵ֤ט (chovet) = sloeg uit | חִטִּים֙ (chitim) = tarwe | בַּגַּ֔ת (bagat) = in de wijnpers | לְהָנִ֖יס (lehanis) = om in veiligheid te brengen | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ofra, de stad van Joas en de Abiëzerieten, lag in het gebied van Manasse, ten westen van de Jordaan. De juiste ligging is niet bekend. Vaak noemt men Afula (Israël) of een plaats in het bergland ten zuidwesten van de Jizreëlvlakte. Dit is onzeker. Er is ook een andere Ofra in Benjamin (Joz. 18:23). Voetnoot Uitleg: אֵלָה (elah), ‘terebint’: een grote boom, zoals in Gen. 35:4. Voetnoot : אֲבִי הָעֶזְרִי (avi ha’ezri), ‘de Abiëzeriet’: het geslacht van Abiëzer, uit Manasse (Joz. 17:2). In Num. 26:30 heet hij Iëzer. Zie ook vers 34. Voetnoot : גַּת (gat), ‘wijnpers’: een uitgehouwen kuip in de rots. Gideon dorst daar in het geheim, omdat een dorsvloer in de open lucht te opvallend was. Zie ook vers 37. Voetnoot : מַלְאַךְ יְהוָה (mal’ak Yahweh), ‘engel van Yahweh’: in dit verhaal gaat de engel over in Yahweh Zelf (vers 14, 16 en 23). Vergelijk Exod. 3:2–4 en Gen. 16:7–13. Zie ook: Gen 16:7; Gen 35:4; Ex 3:2–4; Num 26:30; Joz 17:2; Joz 18:23; Re 6:14; Re 6:16; Re 6:23; Re 6:34; Re 6:37; Re 8:2; Re 13:3; Heb 11:32 **6:12** De engel van Yahweh verscheen aan hem en zei tegen hem: „Yahweh is met je, dappere held.” Brontekst: וַיֵּרָ֥א (vayera) = en verscheen | אֵלָ֖יו (elav) = aan hem | מַלְּאַ֣ךְ (maleakh) = engel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | עִמְּךָ֖ (imekha) = met je | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held van | הֶחָֽיִל (hechayil) = de kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹר הֶחָיִל (gibbor hechayil), ‘dappere held’: letterlijk ‘held van de kracht’. Zo wordt een krijger of een man van aanzien genoemd. Gideon is op dat moment juist bang en verborgen. Voetnoot Lezing: De engel spreekt hier over Yahweh in de derde persoon (‘Yahweh is met je’). Daarom zetten wij deze woorden niet rood. Vanaf vers 14 noemt de tekst zelf Yahweh als spreker en staat het rood. Zie ook: Joz 1:5; Joz 1:9; Re 2:18; Re 6:14; Re 13:3; Luc 1:28 **6:13** Gideon zei tegen hem: „Ach, mijn heer, als Yahweh met ons is, waarom is ons dan dit alles overkomen? Waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaders ons vertelden toen zij zeiden: ‘Heeft Yahweh ons niet uit Egypte laten optrekken?’ Maar nu heeft Yahweh ons verlaten. Hij heeft ons in de hand van Midian gegeven.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֤יו (elav) = tot hem | גִּדְעוֹן֙ (gidon) = Gideon | בִּ֣י (bi) = ach | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | וְיֵ֤שׁ (veyesh) = en indien er is | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עִמָּ֔נוּ (imanu) = met ons | וְלָ֥מָּה (velama) = en waarom | מְצָאַ֖תְנוּ (metsaatnu) = is overkomen ons | כָּל (kal) = al | זֹ֑את (zot) = dit | וְאַיֵּ֣ה (veaye) = en waar | כָֽל (kal) = al | נִפְלְאֹתָ֡יו (nifleotav) = Zijn wonderen | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | סִפְּרוּ (siperu) = vertelden | לָ֨נוּ (lanu) = aan ons | אֲבוֹתֵ֜ינוּ (avoteinu) = onze vaders | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | הֲלֹ֤א (halo) = niet | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = uit Egypte | הֶעֱלָ֣נוּ (heelanu) = liet ons optrekken | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | נְטָשָׁ֣נוּ (netashanu) = heeft ons verlaten | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיִּתְּנֵ֖נוּ (vayitenenu) = en gaf ons | בְּכַף (bekhaf) = in de hand van | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בִּי אֲדוֹנִי (bi adoni), ‘ach, mijn heer’: Gideon spreekt de onbekende man respectvol aan met een gewone aanspreektitel, met kleine letter. Hij weet nog niet dat het de engel van Yahweh is (vers 22). Vergelijk vers 15, waar de klinkers אֲדֹנָי (Adonai) geven. Voetnoot : De vraag van Gideon sluit aan op Richt. 2:1–3 en op de verhalen over de uittocht, zoals Exod. 14. Zie ook: Gen 25:22; Re 2:1–3; Re 6:15; Re 6:22; Ps 44:2; Ps 77:8–10; 2 Kron 15:2; Jes 59:1–2 **6:14** Yahweh wendde Zich naar hem toe en zei: **„Ga met deze kracht van je en red Israël uit de hand van Midian. Heb Ik je niet gestuurd?”** Brontekst: וַיִּ֤פֶן (vayifen) = en wendde zich | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | לֵ֚ךְ (lekh) = ga | בְּכֹחֲךָ֣ (bekhochakha) = met je kracht | זֶ֔ה (ze) = deze | וְהוֹשַׁעְתָּ֥ (vehoshata) = en red | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִכַּ֣ף (mikaf) = uit de hand van | מִדְיָ֑ן (midyan) = Midian | הֲלֹ֖א (halo) = niet | שְׁלַחְתִּֽיךָ (shelachtikha) = heb Ik je gestuurd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier noemt de tekst Yahweh Zelf als spreker. Wij zetten de woorden rood. De engel van Yahweh en Yahweh zijn in dit verhaal niet te onderscheiden. Zie de voetnoot bij vers 11. Voetnoot : בְּכֹחֲךָ זֶה (bechochakha ze), ‘met deze kracht van je’: de kracht die Gideon heeft, of de kracht die Yahweh nu geeft. Het Hebreeuws laat dat open. Zie ook: Joz 1:5–9; Re 4:6; Re 6:11; 1 Sam 12:11; Heb 11:32; Heb 11:34 **6:15** Hij zei tegen Hem: „Ach, mijn Heer, waarmee zou ik Israël redden? Zie, mijn familie is de zwakste in Manasse. En ik ben de jongste in het huis van mijn vader.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot Hem | בִּ֣י (bi) = ach | אֲדֹנָ֔י (adonay) = mijn Heer | בַּמָּ֥ה (bama) = waarmee | אוֹשִׁ֖יעַ (oshia) = zal ik redden | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אַלְפִּי֙ (alpi) = mijn familie | הַדַּ֣ל (hadal) = de zwakste | בִּמְנַשֶּׁ֔ה (bimnashe) = in Manasse | וְאָנֹכִ֥י (veanokhi) = en ik | הַצָּעִ֖יר (hatsair) = de jongste | בְּבֵ֥ית (beveit) = in huis van | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: de klinkers van deze vorm worden gebruikt als aanspreking van Elohim. Wij schrijven ‘mijn Heer’ met hoofdletter, omdat Gideon nu tot Yahweh spreekt. Voetnoot : אַלְפִּי (alpi), ‘mijn familie’: letterlijk ‘mijn duizend’. Een ‘duizend’ is een onderdeel van een stam, een groep families. Zie Num. 1:16 en Mich. 5:1. Zie ook: Ex 3:11; Ex 4:10; Num 1:16; 1 Sam 9:21; Jer 1:6; Ef 3:8 **6:16** Yahweh zei tegen hem: **„Want Ik zal met je zijn. Je zult Midian slaan als was het één man.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | אֶהְיֶ֖ה (ehye) = Ik zal zijn | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met je | וְהִכִּיתָ֥ (vehikita) = en je zult slaan | אֶת (et) = (obj.) | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | כְּאִ֥ישׁ (keish) = als man | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:12; Joz 1:5; Jes 41:10; Mar 16:20; Hand 11:21 ### Het teken van het offer **6:17** Hij zei tegen Hem: „Als ik gunst in Uw ogen heb gevonden, geef mij dan een teken dat U het bent die met mij spreekt. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot Hem | אִם (im) = indien | נָ֛א (na) = toch | מָצָ֥אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = in Uw ogen | וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en doe | לִּי֙ (li) = voor mij | א֔וֹת (ot) = teken | שָׁאַתָּ֖ה (shaata) = dat U | מְדַבֵּ֥ר (medaber) = spreekt | עִמִּֽי (imi) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gideon vraagt om een teken, zoals ook Mozes dat kreeg (Exod. 3:12; 4:1–9). Zie ook Richt. 6:36–40. Voetnoot : חֵן (chen), ‘gunst’: vergelijk Gen. 6:8 en Exod. 33:12–13. Zie ook: Gen 6:8; Ex 3:12; Ex 4:1; Ex 33:12–13; Ex 33:13; Ex 33:16; Re 6:36–40; Ps 86:17; Jes 7:11; Jes 38:7–8 **6:18** Wijk toch niet hier vandaan, totdat ik bij U kom. Dan breng ik mijn offergave naar buiten en leg die voor U neer.” Hij zei: „Ik zal blijven tot je terugkeert.” Brontekst: אַל (al) = niet | נָ֨א (na) = toch | תָמֻ֤שׁ (tamush) = wijk | מִזֶּה֙ (mize) = hiervandaan | עַד (ad) = totdat | בֹּאִ֣י (boi) = ik kom | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot U | וְהֹֽצֵאתִי֙ (vehotseti) = en breng naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | מִנְחָתִ֔י (minchati) = mijn offergave | וְהִנַּחְתִּ֖י (vehinachti) = en leg neer | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor U | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en zei | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | אֵשֵׁ֖ב (eshev) = zal blijven | עַ֥ד (ad) = totdat | שׁוּבֶֽךָ (shuvekha) = je terugkeert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘offergave’: hier een maaltijd voor een gast die ook een offer wordt. In vers 19 maakt Gideon die gave voor Hem klaar. Wij houden ‘offergave’, zoals in Gen. 4:3–5. Zie ook: Gen 4:3–5; Gen 18:3; Gen 18:5; Gen 19:3; Re 6:19; Re 13:15 **6:19** Gideon ging naar binnen en maakte een bokje klaar. Van een efa meel maakte hij ongezuurde broden. Het vlees legde hij in een mand en de jus deed hij in een pot. Hij bracht het naar buiten, naar Hem toe, onder de terebint, en bood het aan. Brontekst: וְגִדְע֣וֹן (vegidon) = en Gideon | בָּ֗א (ba) = kwam | וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en maakte klaar | גְּדִֽי (gedi) = bokje van | עִזִּים֙ (izim) = geiten | וְאֵיפַת (veeifat) = en efa van | קֶ֣מַח (qemach) = meel | מַצּ֔וֹת (matsot) = ongezuurde broden | הַבָּשָׂר֙ (habasar) = het vlees | שָׂ֣ם (sam) = legde hij | בַּסַּ֔ל (basal) = in de mand | וְהַמָּרַ֖ק (vehamaraq) = en de jus | שָׂ֣ם (sam) = legde hij | בַּפָּר֑וּר (baparur) = in de pot | וַיּוֹצֵ֥א (vayotse) = en bracht naar buiten | אֵלָ֛יו (elav) = naar Hem | אֶל (el) = tot | תַּ֥חַת (tachat) = onder | הָאֵלָ֖ה (haela) = de terebint | וַיַּגַּֽשׁ (vayagash) = en bood aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een efa is ongeveer 22 liter. Dit is veel meel voor één maaltijd, een gave voor een bijzondere gast. Vergelijk Gen. 18:6. Voetnoot : מָרַק (marak), ‘jus’: het vocht waarin het vlees is gekookt. Zie ook: Gen 18:6–8; Lev 2:4; Re 13:15–19 **6:20** De engel van Elohim zei tegen hem: „Neem het vlees en de ongezuurde broden. Leg ze neer op die rots daar. Giet de jus uit.” Hij deed dat. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | קַ֣ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּשָׂ֤ר (habasar) = het vlees | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּצּוֹת֙ (hamatsot) = de ongezuurde broden | וְהַנַּח֙ (vehanach) = en leg neer | אֶל (el) = op | הַסֶּ֣לַע (hasela) = de rots | הַלָּ֔ז (halaz) = die daar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמָּרַ֖ק (hamaraq) = de jus | שְׁפ֑וֹךְ (shefokh) = giet uit | וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en deed | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ הָאֱלֹהִים (mal’ak haElohim), ‘engel van Elohim’: dezelfde engel als de ‘engel van Yahweh’ in vers 11, 12 en 21. Wij laten deze woorden zwart, omdat het opdrachten zijn aan Gideon en niet duidelijk is of de engel hier als Yahweh Zelf spreekt. Zie ook: Re 6:11; Re 6:12; Re 6:21; Re 13:19; 1 Kon 18:33–34 **6:21** De engel van Yahweh stak het uiteinde van de staf uit die in zijn hand was. Hij raakte het vlees en de ongezuurde broden aan. Er kwam vuur uit de rots omhoog dat het vlees en de ongezuurde broden verteerde. Toen verdween de engel van Yahweh uit zijn ogen. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֞ח (vayishlach) = en stak uit | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | קְצֵ֤ה (qetse) = uiteinde van | הַמִּשְׁעֶ֨נֶת֙ (hamishenet) = de staf | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיִּגַּ֥ע (vayiga) = en raakte aan | בַּבָּשָׂ֖ר (babasar) = het vlees | וּבַמַּצּ֑וֹת (uvamatsot) = en de ongezuurde broden | וַתַּ֨עַל (vataal) = en kwam omhoog | הָאֵ֜שׁ (haesh) = het vuur | מִן (min) = uit | הַצּ֗וּר (hatsur) = de rots | וַתֹּ֤אכַל (vatokhal) = en verteerde | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּשָׂר֙ (habasar) = het vlees | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּצּ֔וֹת (hamatsot) = de ongezuurde broden | וּמַלְאַ֣ךְ (umalakh) = en engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הָלַ֖ךְ (halakh) = ging weg | מֵעֵינָֽיו (meeinav) = uit zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vuur dat het offer verteert, bevestigt het teken (vers 17). Zo gebeurde het ook in Lev. 9:24 en 1 Kon. 18:38. De engel verdwijnt: zijn gestalte is niet meer te zien. Zie ook: Lev 9:24; Re 6:17; Re 13:20; 1 Kron 21:26; 1 Kon 18:38; 2 Kron 7:1 **6:22** Gideon zag dat het de engel van Yahweh was. Gideon zei: „Ach, mijn Heer Yahweh! Want ik heb de engel van Yahweh van aangezicht tot aangezicht gezien.” Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | גִּדְע֔וֹן (gidon) = Gideon | כִּֽי (ki) = dat | מַלְאַ֥ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | ה֑וּא (hu) = hij | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | גִּדְע֗וֹן (gidon) = Gideon | אֲהָהּ֙ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = mijn Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | עַל (al) = daarom | כֵּ֤ן (ken) = dit | רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = heb ik gezien | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | פָּנִ֖ים (panim) = aangezicht | אֶל (el) = tot | פָּנִֽים (panim) = aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘mijn Heer Yahweh’: Gideon beseft nu dat hij met de engel van Yahweh heeft gesproken. Voetnoot : פָּנִים אֶל־פָּנִים (panim el panim), ‘van aangezicht tot aangezicht’: wie zo Yahweh zag, vreesde te sterven. Zie Gen. 32:31, Exod. 33:20 en Richt. 13:22. Zie ook: Gen 32:30; Gen 32:31; Ex 33:20; Deut 5:5; Deut 5:26; Re 13:22; Joh 1:18 **6:23** Yahweh zei tegen hem: **„Vrede voor je. Wees niet bang. Je zult niet sterven.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | ל֧וֹ (lo) = tot hem | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | שָׁל֥וֹם (shalom) = vrede | לְךָ֖ (lekha) = voor je | אַל (al) = niet | תִּירָ֑א (tira) = vrees | לֹ֖א (lo) = niet | תָּמֽוּת (tamut) = zult sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: heelheid en welzijn. Yahweh stelt Gideon gerust voordat hij met zijn opdracht begint. Zie ook: Gen 43:23; Dan 10:19; Joh 14:27; Joh 20:19; Joh 20:26 **6:24** Gideon bouwde daar een altaar voor Yahweh. Hij noemde het ‘Yahweh is vrede’. Tot op deze dag staat het nog in Ofra van de Abiëzeriet. Brontekst: וַיִּבֶן֩ (vayiven) = en bouwde | שָׁ֨ם (sham) = daar | גִּדְע֤וֹן (gidon) = Gideon | מִזְבֵּ֨חַ֙ (mizbeach) = altaar | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וַיִּקְרָא (vayiqra) = en noemde | ל֥וֹ (lo) = het | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שָׁל֑וֹם (shalom) = vrede | עַ֚ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | עוֹדֶ֕נּוּ (odenu) = nog | בְּעָפְרָ֖ת (beaferat) = in Ofra van | אֲבִ֥י (avi) = vader van | הָעֶזְרִֽי (haezri) = de Ezriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ofra (van de Abiëzeriet, ligging onzeker): Ofra, de stad van Gideon, lag in het gebied van Manasse. De precieze plaats is niet zeker; Afula in het noorden is voorgesteld. Voetnoot Uitleg: יְהוָה שָׁלוֹם (Yahweh Shalom), ‘Yahweh is vrede’: de naam van het altaar. Het blijft staan in Ofra tot de tijd van de schrijver. Zie ook: Gen 22:14; Ex 17:15; Re 8:32; Jer 33:16; Ezech 48:35 ### Gideon breekt het altaar van Baäl af **6:25** In diezelfde nacht zei Yahweh tegen hem: **„Neem de stier van je vader en de tweede stier, zeven jaar oud. Breek het altaar van Baäl af dat je vader heeft. Kap de heilige paal om die erbij staat.** Brontekst: וַיְהִי֮ (vayhi) = en het was | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַהוּא֒ (hahu) = die | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | ל֣וֹ (lo) = tot hem | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | קַ֤ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | פַּר (par) = stier van | הַשּׁוֹר֙ (hashor) = de os | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְאָבִ֔יךָ (leavikha) = van je vader | וּפַ֥ר (ufar) = en tweede stier | הַשֵּׁנִ֖י (hasheni) = de tweede | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaar | וְהָרַסְתָּ֗ (veharasta) = en breek af | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֤ח (mizbach) = altaar van | הַבַּ֨עַל֙ (habaal) = de Baäl | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְאָבִ֔יךָ (leavikha) = van je vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֲשֵׁרָ֥ה (haashera) = de heilige paal | אֲשֶׁר (asher) = die | עָלָ֖יו (alav) = erbij | תִּכְרֹֽת (tikhrot) = kap om Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֲשֵׁרָה (ha’asherah), ‘de heilige paal’: een paal of boom bij een heiligdom van Baäl en de godin Asjera. Zie Exod. 34:13 en Deut. 7:5. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Neem de stier van je vader en een tweede stier, zeven jaar’. Er kunnen twee stieren bedoeld zijn: een stier van het vee van Joas en een tweede stier van zeven jaar. Het kan ook om één stier gaan, die met twee beschrijvingen wordt genoemd (vergelijk vers 26, waar maar één tweede stier wordt geofferd). Wij houden de woorden zoals ze staan. De zevenjarige stier past bij de zeven jaar van de onderdrukking (vers 1). Zie ook: Ex 34:13; Deut 7:5; Re 3:7; Re 6:1; Re 6:26; Mat 10:37; Hand 5:29; 2 Kor 6:15–17 **6:26** **Bouw een altaar voor Yahweh, je Elohim, boven op deze vesting, op de juiste wijze. Neem de tweede stier en breng die als brandoffer, met het hout van de heilige paal die je omkapt.”** Brontekst: וּבָנִ֨יתָ (uvanita) = en bouw | מִזְבֵּ֜חַ (mizbeach) = altaar | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = je Elohim | עַ֣ל (al) = op | רֹ֧אשׁ (rosh) = top van | הַמָּע֛וֹז (hamaoz) = de vesting | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | בַּמַּֽעֲרָכָ֑ה (bamaarakha) = op de juiste wijze | וְלָֽקַחְתָּ֙ (velaqachta) = en neem | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֣ר (hapar) = de stier | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | וְהַעֲלִ֣יתָ (vehaalita) = en breng op | עוֹלָ֔ה (ola) = brandoffer | בַּעֲצֵ֥י (baatsei) = met hout van | הָאֲשֵׁרָ֖ה (haashera) = de heilige paal | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תִּכְרֹֽת (tikhrot) = je omkapt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמָּעוֹז (hamaoz), ‘de vesting’: een versterkte hoogte, vermoedelijk bij Ofra. בַּמַּעֲרָכָה (bamma’arakhah), ‘op de juiste wijze’: letterlijk ‘in de orde’. Het gaat om het ordelijk opstapelen van het hout en het offer, zoals in Lev. 1:7–8. Het hout van de heilige paal wordt het brandhout. Zie ook: Lev 1:7–8; 2 Sam 24:18; 1 Kor 14:33; 1 Kor 14:40 **6:27** Gideon nam tien mannen van zijn dienaren en deed wat Yahweh tegen hem had gezegd. Hij was bang voor het huis van zijn vader en de mannen van de stad. Daarom durfde hij het niet overdag te doen. Hij deed het 's nachts. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | גִּדְע֜וֹן (gidon) = Gideon | עֲשָׂרָ֤ה (asara) = tien | אֲנָשִׁים֙ (anashim) = mannen | מֵֽעֲבָדָ֔יו (meavadav) = van zijn dienaren | וַיַּ֕עַשׂ (vayaas) = en deed | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = omdat | יָרֵא֩ (yare) = hij vreesde | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֨ית (beit) = huis van | אָבִ֜יו (aviv) = zijn vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | הָעִ֛יר (hair) = de stad | מֵעֲשׂ֥וֹת (measot) = om te doen | יוֹמָ֖ם (yomam) = overdag | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | לָֽיְלָה (layela) = 's nachts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gideon gehoorzaamt, maar uit angst doet hij het ’s nachts. Zijn vrees voor zijn vaders huis was reëel: zie vers 30. Zie ook: Deut 4:1; Re 6:30; Ps 112:5; Joh 2:5; Joh 15:14; 1 Tess 2:4 **6:28** Toen de mannen van de stad 's morgens vroeg opstonden, zie: het altaar van Baäl was omgehaald. De heilige paal die erbij stond was omgekapt. En de tweede stier was als offer gebracht op het altaar dat gebouwd was. Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֜ימוּ (vayashkimu) = en stonden vroeg op | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = 's morgens | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | נֻתַּץ֙ (nutats) = omgehaald | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | הַבַּ֔עַל (habaal) = de Baäl | וְהָאֲשֵׁרָ֥ה (vehaashera) = en de heilige paal | אֲשֶׁר (asher) = die | עָלָ֖יו (alav) = erbij | כֹּרָ֑תָה (korata) = omgekapt | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הַפָּ֣ר (hapar) = de stier | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | הֹֽעֲלָ֔ה (hoala) = opgebracht | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֖חַ (hamizbeach) = het altaar | הַבָּנֽוּי (habanuy) = het gebouwde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:29** Zij zeiden tegen elkaar: „Wie heeft dit gedaan?” Zij zochten en vroegen rond. Toen zeiden zij: „Gideon, de zoon van Joas, heeft dit gedaan.” Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = tot | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = zijn naaste | מִ֥י (mi) = wie | עָשָׂ֖ה (asa) = deed | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het ding | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וַֽיִּדְרְשׁוּ֙ (vayidreshu) = en onderzochten | וַיְבַקְשׁ֔וּ (vayvaqshu) = en zochten | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | גִּדְעוֹן֙ (gidon) = Gideon | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָ֔שׁ (yoash) = Joas | עָשָׂ֖ה (asa) = deed | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het ding | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:30** De mannen van de stad zeiden tegen Joas: „Breng je zoon naar buiten. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baäl afgebroken en de heilige paal omgekapt die erbij stond.” Brontekst: וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zeiden | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | אֶל (el) = tot | יוֹאָ֔שׁ (yoash) = Joas | הוֹצֵ֥א (hotse) = breng naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | בִּנְךָ֖ (binkha) = je zoon | וְיָמֹ֑ת (veyamot) = en laat hem sterven | כִּ֤י (ki) = want | נָתַץ֙ (natats) = hij brak af | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֣ח (mizbach) = altaar van | הַבַּ֔עַל (habaal) = de Baäl | וְכִ֥י (vekhi) = en want | כָרַ֖ת (karat) = hij kapte om | הָאֲשֵׁרָ֥ה (haashera) = de heilige paal | אֲשֶׁר (asher) = die | עָלָֽיו (alav) = erbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 26:11; Jer 50:38; Joh 16:2; Hand 26:9; Fil 3:6 **6:31** Joas zei tegen allen die tegenover hem stonden: „Willen jullie een strijd voeren voor Baäl? Willen jullie hem redden? Wie voor hem strijdt, zal gedood worden vóór de morgen. Als hij een god is, laat hij dan zelf strijden. Want iemand heeft zijn altaar afgebroken.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יוֹאָ֡שׁ (yoash) = Joas | לְכֹל֩ (lekhol) = tot allen | אֲשֶׁר (asher) = die | עָמְד֨וּ (amedu) = stonden | עָלָ֜יו (alav) = tegenover hem | הַאַתֶּ֣ם (haatem) = zullen jullie | תְּרִיב֣וּן (terivun) = strijden | לַבַּ֗עַל (labaal) = voor de Baäl | אִם (im) = of | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | תּוֹשִׁיע֣וּן (toshiun) = zullen redden | אוֹת֔וֹ (oto) = hem | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wie | יָרִ֥יב (yariv) = strijdt | ל֛וֹ (lo) = voor hem | יוּמַ֖ת (yumat) = wordt gedood | עַד (ad) = tot | הַבֹּ֑קֶר (haboqer) = de morgen | אִם (im) = indien | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = god | הוּא֙ (hu) = hij | יָ֣רֶב (yarev) = laat strijden | ל֔וֹ (lo) = voor zichzelf | כִּ֥י (ki) = want | נָתַ֖ץ (natats) = afbrak | אֶֽת (et) = (obj.) | מִזְבְּחֽוֹ (mizbecho) = zijn altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws gebruikt het werkwoord רִיב (riv), ‘strijden’, ‘een geschil voeren’. Joas zegt: als Baäl een god is, moet hij zijn eigen zaak verdedigen. Zo komt het in vers 32 tot de naam Jerubbaal. Zie ook: Re 6:32; 1 Kon 18:40; Jer 10:5; Jer 10:11; 1 Kor 8:4; Ef 5:11 **6:32** Op die dag noemde men hem Jerubbaal. Men zei: „Laat Baäl tegen hem strijden, want hij heeft zijn altaar afgebroken.” Brontekst: וַיִּקְרָא (vayiqra) = en noemde | ל֥וֹ (lo) = hem | בַיּוֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | יְרֻבַּ֣עַל (yerubaal) = Jerubbaal | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | יָ֤רֶב (yarev) = laat strijden | בּוֹ֙ (bo) = tegen hem | הַבַּ֔עַל (habaal) = de Baäl | כִּ֥י (ki) = want | נָתַ֖ץ (natats) = hij brak af | אֶֽת (et) = (obj.) | מִזְבְּחֽוֹ (mizbecho) = zijn altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְרֻבַּעַל (Yerubba’al), ‘Baäl strijde’: de naam is een uitdaging aan Baäl. Gideon draagt deze naam ook in Richt. 7:1; 8:29, 35 en 9:1. Zie ook: Re 7:1; Re 8:29; 1 Sam 12:11; 2 Sam 11:21; Hos 9:10; Jer 11:13 ### Midian trekt op **6:33** Heel Midian, Amalek en de zonen van het oosten verzamelden zich. Zij trokken de Jordaan over en sloegen hun kamp op in de vallei van Jizreël. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | מִדְיָ֧ן (midyan) = Midian | וַעֲמָלֵ֛ק (vaamaleq) = en Amalek | וּבְנֵי (uvenei) = en zonen van | קֶ֖דֶם (qedem) = het oosten | נֶאֶסְפ֣וּ (neesfu) = verzamelden zich | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | וַיַּעַבְר֥וּ (vayaavru) = en trokken over | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en legerden zich | בְּעֵ֥מֶק (beemeq) = in de vallei van | יִזְרְעֶֽאל (yizreel) = Jizreël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vallei van Jizreël is een brede vlakte in het noorden van Israël, tussen Galilea en Samaria. De Jordaan is de rivier ten oosten van die vlakte, die uitmondt in de Dode Zee. Zie ook: Joz 17:16; Re 6:3; Ps 27:2–3; Jes 8:9–10; Rom 8:35–39 ### De Geest van Yahweh komt over Gideon **6:34** De Geest van Yahweh bekleedde Gideon. Hij blies op de ramshoorn. Abiëzer werd opgeroepen om hem te volgen. Brontekst: וְר֣וּחַ (veruach) = en Geest van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לָבְשָׁ֖ה (lavesha) = bekleedde | אֶת (et) = (obj.) | גִּדְע֑וֹן (gidon) = Gideon | וַיִּתְקַע֙ (vayitqa) = en blies | בַּשּׁוֹפָ֔ר (bashofar) = op de ramshoorn | וַיִזָּעֵ֥ק (vayizaeq) = en werd opgeroepen | אֲבִיעֶ֖זֶר (aviezer) = Abiëzer | אַחֲרָֽיו (acharav) = achter hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָבְשָׁה (lavshah), ‘bekleedde’: letterlijk ‘trok aan’, ‘kleedde zich met’. De Geest van Yahweh nam bezit van Gideon als een gewaad. Zie ook 1 Kron. 12:19 en 2 Kron. 24:20. Bij andere rechters ‘kwam’ de Geest over hen (Richt. 3:10; 11:29; 14:6). Voetnoot : וַיִּזָּעֵק (vayizza’eq), ‘werd opgeroepen’: hetzelfde werkwoord als ‘om hulp roepen’ in vers 6, hier in de zin van ‘bijeengeroepen worden’. Zie ook: Re 3:10; Re 3:27; Re 6:6; Re 11:29; Re 14:6; 1 Kron 12:19; 2 Kron 24:20; Rom 13:14 **6:35** Hij stuurde boodschappers door heel Manasse. Ook Manasse werd opgeroepen om hem te volgen. Hij stuurde ook boodschappers naar Aser, naar Zebulon en naar Naftali. Zij trokken hun tegemoet. Brontekst: וּמַלְאָכִים֙ (umalakhim) = en boodschappers | שָׁלַ֣ח (shalach) = stuurde hij | בְּכָל (bekhal) = door heel | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | וַיִזָּעֵ֥ק (vayizaeq) = en werd opgeroepen | גַּם (gam) = ook | ה֖וּא (hu) = hij | אַחֲרָ֑יו (acharav) = achter hem | וּמַלְאָכִ֣ים (umalakhim) = en boodschappers | שָׁלַ֗ח (shalach) = stuurde hij | בְּאָשֵׁ֤ר (beasher) = naar Aser | וּבִזְבֻלוּן֙ (uvizvulun) = en naar Zebulon | וּבְנַפְתָּלִ֔י (uvenaftali) = en naar Naftali | וַֽיַּעֲל֖וּ (vayaalu) = en trokken op | לִקְרָאתָֽם (liqratam) = hun tegemoet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gideon roept vier stammen op: Manasse, Aser, Zebulon en Naftali. Efraïm wordt pas later gevraagd (Richt. 7:24). Zie ook: Re 4:6; Re 7:24; 2 Kron 30:6–12 ### De vacht **6:36** Gideon zei tegen Elohim: „Als U Israël door mijn hand wilt redden, zoals U gesproken hebt, Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | גִּדְע֖וֹן (gidon) = Gideon | אֶל (el) = tot | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | אִם (im) = indien | יֶשְׁךָ֞ (yeshkha) = U | מוֹשִׁ֧יעַ (moshia) = redt | בְּיָדִ֛י (beyadi) = door mijn hand | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבַּֽרְתָּ (dibarta) = U gesproken hebt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gideon vraagt een tweede teken. Hij twijfelt niet aan Yahweh, maar vraagt zekerheid voor de moeilijke taak. Vergelijk het teken in vers 17. Zie ook: Ex 4:1–9; Re 6:14; Re 6:17; Ps 103:13–14; 2 Kon 20:9; Mat 16:1 **6:37** zie, dan leg ik een vacht van wol op de dorsvloer. Als er alleen dauw op de vacht ligt en de hele grond droog blijft, dan weet ik: U zult Israël door mijn hand redden, zoals U gesproken hebt.” Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אָנֹכִ֗י (anokhi) = ik | מַצִּ֛יג (matsig) = leg neer | אֶת (et) = (obj.) | גִּזַּ֥ת (gizat) = vacht van | הַצֶּ֖מֶר (hatsemer) = de wol | בַּגֹּ֑רֶן (bagoren) = op de dorsvloer | אִ֡ם (im) = indien | טַל֩ (tal) = dauw | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | עַֽל (al) = op | הַגִּזָּ֜ה (hagiza) = de vacht | לְבַדָּ֗הּ (levadah) = alleen | וְעַל (veal) = en op | כָּל (kal) = heel | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | חֹ֔רֶב (chorev) = droog | וְיָדַעְתִּ֗י (veyadati) = dan weet ik | כִּֽי (ki) = dat | תוֹשִׁ֧יעַ (toshia) = U zult redden | בְּיָדִ֛י (beyadi) = door mijn hand | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבַּֽרְתָּ (dibarta) = U gesproken hebt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּזַּת הַצֶּמֶר (gizzat hatsemer), ‘een vacht van wol’: een vacht met de wol er nog aan, net geschoren. De dorsvloer is een vlakke, harde plaats in de open lucht. Zie ook: Ps 72:6; Ps 147:19–20; Hos 14:6; Mat 10:5–6; Mat 15:24 **6:38** Zo gebeurde het. De volgende morgen stond hij vroeg op en kneep de vacht uit. Hij wrong er dauw uit, een schaal vol water. Brontekst: וַיְהִי (vayhi) = en het was | כֵ֕ן (ken) = zo | וַיַּשְׁכֵּם֙ (vayashkem) = en stond vroeg op | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיָּ֖זַר (vayazar) = en kneep uit | אֶת (et) = (obj.) | הַגִּזָּ֑ה (hagiza) = de vacht | וַיִּ֤מֶץ (vayimets) = en wrong | טַל֙ (tal) = dauw | מִן (min) = uit | הַגִּזָּ֔ה (hagiza) = de vacht | מְל֥וֹא (melo) = volheid van | הַסֵּ֖פֶל (hasefel) = de schaal | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een ‘schaal’ (סֵפֶל, sefel) is een grote kom, zoals in Richt. 5:25. Zie ook: Re 5:25; Jes 35:7 **6:39** Gideon zei tegen Elohim: „Laat Uw toorn niet tegen mij ontbranden. Ik wil nog één keer spreken. Laat mij nog één keer een proef doen met de vacht. Laat alleen de vacht droog zijn en op de hele grond dauw liggen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | גִּדְעוֹן֙ (gidon) = Gideon | אֶל (el) = tot | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | אַל (al) = niet | יִ֤חַר (yichar) = ontbrande | אַפְּךָ֙ (apekha) = Uw toorn | בִּ֔י (bi) = tegen mij | וַאֲדַבְּרָ֖ה (vaadabera) = en laat mij spreken | אַ֣ךְ (akh) = maar | הַפָּ֑עַם (hapaam) = deze keer | אֲנַסֶּ֤ה (anase) = laat mij een proef doen | נָּא (na) = toch | רַק (raq) = alleen | הַפַּ֨עַם֙ (hapaam) = deze keer | בַּגִּזָּ֔ה (bagiza) = met de vacht | יְהִי (yehi) = laat zijn | נָ֨א (na) = toch | חֹ֤רֶב (chorev) = droog | אֶל (el) = op | הַגִּזָּה֙ (hagiza) = de vacht | לְבַדָּ֔הּ (levadah) = alleen | וְעַל (veal) = en op | כָּל (kal) = heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | טָּֽל (tal) = dauw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Laat Uw toorn niet ontbranden’: Gideon weet dat hij veel vraagt. Vergelijk Gen. 18:30–32. Zie ook: Gen 18:30–32; Gen 18:32; Ps 107:33–35; Jes 35:6–7; Jes 50:2; Mat 21:43 **6:40** Elohim deed dat in die nacht. Alleen de vacht was droog en op de hele grond lag dauw. Brontekst: וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en deed | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | כֵּ֖ן (ken) = zo | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֑וּא (hahu) = die | וַיְהִי (vayhi) = en was | חֹ֤רֶב (chorev) = droog | אֶל (el) = op | הַגִּזָּה֙ (hagiza) = de vacht | לְבַדָּ֔הּ (levadah) = alleen | וְעַל (veal) = en op | כָּל (kal) = heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | הָ֥יָה (haya) = was | טָֽל (tal) = dauw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ## Richteren 7 _De 300 man, de droom en de nederlaag van Midian_ ### Te veel mannen **7:1** Jerubbaal, dat is Gideon, stond vroeg op, met heel het volk dat bij hem was. Zij sloegen hun kamp op bij de bron van Charod. Het kamp van Midian lag ten noorden van hem, bij de heuvel More, in de vallei. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֨ם (vayashkem) = en stond vroeg op | יְרֻבַּ֜עַל (yerubaal) = Jerubbaal | ה֣וּא (hu) = hij | גִדְע֗וֹן (gidon) = Gideon | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en legerden zich | עַל (al) = bij | עֵ֣ין (ein) = bron van | חֲרֹ֑ד (charod) = Charod | וּמַחֲנֵ֤ה (umachane) = en kamp van | מִדְיָן֙ (midyan) = Midian | הָיָה (haya) = was | ל֣וֹ (lo) = voor hem | מִצָּפ֔וֹן (mitsafon) = ten noorden | מִגִּבְעַ֥ת (migivat) = van heuvel van | הַמּוֹרֶ֖ה (hamore) = de More | בָּעֵֽמֶק (baemeq) = in de vallei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De bron van Charod ligt aan de voet van de berg Gilboa, bij het huidige Ein Harod in het noorden van Israël. Dit is waarschijnlijk. De heuvel More lag enkele kilometers ten noorden daarvan, in de vallei van Jizreël. Ook dit is waarschijnlijk. Zie Bron van Charod: De bron van Charod (Ein Harod) ligt aan de voet van de Gilboa. Zie Heuvel More: De heuvel More (Givat ha-More) lag in de vallei van Jizreël, ten noorden van het kamp van Gideon. Voetnoot Uitleg: Jerubbaal is de naam die Gideon kreeg in Richt. 6:32. Zie ook: Gen 12:6; Joz 3:1; Joz 6:12; Re 6:32; Pred 9:10 **7:2** Yahweh zei tegen Gideon: **„Het volk dat bij je is, is te talrijk voor Mij om Midian in hun hand te geven. Anders verheft Israël zich boven Mij en zegt: ‘Mijn eigen hand heeft mij gered.’** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | גִּדְע֔וֹן (gidon) = Gideon | רַ֗ב (rav) = te veel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתָּ֔ךְ (itakh) = met je | מִתִּתִּ֥י (mititi) = dat Ik geef | אֶת (et) = (obj.) | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | בְּיָדָ֑ם (beyadam) = in hun hand | פֶּן (pen) = opdat niet | יִתְפָּאֵ֨ר (yitpaer) = zich verheft | עָלַ֤י (alay) = boven Mij | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יָדִ֖י (yadi) = mijn hand | הוֹשִׁ֥יעָה (hoshia) = heeft gered | לִּֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gideon heeft 32.000 man (vers 3). Yahweh wil dat het duidelijk is wie Israël redt. Vergelijk Deut. 8:17–18 en 1 Sam. 14:6. Zie ook: Deut 8:17; Re 7:3; 1 Sam 14:6; Zach 4:6; 1 Kor 1:27–29; 2 Kor 4:7; Rom 11:18 **7:3** **Roep nu in de oren van het volk: ‘Wie bang en angstig is, moet terugkeren. Hij moet de berg Gilead verlaten.’”** Toen keerden 22.000 van het volk terug. Er bleven 10.000 over. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | קְרָ֨א (qera) = roep | נָ֜א (na) = toch | בְּאָזְנֵ֤י (beazenei) = in de oren van | הָעָם֙ (haam) = het volk | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מִֽי (mi) = wie | יָרֵ֣א (yare) = bang is | וְחָרֵ֔ד (vechared) = en angstig | יָשֹׁ֥ב (yashov) = laat terugkeren | וְיִצְפֹּ֖ר (veyitspor) = en laat weggaan | מֵהַ֣ר (mehar) = van de berg | הַגִּלְעָ֑ד (hagilad) = Gilead | וַיָּ֣שָׁב (vayashav) = en keerden terug | מִן (min) = uit | הָעָ֗ם (haam) = het volk | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | וּשְׁנַ֨יִם֙ (ushenayim) = en twee | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וַעֲשֶׂ֥רֶת (vaaseret) = en tien | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | נִשְׁאָֽרוּ (nisharu) = bleven over Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuwse woord וְיִצְפֹּר (vayitspor), ‘en hij moet weggaan’, komt maar één keer voor. De betekenis is niet zeker; wij vertalen volgens de zin. Ook de berg Gilead is hier moeilijk: de bekende Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, ver weg. Het kan gaan om een berg of heuvelrug in de buurt van Charod. Wij houden ‘de berg Gilead’ zoals het Hebreeuws zegt. Het wegsturen van de bange mannen volgt de wet van Deut. 20:8. Zie ook: Deut 20:8; Mat 20:16; Luc 14:25–33; Openb 17:14; Openb 21:8 ### Het water: de keuze van de 300 **7:4** Yahweh zei tegen Gideon: **„Het volk is nog te talrijk. Breng hen af naar het water. Daar zal Ik hen voor je toetsen. Van wie Ik tegen je zeg: ‘Deze gaat met je mee’, die zal met je meegaan. En van wie Ik tegen je zeg: ‘Deze gaat niet met je mee’, die zal niet meegaan.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | גִּדְע֗וֹן (gidon) = Gideon | עוֹד֮ (od) = nog | הָעָ֣ם (haam) = het volk | רָב֒ (rav) = te veel | הוֹרֵ֤ד (hored) = breng af | אוֹתָם֙ (otam) = hen | אֶל (el) = naar | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | וְאֶצְרְפֶ֥נּוּ (veetsrefenu) = en Ik zal hem toetsen | לְךָ֖ (lekha) = voor je | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | אֲשֶׁר֩ (asher) = van wie | אֹמַ֨ר (omar) = Ik zeg | אֵלֶ֜יךָ (eleikha) = tot je | זֶ֣ה (ze) = deze | יֵלֵ֣ךְ (yelekh) = gaat | אִתָּ֗ךְ (itakh) = met je | ה֚וּא (hu) = hij | יֵלֵ֣ךְ (yelekh) = gaat | אִתָּ֔ךְ (itakh) = met je | וְכֹ֨ל (vekhol) = en al | אֲשֶׁר (asher) = wie | אֹמַ֜ר (omar) = Ik zeg | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tot je | זֶ֚ה (ze) = deze | לֹא (lo) = niet | יֵלֵ֣ךְ (yelekh) = gaat | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met je | ה֖וּא (hu) = hij | לֹ֥א (lo) = niet | יֵלֵֽךְ (yelekh) = gaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרַף (tsaraf), ‘toetsen’: letterlijk ‘zuiveren’, zoals metaal wordt gezuiverd in het vuur. Yahweh toetst de mannen aan het water. Zie ook: Job 23:10; 1 Sam 14:6; 1 Sam 16:7; Ps 33:16; Mal 3:2–3 **7:5** Hij bracht het volk af naar het water. Yahweh zei tegen Gideon: **„Iedereen die met zijn tong water lapt, zoals een hond lapt, moet je apart zetten. Ook iedereen die op zijn knieën zakt om te drinken, moet je apart zetten.”** Brontekst: וַיּ֥וֹרֶד (vayored) = en bracht af | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶל (el) = naar | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | גִּדְע֗וֹן (gidon) = Gideon | כֹּ֣ל (kol) = al | אֲשֶׁר (asher) = wie | יָלֹק֩ (yaloq) = lapt | בִּלְשׁוֹנ֨וֹ (bilshono) = met zijn tong | מִן (min) = van | הַמַּ֜יִם (hamayim) = het water | כַּאֲשֶׁ֧ר (kaasher) = zoals | יָלֹ֣ק (yaloq) = lapt | הַכֶּ֗לֶב (hakelev) = de hond | תַּצִּ֤יג (tatsig) = zet | אוֹתוֹ֙ (oto) = hem | לְבָ֔ד (levad) = apart | וְכֹ֛ל (vekhol) = en al | אֲשֶׁר (asher) = wie | יִכְרַ֥ע (yikhra) = zakt | עַל (al) = op | בִּרְכָּ֖יו (birkav) = zijn knieën | לִשְׁתּֽוֹת (lishtot) = om te drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָקַק (laqaq), ‘lappen’: water met de tong opnemen, zoals een hond doet. Het ‘lappen met de hand’ (vers 6) is: water met de hand naar de mond brengen en met de tong opnemen. De mannen die zo drinken blijven waakzaam. Zij die op hun knieën zakken, kijken niet om zich heen. Zie ook: Re 7:6 **7:6** Het aantal van hen die met de hand naar hun mond lapten was 300 man. Al de rest van het volk zakte op de knieën om water te drinken. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | מִסְפַּ֞ר (mispar) = aantal van | הַֽמֲלַקְקִ֤ים (hamalaqqim) = de lappers | בְּיָדָם֙ (beyadam) = met hun hand | אֶל (el) = naar | פִּיהֶ֔ם (pihem) = hun mond | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אִ֑ישׁ (ish) = man | וְכֹל֙ (vekhol) = en al | יֶ֣תֶר (yeter) = de rest van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כָּרְע֥וּ (kareu) = zakten | עַל (al) = op | בִּרְכֵיהֶ֖ם (birkheihem) = hun knieën | לִשְׁתּ֥וֹת (lishtot) = om te drinken | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het aantal 300 komt terug in vers 7, 8, 16, 22. Vergelijk het aantal bij Barak (Richt. 4:6, 10). Zie ook: Re 4:6; Re 7:7; Re 7:8; Re 7:16; Re 7:22 **7:7** Yahweh zei tegen Gideon: **„Door de 300 man die gelapt hebben zal Ik jullie redden. Ik zal Midian in je hand geven. Al het andere volk moet gaan, ieder naar zijn plaats.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | גִּדְע֗וֹן (gidon) = Gideon | בִּשְׁלֹשׁ֩ (bishlosh) = door drie | מֵא֨וֹת (meot) = honderd | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | הַֽמֲלַקְקִים֙ (hamalaqqim) = de lappers | אוֹשִׁ֣יעַ (oshia) = Ik zal redden | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in je hand | וְכָל (vekhal) = en al | הָעָ֔ם (haam) = het volk | יֵלְכ֖וּ (yelekhu) = laat gaan | אִ֥ישׁ (ish) = man | לִמְקֹמֽוֹ (limqomo) = naar zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 7:18–22; 1 Sam 14:6; Jes 41:14–16 **7:8** Zij namen de voorraden van het volk in hun hand, en hun ramshoorns. Alle andere mannen van Israël stuurde hij weg, ieder naar zijn tent. De 300 man hield hij vast. Het kamp van Midian lag onder hem, in de vallei. Brontekst: וַיִּקְח֣וּ (vayiqchu) = en namen | אֶת (et) = (obj.) | צֵדָה֩ (tseda) = voorraad van | הָעָ֨ם (haam) = het volk | בְּיָדָ֜ם (beyadam) = in hun hand | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שׁוֹפְרֹֽתֵיהֶ֗ם (shoferoteihem) = hun ramshoorns | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | אִ֤ישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | שִׁלַּח֙ (shilach) = stuurde weg | אִ֣ישׁ (ish) = man | לְאֹֽהָלָ֔יו (leohalav) = naar zijn tent | וּבִשְׁלֹשׁ (uvishlosh) = en met drie | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | הֶֽחֱזִ֑יק (hecheziq) = hield vast | וּמַחֲנֵ֣ה (umachane) = en kamp van | מִדְיָ֔ן (midyan) = Midian | הָ֥יָה (haya) = was | ל֖וֹ (lo) = voor hem | מִתַּ֥חַת (mitachat) = onder | בָּעֵֽמֶק (baemeq) = in de vallei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֵדָה (tsedah), ‘voorraden’: eten voor onderweg. De 300 man nemen het eten en de ramshoorns van de weggestuurde mannen. Een שׁוֹפָר (shofar) is een ramshoorn, zoals in Exod. 19:16 en Lev. 25:9. Zie ook: Ex 19:16; Lev 25:9; Joz 6:4; Joz 6:20; Re 3:27; Jes 27:13; 1 Kor 15:52 ### Gideon in het kamp van Midian **7:9** In diezelfde nacht zei Yahweh tegen hem: **„Sta op, ga af naar het kamp, want Ik heb het in je hand gegeven.** Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֔וּא (hahu) = die | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | ק֖וּם (qum) = sta op | רֵ֣ד (red) = ga af | בַּֽמַּחֲנֶ֑ה (bamachane) = naar het kamp | כִּ֥י (ki) = want | נְתַתִּ֖יו (netativ) = Ik heb het gegeven | בְּיָדֶֽךָ (beyadekha) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:2–3; Job 4:13; Re 3:28; 2 Kron 16:8–9; Hand 18:9–10 **7:10** **Als je bang bent om af te gaan, ga dan met je jongen Pura naar het kamp.** Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | יָרֵ֥א (yare) = je bent bang | אַתָּ֖ה (ata) = jij | לָרֶ֑דֶת (laredet) = om af te gaan | רֵ֥ד (red) = ga af | אַתָּ֛ה (ata) = jij | וּפֻרָ֥ה (ufura) = en Pura | נַעַרְךָ֖ (naarkha) = je jongen | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֻּרָה (Pura) komt alleen hier voor. Hij is Gideons jongen (na’ar), zijn dienaar. Zie ook: Ex 4:10–14; Re 4:8–9 **7:11** **Je zult horen wat zij zeggen. Daarna zullen je handen sterk worden en zul je afdalen naar het kamp.”** Hij daalde met Pura, zijn jongen, af tot aan de rand van de gewapende mannen die in het kamp waren. Brontekst: וְשָֽׁמַעְתָּ֙ (veshamata) = en je zult horen | מַה (ma) = wat | יְדַבֵּ֔רוּ (yedaberu) = zij zeggen | וְאַחַר֙ (veachar) = en daarna | תֶּחֱזַ֣קְנָה (techezaqna) = zullen sterk worden | יָדֶ֔יךָ (yadeikha) = je handen | וְיָרַדְתָּ֖ (veyaradta) = en je zult afdalen | בַּֽמַּחֲנֶ֑ה (bamachane) = naar het kamp | וַיֵּ֤רֶד (vayered) = en daalde af | הוּא֙ (hu) = hij | וּפֻרָ֣ה (ufura) = en Pura | נַעֲר֔וֹ (naaro) = zijn jongen | אֶל (el) = tot | קְצֵ֥ה (qetse) = rand van | הַחֲמֻשִׁ֖ים (hachamushim) = de gewapende mannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בַּֽמַּחֲנֶֽה (bamachane) = in het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲמֻשִׁים (chamushim), ‘gewapende mannen’: het woord komt ook voor in Exod. 13:18 en Joz. 1:14. De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘in vijftallen’ betekenen. Wij vertalen ‘gewapende mannen’. Zie ook: Ex 13:18; Joz 1:14; 1 Sam 14:8–10; Jes 35:3–4; 2 Kor 12:9–10; Ef 6:10; Fil 4:13 **7:12** Midian, Amalek en alle zonen van het oosten lagen neergevallen in de vallei, zo talrijk als sprinkhanen. Hun kamelen waren niet te tellen, zo talrijk als het zand aan de oever van de zee. Brontekst: וּמִדְיָ֨ן (umidyan) = en Midian | וַעֲמָלֵ֤ק (vaamaleq) = en Amalek | וְכָל (vekhal) = en alle | בְּנֵי (benei) = zonen van | קֶ֨דֶם֙ (qedem) = het oosten | נֹפְלִ֣ים (nofelim) = gevallen | בָּעֵ֔מֶק (baemeq) = in de vallei | כָּאַרְבֶּ֖ה (kaarbe) = als sprinkhanen | לָרֹ֑ב (larov) = in menigte | וְלִגְמַלֵּיהֶם֙ (veligmaleihem) = en hun kamelen | אֵ֣ין (ein) = geen | מִסְפָּ֔ר (mispar) = getal | כַּח֛וֹל (kachol) = als zand | שֶׁעַל (sheal) = dat | שְׂפַ֥ת (sefat) = aan oever van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | לָרֹֽב (larov) = in menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde vergelijking met sprinkhanen en zand staat in Richt. 6:5. Zie ook Gen. 22:17. Zie ook: Gen 22:17; Joz 11:4; Re 6:3; Re 6:5; Re 8:10; Jes 8:9–10 **7:13** Gideon kwam, en zie, een man vertelde zijn metgezel een droom. Hij zei: „Zie, ik heb een droom gedroomd. Zie, een rond gerstebrood rolde door het kamp van Midian. Het kwam bij de tent en sloeg die, zodat hij viel. Het keerde de tent ondersteboven, en de tent lag neer.” Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | גִדְע֔וֹן (gidon) = Gideon | וְהִ֨נֵּה (vehine) = en zie | אִ֔ישׁ (ish) = man | מְסַפֵּ֥ר (mesaper) = vertelde | לְרֵעֵ֖הוּ (lereehu) = aan zijn metgezel | חֲל֑וֹם (chalom) = droom | וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en zei | הִנֵּ֧ה (hine) = zie | חֲל֣וֹם (chalom) = droom | חָלַ֗מְתִּי (chalamti) = ik heb gedroomd | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | צְלִ֜יל (tselil) = rond brood | לֶ֤חֶם (lechem) = van brood | שְׂעֹרִים֙ (seorim) = gerst | מִתְהַפֵּךְ֙ (mithapekh) = rolde | בְּמַחֲנֵ֣ה (bemachane) = in kamp van | מִדְיָ֔ן (midyan) = Midian | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | עַד (ad) = tot | הָ֠אֹהֶל (haohel) = de tent | וַיַּכֵּ֧הוּ (vayakehu) = en sloeg hem | וַיִּפֹּ֛ל (vayipol) = en viel | וַיַּהַפְכֵ֥הוּ (vayahafkhehu) = en keerde hem om | לְמַ֖עְלָה (lemala) = naar boven | וְנָפַ֥ל (venafal) = en viel | הָאֹֽהֶל (haohel) = de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְלִיל לֶחֶם שְׂעֹרִים (tselil lechem se’orim), ‘een rond gerstebrood’: een brood van gerst, het brood van arme mensen. Het woord צְלִיל (tselil) komt maar één keer voor, dus de betekenis is niet zeker. Wij vertalen ‘rond brood’. Het brood staat voor Gideon en Israël, de tent voor Midian. Zie ook: Re 4:9; Re 4:21; Re 6:15; Jes 41:14–15; 1 Kor 1:27 **7:14** Zijn metgezel antwoordde: „Dit is niets anders dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de man van Israël. Elohim heeft Midian en heel het kamp in zijn hand gegeven.” Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | רֵעֵ֤הוּ (reehu) = zijn metgezel | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֵ֣ין (ein) = niet | זֹ֔את (zot) = dit | בִּלְתִּ֗י (bilti) = anders dan | אִם (im) = indien | חֶ֛רֶב (cherev) = zwaard van | גִּדְע֥וֹן (gidon) = Gideon | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | נָתַ֤ן (natan) = heeft gegeven | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | אֶת (et) = (obj.) | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘zwaard van Gideon’ is het zwaard van de man die Yahweh gebruikt. De metgezel noemt hier Elohim, niet Yahweh: zo spreekt een Midianiet. De uitleg van de droom bevestigt de belofte van Yahweh in vers 9. Zie ook: Ex 15:14–15; Num 24:10–13; Joz 2:9; Joz 5:1; Re 7:9; 2 Kon 7:6–7 ### Gideon verdeelt de 300 man **7:15** Toen Gideon het verhaal van de droom en de uitleg ervan hoorde, boog hij zich neer. Hij keerde terug naar het kamp van Israël en zei: „Sta op, want Yahweh heeft het kamp van Midian in jullie hand gegeven.” Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כִשְׁמֹ֨עַ (kishmoa) = toen hoorde | גִּדְע֜וֹן (gidon) = Gideon | אֶת (et) = (obj.) | מִסְפַּ֧ר (mispar) = verhaal van | הַחֲל֛וֹם (hachalom) = de droom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שִׁבְר֖וֹ (shivro) = de uitleg ervan | וַיִּשְׁתָּ֑חוּ (vayishtachu) = en boog zich neer | וַיָּ֨שָׁב֙ (vayashav) = en keerde terug | אֶל (el) = naar | מַחֲנֵ֣ה (machane) = kamp van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ק֔וּמוּ (qumu) = sta op | כִּֽי (ki) = want | נָתַ֧ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיֶדְכֶ֖ם (beyedkhem) = in jullie hand | אֶת (et) = (obj.) | מַחֲנֵ֥ה (machane) = kamp van | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּשְׁתַּחוּ (vayishtachu), ‘hij boog zich neer’: Gideon eert Yahweh, die hem zo bemoedigt. Vergelijk Gen. 24:26. Zie ook: Gen 24:26–27; Gen 24:48; Gen 40:8; 2 Kron 20:18–19; 2 Kor 10:4–6 **7:16** Hij verdeelde de 300 man in drie groepen. Hij gaf hun allemaal een ramshoorn in de hand, en lege kruiken met fakkels erin. Brontekst: וַיַּ֛חַץ (vayachats) = en verdeelde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | רָאשִׁ֑ים (rashim) = groepen | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | שׁוֹפָר֤וֹת (shofarot) = ramshoorns | בְּיַד (beyad) = in de hand van | כֻּלָּם֙ (kulam) = hen allen | וְכַדִּ֣ים (vekhadim) = en kruiken | רֵקִ֔ים (reqim) = lege | וְלַפִּדִ֖ים (velapidim) = en fakkels | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in | הַכַּדִּֽים (hakadim) = de kruiken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met drie groepen van 100 man omsingelt Gideon het kamp. Een zelfde indeling zien wij in 1 Sam. 11:11. Voetnoot : לַפִּידִים (lappidim), ‘fakkels’: brandende stokken, door de kruiken afgeschermd. Zie ook: 1 Sam 11:11; 2 Kor 4:7 **7:17** Hij zei tegen hen: „Kijk naar mij en doe zoals ik. Zie, ik kom aan bij de rand van het kamp. Zoals ik doe, zo moeten jullie doen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | מִמֶּ֥נִּי (mimeni) = naar mij | תִרְא֖וּ (tiru) = kijk | וְכֵ֣ן (vekhen) = en zo | תַּעֲשׂ֑וּ (taasu) = doe | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | בָא֙ (ba) = kom | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = aan de rand van | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | כַאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | אֶעֱשֶׂ֖ה (eese) = ik doe | כֵּ֥ן (ken) = zo | תַּעֲשֽׂוּן (taasun) = zullen jullie doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 9:48; Mat 16:24; 1 Kor 11:1; 1 Petr 5:3; Heb 13:7 **7:18** Ik blaas op de ramshoorn, ik en allen die bij mij zijn. Dan moeten ook jullie blazen op de ramshoorns, rondom heel het kamp. Zeg dan: ‘Voor Yahweh en voor Gideon!’” Brontekst: וְתָקַעְתִּי֙ (vetaqati) = en ik blaas | בַּשּׁוֹפָ֔ר (bashofar) = op de ramshoorn | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | וְכָל (vekhal) = en al | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתִּ֑י (iti) = met mij | וּתְקַעְתֶּ֨ם (uteqatem) = en jullie zullen blazen | בַּשּׁוֹפָר֜וֹת (bashofarot) = op de ramshoorns | גַּם (gam) = ook | אַתֶּ֗ם (atem) = jullie | סְבִיבוֹת֙ (sevivot) = rondom | כָּל (kal) = heel | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het kamp | וַאֲמַרְתֶּ֖ם (vaamartem) = en jullie zullen zeggen | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | וּלְגִדְעֽוֹן (ulegidon) = en voor Gideon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De kreet ‘Voor Yahweh en voor Gideon’ staat in vers 20 met het woord ‘zwaard’ erbij. Zie ook: Re 7:20; 1 Sam 17:47; 2 Kron 20:15–17 ### Ramshoorns, kruiken en fakkels **7:19** Gideon en de honderd man die bij hem waren kwamen aan de rand van het kamp, aan het begin van de middelste wake. Net hadden zij de wachters opgesteld. Zij bliezen op de ramshoorns en sloegen de kruiken stuk die in hun hand waren. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | גִ֠דְעוֹן (gidon) = Gideon | וּמֵאָה (umea) = en honderd | אִ֨ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = die | אִתּ֜וֹ (ito) = met hem | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = aan de rand van | הַֽמַּחֲנֶ֗ה (hamachane) = het kamp | רֹ֚אשׁ (rosh) = begin van | הָאַשְׁמֹ֣רֶת (haashmoret) = de wake | הַתִּֽיכוֹנָ֔ה (hatikhona) = de middelste | אַ֛ךְ (akh) = juist | הָקֵ֥ם (haqem) = opgesteld | הֵקִ֖ימוּ (heqimu) = hadden zij | אֶת (et) = (obj.) | הַשֹּֽׁמְרִ֑ים (hashomerim) = de wachters | וַֽיִּתְקְעוּ֙ (vayitqeu) = en bliezen | בַּשּׁ֣וֹפָר֔וֹת (bashofarot) = op de ramshoorns | וְנָפ֥וֹץ (venafots) = en sloegen stuk | הַכַּדִּ֖ים (hakadim) = de kruiken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּיָדָֽם (beyadam) = in hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַשְׁמֹרֶת (ashmoret), ‘wake’: de nacht is verdeeld in drie wakes. De ‘middelste wake’ begint ongeveer rond tien uur ’s avonds. Het kamp was net van wacht gewisseld. Vergelijk Exod. 14:24. Zie ook: Ex 14:24; Re 7:16; Ps 2:9; Mat 25:6; Openb 16:15 **7:20** De drie groepen bliezen op de ramshoorns en braken de kruiken. Zij hielden de fakkels in hun linkerhand en de ramshoorns in hun rechterhand om te blazen. Zij riepen: „Een zwaard voor Yahweh en voor Gideon!” Brontekst: וַֽ֠יִּתְקְעוּ (vayitqeu) = en bliezen | שְׁלֹ֨שֶׁת (sheloshet) = drie | הָרָאשִׁ֥ים (harashim) = de groepen | בַּשּֽׁוֹפָרוֹת֮ (bashofarot) = op de ramshoorns | וַיִּשְׁבְּר֣וּ (vayishberu) = en braken | הַכַּדִּים֒ (hakadim) = de kruiken | וַיַּחֲזִ֤יקוּ (vayachaziqu) = en hielden vast | בְיַד (beyad) = in de hand | שְׂמאוֹלָם֙ (semolam) = hun linker | בַּלַּפִּדִ֔ים (balapidim) = de fakkels | וּבְיַ֨ד (uveyad) = en in de hand | יְמִינָ֔ם (yeminam) = hun rechter | הַשּׁוֹפָר֖וֹת (hashofarot) = de ramshoorns | לִתְק֑וֹעַ (litqoa) = om te blazen | וַֽיִּקְרְא֔וּ (vayiqreu) = en riepen | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | וּלְגִדְעֽוֹן (ulegidon) = en voor Gideon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het zwaard (חֶרֶב, cherev) is hier de strijdkreet. De mannen hebben alleen ramshoorns en fakkels in hun handen. De strijd is het werk van Yahweh (vers 22). Zie ook: Joz 6:16; Joz 6:20; Re 7:22; Jes 27:13; 1 Kor 15:52; 2 Kor 4:7 **7:21** Zij bleven staan, ieder op zijn plaats, rondom het kamp. Heel het kamp begon te rennen. Zij gilden en vluchtten. Brontekst: וַיַּֽעַמְדוּ֙ (vayaamdu) = en stonden | אִ֣ישׁ (ish) = man | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = op zijn plaats | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | לַֽמַּחֲנֶ֑ה (lamachane) = het kamp | וַיָּ֧רָץ (vayarats) = en rende | כָּל (kal) = heel | הַֽמַּחֲנֶ֛ה (hamachane) = het kamp | וַיָּרִ֖יעוּ (vayariu) = en gilden | וַיָּנֽוּסוּ (vayanusu) = en vluchtten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:13–14; Ex 14:25; Spr 28:1; 2 Kon 7:6–7; 2 Kron 20:17 **7:22** Zij bliezen op de 300 ramshoorns. Toen zette Yahweh het zwaard van de een tegen de ander, in heel het kamp. Het kamp vluchtte tot Bet-Hasjitta, naar Zererat, tot aan de oever van Abel-Mechola, bij Tabbat. Brontekst: וַֽיִּתְקְעוּ֮ (vayitqeu) = en bliezen | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | הַשּׁוֹפָרוֹת֒ (hashofarot) = de ramshoorns | וַיָּ֣שֶׂם (vayasem) = en zette | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֣ת (et) = (obj.) | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard van | אִ֛ישׁ (ish) = man | בְּרֵעֵ֖הוּ (bereehu) = tegen zijn naaste | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = het kamp | וַיָּ֨נָס (vayanas) = en vluchtte | הַֽמַּחֲנֶ֜ה (hamachane) = het kamp | עַד (ad) = tot | בֵּ֤ית (beit) = Bet | הַשִּׁטָּה֙ (hashita) = Hasjitta | צְֽרֵרָ֔תָה (tsererata) = Zererat | עַ֛ד (ad) = tot | שְׂפַת (sefat) = oever van | אָבֵ֥ל (avel) = Abel | מְחוֹלָ֖ה (mechola) = Mechola | עַל (al) = bij | טַבָּֽת (tabat) = Tabbat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Hasjitta (‘huis van de acacia’) ligt waarschijnlijk bij het huidige Shatta, in de vallei van Charod (Israël). Zererat is onbekend. Abel-Mechola ligt in de Jordaanvallei, vermoedelijk bij Tell el-Maqlub of Tell Abu Sifri (Jordanië); dit is onzeker. Het is ook de plaats van Elisa (1 Kon. 19:16). Tabbat is onzeker, mogelijk Ras Abu Tabat in Jordanië. De route volgt de vluchtweg van de Jizreëlvlakte naar de Jordaan. Voetnoot Uitleg: De Midianieten keerden zich tegen elkaar in de verwarring. Vergelijk 2 Kron. 20:23. Zie ook: Ps 83:10; 1 Kon 4:12; 1 Kon 19:16; 2 Kron 20:23; Jes 9:3; Jes 19:2 ### De achtervolging van Midian **7:23** De mannen van Israël uit Naftali, uit Aser en uit heel Manasse werden opgeroepen. Zij achtervolgden Midian. Brontekst: וַיִּצָּעֵ֧ק (vayitsaeq) = en werden opgeroepen | אִֽישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מִנַּפְתָּלִ֥י (minaftali) = uit Naftali | וּמִן (umin) = en uit | אָשֵׁ֖ר (asher) = Aser | וּמִן (umin) = en uit | כָּל (kal) = heel | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | וַֽיִּרְדְּפ֖וּ (vayirdefu) = en achtervolgden | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zebulon wordt hier niet genoemd, hoewel het in Richt. 6:35 wel werd opgeroepen. Wij houden de tekst zoals hij staat. Zie ook: Re 6:35; 1 Sam 14:21–22 ### Oreb en Zeëb **7:24** Gideon stuurde boodschappers door heel het bergland van Efraïm. Zij zeiden: „Ga Midian tegemoet naar beneden. Neem de wateren voor hen in, tot Bet-Bara, en ook de Jordaan.” Alle mannen van Efraïm werden opgeroepen. Zij namen de wateren in tot Bet-Bara, en ook de Jordaan. Brontekst: וּמַלְאָכִ֡ים (umalakhim) = en boodschappers | שָׁלַ֣ח (shalach) = stuurde | גִּדְעוֹן֩ (gidon) = Gideon | בְּכָל (bekhal) = in heel | הַ֨ר (har) = bergland van | אֶפְרַ֜יִם (efrayim) = Efraïm | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | רְד֞וּ (redu) = ga af | לִקְרַ֤את (liqrat) = tegemoet aan | מִדְיָן֙ (midyan) = Midian | וְלִכְד֤וּ (velikhdu) = en neem in | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּ֔יִם (hamayim) = de wateren | עַ֛ד (ad) = tot | בֵּ֥ית (beit) = Bet | בָּרָ֖ה (bara) = Bara | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וַיִּצָּעֵ֞ק (vayitsaeq) = en werden opgeroepen | כָּל (kal) = alle | אִ֤ישׁ (ish) = man van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | וַיִּלְכְּד֣וּ (vayilkedu) = en namen in | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּ֔יִם (hamayim) = de wateren | עַ֛ד (ad) = tot | בֵּ֥ית (beit) = Bet | בָּרָ֖ה (bara) = Bara | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Bara is een plaats of voorde aan de Jordaan, wier ligging niet bekend is. Waarschijnlijk lag die in de Jordaanvallei, ten zuiden van de Jizreëlvlakte. Efraïm moest de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan afsluiten, zodat Midian niet kon vluchten naar het oosten. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie ook: Re 3:27–28; Re 12:5; Joh 1:28; Rom 15:30; Fil 1:27 **7:25** Zij namen twee vorsten van Midian gevangen: Oreb en Zeëb. Oreb doodden zij bij de rots van Oreb, en Zeëb doodden zij bij de wijnpers van Zeëb. Zij achtervolgden Midian. De hoofden van Oreb en Zeëb brachten zij naar Gideon, aan de overkant van de Jordaan. Brontekst: וַֽיִּלְכְּד֡וּ (vayilkedu) = en namen gevangen | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | שָׂרֵ֨י (sarei) = vorsten van | מִדְיָ֜ן (midyan) = Midian | אֶת (et) = (obj.) | עֹרֵ֣ב (orev) = Oreb | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זְאֵ֗ב (zeev) = Zeëb | וַיַּהַרְג֨וּ (vayahargu) = en doodden | אֶת (et) = (obj.) | עוֹרֵ֤ב (orev) = Oreb | בְּצוּר (betsur) = bij de rots van | עוֹרֵב֙ (orev) = Oreb | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זְאֵב֙ (zeev) = Zeëb | הָרְג֣וּ (haregu) = doodden zij | בְיֶֽקֶב (beyeqev) = bij de wijnpers van | זְאֵ֔ב (zeev) = Zeëb | וַֽיִּרְדְּפ֖וּ (vayirdefu) = en achtervolgden | אֶל (el) = naar | מִדְיָ֑ן (midyan) = Midian | וְרֹאשׁ (verosh) = en hoofd van | עֹרֵ֣ב (orev) = Oreb | וּזְאֵ֔ב (uzeev) = en Zeëb | הֵבִ֨יאוּ֙ (heviu) = brachten | אֶל (el) = naar | גִּדְע֔וֹן (gidon) = Gideon | מֵעֵ֖בֶר (meever) = van over | לַיַּרְדֵּֽן (layarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De rots van Oreb en de wijnpers van Zeëb liggen ten westen van de Jordaan; hun ligging is onbekend. De rots van Oreb wordt ook genoemd in Jes. 10:26. Zie ook Ps. 83:12. Voetnoot Uitleg: עֹרֵב (Orev), ‘raaf’, en זְאֵב (Ze’ev), ‘wolf’: de namen van de twee vorsten betekenen ‘raaf’ en ‘wolf’. Voetnoot Lezing: ‘Aan de overkant van de Jordaan’ (מֵעֵבֶר לַיַּרְדֵּן, me’ever layYarden) kan betekenen dat Gideon al aan de oostkant stond. Zo begint Richt. 8:4 met de oversteek. Zie ook: Joz 7:26; Re 8:3–4; Re 8:4; Ps 83:12–13; Jes 10:26 ## Richteren 8 _Efraïm, Sukkot en Penuël, de efod en de dood van Gideon_ ### Efraïm klaagt **8:1** De mannen van Efraïm zeiden tegen hem: „Wat is dit voor iets dat je ons hebt aangedaan? Je hebt ons niet geroepen toen je ging strijden tegen Midian.” Zij maakten hem hevig verwijten. Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | אִ֣ישׁ (ish) = mannen van | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | מָֽה (ma) = wat | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = het ding | הַזֶּה֙ (haze) = dit | עָשִׂ֣יתָ (asita) = deed je | לָּ֔נוּ (lanu) = aan ons | לְבִלְתִּי֙ (levilti) = door niet | קְרֹ֣אות (qerovt) = te roepen | לָ֔נוּ (lanu) = ons | כִּ֥י (ki) = toen | הָלַ֖כְתָּ (halakhta) = je ging | לְהִלָּחֵ֣ם (lehilachem) = om te strijden | בְּמִדְיָ֑ן (bemidyan) = tegen Midian | וַיְרִיב֥וּן (vayrivun) = en maakten verwijten | אִתּ֖וֹ (ito) = hem | בְּחָזְקָֽה (bechazeqa) = hevig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Efraïmieten voelen zich gepasseerd. Efraïm is de machtigste stam in het noorden; vergelijk Richt. 12:1–6, waar het opnieuw gebeurt, tegen Jefta. Zie ook: Job 5:2; Re 12:1–6; 2 Sam 19:42; Pred 4:4; Jak 4:5–6 **8:2** Hij zei tegen hen: „Wat heb ik nu gedaan in vergelijking met jullie? Is de nalezing van Efraïm niet beter dan de druivenoogst van Abiëzer? Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | מֶה (me) = wat | עָשִׂ֥יתִי (asiti) = heb ik gedaan | עַתָּ֖ה (ata) = nu | כָּכֶ֑ם (kakhem) = zoals jullie | הֲל֗וֹא (halo) = niet | ט֛וֹב (tov) = beter | עֹלְל֥וֹת (olelot) = nalezing van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | מִבְצִ֥יר (mivtsir) = dan druivenoogst van | אֲבִיעֶֽזֶר (aviezer) = Abiëzer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹלֲלוֹת (olelot), ‘nalezing’, tegenover בָּצִיר (batsir), ‘druivenoogst’: Gideon zegt dat de kleine daad van Efraïm meer waard is dan zijn eigen grote oogst. Abiëzer is Gideons familie (Richt. 6:11). Zie ook: Re 6:11; Re 6:34; Jak 1:19–20; Jak 3:13–18; Fil 2:2–3 **8:3** Elohim heeft de vorsten van Midian, Oreb en Zeëb, in jullie hand gegeven. Wat kon ik doen in vergelijking met jullie?” Toen hij dit zei, werd hun gemoed rustiger tegenover hem. Brontekst: בְּיֶדְכֶם֩ (beyedkhem) = in jullie hand | נָתַ֨ן (natan) = gaf | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֤י (sarei) = vorsten van | מִדְיָן֙ (midyan) = Midian | אֶת (et) = (obj.) | עֹרֵ֣ב (orev) = Oreb | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זְאֵ֔ב (zeev) = Zeëb | וּמַה (uma) = en wat | יָּכֹ֖לְתִּי (yakholti) = kon ik | עֲשׂ֣וֹת (asot) = doen | כָּכֶ֑ם (kakhem) = zoals jullie | אָ֗ז (az) = toen | רָפְתָ֤ה (rafeta) = werd rustig | רוּחָם֙ (rucham) = hun gemoed | מֵֽעָלָ֔יו (mealav) = tegenover hem | בְּדַבְּר֖וֹ (bedabero) = toen hij sprak | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘gemoed’: letterlijk ‘geest’ of ‘adem’. Hun woede zakte weg. Wij vertalen ‘gemoed’. Zie ook: Re 7:24–25; Ps 118:14–16; Spr 15:1; Spr 25:15; Rom 12:3 ### Sukkot en Penuël weigeren **8:4** Gideon kwam bij de Jordaan en stak over, hij en de 300 man die bij hem waren. Zij waren vermoeid, maar zij bleven achtervolgen. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | גִדְע֖וֹן (gidon) = Gideon | הַיַּרְדֵּ֑נָה (hayardena) = naar de Jordaan | עֹבֵ֣ר (over) = stak over | ה֗וּא (hu) = hij | וּשְׁלֹשׁ (ushelosh) = en drie | מֵא֤וֹת (meot) = honderd | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | עֲיֵפִ֖ים (ayefim) = vermoeid | וְרֹדְפִֽים (verodefim) = en achtervolgend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Jordaan is de rivier ten oosten van de vallei van Jizreël. Gideon steekt hem over, richting Sukkot, ten oosten van de rivier (Jordanië). Zie ook: 1 Sam 14:28–29; 1 Sam 30:10; Gal 6:9; 2 Kor 4:16; Heb 12:1–4 **8:5** Hij zei tegen de mannen van Sukkot: „Geef toch broden aan het volk dat mij volgt, want zij zijn vermoeid. Ik ben Zebach en Zalmunna, de koningen van Midian, aan het achtervolgen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | לְאַנְשֵׁ֣י (leanshei) = tot mannen van | סֻכּ֔וֹת (sukot) = Sukkot | תְּנוּ (tenu) = geef | נָא֙ (na) = toch | כִּכְּר֣וֹת (kikerot) = broden van | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | לָעָ֖ם (laam) = aan het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בְּרַגְלָ֑י (beraglay) = in mijn voetspoor | כִּי (ki) = want | עֲיֵפִ֣ים (ayefim) = vermoeid | הֵ֔ם (hem) = zij | וְאָנֹכִ֗י (veanokhi) = en ik | רֹדֵ֛ף (rodef) = achtervolg | אַחֲרֵ֛י (acharei) = achter | זֶ֥בַח (zevach) = Zebach | וְצַלְמֻנָּ֖ע (vetsalmuna) = en Zalmunna | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sukkot ligt ten oosten van de Jordaan, in de vallei van de Jabbok. Het ligt waarschijnlijk bij Tell Deir Alla (Jordanië). Dit is waarschijnlijk, niet zeker. Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: Zebach (זֶבַח) en Zalmunna (צַלְמֻנָּע) zijn koningen van Midian. In Ps. 83:12 worden zij samen met Oreb en Zeëb genoemd. כִּכְּרוֹת (kikkarot), ‘broden’: ronde, platte broden. Zie ook Exod. 29:23. Zie ook: Gen 14:18; Gen 33:17; Ex 29:23; Deut 23:5; Ps 60:8; Ps 83:12; 3 Joh 1:6–8 **8:6** De oversten van Sukkot zeiden: „Is de hand van Zebach en Zalmunna nu al in jouw hand? Moeten wij dan brood geven aan jouw leger?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zeiden | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | סֻכּ֔וֹת (sukot) = Sukkot | הֲ֠כַף (hakhaf) = de hand | זֶ֧בַח (zevach) = Zebach | וְצַלְמֻנָּ֛ע (vetsalmuna) = en Zalmunna | עַתָּ֖ה (ata) = nu | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in jouw hand | כִּֽי (ki) = dat | נִתֵּ֥ן (niten) = wij geven | לִֽצְבָאֲךָ֖ (litsvaakha) = aan je leger | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ‘De hand van Zebach en Zalmunna’ (כַּף, kaf): letterlijk ‘handpalm’. De oversten van Sukkot zeggen: je hebt hen nog niet gevangen, waarom zouden wij je helpen? Zij durven Midian niet te beledigen. Zie ook: Gen 37:25; Re 5:23; Re 8:15; 1 Kon 20:11; Fil 2:21 **8:7** Gideon zei: „Daarom dit: wanneer Yahweh Zebach en Zalmunna in mijn hand geeft, dan zal ik jullie vlees dorsen. Ik doe dat met de doornen van de woestijn en met distels.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | גִּדְע֔וֹן (gidon) = Gideon | לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | בְּתֵ֧ת (betet) = wanneer geeft | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֥בַח (zevach) = Zebach | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צַלְמֻנָּ֖ע (tsalmuna) = Zalmunna | בְּיָדִ֑י (beyadi) = in mijn hand | וְדַשְׁתִּי֙ (vedashti) = en ik zal dorsen | אֶת (et) = (obj.) | בְּשַׂרְכֶ֔ם (besarkhem) = jullie vlees | אֶת (et) = met | קוֹצֵ֥י (qotsei) = doornen van | הַמִּדְבָּ֖ר (hamidbar) = de woestijn | וְאֶת (veet) = en met | הַֽבַּרְקֳנִֽים (habarqonim) = de distels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דּוּשׁ (dush), ‘dorsen’: met zware sleden over het koren heen gaan. Gideon dreigt de mannen van Sukkot zo te dorsen met doornen. Vergelijk Amos 1:3. Zie ook: Re 7:15; Amos 1:3 **8:8** Van daar trok hij op naar Penuël. Hij sprak hen op dezelfde wijze aan. De mannen van Penuël antwoordden hem zoals de mannen van Sukkot hadden geantwoord. Brontekst: וַיַּ֤עַל (vayaal) = en trok op | מִשָּׁם֙ (misham) = vandaar | פְּנוּאֵ֔ל (penuel) = naar Penuël | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | כָּזֹ֑את (kazot) = zo | וַיַּעֲנ֤וּ (vayaanu) = en antwoordden | אוֹתוֹ֙ (oto) = hem | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | פְנוּאֵ֔ל (penuel) = Penuël | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָנ֖וּ (anu) = antwoordden | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | סֻכּֽוֹת (sukot) = Sukkot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Penuël ligt aan de Jabbok, ten oosten van de Jordaan (Gen. 32:31–32). De ligging is waarschijnlijk Tulul ed-Dhahab in Jordanië. Zeker is dat niet. Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok. Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Gen 32:30–31; Gen 32:31–32; 1 Kon 12:25 **8:9** Ook tegen de mannen van Penuël zei hij: „Wanneer ik in vrede terugkom, zal ik deze toren afbreken.” Brontekst: וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en zei | גַּם (gam) = ook | לְאַנְשֵׁ֥י (leanshei) = tot mannen van | פְנוּאֵ֖ל (penuel) = Penuël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | בְּשׁוּבִ֣י (beshuvi) = wanneer ik terugkom | בְשָׁל֔וֹם (beshalom) = in vrede | אֶתֹּ֖ץ (etots) = zal ik afbreken | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּגְדָּ֥ל (hamigdal) = de toren | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok. Voetnoot Uitleg: Een ‘toren’ (מִגְדָּל, migdal) is een versterkte toren, vermoedelijk de vesting van de stad. Zie ook: Re 8:17; 1 Kon 22:27–28 ### De gevangenneming van Zebach en Zalmunna **8:10** Zebach en Zalmunna waren in Karkor, en hun legers met hen, ongeveer 15.000 man. Dat waren allen die waren overgebleven van heel het leger van de zonen van het oosten. Er waren 120.000 man gevallen die het zwaard trokken. Brontekst: וְזֶ֨בַח (vezevach) = en Zebach | וְצַלְמֻנָּ֜ע (vetsalmuna) = en Zalmunna | בַּקַּרְקֹ֗ר (baqarqor) = in Karkor | וּמַחֲנֵיהֶ֤ם (umachaneihem) = en hun legers | עִמָּם֙ (imam) = met hen | כַּחֲמֵ֤שֶׁת (kachameshet) = ongeveer vijf | עָשָׂר֙ (asar) = tien | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | כֹּ֚ל (kol) = alle | הַנּ֣וֹתָרִ֔ים (hanotarim) = de overgeblevenen | מִכֹּ֖ל (mikol) = van heel | מַחֲנֵ֣ה (machane) = leger van | בְנֵי (benei) = zonen van | קֶ֑דֶם (qedem) = het oosten | וְהַנֹּ֣פְלִ֔ים (vehanofelim) = en de gevallenen | מֵאָ֨ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | שֹׁ֥לֵֽף (sholef) = die trokken | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Karkor ligt ver in de oostelijke woestijn, ten oosten van de Jordaan; de plaats is onbekend. Voetnoot Uitleg: Het leger van Midian en zijn bondgenoten telde dus ongeveer 135.000 man: 120.000 gevallen en 15.000 overgebleven. Zie Richt. 6:33. Zie ook: Re 6:33; Re 7:12; Re 20:15; Re 20:35; 2 Kon 3:26; Jes 9:3 **8:11** Gideon trok op over de weg van de tentbewoners, ten oosten van Nobach en Jogbea. Hij versloeg het leger, want het leger voelde zich veilig. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en trok op | גִּדְע֗וֹן (gidon) = Gideon | דֶּ֚רֶךְ (derekh) = weg van | הַשְּׁכוּנֵ֣י (hashekhunei) = de bewoners van | בָֽאֳהָלִ֔ים (baohalim) = in tenten | מִקֶּ֥דֶם (miqedem) = ten oosten van | לְנֹ֖בַח (lenovach) = van Nobach | וְיָגְבֳּהָ֑ה (veyagboha) = en Jogbea | וַיַּךְ֙ (vayakh) = en versloeg | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = het leger | וְהַֽמַּחֲנֶ֖ה (vehamachane) = en het leger | הָ֥יָה (haya) = was | בֶֽטַח (betach) = veilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Nobach en Jogbea liggen ten oosten van de Jordaan, in het gebied van Gad (Num. 32:35, 42). Jogbea is het huidige Khirbet el-Jubeihat (Jordanië). Nobach is onbekend. Zie Jogbeha: Jogbeha wordt gezocht bij Khirbet el-Jubeihat, in de buurt van Amman. Voetnoot Uitleg: שָׁכֵן בָּאֳהָלִים (shokhnei ha’ohalim), ‘de tentbewoners’: nomaden uit de woestijn, die in tenten leven. Zie ook: Num 32:35; Num 32:42; Re 18:27; 1 Sam 15:32; 1 Tess 5:3 **8:12** Zebach en Zalmunna vluchtten. Hij achtervolgde hen en nam de twee koningen van Midian gevangen, Zebach en Zalmunna. Heel het leger joeg hij schrik aan. Brontekst: וַיָּנ֗וּסוּ (vayanusu) = en vluchtten | זֶ֚בַח (zevach) = Zebach | וְצַלְמֻנָּ֔ע (vetsalmuna) = en Zalmunna | וַיִּרְדֹּ֖ף (vayirdof) = en achtervolgde | אַחֲרֵיהֶ֑ם (achareihem) = hen | וַיִּלְכֹּ֞ד (vayilkod) = en nam gevangen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | מִדְיָ֗ן (midyan) = Midian | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֨בַח֙ (zevach) = Zebach | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צַלְמֻנָּ֔ע (tsalmuna) = Zalmunna | וְכָל (vekhal) = en heel | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = het leger | הֶחֱרִֽיד (hecherid) = joeg schrik aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Zie ook: Job 12:16–21; Job 34:19; Ps 83:12; Openb 6:15–16; Openb 19:19–21 ### Gideon straft Sukkot en Penuël **8:13** Gideon, de zoon van Joas, keerde terug van de strijd, van de hoogte van Cheres. Brontekst: וַיָּ֛שָׁב (vayashav) = en keerde terug | גִּדְע֥וֹן (gidon) = Gideon | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | מִן (min) = van | הַמִּלְחָמָ֑ה (hamilchama) = de strijd | מִֽלְמַעֲלֵ֖ה (milmaale) = van de hoogte van | הֶחָֽרֶס (hechares) = Cheres Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: הַחֶרֶס (heheres), ‘Cheres’: het woord betekent ‘zon’ of ‘aardewerk’. Het kan een plaatsnaam zijn (de hoogte van Cheres), of ‘vóór zonsopgang’ of ‘bij de opkomst van de zon’. De betekenis is niet zeker. Wij houden ‘hoogte van Cheres’ als plaatsnaam, zoals in Richt. 1:35 een andere plaats Har-Cheres heet. Zie ook: Re 1:35 **8:14** Hij nam een jongen van de mannen van Sukkot gevangen en ondervroeg hem. Die schreef voor hem de oversten van Sukkot en zijn oudsten op: 77 man. Brontekst: וַיִּלְכָּד (vayilkad) = en nam gevangen | נַ֛עַר (naar) = jongen | מֵאַנְשֵׁ֥י (meanshei) = van mannen van | סֻכּ֖וֹת (sukot) = Sukkot | וַיִּשְׁאָלֵ֑הוּ (vayishalehu) = en ondervroeg hem | וַיִּכְתֹּ֨ב (vayikhtov) = en schreef op | אֵלָ֜יו (elav) = voor hem | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵ֤י (sarei) = oversten van | סֻכּוֹת֙ (sukot) = Sukkot | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זְקֵנֶ֔יהָ (zeqeneiha) = zijn oudsten | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וְשִׁבְעָ֖ה (veshiva) = en zeven | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws spreekt van 77 oudsten en oversten, geteld door een jongen die Gideon gevangen nam. Het getal laat zien hoe groot het bestuur van de stad was. Zie ook: Re 1:24–25; 1 Sam 30:11–15 **8:15** Hij kwam bij de mannen van Sukkot en zei: „Zie, Zebach en Zalmunna, over wie jullie mij bespot hebben. Jullie zeiden: ‘Is de hand van Zebach en Zalmunna nu al in jouw hand? Moeten wij dan brood geven aan jouw vermoeide mannen?’” Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | אֶל (el) = tot | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | סֻכּ֔וֹת (sukot) = Sukkot | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | הִנֵּ֖ה (hine) = zie | זֶ֣בַח (zevach) = Zebach | וְצַלְמֻנָּ֑ע (vetsalmuna) = en Zalmunna | אֲשֶׁר֩ (asher) = over wie | חֵרַפְתֶּ֨ם (cheraftem) = jullie bespotten | אוֹתִ֜י (oti) = mij | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | הֲ֠כַף (hakhaf) = de hand | זֶ֣בַח (zevach) = Zebach | וְצַלְמֻנָּ֤ע (vetsalmuna) = en Zalmunna | עַתָּה֙ (ata) = nu | בְּיָדֶ֔ךָ (beyadekha) = in jouw hand | כִּ֥י (ki) = dat | נִתֵּ֛ן (niten) = wij geven | לַאֲנָשֶׁ֥יךָ (laanasheikha) = aan je mannen | הַיְּעֵפִ֖ים (hayeefim) = de vermoeiden | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Re 8:6–7 **8:16** Hij nam de oudsten van de stad en de doornen van de woestijn en de distels. Daarmee liet hij de mannen van Sukkot ervaren wat hij bedoelde. Brontekst: וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קוֹצֵ֥י (qotsei) = doornen van | הַמִּדְבָּ֖ר (hamidbar) = de woestijn | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽבַּרְקֳנִ֑ים (habarqonim) = de distels | וַיֹּ֣דַע (vayoda) = en liet ervaren | בָּהֶ֔ם (bahem) = daarmee | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | סֻכּֽוֹת (sukot) = Sukkot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Lezing: וַיֹּדַע (vayoda), ‘liet ervaren’: letterlijk ‘hij liet weten’. Sommige oude handschriften en vertalingen lezen וַיָּדֶשׁ (vayyadesh), ‘hij dorste’. Dat past bij de dreiging in vers 7. Wij houden de klinkers van het Hebreeuws en vertalen ‘liet ervaren wat hij bedoelde’. Zie ook: Re 8:7; Spr 10:13; Spr 19:29; Mi 7:4; Ezra 2:6 **8:17** Hij brak de toren van Penuël af en doodde de mannen van de stad. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְדַּ֥ל (migdal) = toren van | פְּנוּאֵ֖ל (penuel) = Penuël | נָתָ֑ץ (natats) = brak af | וַֽיַּהֲרֹ֖ג (vayaharog) = en doodde | אֶת (et) = (obj.) | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok. Voetnoot Uitleg: Gideon volbrengt de dreiging van vers 9. De toren van Penuël was een vesting. Zie ook: Re 8:9; 1 Kon 12:25 ### De dood van Zebach en Zalmunna **8:18** Hij zei tegen Zebach en Zalmunna: „Hoe waren de mannen die jullie bij de Tabor hebben gedood?” Zij zeiden: „Zoals jij, zo waren zij. Elk leek op een zoon van een koning.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | זֶ֨בַח֙ (zevach) = Zebach | וְאֶל (veel) = en tot | צַלְמֻנָּ֔ע (tsalmuna) = Zalmunna | אֵיפֹה֙ (eifo) = waar | הָאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֲרַגְתֶּ֖ם (haragtem) = jullie doodden | בְּתָב֑וֹר (betavor) = bij de Tabor | וַֽיֹּאמרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | כָּמ֣וֹךָ (kamokha) = zoals jij | כְמוֹהֶ֔ם (kemohem) = zoals zij | אֶחָ֕ד (echad) = een | כְּתֹ֖אַר (ketoar) = zoals gestalte van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Tabor is een berg in het noorden van Israël, aan de rand van de vallei van Jizreël (Israël). Wat Zebach en Zalmunna daar deden, vertelt de Bijbel niet. Voetnoot Uitleg: Gideon wil weten wat hij niet eerder wist: zij hadden zijn broers gedood. De mannen leken op ‘zonen van een koning’: zij waren dus van adel. Zie ook: Re 4:6; Ps 12:3; Ps 89:13; Jud 1:16 **8:19** Hij zei: „Het waren mijn broers, de zonen van mijn moeder. Zo waar Yahweh leeft: als jullie hen in leven hadden gelaten, zou ik jullie niet doden.” Brontekst: וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en zei | אַחַ֥י (achay) = mijn broers | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | אִמִּ֖י (imi) = mijn moeder | הֵ֑ם (hem) = zij | חַי (chay) = zo waar leeft | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | ל֚וּ (lu) = als | הַחֲיִתֶ֣ם (hachayitem) = jullie in leven lieten | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | לֹ֥א (lo) = niet | הָרַ֖גְתִּי (haragti) = zou ik doden | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed. Gideon wil de bloedwraak uitvoeren voor zijn broers (vergelijk Num. 35:19). Zie ook: Num 35:19 **8:20** Hij zei tegen Jeter, zijn eerstgeborene: „Sta op, dood hen.” Maar de jongen trok zijn zwaard niet, want hij was bang. Hij was nog een jongen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | לְיֶ֣תֶר (leyeter) = tot Jeter | בְּכוֹר֔וֹ (bekhoro) = zijn eerstgeborene | ק֖וּם (qum) = sta op | הֲרֹ֣ג (harog) = dood | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁלַ֨ף (shalaf) = trok | הַנַּ֤עַר (hanaar) = de jongen | חַרְבּוֹ֙ (charbo) = zijn zwaard | כִּ֣י (ki) = want | יָרֵ֔א (yare) = hij vreesde | כִּ֥י (ki) = want | עוֹדֶ֖נּוּ (odenu) = nog | נָֽעַר (naar) = jongen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶתֶר (Yeter), ‘Jeter’: Gideons oudste zoon. Hij is nog een jongen (na’ar) en durft niet. Zie ook: Joz 10:24; 1 Sam 15:33; Ps 149:9 **8:21** Zebach en Zalmunna zeiden: „Sta jij op en val ons aan, want zoals de man is, is zijn kracht.” Gideon stond op en doodde Zebach en Zalmunna. Hij nam de maantjes die aan de halzen van hun kamelen hingen. Brontekst: וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en zeiden | זֶ֣בַח (zevach) = Zebach | וְצַלְמֻנָּ֗ע (vetsalmuna) = en Zalmunna | ק֤וּם (qum) = sta op | אַתָּה֙ (ata) = jij | וּפְגַע (ufega) = en val aan | בָּ֔נוּ (banu) = ons | כִּ֥י (ki) = want | כָאִ֖ישׁ (kaish) = zoals de man | גְּבוּרָת֑וֹ (gevurato) = zijn kracht | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | גִּדְע֗וֹן (gidon) = Gideon | וַֽיַּהֲרֹג֙ (vayaharog) = en doodde | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֣בַח (zevach) = Zebach | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צַלְמֻנָּ֔ע (tsalmuna) = Zalmunna | וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׂ֣הֲרֹנִ֔ים (hasaharonim) = de maantjes | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּצַוְּארֵ֥י (betsaverei) = aan de halzen van | גְמַלֵּיהֶֽם (gemaleihem) = hun kamelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂהֲרֹנִים (saharonim), ‘maantjes’: halvemaanvormige sieraden die kamelen om de hals droegen. Zie ook vers 26; Jes. 3:18. Voetnoot : Gideon doodt hen zelf, zoals bij de bloedwraak. Zie ook: Re 8:26; 1 Sam 31:3; Ps 83:12; Jes 3:18; Openb 9:6 ### Gideon weigert het koningschap **8:22** De mannen van Israël zeiden tegen Gideon: „Heers over ons, jij en je zoon en ook de zoon van je zoon. Want jij hebt ons gered uit de hand van Midian.” Brontekst: וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | אִֽישׁ (ish) = man van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | גִּדְע֔וֹן (gidon) = Gideon | מְשָׁל (meshal) = heers | בָּ֨נוּ֙ (banu) = over ons | גַּם (gam) = ook | אַתָּ֔ה (ata) = jij | גַּם (gam) = ook | בִּנְךָ֖ (binkha) = je zoon | גַּ֣ם (gam) = ook | בֶּן (ben) = zoon van | בְּנֶ֑ךָ (benekha) = je zoon | כִּ֥י (ki) = want | הוֹשַׁעְתָּ֖נוּ (hoshatanu) = je redde ons | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשֹׁל (meshol), ‘heersen’: koning zijn. De Israëlieten vragen om een erfelijk koningschap: ook de zoon en kleinzoon moeten heersen. Zie ook Richt. 9 en 1 Sam. 8. Zie ook: Re 9:8–15; 1 Sam 8:5; 1 Sam 12:12; Joh 6:15 **8:23** Gideon zei tegen hen: „Ik zal niet over jullie heersen. Mijn zoon zal ook niet over jullie heersen. Yahweh zal over jullie heersen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | גִּדְע֔וֹן (gidon) = Gideon | לֹֽא (lo) = niet | אֶמְשֹׁ֤ל (emshol) = zal ik heersen | אֲנִי֙ (ani) = ik | בָּכֶ֔ם (bakhem) = over jullie | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִמְשֹׁ֥ל (yimshol) = zal heersen | בְּנִ֖י (beni) = mijn zoon | בָּכֶ֑ם (bakhem) = over jullie | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִמְשֹׁ֥ל (yimshol) = zal heersen | בָּכֶֽם (bakhem) = over jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gideon wijst het koningschap af en erkent Yahweh als heerser. Vergelijk 1 Sam. 8:7 en Deut. 17:14–20. Zie ook: Deut 17:14–20; 1 Sam 8:7; 1 Sam 10:19; 1 Sam 12:12; Jes 33:22; 2 Kor 1:24; 1 Petr 5:3 ### De efod van Gideon **8:24** Gideon zei tegen hen: „Ik wil jullie één ding vragen: geef mij ieder de ring uit zijn buit.” Want zij hadden gouden ringen, omdat zij Ismaëlieten waren. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֜ם (alehem) = tot hen | גִּדְע֗וֹן (gidon) = Gideon | אֶשְׁאֲלָ֤ה (eshala) = ik wil vragen | מִכֶּם֙ (mikem) = van jullie | שְׁאֵלָ֔ה (sheela) = een vraag | וּתְנוּ (utenu) = en geef | לִ֕י (li) = mij | אִ֖ישׁ (ish) = man | נֶ֣זֶם (nezem) = ring van | שְׁלָל֑וֹ (shelalo) = zijn buit | כִּֽי (ki) = want | נִזְמֵ֤י (nizmei) = ringen van | זָהָב֙ (zahav) = goud | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | כִּ֥י (ki) = want | יִשְׁמְעֵאלִ֖ים (yishmeelim) = Ismaëlieten | הֵֽם (hem) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶזֶם (nezem), ‘ring’: een oorring of neusring (Gen. 24:22; Exod. 32:2–3). Wij houden ‘ring’. Voetnoot : יִשְׁמְעֵאלִים (Yishme’elim), ‘Ismaëlieten’: hier een andere naam voor de Midianieten of voor de nomaden van de woestijn. Vergelijk Gen. 37:25–28, waar Midianieten en Ismaëlieten door elkaar genoemd worden. Zie ook: Gen 24:22; Gen 25:13; Gen 37:25; Gen 37:28; Ex 32:2–3; Ex 32:3; 1 Petr 3:3–5 **8:25** Zij zeiden: „Wij geven ze graag.” Zij spreidden een mantel uit en iedereen wierp daar de ring uit zijn buit op. Brontekst: וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zeiden | נָת֣וֹן (naton) = zeker geven | נִתֵּ֑ן (niten) = wij geven | וַֽיִּפְרְשׂוּ֙ (vayifresu) = en spreidden uit | אֶת (et) = (obj.) | הַשִּׂמְלָ֔ה (hasimla) = de mantel | וַיַּשְׁלִ֣יכוּ (vayashlikhu) = en wierpen | שָׁ֔מָּה (shama) = daarop | אִ֖ישׁ (ish) = man | נֶ֥זֶם (nezem) = ring van | שְׁלָלֽוֹ (shelalo) = zijn buit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:26** Het gewicht van de gouden ringen die hij had gevraagd was 1.700 sikkels goud. Daar kwamen de maantjes, de hangers en de purperen kleren van de koningen van Midian nog bij. Ook de kettingen aan de halzen van hun kamelen kwamen er nog bij. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | מִשְׁקַ֞ל (mishqal) = gewicht van | נִזְמֵ֤י (nizmei) = ringen van | הַזָּהָב֙ (hazahav) = het goud | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׁאָ֔ל (shaal) = hij vroeg | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | וּשְׁבַע (usheva) = en zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | זָהָ֑ב (zahav) = goud | לְ֠בַד (levad) = behalve | מִן (min) = van | הַשַּׂהֲרֹנִ֨ים (hasaharonim) = de maantjes | וְהַנְּטִפ֜וֹת (vehanetifot) = en de hangers | וּבִגְדֵ֣י (uvigdei) = en kleren van | הָאַרְגָּמָ֗ן (haargaman) = purper | שֶׁעַל֙ (sheal) = die | מַלְכֵ֣י (malkhei) = aan koningen van | מִדְיָ֔ן (midyan) = Midian | וּלְבַד֙ (ulevad) = en behalve | מִן (min) = van | הָ֣עֲנָק֔וֹת (haanaqot) = de kettingen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּצַוְּארֵ֥י (betsaverei) = aan de halzen van | גְמַלֵּיהֶֽם (gemaleihem) = hun kamelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: הַנְּטִיפוֹת (hannetifot), ‘de hangers’: druppelvormige sieraden, vermoedelijk oorhangers. Purper was een kostbare kleur voor koningen. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt geen maat; er staat ‘duizend en zevenhonderd goud’. Wij vullen ‘sikkels’ aan, zoals de gewoonte is bij goudgewichten. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram, dus 1.700 sikkels is ongeveer 19 kilogram. Zie ook: Est 8:15; Joh 19:2; Joh 19:5; Openb 18:12; Openb 18:16 **8:27** Gideon maakte er een efod van en plaatste die in zijn stad, in Ofra. Heel Israël ging daar achter hem aan hoereren. Het werd een valstrik voor Gideon en zijn huis. Brontekst: וַיַּעַשׂ֩ (vayaas) = en maakte | אוֹת֨וֹ (oto) = het | גִדְע֜וֹן (gidon) = Gideon | לְאֵפ֗וֹד (leefod) = tot efod | וַיַּצֵּ֨ג (vayatseg) = en plaatste | אוֹת֤וֹ (oto) = het | בְעִירוֹ֙ (beiro) = in zijn stad | בְּעָפְרָ֔ה (beafera) = in Ofra | וַיִּזְנ֧וּ (vayiznu) = en hoereerden | כָֽל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אַחֲרָ֖יו (acharav) = achter hem aan | שָׁ֑ם (sham) = daar | וַיְהִ֛י (vayhi) = en het werd | לְגִדְע֥וֹן (legidon) = voor Gideon | וּלְבֵית֖וֹ (uleveito) = en voor zijn huis | לְמוֹקֵֽשׁ (lemoqesh) = tot valstrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ofra is niet vastgesteld (Richt. 6:11). Voetnoot Uitleg: אֵפוֹד (efod): hier een gouden voorwerp, vermoedelijk een beeld of een kostbaar priesterkleed (vergelijk Exod. 28:6–14). Het wordt een valstrik, omdat het volk ernaar toe gaat in plaats van naar het heiligdom. Zie ook Richt. 17:5 en 18:14–20. Voetnoot : זָנָה (zanah), ‘hoereren’: seksuele ontrouw. In de Schrift ook gebruikt voor ontrouw aan Yahweh. Zie Exod. 34:15–16. Zie ook: Ex 28:6–14; Ex 34:15–16; Deut 7:16; Re 6:11; Re 17:5; Re 18:14; Re 18:17; Ps 106:39 ### Rust, Gideons gezin en zijn dood **8:28** Midian werd onderworpen voor de zonen van Israël. Zij konden hun hoofd niet meer opheffen. Het land had veertig jaar rust, in de dagen van Gideon. Brontekst: וַיִּכָּנַ֣ע (vayikana) = en werd onderworpen | מִדְיָ֗ן (midyan) = Midian | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָסְפ֖וּ (yasefu) = voegden toe | לָשֵׂ֣את (laset) = om op te heffen | רֹאשָׁ֑ם (rosham) = hun hoofd | וַתִּשְׁקֹ֥ט (vatishqot) = en was rustig | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | בִּימֵ֥י (bimei) = in de dagen van | גִדְעֽוֹן (gidon) = Gideon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Midian werd gebroken. Het land kreeg veertig jaar rust (vergelijk Richt. 3:11 en 5:31). Zie ook: Re 3:11; Re 3:30; Re 5:31; Ps 83:10–13; Jes 9:3 **8:29** Jerubbaal, de zoon van Joas, ging terug en woonde in zijn huis. Brontekst: וַיֵּ֛לֶךְ (vayelekh) = en ging | יְרֻבַּ֥עַל (yerubaal) = Jerubbaal | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en woonde | בְּבֵיתֽוֹ (beveito) = in zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jerubbaal is de naam van Gideon (Richt. 6:32). Zie ook: Re 6:32; Re 7:1; 1 Sam 12:11; Neh 5:14–15 **8:30** Gideon had 70 zonen, die uit zijn lendenen voortkwamen, want hij had veel vrouwen. Brontekst: וּלְגִדְע֗וֹן (ulegidon) = en voor Gideon | הָיוּ֙ (hayu) = waren | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | בָּנִ֔ים (banim) = zonen | יֹצְאֵ֖י (yotseei) = voortgekomen uit | יְרֵכ֑וֹ (yerekho) = zijn lendenen | כִּֽי (ki) = want | נָשִׁ֥ים (nashim) = vrouwen | רַבּ֖וֹת (rabot) = vele | הָ֥יוּ (hayu) = waren | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Voortgekomen uit zijn lendenen’ (יֹצְאֵי יְרֵכוֹ, yots’ei yerekho): zijn eigen kinderen. Hij had veel vrouwen, tegen de les van Deut. 17:17. Zie ook: Gen 46:26; Deut 17:17; Re 9:2; Re 9:5; 1 Kon 11:3 **8:31** Zijn bijvrouw, die in Sichem woonde, beviel ook van een zoon voor hem. Hij gaf hem de naam Abimelech. Brontekst: וּפִֽילַגְשׁוֹ֙ (ufilagsho) = en zijn bijvrouw | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בִּשְׁכֶ֔ם (bishkhem) = in Sichem | יָֽלְדָה (yaleda) = beviel | לּ֥וֹ (lo) = voor hem | גַם (gam) = ook | הִ֖יא (hi) = zij | בֵּ֑ן (ben) = zoon | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en gaf | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | אֲבִימֶֽלֶךְ (avimelekh) = Abimelech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichem ligt in het bergland van Efraïm, bij het huidige Tell Balata bij Nablus (Westelijke Jordaanoever). Dit is zeker. Voetnoot Uitleg: אֲבִימֶלֶךְ (Avimelekh), ‘Abimelech’: ‘mijn vader is koning’. Zijn verhaal volgt in Richt. 9. Hij krijgt een naam die past bij het koningschap dat zijn vader afwees. Zie ook: Gen 16:15; Gen 20:2; Gen 22:24; Re 9:1–5; Re 9:18 **8:32** Gideon, de zoon van Joas, stierf in een goede ouderdom. Hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, in Ofra van de Abiëzeriet. Brontekst: וַיָּ֛מָת (vayamat) = en stierf | גִּדְע֥וֹן (gidon) = Gideon | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | בְּשֵׂיבָ֣ה (beseiva) = in grijsheid | טוֹבָ֑ה (tova) = goed | וַיִּקָּבֵ֗ר (vayiqaver) = en werd begraven | בְּקֶ֨בֶר֙ (beqever) = in het graf van | יוֹאָ֣שׁ (yoash) = Joas | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | בְּעָפְרָ֖ה (beafera) = in Ofra van | אֲבִ֥י (avi) = vader van | הָֽעֶזְרִֽי (haezri) = de Ezriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ofra (van de Abiëzeriet, ligging onzeker): Ofra, de stad van Gideon, lag in het gebied van Manasse. De precieze plaats is niet zeker; Afula in het noorden is voorgesteld. Voetnoot Uitleg: Dezelfde uitdrukking ‘in een goede ouderdom’ staat bij Abraham (Gen. 15:15; 25:8). Zie ook: Gen 15:15; Gen 25:8; Job 5:26; Job 42:17; Re 6:24 ### Israël vergeet Yahweh **8:33** Toen Gideon gestorven was, keerden de zonen van Israël terug en gingen de Baäls achterna hoereren. Zij maakten Baäl-Berit tot hun god. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = toen | מֵ֣ת (met) = stierf | גִּדְע֔וֹן (gidon) = Gideon | וַיָּשׁ֨וּבוּ֙ (vayashuvu) = en keerden terug | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּזְנ֖וּ (vayiznu) = en hoereerden | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הַבְּעָלִ֑ים (habealim) = de Baäls | וַיָּשִׂ֧ימוּ (vayasimu) = en stelden | לָהֶ֛ם (lahem) = voor zich | בַּ֥עַל (baal) = Baäl | בְּרִ֖ית (berit) = Berit | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot god Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעַל בְּרִית (Ba’al Berit), ‘Baäl van het verbond’: een god van Sichem (Richt. 9:4). Zijn heiligdom stond in Sichem (Richt. 9:4, 46). Zie ook: Re 2:17; Re 2:19; Re 8:27; Re 9:4; Re 9:46 **8:34** De zonen van Israël dachten niet meer aan Yahweh, hun Elohim, die hen had gered uit de hand van al hun vijanden rondom. Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | זָֽכְרוּ֙ (zakheru) = dachten aan | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | הַמַּצִּ֥יל (hamatsil) = die redde | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | כָּל (kal) = al | אֹיְבֵיהֶ֖ם (oyeveihem) = hun vijanden | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het patroon van Richt. 2:11–19 begint opnieuw: na de dood van de rechter valt Israël af. Vergelijk Richt. 3:7 en 2:19. Zie ook: Deut 4:9; Re 2:11–19; Re 2:19; Re 3:7; Ps 78:11; Ps 78:42; Ps 106:18; Ps 106:21 **8:35** Zij toonden ook geen trouw aan het huis van Jerubbaal-Gideon, voor al het goede dat hij Israël had gedaan. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | עָשׂ֣וּ (asu) = deden | חֶ֔סֶד (chesed) = trouw | עִם (im) = met | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְרֻבַּ֖עַל (yerubaal) = Jerubbaal | גִּדְע֑וֹן (gidon) = Gideon | כְּכָל (kekhal) = overeenkomstig al | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij deed | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw. Israël is Gideon niet trouw, zoals het ook Yahweh niet trouw is. Zie Richt. 9:1–5. Zie ook: Re 9:1–5; Re 9:5; Re 9:16–19; Pred 9:14–15 ## Richteren 9 _Abimelech wordt koning, Jotam vertelt zijn fabel en Sichem valt_ ### Abimelech wil koning worden **9:1** Abimelech, de zoon van Jerubbaal, ging naar Sichem, naar de broers van zijn moeder. Hij sprak tot hen en tot heel de familie van het huis van de vader van zijn moeder: Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אֲבִימֶ֤לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | בֶּן (ben) = de zoon van | יְרֻבַּ֨עַל֙ (yerubaal) = Jerubbaal | שְׁכֶ֔מָה (shekhema) = naar Sichem | אֶל (el) = tot | אֲחֵ֖י (achei) = de broers van | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | וְאֶל (veel) = en tot | כָּל (kal) = heel | מִשְׁפַּ֛חַת (mishpachat) = de familie van | בֵּית (beit) = het huis van | אֲבִ֥י (avi) = de vader van | אִמּ֖וֹ (imo) = zijn moeder | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichem ligt bij het huidige Nablus (Tell Balata), op de Westelijke Jordaanoever. Het ligt in het bergland van Efraïm, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: Jerubbaal is de andere naam van Gideon (Richt. 6:32; 8:35). Abimelechs moeder kwam uit Sichem (Richt. 8:31). Daarom gaat hij naar de familie van zijn moeder. Voetnoot : אֲבִימֶלֶךְ (Avimelech), ‘Abimelech’: de naam betekent ‘mijn vader is koning’. Zie ook: Gen 33:18; Re 6:32; Re 8:31; Re 8:35; Ps 83:3–5; 1 Kon 12:20; Jer 18:18 **9:2** „Zeg toch tegen alle heren van Sichem: ‘Wat is goed voor jullie? Dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaal, over jullie heersen, of dat één man over jullie heerst? Denk eraan dat ik jullie bot en jullie vlees ben.’” Brontekst: דַּבְּרוּ (daberu) = spreek | נָ֞א (na) = toch | בְּאָזְנֵ֨י (beazenei) = in de oren van | כָל (kal) = alle | בַּעֲלֵ֣י (baalei) = de heren van | שְׁכֶם֮ (shekhem) = Sichem | מַה (ma) = wat | טּ֣וֹב (tov) = goed | לָכֶם֒ (lakhem) = voor jullie | הַמְשֹׁ֨ל (hamshol) = heersen | בָּכֶ֜ם (bakhem) = over jullie | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | אִ֗ישׁ (ish) = man | כֹּ֚ל (kol) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְרֻבַּ֔עַל (yerubaal) = Jerubbaal | אִם (im) = of | מְשֹׁ֥ל (meshol) = heerst | בָּכֶ֖ם (bakhem) = over jullie | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶחָ֑ד (echad) = één | וּזְכַרְתֶּ֕ם (uzekhartem) = en denk eraan | כִּֽי (ki) = dat | עַצְמֵכֶם (atsmekhem) = jullie bot | וּבְשַׂרְכֶ֖ם (uvesarkhem) = en jullie vlees | אָנִֽי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעַל (ba’al), ‘heer’: een eigenaar, een inwoner met rechten, een burger. Het woord is hier niet de afgod Baäl. Wij vertalen ‘heren van Sichem’. Het woord keert terug in vers 3, 6, 18, 20, 23 en verder. Voetnoot : מָשַׁל (mashal), ‘heersen’: wij vertalen dit woord steeds met ‘heersen’. Een ander woord, שָׁרַר (sarar), vertalen wij met ‘regeren’ (vers 22). Voetnoot : עַצְמְכֶם וּבְשַׂרְכֶם (atsmechem uvesarchem), ‘jullie bot en jullie vlees’: zo zegt men dat iemand bij je familie hoort (vergelijk Gen. 29:14). Zie ook: Gen 29:14; Re 8:30; Re 9:3; Re 9:6; Re 9:18; Re 9:20; Re 9:22; Re 9:23; 2 Sam 19:14; 1 Kron 11:1; Heb 2:14 **9:3** De broers van zijn moeder zeiden al deze woorden over hem tegen alle heren van Sichem. Hun hart neigde naar Abimelech, want zij zeiden: „Hij is onze broer.” Brontekst: וַיְדַבְּר֨וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֲחֵֽי (achei) = de broers van | אִמּ֜וֹ (imo) = zijn moeder | עָלָ֗יו (alav) = over hem | בְּאָזְנֵי֙ (beazenei) = in de oren van | כָּל (kal) = alle | בַּעֲלֵ֣י (baalei) = de heren van | שְׁכֶ֔ם (shekhem) = Sichem | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיֵּ֤ט (vayet) = en neigde | לִבָּם֙ (libam) = hun hart | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | אֲבִימֶ֔לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | כִּ֥י (ki) = want | אָמְר֖וּ (ameru) = zij zeiden | אָחִ֥ינוּ (achinu) = onze broer | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:15; Ps 10:3; Spr 1:11–14 **9:4** Zij gaven hem zeventig zilverstukken uit het huis van Baäl-Berit. Abimelech huurde daarmee nietsnutten en roekeloze mannen. Zij gingen achter hem aan. Brontekst: וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en zij gaven | לוֹ֙ (lo) = hem | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | מִבֵּ֖יתּ (mibeit) = uit het huis van | בַ֣עַל (baal) = Baäl | בְּרִ֑ית (berit) = Berit | וַיִּשְׂכֹּ֨ר (vayiskor) = en huurde | בָּהֶ֜ם (bahem) = met hen | אֲבִימֶ֗לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אֲנָשִׁ֤ים (anashim) = mannen | רֵיקִים֙ (reiqim) = nietsnutten | וּפֹ֣חֲזִ֔ים (ufochazim) = en roekeloze | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אַחֲרָֽיו (acharav) = achter hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘zeventig zilver’ en noemt geen munt of gewicht. Wij schrijven ‘zilverstukken’. Waarschijnlijk zijn het sikkels (een sikkel is ongeveer 11,4 gram), samen ongeveer 800 gram zilver. Voetnoot : בַּעַל בְּרִית (Baäl-Berit), ‘heer van het verbond’: de naam van de god van Sichem. In vers 46 heet hij El-Berit, ‘god van het verbond’. Voetnoot : רֵיקִים (reqim), ‘nietsnutten’: letterlijk ‘leeg’, mannen zonder bezit en zonder werk. Dezelfde omschrijving staat bij de mannen die Jefta volgen (Richt. 11:3). Zie ook: Re 8:33; Re 9:46; Re 11:3; Spr 12:11; 2 Kron 13:7; Hand 17:5 **9:5** Hij ging naar het huis van zijn vader in Ofra. Daar doodde hij zijn broers, de zonen van Jerubbaal, zeventig man, op één steen. Jotam, de jongste zoon van Jerubbaal, bleef over, want hij had zich verborgen. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en hij kwam | בֵית (beit) = het huis van | אָבִיו֙ (aviv) = zijn vader | עָפְרָ֔תָה (aferata) = naar Ofra | וַֽיַּהֲרֹ֞ג (vayaharog) = en hij doodde | אֶת (et) = (obj.) | אֶחָ֧יו (echav) = zijn broers | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יְרֻבַּ֛עַל (yerubaal) = Jerubbaal | שִׁבְּעִ֥ים (shibeim) = zeventig | אִ֖ישׁ (ish) = man | עַל (al) = op | אֶ֣בֶן (even) = steen | אֶחָ֑ת (echat) = één | וַיִּוָּתֵ֞ר (vayivater) = en bleef over | יוֹתָ֧ם (yotam) = Jotam | בֶּן (ben) = de zoon van | יְרֻבַּ֛עַל (yerubaal) = Jerubbaal | הַקָּטֹ֖ן (haqaton) = de jongste | כִּ֥י (ki) = want | נֶחְבָּֽא (nechba) = hij had zich verborgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ofra, de plaats van Gideons familie (Richt. 6:11, 24), ligt waarschijnlijk in het noorden van het bergland van Manasse. De precieze plek is onzeker. Het ligt in elk geval ver van Sichem. Voetnoot Uitleg: ‘Op één steen’ keert terug in vers 18. Het wijst erop dat alle broers op dezelfde plaats werden gedood. Zie ook: Re 6:11; Re 6:24; Re 9:2; Re 9:18; 2 Kon 10:17; 2 Kon 11:1–2; 2 Kron 21:4 **9:6** Alle heren van Sichem en heel Bet-Millo kwamen bijeen. Zij gingen en maakten Abimelech koning, bij de eik van de zuil die in Sichem staat. Brontekst: וַיֵּאָ֨סְפ֜וּ (vayeasefu) = en zij kwamen bijeen | כָּל (kal) = alle | בַּעֲלֵ֤י (baalei) = de heren van | שְׁכֶם֙ (shekhem) = Sichem | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מִלּ֔וֹא (milo) = Millo | וַיֵּ֣לְכ֔וּ (vayelekhu) = en zij gingen | וַיַּמְלִ֥יכוּ (vayamlikhu) = en zij maakten koning | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִימֶ֖לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | לְמֶ֑לֶךְ (lemelekh) = tot koning | עִם (im) = bij | אֵל֥וֹן (elon) = de eik van | מֻצָּ֖ב (mutsav) = de zuil | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בִּשְׁכֶֽם (bishkhem) = in Sichem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Millo (‘huis van Millo’) was waarschijnlijk een deel van Sichem, bijvoorbeeld de burcht of de wijk met de leiders. De ligging is onzeker. De eik van de zuil lag bij Sichem (vergelijk Gen. 12:6; 35:4; Joz. 24:26). Voetnoot Lezing: מֻצָּב (mutsav), ‘zuil’: het woord kan ook ‘wat is opgesteld’ betekenen. Wij lezen een staande steen of zuil, zoals bij de eik van Sichem in Joz. 24:26. Zie ook: Gen 12:6; Gen 35:4; Joz 24:26; 2 Sam 5:9; 1 Kon 12:20; 1 Kon 12:25; 2 Kon 12:21 ### De fabel van Jotam **9:7** Men vertelde het aan Jotam. Hij ging naar de top van de berg Gerizim en stond daar. Hij verhief zijn stem en riep tegen hen: „Luister naar mij, heren van Sichem, dan luistert Elohim naar jullie. Brontekst: וַיַּגִּ֣דוּ (vayagidu) = en zij vertelden | לְיוֹתָ֗ם (leyotam) = aan Jotam | וַיֵּ֨לֶךְ֙ (vayelekh) = en hij ging | וַֽיַּעֲמֹד֙ (vayaamod) = en hij stond | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = op de top van | הַר (har) = de berg | גְּרִזִ֔ים (gerizim) = Gerizim | וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hij verhief | קוֹל֖וֹ (qolo) = zijn stem | וַיִּקְרָ֑א (vayiqra) = en hij riep | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tot hen | שִׁמְע֤וּ (shimu) = luister | אֵלַי֙ (elay) = naar mij | בַּעֲלֵ֣י (baalei) = heren van | שְׁכֶ֔ם (shekhem) = Sichem | וְיִשְׁמַ֥ע (veyishma) = en luistert | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = naar jullie | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gerizim is de berg ten zuiden van Sichem, ongeveer 880 meter hoog, bij het huidige Nablus (Westelijke Jordaanoever). Bij deze berg werd de zegen uitgesproken (Deut. 11:29; 27:12). Voetnoot Uitleg: De fabel in vers 8–15 is een verhaal waarin bomen spreken. Jotam vertelt het als een beeld voor wat de mannen van Sichem met Abimelech hebben gedaan. Zie ook: Deut 11:29; Deut 27:12; Re 9:8–15; Spr 28:9; Jes 1:15; Joh 4:20 **9:8** De bomen gingen eens op weg om een koning over zich te zalven. Zij zeiden tegen de olijfboom: ‘Wees koning over ons.’ Brontekst: הָל֤וֹךְ (halokh) = gaan | הָֽלְכוּ֙ (halekhu) = zij gingen | הָעֵצִ֔ים (haetsim) = de bomen | לִמְשֹׁ֥חַ (limshoach) = om te zalven | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over zich | מֶ֑לֶךְ (melekh) = een koning | וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zij zeiden | לַזַּ֖יִת (lazayit) = tegen de olijfboom | מָלְכָ֥ה (malekha) = wees koning | עָלֵֽינוּ (aleinu) = over ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 8:22–23; 2 Kon 14:9; Ezech 17:3–10; Dan 4:7–15 **9:9** De olijfboom zei tegen hen: ‘Moet ik mijn vette olie opgeven, waarmee Elohim en mensen worden geëerd, en gaan zwaaien boven de bomen?’ Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | הַזַּ֔יִת (hazayit) = de olijfboom | הֶחֳדַ֨לְתִּי֙ (hechodalti) = moet ik opgeven | אֶת (et) = (obj.) | דִּשְׁנִ֔י (dishni) = mijn vette olie | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | בִּ֛י (bi) = in mij | יְכַבְּד֥וּ (yekhabedu) = worden geëerd | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וַאֲנָשִׁ֑ים (vaanashim) = en mensen | וְהָ֣לַכְתִּ֔י (vehalakhti) = en gaan | לָנ֖וּעַ (lanua) = zwaaien | עַל (al) = boven | הָעֵצִֽים (haetsim) = de bomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נוּעַ (nua), ‘zwaaien’: heen en weer bewegen. De bomen vragen de olijfboom om ‘boven’ hen uit te staan, als een koning. De olijfboom wil niet opgeven wat hij heeft, namelijk de olie waarmee men Elohim en mensen eert (olie bij offers en bij de zalving van mensen). Zie ook: Ex 29:2; Ex 29:7; Ps 104:15; 1 Kon 19:15–16; 1 Joh 2:20 **9:10** De bomen zeiden tegen de vijgenboom: ‘Kom jij, wees koning over ons.’ Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | הָעֵצִ֖ים (haetsim) = de bomen | לַתְּאֵנָ֑ה (lateena) = tegen de vijgenboom | לְכִי (lekhi) = kom | אַ֖תְּ (at) = jij | מָלְכִ֥י (malekhi) = wees koning | עָלֵֽינוּ (aleinu) = over ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:11** De vijgenboom zei tegen hen: ‘Moet ik mijn zoetheid en mijn goede vrucht opgeven en gaan zwaaien boven de bomen?’ Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | הַתְּאֵנָ֔ה (hateena) = de vijgenboom | הֶחֳדַ֨לְתִּי֙ (hechodalti) = moet ik opgeven | אֶת (et) = (obj.) | מָתְקִ֔י (mateqi) = mijn zoetheid | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תְּנוּבָתִ֖י (tenuvati) = mijn vrucht | הַטּוֹבָ֑ה (hatova) = de goede | וְהָ֣לַכְתִּ֔י (vehalakhti) = en gaan | לָנ֖וּעַ (lanua) = zwaaien | עַל (al) = boven | הָעֵצִֽים (haetsim) = de bomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 13:6–7 **9:12** De bomen zeiden tegen de wijnstok: ‘Kom jij, wees koning over ons.’ Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | הָעֵצִ֖ים (haetsim) = de bomen | לַגָּ֑פֶן (lagafen) = tegen de wijnstok | לְכִי (lekhi) = kom | אַ֖תְּ (at) = jij | מָלְכִ֥י (malekhi) = wees koning | עָלֵֽינוּ (aleinu) = over ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:13** De wijnstok zei tegen hen: ‘Moet ik mijn jonge wijn opgeven, die Elohim en mensen vrolijk maakt, en gaan zwaaien boven de bomen?’ Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | הַגֶּ֔פֶן (hagefen) = de wijnstok | הֶחֳדַ֨לְתִּי֙ (hechodalti) = moet ik opgeven | אֶת (et) = (obj.) | תִּ֣ירוֹשִׁ֔י (tiroshi) = mijn jonge wijn | הַֽמְשַׂמֵּ֥חַ (hamsameach) = die vrolijk maakt | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וַאֲנָשִׁ֑ים (vaanashim) = en mensen | וְהָ֣לַכְתִּ֔י (vehalakhti) = en gaan | לָנ֖וּעַ (lanua) = zwaaien | עַל (al) = boven | הָעֵצִֽים (haetsim) = de bomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘jonge wijn’: wijn van het huidige jaar, pas geperst. De wijnstok geeft wat Elohim en mensen vrolijk maakt (vergelijk Ps. 104:15). Zie ook: Num 15:5; Num 15:10; Ps 104:15; Spr 31:6; Pred 10:19 **9:14** Alle bomen zeiden tegen de doornstruik: ‘Kom jij, wees koning over ons.’ Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | כָל (kal) = alle | הָעֵצִ֖ים (haetsim) = de bomen | אֶל (el) = tegen | הָאָטָ֑ד (haatad) = de doornstruik | לֵ֥ךְ (lekh) = kom | אַתָּ֖ה (ata) = jij | מְלָךְ (melakh) = wees koning | עָלֵֽינוּ (aleinu) = over ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָטָד (atad), ‘doornstruik’: een lage, stekelige struik (vermoedelijk de boksdoorn). Zie ook: 2 Kon 14:9 **9:15** De doornstruik zei tegen de bomen: ‘Als jullie mij echt tot koning over jullie zalven, kom dan en schuil in mijn schaduw. Zo niet, dan komt er vuur uit de doornstruik, dat de ceders van de Libanon verteert.’ Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | הָאָטָד֮ (haatad) = de doornstruik | אֶל (el) = tegen | הָעֵצִים֒ (haetsim) = de bomen | אִ֡ם (im) = als | בֶּאֱמֶ֣ת (beemet) = in waarheid | אַתֶּם֩ (atem) = jullie | מֹשְׁחִ֨ים (moshechim) = zalven | אֹתִ֤י (oti) = mij | לְמֶ֨לֶךְ֙ (lemelekh) = tot koning | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = over jullie | בֹּ֖אוּ (bou) = kom | חֲס֣וּ (chasu) = schuil | בְצִלִּ֑י (betsili) = in mijn schaduw | וְאִם (veim) = en als | אַ֕יִן (ayin) = niet | תֵּ֤צֵא (tetse) = komt uit | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מִן (min) = uit | הָ֣אָטָ֔ד (haatad) = de doornstruik | וְתֹאכַ֖ל (vetokhal) = en verteert | אֶת (et) = (obj.) | אַרְזֵ֥י (arzei) = de ceders van | הַלְּבָנֽוֹן (halevanon) = de Libanon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: De doornstruik belooft schaduw, maar een lage struik geeft nauwelijks schaduw. Daarna volgt de dreiging van vuur: vuur uit een doornstruik kan zelfs de hoge ceders van de Libanon verteren. Vergelijk vers 20. Zie ook: Num 21:28; Re 9:20; Hos 14:8; Jes 2:13; Jes 30:2 **9:16** Nu dan: als jullie echt en oprecht hebben gehandeld toen jullie Abimelech koning maakten, en als jullie goed hebben gedaan aan Jerubbaal en zijn huis, en als jullie hem hebben gedaan wat zijn handen verdienden, Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אִם (im) = als | בֶּאֱמֶ֤ת (beemet) = in waarheid | וּבְתָמִים֙ (uvetamim) = en oprecht | עֲשִׂיתֶ֔ם (asitem) = jullie hebben gehandeld | וַתַּמְלִ֖יכוּ (vatamlikhu) = en jullie maakten koning | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִימֶ֑לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וְאִם (veim) = en als | טוֹבָ֤ה (tova) = goed | עֲשִׂיתֶם֙ (asitem) = jullie hebben gedaan | עִם (im) = aan | יְרֻבַּ֣עַל (yerubaal) = Jerubbaal | וְעִם (veim) = en aan | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | וְאִם (veim) = en als | כִּגְמ֥וּל (kigmul) = naar de daad van | יָדָ֖יו (yadav) = zijn handen | עֲשִׂ֥יתֶם (asitem) = jullie hebben gedaan | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Vers 16 begint met ‘als’ en vers 19 gaat daarmee verder: ‘wees dan blij met Abimelech’. Vers 17–18 ligt daar tussenin en legt uit wat Jerubbaal voor Sichem deed en wat Sichem terugdeed. Wij laten vers 16 daarom met een komma eindigen. Zie ook: Re 8:35; Re 9:17–18; Re 9:19 **9:17** want mijn vader heeft voor jullie gestreden. Hij waagde zijn leven en redde jullie uit de hand van Midian. Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = die | נִלְחַ֥ם (nilcham) = heeft gestreden | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | עֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = voor jullie | וַיַּשְׁלֵ֤ךְ (vayashlekh) = en hij wierp weg | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשׁוֹ֙ (nafsho) = zijn leven | מִנֶּ֔גֶד (mineged) = uit de verte | וַיַּצֵּ֥ל (vayatsel) = en hij redde | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Hij wierp zijn leven weg, uit de verte’: hij waagde zijn leven. Zie Richt. 7–8 voor de strijd tegen Midian. Zie ook: Re 7:1–25; Re 8:4–10; Est 4:16; Rom 5:8; Openb 12:11 **9:18** Maar jullie zijn vandaag opgestaan tegen het huis van mijn vader. Jullie hebben zijn zonen gedood, zeventig man, op één steen. Jullie hebben Abimelech, de zoon van zijn dienares, koning gemaakt over de heren van Sichem, omdat hij jullie broer is. Brontekst: וְאַתֶּ֞ם (veatem) = en jullie | קַמְתֶּ֨ם (qamtem) = zijn opgestaan | עַל (al) = tegen | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | וַתַּהַרְג֧וּ (vatahargu) = en jullie doodden | אֶת (et) = (obj.) | בָּנָ֛יו (banav) = zijn zonen | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | אִ֖ישׁ (ish) = man | עַל (al) = op | אֶ֣בֶן (even) = steen | אֶחָ֑ת (echat) = één | וַתַּמְלִ֜יכוּ (vatamlikhu) = en jullie maakten koning | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִימֶ֤לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | בֶּן (ben) = de zoon van | אֲמָתוֹ֙ (amato) = zijn dienares | עַל (al) = over | בַּעֲלֵ֣י (baalei) = de heren van | שְׁכֶ֔ם (shekhem) = Sichem | כִּ֥י (ki) = want | אֲחִיכֶ֖ם (achikhem) = jullie broer | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 8:30–31; Re 8:35; Re 9:5–6; Re 9:14; Ps 109:4 **9:19** Als jullie vandaag echt en oprecht hebben gehandeld tegenover Jerubbaal en zijn huis, wees dan blij met Abimelech. Dan zal ook hij blij zijn met jullie. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | בֶּאֱמֶ֨ת (beemet) = in waarheid | וּבְתָמִ֧ים (uvetamim) = en oprecht | עֲשִׂיתֶ֛ם (asitem) = jullie hebben gehandeld | עִם (im) = met | יְרֻבַּ֥עַל (yerubaal) = Jerubbaal | וְעִם (veim) = en met | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | הַיּ֣וֹם (hayom) = vandaag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | שִׂמְחוּ֙ (simchu) = wees blij | בַּאֲבִימֶ֔לֶךְ (baavimelekh) = in Abimelech | וְיִשְׂמַ֥ח (veyismach) = en laat hem blij zijn | גַּם (gam) = ook | ה֖וּא (hu) = hij | בָּכֶֽם (bakhem) = in jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 8:6; Jak 4:16; Fil 3:3 **9:20** Zo niet, dan komt er vuur uit Abimelech, dat de heren van Sichem en Bet-Millo verteert. En er komt vuur uit de heren van Sichem en uit Bet-Millo, dat Abimelech verteert.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אַ֕יִן (ayin) = niet | תֵּ֤צֵא (tetse) = komt uit | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מֵאֲבִימֶ֔לֶךְ (meavimelekh) = van Abimelech | וְתֹאכַ֛ל (vetokhal) = en verteert | אֶת (et) = (obj.) | בַּעֲלֵ֥י (baalei) = de heren van | שְׁכֶ֖ם (shekhem) = Sichem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מִלּ֑וֹא (milo) = Millo | וְתֵצֵ֨א (vetetse) = en komt uit | אֵ֜שׁ (esh) = vuur | מִבַּעֲלֵ֤י (mibaalei) = van de heren van | שְׁכֶם֙ (shekhem) = Sichem | וּמִבֵּ֣ית (umibeit) = en van het huis van | מִלּ֔וֹא (milo) = Millo | וְתֹאכַ֖ל (vetokhal) = en verteert | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִימֶֽלֶךְ (avimelekh) = Abimelech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 9:15; Re 9:56–57; Ps 28:4; Ps 140:11; 2 Kron 20:22–23 **9:21** Jotam vluchtte. Hij rende weg en ging naar Beër. Daar bleef hij wonen, uit angst voor Abimelech, zijn broer. Brontekst: וַיָּ֣נָס (vayanas) = en vluchtte | יוֹתָ֔ם (yotam) = Jotam | וַיִּבְרַ֖ח (vayivrach) = en hij rende weg | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | בְּאֵ֑רָה (beera) = naar Beër | וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | שָׁ֔ם (sham) = daar | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = uit angst voor | אֲבִימֶ֥לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beër (‘put’) is een plaatsnaam waarvan wij de ligging niet kennen. Het ligt waarschijnlijk buiten het gebied van Abimelech. Zie ook: Num 21:16; Joz 19:8; 2 Sam 20:14 ### Elohim stuurt een kwade geest **9:22** Abimelech regeerde drie jaar over Israël. Brontekst: וַיָּ֧שַׂר (vayasar) = en regeerde | אֲבִימֶ֛לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | שָׁלֹ֥שׁ (shalosh) = drie | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Abimelech heeft maar drie jaar de macht. Het Hebreeuws gebruikt hier het woord שָׂרַר (sarar), ‘regeren’, en niet ‘koning zijn’ (vers 6). Zie ook: Re 9:6 **9:23** Toen stuurde Elohim een kwade geest tussen Abimelech en de heren van Sichem. De heren van Sichem werden Abimelech ontrouw. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en zond | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | ר֣וּחַ (ruach) = een geest | רָעָ֔ה (raa) = kwade | בֵּ֣ין (bein) = tussen | אֲבִימֶ֔לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | בַּעֲלֵ֣י (baalei) = de heren van | שְׁכֶ֑ם (shekhem) = Sichem | וַיִּבְגְּד֥וּ (vayivgedu) = en zij handelden trouweloos | בַעֲלֵי (baalei) = de heren van | שְׁכֶ֖ם (shekhem) = Sichem | בַּאֲבִימֶֽלֶךְ (baavimelekh) = tegen Abimelech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ רָעָה (ruach ra’ah), ‘kwade geest’: een geest die onrust en ontrouw brengt. Elohim zelf stuurt hem, zodat het kwaad van vers 5 en 18 vergolden wordt. Vergelijk 1 Sam. 16:14 en 1 Kon. 22:22. Zie ook: Re 9:5; Re 9:18; 1 Sam 16:14; 1 Kon 22:22–23; Jes 19:2; Jes 19:14; Jes 33:1; 2 Tess 2:11–12 **9:24** Het geweld tegen de zeventig zonen van Jerubbaal moest worden vergolden. Hun bloed moest worden gelegd op Abimelech, hun broer, die hen had gedood. Het moest ook op de heren van Sichem worden gelegd, die zijn handen hadden gesterkt om zijn broers te doden. Brontekst: לָב֕וֹא (lavo) = om te laten komen | חֲמַ֖ס (chamas) = het geweld tegen | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = de zeventig | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | יְרֻבָּ֑עַל (yerubaal) = Jerubbaal | וְדָמָ֗ם (vedamam) = en hun bloed | לָשׂ֞וּם (lasum) = om te leggen | עַל (al) = op | אֲבִימֶ֤לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אֲחִיהֶם֙ (achihem) = hun broer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָרַ֣ג (harag) = doodde | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | וְעַל֙ (veal) = en op | בַּעֲלֵ֣י (baalei) = de heren van | שְׁכֶ֔ם (shekhem) = Sichem | אֲשֶׁר (asher) = die | חִזְּק֥וּ (chizequ) = hadden gesterkt | אֶת (et) = (obj.) | יָדָ֖יו (yadav) = zijn handen | לַהֲרֹ֥ג (laharog) = om te doden | אֶת (et) = (obj.) | אֶחָֽיו (echav) = zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws begint met ‘om te komen’ en gaat zonder werkwoord door. Wij lezen: het geweld dat zij de zonen van Jerubbaal aandeden, moest worden vergolden. ‘Vergolden’ vullen wij aan; letterlijk staat er ‘om te laten komen het geweld’. Zie ook: Re 9:56–57; 1 Sam 15:33; Ps 7:17; 1 Kon 2:32; Est 9:25 **9:25** De heren van Sichem legden voor hem hinderlagen op de toppen van de bergen. Zij beroofden iedereen die langs hen op de weg kwam. Dat werd aan Abimelech gemeld. Brontekst: וַיָּשִׂ֣ימוּ (vayasimu) = en zij legden | לוֹ֩ (lo) = hem | בַעֲלֵ֨י (baalei) = de heren van | שְׁכֶ֜ם (shekhem) = Sichem | מְאָרְבִ֗ים (mearevim) = hinderlagen | עַ֚ל (al) = op | רָאשֵׁ֣י (rashei) = de toppen van | הֶהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | וַיִּגְזְל֗וּ (vayigzelu) = en zij beroofden | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = allen | אֲשֶׁר (asher) = die | יַעֲבֹ֥ר (yaavor) = voorbijkwam | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = bij hen | בַּדָּ֑רֶךְ (badarekh) = op de weg | וַיֻּגַּ֖ד (vayugad) = en het werd gemeld | לַאֲבִימֶֽלֶךְ (laavimelekh) = aan Abimelech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 8:4; Joz 8:12–13; Spr 1:11–12 ### Gaäl, de zoon van Ebed **9:26** Gaäl, de zoon van Ebed, kwam met zijn broers. Zij trokken door Sichem en de heren van Sichem vertrouwden op hem. Brontekst: וַיָּבֹ֞א (vayavo) = en kwam | גַּ֤עַל (gaal) = Gaäl | בֶּן (ben) = de zoon van | עֶ֨בֶד֙ (eved) = Ebed | וְאֶחָ֔יו (veechav) = en zijn broers | וַיַּעַבְר֖וּ (vayaavru) = en zij trokken door | בִּשְׁכֶ֑ם (bishkhem) = Sichem | וַיִּבְטְחוּ (vayivtechu) = en vertrouwden | ב֖וֹ (bo) = op hem | בַּעֲלֵ֥י (baalei) = de heren van | שְׁכֶֽם (shekhem) = Sichem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie ook: Gen 13:8; Gen 19:7 **9:27** Zij gingen het veld in en oogstten hun wijngaarden. Zij persten de druiven en hielden een feest. Zij gingen het huis van hun god binnen, aten en dronken en vervloekten Abimelech. Brontekst: וַיֵּצְא֨וּ (vayetseu) = en zij gingen uit | הַשָּׂדֶ֜ה (hasade) = het veld in | וַֽיִּבְצְר֤וּ (vayivtseru) = en zij oogstten | אֶת (et) = (obj.) | כַּרְמֵיהֶם֙ (karmeihem) = hun wijngaarden | וַֽיִּדְרְכ֔וּ (vayidrekhu) = en zij persten | וַֽיַּעֲשׂ֖וּ (vayaasu) = en zij hielden | הִלּוּלִ֑ים (hilulim) = feesten | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij gingen binnen | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אֱֽלֹֽהֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun god | וַיֹּֽאכְלוּ֙ (vayokhlu) = en zij aten | וַיִּשְׁתּ֔וּ (vayishtu) = en zij dronken | וַֽיְקַלְל֖וּ (vayqallu) = en zij vervloekten | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִימֶֽלֶךְ (avimelekh) = Abimelech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִלּוּלִים (hillulim), ‘feesten’: een feest van lofzang bij de wijnoogst. Het woord komt maar twee keer voor, hier en in Lev. 19:24 (‘heilige lofzang’). Hier vieren zij het feest in het huis van hun god, dus van Baäl-Berit (vers 4). Zie ook: Lev 19:24; Re 8:33; Re 9:4; Re 9:46; Dan 5:23; Luc 17:26–29 **9:28** Gaäl, de zoon van Ebed, zei: „Wie is Abimelech en wie is Sichem, dat wij hem zouden dienen? Is hij niet de zoon van Jerubbaal, en is Zebul niet zijn opzichter? Dien de mannen van Hamor, de vader van Sichem! Maar waarom zouden wij hem dienen? Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | גַּ֣עַל (gaal) = Gaäl | בֶּן (ben) = de zoon van | עֶ֗בֶד (eved) = Ebed | מִֽי (mi) = wie | אֲבִימֶ֤לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וּמִֽי (umi) = en wie | שְׁכֶם֙ (shekhem) = Sichem | כִּ֣י (ki) = dat | נַעַבְדֶ֔נּוּ (naavdenu) = wij hem zouden dienen | הֲלֹ֥א (halo) = is hij niet | בֶן (ben) = de zoon van | יְרֻבַּ֖עַל (yerubaal) = Jerubbaal | וּזְבֻ֣ל (uzevul) = en Zebul | פְּקִיד֑וֹ (peqido) = zijn opzichter | עִבְד֗וּ (ivdu) = dien | אֶת (et) = (obj.) | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | חֲמוֹר֙ (chamor) = Hamor | אֲבִ֣י (avi) = de vader van | שְׁכֶ֔ם (shekhem) = Sichem | וּמַדּ֖וּעַ (umadua) = en waarom | נַעַבְדֶ֥נּוּ (naavdenu) = zouden wij hem dienen | אֲנָֽחְנוּ (anachenu) = wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hamor is de stichter van Sichem (Gen. 33:19; 34:2). Gaäl bedoelt: dien de oude families van Sichem, en niet de zoon van de Israëliet Jerubbaal. Voetnoot : זְבֻל (Zevul), ‘Zebul’: de overste van de stad (vers 30). Hij blijft Abimelech trouw. Zie ook: Gen 33:19; Gen 34:2; Gen 34:6; Re 9:30; 1 Sam 25:10; 2 Sam 20:1; 1 Kon 12:16 **9:29** Wie geeft dit volk in mijn hand! Dan zou ik Abimelech wegdoen.” Hij zei tegen Abimelech: „Maak je leger groter en kom naar buiten.” Brontekst: וּמִ֨י (umi) = en wie | יִתֵּ֜ן (yiten) = geeft | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | בְּיָדִ֔י (beyadi) = in mijn hand | וְאָסִ֖ירָה (veasira) = dan zou ik wegdoen | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִימֶ֑לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לַאֲבִימֶ֔לֶךְ (laavimelekh) = tegen Abimelech | רַבֶּ֥ה (rabe) = maak groot | צְבָאֲךָ֖ (tsevaakha) = je leger | וָצֵֽאָה (vatsea) = en kom uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt: ‘en hij zei tegen Abimelech’. Wie spreekt en waar Abimelech dan is, zegt de tekst niet. Wij lezen: Gaäl daagt Abimelech uit. Ook mogelijk is dat Gaäl dit zegt als Abimelech er niet bij is, en dat Zebul het hem doorgeeft. Zie ook: 2 Sam 2:14–17; 2 Sam 15:4; Ps 10:3; 1 Kon 20:11; Jes 36:8–9 **9:30** Zebul, de overste van de stad, hoorde de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed. Hij werd woedend. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֗ע (vayishma) = en hoorde | זְבֻל֙ (zevul) = Zebul | שַׂר (sar) = de overste van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֖י (divrei) = de woorden van | גַּ֣עַל (gaal) = Gaäl | בֶּן (ben) = de zoon van | עָ֑בֶד (aved) = Ebed | וַיִּ֖חַר (vayichar) = en gloeide | אַפּֽוֹ (apo) = zijn neus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:31** Hij stuurde met list boden naar Abimelech met deze woorden: „Zie, Gaäl, de zoon van Ebed, en zijn broers komen naar Sichem. Zij zetten de stad tegen je op. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֧ח (vayishlach) = en hij zond | מַלְאָכִ֛ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = tot | אֲבִימֶ֖לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | בְּתָרְמָ֣ה (betarema) = met list | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּה֩ (hine) = zie | גַ֨עַל (gaal) = Gaäl | בֶּן (ben) = de zoon van | עֶ֤בֶד (eved) = Ebed | וְאֶחָיו֙ (veechav) = en zijn broers | בָּאִ֣ים (baim) = komen | שְׁכֶ֔מָה (shekhema) = naar Sichem | וְהִנָּ֛ם (vehinam) = en zie zij | צָרִ֥ים (tsarim) = zetten op | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | עָלֶֽיךָ (aleikha) = tegen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Lezing: בְּתָרְמָה (betormah), ‘met list’: dit kan ook de naam van een plaats zijn, Tormah. Dan zou Abimelech daar zijn (vergelijk Aruma in vers 41). Wij kiezen ‘met list’; zo lezen de oude vertalingen het ook. Voetnoot : צָרִים (tsarim), ‘zetten op’: het woord kan ook ‘insluiten’ of ‘belegeren’ betekenen. De boden bedoelen dat Gaäl de stad tegen Abimelech opzet. Zie ook: Re 9:41 **9:32** Maak je nu klaar, jij en het volk dat bij je is, 's nachts. Leg een hinderlaag in het veld. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | ק֣וּם (qum) = sta op | לַ֔יְלָה (layla) = 's nachts | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וְהָעָ֣ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | אִתָּ֑ךְ (itakh) = bij je is | וֶאֱרֹ֖ב (veerov) = en leg een hinderlaag | בַּשָּׂדֶֽה (basade) = in het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 24:14–17; Ps 36:5; Spr 1:11–16; Spr 4:16; Rom 3:15 **9:33** Als het ochtend wordt, bij zonsopgang, sta je vroeg op en val je de stad aan. Dan komen hij en het volk dat bij hem is naar buiten, op je af. Doe dan met hem wat je hand te doen vindt.” Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | בַבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = in de ochtend | כִּזְרֹ֣חַ (kizroach) = bij het opgaan van | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | תַּשְׁכִּ֖ים (tashkim) = sta je vroeg op | וּפָשַׁטְתָּ֣ (ufashatta) = en val aan | עַל (al) = over | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | ה֞וּא (hu) = hij | וְהָעָ֤ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | אִתּוֹ֙ (ito) = bij hem is | יֹצְאִ֣ים (yotseim) = komen uit | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar jou | וְעָשִׂ֣יתָ (veasita) = en doe | לּ֔וֹ (lo) = hem | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | תִּמְצָ֥א (timtsa) = wat vindt | יָדֶֽךָ (yadekha) = je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 25:26; 1 Sam 10:7; 1 Sam 25:8; Pred 9:10 ### Abimelech verslaat Gaäl en Sichem **9:34** Abimelech en heel het volk dat bij hem was, stonden 's nachts op. Zij legden een hinderlaag bij Sichem, in vier groepen. Brontekst: וַיָּ֧קָם (vayaqam) = en stond op | אֲבִימֶ֛לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֥ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | לָ֑יְלָה (layela) = 's nachts | וַיֶּאֶרְב֣וּ (vayeervu) = en zij legden een hinderlaag | עַל (al) = bij | שְׁכֶ֔ם (shekhem) = Sichem | אַרְבָּעָ֖ה (arbaa) = vier | רָאשִֽׁים (rashim) = groepen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **9:35** Gaäl, de zoon van Ebed, ging naar buiten en bleef bij de ingang van de stadspoort staan. Abimelech en het volk dat bij hem was, kwamen overeind uit de hinderlaag. Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en ging uit | גַּ֣עַל (gaal) = Gaäl | בֶּן (ben) = de zoon van | עֶ֔בֶד (eved) = Ebed | וַיַּעֲמֹ֕ד (vayaamod) = en bleef staan | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיָּ֧קָם (vayaqam) = en stond op | אֲבִימֶ֛לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וְהָעָ֥ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | מִן (min) = uit | הַמַּאְרָֽב (hamarav) = de hinderlaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:36** Gaäl zag het volk en zei tegen Zebul: „Zie, er komt volk van de toppen van de bergen naar beneden.” Zebul zei tegen hem: „Je ziet de schaduw van de bergen aan voor mannen.” Brontekst: וַיַּרְא (vayar) = en zag | גַּעַל֮ (gaal) = Gaäl | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֒ (haam) = het volk | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | זְבֻ֔ל (zevul) = Zebul | הִנֵּה (hine) = zie | עָ֣ם (am) = volk | יוֹרֵ֔ד (yored) = komt naar beneden | מֵרָאשֵׁ֖י (merashei) = van de toppen van | הֶהָרִ֑ים (heharim) = de bergen | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | זְבֻ֔ל (zevul) = Zebul | אֵ֣ת (et) = (obj.) | צֵ֧ל (tsel) = de schaduw van | הֶהָרִ֛ים (heharim) = de bergen | אַתָּ֥ה (ata) = jij | רֹאֶ֖ה (roe) = ziet | כָּאֲנָשִֽׁים (kaanashim) = als mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zebul ontkent wat Gaäl ziet. Hij zegt dat het de schaduw van de bergen is. Waarom hij dat zegt, noemt de tekst niet. Hij heeft Abimelech gewaarschuwd (vers 30–33) en wil blijkbaar niet dat Gaäl op tijd reageert. Zie ook: Re 9:30–33; Ezech 7:7; Mar 8:24 **9:37** Gaäl sprak nog eens en zei: „Zie, er komt volk naar beneden van de navel van het land. Eén groep komt over de weg van de Waarzeggerseik.” Brontekst: וַיֹּ֨סֶף (vayosef) = en voer voort | ע֣וֹד (od) = opnieuw | גַּעַל֮ (gaal) = Gaäl | לְדַבֵּר֒ (ledaber) = te spreken | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּה (hine) = zie | עָם֙ (am) = volk | יֽוֹרְדִ֔ים (yoredim) = komt naar beneden | מֵעִ֖ם (meim) = van | טַבּ֣וּר (tabur) = de navel van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְרֹאשׁ (verosh) = en een groep | אֶחָ֣ד (echad) = één | בָּ֔א (ba) = komt | מִדֶּ֖רֶךְ (miderekh) = van de weg van | אֵל֥וֹן (elon) = de eik van | מְעוֹנְנִֽים (meonenim) = de waarzeggers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַבּוּר הָאָרֶץ (tabbur ha’arets), ‘de navel van het land’: het hoogste of middelste deel van het land. Welke hoogte het is, weten wij niet. Ook de ligging van de Waarzeggerseik kennen wij niet. Zie ook: Deut 18:14 **9:38** Zebul zei tegen hem: „Waar is nu je mond, die zei: ‘Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen?’ Is dit niet het volk dat je hebt verworpen? Ga nu naar buiten en vecht tegen hen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | זְבֻ֗ל (zevul) = Zebul | אַיֵּ֨ה (aye) = waar | אֵפ֥וֹא (efo) = dan | פִ֨יךָ֙ (pikha) = je mond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תֹּאמַ֔ר (tomar) = je zei | מִ֥י (mi) = wie | אֲבִימֶ֖לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | כִּ֣י (ki) = dat | נַעַבְדֶ֑נּוּ (naavdenu) = wij hem zouden dienen | הֲלֹ֨א (halo) = is niet | זֶ֤ה (ze) = dit | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | מָאַ֣סְתָּה (maasta) = je hebt verworpen | בּ֔וֹ (bo) = in hem | צֵא (tse) = ga uit | נָ֥א (na) = toch | עַתָּ֖ה (ata) = nu | וְהִלָּ֥חֶם (vehilachem) = en vecht | בּֽוֹ (bo) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 9:28–29; 2 Sam 2:26–27; 2 Kon 14:8–14; Jer 2:28 **9:39** Gaäl ging naar buiten, voor de heren van Sichem uit, en streed tegen Abimelech. Brontekst: וַיֵּ֣צֵא (vayetse) = en ging uit | גַ֔עַל (gaal) = Gaäl | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | בַּעֲלֵ֣י (baalei) = de heren van | שְׁכֶ֑ם (shekhem) = Sichem | וַיִּלָּ֖חֶם (vayilachem) = en hij streed | בַּאֲבִימֶֽלֶךְ (baavimelekh) = tegen Abimelech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:40** Abimelech achtervolgde hem en Gaäl vluchtte voor hem. Er vielen veel doden, tot aan de ingang van de poort. Brontekst: וַיִּרְדְּפֵ֣הוּ (vayirdefehu) = en hij achtervolgde hem | אֲבִימֶ֔לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וַיָּ֖נָס (vayanas) = en hij vluchtte | מִפָּנָ֑יו (mipanav) = voor hem | וַֽיִּפְּל֛וּ (vayipelu) = en vielen | חֲלָלִ֥ים (chalalim) = gedoden | רַבִּ֖ים (rabim) = vele | עַד (ad) = tot | פֶּ֥תַח (petach) = de ingang van | הַשָּֽׁעַר (hashaar) = de poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 20:18–21; 1 Kon 20:30 **9:41** Abimelech bleef in Aruma. Zebul verdreef Gaäl en zijn broers, zodat zij niet meer in Sichem konden wonen. Brontekst: וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en bleef | אֲבִימֶ֖לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | בָּארוּמָ֑ה (baruma) = in Aruma | וַיְגָ֧רֶשׁ (vaygaresh) = en verdreef | זְבֻ֛ל (zevul) = Zebul | אֶת (et) = (obj.) | גַּ֥עַל (gaal) = Gaäl | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | מִשֶּׁ֥בֶת (mishevet) = van het wonen | בִּשְׁכֶֽם (bishkhem) = in Sichem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aruma ligt waarschijnlijk bij Khirbet el-Urma, ongeveer 9 kilometer ten zuidoosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever). Dit is waarschijnlijk, niet zeker. Zie ook: Re 9:28; Re 9:30 **9:42** De volgende dag ging het volk het veld in. Dat werd aan Abimelech gemeld. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | הָעָ֖ם (haam) = het volk | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld in | וַיַּגִּ֖דוּ (vayagidu) = en zij meldden het | לַאֲבִימֶֽלֶךְ (laavimelekh) = aan Abimelech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:43** Hij nam het volk, verdeelde het in drie groepen en legde een hinderlaag in het veld. Hij keek en zag dat het volk uit de stad kwam. Hij stond op tegen hen en versloeg hen. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֗ם (haam) = het volk | וַֽיֶּחֱצֵם֙ (vayechetsem) = en hij verdeelde hen | לִשְׁלֹשָׁ֣ה (lishlosha) = in drie | רָאשִׁ֔ים (rashim) = groepen | וַיֶּאֱרֹ֖ב (vayeerov) = en hij legde een hinderlaag | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = in het veld | וַיַּ֗רְא (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | הָעָם֙ (haam) = het volk | יֹצֵ֣א (yotse) = was uitgegaan | מִן (min) = uit | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיָּ֥קָם (vayaqam) = en hij stond op | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tegen hen | וַיַּכֵּֽם (vayakem) = en hij versloeg hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:44** Abimelech en de groepen die bij hem waren, stormden naar voren en bleven bij de ingang van de stadspoort staan. De twee groepen stormden op allen die in het veld waren af en versloegen hen. Brontekst: וַאֲבִימֶ֗לֶךְ (vaavimelekh) = en Abimelech | וְהָרָאשִׁים֙ (veharashim) = en de groepen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | פָּשְׁט֕וּ (pashetu) = stormden naar voren | וַיַּ֣עַמְד֔וּ (vayaamdu) = en zij bleven staan | פֶּ֖תַח (petach) = de ingang van | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וּשְׁנֵ֣י (ushenei) = en de twee | הָֽרָאשִׁ֗ים (harashim) = groepen | פָּֽשְׁט֛וּ (pashetu) = stormden | עַֽל (al) = op | כָּל (kal) = allen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בַּשָּׂדֶ֖ה (basade) = in het veld | וַיַּכּֽוּם (vayakum) = en zij versloegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 9:15; Re 9:20; Gal 5:15 **9:45** Abimelech streed die hele dag tegen de stad. Hij nam de stad in en doodde het volk dat erin was. Hij brak de stad af en bezaaide haar met zout. Brontekst: וַאֲבִימֶ֜לֶךְ (vaavimelekh) = en Abimelech | נִלְחָ֣ם (nilcham) = streed | בָּעִ֗יר (bair) = tegen de stad | כֹּ֚ל (kol) = heel | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | וַיִּלְכֹּד֙ (vayilkod) = en hij nam in | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעָ֥ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּ֖הּ (bah) = erin | הָרָ֑ג (harag) = doodde hij | וַיִּתֹּץ֙ (vayitots) = en hij brak af | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיִּזְרָעֶ֖הָ (vayizraeha) = en hij zaaide haar | מֶֽלַח (melach) = zout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zout over een afgebroken stad uitstrooien betekent dat er nooit meer iets groeit en dat de stad voorgoed is verlaten. Vergelijk Deut. 29:22. Zie ook: Deut 29:22; Ps 107:34; 2 Kon 3:25; Sef 2:9; Jak 2:13 ### De burcht van Sichem brandt **9:46** Alle heren van de toren van Sichem hoorden het. Zij gingen naar de burcht van het huis van El-Berit. Brontekst: וַֽיִּשְׁמְע֔וּ (vayishmeu) = en hoorden | כָּֽל (kal) = alle | בַּעֲלֵ֖י (baalei) = de heren van | מִֽגְדַּל (migdal) = de toren van | שְׁכֶ֑ם (shekhem) = Sichem | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij gingen | אֶל (el) = naar | צְרִ֔יחַ (tseriach) = de burcht van | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | אֵ֥ל (el) = El | בְּרִֽית (berit) = Berit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְרִיחַ (tserach), ‘burcht’: een versterkte ruimte, misschien onder of bij de tempel. Wij weten niet precies wat het was. De tempel van El-Berit is dezelfde als die van Baäl-Berit in vers 4. Zie ook: Re 8:33; Re 9:4; Ps 115:8; 2 Kon 1:2–4; Jes 28:15–18 **9:47** Het werd aan Abimelech gemeld dat alle heren van de toren van Sichem zich hadden verzameld. Brontekst: וַיֻּגַּ֖ד (vayugad) = en het werd gemeld | לַאֲבִימֶ֑לֶךְ (laavimelekh) = aan Abimelech | כִּ֣י (ki) = dat | הִֽתְקַבְּצ֔וּ (hitqabetsu) = zich verzameld hadden | כָּֽל (kal) = alle | בַּעֲלֵ֖י (baalei) = de heren van | מִֽגְדַּל (migdal) = de toren van | שְׁכֶֽם (shekhem) = Sichem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:48** Abimelech ging de berg Salmon op, hij en heel het volk dat bij hem was. Abimelech nam bijlen in zijn hand en hakte een tak van de bomen af. Hij tilde die op en legde die op zijn schouder. Hij zei tegen het volk dat bij hem was: „Wat jullie mij hebben zien doen, haast je en doe dat ook.” Brontekst: וַיַּ֨עַל (vayaal) = en ging op | אֲבִימֶ֜לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | הַר (har) = de berg | צַלְמ֗וֹן (tsalmon) = Salmon | הוּא֮ (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | אִתּוֹ֒ (ito) = met hem | וַיִּקַּח֩ (vayiqach) = en nam | אֲבִימֶ֨לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אֶת (et) = (obj.) | הַקַּרְדֻּמּ֜וֹת (haqardumot) = de bijlen | בְּיָד֗וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיִּכְרֹת֙ (vayikhrot) = en hij hakte af | שׂוֹכַ֣ת (sokhat) = een tak van | עֵצִ֔ים (etsim) = bomen | וַיִּ֨שָּׂאֶ֔הָ (vayisaeha) = en hij tilde haar op | וַיָּ֖שֶׂם (vayasem) = en hij legde | עַל (al) = op | שִׁכְמ֑וֹ (shikhmo) = zijn schouder | וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | הָעָ֣ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | עִמּ֗וֹ (imo) = met hem | מָ֤ה (ma) = wat | רְאִיתֶם֙ (reitem) = jullie hebben gezien | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = heb ik gedaan | מַהֲר֖וּ (maharu) = haast jullie | עֲשׂ֥וּ (asu) = doe | כָמֽוֹנִי (kamoni) = zoals ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Salmon ligt bij Sichem. Zeker is de ligging niet. Zie ook Ps. 68:15. Zie Berg Salmon (ligging onzeker): De berg Salmon lag bij Sichem. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Lezing: שׁוֹכַת עֵצִים (shochat etsim), ‘een tak van bomen’: het woord שׂוֹכָה komt alleen hier voor, in vers 48 en 49. Wij vertalen ‘tak’. Zie ook: Re 7:17–18; Re 9:49; Ps 68:15; Spr 1:11–12 **9:49** Ook al het volk hakte, ieder voor zich, een tak af. Zij gingen achter Abimelech aan, legden de takken tegen de burcht en staken de burcht in brand, met hen erin. Zo stierven ook alle mannen van de toren van Sichem, ongeveer duizend mannen en vrouwen. Brontekst: וַיִּכְרְת֨וּ (vayikhretu) = en zij hakten af | גַם (gam) = ook | כָּל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | שׂוֹכֹ֗ה (sokho) = zijn tak | וַיֵּ֨לְכ֜וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | אֲבִימֶ֨לֶךְ֙ (avimelekh) = Abimelech | וַיָּשִׂ֣ימוּ (vayasimu) = en zij legden | עַֽל (al) = tegen | הַצְּרִ֔יחַ (hatseriach) = de burcht | וַיַּצִּ֧יתוּ (vayatsitu) = en zij staken in brand | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = boven hen | אֶֽת (et) = (obj.) | הַצְּרִ֖יחַ (hatseriach) = de burcht | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | וַיָּמֻ֜תוּ (vayamutu) = en zij stierven | גַּ֣ם (gam) = ook | כָּל (kal) = alle | אַנְשֵׁ֧י (anshei) = de mannen van | מִֽגְדַּל (migdal) = de toren van | שְׁכֶ֛ם (shekhem) = Sichem | כְּאֶ֖לֶף (keelef) = ongeveer duizend | אִ֥ישׁ (ish) = man | וְאִשָּֽׁה (veisha) = en vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘ongeveer duizend, man en vrouw’. Dat zijn de mensen die in de burcht waren. Zie ook: Re 9:15; Re 9:20; Jak 3:16; Gal 5:15 ### De dood van Abimelech **9:50** Abimelech ging naar Tebets. Hij sloeg zijn kamp op bij Tebets en nam de stad in. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֲבִימֶ֖לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אֶל (el) = naar | תֵּבֵ֑ץ (tevets) = Tebets | וַיִּ֥חַן (vayichan) = en hij legerde zich | בְּתֵבֵ֖ץ (betevets) = bij Tebets | וַֽיִּלְכְּדָֽהּ (vayilkedah) = en hij nam haar in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tebets ligt waarschijnlijk bij het huidige Tubas, ongeveer 25 kilometer ten noordoosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever). Dit is waarschijnlijk, niet zeker. **9:51** In het midden van de stad stond een sterke toren. Alle mannen en vrouwen en alle heren van de stad vluchtten daarheen. Zij sloten achter zich dicht en klommen op het dak van de toren. Brontekst: וּמִגְדַּל (umigdal) = en een toren van | עֹז֮ (oz) = sterkte | הָיָ֣ה (haya) = was | בְתוֹךְ (betokh) = in het midden van | הָעִיר֒ (hair) = de stad | וַיָּנֻ֨סוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | שָׁ֜מָּה (shama) = daarheen | כָּל (kal) = alle | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | וְהַנָּשִׁ֗ים (vehanashim) = en de vrouwen | וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | בַּעֲלֵ֣י (baalei) = de heren van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַֽיִּסְגְּר֖וּ (vayisgeru) = en zij sloten dicht | בַּעֲדָ֑ם (baadam) = achter zich | וַֽיַּעֲל֖וּ (vayaalu) = en zij klommen | עַל (al) = op | גַּ֥ג (gag) = het dak van | הַמִּגְדָּֽל (hamigdal) = de toren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:52** Abimelech kwam bij de toren en bestormde hem. Hij ging tot bij de ingang van de toren om hem in brand te steken. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | אֲבִימֶ֨לֶךְ֙ (avimelekh) = Abimelech | עַד (ad) = tot | הַמִּגְדָּ֔ל (hamigdal) = de toren | וַיִּלָּ֖חֶם (vayilachem) = en hij streed | בּ֑וֹ (bo) = tegen hem | וַיִּגַּ֛שׁ (vayigash) = en hij naderde | עַד (ad) = tot | פֶּ֥תַח (petach) = de ingang van | הַמִּגְדָּ֖ל (hamigdal) = de toren | לְשָׂרְפ֥וֹ (lesarefo) = om hem te verbranden | בָאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 9:48–49; 2 Kon 14:10; 2 Kon 15:16 **9:53** Een vrouw wierp een stuk van een molensteen op het hoofd van Abimelech en verbrijzelde zijn schedel. Brontekst: וַתַּשְׁלֵ֞ךְ (vatashlekh) = en wierp | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | אַחַ֛ת (achat) = één | פֶּ֥לַח (pelach) = een stuk van | רֶ֖כֶב (rekhev) = een molensteen | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | אֲבִימֶ֑לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וַתָּ֖רִץ (vatarits) = en zij verbrijzelde | אֶת (et) = (obj.) | גֻּלְגָּלְתּֽוֹ (gulgalto) = zijn schedel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֶכֶב (rekev), ‘bovenste molensteen’: het ronddraaiende deel van de molen, dat op de onderste steen ligt. Een vrouw kon dit stuk optillen en gooien. Zie ook 2 Sam. 11:21, waar dit verhaal wordt herinnerd. Zie ook: Job 31:3; Re 9:20; 2 Sam 11:21; Jer 49:20; Jer 50:45 **9:54** Haastig riep hij zijn jongen, die zijn wapens droeg. Hij zei tegen hem: „Trek je zwaard en dood mij. Anders zegt men over mij: ‘Een vrouw heeft hem gedood.’” Zijn jongen doorstak hem en hij stierf. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij riep | מְהֵרָ֜ה (mehera) = haastig | אֶל (el) = tot | הַנַּ֣עַר (hanaar) = de jongen | נֹשֵׂ֣א (nose) = die droeg | כֵלָ֗יו (kelav) = zijn wapens | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | שְׁלֹ֤ף (shelof) = trek | חַרְבְּךָ֙ (charbekha) = je zwaard | וּמ֣וֹתְתֵ֔נִי (umoteteni) = en dood mij | פֶּן (pen) = opdat niet | יֹ֥אמְרוּ (yomru) = zij zeggen | לִ֖י (li) = over mij | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | הֲרָגָ֑תְהוּ (haragatehu) = heeft hem gedood | וַיִּדְקְרֵ֥הוּ (vayidqerehu) = en doorstak hem | נַעֲר֖וֹ (naaro) = zijn jongen | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Abimelech vraagt om de dood door het zwaard, zodat men niet zal zeggen dat een vrouw hem doodde. Toch bleef dat wel in het geheugen (2 Sam. 11:21). Zie ook: 1 Sam 31:4–5; 2 Sam 11:21 **9:55** De mannen van Israël zagen dat Abimelech dood was. Toen ging ieder naar zijn plaats. Brontekst: וַיִּרְא֥וּ (vayiru) = en zagen | אִֽישׁ (ish) = de man | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = van Israël | כִּ֣י (ki) = dat | מֵ֣ת (met) = dood was | אֲבִימֶ֑לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לִמְקֹמֽוֹ (limqomo) = naar zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 18:16; 2 Sam 20:21–22; Spr 22:10; 1 Kon 22:35–36 **9:56** Zo liet Elohim het kwaad van Abimelech terugkeren, dat hij tegen zijn vader had gedaan door zijn zeventig broers te doden. Brontekst: וַיָּ֣שֶׁב (vayashev) = en liet terugkeren | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | אֵ֖ת (et) = (obj.) | רָעַ֣ת (raat) = het kwaad van | אֲבִימֶ֑לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עָשָׂה֙ (asa) = hij deed | לְאָבִ֔יו (leaviv) = aan zijn vader | לַהֲרֹ֖ג (laharog) = door te doden | אֶת (et) = (obj.) | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | אֶחָֽיו (echav) = zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit en het volgende vers vatten het hoofdstuk samen: Elohim liet terugkomen wat Abimelech en de mannen van Sichem hadden gedaan. De vloek van Jotam (vers 20) kwam uit. Zie ook: Re 9:20; Ps 9:13; Ps 11:6; Ps 58:11–12; Ps 94:23; Spr 5:22 **9:57** Ook al het kwaad van de mannen van Sichem liet Elohim terugkeren op hun hoofd. De vloek van Jotam, de zoon van Jerubbaal, kwam over hen. Brontekst: וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | רָעַת֙ (raat) = het kwaad van | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | שְׁכֶ֔ם (shekhem) = Sichem | הֵשִׁ֥יב (heshiv) = liet terugkeren | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בְּרֹאשָׁ֑ם (berosham) = op hun hoofd | וַתָּבֹ֣א (vatavo) = en kwam | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | קִֽלֲלַ֖ת (qilalat) = de vloek van | יוֹתָ֥ם (yotam) = Jotam | בֶּן (ben) = de zoon van | יְרֻבָּֽעַל (yerubaal) = Jerubbaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 6:26; Re 9:20; Re 9:45; 1 Kon 16:34 ## Richteren 10 _Tola en Jaïr, de noodkreet van Israël en het leger van Ammon_ ### Tola, de rechter **10:1** Na Abimelech stond Tola op om Israël te redden. Hij was de zoon van Pua, de zoon van Dodo, een man uit Issachar. Hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm. Brontekst: וַיָּקָם֩ (vayaqam) = en stond op | אַחֲרֵ֨י (acharei) = na | אֲבִימֶ֜לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | לְהוֹשִׁ֣יעַ (lehoshia) = om te redden | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | תּוֹלָ֧ע (tola) = Tola | בֶּן (ben) = de zoon van | פּוּאָ֛ה (pua) = Pua | בֶּן (ben) = de zoon van | דּוֹד֖וֹ (dodo) = Dodo | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יִשָּׂשכָ֑ר (yisashkhar) = Issachar | וְהֽוּא (vehu) = en hij | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = woonde | בְּשָׁמִ֖יר (beshamir) = in Samir | בְּהַ֥ר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Samir ligt in het bergland van Efraïm. De precieze ligging is onzeker; er is ook een stad Samir in het bergland van Juda (Joz. 15:48). Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: תּוֹלָע (Tola’), ‘Tola’: de naam betekent ‘worm’ of ‘scharlaken’. Tola was een man uit Issachar, maar hij woonde in het bergland van Efraïm. Voetnoot : דּוֹדוֹ (Dodo), ‘Dodo’: wij lezen dit als een eigennaam. Het woord kan ook ‘zijn oom’ betekenen. Zie ook: Joz 15:48; Re 2:16; Re 3:9 **10:2** Hij was 23 jaar rechter over Israël. Toen stierf hij en werd begraven in Samir. Brontekst: וַיִּשְׁפֹּט֙ (vayishpot) = en hij was rechter over | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְשָׁלֹ֖שׁ (veshalosh) = en drie | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּ֖מָת (vayamat) = en hij stierf | וַיִּקָּבֵ֥ר (vayiqaver) = en hij werd begraven | בְּשָׁמִֽיר (beshamir) = in Samir Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁפַט (shafat), ‘rechter zijn’: een rechter in dit boek is een leider die Israël redt en recht spreekt (Richt. 2:16–18). Wij vertalen steeds ‘rechter zijn over’. Zie ook: Re 2:16–18 ### Jaïr, de rechter **10:3** Na hem stond Jaïr, de Gileadiet, op. Hij was 22 jaar rechter over Israël. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | אַחֲרָ֔יו (acharav) = na hem | יָאִ֖יר (yair) = Jaïr | הַגִּלְעָדִ֑י (hagiladi) = de Gileadiet | וַיִּשְׁפֹּט֙ (vayishpot) = en hij was rechter over | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁתַּ֖יִם (ushtayim) = en twee | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:48; Num 32:29 **10:4** Hij had dertig zonen, die op dertig ezelsveulens reden. Zij hadden dertig steden. Die worden tot op de dag van vandaag Chavvot-Jaïr genoemd. Zij liggen in het land Gilead. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en hij had | ל֞וֹ (lo) = hij | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | בָּנִ֗ים (banim) = zonen | רֹֽכְבִים֙ (rokhevim) = rijdend | עַל (al) = op | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | עֲיָרִ֔ים (ayarim) = ezelsveulens | וּשְׁלֹשִׁ֥ים (usheloshim) = en dertig | עֲיָרִ֖ים (ayarim) = steden | לָהֶ֑ם (lahem) = zij hadden | לָהֶ֞ם (lahem) = zij | יִקְרְא֣וּ (yiqreu) = worden genoemd | חַוֺּ֣ת (chavot) = Chavvot | יָאִ֗יר (yair) = Jaïr | עַ֚ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | הַגִּלְעָֽד (hagilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chavvot-Jaïr (‘tentdorpen van Jaïr’) lag in Gilead, ten oosten van de Jordaan, in het noorden van het huidige Jordanië. De precieze ligging is onzeker. Zie Num. 32:41 en Deut. 3:14. Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws klinken ‘ezelsveulens’ (עֲיָרִים, ayarim) en ‘steden’ (עָרִים, arim) bijna gelijk. Dat is een woordspeling. Dertig zonen op dertig ezelsveulens: dat is een teken van aanzien. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘zij hadden’ twee keer na elkaar. Wij lezen één keer. Zie ook: Num 32:41; Deut 3:14; Re 5:10; Re 12:14 **10:5** Jaïr stierf en werd begraven in Kamon. Brontekst: וַיָּ֣מָת (vayamat) = en hij stierf | יָאִ֔יר (yair) = Jaïr | וַיִּקָּבֵ֖ר (vayiqaver) = en hij werd begraven | בְּקָמֽוֹן (beqamon) = in Kamon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kamon ligt in Gilead. De precieze plek is onzeker. ### Israël verlaat Yahweh opnieuw **10:6** De zonen van Israël deden opnieuw wat slecht was in de ogen van Yahweh. Zij dienden de Baäls en de Astarten, de goden van Aram, de goden van Sidon, de goden van Moab, de goden van de zonen van Ammon en de goden van de Filistijnen. Zij verlieten Yahweh en dienden Hem niet. Brontekst: וַיֹּסִ֣פוּ (vayosifu) = en voegden toe | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | הָרַע֮ (hara) = het kwade | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וַיַּעַבְד֣וּ (vayaavdu) = en zij dienden | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּעָלִ֣ים (habealim) = de Baäls | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעַשְׁתָּר֡וֹת (haashtarot) = de Astarten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | אֲרָם֩ (aram) = Aram | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = de goden van | צִיד֜וֹן (tsidon) = Sidon | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | מוֹאָ֗ב (moav) = Moab | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | בְנֵי (benei) = de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | פְלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיַּעַזְב֥וּ (vayaazvu) = en zij verlieten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עֲבָדֽוּהוּ (avaduhu) = dienden zij Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: De Baäls en de Astarten zijn de goden van Kanaän (Richt. 2:13). Daarna noemt de tekst de goden van zes volken om Israël heen. Dit zijn alle volken die het in de eerstvolgende verzen bedreigen. Zie ook: Re 2:13; Ps 106:36; 1 Kon 11:5; 1 Kon 11:7; 1 Kon 11:33; 2 Kon 23:13 **10:7** De toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël. Hij verkocht hen in de hand van de Filistijnen en in de hand van de zonen van Ammon. Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֥ף (af) = de toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = tegen Israël | וַֽיִּמְכְּרֵם֙ (vayimkerem) = en Hij verkocht hen | בְּיַד (beyad) = in de hand van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וּבְיַ֖ד (uveyad) = en in de hand van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: מָכַר (makar), ‘verkopen’: Yahweh geeft Israël aan een vijand, zoals in Richt. 2:14; 3:8 en 4:2. Zie ook: Deut 32:16–22; Re 2:14; Re 3:8; Re 4:2; 1 Sam 12:9–10; Ps 44:13; Nah 1:2 **10:8** In dat jaar verbrijzelden en verpletterden zij de zonen van Israël, 18 jaar lang. Dat deden zij met alle zonen van Israël aan de overkant van de Jordaan, in het land van de Amorieten, in Gilead. Brontekst: וַֽיִּרְעֲצ֤וּ (vayiratsu) = en zij verbrijzelden | וַיְרֹֽצְצוּ֙ (vayrotsetsu) = en zij verpletterden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בַּשָּׁנָ֖ה (bashana) = in het jaar | הַהִ֑יא (hahi) = dat | שְׁמֹנֶ֨ה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵ֜ה (esre) = tien | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בַּגִּלְעָֽד (bagilad) = in Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ‘Aan de overkant van de Jordaan’ is het land ten oosten van de rivier, Gilead (nu Jordanië). Voetnoot Uitleg: רָעַץ (ra’ats), ‘verbrijzelen’, en רָצַץ (ratsats), ‘verpletteren’: twee werkwoorden met bijna dezelfde klank en betekenis. Het getal 18 jaar geldt voor de onderdrukking van de stammen aan de oostkant van de Jordaan. Zie ook: Re 10:5; Jes 30:13; 1 Tess 5:3 **10:9** De zonen van Ammon trokken ook over de Jordaan om te strijden tegen Juda, tegen Benjamin en tegen het huis van Efraïm. Israël kwam in grote nood. Brontekst: וַיַּעַבְר֤וּ (vayaavru) = en trokken over | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | עַמּוֹן֙ (amon) = Ammon | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | לְהִלָּחֵ֛ם (lehilachem) = om te strijden | גַּם (gam) = ook | בִּיהוּדָ֥ה (bihuda) = tegen Juda | וּבְבִנְיָמִ֖ין (uvevinyamin) = en tegen Benjamin | וּבְבֵ֣ית (uveveit) = en tegen het huis van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וַתֵּ֥צֶר (vatetser) = en het werd benauwd | לְיִשְׂרָאֵ֖ל (leyisrael) = voor Israël | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: De zonen van Ammon trekken nu ook naar het westen over de Jordaan. Zij vallen dus ook Juda, Benjamin en Efraïm aan. Zie ook: Deut 28:65; Re 3:12–13; 2 Kron 14:8; 2 Kron 15:5; 2 Kron 20:1–2 ### Israël roept om hulp **10:10** Toen riepen de zonen van Israël om hulp tot Yahweh: „Wij hebben tegen U gezondigd, want wij hebben onze Elohim verlaten en de Baäls gediend.” Brontekst: וַֽיִּזְעֲקוּ֙ (vayizaqu) = en zij riepen om hulp | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | חָטָ֣אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | לָ֔ךְ (lakh) = tegen U | וְכִ֤י (vekhi) = en want | עָזַ֨בְנוּ֙ (azavnu) = wij hebben verlaten | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וַֽנַּעֲבֹ֖ד (vanaavod) = en wij dienden | אֶת (et) = (obj.) | הַבְּעָלִֽים (habealim) = de Baäls Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָעַק (za’aq), ‘om hulp roepen’: een noodkreet (za’aqah). Dit is het begin van het volgende gesprek met Yahweh. Zie ook: 1 Sam 12:10; Ps 106:43–44; Ps 107:13; Ps 107:19; Ps 107:28 **10:11** Yahweh zei tegen de zonen van Israël: **„Heb Ik jullie niet gered van Egypte, van de Amorieten, van de zonen van Ammon en van de Filistijnen?** Brontekst: וַ֥יֹּאמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הֲלֹ֤א (halo) = is het niet | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = van Egypte | וּמִן (umin) = en van | הָ֣אֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | וּמִן (umin) = en van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | וּמִן (umin) = en van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: Vers 11 heeft in het Hebreeuws geen werkwoord: ‘Niet van Egypte en van de Amorieten...?’. Wij vullen ‘Heb Ik jullie niet gered’ aan uit vers 12 (‘en Ik redde jullie’). Rood: Yahweh zelf spreekt (vers 11–14). Zie ook: Ex 14:30; Num 21:21–25; Re 2:1–3; Re 3:31; Re 10:12; 1 Sam 12:8 **10:12** **De Sidoniërs, Amalek en Maon hebben jullie onderdrukt. Jullie riepen om hulp tot Mij en Ik redde jullie uit hun hand.** Brontekst: וְצִידוֹנִ֤ים (vetsidonim) = en de Sidoniërs | וַֽעֲמָלֵק֙ (vaamaleq) = en Amalek | וּמָע֔וֹן (umaon) = en Maon | לָחֲצ֖וּ (lachatsu) = onderdrukten | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וַתִּצְעֲק֣וּ (vatitsaqu) = en jullie riepen om hulp | אֵלַ֔י (elay) = tot Mij | וָאוֹשִׁ֥יעָה (vaoshia) = en Ik redde | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִיָּדָֽם (miyadam) = uit hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Maon: Maon wordt gezocht bij Tell Ma'in, ten zuiden van Hebron. Voetnoot Uitleg: Sidon is hier de naam voor de Feniciërs aan de kust. Amalek is het volk uit de Negev (Exod. 17:8–16). Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt hier ‘Maon’. Maon is een volk of streek in het zuiden, bij Edom (nu Ma’an in Jordanië; onzeker). De Griekse vertaling heeft ‘Midian’. Wij volgen de Hebreeuwse tekst. Zie ook: Ex 17:8–16; Re 5:19–31; Re 6:3; Ps 106:42–43; 2 Kron 26:6–7 **10:13** **Maar jullie hebben Mij verlaten en andere goden gediend. Daarom zal Ik jullie niet weer redden.** Brontekst: וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | עֲזַבְתֶּ֣ם (azavtem) = hebben verlaten | אוֹתִ֔י (oti) = Mij | וַתַּעַבְד֖וּ (vataavdu) = en jullie dienden | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | לָכֵ֥ן (lakhen) = daarom | לֹֽא (lo) = niet | אוֹסִ֖יף (osif) = zal Ik toevoegen | לְהוֹשִׁ֥יעַ (lehoshia) = om te redden | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:15; Re 2:12; 1 Kron 28:9; Jona 2:9; Jer 2:13 **10:14** **Ga en roep om hulp tot de goden die jullie hebben gekozen. Laat die jullie redden in de tijd van jullie nood.”** Brontekst: לְכ֗וּ (lekhu) = gaat | וְזַֽעֲקוּ֙ (vezaaqu) = en roept om hulp | אֶל (el) = tot | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de goden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּחַרְתֶּ֖ם (bechartem) = jullie hebben gekozen | בָּ֑ם (bam) = in hen | הֵ֛מָּה (hema) = zij | יוֹשִׁ֥יעוּ (yoshiu) = laten redden | לָכֶ֖ם (lakhem) = jullie | בְּעֵ֥ת (beet) = in de tijd van | צָרַתְכֶֽם (tsaratkhem) = jullie nood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt hier bijna spottend: laat de goden die jullie hebben gekozen, jullie maar redden. Vergelijk Deut. 32:37–38. Zie ook: Deut 32:26–28; Deut 32:37–38; Spr 1:25–27; Jes 10:3; Jer 2:28 **10:15** De zonen van Israël zeiden tegen Yahweh: „Wij hebben gezondigd. Doe met ons alles wat goed is in Uw ogen. Maar red ons toch, op deze dag.” Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | חָטָ֔אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | עֲשֵׂה (ase) = doe | אַתָּ֣ה (ata) = U | לָ֔נוּ (lanu) = met ons | כְּכָל (kekhal) = zoals alles | הַטּ֖וֹב (hatov) = wat goed is | בְּעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = in Uw ogen | אַ֛ךְ (akh) = maar | הַצִּילֵ֥נוּ (hatsilenu) = red ons | נָ֖א (na) = toch | הַיּ֥וֹם (hayom) = op de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 3:18; 2 Sam 15:26; 2 Sam 24:14; Spr 28:13; 1 Joh 1:8–10 **10:16** Zij haalden de vreemde goden uit hun midden weg en dienden Yahweh. Toen kon Hij het lijden van Israël niet langer verdragen. Brontekst: וַיָּסִ֜ירוּ (vayasiru) = en zij verwijderden | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de goden van | הַנֵּכָר֙ (hanekhar) = het vreemde | מִקִּרְבָּ֔ם (miqirbam) = uit hun midden | וַיַּעַבְד֖וּ (vayaavdu) = en zij dienden | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַתִּקְצַ֥ר (vatiqtsar) = en werd ongeduldig | נַפְשׁ֖וֹ (nafsho) = Zijn ziel | בַּעֲמַ֥ל (baamal) = door de last van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתִּקְצַר נַפְשׁוֹ (vatiqtsar nafsho), ‘zijn ziel werd ongeduldig’: letterlijk ‘zijn ziel werd kort’. Wij vertalen ‘Hij kon het lijden van Israël niet langer verdragen’. Vergelijk Num. 21:4, waar het over het volk gaat. Voetnoot : עָמָל (amal), ‘last’: moeite, zware arbeid, lijden. Zie ook: Num 21:4; Ps 106:44–45; Hos 11:8; Jes 63:9; Jer 31:20; Luc 19:41 ### Ammon en Israël leggen zich neer **10:17** De zonen van Ammon werden opgeroepen en legerden zich in Gilead. De zonen van Israël kwamen bijeen en legerden zich bij Mizpa. Brontekst: וַיִּצָּֽעֲקוּ֙ (vayitsaaqu) = en zij werden opgeroepen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בַּגִּלְעָ֑ד (bagilad) = in Gilead | וַיֵּאָֽסְפוּ֙ (vayeasefu) = en kwamen bijeen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בַּמִּצְפָּֽה (bamitspa) = in Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpa in Gilead is niet hetzelfde als Mizpa in Benjamin. De ligging in Gilead is onzeker; mogelijk lag het in het noorden van het huidige Jordanië. Zie Richt. 11:11 en 11:29. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Lezing: וַיִּצָּעֲקוּ (vayyitsa’aqu), ‘werden opgeroepen’: dezelfde stam als ‘om hulp roepen’. Hier gaat het om een oproep tot de wapens. Het kan ook ‘riepen’ betekenen. Zie ook: Gen 31:49; Re 11:11; Re 11:29 **10:18** Het volk, de oversten van Gilead, zeiden tegen elkaar: „Wie is de man die als eerste de strijd tegen de zonen van Ammon begint? Hij wordt het hoofd van alle inwoners van Gilead.” Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | הָעָ֜ם (haam) = het volk | שָׂרֵ֤י (sarei) = de oversten van | גִלְעָד֙ (gilad) = Gilead | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = tot | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = zijn naaste | מִ֣י (mi) = wie | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָחֵ֔ל (yachel) = begint | לְהִלָּחֵ֖ם (lehilachem) = te strijden | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = tegen de zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = hij zal zijn | לְרֹ֔אשׁ (lerosh) = tot hoofd | לְכֹ֖ל (lekhol) = over alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = de inwoners van | גִלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: רֹאשׁ (rosh), ‘hoofd’: de leider van heel Gilead. Zie Richt. 11:8–11, waar Jefta inderdaad hoofd wordt. Zie ook: Re 1:1; Re 11:5–8; Re 11:8–11; Re 11:11; Jes 3:1–8; Jes 34:12 ## Richteren 11 _Jefta, zijn boodschap aan Ammon, zijn gelofte en zijn dochter_ ### Jefta, de verstoten krijger **11:1** Jefta, de Gileadiet, was een dappere krijger. Hij was de zoon van een hoer. Gilead had Jefta verwekt. Brontekst: וְיִפְתָּ֣ח (veyiftach) = en Jefta | הַגִּלְעָדִ֗י (hagiladi) = de Gileadiet | הָיָה֙ (haya) = was | גִּבּ֣וֹר (gibor) = een held van | חַ֔יִל (chayil) = kracht | וְה֖וּא (vehu) = en hij | בֶּן (ben) = de zoon van | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | זוֹנָ֑ה (zona) = hoer | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | גִּלְעָ֖ד (gilad) = Gilead | אֶת (et) = (obj.) | יִפְתָּֽח (yiftach) = Jefta Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘dappere krijger’: een man met kracht en moed in de strijd. Voetnoot : Gilead is hier een mansnaam (de vader van Jefta) en ook de naam van het gebied ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Re 6:12; 2 Kon 5:1; Heb 11:32 **11:2** De vrouw van Gilead beviel van zonen voor hem. Toen de zonen van die vrouw opgroeiden, verdreven zij Jefta. Zij zeiden tegen hem: „Jij zult niet erven in het huis van onze vader, want je bent de zoon van een andere vrouw.” Brontekst: וַתֵּ֧לֶד (vateled) = en beviel | אֵֽשֶׁת (eshet) = de vrouw van | גִּלְעָ֛ד (gilad) = Gilead | ל֖וֹ (lo) = hem | בָּנִ֑ים (banim) = zonen | וַיִּגְדְּל֨וּ (vayigdelu) = en zij groeiden op | בְֽנֵי (benei) = de zonen van | הָאִשָּׁ֜ה (haisha) = de vrouw | וַיְגָרְשׁ֣וּ (vaygareshu) = en zij verdreven | אֶת (et) = (obj.) | יִפְתָּ֗ח (yiftach) = Jefta | וַיֹּ֤אמְרוּ (vayomru) = en zij zeiden | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | לֹֽא (lo) = niet | תִנְחַ֣ל (tinchal) = zul je erven | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | אָבִ֔ינוּ (avinu) = onze vader | כִּ֛י (ki) = want | בֶּן (ben) = de zoon van | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | אַחֶ֖רֶת (acheret) = andere | אָֽתָּה (ata) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: נָחַל (nachal), ‘erven’: Jefta krijgt geen deel van het erfdeel van zijn vader, omdat zijn moeder een andere vrouw is. Zijn halfbroers noemen hem ‘de zoon van een andere vrouw’. Zie ook: Gen 12:10; Deut 23:3; Spr 2:16; Spr 5:20; Gal 4:30 **11:3** Jefta vluchtte voor zijn broers en ging wonen in het land Tob. Nietsnutten sloten zich bij Jefta aan en trokken met hem mee. Brontekst: וַיִּבְרַ֤ח (vayivrach) = en vluchtte | יִפְתָּח֙ (yiftach) = Jefta | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | ט֑וֹב (tov) = Tob | וַיִּֽתְלַקְּט֤וּ (vayitlaqetu) = en verzamelden zich | אֶל (el) = bij | יִפְתָּח֙ (yiftach) = Jefta | אֲנָשִׁ֣ים (anashim) = mannen | רֵיקִ֔ים (reiqim) = nietsnutten | וַיֵּצְא֖וּ (vayetseu) = en zij trokken uit | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tob ligt ten noordoosten van Gilead, in het noorden van het huidige Jordanië, bij de grens met Syrië. De precieze plek is onzeker; men zoekt het vaak bij et-Taiyiba. Zie ook 2 Sam. 10:6. Zie Land Tob (ligging onzeker): Het land Tob lag ten noordoosten van Gilead. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ‘Nietsnutten’ is hetzelfde woord als in Richt. 9:4: arme, zwervende mannen zonder werk of bezit. Zie ook: Job 30:1–10; Re 9:4; 1 Sam 22:2; 1 Sam 27:2; 2 Sam 10:6 ### De oudsten van Gilead halen Jefta terug **11:4** Na enige tijd streden de zonen van Ammon tegen Israël. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | מִיָּמִ֑ים (miyamim) = na dagen | וַיִּלָּחֲמ֥וּ (vayilachamu) = en zij streden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Re 10:9 **11:5** Toen de zonen van Ammon tegen Israël streden, gingen de oudsten van Gilead Jefta halen uit het land Tob. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = toen | נִלְחֲמ֥וּ (nilchamu) = zij streden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֵּֽלְכוּ֙ (vayelekhu) = en gingen | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | גִלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | לָקַ֥חַת (laqachat) = om te halen | אֶת (et) = (obj.) | יִפְתָּ֖ח (yiftach) = Jefta | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | טֽוֹב (tov) = Tob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Land Tob (ligging onzeker): Het land Tob lag ten noordoosten van Gilead. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Re 10:17–18; 1 Sam 11:12; Ps 118:22–23; Hand 7:35–39; 1 Kor 1:27–29 **11:6** Zij zeiden tegen Jefta: „Kom, wees onze aanvoerder, dan strijden wij tegen de zonen van Ammon.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | לְיִפְתָּ֔ח (leyiftach) = tegen Jefta | לְכָ֕ה (lekha) = kom | וְהָיִ֥יתָה (vehayita) = en wees | לָּ֖נוּ (lanu) = voor ons | לְקָצִ֑ין (leqatsin) = aanvoerder | וְנִֽלָּחֲמָ֖ה (venilachama) = en laten wij strijden | בִּבְנֵ֥י (bivnei) = tegen de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: קָצִין (qatsin), ‘aanvoerder’: een leider in de oorlog. In vers 8 en 11 gaat het om ‘hoofd’ (רֹאשׁ, rosh); in vers 11 krijgt Jefta beide titels. Zie ook: Re 11:8; Re 11:11 **11:7** Jefta zei tegen de oudsten van Gilead: „Hebben jullie mij niet gehaat en mij uit het huis van mijn vader verdreven? Waarom komen jullie nu bij mij, nu jullie in nood zijn?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יִפְתָּח֙ (yiftach) = Jefta | לְזִקְנֵ֣י (leziqnei) = tegen de oudsten van | גִלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | הֲלֹ֤א (halo) = niet | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | שְׂנֵאתֶ֣ם (senetem) = hebben gehaat | אוֹתִ֔י (oti) = mij | וַתְּגָרְשׁ֖וּנִי (vategareshuni) = en jullie verdreven mij | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | וּמַדּ֜וּעַ (umadua) = en waarom | בָּאתֶ֤ם (batem) = zijn jullie gekomen | אֵלַי֙ (elay) = naar mij | עַ֔תָּה (ata) = nu | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = toen | צַ֥ר (tsar) = het benauwd is | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Gen 45:4–5; Spr 17:17; Jes 60:14; Hand 7:9–14; Openb 3:9 **11:8** De oudsten van Gilead zeiden tegen Jefta: „Daarom zijn wij nu naar je teruggekomen. Ga met ons mee en strijd tegen de zonen van Ammon. Dan word je ons hoofd, het hoofd van alle inwoners van Gilead.” Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֩ (vayomru) = en zeiden | זִקְנֵ֨י (ziqnei) = de oudsten van | גִלְעָ֜ד (gilad) = Gilead | אֶל (el) = tot | יִפְתָּ֗ח (yiftach) = Jefta | לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | עַתָּה֙ (ata) = nu | שַׁ֣בְנוּ (shavnu) = zijn wij teruggekeerd | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar jou | וְהָלַכְתָּ֣ (vehalakhta) = en ga | עִמָּ֔נוּ (imanu) = met ons | וְנִלְחַמְתָּ֖ (venilchamta) = en strijd | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = tegen de zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | וְהָיִ֤יתָ (vehayita) = en je wordt | לָּ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | לְרֹ֔אשׁ (lerosh) = tot hoofd | לְכֹ֖ל (lekhol) = over alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = de inwoners van | גִלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Ex 8:4; Ex 8:24; Ex 9:28; Ex 10:17; Re 10:18 **11:9** Jefta zei tegen de oudsten van Gilead: „Als jullie mij terughalen om tegen de zonen van Ammon te strijden en Yahweh geeft hen aan mij over, dan zal ik jullie hoofd zijn.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יִפְתָּ֜ח (yiftach) = Jefta | אֶל (el) = tot | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | גִלְעָ֗ד (gilad) = Gilead | אִם (im) = als | מְשִׁיבִ֨ים (meshivim) = terughalen | אַתֶּ֤ם (atem) = jullie | אוֹתִי֙ (oti) = mij | לְהִלָּחֵם֙ (lehilachem) = om te strijden | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = tegen de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וְנָתַ֧ן (venatan) = en geeft | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor mij | אָנֹכִ֕י (anokhi) = ik | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לְרֹֽאשׁ (lerosh) = tot hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: Jefta stelt een voorwaarde: hij wil niet alleen strijden, maar ook hoofd zijn. De oudsten gaan akkoord in vers 10. Zie ook: Num 32:20–29; Re 11:10 **11:10** De oudsten van Gilead zeiden tegen Jefta: „Yahweh hoort wat wij tussen ons afspreken. Wij zullen zeker doen wat je zegt.” Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | זִקְנֵֽי (ziqnei) = de oudsten van | גִלְעָ֖ד (gilad) = Gilead | אֶל (el) = tot | יִפְתָּ֑ח (yiftach) = Jefta | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יִהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | שֹׁמֵ֨עַ֙ (shomea) = hoorder | בֵּֽינוֹתֵ֔ינוּ (beinoteinu) = tussen ons | אִם (im) = als | לֹ֥א (lo) = niet | כִדְבָרְךָ֖ (kidvarekha) = naar je woord | כֵּ֥ן (ken) = zo | נַעֲשֶֽׂה (naase) = zullen wij doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws gebruikt een eed: ‘Yahweh zij hoorder tussen ons; zeker zullen wij doen naar je woord’. Wij schrijven dit in gewoon Nederlands. Zie ook: Gen 16:5; Gen 31:50; Jer 29:23; Jer 42:5; 2 Kor 11:31 **11:11** Jefta ging met de oudsten van Gilead mee. Het volk maakte hem tot hoofd en aanvoerder over zich. Jefta sprak al zijn woorden uit voor het aangezicht van Yahweh, in Mizpa. Brontekst: וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en ging | יִפְתָּח֙ (yiftach) = Jefta | עִם (im) = met | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | גִלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | וַיָּשִׂ֨ימוּ (vayasimu) = en maakten | הָעָ֥ם (haam) = het volk | אוֹת֛וֹ (oto) = hem | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over zich | לְרֹ֣אשׁ (lerosh) = tot hoofd | וּלְקָצִ֑ין (uleqatsin) = en tot aanvoerder | וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en sprak | יִפְתָּ֧ח (yiftach) = Jefta | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | דְּבָרָ֛יו (devarav) = zijn woorden | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּמִּצְפָּֽה (bamitspa) = in Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpa in Gilead ligt in het gebied ten oosten van de Jordaan. De ligging is onzeker (zie ook Richt. 10:17). Voetnoot Uitleg: ‘Voor het aangezicht van Yahweh’: Jefta spreekt zijn afspraak uit voor Yahweh. Wat daar stond (een altaar, een heilige plaats), vermeldt de tekst niet. Zie ook: Re 10:17; Re 20:1; 1 Sam 10:17; 1 Sam 11:15; Jak 1:5 ### Jefta stuurt boden naar de koning van Ammon **11:12** Jefta stuurde boden naar de koning van de zonen van Ammon met deze woorden: „Wat hebben u en ik met elkaar te maken? U bent naar mij toe gekomen om in mijn land te strijden.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | יִפְתָּח֙ (yiftach) = Jefta | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מַה (ma) = wat | לִּ֣י (li) = voor mij | וָלָ֔ךְ (valakh) = en voor jou | כִּֽי (ki) = dat | בָ֥אתָ (bata) = u bent gekomen | אֵלַ֖י (elay) = naar mij | לְהִלָּחֵ֥ם (lehilachem) = om te strijden | בְּאַרְצִֽי (beartsi) = in mijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: מַה־לִּי וָלָךְ (mah li valakh), letterlijk ‘wat is er voor mij en voor jou?’: een vraag naar wat zij met elkaar te maken hebben. Voetnoot : Aanspreking: Jefta spreekt de koning van Ammon aan met ‘u’, omdat hij een koning is. De boden spreken in zijn naam. Zie ook: Num 21:21; Deut 2:26; Spr 25:8–9; 2 Kon 14:8–12; Mat 18:15–16 **11:13** De koning van de zonen van Ammon zei tegen de boden van Jefta: „Israël heeft mijn land genomen, toen het uit Egypte optrok: van de Arnon tot de Jabbok en tot de Jordaan. Geef ze nu in vrede terug.” Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | מֶ֨לֶךְ (melekh) = de koning van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | עַמּ֜וֹן (amon) = Ammon | אֶל (el) = tot | מַלְאֲכֵ֣י (malakhei) = de boden van | יִפְתָּ֗ח (yiftach) = Jefta | כִּֽי (ki) = want | לָקַ֨ח (laqach) = nam | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצִי֙ (artsi) = mijn land | בַּעֲלוֹת֣וֹ (baaloto) = bij zijn optrekken | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | מֵאַרְנ֥וֹן (mearnon) = van de Arnon | וְעַד (vead) = en tot | הַיַּבֹּ֖ק (hayaboq) = de Jabbok | וְעַד (vead) = en tot | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | הָשִׁ֥יבָה (hashiva) = geef terug | אֶתְהֶ֖ן (ethen) = hen | בְּשָׁלֽוֹם (beshalom) = in vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Arnon (nu Wadi Mujib) stroomt in Jordanië naar de Zoutzee. De Jabbok (nu Zarqa) stroomt in Jordanië naar de Jordaan. Het gebied ertussen is het land dat Israël van Sichon nam (Num. 21:24). Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘ze’ in het vrouwelijk meervoud (אֶתְהֶן), niet ‘het’. Waarschijnlijk zijn de steden van dat gebied bedoeld. Wij schrijven ‘ze’. Zie ook: Gen 32:22; Num 21:24–26; Deut 2:37; Deut 3:16; Spr 19:5 **11:14** Jefta stuurde opnieuw boden naar de koning van de zonen van Ammon. Brontekst: וַיּ֥וֹסֶף (vayosef) = en voer voort | ע֖וֹד (od) = opnieuw | יִפְתָּ֑ח (yiftach) = Jefta | וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en hij stuurde | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | מֶ֖לֶךְ (melekh) = de koning van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Ps 120:7; Rom 12:18; 1 Petr 3:11; Heb 12:14 **11:15** Hij zei tegen hem: „Zo zegt Jefta: Israël heeft het land van Moab en het land van de zonen van Ammon niet genomen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יִפְתָּ֑ח (yiftach) = Jefta | לֹֽא (lo) = niet | לָקַ֤ח (laqach) = nam | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶ֖רֶץ (erets) = het land van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: Vers 15–27 is de boodschap van Jefta. Hij verwijst naar wat Israël in Num. 20:14–21 en 21:21–35 deed. Zie ook Deut. 2:26–37. Zie ook: Num 20:14–21; Num 21:13–15; Num 21:21; Num 21:27–30; Deut 2:9; Deut 2:19; Deut 2:26–37; 2 Kron 20:10 **11:16** Want toen zij uit Egypte optrokken, ging Israël door de woestijn tot aan de Rietzee en kwam bij Kades. Brontekst: כִּ֖י (ki) = want | בַּעֲלוֹתָ֣ם (baalotam) = bij hun optrekken | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en ging | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | בַּמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = door de woestijn | עַד (ad) = tot | יַם (yam) = de zee van | ס֔וּף (suf) = Suf | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en kwam | קָדֵֽשָׁה (qadesha) = naar Kades Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Rietzee is de zee waar Israël door ging (Exod. 14–15). Kades ligt waarschijnlijk bij Ain el-Qudeirat in het noorden van het Sinaïschiereiland (Egypte). Zie ook Deut. 1:2. Zie ook: Gen 14:7; Num 13:26; Num 14:25; Num 20:1; Deut 1:2; Deut 1:40 **11:17** Israël stuurde boden naar de koning van Edom met de woorden: ‘Laat mij toch door uw land trekken.’ Maar de koning van Edom luisterde niet. Ook naar de koning van Moab stuurde het boden, maar die wilde niet. Israël bleef in Kades. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | מַלְאָכִ֣ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | מֶלֶךְ֩ (melekh) = de koning van | אֱד֨וֹם (edom) = Edom | לֵאמֹ֜ר (lemor) = zeggende | אֶעְבְּרָה (ebera) = laat mij doortrekken | נָּ֣א (na) = toch | בְאַרְצֶ֗ךָ (beartsekha) = door uw land | וְלֹ֤א (velo) = en niet | שָׁמַע֙ (shama) = luisterde | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | וְגַ֨ם (vegam) = en ook | אֶל (el) = naar | מֶ֧לֶךְ (melekh) = de koning van | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | שָׁלַ֖ח (shalach) = stuurde hij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אָבָ֑ה (ava) = wilde hij | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en bleef | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּקָדֵֽשׁ (beqadesh) = in Kades Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Voetnoot Uitleg: In Num. 20:14–21 vraagt Israël alleen aan Edom om toestemming. Dat ook de koning van Moab weigerde, staat daar niet. Deut. 2:28–29 zegt dat Edom en Moab Israël wel eten en water verkochten. Voetnoot : אֶעְבְּרָה (e’verah), ‘laat mij doortrekken’: Israël spreekt hier met één stem, als één man. Zie ook: Num 20:1; Num 20:14–21; Deut 2:4–9; Deut 2:28–29; Deut 2:29; Joz 24:9 **11:18** Daarna ging het door de woestijn en trok om het land van Edom en het land van Moab heen. Het kwam vanuit het oosten bij het land van Moab en legerde zich aan de overkant van de Arnon. Zij kwamen niet binnen het gebied van Moab, want de Arnon is de grens van Moab. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | בַּמִּדְבָּ֗ר (bamidbar) = door de woestijn | וַיָּ֜סָב (vayasav) = en trok rond | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֤רֶץ (erets) = het land van | אֱדוֹם֙ (edom) = Edom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | מִמִּזְרַח (mimizrach) = vanuit het oosten van | שֶׁ֨מֶשׁ֙ (shemesh) = de zon | לְאֶ֣רֶץ (leerets) = naar het land van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וַֽיַּחֲנ֖וּן (vayachanun) = en zij legerden zich | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | אַרְנ֑וֹן (arnon) = de Arnon | וְלֹא (velo) = en niet | בָ֨אוּ֙ (bau) = kwamen zij | בִּגְב֣וּל (bigvul) = binnen het gebied van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | כִּ֥י (ki) = want | אַרְנ֖וֹן (arnon) = de Arnon | גְּב֥וּל (gevul) = grens van | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Arnon was de grens van Moab. Israël trok langs de oostkant van Moab (nu Jordanië). Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Num 20:22; Num 21:4–13; Num 22:36; Num 33:37–44; Deut 2:1–8 **11:19** Israël stuurde boden naar Sichon, de koning van de Amorieten, de koning van Chesbon. Israël zei tegen hem: ‘Laat ons toch door uw land trekken, tot aan mijn plaats.’ Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | סִיח֥וֹן (sichon) = Sichon | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amorieten | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | חֶשְׁבּ֑וֹן (cheshbon) = Chesbon | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נַעְבְּרָה (nabera) = laat ons doortrekken | נָּ֥א (na) = toch | בְאַרְצְךָ֖ (beartsekha) = door uw land | עַד (ad) = tot | מְקוֹמִֽי (meqomi) = mijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chesbon is het huidige Tell Hesban in Jordanië (waarschijnlijk). Zie Num. 21:25–26. Zie ook: Num 21:21–35; Num 21:25–26; Deut 2:26–36; Deut 3:1–17; Joz 13:8–12 **11:20** Maar Sichon vertrouwde het niet dat Israël door zijn gebied zou trekken. Sichon verzamelde heel zijn volk en zij legerden zich bij Jahaz. Hij streed tegen Israël. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | הֶאֱמִ֨ין (heemin) = vertrouwde | סִיח֤וֹן (sichon) = Sichon | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | עֲבֹ֣ר (avor) = om door te trekken | בִּגְבֻל֔וֹ (bigvulo) = door zijn gebied | וַיֶּאֱסֹ֤ף (vayeesof) = en verzamelde | סִיחוֹן֙ (sichon) = Sichon | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַמּ֔וֹ (amo) = zijn volk | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | בְּיָ֑הְצָה (beyahetsa) = bij Jahaz | וַיִּלָּ֖חֶם (vayilachem) = en hij streed | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jahaz lag ten oosten van de Arnon. De precieze plek is onzeker (Num. 21:23). Zie ook Deut. 2:32. Zie ook: Num 21:23–25; Deut 2:32–34; Joz 13:15–32; Ps 135:10–12; Neh 9:22 **11:21** Yahweh, de Elohim van Israël, gaf Sichon en heel zijn volk in de hand van Israël. Zij versloegen hen. Israël nam heel het land van de Amorieten in bezit, die in dat land woonden. Brontekst: וַ֠יִּתֵּן (vayiten) = en gaf | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | סִיח֧וֹן (sichon) = Sichon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַמּ֛וֹ (amo) = zijn volk | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וַיַּכּ֑וּם (vayakum) = en zij versloegen hen | וַיִּירַשׁ֙ (vayirash) = en nam in bezit | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amorieten | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = die woonde | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַהִֽיא (hahi) = dat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:22** Zij namen heel het gebied van de Amorieten in bezit, van de Arnon tot de Jabbok en van de woestijn tot de Jordaan. Brontekst: וַיִּ֣ירְשׁ֔וּ (vayireshu) = en zij namen in bezit | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | גְּב֣וּל (gevul) = het gebied van | הָאֱמֹרִ֑י (haemori) = de Amorieten | מֵֽאַרְנוֹן֙ (mearnon) = van de Arnon | וְעַד (vead) = en tot | הַיַּבֹּ֔ק (hayaboq) = de Jabbok | וּמִן (umin) = en van | הַמִּדְבָּ֖ר (hamidbar) = de woestijn | וְעַד (vead) = en tot | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Zie Jabbok: De Jabbok is een zijrivier van de Jordaan, ten oosten van de rivier. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Deut 2:36 **11:23** Nu heeft Yahweh, de Elohim van Israël, de Amorieten verdreven voor zijn volk Israël. En zou u het in bezit nemen? Brontekst: וְעַתָּ֞ה (veata) = en nu | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הוֹרִישׁ֙ (horish) = heeft verdreven | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amorieten | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor | עַמּ֣וֹ (amo) = zijn volk | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְאַתָּ֖ה (veata) = en u | תִּירָשֶֽׁנּוּ (tirashenu) = zou u het in bezit nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jefta beroept zich erop dat Yahweh het land aan Israël heeft gegeven. **11:24** Neemt u niet in bezit wat Kemosj, uw god, u in bezit laat nemen? En alles wat Yahweh, onze Elohim, voor ons heeft verdreven, dat nemen wij in bezit. Brontekst: הֲלֹ֞א (halo) = is het niet | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | יוֹרִֽישְׁךָ֛ (yorishekha) = laat u bezitten | כְּמ֥וֹשׁ (kemosh) = Kemosj | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = uw god | אוֹת֥וֹ (oto) = dat | תִירָ֑שׁ (tirash) = neemt u in bezit | וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | הוֹרִ֜ישׁ (horish) = heeft verdreven | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֛ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | מִפָּנֵ֖ינוּ (mipaneinu) = voor ons | אוֹת֥וֹ (oto) = dat | נִירָֽשׁ (nirash) = nemen wij in bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּמוֹשׁ (Kemosj), ‘Kemosj’: de god van Moab (Num. 21:29; 1 Kon. 11:7). De god van Ammon heet elders Milkom (1 Kon. 11:5). Het land waar het hier over gaat, heeft eerst bij Moab behoord (Num. 21:26). Wij vertalen ‘uw god’ met een kleine letter. Zie ook: Num 21:26; Num 21:29; Joz 3:10; Ps 78:55; 1 Kon 11:5; 1 Kon 11:7; Mi 4:5 **11:25** Nu dan, bent u beter dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab? Heeft hij werkelijk met Israël getwist? Heeft hij werkelijk tegen hen gestreden? Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הֲט֥וֹב (hatov) = beter | טוֹב֙ (tov) = goed | אַתָּ֔ה (ata) = bent u | מִבָּלָ֥ק (mibalaq) = dan Balak | בֶּן (ben) = de zoon van | צִפּ֖וֹר (tsipor) = Sippor | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | הֲר֥וֹב (harov) = heeft hij getwist | רָב֙ (rav) = getwist | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אִם (im) = of | נִלְחֹ֥ם (nilchom) = heeft hij gestreden | נִלְחַ֖ם (nilcham) = gestreden | בָּֽם (bam) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Balak, de koning van Moab, probeerde Israël niet te bestrijden maar te laten vervloeken (Num. 22–24). Zie ook: Num 22:2–21; Deut 23:4–5; Joz 24:9–10; Mi 6:5 **11:26** Israël woont al 300 jaar in Chesbon en de plaatsen eromheen, in Aroër en de plaatsen eromheen en in alle steden langs de Arnon. Waarom hebben jullie ze in die tijd niet bevrijd? Brontekst: בְּשֶׁ֣בֶת (beshevet) = bij het wonen van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | בְּחֶשְׁבּ֨וֹן (becheshbon) = in Chesbon | וּבִבְנוֹתֶ֜יהָ (uvivnoteiha) = en in haar plaatsen | וּבְעַרְע֣וֹר (uvearor) = en in Aroër | וּבִבְנוֹתֶ֗יהָ (uvivnoteiha) = en in haar plaatsen | וּבְכָל (uvekhal) = en in alle | הֶֽעָרִים֙ (hearim) = de steden | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = aan | יְדֵ֣י (yedei) = de zijde van | אַרְנ֔וֹן (arnon) = de Arnon | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וּמַדּ֥וּעַ (umadua) = en waarom | לֹֽא (lo) = niet | הִצַּלְתֶּ֖ם (hitsaltem) = hebben jullie bevrijd | בָּעֵ֥ת (baet) = in de tijd | הַהִֽיא (hahi) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aroër lag aan de Arnon, bij Khirbet Ara’ir in Jordanië (waarschijnlijk). Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Uitleg: Het getal 300 jaar is Jefta’s eigen aanduiding. Zie 1 Kon. 6:1 voor een andere tijdrekening, van de uittocht tot de bouw van de tempel. Voetnoot : הִצַּלְתֶּם (hitsaltem), ‘jullie hebben bevrijd’: letterlijk ‘gered’. Jefta bedoelt: waarom hebben jullie de steden niet teruggenomen? Zie ook: Deut 2:36; Deut 3:2; Deut 3:6; Joz 12:2; Joz 13:10; 1 Kon 6:1 **11:27** Ik heb niet tegen u gezondigd, maar u doet mij kwaad door tegen mij te strijden. Moge Yahweh, de Rechter, vandaag rechtspreken tussen de zonen van Israël en de zonen van Ammon.” Brontekst: וְאָֽנֹכִי֙ (veanokhi) = en ik | לֹֽא (lo) = niet | חָטָ֣אתִי (chatati) = heb gezondigd | לָ֔ךְ (lakh) = tegen u | וְאַתָּ֞ה (veata) = en u | עֹשֶׂ֥ה (ose) = doet | אִתִּ֛י (iti) = met mij | רָעָ֖ה (raa) = kwaad | לְהִלָּ֣חֶם (lehilachem) = door te strijden | בִּ֑י (bi) = tegen mij | יִשְׁפֹּ֨ט (yishpot) = moge rechtspreken | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | הַשֹּׁפֵט֙ (hashofet) = de Rechter | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | בֵּ֚ין (bein) = tussen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַשֹּׁפֵט (hashofet), ‘de Rechter’: Yahweh wordt aangeroepen om recht te spreken tussen de twee volken. Vergelijk Gen. 18:25. Zie ook: Gen 16:5; Gen 18:25; Gen 31:53; 1 Sam 24:13; 1 Sam 24:16 **11:28** Maar de koning van de zonen van Ammon luisterde niet naar de woorden die Jefta hem had gestuurd. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | שָׁמַ֔ע (shama) = luisterde | מֶ֖לֶךְ (melekh) = de koning van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | אֶל (el) = naar | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | יִפְתָּ֔ח (yiftach) = Jefta | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁלַ֖ח (shalach) = hij had gestuurd | אֵלָֽיו (elav) = naar hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Spr 16:18; 2 Kon 14:11 ### Jefta’s gelofte **11:29** De Geest van Yahweh kwam over Jefta. Hij trok door Gilead en Manasse. Hij trok door Mizpa in Gilead. Vanaf Mizpa in Gilead trok hij verder naar de zonen van Ammon. Brontekst: וַתְּהִ֤י (vatehi) = en kwam | עַל (al) = over | יִפְתָּח֙ (yiftach) = Jefta | ר֣וּחַ (ruach) = de Geest van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּעֲבֹ֥ר (vayaavor) = en hij trok door | אֶת (et) = (obj.) | הַגִּלְעָ֖ד (hagilad) = Gilead | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | וַֽיַּעֲבֹר֙ (vayaavor) = en hij trok door | אֶת (et) = (obj.) | מִצְפֵּ֣ה (mitspe) = Mizpa van | גִלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | וּמִמִּצְפֵּ֣ה (umimitspe) = en vanuit Mizpa van | גִלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | עָבַ֖ר (avar) = trok hij naar | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Mizpa in Gilead (ligging onzeker): Mizpa in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. De precieze plaats is niet bekend. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: De Geest van Yahweh komt over Jefta, zoals bij andere rechters (Richt. 3:10; 6:34; 14:6). Het wordt hier genoemd vóór de gelofte van vers 30. Zie ook: Num 11:25; Re 3:10; Re 6:34; Re 11:30; Re 13:25; Re 14:6; 1 Sam 16:13–15; 1 Kron 12:19 **11:30** Jefta deed een gelofte aan Yahweh en zei: „Als U de zonen van Ammon werkelijk in mijn hand geeft, Brontekst: וַיִּדַּ֨ר (vayidar) = en deed | יִפְתָּ֥ח (yiftach) = Jefta | נֶ֛דֶר (neder) = een gelofte | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | אִם (im) = als | נָת֥וֹן (naton) = geven | תִּתֵּ֛ן (titen) = U geeft | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | בְּיָדִֽי (beyadi) = in mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: נֶדֶר (neder), ‘gelofte’: een belofte aan Yahweh, meestal met een voorwaarde. Zie Num. 30:3. Wij vertalen alles wat Jefta zegt woord voor woord. Zie ook: Gen 28:20; Num 30:3–17; 1 Sam 1:11; Pred 4:17–5:1; Pred 5:3–4 **11:31** dan zal wie of wat uit de deuren van mijn huis naar buiten komt, mij tegemoet, als ik in vrede terugkeer van de zonen van Ammon, van Yahweh zijn. En ik zal het als brandoffer offeren.” Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | הַיּוֹצֵ֗א (hayotse) = wat uitgaat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יֵצֵ֜א (yetse) = uitgaat | מִדַּלְתֵ֤י (midaltei) = uit de deuren van | בֵיתִי֙ (beiti) = mijn huis | לִקְרָאתִ֔י (liqrati) = mij tegemoet | בְּשׁוּבִ֥י (beshuvi) = bij mijn terugkeer | בְשָׁל֖וֹם (beshalom) = in vrede | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְהַעֲלִיתִ֖הוּ (vehaalitihu) = en ik zal offeren hem | עוֹלָֽה (ola) = als brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַיּוֹצֵא (hayyotse), ‘wie of wat naar buiten komt’: het Hebreeuws gebruikt een mannelijk deelwoord zonder aan te geven of het om een mens of om een dier gaat. In het Nederlands bestaat daar geen enkel woord voor; daarom schrijven wij ‘wie of wat’. Voetnoot Lezing: וְהַעֲלִיתִהוּ עוֹלָה (vehaalitihu olah), ‘en ik zal het als brandoffer offeren’. Het voegwoord ‘וְ’ (ve) betekent gewoonlijk ‘en’, maar kan ook ‘of’ betekenen. Dan staat er: ‘dat zal van Yahweh zijn, of ik zal het als brandoffer offeren’. Ook het woord ‘het’ (de uitgang -הוּ, -hu) is mannelijk en kan een mens of een dier zijn. Wij vertalen ‘en’ en ‘het’. Zie ook: Lev 27:11–12; Deut 23:19; 1 Sam 1:28; 1 Sam 14:24; Ps 66:13–14 ### Jefta verslaat de zonen van Ammon **11:32** Jefta trok naar de zonen van Ammon om tegen hen te strijden. Yahweh gaf hen in zijn hand. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֥ר (vayaavor) = en trok | יִפְתָּ֛ח (yiftach) = Jefta | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | לְהִלָּ֣חֶם (lehilachem) = om te strijden | בָּ֑ם (bam) = tegen hen | וַיִתְּנֵ֥ם (vayitenem) = en gaf hen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Re 1:4; Re 2:18; Re 3:10 **11:33** Hij versloeg hen, van Aroër tot waar je bij Minnit komt, twintig steden, en tot Abel-Keramim, met een zeer grote slag. Zo werden de zonen van Ammon onderworpen voor de zonen van Israël. Brontekst: וַיַּכֵּ֡ם (vayakem) = en hij versloeg hen | מֵעֲרוֹעֵר֩ (mearoer) = vanuit Aroër | וְעַד (vead) = en tot | בּוֹאֲךָ֨ (boakha) = je komt naar | מִנִּ֜ית (minit) = Minnit | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | עִ֗יר (ir) = steden | וְעַד֙ (vead) = en tot | אָבֵ֣ל (avel) = Abel | כְּרָמִ֔ים (keramim) = Keramim | מַכָּ֖ה (maka) = een slag | גְּדוֹלָ֣ה (gedola) = grote | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיִּכָּֽנְעוּ֙ (vayikaneu) = en werden onderworpen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aroër lag aan de Arnon (zie vers 26). Minnit en Abel-Keramim (‘beemd van de wijngaarden’) lagen in het gebied van Ammon, in het huidige Jordanië. De juiste plaats is bij beide onzeker. Zie ook: Deut 2:36; Re 11:26; Ezech 27:17 ### Jefta’s dochter **11:34** Jefta kwam in Mizpa bij zijn huis. Zie, zijn dochter kwam naar buiten, hem tegemoet, met tamboerijnen en reidansen. Zij was zijn enige kind. Behalve haar had hij geen zoon of dochter. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en kwam | יִפְתָּ֣ח (yiftach) = Jefta | הַמִּצְפָּה֮ (hamitspa) = naar Mizpa | אֶל (el) = naar | בֵּיתוֹ֒ (beito) = zijn huis | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | בִתּוֹ֙ (bito) = zijn dochter | יֹצֵ֣את (yotset) = kwam uit | לִקְרָאת֔וֹ (liqrato) = hem tegemoet | בְתֻפִּ֖ים (betupim) = met tamboerijnen | וּבִמְחֹל֑וֹת (uvimcholot) = en met reidansen | וְרַק֙ (veraq) = en alleen | הִ֣יא (hi) = zij | יְחִידָ֔ה (yechida) = enig | אֵֽין (ein) = niet | ל֥וֹ (lo) = voor hem | מִמֶּ֛נּוּ (mimenu) = naast haar | בֵּ֖ן (ben) = zoon | אוֹ (o) = of | בַֽת (bat) = dochter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: De dochter komt hem tegemoet met tamboerijnen en reidansen, zoals vrouwen een overwinning vierden (Exod. 15:20; 1 Sam. 18:6). Zie ook: Ex 15:20; Re 10:17; Re 11:11; 1 Sam 18:6; Ps 150:4; Jer 31:4 **11:35** Toen hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en zei: „Ach, mijn dochter! Je hebt mij diep gebogen. Je behoort tot hen die mij in ongeluk brengen. Want ik heb mijn mond voor Yahweh geopend en ik kan niet terug.” Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כִרְאוֹת֨וֹ (kiroto) = bij zijn zien | אוֹתָ֜הּ (otah) = haar | וַיִּקְרַ֣ע (vayiqra) = en hij scheurde | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֗יו (begadav) = zijn kleren | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֲהָ֤הּ (ahah) = ach | בִּתִּי֙ (biti) = mijn dochter | הַכְרֵ֣עַ (hakhrea) = diep gebogen | הִכְרַעְתִּ֔נִי (hikhratini) = je hebt mij gebogen | וְאַ֖תְּ (veat) = en jij | הָיִ֣יתְ (hayit) = was | בְּעֹֽכְרָ֑י (beokheray) = onder hen die mij in ongeluk brengen | וְאָנֹכִ֗י (veanokhi) = en ik | פָּצִ֤יתִי (patsiti) = heb geopend | פִי֙ (pi) = mijn mond | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אוּכַ֖ל (ukhal) = kan ik | לָשֽׁוּב (lashuv) = terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zijn kleren scheuren’ is een teken van diepe rouw (Gen. 37:34). ‘Ik kan niet terug’: een gelofte aan Yahweh moet worden volbracht (Num. 30:3; Deut. 23:22–24). Voetnoot Lezing: עֹכְרִי (okhri), ‘die mij in ongeluk brengen’: dezelfde stam als in de naam Achan (Joz. 7:25, ‘Yahweh zal jou vandaag in ongeluk brengen’). Jefta zegt: je hoort bij degenen die mij verdriet doen. Zie ook: Gen 37:29–30; Gen 37:34–35; Gen 42:36–38; Num 30:3; Deut 23:22–24; Joz 7:25; 1 Sam 14:44–45; Mat 14:7–9 **11:36** Zij zei tegen hem: „Mijn vader, je hebt je mond voor Yahweh geopend. Doe met mij zoals uit je mond is gekomen, nu Yahweh je wraak heeft gegeven op je vijanden, de zonen van Ammon.” Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | פָּצִ֤יתָה (patsita) = je hebt geopend | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֨יךָ֙ (pikha) = je mond | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עֲשֵׂ֣ה (ase) = doe | לִ֔י (li) = met mij | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | יָצָ֣א (yatsa) = is uitgegaan | מִפִּ֑יךָ (mipikha) = uit je mond | אַחֲרֵ֡י (acharei) = nadat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂה֩ (asa) = heeft gedaan | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | נְקָמ֛וֹת (neqamot) = wraak | מֵאֹיְבֶ֖יךָ (meoyeveikha) = op je vijanden | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: De dochter spreekt haar vader aan met ‘mijn vader’. Wij vertalen met ‘je’, zoals bij andere gesprekken tussen een vader en zijn kind. Zie ook: Re 16:28–30; 2 Sam 18:19; Hand 21:13; Rom 16:4; Fil 2:30 **11:37** Zij zei tegen haar vader: „Laat dit voor mij gebeuren: laat mij twee maanden vrij. Dan ga ik de bergen in en ween ik over mijn maagdelijkheid, ik en mijn vriendinnen.” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zij zei | אֶל (el) = tot | אָבִ֔יהָ (aviha) = haar vader | יֵעָ֥שֶׂה (yease) = laat worden gedaan | לִּ֖י (li) = voor mij | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | הַרְפֵּ֨ה (harpe) = laat los | מִמֶּ֜נִּי (mimeni) = van mij | שְׁנַ֣יִם (shenayim) = twee | חֳדָשִׁ֗ים (chodashim) = maanden | וְאֵֽלְכָה֙ (veelekha) = en laat mij gaan | וְיָרַדְתִּ֣י (veyaradti) = en ik zal afdalen | עַל (al) = op | הֶֽהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | וְאֶבְכֶּה֙ (veevke) = en ik zal wenen | עַל (al) = over | בְּתוּלַ֔י (betulay) = mijn maagdelijkheid | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | וְרֵעוֹתָֽי (vereotay) = en mijn vriendinnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וְיָרַדְתִּי (veyaradti), ‘en ik zal afdalen’: het woord ‘afdalen’ staat hier met ‘op de bergen’. Wij lezen: zij gaat de bergen in. Het kan ook ‘rondzwerven’ betekenen. Zie ook: 1 Sam 1:6; Luc 1:25 **11:38** Hij zei: „Ga.” Hij liet haar gaan, twee maanden lang. Zij ging, zij en haar vriendinnen, en weende op de bergen over haar maagdelijkheid. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֵ֔כִי (lekhi) = ga | וַיִּשְׁלַ֥ח (vayishlach) = en hij liet haar gaan | אוֹתָ֖הּ (otah) = haar | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | חֳדָשִׁ֑ים (chodashim) = maanden | וַתֵּ֤לֶךְ (vatelekh) = en zij ging | הִיא֙ (hi) = zij | וְרֵ֣עוֹתֶ֔יהָ (vereoteiha) = en haar vriendinnen | וַתֵּ֥בְךְּ (vatevek) = en zij weende | עַל (al) = over | בְּתוּלֶ֖יהָ (betuleiha) = haar maagdelijkheid | עַל (al) = op | הֶהָרִֽים (heharim) = de bergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּתוּלִים (betulim), ‘maagdelijkheid’: haar toestand als ongetrouwde jonge vrouw. Zij weent dat zij geen man en geen kinderen zal hebben. **11:39** Na twee maanden kwam zij terug bij haar vader. Hij deed met haar volgens zijn gelofte, die hij had afgelegd. Zij had geen man gekend. Het werd een voorschrift in Israël: Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | מִקֵּ֣ץ (miqets) = aan het einde van | שְׁנַ֣יִם (shenayim) = twee | חֳדָשִׁ֗ים (chodashim) = maanden | וַתָּ֨שָׁב֙ (vatashav) = en zij keerde terug | אֶל (el) = tot | אָבִ֔יהָ (aviha) = haar vader | וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hij deed | לָ֔הּ (lah) = met haar | אֶת (et) = (obj.) | נִדְר֖וֹ (nidro) = zijn gelofte | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נָדָ֑ר (nadar) = hij had afgelegd | וְהִיא֙ (vehi) = en zij | לֹא (lo) = niet | יָדְעָ֣ה (yadea) = had gekend | אִ֔ישׁ (ish) = man | וַתְּהִי (vatehi) = en het werd | חֹ֖ק (choq) = een voorschrift | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wet verbiedt dat een kind wordt geofferd (Lev. 18:21; Deut. 12:31). De wet regelt ook hoe een gelofte met een mens kan worden gelost (Lev. 27:1–8). Voetnoot : חֹק (choq), ‘voorschrift’: een vaste gewoonte of afspraak. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen: ‘Hij deed met haar zijn gelofte, die hij had afgelegd. En zij had geen man gekend.’ De tekst zegt niet met zoveel woorden wat hij deed. Er zijn al heel lang twee opvattingen: (1) hij heeft haar als brandoffer geofferd, zoals vers 31 zegt; (2) hij heeft haar aan Yahweh gewijd, zodat zij haar hele leven ongetrouwd bleef. Voor (1) pleit de gelofte van vers 31. Voor (2) pleit dat de tekst zegt dat zij geen man had gekend, dat zij haar maagdelijkheid bewenen gaat (vers 37–38) en dat de dochters van Israël haar elk jaar herdenken (vers 40). Wij vertalen alleen wat er staat. Zie ook: Lev 18:21; Lev 27:1–8; Lev 27:28–29; Deut 12:31; Re 11:31; Re 11:37–38; Re 11:40; 1 Sam 2:18; Jes 66:3 **11:40** Elk jaar gaan de dochters van Israël vier dagen om de dochter van Jefta, de Gileadiet, te beklagen. Brontekst: מִיָּמִ֣ים (miyamim) = van jaar tot jaar | יָמִ֗ימָה (yamima) = jaar na jaar | תֵּלַ֨כְנָה֙ (telakhna) = gaan | בְּנ֣וֹת (benot) = de dochters van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְתַנּ֕וֹת (letanot) = om te beklagen | לְבַת (levat) = de dochter van | יִפְתָּ֖ח (yiftach) = Jefta | הַגִּלְעָדִ֑י (hagiladi) = de Gileadiet | אַרְבַּ֥עַת (arbaat) = vier | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | בַּשָּׁנָֽה (bashana) = in het jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְתַנּוֹת (letannot), ‘beklagen’: het woord komt in dit boek nog voor in Richt. 5:11, waar het ‘bezingen’ of ‘vertellen’ betekent. De oude vertalingen lezen hier ‘beklagen’. Het kan dus ook ‘bezingen’ of ‘herdenken’ zijn. Voetnoot : מִיָּמִים יָמִימָה (miyamim yamimah), ‘van jaar tot jaar’: letterlijk ‘van dagen tot dagen’; zo wordt het jaarlijkse feest bedoeld (Richt. 21:19; 1 Sam. 1:3). Zie ook: Re 5:11; Re 21:19; 1 Sam 1:3; 1 Kon 9:25 ## Richteren 12 _Efraïm tegen Jefta, het sjibbolet en de rechters Ibzan, Elon en Abdon_ ### Efraïm tegen Jefta **12:1** De mannen van Efraïm werden opgeroepen en trokken naar het noorden. Zij zeiden tegen Jefta: „Waarom ben je getrokken om tegen de zonen van Ammon te strijden? Je hebt ons niet geroepen om met je mee te gaan. Je huis wordt met vuur verbrand, met jou erin.” Brontekst: וַיִּצָּעֵק֙ (vayitsaeq) = en werd opgeroepen | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וַֽיַּעֲבֹ֖ר (vayaavor) = en hij trok | צָפ֑וֹנָה (tsafona) = naar het noorden | וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zij zeiden | לְיִפְתָּ֜ח (leyiftach) = tegen Jefta | מַדּ֣וּעַ (madua) = waarom | עָבַ֣רְתָּ (avarta) = ben je getrokken | לְהִלָּחֵ֣ם (lehilachem) = om te strijden | בִּבְנֵי (bivnei) = tegen de zonen van | עַמּ֗וֹן (amon) = Ammon | וְלָ֨נוּ֙ (velanu) = en ons | לֹ֤א (lo) = niet | קָרָ֨אתָ֙ (qarata) = heb je geroepen | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met je | בֵּיתְךָ֕ (beitekha) = je huis | נִשְׂרֹ֥ף (nisrof) = wordt verbrand | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = over je | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zafon (‘noord’) was een stad in het dal van de Jordaan, ten oosten van de rivier, in het gebied van Gad (Joz. 13:27; waarschijnlijk Tell es-Saidiyeh in Jordanië). De ligging is niet zeker. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Lezing: צָפוֹנָה (tsafonah): dit kan ‘naar het noorden’ betekenen of ‘naar Zafon’. Wij vertalen ‘naar het noorden’. Voetnoot : וַיִּצָּעֵק (vayyitsa’eq), ‘werden opgeroepen’: zie Richt. 10:17. Het Hebreeuws zegt hier ‘de man van Efraïm’, in het enkelvoud, voor alle mannen van de stam. Zie ook: Joz 13:27; Re 8:1; Re 10:17; Re 14:15; Joh 10:32; Jak 3:16; Jak 4:1–2 **12:2** Jefta zei tegen hen: „Ik en mijn volk hadden een hevige strijd met de zonen van Ammon. Ik riep jullie om hulp, maar jullie hebben mij niet uit hun hand gered. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יִפְתָּח֙ (yiftach) = Jefta | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | אִ֣ישׁ (ish) = een man van | רִ֗יב (riv) = strijd | הָיִ֛יתִי (hayiti) = was | אֲנִ֛י (ani) = ik | וְעַמִּ֥י (veami) = en mijn volk | וּבְנֵֽי (uvenei) = en de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וָאֶזְעַ֣ק (vaezaq) = en ik riep om hulp | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְלֹֽא (velo) = en niet | הוֹשַׁעְתֶּ֥ם (hoshatem) = hebben jullie gered | אוֹתִ֖י (oti) = mij | מִיָּדָֽם (miyadam) = uit hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Re 11:12–33 **12:3** Ik zag dat je geen redder was. Toen waagde ik mijn leven en trok tegen de zonen van Ammon op. Yahweh gaf hen in mijn hand. Waarom zijn jullie vandaag naar mij toe gekomen om tegen mij te strijden?” Brontekst: וָֽאֶרְאֶ֞ה (vaere) = en ik zag | כִּֽי (ki) = dat | אֵינְךָ֣ (einekha) = je niet bent | מוֹשִׁ֗יע (moshi) = een redder | וָאָשִׂ֨ימָה (vaasima) = en ik legde | נַפְשִׁ֤י (nafshi) = mijn leven | בְכַפִּי֙ (bekhapi) = in mijn hand | וָֽאֶעְבְּרָה֙ (vaebera) = en ik trok op | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וַיִּתְּנֵ֥ם (vayitenem) = en gaf hen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיָדִ֑י (beyadi) = in mijn hand | וְלָמָ֞ה (velama) = en waarom | עֲלִיתֶ֥ם (alitem) = zijn jullie opgetrokken | אֵלַ֛י (elay) = naar mij | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | לְהִלָּ֥חֶם (lehilachem) = om te strijden | בִּֽי (bi) = tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: וָאָשִׂימָה נַפְשִׁי בְכַפִּי (va’asimah nafshi vekhappi), ‘ik legde mijn leven in mijn hand’: ik waagde mijn leven. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) is hier ‘leven’. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft in het begin van dit vers het enkelvoud (‘je was geen redder’), daarna weer het meervoud. Jefta spreekt tot de hele stam als één man. Zie ook: Job 13:14; Re 11:27; 1 Sam 19:5; 1 Sam 28:21; Ps 119:109 **12:4** Jefta verzamelde alle mannen van Gilead en streed tegen Efraïm. De mannen van Gilead versloegen Efraïm, want zij zeiden: „Jullie zijn ontsnapten van Efraïm, Gilead, midden in Efraïm en midden in Manasse.” Brontekst: וַיִּקְבֹּ֤ץ (vayiqbots) = en verzamelde | יִפְתָּח֙ (yiftach) = Jefta | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | גִלְעָ֔ד (gilad) = Gilead | וַיִּלָּ֖חֶם (vayilachem) = en streed | אֶת (et) = met | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וַיַּכּוּ֩ (vayaku) = en versloegen | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = de mannen van | גִלְעָ֜ד (gilad) = Gilead | אֶת (et) = (obj.) | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | כִּ֤י (ki) = want | אָמְרוּ֙ (ameru) = zij zeiden | פְּלִיטֵ֤י (pelitei) = ontsnapten van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie | גִּלְעָ֕ד (gilad) = Gilead | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | מְנַשֶּֽׁה (menashe) = Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van het laatste deel van dit vers is moeilijk: ‘ontsnapten van Efraïm zijn jullie, Gilead, in het midden van Efraïm, in het midden van Manasse’. Wij nemen aan dat de mannen van Efraïm de mannen van Gilead zo uitschelden: zij zouden vluchtelingen zijn die geen eigen plaats hebben, maar bij Efraïm en Manasse wonen. Zeker is dat niet. Zie ook: Num 32:39–40; Deut 3:12–17; 1 Sam 25:10; Ps 78:9; Spr 12:13 ### Het sjibbolet **12:5** Gilead nam de oversteekplaatsen van de Jordaan in, tegenover Efraïm. Wanneer een ontsnapte van Efraïm zei: „Laat mij oversteken”, zeiden de mannen van Gilead tegen hem: „Ben jij een Efraïmiet?” Als hij dan zei: „Nee”, Brontekst: וַיִּלְכֹּ֥ד (vayilkod) = en nam in | גִּלְעָ֛ד (gilad) = Gilead | אֶֽת (et) = (obj.) | מַעְבְּר֥וֹת (maberot) = de oversteekplaatsen van | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | לְאֶפְרָ֑יִם (leefrayim) = tegenover Efraïm | וְֽ֠הָיָה (vehaya) = en het was | כִּ֣י (ki) = wanneer | יֹאמְר֞וּ (yomru) = zeiden | פְּלִיטֵ֤י (pelitei) = ontsnapten van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | אֶעֱבֹ֔רָה (eevora) = laat mij oversteken | וַיֹּ֨אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | ל֧וֹ (lo) = tegen hem | אַנְשֵֽׁי (anshei) = de mannen van | גִלְעָ֛ד (gilad) = Gilead | הַֽאֶפְרָתִ֥י (haefrati) = Efraïmiet | אַ֖תָּה (ata) = jij | וַיֹּ֥אמֶֽר (vayomer) = en hij zei | לֹֽא (lo) = nee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De oversteekplaatsen van de Jordaan zijn de ondiepe plekken, de voorden, waar men de rivier kon doorwaden. Efraïm moest hier overheen om terug te keren naar zijn land, ten westen van de rivier. De precieze plaats noemt de tekst niet. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: אֶפְרָתִי (Efrati), ‘Efraïmiet’: een man uit Efraïm. Het woord is hetzelfde als in 1 Sam. 1:1. Zie ook: Joz 2:7; Joz 22:11; Re 3:28; Re 7:24; 1 Sam 1:1 **12:6** zeiden zij tegen hem: „Zeg toch ‘Sjibbolet’.” Dan zei hij: „Sibbolet”, want hij kon het niet goed uitspreken. Dan grepen zij hem en doodden hem bij de oversteekplaatsen van de Jordaan. In die tijd vielen er 42.000 van Efraïm. Brontekst: וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | לוֹ֩ (lo) = tegen hem | אֱמָר (emar) = zeg | נָ֨א (na) = toch | שִׁבֹּ֜לֶת (shibolet) = Sjibbolet | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | סִבֹּ֗לֶת (sibolet) = Sibbolet | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יָכִין֙ (yakhin) = kon hij | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = uitspreken | כֵּ֔ן (ken) = zo | וַיֹּאחֲז֣וּ (vayochazu) = en zij grepen | אוֹת֔וֹ (oto) = hem | וַיִּשְׁחָט֖וּהוּ (vayishchatuhu) = en zij doodden hem | אֶל (el) = bij | מַעְבְּר֣וֹת (maberot) = de oversteekplaatsen van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וַיִּפֹּ֞ל (vayipol) = en vielen | בָּעֵ֤ת (baet) = in de tijd | הַהִיא֙ (hahi) = die | מֵֽאֶפְרַ֔יִם (meefrayim) = van Efraïm | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁנַ֖יִם (ushenayim) = en twee | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: שִׁבֹּלֶת (shibbolet), ‘sjibbolet’: een aar van het graan, en ook een stroom. Het woord begint met de klank ‘sj’. De mannen van Efraïm konden die klank niet uitspreken en zeiden ‘sibbolet’ (met ‘s’). Zo werden zij herkend. Voetnoot : שָׁחַט (shachat), ‘doden’: letterlijk ‘slachten’. Het is hetzelfde woord als voor het slachten van dieren bij de offers. Voetnoot : לֹא יָכִין (lo yakhin), ‘hij kon het niet goed uitspreken’: letterlijk ‘hij maakte het niet gereed’. Zie ook: Ps 69:3; Spr 17:14; Pred 10:12; Jes 27:12; Mat 12:25 ### Jefta sterft **12:7** Jefta was zes jaar rechter over Israël. Toen stierf Jefta, de Gileadiet, en werd begraven in de steden van Gilead. Brontekst: וַיִּשְׁפֹּ֥ט (vayishpot) = en was rechter over | יִפְתָּ֛ח (yiftach) = Jefta | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaar | וַיָּ֗מָת (vayamat) = en stierf | יִפְתָּח֙ (yiftach) = Jefta | הַגִּלְעָדִ֔י (hagiladi) = de Gileadiet | וַיִּקָּבֵ֖ר (vayiqaver) = en werd begraven | בְּעָרֵ֥י (bearei) = in de steden van | גִלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt ‘in de steden van Gilead’. Dat is ongewoon (men verwacht ‘in een van de steden’). De Griekse vertaling heeft ‘in zijn stad in Gilead’. Wij volgen de Hebreeuwse tekst. ### Ibzan, Elon en Abdon **12:8** Na hem was Ibzan uit Betlehem rechter over Israël. Brontekst: וַיִּשְׁפֹּ֤ט (vayishpot) = en was rechter over | אַֽחֲרָיו֙ (acharav) = na hem | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אִבְצָ֖ן (ivtsan) = Ibzan | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | לָֽחֶם (lachem) = Lechem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ibzan komt uit Betlehem. Dat kan Betlehem in Zebulon zijn, ongeveer 11 kilometer ten westnoordwesten van Nazaret (nu Beit Lahm in Israël, waarschijnlijk), of het bekende Betlehem in Juda. De volgende rechter komt uit Zebulon, en dat pleit voor het eerste. Zeker is dat niet. Zie ook Joz. 19:15. Zie ook: Gen 15:19; Joz 19:15; 1 Sam 16:1; Mi 5:1; Mat 2:1 **12:9** Hij had dertig zonen en dertig dochters. Dertig dochters stuurde hij naar buiten. Dertig dochters bracht hij van buiten voor zijn zonen. Hij was zeven jaar rechter over Israël. Brontekst: וַיְהִי (vayhi) = en het waren | ל֞וֹ (lo) = voor hem | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | בָּנִ֗ים (banim) = zonen | וּשְׁלֹשִׁ֤ים (usheloshim) = en dertig | בָּנוֹת֙ (banot) = dochters | שִׁלַּ֣ח (shilach) = hij stuurde | הַח֔וּצָה (hachutsa) = naar buiten | וּשְׁלֹשִׁ֣ים (usheloshim) = en dertig | בָּנ֔וֹת (banot) = dochters | הֵבִ֥יא (hevi) = bracht hij | לְבָנָ֖יו (levanav) = voor zijn zonen | מִן (min) = van | הַח֑וּץ (hachuts) = buiten | וַיִּשְׁפֹּ֥ט (vayishpot) = en hij was rechter over | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Naar buiten sturen’ betekent: uithuwelijken buiten de eigen familie of stam. ‘Van buiten brengen’ betekent: vrouwen van buiten de familie voor zijn zonen halen. Zie ook: Re 10:4; Re 12:14 **12:10** Ibzan stierf en werd begraven in Betlehem. Brontekst: וַיָּ֣מָת (vayamat) = en stierf | אִבְצָ֔ן (ivtsan) = Ibzan | וַיִּקָּבֵ֖ר (vayiqaver) = en werd begraven | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | לָֽחֶם (lachem) = Lechem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem in Zebulon: Dit Betlehem (Beit Lahm) lag in het gebied van Zebulon, in Galilea, ten noordwesten van Nazaret. Voor Ibzan in Richteren 12 is dit waarschijnlijk, maar niet zeker. **12:11** Na hem was Elon, de Zebulonieter, rechter over Israël. Hij was tien jaar rechter over Israël. Brontekst: וַיִּשְׁפֹּ֤ט (vayishpot) = en was rechter over | אַֽחֲרָיו֙ (acharav) = na hem | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֵיל֖וֹן (eilon) = Elon | הַזְּבֽוּלֹנִ֑י (hazevuloni) = de Zebulonieter | וַיִּשְׁפֹּ֥ט (vayishpot) = en hij was rechter over | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עֶ֥שֶׂר (eser) = tien | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:12** Elon, de Zebulonieter, stierf en werd begraven in Ajjalon, in het land Zebulon. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en stierf | אֵל֣וֹן (elon) = Elon | הַזְּבֽוּלֹנִ֑י (hazevuloni) = de Zebulonieter | וַיִּקָּבֵ֥ר (vayiqaver) = en werd begraven | בְּאַיָּל֖וֹן (beayalon) = in Ajjalon | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | זְבוּלֻֽן (zevulun) = Zebulon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ajjalon in het land Zebulon is niet hetzelfde als Ajjalon in Dan (Richt. 1:35). De plek is onzeker; het ligt in Galilea, in het noorden van Israël. Zie ook: Joz 19:42; Re 1:35; 1 Kron 6:54; 1 Kron 8:13 **12:13** Na hem was Abdon, de zoon van Hillel, de Piratoniet, rechter over Israël. Brontekst: וַיִּשְׁפֹּ֥ט (vayishpot) = en was rechter over | אַחֲרָ֖יו (acharav) = na hem | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עַבְדּ֥וֹן (avdon) = Abdon | בֶּן (ben) = de zoon van | הִלֵּ֖ל (hilel) = Hillel | הַפִּרְעָתוֹנִֽי (hapiratoni) = de Piratoniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Piraton ligt waarschijnlijk bij het huidige Far’ata, ongeveer 10 kilometer ten westen van Sichem (Westelijke Jordaanoever). Dit is waarschijnlijk, niet zeker. **12:14** Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen, die op zeventig ezelsveulens reden. Hij was acht jaar rechter over Israël. Brontekst: וַיְהִי (vayhi) = en het waren | ל֞וֹ (lo) = voor hem | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | בָּנִ֗ים (banim) = zonen | וּשְׁלֹשִׁים֙ (usheloshim) = en dertig | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בָנִ֔ים (banim) = zonen | רֹכְבִ֖ים (rokhevim) = rijdend | עַל (al) = op | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | עֲיָרִ֑ם (ayarim) = ezelsveulens | וַיִּשְׁפֹּ֥ט (vayishpot) = en hij was rechter over | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | שְׁמֹנֶ֥ה (shemone) = acht | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zeventig ezelsveulens zijn een teken van rijkdom en aanzien, zoals bij Jaïr (Richt. 10:4). Zie ook: Re 5:10; Re 10:4 **12:15** Abdon, de zoon van Hillel, de Piratoniet, stierf en werd begraven in Piraton, in het land Efraïm, in het bergland van de Amalekiet. Brontekst: וַיָּ֛מָת (vayamat) = en stierf | עַבְדּ֥וֹן (avdon) = Abdon | בֶּן (ben) = de zoon van | הִלֵּ֖ל (hilel) = Hillel | הַפִּרְעָתוֹנִ֑י (hapiratoni) = de Piratoniet | וַיִּקָּבֵ֤ר (vayiqaver) = en werd begraven | בְּפִרְעָתוֹן֙ (befiraton) = in Piraton | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | בְּהַ֖ר (behar) = in het bergland van | הָעֲמָלֵקִֽי (haamaleqi) = de Amalekiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Piraton: Piraton wordt gezocht bij Far'ata, ten westen van Sichem. Voetnoot Uitleg: ‘Het bergland van de Amalekiet’ noemt een streek in Efraïm. Waarom die zo heet, zegt de tekst niet; vergelijk Richt. 5:14. Zie ook: Re 3:13; Re 3:27; Re 5:14; 1 Sam 15:7; 2 Sam 23:30 ## Richteren 13 _De engel van Yahweh en de geboorte van Simson_ ### Opnieuw in de hand van de Filistijnen **13:1** De zonen van Israël deden opnieuw wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Yahweh gaf hen 40 jaar lang in de hand van de Filistijnen. Brontekst: וַיֹּסִ֨פוּ֙ (vayosifu) = en zij deden opnieuw | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | הָרַ֖ע (hara) = wat kwaad is | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּתְּנֵ֧ם (vayitenem) = en gaf hen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = in de hand van | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = Filistijnen | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Re 2:11; Re 3:7; Re 6:1; 1 Sam 12:9; Rom 2:6 ### De engel kondigt een zoon aan **13:2** Er was een man uit Tsora, uit de familie van de Danieten. Zijn naam was Manoach. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en er was | אִ֨ישׁ (ish) = man | אֶחָ֧ד (echad) = één | מִצָּרְעָ֛ה (mitsarea) = uit Tsora | מִמִּשְׁפַּ֥חַת (mimishpachat) = uit de familie van | הַדָּנִ֖י (hadani) = de Danieten | וּשְׁמ֣וֹ (ushemo) = en zijn naam | מָנ֑וֹחַ (manoach) = Manoach | וְאִשְׁתּ֥וֹ (veishto) = en zijn vrouw | עֲקָרָ֖ה (aqara) = onvruchtbaar | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָלָֽדָה (yalada) = had gebaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tsora (Hebreeuws Tsor’a, soms geschreven als Zora) lag in de Sefela, ongeveer 20 km ten westen van Jeruzalem. Het ligt waarschijnlijk bij Tel Sar’a, bij Bet-Semes in Israël. Het gebied hoorde bij de stam Dan. Voetnoot Uitleg: עֲקָרָה (aqarah), ‘onvruchtbaar’. Dat waren ook Sara (Gen. 11:30), Rebekka (Gen. 25:21) en Rachel (Gen. 29:31). Zie ook: Gen 11:30; Gen 25:21; Gen 29:31; Joz 15:33; Joz 19:41; 1 Sam 1:2–6; Luc 1:7 **13:3** De engel van Yahweh verscheen aan de vrouw en zei tegen haar: _„Zie, je bent onvruchtbaar en hebt geen kinderen gebaard. Maar je zult zwanger worden en een zoon baren._ Brontekst: וַיֵּרָ֥א (vayera) = en verscheen | מַלְאַךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | הָאִשָּׁ֑ה (haisha) = de vrouw | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֗יהָ (eleiha) = tegen haar | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֤א (na) = toch | אַתְּ (at) = jij | עֲקָרָה֙ (aqara) = onvruchtbaar | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָלַ֔דְתְּ (yaladt) = je hebt gebaard | וְהָרִ֖ית (veharit) = maar je zult zwanger worden | וְיָלַ֥דְתְּ (veyaladt) = en je zult baren | בֵּֽן (ben) = een zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘engel van Yahweh’: מַלְאָךְ betekent ‘gezant’. In dit hoofdstuk spreekt de engel in de ik-vorm. Hij zegt ‘Mijn naam’ (vers 18) en Manoach zegt: ‘Wij hebben Elohim gezien’ (vers 22). Zijn identiteit wordt verschillend uitgelegd (zie de voetnoot bij Gen. 16:7). Voetnoot Lezing: Wij zetten de woorden van de engel cursief, zoals bij Gen. 16:7–13 en Exod. 3:2–6. Ook in vers 16, waar hij over Yahweh in de derde persoon spreekt, blijven zijn woorden cursief. De woorden die de vrouw van hem navertelt (vers 6–7) zijn gewone tekst. Zie ook: Gen 16:7; Gen 18:10; Ex 3:2–6; Re 6:11–12; Re 13:6–7; Re 13:16; Re 13:18; Re 13:22; 2 Kon 4:16; Luc 1:11; Luc 1:13 **13:4** _Neem je nu goed in acht. Drink geen wijn en geen sterke drank. Eet niets wat onrein is._ Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הִשָּׁ֣מְרִי (hishameri) = neem je in acht | נָ֔א (na) = toch | וְאַל (veal) = en niet | תִּשְׁתִּ֖י (tishti) = je zult drinken | יַ֣יִן (yayin) = wijn | וְשֵׁכָ֑ר (veshekhar) = en sterke drank | וְאַל (veal) = en niet | תֹּאכְלִ֖י (tokhli) = je zult eten | כָּל (kal) = iets | טָמֵֽא (tame) = onreins Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De regels voor een nazireeër staan in Num. 6:1–21. Hier moet de moeder zich al tijdens de zwangerschap aan de regels voor wijn, sterke drank en onreinheid houden. Zie ook: Num 6:1–21; Num 6:2–3; Re 13:7; Re 13:14; Luc 1:15; Hand 10:14 **13:5** _Want zie, je bent zwanger en zult een zoon baren. Er mag geen scheermes op zijn hoofd komen. Want de jongen zal vanaf de moederschoot een nazireeër van Elohim zijn. Hij zal beginnen Israël te redden uit de hand van de Filistijnen.”_ Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | הִנָּ֨ךְ (hinakh) = zie jij | הָרָ֜ה (hara) = zwanger | וְיֹלַ֣דְתְּ (veyoladt) = en je zult baren | בֵּ֗ן (ben) = een zoon | וּמוֹרָה֙ (umora) = en scheermes | לֹא (lo) = niet | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = zal komen | עַל (al) = op | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn hoofd | כִּֽי (ki) = want | נְזִ֧יר (nezir) = nazireeër van | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | מִן (min) = vanaf | הַבָּ֑טֶן (habaten) = de moederschoot | וְה֗וּא (vehu) = en hij | יָחֵ֛ל (yachel) = zal beginnen | לְהוֹשִׁ֥יעַ (lehoshia) = te redden | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: נָזִיר (nazir), ‘nazireeër’: iemand die zich voor Elohim afzondert (Num. 6:2). Meestal legt iemand zelf een gelofte af voor een bepaalde tijd. Hier wijst Elohim de jongen aan, vanaf zijn geboorte. מוֹרָה (morah), ‘scheermes’, is een ander woord dan in Num. 6:5. Het lange haar is het teken van de wijding. Voetnoot : בֶּטֶן (beten), ‘buik’ of ‘moederschoot’: wij vertalen ‘vanaf de moederschoot’, ook in vers 7 en in Richt. 16:17. Voetnoot : יָחֵל (yachel), ‘hij zal beginnen’: Simson begint de redding en maakt haar niet af (Richt. 16:30–31). Zie ook: Num 6:2–3; Num 6:5; Re 13:7; Re 16:17; Re 16:30–31; 1 Sam 1:11; 1 Sam 7:13; 1 Kron 18:1 **13:6** De vrouw ging naar haar man en zei: „Een man van Elohim is naar mij toe gekomen. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van een engel van Elohim, zeer ontzagwekkend. Ik heb hem niet gevraagd waar hij vandaan kwam. Zijn naam heeft hij mij niet verteld. Brontekst: וַתָּבֹ֣א (vatavo) = en kwam | הָאִשָּׁ֗ה (haisha) = de vrouw | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | לְאִישָׁהּ֮ (leishah) = tegen haar man | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | אִ֤ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | בָּ֣א (ba) = is gekomen | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | וּמַרְאֵ֕הוּ (umarehu) = en zijn uiterlijk | כְּמַרְאֵ֛ה (kemare) = als het uiterlijk van | מַלְאַ֥ךְ (malakh) = engel van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | נוֹרָ֣א (nora) = ontzagwekkend | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וְלֹ֤א (velo) = en niet | שְׁאִלְתִּ֨יהוּ֙ (sheiltihu) = ik vroeg hem | אֵֽי (ei) = waar | מִזֶּ֣ה (mize) = vandaan | ה֔וּא (hu) = hij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | לֹֽא (lo) = niet | הִגִּ֥יד (higid) = hij vertelde | לִֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: een titel voor iemand die namens Elohim spreekt (Deut. 33:1). De vrouw weet niet dat het een engel is. Zij zegt alleen dat hij eruitzag ‘als’ een engel. נוֹרָא (nora), ‘ontzagwekkend’. Zie ook: Deut 33:1; Re 13:17–18; 1 Sam 9:6; Mat 28:3–4; Openb 1:17 **13:7** Hij zei tegen mij: ‘Zie, je bent zwanger en zult een zoon baren. Drink nu geen wijn en geen sterke drank. Eet niets wat onrein is. Want de jongen zal vanaf de moederschoot tot de dag van zijn dood een nazireeër van Elohim zijn.’” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לִ֔י (li) = tegen mij | הִנָּ֥ךְ (hinakh) = zie jij | הָרָ֖ה (hara) = zwanger | וְיֹלַ֣דְתְּ (veyoladt) = en je zult baren | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וְעַתָּ֞ה (veata) = en nu | אַל (al) = niet | תִּשְׁתִּ֣י (tishti) = je zult drinken | יַ֣יִן (yayin) = wijn | וְשֵׁכָ֗ר (veshekhar) = en sterke drank | וְאַל (veal) = en niet | תֹּֽאכְלִי֙ (tokhli) = je zult eten | כָּל (kal) = iets | טֻמְאָ֔ה (tuma) = onreins | כִּֽי (ki) = want | נְזִ֤יר (nezir) = nazireeër van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | מִן (min) = vanaf | הַבֶּ֖טֶן (habeten) = de moederschoot | עַד (ad) = tot | י֥וֹם (yom) = de dag van | מוֹתֽוֹ (moto) = zijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vrouw voegt aan de woorden van de engel iets toe: ‘tot de dag van zijn dood’. Dat staat niet in vers 5. Zie ook: Re 13:4; Re 13:5 ### Manoach vraagt om de man van Elohim **13:8** Manoach smeekte Yahweh en zei: „Ach, mijn Heer. Laat de man van Elohim die U gestuurd hebt, alstublieft nog eens naar ons komen. Hij moet ons leren wat wij moeten doen met de jongen die geboren zal worden.” Brontekst: וַיֶּעְתַּ֥ר (vayetar) = en smeekte | מָנ֛וֹחַ (manoach) = Manoach | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | בִּ֣י (bi) = ach | אֲדוֹנָ֔י (adonay) = mijn Heer | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֞ים (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׁלַ֗חְתָּ (shalachta) = U hebt gestuurd | יָבוֹא (yavo) = laat komen | נָ֥א (na) = toch | עוֹד֙ (od) = opnieuw | אֵלֵ֔ינוּ (eleinu) = naar ons | וְיוֹרֵ֕נוּ (veyorenu) = en laat hem ons leren | מַֽה (ma) = wat | נַּעֲשֶׂ֖ה (naase) = wij zullen doen | לַנַּ֥עַר (lanaar) = met de jongen | הַיּוּלָּֽד (hayulad) = die geboren zal worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: de aanspreking van Yahweh. Het woord heeft hier de klinkers van de aanspreking van Elohim, niet die van ‘mijn heer’ voor een mens. Manoach richt zich dus tot Yahweh. Vergelijk Richt. 16:28. Zie ook: Job 34:32; Re 16:28; Spr 3:5–6; Hand 9:6 **13:9** Elohim luisterde naar de stem van Manoach. De engel van Elohim kwam nog eens naar de vrouw. Zij zat op het veld en haar man Manoach was niet bij haar. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֥ע (vayishma) = en hoorde | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | מָנ֑וֹחַ (manoach) = Manoach | וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | מַלְאַךְ֩ (malakh) = engel van | הָאֱלֹהִ֨ים (haElohim) = Elohim | ע֜וֹד (od) = opnieuw | אֶל (el) = naar | הָאִשָּׁ֗ה (haisha) = de vrouw | וְהִיא֙ (vehi) = en zij | יוֹשֶׁ֣בֶת (yoshevet) = zittend | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | וּמָנ֥וֹחַ (umanoach) = en Manoach | אִישָׁ֖הּ (ishah) = haar man | אֵ֥ין (ein) = niet | עִמָּֽהּ (imah) = met haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 65:3; Mat 7:7–11 **13:10** De vrouw haastte zich, rende weg en vertelde het aan haar man. Zij zei tegen hem: „Zie, de man die laatst bij mij kwam, is mij verschenen.” Brontekst: וַתְּמַהֵר֙ (vatemaher) = en zij haastte zich | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | וַתָּ֖רָץ (vatarats) = en zij rende | וַתַּגֵּ֣ד (vataged) = en zij vertelde | לְאִישָׁ֑הּ (leishah) = aan haar man | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֵלָ֔יו (elav) = tegen hem | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | נִרְאָ֤ה (nira) = is verschenen | אֵלַי֙ (elay) = aan mij | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֥א (ba) = kwam | בַיּ֖וֹם (bayom) = laatst | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joh 1:41–42; Joh 4:28–29 **13:11** Manoach stond op en ging zijn vrouw achterna. Hij kwam bij de man en zei tegen hem: „Bent u de man die met deze vrouw gesproken heeft?” Hij zei: **„Ik ben het.”** Brontekst: וַיָּ֛קָם (vayaqam) = en stond op | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | מָנ֖וֹחַ (manoach) = Manoach | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | אִשְׁתּ֑וֹ (ishto) = zijn vrouw | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | אֶל (el) = naar | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | הַאַתָּ֥ה (haata) = bent u | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבַּ֥רְתָּ (dibarta) = u hebt gesproken | אֶל (el) = tot | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אָֽנִי (ani) = Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Manoach spreekt de man aan met ‘u’, omdat hij nog niet weet wie hij is. **13:12** Manoach zei: „Wanneer uw woorden uitkomen, welke regel geldt er dan voor de jongen en wat is zijn taak?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מָנ֔וֹחַ (manoach) = Manoach | עַתָּ֖ה (ata) = nu | יָבֹ֣א (yavo) = zullen komen | דְבָרֶ֑יךָ (devareikha) = uw woorden | מַה (ma) = wat | יִּֽהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | מִשְׁפַּט (mishpat) = recht van | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | וּמַעֲשֵֽׂהוּ (umaasehu) = en zijn werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט (mishpat), meestal ‘recht’: hier de regel waarnaar de jongen moet leven. מַעֲשֶׂה (ma’aseh), ‘werk’ of ‘taak’. Zie ook: Gen 18:19; Spr 4:4; Spr 22:6; Ef 6:4 **13:13** De engel van Yahweh zei tegen Manoach: _„Van alles wat Ik tegen de vrouw gezegd heb, moet zij zich in acht nemen._ Brontekst: וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en zei | מַלְאַ֥ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מָנ֑וֹחַ (manoach) = Manoach | מִכֹּ֛ל (mikol) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אָמַ֥רְתִּי (amarti) = Ik zei | אֶל (el) = tegen | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | תִּשָּׁמֵֽר (tishamer) = zij zal zich in acht nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:14** _Van alles wat uit de wijnstok komt, mag zij niet eten. Wijn en sterke drank mag zij niet drinken. Niets wat onrein is, mag zij eten. Alles wat Ik haar geboden heb, moet zij in acht nemen.”_ Brontekst: מִכֹּ֣ל (mikol) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֵצֵא֩ (yetse) = komt | מִגֶּ֨פֶן (migefen) = van de wijnstok van | הַיַּ֜יִן (hayayin) = de wijn | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכַ֗ל (tokhal) = zij zal eten | וְיַ֤יִן (veyayin) = en wijn | וְשֵׁכָר֙ (veshekhar) = en sterke drank | אַל (al) = niet | תֵּ֔שְׁתְּ (tesht) = zij zal drinken | וְכָל (vekhal) = en alles | טֻמְאָ֖ה (tuma) = onreins | אַל (al) = niet | תֹּאכַ֑ל (tokhal) = zij zal eten | כֹּ֥ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוִּיתִ֖יהָ (tsivitiha) = Ik haar gebood | תִּשְׁמֹֽר (tishmor) = zij zal in acht nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 13:1; Re 13:4; Joh 2:5; Joh 15:14; 2 Tess 3:4 ### De naam is wonderbaarlijk **13:15** Manoach zei tegen de engel van Yahweh: „Laat ons u alstublieft ophouden. Dan maken wij een geitenbokje voor u klaar.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מָנ֖וֹחַ (manoach) = Manoach | אֶל (el) = tot | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | נַעְצְרָה (natsera) = laat ons ophouden | נָּ֣א (na) = toch | אוֹתָ֔ךְ (otakh) = u | וְנַעֲשֶׂ֥ה (venaase) = en laat ons klaarmaken | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = voor uw aangezicht | גְּדִ֥י (gedi) = bokje van | עִזִּֽים (izim) = geiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Manoach biedt gastvrijheid aan, zoals Abraham (Gen. 18:5–8) en Gideon (Richt. 6:18–19). Zie ook: Gen 18:3–5; Gen 18:5–8; Re 6:18–19; Re 13:3 **13:16** De engel van Yahweh zei tegen Manoach: _„Als je Mij ophoudt, zal Ik je brood niet eten. Maar als je een brandoffer klaarmaakt, moet je het voor Yahweh laten opgaan.”_ Manoach wist namelijk niet dat het de engel van Yahweh was. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | מַלְאַ֨ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מָנ֗וֹחַ (manoach) = Manoach | אִם (im) = als | תַּעְצְרֵ֨נִי֙ (tatsereni) = je Mij ophoudt | לֹא (lo) = niet | אֹכַ֣ל (okhal) = Ik zal eten | בְּלַחְמֶ֔ךָ (belachmekha) = van je brood | וְאִם (veim) = en als | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = je maakt | עֹלָ֔ה (ola) = brandoffer | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | תַּעֲלֶ֑נָּה (taalena) = laat het opgaan | כִּ֚י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | יָדַ֣ע (yada) = wist | מָנ֔וֹחַ (manoach) = Manoach | כִּֽי (ki) = dat | מַלְאַ֥ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De engel wil niet van het brood eten. Het offer is voor Yahweh bestemd. Wie hij is, ziet Manoach pas in vers 21. Zie ook: Re 6:20; Re 6:26; Re 13:21; Re 13:23 **13:17** Manoach zei tegen de engel van Yahweh: „Wat is uw naam? Dan zullen wij u eren wanneer uw woorden uitkomen.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | מָנ֛וֹחַ (manoach) = Manoach | אֶל (el) = tot | מַלְאַ֥ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִ֣י (mi) = wie | שְׁמֶ֑ךָ (shemekha) = uw naam | כִּֽי (ki) = want | יָבֹ֥א (yavo) = zullen komen | דְבָרְךָ֖ (devarekha) = uw woorden | וְכִבַּדְנֽוּךָ (vekhibadnukha) = en wij zullen u eren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 32:29 **13:18** De engel van Yahweh zei tegen hem: _„Waarom vraag je naar Mijn naam? Die is wonderbaarlijk.”_ Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לּוֹ֙ (lo) = tot hem | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֥מָּה (lama) = waarom | זֶּ֖ה (ze) = dit | תִּשְׁאַ֣ל (tishal) = vraag je | לִשְׁמִ֑י (lishmi) = naar Mijn naam | וְהוּא (vehu) = en hij | פֶ֛לִאי (peliy) = wonderbaarlijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּלִאי (pil’i), ‘wonderbaarlijk’: van dezelfde stam als מַפְלִא (mafli), ‘wonderbaarlijk handelend’, in vers 19. Vergelijk Gen. 32:30 en Jes. 9:5. Zie ook: Gen 32:29; Gen 32:30; Re 13:6; Re 13:19; Jes 9:5 ### Het offer en de vlam **13:19** Manoach nam het geitenbokje en het graanoffer en bracht het op de rots voor Yahweh op. Hij deed iets wonderbaarlijks, terwijl Manoach en zijn vrouw toekeken. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | מָנ֜וֹחַ (manoach) = Manoach | אֶת (et) = (obj.) | גְּדִ֤י (gedi) = bokje van | הָעִזִּים֙ (haizim) = de geiten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּנְחָ֔ה (hamincha) = het graanoffer | וַיַּ֥עַל (vayaal) = en liet opgaan | עַל (al) = op | הַצּ֖וּר (hatsur) = de rots | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וּמַפְלִ֣א (umafli) = en wonderbaarlijk | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = te doen | וּמָנ֥וֹחַ (umanoach) = en Manoach | וְאִשְׁתּ֖וֹ (veishto) = en zijn vrouw | רֹאִֽים (roim) = kijkend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צוּר (tsur), ‘rots’: de rots dient als altaar. Vergelijk Richt. 6:20. Voetnoot Lezing: De tekst noemt niet wie ‘wonderbaarlijk handelt’. Wij nemen Yahweh, omdat het woord aansluit bij vers 18. Zie ook: Re 6:19–21; Re 6:20; Re 13:18; 1 Kon 18:30–38 **13:20** Toen de vlam van het altaar naar de hemel opsteeg, ging de engel van Yahweh in de vlam van het altaar op. Manoach en zijn vrouw zagen het en vielen met hun gezicht op de grond. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | בַעֲל֨וֹת (baalot) = bij het opstijgen van | הַלַּ֜הַב (halahav) = de vlam | מֵעַ֤ל (meal) = van op | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | הַשָּׁמַ֔יְמָה (hashamayma) = naar de hemel | וַיַּ֥עַל (vayaal) = en steeg op | מַלְאַךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּלַ֣הַב (belahav) = in de vlam van | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | וּמָנ֤וֹחַ (umanoach) = en Manoach | וְאִשְׁתּוֹ֙ (veishto) = en zijn vrouw | רֹאִ֔ים (roim) = kijkend | וַיִּפְּל֥וּ (vayipelu) = en zij vielen | עַל (al) = op | פְּנֵיהֶ֖ם (peneihem) = hun gezicht | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De engel gaat op in de vlam van het offer. Vergelijk Richt. 6:21. Zie ook: Lev 9:24; Re 6:21; 1 Kron 21:16; 2 Kon 2:11; Ezech 1:28; Mat 17:6 **13:21** De engel van Yahweh verscheen niet meer aan Manoach en zijn vrouw. Toen wist Manoach dat het de engel van Yahweh was. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יָ֤סַף (yasaf) = voegde toe | עוֹד֙ (od) = nogmaals | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְהֵרָאֹ֖ה (leherao) = om te verschijnen | אֶל (el) = aan | מָנ֣וֹחַ (manoach) = Manoach | וְאֶל (veel) = en aan | אִשְׁתּ֑וֹ (ishto) = zijn vrouw | אָ֚ז (az) = toen | יָדַ֣ע (yada) = wist | מָנ֔וֹחַ (manoach) = Manoach | כִּֽי (ki) = dat | מַלְאַ֥ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 6:22; Re 13:16; Hos 12:5–6 **13:22** Manoach zei tegen zijn vrouw: „Wij zullen zeker sterven, want wij hebben Elohim gezien.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | מָנ֛וֹחַ (manoach) = Manoach | אֶל (el) = tot | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | מ֣וֹת (mot) = sterven | נָמ֑וּת (namut) = wij zullen sterven | כִּ֥י (ki) = want | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | רָאִֽינוּ (rainu) = wij hebben gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie Elohim ziet, zal sterven: zie Exod. 33:20. Vergelijk Gen. 32:31 en Richt. 6:22–23. Zie ook: Gen 32:30; Gen 32:31; Ex 33:20; Deut 5:26; Re 6:22–23; Jes 6:5; Joh 1:18 **13:23** Zijn vrouw zei tegen hem: „Als Yahweh ons had willen doden, had Hij het brandoffer en het graanoffer niet uit onze hand aangenomen. Hij had ons dit alles niet laten zien. Hij had ons nu ook niet zoiets laten horen.” Brontekst: וַתֹּ֧אמֶר (vatomer) = en zei | ל֣וֹ (lo) = tot hem | אִשְׁתּ֗וֹ (ishto) = zijn vrouw | לוּ֩ (lu) = als | חָפֵ֨ץ (chafets) = had gewild | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לַהֲמִיתֵ֨נוּ֙ (lahamitenu) = om ons te doden | לֹֽא (lo) = niet | לָקַ֤ח (laqach) = had Hij genomen | מִיָּדֵ֨נוּ֙ (miyadenu) = uit onze hand | עֹלָ֣ה (ola) = brandoffer | וּמִנְחָ֔ה (umincha) = en graanoffer | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הֶרְאָ֖נוּ (heranu) = had Hij ons laten zien | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֵ֑לֶּה (ele) = dit | וְכָעֵ֕ת (vekhaet) = en nu | לֹ֥א (lo) = niet | הִשְׁמִיעָ֖נוּ (hishmianu) = had Hij ons laten horen | כָּזֹֽאת (kazot) = zoiets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 25:14; Ps 86:17; Joh 14:20; Joh 15:15; 1 Kor 12:21 ### Simson wordt geboren **13:24** De vrouw beviel van een zoon en noemde hem Simson. De jongen groeide op en Yahweh zegende hem. Brontekst: וַתֵּ֤לֶד (vateled) = en baarde | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en noemde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | שִׁמְשׁ֑וֹן (shimshon) = Simson | וַיִּגְדַּ֣ל (vayigdal) = en groeide op | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | וַֽיְבָרְכֵ֖הוּ (vayvarekhehu) = en zegende hem | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁמְשׁוֹן (Shimshon), ‘Simson’, klinkt als שֶׁמֶשׁ (shemesh), ‘zon’. De betekenis is niet zeker. Zie ook: 1 Sam 3:19; Luc 1:80; Luc 2:52; Heb 11:32 **13:25** De Geest van Yahweh begon hem te drijven in Machane-Dan, tussen Tsora en Estaol. Brontekst: וַתָּ֨חֶל֙ (vatachel) = en begon | ר֣וּחַ (ruach) = Geest van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְפַעֲמ֖וֹ (lefaamo) = hem te drijven | בְּמַחֲנֵה (bemachane) = in het kamp van | דָ֑ן (dan) = Dan | בֵּ֥ין (bein) = tussen | צָרְעָ֖ה (tsarea) = Tsora | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | אֶשְׁתָּאֹֽל (eshtaol) = Estaol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Machane-Dan (‘kamp van Dan’) lag tussen Tsora en Estaol in de Sefela, ten westen van Jeruzalem in Israël. De plek is onzeker. Volgens Richt. 18:12 ligt het achter Kirjat-Jearim. Estaol lag waarschijnlijk bij Eshwa, ongeveer 20 km ten westen van Jeruzalem. Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Voetnoot Uitleg: לִפְעֹם (lif’om), ‘drijven’ of ‘in beweging brengen’. Hetzelfde werkwoord staat in Gen. 41:8 voor een onrustige geest. Zie ook: Gen 41:8; Joz 15:33; Re 3:10; Re 18:11–12; Re 18:12; 1 Sam 11:6; Mat 4:1 ## Richteren 14 _Simson in Timna: de leeuw, de honing en het raadsel_ ### Simson wil een vrouw uit Timna **14:1** Simson ging naar Timna af. In Timna zag hij een vrouw, een van de dochters van de Filistijnen. Brontekst: וַיֵּ֥רֶד (vayered) = en ging af | שִׁמְשׁ֖וֹן (shimshon) = Simson | תִּמְנָ֑תָה (timnata) = naar Timna | וַיַּ֥רְא (vayar) = en zag | אִשָּׁ֛ה (isha) = een vrouw | בְּתִמְנָ֖תָה (betimnata) = in Timna | מִבְּנ֥וֹת (mibenot) = van de dochters van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Timna (Hebreeuws Timnata) lag in de Sorekvallei, ongeveer 6 km ten westen van Bet-Semes. Het is waarschijnlijk Tel Batash in Israël. Het lag lager dan Tsora, daarom staat er ‘af’ en ‘omhoog’ (vers 2 en 19). Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: פְּלִשְׁתִּים (Pelishtim), ‘Filistijnen’: het volk van de kuststreek in het zuidwesten van Kanaän. Zie ook: Job 31:1; Joz 15:10; Joz 19:43; Re 14:2; Re 14:19; Ps 119:37; 1 Joh 2:16 **14:2** Hij ging omhoog en vertelde het aan zijn vader en zijn moeder. Hij zei: „Ik heb in Timna een vrouw gezien, een van de dochters van de Filistijnen. Neem haar nu voor mij tot vrouw.” Brontekst: וַיַּ֗עַל (vayaal) = en ging omhoog | וַיַּגֵּד֙ (vayaged) = en vertelde | לְאָבִ֣יו (leaviv) = aan zijn vader | וּלְאִמּ֔וֹ (uleimo) = en aan zijn moeder | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | אִשָּׁ֛ה (isha) = een vrouw | רָאִ֥יתִי (raiti) = ik heb gezien | בְתִמְנָ֖תָה (betimnata) = in Timna | מִבְּנ֣וֹת (mibenot) = van de dochters van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = Filistijnen | וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | קְחוּ (qechu) = neem | אוֹתָ֥הּ (otah) = haar | לִּ֖י (li) = voor mij | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Timna (Tel Batasj): Timna wordt gezocht bij Tel Batasj, in het dal van Sorek. In Jozua 15:57 gaat het om een Timna in het bergland van Juda. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Gen 21:21; Gen 24:2–3; Gen 34:4; Gen 38:6; 2 Kon 14:9 **14:3** Zijn vader en zijn moeder zeiden tegen hem: „Is er onder de dochters van je broeders en onder heel mijn volk dan geen vrouw? Want jij gaat een vrouw nemen van de Filistijnen, de onbesnedenen.” Simson zei tegen zijn vader: „Neem haar voor mij, want zij is juist in mijn ogen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | ל֜וֹ (lo) = tot hem | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | וְאִמּ֗וֹ (veimo) = en zijn moeder | הַאֵין֩ (haein) = is er niet | בִּבְנ֨וֹת (bivnot) = onder de dochters van | אַחֶ֤יךָ (acheikha) = je broeders | וּבְכָל (uvekhal) = en onder heel | עַמִּי֙ (ami) = mijn volk | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | כִּֽי (ki) = want | אַתָּ֤ה (ata) = jij | הוֹלֵךְ֙ (holekh) = gaat | לָקַ֣חַת (laqachat) = om te nemen | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | מִפְּלִשְׁתִּ֖ים (mipelishtim) = van de Filistijnen | הָעֲרֵלִ֑ים (haarelim) = de onbesnedenen | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁמְשׁ֤וֹן (shimshon) = Simson | אֶל (el) = tot | אָבִיו֙ (aviv) = zijn vader | אוֹתָ֣הּ (otah) = haar | קַֽח (qach) = neem | לִ֔י (li) = voor mij | כִּֽי (ki) = want | הִ֖יא (hi) = zij | יָשְׁרָ֥ה (yashera) = juist | בְעֵינָֽי (beeinay) = in mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: עֲרֵלִים (arelim), ‘onbesnedenen’: de Filistijnen hielden het teken van het verbond niet (Gen. 17:10–14). Voor huwelijken met andere volken zie Deut. 7:3. Voetnoot : יָשְׁרָה בְּעֵינַי (yashrah be’einai), ‘juist in mijn ogen’. Dezelfde uitdrukking staat in Richt. 17:6. Zie ook: Gen 17:10–14; Ex 34:12–16; Deut 7:2–3; Deut 7:3; Re 15:18; Re 17:6; 1 Sam 17:26; 1 Sam 17:36 **14:4** Zijn vader en zijn moeder wisten niet dat het van Yahweh kwam. Want Hij zocht een aanleiding tegen de Filistijnen. In die tijd heersten de Filistijnen over Israël. Brontekst: וְאָבִ֨יו (veaviv) = en zijn vader | וְאִמּ֜וֹ (veimo) = en zijn moeder | לֹ֣א (lo) = niet | יָדְע֗וּ (yadeu) = wisten | כִּ֤י (ki) = dat | מֵיְהוָה֙ (meYahweh) = van Yahweh | הִ֔יא (hi) = het was | כִּי (ki) = want | תֹאֲנָ֥ה (toana) = aanleiding | הֽוּא (hu) = Hij | מְבַקֵּ֖שׁ (mevaqesh) = zoekend | מִפְּלִשְׁתִּ֑ים (mipelishtim) = tegen de Filistijnen | וּבָעֵ֣ת (uvaet) = en in die | הַהִ֔יא (hahi) = tijd | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = Filistijnen | מֹשְׁלִ֥ים (moshelim) = heersend | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = over Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: תֹּאֲנָה (ta’anah), ‘aanleiding’: dit woord komt in de Bijbel alleen hier voor. Voetnoot Lezing: De tekst heeft alleen הוּא (hu), ‘hij’. Wij nemen Yahweh, omdat de zin begint met ‘van Yahweh’. Het kan ook Simson zijn. Zie ook: Joz 11:20; Re 13:1; Ps 115:3; 1 Kon 12:15; 2 Kon 6:33 ### De leeuw en de honing **14:5** Simson ging met zijn vader en zijn moeder naar Timna af. Zij kwamen bij de wijngaarden van Timna. En zie, een jonge leeuw kwam brullend op hem af. Brontekst: וַיֵּ֧רֶד (vayered) = en ging af | שִׁמְשׁ֛וֹן (shimshon) = Simson | וְאָבִ֥יו (veaviv) = en zijn vader | וְאִמּ֖וֹ (veimo) = en zijn moeder | תִּמְנָ֑תָה (timnata) = naar Timna | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | עַד (ad) = tot | כַּרְמֵ֣י (karmei) = de wijngaarden van | תִמְנָ֔תָה (timnata) = Timna | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | כְּפִ֣יר (kefir) = jonge leeuw van | אֲרָי֔וֹת (arayot) = leeuwen | שֹׁאֵ֖ג (shoeg) = brullend | לִקְרָאתֽוֹ (liqrato) = hem tegemoet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Timna (Tel Batasj): Timna wordt gezocht bij Tel Batasj, in het dal van Sorek. In Jozua 15:57 gaat het om een Timna in het bergland van Juda. Voetnoot Uitleg: Een nazireeër blijft van alles wat van de wijnstok komt (Num. 6:4). De tekst zegt niet dat Simson iets uit de wijngaarden nam. Zie ook: Num 6:4 **14:6** De Geest van Yahweh kwam met kracht over hem. Hij scheurde de leeuw uiteen, zoals men een bokje uiteenscheurt. Hij had niets in zijn hand. Hij vertelde zijn vader en zijn moeder niet wat hij gedaan had. Brontekst: וַתִּצְלַ֨ח (vatitslach) = en kwam met kracht | עָלָ֜יו (alav) = over hem | ר֣וּחַ (ruach) = Geest van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיְשַׁסְּעֵ֨הוּ֙ (vayshaseehu) = en hij scheurde hem uiteen | כְּשַׁסַּ֣ע (keshasa) = zoals het uiteenscheuren van | הַגְּדִ֔י (hagedi) = het bokje | וּמְא֖וּמָה (umeuma) = en niets | אֵ֣ין (ein) = er was niet | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וְלֹ֤א (velo) = en niet | הִגִּיד֙ (higid) = vertelde hij | לְאָבִ֣יו (leaviv) = aan zijn vader | וּלְאִמּ֔וֹ (uleimo) = en aan zijn moeder | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשָֽׂה (asa) = hij had gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָלַח (tsalach), ‘met kracht komen over’: hetzelfde werkwoord staat in vers 19, in Richt. 15:14 en in 1 Sam. 10:6. Zie ook: Re 3:10; Re 13:25; Re 14:19; Re 15:14; 1 Sam 10:6; 1 Sam 11:6; Zach 4:6; 1 Joh 3:8 **14:7** Hij ging af en sprak met de vrouw. Zij was juist in de ogen van Simson. Brontekst: וַיֵּ֖רֶד (vayered) = en ging af | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | לָאִשָּׁ֑ה (laisha) = met de vrouw | וַתִּישַׁ֖ר (vatishar) = en zij was juist | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | שִׁמְשֽׁוֹן (shimshon) = Simson Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:8** Na enige tijd ging hij terug om haar te halen. Hij week af om het kadaver van de leeuw te bekijken. En zie, in het lijf van de leeuw zat een zwerm bijen en honing. Brontekst: וַיָּ֤שָׁב (vayashav) = en keerde terug | מִיָּמִים֙ (miyamim) = na enige tijd | לְקַחְתָּ֔הּ (leqachtah) = om haar te nemen | וַיָּ֣סַר (vayasar) = en week af | לִרְא֔וֹת (lirot) = om te zien | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מַפֶּ֣לֶת (mapelet) = het kadaver van | הָאַרְיֵ֑ה (haarye) = de leeuw | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | עֲדַ֧ת (adat) = zwerm van | דְּבוֹרִ֛ים (devorim) = bijen | בִּגְוִיַּ֥ת (bigviyat) = in het lijf van | הָאַרְיֵ֖ה (haarye) = de leeuw | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een nazireeër mocht niet bij een dode komen (Num. 6:6). De tekst zegt in vers 9 wel dat Simson zijn ouders niet vertelde waar de honing vandaan kwam. Zie ook: Gen 29:21; Num 6:6; Re 14:9; Mat 1:20 **14:9** Hij schraapte de honing in zijn handen en liep al etend verder. Toen hij bij zijn vader en zijn moeder kwam, gaf hij hun ervan en zij aten. Maar hij vertelde hun niet dat hij de honing uit het lijf van de leeuw had geschraapt. Brontekst: וַיִּרְדֵּ֣הוּ (vayirdehu) = en schraapte het uit | אֶל (el) = in | כַּפָּ֗יו (kapav) = zijn handpalmen | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en ging | הָלוֹךְ֙ (halokh) = gaande | וְאָכֹ֔ל (veakhol) = en etend | וַיֵּ֨לֶךְ֙ (vayelekh) = en ging | אֶל (el) = naar | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | וְאֶל (veel) = en naar | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en gaf | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | וַיֹּאכֵ֑לוּ (vayokhelu) = en zij aten | וְלֹֽא (velo) = en niet | הִגִּ֣יד (higid) = vertelde hij | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | כִּ֛י (ki) = dat | מִגְּוִיַּ֥ת (migeviyat) = uit het lijf van | הָאַרְיֵ֖ה (haarye) = de leeuw | רָדָ֥ה (rada) = hij had geschraapt | הַדְּבָֽשׁ (hadevash) = de honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָדָה (radah) betekent meestal ‘heersen’ (Gen. 1:26). Hier past ‘schrapen’ in de zin. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Gen 1:26; 1 Sam 14:25–30; Spr 25:15 ### Het feest en het raadsel **14:10** Zijn vader ging naar de vrouw af. Simson hield daar een feest, want dat deden de jonge mannen. Brontekst: וַיֵּ֥רֶד (vayered) = en ging af | אָבִ֖יהוּ (avihu) = zijn vader | אֶל (el) = naar | הָאִשָּׁ֑ה (haisha) = de vrouw | וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en maakte | שָׁ֤ם (sham) = daar | שִׁמְשׁוֹן֙ (shimshon) = Simson | מִשְׁתֶּ֔ה (mishte) = feest | כִּ֛י (ki) = want | כֵּ֥ן (ken) = zo | יַעֲשׂ֖וּ (yaasu) = deden | הַבַּחוּרִֽים (habachurim) = de jonge mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁתֶּה (mishteh), ‘feest’: letterlijk ‘drinkfeest’, van שָׁתָה (shatah), ‘drinken’. Een bruiloftsfeest duurde zeven dagen (Gen. 29:27). De tekst zegt niet dat Simson wijn dronk (Num. 6:3). Zie ook: Gen 29:27; Num 6:3; Pred 10:19; Est 1:7–22; Mat 22:2–4; Joh 2:9; Openb 19:9 **14:11** Toen zij hem zagen, namen zij 30 vrienden. Die bleven bij hem. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | כִּרְאוֹתָ֣ם (kirotam) = toen zij zagen | אוֹת֑וֹ (oto) = hem | וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en zij namen | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | מֵֽרֵעִ֔ים (mereim) = vrienden | וַיִּהְי֖וּ (vayihyu) = en zij waren | אִתּֽוֹ (ito) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische tekst: ‘toen zij hem zagen’. De Septuaginta heeft: ‘uit angst voor hem’. Zie ook: 1 Sam 10:23; 1 Sam 16:6; Mat 9:15; Joh 3:29 **14:12** Simson zei tegen hen: „Laat mij jullie een raadsel opgeven. Als jullie het mij kunnen vertellen tijdens de zeven dagen van het feest en de oplossing vinden, geef ik jullie 30 linnen hemden en 30 stel kleren. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | אָחֽוּדָה (achuda) = laat mij opgeven | נָּ֥א (na) = toch | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | חִידָ֑ה (chida) = een raadsel | אִם (im) = als | הַגֵּ֣ד (haged) = vertellen | תַּגִּידוּ֩ (tagidu) = jullie zullen vertellen | אוֹתָ֨הּ (otah) = het | לִ֜י (li) = aan mij | שִׁבְעַ֨ת (shivat) = zeven | יְמֵ֤י (yemei) = dagen van | הַמִּשְׁתֶּה֙ (hamishte) = het feest | וּמְצָאתֶ֔ם (umetsatem) = en jullie vinden het | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en ik zal geven | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | סְדִינִ֔ים (sedinim) = linnen hemden | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | חֲלִפֹ֥ת (chalifot) = stel van | בְּגָדִֽים (begadim) = kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִידָה (chidah), ‘raadsel’; het werkwoord אָחוּדָה (achudah) is ‘een raadsel opgeven’. Voetnoot : סָדִין (sadin), ‘linnen kleed’: wij vertalen ‘linnen hemd’ (vergelijk Spr. 31:24). חֲלִפוֹת (chalifot), ‘stel kleren om te verwisselen’ (vergelijk Gen. 45:22). Zie ook: Gen 45:22; Spr 31:24; 1 Kon 10:1; 2 Kon 5:5; 2 Kon 5:22; Ezech 17:2 **14:13** Als jullie het mij niet kunnen vertellen, moeten jullie mij 30 linnen hemden en 30 stel kleren geven.” Zij zeiden tegen hem: „Geef je raadsel op, dan willen wij het horen.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֣א (lo) = niet | תוּכְלוּ֮ (tukhelu) = jullie kunnen | לְהַגִּ֣יד (lehagid) = om te vertellen | לִי֒ (li) = aan mij | וּנְתַתֶּ֨ם (unetatem) = dan zullen jullie geven | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | לִי֙ (li) = aan mij | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | סְדִינִ֔ים (sedinim) = linnen hemden | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | חֲלִיפ֣וֹת (chalifot) = stellen van | בְּגָדִ֑ים (begadim) = kleren | וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en zij zeiden | ל֔וֹ (lo) = tot hem | ח֥וּדָה (chuda) = geef op | חִידָתְךָ֖ (chidatekha) = je raadsel | וְנִשְׁמָעֶֽנָּה (venishmaena) = en wij willen het horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:14** Hij zei tegen hen: „Uit de eter kwam voedsel. Uit de sterke kwam zoetigheid.” Drie dagen lang konden zij het raadsel niet uitleggen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֗ם (lahem) = tot hen | מֵהָֽאֹכֵל֙ (mehaokhel) = uit de eter | יָצָ֣א (yatsa) = kwam | מַאֲכָ֔ל (maakhal) = voedsel | וּמֵעַ֖ז (umeaz) = en uit de sterke | יָצָ֣א (yatsa) = kwam | מָת֑וֹק (matoq) = zoetigheid | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָכְל֛וּ (yakhelu) = konden zij | לְהַגִּ֥יד (lehagid) = vertellen | הַחִידָ֖ה (hachida) = het raadsel | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het raadsel heeft twee regels met een woordspel: מֵהָאֹכֵל יָצָא מַאֲכָל (mehaokhel yatsa ma’akhal), ‘uit de eter kwam voedsel’, en וּמֵעַז יָצָא מָתוֹק (umeaz yatsa matoq), ‘uit de sterke kwam zoetigheid’. Het antwoord is de leeuw en de honing (vers 18). Zie ook: Re 14:18; 1 Kon 17:6; Mat 13:11; Jak 1:2–4; Rom 8:37; 1 Petr 2:24 ### De vrouw verraadt het raadsel **14:15** Op de zevende dag zeiden zij tegen de vrouw van Simson: „Haal je man over om ons het raadsel te vertellen. Anders verbranden wij jou en het huis van je vader met vuur. Hebben jullie ons uitgenodigd om ons te beroven? Is het niet zo?” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zij zeiden | לְאֵֽשֶׁת (leeshet) = tot de vrouw van | שִׁמְשׁוֹן֙ (shimshon) = Simson | פַּתִּ֣י (pati) = overreed | אֶת (et) = (obj.) | אִישֵׁ֗ךְ (ishekh) = je man | וְיַגֶּד (veyaged) = dat hij vertelt | לָ֨נוּ֙ (lanu) = ons | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣חִידָ֔ה (hachida) = het raadsel | פֶּן (pen) = anders | נִשְׂרֹ֥ף (nisrof) = verbranden wij | אוֹתָ֛ךְ (otakh) = jou | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אָבִ֖יךְ (avikh) = je vader | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | הַלְיָרְשֵׁ֕נוּ (halyareshenu) = om ons te beroven | קְרָאתֶ֥ם (qeratem) = hebben jullie uitgenodigd | לָ֖נוּ (lanu) = ons | הֲלֹֽא (halo) = is het niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרַשׁ (yarash), ‘in bezit nemen’: de mannen zeggen dat Simson hen wil beroven. De dreiging met vuur wordt later werkelijkheid (Richt. 15:6). Voetnoot Lezing: Op de zevende dag: zo staat het ook in vers 17. In vers 14 zijn pas drie dagen voorbij. De Septuaginta en de Peshitta hebben hier ‘de vierde dag’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 3:1–6; Re 12:1; Re 14:14; Re 14:17; Re 15:6; Re 16:5; Mi 7:5 **14:16** De vrouw van Simson huilde bij hem en zei: „Je haat mij alleen maar en je houdt niet van mij. Je hebt de zonen van mijn volk een raadsel opgegeven, maar mij heb je het niet verteld.” Hij zei tegen haar: „Zie, aan mijn vader en mijn moeder heb ik het niet verteld. Zou ik het dan aan jou vertellen?” Brontekst: וַתֵּבְךְּ֩ (vatevek) = en huilde | אֵ֨שֶׁת (eshet) = vrouw van | שִׁמְשׁ֜וֹן (shimshon) = Simson | עָלָ֗יו (alav) = bij hem | וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zei | רַק (raq) = alleen maar | שְׂנֵאתַ֨נִי֙ (senetani) = je haat mij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֲהַבְתָּ֔נִי (ahavtani) = je houdt van mij | הַֽחִידָ֥ה (hachida) = het raadsel | חַ֨דְתָּ֙ (chadta) = heb je opgegeven | לִבְנֵ֣י (livnei) = aan de zonen van | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | וְלִ֖י (veli) = en aan mij | לֹ֣א (lo) = niet | הִגַּ֑דְתָּה (higadta) = heb je verteld | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָ֗הּ (lah) = tot haar | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | לְאָבִ֧י (leavi) = aan mijn vader | וּלְאִמִּ֛י (uleimi) = en aan mijn moeder | לֹ֥א (lo) = niet | הִגַּ֖דְתִּי (higadti) = heb ik verteld | וְלָ֥ךְ (velakh) = en aan jou | אַגִּֽיד (agid) = zal ik vertellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:24; Re 16:15 **14:17** Zij huilde bij hem de zeven dagen dat zij het feest hadden. Op de zevende dag vertelde hij het haar, want zij drong op hem aan. Toen vertelde zij het raadsel aan de zonen van haar volk. Brontekst: וַתֵּ֤בְךְּ (vatevek) = en zij huilde | עָלָיו֙ (alav) = bij hem | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁר (asher) = waarin | הָיָ֥ה (haya) = was | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | הַמִּשְׁתֶּ֑ה (hamishte) = het feest | וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | וַיַּגֶּד (vayaged) = en hij vertelde | לָהּ֙ (lah) = haar | כִּ֣י (ki) = want | הֱצִיקַ֔תְהוּ (hetsiqathu) = zij drong op hem aan | וַתַּגֵּ֥ד (vataged) = en zij vertelde | הַחִידָ֖ה (hachida) = het raadsel | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | עַמָּֽהּ (amah) = haar volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 3:6; Re 16:13; Re 16:16; Spr 2:16–17; Luc 18:4–5 **14:18** Op de zevende dag zeiden de mannen van de stad tegen hem, voordat de zon onderging: „Wat is zoeter dan honing? Wat is sterker dan een leeuw?” Hij zei tegen hen: „Als jullie niet met mijn jonge koe hadden geploegd, hadden jullie mijn raadsel niet gevonden.” Brontekst: וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | לוֹ֩ (lo) = tot hem | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = de mannen van | הָעִ֜יר (hair) = de stad | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | בְּטֶ֨רֶם֙ (beterem) = voordat | יָבֹ֣א (yavo) = hij kwam | הַחַ֔רְסָה (hacharsa) = naar de zon | מַה (ma) = wat | מָּת֣וֹק (matoq) = zoet | מִדְּבַ֔שׁ (midevash) = dan honing | וּמֶ֥ה (ume) = en wat | עַ֖ז (az) = sterk | מֵאֲרִ֑י (meari) = dan leeuw | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | לוּלֵא֙ (lule) = als niet | חֲרַשְׁתֶּ֣ם (charashtem) = jullie geploegd hadden | בְּעֶגְלָתִ֔י (beeglati) = met mijn jonge koe | לֹ֥א (lo) = niet | מְצָאתֶ֖ם (metsatem) = hadden jullie gevonden | חִידָתִֽי (chidati) = mijn raadsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Simson noemt zijn vrouw zijn ‘jonge koe’ (עֶגְלָה, eglah). De vraag van de mannen noemt de oplossing van vers 14: honing en de leeuw. Voetnoot Lezing: הַחַרְסָה (hacharsah) is onzeker. חֶרֶס (cheres) betekent ‘zon’ (Job 9:7). Wij vertalen daarom ‘voordat de zon onderging’. Sommige lezen: ‘voordat hij de kamer binnenging’ (vergelijk Richt. 15:1). Zie ook: Job 9:7; Re 14:14; Re 15:1 ### Askelon **14:19** De Geest van Yahweh kwam met kracht over hem. Hij ging naar Askelon af en versloeg daar 30 man van hen. Hij nam hun kleren en gaf de stellen kleren aan hen die het raadsel hadden uitgelegd. Zijn woede ontbrandde en hij ging omhoog naar het huis van zijn vader. Brontekst: וַתִּצְלַ֨ח (vatitslach) = en kwam met kracht | עָלָ֜יו (alav) = over hem | ר֣וּחַ (ruach) = Geest van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּ֨רֶד (vayered) = en ging af | אַשְׁקְל֜וֹן (ashqelon) = naar Askelon | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en versloeg | מֵהֶ֣ם (mehem) = van hen | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | אִ֗ישׁ (ish) = man | וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | חֲלִ֣יצוֹתָ֔ם (chalitsotam) = hun kleren | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en gaf | הַחֲלִיפ֔וֹת (hachalifot) = de stellen kleren | לְמַגִּידֵ֖י (lemagidei) = aan de vertellers van | הַחִידָ֑ה (hachida) = het raadsel | וַיִּ֣חַר (vayichar) = en ontbrandde | אַפּ֔וֹ (apo) = zijn woede | וַיַּ֖עַל (vayaal) = en ging omhoog | בֵּ֥ית (beit) = naar het huis van | אָבִֽיהוּ (avihu) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Askelon (Hebreeuws Ashkelon) was een Filistijnse havenstad aan de Middellandse Zee. Zij lag bij het moderne Ashkelon in Israël. De ligging is zeker. Voetnoot Uitleg: וַיִּחַר אַפּוֹ (vayichar apo), letterlijk ‘zijn neus werd heet’: hij werd woedend. אַף (af) betekent ‘neus’ en ‘woede’. Zie ook: Re 3:10; Re 13:25; Re 14:6; Re 15:14; 1 Sam 11:6 **14:20** De vrouw van Simson werd van zijn vriend, die zijn vriend geweest was. Brontekst: וַתְּהִ֖י (vatehi) = en werd | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | שִׁמְשׁ֑וֹן (shimshon) = Simson | לְמֵ֣רֵעֵ֔הוּ (lemereehu) = aan zijn vriend | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | רֵעָ֖ה (rea) = als vriend gediend had | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘vriend’ (מֵרֵעַ, merea) is een van de dertig uit vers 11. Dat zij aan hem werd gegeven, blijkt uit Richt. 15:2. Zie ook: Re 14:11; Re 15:2; Ps 55:13–14; Mat 26:49–50; Joh 3:29; Joh 13:18 ## Richteren 15 _Simson verbrandt de oogst en slaat de Filistijnen met een kaakbeen_ ### Simsons vrouw is aan zijn vriend gegeven **15:1** Na enige tijd, in de dagen van de tarweoogst, bezocht Simson zijn vrouw met een geitenbokje. Hij zei: „Laat mij naar mijn vrouw gaan, naar de kamer.” Maar haar vader liet hem niet binnengaan. Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | מִיָּמִ֜ים (miyamim) = na enige tijd | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | קְצִיר (qetsir) = oogst van | חִטִּ֗ים (chitim) = tarwe | וַיִּפְקֹ֨ד (vayifqod) = en bezocht | שִׁמְשׁ֤וֹן (shimshon) = Simson | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּוֹ֙ (ishto) = zijn vrouw | בִּגְדִ֣י (bigdi) = met een bokje van | עִזִּ֔ים (izim) = geiten | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | אָבֹ֥אָה (avoa) = laat mij binnengaan | אֶל (el) = tot | אִשְׁתִּ֖י (ishti) = mijn vrouw | הֶחָ֑דְרָה (hechadera) = in de kamer | וְלֹֽא (velo) = en niet | נְתָנ֥וֹ (netano) = liet toe | אָבִ֖יהָ (aviha) = haar vader | לָבֽוֹא (lavo) = om binnen te gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Simson brengt een geitenbokje mee als geschenk. Met ‘de kamer’ (חֶדֶר, cheder) is haar slaapvertrek bedoeld. Zie ook: Gen 6:4; Gen 29:21; Gen 38:17; Luc 15:29 **15:2** Haar vader zei: „Ik dacht echt dat je haar haatte. Daarom heb ik haar aan je vriend gegeven. Is haar jongere zus niet beter dan zij? Laat die toch jouw vrouw zijn in plaats van haar.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אָבִ֗יהָ (aviha) = haar vader | אָמֹ֤ר (amor) = zeggen | אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = ik zei | כִּי (ki) = dat | שָׂנֹ֣א (sano) = haten | שְׂנֵאתָ֔הּ (senetah) = je haatte haar | וָאֶתְּנֶ֖נָּה (vaetenena) = en ik gaf haar | לְמֵרֵעֶ֑ךָ (lemereekha) = aan je vriend | הֲלֹ֨א (halo) = is niet | אֲחֹתָ֤הּ (achotah) = haar zus | הַקְּטַנָּה֙ (haqetana) = de jongere | טוֹבָ֣ה (tova) = beter | מִמֶּ֔נָּה (mimena) = dan zij | תְּהִי (tehi) = laat zijn | נָ֥א (na) = toch | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | תַּחְתֶּֽיהָ (tachteiha) = in plaats van haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָמֹר אָמַרְתִּי (amor amarti), ‘ik dacht echt’: letterlijk ‘zeggen zei ik’. Zo wordt het sterker gezegd. Zo ook שָׂנֹא שְׂנֵאתָהּ (sano seneta), ‘je haatte haar zeker’. De vrouw is aan Simsons vriend gegeven (Richt. 14:20). Zie ook: Gen 38:14; Re 14:16; Re 14:20; Hand 26:9 **15:3** Simson zei tegen hen: „Dit keer ben ik onschuldig tegenover de Filistijnen, als ik hun kwaad doe.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | נִקֵּ֥יתִי (niqeiti) = onschuldig ben ik | הַפַּ֖עַם (hapaam) = dit keer | מִפְּלִשְׁתִּ֑ים (mipelishtim) = tegenover de Filistijnen | כִּֽי (ki) = want | עֹשֶׂ֥ה (ose) = doe | אֲנִ֛י (ani) = ik | עִמָּ֖ם (imam) = met hen | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Re 14:15 ### De vossen met de fakkels **15:4** Simson ging weg en ving 300 vossen. Hij nam fakkels. Hij keerde de vossen staart aan staart en plaatste één fakkel tussen elke twee staarten, in het midden. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | וַיִּלְכֹּ֖ד (vayilkod) = en ving | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | שׁוּעָלִ֑ים (shualim) = vossen | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | לַפִּדִ֗ים (lapidim) = fakkels | וַיֶּ֤פֶן (vayefen) = en keerde | זָנָב֙ (zanav) = staart | אֶל (el) = naar | זָנָ֔ב (zanav) = staart | וַיָּ֨שֶׂם (vayasem) = en plaatste | לַפִּ֥יד (lapid) = fakkel | אֶחָ֛ד (echad) = één | בֵּין (bein) = tussen | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הַזְּנָב֖וֹת (hazenavot) = de staarten | בַּתָּֽוֶךְ (batavekh) = in het midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּעָלִים (shu’alim), ‘vossen’: het woord kan ook ‘jakhalzen’ betekenen. Wij vertalen ‘vossen’. Zie ook: Ps 63:11; Hoogl 2:15; Klaagl 5:18 **15:5** Hij stak de fakkels aan en liet de vossen los in het staande graan van de Filistijnen. Zo brandde alles af, van de schoven tot het staande graan, en ook de olijfgaard. Brontekst: וַיַּבְעֶר (vayaver) = en stak aan | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | בַּלַּפִּידִ֔ים (balapidim) = met de fakkels | וַיְשַׁלַּ֖ח (vayshalach) = en liet los | בְּקָמ֣וֹת (beqamot) = in het staande graan van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיַּבְעֵ֛ר (vayaver) = en brandde af | מִגָּדִ֥ישׁ (migadish) = van de schoven | וְעַד (vead) = en tot | קָמָ֖ה (qama) = staand graan | וְעַד (vead) = en tot | כֶּ֥רֶם (kerem) = wijngaard van | זָֽיִת (zayit) = olijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: כֶּרֶם זַיִת (kerem zayit), ‘olijfgaard’: letterlijk ‘wijngaard van olijf’. Zie ook: Ex 22:5; 2 Sam 14:30 **15:6** De Filistijnen vroegen: „Wie heeft dit gedaan?” Zij zeiden: „Simson, de schoonzoon van de Timniet. Want de Timniet heeft zijn vrouw genomen en aan zijn vriend gegeven.” Toen trokken de Filistijnen op en verbrandden haar en haar vader met vuur. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | פְלִשְׁתִּים֮ (pelishtim) = Filistijnen | מִ֣י (mi) = wie | עָ֣שָׂה (asa) = deed | זֹאת֒ (zot) = dit | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | שִׁמְשׁוֹן֙ (shimshon) = Simson | חֲתַ֣ן (chatan) = schoonzoon van | הַתִּמְנִ֔י (hatimni) = de Timniet | כִּ֚י (ki) = want | לָקַ֣ח (laqach) = hij nam | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | וַֽיִּתְּנָ֖הּ (vayitenah) = en gaf haar | לְמֵרֵעֵ֑הוּ (lemereehu) = aan zijn vriend | וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en trokken op | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיִּשְׂרְפ֥וּ (vayisrefu) = en verbrandden | אוֹתָ֛הּ (otah) = haar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אָבִ֖יהָ (aviha) = haar vader | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Lezing: De tekst zegt alleen ‘hij nam’. Wij noemen de Timniet, omdat die de vrouw aan Simsons vriend gaf (vers 2). Het vuur komt zo bij de vrouw en haar vader (vergelijk Richt. 14:15). Zie ook: Re 12:1; Re 14:15; Re 15:2; Spr 22:8; 1 Tess 4:6 **15:7** Simson zei tegen hen: „Als jullie zo handelen, dan neem ik zeker wraak op jullie. Daarna houd ik op.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | אִֽם (im) = als | תַּעֲשׂ֖וּן (taasun) = jullie doen | כָּזֹ֑את (kazot) = zoals dit | כִּ֛י (ki) = maar | אִם (im) = zeker | נִקַּ֥מְתִּי (niqamti) = heb ik mij gewroken | בָכֶ֖ם (bakhem) = op jullie | וְאַחַ֥ר (veachar) = en daarna | אֶחְדָּֽל (echdal) = zal ik ophouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 14:4; Re 14:19; Rom 12:19 **15:8** Hij sloeg hen neer, been op dij. Het was een grote slag. Daarna ging hij naar beneden en bleef in de kloof van de rots Etam. Brontekst: וַיַּ֨ךְ (vayakh) = en sloeg | אוֹתָ֥ם (otam) = hen | שׁ֛וֹק (shoq) = been | עַל (al) = op | יָרֵ֖ךְ (yarekh) = dij | מַכָּ֣ה (maka) = slag | גְדוֹלָ֑ה (gedola) = grote | וַיֵּ֣רֶד (vayered) = en ging af | וַיֵּ֔שֶׁב (vayeshev) = en bleef | בִּסְעִ֖יף (bisif) = in de kloof van | סֶ֥לַע (sela) = rots | עֵיטָֽם (eitam) = Etam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Etam lag in het bergland van Juda. De ligging is onzeker. Het ligt waarschijnlijk ten zuidwesten van Betlehem, in de Palestijnse gebieden of Israël. Voetnoot Uitleg: שׁוֹק עַל יָרֵךְ (shoq al yarekh), letterlijk ‘been op dij’: een uitdrukking voor een zware slag. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Jes 25:10; Jes 63:3; Jes 63:6 ### Juda levert Simson uit **15:9** De Filistijnen trokken op, sloegen hun kamp op in Juda en verspreidden zich bij Lechi. Brontekst: וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en trokken op | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en sloegen kamp | בִּיהוּדָ֑ה (bihuda) = in Juda | וַיִּנָּטְשׁ֖וּ (vayinateshu) = en verspreidden zich | בַּלֶּֽחִי (balechi) = bij Lechi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Lechi (‘kaakbeen’) lag in Juda. De ligging is onzeker; waarschijnlijk was het in de Sefela, in Israël. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: לֶחִי (lechi) is zowel de plaatsnaam als het woord ‘kaakbeen’ in de verzen 15 tot en met 19. Zie ook: Re 15:14; Re 15:17; Re 15:19 **15:10** De mannen van Juda vroegen: „Waarom zijn jullie tegen ons opgetrokken?” Zij zeiden: „Wij zijn opgetrokken om Simson te binden. Wij willen hem doen wat hij ons heeft gedaan.” Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | לָמָ֖ה (lama) = waarom | עֲלִיתֶ֣ם (alitem) = zijn jullie opgetrokken | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = tegen ons | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | לֶאֱס֤וֹר (leesor) = om te binden | אֶת (et) = (obj.) | שִׁמְשׁוֹן֙ (shimshon) = Simson | עָלִ֔ינוּ (alinu) = wij zijn opgetrokken | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | ל֔וֹ (lo) = hem | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | עָ֥שָׂה (asa) = hij deed | לָֽנוּ (lanu) = ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:11** 3000 man uit Juda gingen naar de kloof van de rots Etam af. Zij zeiden tegen Simson: „Weet je niet dat de Filistijnen over ons heersen? Wat heb je ons aangedaan?” Hij zei tegen hen: „Zoals zij mij gedaan hebben, zo heb ik hen gedaan.” Brontekst: וַיֵּרְד֡וּ (vayeredu) = en daalden af | שְׁלֹשֶׁת֩ (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֨ים (alafim) = duizend | אִ֜ישׁ (ish) = man | מִֽיהוּדָ֗ה (mihuda) = uit Juda | אֶל (el) = naar | סְעִיף֮ (seif) = kloof van | סֶ֣לַע (sela) = rots | עֵיטָם֒ (eitam) = Etam | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | לְשִׁמְשׁ֗וֹן (leshimshon) = tot Simson | הֲלֹ֤א (halo) = is het niet | יָדַ֨עְתָּ֙ (yadata) = dat je weet | כִּֽי (ki) = dat | מֹשְׁלִ֥ים (moshelim) = heersers | בָּ֨נוּ֙ (banu) = over ons | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וּמַה (uma) = en wat | זֹּ֖את (zot) = dit | עָשִׂ֣יתָ (asita) = heb je gedaan | לָּ֑נוּ (lanu) = aan ons | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | כַּאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | עָ֣שׂוּ (asu) = zij deden | לִ֔י (li) = aan mij | כֵּ֖ן (ken) = zo | עָשִׂ֥יתִי (asiti) = deed ik | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Deut 28:13; Deut 28:47–48; Re 13:1; Re 14:4; Ps 106:40–42 **15:12** Zij zeiden tegen hem: „Wij zijn afgedaald om je te binden en je in de hand van de Filistijnen te geven.” Simson zei tegen hen: „Zweer mij dat jullie zelf mij niet zullen aanvallen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | לוֹ֙ (lo) = tot hem | לֶאֱסָרְךָ֣ (leesarekha) = om je te binden | יָרַ֔דְנוּ (yaradnu) = zijn wij afgedaald | לְתִתְּךָ֖ (letitekha) = om je te geven | בְּיַד (beyad) = in de hand van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | הִשָּׁבְע֣וּ (hishaveu) = zweer | לִ֔י (li) = aan mij | פֶּֽן (pen) = dat niet | תִּפְגְּע֥וּן (tifgeun) = jullie aanvallen | בִּ֖י (bi) = mij | אַתֶּֽם (atem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Re 8:21; 1 Kon 2:25; 1 Kon 2:34; Mat 27:2; Hand 7:25 **15:13** Zij zeiden tegen hem: „Nee, wij willen je alleen binden en in hun hand geven. Wij zullen je niet doden.” Zij bonden hem met twee nieuwe touwen en haalden hem omhoog van de rots. Brontekst: וַיֹּ֧אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | ל֣וֹ (lo) = tot hem | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | לֹ֚א (lo) = nee | כִּֽי (ki) = maar | אָסֹ֤ר (asor) = binden | נֶֽאֱסָרְךָ֙ (neesarekha) = wij zullen je binden | וּנְתַנּ֣וּךָ (unetanukha) = en wij zullen je geven | בְיָדָ֔ם (beyadam) = in hun hand | וְהָמֵ֖ת (vehamet) = en doden | לֹ֣א (lo) = niet | נְמִיתֶ֑ךָ (nemitekha) = wij zullen je doden | וַיַּאַסְרֻ֗הוּ (vayaasruhu) = en zij bonden hem | בִּשְׁנַ֨יִם֙ (bishnayim) = met twee | עֲבֹתִ֣ים (avotim) = touwen | חֲדָשִׁ֔ים (chadashim) = nieuwe | וַֽיַּעֲל֖וּהוּ (vayaaluhu) = en zij haalden hem omhoog | מִן (min) = van | הַסָּֽלַע (hasala) = de rots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het kaakbeen van een ezel **15:14** Hij kwam bij Lechi. De Filistijnen juichten hem tegemoet. Toen kwam de Geest van Yahweh met kracht over hem. De touwen om zijn armen werden als vlas dat in vuur verbrand is. Zijn banden smolten weg van zijn handen. Brontekst: הוּא (hu) = hij | בָ֣א (ba) = kwam | עַד (ad) = tot | לֶ֔חִי (lechi) = Lechi | וּפִלְשִׁתִּ֖ים (ufilshitim) = en Filistijnen | הֵרִ֣יעוּ (heriu) = juichten | לִקְרָאת֑וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַתִּצְלַ֨ח (vatitslach) = en kwam met kracht | עָלָ֜יו (alav) = over hem | ר֣וּחַ (ruach) = Geest van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַתִּהְיֶ֨ינָה (vatihyeina) = en werden | הָעֲבֹתִ֜ים (haavotim) = de touwen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = om | זְרוֹעוֹתָ֗יו (zerootav) = zijn armen | כַּפִּשְׁתִּים֙ (kapishtim) = als vlas | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בָּעֲר֣וּ (baaru) = verbrand is | בָאֵ֔שׁ (baesh) = in vuur | וַיִּמַּ֥סּוּ (vayimasu) = en smolten | אֱסוּרָ֖יו (esurav) = zijn banden | מֵעַ֥ל (meal) = van | יָדָֽיו (yadav) = zijn handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Lechi (ligging onzeker): Lechi lag in Juda, vermoedelijk in de Sefela. De precieze plaats is niet bekend. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: וַיִּמַּסּוּ (vayimmasu), ‘smolten weg’: de touwen losten op als verbrand vlas. Voor ‘met kracht komen over’ zie Richt. 14:6. Zie ook: Re 3:10; Re 14:6; Re 14:19; 1 Sam 17:35; Ps 118:11 **15:15** Hij vond een vers kaakbeen van een ezel. Hij strekte zijn hand uit, pakte het en versloeg er 1000 man mee. Brontekst: וַיִּמְצָ֥א (vayimtsa) = en vond | לְחִֽי (lechi) = kaakbeen van | חֲמ֖וֹר (chamor) = ezel | טְרִיָּ֑ה (teriya) = vers | וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en strekte uit | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | וַיִּקָּחֶ֔הָ (vayiqacheha) = en nam het | וַיַּךְ (vayakh) = en versloeg | בָּ֖הּ (bah) = met het | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טְרִיָּה (teriyyah), ‘vers’: een kaakbeen dat nog niet droog was. Dat het van een dode ezel is, zegt de tekst niet apart. Voor wie bij een dode komt, zie Num. 6:6. Zie ook: Lev 26:8; Num 6:6; Joz 23:10; Re 3:31; Re 4:21; 1 Sam 17:49–50 **15:16** Simson zei: „Met het kaakbeen van de ezel: een hoop, twee hopen! Met het kaakbeen van de ezel heb ik 1000 man verslagen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | בִּלְחִ֣י (bilchi) = met het kaakbeen van | הַחֲמ֔וֹר (hachamor) = de ezel | חֲמ֖וֹר (chamor) = een hoop | חֲמֹרָתָ֑יִם (chamoratayim) = twee hopen | בִּלְחִ֣י (bilchi) = met het kaakbeen van | הַחֲמ֔וֹר (hachamor) = de ezel | הִכֵּ֖יתִי (hikeiti) = heb ik verslagen | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit korte lied van Simson heeft een woordspel: חֲמוֹר (chamor), ‘ezel’, klinkt als חֲמֹרָתַיִם (chamoratayim), ‘twee hopen’, van חָמַר (chamar), ‘ophopen’. **15:17** Toen hij uitgesproken was, wierp hij het kaakbeen uit zijn hand. Die plaats noemde hij Ramat-Lechi. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כְּכַלֹּת֣וֹ (kekhaloto) = toen hij klaar was | לְדַבֵּ֔ר (ledaber) = met spreken | וַיַּשְׁלֵ֥ךְ (vayashlekh) = en wierp | הַלְּחִ֖י (halechi) = het kaakbeen | מִיָּד֑וֹ (miyado) = uit zijn hand | וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en noemde | לַמָּק֥וֹם (lamaqom) = die plaats | הַה֖וּא (hahu) = die | רָ֥מַת (ramat) = Ramat | לֶֽחִי (lechi) = Lechi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Lechi (ligging onzeker): Lechi lag in Juda, vermoedelijk in de Sefela. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: רָמַת לֶחִי (ramat lechi) betekent ‘worp van het kaakbeen’ of ‘hoogte van Lechi’. De betekenis is niet zeker. ### Water uit de holte **15:18** Hij kreeg zeer veel dorst en riep tot Yahweh. Hij zei: „U heeft deze grote redding door de hand van Uw dienaar gegeven. Nu zal ik van dorst sterven en in de hand van de onbesnedenen vallen.” Brontekst: וַיִּצְמָא֮ (vayitsma) = en kreeg dorst | מְאֹד֒ (meod) = zeer | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en riep | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en zei | אַתָּה֙ (ata) = U | נָתַ֣תָּ (natata) = heeft gegeven | בְיַֽד (beyad) = in de hand van | עַבְדְּךָ֔ (avdekha) = Uw dienaar | אֶת (et) = (obj.) | הַתְּשׁוּעָ֥ה (hateshua) = de redding | הַגְּדֹלָ֖ה (hagedola) = de grote | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | אָמ֣וּת (amut) = zal ik sterven | בַּצָּמָ֔א (batsama) = van dorst | וְנָפַלְתִּ֖י (venafalti) = en ik zal vallen | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | הָעֲרֵלִֽים (haarelim) = de onbesnedenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:12–13; Gen 32:31; Ps 3:8–9; Ps 22:15–16; 2 Kor 12:7–8 **15:19** Elohim spleet de holte die in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk, zijn geest keerde terug en hij leefde weer op. Daarom gaf hij haar de naam En-Hakkore. Die ligt in Lechi, tot op de dag van vandaag. Brontekst: וַיִּבְקַ֨ע (vayivqa) = en spleet | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּכְתֵּ֣שׁ (hamakhtesh) = de holte | אֲשֶׁר (asher) = die | בַּלֶּ֗חִי (balechi) = in Lechi | וַיֵּצְא֨וּ (vayetseu) = en kwamen uit | מִמֶּ֤נּוּ (mimenu) = eruit | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | וַיֵּ֔שְׁתְּ (vayesht) = en hij dronk | וַתָּ֥שָׁב (vatashav) = en keerde terug | רוּח֖וֹ (rucho) = zijn geest | וַיֶּ֑חִי (vayechi) = en leefde op | עַל (al) = op | כֵּ֣ן (ken) = zo | קָרָ֣א (qara) = hij noemde | שְׁמָ֗הּ (shemah) = haar naam | עֵ֤ין (ein) = bron van | הַקּוֹרֵא֙ (haqore) = de roeper | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּלֶּ֔חִי (balechi) = in Lechi | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: En-Hakkore (‘bron van de roeper’) lag bij Lechi. De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: מַכְתֵּשׁ (maktesh), ‘holte’: letterlijk ‘mortier’. Of het een holte in de grond bij Lechi was of een holte in het kaakbeen, zegt de tekst niet. Wij volgen ‘in Lechi’. הַקּוֹרֵא (haqore), ‘de roeper’: wij lezen dit als verwijzing naar Simsons roep tot Yahweh (vers 18). Zie ook: Gen 16:13; Gen 45:27; Re 15:18; Ps 34:7; Jes 40:29; Jes 44:3 **15:20** Hij was 20 jaar rechter over Israël in de dagen van de Filistijnen. Brontekst: וַיִּשְׁפֹּ֧ט (vayishpot) = en was rechter | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בִּימֵ֥י (bimei) = in de dagen van | פְלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = Filistijnen | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: שָׁפַט (shafat), ‘richten’, ‘recht spreken’: iemand die leiding geeft en recht spreekt. Zo ook Richt. 16:31. Zie ook: Re 13:1; Re 13:5; Re 16:31; Heb 11:32 ## Richteren 16 _Gaza, Delila en de dood van Simson_ ### Simson in Gaza **16:1** Simson ging naar Gaza. Daar zag hij een hoer en ging naar haar toe. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | שִׁמְשׁ֖וֹן (shimshon) = Simson | עַזָּ֑תָה (azata) = naar Gaza | וַיַּרְא (vayar) = en zag | שָׁם֙ (sham) = daar | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | זוֹנָ֔ה (zona) = hoer | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en ging binnen | אֵלֶֽיהָ (eleiha) = naar haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gaza lag aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuiden van het land van de Filistijnen. De stad ligt nog steeds op die plek, in de Gazastrook. De ligging is zeker. Voetnoot Uitleg: זוֹנָה (zonah), ‘hoer’: een vrouw die tegen betaling met mannen slaapt (Gen. 38:15). Zie ook: Gen 10:19; Gen 38:15; Gen 38:16–18; Joz 15:47; Ezra 9:1–2 **16:2** Aan de Gazieten werd gezegd: „Simson is hier gekomen.” Zij omsingelden de plek en lagen de hele nacht in een hinderlaag voor hem bij de stadspoort. De hele nacht bleven zij stil. Zij zeiden: „Tot het ochtendlicht. Dan doden wij hem.” Brontekst: לַֽעַזָּתִ֣ים (laazatim) = aan de Gazieten | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | בָּ֤א (ba) = is gekomen | שִׁמְשׁוֹן֙ (shimshon) = Simson | הֵ֔נָּה (hena) = hierheen | וַיָּסֹ֛בּוּ (vayasobu) = en zij omsingelden | וַיֶּאֶרְבוּ (vayeervu) = en lagen in hinderlaag | ל֥וֹ (lo) = voor hem | כָל (kal) = heel | הַלַּ֖יְלָה (halayla) = de nacht | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = bij de poort van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיִּתְחָרְשׁ֤וּ (vayitchareshu) = en zij bleven stil | כָל (kal) = heel | הַלַּ֨יְלָה֙ (halayla) = de nacht | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | עַד (ad) = tot | א֥וֹר (or) = licht van | הַבֹּ֖קֶר (haboqer) = de morgen | וַהֲרְגְנֻֽהוּ (vahargenuhu) = en wij zullen hem doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּתְחָרְשׁוּ (vayitcharashu), ‘zij bleven stil’: zij wachtten zonder geluid te maken. Voetnoot Lezing: De tekst heeft alleen ‘aan de Gazieten, zeggende’. Er ontbreekt een werkwoord. Wij vullen ‘werd gezegd’ aan. Zie ook: Re 15:18; 1 Sam 23:26; Ps 118:10–12; Mat 27:1; Hand 9:24 **16:3** Simson bleef tot middernacht liggen. Toen stond hij op en greep de deuren van de stadspoort met de twee deurposten. Hij trok ze los, samen met de grendel. Hij legde ze op zijn schouders en droeg ze omhoog naar de top van de berg tegenover Hebron. Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֣ב (vayishkav) = en lag | שִׁמְשׁוֹן֮ (shimshon) = Simson | עַד (ad) = tot | חֲצִ֣י (chatsi) = de helft van | הַלַּיְלָה֒ (halayla) = de nacht | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | בַּחֲצִ֣י (bachatsi) = in de helft van | הַלַּ֗יְלָה (halayla) = de nacht | וַיֶּאֱחֹ֞ז (vayeechoz) = en greep | בְּדַלְת֤וֹת (bedaltot) = de deuren van | שַֽׁעַר (shaar) = poort van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | וּבִשְׁתֵּ֣י (uvishtei) = en de twee | הַמְּזוּז֔וֹת (hamezuzot) = deurposten | וַיִּסָּעֵם֙ (vayisaem) = en trok ze los | עִֽם (im) = met | הַבְּרִ֔יחַ (haberiach) = de grendel | וַיָּ֖שֶׂם (vayasem) = en legde | עַל (al) = op | כְּתֵפָ֑יו (ketefav) = zijn schouders | וַֽיַּעֲלֵם֙ (vayaalem) = en droeg ze omhoog | אֶל (el) = naar | רֹ֣אשׁ (rosh) = top van | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | חֶבְרֽוֹן (chevron) = Hebron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 60 km ten oosten van Gaza (Palestijnse gebieden). Welke berg ‘op het gezicht van Hebron’ bedoeld wordt, is onzeker. Het kan ‘tegenover’ of ‘in de richting van’ betekenen. Voetnoot Uitleg: מְזוּזוֹת (mezuzot), ‘deurposten’. בְּרִיחַ (bariach), ‘grendel’: de balk die de deuren sloot. Zie ook: Ps 107:16; Jes 63:1–5; Mi 2:13; Hand 2:24 ### Delila **16:4** Daarna werd hij verliefd op een vrouw in het dal van Sorek. Haar naam was Delila. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי (acharei) = daarna | כֵ֔ן (ken) = zo | וַיֶּאֱהַ֥ב (vayeehav) = en hij hield van | אִשָּׁ֖ה (isha) = een vrouw | בְּנַ֣חַל (benachal) = in het dal van | שֹׂרֵ֑ק (soreq) = Sorek | וּשְׁמָ֖הּ (ushemah) = en haar naam | דְּלִילָֽה (delila) = Delila Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van Sorek (Nachal Sorek) loopt van het bergland bij Jeruzalem naar de Middellandse Zee. Het ligt in Israël, in de buurt van Tsora en Timna. De ligging is zeker. Zie Dal van Sorek: Het dal van Sorek (Nachal Sorek) loopt van het bergland bij Jeruzalem door de Sefela naar de kust. Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet dat Delila een Filistijnse was. Zie ook: Spr 22:14; Spr 23:27; Spr 26:11; 1 Kon 11:1; 1 Kor 10:6 **16:5** De vorsten van de Filistijnen gingen naar haar toe en zeiden tegen haar: „Haal hem over. Kom erachter waarin zijn kracht zo groot is en hoe wij hem aankunnen. Dan binden wij hem om hem te vernederen. Wij geven jou elk 1100 stukken zilver.” Brontekst: וַיַּעֲל֨וּ (vayaalu) = en trokken op | אֵלֶ֜יהָ (eleiha) = naar haar | סַרְנֵ֣י (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיֹּ֨אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | לָ֜הּ (lah) = tot haar | פַּתִּ֣י (pati) = overreed | אוֹת֗וֹ (oto) = hem | וּרְאִי֙ (urei) = en kijk | בַּמֶּה֙ (bame) = waarin | כֹּח֣וֹ (kocho) = zijn kracht | גָד֔וֹל (gadol) = groot is | וּבַמֶּה֙ (uvame) = en waarmee | נ֣וּכַל (nukhal) = wij hem aankunnen | ל֔וֹ (lo) = hem | וַאֲסַרְנֻ֖הוּ (vaasarnuhu) = dan binden wij hem | לְעַנֹּת֑וֹ (leanoto) = om hem te vernederen | וַאֲנַ֨חְנוּ֙ (vaanachnu) = en wij | נִתַּן (nitan) = geven | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | אִ֕ישׁ (ish) = elk | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | וּמֵאָ֖ה (umea) = en honderd | כָּֽסֶף (kasef) = zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: סְרָנִים (seranim), ‘vorsten’: de leiders van de vijf Filistijnse steden (Joz. 13:3). Voetnoot : כֶּסֶף (kesef), ‘zilver’: de tekst noemt geen munt of gewicht. Meestal gaat het om sikkels. 1100 sikkels is ongeveer 12,5 kilogram zilver, voor elke vorst. Zie ook: Num 22:17–18; Joz 13:3; Re 14:15; 1 Kor 6:15–18; 1 Tim 6:9–10 **16:6** Delila zei tegen Simson: „Vertel mij toch waarin je kracht zo groot is en waarmee je gebonden kunt worden om je te vernederen.” Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | דְּלִילָה֙ (delila) = Delila | אֶל (el) = tot | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | הַגִּֽידָה (hagida) = vertel | נָּ֣א (na) = toch | לִ֔י (li) = mij | בַּמֶּ֖ה (bame) = waarin | כֹּחֲךָ֣ (kochakha) = je kracht | גָד֑וֹל (gadol) = groot is | וּבַמֶּ֥ה (uvame) = en waarmee | תֵאָסֵ֖ר (teaser) = je gebonden kunt worden | לְעַנּוֹתֶֽךָ (leanotekha) = om je te vernederen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 12:3; Spr 22:14; Mi 7:2; Mi 7:5; Jer 9:1–4 ### Drie keer misleidt Simson haar **16:7** Simson zei tegen haar: „Als zij mij binden met zeven verse pezen die nog niet gedroogd zijn, dan word ik zwak. Dan ben ik als ieder ander mens.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = tot haar | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | אִם (im) = als | יַאַסְרֻ֗נִי (yaasruni) = zij mij binden | בְּשִׁבְעָ֛ה (beshiva) = met zeven | יְתָרִ֥ים (yetarim) = pezen | לַחִ֖ים (lachim) = verse | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | חֹרָ֑בוּ (choravu) = gedroogd zijn | וְחָלִ֥יתִי (vechaliti) = dan word ik zwak | וְהָיִ֖יתִי (vehayiti) = en ik zal zijn | כְּאַחַ֥ד (keachad) = als één van | הָאָדָֽם (haadam) = de mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶתֶר (yeter), ‘pees’ of ‘koord’: een koord van pezen, zoals een boogpees (Ps. 11:2). De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Ps 11:2; Spr 12:19; Spr 17:7; Gal 6:7; Rom 3:8; Kol 3:9 **16:8** De vorsten van de Filistijnen brachten haar zeven verse pezen die nog niet gedroogd waren. Zij bond hem daarmee. Brontekst: וַיַּעֲלוּ (vayaalu) = en brachten omhoog | לָ֞הּ (lah) = aan haar | סַרְנֵ֣י (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | שִׁבְעָ֛ה (shiva) = zeven | יְתָרִ֥ים (yetarim) = pezen | לַחִ֖ים (lachim) = verse | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | חֹרָ֑בוּ (choravu) = gedroogd waren | וַתַּאַסְרֵ֖הוּ (vataasrehu) = en zij bond hem | בָּהֶֽם (bahem) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Pred 7:26 **16:9** Er zat een hinderlaag bij haar in de kamer. Zij zei tegen hem: „De Filistijnen zijn op je af, Simson!” Hij brak de pezen zoals een draad van vlas breekt wanneer het vuur het ruikt. Zijn kracht werd niet bekend. Brontekst: וְהָאֹרֵ֗ב (vehaorev) = en de hinderlaag | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = zat | לָהּ֙ (lah) = bij haar | בַּחֶ֔דֶר (bacheder) = in de kamer | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | פְּלִשְׁתִּ֥ים (pelishtim) = Filistijnen | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = op jou | שִׁמְשׁ֑וֹן (shimshon) = Simson | וַיְנַתֵּק֙ (vaynateq) = en hij brak | אֶת (et) = (obj.) | הַיְתָרִ֔ים (haytarim) = de pezen | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יִנָּתֵ֤ק (yinateq) = breekt | פְּתִֽיל (petil) = draad van | הַנְּעֹ֨רֶת֙ (haneoret) = vlas | בַּהֲרִיח֣וֹ (baharicho) = wanneer het ruikt | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נוֹדַ֖ע (noda) = werd bekend | כֹּחֽוֹ (kocho) = zijn kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: נְעֹרֶת (ne’oret), ‘vlas’: de ruwe vezels van vlas. Zij breken heel makkelijk als ze in het vuur komen. Zie ook: Ps 58:10 **16:10** Delila zei tegen Simson: „Zie, je hebt mij bedrogen en leugens tegen mij gesproken. Vertel mij nu toch waarmee je gebonden kunt worden.” Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | דְּלִילָה֙ (delila) = Delila | אֶל (el) = tot | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | הִנֵּה֙ (hine) = zie | הֵתַ֣לְתָּ (hetalta) = je hebt bedrogen | בִּ֔י (bi) = mij | וַתְּדַבֵּ֥ר (vatedaber) = en je sprak | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | כְּזָבִ֑ים (kezavim) = leugens | עַתָּה֙ (ata) = nu | הַגִּֽידָה (hagida) = vertel | נָּ֣א (na) = toch | לִ֔י (li) = mij | בַּמֶּ֖ה (bame) = waarmee | תֵּאָסֵֽר (teaser) = je gebonden kunt worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 16:7; Re 16:13; Spr 24:28; Ezech 33:31; Luc 22:48 **16:11** Hij zei tegen haar: „Als zij mij stevig binden met nieuwe touwen waarmee nog nooit gewerkt is, dan word ik zwak. Dan ben ik als ieder ander mens.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = tot haar | אִם (im) = als | אָס֤וֹר (asor) = stevig | יַאַסְר֨וּנִי֙ (yaasruni) = zij mij binden | בַּעֲבֹתִ֣ים (baavotim) = met touwen | חֲדָשִׁ֔ים (chadashim) = nieuwe | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | נַעֲשָׂ֥ה (naasa) = is gedaan | בָהֶ֖ם (bahem) = met hen | מְלָאכָ֑ה (melakha) = werk | וְחָלִ֥יתִי (vechaliti) = dan word ik zwak | וְהָיִ֖יתִי (vehayiti) = en ik zal zijn | כְּאַחַ֥ד (keachad) = als één van | הָאָדָֽם (haadam) = de mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 15:13; Spr 13:3; Spr 13:5; Spr 29:25; Ef 4:25 **16:12** Delila nam nieuwe touwen en bond hem daarmee. Zij zei tegen hem: „De Filistijnen zijn op je af, Simson!” Er zat een hinderlaag in de kamer. Hij brak ze van zijn armen als een draad. Brontekst: וַתִּקַּ֣ח (vatiqach) = en nam | דְּלִילָה֩ (delila) = Delila | עֲבֹתִ֨ים (avotim) = touwen | חֲדָשִׁ֜ים (chadashim) = nieuwe | וַתַּאַסְרֵ֣הוּ (vataasrehu) = en bond hem | בָהֶ֗ם (bahem) = met hen | וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | פְּלִשְׁתִּ֤ים (pelishtim) = Filistijnen | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = op jou | שִׁמְשׁ֔וֹן (shimshon) = Simson | וְהָאֹרֵ֖ב (vehaorev) = en de hinderlaag | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = zat | בֶּחָ֑דֶר (bechader) = in de kamer | וַֽיְנַתְּקֵ֛ם (vaynateqem) = en hij brak ze | מֵעַ֥ל (meal) = van | זְרֹעֹתָ֖יו (zerootav) = zijn armen | כַּחֽוּט (kachut) = als een draad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. **16:13** Delila zei tegen Simson: „Tot nu toe heb je mij bedrogen en leugens tegen mij gesproken. Vertel mij waarmee je gebonden kunt worden.” Hij zei tegen haar: „Als je de zeven lokken van mijn hoofd met het weefsel samenweeft…” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר (vatomer) = en zei | דְּלִילָ֜ה (delila) = Delila | אֶל (el) = tot | שִׁמְשׁ֗וֹן (shimshon) = Simson | עַד (ad) = tot | הֵ֜נָּה (hena) = nu | הֵתַ֤לְתָּ (hetalta) = heb je bedrogen | בִּי֙ (bi) = mij | וַתְּדַבֵּ֤ר (vatedaber) = en je sprak | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | כְּזָבִ֔ים (kezavim) = leugens | הַגִּ֣ידָה (hagida) = vertel | לִּ֔י (li) = mij | בַּמֶּ֖ה (bame) = waarmee | תֵּאָסֵ֑ר (teaser) = je gebonden kunt worden | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = tot haar | אִם (im) = als | תַּאַרְגִ֗י (taargi) = je weeft | אֶת (et) = (obj.) | שֶׁ֛בַע (sheva) = zeven | מַחְלְפ֥וֹת (machlefot) = lokken van | רֹאשִׁ֖י (roshi) = mijn hoofd | עִם (im) = met | הַמַּסָּֽכֶת (hamasakhet) = het weefsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַסֶּכֶת (masseket), ‘weefsel’; יָתֵד (yated), ‘pin’; אֶרֶג (ereg), ‘weefgetouw’. De betekenis van deze woorden is niet helemaal zeker. Voetnoot Lezing: De zin breekt hier af. In de Septuaginta is de tekst langer: ‘…en je slaat het vast met de pin aan de wand, dan word ik zwak.’ Wij volgen de Masoretische tekst. Vers 14 begint dan met het vastslaan. Zie ook: Re 16:14 **16:14** Zij sloeg het vast met de pin. Zij zei tegen hem: „De Filistijnen zijn op je af, Simson!” Hij werd wakker uit zijn slaap en trok de pin van het weefgetouw los, samen met het weefsel. Brontekst: וַתִּתְקַע֙ (vatitqa) = en zij sloeg vast | בַּיָּתֵ֔ד (bayated) = met de pin | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zij zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | פְּלִשְׁתִּ֥ים (pelishtim) = Filistijnen | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = op jou | שִׁמְשׁ֑וֹן (shimshon) = Simson | וַיִּיקַץ֙ (vayiqats) = en hij werd wakker | מִשְּׁנָת֔וֹ (mishenato) = uit zijn slaap | וַיִּסַּ֛ע (vayisa) = en trok los | אֶת (et) = (obj.) | הַיְתַ֥ד (haytad) = de pin van | הָאֶ֖רֶג (haereg) = het weefgetouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּסָּֽכֶת (hamasakhet) = het weefsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Ps 106:43; Ezra 9:13–14 **16:15** Zij zei tegen hem: „Hoe kun je zeggen: ‘Ik heb je lief’, terwijl je hart niet bij mij is? Nu heb je mij drie keer bedrogen en je hebt mij niet verteld waarin je kracht zo groot is.” Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | אֵ֚יךְ (eikh) = hoe | תֹּאמַ֣ר (tomar) = kun je zeggen | אֲהַבְתִּ֔יךְ (ahavtikh) = ik heb je lief | וְלִבְּךָ֖ (velibekha) = en je hart | אֵ֣ין (ein) = niet | אִתִּ֑י (iti) = met mij | זֶ֣ה (ze) = dit | שָׁלֹ֤שׁ (shalosh) = drie | פְּעָמִים֙ (peamim) = keer | הֵתַ֣לְתָּ (hetalta) = heb je bedrogen | בִּ֔י (bi) = mij | וְלֹא (velo) = en niet | הִגַּ֣דְתָּ (higadta) = heb je verteld | לִּ֔י (li) = aan mij | בַּמֶּ֖ה (bame) = waarin | כֹּחֲךָ֥ (kochakha) = je kracht | גָדֽוֹל (gadol) = groot is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 14:16; Spr 23:26; Joh 14:15; Joh 15:10; 1 Joh 2:15–16 ### Simson vertelt zijn geheim **16:16** Omdat zij elke dag met haar woorden op hem aandrong en niet losliet, werd hij het tot stervens toe beu. Brontekst: וַ֠יְהִי (vayhi) = en het was | כִּֽי (ki) = toen | הֵצִ֨יקָה (hetsiqa) = zij aandrong | לּ֧וֹ (lo) = op hem | בִדְבָרֶ֛יהָ (bidvareiha) = met haar woorden | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | וַתְּאַֽלֲצֵ֑הוּ (vatealatsehu) = en zij hield aan | וַתִּקְצַ֥ר (vatiqtsar) = en werd kort | נַפְשׁ֖וֹ (nafsho) = zijn ziel | לָמֽוּת (lamut) = tot sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, ‘leven’: letterlijk ‘zijn nefesh werd kort’. Hij verloor zijn geduld, tot stervens toe. Zie ook: Job 21:4; Spr 7:21–23; Mar 14:24; Luc 11:8; Luc 18:5 **16:17** Toen vertelde hij haar zijn hele hart. Hij zei tegen haar: „Er is nooit een scheermes over mijn hoofd gegaan. Want ik ben een nazireeër van Elohim vanaf de moederschoot van mijn moeder. Als ik geschoren word, dan wijkt mijn kracht van mij. Dan word ik zwak en ben ik als ieder ander mens.” Brontekst: וַיַּגֶּד (vayaged) = en hij vertelde | לָ֣הּ (lah) = haar | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | לִבּ֗וֹ (libo) = zijn hart | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהּ֙ (lah) = tot haar | מוֹרָה֙ (mora) = scheermes | לֹֽא (lo) = niet | עָלָ֣ה (ala) = is gegaan | עַל (al) = over | רֹאשִׁ֔י (roshi) = mijn hoofd | כִּֽי (ki) = want | נְזִ֧יר (nezir) = nazireeër van | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֲנִ֖י (ani) = ik | מִבֶּ֣טֶן (mibeten) = vanaf de moederschoot van | אִמִּ֑י (imi) = mijn moeder | אִם (im) = als | גֻּלַּ֨חְתִּי֙ (gulachti) = ik word geschoren | וְסָ֣ר (vesar) = dan zal wijken | מִמֶּ֣נִּי (mimeni) = van mij | כֹחִ֔י (kochi) = mijn kracht | וְחָלִ֥יתִי (vechaliti) = en ik word zwak | וְהָיִ֖יתִי (vehayiti) = en ik zal zijn | כְּכָל (kekhal) = als alle | הָאָדָֽם (haadam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het haar is het teken van de wijding van een nazireeër (Num. 6:5; Richt. 13:5). Simson noemt het haar de reden van zijn kracht. Voetnoot : ‘Zijn hele hart’: alles wat hem bezighield. Zie ook: Num 6:5; Re 13:5; Spr 12:23; Mi 7:5; Hand 18:18 **16:18** Delila zag dat hij haar zijn hele hart had verteld. Zij stuurde een boodschap en riep de vorsten van de Filistijnen. Zij zei: „Kom dit keer omhoog, want hij heeft mij zijn hele hart verteld.” De vorsten van de Filistijnen kwamen naar haar toe omhoog, met het zilver in hun hand. Brontekst: וַתֵּ֣רֶא (vatere) = en zag | דְלִילָ֗ה (delila) = Delila | כִּֽי (ki) = dat | הִגִּ֣יד (higid) = hij had verteld | לָהּ֮ (lah) = haar | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | לִבּוֹ֒ (libo) = zijn hart | וַתִּשְׁלַ֡ח (vatishlach) = en zond | וַתִּקְרָא֩ (vatiqra) = en riep | לְסַרְנֵ֨י (lesarnei) = de vorsten van | פְלִשְׁתִּ֤ים (pelishtim) = de Filistijnen | לֵאמֹר֙ (lemor) = zeggende | עֲל֣וּ (alu) = kom omhoog | הַפַּ֔עַם (hapaam) = dit keer | כִּֽי (ki) = want | הִגִּ֥יד (higid) = hij heeft verteld | לִ֖י (li) = mij | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | לִבּ֑וֹ (libo) = zijn hart | וְעָל֤וּ (vealu) = en zij kwamen omhoog | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = naar haar | סַרְנֵ֣י (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en zij brachten omhoog | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het zilver | בְּיָדָֽם (beyadam) = in hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Re 16:5; Jer 9:3–5; Mat 26:15; Ef 5:5; 1 Tim 6:10 **16:19** Zij liet hem op haar knieën in slaap vallen. Zij riep een man en liet de zeven lokken van zijn hoofd afscheren. Zo begon zij hem te vernederen, en zijn kracht week van hem. Brontekst: וַתְּיַשְּׁנֵ֨הוּ֙ (vateyashenehu) = en zij liet hem slapen | עַל (al) = op | בִּרְכֶּ֔יהָ (birkeiha) = haar knieën | וַתִּקְרָ֣א (vatiqra) = en riep | לָאִ֔ישׁ (laish) = een man | וַתְּגַלַּ֕ח (vategalach) = en zij scheerde | אֶת (et) = (obj.) | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | מַחְלְפ֣וֹת (machlefot) = lokken van | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַתָּ֨חֶל֙ (vatachel) = en begon | לְעַנּוֹת֔וֹ (leanoto) = hem te vernederen | וַיָּ֥סַר (vayasar) = en week | כֹּח֖וֹ (kocho) = zijn kracht | מֵעָלָֽיו (mealav) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt: ‘zij scheerde’. Omdat zij een man riep, nemen wij aan dat zij het liet doen. Zie ook: Spr 7:21–23; Spr 7:26–27; Spr 23:33–34; Pred 7:26 **16:20** Zij zei: „De Filistijnen zijn op je af, Simson!” Hij werd wakker uit zijn slaap en zei: „Ik ga eropuit zoals de vorige keren en schud mij los.” Maar hij wist niet dat Yahweh van hem was geweken. Brontekst: וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en zei | פְּלִשְׁתִּ֥ים (pelishtim) = Filistijnen | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = op jou | שִׁמְשׁ֑וֹן (shimshon) = Simson | וַיִּקַ֣ץ (vayiqats) = en hij werd wakker | מִשְּׁנָת֗וֹ (mishenato) = uit zijn slaap | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֵצֵ֞א (etse) = ik zal uitgaan | כְּפַ֤עַם (kefaam) = zoals de keer | בְּפַ֨עַם֙ (befaam) = op keer | וְאִנָּעֵ֔ר (veinaer) = en ik zal mij losschudden | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔ע (yada) = wist | כִּ֥י (ki) = dat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | סָ֥ר (sar) = was geweken | מֵעָלָֽיו (mealav) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: Dat Yahweh van hem was geweken: hij merkt het niet. Hij vertrouwt op wat eerder gebeurde (Richt. 14:6, 14:19; 15:14). Zie ook: Num 14:42–43; Joz 7:12; Re 14:6; Re 14:19; Re 15:14; 1 Sam 16:14; 1 Sam 18:12; 2 Kron 15:2 ### Simson gevangen in Gaza **16:21** De Filistijnen grepen hem, staken zijn ogen uit en brachten hem naar Gaza af. Zij bonden hem met bronzen boeien. Hij moest malen in de gevangenis. Brontekst: וַיֹּאחֲז֣וּהוּ (vayochazuhu) = en grepen hem | פְלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וַֽיְנַקְּר֖וּ (vaynaqeru) = en staken uit | אֶת (et) = (obj.) | עֵינָ֑יו (einav) = zijn ogen | וַיּוֹרִ֨ידוּ (vayoridu) = en brachten hem af | אוֹת֜וֹ (oto) = hem | עַזָּ֗תָה (azata) = naar Gaza | וַיַּאַסְר֨וּהוּ֙ (vayaasruhu) = en bonden hem | בַּֽנְחֻשְׁתַּ֔יִם (banchushtayim) = met bronzen boeien | וַיְהִ֥י (vayhi) = en hij was | טוֹחֵ֖ן (tochen) = malend | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | הָאֲסוּרִֽים (haasurim) = de gevangenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Voetnoot Uitleg: נְחֻשְׁתַּיִם (nechushtayim), ‘twee bronzen boeien’: een dubbele vorm. טוֹחֵן (tochen), ‘malend’: graan malen op een handmolen was zwaar werk. Zie ook: Ex 11:5; Spr 2:19; Spr 14:14; Jes 47:2; Mat 24:41 **16:22** Maar het haar op zijn hoofd begon weer te groeien, nadat het was afgeschoren. Brontekst: וַיָּ֧חֶל (vayachel) = en begon | שְׂעַר (sear) = haar van | רֹאשׁ֛וֹ (rosho) = zijn hoofd | לְצַמֵּ֖חַ (letsameach) = te groeien | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = nadat | גֻּלָּֽח (gulach) = het was geschoren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:44; Deut 32:36; Ps 106:44–45; Ps 107:13–14 ### Het feest voor Dagon **16:23** De vorsten van de Filistijnen kwamen bijeen om een groot slachtoffer te brengen aan Dagon, hun god, en om feest te vieren. Zij zeiden: „Onze god heeft Simson, onze vijand, in onze hand gegeven.” Brontekst: וְסַרְנֵ֣י (vesarnei) = en vorsten van | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = de Filistijnen | נֶֽאֱסְפוּ֙ (neesfu) = verzamelden zich | לִזְבֹּ֧חַ (lizboach) = om te slachten | זֶֽבַח (zevach) = een slachtoffer | גָּד֛וֹל (gadol) = groot | לְדָג֥וֹן (ledagon) = aan Dagon | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun god | וּלְשִׂמְחָ֑ה (ulesimcha) = en voor vreugde | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | נָתַ֤ן (natan) = heeft gegeven | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze god | בְּיָדֵ֔נוּ (beyadenu) = in onze hand | אֵ֖ת (et) = (obj.) | שִׁמְשׁ֥וֹן (shimshon) = Simson | אוֹיְבֵֽינוּ (oyeveinu) = onze vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: דָּגוֹן (Dagon), de god van de Filistijnen (1 Sam. 5:2). אֱלֹהֵיהֶם (eloheihem), ‘hun god’: het gaat om een afgod, daarom schrijven wij ‘god’ met een kleine letter. Voetnoot : זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: een dier dat voor een god wordt geslacht. Zie ook: Job 30:9–10; 1 Sam 5:2–5; Spr 24:17; Mi 4:5; 1 Kor 8:4–5 **16:24** Toen het volk hem zag, prezen zij hun god. Zij zeiden: „Onze god heeft onze vijand in onze hand gegeven, hem die ons land verwoestte en onze doden zo talrijk maakte.” Brontekst: וַיִּרְא֤וּ (vayiru) = en zagen | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַֽיְהַלְל֖וּ (vayhallu) = en prezen | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun god | כִּ֣י (ki) = want | אָמְר֗וּ (ameru) = zij zeiden | נָתַ֨ן (natan) = heeft gegeven | אֱלֹהֵ֤ינוּ (eloheinu) = onze god | בְיָדֵ֨נוּ֙ (beyadenu) = in onze hand | אֶת (et) = (obj.) | א֣וֹיְבֵ֔נוּ (oyevenu) = onze vijand | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מַחֲרִ֣יב (machariv) = de verwoester van | אַרְצֵ֔נוּ (artsenu) = ons land | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en die | הִרְבָּ֖ה (hirba) = had vermenigvuldigd | אֶת (et) = (obj.) | חֲלָלֵֽינוּ (chalaleinu) = onze doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 31:9; Ezech 20:14; Dan 5:4; Dan 5:23; Openb 11:10 **16:25** Toen hun hart vrolijk werd, zeiden zij: „Roep Simson, laat hem voor ons spelen.” Zij riepen Simson uit de gevangenis en hij moest voor hen spelen. Zij lieten hem tussen de pilaren staan. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כְּט֣וֹב (ketov) = bij het goed worden van | לִבָּ֔ם (libam) = hun hart | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeiden | קִרְא֥וּ (qiru) = roep | לְשִׁמְשׁ֖וֹן (leshimshon) = Simson | וִישַֽׂחֶק (visacheq) = en laat hem spelen | לָ֑נוּ (lanu) = voor ons | וַיִּקְרְא֨וּ (vayiqreu) = en zij riepen | לְשִׁמְשׁ֜וֹן (leshimshon) = Simson | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | הָאֲסוּרִ֗ים (haasurim) = de gevangenen | וַיְצַחֵק֙ (vaytsacheq) = en hij speelde | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = voor hen | וַיַּעֲמִ֥ידוּ (vayaamidu) = en zij lieten staan | אוֹת֖וֹ (oto) = hem | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָעַמּוּדִֽים (haamudim) = de pilaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָחַק (tsachaq), ‘spelen’: ook ‘lachen’ of ‘spotten’. Simson moet de menigte vermaken. Zie ook: Re 9:27; Re 19:6; 2 Sam 13:28; Ps 35:15–16; Heb 11:36 **16:26** Simson zei tegen de jongen die hem bij de hand hield: „Laat mij toe de pilaren te voelen waarop het huis staat. Dan kan ik tegen ze leunen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁמְשׁ֜וֹן (shimshon) = Simson | אֶל (el) = tot | הַנַּ֨עַר (hanaar) = de jongen | הַמַּחֲזִ֣יק (hamachaziq) = die vasthield | בְּיָדוֹ֮ (beyado) = bij zijn hand | הַנִּ֣יחָה (hanicha) = laat toe | אוֹתִי֒ (oti) = mij | וַהֲמִשֵׁ֨נִי֙ (vahamisheni) = dat ik voel | אֶת (et) = (obj.) | הָֽעַמֻּדִ֔ים (haamudim) = de pilaren | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarop | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | נָכ֣וֹן (nakhon) = vaststaat | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = op hen | וְאֶשָּׁעֵ֖ן (veeshaen) = dat ik leun | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **16:27** Het huis was vol mannen en vrouwen. Alle vorsten van de Filistijnen waren daar. Op het dak waren ongeveer 3000 mannen en vrouwen, die toekeken terwijl Simson speelde. Brontekst: וְהַבַּ֗יִת (vehabayit) = en het huis | מָלֵ֤א (male) = vol | הָֽאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | וְהַנָּשִׁ֔ים (vehanashim) = en de vrouwen | וְשָׁ֕מָּה (veshama) = en daar | כֹּ֖ל (kol) = alle | סַרְנֵ֣י (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | וְעַל (veal) = en op | הַגָּ֗ג (hagag) = het dak | כִּשְׁלֹ֤שֶׁת (kishloshet) = ongeveer drie | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizend | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְאִשָּׁ֔ה (veisha) = en vrouw | הָרֹאִ֖ים (haroim) = die toekeken | בִּשְׂח֥וֹק (bischoq) = bij het spel van | שִׁמְשֽׁוֹן (shimshon) = Simson Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie ook: Deut 22:8; Joz 2:8; Re 9:51; 2 Sam 11:2 ### Simsons laatste gebed **16:28** Simson riep tot Yahweh. Hij zei: „Mijn Heer Yahweh, denk toch aan mij. Maak mij toch sterk, alleen dit ene keer, Elohim. Laat mij met één slag wraak nemen op de Filistijnen voor mijn twee ogen.” Brontekst: וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en riep | שִׁמְשׁ֛וֹן (shimshon) = Simson | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | אֲדֹנָ֣י (adonay) = mijn Heer | יֱהֹוִ֡ה (Yahweh) = Yahweh | זָכְרֵ֣נִי (zakhereni) = denk aan mij | נָא֩ (na) = toch | וְחַזְּקֵ֨נִי (vechazeqeni) = en maak mij sterk | נָ֜א (na) = toch | אַ֣ךְ (akh) = alleen | הַפַּ֤עַם (hapaam) = dit keer | הַזֶּה֙ (haze) = dit | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וְאִנָּקְמָ֧ה (veinaqema) = en dat ik wraak neem | נְקַם (neqam) = wraak | אַחַ֛ת (achat) = één | מִשְּׁתֵ֥י (mishetei) = voor twee van | עֵינַ֖י (einay) = mijn ogen | מִפְּלִשְׁתִּֽים (mipelishtim) = op de Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘mijn Heer Yahweh’. Adonai is hier de aanspreekvorm voor Yahweh. Vergelijk Richt. 13:8. Voetnoot : נָקַם (naqam), ‘wraak nemen’: zoals in Richt. 15:7. הָאֱלֹהִים (ha’Elohim) is een aanroep: ‘Elohim’. Zie ook: Re 13:8; Re 15:7; Ps 50:15; Ps 143:12; Jer 15:15; Klaagl 3:31–32; Openb 6:10 **16:29** Simson greep de twee middelste pilaren waarop het huis stond. Hij steunde tegen ze aan, de ene met zijn rechterhand en de andere met zijn linkerhand. Brontekst: וַיִּלְפֹּ֨ת (vayilpot) = en greep | שִׁמְשׁ֜וֹן (shimshon) = Simson | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | עַמּוּדֵ֣י (amudei) = pilaren van | הַתָּ֗וֶךְ (hatavekh) = het midden | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarop | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | נָכ֣וֹן (nakhon) = vaststond | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = op hen | וַיִּסָּמֵ֖ךְ (vayisamekh) = en steunde | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = op hen | אֶחָ֥ד (echad) = één | בִּימִינ֖וֹ (bimino) = met zijn rechterhand | וְאֶחָ֥ד (veechad) = en één | בִּשְׂמֹאלֽוֹ (bismolo) = met zijn linkerhand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַמּוּדֵי הַתָּוֶךְ (ammudei hatavekh), ‘de pilaren van het midden’: de twee pilaren die het dak droegen. **16:30** Simson zei: „Laat mij sterven met de Filistijnen!” Hij boog zich met al zijn kracht. Het huis viel op de vorsten en op heel het volk dat erin was. De doden die hij bij zijn sterven doodde, waren talrijker dan degenen die hij tijdens zijn leven gedood had. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁמְשׁ֗וֹן (shimshon) = Simson | תָּמ֣וֹת (tamot) = laat sterven | נַפְשִׁי֮ (nafshi) = mijn leven | עִם (im) = met | פְּלִשְׁתִּים֒ (pelishtim) = Filistijnen | וַיֵּ֣ט (vayet) = en boog zich | בְּכֹ֔חַ (bekhoach) = met kracht | וַיִּפֹּ֤ל (vayipol) = en viel | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | עַל (al) = op | הַסְּרָנִ֔ים (haseranim) = de vorsten | וְעַל (veal) = en op | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | בּ֑וֹ (bo) = erin | וַיִּהְי֤וּ (vayihyu) = en waren | הַמֵּתִים֙ (hametim) = de doden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֵמִ֣ית (hemit) = hij doodde | בְּמוֹת֔וֹ (bemoto) = bij zijn sterven | רַבִּ֕ים (rabim) = talrijker | מֵאֲשֶׁ֥ר (measher) = dan die | הֵמִ֖ית (hemit) = hij doodde | בְּחַיָּֽיו (bechayav) = bij zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), hier ‘mijn leven’: letterlijk ‘laat mijn nefesh sterven’. Wij vertalen ‘laat mij sterven’. Zie ook: Mat 16:25; Hand 21:13; 1 Tess 5:2; Fil 2:8; Fil 2:17 ### Simson wordt begraven **16:31** Zijn broers en heel het huis van zijn vader gingen naar beneden, tilden hem op en brachten hem omhoog. Zij begroeven hem tussen Tsora en Estaol, in het graf van zijn vader Manoach. Hij was 20 jaar rechter over Israël geweest. Brontekst: וַיֵּרְד֨וּ (vayeredu) = en daalden af | אֶחָ֜יו (echav) = zijn broers | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִיהוּ֮ (avihu) = zijn vader | וַיִּשְׂא֣וּ (vayisu) = en tilden op | אֹתוֹ֒ (oto) = hem | וַֽיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en brachten omhoog | וַיִּקְבְּר֣וּ (vayiqberu) = en begroeven | אוֹת֗וֹ (oto) = hem | בֵּ֤ין (bein) = tussen | צָרְעָה֙ (tsarea) = Tsora | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | אֶשְׁתָּאֹ֔ל (eshtaol) = Estaol | בְּקֶ֖בֶר (beqever) = in het graf van | מָנ֣וֹחַ (manoach) = Manoach | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וְה֛וּא (vehu) = en hij | שָׁפַ֥ט (shafat) = had gericht | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het graf van Manoach lag tussen Tsora en Estaol, ten westen van Jeruzalem in Israël. De precieze plek is onbekend. Zie ook Richt. 13:25. Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Voetnoot Uitleg: Simson was 20 jaar rechter, zoals in Richt. 15:20. Zie ook: Joz 19:41; Re 13:2; Re 13:25; Re 15:20; Joh 19:39–42 ## Richteren 17 _Micha, zijn beeld en de Leviet_ ### Het gestolen zilver van Micha **17:1** Er was een man uit het bergland van Efraïm. Zijn naam was Michajehu. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en er was | אִ֥ישׁ (ish) = een man | מֵֽהַר (mehar) = van het bergland van | אֶפְרָ֖יִם (efrayim) = Efraïm | וּשְׁמ֥וֹ (ushemo) = en zijn naam | מִיכָֽיְהוּ (mikhayehu) = Michajehu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het bergland van Efraïm is het middengebied van het huidige Israël en de Westelijke Jordaanoever, tussen Betel en Sichem. De naam Michajehu (‘wie is als Yahweh?’) staat hier in de lange vorm; vanaf vers 5 heet hij Micha, de korte vorm. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie ook: Joz 15:9; Joz 17:14–18; Re 10:1; Re 17:5; Re 18:2 **17:2** Hij zei tegen zijn moeder: „Over de 1100 stukken zilver die van je zijn genomen sprak jij een vloek uit. Je zei het ook in mijn oren. Zie, het zilver is bij mij. Ik heb het genomen.” Zijn moeder zei: „Mijn zoon is gezegend voor Yahweh.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְאִמּ֡וֹ (leimo) = tot zijn moeder | אֶלֶף֩ (elef) = duizend | וּמֵאָ֨ה (umea) = en honderd | הַכֶּ֜סֶף (hakesef) = het zilver | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֻֽקַּֽח (luqach) = werd genomen | לָ֗ךְ (lakh) = van jou | וְאַ֤תְּ (veat) = en jij | אָלִית֙ (alit) = sprak een vloek uit | וְגַם֙ (vegam) = en ook | אָמַ֣רְתְּ (amart) = zei | בְּאָזְנַ֔י (beazenay) = in mijn oren | הִנֵּֽה (hine) = zie | הַכֶּ֥סֶף (hakesef) = het zilver | אִתִּ֖י (iti) = bij mij | אֲנִ֣י (ani) = ik | לְקַחְתִּ֑יו (leqachtiv) = heb het genomen | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | בְּנִ֖י (beni) = mijn zoon | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt bij ‘1100’ geen maat, alleen ‘het zilver’. Wij vullen ‘stukken’ aan. Waarschijnlijk gaat het om sikkels (een sikkel is ongeveer 11,4 gram). Dan is het ongeveer 12,5 kilo zilver. Zeker is dat niet. Voetnoot : אָלָה (alah), ‘een vloek uitspreken’: de moeder sprak een vloek uit over de dief, zonder te weten wie het was. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst heeft וְאָתִי (ve’ati), maar de gelezen vorm is וְאַתְּ (ve’at), ‘en je (zei het) ook’. Wij volgen de gelezen vorm. Zie ook: Ruth 3:10; 1 Sam 23:21; Neh 13:25; Mat 26:74; 2 Joh 1:11 **17:3** Hij gaf de 1100 stukken zilver aan zijn moeder terug. Zijn moeder zei: „Ik heb het zilver zeker aan Yahweh gewijd, uit mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken. Nu geef ik het aan jou terug.” Brontekst: וַיָּ֛שֶׁב (vayashev) = en hij gaf terug | אֶת (et) = (obj.) | אֶֽלֶף (elef) = duizend | וּמֵאָ֥ה (umea) = en honderd | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het zilver | לְאִמּ֑וֹ (leimo) = aan zijn moeder | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | אִמּ֡וֹ (imo) = zijn moeder | הַקְדֵּ֣שׁ (haqdesh) = wijden | הִקְדַּ֣שְׁתִּי (hiqdashti) = ik heb gewijd | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּסֶף֩ (hakesef) = het zilver | לַיהוָ֨ה (laYahweh) = aan Yahweh | מִיָּדִ֜י (miyadi) = uit mijn hand | לִבְנִ֗י (livni) = voor mijn zoon | לַֽעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te maken | פֶּ֣סֶל (pesel) = een gesneden beeld | וּמַסֵּכָ֔ה (umasekha) = en een gegoten beeld | וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | אֲשִׁיבֶ֥נּוּ (ashivenu) = zal ik het teruggeven | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּסֶל (pesel), ‘gesneden beeld’: een beeld dat uit hout of steen is gesneden. מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’: een beeld van gegoten metaal. Zie ook Exod. 20:4; 34:17; Deut. 27:15. Voetnoot : הַקְדֵּשׁ הִקְדַּשְׁתִּי (hakdesh hikdashti), ‘ik heb zeker gewijd’: de dubbele vorm maakt de wijding sterk. De moeder zegt dat het zilver al van Yahweh is, maar laat er toch een beeld van maken. Exod. 20:4–5 verbiedt zulke beelden. Zie ook: Ex 20:4; Ex 20:23; Ex 34:17; Lev 19:4; Deut 27:15; Jes 40:18–25; Joh 16:2 **17:4** Hij gaf het zilver aan zijn moeder terug. Zijn moeder nam 200 stukken zilver en gaf ze aan de zilversmid. Die maakte er een gesneden beeld en een gegoten beeld van. Het stond in het huis van Michajehu. Brontekst: וַיָּ֥שֶׁב (vayashev) = en hij gaf terug | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het zilver | לְאִמּ֑וֹ (leimo) = aan zijn moeder | וַתִּקַּ֣ח (vatiqach) = en nam | אִמּוֹ֩ (imo) = zijn moeder | מָאתַ֨יִם (matayim) = tweehonderd | כֶּ֜סֶף (kesef) = zilver | וַתִּתְּנֵ֣הוּ (vatitenehu) = en gaf het | לַצּוֹרֵ֗ף (latsoref) = aan de zilversmid | וַֽיַּעֲשֵׂ֨הוּ֙ (vayaasehu) = en hij maakte het | פֶּ֣סֶל (pesel) = een gesneden beeld | וּמַסֵּכָ֔ה (umasekha) = en een gegoten beeld | וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | מִיכָֽיְהוּ (mikhayehu) = Michajehu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Van de 1100 stukken gebruikt zij maar 200 voor de beelden. Wat er met de rest gebeurt, zegt de tekst niet. Zie ook: Jes 46:6–7; Jer 10:9–10 ### Micha’s huis van Elohim **17:5** De man Micha had een huis van Elohim. Hij maakte een efod en huisgoden. Hij wijdde een van zijn zonen in en die werd zijn priester. Brontekst: וְהָאִ֣ישׁ (vehaish) = en de man | מִיכָ֔ה (mikha) = Micha | ל֖וֹ (lo) = voor hem | בֵּ֣ית (beit) = een huis van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֵפוֹד֙ (efod) = een efod | וּתְרָפִ֔ים (uterafim) = en huisgoden | וַיְמַלֵּ֗א (vaymale) = en hij vulde | אֶת (et) = (obj.) | יַ֤ד (yad) = de hand van | אַחַד֙ (achad) = een | מִבָּנָ֔יו (mibanav) = van zijn zonen | וַיְהִי (vayhi) = en hij werd | ל֖וֹ (lo) = voor hem | לְכֹהֵֽן (lekhohen) = tot priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית אֱלֹהִים (beit Elohim), ‘huis van Elohim’: een eigen heiligdom in het huis van Micha. Het woord elohim kan ook ‘goden’ betekenen; hier staan de beelden en de huisgoden erin. Voetnoot : אֵפוֹד (efod): een priesterkleed, zie Exod. 28:6–14. Hier gaat het om een eigen gemaakt exemplaar. Voetnoot : תְּרָפִים (terafim), ‘huisgoden’: kleine beelden van het huis, zoals bij Rachel in Gen. 31:19. Voetnoot : וַיְמַלֵּא אֶת יַד (vayemalle et yad), ‘hij vulde de hand’: dat betekent ‘inwijden’, zoals bij Aäron en zijn zonen (Exod. 28:41; 29:9). Micha wijdt zijn eigen zoon in, hoewel alleen de nakomelingen van Aäron priester mochten zijn (Exod. 29:9). Zie ook: Gen 31:19; Gen 31:30; Ex 28:6–14; Ex 28:41; Ex 29:9; Re 8:27; Re 18:14; Re 18:24 **17:6** In die dagen was er geen koning in Israël. Ieder deed wat goed was in zijn eigen ogen. Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | אֵ֥ין (ein) = niet was er | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | אִ֛ישׁ (ish) = een ieder | הַיָּשָׁ֥ר (hayashar) = wat goed was | בְּעֵינָ֖יו (beeinav) = in zijn ogen | יַעֲשֶֽׂה (yaase) = deed hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het eerste van vier gelijke refreinen in dit deel van het boek (17:6; 18:1; 19:1; 21:25). De verzen 17:6 en 21:25 hebben de volledige vorm met ‘Ieder deed wat goed was in zijn eigen ogen’; 18:1 en 19:1 hebben alleen de eerste helft. Voetnoot : הַיָּשָׁר בְּעֵינָיו (hayashar be’einav), ‘wat goed was in zijn ogen’: wat hem goed of recht leek. Zie ook Deut. 12:8. Zie ook: Deut 12:8; Re 18:1; Re 21:25; Spr 12:15; Spr 14:12 ### De Leviet uit Betlehem **17:7** Er was een jongen uit Betlehem in Juda, uit het geslacht van Juda. Hij was een Leviet en woonde daar als vreemdeling. Brontekst: וַיְהִי (vayhi) = en er was | נַ֗עַר (naar) = een jongen | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit Bet | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = Lechem | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | מִמִּשְׁפַּ֖חַת (mimishpachat) = uit het geslacht van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְה֥וּא (vehu) = en hij | לֵוִ֖י (levi) = een Leviet | וְה֥וּא (vehu) = en hij | גָֽר (gar) = woonde als vreemdeling | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem in Juda ligt ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, in de Westelijke Jordaanoever. Het staat hier met ‘in Juda’ om het te onderscheiden van een andere stad met die naam (Joz. 19:15). Voetnoot Uitleg: גָּר (gar), ‘als vreemdeling wonen’: een Leviet had geen eigen gebied. Hij woonde als gast in een ander gebied. Zie Deut. 18:6–7. Voetnoot Lezing: De jongen is ‘uit het geslacht van Juda’ en toch een Leviet. Wij nemen dat zoals het staat: hij woonde in het gebied van Juda. Of hij van Levi afstamde en bij Juda woonde, of dat het woord ‘Leviet’ hier de taak aangeeft, zegt de tekst niet. Zie ook: Deut 18:6–7; Joz 19:15; Ruth 1:1–2; Mi 5:1; Mat 2:1; Mat 2:5–6 **17:8** De man vertrok uit de stad, uit Betlehem in Juda, om te verblijven waar hij een plaats kon vinden. Terwijl hij zijn weg ging, kwam hij in het bergland van Efraïm, bij het huis van Micha. Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en ging | הָאִ֜ישׁ (haish) = de man | מֵהָעִ֗יר (mehair) = uit de stad | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit Bet | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = Lechem | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | לָג֖וּר (lagur) = om te verblijven | בַּאֲשֶׁ֣ר (baasher) = waar | יִמְצָ֑א (yimtsa) = hij zou vinden | וַיָּבֹ֧א (vayavo) = en hij kwam | הַר (har) = het bergland van | אֶפְרַ֛יִם (efrayim) = Efraïm | עַד (ad) = tot | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | מִיכָ֖ה (mikha) = Micha | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | דַּרְכּֽוֹ (darko) = zijn weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘waar hij zou vinden’ zonder voorwerp. Wij vullen ‘een plaats’ aan; vers 9 heeft dezelfde aanvulling. Zie ook: Joz 24:33; Re 17:9; Re 17:11; Neh 13:10–11 **17:9** Micha zei tegen hem: „Waar kom je vandaan?” Hij zei tegen hem: „Ik ben een Leviet uit Betlehem in Juda. Ik ben op weg om te verblijven waar ik een plaats kan vinden.” Brontekst: וַיֹּאמֶר (vayomer) = en zei | ל֥וֹ (lo) = tot hem | מִיכָ֖ה (mikha) = Micha | מֵאַ֣יִן (meayin) = vanwaar | תָּב֑וֹא (tavo) = kom je | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | לֵוִ֣י (levi) = een Leviet | אָנֹ֗כִי (anokhi) = ik | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit Bet | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = Lechem | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = en ik | הֹלֵ֔ךְ (holekh) = ben gaande | לָג֖וּר (lagur) = om te verblijven | בַּאֲשֶׁ֥ר (baasher) = waar | אֶמְצָֽא (emtsa) = ik zal vinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. **17:10** Micha zei tegen hem: „Blijf bij mij. Wees voor mij een vader en een priester. Dan geef ik jou tien zilverstukken per jaar, een stel kleren en je levensonderhoud.” De Leviet ging. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | ל֨וֹ (lo) = tot hem | מִיכָ֜ה (mikha) = Micha | שְׁבָ֣ה (sheva) = blijf | עִמָּדִ֗י (imadi) = bij mij | וֶֽהְיֵה (vehye) = en wees | לִי֮ (li) = voor mij | לְאָ֣ב (leav) = tot vader | וּלְכֹהֵן֒ (ulekhohen) = en tot priester | וְאָנֹכִ֨י (veanokhi) = en ik | אֶֽתֶּן (eten) = zal geven | לְךָ֜ (lekha) = aan jou | עֲשֶׂ֤רֶת (aseret) = tien van | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | לַיָּמִ֔ים (layamim) = per jaar | וְעֵ֥רֶךְ (veerekh) = en een stel | בְּגָדִ֖ים (begadim) = kleren | וּמִחְיָתֶ֑ךָ (umichyatekha) = en je levensonderhoud | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | הַלֵּוִֽי (halevi) = de Leviet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַיָּמִים (layamim), ‘per jaar’: letterlijk ‘voor de dagen’, hier jaarlijks. Het Hebreeuws noemt bij ‘tien’ geen maat; wij vullen ‘zilverstukken’ aan (zie vers 2). Voetnoot : עֵרֶךְ בְּגָדִים (erekh begadim), ‘een stel kleren’. Voetnoot : מִחְיָה (michyah), ‘levensonderhoud’: wat je nodig hebt om te leven. Voetnoot Lezing: Er staat alleen ‘en de Leviet ging’. Wij laten het zo staan. Het betekent dat hij op het aanbod inging; vers 11 zegt dat hij instemde om te blijven. Zie ook: Gen 45:8; Re 17:2; Re 17:11; 1 Sam 2:36; Mat 26:15; Joh 12:6; 1 Petr 5:2 **17:11** De Leviet stemde erin toe om bij de man te blijven. De jongen werd voor hem als een van zijn zonen. Brontekst: וַיּ֥וֹאֶל (vayoel) = en stemde toe | הַלֵּוִ֖י (halevi) = de Leviet | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te blijven | אֶת (et) = met | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | וַיְהִ֤י (vayhi) = en werd | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | ל֔וֹ (lo) = voor hem | כְּאַחַ֖ד (keachad) = als een | מִבָּנָֽיו (mibanav) = van zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:12** Micha wijdde de Leviet in. De jongen werd zijn priester en bleef in het huis van Micha. Brontekst: וַיְמַלֵּ֤א (vaymale) = en vulde | מִיכָה֙ (mikha) = Micha | אֶת (et) = (obj.) | יַ֣ד (yad) = de hand van | הַלֵּוִ֔י (halevi) = de Leviet | וַיְהִי (vayhi) = en werd | ל֥וֹ (lo) = voor hem | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | לְכֹהֵ֑ן (lekhohen) = tot priester | וַיְהִ֖י (vayhi) = en hij was | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | מִיכָֽה (mikha) = Micha Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Micha wijdt hier een Leviet in. Zie de Uitleg bij vers 5 en Num. 3:5–10. Zie ook: Num 3:5–10; Num 16:5; Num 16:8–10; Re 17:5; Re 18:30; 1 Kon 12:31; 1 Kon 13:33–34 **17:13** Micha zei: „Nu weet ik dat Yahweh mij goed zal doen, want de Leviet is mijn priester geworden.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | מִיכָ֔ה (mikha) = Micha | עַתָּ֣ה (ata) = nu | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = weet ik | כִּֽי (ki) = dat | יֵיטִ֥יב (yeitiv) = goed zal doen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִ֑י (li) = aan mij | כִּ֧י (ki) = want | הָיָה (haya) = is geworden | לִ֛י (li) = voor mij | הַלֵּוִ֖י (halevi) = de Leviet | לְכֹהֵֽן (lekhohen) = tot priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 14:12; Mat 15:13; Joh 16:2; Hand 26:9; Rom 10:2–3 ## Richteren 18 _De Danieten nemen Micha’s beeld en priester mee naar Lais_ ### De stam Dan zoekt een erfdeel **18:1** In die dagen was er geen koning in Israël. In die dagen zocht de stam van de Danieten een erfdeel om in te wonen. Want tot die dag was hun onder de stammen van Israël nog geen erfdeel toegevallen. Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | אֵ֥ין (ein) = niet was | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | וּבַיָּמִ֣ים (uvayamim) = en in de dagen | הָהֵ֗ם (hahem) = die | שֵׁ֣בֶט (shevet) = de stam van | הַדָּנִ֞י (hadani) = de Daniet | מְבַקֶּשׁ (mevaqesh) = zocht | ל֤וֹ (lo) = voor zich | נַֽחֲלָה֙ (nachala) = een erfdeel | לָשֶׁ֔בֶת (lashevet) = om te wonen | כִּי֩ (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | נָ֨פְלָה (nafela) = was gevallen | לּ֜וֹ (lo) = aan hem | עַד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַה֛וּא (hahu) = die | בְּתוֹךְ (betokh) = te midden van | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = de stammen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּנַחֲלָֽה (benachala) = als erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het erfdeel van Dan was door het lot al aan hem toegewezen (Joz. 19:40–48), maar de stam kon het niet innemen: de Amorieten drongen de zonen van Dan terug het bergland in (Richt. 1:34). Daarom zoeken zij nu een ander gebied. Voetnoot Uitleg: Dit is de tweede keer dat het refrein ‘In die dagen was er geen koning in Israël’ voorkomt (zie de Uitleg bij 17:6). Hier staat alleen de eerste helft, en de zin loopt door. Zie ook: Joz 19:40–48; Re 1:34; Re 17:6; Re 19:1; Re 21:25 ### De vijf verkenners bij het huis van Micha **18:2** De zonen van Dan stuurden vijf mannen uit hun geslacht weg. Het waren dappere mannen uit hun hele aantal, uit Tsora en Estaol. Zij moesten het land verkennen en onderzoeken. Zij zeiden tegen hen: „Ga, onderzoek het land.” Zij kwamen in het bergland van Efraïm, bij het huis van Micha, en overnachtten daar. Brontekst: וַיִּשְׁלְח֣וּ (vayishlechu) = en zonden | בְנֵי (benei) = de zonen van | דָ֣ן (dan) = Dan | מִֽמִּשְׁפַּחְתָּ֡ם (mimishpachtam) = uit hun geslacht | חֲמִשָּׁ֣ה (chamisha) = vijf | אֲנָשִׁ֣ים (anashim) = mannen | מִקְצוֹתָם֩ (miqtsotam) = uit hun uiteinden | אֲנָשִׁ֨ים (anashim) = mannen | בְּנֵי (benei) = zonen van | חַ֜יִל (chayil) = kracht | מִצָּרְעָ֣ה (mitsarea) = uit Tsora | וּמֵֽאֶשְׁתָּאֹ֗ל (umeeshtaol) = en uit Estaol | לְרַגֵּ֤ל (leragel) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | וּלְחָקְרָ֔הּ (ulechaqerah) = en om het te onderzoeken | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | לְכ֖וּ (lekhu) = gaat | חִקְר֣וּ (chiqru) = onderzoekt | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיָּבֹ֤אוּ (vayavou) = en zij kwamen | הַר (har) = het bergland van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | עַד (ad) = tot | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מִיכָ֔ה (mikha) = Micha | וַיָּלִ֖ינוּ (vayalinu) = en overnachtten | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tsora en Estaol liggen in de Sefela, ten westen van Jeruzalem in het huidige Israël. Tsora ligt waarschijnlijk bij Tel Zor’a (Sar’a), Estaol bij Eshwa (Estaol); beide zijn waarschijnlijk, niet zeker. Dit is het gebied van Dan zoals Simson het kent (Richt. 13:25). Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: מִקְצוֹתָם (miqtsotam), ‘uit hun uiteinden’: de mannen zijn gekozen uit het hele volk van Dan. Wij vertalen ‘uit hun hele aantal’. Het kan ook betekenen ‘uit heel hun gebied’. Voetnoot : בְּנֵי חַיִל (bene chayil), ‘zonen van kracht’: dappere, sterke mannen. Zie ook: Num 13:17; Joz 2:1; Re 13:25; Re 18:8; Re 18:11 **18:3** Toen zij bij het huis van Micha waren, herkenden zij de stem van de jongen, de Leviet. Zij gingen daarheen en zeiden tegen hem: „Wie heeft jou hierheen gebracht? Wat doe je hier? Wat heb je hier?” Brontekst: הֵ֚מָּה (hema) = zij | עִם (im) = bij | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מִיכָ֔ה (mikha) = Micha | וְהֵ֣מָּה (vehema) = en zij | הִכִּ֔ירוּ (hikiru) = herkenden | אֶת (et) = (obj.) | ק֥וֹל (qol) = de stem van | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | הַלֵּוִ֑י (halevi) = de Leviet | וַיָּס֣וּרוּ (vayasuru) = en zij keerden af | שָׁ֗ם (sham) = daar | וַיֹּ֤אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | לוֹ֙ (lo) = tot hem | מִֽי (mi) = wie | הֱבִיאֲךָ֣ (heviakha) = heeft jou gebracht | הֲלֹ֔ם (halom) = hierheen | וּמָֽה (uma) = en wat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | עֹשֶׂ֛ה (ose) = doet | בָּזֶ֖ה (baze) = hierin | וּמַה (uma) = en wat | לְּךָ֥ (lekha) = voor jou | פֹֽה (po) = hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verkenners kennen de stem van de Leviet; hoe, zegt de tekst niet. Misschien kenden zij zijn manier van spreken, misschien hem zelf. Wij laten het open. Zie ook: Gen 27:22; Re 12:6; Jes 22:16; Mat 26:73 **18:4** Hij zei tegen hen: „Zo en zo heeft Micha met mij gedaan. Hij heeft mij gehuurd en ik ben zijn priester geworden.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | כָּזֹ֣ה (kazo) = zo | וְכָזֶ֔ה (vekhaze) = en zo | עָ֥שָׂה (asa) = heeft gedaan | לִ֖י (li) = voor mij | מִיכָ֑ה (mikha) = Micha | וַיִּשְׂכְּרֵ֕נִי (vayiskereni) = en hij huurde mij | וָאֱהִי (vaehi) = en ik werd | ל֖וֹ (lo) = voor hem | לְכֹהֵֽן (lekhohen) = tot priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 17:10; Re 17:12; Ezech 13:19; Joh 10:12–13; Hand 8:18–21 **18:5** Zij zeiden tegen hem: „Raadpleeg toch Elohim. Dan weten wij of de reis zal slagen waarop wij gaan.” Brontekst: וַיֹּ֥אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | ל֖וֹ (lo) = tot hem | שְׁאַל (sheal) = vraag | נָ֣א (na) = toch | בֵאלֹהִ֑ים (bElohim) = bij Elohim | וְנֵ֣דְעָ֔ה (venedea) = en laten wij weten | הֲתַצְלִ֣יחַ (hatatsliach) = zal slagen | דַּרְכֵּ֔נוּ (darkenu) = onze weg | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֲנַ֖חְנוּ (anachnu) = wij | הֹלְכִ֥ים (holekhim) = gaande zijn | עָלֶֽיהָ (aleiha) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁאַל בֵּאלֹהִים (shaal be-Elohim), ‘Elohim raadplegen’: een vraag voorleggen om antwoord te krijgen. Zie ook: Re 18:14; 1 Kon 22:5; Hos 4:12; Jes 30:1; Hand 8:10 **18:6** De priester zei tegen hen: „Ga in vrede. De weg waarop jullie gaan, ligt voor het aangezicht van Yahweh.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֛ם (lahem) = tot hen | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | לְכ֣וּ (lekhu) = gaat | לְשָׁל֑וֹם (leshalom) = in vrede | נֹ֣כַח (nokhach) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | דַּרְכְּכֶ֖ם (darkekhem) = jullie weg | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תֵּֽלְכוּ (telekhu) = jullie gaan | בָֽהּ (bah) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹכַח (nochach), ‘tegenover, voor het aangezicht van’. De priester zegt niet dat Yahweh de reis goedkeurt, alleen dat die ‘voor het aangezicht van Yahweh’ ligt. Wij vertalen zoals het staat. Zie ook: Deut 11:12; 1 Kon 22:6; 1 Kon 22:15; Jer 23:32; 1 Tess 3:11 ### De verkenners zien Lais **18:7** De vijf mannen gingen verder en kwamen in Lais. Zij zagen het volk dat daar woonde. Het woonde veilig, op de manier van de Sidoniërs, rustig en zeker. In het land was niemand die hen in iets te schande maakte, niemand die macht had om hen tegen te houden. Zij woonden ver van de Sidoniërs en hadden met niemand iets te maken. Brontekst: וַיֵּלְכוּ֙ (vayelekhu) = en gingen | חֲמֵ֣שֶׁת (chameshet) = de vijf | הָאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en kwamen | לָ֑יְשָׁה (layesha) = naar Lais | וַיִּרְא֣וּ (vayiru) = en zagen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | בְּקִרְבָּ֣הּ (beqirbah) = in haar midden | יוֹשֶֽׁבֶת (yoshevet) = woonde | לָ֠בֶטַח (lavetach) = in veiligheid | כְּמִשְׁפַּ֨ט (kemishpat) = naar de gewoonte van | צִדֹנִ֜ים (tsidonim) = de Sidoniërs | שֹׁקֵ֣ט (shoqet) = rustig | וּבֹטֵ֗חַ (uvoteach) = en zeker | וְאֵין (veein) = en niet was | מַכְלִ֨ים (makhlim) = iemand die beschaamt | דָּבָ֤ר (davar) = iets | בָּאָ֨רֶץ֙ (baarets) = in het land | יוֹרֵ֣שׁ (yoresh) = bezitter van | עֶ֔צֶר (etser) = beteugeling | וּרְחֹקִ֥ים (urechoqim) = en ver | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | מִצִּ֣דֹנִ֔ים (mitsidonim) = van de Sidoniërs | וְדָבָ֥ר (vedavar) = en een zaak | אֵין (ein) = niet | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | עִם (im) = met | אָדָֽם (adam) = een mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Lais ligt in het uiterste noorden van het land, aan de voet van de Hermon, bij Tel Dan in het noorden van Israël. De ligging is zeker. Lais heet ook Leshem (Joz. 19:47). Sidon ligt aan de kust van Libanon. Voetnoot Uitleg: בֶּטַח (betach), ‘veilig’: zonder angst voor aanvallen. Voetnoot Lezing: Het einde van het vers is moeilijk. יוֹרֵשׁ עֹצֶר (yoresh otser), letterlijk ‘een bezitter van beteugeling’: iemand met macht om hen tegen te houden. Wij vertalen zo, maar zeker is het niet. מַכְלִים דָּבָר (makhlim davar) vertalen wij als ‘in iets te schande maken’. Voetnoot : De laatste woorden zijn עִם אָדָם (im adam), ‘met een mens’. Bij één letter verschil leest het ‘met Aram’ (עִם אֲרָם); dan woonden zij ook ver van Syrië. Wij volgen de gelezen tekst; zie ook vers 28. Zie ook: Joz 19:47; Re 18:27–28; Re 18:28; 1 Sam 3:13; Rom 13:3; 1 Petr 2:14 **18:8** Zij kwamen terug bij hun broeders in Tsora en Estaol. Hun broeders zeiden tegen hen: „Wat hebben jullie te melden?” Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = tot | אֲחֵיהֶ֔ם (acheihem) = hun broeders | צָרְעָ֖ה (tsarea) = Tsora | וְאֶשְׁתָּאֹ֑ל (veeshtaol) = en Estaol | וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | לָהֶ֛ם (lahem) = tot hen | אֲחֵיהֶ֖ם (acheihem) = hun broeders | מָ֥ה (ma) = wat | אַתֶּֽם (atem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tsora en Estaol: zie vers 2. Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Zie ook: Re 13:2; Re 16:31; Re 18:2; Re 18:11 **18:9** Zij zeiden: „Sta op, laten wij tegen hen optrekken. Want wij hebben het land gezien en zie, het is zeer goed. En jullie zitten stil. Wees niet traag om te gaan, om binnen te komen en het land in bezit te nemen. Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zeiden | ק֚וּמָה (quma) = sta op | וְנַעֲלֶ֣ה (venaale) = en laten wij optrekken | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | כִּ֤י (ki) = want | רָאִ֨ינוּ֙ (rainu) = wij hebben gezien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | טוֹבָ֖ה (tova) = goed | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וְאַתֶּ֣ם (veatem) = en jullie | מַחְשִׁ֔ים (machshim) = blijven stil | אַל (al) = niet | תֵּעָ֣צְל֔וּ (teatselu) = wees traag | לָלֶ֥כֶת (lalekhet) = om te gaan | לָבֹ֖א (lavo) = om binnen te komen | לָרֶ֥שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het begin van de woorden van de verkenners; hun toespraak loopt door tot vers 10. Zie ook: Num 13:30; Joz 2:23–24; Joz 18:3; Re 18:10; 1 Sam 4:9; Joh 6:27 **18:10** Als jullie komen, komen jullie bij een volk dat zich veilig voelt. Het land is wijd. Want Elohim heeft het in jullie hand gegeven. Het is een plaats waar niets ontbreekt van alles wat het land heeft.” Brontekst: כְּבֹאֲכֶ֞ם (kevoakhem) = bij jullie komen | תָּבֹ֣אוּ (tavou) = jullie zullen komen | אֶל (el) = naar | עַ֣ם (am) = een volk | בֹּטֵ֗חַ (boteach) = veilig | וְהָאָ֨רֶץ֙ (vehaarets) = en het land | רַחֲבַ֣ת (rachavat) = wijd van | יָדַ֔יִם (yadayim) = handen | כִּֽי (ki) = want | נְתָנָ֥הּ (netanah) = heeft gegeven | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בְּיֶדְכֶ֑ם (beyedkhem) = in jullie hand | מָקוֹם֙ (maqom) = een plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | אֵֽין (ein) = niet is | שָׁ֣ם (sham) = daar | מַחְס֔וֹר (machsor) = gebrek | כָּל (kal) = alles | דָּבָ֖ר (davar) = ding | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַחֲבַת יָדַיִם (rachavat yadayim), ‘wijd van handen’: een ruim land, waar plaats genoeg is. Voetnoot : מַחְסוֹר (machsor), ‘gebrek’. Het land is zo rijk dat er niets ontbreekt. Zie ook: Ex 3:8; Re 18:7; Re 18:27; Ezech 20:6; 1 Tim 6:17 ### De 600 mannen van Dan trekken op **18:11** Vandaar braken 600 man op uit het geslacht van de Danieten, uit Tsora en Estaol, omgord met oorlogswapens. Brontekst: וַיִּסְע֤וּ (vayisu) = en braken op | מִשָּׁם֙ (misham) = vandaar | מִמִּשְׁפַּ֣חַת (mimishpachat) = uit het geslacht van | הַדָּנִ֔י (hadani) = de Daniet | מִצָּרְעָ֖ה (mitsarea) = uit Tsora | וּמֵאֶשְׁתָּאֹ֑ל (umeeshtaol) = en uit Estaol | שֵֽׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אִ֔ישׁ (ish) = man | חָג֖וּר (chagur) = omgord | כְּלֵ֥י (kelei) = wapens van | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Zie Estaol: Estaol wordt gezocht bij Eshwa, in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. Zie ook: Re 18:16 **18:12** Zij trokken op en legerden zich bij Kirjat-Jearim in Juda. Daarom noemt men die plaats tot op deze dag Machane-Dan. Zie, het ligt achter Kirjat-Jearim. Brontekst: וַֽיַּעֲל֗וּ (vayaalu) = en zij trokken op | וַֽיַּחֲנ֛וּ (vayachanu) = en legerden zich | בְּקִרְיַ֥ת (beqiryat) = bij Kirjat | יְעָרִ֖ים (yearim) = Jearim | בִּֽיהוּדָ֑ה (bihuda) = in Juda | עַל (al) = daarom | כֵּ֡ן (ken) = zo | קָרְאוּ֩ (qareu) = noemden zij | לַמָּק֨וֹם (lamaqom) = die plaats | הַה֜וּא (hahu) = die | מַחֲנֵה (machane) = kamp van | דָ֗ן (dan) = Dan | עַ֚ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | הִנֵּ֕ה (hine) = zie | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | קִרְיַ֥ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִֽים (yearim) = Jearim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij het huidige Deir el-Azhar, bij Abu Gosh, ongeveer 12 kilometer ten westen van Jeruzalem. De plaats is waarschijnlijk, niet zeker. Machane-Dan (‘kamp van Dan’) is hetzelfde Machane-Dan als in Richt. 13:25, tussen Tsora en Estaol. De ligging ervan is onzeker. Voetnoot Uitleg: Het ‘kamp van Dan’ ligt dus ‘achter’ (dat is: ten westen van) Kirjat-Jearim, zoals het Hebreeuws zegt. De schrijver noemt het ‘tot op deze dag’; de naam bestond dus nog toen het boek werd opgeschreven. Zie ook: Joz 15:60; Re 13:25; 1 Sam 7:1; 1 Kron 13:5–6; 2 Kron 1:4 **18:13** Vandaar trokken zij door het bergland van Efraïm en kwamen bij het huis van Micha. Brontekst: וַיַּעַבְר֥וּ (vayaavru) = en trokken door | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | הַר (har) = het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en kwamen | עַד (ad) = tot | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | מִיכָֽה (mikha) = Micha Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie ook: Joz 24:30; Joz 24:33; Re 17:1; Re 18:2–3; Re 19:1 ### Het beeld en de priester worden meegenomen **18:14** De vijf mannen die het land Lais hadden verkend, antwoordden en zeiden tegen hun broeders: „Weten jullie dat er in deze huizen een efod is, huisgoden, een gesneden beeld en een gegoten beeld? Nu moeten jullie bedenken wat jullie gaan doen.” Brontekst: וַֽיַּעֲנ֞וּ (vayaanu) = en antwoordden | חֲמֵ֣שֶׁת (chameshet) = de vijf | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | הַהֹלְכִים֮ (haholekhim) = die gingen | לְרַגֵּל֮ (leragel) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | לַיִשׁ֒ (layish) = Lais | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | אֲחֵיהֶ֔ם (acheihem) = hun broeders | הַיְדַעְתֶּ֗ם (haydatem) = weten jullie | כִּ֠י (ki) = dat | יֵ֣שׁ (yesh) = er is | בַּבָּתִּ֤ים (babatim) = in deze huizen | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | אֵפ֣וֹד (efod) = een efod | וּתְרָפִ֔ים (uterafim) = en huisgoden | וּפֶ֖סֶל (ufesel) = en een gesneden beeld | וּמַסֵּכָ֑ה (umasekha) = en een gegoten beeld | וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | דְּע֥וּ (deu) = weet | מַֽה (ma) = wat | תַּעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan). Voetnoot Uitleg: Efod, huisgoden, gesneden beeld en gegoten beeld: zie de Uitleg bij 17:3 en 17:5. Zie ook: Re 17:5; Re 18:3–4; 1 Sam 14:28; Spr 19:27; Jes 8:19–20 **18:15** Zij gingen daarheen en kwamen bij het huis van de jongen, de Leviet, het huis van Micha. Zij vroegen hem hoe het met hem ging. Brontekst: וַיָּס֣וּרוּ (vayasuru) = en zij keerden af | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | וַיָּבֹ֛אוּ (vayavou) = en kwamen | אֶל (el) = tot | בֵּֽית (beit) = het huis van | הַנַּ֥עַר (hanaar) = de jongen | הַלֵּוִ֖י (halevi) = de Leviet | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מִיכָ֑ה (mikha) = Micha | וַיִּשְׁאֲלוּ (vayishalu) = en vroegen | ל֖וֹ (lo) = hem | לְשָׁלֽוֹם (leshalom) = naar vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 37:14; Gen 43:27; 1 Sam 17:22; Mat 10:12–13; Joh 14:27 **18:16** De 600 man, omgord met hun oorlogswapens, stonden bij de ingang van de poort. Het waren zonen van Dan. Brontekst: וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אִ֗ישׁ (ish) = man | חֲגוּרִים֙ (chagurim) = omgord | כְּלֵ֣י (kelei) = wapens van | מִלְחַמְתָּ֔ם (milchamtam) = hun oorlog | נִצָּבִ֖ים (nitsavim) = staande | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | הַשָּׁ֑עַר (hashaar) = de poort | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | מִבְּנֵי (mibenei) = van de zonen van | דָֽן (dan) = Dan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 18:11 **18:17** De vijf mannen die het land hadden verkend, gingen naar binnen. Zij namen het gesneden beeld, de efod, de huisgoden en het gegoten beeld. De priester stond bij de ingang van de poort, samen met de 600 man die met oorlogswapens waren omgord. Brontekst: וַֽיַּעֲל֞וּ (vayaalu) = en trokken op | חֲמֵ֣שֶׁת (chameshet) = de vijf | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | הַהֹלְכִים֮ (haholekhim) = die gingen | לְרַגֵּ֣ל (leragel) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָרֶץ֒ (haarets) = het land | בָּ֣אוּ (bau) = zij kwamen | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | לָקְח֗וּ (laqechu) = zij namen | אֶת (et) = (obj.) | הַפֶּ֨סֶל֙ (hapesel) = het gesneden beeld | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָ֣אֵפ֔וֹד (haefod) = de efod | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתְּרָפִ֖ים (haterafim) = de huisgoden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּסֵּכָ֑ה (hamasekha) = het gegoten beeld | וְהַכֹּהֵ֗ן (vehakohen) = en de priester | נִצָּב֙ (nitsav) = stond | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | הֶחָג֖וּר (hechagur) = de omgorde | כְּלֵ֥י (kelei) = wapens van | הַמִּלְחָמָֽה (hamilchama) = de oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verkenners nemen de vier voorwerpen uit het huis van Micha terwijl de priester met de 600 man bij de poort staat. Het Hebreeuws zegt niet dat de priester hen hielp. Pas vers 20 zegt dat hij blij werd. Zie ook: Re 17:4–5; Re 18:2; Re 18:14; Re 18:20; 2 Kon 19:18–19; Jes 46:7 **18:18** Toen zij in het huis van Micha kwamen, namen zij het beeld van de efod, de huisgoden en het gegoten beeld. De priester zei tegen hen: „Wat doen jullie?” Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dezen | בָּ֚אוּ (bau) = kwamen | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מִיכָ֔ה (mikha) = Micha | וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en namen | אֶת (et) = (obj.) | פֶּ֣סֶל (pesel) = het beeld van | הָאֵפ֔וֹד (haefod) = de efod | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתְּרָפִ֖ים (haterafim) = de huisgoden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּסֵּכָ֑ה (hamasekha) = het gegoten beeld | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | מָ֥ה (ma) = wat | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | עֹשִֽׂים (osim) = doende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּסֶל הָאֵפוֹד (pesel ha’efod), ‘het beeld van de efod’: in vers 17 en 20 staan het gesneden beeld en de efod los van elkaar. Hier staan ze in één uitdrukking. Wij vertalen letterlijk en laten de verhouding tussen beide open. Zie ook: Re 18:17; Re 18:20 **18:19** Zij zeiden tegen hem: „Zwijg! Leg je hand op je mond en ga met ons mee. Wees voor ons een vader en een priester. Is het beter dat je priester bent voor het huis van één man, of dat je priester bent voor een stam en een geslacht in Israël?” Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֩ (vayomru) = en zeiden | ל֨וֹ (lo) = tot hem | הַחֲרֵ֜שׁ (hacharesh) = zwijg | שִֽׂים (sim) = leg | יָדְךָ֤ (yadekha) = je hand | עַל (al) = op | פִּ֨יךָ֙ (pikha) = je mond | וְלֵ֣ךְ (velekh) = en ga | עִמָּ֔נוּ (imanu) = met ons | וֶֽהְיֵה (vehye) = en wees | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | לְאָ֣ב (leav) = tot vader | וּלְכֹהֵ֑ן (ulekhohen) = en tot priester | הֲט֣וֹב (hatov) = is het beter | הֱיוֹתְךָ֣ (heyotekha) = dat je bent | כֹהֵ֗ן (kohen) = priester | לְבֵית֙ (leveit) = voor het huis van | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶחָ֔ד (echad) = één | א֚וֹ (o) = of | הֱיוֹתְךָ֣ (heyotekha) = dat je bent | כֹהֵ֔ן (kohen) = priester | לְשֵׁ֥בֶט (leshevet) = voor een stam | וּלְמִשְׁפָּחָ֖ה (ulemishpacha) = en voor een geslacht | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:5; Job 29:9; Re 17:10; Spr 30:32; Mi 7:16 **18:20** Het hart van de priester was blij. Hij nam de efod, de huisgoden en het gesneden beeld en ging midden onder het volk. Brontekst: וַיִּיטַב֙ (vayitav) = en was goed | לֵ֣ב (lev) = het hart van | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֵפ֔וֹד (haefod) = de efod | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתְּרָפִ֖ים (haterafim) = de huisgoden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַפָּ֑סֶל (hapasel) = het gesneden beeld | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en kwam | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּיטַב לֵב הַכֹּהֵן (vayitav lev hakohen), ‘het hart van de priester werd goed’: hij was tevreden en blij met het aanbod. Zie ook: Spr 30:15; Jes 56:11; Ezech 13:19; Hand 20:33; Fil 3:19 **18:21** Zij keerden zich om en vertrokken. Zij zetten de kleine kinderen, het vee en de kostbaarheden voor zich uit. Brontekst: וַיִּפְנ֖וּ (vayifnu) = en zij keerden zich | וַיֵּלֵ֑כוּ (vayelekhu) = en gingen | וַיָּשִׂ֨ימוּ (vayasimu) = en zetten | אֶת (et) = (obj.) | הַטַּ֧ף (hataf) = de kleine kinderen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּקְנֶ֛ה (hamiqne) = het vee | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכְּבוּדָּ֖ה (hakevuda) = de kostbaarheden | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכְּבוּדָּה (hakevuddah), ‘de kostbaarheden’: iets zwaars of waardevols, zoals bezittingen. Wij vertalen ‘kostbaarheden’; zeker is dat niet. ### Micha achtervolgt hen **18:22** Zij waren al ver van het huis van Micha. Toen werden de mannen uit de huizen bij het huis van Micha bijeengeroepen. Zij haalden de zonen van Dan in. Brontekst: הֵ֥מָּה (hema) = zij | הִרְחִ֖יקוּ (hirchiqu) = hadden zich verwijderd | מִבֵּ֣ית (mibeit) = van het huis van | מִיכָ֑ה (mikha) = Micha | וְהָאֲנָשִׁ֗ים (vehaanashim) = en de mannen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בַּבָּתִּים֙ (babatim) = in de huizen | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עִם (im) = bij | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מִיכָ֔ה (mikha) = Micha | נִֽזְעֲק֔וּ (nizaqu) = werden bijeengeroepen | וַיַּדְבִּ֖יקוּ (vayadbiqu) = en haalden in | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵי (benei) = de zonen van | דָֽן (dan) = Dan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִזְעֲקוּ (nizaqu), ‘zij werden bijeengeroepen’: iemand riep om hulp en de mannen kwamen. Het woord hangt samen met zaaq, ‘een noodkreet slaken’. **18:23** Zij riepen naar de zonen van Dan. Die draaiden zich om en zeiden tegen Micha: „Wat is er met je, dat je zo bent samengeroepen?” Brontekst: וַֽיִּקְרְאוּ֙ (vayiqreu) = en riepen | אֶל (el) = tot | בְּנֵי (benei) = de zonen van | דָ֔ן (dan) = Dan | וַיַּסֵּ֖בּוּ (vayasebu) = en zij keerden | פְּנֵיהֶ֑ם (peneihem) = hun gezichten | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | לְמִיכָ֔ה (lemikha) = tot Micha | מַה (ma) = wat | לְּךָ֖ (lekha) = voor jou | כִּ֥י (ki) = dat | נִזְעָֽקְתָּ (nizaqta) = je bent bijeengeroepen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 21:17; 1 Sam 11:5; Ps 114:5; 2 Kon 6:28; Jes 22:1 **18:24** Hij zei: „Mijn goden, die ik heb gemaakt, hebben jullie genomen, en de priester ook. Jullie zijn weggegaan. Wat heb ik nog? Hoe kunnen jullie dan tegen mij zeggen: ‘Wat is er met jou?’” Brontekst: וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהַי֩ (elohay) = mijn goden | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשִׂ֨יתִי (asiti) = ik heb gemaakt | לְקַחְתֶּ֧ם (leqachtem) = jullie hebben ze genomen | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | וַתֵּלְכ֖וּ (vatelekhu) = en jullie zijn gegaan | וּמַה (uma) = en wat | לִּ֣י (li) = voor mij | ע֑וֹד (od) = nog | וּמַה (uma) = en wat | זֶּ֛ה (ze) = dit | תֹּאמְר֥וּ (tomru) = jullie zeggen | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | מַה (ma) = wat | לָּֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהַי (elohai), ‘mijn goden’: Micha noemt zijn beelden zijn goden. Het is dezelfde vorm als Laban in Gen. 31:30 gebruikt voor zijn huisgoden. Zie ook: Gen 31:30; Ps 115:8; Jes 44:18–20; Jer 51:17; Hab 2:18–19; Ezech 23:5 **18:25** De zonen van Dan zeiden tegen hem: „Laat je stem niet bij ons horen. Anders vallen verbitterde mannen jullie aan, en dan verlies je je leven en het leven van je huis.” Brontekst: וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | בְּנֵי (benei) = de zonen van | דָ֔ן (dan) = Dan | אַל (al) = niet | תַּשְׁמַ֥ע (tashma) = laat horen | קוֹלְךָ֖ (qolekha) = je stem | עִמָּ֑נוּ (imanu) = bij ons | פֶּֽן (pen) = opdat niet | יִפְגְּע֣וּ (yifgeu) = zij vallen aan | בָכֶ֗ם (bakhem) = jullie | אֲנָשִׁים֙ (anashim) = mannen | מָ֣רֵי (marei) = bitter van | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = ziel | וְאָסַפְתָּ֥ה (veasafta) = en je verliest | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = je leven | וְנֶ֥פֶשׁ (venefesh) = en het leven van | בֵּיתֶֽךָ (beitekha) = je huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָרֵי נֶפֶשׁ (mare nefesh), ‘bitter van ziel’: mannen die verbitterd zijn. Wij vertalen ‘verbitterde mannen’. Voetnoot : וְאָסַפְתָּה נַפְשְׁךָ (ve’asafta nafshekha), ‘en je neemt je leven weg’: dat wil zeggen dat hij zijn leven kwijtraakt. Zie ook: Job 3:5; Job 27:2; 1 Sam 30:6; 2 Sam 17:8 **18:26** De zonen van Dan gingen hun weg. Micha zag dat zij sterker waren dan hij. Hij keerde zich om en ging terug naar zijn huis. Brontekst: וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en gingen | בְנֵי (benei) = de zonen van | דָ֖ן (dan) = Dan | לְדַרְכָּ֑ם (ledarkam) = hun weg | וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | מִיכָ֗ה (mikha) = Micha | כִּי (ki) = dat | חֲזָקִ֥ים (chazaqim) = sterker | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = dan hij | וַיִּ֖פֶן (vayifen) = en keerde zich | וַיָּ֥שָׁב (vayashav) = en ging terug | אֶל (el) = naar | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Lais wordt veroverd en Dan genoemd **18:27** Zij namen wat Micha had gemaakt, en de priester die hij had. Zij kwamen bij Lais, bij een rustig en zeker volk. Zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard en verbrandden de stad met vuur. Brontekst: וְהֵ֨מָּה (vehema) = en zij | לָקְח֜וּ (laqechu) = namen | אֵ֧ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֣ה (asa) = had gemaakt | מִיכָ֗ה (mikha) = Micha | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הַכֹּהֵן֮ (hakohen) = de priester | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָיָה (haya) = was | לוֹ֒ (lo) = voor hem | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עַל (al) = tegen | לַ֗יִשׁ (layish) = Lais | עַל (al) = tegen | עַם֙ (am) = een volk | שֹׁקֵ֣ט (shoqet) = rustig | וּבֹטֵ֔חַ (uvoteach) = en zeker | וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en sloegen | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | שָׂרְפ֥וּ (sarefu) = verbrandden zij | בָאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan). Voetnoot Uitleg: Wat Micha had gemaakt: het gesneden beeld, de efod, de huisgoden en het gegoten beeld van vers 17–18. Zie ook: Deut 33:22; Joz 11:11; Joz 19:47; Re 18:7; Re 18:10; Re 18:17–18 **18:28** Er was niemand die hen redde, want de stad lag ver van Sidon. Zij hadden met niemand iets te maken. De stad lag in het dal dat bij Bet-Rechob hoort. Zij bouwden de stad op en gingen er wonen. Brontekst: וְאֵ֨ין (veein) = en niet is | מַצִּ֜יל (matsil) = redder | כִּ֧י (ki) = want | רְֽחוֹקָה (rechoqa) = ver | הִ֣יא (hi) = zij | מִצִּיד֗וֹן (mitsidon) = van Sidon | וְדָבָ֤ר (vedavar) = en een zaak | אֵין (ein) = niet | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | עִם (im) = met | אָדָ֔ם (adam) = een mens | וְהִ֕יא (vehi) = en zij | בָּעֵ֖מֶק (baemeq) = in het dal | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לְבֵית (leveit) = bij het huis van | רְח֑וֹב (rechov) = Rechob | וַיִּבְנ֥וּ (vayivnu) = en bouwden | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | וַיֵּ֥שְׁבוּ (vayeshevu) = en woonden | בָֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sidon: zie vers 7. Bet-Rechob ligt in het noorden van het huidige Israël of het zuiden van Libanon, in de buurt van Lais. De ligging is onzeker (zie ook Num. 13:21). Voetnoot Lezing: Ook hier staat ‘met een mens’ (im adam); zie de Lezing bij vers 7. Zie ook: Num 13:21; Joz 11:8; Re 18:7; 2 Sam 10:6; Ps 7:3 **18:29** Zij noemden de stad Dan, naar de naam van Dan, hun vader, die aan Israël was geboren. Maar eerst was Lais de naam van de stad. Brontekst: וַיִּקְרְא֤וּ (vayiqreu) = en zij noemden | שֵׁם (shem) = naam van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | דָּ֔ן (dan) = Dan | בְּשֵׁם֙ (beshem) = naar de naam van | דָּ֣ן (dan) = Dan | אֲבִיהֶ֔ם (avihem) = hun vader | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יוּלַּ֖ד (yulad) = werd geboren | לְיִשְׂרָאֵ֑ל (leyisrael) = aan Israël | וְאוּלָ֛ם (veulam) = maar | לַ֥יִשׁ (layish) = Lais | שֵׁם (shem) = naam van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | לָרִאשֹׁנָֽה (larishona) = eerst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dan is de nieuwe naam van Lais, het huidige Tel Dan in het noorden van Israël. Deze Dan is de zoon van Jakob, geboren aan Bilha (Gen. 30:6). Zie ook: Gen 14:14; Gen 30:6; Joz 19:47; Re 20:1; 1 Kon 12:29–30; 1 Kon 15:20 **18:30** De zonen van Dan richtten voor zich het gesneden beeld op. Jonatan was de zoon van Gersom, de zoon van Manasse. Hij en zijn zonen waren priesters voor de stam van de Danieten, tot de dag van de ballingschap van het land. Brontekst: וַיָּקִ֧ימוּ (vayaqimu) = en zetten op | לָהֶ֛ם (lahem) = voor zich | בְּנֵי (benei) = de zonen van | דָ֖ן (dan) = Dan | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֑סֶל (hapasel) = het gesneden beeld | וִ֠יהוֹנָתָן (vihonatan) = en Jonatan | בֶּן (ben) = zoon van | גֵּרְשֹׁ֨ם (gereshom) = Gersom | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּׁ֜ה (menashe) = Manasse | ה֣וּא (hu) = hij | וּבָנָ֗יו (uvanav) = en zijn zonen | הָי֤וּ (hayu) = waren | כֹהֲנִים֙ (kohanim) = priesters | לְשֵׁ֣בֶט (leshevet) = voor de stam van | הַדָּנִ֔י (hadani) = de Daniet | עַד (ad) = tot | י֖וֹם (yom) = dag van | גְּל֥וֹת (gelot) = ballingschap van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּלוּת הָאָרֶץ (galut ha’arets), ‘de ballingschap van het land’: het gaat om een wegvoering uit het land. Welke bedoeld is, zegt de tekst niet. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat bij ‘Manasse’ (מְנַשֶּׁה) een nun (נ) die hoger staat dan de andere letters. Zonder die letter staat er ‘Mozes’ (מֹשֶׁה). Wij vertalen de tekst zoals hij er staat: ‘Manasse’. Valt de nun weg, dan is Jonatan een kleinzoon van Mozes, want Gersom was een zoon van Mozes (Exod. 2:22). Zie ook: Ex 2:22; Re 17:3; Re 17:5; 1 Sam 4:2–3; 1 Sam 4:10–11 **18:31** Zij stelden voor zich het gesneden beeld van Micha op, dat hij had gemaakt. Het stond er al de dagen dat het huis van Elohim in Silo was. Brontekst: וַיָּשִׂ֣ימוּ (vayasimu) = en zij stelden | לָהֶ֔ם (lahem) = voor zich | אֶת (et) = (obj.) | פֶּ֥סֶל (pesel) = beeld van | מִיכָ֖ה (mikha) = Micha | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij had gemaakt | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֛י (yemei) = dagen van | הֱי֥וֹת (heyot) = het zijn van | בֵּית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | בְּשִׁלֹֽה (beshilo) = in Silo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo ligt bij het huidige Khirbet Seilun, ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever. De ligging is zeker. Daar stond de tent van samenkomst (Joz. 18:1). Voetnoot Uitleg: Het huis van Elohim in Silo is het heiligdom van Yahweh. Het gesneden beeld van Micha stond in Dan, terwijl het echte huis van Elohim in Silo stond. Zie ook: Joz 18:1; Re 19:18; 1 Sam 1:3; 1 Sam 4:4; Jer 7:12 ## Richteren 19 _De Leviet en zijn bijvrouw in Gibea_ ### De Leviet en zijn bijvrouw **19:1** In die dagen was er geen koning in Israël. Er was een man, een Leviet, die als vreemdeling woonde in de uithoeken van het bergland van Efraïm. Hij nam een vrouw voor zich, een bijvrouw, uit Betlehem in Juda. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | וּמֶ֖לֶךְ (umelekh) = en koning | אֵ֣ין (ein) = niet is | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | וַיְהִ֣י (vayhi) = en er was | אִ֣ישׁ (ish) = een man | לֵוִ֗י (levi) = een Leviet | גָּ֚ר (gar) = woonde als vreemdeling | בְּיַרְכְּתֵ֣י (beyarketei) = in de uithoeken van | הַר (har) = het bergland van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וַיִּֽקַּֽח (vayiqach) = en nam | לוֹ֙ (lo) = voor zich | אִשָּׁ֣ה (isha) = een vrouw | פִילֶ֔גֶשׁ (pilegesh) = een bijvrouw | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit Bet | לֶ֖חֶם (lechem) = Lechem | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betlehem in Juda: zie de Plaats-voetnoot bij 17:7. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: פִּילֶגֶשׁ (pilegesh), ‘bijvrouw’: een vrouw met een lagere status dan de echtgenote, maar wel in het huis van de man (zie Gen. 25:6; 35:22). Het Hebreeuws noemt haar ook ‘vrouw’ (isha) en haar man ‘haar man’ (ishah). Voetnoot : Dit is het derde refrein ‘In die dagen was er geen koning in Israël’ (zie 17:6 en 18:1). Hier staat alleen de eerste helft. Zie ook: Gen 25:6; Gen 35:22; Re 17:6; Re 17:8; Re 18:1; Re 21:25; Mat 2:6 **19:2** Zijn bijvrouw hoereerde tegen hem. Zij ging bij hem weg naar het huis van haar vader in Betlehem in Juda. Zij bleef daar vier maanden. Brontekst: וַתִּזְנֶ֤ה (vatizne) = en hoereerde | עָלָיו֙ (alav) = tegen hem | פִּֽילַגְשׁ֔וֹ (pilagsho) = zijn bijvrouw | וַתֵּ֤לֶךְ (vatelekh) = en ging weg | מֵֽאִתּוֹ֙ (meito) = van hem | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִ֔יהָ (aviha) = haar vader | אֶל (el) = naar | בֵּ֥ית (beit) = Bet | לֶ֖חֶם (lechem) = Lechem | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַתְּהִי (vatehi) = en zij was | שָׁ֕ם (sham) = daar | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | חֳדָשִֽׁים (chodashim) = maanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: וַתִּזְנֶה (vatizneh), ‘zij hoereerde’: het werkwoord zana betekent ‘hoereren’, dus ontrouw zijn. Wij vertalen zoals het staat. Het Hebreeuws zegt niet met wie. Voetnoot Lezing: Enkele oude vertalingen lijken hier een ander woord te volgen, ‘zij werd boos op hem’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Lev 21:9; Deut 22:21; Ezech 16:28 ### De Leviet in het huis van zijn schoonvader **19:3** Haar man stond op en ging haar achterna. Hij wilde tot haar hart spreken en haar terugbrengen. Zijn jongen was bij hem, met een paar ezels. Zij bracht hem in het huis van haar vader. De vader van de jonge vrouw zag hem en kwam hem verheugd tegemoet. Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en stond op | אִישָׁ֜הּ (ishah) = haar man | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | אַחֲרֶ֗יהָ (achareiha) = achter haar aan | לְדַבֵּ֤ר (ledaber) = om te spreken | עַל (al) = tot | לִבָּהּ֙ (libah) = haar hart | לַהֲשִׁיבָ֔הּ (lahashivah) = om haar terug te brengen | וְנַעֲר֥וֹ (venaaro) = en zijn jongen | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | וְצֶ֣מֶד (vetsemed) = en een paar | חֲמֹרִ֑ים (chamorim) = ezels | וַתְּבִיאֵ֨הוּ֙ (vateviehu) = en zij bracht hem | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִ֔יהָ (aviha) = haar vader | וַיִּרְאֵ֨הוּ֙ (vayirehu) = en zag hem | אֲבִ֣י (avi) = de vader van | הַֽנַּעֲרָ֔ה (hanaara) = de jonge vrouw | וַיִּשְׂמַ֖ח (vayismach) = en hij verheugde zich | לִקְרָאתֽוֹ (liqrato) = hem tegemoet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְדַבֵּר עַל לִבָּהּ (ledabber al libbah), ‘tot haar hart spreken’: vriendelijk en overtuigend tot haar spreken, om haar terug te winnen. Zie ook Gen. 34:3. Voetnoot : נַעֲרָה (na’arah), ‘jonge vrouw’: zo heet de dochter hier steeds. נַעַר (na’ar), ‘jongen’: zo heet de dienaar van de Leviet. Voetnoot : צֶמֶד (tsemed), ‘een paar’: twee dieren die samen horen. Zie ook: Gen 34:3; Gen 50:21; Jer 3:1; Joh 8:11; Gal 6:1 **19:4** Zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, hield hem vast. Hij bleef drie dagen bij hem. Zij aten en dronken en overnachtten daar. Brontekst: וַיֶּחֱזַק (vayechezaq) = en hield vast | בּ֤וֹ (bo) = aan hem | חֹֽתְנוֹ֙ (choteno) = zijn schoonvader | אֲבִ֣י (avi) = de vader van | הַֽנַּעֲרָ֔ה (hanaara) = de jonge vrouw | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij bleef | אִתּ֖וֹ (ito) = bij hem | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וַיֹּאכְלוּ֙ (vayokhlu) = en zij aten | וַיִּשְׁתּ֔וּ (vayishtu) = en dronken | וַיָּלִ֖ינוּ (vayalinu) = en overnachtten | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:5** Op de vierde dag stonden zij ’s morgens vroeg op en hij stond op om te gaan. De vader van de jonge vrouw zei tegen zijn schoonzoon: „Versterk je hart met een stuk brood. Daarna kunnen jullie gaan.” Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הָרְבִיעִ֔י (harevii) = de vierde | וַיַּשְׁכִּ֥ימוּ (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בַבֹּ֖קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | לָלֶ֑כֶת (lalekhet) = om te gaan | וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | אֲבִ֨י (avi) = de vader van | הַֽנַּעֲרָ֜ה (hanaara) = de jonge vrouw | אֶל (el) = tot | חֲתָנ֗וֹ (chatano) = zijn schoonzoon | סְעָ֧ד (sead) = versterk | לִבְּךָ֛ (libekha) = je hart | פַּת (pat) = een stuk | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | וְאַחַ֥ר (veachar) = en daarna | תֵּלֵֽכוּ (telekhu) = gaan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְעַד לִבְּךָ (se’ad libbekha), ‘versterk je hart’: eet iets om op krachten te komen. Zo staat het ook in Gen. 18:5. Voetnoot : In dit hoofdstuk heet de vader van de jonge vrouw vanuit de Leviet ‘zijn schoonvader’ en de Leviet vanuit de vader ‘zijn schoonzoon’. Het Hebreeuws gebruikt voor beide hetzelfde woord, chotan. Zie ook: Gen 18:5; Re 19:8; 1 Kon 13:7; Joh 4:34; Hand 9:19 **19:6** Zij gingen zitten en aten en dronken, die twee samen. De vader van de jonge vrouw zei tegen de man: „Wil toch overnachten en laat je hart goed zijn.” Brontekst: וַיֵּשְׁב֗וּ (vayeshevu) = en zij zaten | וַיֹּאכְל֧וּ (vayokhlu) = en aten | שְׁנֵיהֶ֛ם (sheneihem) = die twee | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | וַיִּשְׁתּ֑וּ (vayishtu) = en dronken | וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en zei | אֲבִ֤י (avi) = de vader van | הַֽנַּעֲרָה֙ (hanaara) = de jonge vrouw | אֶל (el) = tot | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | הֽוֹאֶל (hoel) = wil | נָ֥א (na) = toch | וְלִ֖ין (velin) = en overnacht | וְיִטַ֥ב (veyitav) = en laat goed zijn | לִבֶּֽךָ (libekha) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 16:25; Re 19:9; Ruth 3:7; Ps 104:15; Est 1:10 **19:7** De man stond op om te gaan. Maar zijn schoonvader drong bij hem aan. Toen bleef hij en overnachtte daar. Brontekst: וַיָּ֥קָם (vayaqam) = en stond op | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | לָלֶ֑כֶת (lalekhet) = om te gaan | וַיִּפְצַר (vayiftsar) = en drong aan | בּוֹ֙ (bo) = op hem | חֹתְנ֔וֹ (choteno) = zijn schoonvader | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en hij bleef | וַיָּ֥לֶן (vayalen) = en overnachtte | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:8** Op de vijfde dag stond hij ’s morgens vroeg op om te gaan. De vader van de jonge vrouw zei: „Versterk toch je hart. Draal tot de dag begint te hellen.” Zo aten zij, die twee. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֨ם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | בַּבֹּ֜קֶר (baboqer) = in de morgen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַחֲמִישִׁי֮ (hachamishi) = de vijfde | לָלֶכֶת֒ (lalekhet) = om te gaan | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲבִ֣י (avi) = de vader van | הַֽנַּעֲרָ֗ה (hanaara) = de jonge vrouw | סְעָד (sead) = versterk | נָא֙ (na) = toch | לְבָ֣בְךָ֔ (levavekha) = je hart | וְהִֽתְמַהְמְה֖וּ (vehitmahmehu) = en draal | עַד (ad) = tot | נְט֣וֹת (netot) = het hellen van | הַיּ֑וֹם (hayom) = de dag | וַיֹּאכְל֖וּ (vayokhlu) = en zij aten | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = die twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:9** De man stond op om te gaan, hij, zijn bijvrouw en zijn jongen. Zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zei tegen hem: „Zie toch, de dag helt naar de avond. Overnacht toch. Zie, de dag loopt ten einde. Overnacht hier en laat je hart goed zijn. Morgen staan jullie vroeg op voor jullie reis en dan ga je naar je tent.” Brontekst: וַיָּ֤קָם (vayaqam) = en stond op | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | לָלֶ֔כֶת (lalekhet) = om te gaan | ה֥וּא (hu) = hij | וּפִילַגְשׁ֖וֹ (ufilagsho) = en zijn bijvrouw | וְנַעֲר֑וֹ (venaaro) = en zijn jongen | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֣וֹ (lo) = tot hem | חֹתְנ֣וֹ (choteno) = zijn schoonvader | אֲבִ֣י (avi) = de vader van | הַֽנַּעֲרָ֡ה (hanaara) = de jonge vrouw | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | נָא֩ (na) = toch | רָפָ֨ה (rafa) = is verslapt | הַיּ֜וֹם (hayom) = de dag | לַעֲרֹ֗ב (laarov) = naar de avond | לִֽינוּ (linu) = overnacht | נָ֞א (na) = toch | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | חֲנ֤וֹת (chanot) = het einde van | הַיּוֹם֙ (hayom) = de dag | לִ֥ין (lin) = overnacht | פֹּה֙ (po) = hier | וְיִיטַ֣ב (veyitav) = en laat goed zijn | לְבָבֶ֔ךָ (levavekha) = je hart | וְהִשְׁכַּמְתֶּ֤ם (vehishkamtem) = en jullie staan vroeg op | מָחָר֙ (machar) = morgen | לְדַרְכְּכֶ֔ם (ledarkekhem) = voor jullie weg | וְהָלַכְתָּ֖ (vehalakhta) = en je gaat | לְאֹהָלֶֽךָ (leohalekha) = naar je tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲנוֹת הַיּוֹם (chanot hayom), ‘het einde van de dag’: het Hebreeuws gebruikt hier een woord dat met ‘kamperen’ samenhangt: de dag gaat ‘rusten’. Zie ook: Spr 27:1; Luc 24:29; Jak 4:13–14 ### Onderweg naar Gibea **19:10** Maar de man wilde niet overnachten. Hij stond op, ging weg en kwam tot tegenover Jebus, dat is Jeruzalem. Bij hem waren een paar gezadelde ezels en zijn bijvrouw. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | אָבָ֤ה (ava) = wilde | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | לָל֔וּן (lalun) = overnachten | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | וַיֵּ֗לֶךְ (vayelekh) = en ging | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | עַד (ad) = tot | נֹ֣כַח (nokhach) = tegenover | יְב֔וּס (yevus) = Jebus | הִ֖יא (hi) = zij | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְעִמּ֗וֹ (veimo) = en met hem | צֶ֤מֶד (tsemed) = een paar | חֲמוֹרִים֙ (chamorim) = ezels | חֲבוּשִׁ֔ים (chavushim) = gezadeld | וּפִילַגְשׁ֖וֹ (ufilagsho) = en zijn bijvrouw | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jebus is de oude naam van Jeruzalem; de Jebusieten woonden er (Joz. 18:28). Het ligt in het bergland van Juda, in het huidige Israël. De ligging is zeker. Voetnoot Uitleg: חֲבוּשִׁים (chavushim), ‘gezadeld’: letterlijk ‘vastgebonden’, dus met een zadel erop. Zie ook: Joz 15:8; Joz 15:63; Joz 18:28; Re 1:8; 2 Sam 5:6; 1 Kron 11:4–5 **19:11** Toen zij bij Jebus waren, was de dag ver gedaald. De jongen zei tegen zijn heer: „Kom toch, laten wij naar deze stad van de Jebusieten afslaan en daar overnachten.” Brontekst: הֵ֣ם (hem) = zij | עִם (im) = bij | יְב֔וּס (yevus) = Jebus | וְהַיּ֖וֹם (vehayom) = en de dag | רַ֣ד (rad) = was gedaald | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַנַּ֜עַר (hanaar) = de jongen | אֶל (el) = tot | אֲדֹנָ֗יו (adonav) = zijn heer | לְכָה (lekha) = kom | נָּ֛א (na) = toch | וְנָס֛וּרָה (venasura) = en laten wij afslaan | אֶל (el) = naar | עִֽיר (ir) = de stad van | הַיְבוּסִ֥י (hayvusi) = de Jebusiet | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | וְנָלִ֥ין (venalin) = en laten wij overnachten | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Gen 10:16; Joz 15:63; Re 1:21; Re 19:10; 2 Sam 5:6 **19:12** Zijn heer zei tegen hem: „Wij slaan niet af naar een stad van vreemden, die niet bij de zonen van Israël hoort. Wij gaan door tot Gibea.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | אֲדֹנָ֔יו (adonav) = zijn heer | לֹ֤א (lo) = niet | נָסוּר֙ (nasur) = laten wij afslaan | אֶל (el) = naar | עִ֣יר (ir) = een stad van | נָכְרִ֔י (nakheri) = vreemden | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הֵ֑נָּה (hena) = zij | וְעָבַ֖רְנוּ (veavarnu) = en laten wij doorgaan | עַד (ad) = tot | גִּבְעָֽה (giva) = Gibea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: עִיר נָכְרִי (ir nokhri), ‘een stad van vreemden’: de Jebusieten behoorden niet tot de zonen van Israël (Joz. 15:63). Zie ook: Joz 15:63 **19:13** Hij zei tegen zijn jongen: „Kom, laten wij een van deze plaatsen naderen. Dan overnachten wij in Gibea of in Rama.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לְנַעֲר֔וֹ (lenaaro) = tot zijn jongen | לְךָ֥ (lekha) = kom | וְנִקְרְבָ֖ה (veniqreva) = en laten wij naderen | בְּאַחַ֣ד (beachad) = tot een | הַמְּקֹמ֑וֹת (hameqomot) = van de plaatsen | וְלַ֥נּוּ (velanu) = en laten wij overnachten | בַגִּבְעָ֖ה (bagiva) = in Gibea | א֥וֹ (o) = of | בָרָמָֽה (barama) = in Rama Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibea ligt waarschijnlijk bij Tell el-Ful, ongeveer 5 kilometer ten noorden van Jeruzalem. Rama ligt waarschijnlijk bij het huidige er-Ram, ongeveer 8 kilometer ten noorden van Jeruzalem. Beide zijn waarschijnlijk, niet zeker. Zie ook: Joz 18:25–26; Joz 18:28; 1 Sam 10:26; Hos 5:8; Jes 10:29 **19:14** Zij trokken verder. De zon ging voor hen onder bij Gibea, dat bij Benjamin hoort. Brontekst: וַיַּעַבְר֖וּ (vayaavru) = en zij trokken voorbij | וַיֵּלֵ֑כוּ (vayelekhu) = en gingen | וַתָּבֹ֤א (vatavo) = en kwam | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | אֵ֥צֶל (etsel) = bij | הַגִּבְעָ֖ה (hagiva) = Gibea | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לְבִנְיָמִֽן (levinyamin) = van Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibea: zie vers 13. Het hoort bij het gebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Re 19:13 **19:15** Zij sloegen daar af om in Gibea te overnachten. Hij ging naar binnen en ging op het plein van de stad zitten. Maar niemand nam hen in huis op om te overnachten. Brontekst: וַיָּסֻ֣רוּ (vayasuru) = en zij weken af | שָׁ֔ם (sham) = daarheen | לָב֖וֹא (lavo) = om binnen te gaan | לָל֣וּן (lalun) = om te overnachten | בַּגִּבְעָ֑ה (bagiva) = in Gibea | וַיָּבֹ֗א (vayavo) = en hij kwam | וַיֵּ֨שֶׁב֙ (vayeshev) = en zat | בִּרְח֣וֹב (birchov) = op het plein van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְאֵ֥ין (veein) = en niet was | אִ֛ישׁ (ish) = een man | מְאַסֵּֽף (measef) = die opnam | אוֹתָ֥ם (otam) = hen | הַבַּ֖יְתָה (habayta) = in huis | לָלֽוּן (lalun) = om te overnachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: רְחוֹב (rechov), ‘plein’: de open plaats bij de stadspoort, waar reizigers vaak wachtten op een onderkomen (zie Gen. 19:2). Zie ook: Gen 18:2–8; Gen 19:2–3; Re 19:18; Mat 25:43; Heb 13:2 ### De oude man van Gibea **19:16** En zie, een oude man kwam ’s avonds van zijn werk op het veld. De man was uit het bergland van Efraïm en woonde als vreemdeling in Gibea. De mannen van die plaats waren Benjaminieten. Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | אִ֣ישׁ (ish) = een man | זָקֵ֗ן (zaqen) = oud | בָּ֣א (ba) = kwam | מִֽן (min) = van | מַעֲשֵׂ֤הוּ (maasehu) = zijn werk | מִן (min) = van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | בָּעֶ֔רֶב (baerev) = in de avond | וְהָאִישׁ֙ (vehaish) = en de man | מֵהַ֣ר (mehar) = uit het bergland van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וְהוּא (vehu) = en hij | גָ֖ר (gar) = woonde als vreemdeling | בַּגִּבְעָ֑ה (bagiva) = in Gibea | וְאַנְשֵׁ֥י (veanshei) = en de mannen van | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יְמִינִֽי (yemini) = de Jeminiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: בְּנֵי יְמִינִי (bene yemini), ‘zonen van de Jeminiet’: dat is een andere naam voor de Benjaminieten. Wij schrijven ‘Benjaminieten’. Zie ook: Re 19:1; Ps 104:23; Ps 128:2; Spr 13:11; Spr 14:23 **19:17** Hij sloeg zijn ogen op en zag de reiziger op het plein van de stad. De oude man zei: „Waar ga je heen en waar kom je vandaan?” Brontekst: וַיִּשָּׂ֣א (vayisa) = en hij hief op | עֵינָ֗יו (einav) = zijn ogen | וַיַּ֛רְא (vayar) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | הָאֹרֵ֖חַ (haoreach) = de reiziger | בִּרְחֹ֣ב (birchov) = op het plein van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הָאִ֧ישׁ (haish) = de man | הַזָּקֵ֛ן (hazaqen) = de oude | אָ֥נָה (ana) = waarheen | תֵלֵ֖ךְ (telekh) = ga je | וּמֵאַ֥יִן (umeayin) = en vanwaar | תָּבֽוֹא (tavo) = kom je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:8; Gen 32:17 **19:18** Hij zei tegen hem: „Wij reizen van Betlehem in Juda naar de uithoeken van het bergland van Efraïm. Daar kom ik vandaan. Ik was naar Betlehem in Juda gegaan en ik ga naar het huis van Yahweh. Niemand neemt mij in huis op. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | עֹבְרִ֨ים (overim) = gaande | אֲנַ֜חְנוּ (anachnu) = wij | מִבֵּֽית (mibeit) = uit Bet | לֶ֣חֶם (lechem) = Lechem | יְהוּדָה֮ (yehuda) = Juda | עַד (ad) = tot | יַרְכְּתֵ֣י (yarketei) = de uithoeken van | הַר (har) = het bergland van | אֶפְרַיִם֒ (efrayim) = Efraïm | מִשָּׁ֣ם (misham) = vandaar | אָנֹ֔כִי (anokhi) = ik | וָאֵלֵ֕ךְ (vaelekh) = en ik ging | עַד (ad) = tot | בֵּ֥ית (beit) = Bet | לֶ֖חֶם (lechem) = Lechem | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲנִ֣י (ani) = ik | הֹלֵ֔ךְ (holekh) = ga | וְאֵ֣ין (veein) = en niet | אִ֔ישׁ (ish) = man | מְאַסֵּ֥ף (measef) = die opneemt | אוֹתִ֖י (oti) = mij | הַבָּֽיְתָה (habayeta) = in huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Lezing: In de Masoretische tekst staat hier ‘het huis van Yahweh’ (בֵּית יְהוָה). De Septuaginta heeft hier ‘mijn huis’ (בֵּיתִי). Wij volgen de Masoretische tekst. Het kan zijn dat de Leviet naar het heiligdom in Silo gaat (zie Richt. 18:31). Zie ook: Joz 18:1; Re 18:31; 1 Sam 1:3; Ps 26:9; Joh 15:6 **19:19** Er is stro en voer voor onze ezels. Er is ook brood en wijn voor mij, voor je dienares en voor de jongen bij je dienaren. Aan niets is gebrek.” Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | תֶּ֤בֶן (teven) = stro | גַּם (gam) = ook | מִסְפּוֹא֙ (mispo) = voer | יֵ֣שׁ (yesh) = is er | לַחֲמוֹרֵ֔ינוּ (lachamoreinu) = voor onze ezels | וְ֠גַם (vegam) = en ook | לֶ֣חֶם (lechem) = brood | וָיַ֤יִן (vayayin) = en wijn | יֶשׁ (yesh) = is er | לִי֙ (li) = voor mij | וְלַֽאֲמָתֶ֔ךָ (velaamatekha) = en voor je dienares | וְלַנַּ֖עַר (velanaar) = en voor de jongen | עִם (im) = met | עֲבָדֶ֑יךָ (avadeikha) = je dienaren | אֵ֥ין (ein) = niet is | מַחְס֖וֹר (machsor) = gebrek | כָּל (kal) = aan alles | דָּבָֽר (davar) = ding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Leviet spreekt de oude man beleefd aan en noemt zichzelf en de zijnen ‘je dienaren’ en de bijvrouw ‘je dienares’. **19:20** De oude man zei: „Vrede zij met je. Alles wat je mist, is aan mij. Maar overnacht niet op het plein.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | הַזָּקֵן֙ (hazaqen) = de oude | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | רַ֥ק (raq) = alleen | כָּל (kal) = alles | מַחְסוֹרְךָ֖ (machsorekha) = wat je mist | עָלָ֑י (alay) = op mij | רַ֥ק (raq) = alleen | בָּרְח֖וֹב (barechov) = op het plein | אַל (al) = niet | תָּלַֽן (talan) = overnacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:2–3; Re 6:23; 1 Sam 25:6; Luc 10:5–6; Gal 6:6 **19:21** Hij bracht hem naar zijn huis en gaf de ezels voer. Zij wasten hun voeten, aten en dronken. Brontekst: וַיְבִיאֵ֣הוּ (vayviehu) = en hij bracht hem | לְבֵית֔וֹ (leveito) = naar zijn huis | וַיָּ֖בָול (vayavavl) = en hij gaf voer | לַחֲמוֹרִ֑ים (lachamorim) = aan de ezels | וַֽיִּרְחֲצוּ֙ (vayirchatsu) = en zij wasten | רַגְלֵיהֶ֔ם (ragleihem) = hun voeten | וַיֹּאכְל֖וּ (vayokhlu) = en aten | וַיִּשְׁתּֽוּ (vayishtu) = en dronken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:4; Gen 43:24; Luc 7:44; Joh 13:14–15; 1 Tim 5:10 ### De mannen van Gibea **19:22** Terwijl zij hun hart verheugden, zie, de mannen van de stad omsingelden het huis. Het waren mannen, zonen van Belial. Zij bonsden op de deur. Zij zeiden tegen de man, de oude eigenaar van het huis: „Breng de man naar buiten die in je huis is gekomen. Dan hebben wij gemeenschap met hem.” Brontekst: הֵמָּה֮ (hema) = zij | מֵיטִיבִ֣ים (meitivim) = verheugden | אֶת (et) = (obj.) | לִבָּם֒ (libam) = hun hart | וְהִנֵּה֩ (vehine) = en zie | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = de mannen van | הָעִ֜יר (hair) = de stad | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen | בְנֵֽי (benei) = zonen van | בְלִיַּ֗עַל (beliyaal) = Belial | נָסַ֨בּוּ֙ (nasabu) = omringden | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | מִֽתְדַּפְּקִ֖ים (mitdapeqim) = bonzend | עַל (al) = op | הַדָּ֑לֶת (hadalet) = de deur | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | הָ֠אִישׁ (haish) = de man | בַּ֣עַל (baal) = de eigenaar van | הַבַּ֤יִת (habayit) = het huis | הַזָּקֵן֙ (hazaqen) = de oude | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הוֹצֵ֗א (hotse) = breng naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֥א (ba) = kwam | אֶל (el) = naar | בֵּיתְךָ֖ (beitekha) = je huis | וְנֵדָעֶֽנּוּ (venedaenu) = en wij zullen hem kennen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: ‘waardeloos’ of ‘slecht’. ‘Zonen van Belial’ zijn mannen die zich van elke vaste regel hebben losgemaakt. Zo staat het ook in Deut. 13:14. Voetnoot : וְנֵדָעֶנּוּ (venedaennu), ‘dan kennen wij hem’: het werkwoord yada, ‘kennen’, betekent hier geslachtsgemeenschap. Wij vertalen ‘gemeenschap hebben’, zoals in Gen. 19:5. De mannen willen de gast misbruiken. Zie ook: Gen 19:4–5; Gen 19:5; Deut 13:14; Re 20:5; 1 Kor 6:9; Rom 1:26–27 **19:23** De man, de eigenaar van het huis, ging naar buiten, naar hen toe, en zei tegen hen: „Nee, mijn broeders, doe toch geen kwaad. Deze man is in mijn huis gekomen. Begaan deze schanddaad niet. Brontekst: וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en hij ging uit | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = naar hen | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | בַּ֣עַל (baal) = de eigenaar van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | אַל (al) = niet | אַחַ֖י (achay) = mijn broeders | אַל (al) = niet | תָּרֵ֣עוּ (tareu) = doe kwaad | נָ֑א (na) = toch | אַ֠חֲרֵי (acharei) = nadat | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּ֞א (ba) = kwam | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אַל (al) = naar | בֵּיתִ֔י (beiti) = mijn huis | אַֽל (al) = niet | תַּעֲשׂ֖וּ (taasu) = doe | אֶת (et) = (obj.) | הַנְּבָלָ֥ה (hanevala) = de schanddaad | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבָלָה (nevalah), ‘schanddaad’: een daad die de orde van het volk schendt, zie Gen. 34:7 en Deut. 22:21. Zie ook: Gen 34:7; Deut 22:21; Joz 7:15; Re 20:6; 2 Sam 13:12 **19:24** Zie, mijn dochter, de maagd, en zijn bijvrouw. Laat mij hen toch naar buiten brengen. Verneder hen en doe met hen wat goed is in jullie ogen. Maar tegen deze man mogen jullie deze schanddaad niet begaan.” Brontekst: הִנֵּה֩ (hine) = zie | בִתִּ֨י (biti) = mijn dochter | הַבְּתוּלָ֜ה (habetula) = de maagd | וּפִֽילַגְשֵׁ֗הוּ (ufilagshehu) = en zijn bijvrouw | אוֹצִֽיאָה (otsia) = laat mij naar buiten brengen | נָּ֤א (na) = toch | אוֹתָם֙ (otam) = hen | וְעַנּ֣וּ (veanu) = en vernederd | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | וַעֲשׂ֣וּ (vaasu) = en doet | לָהֶ֔ם (lahem) = met hen | הַטּ֖וֹב (hatov) = het goede | בְּעֵינֵיכֶ֑ם (beeineikhem) = in jullie ogen | וְלָאִ֤ישׁ (velaish) = en aan de man | הַזֶּה֙ (haze) = deze | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲשׂ֔וּ (taasu) = doet | דְּבַ֖ר (devar) = zaak van | הַנְּבָלָ֥ה (hanevala) = de schanddaad | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְעַנּוּ אוֹתָם (ve’annu otam), ‘verneder hen’: het werkwoord anna, ‘vernederen’, wijst op geweld, zoals in Gen. 34:2. De man biedt zijn eigen dochter en de bijvrouw aan. Het Hebreeuws laat hem dat zo zeggen; de tekst oordeelt er hier niet over. Zie ook: Gen 19:8; Gen 34:2; Deut 21:14; Rom 3:8 **19:25** Maar de mannen wilden niet naar hem luisteren. De man greep zijn bijvrouw en bracht haar naar hen toe, naar buiten. Zij kenden haar en misbruikten haar de hele nacht, tot de morgen. Bij het opkomen van de dageraad lieten zij haar gaan. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | אָב֤וּ (avu) = wilden | הָאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | לִשְׁמֹ֣עַֽ (lishmoa) = om te horen | ל֔וֹ (lo) = naar hem | וַיַּחֲזֵ֤ק (vayachazeq) = en greep | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | בְּפִ֣ילַגְשׁ֔וֹ (befilagsho) = zijn bijvrouw | וַיֹּצֵ֥א (vayotse) = en bracht naar buiten | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = naar hen | הַח֑וּץ (hachuts) = naar buiten | וַיֵּדְע֣וּ (vayedeu) = en zij kenden | א֠וֹתָהּ (otah) = haar | וַיִּֽתְעַלְּלוּ (vayitalelu) = en zij misbruikten | בָ֤הּ (bah) = haar | כָּל (kal) = heel | הַלַּ֨יְלָה֙ (halayla) = de nacht | עַד (ad) = tot | הַבֹּ֔קֶר (haboqer) = de morgen | וַֽיְשַׁלְּח֖וּהָ (vayshalechuha) = en zij lieten haar gaan | כַּעֲל֥וֹת (kaalot) = bij het opkomen van | הַשָּֽׁחַר (hashachar) = de dageraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיֹּצֵא (vayotse), ‘hij bracht naar buiten’: de man brengt zijn bijvrouw naar de mannen. Het Hebreeuws zegt wat daarna gebeurt zonder verzachting: zij ‘kenden’ haar (zie vers 22) en ‘misbruikten’ (vayit’allelu) haar heel de nacht. Wij vertalen even nuchter. Zie ook: Gen 4:1; Re 19:22; Hos 7:4–7; Hos 9:9; Hos 10:9; Ef 4:19 ### De ochtend en de twaalf stukken **19:26** De vrouw kwam bij het aanbreken van de morgen. Zij viel neer bij de ingang van het huis van de man waar haar heer was, tot het licht werd. Brontekst: וַתָּבֹ֥א (vatavo) = en kwam | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | לִפְנ֣וֹת (lifnot) = bij het keren van | הַבֹּ֑קֶר (haboqer) = de morgen | וַתִּפֹּ֞ל (vatipol) = en viel | פֶּ֧תַח (petach) = ingang van | בֵּית (beit) = het huis van | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר (asher) = waar | אֲדוֹנֶ֥יהָ (adoneiha) = haar heer | שָּׁ֖ם (sham) = daar | עַד (ad) = tot | הָאֽוֹר (haor) = het licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:12; Re 19:3; Re 19:27; 1 Petr 3:6 **19:27** Haar heer stond ’s morgens op, opende de deuren van het huis en ging naar buiten om zijn weg te gaan. En zie, de vrouw, zijn bijvrouw, lag neergevallen bij de ingang van het huis, haar handen op de drempel. Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en stond op | אֲדֹנֶ֜יהָ (adoneiha) = haar heer | בַּבֹּ֗קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּפְתַּח֙ (vayiftach) = en opende | דַּלְת֣וֹת (daltot) = de deuren van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en ging uit | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | לְדַרְכּ֑וֹ (ledarko) = zijn weg | וְהִנֵּ֧ה (vehine) = en zie | הָאִשָּׁ֣ה (haisha) = de vrouw | פִֽילַגְשׁ֗וֹ (pilagsho) = zijn bijvrouw | נֹפֶ֨לֶת֙ (nofelet) = gevallen | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וְיָדֶ֖יהָ (veyadeiha) = en haar handen | עַל (al) = op | הַסַּֽף (hasaf) = de drempel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:28** Hij zei tegen haar: „Sta op, laten wij gaan.” Er kwam geen antwoord. Hij nam haar op de ezel, stond op en ging naar zijn plaats. Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלֶ֛יהָ (eleiha) = tot haar | ק֥וּמִי (qumi) = sta op | וְנֵלֵ֖כָה (venelekha) = en laten wij gaan | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | עֹנֶ֑ה (one) = antwoord | וַיִּקָּחֶ֨הָ֙ (vayiqacheha) = en hij nam haar | עַֽל (al) = op | הַחֲמ֔וֹר (hachamor) = de ezel | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en ging | לִמְקֹמֽוֹ (limqomo) = naar zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen: ‘er was geen antwoord’ (ein anah). Het zegt niet dat zij dood was. Wij voegen niets toe. Vers 29 en Richt. 20:4–5 vertellen daarna verder. Zie ook: Re 19:29; Re 20:4–5; Re 20:5; 1 Kon 18:29 **19:29** Hij kwam in zijn huis en nam het mes. Hij greep zijn bijvrouw en sneed haar uiteen, naar haar botten, in twaalf stukken. Hij stuurde haar door het hele gebied van Israël. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = naar | בֵּית֗וֹ (beito) = zijn huis | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | הַֽמַּאֲכֶ֨לֶת֙ (hamaakhelet) = het mes | וַיַּחֲזֵ֣ק (vayachazeq) = en greep | בְּפִֽילַגְשׁ֔וֹ (befilagsho) = zijn bijvrouw | וַֽיְנַתְּחֶ֨הָ֙ (vaynatecheha) = en sneed haar uiteen | לַעֲצָמֶ֔יהָ (laatsameiha) = naar haar botten | לִשְׁנֵ֥ים (lishneim) = in twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | נְתָחִ֑ים (netachim) = stukken | וַֽיְשַׁלְּחֶ֔הָ (vayshalecheha) = en stuurde haar | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in heel | גְּב֥וּל (gevul) = het gebied van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְנַתְּחֶהָ לַעֲצָמֶיהָ (vaynattechehah la’atsameha), ‘hij sneed haar uiteen, naar haar botten’: hij verdeelde haar lichaam bij de gewrichten. Het getal ‘twaalf’ past bij de twaalf stammen van Israël, maar de tekst zegt dat niet. Zie ook: Deut 21:22–23; Re 20:6–7; 1 Sam 11:7; Rom 10:2 **19:30** Iedereen die het zag, zei: „Zoiets is niet gebeurd en niet gezien sinds de dag dat de zonen van Israël uit het land Egypte optrokken, tot op deze dag. Neem het in overweging, beraadslaag en spreek.” Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het was | כָל (kal) = iedereen | הָרֹאֶ֗ה (haroe) = die zag | וְאָמַר֙ (veamar) = en zei | לֹֽא (lo) = niet | נִהְיְתָ֤ה (nihyeta) = is geschied | וְלֹֽא (velo) = en niet | נִרְאֲתָה֙ (nirata) = is gezien | כָּזֹ֔את (kazot) = zoiets | לְמִיּ֞וֹם (lemiyom) = vanaf de dag | עֲל֤וֹת (alot) = het optrekken van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | שִֽׂימוּ (simu) = richt | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = erop | עֻ֥צוּ (utsu) = beraadslaag | וְדַבֵּֽרוּ (vedaberu) = en spreek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שִׂימוּ לָכֶם עָלֶיהָ (simu lakhem aleiha), ‘richt voor jullie op haar’: richt jullie aandacht erop, neem het in overweging. Zie ook: Re 20:7; Spr 11:14; Spr 13:10; Spr 15:22; Spr 20:18 ## Richteren 20 _De oorlog van Israël tegen Benjamin_ ### Israël komt bijeen in Mizpa **20:1** Alle zonen van Israël trokken uit, van Dan tot Beër-Sjeba en het land Gilead. De gemeenschap kwam als één man samen bij Yahweh, in Mizpa. Brontekst: וַיֵּצְאוּ֮ (vayetseu) = en gingen uit | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וַתִּקָּהֵ֨ל (vatiqahel) = en werd verzameld | הָעֵדָ֜ה (haeda) = de gemeenschap | כְּאִ֣ישׁ (keish) = als een man | אֶחָ֗ד (echad) = één | לְמִדָּן֙ (lemidan) = van Dan | וְעַד (vead) = en tot | בְּאֵ֣ר (beer) = Beër | שֶׁ֔בַע (sheva) = Sjeba | וְאֶ֖רֶץ (veerets) = en het land | הַגִּלְעָ֑ד (hagilad) = Gilead | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הַמִּצְפָּֽה (hamitspa) = in Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpa ligt waarschijnlijk bij Tell en-Nasbeh, ongeveer 13 kilometer ten noorden van Jeruzalem, in het gebied van Benjamin (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk, niet zeker. Dan ligt in het uiterste noorden van Israël, Beër-Sjeba in het uiterste zuiden, en het land Gilead ten oosten van de Jordaan. Zo komt heel Israël samen. Voetnoot Uitleg: כְּאִישׁ אֶחָד (ke’ish echad), ‘als één man’: eensgezind. Dit staat ook in vers 8 en vers 11. Zie ook: Joz 22:12; Re 11:11; Re 20:8; Re 20:11; Re 21:5; 1 Sam 10:17; 2 Sam 3:10 **20:2** De leiders van heel het volk, van alle stammen van Israël, namen plaats in de vergadering van het volk van Elohim. Zij waren 400.000 man te voet die het zwaard trokken. Brontekst: וַיִּֽתְיַצְּב֞וּ (vayityatsevu) = en namen plaats | פִּנּ֣וֹת (pinot) = de leiders van | כָּל (kal) = heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | כֹּ֚ל (kol) = alle | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בִּקְהַ֖ל (biqhal) = in de vergadering van | עַ֣ם (am) = het volk van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | אַרְבַּ֨ע (arba) = vier | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֥ישׁ (ish) = man | רַגְלִ֖י (ragli) = voetvolk | שֹׁ֥לֵֽף (sholef) = trekkend | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּנּוֹת (pinnot), ‘hoeken’: de hoeksteen van een gebouw. Dat zijn hier de leiders van het volk. Wij vertalen ‘leiders’. Voetnoot : שֹׁלֵף חֶרֶב (shalef cherev), ‘het zwaard trekkend’: mannen die het zwaard kunnen trekken, dus krijgers. Voetnoot : De getallen in dit hoofdstuk staan zoals in de Masoretische tekst; de som van de gevallenen van Benjamin staat bij vers 46. Zie ook: Re 8:10; Re 20:15; Re 20:17; Re 20:46; 2 Sam 24:9; 2 Kon 3:26 ### Het verhaal van de Leviet **20:3** De zonen van Benjamin hoorden dat de zonen van Israël naar Mizpa waren opgetrokken. De zonen van Israël zeiden: „Spreek. Hoe is dit kwaad gebeurd?” Brontekst: וַֽיִּשְׁמְעוּ֙ (vayishmeu) = en hoorden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | כִּֽי (ki) = dat | עָל֥וּ (alu) = waren opgetrokken | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הַמִּצְפָּ֑ה (hamitspa) = naar Mizpa | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | דַּבְּר֕וּ (daberu) = spreekt | אֵיכָ֥ה (eikha) = hoe | נִהְיְתָ֖ה (nihyeta) = is geschied | הָרָעָ֥ה (haraa) = het kwaad | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Re 19:22–27; Spr 22:3; Mat 5:25; Luc 12:58–59; Luc 14:31–32 **20:4** De man, de Leviet, de man van de vrouw die was vermoord, antwoordde en zei: „Ik kwam met mijn bijvrouw naar Gibea, dat bij Benjamin hoort, om te overnachten. Brontekst: וַיַּ֜עַן (vayaan) = en antwoordde | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַלֵּוִ֗י (halevi) = de Leviet | אִ֛ישׁ (ish) = man van | הָאִשָּׁ֥ה (haisha) = de vrouw | הַנִּרְצָחָ֖ה (hanirtsacha) = de vermoorde | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | הַגִּבְעָ֨תָה֙ (hagivata) = naar Gibea | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לְבִנְיָמִ֔ן (levinyamin) = van Benjamin | בָּ֛אתִי (bati) = kwam | אֲנִ֥י (ani) = ik | וּפִֽילַגְשִׁ֖י (ufilagshi) = en mijn bijvrouw | לָלֽוּן (lalun) = om te overnachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: הַנִּרְצָחָה (hanirtsachah), ‘de vermoorde’: letterlijk ‘de vermoorde vrouw’. Zo noemt de Leviet haar in zijn verhaal. In hoofdstuk 19 staat alleen dat zij niet antwoordde (19:28). Zie ook: Re 19:15–28 **20:5** De heren van Gibea stonden tegen mij op. Zij omsingelden ’s nachts het huis tegen mij. Mij wilden zij doden. Mijn bijvrouw vernederden zij, en zij stierf. Brontekst: וַיָּקֻ֤מוּ (vayaqumu) = en stonden op | עָלַי֙ (alay) = tegen mij | בַּעֲלֵ֣י (baalei) = de burgers van | הַגִּבְעָ֔ה (hagiva) = Gibea | וַיָּסֹ֧בּוּ (vayasobu) = en omringden | עָלַ֛י (alay) = tegen mij | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | לָ֑יְלָה (layela) = ’s nachts | אוֹתִי֙ (oti) = mij | דִּמּ֣וּ (dimu) = zij dachten | לַהֲרֹ֔ג (laharog) = te doden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פִּילַגְשִׁ֥י (pilagshi) = mijn bijvrouw | עִנּ֖וּ (inu) = zij vernederden | וַתָּמֹֽת (vatamot) = en zij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: De Leviet vertelt kort wat in hoofdstuk 19 gebeurde. Wat hij zegt komt overeen met dat hoofdstuk, maar is niet hetzelfde: hij zegt dat de heren van Gibea hem wilden doden, en hij zwijgt over dat hij zijn bijvrouw zelf naar buiten bracht (19:25). Wij vertalen wat er staat. Voetnoot : בַּעֲלֵי הַגִּבְעָה (ba’alei haggiv’ah), ‘heren van Gibea’: dezelfde uitdrukking als ‘heren van Sichem’ in Richt. 9:2. עִנּוּ (innu), ‘zij vernederden’: zoals in 19:24. Zie ook: Gen 19:4–8; Deut 22:24; Re 9:2; Re 19:22; Re 19:25–26; Ezech 22:10–11 **20:6** Ik greep mijn bijvrouw, sneed haar uiteen en stuurde haar naar elk veld van het erfdeel van Israël. Want zij hebben een schandelijke misdaad en een schanddaad in Israël begaan. Brontekst: וָֽאֹחֵ֤ז (vaochez) = en ik greep | בְּפִֽילַגְשִׁי֙ (befilagshi) = mijn bijvrouw | וָֽאֲנַתְּחֶ֔הָ (vaanatecheha) = en ik sneed haar uiteen | וָֽאֲשַׁלְּחֶ֔הָ (vaashalecheha) = en ik stuurde haar | בְּכָל (bekhal) = in elk | שְׂדֵ֖ה (sede) = veld van | נַחֲלַ֣ת (nachalat) = het erfdeel van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֥י (ki) = want | עָשׂ֛וּ (asu) = zij hebben gedaan | זִמָּ֥ה (zima) = een schandelijke misdaad | וּנְבָלָ֖ה (unevala) = en een schanddaad | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִמָּה (zimmah) en נְבָלָה (nevalah): wij vertalen zimmah hier met ‘schandelijke misdaad’ en nevalah met ‘schanddaad’, zoals in 19:23. In Leviticus staat zimmah ook voor een zware schande (zie Lev. 18:17). Zie ook: Gen 34:7; Lev 18:17; Joz 7:15; Re 19:23; Re 19:29; Re 20:10 **20:7** Zie, jullie zijn allemaal zonen van Israël. Spreek en geef hier raad.” Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | כֻלְּכֶ֖ם (kulekhem) = jullie allen | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הָב֥וּ (havu) = geeft | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | דָּבָ֥ר (davar) = woord | וְעֵצָ֖ה (veetsa) = en raad | הֲלֹֽם (halom) = hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 19:30; Jak 1:5; 1 Kor 5:1; 1 Kor 5:6; 1 Kor 5:10–12 ### Het besluit om tegen Gibea op te trekken **20:8** Heel het volk stond op als één man en zei: „Niemand van ons gaat naar zijn tent. Niemand van ons keert terug naar zijn huis. Brontekst: וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en stond op | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כְּאִ֥ישׁ (keish) = als een man | אֶחָ֖ד (echad) = één | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לֹ֤א (lo) = niet | נֵלֵךְ֙ (nelekh) = zullen wij gaan | אִ֣ישׁ (ish) = een ieder | לְאָהֳל֔וֹ (leaholo) = naar zijn tent | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נָס֖וּר (nasur) = zullen wij afwijken | אִ֥ישׁ (ish) = een ieder | לְבֵיתֽוֹ (leveito) = naar zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 20:1; Re 20:11; Re 21:1; Spr 21:3; Pred 9:10 **20:9** Dit is nu wat wij met Gibea gaan doen: wij trekken tegen haar op, met het lot. Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = de zaak | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נַעֲשֶׂ֖ה (naase) = wij zullen doen | לַגִּבְעָ֑ה (lagiva) = aan Gibea | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = tegen haar | בְּגוֹרָֽל (begoral) = met het lot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt hier alleen ‘tegen haar, met het lot’. Wij vullen ‘wij trekken op’ aan, naar de volgorde in vers 10. Het lot bepaalt hier waarschijnlijk wie als eerste optrekt (zie vers 18). Zie ook: Re 20:10; Re 20:18; 1 Sam 14:41–42; Spr 16:33; Jona 1:7; Neh 11:1; Hand 1:26 **20:10** Wij nemen uit alle stammen van Israël tien man per honderd, honderd per duizend en duizend per tienduizend. Zij moeten proviand voor het volk halen. Dan kan het volk, wanneer het in Geba in Benjamin komt, doen wat past bij alle schanddaad die men in Israël heeft begaan.” Brontekst: וְלָקַ֣חְנוּ (velaqachnu) = en wij zullen nemen | עֲשָׂרָה֩ (asara) = tien | אֲנָשִׁ֨ים (anashim) = mannen | לַמֵּאָ֜ה (lamea) = per honderd | לְכֹ֣ל (lekhol) = uit alle | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וּמֵאָ֤ה (umea) = en honderd | לָאֶ֨לֶף֙ (laelef) = per duizend | וְאֶ֣לֶף (veelef) = en duizend | לָרְבָבָ֔ה (larevava) = per tienduizend | לָקַ֥חַת (laqachat) = om te halen | צֵדָ֖ה (tseda) = proviand | לָעָ֑ם (laam) = voor het volk | לַעֲשׂ֗וֹת (laasot) = om te doen | לְבוֹאָם֙ (levoam) = bij hun komst | לְגֶ֣בַע (legeva) = naar Geba | בִּנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | כְּכָל (kekhal) = overeenkomstig alle | הַ֨נְּבָלָ֔ה (hanevala) = de schanddaad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָׂ֖ה (asa) = men deed | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Voetnoot Uitleg: צֵדָה (tsedah), ‘proviand’: eten voor onderweg. Voetnoot Lezing: Er staat ‘Geba van Benjamin’ (גֶּבַע), niet ‘Gibea’ (גִּבְעָה). Geba en Gibea zijn twee verschillende plaatsen in Benjamin met bijna dezelfde naam. Hier wordt waarschijnlijk Gibea bedoeld (vers 4). Wij schrijven ‘Geba’, zoals de tekst heeft. Zie ook vers 33. Zie ook: Re 20:4; Re 20:33 **20:11** Alle mannen van Israël verzamelden zich tegen de stad. Zij waren verbonden als één man. Brontekst: וַיֵּֽאָסֵ֞ף (vayeasef) = en werd verzameld | כָּל (kal) = alle | אִ֤ישׁ (ish) = mannen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tegen | הָעִ֔יר (hair) = de stad | כְּאִ֥ישׁ (keish) = als een man | אֶחָ֖ד (echad) = één | חֲבֵרִֽים (chaverim) = verbonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Benjamin weigert de schuldigen uit te leveren **20:12** De stammen van Israël stuurden mannen naar alle stammen van Benjamin om te zeggen: „Wat is dit kwaad dat onder jullie is gebeurd? Brontekst: וַֽיִּשְׁלְח֞וּ (vayishlechu) = en zonden | שִׁבְטֵ֤י (shivtei) = de stammen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | בְּכָל (bekhal) = naar alle | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מָ֚ה (ma) = wat | הָרָעָ֣ה (haraa) = het kwaad | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נִהְיְתָ֖ה (nihyeta) = is geschied | בָּכֶֽם (bakhem) = onder jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 13:15; Deut 20:10; Joz 22:13–16; Mat 18:15–18; Rom 12:18 **20:13** Lever nu de mannen uit, de zonen van Belial die in Gibea zijn. Dan doden wij hen en doen wij het kwaad weg uit Israël.” Maar Benjamin wilde niet luisteren naar de stem van zijn broeders, de zonen van Israël. Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | תְּנוּ֩ (tenu) = geeft | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲנָשִׁ֨ים (haanashim) = de mannen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | בְלִיַּ֜עַל (beliyaal) = Belial | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בַּגִּבְעָה֙ (bagiva) = in Gibea | וּנְמִיתֵ֔ם (unemitem) = en wij zullen hen doden | וּנְבַעֲרָ֥ה (unevaara) = en wij zullen wegdoen | רָעָ֖ה (raa) = het kwaad | מִיִּשְׂרָאֵ֑ל (miyisrael) = uit Israël | וְלֹ֤א (velo) = en niet | אָבוּ֙ (avu) = wilden | בִּנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | לִשְׁמֹ֕עַ (lishmoa) = luisteren | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | אֲחֵיהֶ֥ם (acheihem) = hun broeders | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: בְּנֵי בְלִיַּעַל (bene beliyya’al), ‘zonen van Belial’: zie de Uitleg bij 19:22. Voetnoot : וּבִעַרְנוּ רָעָה (uvi’arnu ra’ah), ‘wij doen het kwaad weg’: zo staat het ook in Deut. 17:7; 19:19. Zie ook: Deut 13:14; Deut 17:7; Deut 17:12; Deut 19:19; Re 19:22; 1 Sam 2:25; 2 Kron 25:20 **20:14** De zonen van Benjamin verzamelden zich uit de steden naar Gibea om uit te trekken voor de oorlog tegen de zonen van Israël. Brontekst: וַיֵּאָסְפ֧וּ (vayeasefu) = en verzamelden zich | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֛ן (binyamin) = Benjamin | מִן (min) = uit | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | הַגִּבְעָ֑תָה (hagivata) = naar Gibea | לָצֵ֥את (latset) = om uit te trekken | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = naar de oorlog | עִם (im) = met | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Zie ook: Job 15:25–26; Num 20:20; Num 21:23; 2 Kron 13:13 **20:15** Op die dag werden de zonen van Benjamin geteld uit de steden: 26.000 man die het zwaard trokken. Daarnaast werden de inwoners van Gibea geteld: 700 uitgelezen mannen. Brontekst: וַיִּתְפָּֽקְדוּ֩ (vayitpaqedu) = en werden geteld | בְנֵ֨י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֜ן (binyamin) = Benjamin | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | מֵהֶ֣עָרִ֔ים (mehearim) = uit de steden | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְשִׁשָּׁ֥ה (veshisha) = en zes | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | שֹׁ֣לֵֽף (sholef) = trekkend | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | לְ֠בַד (levad) = afgezien van | מִיֹּשְׁבֵ֤י (miyoshevei) = de inwoners van | הַגִּבְעָה֙ (hagiva) = Gibea | הִתְפָּ֣קְד֔וּ (hitpaqedu) = werden geteld | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אִ֥ישׁ (ish) = man | בָּחֽוּר (bachur) = uitgelezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: De zonen van Benjamin hebben samen 26.000 man uit de steden en 700 uitgelezen mannen uit Gibea. Het getal 26.700 is niet gelijk aan de som van de gevallenen en de overlevenden hierna (25.100 in vers 35 en 25.000 in vers 46, plus 600 in vers 47); het Hebreeuws zegt dat zelf niet. Wij laten de getallen staan. Zie ook: Num 1:37; Num 26:41; Re 20:25; Re 20:35; Re 20:46–47; Re 20:47 **20:16** Uit heel dit volk waren 700 uitgelezen mannen linkshandig. Ieder van hen kon met een steen op een haar mikken en miste niet. Brontekst: מִכֹּ֣ל (mikol) = uit heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | שְׁבַ֤ע (sheva) = zeven | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | אִ֣ישׁ (ish) = man | בָּח֔וּר (bachur) = uitgelezen | אִטֵּ֖ר (iter) = beperkt van | יַד (yad) = hand | יְמִינ֑וֹ (yemino) = zijn rechter | כָּל (kal) = allen | זֶ֗ה (ze) = deze | קֹלֵ֧עַ (qolea) = slingerend | בָּאֶ֛בֶן (baeven) = met een steen | אֶל (el) = naar | הַֽשַּׂעֲרָ֖ה (hasaara) = het haar | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַחֲטִֽא (yachati) = missen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִטֵּר יַד יְמִינוֹ (itter yad yemino), ‘beperkt in zijn rechterhand’: iemand die zijn rechterhand niet goed gebruikt, dus linkshandig. Zo wordt ook Ehud genoemd in Richt. 3:15. Wij vertalen ‘linkshandig’. Zie ook: Re 3:15; 1 Sam 17:40; 1 Sam 17:49–50; 1 Kron 12:2; 2 Kron 26:14 **20:17** De mannen van Israël werden geteld, afgezien van Benjamin: 400.000 man die het zwaard trokken. Ieder van hen was een krijgsman. Brontekst: וְאִ֨ישׁ (veish) = en de mannen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | הִתְפָּֽקְד֗וּ (hitpaqedu) = werden geteld | לְבַד֙ (levad) = afgezien van | מִבִּנְיָמִ֔ן (mibinyamin) = Benjamin | אַרְבַּ֨ע (arba) = vier | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | שֹׁ֣לֵֽף (sholef) = trekkend | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | כָּל (kal) = allen | זֶ֖ה (ze) = deze | אִ֥ישׁ (ish) = man van | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:46; Num 26:51; Re 20:2; 1 Sam 15:4; 2 Kron 17:14–18 ### De eerste dag: Israël verliest **20:18** Zij stonden op en trokken op naar Betel. Zij raadpleegden Elohim en de zonen van Israël zeiden: „Wie van ons trekt als eerste op naar de oorlog tegen de zonen van Benjamin?” Yahweh zei: **„Juda als eerste.”** Brontekst: וַיָּקֻ֜מוּ (vayaqumu) = en stonden op | וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en trokken op | בֵֽית (beit) = naar Bet | אֵל֮ (el) = El | וַיִּשְׁאֲל֣וּ (vayishalu) = en vroegen | בֵאלֹהִים֒ (bElohim) = Elohim | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִ֚י (mi) = wie | יַעֲלֶה (yaale) = zal optrekken | לָּ֣נוּ (lanu) = voor ons | בַתְּחִלָּ֔ה (batechila) = als eerste | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = naar de oorlog | עִם (im) = met | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יְהוּדָ֥ה (yehuda) = Juda | בַתְּחִלָּֽה (batechila) = als eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betel (Hebreeuws: Bet-El, ‘huis van El’) ligt waarschijnlijk bij het huidige Beitin, ongeveer 17 kilometer ten noorden van Jeruzalem, in het gebied van Efraïm (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk, niet zeker. Voetnoot Uitleg: שָׁאַל בֵּאלֹהִים (shaal be-Elohim), ‘Elohim raadplegen’: zoals in 18:5. Het antwoord ‘Juda als eerste’ is een woord van Yahweh; wij zetten het rood. Zie ook: Gen 49:8–10; Num 27:5; Num 27:21; Re 20:23; Re 20:26–27 **20:19** De zonen van Israël stonden ’s morgens op en legerden zich bij Gibea. Brontekst: וַיָּק֥וּמוּ (vayaqumu) = en stonden op | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּבֹּ֑קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיַּֽחֲנ֖וּ (vayachanu) = en legerden zich | עַל (al) = bij | הַגִּבְעָֽה (hagiva) = Gibea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Zie ook: Joz 3:1; Joz 6:12; Joz 7:16 **20:20** De mannen van Israël trokken uit voor de oorlog tegen Benjamin. De mannen van Israël stelden zich tegen hen in slagorde op, bij Gibea. Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en trokken uit | אִ֣ישׁ (ish) = de mannen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = naar de oorlog | עִם (im) = met | בִּנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וַיַּעַרְכ֨וּ (vayaarkhu) = en stelden op | אִתָּ֧ם (itam) = hen | אִֽישׁ (ish) = de mannen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | אֶל (el) = tegen | הַגִּבְעָֽה (hagiva) = Gibea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. **20:21** De zonen van Benjamin trokken uit Gibea naar buiten. Zij vernietigden op die dag 22.000 man van Israël, tot op de grond. Brontekst: וַיֵּצְא֥וּ (vayetseu) = en trokken uit | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | מִן (min) = uit | הַגִּבְעָ֑ה (hagiva) = Gibea | וַיַּשְׁחִ֨יתוּ (vayashchitu) = en vernietigden | בְיִשְׂרָאֵ֜ל (beyisrael) = in Israël | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | שְׁנַ֨יִם (shenayim) = twee | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | אָֽרְצָה (aretsa) = ter aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: וַיַּשְׁחִיתוּ (vayashchitu), ‘zij vernietigden’: het werkwoord shachat, ‘te gronde richten’. Dit komt ook voor in vers 25, 35 en 42. Wij vertalen het steeds met ‘vernietigen’. Zie ook: Gen 49:27; Re 20:25; Re 20:35; Re 20:42; 2 Kron 28:10; Hos 10:9; Jer 12:1 **20:22** Het volk, de mannen van Israël, moedigde zichzelf aan. Zij stelden zich opnieuw in slagorde op, op de plaats waar zij zich de eerste dag hadden opgesteld. Brontekst: וַיִּתְחַזֵּ֥ק (vayitchazeq) = en sterkte zich | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אִ֣ישׁ (ish) = de mannen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֹּסִ֨פוּ֙ (vayosifu) = en zij gingen voort | לַעֲרֹ֣ךְ (laarokh) = om op te stellen | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | בַּמָּק֕וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | עָ֥רְכוּ (arekhu) = zij hadden opgesteld | שָׁ֖ם (sham) = daar | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הָרִאשֽׁוֹן (harishon) = de eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 20:15; Re 20:17; 1 Sam 30:6; 2 Sam 11:25; Ps 64:6 **20:23** De zonen van Israël trokken op en huilden voor het aangezicht van Yahweh tot de avond. Zij raadpleegden Yahweh en zeiden: „Moeten wij opnieuw ten strijde trekken tegen de zonen van Benjamin, onze broer?” Yahweh zei: **„Trek tegen hem op.”** Brontekst: וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en trokken op | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וַיִּבְכּ֣וּ (vayivku) = en huilden | לִפְנֵֽי (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = tot | הָעֶרֶב֒ (haerev) = de avond | וַיִּשְׁאֲל֤וּ (vayishalu) = en raadpleegden | בַֽיהוָה֙ (baYahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הַאוֹסִ֗יף (haosif) = zal ik doorgaan | לָגֶ֨שֶׁת֙ (lageshet) = om te naderen | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = tot de oorlog | עִם (im) = met | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | אָחִ֑י (achi) = mijn broer | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֲל֥וּ (alu) = trekt op | אֵלָֽיו (elav) = naar hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zonen van Israël spreken als één persoon: ‘zal ik doorgaan ... mijn broer’. Wij schrijven ‘wij’ en ‘onze broer’. Zie ook: Joz 7:6; Re 20:18; Re 20:26–27; Ps 78:34–36; Hos 5:15 ### De tweede dag: Israël verliest weer **20:24** Op de tweede dag naderden de zonen van Israël de zonen van Benjamin. Brontekst: וַיִּקְרְב֧וּ (vayiqrevu) = en naderden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשֵּׁנִֽי (hasheni) = de tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **20:25** Op de tweede dag kwam Benjamin vanuit Gibea hen tegemoet. Zij vernietigden opnieuw 18.000 man van de zonen van Israël, tot op de grond. Al deze mannen trokken het zwaard. Brontekst: וַיֵּצֵא֩ (vayetse) = en trok uit | בִנְיָמִ֨ן (binyamin) = Benjamin | לִקְרָאתָ֥ם (liqratam) = hen tegemoet | מִֽן (min) = uit | הַגִּבְעָה֮ (hagiva) = Gibea | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשֵּׁנִי֒ (hasheni) = de tweede | וַיַּשְׁחִיתוּ֩ (vayashchitu) = en vernietigden | בִבְנֵ֨י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | ע֗וֹד (od) = nog | שְׁמֹנַ֨ת (shemonat) = acht | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | אָ֑רְצָה (aretsa) = ter aarde | כָּל (kal) = allen | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | שֹׁ֥לְפֵי (sholefei) = trekkers van | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Zie ook: Gen 18:25; Re 20:21; Rom 2:5; Rom 3:5; Rom 11:33 **20:26** Alle zonen van Israël en heel het volk trokken op en kwamen in Betel. Zij huilden en bleven daar zitten voor het aangezicht van Yahweh. Zij vastten die dag tot de avond. Zij brachten brandoffers en vredeoffers voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en trokken op | כָל (kal) = alle | בְּנֵי֩ (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | בֵֽית (beit) = naar Bet | אֵ֗ל (el) = El | וַיִּבְכּוּ֙ (vayivku) = en huilden | וַיֵּ֤שְׁבוּ (vayeshevu) = en zaten | שָׁם֙ (sham) = daar | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּצ֥וּמוּ (vayatsumu) = en vastten | בַיּוֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | עַד (ad) = tot | הָעָ֑רֶב (haarev) = de avond | וַֽיַּעֲל֛וּ (vayaalu) = en brachten op | עֹל֥וֹת (olot) = brandoffers | וּשְׁלָמִ֖ים (ushelamim) = en vredeoffers | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: עֹלוֹת (olot), ‘brandoffers’, en שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffers’. Zie Lev. 1 en 3. Zie ook: Re 20:18; Re 20:23; Joël 2:12–18; Ezra 8:21; Ezra 9:4–5 **20:27** De zonen van Israël raadpleegden Yahweh. In die dagen was de ark van het verbond van Elohim daar. Brontekst: וַיִּשְׁאֲל֥וּ (vayishalu) = en raadpleegden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּֽיהוָ֑ה (baYahweh) = Yahweh | וְשָׁ֗ם (vesham) = en daar | אֲרוֹן֙ (aron) = de ark van | בְּרִ֣ית (berit) = het verbond van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | בַּיָּמִ֖ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵֽם (hahem) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het Hebreeuws zegt alleen ‘daar’ (sham): bij Betel (vers 26). In Richt. 18:31 staat het huis van Elohim in Silo (Joz. 18:1). Waarom de ark hier bij Betel is, zegt de tekst niet. Voetnoot Uitleg: Pinechas is de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron (Num. 25:7). Zie ook: Num 25:7; Num 27:21; Joz 18:1; Re 18:31; Re 20:18; Re 20:26; 1 Sam 4:3–4; Ps 78:60–61 **20:28** Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond in die dagen voor Hem. Hij zei: „Moeten wij opnieuw uittrekken ten strijde tegen de zonen van Benjamin, onze broer, of moeten wij ophouden?” Yahweh zei: **„Trek op, want morgen geef Ik hem in je hand.”** Brontekst: וּ֠פִינְחָס (ufinechas) = en Pinechas | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְעָזָ֨ר (elazar) = Eleazar | בֶּֽן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֜ן (aharon) = Aäron | עֹמֵ֣ד (omed) = stond | לְפָנָ֗יו (lefanav) = voor Hem | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵם֮ (hahem) = die | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | הַאוֹסִ֨ף (haosif) = zal ik doorgaan | ע֜וֹד (od) = nog | לָצֵ֧את (latset) = om uit te trekken | לַמִּלְחָמָ֛ה (lamilchama) = naar de oorlog | עִם (im) = met | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֥ן (binyamin) = Benjamin | אָחִ֖י (achi) = mijn broer | אִם (im) = of | אֶחְדָּ֑ל (echdal) = zal ik ophouden | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֲל֔וּ (alu) = trekt op | כִּ֥י (ki) = want | מָחָ֖ר (machar) = morgen | אֶתְּנֶ֥נּוּ (etenenu) = zal Ik hem geven | בְיָדֶֽךָ (beyadekha) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶתְּנֶנּוּ (ettennennu), ‘Ik geef hem’: Yahweh spreekt over Benjamin als over één man. Zie ook: Deut 10:8; Deut 18:5; Joz 22:13; Joz 24:33; Re 7:9 ### De derde dag: de hinderlaag **20:29** Israël stelde hinderlagen op rondom Gibea. Brontekst: וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en stelde | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֹֽרְבִ֔ים (orevim) = hinderlagen | אֶל (el) = tegen | הַגִּבְעָ֖ה (hagiva) = Gibea | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Zie ook: Joz 8:4; Re 20:34; 2 Sam 5:23 **20:30** Op de derde dag trokken de zonen van Israël op tegen de zonen van Benjamin. Zij stelden zich op tegenover Gibea, zoals de andere keren. Brontekst: וַיַּעֲל֧וּ (vayaalu) = en trokken op | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tegen | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֑י (hashelishi) = de derde | וַיַּעַרְכ֥וּ (vayaarkhu) = en stelden op | אֶל (el) = tegen | הַגִּבְעָ֖ה (hagiva) = Gibea | כְּפַ֥עַם (kefaam) = als keer | בְּפָֽעַם (befaam) = op keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. **20:31** De zonen van Benjamin kwamen het volk tegemoet. Zij werden van de stad weggelokt. Zij begonnen onder het volk gesneuvelden te slaan, zoals de andere keren, op de wegen. De ene gaat omhoog naar Betel, de andere naar Gibea. Het was in het veld: ongeveer dertig man van Israël. Brontekst: וַיֵּצְא֤וּ (vayetseu) = en trokken uit | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | בִנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | לִקְרַ֣את (liqrat) = tegemoet | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הָנְתְּק֖וּ (hantequ) = werden weggelokt | מִן (min) = van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיָּחֵ֡לּוּ (vayachelu) = en begonnen | לְהַכּוֹת֩ (lehakot) = te slaan | מֵהָעָ֨ם (mehaam) = van het volk | חֲלָלִ֜ים (chalalim) = gesneuvelden | כְּפַ֣עַם (kefaam) = als keer | בְּפַ֗עַם (befaam) = op keer | בַּֽמְסִלּוֹת֙ (bamsilot) = op de wegen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarvan | אַחַ֜ת (achat) = de ene | עֹלָ֣ה (ola) = opgaat | בֵֽית (beit) = naar Bet | אֵ֗ל (el) = El | וְאַחַ֤ת (veachat) = en de ene | גִּבְעָ֨תָה֙ (givata) = naar Gibea | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | כִּשְׁלֹשִׁ֥ים (kishloshim) = ongeveer dertig | אִ֖ישׁ (ish) = man | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibea is het huidige Tell el-Ful (zie 19:13). Betel: zie vers 18. De twee wegen zijn de wegen die in die streek naar Betel en naar Gibea leiden. Zie ook: Joz 7:5; Joz 8:14–16; Re 19:13–14; Re 20:18; Jes 10:29 **20:32** De zonen van Benjamin zeiden: „Zij zijn voor ons verslagen, zoals de eerste keer.” Maar de zonen van Israël hadden gezegd: „Laten wij vluchten en hem van de stad weglokken naar de wegen.” Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | נִגָּפִ֥ים (nigafim) = verslagen | הֵ֛ם (hem) = zij | לְפָנֵ֖ינוּ (lefaneinu) = voor ons | כְּבָרִאשֹׁנָ֑ה (kevarishona) = als de eerste keer | וּבְנֵ֧י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | אָמְר֗וּ (ameru) = hadden gezegd | נָנ֨וּסָה֙ (nanusa) = laten wij vluchten | וּֽנְתַקְּנֻ֔הוּ (unetaqenuhu) = en laten wij hem wegtrekken | מִן (min) = van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | אֶל (el) = naar | הַֽמְסִלּֽוֹת (hamsilot) = de wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 8:15–16 **20:33** Alle mannen van Israël stonden op van hun plaats en stelden zich op bij Baäl-Tamar. De hinderlaag van Israël brak los van zijn plaats, uit de open ruimte bij Geba. Brontekst: וְכֹ֣ל (vekhol) = en alle | אִ֣ישׁ (ish) = mannen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | קָ֚מוּ (qamu) = stonden op | מִמְּקוֹמ֔וֹ (mimeqomo) = van hun plaats | וַיַּעַרְכ֖וּ (vayaarkhu) = en stelden zich op | בְּבַ֣עַל (bevaal) = in Baäl | תָּמָ֑ר (tamar) = Tamar | וְאֹרֵ֧ב (veorev) = en de hinderlaag van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מֵגִ֥יחַ (megiach) = brak los | מִמְּקֹמ֖וֹ (mimeqomo) = van zijn plaats | מִמַּֽעֲרֵה (mimaare) = uit de open ruimte van | גָֽבַע (gava) = Geba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baäl-Tamar was een plaats bij Gibea. Zijn ligging is onzeker. Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Voetnoot Lezing: מַעֲרֵה־גָבַע (ma’areh Gava), ‘de open ruimte van Geba’: het woord is onzeker. Het betekent mogelijk ‘de open ruimte’ of ‘de kale plek’. Er zijn andere lezingen: de Septuaginta en de Vulgaat lijken te lezen ‘ten westen van Gibea’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Joz 8:18–22 **20:34** Tienduizend uitgelezen mannen van heel Israël kwamen tegenover Gibea. De strijd was zwaar. Maar zij wisten niet dat het kwaad hen raakte. Brontekst: וַיָּבֹאוּ֩ (vayavou) = en kwamen | מִנֶּ֨גֶד (mineged) = tegenover | לַגִּבְעָ֜ה (lagiva) = Gibea | עֲשֶׂרֶת֩ (aseret) = tien | אֲלָפִ֨ים (alafim) = duizend | אִ֤ישׁ (ish) = man | בָּחוּר֙ (bachur) = uitgelezen | מִכָּל (mikal) = uit heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְהַמִּלְחָמָ֖ה (vehamilchama) = en de oorlog | כָּבֵ֑דָה (kaveda) = was zwaar | וְהֵם֙ (vehem) = en zij | לֹ֣א (lo) = niet | יָדְע֔וּ (yadeu) = wisten | כִּֽי (ki) = dat | נֹגַ֥עַת (nogaat) = raakte | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = hen | הָרָעָֽה (haraa) = het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Zie ook: Job 21:13; Joz 8:14; Spr 4:19; Jes 3:10–11; Jes 47:11 **20:35** Yahweh sloeg Benjamin voor het aangezicht van Israël. De zonen van Israël vernietigden die dag 25.100 man van Benjamin. Zij allen trokken het zwaard. Brontekst: וַיִּגֹּ֨ף (vayigof) = en sloeg | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽת (et) = (obj.) | בִּנְיָמִן֮ (binyamin) = Benjamin | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | וַיַּשְׁחִיתוּ֩ (vayashchitu) = en vernietigden | בְנֵ֨י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | בְּבִנְיָמִן֙ (bevinyamin) = onder Benjamin | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וַחֲמִשָּׁ֥ה (vachamisha) = en vijf | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | וּמֵאָ֖ה (umea) = en honderd | אִ֑ישׁ (ish) = man | כָּל (kal) = allen | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | שֹׁ֥לֵף (sholef) = trekkend | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het getal 25.100 hier past niet bij vers 46 (25.000). De tekst verklaart het verschil van 100 niet. Zie ook: Job 20:5; Re 20:15; Re 20:44–46; Re 20:46 ### Benjamin wordt verslagen **20:36** De zonen van Benjamin zagen dat zij verslagen waren. De mannen van Israël gaven Benjamin ruimte, want zij vertrouwden op de hinderlaag die zij bij Gibea hadden gesteld. Brontekst: וַיִּרְא֥וּ (vayiru) = en zagen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | כִּ֣י (ki) = dat | נִגָּ֑פוּ (nigafu) = zij waren verslagen | וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en gaven | אִֽישׁ (ish) = de mannen van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | מָקוֹם֙ (maqom) = plaats | לְבִנְיָמִ֔ן (levinyamin) = aan Benjamin | כִּ֤י (ki) = want | בָֽטְחוּ֙ (batechu) = zij vertrouwden | אֶל (el) = op | הָ֣אֹרֵ֔ב (haorev) = de hinderlaag | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׂ֖מוּ (samu) = zij hadden gesteld | אֶל (el) = bij | הַגִּבְעָֽה (hagiva) = Gibea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Zie ook: Joz 8:15–29 **20:37** De hinderlaag haastte zich en viel Gibea binnen. De hinderlaag spreidde zich uit en sloeg de hele stad met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וְהָאֹרֵ֣ב (vehaorev) = en de hinderlaag | הֵחִ֔ישׁוּ (hechishu) = haastte zich | וַֽיִּפְשְׁט֖וּ (vayifshetu) = en viel binnen | אֶל (el) = naar | הַגִּבְעָ֑ה (hagiva) = Gibea | וַיִּמְשֹׁךְ֙ (vayimshokh) = en spreidde zich uit | הָאֹרֵ֔ב (haorev) = de hinderlaag | וַיַּ֥ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעִ֖יר (hair) = de stad | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: וַיִּמְשֹׁךְ (vayimshokh), ‘spreidde zich uit’: het werkwoord mashakh betekent ‘trekken, zich uitstrekken’. De hinderlaag verspreidt zich door de stad. Zie ook: Ex 19:13; Joz 6:5; Joz 8:19 **20:38** Het afgesproken teken tussen de mannen van Israël en de hinderlaag was: zij zouden een grote rookwolk uit de stad laten opstijgen. Brontekst: וְהַמּוֹעֵ֗ד (vehamoed) = en het afgesproken teken | הָיָ֛ה (haya) = was | לְאִ֥ישׁ (leish) = voor de mannen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עִם (im) = met | הָאֹרֵ֑ב (haorev) = de hinderlaag | הֶ֕רֶב (herev) = om groot te maken | לְהַעֲלוֹתָ֛ם (lehaalotam) = hun laten opstijgen | מַשְׂאַ֥ת (masat) = een opstijging van | הֶעָשָׁ֖ן (heashan) = de rook | מִן (min) = uit | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַרֶב (harev), ‘groot maken’, en מַשְׂאַת הֶעָשָׁן (mas’at ha’ashan), ‘opstijging van rook’: een groot rooksignaal. Dat is het teken dat zij hadden afgesproken. Zie ook: Gen 17:21; Joz 8:20; 2 Kon 4:16 **20:39** De mannen van Israël keerden zich om in de strijd. Benjamin was begonnen gesneuvelden te slaan onder de mannen van Israël, ongeveer dertig man. Want zij zeiden: „Zeker, hij is voor ons verslagen, zoals in de eerste oorlog.” Brontekst: וַיַּהֲפֹ֥ךְ (vayahafokh) = en keerden zich om | אִֽישׁ (ish) = de mannen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּמִּלְחָמָ֑ה (bamilchama) = in de oorlog | וּבִנְיָמִ֡ן (uvinyamin) = en Benjamin | הֵחֵל֩ (hechel) = was begonnen | לְהַכּ֨וֹת (lehakot) = te slaan | חֲלָלִ֤ים (chalalim) = gesneuvelden | בְּאִֽישׁ (beish) = onder de mannen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | כִּשְׁלֹשִׁ֣ים (kishloshim) = ongeveer dertig | אִ֔ישׁ (ish) = man | כִּ֣י (ki) = want | אָמְר֔וּ (ameru) = zij zeiden | אַךְ֩ (akh) = zeker | נִגּ֨וֹף (nigof) = geslagen | נִגָּ֥ף (nigaf) = is geslagen | הוּא֙ (hu) = hij | לְפָנֵ֔ינוּ (lefaneinu) = voor ons | כַּמִּלְחָמָ֖ה (kamilchama) = zoals de oorlog | הָרִאשֹׁנָֽה (harishona) = de eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 20:32 **20:40** Maar de rookwolk begon uit de stad op te stijgen, een zuil van rook. Benjamin keerde zich om en zag achter zich: zie, de hele stad steeg omhoog naar de hemel. Brontekst: וְהַמַּשְׂאֵ֗ת (vehamaset) = en de opstijging | הֵחֵ֛לָּה (hechela) = begon | לַעֲל֥וֹת (laalot) = op te stijgen | מִן (min) = uit | הָעִ֖יר (hair) = de stad | עַמּ֣וּד (amud) = een zuil van | עָשָׁ֑ן (ashan) = rook | וַיִּ֤פֶן (vayifen) = en keerde zich | בִּנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | אַחֲרָ֔יו (acharav) = achter zich | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | עָלָ֥ה (ala) = steeg op | כְלִיל (kelil) = het geheel van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | הַשָּׁמָֽיְמָה (hashamayema) = naar de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:28; Joz 8:20; Hoogl 3:6; Joël 3:3; Openb 19:3 **20:41** Toen keerden de mannen van Israël zich om. De mannen van Benjamin raakten in paniek, want zij zagen dat het kwaad hen had bereikt. Brontekst: וְאִ֤ישׁ (veish) = en de mannen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | הָפַ֔ךְ (hafakh) = keerden zich om | וַיִּבָּהֵ֖ל (vayibahel) = en raakten in paniek | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | בִּנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | כִּ֣י (ki) = want | רָאָ֔ה (raa) = hij zag | כִּֽי (ki) = dat | נָגְעָ֥ה (nagea) = had bereikt | עָלָ֖יו (alav) = hem | הָרָעָֽה (haraa) = het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 13:8–9; Luc 17:27–28; Luc 21:26; 1 Tess 5:3; 2 Petr 2:12 **20:42** Zij weken voor de mannen van Israël uit, naar de weg van de woestijn. Maar de strijd haalde hen in. Zij die uit de steden kwamen, vernietigden hen in hun midden. Brontekst: וַיִּפְנ֞וּ (vayifnu) = en keerden zich | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor | אִ֤ישׁ (ish) = de mannen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg van | הַמִּדְבָּ֔ר (hamidbar) = de woestijn | וְהַמִּלְחָמָ֖ה (vehamilchama) = en de oorlog | הִדְבִּיקָ֑תְהוּ (hidbiqatehu) = haalde hem in | וַאֲשֶׁר֙ (vaasher) = en degenen die | מֵהֶ֣עָרִ֔ים (mehearim) = uit de steden | מַשְׁחִיתִ֥ים (mashchitim) = vernietigden | אוֹת֖וֹ (oto) = hem | בְּתוֹכֽוֹ (betokho) = in zijn midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 8:15; Joz 8:24; Hos 9:9; Hos 10:9; Klaagl 1:3 **20:43** Zij omsingelden Benjamin. Zij achtervolgden hen zonder rust. Zij vertrapten hen tot tegenover Gibea, aan de oostkant. Brontekst: כִּתְּר֤וּ (kiteru) = zij omsingelden | אֶת (et) = (obj.) | בִּנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | הִרְדִיפֻ֔הוּ (hirdifuhu) = zij achtervolgden hem | מְנוּחָ֖ה (menucha) = zonder rust | הִדְרִיכֻ֑הוּ (hidrikhuhu) = zij vertrapten hem | עַ֛ד (ad) = tot | נֹ֥כַח (nokhach) = tegenover | הַגִּבְעָ֖ה (hagiva) = Gibea | מִמִּזְרַח (mimizrach) = aan de oostkant van | שָֽׁמֶשׁ (shamesh) = de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Lezing: מְנוּחָה (menuchah), ‘rust’: wij vertalen ‘zonder rust’. Het woord kan ook een plaatsnaam zijn (‘bij Menucha’) of ‘gemakkelijk’ betekenen. Wij volgen de gewone betekenis. Zie ook: Joz 8:20–22 **20:44** Van Benjamin vielen 18.000 man. Al deze mannen waren dappere mannen. Brontekst: וַֽיִּפְּלוּ֙ (vayipelu) = en vielen | מִבִּנְיָמִ֔ן (mibinyamin) = van Benjamin | שְׁמֹנָֽה (shemona) = acht | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | אִ֑ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = allen | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | אַנְשֵׁי (anshei) = mannen van | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **20:45** Zij keerden zich om en vluchtten naar de woestijn, naar de rots van Rimmon. Zij lazen hen na op de wegen: 5.000 man. Zij zetten hen achterna tot Gidom en sloegen 2.000 man van hen neer. Brontekst: וַיִּפְנ֞וּ (vayifnu) = en keerden zich | וַיָּנֻ֤סוּ (vayanusu) = en vluchtten | הַמִּדְבָּ֨רָה֙ (hamidbara) = naar de woestijn | אֶל (el) = naar | סֶ֣לַע (sela) = de rots van | הָֽרִמּ֔וֹן (harimon) = Rimmon | וַיְעֹֽלְלֻ֨הוּ֙ (vayoleluhu) = en lazen hem na | בַּֽמְסִלּ֔וֹת (bamsilot) = op de wegen | חֲמֵ֥שֶׁת (chameshet) = vijf | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיַּדְבִּ֤יקוּ (vayadbiqu) = en zetten achterna | אַחֲרָיו֙ (acharav) = achter hem | עַד (ad) = tot | גִּדְעֹ֔ם (gidom) = Gidom | וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en sloegen | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van hem | אַלְפַּ֥יִם (alpayim) = twee duizend | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De rots van Rimmon ligt waarschijnlijk bij het huidige Rammun, ongeveer 6 kilometer ten oosten van Betel, aan de rand van de woestijn. Gidom is onbekend. Zie Rots van Rimmon: De rots van Rimmon wordt gezocht bij Rammun, ten oosten van Betel. Voetnoot Uitleg: וַיְעֹלְלֻהוּ (vay’olelluhu), ‘zij lazen hem na’: een beeld uit de oogst. Wat bij het maaien blijft liggen, wordt nagelezen. Zo werden ook de overgebleven vluchters ‘nagelezen’. Zie ook: Joz 15:32; Re 21:13; 1 Kron 6:62; Zach 14:10 **20:46** Alle gevallenen van Benjamin op die dag waren 25.000 man die het zwaard trokken. Al deze mannen waren dappere mannen. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כָל (kal) = alle | הַנֹּ֨פְלִ֜ים (hanofelim) = de gevallenen | מִבִּנְיָמִ֗ן (mibinyamin) = van Benjamin | עֶשְׂרִים֩ (esrim) = twintig | וַחֲמִשָּׁ֨ה (vachamisha) = en vijf | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | אִ֛ישׁ (ish) = man | שֹׁ֥לֵֽף (sholef) = trekkend | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = allen | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | אַנְשֵׁי (anshei) = mannen van | חָֽיִל (chayil) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 18.000 (vers 44) plus 5.000 plus 2.000 (vers 45) is 25.000. Zie ook de Uitleg bij vers 35. Zie ook: Re 20:15; Re 20:35; Re 20:44; Re 20:45 **20:47** 600 man keerden zich om en vluchtten naar de woestijn, naar de rots van Rimmon. Zij bleven vier maanden op de rots van Rimmon. Brontekst: וַיִּפְנ֞וּ (vayifnu) = en keerden zich | וַיָּנֻ֤סוּ (vayanusu) = en vluchtten | הַמִּדְבָּ֨רָה֙ (hamidbara) = naar de woestijn | אֶל (el) = naar | סֶ֣לַע (sela) = de rots van | הָֽרִמּ֔וֹן (harimon) = Rimmon | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיֵּֽשְׁבוּ֙ (vayeshevu) = en bleven | בְּסֶ֣לַע (besela) = op de rots van | רִמּ֔וֹן (rimon) = Rimmon | אַרְבָּעָ֖ה (arbaa) = vier | חֳדָשִֽׁים (chodashim) = maanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De rots van Rimmon: zie vers 45. Zie Rots van Rimmon: De rots van Rimmon wordt gezocht bij Rammun, ten oosten van Betel. Zie ook: Re 20:45; Re 21:13; Ps 103:9–10; Jes 1:9; Jer 14:7; Hab 3:2 ### De steden van Benjamin worden verbrand **20:48** De mannen van Israël keerden terug naar de zonen van Benjamin. Zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard: de mensen uit de stad, tot en met het vee, tot alles wat werd gevonden. Ook alle steden die werden gevonden, staken zij in brand. Brontekst: וְאִ֨ישׁ (veish) = en de mannen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | שָׁ֣בוּ (shavu) = keerden terug | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | וַיַּכּ֣וּם (vayakum) = en sloegen hen | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | מֵעִ֤יר (meir) = uit de stad | מְתֹם֙ (metom) = van mensen | עַד (ad) = tot | בְּהֵמָ֔ה (behema) = vee | עַ֖ד (ad) = tot | כָּל (kal) = alles | הַנִּמְצָ֑א (hanimtsa) = wat gevonden werd | גַּ֛ם (gam) = ook | כָּל (kal) = alle | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הַנִּמְצָא֖וֹת (hanimtsaot) = die gevonden werden | שִׁלְּח֥וּ (shilechu) = zij zonden | בָאֵֽשׁ (baesh) = in vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעִיר מְתֹם עַד בְּהֵמָה (me’ir metom ad behemah), ‘uit de stad, mensen tot vee’: het zwaard trof de mensen van de stad en ook het vee. Zie ook: Deut 13:16–18; Spr 18:19; 2 Kron 25:13; 2 Kron 28:6–9 ## Richteren 21 _De vrouwen voor Benjamin: Jabes in Gilead en Silo_ ### De eed van Israël en het verdriet om Benjamin **21:1** De mannen van Israël hadden in Mizpa gezworen: „Niemand van ons zal zijn dochter aan Benjamin tot vrouw geven.” Brontekst: וְאִ֣ישׁ (veish) = en de man van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נִשְׁבַּ֥ע (nishba) = had gezworen | בַּמִּצְפָּ֖ה (bamitspa) = in Mizpa | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = van ons | לֹא (lo) = niet | יִתֵּ֥ן (yiten) = zal geven | בִּתּ֛וֹ (bito) = zijn dochter | לְבִנְיָמִ֖ן (levinyamin) = aan Benjamin | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpa: zie de Plaats-voetnoot bij 20:1. Voetnoot Uitleg: De eed in Mizpa wordt hier voor het eerst genoemd. Hoofdstuk 20 vertelt er niets over. Zie ook: Re 20:1; Re 20:8; Re 21:18; Mar 6:23; Hand 23:12 **21:2** Het volk kwam naar Betel en bleef daar tot de avond zitten voor het aangezicht van Elohim. Zij verhieven hun stem en huilden hevig. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | הָעָם֙ (haam) = het volk | בֵּֽית (beit) = naar Bet | אֵ֔ל (el) = El | וַיֵּ֤שְׁבוּ (vayeshevu) = en zaten | שָׁם֙ (sham) = daar | עַד (ad) = tot | הָעֶ֔רֶב (haerev) = de avond | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וַיִּשְׂא֣וּ (vayisu) = en verhieven | קוֹלָ֔ם (qolam) = hun stem | וַיִּבְכּ֖וּ (vayivku) = en huilden | בְּכִ֥י (bekhi) = geween | גָדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betel: zie 20:18. Voetnoot Uitleg: Het volk bleef ‘voor het aangezicht van Elohim’ zitten. De ark was in die dagen bij Betel (20:27). Zie ook: Gen 27:38; Re 20:18; Re 20:26; Re 21:12; 1 Sam 30:4 **21:3** Zij zeiden: „Waarom, Yahweh, Elohim van Israël, is dit in Israël gebeurd, dat vandaag één stam uit Israël ontbreekt?” Brontekst: וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | לָמָ֗ה (lama) = waarom | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הָ֥יְתָה (hayeta) = is geschied | זֹּ֖את (zot) = dit | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | לְהִפָּקֵ֥ד (lehipaqed) = om te ontbreken | הַיּ֛וֹם (hayom) = vandaag | מִיִּשְׂרָאֵ֖ל (miyisrael) = uit Israël | שֵׁ֥בֶט (shevet) = stam | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהִפָּקֵד (lehippaqed), ‘geteld worden’: het volk wordt geteld en er ontbreekt een stam. Wij vertalen ‘ontbreekt’. Zie ook: Joz 7:7–9; Ps 74:1; Ps 80:13; Jes 63:17; Jer 12:1 **21:4** De volgende dag stond het volk vroeg op. Zij bouwden daar een altaar en brachten brandoffers en vredeoffers. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ (vayashkimu) = en stonden vroeg op | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַיִּבְנוּ (vayivnu) = en bouwden | שָׁ֖ם (sham) = daar | מִזְבֵּ֑חַ (mizbeach) = een altaar | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en brachten op | עֹל֖וֹת (olot) = brandoffers | וּשְׁלָמִֽים (ushelamim) = en vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor ‘brandoffers’ en ‘vredeoffers’: zie Lev. 1 en 3. Zie ook: Re 6:26; 2 Sam 24:25; Ps 78:34–35; 1 Kon 8:64; Hos 5:15 ### Jabes in Gilead **21:5** De zonen van Israël zeiden: „Wie van alle stammen van Israël is niet naar de vergadering opgetrokken, naar Yahweh?” Want de grote eed gold voor wie niet naar Yahweh in Mizpa was opgetrokken. Die eed was: „Hij moet zeker gedood worden.” Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִ֠י (mi) = wie | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | עָלָ֧ה (ala) = is opgetrokken | בַקָּהָ֛ל (baqahal) = naar de vergadering | מִכָּל (mikal) = uit alle | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּי֩ (ki) = want | הַשְּׁבוּעָ֨ה (hashevua) = de eed | הַגְּדוֹלָ֜ה (hagedola) = de grote | הָיְתָ֗ה (hayeta) = was | לַ֠אֲשֶׁר (laasher) = over wie | לֹא (lo) = niet | עָלָ֨ה (ala) = is opgetrokken | אֶל (el) = naar | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | הַמִּצְפָּ֛ה (hamitspa) = naar Mizpa | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | מ֥וֹת (mot) = sterven | יוּמָֽת (yumat) = hij zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: מוֹת יוּמַת (mot yumat), ‘hij zal zeker gedood worden’: dubbele vorm, die de straf sterk maakt. De eed van vers 1 ging over het geven van dochters. Deze tweede eed, over wie niet naar Mizpa kwam, wordt hier voor het eerst genoemd. Zie ook: Lev 27:28–29; Re 5:23; Re 21:1; Re 21:18; 1 Sam 11:7; Jer 48:10 **21:6** De zonen van Israël kregen medelijden met Benjamin, hun broer. Zij zeiden: „Vandaag is één stam van Israël afgehouwen. Brontekst: וַיִּנָּֽחֲמוּ֙ (vayinachamu) = en kregen medelijden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = met | בִּנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | נִגְדַּ֥ע (nigda) = is afgehouwen | הַיּ֛וֹם (hayom) = vandaag | שֵׁ֥בֶט (shevet) = stam | אֶחָ֖ד (echad) = één | מִיִּשְׂרָאֵֽל (miyisrael) = van Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּנָּחֲמוּ (vayyinnachamu), ‘zij kregen medelijden’: het werkwoord nacham kan ook ‘spijt hebben’, ‘berouw hebben’ of ‘getroost worden’ betekenen. Het woord staat ook in vers 15. Wij vertalen steeds ‘medelijden krijgen met’. Zie ook: Re 11:35; Re 20:23; Re 21:15; Hos 11:8; Luc 19:41–42 **21:7** Wat moeten wij voor de overgeblevenen doen, zodat zij vrouwen krijgen? Wij hebben bij Yahweh gezworen dat wij hun niet van onze dochters tot vrouw zouden geven.” Brontekst: מַה (ma) = wat | נַּעֲשֶׂ֥ה (naase) = zullen wij doen | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | לַנּוֹתָרִ֖ים (lanotarim) = voor de overgeblevenen | לְנָשִׁ֑ים (lenashim) = voor vrouwen | וַאֲנַ֨חְנוּ֙ (vaanachnu) = en wij | נִשְׁבַּ֣עְנוּ (nishbanu) = hebben gezworen | בַֽיהוָ֔ה (baYahweh) = bij Yahweh | לְבִלְתִּ֛י (levilti) = om niet | תֵּת (tet) = te geven | לָהֶ֥ם (lahem) = aan hen | מִבְּנוֹתֵ֖ינוּ (mibenoteinu) = van onze dochters | לְנָשִֽׁים (lenashim) = tot vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 21:1; Re 21:18; 1 Sam 14:28–29; 1 Sam 14:45 **21:8** Zij zeiden: „Wie is er van de stammen van Israël die niet naar Yahweh in Mizpa is opgetrokken?” En zie, er was niemand uit Jabes in Gilead naar het kamp gekomen, naar de vergadering. Brontekst: וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | מִ֗י (mi) = wie | אֶחָד֙ (echad) = één | מִשִּׁבְטֵ֣י (mishivtei) = van de stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | עָלָ֥ה (ala) = is opgetrokken | אֶל (el) = naar | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הַמִּצְפָּ֑ה (hamitspa) = naar Mizpa | וְ֠הִנֵּה (vehine) = en zie | לֹ֣א (lo) = niet | בָא (ba) = was gekomen | אִ֧ישׁ (ish) = een man | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֛ה (hamachane) = het kamp | מִיָּבֵ֥ישׁ (miyaveish) = uit Jabes | גִּלְעָ֖ד (gilad) = Gilead | אֶל (el) = naar | הַקָּהָֽל (haqahal) = de vergadering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jabes in Gilead ligt waarschijnlijk bij Tell el-Maqlub of Tell Abu Kharaz in het huidige Jordanië, ten oosten van de Jordaan. De ligging is onzeker. Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie ook: 1 Sam 11:1–3; 1 Sam 31:11–13; 2 Sam 2:5–6 **21:9** Het volk werd geteld. En zie, er was daar niemand van de inwoners van Jabes in Gilead. Brontekst: וַיִּתְפָּקֵ֖ד (vayitpaqed) = en werd geteld | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | אֵֽין (ein) = niet is | שָׁם֙ (sham) = daar | אִ֔ישׁ (ish) = een man | מִיּוֹשְׁבֵ֖י (miyoshevei) = van de inwoners van | יָבֵ֥שׁ (yavesh) = Jabes | גִּלְעָֽד (gilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. **21:10** De gemeenschap stuurde daarheen 12.000 man, dappere mannen. Zij gaf hun dit bevel: „Ga en sla de inwoners van Jabes in Gilead met de scherpte van het zwaard, en de vrouwen en de kleine kinderen. Brontekst: וַיִּשְׁלְחוּ (vayishlechu) = en zonden | שָׁ֣ם (sham) = daarheen | הָעֵדָ֗ה (haeda) = de gemeenschap | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | אֶ֛לֶף (elef) = duizend | אִ֖ישׁ (ish) = man | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | הֶחָ֑יִל (hechayil) = de kracht | וַיְצַוּ֨וּ (vaytsauu) = en geboden | אוֹתָ֜ם (otam) = hun | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | לְ֠כוּ (lekhu) = gaat | וְהִכִּיתֶ֞ם (vehikitem) = en slaat | אֶת (et) = (obj.) | יוֹשְׁבֵ֨י (yoshevei) = de inwoners van | יָבֵ֤שׁ (yavesh) = Jabes | גִּלְעָד֙ (gilad) = Gilead | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וְהַנָּשִׁ֖ים (vehanashim) = en de vrouwen | וְהַטָּֽף (vehataf) = en de kleine kinderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הֶחָיִל (bene hechayil), ‘zonen van de kracht’: dappere mannen. Voetnoot : De tekst zegt hard wat het volk beveelt: de inwoners worden met het zwaard geslagen, ook de vrouwen en de kleine kinderen. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: Deut 13:16; Joz 7:24; Re 5:23; Re 21:5; 1 Sam 11:7 **21:11** Dit is wat jullie moeten doen: elke man en elke vrouw die met een man heeft geslapen, moeten jullie met de ban slaan.” Brontekst: וְזֶ֥ה (veze) = en dit | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תַּעֲשׂ֑וּ (taasu) = jullie zullen doen | כָּל (kal) = elke | זָכָ֗ר (zakhar) = man | וְכָל (vekhal) = en elke | אִשָּׁ֛ה (isha) = vrouw | יֹדַ֥עַת (yodaat) = die kende | מִשְׁכַּב (mishkav) = het bed van | זָכָ֖ר (zakhar) = een man | תַּחֲרִֽימוּ (tacharimu) = jullie zullen met de ban slaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחֱרִים (hecherim), ‘met de ban slaan’: iets of iemand volledig aan Yahweh toewijden en dus vernietigen. Zie ook Deut. 20:17. Voetnoot : יֹדַעַת מִשְׁכַּב זָכָר (yoda’at mishkav zakhar), ‘die het bed van een man heeft gekend’: een vrouw die met een man heeft geslapen. Zo staat het ook in Num. 31:17, 35. Zie ook: Num 31:17–18; Deut 2:34; Deut 20:17 **21:12** Zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead 400 jonge vrouwen, maagden, die niet met een man hadden geslapen. Zij brachten hen naar het kamp in Silo, dat in het land Kanaän ligt. Brontekst: וַֽיִּמְצְא֞וּ (vayimtseu) = en zij vonden | מִיּוֹשְׁבֵ֣י (miyoshevei) = onder de inwoners van | יָבֵ֣ישׁ (yaveish) = Jabes | גִּלְעָ֗ד (gilad) = Gilead | אַרְבַּ֤ע (arba) = vier | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | נַעֲרָ֣ה (naara) = jonge vrouw | בְתוּלָ֔ה (betula) = maagd | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָדְעָ֛ה (yadea) = kende | אִ֖ישׁ (ish) = een man | לְמִשְׁכַּ֣ב (lemishkav) = met het bed van | זָכָ֑ר (zakhar) = een man | וַיָּבִ֨יאוּ (vayaviu) = en zij brachten | אוֹתָ֤ם (otam) = hen | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶה֙ (hamachane) = het kamp | שִׁלֹ֔ה (shilo) = Silo | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo ligt bij het huidige Khirbet Seilun, ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jeruzalem (zie 18:31). Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Silo ligt in het land Kanaän, dat wil zeggen: aan deze kant van de Jordaan. Jabes in Gilead ligt aan de overkant. Zie ook: Joz 18:1; Re 20:18; Re 20:23; Ps 78:60; Jer 7:12 ### Vrede met Benjamin **21:13** De hele gemeenschap stuurde een boodschap en sprak tot de zonen van Benjamin die bij de rots van Rimmon waren. Zij verkondigden hun vrede. Brontekst: וַֽיִּשְׁלְחוּ֙ (vayishlechu) = en zonden | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | וַֽיְדַבְּרוּ֙ (vaydaberu) = en spraken | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּסֶ֣לַע (besela) = bij de rots van | רִמּ֑וֹן (rimon) = Rimmon | וַיִּקְרְא֥וּ (vayiqreu) = en verkondigden | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De rots van Rimmon: zie 20:45. Zie Rots van Rimmon: De rots van Rimmon wordt gezocht bij Rammun, ten oosten van Betel. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘zij stuurden en zij spraken’. Wij vullen ‘een boodschap’ aan. Zie ook: Deut 20:10; Re 20:47; Jes 57:19; Luc 10:5; Ef 2:17 **21:14** Benjamin keerde in die tijd terug. Zij gaven hun de vrouwen die zij van de vrouwen van Jabes in Gilead in leven hadden gelaten. Maar zo vonden zij er niet genoeg voor hen. Brontekst: וַיָּ֤שָׁב (vayashav) = en keerde terug | בִּנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֔יא (hahi) = die | וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en zij gaven | לָהֶם֙ (lahem) = hun | הַנָּשִׁ֔ים (hanashim) = de vrouwen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חִיּ֔וּ (chiyu) = zij lieten leven | מִנְּשֵׁ֖י (mineshei) = van de vrouwen van | יָבֵ֣שׁ (yavesh) = Jabes | גִּלְעָ֑ד (gilad) = Gilead | וְלֹֽא (velo) = en niet | מָצְא֥וּ (matseu) = vonden | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan. Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Het gaat om de 400 maagden uit vers 12. De Benjaminieten die overbleven waren 600 (20:47); zo waren er te weinig vrouwen. Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij vonden voor hen niet zo’. Wij vertalen ‘niet genoeg’. Zie ook: Re 20:47; Re 21:12; 1 Kor 7:2 **21:15** Het volk kreeg medelijden met Benjamin, want Yahweh had een breuk gemaakt in de stammen van Israël. Brontekst: וְהָעָ֥ם (vehaam) = en het volk | נִחָ֖ם (nicham) = kreeg medelijden | לְבִנְיָמִ֑ן (levinyamin) = met Benjamin | כִּֽי (ki) = want | עָשָׂ֧ה (asa) = had gemaakt | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | פֶּ֖רֶץ (perets) = een breuk | בְּשִׁבְטֵ֥י (beshivtei) = in de stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּרֶץ (perets), ‘breuk’: een bres in de muur van Israël. Het Hebreeuws zegt dat Yahweh de breuk maakte. Zie ook: Re 21:6; Re 21:17; 1 Kron 13:11; 1 Kron 15:13; Jes 30:13 ### De vrouwen van Silo **21:16** De oudsten van de gemeenschap zeiden: „Wat moeten wij voor de overgeblevenen doen, zodat zij vrouwen krijgen? Want in Benjamin zijn de vrouwen verdelgd.” Brontekst: וַיֹּֽאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | הָעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | מַה (ma) = wat | נַּעֲשֶׂ֥ה (naase) = zullen wij doen | לַנּוֹתָרִ֖ים (lanotarim) = voor de overgeblevenen | לְנָשִׁ֑ים (lenashim) = voor vrouwen | כִּֽי (ki) = want | נִשְׁמְדָ֥ה (nishmeda) = is verdelgd | מִבִּנְיָמִ֖ן (mibinyamin) = uit Benjamin | אִשָּֽׁה (isha) = vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁמְדָה (nishmedah), ‘verdelgd’: het werkwoord shamad. Zie ook Deut. 7:23. Zie ook: Deut 7:23 **21:17** Zij zeiden: „Er moet een erfdeel zijn voor wie gered is, voor Benjamin, zodat er geen stam uit Israël wordt uitgewist. Brontekst: וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | יְרֻשַּׁ֥ת (yerushat) = een erfdeel van | פְּלֵיטָ֖ה (peleita) = wie gered is | לְבִנְיָמִ֑ן (levinyamin) = voor Benjamin | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִמָּחֶ֥ה (yimache) = zal worden uitgewist | שֵׁ֖בֶט (shevet) = een stam | מִיִּשְׂרָאֵֽל (miyisrael) = uit Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 26:55; Num 36:7 **21:18** Wij kunnen hun geen vrouwen van onze dochters geven, want de zonen van Israël hebben gezworen: ‘Vervloekt is wie een vrouw aan Benjamin geeft.’” Brontekst: וַאֲנַ֗חְנוּ (vaanachnu) = en wij | לֹ֥א (lo) = niet | נוּכַ֛ל (nukhal) = kunnen | לָתֵת (latet) = geven | לָהֶ֥ם (lahem) = hun | נָשִׁ֖ים (nashim) = vrouwen | מִבְּנוֹתֵ֑ינוּ (mibenoteinu) = van onze dochters | כִּֽי (ki) = want | נִשְׁבְּע֤וּ (nishbeu) = hebben gezworen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אָר֕וּר (arur) = vervloekt | נֹתֵ֥ן (noten) = wie geeft | אִשָּׁ֖ה (isha) = een vrouw | לְבִנְיָמִֽן (levinyamin) = aan Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 11:35; Re 21:1 **21:19** Zij zeiden: „Zie, er is jaar na jaar een feest van Yahweh in Silo. Het ligt ten noorden van Betel, ten oosten van de weg die van Betel omhoog naar Sichem gaat, en ten zuiden van Lebona.” Brontekst: וַיֹּאמְר֡וּ (vayomru) = en zeiden | הִנֵּה֩ (hine) = zie | חַג (chag) = een feest van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | בְּשִׁל֜וֹ (beshilo) = in Silo | מִיָּמִ֣ים (miyamim) = van jaar | יָמִ֗ימָה (yamima) = tot jaar | אֲשֶׁ֞ר (asher) = die | מִצְּפ֤וֹנָה (mitsefona) = ten noorden van | לְבֵֽית (leveit) = Bet | אֵל֙ (el) = El | מִזְרְחָ֣ה (mizrecha) = ten oosten van | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | לִמְסִלָּ֔ה (limsila) = de weg | הָעֹלָ֥ה (haola) = die opgaat | מִבֵּֽית (mibeit) = van Bet | אֵ֖ל (el) = El | שְׁכֶ֑מָה (shekhema) = naar Sichem | וּמִנֶּ֖גֶב (uminegev) = en ten zuiden van | לִלְבוֹנָֽה (lilvona) = Lebona Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo ligt ten noorden van Betel, ten oosten van de weg van Betel naar Sichem en ten zuiden van Lebona. Lebona ligt waarschijnlijk bij het huidige Lubban esh-Sharqiyeh, in de buurt van Silo. Sichem ligt bij het huidige Nabloes (Tell Balata) op de Westelijke Jordaanoever. Het gaat om Silo in het gebied van Efraïm. Voetnoot Uitleg: חַג יְהוָה (chag Yahweh), ‘feest van Yahweh’: een jaarlijks pelgrimsfeest. Welk feest het is, zegt de tekst niet. Zie ook: Ex 23:14–16; Lev 23:10; Num 28:16; Deut 16:13; Ps 81:4 **21:20** Zij gaven de zonen van Benjamin dit bevel: „Ga en leg een hinderlaag in de wijngaarden. Brontekst: וַיְצַוּ֕וּ (vaytsauu) = en geboden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לְכ֖וּ (lekhu) = gaat | וַאֲרַבְתֶּ֥ם (vaaravtem) = en legt een hinderlaag | בַּכְּרָמִֽים (bakeramim) = in de wijngaarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:21** Kijk uit. Zie, als de dochters van Silo uitkomen om te dansen in de reidans, kom dan uit de wijngaarden en grijp voor jullie elk een vrouw uit de dochters van Silo. Ga dan naar het land Benjamin. Brontekst: וּרְאִיתֶ֗ם (ureitem) = en jullie zullen zien | וְ֠הִנֵּה (vehine) = en zie | אִם (im) = als | יֵ֨צְא֥וּ (yetseu) = uitkomen | בְנוֹת (benot) = de dochters van | שִׁילוֹ֮ (shilo) = Silo | לָח֣וּל (lachul) = om te dansen | בַּמְּחֹלוֹת֒ (bamecholot) = in de reidansen | וִֽיצָאתֶם֙ (vitsatem) = en jullie komen uit | מִן (min) = uit | הַכְּרָמִ֔ים (hakeramim) = de wijngaarden | וַחֲטַפְתֶּ֥ם (vachataftem) = en grijpen | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | אִ֥ישׁ (ish) = een man | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | מִבְּנ֣וֹת (mibenot) = uit de dochters van | שִׁיל֑וֹ (shilo) = Silo | וַהֲלַכְתֶּ֖ם (vahalakhtem) = en gaat | אֶ֥רֶץ (erets) = het land | בִּנְיָמִֽן (binyamin) = Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: וַחֲטַפְתֶּם (vachatafetem), ‘en grijp’: het werkwoord chataf betekent ‘grijpen, roven’. Hier is het een bevel van de gemeenschap. Wij vertalen zoals het staat. Voetnoot : בַּמְּחֹלוֹת (bamecholot), ‘in de reidansen’: vrouwen die in een kring dansen, zoals Mirjam in Exod. 15:20. Zie ook: Ex 15:20; Re 11:34; 2 Sam 6:21; Ps 150:4; Jer 31:13 **21:22** Als hun vaders of hun broers bij ons komen om te twisten, dan zeggen wij tegen hen: ‘Wees hun genadig om onze wil. Want wij hebben in de oorlog niet voor ieder man zijn vrouw genomen. Jullie hebben ze hun niet gegeven; op dat moment zouden jullie schuldig zijn.’” Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = als | יָבֹ֣אוּ (yavou) = komen | אֲבוֹתָם֩ (avotam) = hun vaders | א֨וֹ (o) = of | אֲחֵיהֶ֜ם (acheihem) = hun broers | לָרִ֣יב (lariv) = om te twisten | אֵלֵ֗ינוּ (eleinu) = tot ons | וְאָמַ֤רְנוּ (veamarnu) = en wij zullen zeggen | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | חָנּ֣וּנוּ (chanunu) = wees genadig | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | לָקַ֛חְנוּ (laqachnu) = wij hebben genomen | אִ֥ישׁ (ish) = een man | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | בַּמִּלְחָמָ֑ה (bamilchama) = in de oorlog | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | נְתַתֶּ֥ם (netatem) = hebben gegeven | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | כָּעֵ֥ת (kaet) = op het moment | תֶּאְשָֽׁמוּ (teshamu) = jullie zouden schuldig zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Dit vers is moeilijk. כְּעֵת תֶּאְשָׁמוּ (ke’et te’shamu) betekent letterlijk ‘als de tijd [dat] jullie schuldig zijn’. Wij lezen het zo: de ouders hebben hun dochters niet gegeven; zij zijn dus niet aan de eed gebonden. Hadden zij ze op dat moment gegeven, dan hadden zij de eed geschonden. Zie ook: Re 21:1; Re 21:14; Re 21:18; Spr 20:25; Mar 10:6–8 ### Benjamin keert terug naar zijn erfdeel **21:23** De zonen van Benjamin deden zo. Zij namen vrouwen, naar hun aantal, van de dansende vrouwen die zij roofden. Zij gingen weg en keerden terug naar hun erfdeel. Zij bouwden de steden op en woonden erin. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵן֙ (ken) = zo | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | וַיִּשְׂא֤וּ (vayisu) = en namen | נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | לְמִסְפָּרָ֔ם (lemisparam) = naar hun aantal | מִן (min) = van | הַמְּחֹלְל֖וֹת (hamecholelot) = de dansende vrouwen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | גָּזָ֑לוּ (gazalu) = zij roofden | וַיֵּלְכ֗וּ (vayelekhu) = en gingen | וַיָּשׁ֨וּבוּ֙ (vayashuvu) = en keerden terug | אֶל (el) = naar | נַ֣חֲלָתָ֔ם (nachalatam) = hun erfdeel | וַיִּבְנוּ֙ (vayivnu) = en bouwden | אֶת (et) = (obj.) | הֶ֣עָרִ֔ים (hearim) = de steden | וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en woonden | בָּהֶֽם (bahem) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּזְלוּ (gazelu), ‘zij roofden’: de tekst noemt het roven. In vers 21 stond het bevel ‘grijp’. Wij vertalen zoals het staat. Zie ook: Re 20:48; Re 21:21 **21:24** De zonen van Israël trokken in die tijd vandaar weg, ieder naar zijn stam en zijn geslacht. Zij gingen vandaar naar buiten, ieder naar zijn erfdeel. Brontekst: וַיִּתְהַלְּכ֨וּ (vayithalekhu) = en gingen rond | מִשָּׁ֤ם (misham) = vandaar | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֔יא (hahi) = die | אִ֥ישׁ (ish) = een man | לְשִׁבְט֖וֹ (leshivto) = naar zijn stam | וּלְמִשְׁפַּחְתּ֑וֹ (ulemishpachto) = en naar zijn geslacht | וַיֵּצְא֣וּ (vayetseu) = en gingen uit | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | אִ֖ישׁ (ish) = een man | לְנַחֲלָתֽוֹ (lenachalato) = naar zijn erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:25** In die dagen was er geen koning in Israël. Ieder deed wat goed was in zijn eigen ogen. Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | אֵ֥ין (ein) = niet was | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | אִ֛ישׁ (ish) = een ieder | הַיָּשָׁ֥ר (hayashar) = wat goed was | בְּעֵינָ֖יו (beeinav) = in zijn ogen | יַעֲשֶֽׂה (yaase) = deed hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het vierde en laatste refrein in dit deel van het boek, in de volledige vorm (zie 17:6; 18:1; 19:1). Zie ook: Deut 12:8; Re 17:6; Spr 3:5; Spr 14:12; Pred 11:9