# Jozua (יהושע, Yehoshua) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Jozua 1 _Yahweh roept Jozua tot leider_ ### Yahweh roept Jozua **1:1** Na de dood van Mozes, de dienaar van Yahweh, sprak Yahweh tot Jozua, de zoon van Nun, de helper van Mozes: Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַחֲרֵ֛י (acharei) = na | מ֥וֹת (mot) = de dood van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עֶ֣בֶד (eved) = dienaar van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֔וּן (nun) = Nun | מְשָׁרֵ֥ת (mesharet) = helper van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשָׁרֵת (mesjaret), ‘helper’: iemand die een grote leider persoonlijk dient. Dit is een ander woord dan עֶבֶד (eved), ‘dienaar’, dat hier alleen voor Mozes staat. Jozua was al Mozes’ helper in Exod. 24:13; 33:11. Het boek sluit direct aan op de dood van Mozes (Deut. 34:5). Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:1–4 bevestigt de woorden van Yahweh aan Jozua (Joz. 1:2–7). Zie ook: Jas 88:1–4; Ex 24:13; Ex 33:11; Deut 1:38; Deut 31:3; Deut 31:23; Deut 34:5; Deut 34:9; Joz 1:2–7 **1:2** **„Mozes, Mijn dienaar, is gestorven. Sta nu op en steek deze Jordaan over, jij en heel dit volk, naar het land dat Ik hun geef, aan de zonen van Israël.** Brontekst: מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | עַבְדִּ֖י (avdi) = mijn dienaar | מֵ֑ת (met) = is gestorven | וְעַתָּה֩ (veata) = en nu | ק֨וּם (qum) = sta op | עֲבֹ֜ר (avor) = steek over | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֣ן (hayarden) = de Jordaan | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֶל (el) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | נֹתֵ֥ן (noten) = geef | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Yahweh noemt Mozes ‘Mijn dienaar’. Dat is een eretitel, zoals in Num. 12:7–8. Zie ook: Num 12:7–8; Num 27:16–21; Deut 3:28; Deut 31:7; Joz 1:1; Joz 1:11 **1:3** **Elke plaats waar de zool van jullie voet treedt, heb Ik jullie gegeven, zoals Ik tot Mozes gesproken heb.** Brontekst: כָּל (kal) = elke | מָק֗וֹם (maqom) = plaats | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | תִּדְרֹ֧ךְ (tidrokh) = treedt | כַּֽף (kaf) = de zool van | רַגְלְכֶ֛ם (raglekhem) = jullie voet | בּ֖וֹ (bo) = daarop | לָכֶ֣ם (lakhem) = aan jullie | נְתַתִּ֑יו (netativ) = heb Ik het gegeven | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אֶל (el) = tot | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 11:24; Joz 14:9; Tit 1:2 **1:4** **Jullie gebied zal zijn: van de woestijn en deze Libanon tot aan de grote rivier, de rivier Eufraat. Dat is heel het land van de Hethieten. Het reikt tot aan de grote zee waar de zon ondergaat.** Brontekst: מֵהַמִּדְבָּר֩ (mehamidbar) = vanaf de woestijn | וְהַלְּבָנ֨וֹן (vehalevanon) = en de Libanon | הַזֶּ֜ה (haze) = deze | וְֽעַד (vead) = en tot | הַנָּהָ֧ר (hanahar) = de rivier | הַגָּד֣וֹל (hagadol) = de grote | נְהַר (nehar) = rivier van | פְּרָ֗ת (perat) = Eufraat | כֹּ֚ל (kol) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הַֽחִתִּ֔ים (hachitim) = de Hethieten | וְעַד (vead) = en tot | הַיָּ֥ם (hayam) = de zee | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | מְב֣וֹא (mevo) = het ondergaan van | הַשָּׁ֑מֶשׁ (hashamesh) = de zon | יִֽהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | גְּבוּלְכֶֽם (gevulekhem) = jullie gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Libanon is het gebergte in het noorden van het land (Libanon). De Eufraat is de grote rivier in het noordoosten (nu Syrië en Irak). ‘De zee waar de zon ondergaat’ is de Middellandse Zee, in het westen. Het ‘land van de Hethieten’ is hier een naam voor het gebied tussen de Libanon en de Eufraat; de precieze begrenzing is niet bekend. Zie ook Gen. 15:18; Deut. 11:24. Zie ook: Gen 15:18–21; Ex 23:31; Num 34:2–18; Deut 3:25; Deut 11:24 **1:5** **Alle dagen van je leven zal niemand tegen je standhouden. Zoals Ik met Mozes was, zo zal Ik met jou zijn. Ik zal je niet loslaten en je niet verlaten.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יִתְיַצֵּ֥ב (yityatsev) = zal standhouden | אִישׁ֙ (ish) = man | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je aangezicht | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | חַיֶּ֑יךָ (chayeikha) = je leven | כַּֽאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | הָיִ֤יתִי (hayiti) = Ik was | עִם (im) = met | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | אֶהְיֶ֣ה (ehye) = Ik zal zijn | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met jou | לֹ֥א (lo) = niet | אַרְפְּךָ֖ (arpekha) = Ik zal je loslaten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֶעֶזְבֶֽךָּ (eezveka) = Ik zal je verlaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:6–8; Joz 1:9; Jes 41:10–14; Mat 28:20; Rom 8:31 **1:6** **Wees sterk en moedig. Want jij zult dit volk het land als erfdeel geven, het land dat Ik aan hun vaders heb gezworen hun te geven.** Brontekst: חֲזַ֖ק (chazaq) = wees sterk | וֶאֱמָ֑ץ (veemats) = en moedig | כִּ֣י (ki) = want | אַתָּ֗ה (ata) = jij | תַּנְחִיל֙ (tanchil) = zult als erfdeel geven | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֥עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | לַאֲבוֹתָ֖ם (laavotam) = aan hun vaders | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לָהֶֽם (lahem) = hun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָחַל (nachal) in de oorzaakvorm betekent ‘als erfdeel laten bezitten’. Wij vertalen ‘als erfdeel geven’, zoals in Deut. 1:38. Zie ook: Deut 1:38; Joz 1:7; Joz 1:9; 1 Kron 22:13; Dan 10:19; Ef 6:10 **1:7** **Wees alleen sterk en zeer moedig. Let erop dat je doet naar heel de wet die Mozes, Mijn dienaar, je geboden heeft. Wijk er niet van af, naar rechts of naar links, zodat je overal waar je gaat verstandig handelt.** Brontekst: רַק֩ (raq) = alleen | חֲזַ֨ק (chazaq) = wees sterk | וֶֽאֱמַ֜ץ (veemats) = en moedig | מְאֹ֗ד (meod) = zeer | לִשְׁמֹ֤ר (lishmor) = om te waken | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te doen | כְּכָל (kekhal) = overeenkomstig heel | הַתּוֹרָ֗ה (hatora) = de wet | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | צִוְּךָ֙ (tsivekha) = heeft je geboden | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | עַבְדִּ֔י (avdi) = mijn dienaar | אַל (al) = niet | תָּס֥וּר (tasur) = wijk af | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | יָמִ֣ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹ֑אול (usemovl) = en links | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תַּשְׂכִּ֔יל (taskil) = je verstandig handelt | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | תֵּלֵֽךְ (telekh) = je gaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het onderricht dat Yahweh door Mozes gaf. Voetnoot : שָׂכַל (sakal), ‘verstandig handelen’: ook ‘inzicht hebben’ of ‘slagen’. Wij houden steeds ‘verstandig handelen’ aan, ook in vers 8. Zie ook: Deut 5:32; Joz 1:8; Joz 11:15; 1 Kron 22:13; Spr 4:27 **1:8** **Dit boek van de wet mag niet uit je mond wijken. Je moet er dag en nacht over nadenken, zodat je erop let te doen naar alles wat erin geschreven staat. Want dan zul je je wegen doen slagen en dan zul je verstandig handelen.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יָמ֡וּשׁ (yamush) = wijkt | סֵפֶר֩ (sefer) = het boek van | הַתּוֹרָ֨ה (hatora) = de wet | הַזֶּ֜ה (haze) = dit | מִפִּ֗יךָ (mipikha) = uit je mond | וְהָגִ֤יתָ (vehagita) = en je zult overdenken | בּוֹ֙ (bo) = daarin | יוֹמָ֣ם (yomam) = overdag | וָלַ֔יְלָה (valayla) = en 's nachts | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | תִּשְׁמֹ֣ר (tishmor) = je erop let | לַעֲשׂ֔וֹת (laasot) = om te doen | כְּכָל (kekhal) = overeenkomstig alles | הַכָּת֖וּב (hakatuv) = wat geschreven staat | בּ֑וֹ (bo) = daarin | כִּי (ki) = want | אָ֛ז (az) = dan | תַּצְלִ֥יחַ (tatsliach) = zul je laten slagen | אֶת (et) = (obj.) | דְּרָכֶ֖ךָ (derakhekha) = je wegen | וְאָ֥ז (veaz) = en dan | תַּשְׂכִּֽיל (taskil) = zul je verstandig handelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָגָה (hagah), ‘nadenken’: letterlijk ‘zachtjes zeggen’ of ‘mompelen’. Het woord wordt ook gebruikt in Ps. 1:2. Voetnoot : הִצְלִיחַ (hitslieach), ‘doen slagen’: letterlijk ‘je weg doen gelukken’. Zie ook: Deut 29:8; Ps 1:2; Ps 19:15; Ps 119:15; Spr 3:1; Kol 3:16 **1:9** **Heb Ik je niet geboden: wees sterk en moedig? Wees niet bang en raak niet ontmoedigd. Want Yahweh, jouw Elohim, is met je overal waar je gaat.”** Brontekst: הֲל֤וֹא (halo) = heb Ik je niet | צִוִּיתִ֨יךָ֙ (tsivitikha) = geboden | חֲזַ֣ק (chazaq) = wees sterk | וֶאֱמָ֔ץ (veemats) = en moedig | אַֽל (al) = niet | תַּעֲרֹ֖ץ (taarots) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחָ֑ת (techat) = raak ontmoedigd | כִּ֤י (ki) = want | עִמְּךָ֙ (imekha) = met jou | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | תֵּלֵֽךְ (telekh) = je gaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 28:15; Deut 20:1; Joz 1:6–7; Ps 27:1–2; Jer 1:7–8 ### Jozua geeft het volk bevel **1:10** Jozua gaf de opzichters van het volk dit bevel: Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en gaf bevel | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | שֹׁטְרֵ֥י (shoterei) = de opzichters van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **1:11** „Ga door het kamp en geef het volk dit bevel: Maak proviand voor jullie klaar. Want over drie dagen steken jullie deze Jordaan over. Jullie gaan het land binnen om het in bezit te nemen. Yahweh, jullie Elohim, geeft het jullie om het in bezit te nemen.” Brontekst: עִבְר֣וּ (ivru) = ga door | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = in het midden van | הַֽמַּחֲנֶ֗ה (hamachane) = het kamp | וְצַוּ֤וּ (vetsauu) = en geef bevel | אֶת (et) = (obj.) | הָעָם֙ (haam) = het volk | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הָכִ֥ינוּ (hakhinu) = maak klaar | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | צֵידָ֑ה (tseida) = proviand | כִּ֞י (ki) = want | בְּע֣וֹד (beod) = over | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | עֹֽבְרִים֙ (overim) = steken over | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֣ן (hayarden) = de Jordaan | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | לָבוֹא֙ (lavo) = om binnen te gaan | לָרֶ֣שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | נֹתֵ֥ן (noten) = geeft | לָכֶ֖ם (lakhem) = jullie | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: צֵידָה (tsedah), ‘proviand’: eten voor onderweg. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:5 bevestigt dit bevel. Zie ook: Jas 88:5; Deut 9:1; Deut 11:31; Joz 3:2; 2 Kon 20:5; Hos 6:2 ### Jozua spreekt de stammen van over de Jordaan aan **1:12** Tot de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse zei Jozua: Brontekst: וְלָרֽאוּבֵנִי֙ (velaruveni) = en aan de Rubenieten | וְלַגָּדִ֔י (velagadi) = en aan de Gadieten | וְלַחֲצִ֖י (velachatsi) = en aan de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = de stam | הַֽמְנַשֶּׁ֑ה (hamnashe) = Manasse | אָמַ֥ר (amar) = zei | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze stammen hadden hun erfdeel al ontvangen aan de oostkant van de Jordaan (Num. 32; Deut. 3:12–20). Zie ook: Num 32:20–22; Deut 3:12–20 **1:13** „Denk aan het woord dat Mozes, de dienaar van Yahweh, jullie geboden heeft: ‘Yahweh, jullie Elohim, geeft jullie rust. Hij geeft jullie dit land.’ Brontekst: זָכוֹר֙ (zakhor) = denk aan | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | צִוָּ֥ה (tsiva) = heeft geboden | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = dienaar van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | מֵנִ֣יחַ (meniach) = geeft rust | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | וְנָתַ֥ן (venatan) = en geeft | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:20–28; Deut 3:18–20; Joz 22:1–4 **1:14** Jullie vrouwen, jullie kleine kinderen en jullie vee blijven in het land dat Mozes jullie gegeven heeft aan de overkant van de Jordaan. Maar jullie, alle dappere krijgers, steken gewapend over, voor jullie broeders uit. Jullie zullen hen helpen, Brontekst: נְשֵׁיכֶ֣ם (nesheikhem) = jullie vrouwen | טַפְּכֶם֮ (tapekhem) = jullie kleine kinderen | וּמִקְנֵיכֶם֒ (umiqneikhem) = en jullie vee | יֵשְׁב֕וּ (yeshevu) = zullen wonen | בָּאָ֕רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נָתַ֥ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֛ם (lakhem) = aan jullie | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וְאַתֶּם֩ (veatem) = en jullie | תַּעַבְר֨וּ (taavru) = zullen oversteken | חֲמֻשִׁ֜ים (chamushim) = gewapend | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | אֲחֵיכֶ֗ם (acheikhem) = jullie broeders | כֹּ֚ל (kol) = alle | גִּבּוֹרֵ֣י (giborei) = dappere krijgers van | הַחַ֔יִל (hachayil) = de strijdmacht | וַעֲזַרְתֶּ֖ם (vaazartem) = en jullie zullen helpen | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: חֲמֻשִׁים (chamusjim), ‘gewapend’: het woord komt voor in Exod. 13:18, Joz. 4:12 en Richt. 7:11. Het betekent waarschijnlijk ‘in slagorde’ of ‘gewapend’. Ook mogelijk is ‘in groepen van vijf’. Wij vertalen ‘gewapend’, zoals in Num. 32:17. Zie ook: Ex 13:18; Num 32:17; Deut 20:8; Joz 4:12; Re 7:11; Openb 17:4 **1:15** totdat Yahweh jullie broeders rust geeft, net als jullie, en ook zij het land in bezit nemen dat Yahweh, jullie Elohim, hun geeft. Dan zullen jullie terugkeren naar het land dat jullie bezit is, en het in bezit nemen. Dat is het land dat Mozes, de dienaar van Yahweh, jullie gegeven heeft aan de overkant van de Jordaan, waar de zon opgaat.” Brontekst: עַ֠ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | יָנִ֨יחַ (yaniach) = rust geeft | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לַֽאֲחֵיכֶם֮ (laacheikhem) = aan jullie broeders | כָּכֶם֒ (kakhem) = zoals jullie | וְיָרְשׁ֣וּ (veyareshu) = en zij in bezit nemen | גַם (gam) = ook | הֵ֔מָּה (hema) = zij | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | נֹתֵ֣ן (noten) = geeft | לָהֶ֑ם (lahem) = hun | וְשַׁבְתֶּ֞ם (veshavtem) = en jullie zullen terugkeren | לְאֶ֤רֶץ (leerets) = naar het land van | יְרֻשַּׁתְכֶם֙ (yerushatkhem) = jullie bezit | וִֽירִשְׁתֶּ֣ם (virishtem) = en in bezit nemen | אוֹתָ֔הּ (otah) = het | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נָתַ֣ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֗ם (lakhem) = aan jullie | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | עֶ֣בֶד (eved) = dienaar van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעֵ֥בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | מִזְרַ֥ח (mizrach) = het opgaan van | הַשָּֽׁמֶשׁ (hashamesh) = de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: הֵנִיחַ (henieach), ‘rust geven’: Yahweh geeft de stammen aan de overkant rust van hun vijanden. Zie Deut. 12:10; 25:19. Zie ook: Num 32:17–22; Deut 12:10; Deut 25:19; Joz 22:4–9; Gal 5:13; 1 Kor 13:5; Fil 2:4 ### Het antwoord van het volk **1:16** Zij antwoordden Jozua en zeiden: „Alles wat je ons geboden hebt, zullen wij doen. Overal waar je ons heen stuurt, zullen wij gaan. Brontekst: וַֽיַּעֲנ֔וּ (vayaanu) = en zij antwoordden | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּ֤ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוִּיתָ֨נוּ֙ (tsivitanu) = je ons hebt geboden | נַֽעֲשֶׂ֔ה (naase) = zullen wij doen | וְאֶֽל (veel) = en naar | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תִּשְׁלָחֵ֖נוּ (tishlachenu) = je ons stuurt | נֵלֵֽךְ (nelekh) = zullen wij gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:25; Deut 5:27; Rom 13:1–5; Tit 3:1; 1 Petr 2:13–15 **1:17** Zoals wij in alles naar Mozes hebben geluisterd, zo zullen wij naar jou luisteren. Moge Yahweh, jouw Elohim, alleen met je zijn, zoals Hij met Mozes was. Brontekst: כְּכֹ֤ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | שָׁמַ֨עְנוּ֙ (shamanu) = wij hebben geluisterd | אֶל (el) = naar | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כֵּ֖ן (ken) = zo | נִשְׁמַ֣ע (nishma) = zullen wij luisteren | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = naar jou | רַ֠ק (raq) = alleen | יִֽהְיֶ֞ה (yihye) = moge zijn | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = jouw Elohim | עִמָּ֔ךְ (imakh) = met jou | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | הָיָ֖ה (haya) = Hij was | עִם (im) = met | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:5; Joz 1:9; 1 Kron 28:20; Ps 118:25–26; 1 Kon 1:37 **1:18** Ieder die zich verzet tegen je bevel en niet luistert naar je woorden, in alles wat je hem beveelt, zal ter dood gebracht worden. Wees alleen sterk en moedig.” Brontekst: כָּל (kal) = ieder | אִ֞ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = die | יַמְרֶ֣ה (yamre) = zich verzet tegen | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֗יךָ (pikha) = je mond | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִשְׁמַ֧ע (yishma) = luistert naar | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרֶ֛יךָ (devareikha) = je woorden | לְכֹ֥ל (lekhol) = in alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | תְּצַוֶּ֖נּוּ (tetsavenu) = je hem beveelt | יוּמָ֑ת (yumat) = zal ter dood gebracht worden | רַ֖ק (raq) = alleen | חֲזַ֥ק (chazaq) = wees sterk | וֶאֱמָֽץ (veemats) = en moedig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘wie zich verzet tegen je mond’. Wij vertalen ‘tegen je bevel’, zoals ‘tegen de mond van Yahweh’ in Deut. 1:26 wordt vertaald. Zie ook: Deut 1:26; Joz 1:9; Ezra 10:4; 1 Kor 16:13; Ef 6:10; Heb 12:25 ## Jozua 2 _Twee spionnen in Jericho en Rachab_ ### Jozua stuurt twee spionnen naar Jericho **2:1** Jozua, de zoon van Nun, stuurde heimelijk twee mannen als spionnen weg uit Sittim. Hij zei: „Ga, verken het land en Jericho.” Zij gingen en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer. Haar naam was Rachab. Daar sliepen zij. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֠וּן (nun) = Nun | מִֽן (min) = uit | הַשִּׁטִּ֞ים (hashitim) = Sittim | שְׁנַֽיִם (shenayim) = twee | אֲנָשִׁ֤ים (anashim) = mannen | מְרַגְּלִים֙ (meragelim) = spionnen | חֶ֣רֶשׁ (cheresh) = heimelijk | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לְכ֛וּ (lekhu) = ga | רְא֥וּ (reu) = zie | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְרִיח֑וֹ (yericho) = Jericho | וַיֵּ֨לְכ֜וּ (vayelekhu) = en zij gingen | וַ֠יָּבֹאוּ (vayavou) = en zij kwamen | בֵּית (beit) = het huis van | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | זוֹנָ֛ה (zona) = hoer | וּשְׁמָ֥הּ (ushemah) = en haar naam | רָחָ֖ב (rachav) = Rachab | וַיִּשְׁכְּבוּ (vayishkevu) = en zij sliepen | שָֽׁמָּה (shama) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sittim (ook Abel-Sittim, Num. 33:49) lag ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho, in het huidige Jordanië. De precieze plek is niet zeker; Tell el-Hammam is een voorstel. Jericho ligt bij Tell es-Sultan, op de Westelijke Jordaanoever, in het Jordaandal. Voetnoot Uitleg: זוֹנָה (zonah), ‘hoer’: een vrouw die haar lichaam aanbiedt voor loon. Het Nieuwe Testament noemt Rachab ook zo (Hebr. 11:31; Jak. 2:25). Zie ook Matt. 1:5. Voetnoot : חֶרֶשׁ (cheresj), ‘heimelijk’: letterlijk ‘in stilte’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:7 bevestigt dat Jozua twee mannen stuurde om Jericho te verspieden. Zie ook: Jas 88:7; Num 13:17–21; Num 25:1; Num 33:49; Mat 1:5; Jak 2:25; Heb 11:31 ### De koning van Jericho zoekt de mannen **2:2** Men zei tegen de koning van Jericho: „Zie, vannacht zijn mannen van de zonen van Israël hier gekomen om het land te verkennen.” Brontekst: וַיֵּ֣אָמַ֔ר (vayeamar) = en men zei | לְמֶ֥לֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | יְרִיח֖וֹ (yericho) = Jericho | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אֲ֠נָשִׁים (anashim) = mannen | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | הֵ֧נָּה (hena) = hierheen | הַלַּ֛יְלָה (halayla) = vannacht | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לַחְפֹּ֥ר (lachpor) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘en hij zei’, zonder onderwerp. Wij vertalen ‘men zei’. Zie ook: Ps 127:1; Spr 21:30; Jes 43:13; Dan 4:32 **2:3** De koning van Jericho liet Rachab zeggen: „Breng de mannen naar buiten die bij je gekomen zijn, die in je huis zijn gekomen. Want zij zijn gekomen om heel het land te verkennen.” Brontekst: וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en stuurde | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְרִיח֔וֹ (yericho) = Jericho | אֶל (el) = tot | רָחָ֖ב (rachav) = Rachab | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | ה֠וֹצִיאִי (hotsii) = breng naar buiten | הָאֲנָשִׁ֨ים (haanashim) = de mannen | הַבָּאִ֤ים (habaim) = die komen | אֵלַ֨יִךְ֙ (elayikh) = tot jou | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | לְבֵיתֵ֔ךְ (leveitekh) = naar je huis | כִּ֛י (ki) = want | לַחְפֹּ֥ר (lachpor) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | בָּֽאוּ (bau) = zijn zij gekomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Gen 38:24; Gen 42:9–12; Job 21:30; 2 Sam 10:3; Joh 19:4 **2:4** De vrouw nam de twee mannen en verborg hen. Daarna zei zij: „Ja, de mannen zijn bij mij gekomen. Maar ik wist niet waar zij vandaan kwamen. Brontekst: וַתִּקַּ֧ח (vatiqach) = en nam | הָֽאִשָּׁ֛ה (haisha) = de vrouw | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | וַֽתִּצְפְּנ֑וֹ (vatitspeno) = en verborg hem | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en zei | כֵּ֗ן (ken) = ja | בָּ֤אוּ (bau) = zijn gekomen | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָדַ֖עְתִּי (yadati) = ik wist | מֵאַ֥יִן (meayin) = waar vandaan | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘zij verborg hem’, in het enkelvoud. Wij vertalen ‘hen’, omdat het om beide mannen gaat. Zie ook: Ex 1:19; 2 Sam 16:18–19; 2 Sam 17:19–20; 2 Kon 6:19 **2:5** Toen de poort bij het donker gesloten zou worden, zijn de mannen weggegaan. Ik weet niet waarheen de mannen zijn gegaan. Zet snel de achtervolging in, want jullie zullen hen inhalen.” Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | הַשַּׁ֜עַר (hashaar) = de poort | לִסְגּ֗וֹר (lisgor) = om te sluiten | בַּחֹ֨שֶׁךְ֙ (bachoshekh) = in het donker | וְהָאֲנָשִׁ֣ים (vehaanashim) = en de mannen | יָצָ֔אוּ (yatsau) = zijn weggegaan | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik weet | אָ֥נָה (ana) = waarheen | הָלְכ֖וּ (halekhu) = zij zijn gegaan | הָֽאֲנָשִׁ֑ים (haanashim) = de mannen | רִדְפ֥וּ (ridfu) = achtervolg | מַהֵ֛ר (maher) = snel | אַחֲרֵיהֶ֖ם (achareihem) = achter hen aan | כִּ֥י (ki) = want | תַשִּׂיגֽוּם (tasigum) = jullie zullen hen inhalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 60:11; Jer 50:20; Ezech 47:1–2; Ezech 47:12; Openb 21:25 **2:6** Zij had hen naar het dak gebracht. Zij had hen verborgen onder de vlasstengels die zij voor zich op het dak had neergelegd. Brontekst: וְהִ֖יא (vehi) = en zij | הֶעֱלָ֣תַם (heelatam) = had hen laten opgaan | הַגָּ֑גָה (hagaga) = naar het dak | וַֽתִּטְמְנֵם֙ (vatitmenem) = en verborg hen | בְּפִשְׁתֵּ֣י (befishtei) = in de stengels van | הָעֵ֔ץ (haets) = het vlas | הָעֲרֻכ֥וֹת (haarukhot) = die uitgespreid waren | לָ֖הּ (lah) = voor haar | עַל (al) = op | הַגָּֽג (hagag) = het dak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּשְׁתֵּי הָעֵץ (pisjtei ha’ets), ‘vlasstengels’: letterlijk ‘vlas van het hout’. Dat zijn de stengels van het vlas, die op het dak te drogen lagen. Zie ook: Deut 22:8; 2 Sam 17:19; Jak 2:25; Kol 3:3; Heb 11:23 **2:7** De mannen achtervolgden hen op de weg naar de Jordaan, tot aan de doorwaadbare plaatsen. Zodra de achtervolgers achter hen aan waren uitgegaan, sloot men de poort. Brontekst: וְהָאֲנָשִׁ֗ים (vehaanashim) = en de mannen | רָדְפ֤וּ (radefu) = achtervolgden | אַֽחֲרֵיהֶם֙ (achareihem) = achter hen aan | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg naar | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | עַ֖ל (al) = tot aan | הַֽמַּעְבְּר֑וֹת (hamaberot) = de doorwaadbare plaatsen | וְהַשַּׁ֣עַר (vehashaar) = en de poort | סָגָ֔רוּ (sagaru) = sloten | אַחֲרֵ֕י (acharei) = nadat | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = toen | יָצְא֥וּ (yatseu) = waren uitgegaan | הָרֹדְפִ֖ים (harodefim) = de achtervolgers | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = achter hen aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: מַעְבְּרוֹת (ma’avarot), ‘doorwaadbare plaatsen’: plaatsen in de rivier waar je kunt oversteken. Zie ook: Joz 2:5; Re 3:28; Re 12:5; Hand 5:23 ### Rachab belijdt Yahweh **2:8** De spionnen waren nog niet gaan slapen, toen zij bij hen op het dak kwam. Brontekst: וְהֵ֖מָּה (vehema) = en zij | טֶ֣רֶם (terem) = nog niet | יִשְׁכָּב֑וּן (yishkavun) = zouden gaan slapen | וְהִ֛יא (vehi) = en zij | עָלְתָ֥ה (aleta) = klom omhoog | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = naar hen | עַל (al) = op | הַגָּֽג (hagag) = het dak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:9** Zij zei tegen de mannen: „Ik weet dat Yahweh jullie het land heeft gegeven. De schrik voor jullie is op ons gevallen. Alle bewoners van het land zijn verlamd van angst voor jullie. Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zij zei | אֶל (el) = tot | הָ֣אֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | יָדַ֕עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּֽי (ki) = dat | נָתַ֧ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְכִֽי (vekhi) = en dat | נָפְלָ֤ה (nafela) = is gevallen | אֵֽימַתְכֶם֙ (eimatkhem) = jullie schrik | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = op ons | וְכִ֥י (vekhi) = en dat | נָמֹ֛גוּ (namogu) = zijn verlamd | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | מִפְּנֵיכֶֽם (mipeneikhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָמֹגוּ (namogoe), ‘verlamd zijn’: letterlijk ‘smelten’. Het is een beeld van mensen die door angst alle kracht verliezen. Zie ook Exod. 15:15. Zie ook: Ex 15:15–16; Ex 23:27; Deut 2:25; Joz 2:11; Pred 8:12 **2:10** Want wij hebben gehoord dat Yahweh het water van de Rietzee voor jullie heeft laten opdrogen, toen jullie uit Egypte trokken. Ook hebben wij gehoord wat jullie gedaan hebben met de twee koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan, met Sichon en Og. Jullie hebben hen onder de ban gelegd. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | שָׁמַ֗עְנוּ (shamanu) = wij hebben gehoord | אֵ֠ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = dat | הוֹבִ֨ישׁ (hovish) = heeft laten opdrogen | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֵ֤י (mei) = het water van | יַם (yam) = de zee van | סוּף֙ (suf) = riet | מִפְּנֵיכֶ֔ם (mipeneikhem) = voor jullie | בְּצֵאתְכֶ֖ם (betsetkhem) = toen jullie uittrokken | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en wat | עֲשִׂיתֶ֡ם (asitem) = jullie hebben gedaan | לִשְׁנֵי֩ (lishnei) = aan twee | מַלְכֵ֨י (malkhei) = koningen van | הָאֱמֹרִ֜י (haemori) = de Amorieten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | בְּעֵ֤בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | לְסִיחֹ֣ן (lesichon) = aan Sichon | וּלְע֔וֹג (uleog) = en aan Og | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶחֱרַמְתֶּ֖ם (hecheramtem) = jullie onder de ban hebben gelegd | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Rietzee is de zee die Israël bij de uittocht overstak (Exod. 14:21–22). Sichon en Og zijn de twee koningen die Israël ten oosten van de Jordaan versloeg (Num. 21:21–35). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חֶרֶם (cherem), ‘ban’: iets of iemand geheel aan Yahweh wijden, zodat het wordt vernietigd. Wij zeggen ‘onder de ban leggen’, zoals in Deut. 2:34. Zie ook: Ex 14:21–31; Ex 15:14–16; Num 21:21–35; Num 23:22; Deut 2:30–3:8; Deut 2:34 **2:11** Toen wij dat hoorden, werd ons hart moedeloos. Niemand heeft nog moed tegenover jullie. Want Yahweh, jullie Elohim, Hij is Elohim boven in de hemel en beneden op de aarde. Brontekst: וַנִּשְׁמַע֙ (vanishma) = en wij hoorden | וַיִּמַּ֣ס (vayimas) = en werd moedeloos | לְבָבֵ֔נוּ (levavenu) = ons hart | וְלֹא (velo) = en niet | קָ֨מָה (qama) = staat op | ע֥וֹד (od) = nog | ר֛וּחַ (ruach) = geest | בְּאִ֖ישׁ (beish) = in een man | מִפְּנֵיכֶ֑ם (mipeneikhem) = voor jullie | כִּ֚י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | ה֤וּא (hu) = Hij | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בַּשָּׁמַ֣יִם (bashamayim) = in de hemel | מִמַּ֔עַל (mimaal) = boven | וְעַל (veal) = en op | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | מִתָּֽחַת (mitachat) = beneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּמַּס (vayimmas), ‘moedeloos worden’: letterlijk ‘smelten’. Wij vertalen zoals in Deut. 1:28. Voetnoot : רוּחַ (roeach), ‘moed’: letterlijk ‘geest’ of ‘adem’. Zie ook: Deut 1:28; Deut 4:39; Joz 5:1; Joz 7:5; Jes 13:7; Zach 8:20–23 ### Rachab vraagt om trouw **2:12** Zweer mij nu bij Yahweh. Ik heb jullie trouw bewezen, dus bewijs ook jullie trouw aan het huis van mijn vader. Geef mij een betrouwbaar teken. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הִשָּֽׁבְעוּ (hishaveu) = zweer | נָ֥א (na) = toch | לִי֙ (li) = mij | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = bij Yahweh | כִּי (ki) = want | עָשִׂ֥יתִי (asiti) = ik heb bewezen | עִמָּכֶ֖ם (imakhem) = aan jullie | חָ֑סֶד (chased) = trouw | וַעֲשִׂיתֶ֨ם (vaasitem) = en jullie zullen bewijzen | גַּם (gam) = ook | אַתֶּ֜ם (atem) = jullie | עִם (im) = aan | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | חֶ֔סֶד (chesed) = trouw | וּנְתַתֶּ֥ם (unetatem) = en jullie zullen geven | לִ֖י (li) = mij | א֥וֹת (ot) = teken | אֱמֶֽת (emet) = van betrouwbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: trouw die uit liefde en verbondenheid voortkomt. Voetnoot : אוֹת אֱמֶת (ot emet), ‘betrouwbaar teken’: letterlijk ‘teken van waarheid’, een teken waarop zij kan rekenen. Zie ook: Joz 2:18; Joz 9:15; Joz 9:18–20; 1 Sam 20:14–17; 2 Tim 1:16–18 **2:13** Laat mijn vader, mijn moeder, mijn broers, mijn zusters en alles wat van hen is in leven. Red ons leven van de dood.” Brontekst: וְהַחֲיִתֶ֞ם (vehachayitem) = en jullie zullen laten leven | אֶת (et) = (obj.) | אָבִ֣י (avi) = mijn vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִמִּ֗י (imi) = mijn moeder | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַחַי֙ (achay) = mijn broers | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַחְיוֹתַ֔י (achyotay) = mijn zusters | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לָהֶ֑ם (lahem) = is van hen | וְהִצַּלְתֶּ֥ם (vehitsaltem) = en jullie zullen redden | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֹׁתֵ֖ינוּ (nafshoteinu) = ons leven | מִמָּֽוֶת (mimavet) = van de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De mannen beloven haar te sparen **2:14** De mannen zeiden tegen haar: „Wij willen in jullie plaats sterven, als jullie deze zaak van ons niet bekendmaken. Als Yahweh ons het land geeft, zullen wij jou trouw en betrouwbaarheid bewijzen.” Brontekst: וַיֹּ֧אמְרוּ (vayomru) = en zeiden | לָ֣הּ (lah) = tot haar | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | נַפְשֵׁ֤נוּ (nafshenu) = ons leven | תַחְתֵּיכֶם֙ (tachteikhem) = in plaats van jullie | לָמ֔וּת (lamut) = om te sterven | אִ֚ם (im) = als | לֹ֣א (lo) = niet | תַגִּ֔ידוּ (tagidu) = jullie bekendmaken | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרֵ֖נוּ (devarenu) = onze zaak | זֶ֑ה (ze) = deze | וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּתֵת (betet) = als geeft | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֨נוּ֙ (lanu) = aan ons | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְעָשִׂ֥ינוּ (veasinu) = en wij zullen bewijzen | עִמָּ֖ךְ (imakh) = aan jou | חֶ֥סֶד (chesed) = trouw | וֶאֱמֶֽת (veemet) = en betrouwbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘ons leven in jullie plaats om te sterven’. Het is een gezegde: de mannen staan met hun leven voor haar en haar familie in. Voetnoot : חֶסֶד וֶאֱמֶת (chesed ve’emet), ‘trouw en betrouwbaarheid’, zoals in Exod. 34:6. Zie ook: Gen 24:49; Ex 34:6; Re 1:24–25; 1 Sam 20:8; Spr 18:24; Mat 5:7 ### De ontsnapping **2:15** Zij liet hen met een touw door het raam zakken. Want haar huis lag in de wand van de stadsmuur, en zij woonde in de muur. Brontekst: וַתּוֹרִדֵ֥ם (vatoridem) = en zij liet hen zakken | בַּחֶ֖בֶל (bachevel) = met een touw | בְּעַ֣ד (bead) = door | הַֽחַלּ֑וֹן (hachalon) = het raam | כִּ֤י (ki) = want | בֵיתָהּ֙ (beitah) = haar huis | בְּקִ֣יר (beqir) = in de wand van | הַֽחוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | וּבַֽחוֹמָ֖ה (uvachoma) = en in de muur | הִ֥יא (hi) = zij | יוֹשָֽׁבֶת (yoshavet) = woonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt dat haar huis ‘in de wand van de muur’ lag en dat zij ‘in de muur’ woonde. Dat past bij een huis dat tegen of in de stadsmuur was gebouwd. Zie ook: Joz 6:20; 1 Sam 19:12–17; Hand 9:25; 2 Kor 11:33 **2:16** Zij zei tegen hen: „Ga naar het bergland, anders ontmoeten de achtervolgers jullie. Houd jullie daar drie dagen schuil, totdat de achtervolgers terug zijn. Daarna mogen jullie jullie weg gaan.” Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zij zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | הָהָ֣רָה (hahara) = naar het bergland | לֵּ֔כוּ (lekhu) = ga | פֶּֽן (pen) = opdat niet | יִפְגְּע֥וּ (yifgeu) = ontmoeten | בָכֶ֖ם (bakhem) = jullie | הָרֹדְפִ֑ים (harodefim) = de achtervolgers | וְנַחְבֵּתֶ֨ם (venachbetem) = en jullie zullen jullie verbergen | שָׁ֜מָּה (shama) = daar | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | עַ֚ד (ad) = tot | שׁ֣וֹב (shov) = terugkeren | הָרֹֽדְפִ֔ים (harodefim) = de achtervolgers | וְאַחַ֖ר (veachar) = en daarna | תֵּלְכ֥וּ (telekhu) = jullie mogen gaan | לְדַרְכְּכֶֽם (ledarkekhem) = jullie weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 2:22; 1 Sam 23:14; 1 Sam 24:1; Ps 11:1; Jak 2:25 ### De voorwaarden van de eed **2:17** De mannen zeiden tegen haar: „Wij zijn vrij van deze eed van jou, die je ons hebt laten zweren. Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = tot haar | הָאֲנָשִׁ֑ים (haanashim) = de mannen | נְקִיִּ֣ם (neqiyim) = vrij | אֲנַ֔חְנוּ (anachnu) = wij | מִשְּׁבֻעָתֵ֥ךְ (mishevuatekh) = van je eed | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הִשְׁבַּעְתָּֽנוּ (hishbatanu) = je ons hebt laten zweren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eed geldt onder voorwaarden. Die volgen in vers 18–20: het koord in het raam, haar familie in haar huis en zwijgen over de zaak. Zie ook: Gen 24:3–8; Lev 19:11–12; Num 30:3; Joz 2:18–20; 2 Sam 21:1–2; 2 Sam 21:7 **2:18** Zie, wij komen het land binnen. Dit koord van karmozijn moet je vastbinden in het raam waardoor je ons hebt laten zakken. Je vader, je moeder, je broers en heel het huis van je vader moet je bij je in huis verzamelen. Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | אֲנַ֥חְנוּ (anachnu) = wij | בָאִ֖ים (baim) = komen | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | אֶת (et) = (obj.) | תִּקְוַ֡ת (tiqvat) = koord van | חוּט֩ (chut) = draad van | הַשָּׁנִ֨י (hashani) = karmozijn | הַזֶּ֜ה (haze) = dit | תִּקְשְׁרִ֗י (tiqsheri) = je zult vastbinden | בַּֽחַלּוֹן֙ (bachalon) = in het raam | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waardoor | הוֹרַדְתֵּ֣נוּ (horadtenu) = je ons hebt laten zakken | ב֔וֹ (bo) = erdoor | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אָבִ֨יךְ (avikh) = je vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִמֵּ֜ךְ (imekh) = je moeder | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַחַ֗יִךְ (achayikh) = je broers | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִ֔יךְ (avikh) = je vader | תַּאַסְפִ֥י (taasfi) = je zult verzamelen | אֵלַ֖יִךְ (elayikh) = bij jou | הַבָּֽיְתָה (habayeta) = in huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּקְוָה (tiqva), ‘koord’: het woord betekent ook ‘hoop’. Hier is het een koord of draad. Voetnoot : שָׁנִי (sjani), ‘karmozijn’: een felrode kleur, zoals in Exod. 25:4. Zie ook: Gen 19:12–17; Ex 25:4; Joz 2:12–13; Joz 2:21; Joz 6:23; Heb 9:19 **2:19** Ieder die buiten de deuren van je huis komt, zijn bloed komt op zijn hoofd. Wij zijn dan vrij. Maar het bloed van ieder die bij jou in huis is, komt op ons hoofd, als er een hand op hem komt. Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | כֹּ֣ל (kol) = ieder | אֲשֶׁר (asher) = die | יֵצֵא֩ (yetse) = uitgaat | מִדַּלְתֵ֨י (midaltei) = uit de deuren van | בֵיתֵ֧ךְ (beitekh) = je huis | הַח֛וּצָה (hachutsa) = naar buiten | דָּמ֥וֹ (damo) = zijn bloed | בְרֹאשׁ֖וֹ (berosho) = op zijn hoofd | וַאֲנַ֣חְנוּ (vaanachnu) = en wij | נְקִיִּ֑ם (neqiyim) = vrij | וְ֠כֹל (vekhol) = en ieder | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִֽהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | אִתָּךְ֙ (itakh) = bij jou | בַּבַּ֔יִת (babayit) = in huis | דָּמ֣וֹ (damo) = zijn bloed | בְרֹאשֵׁ֔נוּ (beroshenu) = op ons hoofd | אִם (im) = als | יָ֖ד (yad) = een hand | תִּֽהְיֶה (tihye) = komt | בּֽוֹ (bo) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘als een hand op hem is’. Dat betekent: als iemand hem iets aandoet. Zie ook: Ex 12:13; Ex 12:23; 1 Kon 2:36–42; Ezech 33:4–5; Hand 27:31 **2:20** Maar als je deze zaak van ons bekendmaakt, dan zijn wij vrij van de eed die je ons hebt laten zweren.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | תַּגִּ֖ידִי (tagidi) = je bekendmaakt | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרֵ֣נוּ (devarenu) = onze zaak | זֶ֑ה (ze) = deze | וְהָיִ֣ינוּ (vehayinu) = en wij zullen zijn | נְקִיִּ֔ם (neqiyim) = vrij | מִשְּׁבֻעָתֵ֖ךְ (mishevuatekh) = van je eed | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הִשְׁבַּעְתָּֽנוּ (hishbatanu) = je ons hebt laten zweren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 11:13 **2:21** Zij zei: „Zoals jullie zeggen, zo is het.” Zij liet hen gaan en zij vertrokken. Daarna bond zij het koord van karmozijn in het raam. Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en zij zei | כְּדִבְרֵיכֶ֣ם (kedivreikhem) = volgens jullie woorden | כֶּן (ken) = zo | ה֔וּא (hu) = is het | וַֽתְּשַׁלְּחֵ֖ם (vateshalechem) = en zij liet hen gaan | וַיֵּלֵ֑כוּ (vayelekhu) = en zij gingen | וַתִּקְשֹׁ֛ר (vatiqshor) = en zij bond vast | אֶת (et) = (obj.) | תִּקְוַ֥ת (tiqvat) = koord van | הַשָּׁנִ֖י (hashani) = karmozijn | בַּחַלּֽוֹן (bachalon) = in het raam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 2:18; Mat 7:24; Joh 2:5 ### Het verslag aan Jozua **2:22** Zij gingen weg en kwamen in het bergland. Daar bleven zij drie dagen, totdat de achtervolgers teruggekeerd waren. De achtervolgers zochten hen langs de hele weg, maar vonden hen niet. Brontekst: וַיֵּלְכוּ֙ (vayelekhu) = en zij gingen | וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij kwamen | הָהָ֔רָה (hahara) = naar het bergland | וַיֵּ֤שְׁבוּ (vayeshevu) = en zij bleven | שָׁם֙ (sham) = daar | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | עַד (ad) = tot | שָׁ֖בוּ (shavu) = teruggekeerd waren | הָרֹדְפִ֑ים (harodefim) = de achtervolgers | וַיְבַקְשׁ֧וּ (vayvaqshu) = en zochten | הָרֹדְפִ֛ים (harodefim) = de achtervolgers | בְּכָל (bekhal) = langs | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de hele weg | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מָצָֽאוּ (matsau) = zij vonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 19:10–12; 2 Sam 17:20; Ps 32:6–7 **2:23** De twee mannen keerden terug. Zij daalden af van het bergland, staken over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun. Zij vertelden hem alles wat hun was overkomen. Brontekst: וַיָּשֻׁ֜בוּ (vayashuvu) = en keerden terug | שְׁנֵ֤י (shenei) = de twee | הָֽאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = mannen | וַיֵּרְד֣וּ (vayeredu) = en daalden af | מֵֽהָהָ֔ר (mehahar) = van het bergland | וַיַּעַבְרוּ֙ (vayaavru) = en staken over | וַיָּבֹ֔אוּ (vayavou) = en kwamen | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֑וּן (nun) = Nun | וַיְסַ֨פְּרוּ (vaysaperu) = en vertelden | ל֔וֹ (lo) = hem | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | הַמֹּצְא֖וֹת (hamotseot) = wat hun overkomen was | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:24** Zij zeiden tegen Jozua: „Ja, Yahweh heeft heel het land in onze hand gegeven. Ook zijn alle bewoners van het land verlamd van angst voor ons.” Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | כִּֽי (ki) = ja | נָתַ֧ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיָדֵ֖נוּ (beyadenu) = in onze hand | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְגַם (vegam) = en ook | נָמֹ֛גוּ (namogu) = zijn verlamd | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | מִפָּנֵֽינוּ (mipaneinu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:31; Num 13:32–33; Joz 1:8; Joz 2:9–11; Spr 25:13 ## Jozua 3 _De oversteek van de Jordaan_ ### Het volk bij de Jordaan **3:1** Jozua stond 's morgens vroeg op. Hij en alle zonen van Israël braken op uit Sittim en kwamen bij de Jordaan. Daar overnachtten zij, voordat zij overstaken. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּם֩ (vayashkem) = en stond vroeg op | יְהוֹשֻׁ֨עַ (yehoshua) = Jozua | בַּבֹּ֜קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּסְע֣וּ (vayisu) = en zij braken op | מֵֽהַשִּׁטִּ֗ים (mehashitim) = uit Sittim | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | עַד (ad) = tot | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | ה֖וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיָּלִ֥נוּ (vayalinu) = en zij overnachtten | שָׁ֖ם (sham) = daar | טֶ֥רֶם (terem) = voordat | יַעֲבֹֽרוּ (yaavoru) = zij overstaken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sittim (Abel-Sittim) lag ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië. De juiste plek is niet zeker. Zie ook Joz. 2:1. Zie ook: Joz 2:1; Mi 6:5; Jer 7:13; Jer 26:5; Mar 1:35 **3:2** Na drie dagen gingen de opzichters door het kamp. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | מִקְצֵ֖ה (miqtse) = aan het einde van | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וַיַּעַבְר֥וּ (vayaavru) = en gingen | הַשֹּׁטְרִ֖ים (hashoterim) = de opzichters | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = door het midden van | הַֽמַּחֲנֶֽה (hamachane) = het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:10–11 **3:3** Zij gaven het volk dit bevel. „Zodra jullie de ark van het verbond van Yahweh, jullie Elohim, zien en de priesters, de Levieten, die haar dragen: breek dan op van jullie plaats. Volg haar. Brontekst: וַיְצַוּוּ֮ (vaytsauu) = en zij gaven bevel | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | כִּרְאֽוֹתְכֶ֗ם (kirotekhem) = zodra jullie zien | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲר֤וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְהַכֹּֽהֲנִים֙ (vehakohanim) = en de priesters | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | נֹשְׂאִ֖ים (noseim) = die dragen | אֹת֑וֹ (oto) = haar | וְאַתֶּ֗ם (veatem) = en jullie | תִּסְעוּ֙ (tisu) = zullen opbreken | מִמְּק֣וֹמְכֶ֔ם (mimeqomekhem) = van jullie plaats | וַהֲלַכְתֶּ֖ם (vahalakhtem) = en jullie zullen gaan | אַחֲרָֽיו (acharav) = achter haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviyyim), ‘de priesters, de Levieten’: priesters uit de stam Levi. Wij vertalen zoals in Deut. 17:9. Voetnoot : אָרוֹן הַבְּרִית (aron haberit), ‘ark van het verbond’: de kist met de stenen tafelen van het verbond (Deut. 10:1–5). Zie ook: Ex 13:21–22; Num 10:33; Deut 10:1–5; Deut 17:9; Deut 31:9; Deut 31:25; 2 Sam 6:13 **3:4** Maar er moet afstand zijn tussen jullie en haar, ongeveer 2000 el, afgemeten. Kom niet dicht bij haar. Zo kennen jullie de weg die jullie moeten gaan. Want jullie zijn gisteren en eergisteren niet langs deze weg gegaan.” Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = maar | רָח֣וֹק (rachoq) = afstand | יִהְיֶ֗ה (yihye) = zal zijn | בֵּֽינֵיכֶם֙ (beineikhem) = tussen jullie | וּבֵינָ֔יו (uveinav) = en tussen haar | כְּאַלְפַּ֥יִם (kealpayim) = ongeveer tweeduizend | אַמָּ֖ה (ama) = el | בַּמִּדָּ֑ה (bamida) = afgemeten | אַֽל (al) = niet | תִּקְרְב֣וּ (tiqrevu) = kom dicht | אֵלָ֗יו (elav) = bij haar | לְמַ֤עַן (lemaan) = opdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | תֵּֽדְעוּ֙ (tedeu) = jullie kennen | אֶת (et) = (obj.) | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תֵּֽלְכוּ (telekhu) = jullie zullen gaan | בָ֔הּ (bah) = erop | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֧א (lo) = niet | עֲבַרְתֶּ֛ם (avartem) = jullie zijn gegaan | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | מִתְּמ֥וֹל (mitemol) = gisteren | שִׁלְשֽׁוֹם (shilshom) = eergisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַמָּה (amma), ‘el’: ongeveer 45 centimeter. 2000 el is dus ongeveer 900 meter. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘gisteren en eergisteren’. Dat is een gezegde voor ‘tot nu toe’. Het volk had deze weg nog nooit gelopen. Zie ook: Gen 31:2; Ex 3:5; 1 Kron 11:2; Ps 89:8; Heb 12:28–29 ### Het volk moet zich heiligen **3:5** Jozua zei tegen het volk: „Maak jullie heilig. Want morgen zal Yahweh wonderen doen in jullie midden.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | הָעָ֖ם (haam) = het volk | הִתְקַדָּ֑שׁוּ (hitqadashu) = maak jullie heilig | כִּ֣י (ki) = want | מָחָ֗ר (machar) = morgen | יַעֲשֶׂ֧ה (yaase) = zal doen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּקִרְבְּכֶ֖ם (beqirbekhem) = in jullie midden | נִפְלָאֽוֹת (niflaot) = wonderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִפְלָאוֹת (niflaot), ‘wonderen’: grote daden die alleen Yahweh kan doen. Zie ook Exod. 3:20; 34:10. Zie ook: Ex 3:20; Ex 34:10; Lev 20:7; Joz 7:13; 1 Sam 16:5; Joël 2:16; Joh 17:19 **3:6** Jozua zei tegen de priesters: „Til de ark van het verbond op en ga het volk voorop.” Zij tilden de ark van het verbond op en gingen voor het volk uit. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | שְׂאוּ֙ (seu) = til op | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | וְעִבְר֖וּ (veivru) = en ga over | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיִּשְׂאוּ֙ (vayisu) = en zij tilden op | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 10:33; Num 14:15; Joz 3:3; Mi 2:13; Joh 14:2–3 ### Yahweh maakt Jozua groot **3:7** Yahweh zei tegen Jozua: **„Vandaag begin Ik je groot te maken in de ogen van heel Israël. Zij moeten weten dat Ik met jou zal zijn, zoals Ik met Mozes was.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | הַיּ֣וֹם (hayom) = deze | הַזֶּ֗ה (haze) = dag | אָחֵל֙ (achel) = ik begin | גַּדֶּלְךָ֔ (gadelkha) = je groot te maken | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר֙ (asher) = opdat | יֵֽדְע֔וּן (yedeun) = zij weten | כִּ֗י (ki) = dat | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | הָיִ֛יתִי (hayiti) = Ik was | עִם (im) = met | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = Ik zal zijn | עִמָּֽךְ (imakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:5; Joz 4:14; 1 Kron 29:25; Ps 18:36; 2 Kron 1:1 **3:8** **Jij moet de priesters die de ark van het verbond dragen dit bevel geven. Zeg: Wanneer jullie aan de rand van het water van de Jordaan komen, moeten jullie in de Jordaan blijven staan.”** Brontekst: וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | תְּצַוֶּה֙ (tetsave) = zul bevelen | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | נֹשְׂאֵ֥י (noseei) = die dragen | אֲרֽוֹן (aron) = de ark van | הַבְּרִ֖ית (haberit) = het verbond | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כְּבֹאֲכֶ֗ם (kevoakhem) = zodra jullie komen | עַד (ad) = tot | קְצֵה֙ (qetse) = de rand van | מֵ֣י (mei) = het water van | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | בַּיַּרְדֵּ֖ן (bayarden) = in de Jordaan | תַּעֲמֹֽדוּ (taamodu) = zullen jullie blijven staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Joz 3:3; Joz 3:17; 1 Kron 15:11–12; 2 Kron 35:2–6; Neh 13:22 ### Jozua kondigt het wonder aan **3:9** Jozua zei tegen de zonen van Israël: „Kom hier en luister naar de woorden van Yahweh, jullie Elohim.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | גֹּ֣שׁוּ (goshu) = kom dichterbij | הֵ֔נָּה (hena) = hierheen | וְשִׁמְע֕וּ (veshimu) = en luister | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֖י (divrei) = de woorden van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:1; Deut 12:8 **3:10** Jozua zei: „Hieraan zullen jullie weten dat een levende El in jullie midden is. Hij zal de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten zeker voor jullie uit verdrijven. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | בְּזֹאת֙ (bezot) = hieraan | תֵּֽדְע֔וּן (tedeun) = zullen jullie weten | כִּ֛י (ki) = dat | אֵ֥ל (el) = El | חַ֖י (chay) = levend | בְּקִרְבְּכֶ֑ם (beqirbekhem) = in jullie midden | וְהוֹרֵ֣שׁ (vehoresh) = en zeker | יוֹרִ֣ישׁ (yorish) = zal verdrijven | מִ֠פְּנֵיכֶם (mipeneikhem) = voor jullie uit | אֶת (et) = (obj.) | הַכְּנַעֲנִ֨י (hakenaani) = de Kanaäniet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחִתִּ֜י (hachiti) = de Hethiet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחִוִּ֗י (hachivi) = de Chiwwiet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַפְּרִזִּי֙ (haperizi) = de Perizziet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַגִּרְגָּשִׁ֔י (hagirgashi) = de Girgasiet | וְהָאֱמֹרִ֖י (vehaemori) = en de Amoriet | וְהַיְבוּסִֽי (vehayvusi) = en de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל חַי (El chai), ‘levende El’: El is een naam voor Elohim. De opsomming noemt zeven volken, zoals in Deut. 7:1. Zie ook: Ex 33:2; Deut 7:1; 1 Sam 17:26; Ps 44:3–4; Heb 10:31 **3:11** Zie, de ark van het verbond van de Heer van heel de aarde gaat voor jullie uit, de Jordaan in. Brontekst: הִנֵּה֙ (hine) = zie | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | אֲד֖וֹן (adon) = de Heer van | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | עֹבֵ֥ר (over) = gaat over | לִפְנֵיכֶ֖ם (lifneikhem) = voor jullie uit | בַּיַּרְדֵּֽן (bayarden) = in de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: אֲדוֹן (adon), ‘Heer’: een titel van gezag. ‘De Heer van heel de aarde’ is een titel van Yahweh, zoals in Ps. 97:5. Het is een andere titel dan Adonai, ‘mijn Heer’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘de ark van het verbond, de Heer van heel de aarde’. Wij lezen: de ark is van de Heer van heel de aarde. Zie ook: Joz 3:13; Ps 24:1; Ps 97:5; Mi 4:13; Zach 4:14; Zach 6:5 **3:12** Neem nu twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit elke stam één man. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | קְח֤וּ (qechu) = neem | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | עָשָׂ֣ר (asar) = tien | אִ֔ישׁ (ish) = man | מִשִּׁבְטֵ֖י (mishivtei) = uit de stammen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אִישׁ (ish) = man | אֶחָ֥ד (echad) = één | אִישׁ (ish) = man | אֶחָ֖ד (echad) = één | לַשָּֽׁבֶט (lashavet) = per stam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 4:2; Joz 4:4; Joz 4:9 **3:13** De priesters dragen de ark van Yahweh, de Heer van heel de aarde. Zodra hun voetzolen rusten in het water van de Jordaan, wordt het water van de Jordaan afgesneden. Dat is het water dat van boven komt. Het zal als één dam blijven staan.” Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | כְּנ֣וֹחַ (kenoach) = zodra rusten | כַּפּ֣וֹת (kapot) = de zolen van | רַגְלֵ֣י (raglei) = de voeten van | הַכֹּהֲנִ֡ים (hakohanim) = de priesters | נֹשְׂאֵי֩ (noseei) = die dragen | אֲר֨וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֲד֤וֹן (adon) = de Heer van | כָּל (kal) = heel | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | בְּמֵ֣י (bemei) = in het water van | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | מֵ֤י (mei) = het water van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | יִכָּ֣רֵת֔וּן (yikaretun) = wordt afgesneden | הַמַּ֥יִם (hamayim) = het water | הַיֹּרְדִ֖ים (hayoredim) = dat afdaalt | מִלְמָ֑עְלָה (milmaela) = van boven | וְיַעַמְד֖וּ (veyaamdu) = en zal blijven staan | נֵ֥ד (ned) = dam | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: נֵד (ned), ‘dam’: een opeengehoopte massa water. Dit is hetzelfde woord als in Exod. 15:8. Voetnoot : יִכָּרֵתוּ (yikkaretoe), ‘afgesneden worden’: het water wordt van zijn bron afgesneden. Zie ook: Ex 15:8; Joz 3:11; Joz 3:15–16; Ps 78:13; Ps 114:3–5 ### De ark gaat voor het volk uit de Jordaan in **3:14** Het volk brak op uit zijn tenten om de Jordaan over te steken. De priesters die de ark van het verbond droegen, gingen voor het volk uit. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בִּנְסֹ֤עַ (binsoa) = toen opbrak | הָעָם֙ (haam) = het volk | מֵאָ֣הֳלֵיהֶ֔ם (meaholeihem) = uit hun tenten | לַעֲבֹ֖ר (laavor) = om over te steken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וְהַכֹּהֲנִ֗ים (vehakohanim) = en de priesters | נֹֽשְׂאֵ֛י (noseei) = die dragen | הָאָר֥וֹן (haaron) = de ark van | הַבְּרִ֖ית (haberit) = het verbond | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Deut 31:26; Joz 3:6; Joz 6:6; Jer 3:16; Hand 7:44–45 **3:15** De dragers van de ark kwamen bij de Jordaan. De voeten van de priesters die de ark droegen, werden gedompeld in het water aan de rand. De Jordaan staat in de hele oogsttijd vol, tot over al zijn oevers. Brontekst: וּכְב֞וֹא (ukhevo) = en toen kwamen | נֹשְׂאֵ֤י (noseei) = die dragen | הָֽאָרוֹן֙ (haaron) = de ark | עַד (ad) = tot | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | וְרַגְלֵ֤י (veraglei) = en de voeten van | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | נֹשְׂאֵ֣י (noseei) = die dragen | הָֽאָר֔וֹן (haaron) = de ark | נִטְבְּל֖וּ (nitbelu) = werden gedompeld | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = in de rand van | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וְהַיַּרְדֵּ֗ן (vehayarden) = en de Jordaan | מָלֵא֙ (male) = vol | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | גְּדוֹתָ֔יו (gedotav) = zijn oevers | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | קָצִֽיר (qatsir) = oogst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: קָצִיר (qatsir), ‘oogst’: de oogsttijd is in de lente. Dan is de Jordaan hoog en staat hij tot aan zijn oevers. Zie ook: Joz 3:13; Joz 4:18; 1 Kron 12:16; Jer 12:5; Jer 49:19 **3:16** Toen bleef het water dat van boven kwam staan. Het rees op als één dam, zeer ver weg, bij Adam, de stad die naast Zaretan ligt. Het water dat naar de zee van de Araba stroomde, de Zoutzee, liep helemaal weg en werd afgesneden. Het volk stak over, tegenover Jericho. Brontekst: וַיַּעַמְד֡וּ (vayaamdu) = en bleef staan | הַמַּיִם֩ (hamayim) = het water | הַיֹּרְדִ֨ים (hayoredim) = dat afdaalt | מִלְמַ֜עְלָה (milmala) = van boven | קָ֣מוּ (qamu) = stond op | נֵד (ned) = dam | אֶחָ֗ד (echad) = één | הַרְחֵ֨ק (harcheq) = ver weg | מְאֹ֜ד (meod) = zeer | מֵֽאָדָ֤ם (meadam) = bij Adam | הָעִיר֙ (hair) = de stad | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | מִצַּ֣ד (mitsad) = naast | צָֽרְתָ֔ן (tsaretan) = Zaretan | וְהַיֹּרְדִ֗ים (vehayoredim) = en wat afdaalt | עַ֣ל (al) = naar | יָ֧ם (yam) = de zee van | הָעֲרָבָ֛ה (haarava) = de Araba | יָם (yam) = de zee van | הַמֶּ֖לַח (hamelach) = de Zout | תַּ֣מּוּ (tamu) = was ten einde | נִכְרָ֑תוּ (nikhratu) = werd afgesneden | וְהָעָ֥ם (vehaam) = en het volk | עָבְר֖וּ (averu) = stak over | נֶ֥גֶד (neged) = tegenover | יְרִיחֽוֹ (yericho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Adam ligt waarschijnlijk bij Tell ed-Damiyeh, aan de Jordaan, ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jericho (Jordanië). Zaretan is onzeker; Tell es-Saidiyeh wordt voorgesteld. De Zoutzee is de Dode Zee, de Araba de diepe vallei rondom de Jordaan. Zie ook: Gen 14:3; Num 34:3; Joz 3:13; 1 Kon 4:12; 1 Kon 7:46 **3:17** De priesters die de ark van het verbond van Yahweh droegen, bleven vast staan op droge grond, midden in de Jordaan. Heel Israël stak over op droge grond, totdat heel het volk klaar was met de oversteek van de Jordaan. Brontekst: וַיַּעַמְד֣וּ (vayaamdu) = en stonden | הַכֹּהֲנִ֡ים (hakohanim) = de priesters | נֹ֠שְׂאֵי (noseei) = die dragen | הָאָר֨וֹן (haaron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בֶּחָֽרָבָ֛ה (becharava) = op droge grond | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | הָכֵ֑ן (hakhen) = vast | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | עֹֽבְרִים֙ (overim) = stak over | בֶּחָ֣רָבָ֔ה (becharava) = op droge grond | עַ֤ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | תַּ֨מּוּ֙ (tamu) = klaar was | כָּל (kal) = heel | הַגּ֔וֹי (hagoy) = het volk | לַעֲבֹ֖ר (laavor) = om over te steken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Ex 14:22; Ex 14:29; Ps 66:6; 2 Kon 2:8; Jes 25:8 ## Jozua 4 _De twaalf stenen als gedenkteken_ ### De twaalf stenen uit de Jordaan **4:1** Toen heel het volk klaar was met de oversteek van de Jordaan, zei Yahweh tegen Jozua: Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = toen | תַּ֣מּוּ (tamu) = klaar waren | כָל (kal) = heel | הַגּ֔וֹי (hagoy) = het volk | לַעֲב֖וֹר (laavor) = om over te steken | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Deut 27:2; Joz 3:17 **4:2** **„Neem uit het volk twaalf mannen, uit elke stam één man.** Brontekst: קְח֤וּ (qechu) = neem | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | מִן (min) = uit | הָעָ֔ם (haam) = het volk | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אֲנָשִׁ֑ים (anashim) = mannen | אִישׁ (ish) = man | אֶחָ֥ד (echad) = één | אִישׁ (ish) = man | אֶחָ֖ד (echad) = één | מִשָּֽׁבֶט (mishavet) = per stam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 1:4–15; Num 13:2; Deut 1:23; Joz 3:12; 1 Kon 18:31 **4:3** **Geef hun dit bevel. Neem vanaf hier, uit het midden van de Jordaan, van de plaats waar de voeten van de priesters vast stonden, twaalf stenen. Neem ze met jullie mee naar de overkant. Leg ze neer op de overnachtingsplaats waar jullie vannacht zullen overnachten.”** Brontekst: וְצַוּ֣וּ (vetsauu) = en geef bevel | אוֹתָם֮ (otam) = hen | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | שְׂאֽוּ (seu) = neem | לָכֶ֨ם (lakhem) = voor jullie | מִזֶּ֜ה (mize) = vanhier | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַיַּרְדֵּ֗ן (hayarden) = de Jordaan | מִמַּצַּב֙ (mimatsav) = van de plaats van | רַגְלֵ֣י (raglei) = de voeten van | הַכֹּהֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | הָכִ֖ין (hakhin) = vast | שְׁתֵּים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | אֲבָנִ֑ים (avanim) = stenen | וְהַעֲבַרְתֶּ֤ם (vehaavartem) = en jullie zullen meenemen | אוֹתָם֙ (otam) = ze | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = met jullie | וְהִנַּחְתֶּ֣ם (vehinachtem) = en jullie zullen neerleggen | אוֹתָ֔ם (otam) = ze | בַּמָּל֕וֹן (bamalon) = op de overnachtingsplaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | תָּלִ֥ינוּ (talinu) = jullie zullen overnachten | ב֖וֹ (bo) = daar | הַלָּֽיְלָה (halayela) = vannacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: הָכִין (hakhin), ‘vast’: de voeten van de priesters stonden stevig op de droge bodem. Het is verwant met הָכֵן (hakhen), ‘vast’, in Joz. 3:17. Voetnoot : מָלוֹן (malon), ‘overnachtingsplaats’: een plek om de nacht door te brengen. Zie ook: Joz 3:13; Joz 3:17; Joz 4:8; Joz 4:19–20; Ps 11:4; Luc 19:40 **4:4** Jozua riep de twaalf mannen die hij had aangewezen uit de zonen van Israël, uit elke stam één man. Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | שְׁנֵ֤ים (sheneim) = de twee | הֶֽעָשָׂר֙ (heasar) = tien | אִ֔ישׁ (ish) = mannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֵכִ֖ין (hekhin) = had aangewezen | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = uit de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אִישׁ (ish) = man | אֶחָ֥ד (echad) = één | אִישׁ (ish) = man | אֶחָ֖ד (echad) = één | מִשָּֽׁבֶט (mishavet) = per stam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵכִין (hekhin), ‘aanwijzen’: letterlijk ‘vaststellen’. Dit gebeurde al in Joz. 3:12. Zie ook: Joz 3:12; Joz 4:2; Mar 3:14–19 **4:5** Jozua zei tegen hen: „Ga voor de ark van Yahweh, jullie Elohim, uit, tot in het midden van de Jordaan. Ieder van jullie moet een steen op zijn schouder nemen, een voor elke stam van de zonen van Israël. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | עִ֠בְרוּ (ivru) = ga over | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor | אֲר֧וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֶל (el) = naar | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וְהָרִ֨ימוּ (veharimu) = en til op | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶ֤בֶן (even) = steen | אַחַת֙ (achat) = één | עַל (al) = op | שִׁכְמ֔וֹ (shikhmo) = zijn schouder | לְמִסְפַּ֖ר (lemispar) = naar het getal van | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = de stammen van | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **4:6** Zo zal dit een teken zijn in jullie midden. Wanneer jullie zonen morgen vragen: ‘Wat betekenen deze stenen voor jullie?’ Brontekst: לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | תִּֽהְיֶ֛ה (tihye) = zal zijn | זֹ֥את (zot) = dit | א֖וֹת (ot) = teken | בְּקִרְבְּכֶ֑ם (beqirbekhem) = in jullie midden | כִּֽי (ki) = wanneer | יִשְׁאָל֨וּן (yishalun) = vragen | בְּנֵיכֶ֤ם (beneikhem) = jullie zonen | מָחָר֙ (machar) = morgen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מָ֛ה (ma) = wat | הָאֲבָנִ֥ים (haavanim) = de stenen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָחָר (machar), ‘morgen’: een gezegde voor ‘in de toekomst’, zoals in Deut. 6:20. Zie ook: Ex 13:14; Deut 6:20–21; Joz 4:21; Joz 22:27; Ps 44:2 **4:7** dan moeten jullie hun zeggen: ‘Het water van de Jordaan werd afgesneden voor de ark van het verbond van Yahweh. Toen zij de Jordaan overstak, werd het water van de Jordaan afgesneden.’ Deze stenen zullen voor altijd een gedenkteken zijn voor de zonen van Israël.” Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֣ם (vaamartem) = en jullie zullen zeggen | לָהֶ֗ם (lahem) = tot hen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נִכְרְת֜וּ (nikhretu) = werd afgesneden | מֵימֵ֤י (meimei) = het water van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = voor | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעָבְרוֹ֙ (beavero) = toen zij overstak | בַּיַּרְדֵּ֔ן (bayarden) = in de Jordaan | נִכְרְת֖וּ (nikhretu) = werd afgesneden | מֵ֣י (mei) = het water van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וְ֠הָיוּ (vehayu) = en zullen zijn | הָאֲבָנִ֨ים (haavanim) = de stenen | הָאֵ֧לֶּה (haele) = deze | לְזִכָּר֛וֹן (lezikaron) = tot gedenkteken | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: זִכָּרוֹן (zikkaron), ‘gedenkteken’: iets dat een volgend geslacht aan een gebeurtenis herinnert. Zie ook Exod. 12:14; 13:9. Zie ook: Ex 12:14; Ex 13:9; Ex 28:12; Num 17:5; Joz 3:13–16; Ps 111:4 **4:8** De zonen van Israël deden zoals Jozua gebood. Zij namen twaalf stenen uit het midden van de Jordaan, naar het getal van de stammen van de zonen van Israël. Zo had Yahweh tot Jozua gesproken. Zij brachten ze mee naar de overnachtingsplaats en legden ze daar neer. Brontekst: וַיַּעֲשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵ֣ן (ken) = zo | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֘ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֣ה (tsiva) = gebood | יְהוֹשֻׁעַ֒ (yehoshua) = Jozua | וַיִּשְׂא֡וּ (vayisu) = en zij namen op | שְׁתֵּֽי (shetei) = twee | עֶשְׂרֵ֨ה (esre) = tien | אֲבָנִ֜ים (avanim) = stenen | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַיַּרְדֵּ֗ן (hayarden) = de Jordaan | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֤ר (diber) = gesproken had | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | לְמִסְפַּ֖ר (lemispar) = naar het getal van | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = de stammen van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיַּעֲבִר֤וּם (vayaavirum) = en zij brachten ze over | עִמָּם֙ (imam) = met zich | אֶל (el) = naar | הַמָּל֔וֹן (hamalon) = de overnachtingsplaats | וַיַּנִּח֖וּם (vayanichum) = en zij legden ze neer | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Joz 1:16–18; Joz 4:2–5; Joz 4:20 ### Stenen midden in de Jordaan **4:9** Jozua richtte ook twaalf stenen op midden in de Jordaan. Dat was op de plaats waar de voeten van de priesters stonden die de ark van het verbond droegen. Daar zijn ze tot op deze dag. Brontekst: וּשְׁתֵּ֧ים (ushteim) = en twee | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | אֲבָנִ֗ים (avanim) = stenen | הֵקִ֣ים (heqim) = richtte op | יְהוֹשֻׁעַ֮ (yehoshua) = Jozua | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַיַּרְדֵּן֒ (hayarden) = de Jordaan | תַּ֗חַת (tachat) = op de plaats van | מַצַּב֙ (matsav) = de standplaats van | רַגְלֵ֣י (raglei) = de voeten van | הַכֹּהֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | נֹשְׂאֵ֖י (noseei) = die dragen | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הַבְּרִ֑ית (haberit) = het verbond | וַיִּ֣הְיוּ (vayihyu) = en zij zijn | שָׁ֔ם (sham) = daar | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt dat Jozua twaalf stenen opstelde ‘onder de standplaats van de voeten van de priesters’. Wij lezen dit als een tweede reeks stenen, midden in de rivier. De twaalf stenen van vers 8 en 20 staan in Gilgal. Het is ook mogelijk dat het om één reeks gaat. Dan zijn de stenen opgericht op de plaats waar de priesters hadden gestaan. Zie ook: Joz 4:8; Joz 4:20; Joz 24:26; 1 Sam 7:12; 1 Sam 30:25; 2 Sam 4:3; Ps 111:2–4 ### Het volk steekt over **4:10** De priesters die de ark droegen, stonden midden in de Jordaan. Zij stonden daar, totdat alles was gedaan wat Yahweh aan Jozua had geboden om tegen het volk te zeggen. Dat was overeenkomstig alles wat Mozes aan Jozua had geboden. Het volk haastte zich en stak over. Brontekst: וְהַכֹּהֲנִ֞ים (vehakohanim) = en de priesters | נֹשְׂאֵ֣י (noseei) = die dragen | הָאָר֗וֹן (haaron) = de ark | עֹמְדִים֮ (omedim) = stonden | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַיַּרְדֵּן֒ (hayarden) = de Jordaan | עַ֣ד (ad) = tot | תֹּ֣ם (tom) = voltooid was | כָּֽל (kal) = alles | הַ֠דָּבָר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֨ה (tsiva) = geboden had | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = om te spreken | אֶל (el) = tot | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כְּכֹ֛ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֥ה (tsiva) = geboden had | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | וַיְמַהֲר֥וּ (vaymaharu) = en haastte zich | הָעָ֖ם (haam) = het volk | וַֽיַּעֲבֹֽרוּ (vayaavoru) = en stak over Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Ex 12:39; Num 27:21–23; Joz 3:13; Joz 3:16–17; 2 Kor 6:2 **4:11** Toen heel het volk klaar was met de oversteek, stak de ark van Yahweh over, en de priesters voor het volk uit. Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het was | כַּֽאֲשֶׁר (kaasher) = toen | תַּ֥ם (tam) = klaar was | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לַֽעֲב֑וֹר (laavor) = om over te steken | וַיַּעֲבֹ֧ר (vayaavor) = en stak over | אֲרוֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וְהַכֹּהֲנִ֖ים (vehakohanim) = en de priesters | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 3:8; Joz 3:17; Joz 4:18 **4:12** De zonen van Ruben, de zonen van Gad en de halve stam van Manasse staken gewapend over, voor de zonen van Israël uit. Zo had Mozes tot hen gesproken. Brontekst: וַ֠יַּעַבְרוּ (vayaavru) = en staken over | בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֨ן (reuven) = Ruben | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | גָ֜ד (gad) = Gad | וַחֲצִ֨י (vachatsi) = en de helft van | שֵׁ֤בֶט (shevet) = de stam van | הַֽמְנַשֶּׁה֙ (hamnashe) = Manasse | חֲמֻשִׁ֔ים (chamushim) = gewapend | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = had gesproken | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:20–32; Joz 1:14 **4:13** Ongeveer 40.000 man, uitgeruste strijders van het leger, staken voor het aangezicht van Yahweh over naar de vlakten van Jericho om te strijden. Brontekst: כְּאַרְבָּעִ֥ים (kearbaim) = ongeveer veertig | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | חֲלוּצֵ֣י (chalutsei) = uitgerusten van | הַצָּבָ֑א (hatsava) = het leger | עָבְר֞וּ (averu) = staken over | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = voor de oorlog | אֶ֖ל (el) = naar | עַֽרְב֥וֹת (arvot) = de vlakten van | יְרִיחֽוֹ (yericho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Vlakten van Jericho: De vlakten van Jericho zijn het lage land langs de Jordaan bij Jericho. Voetnoot Uitleg: חֲלוּצֵי הַצָּבָא (chalutsei hatsava), ‘uitgeruste strijders van het leger’: mannen die klaar zijn om te strijden. Het getal is ongeveer 40.000. De vlakten van Jericho zijn het lage land langs de Jordaan bij Jericho. Zie ook: Joz 5:10; 2 Kon 25:5; Jer 39:5; Jer 52:8; Ef 6:11 **4:14** Op die dag maakte Yahweh Jozua groot in de ogen van heel Israël. Zij hadden ontzag voor hem, zoals zij ontzag hadden voor Mozes, alle dagen van zijn leven. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | גִּדַּ֤ל (gidal) = maakte groot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּֽרְא֣וּ (vayiru) = en zij hadden ontzag voor | אֹת֔וֹ (oto) = hem | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | יָרְא֥וּ (yareu) = zij hadden ontzag voor | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיָּֽיו (chayav) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרֵא (yare), ‘ontzag hebben’: eerbied voor iemand die gezag heeft. Het is hetzelfde woord als ‘vrezen’ in vers 24. Zie ook: Joz 1:16–18; Joz 3:7; Joz 4:24; 1 Kon 3:28; 2 Kron 30:12; Rom 13:4 ### De priesters komen uit de Jordaan **4:15** Yahweh zei tegen Jozua: Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:16** **„Geef de priesters die de ark van het getuigenis dragen het bevel om uit de Jordaan op te komen.”** Brontekst: צַוֵּה֙ (tsave) = beveel | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | נֹשְׂאֵ֖י (noseei) = die dragen | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הָעֵד֑וּת (haedut) = het getuigenis | וְיַעֲל֖וּ (veyaalu) = en laat hen opkomen | מִן (min) = uit | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Ex 25:16–22; Joz 3:3–6; Openb 11:19 **4:17** Jozua gaf de priesters het bevel: „Kom op uit de Jordaan.” Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en gaf bevel | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | עֲל֖וּ (alu) = kom op | מִן (min) = uit | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Gen 8:16–18; Dan 3:26; Hand 16:23; Hand 16:35–39 **4:18** De priesters die de ark van het verbond van Yahweh droegen, kwamen uit het midden van de Jordaan op. Toen werden hun voetzolen losgetrokken, het droge op. Het water van de Jordaan keerde terug naar zijn plaats. Het stroomde weer, zoals gisteren en eergisteren, tot over al zijn oevers. Brontekst: וַ֠יְהִי (vayhi) = en het was | כַּעֲל֨וֹת (kaalot) = toen opkwamen | הַכֹּהֲנִ֜ים (hakohanim) = de priesters | נֹשְׂאֵ֨י (noseei) = die dragen | אֲר֤וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | נִתְּק֗וּ (nitequ) = werden losgetrokken | כַּפּוֹת֙ (kapot) = de zolen van | רַגְלֵ֣י (raglei) = de voeten van | הַכֹּהֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | אֶ֖ל (el) = naar | הֶחָרָבָ֑ה (hecharava) = het droge | וַיָּשֻׁ֤בוּ (vayashuvu) = en keerde terug | מֵֽי (mei) = het water van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | לִמְקוֹמָ֔ם (limqomam) = naar zijn plaats | וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en ging | כִתְמוֹל (kitmol) = zoals gisteren | שִׁלְשׁ֖וֹם (shilshom) = eergisteren | עַל (al) = over | כָּל (kal) = al | גְּדוֹתָֽיו (gedotav) = zijn oevers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: נִתְּקוּ (nittequ), ‘losgetrokken worden’: de voeten komen los uit de modder van de rivier. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘zoals gisteren en eergisteren’. Dat is een gezegde voor ‘zoals eerder’. Zie ook Joz. 3:4. Zie ook: Ex 14:26–28; Joz 3:4; Joz 3:13; Joz 3:15; 1 Kron 12:16; Jes 8:8 ### Gilgal: het gedenkteken **4:19** Het volk kwam op de tiende dag van de eerste maand uit de Jordaan omhoog. Zij sloegen hun kamp op in Gilgal, aan de oostkant van Jericho. Brontekst: וְהָעָ֗ם (vehaam) = en het volk | עָלוּ֙ (alu) = kwam op | מִן (min) = uit | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | בֶּעָשׂ֖וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָרִאשׁ֑וֹן (harishon) = de eerste | וַֽיַּחֲנוּ֙ (vayachanu) = en zij legerden zich | בַּגִּלְגָּ֔ל (bagilgal) = in Gilgal | בִּקְצֵ֖ה (biqtse) = aan de uiterste kant van | מִזְרַ֥ח (mizrach) = oosten van | יְרִיחֽוֹ (yericho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilgal (‘kring van stenen’) lag aan de oostkant van Jericho. De precieze plek is niet zeker. Wij denken aan Khirbet el-Mefjir, ongeveer 2 kilometer ten noordoosten van Jericho (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: Op de tiende dag van de eerste maand moesten de gezinnen in Egypte een lam aanwijzen (Exod. 12:3). Vier dagen later vieren zij het pesach (Joz. 5:10). Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:10 bevestigt de datum en het kamp in Gilgal. Zie ook: Jas 88:10; Ex 12:2–3; Ex 12:3; Joz 5:9; Joz 5:10; Joz 10:6; 1 Sam 15:33; Mi 6:5 **4:20** Die twaalf stenen die zij uit de Jordaan hadden genomen, richtte Jozua op in Gilgal. Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֨ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | הָֽאֲבָנִים֙ (haavanim) = de stenen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לָקְח֖וּ (laqechu) = zij hadden genomen | מִן (min) = uit | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | הֵקִ֥ים (heqim) = richtte op | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | בַּגִּלְגָּֽל (bagilgal) = in Gilgal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Joz 4:3; Joz 4:8 **4:21** Hij zei tegen de zonen van Israël: „Wanneer jullie zonen morgen aan hun vaders vragen: ‘Wat betekenen deze stenen?’ Brontekst: וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אֲשֶׁר֩ (asher) = wanneer | יִשְׁאָל֨וּן (yishalun) = vragen | בְּנֵיכֶ֤ם (beneikhem) = jullie zonen | מָחָר֙ (machar) = morgen | אֶת (et) = (obj.) | אֲבוֹתָ֣ם (avotam) = hun vaders | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מָ֖ה (ma) = wat | הָאֲבָנִ֥ים (haavanim) = de stenen | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 4:6; Ps 105:2–5; Ps 145:4–7 **4:22** dan moeten jullie jullie zonen laten weten: ‘Israël stak deze Jordaan over op droog land. Brontekst: וְהוֹדַעְתֶּ֖ם (vehodatem) = en jullie zullen laten weten | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיכֶ֣ם (beneikhem) = jullie zonen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | בַּיַּבָּשָׁה֙ (bayabasha) = op droog land | עָבַ֣ר (avar) = stak over | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Ex 15:19; Joz 3:17; Jes 11:15–16; Jes 51:10; Openb 16:12 **4:23** Yahweh, jullie Elohim, liet het water van de Jordaan voor jullie opdrogen, totdat jullie waren overgestoken. Yahweh, jullie Elohim, deed daar hetzelfde als bij de Rietzee. Die liet Hij voor ons opdrogen, totdat wij waren overgestoken.’ Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = dat | הוֹבִישׁ֩ (hovish) = heeft laten opdrogen | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֜ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֶת (et) = (obj.) | מֵ֧י (mei) = het water van | הַיַּרְדֵּ֛ן (hayarden) = de Jordaan | מִפְּנֵיכֶ֖ם (mipeneikhem) = voor jullie | עַֽד (ad) = tot | עָבְרְכֶ֑ם (averekhem) = jullie oversteken | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשָׂה֩ (asa) = deed | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֧ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לְיַם (leyam) = aan de zee van | ס֛וּף (suf) = riet | אֲשֶׁר (asher) = die | הוֹבִ֥ישׁ (hovish) = heeft laten opdrogen | מִפָּנֵ֖ינוּ (mipaneinu) = voor ons | עַד (ad) = tot | עָבְרֵֽנוּ (averenu) = wij overstaken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Rietzee: zie Joz. 2:10 en Exod. 14:21–22. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Ex 14:21; Joz 2:10; Ps 78:13; Jes 43:16; Jes 63:12–14; Neh 9:11 **4:24** Zo kennen alle volken van de aarde de hand van Yahweh, dat die sterk is. En zo vrezen jullie Yahweh, jullie Elohim, alle dagen.” Brontekst: לְ֠מַעַן (lemaan) = opdat | דַּ֜עַת (daat) = weten | כָּל (kal) = alle | עַמֵּ֤י (amei) = volken van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | אֶת (et) = (obj.) | יַ֣ד (yad) = de hand van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = dat | חֲזָקָ֖ה (chazaqa) = sterk | הִ֑יא (hi) = zij | לְמַ֧עַן (lemaan) = opdat | יְרָאתֶ֛ם (yeratem) = jullie vrezen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:16; Ps 89:14; Ps 106:8; 1 Kon 8:42–43; 2 Kon 19:19 ## Jozua 5 _De besnijdenis bij Gilgal en de aanvoerder van het leger van Yahweh_ ### De koningen verliezen de moed **5:1** Alle koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan, in het westen, en alle koningen van de Kanaänieten bij de zee hoorden het. Yahweh had het water van de Jordaan voor de zonen van Israël drooggelegd, tot zij waren overgestoken. Toen werd hun hart moedeloos. Er was geen moed meer in hen, vanwege de zonen van Israël. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | כִשְׁמֹ֣עַ (kishmoa) = toen hoorden | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָאֱמֹרִ֡י (haemori) = de Amorieten | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | בְּעֵ֨בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֜ן (hayarden) = de Jordaan | יָ֗מָּה (yama) = westwaarts | וְכָל (vekhal) = en alle | מַלְכֵ֤י (malkhei) = koningen van | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaänieten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = aan | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | אֵ֠ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = dat | הוֹבִ֨ישׁ (hovish) = had drooggelegd | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֵ֧י (mei) = het water van | הַיַּרְדֵּ֛ן (hayarden) = de Jordaan | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor het aangezicht van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עַד (ad) = tot | עָבְרָ֑ם (averam) = zij overstaken | וַיִּמַּ֣ס (vayimas) = en het smolt | לְבָבָ֗ם (levavam) = hun hart | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֨יָה (haya) = was | בָ֥ם (bam) = in hen | עוֹד֙ (od) = nog | ר֔וּחַ (ruach) = geest | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: וַיִּמַּס (vayimmas), ‘moedeloos worden’: letterlijk ‘smelten’. Wij vertalen zoals in Joz. 2:11 en Deut. 1:28. Voetnoot : רוּחַ (ruach), ‘moed’: letterlijk ‘geest’. Er is geen kracht meer in hen om zich te verzetten. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuwse woord in de tekst is עָבְרָם (avram), ‘tot zij overstaken’. De lezing die naast de tekst staat, is עָבְרֵנוּ (avrenu), ‘tot wij overstaken’. Wij volgen de tekst: ‘tot zij waren overgestoken’. Zie ook: Num 13:29; Deut 1:28; Joz 2:9–11; Joz 2:11; Joz 12:9–24; Joz 24:15; 1 Kon 10:5 ### De besnijdenis bij Gilgal **5:2** In die tijd zei Yahweh tegen Jozua: **„Maak voor jezelf messen van vuursteen. Besnijd de zonen van Israël opnieuw, voor de tweede keer.”** Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | אָמַ֤ר (amar) = zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | עֲשֵׂ֥ה (ase) = maak | לְךָ֖ (lekha) = voor jezelf | חַֽרְב֣וֹת (charvot) = messen van | צֻרִ֑ים (tsurim) = vuursteen | וְשׁ֛וּב (veshuv) = en keer terug | מֹ֥ל (mol) = besnijd | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | שֵׁנִֽית (shenit) = voor de tweede keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַרְבוֹת צֻרִים (charvot tsurim), ‘messen van vuursteen’: letterlijk ‘zwaarden van vuursteen’. Het gaat om scherpe stenen messen. Vergelijk Exod. 4:25. Voetnoot : שֵׁנִית (shenit), ‘voor de tweede keer’: het volk dat uit Egypte kwam, was besneden (vers 5). Nu wordt de nieuwe generatie besneden, zodat het volk als geheel voor de tweede keer wordt besneden. Zie Gen. 17:10–14. Zie ook: Gen 17:10–14; Ex 4:25; Deut 10:16; Deut 30:6; Joz 5:5; Kol 2:11 **5:3** Jozua maakte voor zich messen van vuursteen. Hij besneed de zonen van Israël bij de Heuvel van de Voorhuiden. Brontekst: וַיַּעַשׂ (vayaas) = en hij maakte | ל֥וֹ (lo) = voor zich | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | חַֽרְב֣וֹת (charvot) = messen van | צֻרִ֑ים (tsurim) = vuursteen | וַיָּ֨מָל֙ (vayamal) = en hij besneed | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = bij | גִּבְעַ֖ת (givat) = de heuvel van | הָעֲרָלֽוֹת (haaralot) = de voorhuiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: גִּבְעַת הָעֲרָלוֹת (givat ha-aralot), ‘Heuvel van de Voorhuiden’, ligt vlak bij Gilgal. De plek is niet bekend. Zie ook: Gen 17:23–27; Mat 16:24 **5:4** Dit was de reden dat Jozua hen besneed. Heel het volk dat uit Egypte was getrokken, de mannen, alle krijgslieden, waren in de woestijn gestorven, onderweg, bij hun uittocht uit Egypte. Brontekst: וְזֶ֥ה (veze) = en dit | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | אֲשֶׁר (asher) = waarom | מָ֣ל (mal) = besneed | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | כָּל (kal) = heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַיֹּצֵא֩ (hayotse) = dat uittrok | מִמִּצְרַ֨יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | הַזְּכָרִ֜ים (hazekharim) = de mannen | כֹּ֣ל (kol) = alle | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֗ה (hamilchama) = de oorlog | מֵ֤תוּ (metu) = waren gestorven | בַמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = in de woestijn | בַּדֶּ֔רֶךְ (baderekh) = onderweg | בְּצֵאתָ֖ם (betsetam) = bij hun uittocht | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Num 14:22; Num 26:64–65; Deut 2:16; 1 Kor 10:5; Heb 3:17–19 **5:5** Want heel het volk dat was uitgetrokken, was besneden. Maar heel het volk dat in de woestijn was geboren, onderweg, bij hun uittocht uit Egypte, was niet besneden. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מֻלִ֣ים (mulim) = besneden | הָי֔וּ (hayu) = waren | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | הַיֹּֽצְאִ֑ים (hayotseim) = dat uittrok | וְכָל (vekhal) = maar heel | הָ֠עָם (haam) = het volk | הַיִּלֹּדִ֨ים (hayilodim) = dat geboren was | בַּמִּדְבָּ֥ר (bamidbar) = in de woestijn | בַּדֶּ֛רֶךְ (baderekh) = onderweg | בְּצֵאתָ֥ם (betsetam) = bij hun uittocht | מִמִּצְרַ֖יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | לֹא (lo) = niet | מָֽלוּ (malu) = had men besneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 12:8–9; Gal 5:6; Gal 6:15; 1 Kor 7:19; Rom 2:26 **5:6** Want veertig jaar lang waren de zonen van Israël door de woestijn getrokken, totdat heel het volk was verdwenen. Dat waren de krijgslieden die uit Egypte waren getrokken. Zij hadden niet geluisterd naar de stem van Yahweh. Yahweh had hun gezworen dat Hij hun het land niet zou laten zien. Dat land had Yahweh aan hun vaders gezworen ons te geven, een land dat overvloeit van melk en honing. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | הָלְכ֣וּ (halekhu) = liepen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | בַּמִּדְבָּר֒ (bamidbar) = in de woestijn | עַד (ad) = tot | תֹּ֨ם (tom) = was ten einde | כָּל (kal) = heel | הַגּ֜וֹי (hagoy) = het volk | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de oorlog | הַיֹּצְאִ֣ים (hayotseim) = die uittrokken | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = hadden geluisterd | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = aan wie | נִשְׁבַּ֤ע (nishba) = had gezworen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | לְבִלְתִּ֞י (levilti) = dat niet | הַרְאוֹתָ֣ם (harotam) = Hij hen zou laten zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | נִשְׁבַּ֨ע (nishba) = had gezworen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לַֽאֲבוֹתָם֙ (laavotam) = aan hun vaders | לָ֣תֶת (latet) = te geven | לָ֔נוּ (lanu) = aan ons | אֶ֛רֶץ (erets) = een land | זָבַ֥ת (zavat) = dat overvloeit van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Zie Num. 14:29–33 en Deut. 2:14–16 over de veertig jaar en het wegvallen van die generatie. Voetnoot : זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ (zavat chalav udvash), ‘overvloeiend van melk en honing’: een vaste uitdrukking voor het goede land (Exod. 3:8; Deut. 6:3). Zie ook: Ex 3:8; Num 14:23; Num 14:29–33; Deut 1:3; Deut 2:14; Deut 6:3; Heb 3:11 **5:7** Hun zonen, die Hij in hun plaats had laten opstaan, besneed Jozua. Zij waren namelijk onbesneden, omdat men hen onderweg niet had besneden. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֵיהֶם֙ (beneihem) = hun zonen | הֵקִ֣ים (heqim) = Hij had laten opstaan | תַּחְתָּ֔ם (tachtam) = in hun plaats | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מָ֣ל (mal) = besneed | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | כִּי (ki) = want | עֲרֵלִ֣ים (arelim) = onbesneden | הָי֔וּ (hayu) = waren zij | כִּ֛י (ki) = omdat | לֹא (lo) = niet | מָ֥לוּ (malu) = had men besneden | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | בַּדָּֽרֶךְ (badarekh) = onderweg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:31; Deut 1:39 **5:8** Toen heel het volk besneden was, bleven zij op hun plaats in het kamp, tot zij weer gezond waren. Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het gebeurde | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = toen | תַּ֥מּוּ (tamu) = waren klaar | כָל (kal) = heel | הַגּ֖וֹי (hagoy) = het volk | לְהִמּ֑וֹל (lehimol) = met besneden worden | וַיֵּשְׁב֥וּ (vayeshevu) = en zij bleven | תַחְתָּ֛ם (tachtam) = op hun plaats | בַּֽמַּחֲנֶ֖ה (bamachane) = in het kamp | עַ֥ד (ad) = tot | חֲיוֹתָֽם (chayotam) = zij weer gezond waren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 34:25 **5:9** Yahweh zei tegen Jozua: **„Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van jullie afgerold.”** Daarom noemde men die plaats Gilgal, tot op deze dag. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | גַּלּ֛וֹתִי (galoti) = heb Ik afgerold | אֶת (et) = (obj.) | חֶרְפַּ֥ת (cherpat) = de smaad van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | מֵעֲלֵיכֶ֑ם (mealeikhem) = van jullie | וַיִּקְרָ֞א (vayiqra) = en men noemde | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | הַמָּק֤וֹם (hamaqom) = de plaats | הַהוּא֙ (hahu) = die | גִּלְגָּ֔ל (gilgal) = Gilgal | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilgal ligt volgens Joz. 4:19 aan de oostkant van Jericho, bij de Jordaan. De precieze plek is niet bekend (ligging onzeker). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: גַּלְגַּל (Gilgal) klinkt als גַּלּוֹתִי (galloti), ‘Ik heb afgerold’, van גָּלַל (galal), ‘rollen’. Wat met ‘de smaad van Egypte’ precies bedoeld is, zegt de tekst niet. Wij vertalen de woorden zoals ze staan. Zie ook: Gen 34:14; Lev 24:14; Joz 4:19; 1 Sam 17:26; Jer 9:24 ### Het Pesach en het einde van het manna **5:10** De zonen van Israël sloegen hun kamp op bij Gilgal. Op de veertiende dag van de maand, 's avonds, hielden zij het Pesach in de vlakten van Jericho. Brontekst: וַיַּחֲנ֥וּ (vayachanu) = en zij sloegen kamp op | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּגִּלְגָּ֑ל (bagilgal) = in Gilgal | וַיַּעֲשׂ֣וּ (vayaasu) = en zij hielden | אֶת (et) = (obj.) | הַפֶּ֡סַח (hapesach) = het Pesach | בְּאַרְבָּעָה֩ (bearbaa) = op de vier | עָשָׂ֨ר (asar) = tien | י֥וֹם (yom) = dag | לַחֹ֛דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בָּעֶ֖רֶב (baerev) = 's avonds | בְּעַֽרְב֥וֹת (bearvot) = in de vlakten van | יְרִיחֽוֹ (yericho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: עַרְבוֹת יְרִיחוֹ (arvot Yeriycho), ‘de vlakten van Jericho’: het dal bij de Jordaan. Jericho ligt bij het huidige Jericho (Tel es-Soeltan) op de Westelijke Jordaanoever, ongeveer 10 kilometer ten westen van de Jordaan. Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie Vlakten van Jericho: De vlakten van Jericho zijn het lage land langs de Jordaan bij Jericho. Voetnoot Uitleg: הַפֶּסַח (ha-Pesach), ‘het Pesach’. De veertiende dag van de eerste maand is de vaste dag (Exod. 12:6; Lev. 23:5). Zie ook Joz. 4:19. Zie ook: Ex 12:6; Lev 23:5; Num 9:1–5; Joz 4:19; Ezech 12:3; Ezech 12:6–16 **5:11** De dag na het Pesach aten zij van de opbrengst van het land: ongezuurde broden en geroosterd graan. Dat deden zij op diezelfde dag. Brontekst: וַיֹּ֨אכְל֜וּ (vayokhlu) = en zij aten | מֵעֲב֥וּר (meavur) = van de opbrengst van | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | מִמָּֽחֳרַ֥ת (mimachorat) = de dag na | הַפֶּ֖סַח (hapesach) = het Pesach | מַצּ֣וֹת (matsot) = ongezuurde broden | וְקָל֑וּי (veqaluy) = en geroosterd graan | בְּעֶ֖צֶם (beetsem) = op dezelfde | הַיּ֥וֹם (hayom) = dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבוּר הָאָרֶץ (avur ha-arets), ‘de opbrengst van het land’: de oogst van het land. Wat de dag na het Pesach wordt gegeten, is de eerste oogst in Kanaän. Vergelijk Lev. 23:14. Voetnoot : קָלוּי (qalui), ‘geroosterd graan’: graan dat in het vuur is geroosterd. Zie ook: Ex 12:18–20; Ex 13:6–7; Lev 23:6; Lev 23:14 **5:12** Op de dag nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten, hield het manna op. Er was voor de zonen van Israël geen manna meer. In dat jaar aten zij van de oogst van het land Kanaän. Brontekst: וַיִּשְׁבֹּ֨ת (vayishbot) = en het hield op | הַמָּ֜ן (haman) = het manna | מִֽמָּחֳרָ֗ת (mimachorat) = de dag na | בְּאָכְלָם֙ (beakhelam) = toen zij aten | מֵעֲב֣וּר (meavur) = van de opbrengst van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֥יָה (haya) = was | ע֛וֹד (od) = meer | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מָ֑ן (man) = manna | וַיֹּאכְל֗וּ (vayokhlu) = en zij aten | מִתְּבוּאַת֙ (mitevuat) = van de oogst van | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | בַּשָּׁנָ֖ה (bashana) = in het jaar | הַהִֽיא (hahi) = dat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: הַמָּן (ha-man), ‘het manna’: het voedsel dat Elohim veertig jaar gaf (Exod. 16:35). Vanaf deze dag eten zij van de oogst van het land. Zie ook: Ex 16:35; Deut 6:10–11; Spr 13:22; Neh 9:20–21; Openb 7:16–17 ### De aanvoerder van het leger van Yahweh **5:13** Jozua was bij Jericho. Hij sloeg zijn ogen op en zag een man tegenover zich staan, met zijn zwaard getrokken in zijn hand. Jozua ging naar hem toe en zei tegen hem: „Ben jij voor ons of voor onze tegenstanders?” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het gebeurde | בִּֽהְי֣וֹת (bihyot) = toen was | יְהוֹשֻׁעַ֮ (yehoshua) = Jozua | בִּירִיחוֹ֒ (biricho) = bij Jericho | וַיִּשָּׂ֤א (vayisa) = en hij sloeg op | עֵינָיו֙ (einav) = zijn ogen | וַיַּ֔רְא (vayar) = en zag | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | אִישׁ֙ (ish) = een man | עֹמֵ֣ד (omed) = stond | לְנֶגְדּ֔וֹ (lenegdo) = tegenover hem | וְחַרְבּ֥וֹ (vecharbo) = en zijn zwaard | שְׁלוּפָ֖ה (shelufa) = getrokken | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en ging | יְהוֹשֻׁ֤עַ (yehoshua) = Jozua | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem toe | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | הֲלָ֥נוּ (halanu) = ben je voor ons | אַתָּ֖ה (ata) = jij | אִם (im) = of | לְצָרֵֽינוּ (letsareinu) = voor onze tegenstanders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: De man met het getrokken zwaard noemt zich in vers 14 de aanvoerder van het leger van Yahweh. Vergelijk Num. 22:23, waar de engel van Yahweh met een getrokken zwaard staat. Zie ook: Gen 18:2; Num 22:23; Num 22:31; Joz 5:14; 1 Kron 21:16–17; 1 Kron 21:30 **5:14** Hij zei: **„Nee, maar Ik ben de aanvoerder van het leger van Yahweh. Nu ben Ik gekomen.”** Toen viel Jozua met zijn gezicht op de grond en boog zich neer. Hij zei tegen Hem: „Wat zegt mijn Heer tot Zijn dienaar?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לֹ֗א (lo) = nee | כִּ֛י (ki) = maar | אֲנִ֥י (ani) = Ik | שַׂר (sar) = aanvoerder van | צְבָֽא (tseva) = het leger van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַתָּ֣ה (ata) = nu | בָ֑אתִי (bati) = ben Ik gekomen | וַיִּפֹּל֩ (vayipol) = en viel | יְהוֹשֻׁ֨עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = op | פָּנָ֥יו (panav) = zijn gezicht | אַ֨רְצָה֙ (artsa) = naar de grond | וַיִּשְׁתָּ֔חוּ (vayishtachu) = en boog zich neer | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | ל֔וֹ (lo) = tegen Hem | מָ֥ה (ma) = wat | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn Heer | מְדַבֵּ֥ר (medaber) = spreekt | אֶל (el) = tot | עַבְדּֽוֹ (avdo) = Zijn dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂר־צְבָא־יְהוָה (sar-tseva-Yahweh), ‘aanvoerder van het leger van Yahweh’. Jozua buigt zich voor hem neer, en de man laat dit toe. Hij noemt de plaats heilig (vers 15), net als Yahweh bij de doornstruik (Exod. 3:2–6). Daarom zetten wij zijn woorden in rood, en schrijven wij de voornaamwoorden met een hoofdletter. Voetnoot : אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: een aanspreking. Zie ook: Gen 17:3; Ex 3:2–6; Ex 23:20–22; Joz 5:15; Jes 55:4; Hand 10:25–26; Openb 19:10–14 **5:15** De aanvoerder van het leger van Yahweh zei tegen Jozua: **„Trek je sandalen van je voeten, want de plaats waar je staat is heilig.”** Jozua deed dat. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | שַׂר (sar) = de aanvoerder van | צְבָ֨א (tseva) = het leger van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | שַׁל (shal) = trek uit | נַֽעַלְךָ֙ (naalkha) = je sandaal | מֵעַ֣ל (meal) = van op | רַגְלֶ֔ךָ (raglekha) = je voet | כִּ֣י (ki) = want | הַמָּק֗וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | אַתָּ֛ה (ata) = jij | עֹמֵ֥ד (omed) = staat | עָלָ֖יו (alav) = daarop | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig | ה֑וּא (hu) = is zij | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het uittrekken van de sandalen is een teken van eerbied voor de heilige plaats. Zie Exod. 3:5. Zie ook: Ex 3:5; Hand 7:32–33; 2 Petr 1:18 ## Jozua 6 _De val van Jericho en de redding van Rachab_ ### Yahweh geeft Jericho in de hand van Jozua **6:1** Jericho was dichtgesloten en op slot vanwege de zonen van Israël. Niemand ging naar buiten en niemand kwam binnen. Brontekst: וִֽירִיחוֹ֙ (viricho) = en Jericho | סֹגֶ֣רֶת (sogeret) = was gesloten | וּמְסֻגֶּ֔רֶת (umesugeret) = en afgesloten | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֵ֥ין (ein) = niemand | יוֹצֵ֖א (yotse) = ging naar buiten | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | בָּֽא (ba) = kwam binnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jericho ligt bij het huidige Jericho (Tel es-Soeltan) op de Westelijke Jordaanoever, ongeveer 10 kilometer ten westen van de Jordaan. Zie ook: Joz 2:7; Joz 2:9–14; Joz 2:24; Ps 127:1; 2 Kon 17:4 **6:2** Yahweh zei tegen Jozua: **„Zie, Ik heb Jericho in je hand gegeven, met haar koning en haar dappere krijgers.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | רְאֵה֙ (ree) = zie | נָתַ֣תִּי (natati) = heb Ik gegeven | בְיָֽדְךָ֔ (beyadekha) = in je hand | אֶת (et) = (obj.) | יְרִיח֖וֹ (yericho) = Jericho | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכָּ֑הּ (malkah) = haar koning | גִּבּוֹרֵ֖י (giborei) = de helden van | הֶחָֽיִל (hechayil) = de kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: נָתַתִּי (natatti), ‘Ik heb gegeven’: Yahweh spreekt alsof de stad al gegeven is. Vergelijk Joz. 8:1. Zie ook: Deut 7:24; Joz 2:9; Joz 2:24; Joz 5:13–15; Joz 8:1 **6:3** **Jullie moeten rond de stad trekken, alle krijgslieden. Ga één keer rond de stad. Zo moet je zes dagen doen.** Brontekst: וְסַבֹּתֶ֣ם (vesabotem) = en jullie zullen omringen | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֗יר (hair) = de stad | כֹּ֚ל (kol) = alle | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֔ה (hamilchama) = de oorlog | הַקֵּ֥יף (haqeif) = rondgaan | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | פַּ֣עַם (paam) = keer | אֶחָ֑ת (echat) = één | כֹּ֥ה (ko) = zo | תַעֲשֶׂ֖ה (taase) = zul je doen | שֵׁ֥שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:9; Joz 6:7; Joz 6:14; 1 Kor 1:21–25; 2 Kor 4:7 **6:4** **Zeven priesters moeten zeven ramshoorns dragen, voor de ark uit. Op de zevende dag moeten jullie zeven keer rond de stad trekken. De priesters moeten op de ramshoorns blazen.** Brontekst: וְשִׁבְעָ֣ה (veshiva) = en zeven | כֹהֲנִ֡ים (kohanim) = priesters | יִשְׂאוּ֩ (yisu) = zullen dragen | שִׁבְעָ֨ה (shiva) = zeven | שׁוֹפְר֤וֹת (shoferot) = ramshoorns van | הַיּֽוֹבְלִים֙ (hayovelim) = de rammen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הָאָר֔וֹן (haaron) = de ark | וּבַיּוֹם֙ (uvayom) = en op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | תָּסֹ֥בּוּ (tasobu) = zullen jullie rondgaan | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֑ים (peamim) = keer | וְהַכֹּ֣הֲנִ֔ים (vehakohanim) = en de priesters | יִתְקְע֖וּ (yitqeu) = zullen blazen | בַּשּׁוֹפָרֽוֹת (bashofarot) = op de ramshoorns Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹפְרוֹת הַיּוֹבְלִים (shofrot ha-yovelim), ‘ramshoorns’: hoorns van een ram. Het woord יוֹבֵל (yovel) betekent ‘ram’ en geeft ook zijn naam aan het jubeljaar (Lev. 25:9). Voetnoot : De ark is hier de ark van het verbond (vers 6). Zie ook: Lev 25:9; Joz 6:6; Re 7:15–22; 1 Kon 18:43; 2 Kron 20:17; Openb 8:2; Openb 16:1 **6:5** **Zodra de ramshoorn lang klinkt en jullie het geluid horen, moet heel het volk een groot gejuich aanheffen. Dan zal de muur van de stad ter plekke instorten. Het volk gaat dan omhoog, ieder recht voor zich uit.”** Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | בִּמְשֹׁ֣ךְ (bimshokh) = bij het lang klinken | בְּקֶ֣רֶן (beqeren) = van de hoorn | הַיּוֹבֵ֗ל (hayovel) = van de ram | כְּשָׁמְעֲכֶם֙ (keshameakhem) = als jullie horen | אֶת (et) = (obj.) | ק֣וֹל (qol) = het geluid van | הַשּׁוֹפָ֔ר (hashofar) = de ramshoorn | יָרִ֥יעוּ (yariu) = zullen juichen | כָל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | תְּרוּעָ֣ה (terua) = met gejuich | גְדוֹלָ֑ה (gedola) = groot | וְנָ֨פְלָ֜ה (venafela) = en zal vallen | חוֹמַ֤ת (chomat) = de muur van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | תַּחְתֶּ֔יהָ (tachteiha) = ter plekke | וְעָל֥וּ (vealu) = en zij zullen opgaan | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | נֶגְדּֽוֹ (negdo) = recht voor zich uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחְתֶּיהָ (tachteha), ‘ter plekke’: letterlijk ‘onder zich’. De muur zakt op zijn plaats in elkaar. Zie ook: Ex 19:19; Joz 6:16; 1 Sam 4:5; 2 Kor 10:4–5; Heb 11:30 ### Zes dagen rond de stad **6:6** Jozua, de zoon van Nun, riep de priesters en zei tegen hen: „Neem de ark van het verbond op. Zeven priesters moeten zeven ramshoorns dragen, voor de ark van Yahweh uit.” Brontekst: וַיִּקְרָ֞א (vayiqra) = en riep | יְהוֹשֻׁ֤עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = de zoon van | נוּן֙ (nun) = Nun | אֶל (el) = tot | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | שְׂא֖וּ (seu) = draag | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | הַבְּרִ֑ית (haberit) = het verbond | וְשִׁבְעָ֣ה (veshiva) = en zeven | כֹֽהֲנִ֗ים (kohanim) = priesters | יִשְׂאוּ֙ (yisu) = zullen dragen | שִׁבְעָ֤ה (shiva) = zeven | שֽׁוֹפְרוֹת֙ (shoferot) = ramshoorns van | יוֹבְלִ֔ים (yovelim) = rammen | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 25:14; Deut 20:2–4; Joz 3:6; Joz 6:8; Hand 9:1 **6:7** Tegen het volk zei hij: „Trek verder en ga rond de stad. De gewapende mannen moeten voor de ark van Yahweh uit gaan.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tegen | הָעָ֔ם (haam) = het volk | עִבְר֖וּ (ivru) = trek verder | וְסֹ֣בּוּ (vesobu) = en ga rond | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וְהֶ֣חָל֔וּץ (vehechaluts) = en de gewapende | יַעֲבֹ֕ר (yaavor) = zal gaan | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלוּץ (chalutz), ‘gewapend’: de toegeruste mannen die voor de ark uit gaan. Vergelijk Joz. 4:13 en Num. 32:17. Zie ook: Num 32:17; Joz 1:14; Joz 4:13; Joz 6:3 **6:8** Toen Jozua dit tegen het volk had gezegd, gingen de zeven priesters met de zeven ramshoorns voor Yahweh uit. Zij bliezen op de ramshoorns. De ark van het verbond van Yahweh ging achter hen aan. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het gebeurde | כֶּאֱמֹ֣ר (keemor) = toen sprak | יְהוֹשֻׁעַ֮ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | הָעָם֒ (haam) = het volk | וְשִׁבְעָ֣ה (veshiva) = en zeven | הַכֹּהֲנִ֡ים (hakohanim) = de priesters | נֹשְׂאִים֩ (noseim) = dragend | שִׁבְעָ֨ה (shiva) = zeven | שׁוֹפְר֤וֹת (shoferot) = ramshoorns van | הַיּֽוֹבְלִים֙ (hayovelim) = de rammen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עָבְר֕וּ (averu) = gingen verder | וְתָקְע֖וּ (vetaqeu) = en bliezen | בַּשּֽׁוֹפָר֑וֹת (bashofarot) = op de ramshoorns | וַֽאֲרוֹן֙ (vaaron) = en de ark van | בְּרִ֣ית (berit) = het verbond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֹלֵ֖ךְ (holekh) = ging | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = achter hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:20; Joz 6:3–4 **6:9** De gewapende mannen gingen voor de priesters uit die op de ramshoorns bliezen. De achterhoede ging achter de ark aan. Zij liepen en bliezen steeds op de ramshoorns. Brontekst: וְהֶחָל֣וּץ (vehechaluts) = en de gewapende | הֹלֵ֔ךְ (holekh) = ging | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | תֹּקְעֵ֖י (toqeei) = die bliezen op | הַשּֽׁוֹפָר֑וֹת (hashofarot) = de ramshoorns | וְהַֽמְאַסֵּ֗ף (vehamasef) = en de achterhoede | הֹלֵךְ֙ (holekh) = ging | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הָאָר֔וֹן (haaron) = de ark | הָל֖וֹךְ (halokh) = gaande | וְתָק֥וֹעַ (vetaqoa) = en blazend | בַּשּׁוֹפָרֽוֹת (bashofarot) = op de ramshoorns Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְאַסֵּף (meassef), ‘achterhoede’: letterlijk ‘wie verzamelt’, de groep die achteraan komt. Vergelijk Num. 10:25. Zie ook: Num 10:25; Joz 6:13; Jes 52:11–12; Jes 58:8 **6:10** Jozua gebood het volk: „Jullie mogen niet juichen en jullie stem niet laten horen. Er mag geen woord uit jullie mond komen, tot de dag dat ik tegen jullie zeg: ‘Juich!’ Dan moeten jullie juichen.” Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעָם֩ (haam) = het volk | צִוָּ֨ה (tsiva) = gebood | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | לֹ֤א (lo) = niet | תָרִ֨יעוּ֙ (tariu) = zullen jullie juichen | וְלֹֽא (velo) = en niet | תַשְׁמִ֣יעוּ (tashmiu) = zullen jullie laten horen | אֶת (et) = (obj.) | קוֹלְכֶ֔ם (qolekhem) = jullie stem | וְלֹא (velo) = en niet | יֵצֵ֥א (yetse) = zal komen | מִפִּיכֶ֖ם (mipikhem) = uit jullie mond | דָּבָ֑ר (davar) = woord | עַ֠ד (ad) = tot | י֣וֹם (yom) = de dag | אָמְרִ֧י (ameri) = ik zeg | אֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = tegen jullie | הָרִ֖יעוּ (hariu) = juich | וַהֲרִיעֹתֶֽם (vahariotem) = dan zullen jullie juichen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 5:23–24; Jes 28:16; Jes 42:2; Mat 12:19; Luc 24:49 **6:11** Hij liet de ark van Yahweh één keer rond de stad gaan. Daarna kwamen zij in het kamp en overnachtten zij in het kamp. Brontekst: וַיַּסֵּ֤ב (vayasev) = en hij liet rondgaan | אֲרוֹן (aron) = de ark van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֔יר (hair) = de stad | הַקֵּ֖ף (haqef) = rondgaand | פַּ֣עַם (paam) = keer | אֶחָ֑ת (echat) = één | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | הַֽמַּחֲנֶ֔ה (hamachane) = in het kamp | וַיָּלִ֖ינוּ (vayalinu) = en overnachtten | בַּֽמַּחֲנֶֽה (bamachane) = in het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:12** Jozua stond 's ochtends vroeg op. De priesters droegen de ark van Yahweh. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֥ם (vayashkem) = en stond vroeg op | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | בַּבֹּ֑קֶר (baboqer) = in de ochtend | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en droegen | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = (obj.) | אֲר֥וֹן (aron) = de ark van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:25; Joz 3:1; Joz 6:6–8; Joh 6:10–11; Heb 11:7–8 **6:13** De zeven priesters met de zeven ramshoorns gingen voor de ark van Yahweh uit. Zij liepen en bliezen steeds op de ramshoorns. De gewapende mannen gingen voor hen uit en de achterhoede ging achter de ark van Yahweh aan. Zij liepen en bliezen steeds op de ramshoorns. Brontekst: וְשִׁבְעָ֣ה (veshiva) = en zeven | הַכֹּהֲנִ֡ים (hakohanim) = de priesters | נֹשְׂאִים֩ (noseim) = dragend | שִׁבְעָ֨ה (shiva) = zeven | שׁוֹפְר֜וֹת (shoferot) = ramshoorns van | הַיֹּבְלִ֗ים (hayovelim) = de rammen | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֹלְכִ֣ים (holekhim) = gaande | הָל֔וֹךְ (halokh) = voortgaand | וְתָקְע֖וּ (vetaqeu) = en bliezen | בַּשּׁוֹפָר֑וֹת (bashofarot) = op de ramshoorns | וְהֶחָלוּץ֙ (vehechaluts) = en de gewapende | הֹלֵ֣ךְ (holekh) = ging | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = voor hen | וְהַֽמְאַסֵּ֗ף (vehamasef) = en de achterhoede | הֹלֵךְ֙ (holekh) = ging | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הָל֖וֹךְ (halokh) = gaande | וְתָק֥וֹעַ (vetaqoa) = en blazend | בַּשּׁוֹפָרֽוֹת (bashofarot) = op de ramshoorns Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 15:26; Mat 24:13; Gal 6:9 **6:14** Op de tweede dag gingen zij één keer rond de stad en keerden terug naar het kamp. Zo deden zij zes dagen. Brontekst: וַיָּסֹ֨בּוּ (vayasobu) = en zij gingen rond | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֜יר (hair) = de stad | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַשֵּׁנִי֙ (hasheni) = tweede | פַּ֣עַם (paam) = keer | אַחַ֔ת (achat) = één | וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en keerden terug | הַֽמַּחֲנֶ֑ה (hamachane) = naar het kamp | כֹּ֥ה (ko) = zo | עָשׂ֖וּ (asu) = deden zij | שֵׁ֥שֶׁת (sheshet) = zes | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 6:3; Joz 6:11; Joz 6:15 ### De zevende dag **6:15** Op de zevende dag stonden zij vroeg op, bij het aanbreken van de dageraad. Zij gingen op dezelfde wijze zeven keer rond de stad. Alleen op die dag gingen zij zeven keer rond de stad. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = zevende | וַיַּשְׁכִּ֨מוּ֙ (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | כַּעֲל֣וֹת (kaalot) = bij het opgaan van | הַשַּׁ֔חַר (hashachar) = de dageraad | וַיָּסֹ֧בּוּ (vayasobu) = en zij gingen rond | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֛יר (hair) = de stad | כַּמִּשְׁפָּ֥ט (kamishpat) = op de wijze | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֑ים (peamim) = keer | רַ֚ק (raq) = alleen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | סָבְב֥וּ (savevu) = gingen zij rond | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִֽים (peamim) = keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּמִּשְׁפָּט הַזֶּה (kamishpat hazeh), ‘op dezelfde wijze’: letterlijk ‘volgens dit recht’. Het woord מִשְׁפָּט (mishpat) betekent hier ‘gebruik, wijze’. Zie ook: Ps 119:147; Mat 28:1; 2 Petr 1:19 **6:16** Bij de zevende keer bliezen de priesters op de ramshoorns. Toen zei Jozua tegen het volk: „Juich! Want Yahweh heeft jullie de stad gegeven. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het gebeurde | בַּפַּ֣עַם (bapaam) = bij de keer | הַשְּׁבִיעִ֔ית (hasheviit) = zevende | תָּקְע֥וּ (taqeu) = bliezen | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | בַּשּׁוֹפָר֑וֹת (bashofarot) = op de ramshoorns | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֤עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | הָעָם֙ (haam) = het volk | הָרִ֔יעוּ (hariu) = juich | כִּֽי (ki) = want | נָתַ֧ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (obj.) | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 6:5; Re 7:20–22; 2 Kron 13:15; 2 Kron 20:22–23 **6:17** De stad en alles wat erin is, is voor Yahweh aan de ban gewijd. Alleen Rachab, de hoer, zal leven, zij en allen die bij haar in huis zijn. Want zij heeft de boden verborgen die wij hebben gestuurd. Brontekst: וְהָיְתָ֨ה (vehayeta) = en zal zijn | הָעִ֥יר (hair) = de stad | חֵ֛רֶם (cherem) = ban | הִ֥יא (hi) = zij | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּ֖הּ (bah) = in haar | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | רַק֩ (raq) = alleen | רָחָ֨ב (rachav) = Rachab | הַזּוֹנָ֜ה (hazona) = de hoer | תִּֽחְיֶ֗ה (tichye) = zal leven | הִ֚יא (hi) = zij | וְכָל (vekhal) = en allen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתָּ֣הּ (itah) = met haar | בַּבַּ֔יִת (babayit) = in het huis | כִּ֣י (ki) = want | הֶחְבְּאַ֔תָה (hechbeata) = zij heeft verborgen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּלְאָכִ֖ים (hamalakhim) = de boden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁלָֽחְנוּ (shalachenu) = wij hebben gestuurd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘ban’: iets of iemand wordt volledig aan Yahweh toegewijd. Het mag niet gebruikt of gespaard worden. Zie Deut. 7:2 en Deut. 20:16–18. Voetnoot : מַלְאָכִים (malachim), ‘boden’: hetzelfde woord als ‘engelen’. In Joz. 2:1 heten zij ‘mannen’ en ‘verspieders’. Voetnoot : הַזּוֹנָה (hazonah), ‘de hoer’. Zie Joz. 2:1. Zie ook: Gen 12:3; Deut 7:2; Deut 20:16–18; Deut 20:17; Joz 2:1; Mi 4:13; Mat 25:40; Jak 2:25 **6:18** Maar jullie, hoed jullie voor de ban. Anders wijden jullie iets aan de ban en nemen jullie toch van de ban. Dan maken jullie het kamp van Israël tot een ban en brengen jullie het in ongeluk. Brontekst: וְרַק (veraq) = en alleen | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | שִׁמְר֣וּ (shimru) = hoed jullie | מִן (min) = voor | הַחֵ֔רֶם (hacherem) = de ban | פֶּֽן (pen) = anders | תַּחֲרִ֖ימוּ (tacharimu) = wijden jullie aan de ban | וּלְקַחְתֶּ֣ם (uleqachtem) = en nemen jullie | מִן (min) = van | הַחֵ֑רֶם (hacherem) = de ban | וְשַׂמְתֶּ֞ם (vesamtem) = en maken jullie | אֶת (et) = (obj.) | מַחֲנֵ֤ה (machane) = het kamp van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לְחֵ֔רֶם (lecherem) = tot een ban | וַעֲכַרְתֶּ֖ם (vaakhartem) = en brengen jullie in ongeluk | אוֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: תַּחֲרִימוּ (tacharimu), ‘anders wijden jullie aan de ban’, heeft in het Hebreeuws geen voorwerp. Het is daarom moeilijk te verstaan. Wij vertalen letterlijk. Sommigen verstaan: ‘anders brengen jullie jezelf onder de ban’. Zie ook: Joz 7:1; Joz 7:11–12; Joz 7:25; Ef 5:11; 1 Joh 5:21 **6:19** Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper en ijzer zijn heilig voor Yahweh. Zij moeten in de schatkamer van Yahweh komen.” Brontekst: וְכֹ֣ל (vekhol) = en alle | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֗ב (vezahav) = en goud | וּכְלֵ֤י (ukhelei) = en voorwerpen van | נְחֹ֨שֶׁת֙ (nechoshet) = koper | וּבַרְזֶ֔ל (uvarzel) = en ijzer | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heilig | ה֖וּא (hu) = is het | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | אוֹצַ֥ר (otsar) = de schatkamer van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יָבֽוֹא (yavo) = zal komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ (qodesh), ‘heilig’: zilver, goud, koper en ijzer worden niet vernietigd, maar zijn voor Yahweh. Zij komen in Zijn schatkamer (vers 24). Zie ook: Joz 6:24; 1 Kron 26:20; 2 Kon 24:13; Neh 10:39; Mat 27:6; Mar 12:41 ### De muur valt **6:20** Het volk juichte en zij bliezen op de ramshoorns. Zodra het volk het geluid van de ramshoorn hoorde, hief het een groot gejuich aan. Toen stortte de muur ter plekke in. Het volk ging de stad in, ieder recht voor zich uit. Zo veroverden zij de stad. Brontekst: וַיָּ֣רַע (vayara) = en juichte | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וַֽיִּתְקְע֖וּ (vayitqeu) = en zij bliezen | בַּשֹּֽׁפָר֑וֹת (bashofarot) = op de ramshoorns | וַיְהִי֩ (vayhi) = en het gebeurde | כִשְׁמֹ֨עַ (kishmoa) = toen hoorde | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | ק֣וֹל (qol) = het geluid van | הַשּׁוֹפָ֗ר (hashofar) = de ramshoorn | וַיָּרִ֤יעוּ (vayariu) = en juichte | הָעָם֙ (haam) = het volk | תְּרוּעָ֣ה (terua) = gejuich | גְדוֹלָ֔ה (gedola) = groot | וַתִּפֹּ֨ל (vatipol) = en viel | הַֽחוֹמָ֜ה (hachoma) = de muur | תַּחְתֶּ֗יהָ (tachteiha) = ter plekke | וַיַּ֨עַל (vayaal) = en ging op | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הָעִ֨ירָה֙ (haira) = de stad in | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | נֶגְדּ֔וֹ (negdo) = recht voor zich uit | וַֽיִּלְכְּד֖וּ (vayilkedu) = en zij veroverden | אֶת (et) = (obj.) | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:14–23 bevestigt dit verhaal van de val van Jericho. Zie ook: Jas 88:14–23; Joz 6:5; 2 Kor 10:4–5; Heb 11:30 **6:21** Zij sloegen alles wat in de stad was met de ban: man en vrouw, jongen en oude man, rund, schaap en ezel. Dat deden zij met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וַֽיַּחֲרִ֨ימוּ֙ (vayacharimu) = en zij wijdden aan de ban | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בָּעִ֔יר (bair) = in de stad | מֵאִישׁ֙ (meish) = van man | וְעַד (vead) = tot | אִשָּׁ֔ה (isha) = vrouw | מִנַּ֖עַר (minaar) = van jongen | וְעַד (vead) = tot | זָקֵ֑ן (zaqen) = oude man | וְעַ֨ד (vead) = tot | שׁ֥וֹר (shor) = rund | וָשֶׂ֛ה (vase) = en schaap | וַחֲמ֖וֹר (vachamor) = en ezel | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָֽרֶב (charev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘met de ban slaan’ (הֶחֱרִים, hecherim) is hier de uitvoering van het cherem uit vers 17. Zie Deut. 7:2. Zie ook: Deut 7:2; Joz 6:17; Joz 10:28; 1 Sam 15:3; 1 Sam 15:18–19; Ps 137:8–9; Jer 48:18 ### Rachab wordt gered **6:22** Tegen de twee mannen die het land hadden verkend, zei Jozua: „Ga het huis van de hoer binnen. Breng de vrouw daar vandaan, met alles wat van haar is, zoals jullie haar hebben gezworen.” Brontekst: וְלִשְׁנַ֨יִם (velishnayim) = en tot de twee | הָאֲנָשִׁ֜ים (haanashim) = mannen | הַֽמְרַגְּלִ֤ים (hamragelim) = die verkend hadden | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | אָמַ֣ר (amar) = zei | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | בֹּ֖אוּ (bou) = ga | בֵּית (beit) = het huis van | הָאִשָּׁ֣ה (haisha) = de vrouw | הַזּוֹנָ֑ה (hazona) = de hoer | וְהוֹצִ֨יאוּ (vehotsiu) = en breng naar buiten | מִשָּׁ֤ם (misham) = vandaar | אֶת (et) = (obj.) | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָ֔הּ (lah) = van haar | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | נִשְׁבַּעְתֶּ֖ם (nishbatem) = jullie hebben gezworen | לָֽהּ (lah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 6:17; Ps 15:4; Ezech 17:16; Ezech 17:18–19; Heb 11:31 **6:23** De jongens die het land verkend hadden, gingen erheen en brachten Rachab naar buiten. Ook haar vader, haar moeder, haar broers en alles wat van haar was brachten zij naar buiten. Ook al haar families brachten zij naar buiten. Zij lieten hen achter buiten het kamp van Israël. Brontekst: וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en gingen | הַנְּעָרִ֣ים (hanearim) = de jongens | הַֽמְרַגְּלִ֗ים (hamragelim) = de verspieders | וַיֹּצִ֡יאוּ (vayotsiu) = en brachten naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | רָ֠חָב (rachav) = Rachab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אָבִ֨יהָ (aviha) = haar vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אִמָּ֤הּ (imah) = haar moeder | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַחֶ֨יהָ֙ (acheiha) = haar broers | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָ֔הּ (lah) = van haar | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מִשְׁפְּחוֹתֶ֖יהָ (mishpechoteiha) = haar families | הוֹצִ֑יאוּ (hotsiu) = brachten zij naar buiten | וַיַּ֨נִּיח֔וּם (vayanichum) = en lieten hen | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לְמַחֲנֵ֥ה (lemachane) = het kamp van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְעָרִים (ne'arim), ‘jongens’: jonge mannen. Het zijn de twee verspieders uit Joz. 2. Zie ook: Gen 12:2; Gen 18:24; Num 5:2–3; Num 31:19; Heb 11:7 **6:24** De stad verbrandden zij met vuur, met alles wat erin was. Alleen het zilver, het goud en de voorwerpen van koper en ijzer gaven zij voor de schatkamer van het huis van Yahweh. Brontekst: וְהָעִ֛יר (vehair) = en de stad | שָׂרְפ֥וּ (sarefu) = verbrandden zij | בָאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּ֑הּ (bah) = in haar | רַ֣ק (raq) = alleen | הַכֶּ֣סֶף (hakesef) = het zilver | וְהַזָּהָ֗ב (vehazahav) = en het goud | וּכְלֵ֤י (ukhelei) = en de voorwerpen van | הַנְּחֹ֨שֶׁת֙ (hanechoshet) = het koper | וְהַבַּרְזֶ֔ל (vehabarzel) = en het ijzer | נָתְנ֖וּ (natenu) = gaven zij | אוֹצַ֥ר (otsar) = de schatkamer van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘het huis van Yahweh’: hier de tabernakel, de tent van Yahweh. Zie ook Joz. 18:1. Zie ook: Deut 13:17; Joz 8:28; Joz 18:1; 2 Kon 25:9; Openb 17:16; Openb 18:8 **6:25** Rachab, de hoer, het huis van haar vader en alles wat van haar was, liet Jozua in leven. Zij woont tot op deze dag midden in Israël. Want zij had de boden verborgen die Jozua had gestuurd om Jericho te verkennen. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | רָחָ֣ב (rachav) = Rachab | הַ֠זּוֹנָה (hazona) = de hoer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֨ית (beit) = het huis van | אָבִ֤יהָ (aviha) = haar vader | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָהּ֙ (lah) = van haar | הֶחֱיָ֣ה (hecheya) = liet in leven | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | וַתֵּ֨שֶׁב֙ (vateshev) = en zij woonde | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = in het midden van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּ֤י (ki) = want | הֶחְבִּ֨יאָה֙ (hechbia) = zij had verborgen | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּלְאָכִ֔ים (hamalakhim) = de boden | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁלַ֥ח (shalach) = had gestuurd | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | לְרַגֵּ֥ל (leragel) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | יְרִיחֽוֹ (yericho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: ‘Tot op deze dag’: de schrijver zegt dat Rachab en haar familie nog altijd in Israël wonen. Rachab komt ook voor in het geslachtsregister van Matt. 1:5. Zie ook: Joz 2:6; Re 1:24–25; Mat 1:5; Jak 2:25; Heb 11:31 ### De eed van Jozua **6:26** In die tijd liet Jozua het volk zweren: „Vervloekt is de man, voor het aangezicht van Yahweh, die opstaat en deze stad bouwt, Jericho. Met zijn eerstgeborene zal hij haar fundament leggen. Met zijn jongste zal hij haar deuren plaatsen.” Brontekst: וַיַּשְׁבַּ֣ע (vayashba) = en liet zweren | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | בָּעֵ֥ת (baet) = in de tijd | הַהִ֖יא (hahi) = die | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אָר֨וּר (arur) = vervloekt | הָאִ֜ישׁ (haish) = de man | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יָקוּם֙ (yaqum) = opstaat | וּבָנָ֞ה (uvana) = en bouwt | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֤יר (hair) = de stad | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | אֶת (et) = (obj.) | יְרִיח֔וֹ (yericho) = Jericho | בִּבְכֹר֣וֹ (bivkhoro) = met zijn eerstgeborene | יְיַסְּדֶ֔נָּה (yeyasedena) = zal hij haar fundament leggen | וּבִצְעִיר֖וֹ (uvitsiro) = en met zijn jongste | יַצִּ֥יב (yatsiv) = zal hij plaatsen | דְּלָתֶֽיהָ (delateiha) = haar deuren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: וַיַּשְׁבַּע (wayyashba), ‘liet zweren’: Jozua nam het volk een eed af. ‘Het volk’ is door ons aangevuld. Voetnoot : De vervloeking komt uit in 1 Kon. 16:34. Zie ook: Num 5:19–21; 1 Sam 14:24–46; 1 Kon 16:34; Mat 26:63; Hand 19:13 **6:27** Yahweh was met Jozua. Zijn faam ging door heel het land. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en was | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = met | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | וַיְהִ֥י (vayhi) = en was | שָׁמְע֖וֹ (shameo) = zijn faam | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:5; Joz 9:1; Joz 9:3; Mat 18:20; Mat 28:20 ## Jozua 7 _De nederlaag bij Ai en de zonde van Achan_ ### Achan neemt van de ban **7:1** De zonen van Israël pleegden trouwbreuk met de ban. Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, van de stam Juda, nam iets van de ban. Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen de zonen van Israël. Brontekst: וַיִּמְעֲל֧וּ (vayimalu) = en pleegden trouwbreuk | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | מַ֖עַל (maal) = trouwbreuk | בַּחֵ֑רֶם (bacherem) = met de ban | וַיִּקַּ֡ח (vayiqach) = en nam | עָכָ֣ן (akhan) = Achan | בֶּן (ben) = de zoon van | כַּרְמִי֩ (karmi) = Karmi | בֶן (ben) = de zoon van | זַבְדִּ֨י (zavdi) = Zabdi | בֶן (ben) = de zoon van | זֶ֜רַח (zerach) = Zerach | לְמַטֵּ֤ה (lemate) = van de stam | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | מִן (min) = van | הַחֵ֔רֶם (hacherem) = de ban | וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֥ף (af) = de toorn van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בִּבְנֵ֥י (bivnei) = tegen de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעַל (maal), ‘trouwbreuk’: ontrouw aan Yahweh door iets te nemen wat van Hem is. De ban (חֵרֶם, cherem) staat in Joz. 6:17–19. Zie ook Joz. 22:20. Voetnoot : עָכָן (Achan) heet in 1 Kron. 2:7 עָכָר (Achar), ‘onheilbrenger’, naar het werkwoord עָכַר (achar), ‘in ongeluk brengen’ (vers 25). Zie ook: Joz 6:17–19; Joz 7:20–21; Joz 7:25; Joz 22:18; Joz 22:20; 1 Kron 2:6–7; 1 Kron 2:7; Pred 9:18 ### De nederlaag bij Ai **7:2** Jozua stuurde mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Aven ligt, ten oosten van Betel. Hij zei tegen hen: „Ga omhoog en verken het land.” De mannen gingen omhoog en verkenden Ai. Brontekst: וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en stuurde | יְהוֹשֻׁ֨עַ (yehoshua) = Jozua | אֲנָשִׁ֜ים (anashim) = mannen | מִֽירִיח֗וֹ (miricho) = van Jericho | הָעַ֞י (haay) = naar Ai | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עִם (im) = bij | בֵּ֥ית (beit) = Bet | אָ֨וֶן֙ (aven) = Aven | מִקֶּ֣דֶם (miqedem) = ten oosten | לְבֵֽית (leveit) = van Bet | אֵ֔ל (el) = El | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tegen hen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | עֲל֖וּ (alu) = ga omhoog | וְרַגְּל֣וּ (veragelu) = en verken | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַֽיַּעֲלוּ֙ (vayaalu) = en gingen omhoog | הָאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | וַֽיְרַגְּל֖וּ (vayragelu) = en verkenden | אֶת (et) = (obj.) | הָעָֽי (haay) = Ai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ai (הָעַי, ha-Ai) betekent ‘de ruïne’. De stad lag ten oosten van Betel. De precieze plek is onzeker; er zijn twee voorstellen: et-Tell en Chirbet el-Maqatir, beide ten oosten van het huidige Beitin op de Westelijke Jordaanoever. Bet-Aven (‘huis van onheil’) lag in de buurt; de ligging is onzeker. Betel ligt bij het huidige Beitin (Westelijke Jordaanoever). Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 18:12; 1 Sam 13:5; 1 Sam 14:23; Spr 24:6; Hos 4:15 **7:3** Zij keerden terug naar Jozua en zeiden tegen hem: „Laat niet heel het volk optrekken. Ongeveer 2.000 of ongeveer 3.000 man kan optrekken en Ai verslaan. Vermoei niet heel het volk door hen daarheen te sturen, want zij zijn maar weinig.” Brontekst: וַיָּשֻׁ֣בוּ (vayashuvu) = en keerden terug | אֶל (el) = naar | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָיו֮ (elav) = tegen hem | אַל (al) = niet | יַ֣עַל (yaal) = laat optrekken | כָּל (kal) = heel | הָעָם֒ (haam) = het volk | כְּאַלְפַּ֣יִם (kealpayim) = ongeveer twee duizend | אִ֗ישׁ (ish) = man | א֚וֹ (o) = of | כִּשְׁלֹ֣שֶׁת (kishloshet) = ongeveer drie | אֲלָפִ֣ים (alafim) = duizend | אִ֔ישׁ (ish) = man | יַעֲל֖וּ (yaalu) = laat optrekken | וְיַכּ֣וּ (veyaku) = en slaan | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֑י (haay) = Ai | אַל (al) = niet | תְּיַגַּע (teyaga) = vermoei | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | כִּ֥י (ki) = want | מְעַ֖ט (meat) = weinig | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: De verspieders denken dat 2.000 of 3.000 man genoeg is. Zij noemen Ai ‘weinig’ (מְעַט, meat). Zie ook: Spr 13:4; Luc 13:24; 2 Petr 1:5; 2 Petr 1:10; Heb 6:11–12 **7:4** Van het volk trokken ongeveer 3.000 man daarheen. Zij vluchtten voor de mannen van Ai. Brontekst: וַיַּעֲל֤וּ (vayaalu) = en gingen omhoog | מִן (min) = van | הָעָם֙ (haam) = het volk | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | כִּשְׁלֹ֥שֶׁת (kishloshet) = ongeveer drie | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיָּנֻ֕סוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = de mannen van | הָעָֽי (haay) = Ai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Lev 26:17; Deut 28:25; Deut 32:30; Jes 30:17; Jes 59:2 **7:5** De mannen van Ai sloegen ongeveer 36 man van hen neer. Zij achtervolgden hen vanaf de poort tot Sebarim en versloegen hen op de helling. Toen werd het hart van het volk moedeloos en werd het als water. Brontekst: וַיַּכּ֨וּ (vayaku) = en sloegen | מֵהֶ֜ם (mehem) = van hen | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | הָעַ֗י (haay) = Ai | כִּשְׁלֹשִׁ֤ים (kishloshim) = ongeveer dertig | וְשִׁשָּׁה֙ (veshisha) = en zes | אִ֔ישׁ (ish) = man | וַֽיִּרְדְּפ֞וּם (vayirdefum) = en achtervolgden hen | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor | הַשַּׁ֨עַר֙ (hashaar) = de poort | עַד (ad) = tot | הַשְּׁבָרִ֔ים (hashevarim) = Sebarim | וַיַּכּ֖וּם (vayakum) = en versloegen hen | בַּמּוֹרָ֑ד (bamorad) = op de helling | וַיִּמַּ֥ס (vayimas) = en smolt | לְבַב (levav) = het hart van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | וַיְהִ֥י (vayhi) = en werd | לְמָֽיִם (lemayim) = tot water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: הַשְּׁבָרִים (ha-Shevarim), ‘Sebarim’: een plaats of een helling bij Ai. Het woord betekent ook ‘breuken’ of ‘steengroeven’. De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: וַיִּמַּס (vayimmas), ‘moedeloos worden’: letterlijk ‘smelten’. Wij vertalen zoals in Joz. 2:11 en 5:1. Nu overkomt het volk van Israël wat de koningen van Kanaän overkwam. Zie ook: Lev 26:36; Joz 2:9; Joz 2:11; Joz 5:1; Ps 22:15; Nah 2:11 ### Het gebed van Jozua **7:6** Jozua scheurde zijn kleren. Hij viel met zijn gezicht op de grond voor de ark van Yahweh, tot de avond, hij en de oudsten van Israël. Zij strooiden stof op hun hoofd. Brontekst: וַיִּקְרַ֨ע (vayiqra) = en scheurde | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | שִׂמְלֹתָ֗יו (simlotav) = zijn kleren | וַיִּפֹּל֩ (vayipol) = en viel | עַל (al) = op | פָּנָ֨יו (panav) = zijn gezicht | אַ֜רְצָה (artsa) = naar de grond | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor | אֲר֤וֹן (aron) = de ark van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = tot | הָעֶ֔רֶב (haerev) = de avond | ה֖וּא (hu) = hij | וְזִקְנֵ֣י (veziqnei) = en de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en zij deden komen | עָפָ֖ר (afar) = stof | עַל (al) = op | רֹאשָֽׁם (rosham) = hun hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het scheuren van de kleren en het stof op het hoofd zijn tekens van rouw en wanhoop. Vergelijk Gen. 37:34. Zie ook: Gen 37:29; Gen 37:34; 2 Sam 13:31; Klaagl 2:10; Openb 18:19 **7:7** Jozua zei: „Ach, mijn Heer Yahweh, waarom hebt U dit volk de Jordaan laten oversteken? Wilde U ons in de hand van de Amorieten geven, zodat wij omkomen? Hadden wij maar besloten om aan de overkant van de Jordaan te blijven wonen! Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | אֲהָ֣הּ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = mijn Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֠מָה (lama) = waarom | הֵעֲבַ֨רְתָּ (heavarta) = hebt U laten oversteken | הַעֲבִ֜יר (haavir) = laten oversteken | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | אֹתָ֛נוּ (otanu) = ons | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amorieten | לְהַאֲבִידֵ֑נוּ (lehaavidenu) = om ons te laten omkomen | וְלוּ֙ (velu) = en och als | הוֹאַ֣לְנוּ (hoalnu) = wij hadden besloten | וַנֵּ֔שֶׁב (vaneshev) = en gebleven | בְּעֵ֖בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘mijn Heer Yahweh’. Voetnoot : לוּ הוֹאַלְנוּ (lu hoalnu), ‘hadden wij maar besloten’: de wens dat zij aan de overkant waren gebleven. Zie ook: Ex 14:11–12; Num 14:3; 2 Kon 3:10; Mat 17:17; Heb 12:5 **7:8** Ach, mijn Heer, wat moet ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Brontekst: בִּ֖י (bi) = ach | אֲדֹנָ֑י (adonay) = mijn Heer | מָ֣ה (ma) = wat | אֹמַ֔ר (omar) = zal ik zeggen | אַ֠חֲרֵי (acharei) = nadat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הָפַ֧ךְ (hafakh) = heeft gekeerd | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | עֹ֖רֶף (oref) = de nek | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | אֹיְבָֽיו (oyevav) = zijn vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹרֶף (oref), ‘nek’: ‘de nek keren’ betekent ‘de rug toekeren’. Vergelijk Joz. 7:12. Zie ook: Joz 7:12; Hab 2:1; Ezra 9:10; Rom 3:5–6 **7:9** De Kanaänieten en alle bewoners van het land zullen het horen. Zij zullen ons omsingelen en onze naam uit het land uitroeien. Wat zult U dan doen voor Uw grote naam?” Brontekst: וְיִשְׁמְע֣וּ (veyishmeu) = en zullen horen | הַֽכְּנַעֲנִ֗י (hakenaani) = de Kanaäniet | וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְנָסַ֣בּוּ (venasabu) = en zullen omsingelen | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = ons | וְהִכְרִ֥יתוּ (vehikhritu) = en zullen uitroeien | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמֵ֖נוּ (shemenu) = onze naam | מִן (min) = uit | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וּמַֽה (uma) = en wat | תַּעֲשֵׂ֖ה (taase) = zult U doen | לְשִׁמְךָ֥ (leshimkha) = voor Uw naam | הַגָּדֽוֹל (hagadol) = de grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמֵנוּ (shemenu), ‘onze naam’: de herinnering aan ons. Jozua vraagt wat Yahweh dan zal doen voor Zijn grote naam. Vergelijk Num. 14:13–16. Zie ook: Ex 32:12; Num 14:13; Ps 83:5; Ezech 36:22–23; Joh 12:28 ### Het antwoord van Yahweh **7:10** Yahweh zei tegen Jozua: **„Sta op! Waarom lig je zo op je gezicht?** Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | קֻ֣ם (qum) = sta op | לָ֑ךְ (lakh) = jij | לָ֣מָּה (lama) = waarom | זֶּ֔ה (ze) = dit | אַתָּ֖ה (ata) = jij | נֹפֵ֥ל (nofel) = valt | עַל (al) = op | פָּנֶֽיךָ (paneikha) = je gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:15; 1 Sam 15:22; 1 Sam 16:1; 1 Kron 22:16 **7:11** **Israël heeft gezondigd. Ook hebben zij Mijn verbond overtreden, dat Ik hun heb geboden. Ook hebben zij van de ban genomen. Ook hebben zij gestolen. Ook hebben zij gelogen. Ook hebben zij het onder hun eigen spullen gelegd.** Brontekst: חָטָא֙ (chata) = heeft gezondigd | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְגַם֙ (vegam) = en ook | עָבְר֣וּ (averu) = hebben overtreden | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֔י (beriti) = Mijn verbond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | צִוִּ֖יתִי (tsiviti) = Ik heb geboden | אוֹתָ֑ם (otam) = hun | וְגַ֤ם (vegam) = en ook | לָֽקְחוּ֙ (laqechu) = hebben genomen | מִן (min) = van | הַחֵ֔רֶם (hacherem) = de ban | וְגַ֤ם (vegam) = en ook | גָּֽנְבוּ֙ (ganevu) = hebben gestolen | וְגַ֣ם (vegam) = en ook | כִּֽחֲשׁ֔וּ (kichashu) = hebben gelogen | וְגַ֖ם (vegam) = en ook | שָׂ֥מוּ (samu) = hebben gelegd | בִכְלֵיהֶֽם (bikhleihem) = onder hun spullen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְגַם (wegam), ‘en ook’: vijf keer herhaald. Wij laten dit refrein staan. Voetnoot : בִּכְלֵיהֶם (bichleihem), ‘onder hun spullen’: kelim zijn voorwerpen, bagage of gereedschap. Zie ook: Joz 6:17–19; Joz 7:20–21; Hand 5:1–2; Hand 5:9; Heb 4:13 **7:12** **De zonen van Israël kunnen niet standhouden tegenover hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij zijn zelf een ban geworden. Ik zal niet langer met jullie zijn, tenzij jullie de ban uit jullie midden vernietigen.** Brontekst: וְלֹ֨א (velo) = en niet | יֻכְל֜וּ (yukhlu) = konden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לָקוּם֙ (laqum) = standhouden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = tegenover | אֹיְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | עֹ֗רֶף (oref) = de nek | יִפְנוּ֙ (yifnu) = keren zij | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | אֹֽיְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | כִּ֥י (ki) = want | הָי֖וּ (hayu) = zij zijn geworden | לְחֵ֑רֶם (lecherem) = tot een ban | לֹ֤א (lo) = niet | אוֹסִיף֙ (osif) = zal Ik voortgaan | לִֽהְי֣וֹת (lihyot) = te zijn | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = met jullie | אִם (im) = als | לֹ֥א (lo) = niet | תַשְׁמִ֛ידוּ (tashmidu) = jullie vernietigen | הַחֵ֖רֶם (hacherem) = de ban | מִֽקִּרְבְּכֶֽם (miqirbekhem) = uit jullie midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:45; Joz 6:18; Re 2:14; Ps 5:5–6; Jes 59:2 **7:13** **Sta op. Heilig het volk en zeg: ‘Heilig jullie voor morgen. Want zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: Er is een ban in je midden, Israël. Je kunt niet standhouden tegenover je vijanden, tot jullie de ban uit jullie midden hebben weggehaald.’** Brontekst: קֻ֚ם (qum) = sta op | קַדֵּ֣שׁ (qadesh) = heilig | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en zeg | הִתְקַדְּשׁ֣וּ (hitqadeshu) = heilig jullie | לְמָחָ֑ר (lemachar) = voor morgen | כִּ֣י (ki) = want | כֹה֩ (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | חֵ֤רֶם (cherem) = een ban | בְּקִרְבְּךָ֙ (beqirbekha) = in je midden | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לֹ֣א (lo) = niet | תוּכַ֗ל (tukhal) = kun je | לָקוּם֙ (laqum) = standhouden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = tegenover | אֹיְבֶ֔יךָ (oyeveikha) = je vijanden | עַד (ad) = tot | הֲסִירְכֶ֥ם (hasirekhem) = jullie weghalen | הַחֵ֖רֶם (hacherem) = de ban | מִֽקִּרְבְּכֶֽם (miqirbekhem) = uit jullie midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַדֵּשׁ (qaddesh), ‘heilig’: het volk moet zich klaarmaken voor het aangezicht van Yahweh. Vergelijk Exod. 19:10–11. Zie ook: Ex 19:10–11; Joz 3:5; Joz 7:11; Klaagl 3:40–41; Mat 7:5; 1 Kor 5:11–13 **7:14** **'s Ochtends moeten jullie naderen, stam voor stam. De stam die Yahweh grijpt, moet naderen, familie voor familie. De familie die Yahweh grijpt, moet naderen, huis voor huis. Het huis dat Yahweh grijpt, moet naderen, man voor man.** Brontekst: וְנִקְרַבְתֶּ֥ם (veniqravtem) = en jullie zullen naderen | בַּבֹּ֖קֶר (baboqer) = 's ochtends | לְשִׁבְטֵיכֶ֑ם (leshivteikhem) = per stam | וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | הַשֵּׁבֶט֩ (hashevet) = de stam | אֲשֶׁר (asher) = die | יִלְכְּדֶ֨נּוּ (yilkedenu) = grijpt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | יִקְרַ֣ב (yiqrav) = zal naderen | לַמִּשְׁפָּח֗וֹת (lamishpachot) = per familie | וְהַמִּשְׁפָּחָ֞ה (vehamishpacha) = en de familie | אֲשֶֽׁר (asher) = die | יִלְכְּדֶ֤נָּה (yilkedena) = grijpt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | תִּקְרַ֣ב (tiqrav) = zal naderen | לַבָּתִּ֔ים (labatim) = per huis | וְהַבַּ֨יִת֙ (vehabayit) = en het huis | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִלְכְּדֶ֣נּוּ (yilkedenu) = grijpt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יִקְרַ֖ב (yiqrav) = zal naderen | לַגְּבָרִֽים (lagevarim) = man voor man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָכַד (lakhad), ‘grijpen, vangen’: Yahweh wijst de schuldige aan. Hoe dat gebeurt, bijvoorbeeld door het lot, zegt de tekst niet. Vergelijk 1 Sam. 14:41–42. Zie ook: Joz 7:17–18; 1 Sam 14:38–42; 1 Sam 14:41–42; Spr 16:33; Jona 1:7; Hand 1:24–26 **7:15** **Wie met de ban gegrepen wordt, moet met vuur verbrand worden, hij en alles wat van hem is. Want hij heeft het verbond van Yahweh overtreden en een schanddaad begaan in Israël.”** Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | הַנִּלְכָּ֣ד (hanilkad) = wie gegrepen wordt | בַּחֵ֔רֶם (bacherem) = met de ban | יִשָּׂרֵ֣ף (yisaref) = zal verbrand worden | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | אֹת֖וֹ (oto) = hij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֑וֹ (lo) = van hem | כִּ֤י (ki) = want | עָבַר֙ (avar) = hij heeft overtreden | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִ֣ית (berit) = het verbond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְכִֽי (vekhi) = en omdat | עָשָׂ֥ה (asa) = hij heeft gedaan | נְבָלָ֖ה (nevala) = een schanddaad | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבָלָה (nevalah), ‘schanddaad’: een daad die met Israël niet te rijmen valt. Zie ook Gen. 34:7. Zie ook: Gen 34:7; Deut 13:16–17; Joz 7:25–26; Re 20:6; 1 Sam 14:38–39 ### Achan wordt aangewezen **7:16** Jozua stond 's ochtends vroeg op en liet Israël naderen, stam voor stam. De stam Juda werd gegrepen. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֤ם (vayashkem) = en stond vroeg op | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = 's ochtends | וַיַּקְרֵ֥ב (vayaqrev) = en liet naderen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לִשְׁבָטָ֑יו (lishvatav) = per stam | וַיִּלָּכֵ֖ד (vayilakhed) = en werd gegrepen | שֵׁ֥בֶט (shevet) = de stam | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 22:3; Joz 3:1; Ps 119:60; Pred 9:10 **7:17** Hij liet de familie van Juda naderen. De familie van de Zerachieten werd gegrepen. Hij liet de familie van de Zerachieten naderen, man voor man, en Zabdi werd gegrepen. Brontekst: וַיַּקְרֵב֙ (vayaqrev) = en liet naderen | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפַּ֣חַת (mishpachat) = de familie van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיִּלְכֹּ֕ד (vayilkod) = en werd gegrepen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִשְׁפַּ֣חַת (mishpachat) = de familie van | הַזַּרְחִ֑י (hazarchi) = de Zerachiet | וַיַּקְרֵ֞ב (vayaqrev) = en liet naderen | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפַּ֤חַת (mishpachat) = de familie van | הַזַּרְחִי֙ (hazarchi) = de Zerachiet | לַגְּבָרִ֔ים (lagevarim) = man voor man | וַיִּלָּכֵ֖ד (vayilakhed) = en werd gegrepen | זַבְדִּֽי (zavdi) = Zabdi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In vers 14 staat ‘per familie’. Hier staat de familie van Juda in het enkelvoud. Het gaat om de familie waar de Zerachieten bij horen. Zie ook: Gen 38:30; Num 26:20; Joz 7:14; 1 Kron 2:4–7 **7:18** Hij liet zijn huis naderen, man voor man. Achan werd gegrepen, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, van de stam Juda. Brontekst: וַיַּקְרֵ֥ב (vayaqrev) = en liet naderen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית֖וֹ (beito) = zijn huis | לַגְּבָרִ֑ים (lagevarim) = man voor man | וַיִּלָּכֵ֗ד (vayilakhed) = en werd gegrepen | עָכָ֞ן (akhan) = Achan | בֶּן (ben) = de zoon van | כַּרְמִ֧י (karmi) = Karmi | בֶן (ben) = de zoon van | זַבְדִּ֛י (zavdi) = Zabdi | בֶּן (ben) = de zoon van | זֶ֖רַח (zerach) = Zerach | לְמַטֵּ֥ה (lemate) = van de stam | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:23; 1 Sam 14:42; Spr 13:21; Jer 2:26; Hand 5:1–10 ### De bekentenis van Achan **7:19** Jozua zei tegen Achan: „Mijn zoon, geef toch eer aan Yahweh, de Elohim van Israël, en leg een belijdenis voor Hem af. Vertel mij toch wat je hebt gedaan. Verberg het niet voor mij.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tegen | עָכָ֗ן (akhan) = Achan | בְּנִי֙ (beni) = mijn zoon | שִֽׂים (sim) = geef | נָ֣א (na) = toch | כָב֗וֹד (kavod) = eer | לַֽיהוָ֛ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְתֶן (veten) = en leg af | ל֣וֹ (lo) = voor Hem | תוֹדָ֑ה (toda) = belijdenis | וְהַגֶּד (vehaged) = en vertel | נָ֥א (na) = toch | לִי֙ (li) = mij | מֶ֣ה (me) = wat | עָשִׂ֔יתָ (asita) = je hebt gedaan | אַל (al) = niet | תְּכַחֵ֖ד (tekhached) = verberg | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹדָה (todah), ‘belijdenis’: het woord betekent ook ‘dank’. Hier gaat het om het erkennen van de schuld. Zie ook: 1 Sam 6:5; 2 Kron 30:22; Jer 13:16; Dan 9:4; Joh 9:24 **7:20** Achan antwoordde Jozua: „Waarlijk, ik heb gezondigd tegen Yahweh, de Elohim van Israël. Zo en zo heb ik gedaan: Brontekst: וַיַּ֧עַן (vayaan) = en antwoordde | עָכָ֛ן (akhan) = Achan | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | אָמְנָ֗ה (amena) = waarlijk | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | חָטָ֨אתִי֙ (chatati) = heb gezondigd | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = tegen Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְכָזֹ֥את (vekhazot) = en zo | וְכָזֹ֖את (vekhazot) = en zo | עָשִֽׂיתִי (asiti) = heb ik gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:21; Job 7:20; Job 33:27; Ex 10:16; Ps 38:19 **7:21** Ik zag in de buit een mooie mantel uit Sinear, 200 sikkel zilver en een staaf goud van 50 sikkel. Ik begeerde ze en nam ze. Zie, ze zijn verborgen in de grond, midden in mijn tent, met het zilver eronder.” Brontekst: וָאֵ֣רֶא (vaere) = en ik zag | בַשָּׁלָ֡ל (bashalal) = in de buit | אַדֶּ֣רֶת (aderet) = een mantel uit | שִׁנְעָר֩ (shinar) = Sinear | אַחַ֨ת (achat) = één | טוֹבָ֜ה (tova) = mooie | וּמָאתַ֧יִם (umatayim) = en tweehonderd | שְׁקָלִ֣ים (sheqalim) = sikkel | כֶּ֗סֶף (kesef) = zilver | וּלְשׁ֨וֹן (uleshon) = en een staaf | זָהָ֤ב (zahav) = goud | אֶחָד֙ (echad) = één | חֲמִשִּׁ֤ים (chamishim) = vijftig | שְׁקָלִים֙ (sheqalim) = sikkel | מִשְׁקָל֔וֹ (mishqalo) = zijn gewicht | וָֽאֶחְמְדֵ֖ם (vaechmedem) = en ik begeerde ze | וָֽאֶקָּחֵ֑ם (vaeqachem) = en nam ze | וְהִנָּ֨ם (vehinam) = en zie ze | טְמוּנִ֥ים (temunim) = zijn verborgen | בָּאָ֛רֶץ (baarets) = in de grond | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | הָאָֽהֳלִ֖י (haaholi) = mijn tent | וְהַכֶּ֥סֶף (vehakesef) = en het zilver | תַּחְתֶּֽיהָ (tachteiha) = eronder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sinear (שִׁנְעָר) is het zuiden van Mesopotamië, het huidige Zuid-Irak. Zie Gen. 10:10. Voetnoot Uitleg: שֶׁקֶל (sikkel): ongeveer 11,4 gram. 200 sikkel zilver is ongeveer 2,3 kilo; 50 sikkel goud is ongeveer 570 gram. Voetnoot : לְשׁוֹן זָהָב (lashon zahav), ‘staaf goud’: letterlijk ‘tong van goud’, een gouden staaf of plaat. Voetnoot : הָאֹהֱלִי (ha-ohelî), ‘mijn tent’: een zeldzame oude vorm. Zie ook: Gen 10:10; Deut 7:25; Ps 119:37; Luc 12:15; Jak 1:15; 1 Joh 2:15–16 **7:22** Jozua stuurde boden. Zij renden naar de tent. Zie, het was verborgen in zijn tent en het zilver lag eronder. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stuurde | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | וַיָּרֻ֖צוּ (vayarutsu) = en zij renden | הָאֹ֑הֱלָה (haohela) = naar de tent | וְהִנֵּ֧ה (vehine) = en zie | טְמוּנָ֛ה (temuna) = verborgen | בְּאָהֳל֖וֹ (beaholo) = in zijn tent | וְהַכֶּ֥סֶף (vehakesef) = en het zilver | תַּחְתֶּֽיהָ (tachteiha) = eronder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:23** Zij namen alles uit de tent en brachten het naar Jozua en naar alle zonen van Israël. Zij zetten het neer voor Yahweh. Brontekst: וַיִּקָּחוּם֙ (vayiqachum) = en namen ze | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit | הָאֹ֔הֶל (haohel) = de tent | וַיְבִאוּם֙ (vayvium) = en brachten ze | אֶל (el) = naar | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | וְאֶ֖ל (veel) = en naar | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיַּצִּקֻ֖ם (vayatsiqum) = en zetten ze neer | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּצִּקֻם (wayyatsiqum), ‘zetten ze neer’: letterlijk ‘goten ze uit’, dus ‘legden ze uitgespreid neer’. ### Het dal van Achor **7:24** Jozua nam Achan, de zoon van Zerach. Hij nam ook het zilver, de mantel, de staaf goud, zijn zonen en dochters, zijn rund, zijn ezel, zijn kleinvee, zijn tent en alles wat van hem was. Heel Israël ging met hem mee. Zij brachten hen omhoog naar het dal van Achor. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | עָכָ֣ן (akhan) = Achan | בֶּן (ben) = de zoon van | זֶ֡רַח (zerach) = Zerach | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכֶּ֣סֶף (hakesef) = het zilver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאַדֶּ֣רֶת (haaderet) = de mantel | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | לְשׁ֣וֹן (leshon) = de staaf van | הַזָּהָ֡ב (hazahav) = het goud | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנָ֡יו (banav) = zijn zonen | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹתָ֡יו (benotav) = zijn dochters | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שׁוֹרוֹ֩ (shoro) = zijn rund | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲמֹר֨וֹ (chamoro) = zijn ezel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צֹאנ֤וֹ (tsono) = zijn kleinvee | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אָהֳלוֹ֙ (aholo) = zijn tent | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֔וֹ (lo) = van hem | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עִמּ֑וֹ (imo) = met hem | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en zij brachten omhoog | אֹתָ֖ם (otam) = hen | עֵ֥מֶק (emeq) = het dal van | עָכֽוֹר (akhor) = Achor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van Achor (עֵמֶק עָכוֹר) ligt bij Jericho. De precieze plek is onzeker. Zie ook Joz. 15:7. Zie Dal van Achor (ligging onzeker): Het dal van Achor lag bij Jericho, aan de noordgrens van Juda. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Lezing: De tekst noemt de zonen en dochters en alle bezittingen van Achan in vers 24. In vers 25 staat ‘hen’. Of dit alleen Achan zelf is of ook zijn familie, zegt de tekst niet duidelijk. Zie ook: Num 16:27–31; Joz 7:25; Joz 7:26; Joz 15:7; Spr 15:27; Jes 65:10; 1 Tim 6:9–10 **7:25** Jozua zei: „Waarom heb je ons in ongeluk gebracht? Yahweh zal jou vandaag in ongeluk brengen.” Heel Israël stenigde hem met stenen. Zij verbrandden hen met vuur en wierpen stenen op hen. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | מֶ֣ה (me) = waarom | עֲכַרְתָּ֔נוּ (akhartanu) = heb je ons in ongeluk gebracht | יַעְכֳּרְךָ֥ (yakorkha) = zal je in ongeluk brengen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיִּרְגְּמ֨וּ (vayirgemu) = en stenigden | אֹת֤וֹ (oto) = hem | כָל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶ֔בֶן (even) = met stenen | וַיִּשְׂרְפ֤וּ (vayisrefu) = en verbrandden | אֹתָם֙ (otam) = hen | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | וַיִּסְקְל֥וּ (vayisqelu) = en wierpen stenen op | אֹתָ֖ם (otam) = hen | בָּאֲבָנִֽים (baavanim) = met stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָכַר (achar), ‘in ongeluk brengen’: Achan bracht Israël in ongeluk (עָכַרְתָּנוּ), nu brengt Yahweh hem in ongeluk. Het dal heet daarom Achor. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:24 en 88:33–37 bevestigen dit verhaal van Achan. Zie ook: Jas 88:24; Jas 88:33; Lev 24:14; Deut 17:5; Joz 6:18; Joz 7:11–13; 1 Kron 2:7 **7:26** Zij richtten boven hem een grote hoop stenen op, die er nog is tot op deze dag. Toen keerde Yahweh zich af van de gloed van Zijn toorn. Daarom noemt men die plaats het dal van Achor, tot op deze dag. Brontekst: וַיָּקִ֨ימוּ (vayaqimu) = en zij richtten op | עָלָ֜יו (alav) = boven hem | גַּל (gal) = een hoop | אֲבָנִ֣ים (avanim) = van stenen | גָּד֗וֹל (gadol) = grote | עַ֚ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וַיָּ֥שָׁב (vayashav) = en keerde terug | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מֵחֲר֣וֹן (mecharon) = van de gloed van | אַפּ֑וֹ (apo) = Zijn toorn | עַל (al) = daarom | כֵּ֠ן (ken) = zo | קָרָ֞א (qara) = noemde men | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | הַמָּק֤וֹם (hamaqom) = de plaats | הַהוּא֙ (hahu) = die | עֵ֣מֶק (emeq) = het dal van | עָכ֔וֹר (akhor) = Achor | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van Achor (ligging onzeker): Het dal van Achor lag bij Jericho, aan de noordgrens van Juda. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: גַּל אֲבָנִים (gal avanim), ‘hoop stenen’: een steenhoop als gedenkteken, zoals in Joz. 8:29. Zie ook: Deut 13:18; Joz 7:24; Joz 8:29; Hos 2:17; Jes 65:10; Klaagl 3:53 ## Jozua 8 _De verovering van Ai en de wet op de Ebal_ ### Yahweh geeft Ai in de hand van Jozua **8:1** Yahweh zei tegen Jozua: **„Wees niet bang en wees niet ontmoedigd. Neem heel het krijgsvolk met je mee. Sta op en trek op naar Ai. Zie, Ik heb de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in je hand gegeven.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | אַל (al) = niet | תִּירָ֣א (tira) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחָ֔ת (techat) = wees ontmoedigd | קַ֣ח (qach) = neem | עִמְּךָ֗ (imekha) = met je | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַ֣ם (am) = het volk van | הַמִּלְחָמָ֔ה (hamilchama) = de oorlog | וְק֖וּם (vequm) = en sta op | עֲלֵ֣ה (ale) = trek op | הָעָ֑י (haay) = naar Ai | רְאֵ֣ה (ree) = zie | נָתַ֣תִּי (natati) = heb Ik gegeven | בְיָדְךָ֗ (beyadekha) = in je hand | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֤לֶךְ (melekh) = de koning van | הָעַי֙ (haay) = Ai | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמּ֔וֹ (amo) = zijn volk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְצֽוֹ (artso) = zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Na de nederlaag in Joz. 7 geeft Yahweh Ai alsnog in de hand van Jozua. Vergelijk Joz. 1:9. Zie ook: Deut 1:21; Deut 7:18; Deut 31:8; Joz 1:9; Joz 6:2 **8:2** **Je moet met Ai en haar koning doen zoals je met Jericho en haar koning hebt gedaan. Alleen haar buit en haar vee mogen jullie voor jezelf plunderen. Leg een hinderlaag achter de stad.”** Brontekst: וְעָשִׂ֨יתָ (veasita) = en je zult doen | לָעַ֜י (laay) = met Ai | וּלְמַלְכָּ֗הּ (ulemalkah) = en met haar koning | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֤יתָ (asita) = je hebt gedaan | לִֽירִיחוֹ֙ (liricho) = met Jericho | וּלְמַלְכָּ֔הּ (ulemalkah) = en met haar koning | רַק (raq) = alleen | שְׁלָלָ֥הּ (shelalah) = haar buit | וּבְהֶמְתָּ֖הּ (uvehemtah) = en haar vee | תָּבֹ֣זּוּ (tavozu) = mogen jullie plunderen | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | שִׂים (sim) = leg | לְךָ֥ (lekha) = voor jezelf | אֹרֵ֛ב (orev) = een hinderlaag | לָעִ֖יר (lair) = tegen de stad | מֵאַחֲרֶֽיהָ (meachareiha) = achter haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Anders dan bij Jericho (Joz. 6:17–19) mogen de Israëlieten hier de buit en het vee voor zichzelf nemen. Vergelijk Deut. 20:14. Zie ook: Deut 20:14; Joz 6:17–19; Joz 6:21; Joz 8:27–29; Spr 13:22; 2 Kron 20:22 ### Het plan van de hinderlaag **8:3** Jozua stond op, met heel het krijgsvolk, om naar Ai op te trekken. Jozua koos 30.000 dappere krijgers uit en stuurde hen 's nachts weg. Brontekst: וַיָּ֧קָם (vayaqam) = en stond op | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | וְכָל (vekhal) = en heel | עַ֥ם (am) = het volk van | הַמִּלְחָמָ֖ה (hamilchama) = de oorlog | לַעֲל֣וֹת (laalot) = om op te trekken | הָעָ֑י (haay) = naar Ai | וַיִּבְחַ֣ר (vayivchar) = en koos | יְ֠הוֹשֻׁעַ (yehoshua) = Jozua | שְׁלֹשִׁ֨ים (sheloshim) = dertig | אֶ֤לֶף (elef) = duizend | אִישׁ֙ (ish) = man | גִּבּוֹרֵ֣י (giborei) = helden van | הַחַ֔יִל (hachayil) = de kracht | וַיִּשְׁלָחֵ֖ם (vayishlachem) = en stuurde hen weg | לָֽיְלָה (layela) = 's nachts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Mat 24:39; Mat 24:50; Mat 25:6; 1 Tess 5:2; 2 Petr 3:10 **8:4** Hij gebood hun: „Let op: jullie liggen in een hinderlaag achter de stad. Ga niet ver van de stad weg. Houd jullie allemaal gereed. Brontekst: וַיְצַ֨ו (vaytsav) = en gebood | אֹתָ֜ם (otam) = hen | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | רְ֠אוּ (reu) = let op | אַתֶּ֞ם (atem) = jullie | אֹרְבִ֤ים (orevim) = liggen in hinderlaag | לָעִיר֙ (lair) = tegen de stad | מֵאַחֲרֵ֣י (meacharei) = achter | הָעִ֔יר (hair) = de stad | אַל (al) = niet | תַּרְחִ֥יקוּ (tarchiqu) = gaan ver weg | מִן (min) = van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וִהְיִיתֶ֥ם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | כֻּלְּכֶ֖ם (kulekhem) = jullie allen | נְכֹנִֽים (nekhonim) = gereed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 8:16; Re 20:29; Re 20:33; Pred 7:19; Hand 23:21 **8:5** Ik en heel het volk dat bij mij is, zullen de stad naderen. Wanneer zij ons tegemoet komen, zoals de vorige keer, vluchten wij voor hen. Brontekst: וַאֲנִ֗י (vaani) = en ik | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתִּ֔י (iti) = bij mij | נִקְרַ֖ב (niqrav) = zullen naderen | אֶל (el) = tot | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יֵצְא֤וּ (yetseu) = zij uitkomen | לִקְרָאתֵ֨נוּ֙ (liqratenu) = ons tegemoet | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | בָּרִֽאשֹׁנָ֔ה (barishona) = de vorige keer | וְנַ֖סְנוּ (venasnu) = dan vluchten wij | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 7:5; Re 20:31–33; Mat 10:16 **8:6** Zij zullen achter ons aan komen, tot wij hen van de stad hebben weggelokt. Want zij zullen zeggen: ‘Zij vluchten voor ons, zoals de vorige keer.’ Dan vluchten wij voor hen. Brontekst: וְיָצְא֣וּ (veyatseu) = en zij zullen uitkomen | אַחֲרֵ֗ינוּ (achareinu) = achter ons | עַ֣ד (ad) = tot | הַתִּיקֵ֤נוּ (hatiqenu) = wij hebben weggelokt | אוֹתָם֙ (otam) = hen | מִן (min) = van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | כִּ֣י (ki) = want | יֹֽאמְר֔וּ (yomru) = zij zullen zeggen | נָסִ֣ים (nasim) = vluchtend | לְפָנֵ֔ינוּ (lefaneinu) = voor ons | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | בָּרִֽאשֹׁנָ֑ה (barishona) = de vorige keer | וְנַ֖סְנוּ (venasnu) = dan vluchten wij | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:3; Ex 15:9; Re 20:32; Pred 8:11; Pred 9:12 **8:7** Dan staan jullie op uit de hinderlaag en nemen de stad in bezit. Yahweh, jullie Elohim, geeft haar in jullie hand. Brontekst: וְאַתֶּ֗ם (veatem) = en jullie | תָּקֻ֨מוּ֙ (taqumu) = zullen opstaan | מֵהָ֣אוֹרֵ֔ב (mehaorev) = uit de hinderlaag | וְהוֹרַשְׁתֶּ֖ם (vehorashtem) = en in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וּנְתָנָ֛הּ (unetanah) = en geven haar | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | בְּיֶדְכֶֽם (beyedkhem) = in jullie hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 8:1; Spr 21:30–31; 2 Kon 5:1 **8:8** Wanneer jullie de stad hebben ingenomen, steken jullie haar in brand. Doe het naar het woord van Yahweh. Let op: ik heb het jullie geboden.” Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | כְּתָפְשְׂכֶ֣ם (ketafesekhem) = als jullie innemen | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֗יר (hair) = de stad | תַּצִּ֤יתוּ (tatsitu) = steken jullie in brand | אֶת (et) = (obj.) | הָעִיר֙ (hair) = de stad | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = naar het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תַּעֲשׂ֑וּ (taasu) = zullen jullie doen | רְא֖וּ (reu) = let op | צִוִּ֥יתִי (tsiviti) = ik heb geboden | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:9; Joz 1:16; Joz 6:24; Joz 8:28; 2 Sam 13:28 ### De hinderlaag en de list **8:9** Jozua stuurde hen weg. Zij gingen naar de plaats van de hinderlaag en bleven tussen Betel en Ai, ten westen van Ai. Jozua overnachtte die nacht te midden van het volk. Brontekst: וַיִּשְׁלָחֵ֣ם (vayishlachem) = en stuurde hen weg | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | וַיֵּֽלְכוּ֙ (vayelekhu) = en zij gingen | אֶל (el) = naar | הַמַּאְרָ֔ב (hamarav) = de plaats van de hinderlaag | וַיֵּשְׁב֗וּ (vayeshevu) = en bleven | בֵּ֧ין (bein) = tussen | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֛ל (el) = El | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הָעַ֖י (haay) = Ai | מִיָּ֣ם (miyam) = ten westen van | לָעָ֑י (laay) = Ai | וַיָּ֧לֶן (vayalen) = en overnachtte | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | בַּלַּ֥יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֖וּא (hahu) = die | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betel ligt bij het huidige Beitin (Westelijke Jordaanoever). Ai lag ten oosten van Betel; de precieze plek is onzeker (zie Joz. 7:2). De hinderlaag lag dus ten westen van Ai, tussen Ai en Betel. Zie ook: Gen 12:8; Joz 7:2; Joz 8:12; Ezra 2:28; Neh 7:32 **8:10** Jozua stond 's ochtends vroeg op en telde het volk. Hij en de oudsten van Israël trokken voor het volk uit naar Ai. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֤ם (vayashkem) = en stond vroeg op | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = 's ochtends | וַיִּפְקֹ֖ד (vayifqod) = en telde | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיַּ֨עַל (vayaal) = en trok op | ה֜וּא (hu) = hij | וְזִקְנֵ֧י (veziqnei) = en de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הָעָ֖ם (haam) = het volk | הָעָֽי (haay) = naar Ai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Gen 22:3; Joz 3:1; Joz 6:12; Joz 7:16; Ps 119:60 **8:11** Heel het krijgsvolk dat bij hem was, trok op. Zij kwamen dichterbij en kwamen tegenover de stad aan. Zij sloegen hun kamp op ten noorden van Ai, met een dal tussen hen en Ai. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֨ם (haam) = het volk | הַמִּלְחָמָ֜ה (hamilchama) = het krijgsvolk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתּ֗וֹ (ito) = bij hem | עָלוּ֙ (alu) = trok op | וַֽיִּגְּשׁ֔וּ (vayigeshu) = en kwamen dichterbij | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en kwamen | נֶ֣גֶד (neged) = tegenover | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַֽיַּחֲנוּ֙ (vayachanu) = en sloegen kamp op | מִצְּפ֣וֹן (mitsefon) = ten noorden van | לָעַ֔י (laay) = Ai | וְהַגַּ֖י (vehagay) = en een dal | בֵּינָ֥יו (beinav) = tussen hen | וּבֵין (uvein) = en tussen | הָעָֽי (haay) = Ai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. **8:12** Hij nam ongeveer 5.000 man en plaatste hen als hinderlaag tussen Betel en Ai, ten westen van de stad. Brontekst: וַיִּקַּ֕ח (vayiqach) = en nam | כַּחֲמֵ֥שֶׁת (kachameshet) = ongeveer vijf | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיָּ֨שֶׂם (vayasem) = en plaatste | אוֹתָ֜ם (otam) = hen | אֹרֵ֗ב (orev) = als hinderlaag | בֵּ֧ין (bein) = tussen | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֛ל (el) = El | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הָעַ֖י (haay) = Ai | מִיָּ֥ם (miyam) = ten westen van | לָעִֽיר (lair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Lezing: In vers 3 stuurt Jozua 30.000 man weg, in dit vers neemt hij ongeveer 5.000 man voor de hinderlaag. De tekst legt het verschil niet uit. Het kunnen twee groepen zijn, of een verschil in telling. Wij laten beide getallen staan. Zie ook: Joz 8:2–3; Joz 8:3 **8:13** Het volk stelde het hele kamp op ten noorden van de stad, met zijn achterhoede ten westen van de stad. Jozua ging die nacht het dal in. Brontekst: וַיָּשִׂ֨ימוּ (vayasimu) = en stelden op | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַֽמַּחֲנֶ֗ה (hamachane) = het kamp | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | מִצְּפ֣וֹן (mitsefon) = ten noorden van | לָעִ֔יר (lair) = de stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲקֵב֖וֹ (aqevo) = zijn achterhoede | מִיָּ֣ם (miyam) = ten westen van | לָעִ֑יר (lair) = de stad | וַיֵּ֧לֶךְ (vayelekh) = en ging | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | בַּלַּ֥יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֖וּא (hahu) = die | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָעֵֽמֶק (haemeq) = het dal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲקֵבוֹ (aqevo), ‘zijn achterhoede’: letterlijk ‘zijn hiel’. De tekst is hier moeilijk; wij vertalen ‘achterhoede’. Zie ook: Joz 8:8; Joz 8:12 **8:14** Toen de koning van Ai het zag, haastten de mannen van de stad zich en stonden vroeg op. Zij trokken uit, Israël tegemoet, om te strijden: hij en heel zijn volk, naar de afgesproken plek, tegenover de Araba. Hij wist niet dat er achter de stad een hinderlaag tegen hem lag. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het gebeurde | כִּרְא֣וֹת (kirot) = toen zag | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | הָעַ֗י (haay) = Ai | וַֽיְמַהֲר֡וּ (vaymaharu) = en zij haastten zich | וַיַּשְׁכִּ֡ימוּ (vayashkimu) = en stonden vroeg op | וַיֵּצְא֣וּ (vayetseu) = en trokken uit | אַנְשֵֽׁי (anshei) = de mannen van | הָעִ֣יר (hair) = de stad | לִקְרַֽאת (liqrat) = tegemoet | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | לַֽמִּלְחָמָ֞ה (lamilchama) = om te strijden | ה֧וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | עַמּ֛וֹ (amo) = zijn volk | לַמּוֹעֵ֖ד (lamoed) = naar de afgesproken plek | לִפְנֵ֣י (lifnei) = tegenover | הָֽעֲרָבָ֑ה (haarava) = de Araba | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔ע (yada) = wist | כִּֽי (ki) = dat | אֹרֵ֥ב (orev) = een hinderlaag | ל֖וֹ (lo) = tegen hem | מֵאַחֲרֵ֥י (meacharei) = achter | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: מוֹעֵד (moed), ‘afgesproken tijd of plaats’: wij vertalen ‘afgesproken plek’. De Araba is hier het dal van de Jordaan, ten oosten van Ai. Zie ook: Joz 8:16; Re 20:34–36; Mat 24:39; Mat 24:50; 1 Tess 5:1–3 **8:15** Jozua en heel Israël lieten zich voor hen slaan en vluchtten langs de weg naar de woestijn. Brontekst: וַיִּנָּֽגְע֛וּ (vayinageu) = en lieten zich slaan | יְהוֹשֻׁ֥עַ (yehoshua) = Jozua | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לִפְנֵיהֶ֑ם (lifneihem) = voor hen | וַיָּנֻ֖סוּ (vayanusu) = en vluchtten | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = langs de weg van | הַמִּדְבָּֽר (hamidbar) = de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּנָּגְעוּ (wayyinnagu), ‘zij werden geslagen’: Jozua en Israël laten zich voor hen verslaan, zoals gepland in vers 5–6. Zie ook: Joz 8:5–6; Joz 15:61; Joz 16:1; Joz 18:12; Re 20:36 **8:16** Heel het volk dat in Ai was, werd opgeroepen om hen te achtervolgen. Zij achtervolgden Jozua en werden van de stad weggelokt. Brontekst: וַיִּזָּעֲק֗וּ (vayizaaqu) = en werden opgeroepen | כָּל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בָּעַ֔י (baay) = in Ai | לִרְדֹּ֖ף (lirdof) = om te achtervolgen | אַחֲרֵיהֶ֑ם (achareihem) = hen | וַֽיִּרְדְּפוּ֙ (vayirdefu) = en zij achtervolgden | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | וַיִּנָּתְק֖וּ (vayinatequ) = en werden weggelokt | מִן (min) = van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Re 20:31; Re 20:36–39; Ps 9:17; Openb 16:14; Openb 19:19–21 **8:17** Er bleef niemand over in Ai en Betel die niet achter Israël aan was uitgegaan. Zij lieten de stad open achter en achtervolgden Israël. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | נִשְׁאַ֣ר (nishar) = bleef over | אִ֗ישׁ (ish) = man | בָּעַי֙ (baay) = in Ai | וּבֵ֣ית (uveit) = en Bet | אֵ֔ל (el) = El | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָצְא֖וּ (yatseu) = uitgingen | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיַּעַזְב֤וּ (vayaazvu) = en zij lieten achter | אֶת (et) = (obj.) | הָעִיר֙ (hair) = de stad | פְּתוּחָ֔ה (petucha) = open | וַֽיִּרְדְּפ֖וּ (vayirdefu) = en achtervolgden | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Betel wordt hier bij Ai genoemd: ook de mannen van Betel trokken mee. Alleen Ai wordt in dit hoofdstuk veroverd. Zie ook: Job 5:13; Deut 2:30; Joz 8:3; Joz 8:24–25; Jes 19:11–13 ### De val van Ai **8:18** Yahweh zei tegen Jozua: **„Steek de speer die in je hand is naar Ai uit, want Ik zal haar in je hand geven.”** Jozua stak de speer die in zijn hand was naar de stad uit. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | נְ֠טֵה (nete) = steek uit | בַּכִּיד֤וֹן (bakidon) = met de speer | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּיָֽדְךָ֙ (beyadekha) = in je hand | אֶל (el) = naar | הָעַ֔י (haay) = Ai | כִּ֥י (ki) = want | בְיָדְךָ֖ (beyadekha) = in je hand | אֶתְּנֶ֑נָּה (etenena) = zal Ik haar geven | וַיֵּ֧ט (vayet) = en stak uit | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | בַּכִּיד֥וֹן (bakidon) = met de speer | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּיָד֖וֹ (beyado) = in zijn hand | אֶל (el) = naar | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: כִּידוֹן (kidon), ‘speer’: een korte speer of werpspies. Jozua houdt hem uitgestoken tot de ban is voltrokken (vers 26). Zie ook: Job 15:25; Joz 8:7; Joz 8:26; 1 Sam 17:6; 1 Sam 17:45 **8:19** De hinderlaag stond haastig op van zijn plaats. Zodra hij zijn hand uitstak, renden zij. Zij kwamen in de stad, namen haar in en staken haar snel in brand. Brontekst: וְהָאוֹרֵ֡ב (vehaorev) = en de hinderlaag | קָם֩ (qam) = stond op | מְהֵרָ֨ה (mehera) = haastig | מִמְּקוֹמ֤וֹ (mimeqomo) = van zijn plaats | וַיָּר֨וּצוּ֙ (vayarutsu) = en zij renden | כִּנְט֣וֹת (kintot) = zodra uitstak | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en kwamen | הָעִ֖יר (hair) = in de stad | וַֽיִּלְכְּד֑וּהָ (vayilkeduha) = en namen haar in | וַֽיְמַהֲר֔וּ (vaymaharu) = en haastten zich | וַיַּצִּ֥יתוּ (vayatsitu) = en staken in brand | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:20** De mannen van Ai keken achterom en zagen: de rook van de stad steeg op naar de hemel. Zij hadden geen kracht meer om hierheen of daarheen te vluchten. Het volk dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich om tegen de achtervolger. Brontekst: וַיִּפְנ֣וּ (vayifnu) = en keken om | אַנְשֵׁי֩ (anshei) = de mannen van | הָעַ֨י (haay) = Ai | אַחֲרֵיהֶ֜ם (achareihem) = achter zich | וַיִּרְא֗וּ (vayiru) = en zagen | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | עָלָ֜ה (ala) = steeg op | עֲשַׁ֤ן (ashan) = de rook van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | הַשָּׁמַ֔יְמָה (hashamayma) = naar de hemel | וְלֹא (velo) = en niet | הָיָ֨ה (haya) = was | בָהֶ֥ם (bahem) = in hen | יָדַ֛יִם (yadayim) = handen | לָנ֖וּס (lanus) = om te vluchten | הֵ֣נָּה (hena) = hierheen | וָהֵ֑נָּה (vahena) = en daarheen | וְהָעָם֙ (vehaam) = en het volk | הַנָּ֣ס (hanas) = dat vluchtte | הַמִּדְבָּ֔ר (hamidbar) = naar de woestijn | נֶהְפַּ֖ךְ (nehpakh) = keerde zich om | אֶל (el) = tegen | הָרוֹדֵֽף (harodef) = de achtervolger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: יָדַיִם (yadayim), ‘handen’: ‘geen handen om te vluchten’ betekent: geen kracht. Wij vertalen ‘geen kracht meer’. Zie ook: Gen 19:28; Job 11:20; Ps 48:6–7; Jes 34:10; Openb 6:15–17 **8:21** Jozua en heel Israël zagen dat de hinderlaag de stad had ingenomen en dat de rook van de stad opsteeg. Toen keerden zij terug en sloegen de mannen van Ai. Brontekst: וִיהוֹשֻׁ֨עַ (vihoshua) = en Jozua | וְכָֽל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | רָא֗וּ (rau) = zagen | כִּֽי (ki) = dat | לָכַ֤ד (lakhad) = had ingenomen | הָֽאֹרֵב֙ (haorev) = de hinderlaag | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְכִ֥י (vekhi) = en dat | עָלָ֖ה (ala) = opsteeg | עֲשַׁ֣ן (ashan) = de rook van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיָּשֻׁ֕בוּ (vayashuvu) = en keerden terug | וַיַּכּ֖וּ (vayaku) = en sloegen | אֶת (et) = (obj.) | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = de mannen van | הָעָֽי (haay) = Ai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. **8:22** De anderen kwamen uit de stad, hen tegemoet. Zo kwamen de mannen van Ai midden in Israël te staan, sommigen aan deze kant en sommigen aan gene kant. Zij sloegen hen, tot er van hen niemand meer over was, geen overlevende en geen ontkomene. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה (veele) = en dezen | יָצְא֤וּ (yatseu) = kwamen uit | מִן (min) = van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | לִקְרָאתָ֔ם (liqratam) = hen tegemoet | וַיִּֽהְי֤וּ (vayihyu) = en zij werden | לְיִשְׂרָאֵל֙ (leyisrael) = voor Israël | בַּתָּ֔וֶךְ (batavekh) = in het midden | אֵ֥לֶּה (ele) = dezen | מִזֶּ֖ה (mize) = aan deze kant | וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dezen | מִזֶּ֑ה (mize) = aan gene kant | וַיַּכּ֣וּ (vayaku) = en sloegen | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | עַד (ad) = tot | בִּלְתִּ֥י (bilti) = niet | הִשְׁאִֽיר (hishir) = overliet | ל֖וֹ (lo) = van hen | שָׂרִ֥יד (sarid) = overlevende | וּפָלִֽיט (ufalit) = en ontkomene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat alleen ‘en zij werden voor Israël in het midden’. Wij vullen ‘de mannen van Ai’ aan, omdat zij tussen de twee Israëlitische legers zaten. Zie ook: Job 20:5; Deut 7:2; Joz 6:21; Joz 11:11–12; 1 Tess 5:3 **8:23** De koning van Ai grepen zij levend. Zij brachten hem naar Jozua. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | הָעַ֖י (haay) = Ai | תָּ֣פְשׂוּ (tafesu) = grepen zij | חָ֑י (chay) = levend | וַיַּקְרִ֥בוּ (vayaqrivu) = en brachten | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = naar | יְהוֹשֻֽׁעַ (yehoshua) = Jozua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:46 noemt de koning van Ai Melos. Zie ook: Jas 88:46; Joz 8:29; Joz 10:17; 1 Sam 15:8; Openb 19:20 **8:24** Israël doodde alle inwoners van Ai in het veld, in de woestijn waar zij hen hadden achtervolgd. Allen vielen door de scherpte van het zwaard, tot de laatste toe. Toen keerde heel Israël terug naar Ai. Zij sloegen de stad met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | כְּכַלּ֣וֹת (kekhalot) = toen klaar was | יִשְׂרָאֵ֡ל (yisrael) = Israël | לַהֲרֹג֩ (laharog) = met doden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֨י (yoshevei) = inwoners van | הָעַ֜י (haay) = Ai | בַּשָּׂדֶ֗ה (basade) = in het veld | בַּמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = in de woestijn | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | רְדָפ֣וּם (redafum) = zij hen achtervolgd hadden | בּ֔וֹ (bo) = daarin | וַֽיִּפְּל֥וּ (vayipelu) = en vielen | כֻלָּ֛ם (kulam) = allen | לְפִי (lefi) = door de scherpte van | חֶ֖רֶב (cherev) = het zwaard | עַד (ad) = tot | תֻּמָּ֑ם (tumam) = hun einde | וַיָּשֻׁ֤בוּ (vayashuvu) = en keerden terug | כָל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | הָעַ֔י (haay) = naar Ai | וַיַּכּ֥וּ (vayaku) = en sloegen | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | לְפִי (lefi) = door de scherpte van | חָֽרֶב (charev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:38–48 bevestigt dit verhaal van de verovering van Ai, met de hinderlaag en de 12.000 gevallenen. Zie ook: Jas 88:38–48; Num 21:24; Joz 10:30–41; Joz 11:10–14 **8:25** Alle gevallenen op die dag, man en vrouw, waren 12.000: alle mannen van Ai. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het waren | כָל (kal) = alle | הַנֹּ֨פְלִ֜ים (hanofelim) = gevallenen | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | מֵאִ֣ישׁ (meish) = van man | וְעַד (vead) = tot | אִשָּׁ֔ה (isha) = vrouw | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אָ֑לֶף (alef) = duizend | כֹּ֖ל (kol) = alle | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | הָעָֽי (haay) = Ai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי (anshei), ‘mannen van’: hier de inwoners van Ai, want er staat ‘man en vrouw’. Zie ook: Deut 20:16–18 **8:26** Jozua trok zijn hand niet terug, waarmee hij de speer had uitgestoken, tot hij alle inwoners van Ai met de ban had geslagen. Brontekst: וִיהוֹשֻׁ֨עַ֙ (vihoshua) = en Jozua | לֹֽא (lo) = niet | הֵשִׁ֣יב (heshiv) = trok terug | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָטָ֖ה (nata) = hij had uitgestoken | בַּכִּיד֑וֹן (bakidon) = met de speer | עַ֚ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הֶחֱרִ֔ים (hecherim) = hij met de ban sloeg | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = inwoners van | הָעָֽי (haay) = Ai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: הֶחֱרִים (hecherim), ‘met de ban slaan’: alles wordt aan Yahweh toegewijd. Zie Deut. 7:2 en Joz. 6:17. Zie ook: Ex 17:11–12; Deut 7:2; Joz 6:17; Joz 8:18 **8:27** Alleen het vee en de buit van die stad plunderde Israël voor zichzelf, naar het woord van Yahweh dat Hij Jozua had geboden. Brontekst: רַ֣ק (raq) = alleen | הַבְּהֵמָ֗ה (habehema) = het vee | וּשְׁלַל֙ (ushelal) = en de buit van | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַהִ֔יא (hahi) = die | בָּזְז֥וּ (bazezu) = plunderden | לָהֶ֖ם (lahem) = voor zich | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = naar het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | צִוָּ֖ה (tsiva) = Hij had geboden | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻֽׁעַ (yehoshua) = Jozua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 31:22; Num 31:26; Joz 8:2; Ps 50:10; Mat 20:15 **8:28** Jozua verbrandde Ai en maakte er een eeuwige ruïneheuvel van, een woestenij, tot op deze dag. Brontekst: וַיִּשְׂרֹ֥ף (vayisrof) = en verbrandde | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֑י (haay) = Ai | וַיְשִׂימֶ֤הָ (vaysimeha) = en maakte haar | תֵּל (tel) = tot een ruïneheuvel van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = woestenij | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: תֵּל עוֹלָם (tel olam), ‘eeuwige ruïneheuvel’: een heuvel van puin van een verwoeste stad. Zie ook: Deut 13:17; Joz 4:9; 2 Kon 19:25; Jes 17:1; Jer 49:2 **8:29** De koning van Ai hing hij aan een boom tot de avond. Bij zonsondergang gaf Jozua bevel, en zij haalden zijn lijk van de boom. Zij wierpen het neer bij de ingang van de stadspoort. Daarboven richtten zij een grote hoop stenen op, tot op deze dag. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֶ֧לֶךְ (melekh) = de koning van | הָעַ֛י (haay) = Ai | תָּלָ֥ה (tala) = hing hij op | עַל (al) = aan | הָעֵ֖ץ (haets) = de boom | עַד (ad) = tot | עֵ֣ת (et) = de tijd van | הָעָ֑רֶב (haarev) = de avond | וּכְב֣וֹא (ukhevo) = en bij het ondergaan van | הַשֶּׁמֶשׁ֩ (hashemesh) = de zon | צִוָּ֨ה (tsiva) = gebood | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | וַיֹּרִ֧ידוּ (vayoridu) = en zij haalden neer | אֶת (et) = (obj.) | נִבְלָת֣וֹ (nivlato) = zijn lijk | מִן (min) = van | הָעֵ֗ץ (haets) = de boom | וַיַּשְׁלִ֤יכוּ (vayashlikhu) = en wierpen | אוֹתָהּ֙ (otah) = het | אֶל (el) = naar | פֶּ֨תַח֙ (petach) = de ingang van | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיָּקִ֤ימוּ (vayaqimu) = en richtten op | עָלָיו֙ (alav) = boven hem | גַּל (gal) = een hoop | אֲבָנִ֣ים (avanim) = stenen | גָּד֔וֹל (gadol) = grote | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Het lijk wordt voor de avond van de boom gehaald, zoals Deut. 21:22–23 voorschrijft. Zie ook: Deut 21:22–23; Joz 7:26; Joz 10:30; 2 Sam 18:17; Est 7:10 ### Het altaar en de wet op de berg Ebal **8:30** Toen bouwde Jozua een altaar voor Yahweh, de Elohim van Israël, op de berg Ebal. Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | יִבְנֶ֤ה (yivne) = bouwde | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = een altaar | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בְּהַ֖ר (behar) = op de berg | עֵיבָֽל (eival) = Ebal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De berg Ebal ligt bij het huidige Nabloes (Sichem) op de Westelijke Jordaanoever. Tegenover de Ebal ligt de berg Gerizim. Zie ook Deut. 11:29 en Deut. 27:4–8. Zie ook: Gen 8:20; Gen 12:7–8; Ex 20:24; Deut 11:29; Deut 27:4–6 **8:31** Het was zoals Mozes, de dienaar van Yahweh, de zonen van Israël had geboden. Zo staat het geschreven in het boek van de wet van Mozes: een altaar van hele stenen, waarover niemand ijzer had geheven. Zij brachten daarop brandoffers aan Yahweh en slachtten vredeoffers. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צִוָּה֩ (tsiva) = had geboden | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כַּכָּתוּב֙ (kakatuv) = zoals geschreven staat | בְּסֵ֨פֶר֙ (besefer) = in het boek van | תּוֹרַ֣ת (torat) = de wet van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | מִזְבַּח֙ (mizbach) = een altaar van | אֲבָנִ֣ים (avanim) = stenen | שְׁלֵמ֔וֹת (shelemot) = hele | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waarover | לֹֽא (lo) = niet | הֵנִ֥יף (henif) = had geheven | עֲלֵיהֶ֖ן (aleihen) = over hen | בַּרְזֶ֑ל (barzel) = ijzer | וַיַּעֲל֨וּ (vayaalu) = en zij brachten omhoog | עָלָ֤יו (alav) = daarop | עֹלוֹת֙ (olot) = brandoffers | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וַֽיִּזְבְּח֖וּ (vayizbechu) = en zij slachtten | שְׁלָמִֽים (shelamim) = vredeoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲבָנִים שְׁלֵמוֹת (avanim shelemot), ‘hele stenen’: stenen die niet met ijzer zijn bewerkt. Zie Exod. 20:25 en Deut. 27:5–6. Zie ook: Ex 18:12; Ex 20:24–25; Ex 20:25; Deut 27:5–7; Joz 8:34–35; 1 Kon 18:31–32 **8:32** Daar schreef hij op de stenen een afschrift van de wet van Mozes, die hij in het bijzijn van de zonen van Israël had geschreven. Brontekst: וַיִּכְתָּב (vayikhtav) = en schreef | שָׁ֖ם (sham) = daar | עַל (al) = op | הָאֲבָנִ֑ים (haavanim) = de stenen | אֵ֗ת (et) = (obj.) | מִשְׁנֵה֙ (mishne) = een afschrift van | תּוֹרַ֣ת (torat) = de wet van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | כָּתַ֔ב (katav) = hij had geschreven | לִפְנֵ֖י (lifnei) = in het bijzijn van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁנֵה תּוֹרַת מֹשֶׁה (mishneh torat Mosheh), ‘afschrift van de wet van Mozes’: ook te lezen als ‘herhaling van de wet’. Zie Deut. 17:18. Voetnoot Lezing: Wie in het bijzijn van Israël heeft geschreven, zegt de tekst niet. Het kan Mozes zijn (Deut. 31:9) of Jozua. Zie ook: Deut 17:18; Deut 27:2–3; Deut 27:8; Deut 31:9 **8:33** Heel Israël stond aan weerszijden van de ark, met zijn oudsten, opzichters en rechters. Zij stonden tegenover de priesters, de Levieten, die de ark van het verbond van Yahweh droegen. Zowel de vreemdeling als de inheemse was erbij. De ene helft stond tegenover de berg Gerizim, de andere helft tegenover de berg Ebal. Zo had Mozes, de dienaar van Yahweh, geboden: eerst het volk Israël te zegenen. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֡ל (yisrael) = Israël | וּזְקֵנָ֡יו (uzeqenav) = met zijn oudsten | וְשֹׁטְרִ֣ים (veshoterim) = en opzichters | וְשֹׁפְטָ֡יו (veshofetav) = en zijn rechters | עֹמְדִ֣ים (omedim) = stonden | מִזֶּ֣ה (mize) = aan deze kant | וּמִזֶּ֣ה (umize) = en aan gene kant | לָאָר֡וֹן (laaron) = van de ark | נֶגֶד֩ (neged) = tegenover | הַכֹּהֲנִ֨ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּ֜ם (halviyim) = de Levieten | נֹשְׂאֵ֣י (noseei) = die droegen | אֲר֣וֹן (aron) = de ark van | בְּרִית (berit) = het verbond van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כַּגֵּר֙ (kager) = zowel de vreemdeling | כָּֽאֶזְרָ֔ח (kaezrach) = als de inheemse | חֶצְיוֹ֙ (chetsyo) = de helft ervan | אֶל (el) = naar | מ֣וּל (mul) = tegenover | הַר (har) = de berg | גְּרִזִ֔ים (gerizim) = Gerizim | וְהַֽחֶצְי֖וֹ (vehachetsyo) = en de helft | אֶל (el) = naar | מ֣וּל (mul) = tegenover | הַר (har) = de berg | עֵיבָ֑ל (eival) = Ebal | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֜ה (tsiva) = had geboden | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לְבָרֵ֛ךְ (levarekh) = om te zegenen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֥ם (haam) = het volk | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בָּרִאשֹׁנָֽה (barishona) = eerst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gerizim: De Gerizim is een berg bij Sichem, bij het huidige Nablus. Hier werd de zegen uitgesproken. Zie Ebal: De Ebal is een berg bij Sichem, bij het huidige Nablus, tegenover de Gerizim. Hier werd de vloek uitgesproken. Voetnoot Uitleg: Zegen en vloek horen bij de opdracht die Mozes gaf: zie Deut. 11:29 en Deut. 27:11–26. Zie ook: Deut 11:29; Deut 27:11–14; Deut 31:9; Deut 31:12; Joz 4:18 **8:34** Daarna las hij alle woorden van de wet voor: de zegen en de vloek, volgens alles wat in het boek van de wet geschreven staat. Brontekst: וְאַֽחֲרֵי (veacharei) = en na | כֵ֗ן (ken) = dit | קָרָא֙ (qara) = las hij voor | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | הַתּוֹרָ֔ה (hatora) = de wet | הַבְּרָכָ֖ה (haberakha) = de zegen | וְהַקְּלָלָ֑ה (vehaqelala) = en de vloek | כְּכָל (kekhal) = volgens alles | הַכָּת֖וּב (hakatuv) = wat geschreven staat | בְּסֵ֥פֶר (besefer) = in het boek van | הַתּוֹרָֽה (hatora) = de wet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:1–46; Deut 30:15–20; Deut 31:10–12; Neh 8:2–3; Neh 13:1 **8:35** Er was geen woord van alles wat Mozes had geboden dat Jozua niet voorlas tegenover heel de vergadering van Israël. Hij las voor tegenover de vrouwen, de kleine kinderen en de vreemdeling die in hun midden liep. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֣ה (haya) = was | דָבָ֔ר (davar) = woord | מִכֹּ֖ל (mikol) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֣ה (tsiva) = had geboden | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | קָרָ֜א (qara) = voorlas | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | נֶ֣גֶד (neged) = tegenover | כָּל (kal) = heel | קְהַ֤ל (qehal) = de vergadering van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְהַנָּשִׁ֣ים (vehanashim) = en de vrouwen | וְהַטַּ֔ף (vehataf) = en de kleine kinderen | וְהַגֵּ֖ר (vehager) = en de vreemdeling | הַהֹלֵ֥ךְ (haholekh) = die liep | בְּקִרְבָּֽם (beqirbam) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָהָל (qahal), ‘vergadering’: de hele bijeenroeping van het volk, ook de vrouwen, de kleine kinderen en de vreemdeling. Zie ook: Deut 29:10; Deut 31:12; Jer 26:2; Neh 8:2; Hand 21:5 ## Jozua 9 _De list van de Gibeonieten_ ### De koningen verbinden zich tegen Israël **9:1** Alle koningen die aan de overkant van de Jordaan waren, hoorden het. Zij waren in het bergland, in de Sefela en langs heel de kust van de grote zee, tot tegenover de Libanon. Dat waren de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כִשְׁמֹ֣עַ (kishmoa) = bij het horen van | כָּֽל (kal) = alle | הַמְּלָכִ֡ים (hamelakhim) = de koningen | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | בְּעֵ֨בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֜ן (hayarden) = de Jordaan | בָּהָ֣ר (bahar) = in het bergland | וּבַשְּׁפֵלָ֗ה (uvashefela) = en in de Sefela | וּבְכֹל֙ (uvekhol) = en aan heel | ח֚וֹף (chof) = de kust van | הַיָּ֣ם (hayam) = de zee | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | אֶל (el) = tot | מ֖וּל (mul) = tegenover | הַלְּבָנ֑וֹן (halevanon) = de Libanon | הַֽחִתִּי֙ (hachiti) = de Hethiet | וְהָ֣אֱמֹרִ֔י (vehaemori) = en de Amoriet | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | הַפְּרִזִּ֔י (haperizi) = de Perizziet | הַחִוִּ֖י (hachivi) = de Chiwwiet | וְהַיְבוּסִֽי (vehayvusi) = en de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: עֵבֶר הַיַּרְדֵּן (ever hajarden), ‘de overkant van de Jordaan’: de schrijver kijkt vanuit het oosten, dus hier is het de westkant (vergelijk Joz. 12:7). In vers 10 is de oostkant bedoeld. Zie ook: Ex 3:17; Ex 23:23; Num 34:6; Joz 3:10; Joz 9:10; Joz 12:7; Joz 22:4 **9:2** Zij kwamen eensgezind bijeen om tegen Jozua en Israël te strijden. Brontekst: וַיִּֽתְקַבְּצ֣וּ (vayitqabetsu) = en zij verzamelden zich | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | לְהִלָּחֵ֥ם (lehilachem) = om te strijden | עִם (im) = met | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | וְעִם (veim) = en met | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | פֶּ֖ה (pe) = mond | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּה אֶחָד (peh echad), ‘één mond’: eensgezind, met één stem. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:49 bevestigt dat de koningen zich samen verzamelden om tegen Israël te strijden. Zie ook: Jas 88:49; Ps 2:1–2; 2 Kron 20:1–30; Jes 54:15; Hand 4:26–28; Openb 16:14 ### De list van de Gibeonieten **9:3** De inwoners van Gibeon hoorden wat Jozua met Jericho en Ai had gedaan. Brontekst: וְיֹשְׁבֵ֨י (veyoshevei) = en de inwoners van | גִבְע֜וֹן (givon) = Gibeon | שָׁמְע֗וּ (shameu) = hoorden | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | עָשָׂ֧ה (asa) = had gedaan | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | לִֽירִיח֖וֹ (liricho) = met Jericho | וְלָעָֽי (velaay) = en met Ai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon ligt waarschijnlijk bij het huidige el-Jib, ongeveer 9 km ten noordwesten van Jeruzalem, in de Westelijke Jordaanoever. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:50–51 bevestigt de list van de inwoners van Gibeon. Zie ook: Jas 88:50–51; Joz 6:1–27; Joz 8:1–35; Joz 9:17; Joz 10:2; 2 Sam 21:1–2 **9:4** Ook zij handelden met list. Zij gingen op pad en gaven zich uit voor gezanten. Zij namen oude zakken voor hun ezels mee en oude wijnzakken, gescheurd en weer dichtgebonden. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֤וּ (vayaasu) = en zij handelden | גַם (gam) = ook | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | בְּעָרְמָ֔ה (bearema) = met list | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | וַיִּצְטַיָּ֑רוּ (vayitstayaru) = en zij gaven zich uit voor gezanten | וַיִּקְח֞וּ (vayiqchu) = en zij namen | שַׂקִּ֤ים (saqim) = zakken | בָּלִים֙ (balim) = oude | לַחֲמ֣וֹרֵיהֶ֔ם (lachamoreihem) = voor hun ezels | וְנֹאד֥וֹת (venodot) = en wijnzakken van | יַ֨יִן֙ (yayin) = wijn | בָּלִ֔ים (balim) = oude | וּמְבֻקָּעִ֖ים (umevuqaim) = en gescheurde | וּמְצֹרָרִֽים (umetsorarim) = en dichtgebonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft וַיִּצְטַיָּרוּ (vajjitstajjaru), van צִיר (tsir), ‘gezant’: zij gaven zich uit voor gezanten. Sommige Hebreeuwse handschriften en de Septuaginta lezen ‘zij voorzagen zich van proviand’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 20:31–33; Mat 10:16; Mar 2:22; Luc 5:37–38; Luc 16:8 **9:5** Zij hadden oude, gelapte sandalen aan hun voeten en oude kleren aan. Al het brood van hun proviand was droog en brokkelig. Brontekst: וּנְעָל֨וֹת (unealot) = en sandalen | בָּל֤וֹת (balot) = oude | וּמְטֻלָּאוֹת֙ (umetulaot) = en gelapte | בְּרַגְלֵיהֶ֔ם (beragleihem) = aan hun voeten | וּשְׂלָמ֥וֹת (uselamot) = en kleren | בָּל֖וֹת (balot) = oude | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = aan hen | וְכֹל֙ (vekhol) = en al | לֶ֣חֶם (lechem) = het brood van | צֵידָ֔ם (tseidam) = hun proviand | יָבֵ֖שׁ (yavesh) = droog | הָיָ֥ה (haya) = was | נִקֻּדִֽים (niqudim) = brokkelig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִקֻּדִים (niqqudim), ‘brokkelig’: een zeldzaam woord. Het kan ook ‘beschimmeld’ betekenen. Wij vertalen in dit hoofdstuk steeds ‘brokkelig’ (zie ook vers 12). Zie ook: Deut 29:4; Deut 33:25; Joz 9:12; Joz 9:13; Luc 15:22 ### De Gibeonieten bij Jozua in Gilgal **9:6** Zij gingen naar Jozua in het kamp bij Gilgal. Zij zeiden tegen hem en tegen de mannen van Israël: „Wij komen uit een ver land. Sluit nu een verbond met ons.” Brontekst: וַיֵּלְכ֧וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אֶל (el) = naar | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = het kamp | הַגִּלְגָּ֑ל (hagilgal) = Gilgal | וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵלָ֜יו (elav) = tegen hem | וְאֶל (veel) = en tegen | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | מֵאֶ֤רֶץ (meerets) = uit het land | רְחוֹקָה֙ (rechoqa) = ver | בָּ֔אנוּ (banu) = wij zijn gekomen | וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | כִּרְתוּ (kirtu) = sluit | לָ֥נוּ (lanu) = met ons | בְרִֽית (berit) = een verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilgal was het kamp van Israël, tussen de Jordaan en Jericho, in de Westelijke Jordaanoever. De exacte ligging is onzeker. Zie ook: Deut 20:11–15; Joz 5:10; Joz 10:43; 1 Kon 8:41; 2 Kon 20:14 **9:7** De mannen van Israël zeiden tegen de Chiwwieten: „Misschien wonen jullie wel in ons midden. Hoe kunnen wij dan een verbond met jullie sluiten?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אִֽישׁ (ish) = de man van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tegen | הַחִוִּ֑י (hachivi) = de Chiwwiet | אוּלַ֗י (ulay) = misschien | בְּקִרְבִּי֙ (beqirbi) = in mijn midden | אַתָּ֣ה (ata) = jij | יוֹשֵׁ֔ב (yoshev) = woont | וְאֵ֖יךְ (veeikh) = en hoe | אֶֽכְרָת (ekhrat) = zal ik sluiten | לְךָ֥ (lekha) = met jou | בְרִֽית (berit) = een verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws gebruikt hier het enkelvoud: ‘de man van Israël zei tegen de Chiwwiet: misschien woon je in mijn midden’. Het gaat om heel het volk. Wij vertalen in het meervoud. Zie ook: Gen 10:17; Deut 20:16; Joz 9:1; Joz 11:19; Re 2:2 **9:8** Zij zeiden tegen Jozua: „Wij zijn uw dienaren.” Jozua zei tegen hen: „Wie zijn jullie en waar komen jullie vandaan?” Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | עֲבָדֶ֣יךָ (avadeikha) = uw dienaren | אֲנָ֑חְנוּ (anachenu) = wij | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֧ם (alehem) = tegen hen | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | מִ֥י (mi) = wie | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | וּמֵאַ֥יִן (umeayin) = en vanwaar | תָּבֹֽאוּ (tavou) = komen jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:25–26; Deut 20:11; Joz 9:11; Joz 9:27; 2 Kon 10:5 **9:9** Zij zeiden tegen hem: „Uw dienaren komen uit een zeer ver land, vanwege de naam van Yahweh, uw Elohim. Want wij hebben Zijn faam gehoord, en alles wat Hij in Egypte heeft gedaan. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | מֵאֶ֨רֶץ (meerets) = uit het land | רְחוֹקָ֤ה (rechoqa) = ver | מְאֹד֙ (meod) = zeer | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | עֲבָדֶ֔יךָ (avadeikha) = uw dienaren | לְשֵׁ֖ם (leshem) = vanwege de naam van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = uw Elohim | כִּֽי (ki) = want | שָׁמַ֣עְנוּ (shamanu) = wij hebben gehoord | שָׁמְע֔וֹ (shameo) = Zijn faam | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = Hij heeft gedaan | בְּמִצְרָֽיִם (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שָׁמְעוֹ (shom'o), ‘Zijn faam’: wat men over Hem hoort. Zie ook: Ex 9:16; Deut 20:15; Joz 2:9–10; Joz 9:24; Jes 55:5 **9:10** Ook alles wat Hij heeft gedaan met de twee koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan, hebben wij gehoord. Dat waren Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astarot was. Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֗ה (asa) = Hij heeft gedaan | לִשְׁנֵי֙ (lishnei) = met twee | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | לְסִיחוֹן֙ (lesichon) = met Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | חֶשְׁבּ֔וֹן (cheshbon) = Chesbon | וּלְע֥וֹג (uleog) = en met Og | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֖ן (habashan) = Basan | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּעַשְׁתָּרֽוֹת (beashtarot) = in Astarot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie Astarot: Astarot wordt gezocht bij Tell Ashtara, in het zuiden van Syrië. Zie ook: Num 21:24–35; Deut 1:4; Deut 2:30–3:7; Joz 12:4; 1 Kron 6:56 **9:11** Onze oudsten en alle inwoners van ons land zeiden tegen ons: ‘Neem proviand mee voor de reis en ga hen tegemoet. Zeg tegen hen: Wij zijn uw dienaren. Sluit nu een verbond met ons.’ Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵלֵ֡ינוּ (eleinu) = tegen ons | זְֽקֵינֵינוּ֩ (zeqeineinu) = onze oudsten | וְכָל (vekhal) = en alle | יֹשְׁבֵ֨י (yoshevei) = inwoners van | אַרְצֵ֜נוּ (artsenu) = ons land | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | קְח֨וּ (qechu) = neem | בְיֶדְכֶ֤ם (beyedkhem) = in uw hand | צֵידָה֙ (tseida) = proviand | לַדֶּ֔רֶךְ (laderekh) = voor de reis | וּלְכ֖וּ (ulekhu) = en ga | לִקְרָאתָ֑ם (liqratam) = hen tegemoet | וַאֲמַרְתֶּ֤ם (vaamartem) = en zeg | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tegen hen | עַבְדֵיכֶ֣ם (avdeikhem) = uw dienaren | אֲנַ֔חְנוּ (anachnu) = wij | וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | כִּרְתוּ (kirtu) = sluit | לָ֥נוּ (lanu) = met ons | בְרִֽית (berit) = een verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 43:12; Joz 1:11; Joz 9:8; Est 8:17; Mat 10:9–10 **9:12** Dit brood van ons was warm toen wij het uit onze huizen als proviand meenamen, op de dag dat wij naar u toe vertrokken. Nu, zie, het is droog en brokkelig geworden. Brontekst: זֶ֣ה (ze) = dit | לַחְמֵ֗נוּ (lachmenu) = ons brood | חָ֞ם (cham) = warm | הִצְטַיַּ֤דְנוּ (hitstayadnu) = wij namen als proviand mee | אֹתוֹ֙ (oto) = het | מִבָּ֣תֵּ֔ינוּ (mibateinu) = uit onze huizen | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag | צֵאתֵ֖נוּ (tsetenu) = van ons vertrek | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = naar u | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | יָבֵ֔שׁ (yavesh) = het is droog | וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het is geworden | נִקֻּדִֽים (niqudim) = brokkelig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 9:4–5 **9:13** Deze wijnzakken waren nieuw toen wij ze vulden. Zie, ze zijn gescheurd. En dit zijn onze kleren en onze sandalen: zij zijn versleten door de zeer lange reis.” Brontekst: וְאֵ֨לֶּה (veele) = en deze | נֹאד֤וֹת (nodot) = wijnzakken van | הַיַּ֨יִן֙ (hayayin) = de wijn | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מִלֵּ֣אנוּ (milenu) = wij hebben gevuld | חֲדָשִׁ֔ים (chadashim) = nieuw | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | הִתְבַּקָּ֑עוּ (hitbaqau) = zij zijn gescheurd | וְאֵ֤לֶּה (veele) = en deze | שַׂלְמוֹתֵ֨ינוּ֙ (salmoteinu) = onze kleren | וּנְעָלֵ֔ינוּ (unealeinu) = en onze sandalen | בָּל֕וּ (balu) = zijn versleten | מֵרֹ֥ב (merov) = door de lengte van | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de reis | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:14** De mannen van Israël namen van hun proviand. Maar zij raadpleegden Yahweh niet. Brontekst: וַיִּקְח֥וּ (vayiqchu) = en zij namen | הָֽאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | מִצֵּידָ֑ם (mitseidam) = van hun proviand | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁאָֽלוּ (shaalu) = zij vroegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּי יְהוָה (pi Yahweh), ‘de mond van Yahweh’: vragen naar de mond van Yahweh is Hem raadplegen, bijvoorbeeld door een priester of door het lot (Num. 27:21). Voetnoot : Het Hebreeuws heeft alleen ‘de mannen’. Het zijn de mannen van Israël, de leiders. Zie ook: Num 27:21; 2 Sam 5:19; 1 Kron 10:13–14; Spr 3:5–6; Ezra 8:21 ### Het verbond met Gibeon **9:15** Jozua sloot vrede met hen. Hij sloot een verbond met hen om hen in leven te laten. De leiders van de gemeenschap zwoeren het hun. Brontekst: וַיַּ֨עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | לָהֶ֤ם (lahem) = met hen | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | וַיִּכְרֹ֥ת (vayikhrot) = en hij sloot | לָהֶ֛ם (lahem) = met hen | בְּרִ֖ית (berit) = een verbond | לְחַיּוֹתָ֑ם (lechayotam) = om hen in leven te laten | וַיִּשָּׁבְע֣וּ (vayishaveu) = en zij zwoeren | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | נְשִׂיאֵ֖י (nesiei) = de leiders van | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשִׂיאֵי הָעֵדָה (nesi'ei ha'edah), ‘de leiders van de gemeenschap’: de hoofden van de stammen (vergelijk Num. 1:16). Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:51 bevestigt dat de leiders het verbond bezworen. Zie ook: Jas 88:51; Num 1:16; Deut 20:10–11; Joz 6:22–25; Joz 11:19; 2 Sam 21:2; Jer 18:7–8 ### De list komt uit **9:16** Drie dagen nadat zij het verbond met hen hadden gesloten, hoorden zij dat de Gibeonieten dichtbij waren. Ze woonden zelfs midden onder hen. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | מִקְצֵה֙ (miqtse) = aan het einde van | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | אַחֲרֵ֕י (acharei) = na | אֲשֶׁר (asher) = dat | כָּרְת֥וּ (karetu) = zij hadden gesloten | לָהֶ֖ם (lahem) = met hen | בְּרִ֑ית (berit) = een verbond | וַֽיִּשְׁמְע֗וּ (vayishmeu) = en zij hoorden | כִּי (ki) = dat | קְרֹבִ֥ים (qerovim) = dichtbij | הֵם֙ (hem) = zij | אֵלָ֔יו (elav) = bij hen | וּבְקִרְבּ֖וֹ (uveqirbo) = en in hun midden | הֵ֥ם (hem) = zij | יֹשְׁבִֽים (yoshevim) = woonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij’. Het gaat om de inwoners van Gibeon (vers 3). Zie ook: Joz 9:3; Spr 12:19 **9:17** De zonen van Israël braken op en kwamen op de derde dag bij hun steden. Hun steden waren Gibeon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim. Brontekst: וַיִּסְע֣וּ (vayisu) = en zij braken op | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וַיָּבֹ֛אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | עָרֵיהֶ֖ם (areihem) = hun steden | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֑י (hashelishi) = derde | וְעָרֵיהֶם֙ (veareihem) = en hun steden | גִּבְע֣וֹן (givon) = Gibeon | וְהַכְּפִירָ֔ה (vehakefira) = en Kefira | וּבְאֵר֖וֹת (uveerot) = en Beërot | וְקִרְיַ֥ת (veqiryat) = en Kirjat | יְעָרִֽים (yearim) = Jearim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kefira ligt waarschijnlijk bij Khirbet Kefire, Beërot is onzeker (misschien el-Bireh) en Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij Deir el-Azhar, bij Abu Gosh. Al deze plaatsen liggen in het bergland ten westen en noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever en Israël). Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 15:60; Joz 18:25–28; 1 Kron 21:29; 2 Kron 1:3–4; Ezra 2:25 **9:18** De zonen van Israël versloegen hen niet, omdat de leiders van de gemeenschap hun bij Yahweh, de Elohim van Israël, hadden gezworen. Maar heel de gemeenschap morde tegen de leiders. Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | הִכּוּם֙ (hikum) = versloegen hen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּֽי (ki) = omdat | נִשְׁבְּע֤וּ (nishbeu) = zij hadden gezworen | לָהֶם֙ (lahem) = hun | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = de leiders van | הָֽעֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | בַּֽיהוָ֖ה (baYahweh) = bij Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּלֹּ֥נוּ (vayilonu) = en morde | כָל (kal) = heel | הָעֵדָ֖ה (haeda) = de gemeenschap | עַל (al) = tegen | הַנְּשִׂיאִֽים (hanesiim) = de leiders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:52 bevestigt dat de zonen van Israël hen niet doodden vanwege de eed bij Yahweh. Zie ook: Jas 88:52; 2 Sam 21:7; Ps 15:4; Pred 5:1; Pred 5:5; Pred 9:2 **9:19** Alle leiders zeiden tegen heel de gemeenschap: „Wij hebben hun bij Yahweh, de Elohim van Israël, gezworen. Nu kunnen wij hen niet aanraken. Brontekst: וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zij zeiden | כָל (kal) = alle | הַנְּשִׂיאִים֙ (hanesiim) = de leiders | אֶל (el) = tegen | כָּל (kal) = heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | אֲנַ֨חְנוּ֙ (anachnu) = wij | נִשְׁבַּ֣עְנוּ (nishbanu) = wij hebben gezworen | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | בַּֽיהוָ֖ה (baYahweh) = bij Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | לֹ֥א (lo) = niet | נוּכַ֖ל (nukhal) = wij kunnen | לִנְגֹּ֥עַ (lingoa) = aanraken | בָּהֶֽם (bahem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 9:20; Pred 8:2; Pred 9:2; Jer 4:2 **9:20** Dit zullen wij met hen doen: wij laten hen in leven. Dan komt er geen toorn over ons vanwege de eed die wij hun hebben gezworen.” Brontekst: זֹ֛את (zot) = dit | נַעֲשֶׂ֥ה (naase) = wij zullen doen | לָהֶ֖ם (lahem) = met hen | וְהַחֲיֵ֣ה (vehachaye) = en laten leven | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִֽהְיֶ֤ה (yihye) = zal komen | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = over ons | קֶ֔צֶף (qetsef) = toorn | עַל (al) = vanwege | הַשְּׁבוּעָ֖ה (hashevua) = de eed | אֲשֶׁר (asher) = die | נִשְׁבַּ֥עְנוּ (nishbanu) = wij hebben gezworen | לָהֶֽם (lahem) = hun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 20:25; 2 Kron 36:13; Ezech 17:12–21; Zach 5:3–4; Mal 3:5 **9:21** De leiders zeiden tegen hen: „Laat hen leven.” Zij werden houthakkers en waterputters voor heel de gemeenschap, zoals de leiders hun hadden gezegd. Brontekst: וַיֹּאמְר֧וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = tegen hen | הַנְּשִׂיאִ֖ים (hanesiim) = de leiders | יִֽחְי֑וּ (yichyu) = laat hen leven | וַ֠יִּֽהְיוּ (vayihyu) = en zij werden | חֹטְבֵ֨י (chotevei) = houthakkers van | עֵצִ֤ים (etsim) = hout | וְשֹֽׁאֲבֵי (veshoavei) = en waterputters van | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | לְכָל (lekhal) = voor heel | הָ֣עֵדָ֔ה (haeda) = de gemeenschap | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבְּר֥וּ (diberu) = hadden gezegd | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | הַנְּשִׂיאִֽים (hanesiim) = de leiders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹטְבֵי עֵצִים (chotevei etsim), ‘houthakkers’, en שֹׁאֲבֵי מַיִם (sho'avei mayim), ‘waterputters’: mensen die hout hakken en water scheppen. Het is zwaar werk voor de gemeenschap. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:52–54 bevestigt dit. Zie ook: Jas 88:52–54; Deut 29:10; Joz 9:15; Joz 9:23; Joz 9:27; 2 Kron 2:16–17 ### Jozua ondervraagt de Gibeonieten **9:22** Jozua riep hen bij zich en zei tegen hen: „Waarom hebben jullie ons bedrogen? Jullie zeiden: ‘Wij wonen zeer ver bij jullie vandaan’, terwijl jullie in ons midden wonen. Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en riep | לָהֶם֙ (lahem) = hen | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לָמָּה֩ (lama) = waarom | רִמִּיתֶ֨ם (rimitem) = hebben jullie bedrogen | אֹתָ֜נוּ (otanu) = ons | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | רְחוֹקִ֨ים (rechoqim) = ver | אֲנַ֤חְנוּ (anachnu) = wij | מִכֶּם֙ (mikem) = van jullie | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | בְּקִרְבֵּ֥נוּ (beqirbenu) = in ons midden | יֹשְׁבִֽים (yoshevim) = wonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:35–36; Gen 29:25; Joz 9:6; Joz 9:9–10; Joz 9:16 **9:23** Nu zijn jullie vervloekt. Jullie zullen altijd slaven blijven: houthakkers en waterputters voor het huis van mijn Elohim.” Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | אֲרוּרִ֣ים (arurim) = vervloekt | אַתֶּ֑ם (atem) = jullie | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִכָּרֵ֨ת (yikaret) = zal worden afgesneden | מִכֶּ֜ם (mikem) = van jullie | עֶ֗בֶד (eved) = slaaf | וְחֹטְבֵ֥י (vechotevei) = en houthakkers van | עֵצִ֛ים (etsim) = hout | וְשֹֽׁאֲבֵי (veshoavei) = en waterputters van | מַ֖יִם (mayim) = water | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘er wordt van jullie geen slaaf afgesneden’, dat wil zeggen: er zullen altijd slaven onder jullie zijn. Wij vertalen עֶבֶד (eved) hier met ‘slaaf’, omdat het om een vloek gaat (vergelijk Gen. 9:25). Zie ook: Gen 9:25–26; Lev 27:28–29; Joz 9:21; Joz 9:27 ### Het antwoord van de Gibeonieten **9:24** Zij antwoordden Jozua: „Aan uw dienaren is zeker verteld wat Yahweh, uw Elohim, aan Zijn dienaar Mozes heeft geboden. Hij heeft geboden u het hele land te geven en alle inwoners van het land voor u uit te vernietigen. Wij werden zeer bang voor ons leven vanwege u. Zo hebben wij dit gedaan. Brontekst: וַיַּעֲנ֨וּ (vayaanu) = en zij antwoordden | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | כִּי֩ (ki) = want | הֻגֵּ֨ד (huged) = het is verteld | הֻגַּ֤ד (hugad) = stellig | לַעֲבָדֶ֨יךָ֙ (laavadeikha) = aan uw dienaren | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | צִוָּ֜ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = uw Elohim | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | עַבְדּ֔וֹ (avdo) = Zijn dienaar | לָתֵ֤ת (latet) = om te geven | לָכֶם֙ (lakhem) = aan u | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וּלְהַשְׁמִ֛יד (ulehashmid) = en te vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = inwoners van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | מִפְּנֵיכֶ֑ם (mipeneikhem) = voor u uit | וַנִּירָ֨א (vanira) = en wij werden bang | מְאֹ֤ד (meod) = zeer | לְנַפְשֹׁתֵ֨ינוּ֙ (lenafshoteinu) = voor ons leven | מִפְּנֵיכֶ֔ם (mipeneikhem) = vanwege u | וַֽנַּעֲשֵׂ֖ה (vanaase) = en wij hebben gedaan | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:31–33; Num 33:55–56; Deut 7:1–2; Deut 20:15–17; Mat 10:28 **9:25** Nu zijn wij in uw hand. Doe met ons wat u goed en juist lijkt.” Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | הִנְנ֣וּ (hinnu) = zie ons | בְיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in uw hand | כַּטּ֨וֹב (katov) = zoals goed | וְכַיָּשָׁ֧ר (vekhayashar) = en zoals recht | בְּעֵינֶ֛יךָ (beeineikha) = in uw ogen | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | לָ֖נוּ (lanu) = met ons | עֲשֵֽׂה (ase) = doe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:6; Re 10:15; 1 Sam 3:18; Jer 26:14; Mat 11:26 **9:26** Zo deed hij met hen. Hij redde hen uit de hand van de zonen van Israël. Zij doodden hen niet. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij deed | לָהֶ֖ם (lahem) = met hen | כֵּ֑ן (ken) = zo | וַיַּצֵּ֥ל (vayatsel) = en hij redde | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הֲרָגֽוּם (haragum) = zij doodden hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:27** Op die dag maakte Jozua hen tot houthakkers en waterputters voor de gemeenschap en voor het altaar van Yahweh. Zo is het tot op de dag van vandaag, op de plaats die Hij zou kiezen. Brontekst: וַיִּתְּנֵ֨ם (vayitenem) = en hij maakte hen | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | חֹטְבֵ֥י (chotevei) = houthakkers van | עֵצִ֛ים (etsim) = hout | וְשֹׁ֥אֲבֵי (veshoavei) = en waterputters van | מַ֖יִם (mayim) = water | לָֽעֵדָ֑ה (laeda) = voor de gemeenschap | וּלְמִזְבַּ֤ח (ulemizbach) = en voor het altaar van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אֶל (el) = naar | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִבְחָֽר (yivchar) = Hij zou kiezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Tot op de dag van vandaag’ is de tijd van de schrijver. De plaats die Yahweh zou kiezen, is de plaats van Zijn altaar (Deut. 12:5). Zie ook: Deut 12:5 ## Jozua 10 _De zon staat stil, de vijf koningen vallen_ ### De koningen van het zuiden trekken tegen Gibeon **10:1** Adoni-Sedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en met de ban had geslagen. Hij had met Ai en haar koning gedaan wat hij met Jericho en haar koning had gedaan. Ook hoorde hij dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël hadden gesloten en onder hen waren. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כִשְׁמֹ֨עַ (kishmoa) = bij het horen van | אֲדֹֽנִי (adoni) = Adoni | צֶ֜דֶק (tsedeq) = Sedek | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushaliam) = Jeruzalem | כִּֽי (ki) = dat | לָכַ֨ד (lakhad) = had ingenomen | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | הָעַי֮ (haay) = Ai | וַיַּחֲרִימָהּ֒ (vayacharimah) = en haar met de ban had geslagen | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֤ה (asa) = hij had gedaan | לִֽירִיחוֹ֙ (liricho) = met Jericho | וּלְמַלְכָּ֔הּ (ulemalkah) = en met haar koning | כֵּן (ken) = zo | עָשָׂ֥ה (asa) = had hij gedaan | לָעַ֖י (laay) = met Ai | וּלְמַלְכָּ֑הּ (ulemalkah) = en met haar koning | וְכִ֨י (vekhi) = en dat | הִשְׁלִ֜ימוּ (hishlimu) = vrede hadden gesloten | יֹשְׁבֵ֤י (yoshevei) = de inwoners van | גִבְעוֹן֙ (givon) = Gibeon | אֶת (et) = met | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּֽהְי֖וּ (vayihyu) = en zij waren | בְּקִרְבָּֽם (beqirbam) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jeruzalem was toen een stad van de Jebusieten. Ai ligt volgens de overlevering bij et-Tell, ten oosten van Betel, in de Westelijke Jordaanoever. Anderen denken aan Khirbet el-Maqatir. De ligging is onzeker. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנִי־צֶדֶק (Adoni-tsedeq), ‘mijn heer is gerechtigheid’ of ‘heer van gerechtigheid’. Ook Melchisedek, de koning van Salem, droeg een naam met ‘gerechtigheid’ (Gen. 14:18). Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:55–56 bevestigt dit. Zie ook: Gen 14:18; Jas 88:55–56; Joz 6:21; Joz 8:22–29; Joz 11:19–20; Heb 7:1 **10:2** Hij en zijn volk werden zeer bang. Want Gibeon was een grote stad, als een van de koningssteden. Zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren krijgers. Brontekst: וַיִּֽירְא֣וּ (vayireu) = en zij werden bang | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | כִּ֣י (ki) = want | עִ֤יר (ir) = een stad | גְּדוֹלָה֙ (gedola) = grote | גִּבְע֔וֹן (givon) = Gibeon | כְּאַחַ֖ת (keachat) = zoals één van | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | הַמַּמְלָכָ֑ה (hamamlakha) = het koninkrijk | וְכִ֨י (vekhi) = en dat | הִ֤יא (hi) = zij | גְדוֹלָה֙ (gedola) = groter | מִן (min) = dan | הָעַ֔י (haay) = Ai | וְכָל (vekhal) = en al | אֲנָשֶׁ֖יהָ (anasheiha) = haar mannen | גִּבֹּרִֽים (giborim) = krijgers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: עָרֵי הַמַּמְלָכָה (arei hammamlakhah), ‘steden van het koninkrijk’: steden met een eigen koning, dus koningssteden. Voetnoot : Het werkwoord ‘zij werden bang’ staat in het Hebreeuws in het meervoud. Wij vullen aan: de koning en zijn volk. Zie ook: Ex 15:14–16; Deut 11:25; Joz 2:24; 2 Sam 12:26; Spr 1:26–27 **10:3** Adoni-Sedek, de koning van Jeruzalem, stuurde een boodschap naar Hoham, de koning van Hebron, naar Piram, de koning van Jarmut, naar Jafia, de koning van Lachis, en naar Debir, de koning van Eglon. Hij liet zeggen: Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en hij zond | אֲדֹנִי (adoni) = Adoni | צֶ֜דֶק (tsedeq) = Sedek | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushaliam) = Jeruzalem | אֶל (el) = naar | הוֹהָ֣ם (hoham) = Hoham | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | חֶ֠בְרוֹן (chevron) = Hebron | וְאֶל (veel) = en naar | פִּרְאָ֨ם (piram) = Piram | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יַרְמ֜וּת (yarmut) = Jarmut | וְאֶל (veel) = en naar | יָפִ֧יעַ (yafia) = Jafia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | לָכִ֛ישׁ (lakhish) = Lachis | וְאֶל (veel) = en naar | דְּבִ֥יר (devir) = Debir | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | עֶגְל֖וֹן (eglon) = Eglon | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron is het huidige al-Khalil in de Westelijke Jordaanoever. Jarmut ligt waarschijnlijk bij Khirbet Jarmuk, ten westen van Hebron (Israël). Lachis is Tel Lakisj (Israël). Eglon is onzeker; men denkt aan Tell Aitun of Tell el-Hesi. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron. Dit is niet geheel zeker. Zie ook: Gen 23:2; Joz 10:5; Joz 15:63; 2 Kron 11:9; Mi 1:13 **10:4** „Trek naar mij op en help mij. Laten wij Gibeon verslaan, want het heeft vrede gesloten met Jozua en met de zonen van Israël.” Brontekst: עֲלֽוּ (alu) = kom op | אֵלַ֣י (elay) = naar mij | וְעִזְרֻ֔נִי (veizruni) = en help mij | וְנַכֶּ֖ה (venake) = en laten wij verslaan | אֶת (et) = (obj.) | גִּבְע֑וֹן (givon) = Gibeon | כִּֽי (ki) = want | הִשְׁלִ֥ימָה (hishlima) = het heeft vrede gesloten | אֶת (et) = met | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | וְאֶת (veet) = en met | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 9:15; Joz 10:1; Jes 8:9–10; Jes 41:5–7; Openb 20:8–10 **10:5** De vijf koningen van de Amorieten kwamen bijeen en trokken op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lachis en de koning van Eglon, zij met al hun legers. Zij legerden zich tegen Gibeon en streden tegen de stad. Brontekst: וַיֵּאָסְפ֨וּ (vayeasefu) = en zij verzamelden zich | וַֽיַּעֲל֜וּ (vayaalu) = en zij trokken op | חֲמֵ֣שֶׁת (chameshet) = vijf | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָאֱמֹרִ֗י (haemori) = de Amoriet | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushaliam) = Jeruzalem | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | חֶבְר֤וֹן (chevron) = Hebron | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יַרְמוּת֙ (yarmut) = Jarmut | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | לָכִ֣ישׁ (lakhish) = Lachis | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | עֶגְל֔וֹן (eglon) = Eglon | הֵ֖ם (hem) = zij | וְכָל (vekhal) = en al | מַֽחֲנֵיהֶ֑ם (machaneihem) = hun legers | וַֽיַּחֲנוּ֙ (vayachanu) = en zij legerden zich | עַל (al) = tegen | גִּבְע֔וֹן (givon) = Gibeon | וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ (vayilachamu) = en zij streden | עָלֶֽיהָ (aleiha) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Jarmut: Jarmut wordt gezocht bij Khirbet Jarmuk, in de Sefela. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Eglon (ligging onzeker): Eglon lag in de Sefela. Tell Aitun en Tell el-Hesi zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie ook: Gen 15:16; Num 13:29; Joz 9:1–2; Joz 10:6; Jes 8:9–10 ### Gibeon vraagt om hulp **10:6** De mannen van Gibeon stuurden bericht naar Jozua, naar het kamp bij Gilgal: „Laat uw dienaren niet in de steek. Kom snel naar ons op, red ons en help ons. Want alle koningen van de Amorieten die in het bergland wonen, hebben zich tegen ons verzameld.” Brontekst: וַיִּשְׁלְח֣וּ (vayishlechu) = en zij zonden | אַנְשֵׁי֩ (anshei) = de mannen van | גִבְע֨וֹן (givon) = Gibeon | אֶל (el) = naar | יְהוֹשֻׁ֤עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶה֙ (hamachane) = het kamp | הַגִּלְגָּ֣לָה (hagilgala) = Gilgal | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אַל (al) = niet | תֶּ֥רֶף (teref) = laat los | יָדֶ֖יךָ (yadeikha) = uw handen | מֵֽעֲבָדֶ֑יךָ (meavadeikha) = van uw dienaren | עֲלֵ֧ה (ale) = kom op | אֵלֵ֣ינוּ (eleinu) = naar ons | מְהֵרָ֗ה (mehera) = snel | וְהוֹשִׁ֤יעָה (vehoshia) = en red | לָּ֨נוּ֙ (lanu) = ons | וְעָזְרֵ֔נוּ (veazerenu) = en help ons | כִּ֚י (ki) = want | נִקְבְּצ֣וּ (niqbetsu) = zij hebben zich verzameld | אֵלֵ֔ינוּ (eleinu) = tegen ons | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amoriet | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = die wonen in | הָהָֽר (hahar) = het bergland Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: אַל־תֶּרֶף יָדֶיךָ (al teref jadecha), letterlijk ‘laat uw handen niet zakken’: laat ons niet in de steek. Zie ook: Deut 1:15; Joz 5:10; Joz 9:6; Joz 9:15; Jes 33:22 **10:7** Jozua trok op uit Gilgal, hij en heel het krijgsvolk met hem, alle dappere helden. Brontekst: וַיַּ֨עַל (vayaal) = en hij trok op | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | מִן (min) = uit | הַגִּלְגָּ֗ל (hagilgal) = Gilgal | ה֚וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | עַ֤ם (am) = het volk van | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de oorlog | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | גִּבּוֹרֵ֥י (giborei) = helden van | הֶחָֽיִל (hechayil) = de strijdkracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹרֵי הַחַיִל (gibborei hachayil), ‘dappere helden’: de beste krijgers. Zie ook: Joz 8:1; Jes 8:12; Jes 8:14 ### De strijd bij Gibeon **10:8** Yahweh zei tegen Jozua: **„Wees niet bang voor hen. Want Ik heb hen in je hand gegeven. Niemand van hen zal voor je standhouden.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | אַל (al) = niet | תִּירָ֣א (tira) = wees bang | מֵהֶ֔ם (mehem) = voor hen | כִּ֥י (ki) = want | בְיָדְךָ֖ (beyadekha) = in je hand | נְתַתִּ֑ים (netatim) = Ik heb hen gegeven | לֹֽא (lo) = niet | יַעֲמֹ֥ד (yaamod) = zal standhouden | אִ֛ישׁ (ish) = een man | מֵהֶ֖ם (mehem) = van hen | בְּפָנֶֽיךָ (befaneikha) = voor je aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:5–9; Joz 11:6; Ps 27:1–2; Jes 41:10–15; Rom 8:31 **10:9** Jozua kwam plotseling bij hen aan. Hij was de hele nacht opgetrokken vanuit Gilgal. Brontekst: וַיָּבֹ֧א (vayavo) = en hij kwam | אֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = bij hen | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | פִּתְאֹ֑ם (pitom) = plotseling | כָּל (kal) = heel | הַלַּ֕יְלָה (halayla) = de nacht | עָלָ֖ה (ala) = was hij opgetrokken | מִן (min) = uit | הַגִּלְגָּֽל (hagilgal) = Gilgal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: 1 Sam 11:9–11; Spr 22:29; Spr 24:11–12; Pred 9:10; 2 Tim 2:3 **10:10** Yahweh bracht hen in verwarring voor Israël. Jozua versloeg hen met een grote slag bij Gibeon. Hij achtervolgde hen op de weg die omhoog loopt naar Bet-Choron en versloeg hen tot aan Azeka en tot aan Makkeda. Brontekst: וַיְהֻמֵּ֤ם (vayhumem) = en Hij bracht in verwarring | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיַּכֵּ֥ם (vayakem) = en hij versloeg hen | מַכָּֽה (maka) = een slag | גְדוֹלָ֖ה (gedola) = grote | בְּגִבְע֑וֹן (begivon) = bij Gibeon | וַֽיִּרְדְּפֵ֗ם (vayirdefem) = en hij achtervolgde hen | דֶּ֚רֶךְ (derekh) = de weg van | מַעֲלֵ֣ה (maale) = de opgang naar | בֵית (beit) = Bet | חוֹרֹ֔ן (choron) = Choron | וַיַּכֵּ֥ם (vayakem) = en hij versloeg hen | עַד (ad) = tot | עֲזֵקָ֖ה (azeqa) = Azeka | וְעַד (vead) = en tot | מַקֵּדָֽה (maqeda) = Makkeda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Choron ligt op de weg van Gibeon naar het westen, bij Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur al-Tahta (Westelijke Jordaanoever). Azeka is Tel Zakariya (Israël). Makkeda is onzeker; men denkt aan Khirbet el-Qom of Tell el-Judeideh. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij versloeg hen’. Wij nemen Jozua als onderwerp, omdat Yahweh in vers 11 opnieuw met zijn naam wordt genoemd. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:59–60 bevestigt dit. Zie ook: Jas 88:59–60; Joz 10:11; Joz 16:3; Joz 16:5; 1 Sam 7:10–12; Ps 18:15; Jes 28:21 **10:11** Terwijl zij voor Israël vluchtten, op de afdaling van Bet-Choron, wierp Yahweh grote stenen uit de hemel op hen, tot aan Azeka. Velen stierven. Er stierven er meer door de hagelstenen dan de zonen van Israël met het zwaard hadden gedood. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | בְּנֻסָ֣ם (benusam) = toen zij vluchtten | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הֵ֞ם (hem) = zij | בְּמוֹרַ֤ד (bemorad) = op de afdaling van | בֵּית (beit) = Bet | חוֹרֹן֙ (choron) = Choron | וַֽיהוָ֡ה (vaYahweh) = en Yahweh | הִשְׁלִ֣יךְ (hishlikh) = wierp | עֲלֵיהֶם֩ (aleihem) = op hen | אֲבָנִ֨ים (avanim) = stenen | גְּדֹל֧וֹת (gedolot) = grote | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֛יִם (hashamayim) = de hemel | עַד (ad) = tot | עֲזֵקָ֖ה (azeqa) = Azeka | וַיָּמֻ֑תוּ (vayamutu) = en zij stierven | רַבִּ֗ים (rabim) = velen | אֲשֶׁר (asher) = die | מֵ֨תוּ֙ (metu) = stierven | בְּאַבְנֵ֣י (beavnei) = door de stenen van | הַבָּרָ֔ד (habarad) = de hagel | מֵאֲשֶׁ֥ר (measher) = meer dan | הָרְג֛וּ (haregu) = doodden | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בֶּחָֽרֶב (becharev) = met het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Choron: Boven- en Neder-Bet-Choron lagen aan de weg van Gibeon naar Ajalon, bij Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur al-Tahta, ten noordwesten van Jeruzalem. Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela. Voetnoot Uitleg: Met ‘stenen’ zijn hagelstenen bedoeld; het Hebreeuws noemt ze daarna ‘stenen van de hagel’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:61 bevestigt dit. Zie ook: Gen 19:24; Jas 88:61; Ex 9:22–26; Re 5:20; Ps 18:13–15; Jes 28:2 ### De zon en de maan staan stil **10:12** Toen sprak Jozua tot Yahweh, op de dag dat Yahweh de Amorieten overgaf aan de zonen van Israël. Voor de ogen van Israël zei hij: „Zon, sta stil boven Gibeon, en maan, in het dal van Ajalon.” Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | יְדַבֵּ֤ר (yedaber) = sprak | יְהוֹשֻׁעַ֙ (yehoshua) = Jozua | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = tot Yahweh | בְּי֗וֹם (beyom) = op de dag | תֵּ֤ת (tet) = dat gaf | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | שֶׁ֚מֶשׁ (shemesh) = zon | בְּגִבְע֣וֹן (begivon) = in Gibeon | דּ֔וֹם (dom) = sta stil | וְיָרֵ֖חַ (veyareach) = en maan | בְּעֵ֥מֶק (beemeq) = in het dal van | אַיָּלֽוֹן (ayalon) = Ajalon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van Ajalon ligt ten westen van Gibeon (Merj Ibn Omeir, Westelijke Jordaanoever en Israël). Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘zon, in Gibeon sta stil’. Wij vertalen ‘boven Gibeon’, omdat de zon aan de hemel staat. Vers 12b–13a is een dichtregel. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:63 geeft dezelfde woorden van Jozua. Zie ook: Jas 88:63; Joz 10:13; Jes 28:21; Jes 38:8; Jes 60:20; Hab 3:11 **10:13** De zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijanden had gewroken. Staat dit niet geschreven in het Boek van Jasher? De zon bleef midden aan de hemel staan. Zij haastte zich niet om onder te gaan, ongeveer een hele dag lang. Brontekst: וַיִּדֹּ֨ם (vayidom) = en zij stond stil | הַשֶּׁ֜מֶשׁ (hashemesh) = de zon | וְיָרֵ֣חַ (veyareach) = en de maan | עָמָ֗ד (amad) = bleef staan | עַד (ad) = totdat | יִקֹּ֥ם (yiqom) = zich wreekte | גּוֹי֙ (goy) = het volk | אֹֽיְבָ֔יו (oyevav) = op zijn vijanden | הֲלֹא (halo) = is dit niet | הִ֥יא (hi) = het | כְתוּבָ֖ה (ketuva) = geschreven | עַל (al) = in | סֵ֣פֶר (sefer) = het boek | הַיָּשָׁ֑ר (hayashar) = van Jasher | וַיַּעֲמֹ֤ד (vayaamod) = en zij bleef staan | הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙ (hashemesh) = de zon | בַּחֲצִ֣י (bachatsi) = in het midden van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְלֹא (velo) = en niet | אָ֥ץ (ats) = haastte zij zich | לָב֖וֹא (lavo) = om onder te gaan | כְּי֥וֹם (keyom) = ongeveer een dag | תָּמִֽים (tamim) = hele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר הַיָּשָׁר (sefer hajashar), ‘Boek van Jasher’: ‘het boek van de oprechte’. Het wordt ook genoemd in 2 Sam. 1:18. Voetnoot : De letters כְּ in כְּיוֹם תָּמִים (keyom tamim) betekenen ‘zoals, ongeveer’: ongeveer een hele dag. Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:64–65 beschrijft dezelfde gebeurtenis. Zie ook: Jas 88:64–65; Joz 10:14; Re 16:28; 2 Sam 1:18; Ps 148:3; Jes 38:8; Hab 3:11 **10:14** Er is nooit een dag geweest als die dag, ervoor of erna, waarop Yahweh naar de stem van een man luisterde. Want Yahweh streed voor Israël. Brontekst: וְלֹ֨א (velo) = en niet | הָיָ֜ה (haya) = was | כַּיּ֤וֹם (kayom) = zoals de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | לְפָנָ֣יו (lefanav) = vóór hem | וְאַחֲרָ֔יו (veacharav) = en na hem | לִשְׁמֹ֥עַ (lishmoa) = dat luisterde | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | כִּ֣י (ki) = want | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נִלְחָ֖ם (nilcham) = streed | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = voor Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 88:65 zegt hetzelfde: er was geen dag zoals die. Zie ook: Jas 88:65; Ex 14:14; Deut 1:30; Joz 10:42; Joz 23:3; Jes 38:8 **10:15** Jozua keerde met heel Israël terug naar het kamp bij Gilgal. Brontekst: וַיָּ֤שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = het kamp | הַגִּלְגָּֽלָה (hagilgala) = Gilgal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Lezing: Dit vers is bijna gelijk aan vers 43. Wij nemen beide over, zoals in de Masoretische tekst. Zie ook: Joz 10:6; Joz 10:43 ### De vijf koningen in de grot **10:16** Deze vijf koningen vluchtten en verborgen zich in de grot bij Makkeda. Brontekst: וַיָּנֻ֕סוּ (vayanusu) = en zij vluchtten | חֲמֵ֖שֶׁת (chameshet) = vijf | הַמְּלָכִ֣ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיֵּחָבְא֥וּ (vayechaveu) = en zij verborgen zich | בַמְּעָרָ֖ה (bameara) = in de grot | בְּמַקֵּדָֽה (bemaqeda) = bij Makkeda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela. Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Zie ook: Re 6:2; 1 Sam 24:4; 1 Sam 24:9; Jes 24:21–22; Mi 7:17 **10:17** Aan Jozua werd gemeld: „De vijf koningen zijn gevonden. Zij hebben zich verborgen in de grot bij Makkeda.” Brontekst: וַיֻּגַּ֖ד (vayugad) = en het werd gemeld | לִיהוֹשֻׁ֣עַ (lihoshua) = aan Jozua | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | נִמְצְאוּ֙ (nimtseu) = zijn gevonden | חֲמֵ֣שֶׁת (chameshet) = vijf | הַמְּלָכִ֔ים (hamelakhim) = de koningen | נֶחְבְּאִ֥ים (nechbeim) = die zich verborgen | בַּמְּעָרָ֖ה (bameara) = in de grot | בְּמַקֵּדָֽה (bemaqeda) = bij Makkeda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela. Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker. **10:18** Jozua zei: „Rol grote stenen voor de ingang van de grot en stel er mannen bij aan om hen te bewaken. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | גֹּ֛לּוּ (golu) = rol | אֲבָנִ֥ים (avanim) = stenen | גְּדֹל֖וֹת (gedolot) = grote | אֶל (el) = naar | פִּ֣י (pi) = de ingang van | הַמְּעָרָ֑ה (hameara) = de grot | וְהַפְקִ֧ידוּ (vehafqidu) = en stel aan | עָלֶ֛יהָ (aleiha) = erbij | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mannen | לְשָׁמְרָֽם (leshameram) = om hen te bewaken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:30; Joz 10:22; Amos 5:19; Amos 9:1; Mat 27:66 **10:19** Maar jullie, blijf niet staan. Achtervolg jullie vijanden en val hun achterhoede aan. Laat hen hun steden niet binnengaan, want Yahweh, jullie Elohim, heeft hen in jullie hand gegeven.” Brontekst: וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | אַֽל (al) = niet | תַּעֲמֹ֔דוּ (taamodu) = blijf staan | רִדְפוּ֙ (ridfu) = achtervolg | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | אֹֽיְבֵיכֶ֔ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | וְזִנַּבְתֶּ֖ם (vezinavtem) = en val de achterhoede aan | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | אַֽל (al) = niet | תִּתְּנ֗וּם (titenum) = laat hen | לָבוֹא֙ (lavo) = binnengaan | אֶל (el) = naar | עָ֣רֵיהֶ֔ם (areihem) = hun steden | כִּ֧י (ki) = want | נְתָנָ֛ם (netanam) = heeft hen gegeven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | בְּיֶדְכֶֽם (beyedkhem) = in jullie hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְזִנַּבְתֶּם (vezinnavtem), ‘val de achterhoede aan’: van זָנָב (zanav), ‘staart’. Het leger zet de vluchtenden in de rug na. Zie ook: Joz 10:20; 2 Sam 17:13; Ps 18:38–42; Jer 8:14; Jer 48:10 **10:20** Jozua en de zonen van Israël hadden hen met een zeer grote slag verslagen, tot zij ten einde waren. De overlevenden die waren ontkomen, bereikten de versterkte steden. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כְּכַלּ֨וֹת (kekhalot) = toen klaar waren | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לְהַכּוֹתָ֛ם (lehakotam) = hen te slaan | מַכָּ֥ה (maka) = een slag | גְדוֹלָֽה (gedola) = grote | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | עַד (ad) = totdat | תֻּמָּ֑ם (tumam) = zij ten einde waren | וְהַשְּׂרִידִים֙ (vehaseridim) = en de overlevenden | שָׂרְד֣וּ (saredu) = waren ontkomen | מֵהֶ֔ם (mehem) = van hen | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | עָרֵ֥י (arei) = de steden van | הַמִּבְצָֽר (hamivtsar) = de vesting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 20:16; Joz 8:24; Joz 10:10; 2 Sam 20:6; Jer 8:14 **10:21** Heel het volk keerde ongedeerd terug naar het kamp, naar Jozua bij Makkeda. Niemand durfde een woord tegen de zonen van Israël te zeggen. Brontekst: וַיָּשֻׁבוּ֩ (vayashuvu) = en keerde terug | כָל (kal) = heel | הָעָ֨ם (haam) = het volk | אֶל (el) = naar | הַמַּחֲנֶ֧ה (hamachane) = het kamp | אֶל (el) = naar | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | מַקֵּדָ֖ה (maqeda) = Makkeda | בְּשָׁל֑וֹם (beshalom) = in vrede | לֹֽא (lo) = niet | חָרַ֞ץ (charats) = bewoog | לִבְנֵ֧י (livnei) = tegen de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | לְאִ֖ישׁ (leish) = iemand | אֶת (et) = (obj.) | לְשֹׁנֽוֹ (leshono) = zijn tong Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela. Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: לֹא חָרַץ ... לְשֹׁנוֹ (lo charats ... leshono), letterlijk ‘niemand scherpte zijn tong’: niemand roerde zich of sprak een woord. Zie ook: Ex 11:7; Jes 54:17; Jes 57:4 ### De koningen onder de voeten van Israël **10:22** Jozua zei: „Open de ingang van de grot en breng die vijf koningen uit de grot naar mij.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | פִּתְח֖וּ (pitchu) = open | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֣י (pi) = de ingang van | הַמְּעָרָ֑ה (hameara) = de grot | וְהוֹצִ֣יאוּ (vehotsiu) = en breng uit | אֵלַ֗י (elay) = naar mij | אֶת (et) = (obj.) | חֲמֵ֛שֶׁת (chameshet) = vijf | הַמְּלָכִ֥ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | מִן (min) = uit | הַמְּעָרָֽה (hameara) = de grot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 15:32 **10:23** Zij deden dat en brachten die vijf koningen uit de grot naar hem toe: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lachis en de koning van Eglon. Brontekst: וַיַּ֣עֲשׂוּ (vayaasu) = en zij deden | כֵ֔ן (ken) = zo | וַיֹּצִ֣יאוּ (vayotsiu) = en zij brachten uit | אֵלָ֗יו (elav) = naar hem | אֶת (et) = (obj.) | חֲמֵ֛שֶׁת (chameshet) = vijf | הַמְּלָכִ֥ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | מִן (min) = uit | הַמְּעָרָ֑ה (hameara) = de grot | אֵ֣ת (et) = (obj.) | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushaliam) = Jeruzalem | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֤לֶךְ (melekh) = de koning van | חֶבְרוֹן֙ (chevron) = Hebron | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יַרְמ֔וּת (yarmut) = Jarmut | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | לָכִ֖ישׁ (lakhish) = Lachis | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | עֶגְלֽוֹן (eglon) = Eglon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Jarmut: Jarmut wordt gezocht bij Khirbet Jarmuk, in de Sefela. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Eglon (ligging onzeker): Eglon lag in de Sefela. Tell Aitun en Tell el-Hesi zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Zie ook: Joz 10:1; Joz 10:3; Joz 10:5 **10:24** Toen zij deze koningen bij Jozua hadden gebracht, riep Jozua alle mannen van Israël bij zich. Hij zei tegen de bevelhebbers van de krijgers die met hem waren meegegaan: „Kom dichterbij en zet jullie voeten op de nekken van deze koningen.” Zij kwamen dichterbij en zetten hun voeten op hun nekken. Brontekst: וַ֠יְהִי (vayhi) = en het was | כְּֽהוֹצִיאָ֞ם (kehotsiam) = toen zij hadden uitgebracht | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּלָכִ֣ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵלֶּה֮ (haele) = deze | אֶל (el) = naar | יְהוֹשֻׁעַ֒ (yehoshua) = Jozua | וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en riep | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = alle | אִ֣ישׁ (ish) = mannen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וַ֠יֹּאמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tegen | קְצִינֵ֞י (qetsinei) = de bevelhebbers van | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | הַמִּלְחָמָה֙ (hamilchama) = de oorlog | הֶהָלְכ֣וּא (hehalekhu) = die waren meegegaan | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | קִרְב֗וּ (qirvu) = kom dichterbij | שִׂ֚ימוּ (simu) = zet | אֶת (et) = (obj.) | רַגְלֵיכֶ֔ם (ragleikhem) = jullie voeten | עַֽל (al) = op | צַוְּארֵ֖י (tsaverei) = de nekken van | הַמְּלָכִ֣ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַֽיִּקְרְב֔וּ (vayiqrevu) = en zij kwamen dichterbij | וַיָּשִׂ֥ימוּ (vayasimu) = en zij zetten | אֶת (et) = (obj.) | רַגְלֵיהֶ֖ם (ragleihem) = hun voeten | עַל (al) = op | צַוְּארֵיהֶֽם (tsavereihem) = hun nekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De voeten op de nekken van de koningen zetten is een teken van volledige overwinning. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:27 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:27; Deut 33:29; Ps 110:1; Mal 3:21; Rom 16:20; Openb 2:26–27 **10:25** Jozua zei tegen hen: „Wees niet bang en wees niet ontmoedigd. Wees sterk en moedig. Want zo zal Yahweh doen met al jullie vijanden tegen wie jullie strijden.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tegen hen | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֖וּ (tireu) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחָ֑תּוּ (techatu) = wees ontmoedigd | חִזְק֣וּ (chizqu) = wees sterk | וְאִמְצ֔וּ (veimtsu) = en moedig | כִּ֣י (ki) = want | כָ֗כָה (kakha) = zo | יַעֲשֶׂ֤ה (yaase) = zal doen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְכָל (lekhal) = met al | אֹ֣יְבֵיכֶ֔ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = tegen wie | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | נִלְחָמִ֥ים (nilchamim) = strijden | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:9; 1 Sam 17:37; 2 Kor 1:10; Rom 8:37; Ef 6:10 **10:26** Daarna versloeg Jozua hen en doodde hen. Hij hing hen aan vijf bomen. Zij bleven aan de bomen hangen tot de avond. Brontekst: וַיַּכֵּ֨ם (vayakem) = en hij versloeg hen | יְהוֹשֻׁ֤עַ (yehoshua) = Jozua | אַֽחֲרֵי (acharei) = daarna | כֵן֙ (ken) = zo | וַיְמִיתֵ֔ם (vaymitem) = en hij doodde hen | וַיִּתְלֵ֕ם (vayitlem) = en hij hing hen op | עַ֖ל (al) = aan | חֲמִשָּׁ֣ה (chamisha) = vijf | עֵצִ֑ים (etsim) = bomen | וַיִּֽהְי֛וּ (vayihyu) = en zij waren | תְּלוּיִ֥ם (teluyim) = hangend | עַל (al) = aan | הָעֵצִ֖ים (haetsim) = de bomen | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ (ets), ‘boom’ of ‘paal’: het gaat om ophangen na het doden, zoals in Deut. 21:22–23. Zie ook: Deut 21:22–23; Joz 8:29; Re 8:21; 1 Sam 15:33; Mat 27:25 **10:27** Bij zonsondergang gaf Jozua een bevel. Men haalde hen van de bomen en wierp hen in de grot waar zij zich hadden verborgen. Op de ingang van de grot legden zij grote stenen. Die liggen er tot op de dag van vandaag. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | לְעֵ֣ת (leet) = bij de tijd van | בּ֣וֹא (bo) = het ondergaan van | הַשֶּׁ֗מֶשׁ (hashemesh) = de zon | צִוָּ֤ה (tsiva) = gebood | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | וַיֹּֽרִידוּם֙ (vayoridum) = en zij haalden hen neer | מֵעַ֣ל (meal) = van | הָעֵצִ֔ים (haetsim) = de bomen | וַיַּ֨שְׁלִכֻ֔ם (vayashlikhum) = en zij wierpen hen | אֶל (el) = in | הַמְּעָרָ֖ה (hameara) = de grot | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarin | נֶחְבְּאוּ (nechbeu) = zij zich hadden verborgen | שָׁ֑ם (sham) = daar | וַיָּשִׂ֜מוּ (vayasimu) = en zij legden | אֲבָנִ֤ים (avanim) = stenen | גְּדֹלוֹת֙ (gedolot) = grote | עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = de ingang van | הַמְּעָרָ֔ה (hameara) = de grot | עַד (ad) = tot | עֶ֖צֶם (etsem) = het bot van | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Volgens Deut. 21:23 moet een opgehangene dezelfde dag worden begraven. Dat gebeurt hier bij zonsondergang. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:28 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:28; Deut 21:22–23; Deut 21:23; Joz 4:9; Joz 7:26; Joz 8:29; 2 Sam 18:17 ### Makkeda en de steden van het zuiden **10:28** Op die dag nam Jozua ook Makkeda in. Hij sloeg haar en haar koning met de scherpte van het zwaard. Hij sloeg hen met de ban, ook alle personen die erin waren. Hij liet niemand over. Met de koning van Makkeda deed hij wat hij met de koning van Jericho had gedaan. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַקֵּדָה֩ (maqeda) = Makkeda | לָכַ֨ד (lakhad) = nam in | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | וַיַּכֶּ֣הָ (vayakeha) = en hij sloeg | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶרֶב֮ (cherev) = het zwaard | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכָּהּ֒ (malkah) = haar koning | הֶחֱרִ֣ם (hecherim) = hij sloeg met de ban | אוֹתָ֗ם (otam) = hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנֶּ֨פֶשׁ֙ (hanefesh) = de persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֔הּ (bah) = daarin | לֹ֥א (lo) = niet | הִשְׁאִ֖יר (hishir) = hij liet over | שָׂרִ֑יד (sarid) = een overlevende | וַיַּ֨עַשׂ֙ (vayaas) = en hij deed | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = met de koning van | מַקֵּדָ֔ה (maqeda) = Makkeda | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֖ה (asa) = hij had gedaan | לְמֶ֥לֶךְ (lemelekh) = met de koning van | יְרִיחֽוֹ (yericho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Makkeda: de ligging is onzeker (Khirbet el-Qom of Tell el-Judeideh, Israël). Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:29–30 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:29–30; Joz 6:21; Joz 8:2; Joz 10:35; Joz 15:41; 1 Kor 15:25 **10:29** Jozua trok met heel Israël van Makkeda naar Libna en streed tegen Libna. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֣ר (vayaavor) = en hij trok verder | יְ֠הוֹשֻׁעַ (yehoshua) = Jozua | וְכָֽל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | עִמּ֛וֹ (imo) = met hem | מִמַּקֵּדָ֖ה (mimaqeda) = van Makkeda | לִבְנָ֑ה (livna) = naar Libna | וַיִּלָּ֖חֶם (vayilachem) = en hij streed | עִם (im) = tegen | לִבְנָֽה (livna) = Libna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Libna ligt waarschijnlijk bij Tel Burna (Israël). De ligging is onzeker. Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela. Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:31 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:31; Num 33:20; Joz 8:2; Joz 12:15; Joz 15:42; Joz 21:13 **10:30** Ook haar gaf Yahweh in de hand van Israël, met haar koning. Hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, met alle personen die erin waren. Hij liet er niemand over. Met haar koning deed hij wat hij met de koning van Jericho had gedaan. Brontekst: וַיִּתֵּן֩ (vayiten) = en gaf | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | גַּם (gam) = ook | אוֹתָ֜הּ (otah) = haar | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | יִשְׂרָאֵ֘ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכָּהּ֒ (malkah) = haar koning | וַיַּכֶּ֣הָ (vayakeha) = en hij sloeg | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֗רֶב (cherev) = het zwaard | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנֶּ֨פֶשׁ֙ (hanefesh) = de persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֔הּ (bah) = daarin | לֹֽא (lo) = niet | הִשְׁאִ֥יר (hishir) = hij liet over | בָּ֖הּ (bah) = daarin | שָׂרִ֑יד (sarid) = een overlevende | וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hij deed | לְמַלְכָּ֔הּ (lemalkah) = met haar koning | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֖ה (asa) = hij had gedaan | לְמֶ֥לֶךְ (lemelekh) = met de koning van | יְרִיחֽוֹ (yericho) = Jericho Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. **10:31** Jozua trok met heel Israël van Libna naar Lachis. Hij legerde zich tegen haar en streed tegen haar. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֣ר (vayaavor) = en hij trok verder | יְ֠הוֹשֻׁעַ (yehoshua) = Jozua | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | עִמּ֛וֹ (imo) = met hem | מִלִּבְנָ֖ה (milivna) = van Libna | לָכִ֑ישָׁה (lakhisha) = naar Lachis | וַיִּ֣חַן (vayichan) = en hij legerde zich | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = tegen haar | וַיִּלָּ֖חֶם (vayilachem) = en hij streed | בָּֽהּ (bah) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela. Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie ook: Joz 10:3; Joz 10:5; Joz 12:11; Joz 15:39; Mi 1:13 **10:32** Yahweh gaf Lachis in de hand van Israël. Hij nam haar op de tweede dag in. Hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, met alle personen die erin waren, net zoals hij met Libna had gedaan. Brontekst: וַיִּתֵּן֩ (vayiten) = en gaf | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | לָכִ֜ישׁ (lakhish) = Lachis | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וַֽיִּלְכְּדָהּ֙ (vayilkedah) = en hij nam haar in | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = tweede | וַיַּכֶּ֣הָ (vayakeha) = en hij sloeg | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֔רֶב (cherev) = het zwaard | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנֶּ֖פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֑הּ (bah) = daarin | כְּכֹ֥ל (kekhol) = net zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij had gedaan | לְלִבְנָֽה (lelivna) = met Libna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela. Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker. **10:33** Toen trok Horam, de koning van Gezer, op om Lachis te helpen. Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat er niemand van hen overbleef. Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | עָלָ֗ה (ala) = trok op | הֹרָם֙ (horam) = Horam | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | גֶּ֔זֶר (gezer) = Gezer | לַעְזֹ֖ר (lazor) = om te helpen | אֶת (et) = (obj.) | לָכִ֑ישׁ (lakhish) = Lachis | וַיַּכֵּ֤הוּ (vayakehu) = en hij sloeg hem | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמּ֔וֹ (amo) = zijn volk | עַד (ad) = totdat | בִּלְתִּ֥י (bilti) = niet | הִשְׁאִֽיר (hishir) = hij liet over | ל֖וֹ (lo) = hem | שָׂרִֽיד (sarid) = een overlevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gezer is Tel Gezer, in het huidige Israël. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:32 noemt Horam, de koning van Gezer, ook. Zie ook: Jas 89:32; Joz 16:3; Joz 16:10; Re 1:29; 1 Kron 6:52; 1 Kon 9:15–17 **10:34** Jozua trok met heel Israël van Lachis naar Eglon. Zij legerden zich tegen haar en streden tegen haar. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֣ר (vayaavor) = en hij trok verder | יְ֠הוֹשֻׁעַ (yehoshua) = Jozua | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | עִמּ֛וֹ (imo) = met hem | מִלָּכִ֖ישׁ (milakhish) = van Lachis | עֶגְלֹ֑נָה (eglona) = naar Eglon | וַיַּחֲנ֣וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = tegen haar | וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ (vayilachamu) = en zij streden | עָלֶֽיהָ (aleiha) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Eglon (ligging onzeker): Eglon lag in de Sefela. Tell Aitun en Tell el-Hesi zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Zie ook: Joz 10:3; Joz 12:12; Joz 15:39 **10:35** Zij namen haar op die dag in en sloegen haar met de scherpte van het zwaard. Alle personen die erin waren, sloeg hij op die dag met de ban, net zoals hij met Lachis had gedaan. Brontekst: וַֽיִּלְכְּד֜וּהָ (vayilkeduha) = en zij namen haar in | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | וַיַּכּ֣וּהָ (vayakuha) = en zij sloegen haar | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֔רֶב (cherev) = het zwaard | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנֶּ֣פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֔הּ (bah) = daarin | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | הֶחֱרִ֑ים (hecherim) = hij sloeg met de ban | כְּכֹ֥ל (kekhol) = net zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij had gedaan | לְלָכִֽישׁ (lelakhish) = met Lachis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:34 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:34; Job 19:10; Lev 26:44; Joz 10:37 **10:36** Jozua trok met heel Israël van Eglon op naar Hebron. Zij streden tegen haar. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en hij trok op | יְ֠הוֹשֻׁעַ (yehoshua) = Jozua | וְכָֽל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | עִמּ֛וֹ (imo) = met hem | מֵעֶגְל֖וֹנָה (meeglona) = van Eglon | חֶבְר֑וֹנָה (chevrona) = naar Hebron | וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ (vayilachamu) = en zij streden | עָלֶֽיהָ (aleiha) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Num 13:22; Joz 10:5; Joz 14:13–14; Joz 15:13; Re 1:10 **10:37** Zij namen haar in en sloegen haar met de scherpte van het zwaard. Dat deden zij ook met haar koning, met al haar steden en met alle personen die erin waren. Hij liet niemand over, net zoals hij met Eglon had gedaan. Hij sloeg haar met de ban, met alle personen die erin waren. Brontekst: וַיִּלְכְּד֣וּהָ (vayilkeduha) = en zij namen haar in | וַיַּכּֽוּהָ (vayakuha) = en zij sloegen haar | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֠רֶב (cherev) = het zwaard | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכָּ֨הּ (malkah) = haar koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | עָרֶ֜יהָ (areiha) = haar steden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנֶּ֤פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּהּ֙ (bah) = daarin | לֹֽא (lo) = niet | הִשְׁאִ֣יר (hishir) = hij liet over | שָׂרִ֔יד (sarid) = een overlevende | כְּכֹ֥ל (kekhol) = net zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij had gedaan | לְעֶגְל֑וֹן (leeglon) = met Eglon | וַיַּחֲרֵ֣ם (vayacharem) = en hij sloeg met de ban | אוֹתָ֔הּ (otah) = haar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנֶּ֖פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:35 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:35 **10:38** Daarna wendde Jozua zich met heel Israël naar Debir. Hij streed tegen haar. Brontekst: וַיָּ֧שָׁב (vayashav) = en hij wendde zich | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | דְּבִ֑רָה (devira) = naar Debir | וַיִּלָּ֖חֶם (vayilachem) = en hij streed | עָלֶֽיהָ (aleiha) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron. Dit is niet geheel zeker. Zie ook: Joz 12:13; Joz 15:15; Joz 15:49; Joz 21:15; Re 1:11–15 **10:39** Hij nam haar in, met haar koning en al haar steden. Zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard. Zij sloegen alle personen die erin waren met de ban. Niemand bleef over. Zoals hij met Hebron had gedaan, zo deed hij met Debir en haar koning, en zoals hij met Libna en haar koning had gedaan. Brontekst: וַֽיִּלְכְּדָ֞הּ (vayilkedah) = en hij nam haar in | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכָּ֤הּ (malkah) = haar koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | עָרֶ֨יהָ֙ (areiha) = haar steden | וַיַּכּ֣וּם (vayakum) = en zij sloegen hen | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֔רֶב (cherev) = het zwaard | וַֽיַּחֲרִ֨ימוּ֙ (vayacharimu) = en zij sloegen met de ban | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֔הּ (bah) = daarin | לֹ֥א (lo) = niet | הִשְׁאִ֖יר (hishir) = hij liet over | שָׂרִ֑יד (sarid) = een overlevende | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | עָשָׂ֜ה (asa) = hij had gedaan | לְחֶבְר֗וֹן (lechevron) = met Hebron | כֵּן (ken) = zo | עָשָׂ֤ה (asa) = deed hij | לִדְבִ֨רָה֙ (lidvira) = met Debir | וּלְמַלְכָּ֔הּ (ulemalkah) = en met haar koning | וְכַאֲשֶׁ֥ר (vekhaasher) = en zoals | עָשָׂ֛ה (asa) = hij had gedaan | לְלִבְנָ֖ה (lelivna) = met Libna | וּלְמַלְכָּֽהּ (ulemalkah) = en met haar koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron. Dit is niet geheel zeker. Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela. Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:35–36 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:35–36; Deut 3:3; Joz 10:33; Joz 10:37; Joz 11:8; 2 Kon 10:11 ### Het hele zuiden is ingenomen **10:40** Jozua sloeg het hele land: het bergland, de Negev, de Sefela en de berghellingen, met al hun koningen. Hij liet niemand over. Alles wat adem had, sloeg hij met de ban, zoals Yahweh, de Elohim van Israël, had geboden. Brontekst: וַיַּכֶּ֣ה (vayake) = en hij sloeg | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֡רֶץ (haarets) = het land | הָהָר֩ (hahar) = het bergland | וְהַנֶּ֨גֶב (vehanegev) = en de Negev | וְהַשְּׁפֵלָ֜ה (vehashefela) = en de Sefela | וְהָאֲשֵׁד֗וֹת (vehaashedot) = en de berghellingen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | מַלְכֵיהֶ֔ם (malkheihem) = hun koningen | לֹ֥א (lo) = niet | הִשְׁאִ֖יר (hishir) = hij liet over | שָׂרִ֑יד (sarid) = een overlevende | וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | הַנְּשָׁמָה֙ (haneshama) = wat adem had | הֶחֱרִ֔ים (hecherim) = hij sloeg met de ban | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֔ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Voetnoot Uitleg: הָאֲשֵׁדוֹת (ha'ashedot), ‘de berghellingen’: de hellingen aan de rand van het bergland (vergelijk Deut. 3:17). Zie ook: Deut 3:17; Deut 7:2–16; Deut 7:24; Joz 8:2; 1 Kon 15:29; 2 Tess 1:7–9 **10:41** Jozua sloeg hen van Kades-Barnea tot Gaza, en heel het land Gosen tot Gibeon. Brontekst: וַיַּכֵּ֧ם (vayakem) = en hij sloeg hen | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | מִקָּדֵ֥שׁ (miqadesh) = van Kades | בַּרְנֵ֖עַ (barnea) = Barnea | וְעַד (vead) = en tot | עַזָּ֑ה (aza) = Gaza | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | אֶ֥רֶץ (erets) = het land | גֹּ֖שֶׁן (goshen) = Gosen | וְעַד (vead) = en tot | גִּבְעֽוֹן (givon) = Gibeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kades-Barnea ligt bij Ain el-Qudeirat in de Negev (Israël). Gaza ligt aan de kust (Palestijnse gebieden). Het land Gosen is hier een streek in het zuiden van Juda. Het is niet het Gosen in Egypte. De ligging is onzeker. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:37 bevestigt dit. Zie ook: Gen 10:19; Jas 89:37; Deut 9:23; Joz 11:16; Joz 15:51; 1 Kon 3:5 **10:42** Al deze koningen en hun land nam Jozua in één keer in. Want Yahweh, de Elohim van Israël, streed voor Israël. Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | הַמְּלָכִ֤ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְצָ֔ם (artsam) = hun land | לָכַ֥ד (lakhad) = nam in | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | פַּ֣עַם (paam) = keer | אֶחָ֑ת (echat) = één | כִּ֗י (ki) = want | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נִלְחָ֖ם (nilcham) = streed | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = voor Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:37 zegt ook dat Yahweh voor Israël streed. Zie ook: Jas 89:37; Joz 10:14; Ps 46:8; Ps 80:4; Jes 43:4; Rom 8:31–37 **10:43** Jozua keerde met heel Israël terug naar het kamp bij Gilgal. Brontekst: וַיָּ֤שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = het kamp | הַגִּלְגָּֽלָה (hagilgala) = Gilgal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Joz 4:19; Joz 10:15; 1 Sam 11:14 ## Jozua 11 _De koningen van het noorden en de val van Chasor_ ### Jabin roept de koningen van het noorden op **11:1** Toen Jabin, de koning van Chasor, dit hoorde, stuurde hij een boodschap naar Jobab, de koning van Madon. Dezelfde boodschap ging naar de koning van Simron en naar de koning van Achsaf. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כִּשְׁמֹ֖עַ (kishmoa) = bij het horen van | יָבִ֣ין (yavin) = Jabin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | חָצ֑וֹר (chatsor) = Chasor | וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en hij zond | אֶל (el) = naar | יוֹבָב֙ (yovav) = Jobab | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מָד֔וֹן (madon) = Madon | וְאֶל (veel) = en naar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | שִׁמְר֖וֹן (shimron) = Simron | וְאֶל (veel) = en naar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אַכְשָֽׁף (akhshaf) = Achsaf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chasor is Tel Chasor, ongeveer 15 km ten noorden van het Meer van Galilea (Israël). Madon, Simron en Achsaf liggen in Galilea. Hun precieze ligging is onzeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:39 bevestigt dit. Het noemt de koningen van Simron en Achsaf bij naam: Laban en Jafeil. Zie ook: Jas 89:39; Joz 10:3–4; Joz 11:10; Re 4:2; Ps 2:1–4; Jes 43:5–7 **11:2** Ook naar de koningen in het noorden: in het bergland, in de Araba ten zuiden van Kinneret, in de Sefela en op de hoogten van Dor, in het westen. Brontekst: וְֽאֶל (veel) = en naar | הַמְּלָכִ֞ים (hamelakhim) = de koningen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מִצְּפ֗וֹן (mitsefon) = in het noorden | בָּהָ֧ר (bahar) = in het bergland | וּבָעֲרָבָ֛ה (uvaarava) = en in de Araba | נֶ֥גֶב (negev) = ten zuiden van | כִּֽנֲר֖וֹת (kinarot) = Kinneret | וּבַשְּׁפֵלָ֑ה (uvashefela) = en in de Sefela | וּבְנָפ֥וֹת (uvenafot) = en op de hoogten van | דּ֖וֹר (dor) = Dor | מִיָּֽם (miyam) = in het westen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kinneret is het Meer van Galilea. Dor ligt aan de kust bij Tel Dor (Israël). De ‘hoogten van Dor’ zijn het heuvelland erachter. Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Zie ook: Num 34:11; Joz 12:3; Joz 12:23; Joz 17:11; Re 1:27 **11:3** Ook naar de Kanaänieten in het oosten en in het westen. Ook naar de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten en de Jebusieten in het bergland. Ook naar de Chiwwieten onder de Hermon, in het land Mizpa. Brontekst: הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | מִמִּזְרָ֣ח (mimizrach) = uit het oosten | וּמִיָּ֔ם (umiyam) = en uit het westen | וְהָאֱמֹרִ֧י (vehaemori) = en de Amoriet | וְהַחִתִּ֛י (vehachiti) = en de Hethiet | וְהַפְּרִזִּ֥י (vehaperizi) = en de Perizziet | וְהַיְבוּסִ֖י (vehayvusi) = en de Jebusiet | בָּהָ֑ר (bahar) = in het bergland | וְהַֽחִוִּי֙ (vehachivi) = en de Chiwwiet | תַּ֣חַת (tachat) = onder | חֶרְמ֔וֹן (chermon) = de Hermon | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | הַמִּצְפָּֽה (hamitspa) = Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het land Mizpa ligt in het noorden, in de buurt van de Hermon. De ligging is onzeker. Zie ook: Gen 31:49; Joz 13:11; Joz 15:63; Joz 18:26; Re 3:3 **11:4** Zij trokken uit, zij en al hun legers met hen, een talrijk volk, zo talrijk als het zand aan de oever van de zee. Er waren ook zeer veel paarden en wagens. Brontekst: וַיֵּצְא֣וּ (vayetseu) = en zij trokken uit | הֵ֗ם (hem) = zij | וְכָל (vekhal) = en al | מַֽחֲנֵיהֶם֙ (machaneihem) = hun legers | עִמָּ֔ם (imam) = met hen | עַם (am) = een volk | רָ֕ב (rav) = talrijk | כַּח֛וֹל (kachol) = als het zand | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַל (al) = aan | שְׂפַת (sefat) = de oever van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | לָרֹ֑ב (larov) = in menigte | וְס֥וּס (vesus) = en paard | וָרֶ֖כֶב (varekhev) = en wagens | רַב (rav) = veel | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:41 bevestigt dit. Zie ook: Gen 22:17; Gen 32:12; Jas 89:41; Re 7:12; 1 Sam 13:5; 2 Sam 17:11 **11:5** Al deze koningen spraken af, kwamen en legerden zich samen bij de wateren van Merom, om te strijden met Israël. Brontekst: וַיִּוָּ֣עֲד֔וּ (vayivaadu) = en zij spraken af | כֹּ֖ל (kol) = alle | הַמְּלָכִ֣ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en zij kwamen | וַיַּחֲנ֤וּ (vayachanu) = en zij legerden zich | יַחְדָּו֙ (yachdav) = samen | אֶל (el) = bij | מֵ֣י (mei) = de wateren van | מֵר֔וֹם (merom) = Merom | לְהִלָּחֵ֖ם (lehilachem) = om te strijden | עִם (im) = met | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De wateren van Merom liggen waarschijnlijk in het noorden van Galilea, bij de Hulavlakte (Israël). De ligging is onzeker. Zie Wateren van Merom (ligging onzeker): De wateren van Merom lagen in het noorden van Galilea, vermoedelijk in de Hulavlakte. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Ps 3:2; Ps 118:10–12; Jes 8:9; Openb 16:14 ### Yahweh belooft de overwinning **11:6** Yahweh zei tegen Jozua: **„Wees niet bang voor hen. Want morgen, rond deze tijd, geef Ik hen allen als gesneuvelden aan Israël. Jij moet hun paarden de pezen doorsnijden en hun wagens met vuur verbranden.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | יְהוֹשֻׁעַ֮ (yehoshua) = Jozua | אַל (al) = niet | תִּירָ֣א (tira) = wees bang | מִפְּנֵיהֶם֒ (mipeneihem) = voor hen | כִּֽי (ki) = want | מָחָ֞ר (machar) = morgen | כָּעֵ֣ת (kaet) = om de tijd | הַזֹּ֗את (hazot) = deze | אָנֹכִ֞י (anokhi) = Ik | נֹתֵ֧ן (noten) = geef | אֶת (et) = (obj.) | כֻּלָּ֛ם (kulam) = hen allen | חֲלָלִ֖ים (chalalim) = gesneuvelden | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | סוּסֵיהֶ֣ם (suseihem) = hun paarden | תְּעַקֵּ֔ר (teaqer) = zul je de pezen doorsnijden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַרְכְּבֹתֵיהֶ֖ם (markevoteihem) = hun wagens | תִּשְׂרֹ֥ף (tisrof) = zul je verbranden | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּעַקֵּר (te'aqqer), ‘de pezen doorsnijden’: bij paarden de achterpezen doorsnijden, zodat ze niet meer kunnen lopen en niet meer voor strijdwagens te gebruiken zijn. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:42 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:42; Joz 10:8; Joz 11:9; Re 20:28; 1 Sam 11:9; 2 Sam 8:4 ### De slag bij de wateren van Merom **11:7** Jozua kwam met heel het krijgsvolk plotseling over hen, bij de wateren van Merom. Zij overvielen hen. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en hij kwam | יְהוֹשֻׁ֡עַ (yehoshua) = Jozua | וְכָל (vekhal) = en heel | עַם֩ (am) = het volk van | הַמִּלְחָמָ֨ה (hamilchama) = de oorlog | עִמּ֧וֹ (imo) = met hem | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | עַל (al) = bij | מֵ֥י (mei) = de wateren van | מֵר֖וֹם (merom) = Merom | פִּתְאֹ֑ם (pitom) = plotseling | וַֽיִּפְּל֖וּ (vayipelu) = en zij vielen | בָּהֶֽם (bahem) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Wateren van Merom (ligging onzeker): De wateren van Merom lagen in het noorden van Galilea, vermoedelijk in de Hulavlakte. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:43 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:43; Joz 10:9; 1 Tess 5:2–3 **11:8** Yahweh gaf hen in de hand van Israël. Zij versloegen hen en achtervolgden hen tot Groot-Sidon, tot Misrefot-Majim en tot het dal van Mizpa, in het oosten. Zij sloegen hen, totdat niemand van hen overbleef. Brontekst: וַיִּתְּנֵ֨ם (vayitenem) = en Hij gaf hen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַֽד (beyad) = in de hand van | יִשְׂרָאֵל֮ (yisrael) = Israël | וַיַּכּוּם֒ (vayakum) = en zij sloegen hen | וַֽיִּרְדְּפ֞וּם (vayirdefum) = en zij achtervolgden hen | עַד (ad) = tot | צִיד֣וֹן (tsidon) = Sidon | רַבָּ֗ה (raba) = Groot | וְעַד֙ (vead) = en tot | מִשְׂרְפ֣וֹת (misrefot) = Misrefot | מַ֔יִם (mayim) = Majim | וְעַד (vead) = en tot | בִּקְעַ֥ת (biqat) = het dal van | מִצְפֶּ֖ה (mitspe) = Mizpa | מִזְרָ֑חָה (mizracha) = oostwaarts | וַיַּכֻּ֕ם (vayakum) = en hij sloeg hen | עַד (ad) = totdat | בִּלְתִּ֥י (bilti) = niet | הִשְׁאִֽיר (hishir) = hij liet over | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | שָׂרִֽיד (sarid) = een overlevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Groot-Sidon is Sidon aan de kust van Libanon. Misrefot-Majim en het dal van Mizpa zijn onzeker. Zij liggen waarschijnlijk in het noordwesten en noorden van Galilea. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:44 bevestigt dit. Zie ook: Gen 49:13; Jas 89:44; Joz 11:3; Joz 13:6; Joz 19:28; Zach 9:2 **11:9** Jozua deed met hen zoals Yahweh tegen hem had gezegd. Hij sneed hun paarden de pezen door en verbrandde hun wagens met vuur. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij deed | לָהֶם֙ (lahem) = met hen | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | אָֽמַר (amar) = had gezegd | ל֖וֹ (lo) = tegen hem | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | סוּסֵיהֶ֣ם (suseihem) = hun paarden | עִקֵּ֔ר (iqer) = sneed hij de pezen door | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַרְכְּבֹתֵיהֶ֖ם (markevoteihem) = hun wagens | שָׂרַ֥ף (saraf) = verbrandde hij | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 11:6; Ezech 39:9–10 ### De val van Chasor **11:10** In die tijd wendde Jozua zich terug en nam Chasor in. Haar koning sloeg hij met het zwaard. Want Chasor was vroeger het hoofd van al deze koninkrijken. Brontekst: וַיָּ֨שָׁב (vayashav) = en hij wendde zich terug | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | בָּעֵ֤ת (baet) = in de tijd | הַהִיא֙ (hahi) = die | וַיִּלְכֹּ֣ד (vayilkod) = en hij nam in | אֶת (et) = (obj.) | חָצ֔וֹר (chatsor) = Chasor | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַלְכָּ֖הּ (malkah) = haar koning | הִכָּ֣ה (hika) = sloeg hij | בֶחָ֑רֶב (becharev) = met het zwaard | כִּֽי (ki) = want | חָצ֣וֹר (chatsor) = Chasor | לְפָנִ֔ים (lefanim) = vroeger | הִ֕יא (hi) = zij | רֹ֖אשׁ (rosh) = het hoofd van | כָּל (kal) = alle | הַמַּמְלָכ֥וֹת (hamamlakhot) = de koninkrijken | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Zie ook: Joz 11:1; Re 4:2 **11:11** Zij sloegen alle personen die erin waren met de scherpte van het zwaard. Zij sloegen hen met de ban. Er bleef niets over wat adem had. Chasor verbrandde hij met vuur. Brontekst: וַ֠יַּכּוּ (vayaku) = en zij sloegen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנֶּ֨פֶשׁ (hanefesh) = de persoon | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֤הּ (bah) = daarin | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = het zwaard | הַֽחֲרֵ֔ם (hacharem) = met de ban | לֹ֥א (lo) = niet | נוֹתַ֖ר (notar) = bleef over | כָּל (kal) = alles | נְשָׁמָ֑ה (neshama) = wat adem had | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חָצ֖וֹר (chatsor) = Chasor | שָׂרַ֥ף (saraf) = verbrandde hij | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:45 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:45; Deut 20:16; Joz 10:40 **11:12** Alle steden van deze koningen en al hun koningen nam Jozua in. Hij sloeg hen met de scherpte van het zwaard en sloeg hen met de ban, zoals Mozes, de dienaar van Yahweh, had geboden. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַמְּלָכִֽים (hamelakhim) = de koningen | הָ֠אֵלֶּה (haele) = deze | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | מַלְכֵיהֶ֞ם (malkheihem) = hun koningen | לָכַ֧ד (lakhad) = nam in | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | וַיַּכֵּ֥ם (vayakem) = en hij sloeg hen | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֖רֶב (cherev) = het zwaard | הֶחֱרִ֣ים (hecherim) = hij sloeg met de ban | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֔ה (tsiva) = gebood | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עֶ֥בֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:48–50 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:48–50; Num 33:50–53; Deut 7:2; Deut 20:16–17; Joz 8:31; Joz 11:15 **11:13** Israël verbrandde geen enkele van de steden die op hun heuvels stonden. Alleen Chasor verbrandde Jozua. Brontekst: רַ֣ק (raq) = alleen | כָּל (kal) = alle | הֶעָרִ֗ים (hearim) = de steden | הָעֹֽמְדוֹת֙ (haomedot) = die stonden | עַל (al) = op | תִּלָּ֔ם (tilam) = hun heuvel | לֹ֥א (lo) = niet | שְׂרָפָ֖ם (serafam) = verbrandde ze | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | זוּלָתִ֛י (zulati) = behalve | אֶת (et) = (obj.) | חָצ֥וֹר (chatsor) = Chasor | לְבַדָּ֖הּ (levadah) = alleen | שָׂרַ֥ף (saraf) = verbrandde | יְהוֹשֻֽׁעַ (yehoshua) = Jozua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Voetnoot Uitleg: תֵּל (tel), ‘heuvel’: de steden stonden op de heuvel van oudere steden. Zij werden niet verbrand en konden daarom later worden gebruikt. Zie ook: Jer 30:18 **11:14** Alle buit van deze steden en het vee plunderden de zonen van Israël voor zichzelf. Maar alle mensen sloegen zij met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen hadden vernietigd. Zij lieten niets over wat adem had. Brontekst: וְ֠כֹל (vekhol) = en al | שְׁלַ֞ל (shelal) = de buit van | הֶעָרִ֤ים (hearim) = de steden | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | וְהַבְּהֵמָ֔ה (vehabehema) = en het vee | בָּזְז֥וּ (bazezu) = roofden | לָהֶ֖ם (lahem) = voor zich | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | רַ֣ק (raq) = maar | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָאָדָ֞ם (haadam) = de mensen | הִכּ֣וּ (hiku) = sloegen zij | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֗רֶב (cherev) = het zwaard | עַד (ad) = totdat | הִשְׁמִדָם֙ (hishmidam) = hun vernietiging | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | לֹ֥א (lo) = niet | הִשְׁאִ֖ירוּ (hishiru) = zij lieten over | כָּל (kal) = alles | נְשָׁמָֽה (neshama) = wat adem had Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:49 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:49; Num 31:9; Num 31:11–12; Deut 6:10–11; Deut 20:14; Joz 10:40 **11:15** Zoals Yahweh Mozes, Zijn dienaar, had geboden, zo gebood Mozes aan Jozua. Zo deed Jozua ook. Hij liet niets achterwege van alles wat Yahweh aan Mozes had geboden. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֤ה (tsiva) = gebood | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | עַבְדּ֔וֹ (avdo) = Zijn dienaar | כֵּן (ken) = zo | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | אֶת (et) = (obj.) | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | וְכֵן֙ (vekhen) = en zo | עָשָׂ֣ה (asa) = deed | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | לֹֽא (lo) = niet | הֵסִ֣יר (hesir) = liet hij weg | דָּבָ֔ר (davar) = iets | מִכֹּ֛ל (mikol) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:50 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:50; Ex 34:11–13; Deut 7:2; Deut 13:1; Joz 1:7; Hand 20:20 ### Het hele land is ingenomen **11:16** Jozua nam heel dit land in: het bergland, heel de Negev, heel het land Gosen, de Sefela, de Araba, het bergland van Israël en zijn Sefela. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֗את (hazot) = dit | הָהָ֤ר (hahar) = het bergland | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הַנֶּ֨גֶב֙ (hanegev) = de Negev | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | הַגֹּ֔שֶׁן (hagoshen) = Gosen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשְּׁפֵלָ֖ה (hashefela) = de Sefela | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעֲרָבָ֑ה (haarava) = de Araba | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֥ר (har) = het bergland van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וּשְׁפֵלָתֹֽה (ushefelato) = en zijn Sefela Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het land Gosen is hier een streek in het zuiden van Juda, niet het Gosen in Egypte (vergelijk Joz. 10:41). Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Zie ook: Num 34:2–13; Joz 10:41; Joz 11:21; Joz 12:8; Ezech 17:23 **11:17** Dat land liep van de Kale Berg, die omhoog loopt naar Seïr, tot Baäl-Gad in het dal van de Libanon, onder de berg Hermon. Al hun koningen nam hij gevangen. Hij sloeg hen en doodde hen. Brontekst: מִן (min) = van | הָהָ֤ר (hahar) = de berg | הֶֽחָלָק֙ (hechalaq) = de kale | הָעוֹלֶ֣ה (haole) = die omhoog loopt | שֵׂעִ֔יר (seir) = naar Seïr | וְעַד (vead) = en tot | בַּ֤עַל (baal) = Baäl | גָּד֙ (gad) = Gad | בְּבִקְעַ֣ת (beviqat) = in het dal van | הַלְּבָנ֔וֹן (halevanon) = de Libanon | תַּ֖חַת (tachat) = onder | הַר (har) = de berg | חֶרְמ֑וֹן (chermon) = Hermon | וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | מַלְכֵיהֶם֙ (malkheihem) = hun koningen | לָכַ֔ד (lakhad) = nam hij gevangen | וַיַּכֵּ֖ם (vayakem) = en hij sloeg hen | וַיְמִיתֵֽם (vaymitem) = en hij doodde hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baäl-Gad ligt aan de voet van de Hermon, waarschijnlijk bij Banias (Israël, Golan). De ligging is onzeker. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: הָהָר הֶחָלָק (hahar hechalaq), ‘de Kale Berg’: een kale berg bij Seïr. Hier is de zuidgrens van het veroverde gebied. Zie ook: Gen 32:3; Deut 2:1; Deut 7:24; Joz 11:3; Joz 13:5 **11:18** Jozua voerde lange tijd oorlog tegen al deze koningen. Brontekst: יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֗ים (rabim) = vele | עָשָׂ֧ה (asa) = voerde | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = met | כָּל (kal) = al | הַמְּלָכִ֥ים (hamelakhim) = de koningen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 11:23; Joz 14:7–10 **11:19** Er was geen stad die vrede sloot met de zonen van Israël, behalve de Chiwwieten die in Gibeon woonden. Alle andere namen zij in de strijd in. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | הָיְתָ֣ה (hayeta) = was | עִ֗יר (ir) = een stad | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הִשְׁלִ֨ימָה֙ (hishlima) = vrede sloot | אֶל (el) = met | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בִּלְתִּ֥י (bilti) = behalve | הַחִוִּ֖י (hachivi) = de Chiwwiet | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de inwoners van | גִבְע֑וֹן (givon) = Gibeon | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּ֖ל (hakol) = alles | לָקְח֥וּ (laqechu) = zij namen | בַמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = in de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 9:3–27 ### Yahweh maakt hun hart sterk **11:20** Want het kwam van Yahweh dat Hij hun hart sterk maakte, zodat zij Israël in de strijd tegemoet gingen. Dit gebeurde om hen met de ban te slaan, zodat er geen genade voor hen zou zijn. Want het was om hen te vernietigen, zoals Yahweh Mozes had geboden. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | הָיְתָ֡ה (hayeta) = het was | לְחַזֵּ֣ק (lechazeq) = om sterk te maken | אֶת (et) = (obj.) | לִבָּם֩ (libam) = hun hart | לִקְרַ֨את (liqrat) = om tegemoet te gaan | הַמִּלְחָמָ֤ה (hamilchama) = de strijd | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | הַֽחֲרִימָ֔ם (hacharimam) = zij met de ban zouden worden geslagen | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = opdat niet | הֱיוֹת (heyot) = zou zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | תְּחִנָּ֑ה (techina) = genade | כִּ֚י (ki) = want | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | הַשְׁמִידָ֔ם (hashmidam) = zij vernietigd zouden worden | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְחַזֵּק (lechazzeq), ‘sterk maken’: hetzelfde werkwoord dat bij de farao staat (Exod. 4:21; 14:4). Yahweh maakt hun hart sterk, zodat zij Israël tegemoet gaan. Zie ook: Ex 4:21; Ex 14:4; Deut 2:30; Deut 7:16; Deut 20:16–17; Rom 9:18 ### De Anakieten worden uitgeroeid **11:21** In die tijd kwam Jozua en roeide de Anakieten uit het bergland uit. Dat deed hij in Hebron, in Debir, in Anab, in heel het bergland van Juda en in heel het bergland van Israël. Jozua sloeg hen met de ban, met hun steden. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en hij kwam | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | וַיַּכְרֵ֤ת (vayakhret) = en hij roeide uit | אֶת (et) = (obj.) | הָֽעֲנָקִים֙ (haanaqim) = de Anakieten | מִן (min) = uit | הָהָ֤ר (hahar) = het bergland | מִן (min) = uit | חֶבְרוֹן֙ (chevron) = Hebron | מִן (min) = uit | דְּבִ֣ר (devir) = Debir | מִן (min) = uit | עֲנָ֔ב (anav) = Anab | וּמִכֹּל֙ (umikol) = en uit heel | הַ֣ר (har) = het bergland van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּמִכֹּ֖ל (umikol) = en uit heel | הַ֣ר (har) = het bergland van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עִם (im) = met | עָרֵיהֶ֖ם (areihem) = hun steden | הֶחֱרִימָ֥ם (hecherimam) = sloeg met de ban hen | יְהוֹשֻֽׁעַ (yehoshua) = Jozua Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Anab ligt bij Khirbet Anab in het bergland van Juda (Westelijke Jordaanoever). Debir is onzeker; men denkt aan Khirbet Rabud. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: עֲנָקִים (Anaqim), ‘Anakieten’: een volk van grote mensen (Num. 13:33; Deut. 9:2). Zie ook: Num 13:22–23; Num 13:33; Deut 1:28; Deut 2:21; Deut 9:2; Joz 15:13–14 **11:22** Er bleven geen Anakieten over in het land van de zonen van Israël. Alleen in Gaza, in Gat en in Asdod bleven zij over. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | נוֹתַ֣ר (notar) = bleef over | עֲנָקִ֔ים (anaqim) = Anakieten | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | רַ֗ק (raq) = alleen | בְּעַזָּ֛ה (beaza) = in Gaza | בְּגַ֥ת (begat) = in Gat | וּבְאַשְׁדּ֖וֹד (uveashdod) = en in Asdod | נִשְׁאָֽרוּ (nisharu) = bleven zij over Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gaza en Asdod liggen aan de kust, in het gebied van de Filistijnen (Palestijnse gebieden en Israël). Gat is onzeker; men denkt aan Tell es-Safi (Israël). Zie ook: Joz 15:46; Re 3:3; 1 Sam 17:4; 1 Kron 18:1; Jes 20:1 ### Het land krijgt rust **11:23** Jozua nam het hele land in, zoals Yahweh tot Mozes had gesproken. Jozua gaf het als erfdeel aan Israël, naar hun verdelingen, aan hun stammen. En het land kreeg rust van de oorlog. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | כְּ֠כֹל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | דִּבֶּ֣ר (diber) = had gesproken | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁה֒ (moshe) = Mozes | וַיִּתְּנָהּ֩ (vayitenah) = en hij gaf het | יְהוֹשֻׁ֨עַ (yehoshua) = Jozua | לְנַחֲלָ֧ה (lenachala) = als erfdeel | לְיִשְׂרָאֵ֛ל (leyisrael) = aan Israël | כְּמַחְלְקֹתָ֖ם (kemachleqotam) = naar hun verdelingen | לְשִׁבְטֵיהֶ֑ם (leshivteihem) = aan hun stammen | וְהָאָ֥רֶץ (vehaarets) = en het land | שָׁקְטָ֖ה (shaqeta) = had rust | מִמִּלְחָמָֽה (mimilchama) = van oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁקְטָה (shaqetah), ‘had rust’: het land kreeg rust van de oorlog. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:54 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:54; Ex 23:27–31; Num 26:52–55; Joz 14:1–15; Joz 21:44–45; Ps 46:10 ## Jozua 12 _De lijst van de verslagen koningen_ ### De koningen aan de oostkant van de Jordaan **12:1** Dit zijn de koningen van het land die de zonen van Israël versloegen. Zij namen hun land in bezit, aan de overkant van de Jordaan, naar de zonsopgang toe. Het liep van de beek Arnon tot de berg Hermon, met heel de Araba in het oosten. Brontekst: וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit zijn | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הִכּ֤וּ (hiku) = sloegen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וַיִּֽרְשׁ֣וּ (vayirshu) = en zij namen in bezit | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֔ם (artsam) = hun land | בְּעֵ֥בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | מִזְרְחָ֣ה (mizrecha) = oostwaarts | הַשָּׁ֑מֶשׁ (hashamesh) = de zon | מִנַּ֤חַל (minachal) = vanaf de beek | אַרְנוֹן֙ (arnon) = Arnon | עַד (ad) = tot | הַ֣ר (har) = de berg | חֶרְמ֔וֹן (chermon) = Hermon | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעֲרָבָ֖ה (haarava) = de Araba | מִזְרָֽחָה (mizracha) = oostwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Arnon is nu de Wadi al-Mujib in Jordanië. De Hermon ligt op de grens van Libanon en Syrië. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: ‘Aan de overkant van de Jordaan’ is hier uitdrukkelijk de oostkant. Het Hebreeuws zegt ‘naar de zonsopgang toe’. Zie ook: Num 21:13; Num 21:24; Deut 3:8–9; Joz 1:15; Re 11:18 **12:2** Sichon, de koning van de Amorieten, woonde in Chesbon. Hij heerste vanaf Aroër, aan de oever van de beek Arnon, en vanaf het midden van de beek. Hij heerste over de helft van Gilead tot aan de beek Jabbok, de grens van de zonen van Ammon. Brontekst: סִיחוֹן֙ (sichon) = Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | הַיּוֹשֵׁ֖ב (hayoshev) = die woonde | בְּחֶשְׁבּ֑וֹן (becheshbon) = in Chesbon | מֹשֵׁ֡ל (moshel) = hij heerste | מֵעֲרוֹעֵ֡ר (mearoer) = vanaf Aroër | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | עַל (al) = aan | שְׂפַת (sefat) = de oever van | נַ֨חַל (nachal) = de beek | אַרְנ֜וֹן (arnon) = Arnon | וְת֤וֹךְ (vetokh) = en het midden van | הַנַּ֨חַל֙ (hanachal) = de beek | וַחֲצִ֣י (vachatsi) = en de helft van | הַגִּלְעָ֔ד (hagilad) = Gilead | וְעַד֙ (vead) = en tot | יַבֹּ֣ק (yaboq) = Jabbok | הַנַּ֔חַל (hanachal) = de beek | גְּב֖וּל (gevul) = de grens van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chesbon is het huidige Hesban en Aroër is Khirbet Arair, beide in Jordanië. De Jabbok is de Zarqa, ook in Jordanië. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Gen 32:22; Num 21:23–30; Deut 2:24–37; Ps 135:11; Neh 9:22 **12:3** Ook heerste hij over de Araba tot aan de zee van Kinneret, in het oosten. Hij heerste ook tot aan de zee van de Araba, de Zoutzee, in het oosten, in de richting van Bet-Jesimot. En in het zuiden tot onder de hellingen van de Pisga. Brontekst: וְהָעֲרָבָה֩ (vehaarava) = en de Araba | עַד (ad) = tot | יָ֨ם (yam) = de zee van | כִּנְר֜וֹת (kinrot) = Kinneret | מִזְרָ֗חָה (mizracha) = oostwaarts | וְ֠עַד (vead) = en tot | יָ֣ם (yam) = de zee van | הָעֲרָבָ֤ה (haarava) = de Araba | יָם (yam) = de zee van | הַמֶּ֨לַח֙ (hamelach) = het zout | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = oostwaarts | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = in de richting van | בֵּ֣ית (beit) = Bet | הַיְשִׁמ֑וֹת (hayshimot) = Jesimot | וּמִ֨תֵּימָ֔ן (umiteiman) = en vanuit het zuiden | תַּ֖חַת (tachat) = onder | אַשְׁדּ֥וֹת (ashdot) = de hellingen van | הַפִּסְגָּֽה (hapisga) = de Pisga Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De zee van Kinneret is het Meer van Galilea en de Zoutzee is de Dode Zee. Bet-Jesimot ligt ten noordoosten van de Dode Zee (Jordanië). De Pisga ligt in het noordoosten van de Dode Zee (Jordanië). Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië. Zie ook: Gen 19:25; Deut 3:17; Deut 4:49; Joz 11:2; Joz 13:20 **12:4** Verder het gebied van Og, de koning van Basan, die van de rest van de Refaïeten was en in Astarot en Edrei woonde. Brontekst: וּגְב֗וּל (ugevul) = en het gebied van | ע֚וֹג (og) = Og | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֔ן (habashan) = Basan | מִיֶּ֖תֶר (miyeter) = van de rest van | הָרְפָאִ֑ים (harefaim) = de Refaïeten | הַיּוֹשֵׁ֥ב (hayoshev) = die woonde | בְּעַשְׁתָּר֖וֹת (beashtarot) = in Astarot | וּבְאֶדְרֶֽעִי (uveedrei) = en in Edrei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Astarot (Tell Aštara) en Edrei (Dara'a) liggen in het zuiden van Syrië. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: רְפָאִים (Refa'im), ‘Refaïeten’: een volk van grote mensen (Deut. 3:11). Zie ook: Num 21:33–35; Deut 1:4; Deut 3:1–7; Deut 3:10–11; Deut 3:11; Joz 13:12 **12:5** Hij heerste over de berg Hermon, over Salka en over heel Basan, tot aan het gebied van de Gesurieten en de Maächatieten. Ook heerste hij over de helft van Gilead, tot aan het gebied van Sichon, de koning van Chesbon. Brontekst: וּ֠מֹשֵׁל (umoshel) = en hij heerste | בְּהַ֨ר (behar) = over de berg | חֶרְמ֤וֹן (chermon) = Hermon | וּבְסַלְכָה֙ (uvesalkha) = en over Salka | וּבְכָל (uvekhal) = en over heel | הַבָּשָׁ֔ן (habashan) = Basan | עַד (ad) = tot | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | הַגְּשׁוּרִ֖י (hageshuri) = de Gesuriet | וְהַמַּעֲכָתִ֑י (vehamaakhati) = en de Maächatiet | וַחֲצִי֙ (vachatsi) = en de helft van | הַגִּלְעָ֔ד (hagilad) = Gilead | גְּב֖וּל (gevul) = de grens van | סִיח֥וֹן (sichon) = Sichon | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | חֶשְׁבּֽוֹן (cheshbon) = Chesbon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Salka ligt bij het huidige Salkhad in Syrië. De Gesurieten en Maächatieten woonden ten westen en noordwesten van Basan. Hun gebied is onzeker. Zie Hermon: De Hermon is de hoogste berg van het gebied, op de grens van het huidige Libanon en Syrië. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie ook: Deut 3:8–10; Deut 3:14; Deut 4:47–48; Joz 13:11; 1 Sam 27:8 **12:6** Mozes, de dienaar van Yahweh, en de zonen van Israël versloegen hen. Mozes, de dienaar van Yahweh, gaf het land als bezit aan de Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam Manasse. Brontekst: מֹשֶׁ֧ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הִכּ֑וּם (hikum) = sloegen hen | וַֽ֠יִּתְּנָהּ (vayitenah) = en gaf het | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | יְרֻשָּׁ֗ה (yerusha) = als bezit | לָרֻֽאוּבֵנִי֙ (laruuveni) = aan de Rubeniet | וְלַגָּדִ֔י (velagadi) = en aan de Gadiet | וְלַחֲצִ֖י (velachatsi) = en aan de helft van | שֵׁ֥בֶט (shevet) = de stam van | הַֽמְנַשֶּֽׁה (hamnashe) = de Manassiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Num. 32:33 en Deut. 3:12–13 voor de verdeling van dit land. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:52 bevestigt dit. Zie ook: Jas 89:52; Num 21:24–35; Num 32:29; Num 32:33; Deut 3:11–17; Deut 3:12–13; Luc 22:29–42 ### De koningen aan de westkant van de Jordaan **12:7** Dit zijn de koningen van het land die Jozua en de zonen van Israël versloegen, aan de overkant van de Jordaan, in het westen. Het gebied liep van Baäl-Gad in het dal van de Libanon tot de Kale Berg die omhoog loopt naar Seïr. Jozua gaf het land als bezit aan de stammen van Israël, naar hun verdelingen, Brontekst: וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit zijn | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | הָאָ֡רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | הִכָּ֨ה (hika) = sloeg | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | בְּעֵ֤בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | יָ֔מָּה (yama) = westwaarts | מִבַּ֤עַל (mibaal) = vanaf Baäl | גָּד֙ (gad) = Gad | בְּבִקְעַ֣ת (beviqat) = in het dal van | הַלְּבָנ֔וֹן (halevanon) = de Libanon | וְעַד (vead) = en tot | הָהָ֥ר (hahar) = de berg | הֶחָלָ֖ק (hechalaq) = de kale | הָעֹלֶ֣ה (haole) = die omhoog loopt | שֵׂעִ֑ירָה (seira) = naar Seïr | וַיִּתְּנָ֨הּ (vayitenah) = en gaf het | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | לְשִׁבְטֵ֧י (leshivtei) = aan de stammen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | יְרֻשָּׁ֖ה (yerusha) = als bezit | כְּמַחְלְקֹתָֽם (kemachleqotam) = naar hun verdelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baäl-Gad en de Kale Berg: zie Joz. 11:17. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Hier staat ‘aan de overkant van de Jordaan, ימה (jammah), westwaarts’. Nu is het de westkant. Zie ook: Gen 36:8; Gen 36:20; Deut 2:1; Joz 11:17; Joz 11:23–12:1 **12:8** in het bergland, in de Sefela, in de Araba, op de berghellingen, in de woestijn en in de Negev: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Brontekst: בָּהָ֣ר (bahar) = in het bergland | וּבַשְּׁפֵלָ֗ה (uvashefela) = en in de Sefela | וּבָֽעֲרָבָה֙ (uvaarava) = en in de Araba | וּבָ֣אֲשֵׁד֔וֹת (uvaashedot) = en op de berghellingen | וּבַמִּדְבָּ֖ר (uvamidbar) = en in de woestijn | וּבַנֶּ֑גֶב (uvanegev) = en in de Negev | הַֽחִתִּי֙ (hachiti) = de Hethiet | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | וְהַֽכְּנַעֲנִי֙ (vehakenaani) = en de Kanaäniet | הַפְּרִזִּ֔י (haperizi) = de Perizziet | הַחִוִּ֖י (hachivi) = de Chiwwiet | וְהַיְבוּסִֽי (vehayvusi) = en de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie ook: Gen 15:18–21; Deut 9:1; Joz 9:1; Joz 10:40; Joz 11:16 ### De lijst van de eenendertig koningen **12:9** De koning van Jericho: één. De koning van Ai, dat naast Betel ligt: één. Brontekst: מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְרִיח֖וֹ (yericho) = Jericho | אֶחָ֑ד (echad) = één | מֶ֧לֶךְ (melekh) = koning van | הָעַ֛י (haay) = Ai | אֲשֶׁר (asher) = dat | מִצַּ֥ד (mitsad) = naast | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֖ל (el) = El | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jericho is Tell es-Sultan (Westelijke Jordaanoever). Betel is Beitin (Westelijke Jordaanoever). Voor Ai: zie Joz. 10:1. Zie ook: Joz 6:2–21; Joz 8:1; Joz 8:17; Joz 8:29–35; Joz 10:1 **12:10** De koning van Jeruzalem: één. De koning van Hebron: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | חֶבְר֖וֹן (chevron) = Hebron | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Joz 10:3; Joz 10:23; Joz 10:36–37 **12:11** De koning van Jarmut: één. De koning van Lachis: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | יַרְמוּת֙ (yarmut) = Jarmut | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | לָכִ֖ישׁ (lakhish) = Lachis | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jarmut: Jarmut wordt gezocht bij Khirbet Jarmuk, in de Sefela. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie ook: Joz 10:3–23; Joz 10:31–32 **12:12** De koning van Eglon: één. De koning van Gezer: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | עֶגְלוֹן֙ (eglon) = Eglon | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | גֶּ֖זֶר (gezer) = Gezer | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eglon (ligging onzeker): Eglon lag in de Sefela. Tell Aitun en Tell el-Hesi zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Gezer: Gezer (Tel Gezer) lag aan de rand van de Sefela, aan de weg van de kust naar Jeruzalem. Zie ook: Joz 10:3; Joz 10:23; Joz 10:33; Joz 15:39 **12:13** De koning van Debir: één. De koning van Geder: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | דְּבִר֙ (devir) = Debir | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | גֶּ֖דֶר (geder) = Geder | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Debir en Geder zijn onzeker. Debir wordt vaak bij Khirbet Rabud gezocht (Westelijke Jordaanoever). Zie ook: Joz 10:3; Joz 10:38; Joz 15:36 **12:14** De koning van Chorma: één. De koning van Arad: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | חָרְמָה֙ (charema) = Chorma | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | עֲרָ֖ד (arad) = Arad | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Arad is Tel Arad in de Negev (Israël). Chorma ligt ook in de Negev. De ligging is onzeker (Num. 14:45; 21:3). Zie ook: Num 14:45; Num 21:1; Num 21:3 **12:15** De koning van Libna: één. De koning van Adullam: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | לִבְנָה֙ (livna) = Libna | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | עֲדֻלָּ֖ם (adulam) = Adullam | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Adullam ligt bij Tel Adullam in de Sefela (Israël). Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela. Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie ook: Joz 10:29–30; 1 Sam 22:1 **12:16** De koning van Makkeda: één. De koning van Betel: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | מַקֵּדָה֙ (maqeda) = Makkeda | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֖ל (el) = El | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela. Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 12:8; Gen 28:19; Joz 8:17; Joz 10:28; Re 1:22 **12:17** De koning van Tappuach: één. De koning van Chefer: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | תַּפּ֨וּחַ֙ (tapuach) = Tappuach | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | חֵ֖פֶר (chefer) = Chefer | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tappuach en Chefer zijn onzeker. Zij liggen waarschijnlijk in het bergland van Efraïm, in de Westelijke Jordaanoever. Zie ook: Joz 15:34; Joz 19:13; 1 Kon 4:10 **12:18** De koning van Afek: één. De koning van Lasaron: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | אֲפֵק֙ (afeq) = Afek | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | לַשָּׁר֖וֹן (lasharon) = Lasaron | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Afek ligt waarschijnlijk bij Tel Afek aan de bron van de Yarkon (Israël). Lasaron is onzeker. Voetnoot Uitleg: לַשָּׁרוֹן (lashsharon) kan ‘in de Saron’ betekenen, maar kan ook een plaatsnaam zijn. Wij lezen het als plaatsnaam ‘Lasaron’, omdat de lijst anders geen 31 koningen telt (vers 24). Zie ook: Joz 12:24; Joz 13:4; Joz 19:30; 1 Sam 4:1; Jes 33:9 **12:19** De koning van Madon: één. De koning van Chasor: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | מָדוֹן֙ (madon) = Madon | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | חָצ֖וֹר (chatsor) = Chasor | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Madon (ligging onzeker): Madon wordt gezocht bij Qarn Hattin, bij Tiberias. Dit is niet zeker. Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Zie ook: Joz 11:1; Joz 11:10–11; Re 4:2 **12:20** De koning van Simron-Meron: één. De koning van Achsaf: één. Brontekst: מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | שִׁמְר֤וֹן (shimron) = Simron | מְראוֹן֙ (meron) = Meron | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | אַכְשָׁ֖ף (akhshaf) = Achsaf | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Simron (ligging onzeker): Simron wordt gezocht in Galilea, bij de vallei van Jizreël. Dit is niet zeker. Zie Achsaf (ligging onzeker): Achsaf lag in het gebied van Aser, bij Akko. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Joz 11:1; Joz 19:15; Joz 19:25 **12:21** De koning van Taänak: één. De koning van Megiddo: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | תַּעְנַךְ֙ (tanakh) = Taänak | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | מְגִדּ֖וֹ (megido) = Megiddo | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Taänak (Tel Taanach) en Megiddo (Tel Megiddo) liggen in het noorden van Israël, aan de rand van de Jizreëlvlakte. Zie ook: Joz 17:11; Re 5:19; 1 Kon 4:12; 2 Kon 23:29–30 **12:22** De koning van Kedes: één. De koning van Jokneam bij de Karmel: één. Brontekst: מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | קֶ֨דֶשׁ֙ (qedesh) = Kedes | אֶחָ֔ד (echad) = één | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יָקְנֳעָ֥ם (yaqenoam) = Jokneam | לַכַּרְמֶ֖ל (lakarmel) = bij de Karmel | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedes is Tel Kedesh in Galilea (Israël). Jokneam is Tel Yokneam bij de Karmel (Israël). Zie ook: Joz 15:55; Joz 19:37; Joz 20:7; Joz 21:32; 1 Sam 25:2 **12:23** De koning van Dor, bij de hoogten van Dor: één. De koning van Goïm bij Gilgal: één. Brontekst: מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | דּ֛וֹר (dor) = Dor | לְנָפַ֥ת (lenafat) = bij de hoogten van | דּ֖וֹר (dor) = Dor | אֶחָ֑ד (echad) = één | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | גּוֹיִ֥ם (goyim) = Goïm | לְגִלְגָּ֖ל (legilgal) = bij Gilgal | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dor is Tel Dor aan de kust (Israël). Zie ook Joz. 11:2. Goïm bij Gilgal is onzeker. Het Hebreeuws gaat hier om een plaatsnaam of een volk; wij lezen het als plaatsnaam. Zie ook: Gen 14:1–2; Joz 4:19; Joz 5:9–10; Joz 11:2; Jes 8:23 **12:24** De koning van Tirsa: één. In totaal waren het 31 koningen. Brontekst: מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | תִּרְצָ֖ה (tirtsa) = Tirsa | אֶחָ֑ד (echad) = één | כָּל (kal) = alle | מְלָכִ֖ים (melakhim) = koningen | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וְאֶחָֽד (veechad) = en één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tirsa: Tirsa wordt gezocht bij Tell el-Farah (Noord), ten noordoosten van Sichem. Voetnoot Aanvullend: Jasher 89:51 bevestigt dat het 31 koningen waren. Zie ook: Jas 89:51; Deut 7:24; 1 Kon 16:23; 2 Kon 15:14 ## Jozua 13 _Het land dat nog overblijft en het erfdeel ten oosten van de Jordaan_ ### Het land dat nog overblijft **13:1** Jozua was oud geworden, hoogbejaard. Yahweh zei tegen hem: **„Jij bent oud geworden, hoogbejaard. Er is nog heel veel land over om in bezit te nemen.** Brontekst: וִיהוֹשֻׁ֣עַ (vihoshua) = en Jozua | זָקֵ֔ן (zaqen) = oud | בָּ֖א (ba) = gekomen | בַּיָּמִ֑ים (bayamim) = in dagen | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | אַתָּ֤ה (ata) = jij | זָקַ֨נְתָּה֙ (zaqanta) = bent oud geworden | בָּ֣אתָ (bata) = bent gekomen | בַיָּמִ֔ים (bayamim) = in dagen | וְהָאָ֛רֶץ (vehaarets) = en het land | נִשְׁאֲרָ֥ה (nishara) = is overgebleven | הַרְבֵּֽה (harbe) = veel | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om in bezit te nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּא בַּיָּמִים (ba bajamim), ‘gekomen in de dagen’: hoogbejaard. Zo ook in Gen. 24:1. Zie ook: Gen 24:1; Deut 31:3; Joz 14:10; Joz 23:1–2; Joz 24:29; Luc 1:7 **13:2** **Dit is het land dat nog overblijft: alle gebieden van de Filistijnen en heel Gesur.** Brontekst: זֹ֥את (zot) = dit | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | הַנִּשְׁאָ֑רֶת (hanisharet) = dat overblijft | כָּל (kal) = alle | גְּלִיל֥וֹת (gelilot) = gebieden van | הַפְּלִשְׁתִּ֖ים (hapelishtim) = de Filistijnen | וְכָל (vekhal) = en heel | הַגְּשׁוּרִֽי (hageshuri) = de Gesuriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gesur: in vers 2 gaat het waarschijnlijk om de Gesurieten in het zuiden, bij de Filistijnen (1 Sam. 27:8). In vers 13 gaat het om Gesur in het noorden, bij de Hermon en het meer van Galilea. De ligging van het zuidelijke Gesur is onzeker. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Gesuriërs in het zuiden (ligging onzeker): Dit zijn de Gesurieten in het zuiden, bij de Filistijnen en in de richting van Sur (Jozua 13:2; 1 Samuël 27:8). Het is niet het koninkrijk Gesur in het noorden. De ligging is niet zeker. Zie ook: Deut 11:23–24; Joz 13:11; Joz 13:13; Re 3:1; 1 Sam 27:8; Joël 4:4 **13:3** **Van de Sihor, die tegenover Egypte ligt, tot de grens van Ekron in het noorden: dat wordt gerekend als Kanaänitisch. De vijf vorsten van de Filistijnen zijn de Gazaniet, de Asdodiet, de Askeloniet, de Gattiet en de Ekroniet. En de Awwieten.** Brontekst: מִֽן (min) = van | הַשִּׁיח֞וֹר (hashichor) = de Sihor | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = voor | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | וְעַ֨ד (vead) = en tot | גְּב֤וּל (gevul) = de grens van | עֶקְרוֹן֙ (eqron) = Ekron | צָפ֔וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | לַֽכְּנַעֲנִ֖י (lakenaani) = voor de Kanaäniet | תֵּחָשֵׁ֑ב (techashev) = wordt gerekend | חֲמֵ֣שֶׁת (chameshet) = vijf | סַרְנֵ֣י (sarnei) = vorsten van | פְלִשְׁתִּ֗ים (pelishtim) = Filistijnen | הָעַזָּתִ֤י (haazati) = de Gazaniet | וְהָאַשְׁדּוֹדִי֙ (vehaashdodi) = en de Asdodiet | הָאֶשְׁקְלוֹנִ֣י (haeshqeloni) = de Askeloniet | הַגִּתִּ֔י (hagiti) = de Gattiet | וְהָעֶקְרוֹנִ֖י (vehaeqroni) = en de Ekroniet | וְהָעַוִּֽים (vehaavim) = en de Awwieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Sihor is waarschijnlijk een oostelijke arm van de Nijl of de beek van Egypte (Wadi el-Arisj, Egypte). De ligging is onzeker. De vijf steden van de Filistijnen liggen in het zuidwesten van Israël: Gaza, Asdod, Askelon, Gat en Ekron (nu Khirbet el-Muqanna). Gat is waarschijnlijk Tell es-Safi. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: סֶרֶן (seren), ‘vorst’: de titel van de heersers van de Filistijnse steden. Voetnoot : Awwieten (הָעַוִּים, ha-awwim): zie Deut. 2:23. Zie ook: Gen 10:6; Deut 2:23; Re 3:3; 1 Sam 6:4; Jer 2:18 **13:4** **In het zuiden: heel het land van de Kanaänieten, en Meara, dat bij de Sidoniërs hoort, tot Afek, tot de grens van de Amorieten.** Brontekst: מִתֵּימָ֞ן (miteiman) = vanuit het zuiden | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הַֽכְּנַעֲנִ֗י (hakenaani) = de Kanaäniet | וּמְעָרָ֛ה (umeara) = en Meara | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לַצִּידֹנִ֖ים (latsidonim) = van de Sidoniërs | עַד (ad) = tot | אֲפֵ֑קָה (afeqa) = Afek | עַ֖ד (ad) = tot | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | הָאֱמֹרִֽי (haemori) = de Amoriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Meara en Afek: de ligging is onzeker. Meara ligt misschien in het gebied van Sidon (Libanon). Afek is misschien Afqa in Libanon, of een stad in het noorden van Israël. Voetnoot Lezing: Het eerste woord van dit vers, מִתֵּימָן (mittéman), ‘vanuit het zuiden’, wordt ook wel bij de Awwieten in vers 3 gelezen. Wij laten het dit vers beginnen. Zie ook: Joz 10:40; Joz 11:3; Joz 13:3; Joz 19:30; Re 1:34–36; 1 Sam 4:1 **13:5** **Ook het land van de Gebalieten en heel de Libanon, in het oosten, van Baäl-Gad onder de berg Hermon tot Lebo-Chamat.** Brontekst: וְהָאָ֣רֶץ (vehaarets) = en het land van | הַגִּבְלִ֗י (hagivli) = de Gebaliet | וְכָל (vekhal) = en heel | הַלְּבָנוֹן֙ (halevanon) = de Libanon | מִזְרַ֣ח (mizrach) = oostwaarts van | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | מִבַּ֣עַל (mibaal) = van Baäl | גָּ֔ד (gad) = Gad | תַּ֖חַת (tachat) = onder | הַר (har) = de berg | חֶרְמ֑וֹן (chermon) = Hermon | עַ֖ד (ad) = tot | לְב֥וֹא (levo) = de ingang van | חֲמָֽת (chamat) = Chamat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gebal is Byblos, nu Jbeil aan de kust van Libanon. Baäl-Gad ligt onder de Hermon, in het zuiden van Libanon (de ligging is onzeker). Chamat is Hama in Syrië. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: לְבוֹא חֲמָת (lebo Chamat), ‘de ingang van Chamat’: de pas in het noorden van het land. Zo ook in Num. 34:8. Zie ook: Num 34:8; Joz 11:17; Joz 12:7; Ps 83:8; 1 Kon 5:32; Ezech 27:9 **13:6** **Alle bewoners van het bergland, van de Libanon tot Misrefot-Majim, alle Sidoniërs: Ik zelf zal hen voor de zonen van Israël uit verdrijven. Laat het alleen aan Israël als erfdeel toevallen, zoals Ik je geboden heb.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | הָ֠הָר (hahar) = het bergland | מִֽן (min) = van | הַלְּבָנ֞וֹן (halevanon) = de Libanon | עַד (ad) = tot | מִשְׂרְפֹ֥ת (misrefot) = Misrefot | מַ֨יִם֙ (mayim) = Majim | כָּל (kal) = alle | צִ֣ידֹנִ֔ים (tsidonim) = Sidoniërs | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | אוֹרִישֵׁ֔ם (orishem) = zal hen verdrijven | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | רַ֠ק (raq) = alleen | הַפִּלֶ֤הָ (hapileha) = laat het vallen | לְיִשְׂרָאֵל֙ (leyisrael) = aan Israël | בְּֽנַחֲלָ֔ה (benachala) = als erfdeel | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוִּיתִֽיךָ (tsivitikha) = Ik heb geboden jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Misrefot-Majim lag aan de kust ten zuiden van Sidon in Libanon (de ligging is onzeker). Voetnoot Uitleg: הַפִּלָהּ (happilah), ‘laat het vallen’: het werkwoord hoort bij het werpen van het lot. Zie Joz. 14:2. Zie ook: Num 33:54; Joz 11:8; Joz 14:1–2; Joz 14:2; Joz 23:13; Re 2:21–23 **13:7** **Verdeel nu dit land als erfdeel aan de negen stammen en aan de helft van de stam Manasse.”** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | חַלֵּ֞ק (chaleq) = verdeel | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֧רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֛את (hazot) = dit | בְּנַחֲלָ֖ה (benachala) = als erfdeel | לְתִשְׁעַ֣ת (letishat) = aan de negen | הַשְּׁבָטִ֑ים (hashevatim) = stammen | וַחֲצִ֖י (vachatsi) = en de helft van | הַשֵּׁ֥בֶט (hashevet) = de stam | הַֽמְנַשֶּֽׁה (hamnashe) = van Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Wij laten de toespraak van Yahweh hier eindigen. Vers 8 spreekt over Mozes als ‘dienaar van Yahweh’. Dat past bij de verteller. Zie ook: Num 26:53–56; Num 32:2–14; Num 33:54; Joz 13:8; Ezech 47:13–23; Ezech 48:23–29 ### Het land ten oosten van de Jordaan **13:8** Met hem hebben de Rubenieten en de Gadieten hun erfdeel ontvangen. Mozes heeft het hun gegeven aan de overkant van de Jordaan, in het oosten, zoals Mozes, de dienaar van Yahweh, het hun gegeven heeft: Brontekst: עִמּ֗וֹ (imo) = met hem | הָרֽאוּבֵנִי֙ (haruveni) = de Rubeniet | וְהַגָּדִ֔י (vehagadi) = en de Gadiet | לָקְח֖וּ (laqechu) = hebben ontvangen | נַחֲלָתָ֑ם (nachalatam) = hun erfdeel | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | נָתַ֨ן (natan) = heeft gegeven | לָהֶ֜ם (lahem) = hun | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | בְּעֵ֤בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּן֙ (hayarden) = de Jordaan | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = oostwaarts | כַּאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | נָתַ֣ן (natan) = heeft gegeven | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עֶ֥בֶד (eved) = dienaar van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: ‘Met hem’ is de andere helft van de stam Manasse, die in vers 7 wordt genoemd. Zie ook: Num 32:33–42; Deut 3:12–17; Joz 4:12; Joz 12:6; Joz 13:7; Joz 22:4 **13:9** Dat loopt vanaf Aroër, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, met de stad midden in de beek. Daarbij hoort heel het plateau van Medeba tot Dibon. Brontekst: מֵעֲרוֹעֵ֡ר (mearoer) = vanaf Aroër | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | עַל (al) = aan | שְׂפַת (sefat) = de oever van | נַ֨חַל (nachal) = de beek | אַרְנ֜וֹן (arnon) = Arnon | וְהָעִ֨יר (vehair) = en de stad | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | בְּתוֹךְ (betokh) = midden in | הַנַּ֛חַל (hanachal) = de beek | וְכָל (vekhal) = en heel | הַמִּישֹׁ֥ר (hamishor) = het plateau | מֵידְבָ֖א (meideva) = van Medeba | עַד (ad) = tot | דִּיבֽוֹן (divon) = Dibon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aroër ligt aan de Arnon (nu Khirbet Arair, Jordanië). Medeba is nu Madaba en Dibon is nu Dhiban, beide in Jordanië. Het plateau is het vlakke hoogland ten oosten van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: מִישׁוֹר (mishor), ‘plateau’: het vlakke hoogland. Zie Deut. 3:10. Zie ook: Num 21:30; Deut 3:10; Deut 3:12; Deut 3:16; Joz 12:2; Joz 13:16 **13:10** Ook alle steden van Sichon, de koning van de Amorieten, die koning was in Chesbon, tot de grens van de zonen van Ammon. Brontekst: וְכֹ֗ל (vekhol) = en alle | עָרֵי֙ (arei) = steden van | סִיחוֹן֙ (sichon) = Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מָלַ֖ךְ (malakh) = was koning | בְּחֶשְׁבּ֑וֹן (becheshbon) = in Chesbon | עַד (ad) = tot | גְּב֖וּל (gevul) = de grens van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chesbon is nu Hesban in Jordanië. De zonen van Ammon woonden rond Rabba, het huidige Amman. Zie ook: Num 21:24–26 **13:11** Ook Gilead, het gebied van de Gesurieten en de Maächatieten, heel de berg Hermon en heel Basan tot Salka. Brontekst: וְהַגִּלְעָ֞ד (vehagilad) = en Gilead | וּגְב֧וּל (ugevul) = en het gebied van | הַגְּשׁוּרִ֣י (hageshuri) = de Gesuriet | וְהַמַּעֲכָתִ֗י (vehamaakhati) = en de Maächatiet | וְכֹ֨ל (vekhol) = en heel | הַ֥ר (har) = de berg | חֶרְמ֛וֹן (chermon) = Hermon | וְכָל (vekhal) = en heel | הַבָּשָׁ֖ן (habashan) = Basan | עַד (ad) = tot | סַלְכָֽה (salkha) = Salka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Hermon, Basan en Salka: zie Deut. 3:9–10. De Gesurieten en Maächatieten: zie Deut. 3:14. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Deut 3:9–10; Deut 3:14; Deut 4:47–48; Joz 12:2–5; 1 Kron 2:23 **13:12** Ook heel het koninkrijk van Og in Basan. Hij was koning in Astarot en in Edrei. Hij was nog over van de rest van de Refaïeten. Mozes versloeg hen en verdreef hen. Brontekst: כָּל (kal) = heel | מַמְלְכ֥וּת (mamlekhut) = het koninkrijk van | עוֹג֙ (og) = Og | בַּבָּשָׁ֔ן (babashan) = in Basan | אֲשֶׁר (asher) = die | מָלַ֥ךְ (malakh) = was koning | בְּעַשְׁתָּר֖וֹת (beashtarot) = in Astarot | וּבְאֶדְרֶ֑עִי (uveedrei) = en in Edrei | ה֤וּא (hu) = hij | נִשְׁאַר֙ (nishar) = was over | מִיֶּ֣תֶר (miyeter) = van de rest van | הָרְפָאִ֔ים (harefaim) = de Refaïeten | וַיַּכֵּ֥ם (vayakem) = en versloeg hen | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | וַיֹּרִשֵֽׁם (vayorishem) = en verdreef hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Astarot is waarschijnlijk Tell Aschtara en Edrei is nu Daraa, beide in het zuiden van Syrië. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: רְפָאִים (refaim), ‘Refaïeten’: een volk van grote mensen. Zie Deut. 3:11. Zie ook: Num 21:23–35; Deut 3:10–11; Deut 3:11; Joz 12:4; Joz 14:3–4 **13:13** De zonen van Israël verdreven de Gesurieten en de Maächatieten niet. Gesur en Maächat wonen te midden van Israël, tot op deze dag. Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | הוֹרִ֨ישׁוּ֙ (horishu) = verdreven | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַגְּשׁוּרִ֖י (hageshuri) = de Gesuriet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּעֲכָתִ֑י (hamaakhati) = de Maächatiet | וַיֵּ֨שֶׁב (vayeshev) = en woont | גְּשׁ֤וּר (geshur) = Gesur | וּמַֽעֲכָת֙ (umaakhat) = en Maächat | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = te midden van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gesur (ligging onzeker): Gesur was een klein Aramees koninkrijk ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, in de Golan en het zuiden van Syrië. De precieze plaats is niet bekend. Zie ook: Num 33:55; Joz 13:11; Joz 23:12–13; Re 2:1–3; 2 Sam 13:37–38 **13:14** Alleen aan de stam Levi gaf Mozes geen erfdeel. Zijn erfdeel zijn de vuuroffers van Yahweh, de Elohim van Israël, zoals Hij tot hem gesproken heeft. Brontekst: רַ֚ק (raq) = alleen | לְשֵׁ֣בֶט (leshevet) = aan de stam | הַלֵּוִ֔י (halevi) = Levi | לֹ֥א (lo) = niet | נָתַ֖ן (natan) = heeft gegeven | נַחֲלָ֑ה (nachala) = erfdeel | אִשֵּׁ֨י (ishei) = vuuroffers van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | ה֣וּא (hu) = zij | נַחֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּר (diber) = Hij sprak | לֽוֹ (lo) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh zelf is het erfdeel van Levi: zie Num. 18:20 en Deut. 18:1–2. Voetnoot Lezing: In de grondtekst staat alleen ‘hij gaf’. Uit vers 33 blijkt dat Mozes bedoeld is. Zie ook: Num 18:20–24; Deut 12:12; Deut 12:19; Deut 18:1–2; Joz 13:33; Joz 14:3–4 ### Het erfdeel van Ruben **13:15** Mozes gaf een erfdeel aan de stam van de zonen van Ruben, naar hun families. Brontekst: וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en gaf | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לְמַטֵּ֥ה (lemate) = aan de stam | בְנֵֽי (benei) = van de zonen van | רְאוּבֵ֖ן (reuven) = Ruben | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt bij ‘gaf’ geen voorwerp, ook niet in vers 24 en 29. Wij vullen ‘een erfdeel’ aan, naar vers 8 en 33. Zie ook: Joz 13:8; Joz 13:24; Joz 13:29; Joz 13:33 **13:16** Hun gebied begon bij Aroër, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, met de stad midden in de beek. Daarbij hoorde heel het plateau bij Medeba. Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | לָהֶ֜ם (lahem) = voor hen | הַגְּב֗וּל (hagevul) = het gebied | מֵעֲרוֹעֵ֡ר (mearoer) = vanaf Aroër | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | עַל (al) = aan | שְׂפַת (sefat) = de oever van | נַ֨חַל (nachal) = de beek | אַרְנ֜וֹן (arnon) = Arnon | וְהָעִ֨יר (vehair) = en de stad | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | בְּתוֹךְ (betokh) = midden in | הַנַּ֛חַל (hanachal) = de beek | וְכָל (vekhal) = en heel | הַמִּישֹׁ֖ר (hamishor) = het plateau | עַל (al) = bij | מֵידְבָֽא (meideva) = Medeba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aroër: Aroër lag aan de rand van de Arnonkloof, bij het huidige Khirbet Arair in Jordanië. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Zie Medeba: Medeba is het huidige Madaba, op het plateau ten oosten van de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: גְּבוּל (gevul) betekent ‘grens’ en ook ‘gebied’. Wij vertalen ‘gebied’ als het woord een landstreek aanduidt (vers 11, 16, 23, 25, 30). Wij vertalen ‘grens’ als het woord een grenslijn aanduidt (vers 10 en 26). Zie ook: Num 32:33–38; Deut 3:12; Joz 12:2; Joz 13:9; Joz 13:10; Joz 13:11; Joz 13:23; Joz 13:25; Joz 13:26; Joz 13:30; Jes 15:4 **13:17** Ook Chesbon en al zijn steden op het plateau: Dibon, Bamot-Baäl en Bet-Baäl-Meon. Brontekst: חֶשְׁבּ֥וֹן (cheshbon) = Chesbon | וְכָל (vekhal) = en alle | עָרֶ֖יהָ (areiha) = haar steden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּמִּישֹׁ֑ר (bamishor) = op het plateau | דִּיבוֹן֙ (divon) = Dibon | וּבָמ֣וֹת (uvamot) = en Bamot | בַּ֔עַל (baal) = Baäl | וּבֵ֖ית (uveit) = en Bet | בַּ֥עַל (baal) = Baäl | מְעֽוֹן (meon) = Meon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bamot-Baäl en Bet-Baäl-Meon (nu Ma’in) liggen op het plateau in Jordanië. Zie Num. 22:41 en Num. 32:38. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 21:19; Num 22:41; Num 32:38 **13:18** Ook Jahaz, Kedemot en Mefaät. Brontekst: וְיַ֥הְצָה (veyahtsa) = en Jahaz | וּקְדֵמֹ֖ת (uqedemot) = en Kedemot | וּמֵפָֽעַת (umefaat) = en Mefaät Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jahaz, Kedemot en Mefaät: de ligging is onzeker, ten noorden van de Arnon. Mefaät is waarschijnlijk Umm er-Rasas in Jordanië. Zie Num. 21:23. Zie ook: Num 21:23; Joz 21:36–37; 1 Kron 6:63–64 **13:19** Ook Kirjatajim, Sibma en Tseret-Hasjachar, op de berg in de vallei. Brontekst: וְקִרְיָתַ֣יִם (veqiryatayim) = en Kirjatajim | וְשִׂבְמָ֔ה (vesivma) = en Sibma | וְצֶ֥רֶת (vetseret) = en Tseret | הַשַּׁ֖חַר (hashachar) = Hasjachar | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | הָעֵֽמֶק (haemeq) = van de vallei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kirjatajim is waarschijnlijk Khirbet el-Qureiyat in Jordanië. De ligging van Sibma en Tseret-Hasjachar is onzeker. Zie ook: Num 32:37–38 **13:20** Ook Bet-Peor, de hellingen van de Pisga en Bet-Jesimot. Brontekst: וּבֵ֥ית (uveit) = en Bet | פְּע֛וֹר (peor) = Peor | וְאַשְׁדּ֥וֹת (veashdot) = en de hellingen van | הַפִּסְגָּ֖ה (hapisga) = de Pisga | וּבֵ֥ית (uveit) = en Bet | הַיְשִׁמֽוֹת (hayshimot) = Jesimot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Peor en de hellingen van de Pisga liggen bij de berg Nebo (zie Deut. 3:17 en 3:29). Bet-Jesimot is waarschijnlijk Tell el-Azeime in de Jordaanvallei. Zie ook: Num 25:3; Num 33:49; Deut 3:17; Deut 3:29; Deut 4:46; Joz 12:3 **13:21** Ook alle steden van het plateau en heel het koninkrijk van Sichon, de koning van de Amorieten, die koning was in Chesbon. Mozes had hem verslagen, en ook de leiders van Midian: Evi, Rekem, Zur, Chur en Reba, de vorsten van Sichon, de bewoners van het land. Brontekst: וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַמִּישֹׁ֔ר (hamishor) = het plateau | וְכָֽל (vekhal) = en heel | מַמְלְכ֗וּת (mamlekhut) = het koninkrijk van | סִיחוֹן֙ (sichon) = Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מָלַ֖ךְ (malakh) = was koning | בְּחֶשְׁבּ֑וֹן (becheshbon) = in Chesbon | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | הִכָּ֨ה (hika) = heeft verslagen | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | אֹת֣וֹ (oto) = hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = leiders van | מִדְיָ֗ן (midyan) = Midian | אֶת (et) = (obj.) | אֱוִ֤י (evi) = Evi | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רֶ֨קֶם֙ (reqem) = Rekem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צ֤וּר (tsur) = Zur | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חוּר֙ (chur) = Chur | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רֶ֔בַע (reva) = Reba | נְסִיכֵ֣י (nesikhei) = vorsten van | סִיח֔וֹן (sichon) = Sichon | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = bewoners van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Uitleg: Num. 31:8 noemt Evi, Rekem, Zur, Chur en Reba ‘koningen van Midian’. Hier heten zij ‘leiders van Midian’ en ‘vorsten van Sichon’. Wij vertalen elk woord zoals het in de grondtekst staat. Zie ook: Num 21:24–35; Num 31:8; Deut 2:30–36; Deut 3:10 **13:22** Ook Bileam, de zoon van Beor, de waarzegger, doodden de zonen van Israël met het zwaard, bij hun gesneuvelden. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּלְעָ֥ם (bilam) = Bileam | בֶּן (ben) = zoon van | בְּע֖וֹר (beor) = Beor | הַקּוֹסֵ֑ם (haqosem) = de waarzegger | הָרְג֧וּ (haregu) = doodden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = met het zwaard | אֶל (el) = bij | חַלְלֵיהֶֽם (challeihem) = hun gesneuvelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹסֵם (qosem), ‘waarzegger’: zie Deut. 18:10. Over Bileam, zie Num. 22–24 en Num. 31:8. Zie ook: Num 24:1; Num 31:8; Deut 18:10; 2 Petr 2:15; Jud 1:11; Openb 2:14 **13:23** Het gebied van de zonen van Ruben was de Jordaan en zijn gebied. Dit is het erfdeel van de zonen van Ruben, naar hun families: de steden met hun dorpen. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | גְּבוּל֙ (gevul) = het gebied van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | וּגְב֑וּל (ugevul) = en zijn gebied | זֹ֣את (zot) = dit | נַחֲלַ֤ת (nachalat) = erfdeel van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵן֙ (reuven) = Ruben | לְמִשְׁפְּחֹתָ֔ם (lemishpechotam) = naar hun families | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. ### Het erfdeel van Gad **13:24** Mozes gaf een erfdeel aan de stam Gad, aan de zonen van Gad, naar hun families. Brontekst: וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en gaf | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | לְמַטֵּה (lemate) = aan de stam | גָ֔ד (gad) = Gad | לִבְנֵי (livnei) = aan de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:34–36 **13:25** Hun gebied was Jaëzer, alle steden van Gilead en de helft van het land van de zonen van Ammon, tot Aroër, dat tegenover Rabba ligt. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | הַגְּב֔וּל (hagevul) = het gebied | יַעְזֵר֙ (yazer) = Jaëzer | וְכָל (vekhal) = en alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַגִּלְעָ֔ד (hagilad) = Gilead | וַחֲצִ֕י (vachatsi) = en de helft van | אֶ֖רֶץ (erets) = het land van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | עַד (ad) = tot | עֲרוֹעֵ֕ר (aroer) = Aroër | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = voor | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | רַבָּֽה (raba) = Rabba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jaëzer: zie Num. 32:1. Rabba is nu Amman in Jordanië. Aroër is hier een andere plaats dan Aroër aan de Arnon (vers 9). Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Num 32:1; Num 32:35; Deut 3:11; Joz 13:9; Joz 21:39; 2 Sam 11:1; 2 Sam 12:26 **13:26** Ook van Chesbon tot Ramat-Hammispe en Betonim, en van Machanajim tot de grens van Debir. Brontekst: וּמֵחֶשְׁבּ֛וֹן (umecheshbon) = en van Chesbon | עַד (ad) = tot | רָמַ֥ת (ramat) = Ramat | הַמִּצְפֶּ֖ה (hamitspe) = Hammispe | וּבְטֹנִ֑ים (uvetonim) = en Betonim | וּמִֽמַּחֲנַ֖יִם (umimachanayim) = en van Machanajim | עַד (ad) = tot | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | לִדְבִֽר (lidvir) = Debir Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ramat-Hammispe, Betonim en Machanajim liggen in het noorden van Gilead (Jordanië). Hun precieze ligging is onzeker. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Lezing: In plaats van ‘Debir’ lezen sommigen Lo-Debar (2 Sam. 9:4). Wij volgen de tekst zoals hij staat. Zie ook: Gen 31:49; Re 11:29; 2 Sam 2:8; 2 Sam 9:4; 2 Sam 17:27; 1 Kon 22:3 **13:27** Ook in de vallei: Bet-Haram, Bet-Nimra, Sukkot en Zafon, de rest van het koninkrijk van Sichon, de koning van Chesbon. Ook de Jordaan en zijn gebied, tot de rand van de zee van Kinneret, aan de overkant van de Jordaan, in het oosten. Brontekst: וּבָעֵ֡מֶק (uvaemeq) = en in de vallei | בֵּ֣ית (beit) = Bet | הָרָם֩ (haram) = Haram | וּבֵ֨ית (uveit) = en Bet | נִמְרָ֜ה (nimra) = Nimra | וְסֻכּ֣וֹת (vesukot) = en Sukkot | וְצָפ֗וֹן (vetsafon) = en Zafon | יֶ֚תֶר (yeter) = de rest van | מַמְלְכ֗וּת (mamlekhut) = het koninkrijk van | סִיחוֹן֙ (sichon) = Sichon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | חֶשְׁבּ֔וֹן (cheshbon) = Chesbon | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | וּגְבֻ֑ל (ugevul) = en zijn gebied | עַד (ad) = tot | קְצֵה֙ (qetse) = de rand van | יָם (yam) = de zee van | כִּנֶּ֔רֶת (kineret) = Kinneret | עֵ֥בֶר (ever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | מִזְרָֽחָה (mizracha) = oostwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Nimra is waarschijnlijk Tell Nimrin in de Jordaanvallei. Sukkot is waarschijnlijk Tell Deir Alla. De ligging van Zafon is onzeker. De zee van Kinneret is het meer van Galilea. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Lezing: Bet-Haram heet in Num. 32:36 Bet-Haran. Wij houden beide namen zoals zij staan. Zie ook: Gen 33:17; Num 32:36; Num 34:11; Deut 3:17; Joz 11:2 **13:28** Dit is het erfdeel van de zonen van Gad, naar hun families: de steden met hun dorpen. Brontekst: זֹ֛את (zot) = dit | נַחֲלַ֥ת (nachalat) = erfdeel van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | וְחַצְרֵיהֶֽם (vechatsreihem) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het erfdeel van de helft van Manasse **13:29** Mozes gaf een erfdeel aan de helft van de stam Manasse. Het was voor de helft van de stam van de zonen van Manasse, naar hun families. Brontekst: וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en gaf | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לַחֲצִ֖י (lachatsi) = aan de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = de stam | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | לַחֲצִ֛י (lachatsi) = voor de helft van | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | לְמִשְׁפְּחוֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:30** Hun gebied begon bij Machanajim: heel Basan, heel het koninkrijk van Og, de koning van Basan, en alle Chavvot-Jaïr die in Basan liggen, 60 steden. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | גְבוּלָ֗ם (gevulam) = hun gebied | מִמַּחֲנַ֨יִם (mimachanayim) = vanaf Machanajim | כָּֽל (kal) = heel | הַבָּשָׁ֜ן (habashan) = Basan | כָּֽל (kal) = heel | מַמְלְכ֣וּת (mamlekhut) = het koninkrijk van | ע֣וֹג (og) = Og | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | הַבָּשָׁ֗ן (habashan) = Basan | וְכָל (vekhal) = en alle | חַוֺּ֥ת (chavot) = Chavvot | יָאִ֛יר (yair) = Jaïr | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בַּבָּשָׁ֖ן (babashan) = in Basan | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = 60 | עִֽיר (ir) = steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok. De precieze plaats is niet zeker. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: חַוֺּת יָאִיר (Chavvot Jaïr), ‘tentdorpen van Jaïr’. Zie Num. 32:41 en Deut. 3:14. Zie ook: Num 32:39–41; Num 32:41; Deut 3:13–15; Deut 3:14; Joz 13:26; 1 Kron 2:21–23 **13:31** De helft van Gilead, Astarot en Edrei, steden van het koninkrijk van Og in Basan, was voor de zonen van Machir, de zoon van Manasse. Het was voor de helft van de zonen van Machir, naar hun families. Brontekst: וַחֲצִ֤י (vachatsi) = en de helft van | הַגִּלְעָד֙ (hagilad) = Gilead | וְעַשְׁתָּר֣וֹת (veashtarot) = en Astarot | וְאֶדְרֶ֔עִי (veedrei) = en Edrei | עָרֵ֛י (arei) = steden van | מַמְלְכ֥וּת (mamlekhut) = het koninkrijk van | ע֖וֹג (og) = Og | בַּבָּשָׁ֑ן (babashan) = in Basan | לִבְנֵ֤י (livnei) = voor de zonen van | מָכִיר֙ (makhir) = Machir | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | לַחֲצִ֥י (lachatsi) = voor de helft van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | מָכִ֖יר (makhir) = Machir | לְמִשְׁפְּחוֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Astarot: Astarot wordt gezocht bij Tell Ashtara, in het zuiden van Syrië. Zie Edrei: Edrei is het huidige Daraa, in het zuiden van Syrië. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie ook: Num 32:39–40; Joz 12:4 **13:32** Dit is wat Mozes als erfdeel verdeelde op de vlakten van Moab, aan de overkant van de Jordaan bij Jericho, in het oosten. Brontekst: אֵ֕לֶּה (ele) = dit | אֲשֶׁר (asher) = wat | נִחַ֥ל (nichal) = als erfdeel verdeelde | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בְּעַֽרְב֣וֹת (bearvot) = op de vlakten van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | מֵעֵ֛בֶר (meever) = aan de overkant van | לְיַרְדֵּ֥ן (leyarden) = de Jordaan | יְרִיח֖וֹ (yericho) = Jericho | מִזְרָֽחָה (mizracha) = oostwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. **13:33** Maar aan de stam Levi gaf Mozes geen erfdeel. Yahweh, de Elohim van Israël, is hun erfdeel, zoals Hij tot hen gesproken heeft. Brontekst: וּלְשֵׁ֨בֶט֙ (uleshevet) = en aan de stam | הַלֵּוִ֔י (halevi) = Levi | לֹֽא (lo) = niet | נָתַ֥ן (natan) = heeft gegeven | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | נַחֲלָ֑ה (nachala) = erfdeel | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | ה֣וּא (hu) = Hij | נַחֲלָתָ֔ם (nachalatam) = hun erfdeel | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij sprak | לָהֶֽם (lahem) = tot hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 18:20; Deut 10:9; Deut 18:1–2; Joz 13:14; Joz 18:7 ## Jozua 14 _De verdeling van het land west van de Jordaan en Kaleb in Hebron_ ### De verdeling van het land door het lot **14:1** Dit is wat de zonen van Israël in het land Kanaän als erfdeel ontvingen. Eleazar, de priester, Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van de zonen van Israël hebben het hun als erfdeel verdeeld. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit | אֲשֶׁר (asher) = wat | נָחֲל֥וּ (nachalu) = als erfdeel ontvingen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | נִֽחֲל֜וּ (nichalu) = als erfdeel verdeelden | אוֹתָ֗ם (otam) = hun | אֶלְעָזָ֤ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | וִיהוֹשֻׁ֣עַ (vihoshua) = en Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֔וּן (nun) = Nun | וְרָאשֵׁ֛י (verashei) = en de hoofden van | אֲב֥וֹת (avot) = de vaders | הַמַּטּ֖וֹת (hamatot) = de stammen | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Eleazar en Jozua zouden het land verdelen: zie Num. 34:17. De ‘familiehoofden’ (רָאשֵׁי אָבוֹת, rashe avot) zijn letterlijk de ‘hoofden van de vaders’. Zie Num. 32:28. Zie ook: Num 32:28; Num 34:17–29 **14:2** Door het lot kregen zij hun erfdeel, zoals Yahweh door Mozes had geboden, voor de negen stammen en de halve stam. Brontekst: בְּגוֹרַ֖ל (begoral) = door het lot | נַחֲלָתָ֑ם (nachalatam) = hun erfdeel | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֤ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לְתִשְׁעַ֥ת (letishat) = voor de negen | הַמַּטּ֖וֹת (hamatot) = stammen | וַחֲצִ֥י (vachatsi) = en de helft van | הַמַּטֶּֽה (hamate) = de stam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verdeling door het lot stond in Num. 26:55, Num. 33:54 en Num. 34:13. Zie ook: Num 26:55–56; Num 33:54; Num 34:13; Spr 16:33; Mat 25:34 **14:3** Want Mozes had het erfdeel van de twee stammen en de halve stam gegeven aan de overkant van de Jordaan. Aan de Levieten had hij geen erfdeel gegeven te midden van hen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | נָתַ֨ן (natan) = had gegeven | מֹשֶׁ֜ה (moshe) = Mozes | נַחֲלַ֨ת (nachalat) = het erfdeel van | שְׁנֵ֤י (shenei) = de twee | הַמַּטּוֹת֙ (hamatot) = stammen | וַחֲצִ֣י (vachatsi) = en de helft van | הַמַּטֶּ֔ה (hamate) = de stam | מֵעֵ֖בֶר (meever) = aan de overkant van | לַיַּרְדֵּ֑ן (layarden) = de Jordaan | וְלַ֨לְוִיִּ֔ם (velalviyim) = en aan de Levieten | לֹֽא (lo) = niet | נָתַ֥ן (natan) = had hij gegeven | נַחֲלָ֖ה (nachala) = erfdeel | בְּתוֹכָֽם (betokham) = te midden van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Num 32:29–42; Deut 3:12–17; Joz 13:8; Joz 13:14; Joz 13:32–33 **14:4** Want de zonen van Jozef waren twee stammen: Manasse en Efraïm. Aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar alleen steden om in te wonen, met weidegrond voor hun vee en hun bezit. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הָי֧וּ (hayu) = waren | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | מַטּ֖וֹת (matot) = stammen | מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | וְאֶפְרָ֑יִם (veefrayim) = en Efraïm | וְלֹֽא (velo) = en niet | נָתְנוּ֩ (natenu) = gaven zij | חֵ֨לֶק (cheleq) = deel | לַלְוִיִּ֜ם (lalviyim) = aan de Levieten | בָּאָ֗רֶץ (baarets) = in het land | כִּ֤י (ki) = maar | אִם (im) = indien | עָרִים֙ (arim) = steden | לָשֶׁ֔בֶת (lashevet) = om te wonen | וּמִ֨גְרְשֵׁיהֶ֔ם (umigresheihem) = en hun weidegrond | לְמִקְנֵיהֶ֖ם (lemiqneihem) = voor hun vee | וּלְקִנְיָנָֽם (uleqinyanam) = en voor hun bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De steden voor de Levieten stonden in Num. 35:2–3. Hun ‘weidegrond’ (מִגְרָשׁ, migrash) was voor hun vee en hun bezit. Zie ook: Gen 48:5; Num 35:2–8; Joz 21:2–42; 1 Kron 5:1–2; 1 Kron 6:39–66 **14:5** Zoals Yahweh Mozes had geboden, zo deden de zonen van Israël. Zij verdeelden het land. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֤ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשׂ֖וּ (asu) = deden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַֽיַּחְלְק֖וּ (vayachlequ) = en zij verdeelden | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 35:1–2; Joz 21:2 ### Kaleb vraagt om Hebron **14:6** De zonen van Juda kwamen naar Jozua in Gilgal. Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, zei tegen hem: „Je kent het woord dat Yahweh tegen Mozes, de man van Elohim, heeft gesproken. Het ging over mij en over jou, in Kades-Barnea. Brontekst: וַיִּגְּשׁ֨וּ (vayigeshu) = en traden naar voren | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | בַּגִּלְגָּ֔ל (bagilgal) = in Gilgal | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | כָּלֵ֥ב (kalev) = Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּ֖ה (yefune) = Jefunne | הַקְּנִזִּ֑י (haqenizi) = de Kenizziet | אַתָּ֣ה (ata) = jij | יָדַ֡עְתָּ (yadata) = weet | אֶֽת (et) = (obj.) | הַדָּבָר֩ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֨ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | אִישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = de Elohim | עַ֧ל (al) = over | אֹדוֹתַ֛י (odotay) = mij | וְעַ֥ל (veal) = en over | אֹדוֹתֶ֖יךָ (odoteikha) = jou | בְּקָדֵ֥שׁ (beqadesh) = in Kades | בַּרְנֵֽעַ (barnea) = Barnea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilgal lag in de Jordaanvallei, bij Jericho. De precieze ligging is onzeker. Kades-Barnea is Ain Qudeirat in het noorden van de Sinaï (Egypte). Voetnoot Uitleg: Kaleb is een Kenizziet (zie Num. 32:12) en hoorde bij de stam Juda (zie Num. 13:6). De ‘man van Elohim’ is Mozes: zie Deut. 33:1. Zie ook: Num 13:6; Num 14:6; Num 14:24; Num 14:30; Num 32:12; Deut 33:1; Joz 14:14 **14:7** Ik was 40 jaar oud toen Mozes, de dienaar van Yahweh, mij uit Kades-Barnea stuurde om het land te verkennen. Ik bracht hem bericht terug, zoals het in mijn hart was. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אַרְבָּעִ֨ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֜ה (shana) = jaar | אָנֹכִ֗י (anokhi) = ik | בִּ֠שְׁלֹחַ (bishloach) = toen zond | מֹשֶׁ֨ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = dienaar van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֹתִ֛י (oti) = mij | מִקָּדֵ֥שׁ (miqadesh) = uit Kades | בַּרְנֵ֖עַ (barnea) = Barnea | לְרַגֵּ֣ל (leragel) = om te verkennen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וָאָשֵׁ֤ב (vaashev) = en ik bracht terug | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | דָּבָ֔ר (davar) = bericht | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | עִם (im) = met | לְבָבִֽי (levavi) = mijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie ook: Num 13:6; Num 13:16–20; Num 13:26–33; Num 14:6–10 **14:8** Mijn broers, die met mij waren opgetrokken, maakten het volk moedeloos. Maar ik heb Yahweh, mijn Elohim, volledig gevolgd. Brontekst: וְאַחַי֙ (veachay) = en mijn broers | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָל֣וּ (alu) = optrokken | עִמִּ֔י (imi) = met mij | הִמְסִ֖יו (himsiv) = maakten moedeloos | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֣ב (lev) = hart van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = maar ik | מִלֵּ֔אתִי (mileti) = heb volledig gevolgd | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Num. 13:30–31 en Deut. 1:28 voor wat de andere verspieders deden. Zie ook: Num 13:30–31; Num 13:31; Num 14:24; Deut 1:28; Deut 1:36; Joz 14:14; Openb 14:4 **14:9** Op die dag zwoer Mozes: ‘Het land waarop je voet getreden heeft, zal zeker voor altijd het erfdeel zijn van jou en van je zonen. Want je hebt Yahweh, mijn Elohim, volledig gevolgd.’ Brontekst: וַיִּשָּׁבַ֣ע (vayishava) = en zwoer | מֹשֶׁ֗ה (moshe) = Mozes | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֮ (hahu) = die | לֵאמֹר֒ (lemor) = om te zeggen | אִם (im) = indien | לֹ֗א (lo) = niet | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | דָּרְכָ֤ה (darekha) = heeft getreden | רַגְלְךָ֙ (raglekha) = je voet | בָּ֔הּ (bah) = daarop | לְךָ֨ (lekha) = voor jou | תִֽהְיֶ֧ה (tihye) = zal zijn | לְנַחֲלָ֛ה (lenachala) = als erfdeel | וּלְבָנֶ֖יךָ (ulevaneikha) = en voor je zonen | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | כִּ֣י (ki) = want | מִלֵּ֔אתָ (mileta) = je hebt volledig gevolgd | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Deze eed van Mozes staat niet letterlijk in Numeri of Deuteronomium. Wel zegt Yahweh het in Num. 14:24 en Deut. 1:36. Wij vertalen het als wat Kaleb hier van Mozes aanhaalt. Zie ook: Num 13:22; Num 14:22–24; Num 14:24; Deut 1:36; Joz 1:3 **14:10** En nu, zie, Yahweh heeft mij in leven gehouden, zoals Hij gesproken heeft. Het zijn nu 45 jaar sinds Yahweh dit woord tot Mozes sprak, toen Israël door de woestijn liep. En nu, zie, ik ben vandaag 85 jaar oud. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הִנֵּה֩ (hine) = zie | הֶחֱיָ֨ה (hecheya) = heeft in leven gehouden | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אוֹתִי֮ (oti) = mij | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | דִּבֵּר֒ (diber) = Hij heeft gesproken | זֶה֩ (ze) = deze | אַרְבָּעִ֨ים (arbaim) = veertig | וְחָמֵ֜שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | מֵ֠אָז (meaz) = sinds | דִּבֶּ֨ר (diber) = sprak | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = het woord | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אֶל (el) = tot | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֲשֶׁר (asher) = toen | הָלַ֥ךְ (halakh) = liep | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = door de woestijn | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | בֶּן (ben) = zoon van | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | וּשְׁמוֹנִ֖ים (ushemonim) = en tachtig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kaleb was 40 jaar bij de verkenning en is nu 85. Het verschil is de 45 jaar die sindsdien verstreken zijn. Zie ook: Num 14:30; Num 14:33–34; Joz 11:18 **14:11** Vandaag ben ik nog even sterk als op de dag dat Mozes mij stuurde. Zoals mijn kracht toen was, zo is mijn kracht nu, voor de oorlog, om uit te gaan en binnen te komen. Brontekst: עוֹדֶ֨נִּי (odeni) = nog ben ik | הַיּ֜וֹם (hayom) = vandaag | חָזָ֗ק (chazaq) = sterk | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag | שְׁלֹ֤חַ (sheloach) = zond | אוֹתִי֙ (oti) = mij | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | כְּכֹ֥חִי (kekhochi) = zoals mijn kracht | אָ֖ז (az) = toen | וּכְכֹ֣חִי (ukhekhochi) = en zoals mijn kracht | עָ֑תָּה (ata) = nu | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = voor de oorlog | וְלָצֵ֥את (velatset) = en om uit te gaan | וְלָבֽוֹא (velavo) = en om binnen te komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:2; Deut 34:7; Ps 90:10; Ps 103:5 **14:12** Geef mij nu dit bergland, waarover Yahweh op die dag gesproken heeft. Want jij hebt op die dag gehoord dat daar Anakieten zijn, en grote, versterkte steden. Misschien is Yahweh met mij. Dan verdrijf ik hen, zoals Yahweh gesproken heeft.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | תְּנָה (tena) = geef | לִּי֙ (li) = mij | אֶת (et) = (obj.) | הָהָ֣ר (hahar) = het bergland | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֲשֶׁר (asher) = waarover | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | כִּ֣י (ki) = want | אַתָּֽה (ata) = jij | שָׁמַעְתָּ֩ (shamata) = hebt gehoord | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | כִּֽי (ki) = dat | עֲנָקִ֣ים (anaqim) = Anakieten | שָׁ֗ם (sham) = daar | וְעָרִים֙ (vearim) = en steden | גְּדֹל֣וֹת (gedolot) = grote | בְּצֻר֔וֹת (betsurot) = versterkte | אוּלַ֨י (ulay) = misschien | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אוֹתִי֙ (oti) = met mij | וְה֣וֹרַשְׁתִּ֔ים (vehorashtim) = dan verdrijf ik hen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het bergland is het bergland van Hebron, in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Anakieten (עֲנָקִים, anaqim): zie Num. 13:28 en Deut. 1:28. Zie ook: Num 13:28; Num 13:33; Deut 1:28; Rom 8:31; Fil 4:13; Heb 11:33 ### Kaleb krijgt Hebron **14:13** Jozua zegende hem en gaf Hebron aan Kaleb, de zoon van Jefunne, als erfdeel. Brontekst: וַֽיְבָרְכֵ֖הוּ (vayvarekhehu) = en zegende hem | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en gaf | אֶת (et) = (obj.) | חֶבְר֛וֹן (chevron) = Hebron | לְכָלֵ֥ב (lekhalev) = aan Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּ֖ה (yefune) = Jefunne | לְנַחֲלָֽה (lenachala) = als erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Joz 10:36–37; Joz 15:13; Joz 22:6; Re 1:20; 1 Kron 6:40–41 **14:14** Daarom is Hebron tot op deze dag het erfdeel van Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet. Hij heeft Yahweh, de Elohim van Israël, volledig gevolgd. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֣ן (ken) = zo | הָיְתָֽה (hayeta) = werd | חֶ֠בְרוֹן (chevron) = Hebron | לְכָלֵ֨ב (lekhalev) = aan Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּ֤ה (yefune) = Jefunne | הַקְּנִזִּי֙ (haqenizi) = de Kenizziet | לְֽנַחֲלָ֔ה (lenachala) = als erfdeel | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | יַ֚עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | מִלֵּ֔א (mile) = hij volgde volledig | אַחֲרֵ֕י (acharei) = achter | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Joz 14:8–9; 1 Kor 15:58 **14:15** De naam van Hebron was vroeger Kirjat-Arba. Arba was de grootste man onder de Anakieten. Het land kwam tot rust van de oorlog. Brontekst: וְשֵׁ֨ם (veshem) = en de naam van | חֶבְר֤וֹן (chevron) = Hebron | לְפָנִים֙ (lefanim) = vroeger | קִרְיַ֣ת (qiryat) = Kirjat | אַרְבַּ֔ע (arba) = Arba | הָאָדָ֧ם (haadam) = de man | הַגָּד֛וֹל (hagadol) = de grote | בָּעֲנָקִ֖ים (baanaqim) = onder de Anakieten | ה֑וּא (hu) = hij | וְהָאָ֥רֶץ (vehaarets) = en het land | שָׁקְטָ֖ה (shaqeta) = kwam tot rust | מִמִּלְחָמָֽה (mimilchama) = van oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (nu Hebron, Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: קִרְיַת אַרְבַּע (Qirjat Arba), ‘stad van Arba’. Zie Gen. 23:2. Zie ook: Gen 23:2; Joz 11:23; Joz 15:13; Re 3:11; Re 8:28 ## Jozua 15 _Het erfdeel van Juda: de grenzen, Kaleb en de steden_ ### De zuidgrens van Juda **15:1** Het lot voor de stam van de zonen van Juda, naar hun families, reikte tot de grens van Edom. Het reikte tot de woestijn Zin in het zuiden, aan het uiterste zuiden. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | הַגּוֹרָ֗ל (hagoral) = het lot | לְמַטֵּ֛ה (lemate) = voor de stam van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | אֶל (el) = tot | גְּב֨וּל (gevul) = de grens van | אֱד֧וֹם (edom) = Edom | מִדְבַּר (midbar) = de woestijn | צִ֛ן (tsin) = Zin | נֶ֖גְבָּה (negba) = zuidwaarts | מִקְצֵ֥ה (miqtse) = vanaf het uiteinde van | תֵימָֽן (teiman) = het zuiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades. De grenzen zijn niet precies bekend. Zie ook: Num 26:55–56; Num 33:36–37; Num 34:3–5; Joz 14:2; Ezech 47:19 **15:2** Hun grens in het zuiden begon bij het uiteinde van de Zoutzee, bij de baai die naar het zuiden gekeerd is. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | גְּב֣וּל (gevul) = de grens | נֶ֔גֶב (negev) = zuid | מִקְצֵ֖ה (miqtse) = vanaf het uiteinde van | יָ֣ם (yam) = zee van | הַמֶּ֑לַח (hamelach) = de Zoutzee | מִן (min) = vanaf | הַלָּשֹׁ֖ן (halashon) = de baai | הַפֹּנֶ֥ה (hapone) = die zich keert | נֶֽגְבָּה (negba) = zuidwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Zoutzee is de Dode Zee (Israël en Jordanië). De baai is waarschijnlijk de zuidelijke inham van de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: לָשׁוֹן (lashon), ‘tong’: een baai of landtong. Zie ook: Gen 14:3; Num 34:3; Joz 3:16; Jes 11:15; Ezech 47:8 **15:3** De grens liep naar het zuiden van de klim van Akrabbim, liep door naar Zin en klom in het zuiden van Kades-Barnea. Hij liep door naar Chezron, klom naar Addar en boog af naar Karka. Brontekst: וְ֠יָצָא (veyatsa) = en liep uit | אֶל (el) = naar | מִנֶּ֜גֶב (minegev) = het zuiden van | לְמַעֲלֵ֤ה (lemaale) = de klim van | עַקְרַבִּים֙ (aqrabim) = Akrabbim | וְעָ֣בַר (veavar) = en liep door | צִ֔נָה (tsina) = naar Zin | וְעָלָ֥ה (veala) = en klom | מִנֶּ֖גֶב (minegev) = het zuiden van | לְקָדֵ֣שׁ (leqadesh) = naar Kades | בַּרְנֵ֑עַ (barnea) = Barnea | וְעָבַ֤ר (veavar) = en liep door | חֶצְרוֹן֙ (chetsron) = Chezron | וְעָלָ֣ה (veala) = en klom | אַדָּ֔רָה (adara) = naar Addar | וְנָסַ֖ב (venasav) = en boog af | הַקַּרְקָֽעָה (haqarqaa) = naar Karka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De klim van Akrabbim is waarschijnlijk de pas Naqb es-Safa, ten zuidwesten van de Dode Zee (Israël). Zin is de woestijn Zin. Kades-Barnea is Ain Qudeirat in het noorden van de Sinaï (Egypte). De ligging van Chezron, Addar en Karka is onzeker. Zie Num. 34:4. Zie Klim van Akrabbim: De klim van Akrabbim lag in het zuiden van de grens van Kanaän, ten zuidwesten van de Dode Zee. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Gen 14:7; Num 20:1; Num 32:8; Num 34:4; Re 1:36 **15:4** Hij liep door naar Asmon en liep uit naar de beek van Egypte. Het einde van de grens ligt bij de zee. Dit zal voor jullie de zuidgrens zijn. Brontekst: וְעָבַ֣ר (veavar) = en liep door | עַצְמ֗וֹנָה (atsmona) = naar Asmon | וְיָצָא֙ (veyatsa) = en liep uit | נַ֣חַל (nachal) = de beek van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהָי֛וּ (vehayu) = en waren | תֹּצְא֥וֹת (totseot) = de uiteinden van | הַגְּב֖וּל (hagevul) = de grens | יָ֑מָּה (yama) = zeewaarts | זֶה (ze) = dit | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | גְּב֥וּל (gevul) = grens van | נֶֽגֶב (negev) = zuid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van Asmon is onzeker, in het zuiden van de Negev. De beek van Egypte is de Wadi el-Arisj in het noorden van de Sinaï (Egypte). Zie Num. 34:5. Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï. Dit is de zuidwestgrens van het land. Zie ook: Gen 15:18; Ex 23:31; Num 34:5; Joz 13:3 ### De oostgrens en de noordgrens **15:5** De grens in het oosten is de Zoutzee, tot het uiteinde van de Jordaan. De grens aan de noordzijde begint bij de baai van de zee, bij het uiteinde van de Jordaan. Brontekst: וּגְב֥וּל (ugevul) = en de grens van | קֵ֨דְמָה֙ (qedema) = oostwaarts | יָ֣ם (yam) = de zee van | הַמֶּ֔לַח (hamelach) = de Zoutzee | עַד (ad) = tot | קְצֵ֖ה (qetse) = het uiteinde van | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וּגְב֞וּל (ugevul) = en de grens van | לִפְאַ֤ת (lifat) = aan de zijde | צָפ֨וֹנָה֙ (tsafona) = noordwaarts | מִלְּשׁ֣וֹן (mileshon) = vanaf de baai van | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | מִקְצֵ֖ה (miqtse) = vanaf het uiteinde van | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zoutzee: De Zoutzee is de Dode Zee, het meer in het diepe dal ten oosten van Juda. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Num 34:10; Num 34:12; Joz 18:15–19 **15:6** De grens klom naar Bet-Chogla en liep door ten noorden van Bet-Haaraba. De grens klom naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben. Brontekst: וְעָלָ֤ה (veala) = en klom | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | בֵּ֣ית (beit) = Bet | חָגְלָ֔ה (chagela) = Chogla | וְעָבַ֕ר (veavar) = en liep door | מִצְּפ֖וֹן (mitsefon) = ten noorden van | לְבֵ֣ית (leveit) = Bet | הָעֲרָבָ֑ה (haarava) = Haaraba | וְעָלָ֣ה (veala) = en klom | הַגְּב֔וּל (hagevul) = de grens | אֶ֥בֶן (even) = de steen van | בֹּ֖הַן (bohan) = Bohan | בֶּן (ben) = zoon van | רְאוּבֵֽן (reuven) = Ruben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Chogla is waarschijnlijk Ain Hajla, bij de Jordaan, ten oosten van Jericho (Westelijke Jordaanoever). De ligging van Bet-Haaraba en de steen van Bohan is onzeker. Voetnoot Uitleg: Bohan was een zoon van Ruben. In Joz. 18:17 staat dezelfde steen. Zie ook: Joz 18:17; Joz 18:19–21 **15:7** De grens klom naar Debir, vanuit de vallei van Achor. In het noorden wendde hij zich naar Gilgal, dat tegenover de klim van Adummim ligt, ten zuiden van de beek. Daarna liep de grens door naar de wateren van En-Semes. Zijn einde ligt bij En-Rogel. Brontekst: וְעָלָ֨ה (veala) = en klom | הַגְּב֥וּל (hagevul) = de grens | דְּבִרָה֮ (devira) = naar Debir | מֵעֵ֣מֶק (meemeq) = vanuit de vallei van | עָכוֹר֒ (akhor) = Achor | וְצָפ֜וֹנָה (vetsafona) = en noordwaarts | פֹּנֶ֣ה (pone) = wendde zich | אֶל (el) = naar | הַגִּלְגָּ֗ל (hagilgal) = Gilgal | אֲשֶׁר (asher) = dat | נֹ֨כַח֙ (nokhach) = tegenover | לְמַעֲלֵ֣ה (lemaale) = de klim van | אֲדֻמִּ֔ים (adumim) = Adummim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | מִנֶּ֖גֶב (minegev) = ten zuiden van | לַנָּ֑חַל (lanachal) = de beek | וְעָבַ֤ר (veavar) = en liep door | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | אֶל (el) = naar | מֵי (mei) = de wateren van | עֵ֣ין (ein) = En | שֶׁ֔מֶשׁ (shemesh) = Semes | וְהָי֥וּ (vehayu) = en waren | תֹצְאֹתָ֖יו (totseotav) = zijn uitlopers | אֶל (el) = naar | עֵ֥ין (ein) = En | רֹגֵֽל (rogel) = Rogel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vallei van Achor ligt waarschijnlijk bij Jericho (Westelijke Jordaanoever); de ligging is onzeker. Zie Joz. 7:24–26. Gilgal heet in Joz. 18:17 Gelilot. Adummim is waarschijnlijk Talaat ed-Damm, aan de weg van Jeruzalem naar Jericho. En-Semes is waarschijnlijk de bron bij Betanië (Westelijke Jordaanoever). En-Rogel is een bron ten zuiden van Jeruzalem, in het Kidrondal. Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron. Dit is niet geheel zeker. Zie Dal van Achor (ligging onzeker): Het dal van Achor lag bij Jericho, aan de noordgrens van Juda. De precieze plaats is niet zeker. Zie Klim van Adummim: De klim van Adummim lag aan de oude weg van Jeruzalem naar Jericho, bij Talaat ed-Damm. Voetnoot Uitleg: De ‘Gilgal’ van dit vers is niet de Gilgal van Joz. 14:6, maar een andere plaats met dezelfde naam, ‘kring van stenen’. Zie ook: Joz 7:24–26; Joz 7:26; Joz 14:6; Joz 15:15; Joz 18:17; 2 Sam 17:17; 1 Kon 1:9; Jes 65:10 **15:8** De grens klom langs het dal van de zoon van Hinnom naar de zuidflank van de Jebusieten, dat is Jeruzalem. Daarna klom de grens naar de top van de berg. Die berg ligt tegenover het dal van Hinnom, in het westen. Hij ligt aan het einde van de vallei van de Refaïeten in het noorden. Brontekst: וְעָלָ֨ה (veala) = en klom | הַגְּב֜וּל (hagevul) = de grens | גֵּ֣י (gei) = het dal van | בֶן (ben) = de zoon van | הִנֹּ֗ם (hinom) = Hinnom | אֶל (el) = naar | כֶּ֤תֶף (ketef) = de flank van | הַיְבוּסִי֙ (hayvusi) = de Jebusiet | מִנֶּ֔גֶב (minegev) = in het zuiden | הִ֖יא (hi) = zij | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְעָלָ֨ה (veala) = en klom | הַגְּב֜וּל (hagevul) = de grens | אֶל (el) = naar | רֹ֣אשׁ (rosh) = de top van | הָהָ֗ר (hahar) = de berg | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | עַל (al) = voor | פְּנֵ֤י (penei) = het aangezicht van | גֵֽי (gei) = het dal van | הִנֹּם֙ (hinom) = Hinnom | יָ֔מָּה (yama) = westwaarts | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | בִּקְצֵ֥ה (biqtse) = aan het einde van | עֵֽמֶק (emeq) = de vallei van | רְפָאִ֖ים (refaim) = de Refaïeten | צָפֹֽנָה (tsafona) = noordwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van de zoon van Hinnom ligt ten zuiden en ten westen van Jeruzalem. De vallei van de Refaïeten ligt ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël). De ligging is waarschijnlijk. Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: De Jebusieten woonden in Jeruzalem. Dat blijkt ook uit vers 63. Zie ook: Joz 15:63; Joz 18:16; Joz 18:28; Re 19:10; 2 Kon 23:10 **15:9** Van de top van de berg liep de grens verder naar de bron van het water van Neftoach. Zij liep uit naar de steden van het gebergte Efron. Daarna liep de grens verder naar Baala, dat is Kirjat-Jearim. Brontekst: וְתָאַ֨ר (vetaar) = en liep verder | הַגְּב֜וּל (hagevul) = de grens | מֵרֹ֣אשׁ (merosh) = van de top van | הָהָ֗ר (hahar) = de berg | אֶל (el) = naar | מַעְיַן֙ (mayan) = de bron van | מֵ֣י (mei) = de wateren van | נֶפְתּ֔וֹחַ (neftoach) = Neftoach | וְיָצָ֖א (veyatsa) = en liep uit | אֶל (el) = naar | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | הַר (har) = het gebergte van | עֶפְר֑וֹן (efron) = Efron | וְתָאַ֤ר (vetaar) = en liep verder | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | בַּעֲלָ֔ה (baala) = naar Baala | הִ֖יא (hi) = zij | קִרְיַ֥ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִֽים (yearim) = Jearim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Neftoach is waarschijnlijk Lifta, ten noordwesten van Jeruzalem. Het gebergte Efron ligt ten westen daarvan; de ligging is onzeker. Baala is Kirjat-Jearim (zie ook Joz. 15:60), waarschijnlijk bij Abu Gosh, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Zie ook: Joz 9:17; Joz 15:60; Joz 18:15; Re 18:12; 2 Sam 6:2; 1 Kron 13:6 **15:10** Van Baala boog de grens af naar het westen, naar het gebergte Seïr. Hij liep door naar de flank van de berg Jearim aan de noordkant, dat is Kesalon. Hij daalde af naar Bet-Semes en liep door naar Timna. Brontekst: וְנָסַב֩ (venasav) = en boog af | הַגְּב֨וּל (hagevul) = de grens | מִבַּעֲלָ֥ה (mibaala) = vanaf Baala | יָ֨מָּה֙ (yama) = westwaarts | אֶל (el) = naar | הַ֣ר (har) = het gebergte van | שֵׂעִ֔יר (seir) = Seïr | וְעָבַ֕ר (veavar) = en liep door | אֶל (el) = naar | כֶּ֧תֶף (ketef) = de flank van | הַר (har) = de berg | יְעָרִ֛ים (yearim) = Jearim | מִצָּפ֖וֹנָה (mitsafona) = aan de noordkant | הִ֣יא (hi) = zij | כְסָל֑וֹן (kesalon) = Kesalon | וְיָרַ֥ד (veyarad) = en daalde af | בֵּֽית (beit) = Bet | שֶׁ֖מֶשׁ (shemesh) = Semes | וְעָבַ֥ר (veavar) = en liep door | תִּמְנָֽה (timna) = naar Timna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dit gebergte Seïr ligt in Juda en is een andere berg dan het gebergte Seïr in Edom. Kesalon is waarschijnlijk het huidige Kesla. Bet-Semes is Tel Bet-Semes (Tell er-Rumeile) en Timna is waarschijnlijk Tel Batasj, beide in Israël. Zie ook: Gen 38:12–13; Joz 15:57; Re 14:1; Re 14:5; 1 Sam 6:12–21 **15:11** De grens liep uit naar de flank van Ekron in het noorden. Hij liep verder naar Sikron, ging door langs de berg Baala en liep uit bij Jabneël. Het einde van de grens ligt bij de zee. Brontekst: וְיָצָ֨א (veyatsa) = en liep uit | הַגְּב֜וּל (hagevul) = de grens | אֶל (el) = naar | כֶּ֣תֶף (ketef) = de flank van | עֶקְרוֹן֮ (eqron) = Ekron | צָפוֹנָה֒ (tsafona) = noordwaarts | וְתָאַ֤ר (vetaar) = en liep verder | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | שִׁכְּר֔וֹנָה (shikerona) = naar Sikron | וְעָבַ֥ר (veavar) = en liep door | הַר (har) = de berg | הַֽבַּעֲלָ֖ה (habaala) = Baala | וְיָצָ֣א (veyatsa) = en liep uit | יַבְנְאֵ֑ל (yavneel) = naar Jabneël | וְהָי֛וּ (vehayu) = en waren | תֹּצְא֥וֹת (totseot) = de uiteinden van | הַגְּב֖וּל (hagevul) = de grens | יָֽמָּה (yama) = zeewaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ekron is Khirbet el-Muqanna (Israël). De ligging van Sikron is onzeker. Jabneël is het latere Jabne (Javne, Israël), dicht bij de kust. Zie ook: Joz 15:45; 1 Sam 5:10; 1 Sam 7:14; 2 Kon 1:6; 2 Kon 1:16 ### De westgrens **15:12** De westgrens is de Grote Zee en haar gebied. Dit is de grens rondom van de zonen van Juda, naar hun families. Brontekst: וּגְב֣וּל (ugevul) = en de grens van | יָ֔ם (yam) = de zee | הַיָּ֥מָּה (hayama) = westwaarts | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | וּגְב֑וּל (ugevul) = en het gebied | זֶ֠ה (ze) = dit | גְּב֧וּל (gevul) = de grens van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Grote Zee is de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: גְּבוּל (gevul), ‘grens’ of ‘gebied’: hier de kuststrook. Zie Num. 34:6. Zie ook: Num 34:6–7; Deut 11:24; Joz 15:47; Ezech 47:20 ### Kaleb verovert Hebron en Debir **15:13** Aan Kaleb, de zoon van Jefunne, gaf hij een deel te midden van de zonen van Juda, op bevel van Yahweh aan Jozua: Kirjat-Arba. Arba was de vader van Anak. Dat is Hebron. Brontekst: וּלְכָלֵ֣ב (ulekhalev) = en aan Kaleb | בֶּן (ben) = zoon van | יְפֻנֶּ֗ה (yefune) = Jefunne | נָ֤תַן (natan) = gaf hij | חֵ֨לֶק֙ (cheleq) = een deel | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = op | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִֽיהוֹשֻׁ֑עַ (lihoshua) = aan Jozua | אֶת (et) = (obj.) | קִרְיַ֥ת (qiryat) = Kirjat | אַרְבַּ֛ע (arba) = Arba | אֲבִ֥י (avi) = de vader van | הָעֲנָ֖ק (haanaq) = Anak | הִ֥יא (hi) = zij | חֶבְרֽוֹן (chevron) = Hebron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt ‘Kirjat-Arba, de vader van Anak’. Wij lezen: Arba is de vader van Anak. Zie Joz. 14:15. Zie ook: Num 13:30; Num 14:23–24; Deut 1:34–36; Joz 14:6–15; Joz 14:15 **15:14** Kaleb verdreef vandaar de drie zonen van Anak: Sjesai, Achiman en Talmai, de nakomelingen van Anak. Brontekst: וַיֹּ֤רֶשׁ (vayoresh) = en nam in bezit | מִשָּׁם֙ (misham) = vandaar | כָּלֵ֔ב (kalev) = Kaleb | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלוֹשָׁ֖ה (shelosha) = de drie | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הָעֲנָ֑ק (haanaq) = Anak | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁשַׁ֤י (sheshay) = Sjesai | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲחִימַן֙ (achiman) = Achiman | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תַּלְמַ֔י (talmay) = Talmai | יְלִידֵ֖י (yelidei) = nakomelingen van | הָעֲנָֽק (haanaq) = Anak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjesai, Achiman en Talmai: zie Num. 13:22. Zie ook: Num 13:22–23; Joz 10:36–37; Joz 11:21; Re 1:10; Re 1:20 **15:15** Vandaar trok hij op tegen de bewoners van Debir. De naam van Debir was vroeger Kirjat-Sefer. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en trok op | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | אֶל (el) = tegen | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = de bewoners van | דְּבִ֑ר (devir) = Debir | וְשֵׁם (veshem) = en de naam van | דְּבִ֥ר (devir) = Debir | לְפָנִ֖ים (lefanim) = vroeger | קִרְיַת (qiryat) = Kirjat | סֵֽפֶר (sefer) = Sefer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Debir ligt waarschijnlijk bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron (Westelijke Jordaanoever). De ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: קִרְיַת סֵפֶר (Qirjat Sefer), ‘stad van het boek’. Zie ook: Joz 10:3; Joz 10:38; Re 1:11–13 **15:16** Kaleb zei: „Wie Kirjat-Sefer verslaat en inneemt, hem zal ik mijn dochter Aksa tot vrouw geven.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | כָּלֵ֔ב (kalev) = Kaleb | אֲשֶׁר (asher) = wie | יַכֶּ֥ה (yake) = verslaat | אֶת (et) = (obj.) | קִרְיַת (qiryat) = Kirjat | סֵ֖פֶר (sefer) = Sefer | וּלְכָדָ֑הּ (ulekhadah) = en inneemt | וְנָתַ֥תִּי (venatati) = dan geef ik | ל֛וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | עַכְסָ֥ה (akhsa) = Aksa | בִתִּ֖י (biti) = mijn dochter | לְאִשָּֽׁה (leisha) = als vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron. Dit is niet geheel zeker. Zie ook: Re 1:6; Re 1:12–13 **15:17** Otniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam de stad in. Kaleb gaf hem zijn dochter Aksa tot vrouw. Brontekst: וַֽיִּלְכְּדָ֛הּ (vayilkedah) = en nam in | עָתְנִיאֵ֥ל (ateniel) = Otniël | בֶּן (ben) = zoon van | קְנַ֖ז (qenaz) = Kenaz | אֲחִ֣י (achi) = broer van | כָלֵ֑ב (kalev) = Kaleb | וַיִּתֶּן (vayiten) = en gaf | ל֛וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | עַכְסָ֥ה (akhsa) = Aksa | בִתּ֖וֹ (bito) = zijn dochter | לְאִשָּֽׁה (leisha) = als vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Otniël is later de redder die Yahweh voor Israël opwekt: zie Richt. 3:9. Het verhaal van vers 15–19 staat ook in Richt. 1:11–15. Zie ook: Joz 14:6; Joz 15:15–19; Re 1:11–15; Re 1:13; Re 3:9; Re 3:11; 1 Kron 2:49 **15:18** Toen zij kwam, spoorde zij hem aan om een veld van haar vader te vragen. Zij liet zich van de ezel zakken. Kaleb zei tegen haar: „Wat wil je?” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בְּבוֹאָ֗הּ (bevoah) = toen zij kwam | וַתְּסִיתֵ֨הוּ֙ (vatesitehu) = en zij spoorde aan hem | לִשְׁא֤וֹל (lishol) = om te vragen | מֵֽאֵת (meet) = van | אָבִ֨יהָ֙ (aviha) = haar vader | שָׂדֶ֔ה (sade) = een veld | וַתִּצְנַ֖ח (vatitsnach) = en zij liet zich zakken | מֵעַ֣ל (meal) = van | הַחֲמ֑וֹר (hachamor) = de ezel | וַיֹּֽאמֶר (vayomer) = en zei | לָ֥הּ (lah) = tot haar | כָּלֵ֖ב (kalev) = Kaleb | מַה (ma) = wat | לָּֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt hier: ‘zij spoorde hem aan’. Wij volgen de grondtekst. In Richt. 1:14 staat dezelfde zin. Zie ook: Gen 24:64; Re 1:14; 1 Sam 25:23 **15:19** Zij zei: „Geef mij een zegen. Want u hebt mij het land van de Negev gegeven. Geef mij dan ook bronnen met water.” Hij gaf haar de bovenste bronnen en de onderste bronnen. Brontekst: וַתֹּ֜אמֶר (vatomer) = en zij zei | תְּנָה (tena) = geef | לִּ֣י (li) = mij | בְרָכָ֗ה (berakha) = een zegen | כִּ֣י (ki) = want | אֶ֤רֶץ (erets) = het land van | הַנֶּ֨גֶב֙ (hanegev) = de Negev | נְתַתָּ֔נִי (netatani) = u hebt mij gegeven | וְנָתַתָּ֥ה (venatata) = dan geef | לִ֖י (li) = mij | גֻּלֹּ֣ת (gulot) = bronnen van | מָ֑יִם (mayim) = water | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | לָ֗הּ (lah) = haar | אֵ֚ת (et) = (obj.) | גֻּלֹּ֣ת (gulot) = bronnen van | עִלִּיּ֔וֹת (iliyot) = de bovenste | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | גֻּלֹּ֥ת (gulot) = bronnen van | תַּחְתִּיּֽוֹת (tachtiyot) = de onderste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: hier een geschenk. Het gaat om bronnen (גֻּלֹּת, gullot) voor het droge land van de Negev. Zij vraagt water voor het land dat haar vader haar gegeven heeft. Zie ook: Gen 33:11; Deut 33:7; Re 1:14–15; 1 Sam 25:27; 2 Kor 9:5 ### De steden van Juda **15:20** Dit is het erfdeel van de stam van de zonen van Juda, naar hun families. Brontekst: זֹ֗את (zot) = dit | נַחֲלַ֛ת (nachalat) = erfdeel van | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | בְנֵי (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:8–12; Deut 33:7 ### De steden in de Negev **15:21** De steden aan het uiteinde van de stam van de zonen van Juda, bij de grens van Edom, in de Negev, waren: Kabseël, Eder en Jagur, Brontekst: וַיִּֽהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | הֶעָרִ֗ים (hearim) = de steden | מִקְצֵה֙ (miqtse) = aan het uiteinde | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = bij | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | אֱד֖וֹם (edom) = Edom | בַּנֶּ֑גְבָּה (banegba) = in de Negev | קַבְצְאֵ֥ל (qavtseel) = Kabseël | וְעֵ֖דֶר (veeder) = en Eder | וְיָגֽוּר (veyagur) = en Jagur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Negev is het droge zuiden van Juda (Israël). De ligging van Kabseël, Eder en Jagur is onzeker; zij liggen in het zuiden, bij Edom. Zie ook: Gen 35:21; Neh 11:25 **15:22** Kina, Dimona en Adada, Brontekst: וְקִינָ֥ה (veqina) = en Kina | וְדִֽימוֹנָ֖ה (vedimona) = en Dimona | וְעַדְעָדָֽה (veadada) = en Adada Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:23** Kedes, Chasor en Jitnan, Brontekst: וְקֶ֥דֶשׁ (veqedesh) = en Kedes | וְחָצ֖וֹר (vechatsor) = en Chasor | וְיִתְנָֽן (veyitnan) = en Jitnan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Zie ook: Num 33:37; Deut 1:19; Joz 12:22 **15:24** Zif, Telem en Bealot, Brontekst: זִ֥יף (zif) = Zif | וָטֶ֖לֶם (vatelem) = en Telem | וּבְעָלֽוֹת (uvealot) = en Bealot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zif: Zif wordt gezocht bij Tell Zif, ten zuidoosten van Hebron. Zie ook: 1 Sam 15:4; 1 Sam 23:14; 1 Sam 23:19; 1 Sam 23:24; Ps 54:3 **15:25** Chasor-Chadata en Kerijot-Chezron, dat is Chasor, Brontekst: וְחָצ֤וֹר (vechatsor) = en Chasor | חֲדַתָּה֙ (chadata) = Chadata | וּקְרִיּ֔וֹת (uqeriyot) = en Kerijot | חֶצְר֖וֹן (chetsron) = Chezron | הִ֥יא (hi) = zij | חָצֽוֹר (chatsor) = Chasor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Voetnoot Uitleg: Dit vers noemt Chasor-Chadata en Kerijot-Chezron. De laatste heet ook Chasor. Er zijn dus twee of drie namen. **15:26** Amam, Sema en Molada, Brontekst: אֲמָ֥ם (amam) = Amam | וּשְׁמַ֖ע (ushema) = en Sema | וּמוֹלָדָֽה (umolada) = en Molada Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Molada: Molada wordt gezocht bij Tel Malhata, in de Negev. Zie ook: 1 Kron 4:28 **15:27** Chasar-Gadda, Chesmon en Bet-Pelet, Brontekst: וַחֲצַ֥ר (vachatsar) = en Chasar | גַּדָּ֛ה (gada) = Gadda | וְחֶשְׁמ֖וֹן (vecheshmon) = en Chesmon | וּבֵ֥ית (uveit) = en Bet | פָּֽלֶט (palet) = Pelet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 11:26 **15:28** Chasar-Sual, Beër-Sjeba en Bizjotja, Brontekst: וַחֲצַ֥ר (vachatsar) = en Chasar | שׁוּעָ֛ל (shual) = Sual | וּבְאֵ֥ר (uveer) = en Beër | שֶׁ֖בַע (sheva) = Sjeba | וּבִזְיוֹתְיָֽה (uvizyoteya) = en Bizjotja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beër-Sjeba is Tel Beër-Sjeba bij de stad Beër-Sjeba (Israël). Zie Gen. 21:31. Zie ook: Gen 21:14; Gen 21:31–33; Gen 26:33; Joz 19:2–3; 1 Kron 4:28 **15:29** Baala, Ijim en Ezem, Brontekst: בַּעֲלָ֥ה (baala) = Baala | וְעִיִּ֖ים (veiyim) = en Ijim | וָעָֽצֶם (vaatsem) = en Ezem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 15:9–11; Joz 19:3; 1 Kron 4:29 **15:30** Eltolad, Kesil en Chorma, Brontekst: וְאֶלְתּוֹלַ֥ד (veeltolad) = en Eltolad | וּכְסִ֖יל (ukhesil) = en Kesil | וְחָרְמָֽה (vecharema) = en Chorma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chorma: Chorma lag in het noorden van de Negev, in de buurt van Beër-Sjeba en Arad. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Num 14:45; Deut 1:44; Joz 19:4; Re 1:17 **15:31** Siklag, Madmanna en Sansanna, Brontekst: וְצִֽקְלַ֥ג (vetsiqlag) = en Siklag | וּמַדְמַנָּ֖ה (umadmana) = en Madmanna | וְסַנְסַנָּֽה (vesansana) = en Sansanna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van Siklag is onzeker, in het zuiden van Juda (Israël). Zie ook: Joz 19:5; 1 Sam 27:6; 1 Sam 30:1; 1 Kron 12:1 **15:32** Lebaot, Silchim, Ain en Rimmon. In totaal 29 steden met hun dorpen. Brontekst: וּלְבָא֥וֹת (ulevaot) = en Lebaot | וְשִׁלְחִ֖ים (veshilchim) = en Silchim | וְעַ֣יִן (veayin) = en Ain | וְרִמּ֑וֹן (verimon) = en Rimmon | כָּל (kal) = alle | עָרִ֛ים (arim) = steden | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וָתֵ֖שַׁע (vatesha) = en negen | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de grondtekst staat hier 29 steden. In de lijst van vers 21–32 staan er meer, ongeveer 36. Wij vertalen het getal zoals het staat. Zie ook: Num 34:11; Joz 15:21–32; Neh 11:29 ### De steden in de Sefela **15:33** In de Sefela: Estaol, Tsora en Asna, Brontekst: בַּשְּׁפֵלָ֑ה (bashefela) = in de Sefela | אֶשְׁתָּא֥וֹל (eshtaol) = Estaol | וְצָרְעָ֖ה (vetsarea) = en Tsora | וְאַשְׁנָֽה (veashna) = en Asna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Sefela is het heuvelland tussen het bergland van Juda en de kust (Israël). Estaol is waarschijnlijk Eshwa en Tsora is Tel Tsora (Sar’a), beide ten westen van Jeruzalem. Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Zie ook: Num 13:23; Joz 19:41; Re 13:25; Re 16:31 **15:34** Zanoach, En-Gannim, Tappuach en Enam, Brontekst: וְזָנ֨וֹחַ֙ (vezanoach) = en Zanoach | וְעֵ֣ין (veein) = en En | גַּנִּ֔ים (ganim) = Gannim | תַּפּ֖וּחַ (tapuach) = Tappuach | וְהָעֵינָֽם (vehaeinam) = en Enam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zanoach is waarschijnlijk Khirbet Zanu’ (Israël). De ligging van En-Gannim, Tappuach en Enam is onzeker. Zie ook: Joz 12:17; Joz 15:53 **15:35** Jarmut, Adullam, Soko en Azeka, Brontekst: יַרְמוּת֙ (yarmut) = Jarmut | וַעֲדֻלָּ֔ם (vaadulam) = en Adullam | שׂוֹכֹ֖ה (sokho) = Soko | וַעֲזֵקָֽה (vaazeqa) = en Azeka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Adullam is waarschijnlijk Tel Adullam (Khirbet esj-Sjeikh Madkur) en Azeka is Tel Azeka, beide in Israël. Soko ligt in de Sefela (waarschijnlijk Khirbet Abbad). Zie Jarmut: Jarmut wordt gezocht bij Khirbet Jarmuk, in de Sefela. Zie ook: Joz 10:3; Joz 12:15; Joz 15:48; 1 Sam 17:1; 1 Sam 22:1 **15:36** Saaraim, Aditaim, Gedera en Gederotaim: 14 steden met hun dorpen. Brontekst: וְשַׁעֲרַ֨יִם֙ (veshaarayim) = en Saaraim | וַעֲדִיתַ֔יִם (vaaditayim) = en Aditaim | וְהַגְּדֵרָ֖ה (vehagedera) = en de Gedera | וּגְדֵרֹתָ֑יִם (ugederotayim) = en Gederotaim | עָרִ֥ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Saäraïm (ligging onzeker): Saäraïm wordt gezocht bij Khirbet Qeiyafa, in de Sefela. Dit is niet zeker. Voetnoot Lezing: De grondtekst telt 14 steden. De lijst van vers 33–36 noemt er 15. Misschien zijn Gedera en Gederotaim één plaats; dat is onzeker. Zie ook: Joz 15:33–36; 1 Sam 17:52 **15:37** Tsenan, Chadasja en Migdal-Gad, Brontekst: צְנָ֥ן (tsenan) = Tsenan | וַחֲדָשָׁ֖ה (vachadasha) = en Chadasja | וּמִגְדַּל (umigdal) = en Migdal | גָּֽד (gad) = Gad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:38** Dilan, Mispe en Jokteël, Brontekst: וְדִלְעָ֥ן (vedilan) = en Dilan | וְהַמִּצְפֶּ֖ה (vehamitspe) = en Mispe | וְיָקְתְאֵֽל (veyaqeteel) = en Jokteël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:48–49; Re 20:1; 1 Sam 7:16; 1 Sam 10:17; 2 Kon 14:7 **15:39** Lachis, Botskat en Eglon, Brontekst: לָכִ֥ישׁ (lakhish) = Lachis | וּבָצְקַ֖ת (uvatseqat) = en Botskat | וְעֶגְלֽוֹן (veeglon) = en Eglon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Lachis is Tel Lachis (Israël, zeker). De ligging van Botskat en Eglon is onzeker. Zie ook: Joz 10:3; Joz 10:31–32; 2 Kon 14:19; 2 Kon 19:8; 2 Kon 22:1 **15:40** Kabbon, Lachmas en Kitlis, Brontekst: וְכַבּ֥וֹן (vekhabon) = en Kabbon | וְלַחְמָ֖ס (velachmas) = en Lachmas | וְכִתְלִֽישׁ (vekhitlish) = en Kitlis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:41** Gederot, Bet-Dagon, Naäma en Makkeda: 16 steden met hun dorpen. Brontekst: וּגְדֵר֕וֹת (ugederot) = en Gederot | בֵּית (beit) = Bet | דָּג֥וֹן (dagon) = Dagon | וְנַעֲמָ֖ה (venaama) = en Naäma | וּמַקֵּדָ֑ה (umaqeda) = en Makkeda | עָרִ֥ים (arim) = steden | שֵׁשׁ (shesh) = zes | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela. Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker. Zie ook: Joz 10:10; Joz 10:21; Joz 10:28; Joz 12:16 **15:42** Libna, Eter en Asan, Brontekst: לִבְנָ֥ה (livna) = Libna | וָעֶ֖תֶר (vaeter) = en Eter | וְעָשָֽׁן (veashan) = en Asan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela. Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie ook: Joz 10:29; Joz 12:15; Joz 19:7; 2 Kon 8:22 **15:43** Jifta, Asna en Netsib, Brontekst: וְיִפְתָּ֥ח (veyiftach) = en Jifta | וְאַשְׁנָ֖ה (veashna) = en Asna | וּנְצִֽיב (unetsiv) = en Netsib Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:44** Keïla, Achzib en Maresa: 9 steden met hun dorpen. Brontekst: וּקְעִילָ֥ה (uqeila) = en Keïla | וְאַכְזִ֖יב (veakhziv) = en Achzib | וּמָֽרֵאשָׁ֑ה (umaresha) = en Maresa | עָרִ֥ים (arim) = steden | תֵּ֖שַׁע (tesha) = negen | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Keïla is waarschijnlijk Khirbet Qila en Maresa is Tel Maresja, beide in Israël. De ligging van Achzib is onzeker. Zie ook: Gen 38:5; 1 Sam 23:1–14; Mi 1:14–15 **15:45** Ekron, met zijn dochtersteden en zijn dorpen. Brontekst: עֶקְר֥וֹן (eqron) = Ekron | וּבְנֹתֶ֖יהָ (uvenoteiha) = en haar dochtersteden | וַחֲצֵרֶֽיהָ (vachatsereiha) = en haar dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Zie ook: Joz 13:3; 1 Sam 6:17; Amos 1:8; Sef 2:4; Zach 9:5–7 **15:46** Van Ekron westwaarts alles wat naast Asdod ligt, met hun dorpen. Brontekst: מֵעֶקְר֖וֹן (meeqron) = van Ekron | וָיָ֑מָּה (vayama) = en westwaarts | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עַל (al) = naast | יַ֥ד (yad) = de hand van | אַשְׁדּ֖וֹד (ashdod) = Asdod | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Asdod ligt aan de kust van Israël (Asdod, zeker). Gaza ligt aan de kust bij de Gazastrook (zeker). Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Voetnoot Uitleg: בְּנוֹתֶיהָ (benotheha), ‘haar dochters’: kleinere plaatsen die bij een stad horen. Zie ook: 1 Sam 5:1; 1 Sam 5:6; Amos 1:8; Jes 20:1; Neh 13:23–24 **15:47** Asdod, met zijn dochtersteden en zijn dorpen. Ook Gaza, met zijn dochtersteden en zijn dorpen, tot de beek van Egypte en de Grote Zee met haar gebied. Brontekst: אַשְׁדּ֞וֹד (ashdod) = Asdod | בְּנוֹתֶ֣יהָ (benoteiha) = haar dochtersteden | וַחֲצֵרֶ֗יהָ (vachatsereiha) = en haar dorpen | עַזָּ֥ה (aza) = Gaza | בְּנוֹתֶ֥יהָ (benoteiha) = haar dochtersteden | וַחֲצֵרֶ֖יהָ (vachatsereiha) = en haar dorpen | עַד (ad) = tot | נַ֣חַל (nachal) = de beek van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהַיָּ֥ם (vehayam) = en de zee | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | וּגְבֽוּל (ugevul) = en het gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo. Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï. Dit is de zuidwestgrens van het land. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Zie ook: Ex 23:31; Num 34:5–6; Joz 15:4; Re 16:1–21; Jer 47:1 ### De steden in het bergland **15:48** In het bergland: Samir, Jattir en Soko, Brontekst: וּבָהָ֑ר (uvahar) = en in het bergland | שָׁמִ֥יר (shamir) = Samir | וְיַתִּ֖יר (veyatir) = en Jattir | וְשׂוֹכֹֽה (vesokho) = en Soko Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jattir is waarschijnlijk Khirbet Attir, ten zuiden van Hebron (Westelijke Jordaanoever). De ligging van Samir en dit Soko is onzeker. Zie ook: Joz 21:14 **15:49** Danna en Kirjat-Sanna, dat is Debir, Brontekst: וְדַנָּ֥ה (vedana) = en Danna | וְקִרְיַת (veqiryat) = en Kirjat | סַנָּ֖ה (sana) = Sanna | הִ֥יא (hi) = zij | דְבִֽר (devir) = Debir Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron. Dit is niet geheel zeker. Zie ook: Joz 15:15; Re 1:11 **15:50** Anab, Estemo en Anim, Brontekst: וַעֲנָ֥ב (vaanav) = en Anab | וְאֶשְׁתְּמֹ֖ה (veeshtemo) = en Estemo | וְעָנִֽים (veanim) = en Anim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Anab is waarschijnlijk Khirbet Anab en Estemo is es-Samu’, beide ten zuiden van Hebron (Westelijke Jordaanoever). Zie Estemoa: Estemoa wordt gezocht bij es-Samu, ten zuiden van Hebron. **15:51** Gosen, Cholon en Gilo: 11 steden met hun dorpen. Brontekst: וְגֹ֥שֶׁן (vegoshen) = en Gosen | וְחֹלֹ֖ן (vecholon) = en Cholon | וְגִלֹ֑ה (vegilo) = en Gilo | עָרִ֥ים (arim) = steden | אַֽחַת (achat) = één | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gosen (in Juda, ligging onzeker): Dit Gosen is een streek in het zuiden van Juda. Het is niet het Gosen in Egypte; de precieze ligging is niet bekend. Zie Gilo (ligging onzeker): Gilo, de stad van Achitofel, lag in het bergland van Juda. Khirbet Jala, ten noorden van Hebron, is voorgesteld. Dit is niet zeker. Zie ook: Joz 10:41; Joz 11:16; 2 Sam 15:12 **15:52** Arab, Ruma en Esan, Brontekst: אֲרַ֥ב (arav) = Arab | וְרוּמָ֖ה (veruma) = en Ruma | וְאֶשְׁעָֽן (veeshan) = en Esan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier Ruma. Sommige afschriften lezen Duma. Wij volgen de grondtekst. Zie ook: Jes 21:11 **15:53** Janum, Bet-Tappuach en Afeka, Brontekst: וְיָנ֥וּם (veyanum) = en Janum | וּבֵית (uveit) = en Bet | תַּפּ֖וּחַ (tapuach) = Tappuach | וַאֲפֵֽקָה (vaafeqa) = en Afeka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **15:54** Chumta, Kirjat-Arba, dat is Hebron, en Tsior: 9 steden met hun dorpen. Brontekst: וְחֻמְטָ֗ה (vechumta) = en Chumta | וְקִרְיַ֥ת (veqiryat) = en Kirjat | אַרְבַּ֛ע (arba) = Arba | הִ֥יא (hi) = zij | חֶבְר֖וֹן (chevron) = Hebron | וְצִיעֹ֑ר (vetsior) = en Tsior | עָרִ֥ים (arim) = steden | תֵּ֖שַׁע (tesha) = negen | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 23:2; Joz 14:15; Joz 15:13 **15:55** Maon, Karmel, Zif en Juta, Brontekst: מָע֥וֹן (maon) = Maon | כַּרְמֶ֖ל (karmel) = Karmel | וָזִ֥יף (vazif) = en Zif | וְיוּטָּֽה (veyuta) = en Juta Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Maon is waarschijnlijk Tell Ma’in, Karmel is Khirbet el-Kirmil, Zif is Tell Zif en Juta is Yatta, allemaal ten zuiden van Hebron (Westelijke Jordaanoever). Zie ook: Joz 15:24; 1 Sam 23:25; 1 Sam 25:2; 1 Kon 18:42; Jes 35:2 **15:56** Jizreël, Jokdeam en Zanoach, Brontekst: וְיִזְרְעֶ֥אל (veyizreel) = en Jizreël | וְיָקְדְעָ֖ם (veyaqedeam) = en Jokdeam | וְזָנֽוֹחַ (vezanoach) = en Zanoach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (in Juda, ligging onzeker): Dit Jizreël was een stad in het bergland van Juda, bij Zif en Juta; Khirbet Terrama is voorgesteld. Het is niet de vallei van Jizreël in het noorden. De precieze plaats is niet zeker. Zie Zanoach: Zanoach wordt gezocht bij Khirbet Zanu', in de Sefela, ten westen van Jeruzalem. **15:57** Kaïn, Gibea en Timna: 10 steden met hun dorpen. Brontekst: הַקַּ֖יִן (haqayin) = Kaïn | גִּבְעָ֣ה (giva) = Gibea | וְתִמְנָ֑ה (vetimna) = en Timna | עָרִ֥ים (arim) = steden | עֶ֖שֶׂר (eser) = tien | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Zie Timna (Tel Batasj): Timna wordt gezocht bij Tel Batasj, in het dal van Sorek. In Jozua 15:57 gaat het om een Timna in het bergland van Juda. Zie ook: Gen 38:12; Joz 15:10; Jer 14:1 **15:58** Chalchul, Bet-Tsur en Gedor, Brontekst: חַלְח֥וּל (chalchul) = Chalchul | בֵּֽית (beit) = Bet | צ֖וּר (tsur) = Tsur | וּגְדֽוֹר (ugedor) = en Gedor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chalchul is Halhul (zeker) en Bet-Tsur is Khirbet et-Tubeiqa (zeker), ten noorden van Hebron. Gedor is waarschijnlijk Khirbet Jedur (Westelijke Jordaanoever). Zie ook: 1 Kron 4:39 **15:59** Maärat, Bet-Anot en Eltekon: 6 steden met hun dorpen. Brontekst: וּמַעֲרָ֥ת (umaarat) = en Maärat | וּבֵית (uveit) = en Bet | עֲנ֖וֹת (anot) = Anot | וְאֶלְתְּקֹ֑ן (veelteqon) = en Eltekon | עָרִ֥ים (arim) = steden | שֵׁ֖שׁ (shesh) = zes | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De Septuaginta heeft hier nog een groep van 11 steden, onder wie Tekoa en Efrata, dat is Betlehem. De Masoretische tekst heeft die niet. Wij volgen de Masoretische tekst. **15:60** Kirjat-Baäl, dat is Kirjat-Jearim, en Rabba: 2 steden met hun dorpen. Brontekst: קִרְיַת (qiryat) = Kirjat | בַּ֗עַל (baal) = Baäl | הִ֛יא (hi) = zij | קִרְיַ֥ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִ֖ים (yearim) = Jearim | וְהָֽרַבָּ֑ה (veharaba) = en Rabba | עָרִ֥ים (arim) = steden | שְׁתַּ֖יִם (shetayim) = twee | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem (Israël). Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië. Zie ook: Joz 18:14; 1 Sam 7:1 ### De steden in de woestijn **15:61** In de woestijn: Bet-Haaraba, Middin en Sechacha, Brontekst: בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | בֵּ֚ית (beit) = Bet | הָעֲרָבָ֔ה (haarava) = Haaraba | מִדִּ֖ין (midin) = Middin | וּסְכָכָֽה (usekhakha) = en Sechacha Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De woestijn is de woestijn van Juda, aan de westkant van de Dode Zee. Bet-Haaraba, Middin en Sechacha liggen daar; de ligging is onzeker. Sechacha is misschien Khirbet Qumran. Zie ook: Joz 15:6; Joz 18:18 **15:62** Nibsan, Ir-Hammelach en En-Gedi: 6 steden met hun dorpen. Brontekst: וְהַנִּבְשָׁ֥ן (vehanivshan) = en Nibsan | וְעִיר (veir) = en Ir | הַמֶּ֖לַח (hamelach) = Hammelach | וְעֵ֣ין (veein) = en En | גֶּ֑דִי (gedi) = Gedi | עָרִ֥ים (arim) = steden | שֵׁ֖שׁ (shesh) = zes | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: En-Gedi is een oase aan de westkant van de Dode Zee (Israël, zeker). De ligging van Nibsan en Ir-Hammelach is onzeker. Voetnoot Uitleg: עִיר הַמֶּלַח (Ir ha-Melach), ‘stad van het zout’. Zie ook: 1 Sam 24:1; 2 Kron 20:2 ### De Jebusieten in Jeruzalem **15:63** De zonen van Juda konden de Jebusieten, de bewoners van Jeruzalem, niet verdrijven. Zo wonen de Jebusieten tot op deze dag bij de zonen van Juda in Jeruzalem. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיְבוּסִי֙ (hayvusi) = de Jebusiet | יוֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | יְרֽוּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | לֹֽא (lo) = niet | יָכְל֥וּ (yakhelu) = konden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לְהֽוֹרִישָׁ֑ם (lehorisham) = hen te verdrijven | וַיֵּ֨שֶׁב (vayeshev) = en woonde | הַיְבוּסִ֜י (hayvusi) = de Jebusiet | אֶת (et) = met | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushaliam) = in Jeruzalem | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jeruzalem ligt in het bergland van Juda (Israël/Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: הִוְרִישׁ (horish), ‘verdrijven’: de zonen van Juda konden de Jebusieten niet uit de stad verdrijven. Zie ook: Re 1:8; Re 1:21; 2 Sam 5:6–9; 1 Kron 11:4–8; Rom 7:14–21 ## Jozua 16 _Het erfdeel van de zonen van Jozef: de grens van Efraïm_ ### De zuidgrens van de zonen van Jozef **16:1** Het lot voor de zonen van Jozef kwam uit vanaf de Jordaan bij Jericho, bij het water van Jericho, in het oosten. Het ging omhoog door de woestijn, van Jericho het bergland in, naar Betel. Brontekst: וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en kwam uit | הַגּוֹרָ֜ל (hagoral) = het lot | לִבְנֵ֤י (livnei) = voor de zonen van | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | מִיַּרְדֵּ֣ן (miyarden) = vanaf de Jordaan | יְרִיח֔וֹ (yericho) = Jericho | לְמֵ֥י (lemei) = bij de wateren van | יְרִיח֖וֹ (yericho) = Jericho | מִזְרָ֑חָה (mizracha) = oostwaarts | הַמִּדְבָּ֗ר (hamidbar) = de woestijn | עֹלֶ֧ה (ole) = ging omhoog | מִירִיח֛וֹ (miricho) = vanaf Jericho | בָּהָ֖ר (bahar) = het bergland in | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jericho ligt in de Jordaanvallei (nu Tell es-Sultan bij Jericho, Westelijke Jordaanoever). Betel is het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Zie ook: Joz 8:15; Joz 15:61; Joz 18:12; 2 Kon 2:19–21 **16:2** De grens liep uit van Betel naar Luz en liep door naar de grens van de Arkiet, naar Atarot. Brontekst: וְיָצָ֥א (veyatsa) = en liep uit | מִבֵּֽית (mibeit) = vanaf Bet | אֵ֖ל (el) = El | ל֑וּזָה (luza) = naar Luz | וְעָבַ֛ר (veavar) = en liep door | אֶל (el) = naar | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | הָאַרְכִּ֖י (haarki) = de Arkiet | עֲטָרֽוֹת (atarot) = naar Atarot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Luz was de oudere naam van Betel (Gen. 28:19). Hier lijkt Luz een plaats naast Betel, ten zuiden ervan. De ligging is onzeker. De Arkiet woonde in het bergland tussen Betel en Atarot; de ligging is onzeker. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt Luz hier als aparte plaats. Wij volgen de grondtekst. Zie ook: Gen 28:19; Joz 18:13; Re 1:22–26; 2 Sam 16:16; 1 Kron 27:33 **16:3** De grens daalde in het westen af naar de grens van de Jafletiet, tot de grens van Beneden-Bet-Choron en tot Gezer. Het einde ligt bij de zee. Brontekst: וְיָֽרַד (veyarad) = en daalde af | יָ֜מָּה (yama) = westwaarts | אֶל (el) = naar | גְּב֣וּל (gevul) = de grens van | הַיַּפְלֵטִ֗י (hayafleti) = de Jafletiet | עַ֣ד (ad) = tot | גְּב֧וּל (gevul) = de grens van | בֵּית (beit) = Bet | חוֹרֹ֛ן (choron) = Choron | תַּחְתּ֖וֹן (tachton) = het lagere | וְעַד (vead) = en tot | גָּ֑זֶר (gazer) = Gezer | וְהָי֥וּ (vehayu) = en waren | תֹצְאֹתָ֖יו (totseotav) = zijn uitlopers | יָֽמָּה (yama) = zeewaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beneden-Bet-Choron is waarschijnlijk Beit Ur et-Tahta en Boven-Bet-Choron is Beit Ur el-Foqa, beide ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Gezer is Tel Gezer, ongeveer 30 km ten westen van Jeruzalem (Israël, zeker). Zie ook: Joz 10:33; Joz 18:13; 1 Kron 7:24; 1 Kon 9:15–17; 2 Kron 8:5 **16:4** De zonen van Jozef, Manasse en Efraïm, ontvingen hun erfdeel. Brontekst: וַיִּנְחֲל֥וּ (vayinchalu) = en ontvingen als erfdeel | בְנֵי (benei) = de zonen van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | וְאֶפְרָֽיִם (veefrayim) = en Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 17:14 ### Het erfdeel van Efraïm **16:5** Het gebied van de zonen van Efraïm, naar hun families, was dit: de grens van hun erfdeel in het oosten liep van Atarot-Addar tot Boven-Bet-Choron. Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het was | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | גְּב֤וּל (gevul) = de grens van | נַחֲלָתָם֙ (nachalatam) = hun erfdeel | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = oostwaarts | עַטְר֣וֹת (atrot) = Atarot | אַדָּ֔ר (adar) = Addar | עַד (ad) = tot | בֵּ֥ית (beit) = Bet | חוֹרֹ֖ן (choron) = Choron | עֶלְיֽוֹן (elyon) = het hogere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Atarot-Addar ligt in het bergland ten noordwesten van Jeruzalem; de ligging is onzeker. Zie Bet-Choron: Boven- en Neder-Bet-Choron lagen aan de weg van Gibeon naar Ajalon, bij Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur al-Tahta, ten noordwesten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 16:2; Joz 18:13 **16:6** De grens liep westwaarts uit naar Mikmetat, in het noorden. De grens boog af in het oosten naar Taänat-Silo. Zij liep er langs, ten oosten van Janoach. Brontekst: וְיָצָ֨א (veyatsa) = en liep uit | הַגְּב֜וּל (hagevul) = de grens | הַיָּ֗מָּה (hayama) = westwaarts | הַֽמִּכְמְתָת֙ (hamikhmetat) = naar Mikmetat | מִצָּפ֔וֹן (mitsafon) = in het noorden | וְנָסַ֧ב (venasav) = en boog af | הַגְּב֛וּל (hagevul) = de grens | מִזְרָ֖חָה (mizracha) = oostwaarts | תַּאֲנַ֣ת (taanat) = naar Taänat | שִׁלֹ֑ה (shilo) = Silo | וְעָבַ֣ר (veavar) = en liep door | אוֹת֔וֹ (oto) = het | מִמִּזְרַ֖ח (mimizrach) = ten oosten van | יָנֽוֹחָה (yanocha) = Janoach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mikmetat ligt bij Sichem (waarschijnlijk). Taänat-Silo is waarschijnlijk Khirbet Ta’na el-Foqa en Janoach is Khirbet Janun, beide ten oosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever). Zie ook: Joz 17:7; Joz 18:1 **16:7** Vanaf Janoach daalde de grens af naar Atarot en Naära. Hij raakte Jericho en liep uit bij de Jordaan. Brontekst: וְיָרַ֥ד (veyarad) = en daalde af | מִיָּנ֖וֹחָה (miyanocha) = vanaf Janoach | עֲטָר֣וֹת (atarot) = naar Atarot | וְנַעֲרָ֑תָה (venaarata) = en naar Naära | וּפָגַע֙ (ufaga) = en raakte | בִּֽירִיח֔וֹ (biricho) = Jericho | וְיָצָ֖א (veyatsa) = en liep uit | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Atarot en Naära liggen in de Jordaanvallei bij Jericho (de ligging is onzeker). Dit Atarot is een andere plaats dan Atarot in vers 2. Zie Janoach: Janoach wordt gezocht bij Khirbet Janun, ten zuidoosten van Sichem. Zie ook: Num 33:48; Joz 3:16; Joz 6:1; Joz 6:26; Joz 16:2; 1 Kron 7:28 **16:8** Vanaf Tappuach liep de grens westwaarts naar de beek Kana. Het einde ligt bij de zee. Dit is het erfdeel van de stam van de zonen van Efraïm, naar hun families. Brontekst: מִתַּפּ֜וּחַ (mitapuach) = vanaf Tappuach | יֵלֵ֨ךְ (yelekh) = liep | הַגְּב֥וּל (hagevul) = de grens | יָ֨מָּה֙ (yama) = westwaarts | נַ֣חַל (nachal) = de beek | קָנָ֔ה (qana) = Kana | וְהָי֥וּ (vehayu) = en waren | תֹצְאֹתָ֖יו (totseotav) = zijn uitlopers | הַיָּ֑מָּה (hayama) = zeewaarts | זֹ֗את (zot) = dit | נַחֲלַ֛ת (nachalat) = erfdeel van | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | בְנֵי (benei) = de zonen van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tappuach ligt op de grens van Manasse en Efraïm, ten zuiden van Sichem (zie Joz. 17:8); de ligging is waarschijnlijk. De beek Kana is waarschijnlijk de Wadi Qana (Westelijke Jordaanoever). Zie Beek Kana (Wadi Qana): De beek Kana is waarschijnlijk het Wadi Qana, dat naar het westen stroomt, naar de Jarkon. Zie ook: Num 34:6; Joz 12:17; Joz 16:3–6; Joz 17:8–9; Joz 19:28 ### De steden van Efraïm in Manasse **16:9** Ook de steden die voor de zonen van Efraïm waren afgezonderd, te midden van het erfdeel van de zonen van Manasse. Het waren al die steden met hun dorpen. Brontekst: וְהֶעָרִ֗ים (vehearim) = en de steden | הַמִּבְדָּלוֹת֙ (hamivdalot) = die afgezonderd waren | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | נַחֲלַ֣ת (nachalat) = het erfdeel van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | כָּֽל (kal) = alle | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze steden van Efraïm lagen binnen het gebied van Manasse. Zie Joz. 17:8–9. Zie ook: Joz 17:8–9; Joz 17:9 ### Gezer **16:10** Zij verdreven de Kanaänieten niet die in Gezer woonden. Zo wonen de Kanaänieten tot op deze dag te midden van Efraïm. Zij werden dwangarbeiders. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | הוֹרִ֔ישׁוּ (horishu) = verdreven zij | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִ֖י (hakenaani) = de Kanaäniet | הַיּוֹשֵׁ֣ב (hayoshev) = die woonde | בְּגָ֑זֶר (begazer) = in Gezer | וַיֵּ֨שֶׁב (vayeshev) = en woonde | הַֽכְּנַעֲנִ֜י (hakenaani) = de Kanaäniet | בְּקֶ֤רֶב (beqerev) = te midden van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | עַד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וַיְהִ֖י (vayhi) = en werd | לְמַס (lemas) = tot dwangarbeid | עֹבֵֽד (oved) = dienend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gezer: zie vers 3. Voetnoot Uitleg: לָמַס עֹבֵד (lamas oved), ‘tot dwangarbeid, dienend’: zij moesten onbetaald werk doen. Zie Gen. 49:15 en Joz. 17:13. Zie ook: Gen 49:15; Deut 7:1–2; Joz 16:3; Joz 17:13; Re 1:29; 1 Kon 9:16; 1 Kon 9:21 ## Jozua 17 _Het deel van Manasse en de klacht van het huis van Jozef_ ### Het lot voor Manasse **17:1** Dit was het lot voor de stam Manasse, want hij was de eerstgeborene van Jozef. Het was voor Machir, de eerstgeborene van Manasse en de vader van Gilead. Want hij was een krijgsman. Gilead en Basan werden van hem. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | הַגּוֹרָל֙ (hagoral) = het lot | לְמַטֵּ֣ה (lemate) = voor de stam | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | כִּי (ki) = want | ה֖וּא (hu) = hij | בְּכ֣וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | לְמָכִיר֩ (lemakhir) = voor Machir | בְּכ֨וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | מְנַשֶּׁ֜ה (menashe) = Manasse | אֲבִ֣י (avi) = vader van | הַגִּלְעָ֗ד (hagilad) = Gilead | כִּ֣י (ki) = want | ה֤וּא (hu) = hij | הָיָה֙ (haya) = was | אִ֣ישׁ (ish) = man van | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | וַֽיְהִי (vayhi) = en het was | ל֖וֹ (lo) = voor hem | הַגִּלְעָ֥ד (hagilad) = Gilead | וְהַבָּשָֽׁן (vehabashan) = en Basan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, ten zuiden van de rivier de Jarmuk (nu Jordanië). Basan ligt ten noorden daarvan, rond de Golanhoogte en de Hauran (nu Syrië en Israël). Voetnoot Uitleg: Machir was de oudste zoon van Manasse (Gen. 50:23; Num. 26:29). Zijn land aan de oostkant van de Jordaan was al verdeeld: Num. 32:39–42; Deut. 3:13–15. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord (‘voor Machir …’). Wij vullen ‘Het was’ aan. Zie ook: Gen 41:51; Gen 46:20; Gen 48:18; Gen 50:23; Num 26:29; Num 32:39–42; Deut 3:13–15 **17:2** Ook voor de overige zonen van Manasse kwam er een lot, per familie: voor de zonen van Abiëzer, voor de zonen van Chelek, voor de zonen van Asriël, voor de zonen van Sjechem, voor de zonen van Chefer en voor de zonen van Sjemida. Dit zijn de mannelijke zonen van Manasse, de zoon van Jozef, per familie. Brontekst: וַ֠יְהִי (vayhi) = en het was | לִבְנֵ֨י (livnei) = voor de zonen van | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | הַנּוֹתָרִים֮ (hanotarim) = de overigen | לְמִשְׁפְּחֹתָם֒ (lemishpechotam) = naar hun families | לִבְנֵ֨י (livnei) = voor de zonen van | אֲבִיעֶ֜זֶר (aviezer) = Abiëzer | וְלִבְנֵי (velivnei) = en voor de zonen van | חֵ֗לֶק (cheleq) = Chelek | וְלִבְנֵ֤י (velivnei) = en voor de zonen van | אַשְׂרִיאֵל֙ (asriel) = Asriël | וְלִבְנֵי (velivnei) = en voor de zonen van | שֶׁ֔כֶם (shekhem) = Sjechem | וְלִבְנֵי (velivnei) = en voor de zonen van | חֵ֖פֶר (chefer) = Chefer | וְלִבְנֵ֣י (velivnei) = en voor de zonen van | שְׁמִידָ֑ע (shemida) = Sjemida | אֵ֠לֶּה (ele) = dit zijn | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֧ה (menashe) = Manasse | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | הַזְּכָרִ֖ים (hazekharim) = de mannelijke | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Abiëzer is dezelfde naam als Iëzer in Num. 26:30; het is de korte vorm. Dezelfde zes families staan in Num. 26:30–32. Zie ook: Num 26:29–32; Num 26:30; Re 6:11; Re 8:2; 1 Kron 7:18 ### De dochters van Selofchad **17:3** Selofchad, de zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar alleen dochters. Dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirza. Brontekst: וְלִצְלָפְחָד֩ (velitslafechad) = en voor Selofchad | בֶּן (ben) = zoon van | חֵ֨פֶר (chefer) = Chefer | בֶּן (ben) = zoon van | גִּלְעָ֜ד (gilad) = Gilead | בֶּן (ben) = zoon van | מָכִ֣יר (makhir) = Machir | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּׁ֗ה (menashe) = Manasse | לֹא (lo) = niet | הָ֥יוּ (hayu) = waren | ל֛וֹ (lo) = voor hem | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | בָּנ֑וֹת (banot) = dochters | וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit zijn | שְׁמ֣וֹת (shemot) = de namen van | בְּנֹתָ֔יו (benotav) = zijn dochters | מַחְלָ֣ה (machla) = Machla | וְנֹעָ֔ה (venoa) = en Noa | חָגְלָ֥ה (chagela) = Chogla | מִלְכָּ֖ה (milka) = Milka | וְתִרְצָֽה (vetirtsa) = en Tirza Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Selofchad had alleen dochters. Zij kregen een erfdeel in Num. 27:1–11. Aan dat erfdeel werd later een voorwaarde verbonden in Num. 36:1–12. Zie ook: Num 26:33; Num 27:1; Num 36:1–12; Num 36:2–11 **17:4** Zij kwamen naar voren bij Eleazar, de priester, bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de leiders. Zij zeiden: „Yahweh heeft Mozes geboden ons een erfdeel te geven te midden van onze broers.” Toen gaf hij hun een erfdeel te midden van de broers van hun vader, volgens het woord van Yahweh. Brontekst: וַתִּקְרַ֡בְנָה (vatiqravna) = en zij kwamen dichtbij | לִפְנֵי֩ (lifnei) = voor het aangezicht van | אֶלְעָזָ֨ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor het aangezicht van | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֗וּן (nun) = Nun | וְלִפְנֵ֤י (velifnei) = en voor het aangezicht van | הַנְּשִׂיאִים֙ (hanesiim) = de leiders | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לָֽתֶת (latet) = om te geven | לָ֥נוּ (lanu) = aan ons | נַחֲלָ֖ה (nachala) = een erfdeel | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | אַחֵ֑ינוּ (acheinu) = onze broers | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en hij gaf | לָהֶ֜ם (lahem) = aan hen | אֶל (el) = naar | פִּ֤י (pi) = de mond van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | נַֽחֲלָ֔ה (nachala) = een erfdeel | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | אֲחֵ֥י (achei) = de broers van | אֲבִיהֶֽן (avihen) = hun vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de uitvoering van wat Yahweh in Num. 27:5–7 aan Mozes zei. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt ‘hij gaf’ zonder de naam te noemen. Wij begrijpen dat Jozua dit deed, samen met Eleazar. Zie ook: Num 27:5–7; Num 34:17–29; Joz 14:1; Gal 3:28 **17:5** Zo vielen er tien kavels aan Manasse toe. Daar kwamen het land Gilead en Basan nog bij, dat aan de overkant van de Jordaan ligt. Brontekst: וַיִּפְּל֥וּ (vayipelu) = en vielen | חַבְלֵֽי (chavlei) = de kavels van | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | עֲשָׂרָ֑ה (asara) = tien | לְבַ֞ד (levad) = afgezien van | מֵאֶ֤רֶץ (meerets) = het land van | הַגִּלְעָד֙ (hagilad) = Gilead | וְהַבָּשָׁ֔ן (vehabashan) = en Basan | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | מֵעֵ֥בֶר (meever) = aan de overkant van | לַיַּרְדֵּֽן (layarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: חֶבֶל (chevel), ‘kavel’: eigenlijk ‘touw’ of ‘meetsnoer’, waarmee land wordt afgemeten, en daarna het afgemeten stuk land (Deut. 32:9). Wij gebruiken ‘kavel’ voor chevel en ‘deel’ voor חֵלֶק (chelek). Voetnoot Lezing: Wij verstaan de tien kavels zo: vijf voor de families van vers 2 (zonder Chefer) en vijf voor de dochters van Selofchad uit de familie van Chefer (vers 3). Dat is een gangbare verklaring, maar de tekst zegt het niet. Zie ook: Num 32:30–42; Deut 32:9; Joz 13:29–31; Joz 17:2–3; Joz 17:3; Joz 17:14 **17:6** Want de dochters van Manasse kregen een erfdeel te midden van zijn zonen. Het land Gilead was voor de overige zonen van Manasse. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | בְּנ֣וֹת (benot) = de dochters van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | נָחֲל֥וּ (nachalu) = erfden | נַחֲלָ֖ה (nachala) = een erfdeel | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | בָּנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וְאֶ֨רֶץ֙ (veerets) = en het land van | הַגִּלְעָ֔ד (hagilad) = Gilead | הָיְתָ֥ה (hayeta) = was | לִבְנֵֽי (livnei) = voor de zonen van | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | הַנּֽוֹתָרִֽים (hanotarim) = de overigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: ‘De dochters van Manasse’ zijn de dochters van Selofchad, een nakomeling van Manasse (vers 3). Zie ook: Joz 17:3 ### De grens van Manasse **17:7** De grens van Manasse liep van Aser naar Mikmetat, dat tegenover Sichem ligt. Daarna ging de grens naar rechts, naar de inwoners van En-Tappuach. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | גְבוּל (gevul) = de grens van | מְנַשֶּׁה֙ (menashe) = Manasse | מֵֽאָשֵׁ֔ר (measher) = vanaf Aser | הַֽמִּכְמְתָ֔ת (hamikhmetat) = Mikmetat | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | שְׁכֶ֑ם (shekhem) = Sichem | וְהָלַ֤ךְ (vehalakh) = en liep | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | אֶל (el) = naar | הַיָּמִ֔ין (hayamin) = rechts | אֶל (el) = naar | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = de inwoners van | עֵ֥ין (ein) = En | תַּפּֽוּחַ (tapuach) = Tappuach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichem ligt bij het huidige Nablus (Westelijke Jordaanoever). Mikmetat lag in de buurt, maar de plek is onbekend. Tappuach is waarschijnlijk Tell Sheikh Abu Zarad, ten zuiden van Sichem. Wat ‘van Aser’ hier precies aanwijst, weten wij niet; het is onzeker. Voetnoot Uitleg: הַיָּמִין (hayyamin), ‘rechts’: wie naar het oosten kijkt, heeft het zuiden aan zijn rechterhand. De grens loopt dus naar het zuiden. Zie ook: Gen 37:12; Joz 20:7; Joz 21:21; 1 Kon 12:1; 1 Kon 12:25 **17:8** Het land Tappuach was voor Manasse. Maar Tappuach zelf, aan de grens van Manasse, was voor de zonen van Efraïm. Brontekst: לִמְנַשֶּׁ֕ה (limnashe) = voor Manasse | הָיְתָ֖ה (hayeta) = was | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | תַּפּ֑וּחַ (tapuach) = Tappuach | וְתַפּ֛וּחַ (vetapuach) = maar Tappuach | אֶל (el) = aan | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tappuach (ligging onzeker): Tappuach (En-Tappuach) wordt gezocht bij Tell Sheikh Abu Zarad, ten zuiden van Sichem. Dit is niet zeker. Zie ook: Joz 12:17; Joz 15:34; Joz 15:53; Joz 16:8 **17:9** De grens daalde af naar de beek Kana, ten zuiden van de beek. Deze steden waren voor Efraïm, te midden van de steden van Manasse. De grens van Manasse liep ten noorden van de beek en zijn einde lag bij de zee. Brontekst: וְיָרַ֣ד (veyarad) = en daalde af | הַגְּבוּל֩ (hagevul) = de grens | נַ֨חַל (nachal) = de beek | קָנָ֜ה (qana) = Kana | נֶ֣גְבָּה (negba) = zuidwaarts | לַנַּ֗חַל (lanachal) = van de beek | עָרִ֤ים (arim) = steden | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | לְאֶפְרַ֔יִם (leefrayim) = voor Efraïm | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | וּגְב֤וּל (ugevul) = en de grens van | מְנַשֶּׁה֙ (menashe) = Manasse | מִצְּפ֣וֹן (mitsefon) = ten noorden van | לַנַּ֔חַל (lanachal) = de beek | וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | תֹצְאֹתָ֖יו (totseotav) = zijn einde | הַיָּֽמָּה (hayama) = naar de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De beek Kana is waarschijnlijk het Wadi Qana, ten westen van Sichem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk, niet zeker. Zie Beek Kana (Wadi Qana): De beek Kana is waarschijnlijk het Wadi Qana, dat naar het westen stroomt, naar de Jarkon. Voetnoot Uitleg: Een deel van Efraïm ligt dus binnen het gebied van Manasse (zie vers 8). Zie ook: Joz 16:3; Joz 16:8–9; Joz 17:8; Joz 19:29 **17:10** Het zuiden was voor Efraïm en het noorden voor Manasse. De zee was zijn grens. In het noorden raakten zij aan Aser en in het oosten aan Issachar. Brontekst: נֶ֣גְבָּה (negba) = zuidwaarts | לְאֶפְרַ֗יִם (leefrayim) = voor Efraïm | וְצָפ֨וֹנָה֙ (vetsafona) = en noordwaarts | לִמְנַשֶּׁ֔ה (limnashe) = voor Manasse | וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | גְּבוּל֑וֹ (gevulo) = zijn grens | וּבְאָשֵׁר֙ (uveasher) = en aan Aser | יִפְגְּע֣וּן (yifgeun) = raakten zij | מִצָּפ֔וֹן (mitsafon) = in het noorden | וּבְיִשָּׂשכָ֖ר (uveyisashkhar) = en aan Issachar | מִמִּזְרָֽח (mimizrach) = in het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:11** Manasse had ook, in Issachar en in Aser: Bet-Sean met zijn dorpen en Jibleam met zijn dorpen. Ook had hij de inwoners van Dor met zijn dorpen, de inwoners van En-Dor met zijn dorpen, de inwoners van Taänak met zijn dorpen en de inwoners van Megiddo met zijn dorpen. Dat zijn de drie hoogten. Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | לִמְנַשֶּׁ֜ה (limnashe) = voor Manasse | בְּיִשָּׂשכָ֣ר (beyisashkhar) = in Issachar | וּבְאָשֵׁ֗ר (uveasher) = en in Aser | בֵּית (beit) = Bet | שְׁאָ֣ן (shean) = Sean | וּ֠בְנוֹתֶיהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | וְיִבְלְעָ֨ם (veyivleam) = en Jibleam | וּבְנוֹתֶ֜יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | יֹשְׁבֵ֧י (yoshevei) = de inwoners van | דֹ֣אר (dor) = Dor | וּבְנוֹתֶ֗יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | וְיֹשְׁבֵ֤י (veyoshevei) = en de inwoners van | עֵֽין (ein) = En | דֹּר֙ (dor) = Dor | וּבְנֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | וְיֹשְׁבֵ֤י (veyoshevei) = en de inwoners van | תַעְנַךְ֙ (tanakh) = Taänak | וּבְנֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | וְיֹשְׁבֵ֥י (veyoshevei) = en de inwoners van | מְגִדּ֖וֹ (megido) = Megiddo | וּבְנוֹתֶ֑יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | שְׁלֹ֖שֶׁת (sheloshet) = drie | הַנָּֽפֶת (hanafet) = de hoogten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Sean is het huidige Beit She’an in het noorden van Israël. Jibleam ligt waarschijnlijk bij Khirbet Bel’ameh, bij Jenin (Westelijke Jordaanoever). Dor is Tel Dor, aan de kust van Israël. En-Dor ligt waarschijnlijk bij Endor aan de voet van de Tabor (Israël). Taänak is Tell Ta’anak, bij Jenin. Megiddo is Tel Megiddo (Israël). Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea. Voetnoot Uitleg: בָּנוֹת (banot), ‘dochters’: de dorpen rondom een stad, die erbij horen. Wij schrijven ‘zijn dorpen’. Voetnoot : הַנָּפֶת (hannafet), ‘de hoogten’: een zeldzaam woord, ook in Joz. 11:2 en 12:23 voor streken bij Dor. Voetnoot Lezing: Wij vertalen ‘de drie hoogten’. De betekenis is niet zeker. Ook mogelijk is ‘de drie heuvelstreken’ of een samenvatting van de steden die zojuist genoemd zijn. Zie ook: Joz 11:2; Joz 12:23; Re 1:27; Re 5:19; 1 Kron 7:29; 2 Kon 9:27 ### Steden die Manasse niet kon innemen **17:12** Maar de zonen van Manasse konden de bewoners van deze steden niet verdrijven. De Kanaänieten waren vastbesloten in dit land te blijven wonen. Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | יָכְלוּ֙ (yakhelu) = konden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | לְהוֹרִ֖ישׁ (lehorish) = verdrijven | אֶת (et) = (obj.) | הֶֽעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַיּ֨וֹאֶל֙ (vayoel) = en was vastbesloten | הַֽכְּנַעֲנִ֔י (hakenaani) = de Kanaäniet | לָשֶׁ֖בֶת (lashevet) = om te wonen | בָּאָ֥רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹרִישׁ (horish), ‘verdrijven’: wie een stad inneemt, verdrijft de bewoners. Daarom schrijven wij hier ‘de bewoners van deze steden’. Zie ook Num. 33:52–55 en Richt. 1:27. Zie ook: Ex 23:29–33; Num 33:52–56; Joz 15:63; Joz 16:10; Re 1:27–28 **17:13** Toen de zonen van Israël sterk werden, legden zij de Kanaänieten dwangarbeid op. Maar verdrijven deden zij hen niet. Brontekst: וַֽיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כִּ֤י (ki) = toen | חָֽזְקוּ֙ (chazequ) = sterk werden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּתְּנ֥וּ (vayitenu) = en zij gaven | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִ֖י (hakenaani) = de Kanaäniet | לָמַ֑ס (lamas) = tot dwangarbeid | וְהוֹרֵ֖שׁ (vehoresh) = maar verdrijven | לֹ֥א (lo) = niet | הוֹרִישֽׁוֹ (horisho) = verdreven zij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַס (mas), ‘dwangarbeid’: verplichte arbeid. Zie ook Richt. 1:28. Zie ook: Deut 20:11–18; Joz 16:10; Re 1:28; 2 Sam 3:1; Fil 4:13 ### Het huis van Jozef klaagt bij Jozua **17:14** De zonen van Jozef spraken met Jozua en zeiden: „Waarom heb je mij als erfdeel maar één lot en één kavel gegeven? Ik ben toch een groot volk. Tot nu toe heeft Yahweh mij gezegend.” Brontekst: וַֽיְדַבְּרוּ֙ (vaydaberu) = en spraken | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = met | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מַדּוּעַ֩ (madua) = waarom | נָתַ֨תָּה (natata) = heb je gegeven | לִּ֜י (li) = aan mij | נַחֲלָ֗ה (nachala) = als erfdeel | גּוֹרָ֤ל (goral) = een lot | אֶחָד֙ (echad) = één | וְחֶ֣בֶל (vechevel) = en een kavel | אֶחָ֔ד (echad) = één | וַֽאֲנִ֣י (vaani) = terwijl ik | עַם (am) = een volk | רָ֔ב (rav) = groot | עַ֥ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | עַד (ad) = tot | כֹּ֖ה (ko) = nu | בֵּֽרְכַ֥נִי (berekhani) = heeft gezegend mij | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De zonen van Jozef’ zijn Efraïm en Manasse. Zij spreken hier samen als één volk, in het enkelvoud (‘mij’, ‘ik’). Zie ook: Gen 48:19; Gen 48:22; Gen 49:22–26; Num 26:34–37; Deut 33:13–17 **17:15** Jozua zei tot hen: „Als je een groot volk bent, trek dan op naar het woud. Kap daar voor jezelf het bos weg, in het land van de Perizzieten en de Refaïeten. Want het bergland van Efraïm is te krap voor je.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tot hen | יְהוֹשֻׁ֗עַ (yehoshua) = Jozua | אִם (im) = als | עַם (am) = een volk | רַ֤ב (rav) = groot | אַתָּה֙ (ata) = jij bent | עֲלֵ֣ה (ale) = trek op | לְךָ֣ (lekha) = voor jezelf | הַיַּ֔עְרָה (hayara) = naar het woud | וּבֵרֵאתָ֤ (uvereta) = en kap weg | לְךָ֙ (lekha) = voor jezelf | שָׁ֔ם (sham) = daar | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | הַפְּרִזִּ֖י (haperizi) = de Perizziet | וְהָֽרְפָאִ֑ים (veharefaim) = en de Refaïeten | כִּֽי (ki) = want | אָ֥ץ (ats) = te krap is | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | הַר (har) = het bergland van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: בָּרָא (bara), ‘kappen’: hier in de zin van bomen omhakken en het land vrijmaken. Hetzelfde werkwoord betekent in Gen. 1:1 ‘scheppen’. Voetnoot Lezing: Welk woud bedoeld is, weten wij niet. Misschien gaat het om bosland in Gilead, waar de Refaïeten woonden (Deut. 3:11, 13). Zie ook: Gen 1:1; Gen 13:7; Gen 14:5; Ex 33:2; Deut 3:11; 2 Sam 5:22; Ezra 9:1 **17:16** De zonen van Jozef zeiden: „Het bergland is niet genoeg voor ons. Alle Kanaänieten die in het land van de vallei wonen, hebben ijzeren strijdwagens. Dat geldt zowel voor hen in Bet-Sean en zijn dorpen als voor hen in de vallei van Jizreël.” Brontekst: וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zeiden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | לֹֽא (lo) = niet | יִמָּ֥צֵא (yimatse) = wordt gevonden | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | הָהָ֑ר (hahar) = het bergland | וְרֶ֣כֶב (verekhev) = en strijdwagens | בַּרְזֶ֗ל (barzel) = van ijzer | בְּכָל (bekhal) = bij alle | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | הַיֹּשֵׁ֣ב (hayoshev) = die woont | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | הָעֵ֔מֶק (haemeq) = de vallei | לַֽאֲשֶׁ֤ר (laasher) = voor wie | בְּבֵית (beveit) = in Bet | שְׁאָן֙ (shean) = Sean | וּבְנוֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | וְלַֽאֲשֶׁ֖ר (velaasher) = en voor wie | בְּעֵ֥מֶק (beemeq) = in de vallei van | יִזְרְעֶֽאל (yizreel) = Jizreël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea. Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Voetnoot Uitleg: רֶכֶב בַּרְזֶל (rekev barzel), ‘ijzeren strijdwagens’: een verzamelnaam voor veel wagens, mogelijk met ijzer beslagen. Zie ook Richt. 1:19 en 4:3. Zie ook: Joz 17:18; Re 1:19; Re 4:3; Re 6:33; 1 Kon 4:12 **17:17** Jozua zei tegen het huis van Jozef, tegen Efraïm en Manasse: „Je bent een groot volk en je hebt grote kracht. Je zult niet maar één lot hebben. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | לְאֶפְרַ֥יִם (leefrayim) = tot Efraïm | וְלִמְנַשֶּׁ֖ה (velimnashe) = en tot Manasse | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | עַם (am) = een volk | רַ֣ב (rav) = groot | אַתָּ֗ה (ata) = jij bent | וְכֹ֤חַ (vekhoach) = en kracht | גָּדוֹל֙ (gadol) = grote | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | לֹֽא (lo) = niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | גּוֹרָ֥ל (goral) = een lot | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:18** Want het bergland zal van jou zijn. Het is een woud, maar je zult het kappen. Het zal van jou zijn tot aan zijn uiteinden. Want je zult de Kanaänieten verdrijven, ook al hebben zij ijzeren strijdwagens en zijn zij sterk.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הַ֤ר (har) = het bergland | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לָּךְ֙ (lakh) = voor jou | כִּֽי (ki) = want | יַ֣עַר (yaar) = een woud | ה֔וּא (hu) = het is | וּבֵ֣רֵאת֔וֹ (uvereto) = en je zult het kappen | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | תֹּֽצְאֹתָ֑יו (totseotav) = zijn uiteinden | כִּֽי (ki) = want | תוֹרִ֣ישׁ (torish) = je zult verdrijven | אֶת (et) = (obj.) | הַֽכְּנַעֲנִ֗י (hakenaani) = de Kanaäniet | כִּ֣י (ki) = want | רֶ֤כֶב (rekhev) = strijdwagens | בַּרְזֶל֙ (barzel) = van ijzer | ל֔וֹ (lo) = voor hem | כִּ֥י (ki) = want | חָזָ֖ק (chazaq) = sterk | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:6–9; Deut 20:1–4; Jes 41:10–16; Rom 8:31; Heb 13:6 ## Jozua 18 _Silo, het beschrijven van het land en het erfdeel van Benjamin_ ### De tent van samenkomst in Silo **18:1** De hele gemeenschap van de zonen van Israël kwam samen in Silo. Daar richtten zij de tent van samenkomst op. Het land was voor hen onderworpen. Brontekst: וַיִּקָּ֨הֲל֜וּ (vayiqahalu) = en verzamelden zich | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֤ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | שִׁלֹ֔ה (shilo) = in Silo | וַיַּשְׁכִּ֥ינוּ (vayashkinu) = en zij richtten op | שָׁ֖ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וְהָאָ֥רֶץ (vehaarets) = en het land | נִכְבְּשָׁ֖ה (nikhbesha) = was onderworpen | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hun aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo ligt bij het huidige Khirbet Seilun, in het bergland van Efraïm, ten noorden van Betel (Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: De tent van samenkomst blijft in Silo staan (Joz. 19:51; Ps. 78:60). Voetnoot : כָּבַשׁ (kavash), ‘onderwerpen’: het land is onder Israëls macht gebracht, zoals Mozes eiste in Num. 32:22, 29. Zie ook: Num 32:22; Joz 19:51; Joz 21:2; Joz 22:9; 1 Sam 1:3; Ps 78:60; Jer 26:6 **18:2** Onder de zonen van Israël waren zeven stammen overgebleven. Zij hadden hun erfdeel nog niet verdeeld. Brontekst: וַיִּוָּֽתְרוּ֙ (vayivateru) = en waren overgebleven | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | חָלְק֖וּ (chalequ) = hadden verdeeld | אֶת (et) = (obj.) | נַֽחֲלָתָ֑ם (nachalatam) = hun erfdeel | שִׁבְעָ֖ה (shiva) = zeven | שְׁבָטִֽים (shevatim) = stammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zeven stammen zijn Benjamin, Simeon, Zebulon, Issachar, Aser, Naftali en Dan (Joz. 18:11 tot 19:48). Juda, Efraïm en de helft van Manasse hebben hun deel al (Joz. 15–17). Ruben, Gad en de andere helft van Manasse hebben het hunne ten oosten van de Jordaan (Num. 32). Zie ook: Joz 18:11 ### Jozua stuurt mannen om het land te beschrijven **18:3** Jozua zei tot de zonen van Israël: „Hoe lang blijven jullie nog talmen? Ga erheen en neem het land in bezit. Yahweh, de Elohim van jullie vaders, heeft het jullie gegeven. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עַד (ad) = tot | אָ֨נָה֙ (ana) = waar | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | מִתְרַפִּ֔ים (mitrapim) = talmen | לָבוֹא֙ (lavo) = om binnen te gaan | לָרֶ֣שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | נָתַ֣ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | אֲבֽוֹתֵיכֶֽם (avoteikhem) = jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְרַפָּה (hitrappah), ‘talmen’: zich slap en traag houden terwijl er iets te doen is. Zie ook: Re 18:9; Spr 10:4; Spr 13:4; Spr 15:19; Mat 20:6 **18:4** Draag voor elke stam drie mannen voor. Dan stuur ik hen. Zij moeten opstaan, door het land trekken en het beschrijven met het oog op hun erfdeel. Daarna moeten zij bij mij terugkomen. Brontekst: הָב֥וּ (havu) = draag voor | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mannen | לַשָּׁ֑בֶט (lashavet) = per stam | וְאֶשְׁלָחֵ֗ם (veeshlachem) = en ik zal hen sturen | וְיָקֻ֜מוּ (veyaqumu) = en laten zij opstaan | וְיִֽתְהַלְּכ֥וּ (veyithalekhu) = en rondtrekken | בָאָ֛רֶץ (baarets) = in het land | וְיִכְתְּב֥וּ (veyikhtevu) = en beschrijven | אוֹתָ֛הּ (otah) = het | לְפִ֥י (lefi) = met het oog op | נַֽחֲלָתָ֖ם (nachalatam) = hun erfdeel | וְיָבֹ֥אוּ (veyavou) = en laten zij komen | אֵלָֽי (elay) = tot mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּתַב (katav), ‘schrijven’: hier ‘beschrijven’. De mannen leggen op schrift vast hoe het land eruitziet en hoe het te verdelen is (vers 6, 8, 9). Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘naar de mond van hun erfdeel’. Wij vertalen ‘met het oog op hun erfdeel’. Zie ook: Num 1:4; Num 13:2; Joz 3:12; Joz 18:6; Joz 18:8; Joz 18:9 **18:5** Zij moeten het land in zeven delen verdelen. Juda blijft binnen zijn grens in het zuiden. Het huis van Jozef blijft binnen hun grens in het noorden. Brontekst: וְהִֽתְחַלְּק֥וּ (vehitchalequ) = en zij zullen verdelen | אֹתָ֖הּ (otah) = het | לְשִׁבְעָ֣ה (leshiva) = in zeven | חֲלָקִ֑ים (chalaqim) = delen | יְהוּדָ֞ה (yehuda) = Juda | יַעֲמֹ֤ד (yaamod) = zal blijven staan | עַל (al) = op | גְּבוּלוֹ֙ (gevulo) = zijn grens | מִנֶּ֔גֶב (minegev) = in het zuiden | וּבֵ֥ית (uveit) = en het huis van | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | יַעַמְד֥וּ (yaamdu) = zullen blijven staan | עַל (al) = op | גְּבוּלָ֖ם (gevulam) = hun grens | מִצָּפֽוֹן (mitsafon) = in het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zeven delen zijn voor de zeven stammen die nog geen erfdeel hebben (vers 2). Het deel van Juda ligt in het zuiden (Joz. 15) en dat van het huis van Jozef in het noorden (Joz. 16–17). Zie ook: Joz 15:1–12; Joz 16:1–10; Joz 18:2; Joz 19:1–9 **18:6** Jullie moeten het land in zeven delen beschrijven. Breng die beschrijving hier bij mij. Dan werp ik hier voor jullie het lot, voor het aangezicht van Yahweh, onze Elohim. Brontekst: וְאַתֶּ֞ם (veatem) = en jullie | תִּכְתְּב֤וּ (tikhtevu) = zullen beschrijven | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | שִׁבְעָ֣ה (shiva) = in zeven | חֲלָקִ֔ים (chalaqim) = delen | וַֽהֲבֵאתֶ֥ם (vahavetem) = en jullie zullen brengen | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | הֵ֑נָּה (hena) = hierheen | וְיָרִ֨יתִי (veyariti) = en ik zal werpen | לָכֶ֤ם (lakhem) = voor jullie | גּוֹרָל֙ (goral) = het lot | פֹּ֔ה (po) = hier | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het lot werpen gebeurt voor het aangezicht van Yahweh (vers 8, 10). De tekst zegt niet hoe het lot werd geworpen; vergelijk Spr. 16:33. Zie ook: Joz 14:2; Joz 18:8; Joz 18:10; Ps 105:11; Spr 16:33; Spr 18:18; Hand 13:19 **18:7** Want de Levieten hebben geen deel in jullie midden. Het priesterschap van Yahweh is hun erfdeel. Gad, Ruben en de halve stam Manasse hebben hun erfdeel al ontvangen aan de oostkant van de Jordaan. Mozes, de dienaar van Yahweh, heeft het hun gegeven.” Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | אֵֽין (ein) = er is geen | חֵ֤לֶק (cheleq) = deel | לַלְוִיִּם֙ (lalviyim) = voor de Levieten | בְּקִרְבְּכֶ֔ם (beqirbekhem) = in jullie midden | כִּֽי (ki) = want | כְהֻנַּ֥ת (kehunat) = het priesterschap van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נַחֲלָת֑וֹ (nachalato) = is zijn erfdeel | וְגָ֡ד (vegad) = en Gad | וּרְאוּבֵ֡ן (ureuven) = en Ruben | וַחֲצִי֩ (vachatsi) = en de helft van | שֵׁ֨בֶט (shevet) = de stam | הַֽמְנַשֶּׁ֜ה (hamnashe) = Manasse | לָקְח֣וּ (laqechu) = hebben genomen | נַחֲלָתָ֗ם (nachalatam) = hun erfdeel | מֵעֵ֤בֶר (meever) = aan de overkant van | לַיַּרְדֵּן֙ (layarden) = de Jordaan | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = in het oosten | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | נָתַ֣ן (natan) = heeft gegeven | לָהֶ֔ם (lahem) = aan hen | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עֶ֥בֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: De Levieten hebben geen eigen land, want Yahweh zelf is hun erfdeel (Num. 18:20; Deut. 18:1–2; Joz. 13:14, 33). Het land ten oosten van de Jordaan kreeg Gad, Ruben en de halve stam Manasse van Mozes (Num. 32:33). Zie ook: Num 18:20; Num 32:29–41; Num 32:33; Deut 18:1–2; Joz 13:8–31; Joz 13:14; Joz 13:33 ### Het lot in Silo **18:8** De mannen stonden op en gingen. Jozua gaf hun die gingen om het land te beschrijven dit bevel: „Ga, trek door het land en beschrijf het. Kom daarna bij mij terug. Dan werp ik hier voor jullie het lot, voor het aangezicht van Yahweh, in Silo.” Brontekst: וַיָּקֻ֥מוּ (vayaqumu) = en stonden op | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | וַיֵּלֵ֑כוּ (vayelekhu) = en gingen | וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en gebood | יְהוֹשֻׁ֡עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | הַהֹלְכִים֩ (haholekhim) = hen die gingen | לִכְתֹּ֨ב (likhtov) = om te beschrijven | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | לְ֠כוּ (lekhu) = ga | וְהִתְהַלְּכ֨וּ (vehithalekhu) = en trek rond | בָאָ֜רֶץ (baarets) = in het land | וְכִתְב֤וּ (vekhitvu) = en beschrijf | אוֹתָהּ֙ (otah) = het | וְשׁ֣וּבוּ (veshuvu) = en keer terug | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | וּ֠פֹה (ufo) = en hier | אַשְׁלִ֨יךְ (ashlikh) = zal ik werpen | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | גּוֹרָ֛ל (goral) = het lot | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּשִׁלֹֽה (beshilo) = in Silo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Joz 7:16–18; Joz 15:1; Joz 18:10; Hand 1:24–26; Rom 14:19 **18:9** De mannen gingen weg en trokken door het land. Zij beschreven het op een boekrol, per stad, in zeven delen. Daarna kwamen zij bij Jozua in het kamp in Silo. Brontekst: וַיֵּלְכ֤וּ (vayelekhu) = en gingen | הָֽאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | וַיַּעַבְר֣וּ (vayaavru) = en trokken door | בָאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | וַיִּכְתְּב֧וּהָ (vayikhtevuha) = en beschreven het | לֶֽעָרִ֛ים (learim) = per stad | לְשִׁבְעָ֥ה (leshiva) = in zeven | חֲלָקִ֖ים (chalaqim) = delen | עַל (al) = op | סֵ֑פֶר (sefer) = een boekrol | וַיָּבֹ֧אוּ (vayavou) = en kwamen | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = naar | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = het kamp | שִׁלֹֽה (shilo) = in Silo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: סֵפֶר (sefer), ‘boekrol’: een opgerold geschrift. Zij maakten een landbeschrijving per stad, in zeven delen. Zie ook: Hand 13:19 **18:10** Jozua wierp voor hen het lot in Silo, voor het aangezicht van Yahweh. Daar verdeelde Jozua het land onder de zonen van Israël, volgens hun afdelingen. Brontekst: וַיַּשְׁלֵךְ֩ (vayashlekh) = en wierp | לָהֶ֨ם (lahem) = voor hen | יְהוֹשֻׁ֧עַ (yehoshua) = Jozua | גּוֹרָ֛ל (goral) = het lot | בְּשִׁלֹ֖ה (beshilo) = in Silo | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְחַלֶּק (vaychaleq) = en verdeelde | שָׁ֨ם (sham) = daar | יְהוֹשֻׁ֧עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | לִבְנֵ֥י (livnei) = aan de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כְּמַחְלְקֹתָֽם (kemachleqotam) = volgens hun afdelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: מַחְלְקֹת (machloqot), ‘afdelingen’: de indeling van het land in zeven delen (vers 5–6), die nu bij de stammen worden ingedeeld. Zie ook: Joz 18:5–6; Joz 18:6; Spr 18:18; Ezech 48:29; Hand 13:19; Kol 1:12 ### Het lot van Benjamin **18:11** Het lot kwam op voor de stam van de zonen van Benjamin, per familie. Het gebied dat hun lot hun gaf, lag tussen de zonen van Juda en de zonen van Jozef. Brontekst: וַיַּ֗עַל (vayaal) = en kwam op | גּוֹרַ֛ל (goral) = het lot | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en kwam uit | גְּב֣וּל (gevul) = het gebied van | גּֽוֹרָלָ֔ם (goralam) = hun lot | בֵּ֚ין (bein) = tussen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יוֹסֵֽף (yosef) = Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Benjamin ligt tussen Juda in het zuiden en Efraïm in het noorden, rond Jeruzalem, Gibeon en Jericho (Israël en de Westelijke Jordaanoever). Zie ook: Deut 10:1–22; Deut 13:13; Joz 15:1–8; Joz 16:1–10 ### De noordgrens **18:12** Hun grens aan de noordkant begon bij de Jordaan. De grens klom naar de flank van Jericho, aan de noordkant. Daarna klom hij het bergland in, westwaarts. Zijn einde lag bij de woestijn van Bet-Awen. Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en het was | לָהֶ֧ם (lahem) = voor hen | הַגְּב֛וּל (hagevul) = de grens | לִפְאַ֥ת (lifat) = aan de kant van | צָפ֖וֹנָה (tsafona) = het noorden | מִן (min) = vanaf | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | וְעָלָ֣ה (veala) = en klom | הַגְּבוּל֩ (hagevul) = de grens | אֶל (el) = naar | כֶּ֨תֶף (ketef) = de flank van | יְרִיח֜וֹ (yericho) = Jericho | מִצָּפ֗וֹן (mitsafon) = ten noorden | וְעָלָ֤ה (veala) = en klom | בָהָר֙ (bahar) = in het bergland | יָ֔מָּה (yama) = westwaarts | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en waren | תֹּֽצְאֹתָ֔יו (totseotav) = zijn einden | מִדְבַּ֖רָה (midbara) = bij de woestijn van | בֵּ֥ית (beit) = Bet | אָֽוֶן (aven) = Awen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jericho is Tell es-Sultan (Westelijke Jordaanoever); dat is zeker. Bet-Awen lag bij Betel, ten oosten ervan. De plek is onzeker. Zie Bet-Aven (ligging onzeker): Bet-Aven (Bet-Awen) lag ten oosten van Betel, bij Ai. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: כָּתֵף (katef), ‘schouder’: de zijkant of flank van een berg of heuvel. Wij schrijven ‘flank’. Zie ook: Joz 3:16; Joz 6:1; Joz 7:2; Joz 16:1; Hos 4:15 **18:13** Vandaar liep de grens naar Luz, naar de zuidflank van Luz. Dat is Betel. Daarna daalde de grens af naar Atarot-Addar, bij de berg die ten zuiden van Beneden-Bet-Choron ligt. Brontekst: וְעָבַר֩ (veavar) = en liep | מִשָּׁ֨ם (misham) = vandaar | הַגְּב֜וּל (hagevul) = de grens | ל֗וּזָה (luza) = naar Luz | אֶל (el) = naar | כֶּ֤תֶף (ketef) = de flank van | ל֨וּזָה֙ (luza) = Luz | נֶ֔גְבָּה (negba) = zuidwaarts | הִ֖יא (hi) = zij | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֑ל (el) = El | וְיָרַ֤ד (veyarad) = en daalde af | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | עַטְר֣וֹת (atrot) = Atarot | אַדָּ֔ר (adar) = Addar | עַל (al) = bij | הָהָ֕ר (hahar) = de berg | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | מִנֶּ֥גֶב (minegev) = ten zuiden van | לְבֵית (leveit) = Bet | חֹר֖וֹן (choron) = Choron | תַּחְתּֽוֹן (tachton) = Neder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Luz is de oudere naam van Betel (Gen. 28:19). Betel is het huidige Beitin (Westelijke Jordaanoever); dat is waarschijnlijk. Beneden-Bet-Choron is Beit Ur et-Tahta, ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever); dat is waarschijnlijk. De ligging van Atarot-Addar is onzeker. Zie ook: Gen 28:19; Joz 10:11; Joz 16:2–3; Joz 21:22; Re 1:22–26 ### De westgrens **18:14** Daar boog de grens af en draaide aan de westkant naar het zuiden, vanaf de berg die tegenover Bet-Choron ligt. Zijn einde lag bij Kirjat-Baäl, dat is Kirjat-Jearim, een stad van de zonen van Juda. Dit was de westkant. Brontekst: וְתָאַ֣ר (vetaar) = en boog | הַגְּבוּל֩ (hagevul) = de grens | וְנָסַ֨ב (venasav) = en draaide | לִפְאַת (lifat) = aan de kant van | יָ֜ם (yam) = de zee | נֶ֗גְבָּה (negba) = zuidwaarts | מִן (min) = vanaf | הָהָר֙ (hahar) = de berg | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | בֵית (beit) = Bet | חֹרוֹן֮ (choron) = Choron | נֶגְבָּה֒ (negba) = zuidwaarts | וְהָי֣וּ (vehayu) = en waren | תֹֽצְאֹתָ֗יו (totseotav) = zijn einden | אֶל (el) = bij | קִרְיַת (qiryat) = Kirjat | בַּ֨עַל֙ (baal) = Baäl | הִ֚יא (hi) = zij | קִרְיַ֣ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִ֔ים (yearim) = Jearim | עִ֖יר (ir) = stad van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | זֹ֖את (zot) = dit | פְּאַת (peat) = de kant van | יָֽם (yam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kirjat-Baäl is een andere naam voor Kirjat-Jearim. Dat ligt waarschijnlijk bij Abu Gosh, ten westen van Jeruzalem (Israël). Zie ook Joz. 15:9, 60. Zie Bet-Choron: Boven- en Neder-Bet-Choron lagen aan de weg van Gibeon naar Ajalon, bij Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur al-Tahta, ten noordwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: פְּאַת־יָם (pe’at yam), ‘kant van de zee’: de westkant, want de Grote Zee, de Middellandse Zee, ligt in het westen. Zie ook: Joz 15:9; Joz 15:60; 1 Sam 7:1–2; 2 Sam 6:2; 1 Kron 13:5–6 ### De zuidgrens **18:15** De zuidkant begon bij het uiteinde van Kirjat-Jearim. De grens liep naar het westen en kwam uit bij de bron van het water van Neftoach. Brontekst: וּפְאַת (ufeat) = en de kant van | נֶ֕גְבָּה (negba) = het zuiden | מִקְצֵ֖ה (miqtse) = vanaf het uiteinde van | קִרְיַ֣ת (qiryat) = Kirjat | יְעָרִ֑ים (yearim) = Jearim | וְיָצָ֤א (veyatsa) = en liep uit | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | יָ֔מָּה (yama) = westwaarts | וְיָצָ֕א (veyatsa) = en liep uit | אֶל (el) = naar | מַעְיַ֖ן (mayan) = de bron van | מֵ֥י (mei) = het water van | נֶפְתּֽוֹחַ (neftoach) = Neftoach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De bron van het water van Neftoach is waarschijnlijk bij Lifta, ten westen van Jeruzalem (Israël). Dit stuk van de grens is dezelfde lijn als de noordgrens van Juda (Joz. 15:5–9). Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Zie ook: Joz 15:5–9; Joz 15:9 **18:16** De grens daalde af naar het uiteinde van de berg tegenover het dal van Ben-Hinnom. Dat dal ligt in de vallei van de Refaïeten, in het noorden. Daarna daalde hij af door het Hinnomdal, naar de zuidflank van de Jebusiet. Zo daalde hij af naar En-Rogel. Brontekst: וְיָרַ֨ד (veyarad) = en daalde af | הַגְּב֜וּל (hagevul) = de grens | אֶל (el) = naar | קְצֵ֣ה (qetse) = het uiteinde van | הָהָ֗ר (hahar) = de berg | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵי֙ (penei) = het aangezicht van | גֵּ֣י (gei) = het dal van | בֶן (ben) = de zoon van | הִנֹּ֔ם (hinom) = Hinnom | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | בְּעֵ֥מֶק (beemeq) = in de vallei van | רְפָאִ֖ים (refaim) = de Refaïeten | צָפ֑וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | וְיָרַד֩ (veyarad) = en daalde af | גֵּ֨י (gei) = het dal van | הִנֹּ֜ם (hinom) = Hinnom | אֶל (el) = naar | כֶּ֤תֶף (ketef) = de flank van | הַיְבוּסִי֙ (hayvusi) = de Jebusiet | נֶ֔גְבָּה (negba) = zuidwaarts | וְיָרַ֖ד (veyarad) = en daalde af | עֵ֥ין (ein) = de bron van | רֹגֵֽל (rogel) = Rogel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het dal van Ben-Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. En-Rogel ligt waarschijnlijk waar het Kidrondal en het Hinnomdal samenkomen, ten zuiden van de oude stad Jeruzalem (Israël). Beide zijn waarschijnlijk. Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: ‘De Jebusiet’ staat hier voor Jebus, de oude naam van Jeruzalem (vers 28; Richt. 19:10). Zie ook: Joz 15:7–8; Joz 18:28; Re 19:10; 1 Kon 1:9; 2 Kon 23:10; Jes 30:33; Jer 19:11 **18:17** Daarna boog hij naar het noorden en liep naar En-Semes. Hij liep naar Gelilot, tegenover de klim van Adummim. Toen daalde hij af naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben. Brontekst: וְתָאַ֣ר (vetaar) = en boog | מִצָּפ֗וֹן (mitsafon) = naar het noorden | וְיָצָא֙ (veyatsa) = en liep uit | עֵ֣ין (ein) = de bron van | שֶׁ֔מֶשׁ (shemesh) = Semes | וְיָצָא֙ (veyatsa) = en liep uit | אֶל (el) = naar | גְּלִיל֔וֹת (gelilot) = Gelilot | אֲשֶׁר (asher) = dat | נֹ֖כַח (nokhach) = tegenover | מַעֲלֵ֣ה (maale) = de klim van | אֲדֻמִּ֑ים (adumim) = Adummim | וְיָרַ֕ד (veyarad) = en daalde af | אֶ֥בֶן (even) = de steen van | בֹּ֖הַן (bohan) = Bohan | בֶּן (ben) = zoon van | רְאוּבֵֽן (reuven) = Ruben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: En-Semes is waarschijnlijk Ain el-Hod, bij Betanië, ten oosten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). De klim van Adummim ligt aan de weg van Jeruzalem naar Jericho. De steen van Bohan is niet te vinden. Zie Gelilot (ligging onzeker): Gelilot lag aan de Jordaan, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie Klim van Adummim: De klim van Adummim lag aan de oude weg van Jeruzalem naar Jericho, bij Talaat ed-Damm. Voetnoot Lezing: Waar hier Gelilot staat, heeft Joz. 15:7 de naam Gilgal. Mogelijk is het dezelfde plek, maar zeker is dat niet. Zie ook: Joz 15:6; Joz 15:7 **18:18** Hij liep door naar de flank tegenover de Araba, in het noorden, en daalde af naar de Araba. Brontekst: וְעָבַ֛ר (veavar) = en liep | אֶל (el) = naar | כֶּ֥תֶף (ketef) = de flank | מוּל (mul) = tegenover | הָֽעֲרָבָ֖ה (haarava) = de Araba | צָפ֑וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | וְיָרַ֖ד (veyarad) = en daalde af | הָעֲרָבָֽתָה (haaravata) = naar de Araba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Welke Araba hier bedoeld is, weten wij niet. Het is de vallei van de Jordaan, of de plaats Bet-Araba (vers 22; Joz. 15:6). Zie ook: Joz 15:6; Joz 15:61; Joz 18:22 **18:19** De grens liep door naar de noordflank van Bet-Chogla. Zijn einde lag bij de noordelijke baai van de Zoutzee, bij het zuidelijke uiteinde van de Jordaan. Dat was de grens in het zuiden. Brontekst: וְעָבַ֨ר (veavar) = en liep | הַגְּב֜וּל (hagevul) = de grens | אֶל (el) = naar | כֶּ֣תֶף (ketef) = de flank van | בֵּית (beit) = Bet | חָגְלָה֮ (chagela) = Chogla | צָפוֹנָה֒ (tsafona) = noordwaarts | וְהָי֣וּ (vehayu) = en waren | תֹּצְא֣וֹת (totseot) = de einden van | הַגְּב֗וּל (hagevul) = de grens | אֶל (el) = bij | לְשׁ֤וֹן (leshon) = de tong van | יָם (yam) = de zee | הַמֶּ֨לַח֙ (hamelach) = de Zoutzee | צָפ֔וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | אֶל (el) = bij | קְצֵ֥ה (qetse) = het uiteinde van | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | נֶ֑גְבָּה (negba) = zuidwaarts | זֶ֖ה (ze) = dit | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | נֶֽגֶב (negev) = het zuiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Chogla is waarschijnlijk Ain Hajla, ten zuidoosten van Jericho (Westelijke Jordaanoever). Zie Zoutzee: De Zoutzee is de Dode Zee, het meer in het diepe dal ten oosten van Juda. Voetnoot Uitleg: לָשׁוֹן (lashon), ‘tong’: een smalle baai of inham. De Zoutzee is de Dode Zee. De noordelijke baai is de plek waar de Jordaan de Dode Zee in stroomt. Zie ook Joz. 15:5. Zie ook: Gen 14:3; Gen 19:25; Num 34:3; Joz 15:2; Joz 15:5; Jes 11:15 ### De oostgrens **18:20** De Jordaan was de grens aan de oostkant. Dit was het erfdeel van de zonen van Benjamin, per familie, met zijn grenzen rondom. Brontekst: וְהַיַּרְדֵּ֥ן (vehayarden) = en de Jordaan | יִגְבֹּל (yigbol) = vormt de grens | אֹת֖וֹ (oto) = ervan | לִפְאַת (lifat) = aan de kant van | קֵ֑דְמָה (qedema) = het oosten | זֹ֡את (zot) = dit | נַחֲלַת֩ (nachalat) = het erfdeel van | בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֧ן (binyamin) = Benjamin | לִגְבֽוּלֹתֶ֛יהָ (ligvuloteiha) = met zijn grenzen | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. ### De steden van Benjamin **18:21** De steden van de stam van de zonen van Benjamin, per familie, waren: Jericho, Bet-Chogla, Emek-Keziz, Brontekst: וְהָי֣וּ (vehayu) = en waren | הֶֽעָרִ֗ים (hearim) = de steden | לְמַטֵּ֛ה (lemate) = voor de stam van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | לְמִשְׁפְּחֽוֹתֵיהֶ֑ם (lemishpechoteihem) = naar hun families | יְרִיח֥וֹ (yericho) = Jericho | וּבֵית (uveit) = en Bet | חָגְלָ֖ה (chagela) = Chogla | וְעֵ֥מֶק (veemeq) = en Emek | קְצִֽיץ (qetsits) = Keziz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Emek-Keziz (‘vallei van Keziz’) is niet te vinden. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie Bet-Chogla: Bet-Chogla wordt gezocht bij Deir Hajla, ten zuidoosten van Jericho. Voetnoot Uitleg: De steden van Benjamin staan in twee groepen: 12 steden in vers 21–24 en 14 steden in vers 25–28. Zie ook: Joz 2:1; Joz 6:1; Joz 18:12; Joz 18:14; Joz 18:19; Joz 18:25–28; Luc 19:1 **18:22** Bet-Araba, Semaraïm, Betel, Brontekst: וּבֵ֧ית (uveit) = en Bet | הָֽעֲרָבָ֛ה (haarava) = Araba | וּצְמָרַ֖יִם (utsemarayim) = en Semaraïm | וּבֵֽית (uveit) = en Bet | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Araba lag bij de noordkant van de Dode Zee (Joz. 15:6, 61); de plek is onzeker. Semaraïm is onzeker; misschien bij Ras ez-Zeimara, ten noorden van Betel. Betel: zie vers 13. Zie ook: Gen 10:18; Joz 15:6; Joz 18:13; Joz 18:18; 1 Kon 12:29–32; 2 Kron 13:4 **18:23** Avvim, Para, Ofra, Brontekst: וְהָעַוִּ֥ים (vehaavim) = en Avvim | וְהַפָּרָ֖ה (vehapara) = en Para | וְעָפְרָֽה (veafera) = en Ofra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Avvim is niet te vinden. Para is waarschijnlijk Khirbet Farah, bij het Wadi Farah. Ofra is waarschijnlijk et-Taiyibeh, ten noordoosten van Betel (Westelijke Jordaanoever). Dit is onzeker. Zie ook: 1 Sam 13:17 **18:24** Kefar-Haämmona, Ofni en Geba. Dat zijn 12 steden met hun dorpen. Brontekst: וּכְפַ֧ר (ukhefar) = en Kefar | הָֽעַמֹּנָ֛ה (haamona) = Haämmona | וְהָֽעָפְנִ֖י (vehaafeni) = en Ofni | וָגָ֑בַע (vagava) = en Geba | עָרִ֥ים (arim) = steden | שְׁתֵּים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kefar-Haämmona is niet te vinden. Ofni is waarschijnlijk Jifna, ten noorden van Betel. Geba is waarschijnlijk Jaba, ten noordoosten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: חָצֵר (chatser), ‘dorp’: een kleine nederzetting zonder muur, die bij een stad hoort. Zie ook: Joz 21:17; Jes 10:29; Ezra 2:26; Neh 7:30 **18:25** Gibeon, Rama, Beërot, Brontekst: גִּבְע֥וֹן (givon) = Gibeon | וְהָֽרָמָ֖ה (veharama) = en Rama | וּבְאֵרֽוֹת (uveerot) = en Beërot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon is el-Jib, ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever); dat is zeker. Rama is waarschijnlijk er-Ram. Beërot is onzeker. Zie ook: Joz 9:17; 1 Sam 1:1; 1 Kon 9:2; Jes 28:21; Mat 27:57 **18:26** Mizpa, Kefira, Moza, Brontekst: וְהַמִּצְפֶּ֥ה (vehamitspe) = en Mizpa | וְהַכְּפִירָ֖ה (vehakefira) = en Kefira | וְהַמֹּצָֽה (vehamotsa) = en Moza Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpa is waarschijnlijk Tell en-Nasbeh (Westelijke Jordaanoever); sommigen denken aan Nebi Samwil. Kefira is waarschijnlijk Khirbet Kefireh. Moza is waarschijnlijk Khirbet Beit Mizza, ten westen van Jeruzalem. Zie ook: Joz 9:17; Re 10:17; Ezra 2:25 **18:27** Rekem, Jirpeël, Tarala, Brontekst: וְרֶ֥קֶם (vereqem) = en Rekem | וְיִרְפְּאֵ֖ל (veyirpeel) = en Jirpeël | וְתַרְאֲלָֽה (vetarala) = en Tarala Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rekem, Jirpeël en Tarala zijn niet te vinden. De ligging is onzeker. **18:28** Sela, Haëlef, de Jebusiet (dat is Jeruzalem), Gibeat en Kirjat. Dat zijn 14 steden met hun dorpen. Dit is het erfdeel van de zonen van Benjamin, per familie. Brontekst: וְצֵלַ֡ע (vetsela) = en Sela | הָאֶ֜לֶף (haelef) = Haëlef | וְהַיְבוּסִ֨י (vehayvusi) = en de Jebusiet | הִ֤יא (hi) = zij | יְרֽוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | גִּבְעַ֣ת (givat) = Gibeat | קִרְיַ֔ת (qiryat) = Kirjat | עָרִ֥ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | וְחַצְרֵיהֶ֑ן (vechatsreihen) = en hun dorpen | זֹ֛את (zot) = dit | נַֽחֲלַ֥ת (nachalat) = het erfdeel van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | בִנְיָמִ֖ן (binyamin) = Benjamin | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeat is waarschijnlijk Tell el-Ful, ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Jeruzalem lag op de grens van Juda en Benjamin (Joz. 15:8). Sela, Haëlef en Kirjat zijn onzeker. Voetnoot Lezing: Wij lezen ‘Sela’ en ‘Haëlef’ als twee namen. Samen met de Jebusiet, Gibeat en Kirjat komt het getal van 14 dan uit. Zie ook: Joz 15:8; Joz 15:63; Joz 18:16; 2 Sam 21:14; Jes 10:29 ## Jozua 19 _De loten voor Simeon, Zebulon, Issachar, Aser, Naftali en Dan, en het erfdeel van Jozua_ ### Het lot van Simeon **19:1** Het tweede lot kwam uit voor Simeon, voor de stam van de zonen van Simeon, per familie. Hun erfdeel lag midden in het erfdeel van de zonen van Juda. Brontekst: וַיֵּצֵ֞א (vayetse) = en kwam uit | הַגּוֹרָ֤ל (hagoral) = het lot | הַשֵּׁנִי֙ (hasheni) = het tweede | לְשִׁמְע֔וֹן (leshimon) = voor Simeon | לְמַטֵּ֥ה (lemate) = voor de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | שִׁמְע֖וֹן (shimon) = Simeon | לְמִשְׁפְּחוֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | נַֽחֲלָתָ֔ם (nachalatam) = hun erfdeel | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | נַחֲלַ֥ת (nachalat) = het erfdeel van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het gebied van Simeon ligt in het zuiden, in de Negev rond Beër-Sjeba, midden in het erfdeel van Juda (Israël). Voetnoot Uitleg: Dit is het tweede lot. Het eerste lot was voor Benjamin (Joz. 18:11). Simeon krijgt dus zijn erfdeel binnen Juda, zoals vers 9 uitlegt. Zie ook: Gen 49:5–7; Joz 18:6–11; Joz 18:11; Joz 19:9 **19:2** In hun erfdeel kregen zij: Beër-Sjeba, Sjeba, Molada, Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | בְּנַֽחֲלָתָ֑ם (benachalatam) = in hun erfdeel | בְּאֵֽר (beer) = Beër | שֶׁ֥בַע (sheva) = Sjeba | וְשֶׁ֖בַע (vesheva) = en Sjeba | וּמוֹלָדָֽה (umolada) = en Molada Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beër-Sjeba is Tel Beer Sheva, bij het huidige Beër-Sjeva (Israël); dat is zeker. Molada is waarschijnlijk Tel Malhata, in de Negev (Israël). Sjeba is onzeker. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier zowel ‘Beër-Sjeba’ als ‘Sjeba’. Dan telt de lijst in vers 2–6 veertien steden, maar vers 6 zegt 13. In de parallelle lijst in 1 Kron. 4:28 staat Sjeba niet. Wij laten beide namen staan zoals in de grondtekst. Zie ook: Gen 21:31; Joz 15:28; Joz 19:6; 1 Kron 4:28–30; Neh 11:26–30 **19:3** Chasar-Sual, Bala, Esem, Brontekst: וַחֲצַ֥ר (vachatsar) = en Chasar | שׁוּעָ֛ל (shual) = Sual | וּבָלָ֖ה (uvala) = en Bala | וָעָֽצֶם (vaatsem) = en Esem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chasar-Sual, Bala en Esem liggen in de Negev. De precieze plaatsen zijn onzeker. Zie ook: Joz 15:28–29 **19:4** Eltolad, Betul, Chorma, Brontekst: וְאֶלְתּוֹלַ֥ד (veeltolad) = en Eltolad | וּבְת֖וּל (uvetul) = en Betul | וְחָרְמָֽה (vecharema) = en Chorma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Eltolad en Betul liggen in de Negev; de plaatsen zijn onzeker. Chorma ligt in het zuiden van Kanaän; de plek is onzeker. Zie Num. 14:45 en 21:3. Zie ook: Num 14:45; Num 21:3; Joz 15:30; Re 1:17 **19:5** Siklag, Bet-Hammarkabot, Chasar-Susa, Brontekst: וְצִֽקְלַ֥ג (vetsiqlag) = en Siklag | וּבֵית (uveit) = en Bet | הַמַּרְכָּב֖וֹת (hamarkavot) = Hammarkabot | וַחֲצַ֥ר (vachatsar) = en Chasar | סוּסָֽה (susa) = Susa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Siklag ligt waarschijnlijk bij Tel Sera of Tel Halif, in de Negev (Israël). Dat is onzeker. Bet-Hammarkabot (‘huis van de wagens’) en Chasar-Susa (‘dorp van de paarden’) zijn niet te vinden. Zie ook: Joz 15:31; 1 Sam 27:6; 1 Sam 30:1; 1 Kron 4:31 **19:6** Bet-Lebaot en Sjaruchen. Dat zijn 13 steden met hun dorpen. Brontekst: וּבֵ֥ית (uveit) = en Bet | לְבָא֖וֹת (levaot) = Lebaot | וְשָֽׁרוּחֶ֑ן (vesharuchen) = en Sjaruchen | עָרִ֥ים (arim) = steden | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Lebaot (‘huis van de leeuwinnen’) en Sjaruchen liggen in het zuiden van Juda. Sjaruchen is waarschijnlijk Tell el-Ajjul, bij Gaza; dat is onzeker. Zie ook: Joz 15:32 **19:7** En, Rimmon, Eter en Asan. Dat zijn 4 steden met hun dorpen. Brontekst: עַ֥יִן (ayin) = En | רִמּ֖וֹן (rimon) = Rimmon | וָעֶ֣תֶר (vaeter) = en Eter | וְעָשָׁ֑ן (veashan) = en Asan | עָרִ֥ים (arim) = steden | אַרְבַּ֖ע (arba) = vier | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vier steden liggen in het zuiden van Juda. De plaatsen zijn niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: Het getal 4 klopt als En en Rimmon twee aparte steden zijn, zoals in Joz. 15:32. In Neh. 11:29 staat ‘En-Rimmon’ als één naam. Zie ook: Num 33:19–20; Joz 15:32; Joz 15:42; 1 Kron 4:32; Neh 11:29 **19:8** Ook kregen zij alle dorpen rondom deze steden, tot aan Baälat-Beër, Ramat-Negev. Dit is het erfdeel van de stam van de zonen van Simeon, per familie. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | הַֽחֲצֵרִ֗ים (hachatserim) = de dorpen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | סְבִיבוֹת֙ (sevivot) = rondom | הֶֽעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | עַד (ad) = tot | בַּֽעֲלַ֥ת (baalat) = Baälat | בְּאֵ֖ר (beer) = Beër | רָ֣אמַת (ramat) = Ramat | נֶ֑גֶב (negev) = Negev | זֹ֗את (zot) = dit | נַחֲלַ֛ת (nachalat) = het erfdeel van | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | שִׁמְע֖וֹן (shimon) = Simeon | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Baälat-Beër is dezelfde plaats als Ramat-Negev (‘hoogte in de Negev’). Zie ook 1 Sam. 30:27. De ligging is onzeker. Zie ook: 1 Sam 30:27; 1 Kron 4:33 **19:9** Het erfdeel van de zonen van Simeon lag in de kavel van de zonen van Juda. Want het deel van de zonen van Juda was te groot voor hen. Zo kregen de zonen van Simeon een erfdeel midden in hun erfdeel. Brontekst: מֵחֶ֨בֶל֙ (mechevel) = van de kavel van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | נַחֲלַ֖ת (nachalat) = het erfdeel van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שִׁמְע֑וֹן (shimon) = Simeon | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֞ה (haya) = was | חֵ֤לֶק (cheleq) = het deel van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | רַ֣ב (rav) = te groot | מֵהֶ֔ם (mehem) = voor hen | וַיִּנְחֲל֥וּ (vayinchalu) = en erfden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | שִׁמְע֖וֹן (shimon) = Simeon | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | נַחֲלָתָֽם (nachalatam) = hun erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶבֶל (chevel), ‘kavel’: het stuk land dat met een meetsnoer voor Juda was afgemeten (Joz. 15). Dit was te groot, en daarom kreeg Simeon daarin een deel. Zie ook: Ex 16:18; 2 Kor 8:14–15 ### Het lot van Zebulon **19:10** Het derde lot kwam op voor de zonen van Zebulon, per familie. De grens van hun erfdeel liep tot Sarid. Brontekst: וַיַּ֨עַל֙ (vayaal) = en kwam op | הַגּוֹרָ֣ל (hagoral) = het lot | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = het derde | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | זְבוּלֻ֖ן (zevulun) = Zebulon | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | וַיְהִ֛י (vayhi) = en het was | גְּב֥וּל (gevul) = de grens van | נַחֲלָתָ֖ם (nachalatam) = hun erfdeel | עַד (ad) = tot | שָׂרִֽיד (sarid) = Sarid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sarid: Sarid wordt gezocht bij Tel Shadud, in de vallei van Jizreël. Zie ook: Gen 49:13; Deut 33:18–19; Joz 18:6; Joz 18:11 **19:11** Hun grens klom naar het westen, naar Marala, en raakte Dabbeset. Hij raakte de beek tegenover Jokneam. Brontekst: וְעָלָ֨ה (veala) = en klom | גְבוּלָ֧ם (gevulam) = hun grens | לַיָּ֛מָּה (layama) = westwaarts | וּמַרְעֲלָ֖ה (umarala) = en naar Marala | וּפָגַ֣ע (ufaga) = en raakte | בְּדַבָּ֑שֶׁת (bedabashet) = Dabbeset | וּפָגַע֙ (ufaga) = en raakte | אֶל (el) = de | הַנַּ֔חַל (hanachal) = beek | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = tegenover | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | יָקְנְעָֽם (yaqeneam) = Jokneam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jokneam is Tel Qamun, aan de voet van de Karmel (Israël); dat is waarschijnlijk. Marala en Dabbeset zijn onzeker. Sarid is waarschijnlijk Tel Shadud, in de vallei van Jizreël (Israël). Zie ook: Joz 12:22; 1 Kron 6:53; 1 Kon 4:12 **19:12** Van Sarid keerde hij om, naar het oosten, waar de zon opkomt, naar het gebied van Kislot-Tabor. Hij liep uit naar Daberat en klom naar Jafia. Brontekst: וְשָׁ֣ב (veshav) = en keerde terug | מִשָּׂרִ֗יד (misarid) = vanaf Sarid | קֵ֚דְמָה (qedema) = oostwaarts | מִזְרַ֣ח (mizrach) = het oosten | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = van de zon | עַל (al) = naar | גְּב֥וּל (gevul) = het gebied van | כִּסְלֹ֖ת (kislot) = Kislot | תָּבֹ֑ר (tavor) = Tabor | וְיָצָ֥א (veyatsa) = en liep uit | אֶל (el) = naar | הַדָּֽבְרַ֖ת (hadaverat) = Daberat | וְעָלָ֥ה (veala) = en klom | יָפִֽיעַ (yafia) = Jafia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kislot-Tabor is waarschijnlijk Iksal, ten zuiden van Nazaret (Israël). Daberat is waarschijnlijk Daburiyya, aan de voet van de Tabor. Jafia is waarschijnlijk Yafa, bij Nazaret. Alle drie zijn waarschijnlijk. Zie Sarid: Sarid wordt gezocht bij Tel Shadud, in de vallei van Jizreël. Voetnoot Uitleg: מִזְרַח הַשָּׁמֶשׁ (mizrach hashemesh), ‘oosten van de zon’: de kant waar de zon opkomt. Wij schrijven ‘het oosten, waar de zon opkomt’. Zie ook: Joz 19:22; Joz 21:28; Re 4:6; Re 4:12; Ps 89:13 **19:13** Vandaar liep hij verder naar het oosten, naar Gat-Chefer en naar Itta-Kasin. Hij liep uit naar Rimmon, dat doorloopt naar Nea. Brontekst: וּמִשָּׁ֤ם (umisham) = en vandaar | עָבַר֙ (avar) = liep door | קֵ֣דְמָה (qedema) = oostwaarts | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = naar het oosten | גִּתָּ֥ה (gita) = naar Gat | חֵ֖פֶר (chefer) = Chefer | עִתָּ֣ה (ita) = Itta | קָצִ֑ין (qatsin) = Kasin | וְיָצָ֛א (veyatsa) = en liep uit | רִמּ֥וֹן (rimon) = Rimmon | הַמְּתֹאָ֖ר (hametoar) = dat doorloopt | הַנֵּעָֽה (hanea) = naar Nea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gat-Chefer is waarschijnlijk Tel Gat-Hefer (Khirbet ez-Zurra), ten noorden van Nazaret (Israël). De profeet Jona kwam hier vandaan (2 Kon. 14:25). Itta-Kasin is onzeker. Rimmon is waarschijnlijk Rummaneh (Israël). Nea is onzeker. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hamit’ar (‘dat doorloopt’) bij Rimmon. Ook mogelijk is dat het een deel van de naam is: ‘Rimmon-Metoar’. Wij vertalen het als een beschrijving. Zie ook: 2 Kon 14:25 **19:14** Daar boog de grens aan de noordkant om naar Channaton. Zijn einde lag bij het dal van Jifta-El. Brontekst: וְנָסַ֤ב (venasav) = en boog om | אֹתוֹ֙ (oto) = het | הַגְּב֔וּל (hagevul) = de grens | מִצְּפ֖וֹן (mitsefon) = aan de noordkant | חַנָּתֹ֑ן (chanaton) = Channaton | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en waren | תֹּֽצְאֹתָ֔יו (totseotav) = zijn einden | גֵּ֖י (gei) = het dal van | יִפְתַּח (yiftach) = Jifta | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Channaton is waarschijnlijk Tel Hannathon (Tell Bedeiwiyeh), in Galilea (Israël). Het dal van Jifta-El is waarschijnlijk bij Tel Jotapata (Yodefat), in Galilea. Beide zijn waarschijnlijk. Zie Dal van Jifta-El: Het dal van Jifta-El lag bij Jotapata, in Galilea. **19:15** Ook hoorden erbij: Katat, Nahalal, Simron, Jidala en Betlehem. Dat zijn 12 steden met hun dorpen. Brontekst: וְקַטָּ֤ת (veqatat) = en Katat | וְנַֽהֲלָל֙ (venahalal) = en Nahalal | וְשִׁמְר֔וֹן (veshimron) = en Simron | וְיִדְאֲלָ֖ה (veyidala) = en Jidala | וּבֵ֣ית (uveit) = en Bet | לָ֑חֶם (lachem) = Lechem | עָרִ֥ים (arim) = steden | שְׁתֵּים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Nahalal is waarschijnlijk Tel Nahalal, in de vallei van Jizreël. Simron is waarschijnlijk Tel Shimron (Israël). Betlehem is het Betlehem in Galilea, ten noordwesten van Nazaret; het is niet het Betlehem bij Jeruzalem. Katat en Jidala zijn onzeker. Voetnoot Uitleg: Het getal 12 is niet vast te stellen uit de namen in vers 10–15. Wij laten het zoals het in de grondtekst staat. Zie ook: Joz 11:1; Joz 12:20; Joz 19:10–15; Joz 21:34–35; Re 1:30; Ruth 1:19 **19:16** Dit is het erfdeel van de zonen van Zebulon, per familie: deze steden met hun dorpen. Brontekst: זֹ֛את (zot) = dit | נַחֲלַ֥ת (nachalat) = het erfdeel van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | זְבוּלֻ֖ן (zevulun) = Zebulon | לְמִשְׁפְּחוֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | הֶֽעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het lot van Issachar **19:17** Het vierde lot kwam uit voor Issachar, voor de zonen van Issachar, per familie. Brontekst: לְיִ֨שָּׂשכָ֔ר (leyisashkhar) = voor Issachar | יָצָ֖א (yatsa) = kwam uit | הַגּוֹרָ֣ל (hagoral) = het lot | הָֽרְבִיעִ֑י (harevii) = het vierde | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | יִשָּׂשכָ֖ר (yisashkhar) = Issachar | לְמִשְׁפְּחוֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:18** Hun gebied omvatte: Jizreël, Kesulot, Sunem, Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | גְּבוּלָ֑ם (gevulam) = hun gebied | יִזְרְעֶ֥אלָה (yizreela) = naar Jizreël | וְהַכְּסוּלֹ֖ת (vehakesulot) = en Kesulot | וְשׁוּנֵֽם (veshunem) = en Sunem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jizreël is waarschijnlijk Zer’in, in de vallei van Jizreël (Israël). Kesulot is waarschijnlijk dezelfde plaats als Kislot-Tabor (vers 12), nu Iksal. Sunem is Solem (Sulam), in de vallei van Jizreël (Israël). Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘hun grens was naar Jizreël …’. Wij vertalen ‘hun gebied omvatte’, want de namen die volgen zijn steden in hun erfdeel. Zie ook: Joz 19:12; 1 Sam 28:4; 1 Kon 2:21; 1 Kon 21:15–16; 2 Kon 4:8; 2 Kon 9:15 **19:19** Chafaraïm, Sion, Anacharat, Brontekst: וַחֲפָרַ֥יִם (vachafarayim) = en Chafaraïm | וְשִׁיאֹ֖ן (veshion) = en Sion | וַאֲנָחֲרַֽת (vaanacharat) = en Anacharat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chafaraïm, Sion en Anacharat liggen in het gebied van Issachar. De plaatsen zijn onzeker. **19:20** Rabbit, Kisjon, Evets, Brontekst: וְהָֽרַבִּ֥ית (veharabit) = en Rabbit | וְקִשְׁי֖וֹן (veqishyon) = en Kisjon | וָאָֽבֶץ (vaavets) = en Evets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rabbit, Kisjon en Evets liggen in het gebied van Issachar. De plaatsen zijn onzeker. **19:21** Remet, En-Gannim, En-Chadda en Bet-Passets. Brontekst: וְרֶ֧מֶת (veremet) = en Remet | וְעֵין (veein) = en En | גַּנִּ֛ים (ganim) = Gannim | וְעֵ֥ין (veein) = en En | חַדָּ֖ה (chada) = Chadda | וּבֵ֥ית (uveit) = en Bet | פַּצֵּֽץ (patsets) = Passets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: En-Gannim (‘bron van de tuinen’) is waarschijnlijk Jenin (Westelijke Jordaanoever). En-Chadda is waarschijnlijk Kefar Adan. Remet en Bet-Passets zijn onzeker. Zie ook: Joz 21:29 **19:22** De grens raakte de Tabor, Sachatsima en Bet-Semes. Zijn einden lagen bij de Jordaan. Dat zijn 16 steden met hun dorpen. Brontekst: וּפָגַע֩ (ufaga) = en raakte | הַגְּב֨וּל (hagevul) = de grens | בְּתָב֤וֹר (betavor) = de Tabor | וְשַׁחֲצִ֨ימָה֙ (veshachatsima) = en Sachatsima | וּבֵ֣ית (uveit) = en Bet | שֶׁ֔מֶשׁ (shemesh) = Semes | וְהָי֛וּ (vehayu) = en waren | תֹּצְא֥וֹת (totseot) = de einden van | גְּבוּלָ֖ם (gevulam) = hun grens | הַיַּרְדֵּ֑ן (hayarden) = de Jordaan | עָרִ֥ים (arim) = steden | שֵׁשׁ (shesh) = zes | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Tabor is de berg Tabor in Galilea (Israël); dat is zeker. Sachatsima en Bet-Semes in Issachar zijn onzeker. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Wij kunnen de 16 steden niet precies tellen uit de namen in vers 18–22. Wij laten het getal staan. Zie ook: Joz 19:18–22; Joz 19:38; Re 4:6; Ps 89:13; 2 Kon 14:11–13; Jer 46:18 **19:23** Dit is het erfdeel van de stam van de zonen van Issachar, per familie: de steden met hun dorpen. Brontekst: זֹ֗את (zot) = dit | נַחֲלַ֛ת (nachalat) = het erfdeel van | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשָּׂשכָ֖ר (yisashkhar) = Issachar | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het lot van Aser **19:24** Het vijfde lot kwam uit voor de stam van de zonen van Aser, per familie. Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en kwam uit | הַגּוֹרָ֣ל (hagoral) = het lot | הַֽחֲמִישִׁ֔י (hachamishi) = het vijfde | לְמַטֵּ֥ה (lemate) = voor de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | אָשֵׁ֖ר (asher) = Aser | לְמִשְׁפְּחוֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 2:26–38 **19:25** Hun gebied omvatte: Chelkat, Chali, Beten, Achsaf, Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | גְּבוּלָ֑ם (gevulam) = hun gebied | חֶלְקַ֥ת (chelqat) = Chelkat | וַחֲלִ֖י (vachali) = en Chali | וָבֶ֥טֶן (vaveten) = en Beten | וְאַכְשָֽׁף (veakhshaf) = en Achsaf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beten is waarschijnlijk Ibtin (Israël). Achsaf ligt waarschijnlijk bij Tel Keisan (Israël). Chelkat, Chali, Alammelek, Amad en Misjal zijn onzeker. Zie ook: Joz 11:1; Joz 12:20; 2 Sam 2:16 **19:26** Alammelek, Amad en Misjal. In het westen raakte hun grens de Karmel en Sichor-Libnat. Brontekst: וְאַֽלַמֶּ֥לֶךְ (vealamelekh) = en Alammelek | וְעַמְעָ֖ד (veamad) = en Amad | וּמִשְׁאָ֑ל (umishal) = en Misjal | וּפָגַ֤ע (ufaga) = en raakte | בְּכַרְמֶל֙ (bekharmel) = de Karmel | הַיָּ֔מָּה (hayama) = westwaarts | וּבְשִׁיח֖וֹר (uveshichor) = en Sichor | לִבְנָֽת (livnat) = Libnat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Karmel is het Karmelgebergte bij Haifa (Israël); dat is zeker. Sichor-Libnat is onzeker; misschien is het een beek bij de kust. Zie ook: Hoogl 7:6; 1 Kon 18:20; 1 Kon 18:42; Jes 33:9; Jer 46:18 **19:27** Daarna keerde hij om, naar het oosten, waar de zon opkomt, naar Bet-Dagon. Hij raakte Zebulon en het dal van Jifta-El. Naar het noorden liep hij naar Bet-Haëmek en Nejiël. Hij liep uit naar Kabul, aan de linkerkant, Brontekst: וְשָׁ֨ב (veshav) = en keerde terug | מִזְרַ֣ח (mizrach) = het oosten | הַשֶּׁמֶשׁ֮ (hashemesh) = van de zon | בֵּ֣ית (beit) = Bet | דָּגֹן֒ (dagon) = Dagon | וּפָגַ֣ע (ufaga) = en raakte | בִּ֠זְבֻלוּן (bizvulun) = Zebulon | וּבְגֵ֨י (uvegei) = en het dal van | יִפְתַּח (yiftach) = Jifta | אֵ֥ל (el) = El | צָפ֛וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | בֵּ֥ית (beit) = Bet | הָעֵ֖מֶק (haemeq) = Haëmek | וּנְעִיאֵ֑ל (uneiel) = en Nejiël | וְיָצָ֥א (veyatsa) = en liep uit | אֶל (el) = naar | כָּב֖וּל (kavul) = Kabul | מִשְּׂמֹֽאל (misemol) = links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Dagon is onzeker. Het dal van Jifta-El: zie vers 14. Bet-Haëmek is waarschijnlijk Tel Mimla (Israël). Nejiël is waarschijnlijk Khirbet Ya’nin (Israël). Kabul is Kabul, in Galilea (Israël). Zie Dal van Jifta-El: Het dal van Jifta-El lag bij Jotapata, in Galilea. Voetnoot Uitleg: שְׂמֹאל (semol), ‘links’: wie naar het oosten kijkt, heeft het noorden links. Zie ook: Joz 19:14; 1 Sam 5:2; 1 Kon 9:13 **19:28** en naar Evron, Rechov, Chammon en Kana, tot aan Groot-Sidon. Brontekst: וְעֶבְרֹ֥ן (veevron) = en Evron | וּרְחֹ֖ב (urechov) = en Rechov | וְחַמּ֣וֹן (vechamon) = en Chammon | וְקָנָ֑ה (veqana) = en Kana | עַ֖ד (ad) = tot | צִיד֥וֹן (tsidon) = Sidon | רַבָּֽה (raba) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rechov, Chammon en Kana liggen in het noorden, bij de kust. Kana is waarschijnlijk Qana, in het zuiden van Libanon. Chammon is waarschijnlijk Umm el-Awamid (Libanon). Sidon is het huidige Saida (Libanon); dat is zeker. Voetnoot Lezing: Een aantal handschriften heeft Abdon (zoals in Joz. 21:30) in plaats van Evron. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Joz 11:8; Joz 21:30; Re 1:31; Jes 23:2; Joh 2:11; Joh 4:46 **19:29** Toen keerde de grens terug naar Rama en liep tot de versterkte stad Tyrus. Daarna keerde de grens terug naar Chosa. Zijn einde lag bij de zee, vanaf het kustgebied naar Achzib. Brontekst: וְשָׁ֤ב (veshav) = en keerde terug | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | הָֽרָמָ֔ה (harama) = naar Rama | וְעַד (vead) = en tot | עִ֖יר (ir) = de stad van | מִבְצַר (mivtsar) = de vesting | צֹ֑ר (tsor) = Tyrus | וְשָׁ֤ב (veshav) = en keerde terug | הַגְּבוּל֙ (hagevul) = de grens | חֹסָ֔ה (chosa) = naar Chosa | וְהָי֧וּ (vehayu) = en waren | תֹצְאֹתָ֛יו (totseotav) = zijn einden | הַיָּ֖מָּה (hayama) = naar de zee | מֵחֶ֥בֶל (mechevel) = vanaf het kustgebied | אַכְזִֽיבָה (akhziva) = naar Achzib Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama is waarschijnlijk Rameh (Libanon of Israël). Tyrus is het huidige Sur (Libanon); dat is zeker. Chosa is onzeker. Achzib is Tel Akhziv, aan de kust van Israël; dat is zeker. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt ‘vanaf de kavel (chevel) naar Achzib’. Wij nemen aan dat chevel hier het kustgebied bedoelt. Zie ook: Gen 38:5; Re 1:31; 2 Sam 5:11; Jes 23:1–18; Ezech 26:1–21 **19:30** Ook hoorden erbij: Uma, Afek en Rechov. Dat zijn 22 steden met hun dorpen. Brontekst: וְעֻמָ֥ה (veuma) = en Uma | וַאֲפֵ֖ק (vaafeq) = en Afek | וּרְחֹ֑ב (urechov) = en Rechov | עָרִ֛ים (arim) = steden | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁתַּ֖יִם (ushtayim) = en twee | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Uma is onzeker. Afek is waarschijnlijk Tel Kurdana, bij Akko (Israël). Dit Rechov is niet hetzelfde als het Rechov van vers 28; de ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: De steden van Aser zijn niet precies te tellen. Wij laten het getal 22 staan zoals in de grondtekst. Zie ook: Num 13:11; Joz 13:4; Joz 19:28; Joz 21:31; 1 Sam 4:1; 1 Kon 20:30 **19:31** Dit is het erfdeel van de stam van de zonen van Aser, per familie: deze steden met hun dorpen. Brontekst: זֹ֗את (zot) = dit | נַחֲלַ֛ת (nachalat) = het erfdeel van | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | אָשֵׁ֖ר (asher) = Aser | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:20; Deut 33:24–25 ### Het lot van Naftali **19:32** Het zesde lot kwam uit voor de zonen van Naftali, voor de zonen van Naftali, per familie. Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | נַפְתָּלִ֔י (naftali) = Naftali | יָצָ֖א (yatsa) = kwam uit | הַגּוֹרָ֣ל (hagoral) = het lot | הַשִּׁשִּׁ֑י (hashishi) = het zesde | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | נַפְתָּלִ֖י (naftali) = Naftali | לְמִשְׁפְּחֹתָֽם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:33** Hun grens liep vanaf Chelef, vanaf de eik bij Saänannim, langs Adami-Hanekev en Jabneël, tot Lakkum. Zijn einde lag bij de Jordaan. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | גְבוּלָ֗ם (gevulam) = hun grens | מֵחֵ֨לֶף (mechelef) = vanaf Chelef | מֵֽאֵל֜וֹן (meelon) = vanaf de eik | בְּצַעֲנַנִּ֗ים (betsaananim) = bij Saänannim | וַאֲדָמִ֥י (vaadami) = en Adami | הַנֶּ֛קֶב (haneqev) = Hanekev | וְיַבְנְאֵ֖ל (veyavneel) = en Jabneël | עַד (ad) = tot | לַקּ֑וּם (laqum) = Lakkum | וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | תֹצְאֹתָ֖יו (totseotav) = zijn einde | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Adami-Hanekev is waarschijnlijk Khirbet Damiyeh, bij de Zee van Kinneret (Israël). Jabneël is Yavne’el, ten zuidwesten van de Zee van Kinneret (Israël). Chelef, de eik bij Saänannim en Lakkum zijn onzeker. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: אַלּוֹן (allon), ‘eik’: een grote boom, die als herkenningspunt voor de grens diende. Zie ook: Re 4:11 **19:34** De grens keerde in het westen terug naar Aznot-Tabor. Vandaar liep hij uit naar Chukkok. In het zuiden raakte hij Zebulon en in het westen Aser. En bij de Jordaan raakte hij Juda, in het oosten, waar de zon opkomt. Brontekst: וְשָׁ֨ב (veshav) = en keerde terug | הַגְּב֥וּל (hagevul) = de grens | יָ֨מָּה֙ (yama) = westwaarts | אַזְנ֣וֹת (aznot) = naar Aznot | תָּב֔וֹר (tavor) = Tabor | וְיָצָ֥א (veyatsa) = en liep uit | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | חוּקֹ֑קָה (chuqoqa) = naar Chukkok | וּפָגַ֨ע (ufaga) = en raakte | בִּזְבֻל֜וּן (bizvulun) = Zebulon | מִנֶּ֗גֶב (minegev) = in het zuiden | וּבְאָשֵׁר֙ (uveasher) = en Aser | פָּגַ֣ע (paga) = raakte hij | מִיָּ֔ם (miyam) = in het westen | וּבִ֣יהוּדָ֔ה (uvihuda) = en Juda | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | מִזְרַ֥ח (mizrach) = oostwaarts | הַשָּֽׁמֶשׁ (hashamesh) = van de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Aznot-Tabor is onzeker. Chukkok is waarschijnlijk Yaquq, in Galilea (Israël). Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Lezing: Dat de grens van Naftali ‘Juda bij de Jordaan’ raakt, is moeilijk te begrijpen. De stam Juda ligt hier ver vandaan. Het kan gaan om een plaats met een naam als Juda, of om een dorp van Jaïr (Num. 32:41), maar zeker is dat niet. Wij vertalen de tekst letterlijk. Zie ook: Num 32:41; Deut 33:23; Joz 19:12; Joz 19:22 **19:35** De versterkte steden waren: Hassiddim, Ser, Chammat, Rakkat, Kinneret, Brontekst: וְעָרֵ֖י (vearei) = en de steden van | מִבְצָ֑ר (mivtsar) = de vesting | הַצִּדִּ֣ים (hatsidim) = Hassiddim | צֵ֔ר (tser) = Ser | וְחַמַּ֖ת (vechamat) = en Chammat | רַקַּ֥ת (raqat) = Rakkat | וְכִנָּֽרֶת (vekhinaret) = en Kinneret Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chammat is waarschijnlijk Hammat Tiberias (Israël). Kinneret ligt aan de westelijke oever van de Zee van Kinneret (Israël). Hassiddim, Ser en Rakkat zijn onzeker. Zie ook: Gen 10:18; Num 13:21; Num 34:8; Joz 11:2; 1 Kon 8:65 **19:36** Adama, Rama, Chasor, Brontekst: וַאֲדָמָ֥ה (vaadama) = en Adama | וְהָרָמָ֖ה (veharama) = en Rama | וְחָצֽוֹר (vechatsor) = en Chasor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chasor is Tel Hazor, in het noorden van Israël; dat is zeker. Adama en Rama zijn onzeker; Rama is misschien er-Rama in Galilea. Zie ook: Joz 11:1; Joz 11:20; Joz 12:19 **19:37** Kedes, Edrei, En-Chasor, Brontekst: וְקֶ֥דֶשׁ (veqedesh) = en Kedes | וְאֶדְרֶ֖עִי (veedrei) = en Edrei | וְעֵ֥ין (veein) = en En | חָצֽוֹר (chatsor) = Chasor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedes is waarschijnlijk Tel Qedesh, in Galilea (Israël). Het is niet dezelfde plaats als Kades-Barnea. Het wordt een vrijstad (Joz. 20:7). Edrei en En-Chasor zijn onzeker. Dit Edrei is niet het Edrei in Basan (Deut. 1:4). Zie ook: Deut 1:4; Joz 12:22; Joz 20:7 **19:38** Jiron, Migdal-El, Chorem, Bet-Anat en Bet-Semes. Dat zijn 19 steden met hun dorpen. Brontekst: וְיִרְאוֹן֙ (veyiron) = en Jiron | וּמִגְדַּל (umigdal) = en Migdal | אֵ֔ל (el) = El | חֳרֵ֥ם (chorem) = Chorem | וּבֵית (uveit) = en Bet | עֲנָ֖ת (anat) = Anat | וּבֵ֣ית (uveit) = en Bet | שָׁ֑מֶשׁ (shamesh) = Semes | עָרִ֥ים (arim) = steden | תְּשַֽׁע (tesha) = negen | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jiron is waarschijnlijk Yarun, bij de grens met Libanon. Chorem is waarschijnlijk Horvat Horem (Israël). Bet-Anat is onzeker; misschien in het zuiden van Libanon. Migdal-El en Bet-Semes in Naftali zijn onzeker. **19:39** Dit is het erfdeel van de stam van de zonen van Naftali, per familie: de steden met hun dorpen. Brontekst: זֹ֗את (zot) = dit | נַחֲלַ֛ת (nachalat) = het erfdeel van | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | נַפְתָּלִ֖י (naftali) = Naftali | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | הֶעָרִ֖ים (hearim) = de steden | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het lot van Dan **19:40** Het zevende lot kwam uit voor de stam van de zonen van Dan, per familie. Brontekst: לְמַטֵּ֥ה (lemate) = voor de stam van | בְנֵי (benei) = de zonen van | דָ֖ן (dan) = Dan | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | יָצָ֖א (yatsa) = kwam uit | הַגּוֹרָ֥ל (hagoral) = het lot | הַשְּׁבִיעִֽי (hashevii) = het zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:41** Het gebied van hun erfdeel omvatte: Tsora, Estaol, Ir-Semes, Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | גְּב֣וּל (gevul) = het gebied van | נַחֲלָתָ֑ם (nachalatam) = hun erfdeel | צָרְעָ֥ה (tsarea) = Tsora | וְאֶשְׁתָּא֖וֹל (veeshtaol) = en Estaol | וְעִ֥יר (veir) = en Ir | שָֽׁמֶשׁ (shamesh) = Semes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het erfdeel van Dan ligt in het westen, tussen Juda en de kust (Israël). Tsora is Sar’a (Israël); dat is zeker. Estaol is waarschijnlijk Eshwa’. Ir-Semes (‘stad van de zon’) is Bet-Semes, Tel Beth Shemesh (Israël). Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes. Zie ook: Joz 15:33; Re 13:2; Re 13:25; Re 16:31; Re 18:2 **19:42** Saälabbin, Ajjalon, Jitla, Brontekst: וְשַֽׁעֲלַבִּ֥ין (veshaalabin) = en Saälabbin | וְאַיָּל֖וֹן (veayalon) = en Ajjalon | וְיִתְלָֽה (veyitla) = en Jitla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Saälabbin is waarschijnlijk Selbit. Ajjalon is waarschijnlijk Yalo, bij Latrun (Westelijke Jordaanoever). Jitla is onzeker. Zie Ajalon: Ajalon (Yalo) lag in het dal van Ajalon, ten westen van Gibeon, aan de rand van de Sefela. Zie ook: Joz 10:12; Joz 21:24; Re 1:35; 1 Sam 14:31 **19:43** Elon, Timna, Ekron, Brontekst: וְאֵיל֥וֹן (veeilon) = en Elon | וְתִמְנָ֖תָה (vetimnata) = en Timna | וְעֶקְרֽוֹן (veeqron) = en Ekron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Timna is waarschijnlijk Tel Batash (Israël). Ekron is Tel Miqne (Israël). Elon is onzeker. Voetnoot Uitleg: Elon is een andere naam dan Ajjalon in vers 42. Zie ook: Gen 38:12; Joz 15:45; Joz 19:42; Re 14:1–2; 1 Sam 5:10; Amos 1:8 **19:44** Elteke, Gibbeton, Baälat, Brontekst: וְאֶלְתְּקֵ֥ה (veelteqe) = en Elteke | וְגִבְּת֖וֹן (vegibeton) = en Gibbeton | וּבַעֲלָֽת (uvaalat) = en Baälat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Elteke, Gibbeton en Baälat zijn onzeker; ze liggen in het gebied van Dan. Zie ook: Joz 21:23; 1 Kon 9:18; 1 Kon 15:27; 1 Kon 16:15 **19:45** Jehud, Bene-Berak, Gat-Rimmon, Brontekst: וִיהֻ֥ד (vihud) = en Jehud | וּבְנֵֽי (uvenei) = en Bene | בְרַ֖ק (beraq) = Berak | וְגַת (vegat) = en Gat | רִמּֽוֹן (rimon) = Rimmon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jehud is waarschijnlijk el-Yehudiyeh. Bene-Berak is het huidige Bnei Brak, bij Tel Aviv (Israël). Gat-Rimmon is onzeker. Zie ook: Joz 21:24 **19:46** Me-Jarkon en Rakkon, met het gebied tegenover Jafo. Brontekst: וּמֵ֥י (umei) = en Me | הַיַּרְק֖וֹן (hayarqon) = Jarkon | וְהָֽרַקּ֑וֹן (veharaqon) = en Rakkon | עִֽם (im) = met | הַגְּב֖וּל (hagevul) = het gebied | מ֥וּל (mul) = tegenover | יָפֽוֹ (yafo) = Jafo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Me-Jarkon (‘water van de Jarkon’) ligt bij de rivier de Yarkon, bij Tel Aviv (Israël). Jafo is het huidige Jaffa, bij Tel Aviv (Israël); dat is zeker. Rakkon is onzeker. Zie ook: 2 Kron 2:15; Jona 1:3; Hand 9:36; Hand 9:43; Hand 10:8 **19:47** Maar het gebied van de zonen van Dan ging hun uit handen. De zonen van Dan trokken op en streden tegen Lesem. Zij namen het in en sloegen het met de scherpte van het zwaard. Zij namen het in bezit en gingen er wonen. Zij noemden Lesem Dan, naar de naam van Dan, hun vader. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | גְבוּל (gevul) = het gebied van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | דָ֖ן (dan) = Dan | מֵהֶ֑ם (mehem) = van hen | וַיַּעֲל֣וּ (vayaalu) = en trokken op | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | דָ֠ן (dan) = Dan | וַיִּלָּחֲמ֨וּ (vayilachamu) = en streden | עִם (im) = met | לֶ֜שֶׁם (leshem) = Lesem | וַיִּלְכְּד֥וּ (vayilkedu) = en namen in | אוֹתָ֣הּ (otah) = het | וַיַּכּ֧וּ (vayaku) = en sloegen | אוֹתָ֣הּ (otah) = het | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֗רֶב (cherev) = het zwaard | וַיִּֽרְשׁ֤וּ (vayirshu) = en namen in bezit | אוֹתָהּ֙ (otah) = het | וַיֵּ֣שְׁבוּ (vayeshevu) = en woonden | בָ֔הּ (bah) = daarin | וַיִּקְרְא֤וּ (vayiqreu) = en noemden | לְלֶ֨שֶׁם֙ (leleshem) = Lesem | דָּ֔ן (dan) = Dan | כְּשֵׁ֖ם (keshem) = naar de naam van | דָּ֥ן (dan) = Dan | אֲבִיהֶֽם (avihem) = hun vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Lesem is dezelfde plaats als Lais in Richt. 18:7, 27–29, het latere Dan. Dat is Tel Dan, in het noorden van Israël; dat is zeker. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘het gebied van de zonen van Dan ging van hen uit’. Wij verstaan: het ging hun uit handen, omdat de Amorieten hen terugdrongen (Richt. 1:34). Daarom zochten zij een ander erfdeel (Richt. 18:1). Zie ook: Re 1:34–35; Re 18:1–29; Re 18:7 **19:48** Dit is het erfdeel van de stam van de zonen van Dan, per familie: deze steden met hun dorpen. Brontekst: זֹ֗את (zot) = dit | נַחֲלַ֛ת (nachalat) = het erfdeel van | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | בְנֵי (benei) = de zonen van | דָ֖ן (dan) = Dan | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | הֶֽעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְחַצְרֵיהֶֽן (vechatsreihen) = en hun dorpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het erfdeel van Jozua **19:49** Zij voltooiden het verdelen van het land volgens zijn grenzen als erfdeel. Daarna gaven de zonen van Israël aan Jozua, de zoon van Nun, een erfdeel in hun midden. Brontekst: וַיְכַלּ֥וּ (vaykhalu) = en zij voltooiden | לִנְחֹל (linchol) = met erven | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לִגְבֽוּלֹתֶ֑יהָ (ligvuloteiha) = volgens haar grenzen | וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en gaven | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | נַחֲלָ֛ה (nachala) = een erfdeel | לִיהוֹשֻׁ֥עַ (lihoshua) = aan Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֖וּן (nun) = Nun | בְּתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָחַל (nachal), ‘erven’: in deze werkwoordsvorm betekent het ‘als erfdeel verdelen’ (ook in vers 51). Wij schrijven ‘verdeeld’. Zie ook: Joz 19:51; Ezech 45:7–8 **19:50** Volgens het woord van Yahweh gaven zij hem de stad die hij vroeg: Timnat-Serach, in het bergland van Efraïm. Hij bouwde de stad op en woonde erin. Brontekst: עַל (al) = volgens | פִּ֨י (pi) = de mond van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | נָ֣תְנוּ (natenu) = gaven zij | ל֗וֹ (lo) = aan hem | אֶת (et) = (obj.) | הָעִיר֙ (hair) = de stad | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׁאָ֔ל (shaal) = hij vroeg | אֶת (et) = (obj.) | תִּמְנַת (timnat) = Timnat | סֶ֖רַח (serach) = Serach | בְּהַ֣ר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וַיִּבְנֶ֥ה (vayivne) = en hij bouwde | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en woonde | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Timnat-Serach is waarschijnlijk Khirbet Tibnah, in het bergland van Efraïm (Westelijke Jordaanoever). In Richt. 2:9 heet het Timnat-Cheres. Jozua wordt hier begraven (Joz. 24:30). De ligging is waarschijnlijk. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: Jozua krijgt zijn erfdeel als laatste, nadat de stammen hun deel hebben. Hij vraagt zelf om deze stad, en de stammen geven haar hem volgens het woord van Yahweh. Kaleb kreeg zijn deel eerder (Joz. 14:13–14). Zie ook: Joz 14:13–14; Joz 24:30; Re 2:9; 1 Kron 7:24 ### De verdeling van het land is voltooid **19:51** Dit zijn de erfdelen die Eleazar, de priester, Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van de zonen van Israël door het lot verdeelden. Dat was in Silo, voor het aangezicht van Yahweh, bij de ingang van de tent van samenkomst. Zo voltooiden zij het verdelen van het land. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | הַנְּחָלֹ֡ת (hanechalot) = de erfdelen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נִחֲל֣וּ (nichalu) = verdeelden als erfdeel | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | וִיהוֹשֻׁ֪עַ (vihoshua) = en Jozua | בִּן (bin) = zoon van | נ֟וּן (nun) = Nun | וְרָאשֵׁ֣י (verashei) = en de hoofden van | הָֽאָב֣וֹת (haavot) = de vaders | לְמַטּוֹת֩ (lematot) = van de stammen van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | בְּגוֹרָ֤ל (begoral) = door het lot | בְּשִׁלֹה֙ (beshilo) = in Silo | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | פֶּ֖תַח (petach) = bij de ingang van | אֹ֣הֶל (ohel) = de tent van | מוֹעֵ֑ד (moed) = samenkomst | וַיְכַלּ֕וּ (vaykhalu) = en zij voltooiden | מֵֽחַלֵּ֖ק (mechaleq) = het verdelen van | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Het verdelen van het land begon in Silo (Joz. 18:10) en eindigt hier weer in Silo, voor het aangezicht van Yahweh. Daar stond de tent van samenkomst (Joz. 18:1). Zie ook: Joz 14:1; Joz 18:1; Joz 18:10; Jer 7:12–14; Heb 4:8–9 ## Jozua 20 _De vrijsteden voor de doodslager_ ### Yahweh beveelt de vrijsteden aan te wijzen **20:1** Yahweh sprak tot Jozua: Brontekst: וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit gebod sluit aan op wat Yahweh al door Mozes zei: Num. 35:9–34 en Deut. 19:1–13. Drie vrijsteden ten oosten van de Jordaan had Mozes al afgezonderd (Deut. 4:41–43). Zie ook: Num 35:9–34; Deut 4:41–43; Deut 19:1–13; Joz 5:14; Joz 6:2; Joz 7:10; Joz 13:1–7 **20:2** **„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Wijs voor jullie de vrijsteden aan. Over die steden heb Ik door Mozes tot jullie gesproken.** Brontekst: דַּבֵּ֛ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | תְּנ֤וּ (tenu) = geef | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | אֶת (et) = (obj.) | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | הַמִּקְלָ֔ט (hamiqlat) = de toevlucht | אֲשֶׁר (asher) = waarover | דִּבַּ֥רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = tot jullie | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרֵי הַמִּקְלָט (arei hammiqlat), ‘vrijsteden’: steden waar je beschutting vindt, een toevlucht (Num. 35:6, 11–14). Voetnoot : נָתַן (natan), ‘geven’: wij schrijven hier ‘aanwijzen’; de steden worden ter beschikking gesteld voor wie ze nodig heeft (zie Num. 35:13–14). Zie ook: Num 35:6; Num 35:11–24; Num 35:13–14; Deut 4:41–43; Deut 19:2–13; Rom 8:1 **20:3** **Daarheen kan de doodslager vluchten, wie een mens bij vergissing doodslaat, zonder het te weten. Zij zijn voor jullie een toevlucht tegen de losser van het bloed.** Brontekst: לָנ֥וּס (lanus) = om te vluchten | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | רוֹצֵ֔חַ (rotseach) = de doodslager | מַכֵּה (make) = die slaat | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = een mens | בִּשְׁגָגָ֖ה (bishgaga) = bij vergissing | בִּבְלִי (bivli) = zonder | דָ֑עַת (daat) = weten | וְהָי֤וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לְמִקְלָ֔ט (lemiqlat) = tot toevlucht | מִגֹּאֵ֖ל (migoel) = tegen de losser van | הַדָּֽם (hadam) = het bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹצֵחַ (rotseach), ‘doodslager’: zoals in Num. 35 en Deut. 19:3–4. Het gaat hier om iemand die zonder opzet een mens doodt. Wie met opzet doodt, krijgt geen bescherming (Num. 35:16–21). Voetnoot : גֹּאֵל הַדָּם (go’el hadam), ‘losser van het bloed’: de naaste verwant die voor de gedode opkomt (Num. 35:12, 19; Deut. 19:6). Zie ook: Num 35:12; Num 35:16–21; Deut 19:3–4; Deut 19:6 ### Wat de doodslager moet doen **20:4** **Hij moet vluchten naar een van deze steden. Hij moet bij de ingang van de stadspoort gaan staan en zijn woorden laten horen aan de oudsten van die stad. Dan moeten zij hem bij zich in de stad opnemen. Zij moeten hem een plaats geven en hij moet bij hen wonen.** Brontekst: וְנָ֞ס (venas) = en hij vlucht | אֶל (el) = naar | אַחַ֣ת (achat) = een | מֵהֶעָרִ֣ים (mehearim) = van de steden | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | וְעָמַד֙ (veamad) = en hij gaat staan | פֶּ֚תַח (petach) = bij de ingang van | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וְדִבֶּ֛ר (vediber) = en hij spreekt | בְּאָזְנֵ֛י (beazenei) = in de oren van | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = de oudsten van | הָעִֽיר (hair) = de stad | הַהִ֖יא (hahi) = die | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרָ֑יו (devarav) = zijn woorden | וְאָסְפ֨וּ (veasefu) = en zij nemen op | אֹת֤וֹ (oto) = hem | הָעִ֨ירָה֙ (haira) = in de stad | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = bij zich | וְנָתְנוּ (venatenu) = en zij geven | ל֥וֹ (lo) = hem | מָק֖וֹם (maqom) = een plaats | וְיָשַׁ֥ב (veyashav) = en hij woont | עִמָּֽם (imam) = bij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De poort van de stad is de plaats waar de oudsten recht spreken (Deut. 21:19). Zie ook: Job 5:4; Deut 21:19; Ruth 4:1–2; Spr 31:23; Jer 38:7; Heb 6:18 **20:5** **Als de losser van het bloed hem achternazit, mogen zij de doodslager niet in zijn hand overleveren. Want hij heeft zijn naaste zonder het te weten geslagen en hem daarvoor niet eerder gehaat.** Brontekst: וְכִ֨י (vekhi) = en als | יִרְדֹּ֜ף (yirdof) = achtervolgt | גֹּאֵ֤ל (goel) = de losser van | הַדָּם֙ (hadam) = het bloed | אַֽחֲרָ֔יו (acharav) = achter hem | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַסְגִּ֥רוּ (yasgiru) = zullen zij overleveren | אֶת (et) = (obj.) | הָרֹצֵ֖חַ (harotseach) = de doodslager | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | כִּ֤י (ki) = want | בִבְלִי (bivli) = zonder | דַ֨עַת֙ (daat) = weten | הִכָּ֣ה (hika) = heeft hij geslagen | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = zijn naaste | וְלֹֽא (velo) = en niet | שֹׂנֵ֥א (sone) = haatte | ה֛וּא (hu) = hij | ל֖וֹ (lo) = hem | מִתְּמ֥וֹל (mitemol) = van gisteren | שִׁלְשֽׁוֹם (shilshom) = eergisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Van gisteren, eergisteren’ betekent: ‘vroeger’. Er was geen eerdere haat, dus het was geen moord. Zie Num. 35:22–23 en Deut. 19:4, 6. Zie ook: Num 35:12; Num 35:22–23; Num 35:25; Deut 19:4 **20:6** **Hij moet in die stad blijven wonen, totdat hij voor de gemeenschap ter berechting heeft gestaan. Hij blijft er tot de dood van de hogepriester die in die dagen is. Dan mag de doodslager terugkeren. Hij mag teruggaan naar zijn eigen stad en naar zijn huis, naar de stad waaruit hij gevlucht is.”** Brontekst: וְיָשַׁ֣ב (veyashav) = en hij zal wonen | בָּעִ֣יר (bair) = in de stad | הַהִ֗יא (hahi) = die | עַד (ad) = totdat | עָמְד֞וֹ (amedo) = hij staat | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָֽעֵדָה֙ (haeda) = de gemeenschap | לַמִּשְׁפָּ֔ט (lamishpat) = ter berechting | עַד (ad) = tot | מוֹת֙ (mot) = de dood van | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de hoge | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֑ם (hahem) = die | אָ֣ז (az) = dan | יָשׁ֣וּב (yashuv) = zal terugkeren | הָרוֹצֵ֗חַ (harotseach) = de doodslager | וּבָ֤א (uva) = en zal komen | אֶל (el) = naar | עִירוֹ֙ (iro) = zijn stad | וְאֶל (veel) = en naar | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | אֶל (el) = naar | הָעִ֖יר (hair) = de stad | אֲשֶׁר (asher) = waaruit | נָ֥ס (nas) = hij gevlucht is | מִשָּֽׁם (misham) = vandaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De doodslager moet blijven tot de dood van de hogepriester (Num. 35:25, 28). Ook bij hem was de berechting voor de gemeenschap nodig (Num. 35:12, 24). Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt eerst de berechting en daarna de dood van de hogepriester. Wij verstaan: eerst oordeelt de gemeenschap. Wordt hij vrijgesproken, dan blijft hij in de stad tot de hogepriester sterft. Zie ook: Num 35:12; Num 35:24–25; Num 35:25; Heb 9:26 ### De zes vrijsteden **20:7** Zij zonderden Kedes af, in Galilea, in het bergland van Naftali. Ook Sichem, in het bergland van Efraïm, en Kirjat-Arba, dat is Hebron, in het bergland van Juda. Brontekst: וַיַּקְדִּ֜שׁוּ (vayaqdishu) = en zij zonderden af | אֶת (et) = (obj.) | קֶ֤דֶשׁ (qedesh) = Kedes | בַּגָּלִיל֙ (bagalil) = in Galilea | בְּהַ֣ר (behar) = in het bergland van | נַפְתָּלִ֔י (naftali) = Naftali | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁכֶ֖ם (shekhem) = Sichem | בְּהַ֣ר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קִרְיַ֥ת (qiryat) = Kirjat | אַרְבַּ֛ע (arba) = Arba | הִ֥יא (hi) = zij | חֶבְר֖וֹן (chevron) = Hebron | בְּהַ֥ר (behar) = in het bergland van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedes is waarschijnlijk Tel Qedesh, in Galilea (Israël). Het is een andere plaats dan Kades-Barnea. Sichem is Tell Balata, bij Nablus (Westelijke Jordaanoever); dat is zeker. Hebron ligt in het bergland van Juda (Westelijke Jordaanoever); dat is zeker. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: הִקְדִּישׁ (hiqdish), ‘afzonderen’: dezelfde stam als ‘heilig’. De steden werden voor dit doel apart gezet. Kirjat-Arba is de oude naam van Hebron (Gen. 23:2). Zie ook: Gen 23:2; Joz 14:15; Joz 21:11; Joz 21:32; 1 Kron 6:61; Luc 1:39 **20:8** Aan de overkant van de Jordaan, bij Jericho, aan de oostkant, wezen zij aan: Betser, in de woestijn op het plateau, van de stam Ruben. Ook Ramot in Gilead van de stam Gad en Golan in Basan van de stam Manasse. Brontekst: וּמֵעֵ֜בֶר (umeever) = en aan de overkant van | לְיַרְדֵּ֤ן (leyarden) = de Jordaan | יְרִיחוֹ֙ (yericho) = Jericho | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = oostwaarts | נָתְנ֞וּ (natenu) = gaven zij | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֧צֶר (betser) = Betser | בַּמִּדְבָּ֛ר (bamidbar) = in de woestijn | בַּמִּישֹׁ֖ר (bamishor) = op het plateau | מִמַּטֵּ֣ה (mimate) = van de stam | רְאוּבֵ֑ן (reuven) = Ruben | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רָאמֹ֤ת (ramot) = Ramot | בַּגִּלְעָד֙ (bagilad) = in Gilead | מִמַּטֵּה (mimate) = van de stam | גָ֔ד (gad) = Gad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גּוֹלָ֥ן (golan) = Golan | בַּבָּשָׁ֖ן (babashan) = in Basan | מִמַּטֵּ֥ה (mimate) = van de stam | מְנַשֶּֽׁה (menashe) = Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betser ligt waarschijnlijk op het plateau ten oosten van de Dode Zee, in Jordanië. De juiste plek is onzeker. Ramot in Gilead ligt waarschijnlijk bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië. Golan ligt in het zuiden van Syrië, waarschijnlijk bij Sahem el-Jaulan. Dat is onzeker. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie Bezer en Betser (ligging onzeker): Bezer (Betser) lag op de hoogvlakte van Moab, ten oosten van de Dode Zee. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Het zijn dezelfde drie steden als in Deut. 4:43, nu met de naam van de stam erbij. Zie ook: Deut 4:43; Joz 21:27; Joz 21:36; Joz 21:38; 1 Kron 6:63; 1 Kon 22:6 **20:9** Dit waren de aangewezen steden voor alle zonen van Israël en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft. Daarheen kon ieder vluchten die een mens bij vergissing doodsloeg. Zo stierf hij niet door de hand van de losser van het bloed, voordat hij voor de gemeenschap had gestaan. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | הָיוּ֩ (hayu) = waren | עָרֵ֨י (arei) = de steden van | הַמּֽוּעָדָ֜ה (hamuada) = de aangewezen | לְכֹ֣ל (lekhol) = voor alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וְלַגֵּר֙ (velager) = en voor de vreemdeling | הַגָּ֣ר (hagar) = die verblijft | בְּתוֹכָ֔ם (betokham) = in hun midden | לָנ֣וּס (lanus) = om te vluchten | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | כָּל (kal) = ieder | מַכֵּה (make) = die slaat | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = een mens | בִּשְׁגָגָ֑ה (bishgaga) = bij vergissing | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָמ֗וּת (yamut) = sterft | בְּיַד֙ (beyad) = door de hand van | גֹּאֵ֣ל (goel) = de losser van | הַדָּ֔ם (hadam) = het bloed | עַד (ad) = totdat | עָמְד֖וֹ (amedo) = hij staat | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָעֵדָֽה (haeda) = de gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמּוּעָדָה (hammu’adah), ‘de aangewezen’: een zeldzaam woord, van het werkwoord ‘vaststellen’. Voetnoot : De vrijsteden gelden ook voor de vreemdeling en voor wie in Israëls midden verblijft (Num. 35:15). Zie ook: Num 35:15; Joz 20:4; Joz 20:6 ## Jozua 21 _De steden van de Levieten en de belofte die uitkwam_ ### De Levieten vragen om hun steden **21:1** Toen kwamen de familiehoofden van de Levieten naar Eleazar, de priester, en naar Jozua, de zoon van Nun. Ook kwamen zij naar de familiehoofden van de stammen van de zonen van Israël. Brontekst: וַֽיִּגְּשׁ֗וּ (vayigeshu) = en traden naar voren | רָאשֵׁי֙ (rashei) = de hoofden van | אֲב֣וֹת (avot) = de vaders van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | אֶל (el) = tot | אֶלְעָזָר֙ (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְאֶל (veel) = en tot | יְהוֹשֻׁ֖עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = de zoon van | נ֑וּן (nun) = Nun | וְאֶל (veel) = en tot | רָאשֵׁ֛י (rashei) = de hoofden van | אֲב֥וֹת (avot) = de vaders van | הַמַּטּ֖וֹת (hamatot) = de stammen | לִבְנֵ֥י (livnei) = van de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘familiehoofden’ (רָאשֵׁי אָבוֹת, rashe avot) zijn letterlijk de ‘hoofden van de vaders’: de hoofden van de families. Zie Joz. 14:1 en Num. 32:28. Zie ook: Ex 6:14; Num 32:28; Num 34:17–29; Joz 14:1; Joz 17:4; Joz 19:51 **21:2** Zij spraken tot hen in Silo, in het land Kanaän: „Yahweh heeft door Mozes geboden dat wij steden krijgen om in te wonen. Hun weidegrond is voor ons vee.” Brontekst: וַיְדַבְּר֨וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tot hen | בְּשִׁלֹ֗ה (beshilo) = in Silo | בְּאֶ֤רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנַ֨עַן֙ (kenaan) = Kanaän | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | בְיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | לָֽתֶת (latet) = om te geven | לָ֥נוּ (lanu) = aan ons | עָרִ֖ים (arim) = steden | לָשָׁ֑בֶת (lashavet) = om te wonen | וּמִגְרְשֵׁיהֶ֖ן (umigresheihen) = en hun weidegrond | לִבְהֶמְתֵּֽנוּ (livhemtenu) = voor ons vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo ligt bij het huidige Khirbet Seilun, in het bergland van Efraïm, ten noorden van Betel (Westelijke Jordaanoever). Daar stond de tent van samenkomst (Joz. 18:1). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Dit is wat Yahweh Mozes liet bevelen in Num. 35:1–8. Daar staat ook dat de Levieten geen eigen erfdeel kregen (Num. 18:20–24). Zie ook: Num 18:20–24; Num 35:1–8; Num 35:2–8; Joz 18:1; Mat 10:10; Gal 6:6; 1 Tim 5:17–18 **21:3** Op bevel van Yahweh gaven de zonen van Israël deze steden en hun weidegrond aan de Levieten, uit hun erfdeel. Brontekst: וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en gaven | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | לַלְוִיִּ֛ם (lalviyim) = aan de Levieten | מִנַּחֲלָתָ֖ם (minachalatam) = uit hun erfdeel | אֶל (el) = naar | פִּ֣י (pi) = de mond van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרְשֵׁיהֶֽן (migresheihen) = hun weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:7; Deut 33:8–10; 1 Kron 6:39–66 ### De steden van de priesters, de zonen van Aäron **21:4** Het lot kwam uit voor de familie van de Kehatieten. De zonen van Aäron, de priester, die tot de Levieten behoren, kregen door het lot 13 steden. Die waren uit de stam Juda, de stam Simeon en de stam Benjamin. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en kwam uit | הַגּוֹרָ֖ל (hagoral) = het lot | לְמִשְׁפְּחֹ֣ת (lemishpechot) = voor de familie van | הַקְּהָתִ֑י (haqehati) = de Kehatiet | וַיְהִ֡י (vayhi) = en het werd | לִבְנֵי֩ (livnei) = voor de zonen van | אַהֲרֹ֨ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | מִן (min) = van | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | מִמַּטֵּ֣ה (mimate) = uit de stam van | יְ֠הוּדָה (yehuda) = Juda | וּמִמַּטֵּ֨ה (umimate) = en uit de stam van | הַשִּׁמְעֹנִ֜י (hashimoni) = de Simeoniet | וּמִמַּטֵּ֤ה (umimate) = en uit de stam van | בִנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | בַּגּוֹרָ֔ל (bagoral) = door het lot | עָרִ֖ים (arim) = steden | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵֽה (esre) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aäron stamt af van Kehat (Exod. 6:16–20). Daarom valt het eerste lot op de Kehatieten, en daarbinnen op de priesters. Zie ook: Ex 6:16–20; Joz 21:8–19; Joz 24:33; 1 Kron 6:39–45 **21:5** De overige zonen van Kehat kregen door het lot 10 steden. Die waren uit de familie van de stam Efraïm, uit de stam Dan en uit de helft van de stam Manasse. Brontekst: וְלִבְנֵ֨י (velivnei) = en voor de zonen van | קְהָ֜ת (qehat) = Kehat | הַנּוֹתָרִ֗ים (hanotarim) = die overbleven | מִמִּשְׁפְּחֹ֣ת (mimishpechot) = uit de familie van | מַטֵּֽה (mate) = de stam van | אֶ֠פְרַיִם (efrayim) = Efraïm | וּֽמִמַּטֵּה (umimate) = en uit de stam van | דָ֞ן (dan) = Dan | וּמֵחֲצִ֨י (umechatsi) = en uit de helft van | מַטֵּ֧ה (mate) = de stam van | מְנַשֶּׁ֛ה (menashe) = Manasse | בַּגּוֹרָ֖ל (bagoral) = door het lot | עָרִ֥ים (arim) = steden | עָֽשֶׂר (aser) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:11; Ex 6:16–25; Joz 21:20–26; 1 Kron 6:3–4; 1 Kron 6:51–55 **21:6** De zonen van Gersjon kregen door het lot 13 steden. Die waren uit de families van de stam Issachar, uit de stam Aser en uit de stam Naftali. Ook waren zij uit de helft van de stam Manasse in Basan. Brontekst: וְלִבְנֵ֣י (velivnei) = en voor de zonen van | גֵרְשׁ֗וֹן (gereshon) = Gersjon | מִמִּשְׁפְּח֣וֹת (mimishpechot) = uit de families van | מַטֵּֽה (mate) = de stam van | יִשָּׂשכָ֣ר (yisashkhar) = Issachar | וּמִמַּטֵּֽה (umimate) = en uit de stam van | אָ֠שֵׁר (asher) = Aser | וּמִמַּטֵּ֨ה (umimate) = en uit de stam van | נַפְתָּלִ֜י (naftali) = Naftali | וּ֠מֵחֲצִי (umechatsi) = en uit de helft van | מַטֵּ֨ה (mate) = de stam van | מְנַשֶּׁ֤ה (menashe) = Manasse | בַבָּשָׁן֙ (babashan) = in Basan | בַּגּוֹרָ֔ל (bagoral) = door het lot | עָרִ֖ים (arim) = steden | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵֽה (esre) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie ook: Ex 6:16–17; Num 3:21–22; Joz 21:27–33; 1 Kron 6:47; 1 Kron 6:56–61 **21:7** De zonen van Merari kregen, naar hun families, 12 steden. Die waren uit de stam Ruben, uit de stam Gad en uit de stam Zebulon. Brontekst: לִבְנֵ֨י (livnei) = voor de zonen van | מְרָרִ֜י (merari) = Merari | לְמִשְׁפְּחֹתָ֗ם (lemishpechotam) = naar hun families | מִמַּטֵּ֨ה (mimate) = uit de stam van | רְאוּבֵ֤ן (reuven) = Ruben | וּמִמַּטֵּה (umimate) = en uit de stam van | גָד֙ (gad) = Gad | וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | זְבוּלֻ֔ן (zevulun) = Zebulon | עָרִ֖ים (arim) = steden | שְׁתֵּ֥ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵֽה (esre) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:19; Num 3:20; Joz 21:34–40; 1 Kron 6:48; 1 Kron 6:62–66 **21:8** Zo gaven de zonen van Israël deze steden en hun weidegrond aan de Levieten, door het lot, zoals Yahweh door Mozes had geboden. Brontekst: וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en gaven | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לַלְוִיִּ֔ם (lalviyim) = aan de Levieten | אֶת (et) = (obj.) | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרְשֵׁיהֶ֑ן (migresheihen) = hun weidegrond | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֧ה (tsiva) = heeft geboden | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | בַּגּוֹרָֽל (bagoral) = door het lot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 35:3; Joz 18:6; Joz 21:3; Spr 16:33; Spr 18:18 **21:9** Uit de stam van de zonen van Juda en uit de stam van de zonen van Simeon gaven zij deze steden. Zij worden hier met name genoemd. Brontekst: וַֽיִּתְּנ֗וּ (vayitenu) = en zij gaven | מִמַּטֵּה֙ (mimate) = uit de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּמִמַּטֵּ֖ה (umimate) = en uit de stam van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שִׁמְע֑וֹן (shimon) = Simeon | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הֶֽעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁר (asher) = die | יִקְרָ֥א (yiqra) = wordt genoemd | אֶתְהֶ֖ן (ethen) = hen | בְּשֵֽׁם (beshem) = bij naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De steden van Juda en Simeon liggen door elkaar in het zuiden: het gebied van Simeon lag binnen dat van Juda (Joz. 19:1, 9). Zie ook: Joz 19:1; Joz 21:13–18; 1 Kron 6:50 **21:10** Zij waren voor de zonen van Aäron, uit de families van de Kehatieten, van de zonen van Levi. Want het eerste lot was voor hen. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het werd | לִבְנֵ֣י (livnei) = voor de zonen van | אַהֲרֹ֔ן (aharon) = Aäron | מִמִּשְׁפְּח֥וֹת (mimishpechot) = uit de families van | הַקְּהָתִ֖י (haqehati) = de Kehatiet | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | כִּ֥י (ki) = want | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | הָיָ֥ה (haya) = was | הַגּוֹרָ֖ל (hagoral) = het lot | רִיאשֹׁנָֽה (rishona) = het eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 6:18; Ex 6:20–26; Num 3:27; Num 4:2; Joz 21:4 **21:11** Zij gaven hun Kirjat-Arba. Arba was de vader van Anak. De stad is Hebron, in het bergland van Juda. Ook gaven zij hun de weidegrond rondom de stad. Brontekst: וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en zij gaven | לָהֶ֜ם (lahem) = aan hen | אֶת (et) = (obj.) | קִרְיַת֩ (qiryat) = de stad van | אַרְבַּ֨ע (arba) = Arba | אֲבִ֧י (avi) = de vader van | הָֽעֲנ֛וֹק (haanoq) = Anak | הִ֥יא (hi) = zij | חֶבְר֖וֹן (chevron) = Hebron | בְּהַ֣ר (behar) = in het bergland van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֖הָ (migrasheha) = haar weidegrond | סְבִיבֹתֶֽיהָ (sevivoteiha) = rondom haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Hebron (Kirjat-Arba) ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem; nu Hebron (al-Khalil) op de Westelijke Jordaanoever. Dit is zeker. Voetnoot Uitleg: Kirjat-Arba betekent ‘stad van Arba’. Arba is hier de naam van een man, de stamvader van de Anakieten. Zie ook: Gen 35:27; Joz 20:7–9; 2 Sam 5:1–5; 1 Kron 6:40; Luc 1:39 **21:12** Het veld van de stad en haar dorpen gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne, als zijn bezit. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׂדֵ֥ה (sede) = het veld van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲצֵרֶ֑יהָ (chatsereiha) = haar dorpen | נָֽתְנ֛וּ (natenu) = zij gaven | לְכָלֵ֥ב (lekhalev) = aan Kaleb | בֶּן (ben) = de zoon van | יְפֻנֶּ֖ה (yefune) = Jefunne | בַּאֲחֻזָּתֽוֹ (baachuzato) = als zijn bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kaleb had Hebron al eerder gekregen als erfdeel (Joz. 14:13; 15:13). De Levieten krijgen de stad zelf om in te wonen. Het land eromheen, de akkers en de dorpen, blijft van Kaleb. Zie ook: Joz 14:13–15; Joz 15:13; 1 Kron 6:40–42 **21:13** Aan de zonen van Aäron, de priester, gaven zij de vrijstad voor de doodslager: Hebron met zijn weidegrond. Ook gaven zij Libna met zijn weidegrond. Brontekst: וְלִבְנֵ֣י (velivnei) = en aan de zonen van | אַהֲרֹ֣ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | נָֽתְנוּ֙ (natenu) = zij gaven | אֶת (et) = (obj.) | עִיר֙ (ir) = de stad van | מִקְלַ֣ט (miqlat) = vrijplaats | הָרֹצֵ֔חַ (harotseach) = de doodslager | אֶת (et) = (obj.) | חֶבְר֖וֹן (chevron) = Hebron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | לִבְנָ֖ה (livna) = Libna | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Libna ligt in de Sefela. De precieze plek is onzeker. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: De vrijstad: een stad waar iemand die bij vergissing een mens doodde, kon schuilen (Num. 35:9–15; Joz. 20:7–8). Zes Levietensteden zijn tegelijk vrijsteden: Hebron, Sichem, Golan, Kedes, Ramot in Gilead en Bezer. Zie ook: Num 35:6; Num 35:9–15; Joz 10:29; Joz 15:42; Joz 15:54; Joz 20:7 **21:14** Verder gaven zij Jattir met zijn weidegrond en Estemoa met zijn weidegrond. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | יַתִּר֙ (yatir) = Jattir | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶשְׁתְּמֹ֖עַ (eshtemoa) = Estemoa | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jattir ligt bij Khirbet Attir, in het zuiden van het bergland van Juda. Estemoa ligt bij es-Samu, ten zuiden van Hebron. Beide liggen op de Westelijke Jordaanoever en zijn waarschijnlijk. Zie ook: Joz 15:48; Joz 15:50; 1 Sam 30:27–28 **21:15** Ook gaven zij Cholon met zijn weidegrond en Debir met zijn weidegrond. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֹלֹן֙ (cholon) = Cholon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דְּבִ֖ר (devir) = Debir | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van Cholon en Debir is onzeker. Debir wordt vaak gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron. Zie ook: Joz 12:13; Joz 15:49; Joz 15:51; 1 Kron 6:43 **21:16** Ook gaven zij Ain met zijn weidegrond, Juta met zijn weidegrond en Bet-Semes met zijn weidegrond. Dat waren 9 steden van deze twee stammen. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַ֣יִן (ayin) = Ain | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֗הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יֻטָּה֙ (yuta) = Juta | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = Bet | שֶׁ֖מֶשׁ (shemesh) = Semes | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֣ים (arim) = steden | תֵּ֔שַׁע (tesha) = negen | מֵאֵ֕ת (meet) = van | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הַשְּׁבָטִ֖ים (hashevatim) = de stammen | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Juta is het huidige Yatta, ten zuiden van Hebron. Bet-Semes (‘huis van de zon’) is Tel Bet-Semes, in het westen van het heuvelland van Juda (Israël). Ain is onzeker. Zie ook: Joz 15:10; Joz 15:42; Joz 15:55; 1 Sam 6:12; 1 Kron 6:44 **21:17** Uit de stam Benjamin gaven zij Gibeon met zijn weidegrond en Geba met zijn weidegrond. Brontekst: וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | בִנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | אֶת (et) = (obj.) | גִּבְע֖וֹן (givon) = Gibeon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | גֶּ֖בַע (geva) = Geba | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon is el-Jib, ten noordwesten van Jeruzalem; Geba is Jaba, ten noorden van Jeruzalem. Beide liggen op de Westelijke Jordaanoever en zijn waarschijnlijk. Zie ook: Joz 9:3; Joz 18:24–25; 1 Kron 6:45 **21:18** Ook gaven zij Anatot met zijn weidegrond en Almon met zijn weidegrond. Dat waren 4 steden. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | עֲנָתוֹת֙ (anatot) = Anatot | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַלְמ֖וֹן (almon) = Almon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Anatot ligt bij Ras el-Kharrubeh, vlak bij het huidige Anata, ten noordoosten van Jeruzalem. Almon is waarschijnlijk Khirbet Almit, daar vlakbij. Beide zijn waarschijnlijk. Zie ook: 1 Kron 6:45; 1 Kon 2:26; Jes 10:30; Jer 1:1 **21:19** Alle steden van de zonen van Aäron, de priesters, waren 13 steden met hun weidegrond. Brontekst: כָּל (kal) = alle | עָרֵ֥י (arei) = steden van | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | הַכֹּֽהֲנִ֑ים (hakohanim) = de priesters | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | עָרִ֖ים (arim) = steden | וּמִגְרְשֵׁיהֶֽן (umigresheihen) = en hun weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De andere families van Kehat **21:20** De overige families van de zonen van Kehat, de Levieten, kregen hun steden door het lot uit de stam Efraïm. Brontekst: וּלְמִשְׁפְּח֤וֹת (ulemishpechot) = en voor de families van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | קְהָת֙ (qehat) = Kehat | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | הַנּוֹתָרִ֖ים (hanotarim) = die overbleven | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | קְהָ֑ת (qehat) = Kehat | וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het werd | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | גֽוֹרָלָ֔ם (goralam) = hun lot | מִמַּטֵּ֖ה (mimate) = uit de stam van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 21:5; 1 Kron 6:51 **21:21** Zij gaven hun de vrijstad voor de doodslager: Sichem met zijn weidegrond, in het bergland van Efraïm. Ook gaven zij Gezer met zijn weidegrond. Brontekst: וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en zij gaven | לָהֶ֜ם (lahem) = aan hen | אֶת (et) = (obj.) | עִ֨יר (ir) = de stad van | מִקְלַ֧ט (miqlat) = vrijplaats | הָרֹצֵ֛חַ (harotseach) = de doodslager | אֶת (et) = (obj.) | שְׁכֶ֥ם (shekhem) = Sichem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֖הָ (migrasheha) = haar weidegrond | בְּהַ֣ר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גֶּ֖זֶר (gezer) = Gezer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichem ligt bij Tell Balata, aan de rand van het huidige Nabloes (Westelijke Jordaanoever), tussen de bergen Ebal en Gerizim. Gezer is Tell Gezer, in de laagvlakte tussen Jeruzalem en de kust (Israël). Beide zijn zeker. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie ook: Gen 33:19; Joz 20:7; Re 9:1; 1 Kron 6:52; 1 Kon 12:1 **21:22** Verder gaven zij Kibzajim met zijn weidegrond en Bet-Choron met zijn weidegrond. Dat waren 4 steden. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | קִבְצַ֨יִם֙ (qivtsayim) = Kibzajim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = Bet | חוֹרֹ֖ן (choron) = Choron | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Choron (Boven en Beneden) ligt bij het huidige Beit Ur, ten noordwesten van Jeruzalem; dat is waarschijnlijk. Kibzajim is onzeker. Zie ook: Joz 16:3; Joz 16:5; Joz 18:13–14; 1 Kron 6:53 **21:23** Uit de stam Dan gaven zij Elteke met zijn weidegrond en Gibbeton met zijn weidegrond. Brontekst: וּמִמַּ֨טֵּה (umimate) = en uit de stam van | דָ֔ן (dan) = Dan | אֶֽת (et) = (obj.) | אֶלְתְּקֵ֖א (elteqe) = Elteke | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶֽת (et) = (obj.) | גִּבְּת֖וֹן (gibeton) = Gibbeton | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Elteke en Gibbeton liggen in het gebied van Dan, in de kustvlakte. De precieze plek is onzeker. Zie ook: Joz 19:44–45 **21:24** Ook gaven zij Ajjalon met zijn weidegrond en Gat-Rimmon met zijn weidegrond. Dat waren 4 steden. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | אַיָּלוֹן֙ (ayalon) = Ajjalon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | גַּת (gat) = Gat | רִמּ֖וֹן (rimon) = Rimmon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ajjalon is Yalo, in het westen van het bergland, aan de weg naar de kust (waarschijnlijk). Zie Ajalon: Ajalon (Yalo) lag in het dal van Ajalon, ten westen van Gibeon, aan de rand van de Sefela. Voetnoot Lezing: De naam Gat-Rimmon staat hier én in vers 25. Wij vertalen zoals de tekst er staat. In het overzicht van 1 Kron. 6:70 staan voor de halve stam Manasse Aner en Bileam. Het kan zijn dat een naam in de overlevering is veranderd; dat is onzeker. Zie ook: Joz 10:12; Joz 19:42; Joz 21:25; 1 Kron 6:54; 1 Kron 6:70 **21:25** Uit de helft van de stam Manasse gaven zij Taänak met zijn weidegrond en Gat-Rimmon met zijn weidegrond. Dat waren 2 steden. Brontekst: וּמִֽמַּחֲצִית֙ (umimachatsit) = en uit de helft van | מַטֵּ֣ה (mate) = de stam van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | אֶת (et) = (obj.) | תַּעְנַךְ֙ (tanakh) = Taänak | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גַּת (gat) = Gat | רִמּ֖וֹן (rimon) = Rimmon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | שְׁתָּֽיִם (shetayim) = twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Taänak is Tell Taanach, ten zuiden van de vlakte van Jizreël (Westelijke Jordaanoever). Het is waarschijnlijk. Zie ook de opmerking bij vers 24 over Gat-Rimmon. Zie ook: Joz 17:11; Joz 21:24; Re 5:19 **21:26** Alle steden met hun weidegrond waren 10, voor de families van de overige zonen van Kehat. Brontekst: כָּל (kal) = alle | עָרִ֥ים (arim) = steden | עֶ֖שֶׂר (eser) = tien | וּמִגְרְשֵׁיהֶ֑ן (umigresheihen) = en hun weidegrond | לְמִשְׁפְּח֥וֹת (lemishpechot) = voor de families van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | הַנּוֹתָרִֽים (hanotarim) = die overbleven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De zonen van Gersjon **21:27** De zonen van Gersjon, uit de families van de Levieten, kregen uit de helft van de stam Manasse de vrijstad voor de doodslager. Dat was Golan in Basan met zijn weidegrond. Ook kregen zij Beëstera met zijn weidegrond. Dat waren 2 steden. Brontekst: וְלִבְנֵ֣י (velivnei) = en voor de zonen van | גֵרְשׁוֹן֮ (gereshon) = Gersjon | מִמִּשְׁפְּחֹ֣ת (mimishpechot) = uit de families van | הַלְוִיִּם֒ (halviyim) = de Levieten | מֵחֲצִ֞י (mechatsi) = uit de helft van | מַטֵּ֣ה (mate) = de stam van | מְנַשֶּׁ֗ה (menashe) = Manasse | אֶת (et) = (obj.) | עִיר֙ (ir) = de stad van | מִקְלַ֣ט (miqlat) = vrijplaats | הָרֹצֵ֔חַ (harotseach) = de doodslager | אֶת (et) = (obj.) | גּוֹלָ֤ן (golan) = Golan | בַּבָּשָׁן֙ (babashan) = in Basan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | בְּעֶשְׁתְּרָ֖ה (beeshtera) = Beëstera | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | שְׁתָּֽיִם (shetayim) = twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Golan ligt in Basan, ten oosten van het meer van Galilea (Golan, Syrië/Israël); de precieze plek is onzeker. Beëstera is waarschijnlijk dezelfde plaats als Astarot (Deut. 1:4), bij Tell Ashtara in het zuiden van Syrië; dat is onzeker. Zie ook: Deut 1:4; Deut 4:43; Joz 20:8; 1 Kron 6:56 **21:28** Uit de stam Issachar gaven zij Kisjon met zijn weidegrond en Daberat met zijn weidegrond. Brontekst: וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | יִשָּׂשכָ֔ר (yisashkhar) = Issachar | אֶת (et) = (obj.) | קִשְׁי֖וֹן (qishyon) = Kisjon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | דָּֽבְרַ֖ת (daverat) = Daberat | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kisjon en Daberat liggen in het gebied van Issachar. Daberat ligt waarschijnlijk bij het huidige Daburiyya, aan de voet van de berg Tabor (Israël). Kisjon is onzeker. Zie ook: Joz 19:12; 1 Kron 6:57–58 **21:29** Ook gaven zij Jarmut met zijn weidegrond en En-Gannim met zijn weidegrond. Dat waren 4 steden. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | יַרְמוּת֙ (yarmut) = Jarmut | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֥ין (ein) = En | גַּנִּ֖ים (ganim) = Gannim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jarmut en En-Gannim liggen in het gebied van Issachar. En-Gannim is waarschijnlijk het huidige Jenin (Westelijke Jordaanoever); Jarmut is onzeker. Zie ook: Joz 10:3; Joz 10:23; Joz 12:11 **21:30** Uit de stam Aser gaven zij Misjal met zijn weidegrond en Abdon met zijn weidegrond. Brontekst: וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | אָשֵׁ֔ר (asher) = Aser | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁאָ֖ל (mishal) = Misjal | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדּ֖וֹן (avdon) = Abdon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Misjal en Abdon liggen in het gebied van Aser, in het noorden van het land. Abdon is waarschijnlijk Khirbet Abda (Israël); Misjal is onzeker. Zie ook: Joz 19:25–28; 1 Kron 6:59–60 **21:31** Ook gaven zij Chelkat met zijn weidegrond en Rechov met zijn weidegrond. Dat waren 4 steden. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | חֶלְקָת֙ (chelqat) = Chelkat | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רְחֹ֖ב (rechov) = Rechov | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chelkat en Rechov liggen in het gebied van Aser. De precieze plek is onzeker. Zie ook: Re 1:31; Re 18:21; 1 Kron 6:60 **21:32** Uit de stam Naftali gaven zij de vrijstad voor de doodslager: Kedes in Galilea met zijn weidegrond. Ook gaven zij Hammot-Dor met zijn weidegrond en Kartan met zijn weidegrond. Dat waren 3 steden. Brontekst: וּמִמַּטֵּ֨ה (umimate) = en uit de stam van | נַפְתָּלִ֜י (naftali) = Naftali | אֶת (et) = (obj.) | עִ֣יר (ir) = de stad van | מִקְלַ֣ט (miqlat) = vrijplaats | הָֽרֹצֵ֗חַ (harotseach) = de doodslager | אֶת (et) = (obj.) | קֶ֨דֶשׁ (qedesh) = Kedes | בַּגָּלִ֤יל (bagalil) = in Galilea | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֨הָ֙ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חַמֹּ֥ת (chamot) = Hammot | דֹּאר֙ (dor) = Dor | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | קַרְתָּ֖ן (qartan) = Kartan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | שָׁלֹֽשׁ (shalosh) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedes in Galilea is Tell Qedesh, ten noordwesten van het meer van Merom (Israël); dat is waarschijnlijk. Dit Kedes is niet Kades-Barnea in de woestijn. Hammot-Dor en Kartan liggen in het gebied van Naftali; de plek is onzeker. Zie ook: Joz 19:35; Joz 19:37; Joz 20:7; 1 Kron 6:61 **21:33** Alle steden van de Gersjonieten, naar hun families, waren 13 steden met hun weidegrond. Brontekst: כָּל (kal) = alle | עָרֵ֥י (arei) = steden van | הַגֵּרְשֻׁנִּ֖י (hagereshuni) = de Gersjoniet | לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם (lemishpechotam) = naar hun families | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | עִ֖יר (ir) = stad | וּמִגְרְשֵׁיהֶֽן (umigresheihen) = en hun weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De zonen van Merari **21:34** De families van de zonen van Merari, de overige Levieten, kregen uit de stam Zebulon Jokneam met zijn weidegrond en Karta met zijn weidegrond. Brontekst: וּלְמִשְׁפְּח֣וֹת (ulemishpechot) = en voor de families van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | מְרָרִי֮ (merari) = Merari | הַלְוִיִּ֣ם (halviyim) = de Levieten | הַנּוֹתָרִים֒ (hanotarim) = die overbleven | מֵאֵת֙ (meet) = van | מַטֵּ֣ה (mate) = de stam van | זְבוּלֻ֔ן (zevulun) = Zebulon | אֶֽת (et) = (obj.) | יָקְנְעָ֖ם (yaqeneam) = Jokneam | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | קַרְתָּ֖ה (qarta) = Karta | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jokneam is Tell Qeimun, aan de voet van de Karmel (Israël); dat is waarschijnlijk. Karta is onzeker. Zie ook: Joz 12:22; Joz 19:11; Joz 19:15; Joz 21:7; 1 Kron 6:62 **21:35** Ook kregen zij Dimna met zijn weidegrond en Nahalal met zijn weidegrond. Dat waren 4 steden. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | דִּמְנָה֙ (dimna) = Dimna | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶֽת (et) = (obj.) | נַהֲלָ֖ל (nahalal) = Nahalal | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dimna en Nahalal liggen in het gebied van Zebulon, in het noorden. De plek van beide is onzeker. **21:36** Uit de stam Ruben gaven zij Bezer met zijn weidegrond en Jahaz met zijn weidegrond. Brontekst: וּמִמַּטֵּ֣ה (umimate) = en uit de stam van | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | אֶת (et) = (obj.) | בֶּ֖צֶר (betser) = Bezer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יַ֖הְצָה (yahtsa) = Jahaz | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bezer ligt in de hoogvlakte van Moab, ten oosten van de Zoutzee (Jordanië); de precieze plek is onzeker. Jahaz (Num. 21:23) ligt in dezelfde streek; ook onzeker. Voetnoot Uitleg: Vers 36 en 37 ontbreken in een aantal Hebreeuwse handschriften. Wij nemen ze op, omdat ze in de tekst staan die wij volgen. Alleen zo klopt ook het totaal van 12 steden voor de Merarieten (vers 7 en 40). Zie ook: Num 21:23; Deut 4:43; Joz 13:18; Joz 20:8; Joz 21:7; Joz 21:37; Joz 21:40; 1 Kron 6:63–64 **21:37** Ook gaven zij Kedemot met zijn weidegrond en Mefaät met zijn weidegrond. Dat waren 4 steden. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | קְדֵמוֹת֙ (qedemot) = Kedemot | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מֵיפָ֖עַת (meifaat) = Mefaät | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | עָרִ֖ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kedemot ligt in Moab, in het huidige Jordanië (zie Deut. 2:26); de precieze plek is onzeker. Mefaät is ook onzeker. Zie ook: Deut 2:26 **21:38** Uit de stam Gad gaven zij de vrijstad voor de doodslager: Ramot in Gilead met zijn weidegrond. Ook gaven zij Machanajim met zijn weidegrond. Brontekst: וּמִמַּטֵּה (umimate) = en uit de stam van | גָ֗ד (gad) = Gad | אֶת (et) = (obj.) | עִיר֙ (ir) = de stad van | מִקְלַ֣ט (miqlat) = vrijplaats | הָרֹצֵ֔חַ (harotseach) = de doodslager | אֶת (et) = (obj.) | רָמֹ֥ת (ramot) = Ramot | בַּגִּלְעָ֖ד (bagilad) = in Gilead | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | מַחֲנַ֖יִם (machanayim) = Machanajim | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶֽׁהָ (migrasheha) = haar weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ramot in Gilead ligt in het noorden van Gilead, in het huidige Jordanië of Syrië; de plek is onzeker (voorstellen: Tell Ramith en Irbid). Machanajim ligt in Gilead, bij de rivier de Jabbok (Jordanië); ook onzeker. Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok. De precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Gen 32:2; Deut 4:43; Joz 20:8; 2 Sam 17:24; 2 Sam 19:33 **21:39** Verder gaven zij Chesbon met zijn weidegrond en Jaëzer met zijn weidegrond. In totaal waren dat 4 steden. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | חֶשְׁבּוֹן֙ (cheshbon) = Chesbon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֔הָ (migrasheha) = haar weidegrond | אֶת (et) = (obj.) | יַעְזֵ֖ר (yazer) = Jaëzer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִגְרָשֶׁ֑הָ (migrasheha) = haar weidegrond | כָּל (kal) = alle | עָרִ֖ים (arim) = steden | אַרְבַּֽע (arba) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Chesbon is Tell Hesban, in Jordanië, ten zuidwesten van Amman; dat is waarschijnlijk (Deut. 1:4). Jaëzer ligt in Gilead, ten westen van Amman; de plek is onzeker. Zie ook: Num 32:1; Num 32:37; Deut 1:4; Joz 13:17; 1 Kron 6:66; Jer 48:32 **21:40** Alle steden voor de zonen van Merari, naar hun families, de overige families van de Levieten, waren hun lot: 12 steden. Brontekst: כָּל (kal) = alle | הֶ֨עָרִ֜ים (hearim) = de steden | לִבְנֵ֤י (livnei) = voor de zonen van | מְרָרִי֙ (merari) = Merari | לְמִשְׁפְּחֹתָ֔ם (lemishpechotam) = naar hun families | הַנּוֹתָרִ֖ים (hanotarim) = die overbleven | מִמִּשְׁפְּח֣וֹת (mimishpechot) = uit de families van | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | וַיְהִי֙ (vayhi) = en het werd | גּוֹרָלָ֔ם (goralam) = hun lot | עָרִ֖ים (arim) = steden | שְׁתֵּ֥ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵֽה (esre) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Samenvatting: 48 steden **21:41** Alle steden van de Levieten, te midden van het bezit van de zonen van Israël, waren 48 steden met hun weidegrond. Brontekst: כֹּ֚ל (kol) = alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | אֲחֻזַּ֣ת (achuzat) = het bezit van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עָרִ֛ים (arim) = steden | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁמֹנֶ֖ה (ushemone) = en acht | וּמִגְרְשֵׁיהֶֽן (umigresheihen) = en hun weidegrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het totaal van 48 steden is hetzelfde aantal als in Num. 35:7. Het klopt met de opgave per groep: 13 + 10 + 13 + 12 = 48. Zie ook: Gen 49:7; Num 35:1–8; Num 35:7; Deut 33:10 **21:42** Deze steden waren, stad voor stad, met de weidegrond rondom hen. Zo was het bij al deze steden. Brontekst: תִּֽהְיֶ֨ינָה֙ (tihyeina) = zij waren | הֶעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | עִ֣יר (ir) = stad | עִ֔יר (ir) = stad | וּמִגְרָשֶׁ֖יהָ (umigrasheiha) = en haar weidegrond | סְבִיבֹתֶ֑יהָ (sevivoteiha) = rondom haar | כֵּ֖ן (ken) = zo | לְכָל (lekhal) = bij alle | הֶעָרִ֥ים (hearim) = de steden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Yahweh hield Zijn belofte **21:43** Zo gaf Yahweh aan Israël het hele land dat Hij aan hun vaders had gezworen te geven. Zij namen het in bezit en woonden erin. Brontekst: וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en gaf | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְיִשְׂרָאֵ֔ל (leyisrael) = aan Israël | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֖ע (nishba) = Hij had gezworen | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | לַאֲבוֹתָ֑ם (laavotam) = aan hun vaders | וַיִּרָשׁ֖וּהָ (vayirashuha) = en zij namen het in bezit | וַיֵּ֥שְׁבוּ (vayeshevu) = en zij woonden | בָֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit was de belofte aan de vaders: Gen. 12:7; 15:18; 26:3; 28:13. Zie ook Joz. 1:2–6. Zie ook: Gen 12:7; Gen 13:15; Gen 15:18; Gen 26:3; Gen 28:4; Gen 28:13; Ex 23:27–31; Joz 1:2–6; Ps 44:4; Ps 106:42–45 **21:44** Yahweh gaf hun rust rondom, precies zoals Hij aan hun vaders had gezworen. Niemand van al hun vijanden hield stand tegen hen. Yahweh gaf al hun vijanden in hun hand. Brontekst: וַיָּ֨נַח (vayanach) = en gaf rust | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לָהֶם֙ (lahem) = aan hen | מִסָּבִ֔יב (misaviv) = rondom | כְּכֹ֥ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | נִשְׁבַּ֖ע (nishba) = Hij had gezworen | לַאֲבוֹתָ֑ם (laavotam) = aan hun vaders | וְלֹא (velo) = en niet | עָ֨מַד (amad) = stond | אִ֤ישׁ (ish) = man | בִּפְנֵיהֶם֙ (bifneihem) = voor hen | מִכָּל (mikal) = van al | אֹ֣יְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֹ֣יְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | נָתַ֥ן (natan) = gaf | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיָדָֽם (beyadam) = in hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּנַח (vayyanach), ‘Hij gaf rust’: rust van de oorlog, rondom het land. Zo had Yahweh het beloofd in Deut. 12:10 en 25:19. Zie ook Joz. 1:13. Voetnoot Aanvullend: Jasher 91:14–15 bevestigt dit. Zie ook: Jas 91:14–15; Ex 23:31; Deut 7:22–24; Deut 12:10; Deut 25:19; Deut 31:3–5; Joz 1:13; Joz 11:23; Heb 4:9 **21:45** Van alle goede woorden die Yahweh tot het huis van Israël had gesproken, is er niet één weggevallen. Alles is uitgekomen. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | נָפַ֣ל (nafal) = viel | דָּבָ֔ר (davar) = woord | מִכֹּל֙ (mikol) = van al | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַטּ֔וֹב (hatov) = het goede | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֥ר (diber) = had gesproken | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הַכֹּ֖ל (hakol) = alles | בָּֽא (ba) = kwam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָפַל (nafal), ‘vallen’: een woord ‘valt weg’ als het niet uitkomt. Hier valt er niet één weg. Dezelfde woorden staan in Joz. 23:14. Zie ook: Num 23:19; Joz 23:14–15; 1 Kon 8:56; 1 Tess 5:24; 1 Kor 1:9 ## Jozua 22 _De terugkeer van de Oostjordaanstammen en het altaar bij de Jordaan_ ### Jozua stuurt de Oostjordaanstammen naar huis **22:1** Toen riep Jozua de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Brontekst: אָ֚ז (az) = toen | יִקְרָ֣א (yiqra) = riep | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | לָרֽאוּבֵנִ֖י (laruveni) = de Rubeniet | וְלַגָּדִ֑י (velagadi) = en de Gadiet | וְלַחֲצִ֖י (velachatsi) = en de helft van | מַטֵּ֥ה (mate) = de stam van | מְנַשֶּֽׁה (menashe) = Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:18–33; Deut 29:6–7 **22:2** Hij zei tegen hen: „Jullie hebben alles onderhouden wat Mozes, de dienaar van Yahweh, jullie heeft geboden. Jullie hebben ook naar mijn stem geluisterd in alles wat ik jullie heb geboden. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | שְׁמַרְתֶּ֔ם (shemartem) = hebben onderhouden | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | מֹשֶׁ֖ה (moshe) = Mozes | עֶ֣בֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַתִּשְׁמְע֣וּ (vatishmeu) = en jullie hebben geluisterd | בְקוֹלִ֔י (beqoli) = naar mijn stem | לְכֹ֥ל (lekhol) = in alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוִּ֖יתִי (tsiviti) = ik heb geboden | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Oostjordaanstammen hadden Mozes beloofd dat zij met de andere stammen zouden meestrijden, tot Israël rust kreeg (Num. 32:20–22; Joz. 1:12–15). Jozua erkent hier dat zij dat hebben gedaan. Zie ook: Num 32:20–29; Deut 3:16–20; Joz 1:12–18 **22:3** Veel dagen lang, tot op deze dag, hebben jullie jullie broeders niet in de steek gelaten. Jullie hebben de plicht van de geboden van Yahweh, jullie Elohim, onderhouden. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | עֲזַבְתֶּ֣ם (azavtem) = hebben verlaten | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֵיכֶ֗ם (acheikhem) = jullie broeders | זֶ֚ה (ze) = deze | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וּשְׁמַרְתֶּ֕ם (ushemartem) = en jullie hebben onderhouden | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֕רֶת (mishmeret) = de plicht van | מִצְוַ֖ת (mitsvat) = de geboden van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘plicht’: wat je te bewaken of te doen hebt. Zie ook Num. 3:7–8. Zie ook: Num 3:7–8; Fil 1:23–27 **22:4** Nu heeft Yahweh, jullie Elohim, jullie broeders rust gegeven, zoals Hij tot hen heeft gesproken. Keer nu om en ga naar jullie tenten, naar het land dat jullie bezit is. Mozes, de dienaar van Yahweh, heeft het jullie gegeven aan de overkant van de Jordaan. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הֵנִ֨יחַ (heniach) = heeft rust gegeven | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | לַֽאֲחֵיכֶ֔ם (laacheikhem) = aan jullie broeders | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֣ר (diber) = Hij heeft gesproken | לָהֶ֑ם (lahem) = tot hen | וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | פְּנוּ֩ (penu) = keer om | וּלְכ֨וּ (ulekhu) = en ga | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | לְאָהֳלֵיכֶ֗ם (leaholeikhem) = naar jullie tenten | אֶל (el) = naar | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = het land van | אֲחֻזַּתְכֶ֔ם (achuzatkhem) = jullie bezit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נָתַ֣ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֗ם (lakhem) = aan jullie | מֹשֶׁה֙ (moshe) = Mozes | עֶ֣בֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעֵ֖בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Num 32:18; Deut 3:20; Deut 29:7; Joz 13:8; Joz 21:43–44 **22:5** Let er alleen heel goed op dat jullie het gebod en de wet doen die Mozes, de dienaar van Yahweh, jullie heeft geboden. Heb Yahweh, jullie Elohim, lief. Ga op al Zijn wegen. Onderhoud Zijn geboden. Houd aan Hem vast. Dien Hem met heel jullie hart en met heel jullie ziel.” Brontekst: רַ֣ק (raq) = alleen | שִׁמְר֣וּ (shimru) = onderhoud | מְאֹ֗ד (meod) = zeer | לַעֲשׂ֨וֹת (laasot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּצְוָ֣ה (hamitsva) = het gebod | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתּוֹרָה֮ (hatora) = de wet | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | אֶתְכֶם֮ (etkhem) = jullie | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | עֶֽבֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | לְ֠אַהֲבָה (leahava) = om lief te hebben | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֜ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְלָלֶ֧כֶת (velalekhet) = en om te gaan | בְּכָל (bekhal) = op al | דְּרָכָ֛יו (derakhav) = Zijn wegen | וְלִשְׁמֹ֥ר (velishmor) = en om te onderhouden | מִצְוֺתָ֖יו (mitsvotav) = Zijn geboden | וּלְדָבְקָה (uledaveqa) = en om vast te houden | ב֑וֹ (bo) = aan Hem | וּלְעָבְד֕וֹ (uleavedo) = en om Hem te dienen | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבַבְכֶ֖ם (levavkhem) = jullie hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשְׁכֶֽם (nafshekhem) = jullie ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht dat Yahweh geeft. Dit vers lijkt sterk op Deut. 10:12–13 en 11:22. De Hebreeuwse woorden zijn bijna hetzelfde. Voetnoot : דָּבַק (davaq), ‘vasthouden aan’: letterlijk ‘vastkleven’. Zo staat het ook in Deut. 10:20. Zie ook: Ex 15:26; Ex 20:6; Deut 10:12–13; Deut 10:20; Deut 11:22; Mat 22:37; Joh 14:15; Rom 8:28 **22:6** Jozua zegende hen en stuurde hen weg. Zij gingen naar hun tenten. Brontekst: וַֽיְבָרְכֵ֖ם (vayvarekhem) = en hij zegende hen | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | וַֽיְשַׁלְּחֵ֔ם (vayshalechem) = en hij stuurde hen weg | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אֶל (el) = naar | אָהֳלֵיהֶֽם (aholeihem) = hun tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 47:7; Ex 39:43; Joz 14:13; 2 Sam 6:18; Luc 24:50 **22:7** Aan de ene helft van de stam Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Basan. Aan de andere helft gaf Jozua een erfdeel bij hun broeders, aan de kant van de Jordaan, in het westen. Ook toen Jozua hen naar hun tenten stuurde, zegende hij hen. Brontekst: וְלַחֲצִ֣י (velachatsi) = en aan de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = de stam | הַֽמְנַשֶּׁ֗ה (hamnashe) = van Manasse | נָתַ֣ן (natan) = had gegeven | מֹשֶׁה֮ (moshe) = Mozes | בַּבָּשָׁן֒ (babashan) = in Basan | וּלְחֶצְי֗וֹ (ulechetsyo) = en aan zijn andere helft | נָתַ֤ן (natan) = gaf | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | עִם (im) = bij | אֲחֵיהֶ֔ם (acheihem) = hun broeders | בְּעֵ֥בֶר (beever) = aan de kant van | הַיַּרְדֵּ֖ן (hayarden) = de Jordaan | יָ֑מָּה (yama) = westwaarts | וְ֠גַם (vegam) = en ook | כִּ֣י (ki) = toen | שִׁלְּחָ֧ם (shilecham) = stuurde hen weg | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = naar | אָהֳלֵיהֶ֖ם (aholeihem) = hun tenten | וַיְבָרֲכֵֽם (vayvarakhem) = en hij zegende hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: עֵבֶר (ever), ‘kant, overkant’: het kan de oostkant of de westkant van de Jordaan zijn. Het woord ‘westwaarts’ erbij laat zien dat hier de westkant wordt bedoeld. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt alleen ‘Mozes gaf … in Basan’; het voorwerp ontbreekt. Wij vullen ‘een erfdeel’ aan. Zie Num. 32:33 en Joz. 13:29–31. Zie ook: Num 32:33; Joz 13:29–31; Joz 17:1–12 **22:8** Hij zei tegen hen: „Keer terug naar jullie tenten met grote rijkdommen. Het gaat om zeer veel vee, zilver, goud, koper en ijzer en zeer veel kleren. Verdeel de buit van jullie vijanden met jullie broeders.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tot hen | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | בִּנְכָסִ֨ים (binkhasim) = met bezittingen | רַבִּ֜ים (rabim) = vele | שׁ֤וּבוּ (shuvu) = keer terug | אֶל (el) = naar | אָֽהֳלֵיכֶם֙ (aholeikhem) = jullie tenten | וּבְמִקְנֶ֣ה (uvemiqne) = en met vee | רַב (rav) = veel | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | בְּכֶ֨סֶף (bekhesef) = met zilver | וּבְזָהָ֜ב (uvezahav) = en met goud | וּבִנְחֹ֧שֶׁת (uvinchoshet) = en met koper | וּבְבַרְזֶ֛ל (uvevarzel) = en met ijzer | וּבִשְׂלָמ֖וֹת (uvislamot) = en met kleren | הַרְבֵּ֣ה (harbe) = veel | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | חִלְק֥וּ (chilqu) = verdeel | שְׁלַל (shelal) = de buit van | אֹיְבֵיכֶ֖ם (oyeveikhem) = jullie vijanden | עִם (im) = met | אֲחֵיכֶֽם (acheikhem) = jullie broeders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 31:27; Deut 8:9–14; Deut 8:17–18; 1 Sam 30:24; Spr 3:16 ### Zij bouwen een altaar bij de Jordaan **22:9** Zo keerden de zonen van Ruben, de zonen van Gad en de halve stam van Manasse terug. Zij gingen weg van de zonen van Israël, uit Silo, dat in het land Kanaän ligt. Zij gingen naar het land Gilead, naar het land dat hun bezit was. Dat hadden zij in bezit gekregen op bevel van Yahweh, door Mozes. Brontekst: וַיָּשֻׁ֣בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | וַיֵּלְכ֡וּ (vayelekhu) = en zij gingen | בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֨ן (reuven) = Ruben | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | גָ֜ד (gad) = Gad | וַחֲצִ֣י (vachatsi) = en de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = de stam van | הַֽמְנַשֶּׁ֗ה (hamnashe) = Manasse | מֵאֵת֙ (meet) = van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִשִּׁלֹ֖ה (mishilo) = uit Silo | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | לָלֶ֜כֶת (lalekhet) = om te gaan | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הַגִּלְעָ֗ד (hagilad) = Gilead | אֶל (el) = naar | אֶ֤רֶץ (erets) = het land van | אֲחֻזָּתָם֙ (achuzatam) = hun bezit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נֹֽאחֲזוּ (nochazu) = zij hadden bezit gekregen | בָ֔הּ (bah) = erin | עַל (al) = naar | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Silo ligt bij het huidige Khirbet Seilun, in het bergland van Efraïm (Westelijke Jordaanoever). Gilead is de streek ten oosten van de Jordaan (Jordanië). Zie ook Joz. 21:2. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Num 32:1; Num 32:26; Num 32:29; Joz 13:11; Joz 13:25; Joz 21:2 **22:10** Zij kwamen bij Gelilot aan de Jordaan, in het land Kanaän. Daar bouwden de zonen van Ruben, de zonen van Gad en de halve stam van Manasse een altaar aan de Jordaan. Het was een groot altaar, indrukwekkend om te zien. Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | גְּלִיל֣וֹת (gelilot) = Gelilot | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וַיִּבְנ֣וּ (vayivnu) = en zij bouwden | בְנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֣ן (reuven) = Ruben | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | גָ֡ד (gad) = Gad | וַחֲצִ֣י (vachatsi) = en de helft van | שֵׁבֶט֩ (shevet) = de stam van | הַֽמְנַשֶּׁ֨ה (hamnashe) = Manasse | שָׁ֤ם (sham) = daar | מִזְבֵּ֨חַ֙ (mizbeach) = een altaar | עַל (al) = aan | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | מִזְבֵּ֥חַ (mizbeach) = een altaar | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | לְמַרְאֶֽה (lemare) = om te zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gelilot (‘kringen’ of ‘streken’) was een plek of streek aan de Jordaan, aan de westkant, want het wordt ‘in het land Kanaän’ genoemd. In Joz. 18:17 staat dezelfde naam als grenspunt van Benjamin. De precieze ligging is onzeker; zij ligt waarschijnlijk in de vallei bij Jericho. Voetnoot Uitleg: מַרְאֶה (mareh), ‘om te zien’: letterlijk ‘groot voor het gezicht’. Het kan betekenen dat het altaar indrukwekkend was of dat het van ver te zien was. Wij vertalen ‘indrukwekkend om te zien’. Zie ook: Gen 28:18; Gen 31:46–52; Joz 4:5–9; Joz 18:17; Joz 22:25–28; Joz 24:26–27 ### Israël hoort het en wil strijden **22:11** De zonen van Israël hoorden zeggen: „Zie, de zonen van Ruben, de zonen van Gad en de halve stam van Manasse hebben het altaar gebouwd. Het staat tegenover het land Kanaän, bij Gelilot aan de Jordaan, aan de kant van de zonen van Israël.” Brontekst: וַיִּשְׁמְע֥וּ (vayishmeu) = en zij hoorden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | בָנ֣וּ (banu) = hebben gebouwd | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֣ן (reuven) = Ruben | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | גָ֡ד (gad) = Gad | וַחֲצִי֩ (vachatsi) = en de helft van | שֵׁ֨בֶט (shevet) = de stam van | הַֽמְנַשֶּׁ֜ה (hamnashe) = Manasse | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֗חַ (hamizbeach) = het altaar | אֶל (el) = naar | מוּל֙ (mul) = tegenover | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | אֶל (el) = naar | גְּלִילוֹת֙ (gelilot) = Gelilot | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | אֶל (el) = naar | עֵ֖בֶר (ever) = de kant van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Gelilot (ligging onzeker): Gelilot lag aan de Jordaan, bij Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Lev 17:8–9; Deut 12:5–7; Deut 13:13–15; Joz 2:7; Joh 1:28 **22:12** De zonen van Israël hoorden dit. Heel de gemeenschap van de zonen van Israël kwam bijeen in Silo, om tegen hen op te trekken voor de oorlog. Brontekst: וַֽיִּשְׁמְע֖וּ (vayishmeu) = en zij hoorden | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּקָּ֨הֲל֜וּ (vayiqahalu) = en zij verzamelden zich | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֤ת (adat) = de gemeenschap van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | שִׁלֹ֔ה (shilo) = in Silo | לַעֲל֥וֹת (laalot) = om op te trekken | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tegen hen | לַצָּבָֽא (latsava) = voor de oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘om op te trekken tegen hen voor het leger’ (לַצָּבָא). Wij vertalen ‘voor de oorlog’. Zie ook: Joz 18:1; Re 20:1–11; Hand 11:2–3; Gal 4:17–18; Rom 10:2 ### Pinechas en tien leiders gaan erheen **22:13** De zonen van Israël stuurden Pinechas, de zoon van Eleazar, de priester, naar de zonen van Ruben, de zonen van Gad en de halve stam van Manasse. Dat was in het land Gilead. Brontekst: וַיִּשְׁלְח֨וּ (vayishlechu) = en zonden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֧ן (reuven) = Ruben | וְאֶל (veel) = en naar | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גָ֛ד (gad) = Gad | וְאֶל (veel) = en naar | חֲצִ֥י (chatsi) = de helft van | שֵֽׁבֶט (shevet) = de stam van | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הַגִּלְעָ֑ד (hagilad) = Gilead | אֶת (et) = (obj.) | פִּינְחָ֖ס (pinechas) = Pinechas | בֶּן (ben) = de zoon van | אֶלְעָזָ֥ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵֽן (hakohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Pinechas is de zoon van Eleazar (Exod. 6:25) en de kleinzoon van Aäron. Hij trad op in Num. 25:7–13. Zie ook: Ex 6:25; Num 25:7; Deut 13:15; Re 20:28; Ps 106:30–31 **22:14** Met hem gingen tien leiders: voor elk vaderhuis van alle stammen van Israël één leider. Ieder van hen was het hoofd van hun vaderhuis, onder de duizendtallen van Israël. Brontekst: וַעֲשָׂרָ֤ה (vaasara) = en tien | נְשִׂאִים֙ (nesiim) = leiders | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | נָשִׂ֨יא (nasi) = een leider | אֶחָ֜ד (echad) = één | נָשִׂ֤יא (nasi) = een leider | אֶחָד֙ (echad) = één | לְבֵ֣ית (leveit) = voor een huis van | אָ֔ב (av) = vader | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | מַטּ֣וֹת (matot) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְאִ֨ישׁ (veish) = en ieder man | רֹ֧אשׁ (rosh) = het hoofd van | בֵּית (beit) = het huis van | אֲבוֹתָ֛ם (avotam) = hun vaders | הֵ֖מָּה (hema) = zij | לְאַלְפֵ֥י (lealfei) = van de duizendtallen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:25; Num 1:4 **22:15** Zij kwamen bij de zonen van Ruben, de zonen van Gad en de halve stam van Manasse in het land Gilead. Zij spraken met hen en zeiden: Brontekst: וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֧ן (reuven) = Ruben | וְאֶל (veel) = en naar | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גָ֛ד (gad) = Gad | וְאֶל (veel) = en naar | חֲצִ֥י (chatsi) = de helft van | שֵֽׁבֶט (shevet) = de stam van | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הַגִּלְעָ֑ד (hagilad) = Gilead | וַיְדַבְּר֥וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אִתָּ֖ם (itam) = met hen | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Lev 5:19; Lev 17:8–9; Joz 22:18; Ps 78:8; 2 Kron 28:13 ### Het verwijt van de gemeenschap **22:16** „Zo zegt heel de gemeenschap van Yahweh: Wat is dit voor ontrouw die jullie hebben gepleegd tegen de Elohim van Israël? Jullie keren je vandaag af van Yahweh. Jullie bouwen voor jullie een altaar en komen vandaag in opstand tegen Yahweh! Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמְר֞וּ (ameru) = zeggen | כֹּ֣ל (kol) = heel | עֲדַ֣ת (adat) = de gemeenschap van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | מָֽה (ma) = wat | הַמַּ֤עַל (hamaal) = de ontrouw | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | מְעַלְתֶּם֙ (mealtem) = jullie hebben gepleegd | בֵּאלֹהֵ֣י (belohei) = tegen de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לָשׁ֣וּב (lashuv) = om je af te keren | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | מֵאַחֲרֵ֖י (meacharei) = van achter | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בִּבְנֽוֹתְכֶ֤ם (bivnotekhem) = door jullie te bouwen | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = een altaar | לִמְרָדְכֶ֥ם (limradekhem) = door jullie opstand | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | בַּיהוָֽה (baYahweh) = tegen Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעַל (ma’al), ‘ontrouw’: iets doen wat tegen de trouw aan Yahweh ingaat. Wij gebruiken dit woord ook in Lev. 5:15 en Num. 5:6. Hier gaat het om het altaar. Offers mochten alleen bij de tabernakel worden gebracht (Lev. 17:8–9; Deut. 12:13–14). Zie ook: Lev 5:15; Lev 17:8–9; Num 5:6; Deut 12:13–14 **22:17** Is de schuld van Peor ons nog niet genoeg? Wij hebben ons er tot op deze dag niet van gereinigd. Toen kwam de plaag over de gemeenschap van Yahweh. Brontekst: הַמְעַט (hamat) = is het te weinig | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺ֣ן (avon) = de schuld van | פְּע֔וֹר (peor) = Peor | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarvan | לֹֽא (lo) = niet | הִטַּהַ֨רְנוּ֙ (hitaharnu) = wij hebben ons gereinigd | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = daarvan | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַיְהִ֥י (vayhi) = en het kwam | הַנֶּ֖גֶף (hanegef) = de plaag | בַּעֲדַ֥ת (baadat) = over de gemeenschap van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Peor: Bet-Peor lag in Moab, in het dal tegenover Jericho. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: עָוֺן (avon), ‘schuld’. De ‘schuld van Peor’ is het volk dat bij Baäl-Peor zondigde, waarna de plaag kwam (Num. 25:1–9; 31:16). Zie ook: Num 25:1–18; Num 31:16; Deut 4:3–4; Ps 106:28–29; 1 Kor 10:8; 1 Kor 10:11 **22:18** Jullie keren je vandaag af van Yahweh. Als jullie vandaag in opstand komen tegen Yahweh, dan wordt Hij morgen woedend op heel de gemeenschap van Israël. Brontekst: וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | תָּשֻׁ֣בוּ (tashuvu) = keren je af | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | מֵאַחֲרֵ֖י (meacharei) = van achter | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | אַתֶּ֞ם (atem) = jullie | תִּמְרְד֤וּ (timredu) = komen in opstand | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = tegen Yahweh | וּמָחָ֕ר (umachar) = en morgen | אֶֽל (el) = over | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֥ת (adat) = de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יִקְצֹֽף (yiqtsof) = zal Hij woedend worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:22; Joz 7:21; Joz 22:16; Joz 22:20; 1 Kron 21:14 **22:19** Maar als het land dat jullie bezit is, onrein is, steek dan over naar het land dat het bezit van Yahweh is. Daar is de tabernakel van Yahweh gevestigd. Neem bezit te midden van ons. Kom niet in opstand tegen Yahweh en kom niet in opstand tegen ons. Doe dat niet door een altaar voor jullie te bouwen naast het altaar van Yahweh, onze Elohim. Brontekst: וְאַ֨ךְ (veakh) = en maar | אִם (im) = als | טְמֵאָ֜ה (temea) = onrein | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | אֲחֻזַּתְכֶ֗ם (achuzatkhem) = jullie bezit | עִבְר֨וּ (ivru) = steek over | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | אֶל (el) = naar | אֶ֨רֶץ (erets) = het land van | אֲחֻזַּ֤ת (achuzat) = het bezit van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | שָֽׁכַן (shakhan) = is gevestigd | שָׁם֙ (sham) = daar | מִשְׁכַּ֣ן (mishkan) = de tabernakel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהֵאָחֲז֖וּ (veheachazu) = en neem bezit | בְּתוֹכֵ֑נוּ (betokhenu) = te midden van ons | וּבַֽיהוָ֣ה (uvaYahweh) = en tegen Yahweh | אַל (al) = niet | תִּמְרֹ֗דוּ (timrodu) = kom in opstand | וְאֹתָ֨נוּ֙ (veotanu) = en tegen ons | אֶל (el) = niet | תִּמְרֹ֔דוּ (timrodu) = kom in opstand | בִּבְנֹֽתְכֶ֤ם (bivnotekhem) = door jullie te bouwen | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = een altaar | מִֽבַּלְעֲדֵ֔י (mibaladei) = behalve | מִזְבַּ֖ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De gemeenschap noemt het land aan de overkant ‘onrein’. Het bedoelt dat het land buiten Kanaän ver van de tabernakel ligt. Vergelijk Amos 7:17. Zie ook: Lev 17:8–9; Joz 18:1; 2 Kron 11:13; 2 Kron 11:16–17; Amos 7:17; Hand 10:14–15 **22:20** Heeft Achan, de zoon van Zerach, niet ontrouw gepleegd met de ban? Kwam er geen toorn over heel de gemeenschap van Israël? Hij was maar één man. Toch is hij niet alleen omgekomen door zijn schuld.” Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = toch niet | עָכָ֣ן (akhan) = Achan | בֶּן (ben) = de zoon van | זֶ֗רַח (zerach) = Zerach | מָ֤עַל (maal) = pleegde ontrouw | מַ֨עַל֙ (maal) = ontrouw | בַּחֵ֔רֶם (bacherem) = met de ban | וְעַֽל (veal) = en over | כָּל (kal) = heel | עֲדַ֥ת (adat) = de gemeenschap van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הָ֣יָה (haya) = was | קָ֑צֶף (qatsef) = toorn | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶחָ֔ד (echad) = één | לֹ֥א (lo) = niet | גָוַ֖ע (gava) = is omgekomen | בַּעֲוֺנֽוֹ (baavono) = door zijn schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Achan nam iets van de ban, de buit die aan Yahweh was gewijd. Daardoor kwam er toorn over Israël. Zie Joz. 7:1, 24–26. Zie ook: Joz 7:1; Joz 7:5; Joz 7:18; Joz 7:24; 1 Kor 10:6 ### Het antwoord van de Oostjordaanstammen **22:21** De zonen van Ruben, de zonen van Gad en de halve stam van Manasse antwoordden. Zij zeiden tot de hoofden van de duizendtallen van Israël: Brontekst: וַֽיַּעֲנוּ֙ (vayaanu) = en zij antwoordden | בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֣ן (reuven) = Ruben | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | גָ֔ד (gad) = Gad | וַחֲצִ֖י (vachatsi) = en de helft van | שֵׁ֣בֶט (shevet) = de stam van | הַֽמְנַשֶּׁ֑ה (hamnashe) = Manasse | וַֽיְדַבְּר֔וּ (vaydaberu) = en zij spraken | אֶת (et) = (obj.) | רָאשֵׁ֖י (rashei) = de hoofden van | אַלְפֵ֥י (alfei) = de duizendtallen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 15:1; Spr 18:13; Spr 24:26; Mi 5:1; Hand 11:4 **22:22** „El, Elohim, Yahweh! El, Elohim, Yahweh! Hij weet het, en Israël zal het weten. Als het uit opstand was, of uit ontrouw tegen Yahweh, red ons dan op deze dag niet. Brontekst: אֵל֩ (el) = El | אֱלֹהִ֨ים (Elohim) = Elohim | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֣ל (el) = El | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | ה֣וּא (hu) = Hij | יֹדֵ֔עַ (yodea) = weet het | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | ה֣וּא (hu) = het | יֵדָ֑ע (yeda) = zal weten | אִם (im) = als | בְּמֶ֤רֶד (bemered) = in opstand | וְאִם (veim) = en als | בְּמַ֨עַל֙ (bemaal) = in ontrouw | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = tegen Yahweh | אַל (al) = niet | תּוֹשִׁיעֵ֖נוּ (toshienu) = red ons | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל אֱלֹהִים יְהוָה (El Elohim Yahweh): drie namen na elkaar, hier tweemaal. Een zelfde reeks staat in Ps. 50:1. Wij laten ‘El’ onvertaald, zoals Elohim en Yahweh. Voetnoot : Het Hebreeuws spreekt eerst over Yahweh (‘Hij weet het’) en dan tot Hem (‘red ons niet’). Wij houden die wisseling. Zie ook: Job 10:7; Deut 10:17; Ps 44:22; Ps 50:1; 1 Kon 8:39; Jer 17:10 **22:23** Stel dat wij een altaar hebben gebouwd om ons van Yahweh af te keren. Of om er een brandoffer en een graanoffer op te brengen. Of om er vredeoffers op te brengen. Dan moet Yahweh zelf het van ons eisen. Brontekst: לִבְנ֥וֹת (livnot) = om te bouwen | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = een altaar | לָשׁ֖וּב (lashuv) = om ons af te keren | מֵאַחֲרֵ֣י (meacharei) = van achter | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאִם (veim) = en als | לְהַעֲל֨וֹת (lehaalot) = om op te brengen | עָלָ֜יו (alav) = daarop | עוֹלָ֣ה (ola) = brandoffer | וּמִנְחָ֗ה (umincha) = en graanoffer | וְאִם (veim) = en als | לַעֲשׂ֤וֹת (laasot) = om te maken | עָלָיו֙ (alav) = daarop | זִבְחֵ֣י (zivchei) = slachtoffers van | שְׁלָמִ֔ים (shelamim) = vredeoffers | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | ה֥וּא (hu) = Hij | יְבַקֵּֽשׁ (yevaqesh) = zal het eisen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:4; Deut 18:19; 1 Sam 20:16; Ezech 3:18; Ezech 33:8 **22:24** Nee! Wij hebben dit gedaan uit zorg, om een reden. Wij dachten: Morgen zullen jullie zonen tegen onze zonen zeggen: ‘Wat hebben jullie te maken met Yahweh, de Elohim van Israël? Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֤א (lo) = niet | מִדְּאָגָה֙ (mideaga) = uit zorg | מִדָּבָ֔ר (midavar) = om een reden | עָשִׂ֥ינוּ (asinu) = wij hebben gedaan | אֶת (et) = (obj.) | זֹ֖את (zot) = dit | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מָחָ֗ר (machar) = morgen | יֹאמְר֨וּ (yomru) = zullen zeggen | בְנֵיכֶ֤ם (beneikhem) = jullie zonen | לְבָנֵ֨ינוּ֙ (levaneinu) = tegen onze zonen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מַה (ma) = wat | לָּכֶ֕ם (lakhem) = voor jullie | וְלַֽיהוָ֖ה (velaYahweh) = en voor Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאִם־לֹא (ve’im lo), ‘en als niet’: dit klinkt als het begin van een eed. Wij vertalen ‘Nee!’. דְּאָגָה (de’agah) betekent ‘zorg’ of ‘angst’. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier ‘zeggende’ (לֵאמֹר). Wij vertalen ‘Wij dachten’. Zie ook: Gen 18:19; Gen 30:33; Ex 13:14; Deut 6:20; Joz 4:6 **22:25** Yahweh heeft de Jordaan als grens gelegd tussen ons en jullie, zonen van Ruben en zonen van Gad. Jullie hebben geen deel aan Yahweh.’ Zo zouden jullie zonen onze zonen laten ophouden ontzag te hebben voor Yahweh. Brontekst: וּגְב֣וּל (ugevul) = en een grens | נָֽתַן (natan) = heeft gelegd | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | בֵּינֵ֨נוּ (beinenu) = tussen ons | וּבֵינֵיכֶ֜ם (uveineikhem) = en tussen jullie | בְּנֵי (benei) = zonen van | רְאוּבֵ֤ן (reuven) = Ruben | וּבְנֵי (uvenei) = en zonen van | גָד֙ (gad) = Gad | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | אֵין (ein) = niet is | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | חֵ֖לֶק (cheleq) = deel | בַּֽיהוָ֑ה (baYahweh) = in Yahweh | וְהִשְׁבִּ֤יתוּ (vehishbitu) = en zij zullen doen ophouden | בְנֵיכֶם֙ (beneikhem) = jullie zonen | אֶת (et) = (obj.) | בָּנֵ֔ינוּ (baneinu) = onze zonen | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = om niet | יְרֹ֥א (yero) = te vrezen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: 2 Sam 20:1; 1 Kon 12:16; Ezra 4:2–3; Neh 2:20; Hand 8:21 **22:26** Wij zeiden: Laten wij toch dit altaar gaan bouwen, niet voor een brandoffer en niet voor een slachtoffer. Brontekst: וַנֹּ֕אמֶר (vanomer) = en wij zeiden | נַעֲשֶׂה (naase) = laten wij maken | נָּ֣א (na) = toch | לָ֔נוּ (lanu) = voor ons | לִבְנ֖וֹת (livnot) = om te bouwen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | לֹ֥א (lo) = niet | לְעוֹלָ֖ה (leola) = voor een brandoffer | וְלֹ֥א (velo) = en niet | לְזָֽבַח (lezavach) = voor een slachtoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:27** Nee, het is een getuige tussen ons en jullie en tussen onze geslachten na ons. Het is er om de dienst van Yahweh voor Zijn aangezicht te verrichten, met onze brandoffers, onze slachtoffers en onze vredeoffers. Dan zullen jullie zonen morgen niet tegen onze zonen zeggen: ‘Jullie hebben geen deel aan Yahweh.’ Brontekst: כִּי֩ (ki) = maar | עֵ֨ד (ed) = een getuige | ה֜וּא (hu) = het | בֵּינֵ֣ינוּ (beineinu) = tussen ons | וּבֵינֵיכֶ֗ם (uveineikhem) = en tussen jullie | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | דֹּרוֹתֵינוּ֮ (doroteinu) = onze geslachten | אַחֲרֵינוּ֒ (achareinu) = na ons | לַעֲבֹ֞ד (laavod) = om te verrichten | אֶת (et) = (obj.) | עֲבֹדַ֤ת (avodat) = de dienst van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | בְּעֹלוֹתֵ֥ינוּ (beoloteinu) = met onze brandoffers | וּבִזְבָחֵ֖ינוּ (uvizvacheinu) = en met onze slachtoffers | וּבִשְׁלָמֵ֑ינוּ (uvishlameinu) = en met onze vredeoffers | וְלֹא (velo) = en niet | יֹאמְר֨וּ (yomru) = zullen zeggen | בְנֵיכֶ֤ם (beneikhem) = jullie zonen | מָחָר֙ (machar) = morgen | לְבָנֵ֔ינוּ (levaneinu) = tegen onze zonen | אֵין (ein) = niet is | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | חֵ֖לֶק (cheleq) = deel | בַּיהוָֽה (baYahweh) = in Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:48; Deut 12:11; Deut 12:17–18; Joz 22:34; Joz 24:27 **22:28** Wij zeiden: Wanneer zij dat morgen tegen ons of tegen onze geslachten zeggen, dan zullen wij zeggen: ‘Zie het model van het altaar van Yahweh. Onze vaders hebben het gemaakt. Het is niet voor een brandoffer en niet voor een slachtoffer. Het is een getuige tussen ons en jullie.’ Brontekst: וַנֹּ֕אמֶר (vanomer) = en wij zeiden | וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יֹאמְר֥וּ (yomru) = zij zullen zeggen | אֵלֵ֛ינוּ (eleinu) = tegen ons | וְאֶל (veel) = en tegen | דֹּרֹתֵ֖ינוּ (doroteinu) = onze geslachten | מָחָ֑ר (machar) = morgen | וְאָמַ֡רְנוּ (veamarnu) = dan zullen wij zeggen | רְא֣וּ (reu) = zie | אֶת (et) = (obj.) | תַּבְנִית֩ (tavnit) = het model van | מִזְבַּ֨ח (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשׂ֣וּ (asu) = hebben gemaakt | אֲבוֹתֵ֗ינוּ (avoteinu) = onze vaders | לֹ֤א (lo) = niet | לְעוֹלָה֙ (leola) = voor een brandoffer | וְלֹ֣א (velo) = en niet | לְזֶ֔בַח (lezevach) = voor een slachtoffer | כִּי (ki) = maar | עֵ֣ד (ed) = een getuige | ה֔וּא (hu) = het | בֵּינֵ֖ינוּ (beineinu) = tussen ons | וּבֵינֵיכֶֽם (uveineikhem) = en tussen jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּבְנִית (tavnit), ‘model’: het voorbeeld waarnaar iets wordt gemaakt (Exod. 25:9, 40). Het altaar van Yahweh dat de vaders maakten, is het altaar bij de tabernakel (Exod. 27:1–8). Zie ook: Ex 25:9; Ex 25:40; Ex 27:1–8; 2 Kon 16:10; Ezech 43:10–11; Heb 8:5 **22:29** Wij zouden nooit in opstand komen tegen Yahweh. Wij zouden ons vandaag nooit van Yahweh afkeren door een altaar te bouwen voor een brandoffer, een graanoffer en een slachtoffer. Dat doen wij alleen bij het altaar van Yahweh, onze Elohim, dat voor Zijn tabernakel staat.” Brontekst: חָלִילָה֩ (chalila) = verre | לָּ֨נוּ (lanu) = van ons | מִמֶּ֜נּוּ (mimenu) = dat | לִמְרֹ֣ד (limrod) = om in opstand te komen | בַּֽיהוָ֗ה (baYahweh) = tegen Yahweh | וְלָשׁ֤וּב (velashuv) = en om ons af te keren | הַיּוֹם֙ (hayom) = vandaag | מֵאַחֲרֵ֣י (meacharei) = van achter | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִבְנ֣וֹת (livnot) = om te bouwen | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = een altaar | לְעֹלָ֖ה (leola) = voor een brandoffer | לְמִנְחָ֣ה (lemincha) = voor een graanoffer | וּלְזָ֑בַח (ulezavach) = en voor een slachtoffer | מִלְּבַ֗ד (milevad) = behalve | מִזְבַּח֙ (mizbach) = het altaar van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | מִשְׁכָּנֽוֹ (mishkano) = Zijn tabernakel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלִילָה (chalilah), ‘verre van ons’: een sterke afwijzing. Wij vertalen: ‘Wij zouden nooit …’. Zie ook: Deut 12:13–14; Joz 22:23; Joz 24:16; 1 Kon 21:3; 2 Kon 18:22 ### Pinechas is tevreden **22:30** Pinechas, de priester, de leiders van de gemeenschap en de hoofden van de duizendtallen van Israël die bij hem waren, hoorden de woorden. Die hadden de zonen van Ruben, de zonen van Gad en de zonen van Manasse gesproken. Zij vonden het goed. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֞ע (vayishma) = en hoorde | פִּֽינְחָ֣ס (pinechas) = Pinechas | הַכֹּהֵ֗ן (hakohen) = de priester | וּנְשִׂיאֵ֨י (unesiei) = en de leiders van | הָעֵדָ֜ה (haeda) = de gemeenschap | וְרָאשֵׁ֨י (verashei) = en de hoofden van | אַלְפֵ֤י (alfei) = de duizendtallen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | אֶת (et) = (obj.) | הַ֨דְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | דִּבְּר֛וּ (diberu) = spraken | בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֥ן (reuven) = Ruben | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | וַיִּיטַ֖ב (vayitav) = en het was goed | בְּעֵינֵיהֶֽם (beeineihem) = in hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 22:33; Re 8:3; 1 Sam 25:32–33; Spr 15:1; Est 1:21 **22:31** Pinechas, de zoon van Eleazar, de priester, zei tegen de zonen van Ruben, de zonen van Gad en de zonen van Manasse: „Vandaag weten wij dat Yahweh in ons midden is. Want jullie hebben deze ontrouw niet gepleegd tegen Yahweh. Zo hebben jullie de zonen van Israël gered uit de hand van Yahweh.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | פִּֽינְחָ֣ס (pinechas) = Pinechas | בֶּן (ben) = de zoon van | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֡ן (hakohen) = de priester | אֶל (el) = tot | בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֨ן (reuven) = Ruben | וְאֶל (veel) = en tot | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גָ֜ד (gad) = Gad | וְאֶל (veel) = en tot | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְנַשֶּׁ֗ה (menashe) = Manasse | הַיּ֤וֹם (hayom) = vandaag | יָדַ֨עְנוּ֙ (yadanu) = wij weten | כִּֽי (ki) = dat | בְתוֹכֵ֣נוּ (betokhenu) = in ons midden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֛ר (asher) = omdat | לֹֽא (lo) = niet | מְעַלְתֶּ֥ם (mealtem) = jullie hebben ontrouw gepleegd | בַּֽיהוָ֖ה (baYahweh) = tegen Yahweh | הַמַּ֣עַל (hamaal) = de ontrouw | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | אָ֗ז (az) = dan | הִצַּלְתֶּ֛ם (hitsaltem) = hebt gered | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Pinechas leidt uit hun antwoord af dat Yahweh in hun midden is: zij hebben geen ontrouw gepleegd. Zie ook: Lev 26:11–12; Num 14:41–43; Ps 68:18; 2 Kron 15:2; Mat 1:23 ### Het bericht in Silo **22:32** Pinechas, de zoon van Eleazar, de priester, en de leiders keerden terug van de zonen van Ruben en de zonen van Gad, uit het land Gilead. Zij gingen naar het land Kanaän, naar de zonen van Israël. Zij brachten hun het bericht. Brontekst: וַיָּ֣שָׁב (vayashav) = en keerde terug | פִּֽינְחָ֣ס (pinechas) = Pinechas | בֶּן (ben) = de zoon van | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | וְהַנְּשִׂיאִ֡ים (vehanesiim) = en de leiders | מֵאֵ֣ת (meet) = van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵן֩ (reuven) = Ruben | וּמֵאֵ֨ת (umeet) = en van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גָ֜ד (gad) = Gad | מֵאֶ֧רֶץ (meerets) = uit het land van | הַגִּלְעָ֛ד (hagilad) = Gilead | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | כְּנַ֖עַן (kenaan) = Kanaän | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיָּשִׁ֥בוּ (vayashivu) = en zij brachten terug | אוֹתָ֖ם (otam) = hun | דָּבָֽר (davar) = het bericht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Joz 22:12–14; Spr 25:13 **22:33** Het bericht beviel de zonen van Israël goed. De zonen van Israël zegenden Elohim. Zij spraken er niet meer over om tegen hen op te trekken voor de oorlog. Ook spraken zij er niet meer over om het land te verwoesten waar de zonen van Ruben en de zonen van Gad woonden. Brontekst: וַיִּיטַ֣ב (vayitav) = en het was goed | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het bericht | בְּעֵינֵי֙ (beeinei) = in de ogen van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיְבָרֲכ֥וּ (vayvarakhu) = en zij zegenden | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אָמְר֗וּ (ameru) = zij spraken | לַעֲל֤וֹת (laalot) = om op te trekken | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tegen hen | לַצָּבָ֔א (latsava) = voor de oorlog | לְשַׁחֵת֙ (leshachet) = om te verwoesten | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waar | בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֥ן (reuven) = Ruben | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | יֹשְׁבִ֥ים (yoshevim) = wonen | בָּֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 22:30; 1 Sam 25:32–33; 1 Kron 29:20; Dan 2:19; Luc 2:28 ### De naam van het altaar **22:34** De zonen van Ruben en de zonen van Gad noemden het altaar ‘Getuige’, want het is een getuige tussen ons dat Yahweh de Elohim is. Brontekst: וַֽיִּקְרְא֛וּ (vayiqreu) = en zij noemden | בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְאוּבֵ֥ן (reuven) = Ruben | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | גָ֖ד (gad) = Gad | לַמִּזְבֵּ֑חַ (lamizbeach) = het altaar | כִּ֣י (ki) = want | עֵ֥ד (ed) = een getuige | הוּא֙ (hu) = het | בֵּֽינֹתֵ֔ינוּ (beinoteinu) = tussen ons | כִּ֥י (ki) = dat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵד (ed), ‘getuige’: een zichtbaar teken dat getuigt. Zie Gen. 31:48, waar een steenhoop als getuige tussen Jakob en Laban dient, en Joz. 24:27. Voetnoot Lezing: De Hebreeuwse tekst geeft de naam van het altaar niet. Er staat: ‘zij noemden het altaar, want het is een getuige’. Wij vullen de naam ‘Getuige’ (Hebreeuws עֵד, Ed) aan, omdat de reden volgt. Een aantal Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen hebben de naam ook in de tekst. Zie ook: Gen 31:48; Joz 22:27; Joz 24:27; 1 Kon 18:39; Jes 43:10; Mat 4:10 ## Jozua 23 _Jozua’s afscheidsrede aan de leiders van Israël_ ### Jozua roept de leiders van Israël **23:1** Het was na vele dagen, nadat Yahweh Israël rust had gegeven van al hun vijanden rondom. Jozua was oud en op leeftijd gekomen. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִיָּמִ֣ים (miyamim) = van dagen | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | אַ֠חֲרֵי (acharei) = na | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֵנִ֨יחַ (heniach) = rust gaf | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | לְיִשְׂרָאֵ֛ל (leyisrael) = aan Israël | מִכָּל (mikal) = van al | אֹיְבֵיהֶ֖ם (oyeveihem) = hun vijanden | מִסָּבִ֑יב (misaviv) = rondom | וִיהוֹשֻׁ֣עַ (vihoshua) = en Jozua | זָקֵ֔ן (zaqen) = oud | בָּ֖א (ba) = was gekomen | בַּיָּמִֽים (bayamim) = in dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden voor Jozua’s leeftijd staan in Joz. 13:1. Voor de rust: Joz. 21:44. Zie ook: Deut 31:2; Joz 11:23; Joz 13:1; Joz 21:44; Ps 46:10 **23:2** Jozua riep heel Israël: zijn oudsten, zijn hoofden, zijn rechters en zijn opzichters. Hij zei tegen hen: „Ik ben oud geworden. Ik ben op leeftijd gekomen. Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij riep | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | לְכָל (lekhal) = heel | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לִזְקֵנָיו֙ (lizqenav) = zijn oudsten | וּלְרָאשָׁ֔יו (ulerashav) = en zijn hoofden | וּלְשֹׁפְטָ֖יו (uleshofetav) = en zijn rechters | וּלְשֹֽׁטְרָ֑יו (uleshoterav) = en zijn opzichters | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | אֲנִ֣י (ani) = ik | זָקַ֔נְתִּי (zaqanti) = ben oud geworden | בָּ֖אתִי (bati) = ik ben gekomen | בַּיָּמִֽים (bayamim) = in dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De oudsten, hoofden, rechters en opzichters zijn de leiders die Mozes aanstelde (Deut. 1:15–16). Dezelfde vier groepen staan in Joz. 24:1. Voetnoot Aanvullend: Jasher 90:33–35 bevestigt Jozua’s afscheidsrede. Zie ook: Jas 90:33–35; Deut 1:15–16; Deut 31:28; Joz 24:1; 1 Kron 28:1; Hand 20:17–35 ### Yahweh heeft voor jullie gestreden **23:3** Jullie hebben zelf gezien wat Yahweh, jullie Elohim, met al deze volken heeft gedaan vanwege jullie. Want Yahweh, jullie Elohim, is Hij die voor jullie strijdt. Brontekst: וְאַתֶּ֣ם (veatem) = en jullie | רְאִיתֶ֗ם (reitem) = hebben gezien | אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | עָשָׂ֜ה (asa) = heeft gedaan | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֛ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לְכָל (lekhal) = aan al | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | מִפְּנֵיכֶ֑ם (mipeneikhem) = vanwege jullie | כִּ֚י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | ה֖וּא (hu) = Hij | הַנִּלְחָ֥ם (hanilcham) = die strijdt | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:14; Deut 20:4; Joz 10:14; Joz 10:42; Mal 1:5 **23:4** Zie, ik heb deze overgebleven volken door het lot aan jullie toegewezen als erfdeel voor jullie stammen, vanaf de Jordaan. Dat geldt ook voor alle volken die ik heb uitgeroeid, tot aan de Grote Zee in het westen. Brontekst: רְאוּ֩ (reu) = zie | הִפַּ֨לְתִּי (hipalti) = ik heb laten vallen | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | אֶֽת (et) = (obj.) | הַ֠גּוֹיִם (hagoyim) = de volken | הַנִּשְׁאָרִ֥ים (hanisharim) = die overbleven | הָאֵ֛לֶּה (haele) = deze | בְּנַחֲלָ֖ה (benachala) = als erfdeel | לְשִׁבְטֵיכֶ֑ם (leshivteikhem) = voor jullie stammen | מִן (min) = vanaf | הַיַּרְדֵּ֗ן (hayarden) = de Jordaan | וְכָל (vekhal) = en alle | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִכְרַ֔תִּי (hikhrati) = ik heb uitgeroeid | וְהַיָּ֥ם (vehayam) = en de zee | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | מְב֥וֹא (mevo) = richting de ondergang van | הַשָּֽׁמֶשׁ (hashamesh) = de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Grote Zee is de Middellandse Zee. Ze is de westgrens van het land (Num. 34:6). Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: הִפַּלְתִּי (hippalti), ‘ik heb laten vallen’: het lot ‘laten vallen’ is het lot werpen. Jozua verdeelde het land door het lot (Joz. 13:6; 18:10). Wij vertalen ‘door het lot toegewezen’. Zie ook: Num 34:6; Joz 13:2; Joz 13:6–7; Joz 18:10 **23:5** Yahweh, jullie Elohim, zelf zal hen voor jullie uit wegduwen. Hij zal hen voor jullie verdrijven. Dan nemen jullie hun land in bezit, zoals Yahweh, jullie Elohim, tot jullie heeft gesproken. Brontekst: וַיהוָ֣ה (vaYahweh) = en Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֗ם (eloheikhem) = jullie Elohim | ה֚וּא (hu) = Hij | יֶהְדֳּפֵ֣ם (yehdofem) = zal hen wegduwen | מִפְּנֵיכֶ֔ם (mipeneikhem) = voor jullie uit | וְהוֹרִ֥ישׁ (vehorish) = en zal verdrijven | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מִלִּפְנֵיכֶ֑ם (milifneikhem) = van voor jullie | וִֽירִשְׁתֶּם֙ (virishtem) = en jullie zullen in bezit nemen | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֔ם (artsam) = hun land | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֛ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לָכֶֽם (lakhem) = tot jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:30–31; Ex 33:2; Ex 34:11; Deut 11:23; Joz 13:6 ### Blijf Yahweh trouw **23:6** Wees dus zeer sterk. Onderhoud en doe alles wat geschreven staat in het boek van de wet van Mozes. Wijk er niet van af, naar rechts noch naar links. Brontekst: וַחֲזַקְתֶּ֣ם (vachazaqtem) = en wees sterk | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | לִשְׁמֹ֣ר (lishmor) = om te onderhouden | וְלַעֲשׂ֔וֹת (velaasot) = en om te doen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | הַכָּת֔וּב (hakatuv) = wat geschreven is | בְּסֵ֖פֶר (besefer) = in het boek van | תּוֹרַ֣ת (torat) = de wet van | מֹשֶׁ֑ה (moshe) = Mozes | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = om niet | סוּר (sur) = af te wijken | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | יָמִ֥ין (yamin) = rechts | וּשְׂמֹֽאול (usemovl) = en links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘boek van de wet van Mozes’ is het geschreven onderricht dat Mozes aan Israël gaf (Deut. 31:24–26). Zie ook Joz. 1:7–8. Zie ook: Deut 5:32; Deut 28:14; Deut 31:24–26; Joz 1:7–9; Ef 6:10–19; Heb 12:4 **23:7** Meng je niet onder deze volken, die bij jullie zijn overgebleven. Noem de naam van hun goden niet. Laat niemand erbij zweren. Dien hen niet en buig je niet voor hen neer. Brontekst: לְבִלְתִּי (levilti) = om niet | בוֹא֙ (bo) = binnen te gaan | בַּגּוֹיִ֣ם (bagoyim) = onder de volken | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | הַנִּשְׁאָרִ֥ים (hanisharim) = die overbleven | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = bij jullie | וּבְשֵׁ֨ם (uveshem) = en bij de naam van | אֱלֹהֵיהֶ֤ם (eloheihem) = hun goden | לֹא (lo) = niet | תַזְכִּ֨ירוּ֙ (tazkiru) = zullen jullie noemen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַשְׁבִּ֔יעוּ (tashbiu) = zullen jullie laten zweren | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַעַבְד֔וּם (taavdum) = zullen jullie hen dienen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִֽשְׁתַּחֲו֖וּ (tishtachavu) = zullen jullie je neerbuigen | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘kom niet binnen onder deze volken’: ga er niet mee om, meng je er niet onder. Zie ook Deut. 7:3–4; Exod. 23:13. Zie ook: Ex 23:13; Deut 7:2–3; Deut 7:3–4; Joz 23:12; Ps 16:4; Jer 5:7 **23:8** Maar houd vast aan Yahweh, jullie Elohim, zoals jullie tot op deze dag hebben gedaan. Brontekst: כִּ֛י (ki) = maar | אִם (im) = als niet | בַּיהוָ֥ה (baYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | תִּדְבָּ֑קוּ (tidbaqu) = houd vast | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עֲשִׂיתֶ֔ם (asitem) = jullie hebben gedaan | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:20; Deut 11:22; Deut 13:5; Joz 22:5; Hand 11:23 **23:9** Yahweh heeft grote en machtige volken voor jullie uit verdreven. En wat jullie betreft: tot op deze dag heeft niemand stand gehouden tegen jullie. Brontekst: וַיּ֤וֹרֶשׁ (vayoresh) = en verdreef | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵיכֶ֔ם (mipeneikhem) = voor jullie uit | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | גְּדֹלִ֣ים (gedolim) = groot | וַעֲצוּמִ֑ים (vaatsumim) = en machtig | וְאַתֶּ֗ם (veatem) = en jullie | לֹא (lo) = niet | עָ֤מַד (amad) = heeft gestaan | אִישׁ֙ (ish) = man | בִּפְנֵיכֶ֔ם (bifneikhem) = voor jullie | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:30; Deut 11:23; Joz 1:5; Joz 21:43–44; Joz 23:5 **23:10** Eén man van jullie achtervolgt er duizend. Want Yahweh, jullie Elohim, is Hij die voor jullie strijdt, zoals Hij tot jullie heeft gesproken. Brontekst: אִישׁ (ish) = man | אֶחָ֥ד (echad) = één | מִכֶּ֖ם (mikem) = van jullie | יִרְדָּף (yirdaf) = achtervolgt | אָ֑לֶף (alef) = duizend | כִּ֣י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֗ם (eloheikhem) = jullie Elohim | ה֚וּא (hu) = Hij | הַנִּלְחָ֣ם (hanilcham) = die strijdt | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij heeft gesproken | לָכֶֽם (lakhem) = tot jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Lev. 26:8 en Deut. 32:30. Dat Yahweh voor Israël strijdt, staat ook in Deut. 3:22. Zie ook: Ex 14:14; Lev 26:8; Deut 3:22; Deut 32:30; Ps 35:1 **23:11** Pas dus zeer goed op jezelf, zodat jullie Yahweh, jullie Elohim, liefhebben. Brontekst: וְנִשְׁמַרְתֶּ֥ם (venishmartem) = en pas op | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | לְנַפְשֹֽׁתֵיכֶ֑ם (lenafshoteikhem) = voor jullie zielen | לְאַהֲבָ֖ה (leahava) = om lief te hebben | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 6:5–12; Joz 22:5; 1 Kor 16:22; Rom 8:28; Jud 1:20–21 ### De waarschuwing: omgang met de volken **23:12** Maar stel dat jullie je werkelijk afkeren en vasthouden aan wat er nog over is van deze volken die bij jullie zijn overgebleven. Stel dat jullie huwelijken met hen sluiten en met hen omgaan en zij met jullie. Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = als | שׁ֣וֹב (shov) = terugkeren | תָּשׁ֗וּבוּ (tashuvu) = jullie keren terug | וּדְבַקְתֶּם֙ (udevaqtem) = en jullie houden vast | בְּיֶ֨תֶר֙ (beyeter) = aan de rest van | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | הַנִּשְׁאָרִ֥ים (hanisharim) = die overbleven | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = bij jullie | וְהִֽתְחַתַּנְתֶּ֥ם (vehitchatantem) = en jullie huwen | בָּהֶ֛ם (bahem) = met hen | וּבָאתֶ֥ם (uvatem) = en jullie gaan binnen | בָּהֶ֖ם (bahem) = bij hen | וְהֵ֥ם (vehem) = en zij | בָּכֶֽם (bakhem) = bij jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 7:3; 1 Sam 18:1–3; 1 Kon 11:4; Sef 1:6; Ezech 18:24 **23:13** Dan moeten jullie zeker weten dat Yahweh, jullie Elohim, deze volken niet meer voor jullie uit zal verdrijven. Zij zullen voor jullie een valstrik worden, een strik, een zweep in jullie zij en doornen in jullie ogen. Zo gaat het door totdat jullie vergaan zijn van deze goede grond die Yahweh, jullie Elohim, jullie heeft gegeven. Brontekst: יָד֨וֹעַ֙ (yadoa) = weten | תֵּֽדְע֔וּ (tedeu) = jullie zullen weten | כִּי֩ (ki) = dat | לֹ֨א (lo) = niet | יוֹסִ֜יף (yosif) = zal voortgaan | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֗ם (eloheikhem) = jullie Elohim | לְהוֹרִ֛ישׁ (lehorish) = om te verdrijven | אֶת (et) = (obj.) | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | מִלִּפְנֵיכֶ֑ם (milifneikhem) = voor jullie uit | וְהָי֨וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | לְפַ֣ח (lefach) = tot een valstrik | וּלְמוֹקֵ֗שׁ (ulemoqesh) = en tot een strik | וּלְשֹׁטֵ֤ט (uleshotet) = en tot een zweep | בְּצִדֵּיכֶם֙ (betsideikhem) = aan jullie zijden | וְלִצְנִנִ֣ים (velitsninim) = en tot doornen | בְּעֵינֵיכֶ֔ם (beeineikhem) = in jullie ogen | עַד (ad) = tot | אֲבָדְכֶ֗ם (avadekhem) = jullie vergaan | מֵ֠עַל (meal) = van op | הָאֲדָמָ֤ה (haadama) = de grond | הַטּוֹבָה֙ (hatova) = goede | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | נָתַ֣ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּח (pach) ‘valstrik’ en מוֹקֵשׁ (moqesh) ‘strik’ zijn beelden uit de jacht. שֹׁטֵט (shotet) ‘zweep’ en צִנִּים (tsinnim) ‘doornen’ zijn beelden van pijn. Vergelijk Num. 33:55; Deut. 7:16. Zie ook: Ex 23:33; Num 33:55; Deut 7:16; Re 2:2–3; Luc 21:24 ### De weg van heel de aarde **23:14** Zie, ik ga vandaag de weg van heel de aarde. Jullie weten met heel jullie hart en met heel jullie ziel dat er niet één woord is weggevallen. Het gaat om alle goede woorden die Yahweh, jullie Elohim, over jullie heeft gesproken. Alles is voor jullie uitgekomen. Er is er niet één van weggevallen. Brontekst: וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | אָנֹכִ֤י (anokhi) = ik | הוֹלֵךְ֙ (holekh) = ga | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | בְּדֶ֖רֶךְ (bederekh) = op de weg van | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וִידַעְתֶּ֞ם (vidatem) = en jullie zullen weten | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבַבְכֶ֣ם (levavkhem) = jullie hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשְׁכֶ֗ם (nafshekhem) = jullie ziel | כִּ֣י (ki) = dat | לֹֽא (lo) = niet | נָפַל֩ (nafal) = is gevallen | דָּבָ֨ר (davar) = woord | אֶחָ֜ד (echad) = één | מִכֹּ֣ל (mikol) = van alle | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הַטּוֹבִ֗ים (hatovim) = goede | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | דִּבֶּ֜ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = over jullie | הַכֹּל֙ (hakol) = alles | בָּ֣אוּ (bau) = is gekomen | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | לֹֽא (lo) = niet | נָפַ֥ל (nafal) = is gevallen | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | דָּבָ֥ר (davar) = woord | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De weg van heel de aarde gaan’ betekent sterven. Zo zegt David het in 1 Kon. 2:2. Voor het zinsdeel ‘niet één woord is weggevallen’: Joz. 21:45. Zie ook: Lev 26:3–13; Joz 21:43–45; Joz 21:45; Pred 9:10; 1 Kon 2:2; Luc 21:33 **23:15** Elk goed woord dat Yahweh, jullie Elohim, tot jullie heeft gesproken, is over jullie gekomen. Zo zal Yahweh ook al het kwade over jullie brengen. Dat duurt totdat Hij jullie verdelgt van deze goede grond die Yahweh, jullie Elohim, jullie heeft gegeven. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | בָּ֤א (ba) = is gekomen | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = over jullie | כָּל (kal) = elk | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = woord | הַטּ֔וֹב (hatov) = het goede | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֶּ֛ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = tot jullie | כֵּן֩ (ken) = zo | יָבִ֨יא (yavi) = zal brengen | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֗ם (aleikhem) = over jullie | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הָרָ֔ע (hara) = het kwade | עַד (ad) = tot | הַשְׁמִיד֣וֹ (hashmido) = Hij verdelgt | אוֹתְכֶ֗ם (otekhem) = jullie | מֵ֠עַל (meal) = van op | הָאֲדָמָ֤ה (haadama) = de grond | הַטּוֹבָה֙ (hatova) = goede | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | נָתַ֣ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַדָּבָר (hadavar), ‘woord, zaak’: het goede ‘woord’ is wat Yahweh heeft beloofd; het kwade ‘woord’ is wat Hij heeft aangekondigd voor het geval dat Israël Hem verlaat. Zie Deut. 28:63. Zie ook: Deut 28:15–68; Deut 28:63; Re 4:1–2; Re 13:1; Luc 21:22–24; 1 Tess 2:16 **23:16** Als jullie het verbond overtreden dat Yahweh, jullie Elohim, jullie heeft geboden. Als jullie andere goden gaan dienen en je voor hen neerbuigen, dan zal de toorn van Yahweh tegen jullie ontbranden. Dan zullen jullie snel omkomen uit het goede land dat Hij jullie heeft gegeven.” Brontekst: בְּ֠עָבְרְכֶם (beaverekhem) = bij jullie overtreden | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִ֨ית (berit) = het verbond van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶם֮ (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft geboden | אֶתְכֶם֒ (etkhem) = jullie | וַהֲלַכְתֶּ֗ם (vahalakhtem) = en jullie gaan | וַעֲבַדְתֶּם֙ (vaavadtem) = en jullie dienen | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וְהִשְׁתַּחֲוִיתֶ֖ם (vehishtachavitem) = en jullie buigen je neer | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וְחָרָ֤ה (vechara) = en zal ontbranden | אַף (af) = de toorn van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּכֶ֔ם (bakhem) = tegen jullie | וַאֲבַדְתֶּ֣ם (vaavadtem) = en jullie zullen omkomen | מְהֵרָ֔ה (mehera) = snel | מֵעַל֙ (meal) = van op | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | נָתַ֥ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Deut. 11:16–17. Zie ook: Deut 4:25–26; Deut 11:16–17; 2 Kon 24:20 ## Jozua 24 _Het verbond in Sichem en de dood van Jozua en Eleazar_ ### Jozua roept Israël bijeen in Sichem **24:1** Jozua verzamelde alle stammen van Israël in Sichem. Hij riep de oudsten van Israël, zijn hoofden, zijn rechters en zijn opzichters. Zij stelden zich op voor het aangezicht van Elohim. Brontekst: וַיֶּאֶסֹ֧ף (vayeesof) = en verzamelde | יְהוֹשֻׁ֛עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | שְׁכֶ֑מָה (shekhema) = naar Sichem | וַיִּקְרָא֩ (vayiqra) = en riep | לְזִקְנֵ֨י (leziqnei) = de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | וּלְרָאשָׁ֗יו (ulerashav) = en zijn hoofden | וּלְשֹֽׁפְטָיו֙ (uleshofetav) = en zijn rechters | וּלְשֹׁ֣טְרָ֔יו (uleshoterav) = en zijn opzichters | וַיִּֽתְיַצְּב֖וּ (vayityatsevu) = en zij stelden zich op | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichem ligt bij Tell Balata, aan de rand van het huidige Nabloes (Westelijke Jordaanoever), tussen de bergen Ebal en Gerizim. Dat is zeker. Sichem was al een heilige plaats in de tijd van de vaders (Gen. 12:6–7; 33:18–20) en daar had Israël het altaar gebouwd (Joz. 8:30–35). Voetnoot Uitleg: De oudsten, hoofden, rechters en opzichters zijn dezelfde groepen als in Joz. 23:2. Zie ook: Gen 12:6; Gen 33:18–19; Joz 8:30–35; Joz 23:2; Re 9:1–3; 1 Sam 10:19 ### Wat Yahweh voor Israël deed **24:2** Jozua zei tegen heel het volk: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: **‘Jullie vaders woonden vanouds aan de overkant van de rivier. Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, woonde daar. Zij dienden andere goden.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַנָּהָ֗ר (hanahar) = de rivier | יָשְׁב֤וּ (yashevu) = woonden | אֲבֽוֹתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaders | מֵֽעוֹלָ֔ם (meolam) = vanouds | תֶּ֛רַח (terach) = Terach | אֲבִ֥י (avi) = de vader van | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | וַאֲבִ֣י (vaavi) = en de vader van | נָח֑וֹר (nachor) = Nachor | וַיַּעַבְד֖וּ (vayaavdu) = en zij dienden | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִֽים (acherim) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jozua spreekt hier namens Yahweh: ‘Zo zegt Yahweh’. Daarom staan de woorden vanaf ‘Jullie vaders’ tot en met vers 13 rood, binnen Jozua’s toespraak tussen enkele aanhalingstekens. In vers 14 spreekt Jozua zelf weer. Voetnoot : ‘De rivier’ is de Eufraat (Gen. 15:18). Terach is de vader van Abraham en Nachor (Gen. 11:26–32). Voetnoot Aanvullend: Jasher 9:7–8 en 11:15 bevestigen dat Terach andere goden diende. Zie ook: Gen 11:26–32; Gen 15:18; Gen 31:30; Gen 31:53; Jas 9:7–8; Jas 11:15; Joz 24:13; Joz 24:14; Joz 24:15; Jes 51:2; Ezech 16:3 **24:3** **Ik nam jullie vader Abraham van de overkant van de rivier. Ik liet hem door heel het land Kanaän gaan. Ik maakte zijn nageslacht talrijk. Ik gaf hem Isaak.** Brontekst: וָ֠אֶקַּח (vaeqach) = en Ik nam | אֶת (et) = (obj.) | אֲבִיכֶ֤ם (avikhem) = jullie vader | אֶת (et) = (obj.) | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | מֵעֵ֣בֶר (meever) = van de overkant van | הַנָּהָ֔ר (hanahar) = de rivier | וָאוֹלֵ֥ךְ (vaolekh) = en Ik liet gaan | אוֹת֖וֹ (oto) = hem | בְּכָל (bekhal) = door heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וָאַרְבֶּה֙ (vaarbe) = en Ik maakte talrijk | אֶת (et) = (obj.) | זַרְע֔וֹ (zaro) = zijn nageslacht | וָֽאֶתֶּן (vaeten) = en Ik gaf | ל֖וֹ (lo) = aan hem | אֶת (et) = (obj.) | יִצְחָֽק (yitschaq) = Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 12:1–7 en 21:1–3. Zie ook: Gen 12:1–4; Gen 15:5; Gen 21:1; Gen 21:2–3; Neh 9:7–8; Hand 7:2–3 **24:4** **Aan Isaak gaf Ik Jakob en Ezau. Aan Ezau gaf Ik het bergland Seïr om het in bezit te nemen. Jakob en zijn zonen gingen af naar Egypte.** Brontekst: וָאֶתֵּ֣ן (vaeten) = en Ik gaf | לְיִצְחָ֔ק (leyitschaq) = aan Isaak | אֶֽת (et) = (obj.) | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵשָׂ֑ו (esav) = Ezau | וָאֶתֵּ֨ן (vaeten) = en Ik gaf | לְעֵשָׂ֜ו (leesav) = aan Ezau | אֶת (et) = (obj.) | הַ֤ר (har) = het bergland van | שֵׂעִיר֙ (seir) = Seïr | לָרֶ֣שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | אוֹת֔וֹ (oto) = het | וְיַעֲקֹ֥ב (veyaaqov) = en Jakob | וּבָנָ֖יו (uvanav) = en zijn zonen | יָרְד֥וּ (yaredu) = gingen af | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 25:24–26 voor de geboorte van Jakob en Ezau, Gen. 36:8 voor Ezau in het bergland Seïr en Gen. 46:1–7 voor Jakobs reis naar Egypte. Zie ook: Gen 25:24–26; Gen 36:8; Gen 46:1–7; Deut 2:5; Hand 7:15 **24:5** **Ik zond Mozes en Aäron. Ik trof Egypte, zoals Ik in zijn midden heb gedaan. Daarna leidde Ik jullie uit.** Brontekst: וָאֶשְׁלַ֞ח (vaeshlach) = en Ik zond | אֶת (et) = (obj.) | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אַהֲרֹן֙ (aharon) = Aäron | וָאֶגֹּ֣ף (vaegof) = en Ik trof | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | בְּקִרְבּ֑וֹ (beqirbo) = in zijn midden | וְאַחַ֖ר (veachar) = en daarna | הוֹצֵ֥אתִי (hotseti) = Ik leidde uit | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נָגַף (nagaf), ‘treffen’: het gaat om de plagen over Egypte (Exod. 7–12). Zie ook: Ex 3:10; Ex 4:12–14; Ex 7:1–12; Ps 105:26–36; Ps 136:10 **24:6** **Ik leidde jullie vaders uit Egypte, en jullie kwamen bij de zee. De Egyptenaren achtervolgden jullie vaders met wagens en ruiters tot aan de Rietzee.** Brontekst: וָֽאוֹצִ֤יא (vaotsi) = en Ik leidde uit | אֶת (et) = (obj.) | אֲבֽוֹתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaders | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַתָּבֹ֖אוּ (vatavou) = en jullie kwamen | הַיָּ֑מָּה (hayama) = naar de zee | וַיִּרְדְּפ֨וּ (vayirdefu) = en zij achtervolgden | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = Egypte | אַחֲרֵ֧י (acharei) = achter | אֲבוֹתֵיכֶ֛ם (avoteikhem) = jullie vaders | בְּרֶ֥כֶב (berekhev) = met wagens | וּבְפָרָשִׁ֖ים (uvefarashim) = en met ruiters | יַם (yam) = de zee van | סֽוּף (suf) = Suf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt hier afwisselend over ‘jullie vaders’ en ‘jullie’. De huidige generatie wordt aangesproken alsof zij zelf bij de zee stond (Exod. 14:5–31). Zie ook: Ex 14:1–15; Ex 14:5–31; Jes 63:12–13; Mi 6:4; Hand 7:36; Heb 11:29 **24:7** **Zij riepen om hulp tot Yahweh. Toen zette Hij duisternis tussen jullie en de Egyptenaren. Hij liet de zee over hen komen en bedekte hen. Jullie ogen zagen wat Ik in Egypte heb gedaan. Jullie bleven lange tijd in de woestijn.** Brontekst: וַיִּצְעֲק֣וּ (vayitsaqu) = en zij riepen om hulp | אֶל (el) = tot | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּ֨שֶׂם (vayasem) = en Hij zette | מַֽאֲפֵ֜ל (maafel) = duisternis | בֵּינֵיכֶ֣ם (beineikhem) = tussen jullie | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַמִּצְרִ֗ים (hamitsrim) = de Egyptenaren | וַיָּבֵ֨א (vayave) = en Hij liet komen | עָלָ֤יו (alav) = over hen | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | וַיְכַסֵּ֔הוּ (vaykhasehu) = en bedekte hen | וַתִּרְאֶ֨ינָה֙ (vatireina) = en zagen | עֵינֵיכֶ֔ם (eineikhem) = jullie ogen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וַתֵּשְׁב֥וּ (vateshevu) = en jullie bleven | בַמִּדְבָּ֖ר (bamidbar) = in de woestijn | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | רַבִּֽים (rabim) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: In deze zin spreekt Yahweh eerst over Zichzelf in de derde persoon (‘Yahweh … Hij’) en dan weer als ‘Ik’. Wij houden die wisseling zoals zij in het Hebreeuws staat. Voor de duisternis, zie Exod. 14:20. Zie ook: Ex 14:10; Ex 14:20; Ex 14:31; Deut 4:34; Ps 95:9–10 **24:8** **Ik bracht jullie naar het land van de Amorieten, die aan de overkant van de Jordaan woonden. Zij streden tegen jullie. Ik gaf hen in jullie hand. Jullie namen hun land in bezit. Ik verdelgde hen voor jullie uit.** Brontekst: וָאָבִ֣יא (vaavi) = en Ik bracht | אֶתְכֶ֗ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | אֶ֤רֶץ (erets) = het land van | הָאֱמֹרִי֙ (haemori) = de Amoriet | הַיּוֹשֵׁב֙ (hayoshev) = die woonde | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ (vayilachamu) = en zij streden | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = tegen jullie | וָאֶתֵּ֨ן (vaeten) = en Ik gaf | אוֹתָ֤ם (otam) = hen | בְּיֶדְכֶם֙ (beyedkhem) = in jullie hand | וַתִּֽירְשׁ֣וּ (vatireshu) = en jullie namen in bezit | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֔ם (artsam) = hun land | וָאַשְׁמִידֵ֖ם (vaashmidem) = en Ik verdelgde hen | מִפְּנֵיכֶֽם (mipeneikhem) = voor jullie uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Zie Num. 21:21–35: de strijd tegen Sichon en Og. Zie ook: Num 21:21–35; Joz 13:10; Ps 135:10–11; Ps 136:17–22; Neh 9:22 **24:9** **Toen stond Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, op en streed tegen Israël. Hij stuurde mensen en liet Bileam, de zoon van Beor, roepen om jullie te vervloeken.** Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en stond op | בָּלָ֤ק (balaq) = Balak | בֶּן (ben) = de zoon van | צִפּוֹר֙ (tsipor) = Sippor | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וַיִּלָּ֖חֶם (vayilachem) = en streed | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = tegen Israël | וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en hij zond | וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en riep | לְבִלְעָ֥ם (levilam) = Bileam | בֶּן (ben) = de zoon van | בְּע֖וֹר (beor) = Beor | לְקַלֵּ֥ל (leqalel) = om te vervloeken | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Balak liet Israël vervloeken (Num. 22:2–6). Hij streed niet met wapens, maar zocht een vloek. Het Hebreeuws zegt hier dat hij ‘streed’. Zie ook: Num 22:2; Num 22:5–21; Deut 23:5–6; Re 11:25; Mi 6:5 **24:10** **Maar Ik wilde niet naar Bileam luisteren. Hij zegende jullie wel degelijk. Zo redde Ik jullie uit zijn hand.** Brontekst: וְלֹ֥א (velo) = en niet | אָבִ֖יתִי (aviti) = Ik wilde | לִשְׁמֹ֣עַ (lishmoa) = om te luisteren | לְבִלְעָ֑ם (levilam) = naar Bileam | וַיְבָ֤רֶךְ (vayvarekh) = en hij zegende | בָּרוֹךְ֙ (barokh) = wel degelijk | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וָאַצִּ֥ל (vaatsil) = en Ik redde | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִיָּדֽוֹ (miyado) = uit zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Num. 23:11, 20; 24:10 en Deut. 23:6: Bileam moest zegenen in plaats van vervloeken. Zie ook: Num 22:11–12; Num 22:35; Num 23:11; Num 24:5–10; Deut 23:6; Jes 54:17 **24:11** **Jullie staken de Jordaan over en kwamen bij Jericho. Tegen jullie streden de inwoners van Jericho, de Amorieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Hethieten, de Girgasieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Ik gaf hen in jullie hand.** Brontekst: וַתַּעַבְר֣וּ (vataavru) = en jullie staken over | אֶת (et) = (obj.) | הַיַּרְדֵּן֮ (hayarden) = de Jordaan | וַתָּבֹ֣אוּ (vatavou) = en jullie kwamen | אֶל (el) = naar | יְרִיחוֹ֒ (yericho) = Jericho | וַיִּלָּחֲמ֣וּ (vayilachamu) = en zij streden | בָכֶ֣ם (bakhem) = tegen jullie | בַּעֲלֵֽי (baalei) = de inwoners van | יְ֠רִיחוֹ (yericho) = Jericho | הָֽאֱמֹרִ֨י (haemori) = de Amoriet | וְהַפְּרִזִּ֜י (vehaperizi) = en de Perizziet | וְהַֽכְּנַעֲנִ֗י (vehakenaani) = en de Kanaäniet | וְהַֽחִתִּי֙ (vehachiti) = en de Hethiet | וְהַגִּרְגָּשִׁ֔י (vehagirgashi) = en de Girgasiet | הַֽחִוִּ֖י (hachivi) = de Chiwwiet | וְהַיְבוּסִ֑י (vehayvusi) = en de Jebusiet | וָאֶתֵּ֥ן (vaeten) = en Ik gaf | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | בְּיֶדְכֶֽם (beyedkhem) = in jullie hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Jericho ligt bij Tell es-Sultan, naast het huidige Jericho in de Westelijke Jordaanoever. Dat is zeker. Voetnoot Uitleg: בַּעֲלֵי (ba’alei), ‘inwoners’: letterlijk ‘eigenaars’ of ‘heren’. De zeven volken staan ook in Deut. 7:1 en 20:17. Het verhaal van Jericho staat in Joz. 6. Zie ook: Deut 7:1; Deut 20:17; Joz 3:14–17; Joz 4:10–12; Joz 10:1–11; Ps 114:5; Hand 13:19 **24:12** **Ik zond de horzel voor jullie uit. Zij verjoeg hen voor jullie uit, de twee koningen van de Amorieten. Het was niet met jullie zwaard en niet met jullie boog.** Brontekst: וָאֶשְׁלַ֤ח (vaeshlach) = en Ik zond | לִפְנֵיכֶם֙ (lifneikhem) = voor jullie uit | אֶת (et) = (obj.) | הַצִּרְעָ֔ה (hatsira) = de horzel | וַתְּגָ֤רֶשׁ (vategaresh) = en zij verjoeg | אוֹתָם֙ (otam) = hen | מִפְּנֵיכֶ֔ם (mipeneikhem) = voor jullie uit | שְׁנֵ֖י (shenei) = twee | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָאֱמֹרִ֑י (haemori) = de Amoriet | לֹ֥א (lo) = niet | בְחַרְבְּךָ֖ (becharbekha) = met jullie zwaard | וְלֹ֥א (velo) = en niet | בְקַשְׁתֶּֽךָ (beqashtekha) = met jullie boog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִּרְעָה (tsir’ah), ‘horzel’: zie Exod. 23:28 en Deut. 7:20. De twee koningen van de Amorieten zijn Sichon en Og (Deut. 3:8; 4:46–47). Voetnoot : Het Hebreeuws heeft in dit vers ‘jouw zwaard’ en ‘jouw boog’ (enkelvoud). Het gaat om het volk als geheel. Wij schrijven ‘jullie’. Zie ook: Ex 23:28; Deut 3:8; Deut 4:46; Deut 7:20; Ps 44:4–7 **24:13** **Ik gaf jullie een land waarvoor jullie niet hebben gewerkt, en steden die jullie niet hebben gebouwd. Jullie wonen erin. Jullie eten van wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant.’** Brontekst: וָאֶתֵּ֨ן (vaeten) = en Ik gaf | לָכֶ֜ם (lakhem) = aan jullie | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarvoor | לֹֽא (lo) = niet | יָגַ֣עְתָּ (yagata) = je hebt gewerkt | בָּ֗הּ (bah) = erin | וְעָרִים֙ (vearim) = en steden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | בְנִיתֶ֔ם (benitem) = jullie hebben gebouwd | וַתֵּשְׁב֖וּ (vateshevu) = en jullie wonen | בָּהֶ֑ם (bahem) = erin | כְּרָמִ֤ים (keramim) = wijngaarden | וְזֵיתִים֙ (vezeitim) = en olijfbomen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | נְטַעְתֶּ֔ם (netatem) = jullie hebben geplant | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | אֹכְלִֽים (okhelim) = eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Deut. 6:10–11. Zie ook: Deut 6:10–12; Deut 8:7; Joz 11:13; Joz 21:45; Spr 13:22 ### Kies wie jullie willen dienen **24:14** Heb dus ontzag voor Yahweh en dien Hem onberispelijk en in waarheid. Doe de goden weg die jullie vaders aan de overkant van de rivier en in Egypte hebben gediend. Dien Yahweh. Brontekst: וְעַתָּ֞ה (veata) = en nu | יְר֧אוּ (yeru) = heb ontzag voor | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וְעִבְד֥וּ (veivdu) = en dien | אֹת֖וֹ (oto) = Hem | בְּתָמִ֣ים (betamim) = onberispelijk | וּבֶֽאֱמֶ֑ת (uveemet) = en in waarheid | וְהָסִ֣ירוּ (vehasiru) = en doe weg | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = de goden | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | עָבְד֨וּ (avedu) = hebben gediend | אֲבוֹתֵיכֶ֜ם (avoteikhem) = jullie vaders | בְּעֵ֤בֶר (beever) = aan de overkant van | הַנָּהָר֙ (hanahar) = de rivier | וּבְמִצְרַ֔יִם (uvemitsrayim) = en in Egypte | וְעִבְד֖וּ (veivdu) = en dien | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: תָּמִים (tamim), ‘onberispelijk’: zonder gebrek, helemaal toegewijd. אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: wat betrouwbaar is. Zie ook: Gen 35:2; Deut 10:12; Joz 24:23; 1 Sam 12:24; 2 Kor 1:12 **24:15** Als het jullie slecht lijkt om Yahweh te dienen, kies dan vandaag wie jullie zullen dienen. Kies de goden die jullie vaders aan de overkant van de rivier hebben gediend, of de goden van de Amorieten, in wier land jullie wonen. Maar ik en mijn huis, wij zullen Yahweh dienen.” Brontekst: וְאִם֩ (veim) = en als | רַ֨ע (ra) = slecht | בְּֽעֵינֵיכֶ֜ם (beeineikhem) = in jullie ogen | לַעֲבֹ֣ד (laavod) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בַּחֲר֨וּ (bacharu) = kies | לָכֶ֣ם (lakhem) = voor jullie | הַיּוֹם֮ (hayom) = vandaag | אֶת (et) = (obj.) | מִ֣י (mi) = wie | תַעֲבֹדוּן֒ (taavodun) = jullie zullen dienen | אִ֣ם (im) = of | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהִ֞ים (Elohim) = de goden | אֲשֶׁר (asher) = die | עָבְד֣וּ (avedu) = hebben gediend | אֲבוֹתֵיכֶ֗ם (avoteikhem) = jullie vaders | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | מֵעֵ֣בֶר (meever) = van de overkant van | הַנָּהָ֔ר (hanahar) = de rivier | וְאִם֙ (veim) = of | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | הָאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = in wier land | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | יֹשְׁבִ֣ים (yoshevim) = wonen | בְּאַרְצָ֑ם (beartsam) = in hun land | וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = maar ik | וּבֵיתִ֔י (uveiti) = en mijn huis | נַעֲבֹ֖ד (naavod) = wij zullen dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 29:17; Ruth 1:15–16; 1 Kon 18:21; Ezech 20:39; Joh 6:67–68 **24:16** Het volk antwoordde: „Wij zouden Yahweh nooit verlaten om andere goden te dienen! Brontekst: וַיַּ֤עַן (vayaan) = en antwoordde | הָעָם֙ (haam) = het volk | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en zei | חָלִ֣ילָה (chalila) = verre | לָּ֔נוּ (lanu) = van ons | מֵעֲזֹ֖ב (meazov) = dat wij verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲבֹ֖ד (laavod) = om te dienen | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִֽים (acherim) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלִילָה (chalilah), ‘verre van ons’: een sterke afwijzing. Zie Joz. 22:29. Zie ook: Joz 22:29; 1 Sam 12:23; Rom 3:6; Rom 6:2; Heb 10:38–39 **24:17** Want Yahweh, onze Elohim, is het die ons en onze vaders uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heeft geleid. Hij heeft deze grote tekenen voor onze ogen gedaan. Hij heeft ons bewaard op heel de weg die wij zijn gegaan en onder alle volken door wier midden wij zijn getrokken. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הוּא֩ (hu) = Hij | הַמַּעֲלֶ֨ה (hamaale) = die opvoerde | אֹתָ֧נוּ (otanu) = ons | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲבוֹתֵ֛ינוּ (avoteinu) = onze vaders | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִ֑ים (avadim) = slaven | וַאֲשֶׁ֧ר (vaasher) = en die | עָשָׂ֣ה (asa) = deed | לְעֵינֵ֗ינוּ (leeineinu) = voor onze ogen | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹת֤וֹת (haotot) = de tekenen | הַגְּדֹלוֹת֙ (hagedolot) = grote | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וַֽיִּשְׁמְרֵ֗נוּ (vayishmerenu) = en Hij bewaarde ons | בְּכָל (bekhal) = op heel | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָלַ֣כְנוּ (halakhnu) = wij zijn gegaan | בָ֔הּ (bah) = erop | וּבְכֹל֙ (uvekhol) = en onder alle | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = door wie | עָבַ֖רְנוּ (avarnu) = wij zijn getrokken | בְּקִרְבָּֽם (beqirbam) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בֵּית עֲבָדִים (beit avadim), ‘huis van slaven’: Egypte. Zie Exod. 13:3. Zie ook: Ex 13:3; Ex 19:4; Deut 32:11–12; Joz 24:5–14; Amos 2:9–10; Jes 63:7–14 **24:18** Yahweh heeft alle volken voor ons uit verjaagd, ook de Amorieten die in het land woonden. Ook wij zullen Yahweh dienen, want Hij is onze Elohim.” Brontekst: וַיְגָ֨רֶשׁ (vaygaresh) = en verjoeg | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָעַמִּ֗ים (haamim) = de volken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֱמֹרִ֛י (haemori) = de Amoriet | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = die woonde in | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | מִפָּנֵ֑ינוּ (mipaneinu) = voor ons uit | גַּם (gam) = ook | אֲנַ֨חְנוּ֙ (anachnu) = wij | נַעֲבֹ֣ד (naavod) = zullen dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּי (ki) = want | ה֖וּא (hu) = Hij | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 10:2; Ps 116:16; Mi 4:2; Zach 8:23; Luc 1:73–75 ### Jozua waarschuwt het volk **24:19** Jozua zei tegen het volk: „Jullie kunnen Yahweh niet dienen. Want Hij is een heilige Elohim. Hij is een na-ijverige El. Hij zal jullie overtredingen en jullie zonden niet vergeven. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | הָעָ֗ם (haam) = het volk | לֹ֤א (lo) = niet | תֽוּכְלוּ֙ (tukhelu) = jullie kunnen | לַעֲבֹ֣ד (laavod) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = een Elohim | קְדֹשִׁ֖ים (qedoshim) = heilige | ה֑וּא (hu) = Hij | אֵֽל (el) = een El | קַנּ֣וֹא (qano) = na-ijverige | ה֔וּא (hu) = Hij | לֹֽא (lo) = niet | יִשָּׂ֥א (yisa) = zal vergeven | לְפִשְׁעֲכֶ֖ם (lefishakhem) = jullie overtredingen | וּלְחַטֹּאותֵיכֶֽם (ulechatovteikhem) = en jullie zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים קְדֹשִׁים (Elohim qedoshim), ‘heilige Elohim’: het woord ‘heilig’ staat in het meervoud, terwijl het werkwoord enkelvoud is. Zo wordt de volheid van Elohim benadrukt. Voetnoot : קַנּוֹא (qanno), ‘na-ijverig’: Yahweh duldt geen andere goden naast Zich (Exod. 20:5; 34:14). Voetnoot : נָשָׂא (nasa), ‘dragen’, hier ‘vergeven’: Hij zal de schuld niet wegnemen. Zie Exod. 23:21. Zie ook: Ex 20:5; Ex 23:21; Ex 34:14; Ps 99:5; Ps 99:9; Jes 5:16 **24:20** Als jullie Yahweh verlaten en vreemde goden dienen, dan keert Hij Zich om. Hij zal jullie kwaad doen en een einde aan jullie maken, nadat Hij jullie goed heeft gedaan.” Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תַֽעַזְבוּ֙ (taazvu) = jullie verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַעֲבַדְתֶּ֖ם (vaavadtem) = en jullie dienen | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | נֵכָ֑ר (nekhar) = vreemden | וְשָׁ֨ב (veshav) = dan zal Hij terugkeren | וְהֵרַ֤ע (vehera) = en kwaad doen | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | וְכִלָּ֣ה (vekhila) = en een einde maken | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = aan jullie | אַחֲרֵ֖י (acharei) = nadat | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֵיטִ֥יב (heitiv) = Hij goed gedaan heeft | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְכִלָּה (vekhalah), ‘een einde maken’: zie Deut. 7:22. Zie ook: Deut 7:22; 1 Kron 28:9; Jer 17:13; Ezech 18:24; Hand 7:42; Heb 10:26–27 **24:21** Het volk zei tegen Jozua: „Nee, wij zullen Yahweh dienen!” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | לֹ֕א (lo) = nee | כִּ֥י (ki) = maar | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נַעֲבֹֽד (naavod) = wij zullen dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:8; Ex 20:19; Ex 24:3; Deut 5:27–28; Jes 44:5 **24:22** Jozua zei tegen het volk: „Jullie zijn getuigen tegen jezelf dat jullie zelf Yahweh hebben gekozen om Hem te dienen.” Zij zeiden: „Wij zijn getuigen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | הָעָ֗ם (haam) = het volk | עֵדִ֤ים (edim) = getuigen | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | בָּכֶ֔ם (bakhem) = tegen jezelf | כִּֽי (ki) = dat | אַתֶּ֞ם (atem) = jullie | בְּחַרְתֶּ֥ם (bechartem) = hebben gekozen | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲבֹ֣ד (laavod) = om te dienen | אוֹת֑וֹ (oto) = Hem | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | עֵדִֽים (edim) = getuigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De getuigen zijn de mensen zelf. Zij getuigen tegen zichzelf als zij hun woord breken. Zie ook: Job 15:6; Deut 26:17; Ps 119:11; Ps 119:173; Luc 10:42 **24:23** „Doe nu dan de vreemde goden weg die in jullie midden zijn. Richt jullie hart op Yahweh, de Elohim van Israël.” Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | הָסִ֛ירוּ (hasiru) = doe weg | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de goden van | הַנֵּכָ֖ר (hanekhar) = de vreemden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּקִרְבְּכֶ֑ם (beqirbekhem) = in jullie midden | וְהַטּוּ֙ (vehatu) = en richt | אֶת (et) = (obj.) | לְבַבְכֶ֔ם (levavkhem) = jullie hart | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Gen. 35:2–4: Jakob liet de vreemde goden begraven onder de eik bij Sichem. Zie ook: Gen 35:2–4; Joz 24:14; 1 Sam 7:3–4; Spr 2:2; 2 Kor 6:16–18 **24:24** Het volk zei tegen Jozua: „Yahweh, onze Elohim, zullen wij dienen en naar Zijn stem zullen wij luisteren.” Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zei | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tot | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | נַעֲבֹ֔ד (naavod) = wij zullen dienen | וּבְקוֹל֖וֹ (uveqolo) = en naar Zijn stem | נִשְׁמָֽע (nishma) = zullen wij luisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:8; Ex 24:3; Ex 24:7; Deut 5:27–29 ### Het verbond en de steen in Sichem **24:25** Jozua sloot die dag een verbond met het volk. Hij stelde hun in Sichem een voorschrift en een recht. Brontekst: וַיִּכְרֹ֨ת (vayikhrot) = en sloot | יְהוֹשֻׁ֧עַ (yehoshua) = Jozua | בְּרִ֛ית (berit) = een verbond | לָעָ֖ם (laam) = met het volk | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en hij stelde | ל֛וֹ (lo) = hun | חֹ֥ק (choq) = een voorschrift | וּמִשְׁפָּ֖ט (umishpat) = en een recht | בִּשְׁכֶֽם (bishkhem) = in Sichem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: חֹק (choq), ‘voorschrift’ en מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: Dezelfde twee woorden staan bij Mara in Exod. 15:25. Voetnoot Aanvullend: Jasher 90:37 bevestigt dat Jozua toen een verbond sloot met het volk. Zie ook: Jas 90:37; Ex 15:25; Deut 5:2–3; 2 Kon 11:17; 2 Kron 23:16; Neh 10:1 **24:26** Jozua schreef deze woorden in het boek van de wet van Elohim. Hij nam een grote steen en richtte die daar op, onder de eik die bij het heiligdom van Yahweh stond. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֤ב (vayikhtov) = en schreef | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | בְּסֵ֖פֶר (besefer) = in het boek van | תּוֹרַ֣ת (torat) = de wet van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | אֶ֣בֶן (even) = een steen | גְּדוֹלָ֔ה (gedola) = grote | וַיְקִימֶ֣הָ (vayqimeha) = en richtte hem op | שָּׁ֔ם (sham) = daar | תַּ֚חַת (tachat) = onder | הָֽאַלָּ֔ה (haala) = de eik | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּמִקְדַּ֥שׁ (bemiqdash) = bij het heiligdom van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘het boek van de wet van Elohim’. Het zegt niet of dit hetzelfde boek is als ‘het boek van de wet van Mozes’ (Joz. 1:8; 8:31; 23:6). Voetnoot : Het Hebreeuws heeft ‘in het heiligdom van Yahweh’. Wij vertalen ‘bij het heiligdom’: de tekst bedoelt een heilige plek bij Sichem, geen gebouw dat wij kennen. De eik bij Sichem staat ook in Gen. 12:6 en 35:4. Zie ook: Gen 12:6; Gen 28:18–22; Gen 35:4; Ex 24:4; Joz 1:8; Joz 4:20–24; Joz 8:31; Joz 23:6; Re 9:6 **24:27** Jozua zei tegen heel het volk: „Zie, deze steen zal een getuige tegen ons zijn. Want hij heeft alle woorden van Yahweh gehoord die Hij met ons heeft gesproken. Hij zal een getuige tegen jullie zijn, zodat jullie je Elohim niet ontkennen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוֹשֻׁ֜עַ (yehoshua) = Jozua | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | הָאֶ֤בֶן (haeven) = de steen | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | תִּֽהְיֶה (tihye) = zal zijn | בָּ֣נוּ (banu) = tegen ons | לְעֵדָ֔ה (leeda) = tot getuige | כִּֽי (ki) = want | הִ֣יא (hi) = zij | שָׁמְעָ֗ה (shamea) = heeft gehoord | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | אִמְרֵ֣י (imrei) = woorden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | דִּבֶּ֖ר (diber) = Hij heeft gesproken | עִמָּ֑נוּ (imanu) = met ons | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zij zal zijn | בָכֶם֙ (bakhem) = tegen jullie | לְעֵדָ֔ה (leeda) = tot getuige | פֶּֽן (pen) = opdat niet | תְּכַחֲשׁ֖וּן (tekhachashun) = jullie ontkennen | בֵּאלֹהֵיכֶֽם (beloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat een steen ‘heeft gehoord’, is een beeld: de steen is een getuige die blijft staan. Zie ook Joz. 22:27, 34. Zie ook: Deut 31:26; Joz 22:27–28; Joz 22:34; Mat 10:33; Luc 19:40 **24:28** Jozua stuurde het volk weg, ieder naar zijn erfdeel. Brontekst: וַיְשַׁלַּ֤ח (vayshalach) = en stuurde weg | יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ (yehoshua) = Jozua | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | לְנַחֲלָתֽוֹ (lenachalato) = naar zijn erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 2:6 ### De dood van Jozua **24:29** Na deze dingen stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Yahweh. Hij was 110 jaar oud. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de dingen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וַיָּ֛מָת (vayamat) = en stierf | יְהוֹשֻׁ֥עַ (yehoshua) = Jozua | בִּן (bin) = de zoon van | נ֖וּן (nun) = Nun | עֶ֣בֶד (eved) = de dienaar van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בֶּן (ben) = zoon van | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וָעֶ֖שֶׂר (vaeser) = en tien | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jozua wordt hier voor het eerst ‘dienaar van Yahweh’ genoemd; dat was eerder de titel van Mozes (Joz. 1:1). Zie ook Richt. 2:8. Voetnoot Aanvullend: Jasher 90:47 noemt dezelfde leeftijd. Zie ook: Gen 50:22; Jas 90:47; Deut 34:5; Joz 1:1; Re 2:8; Ps 115:17; Openb 14:13 **24:30** Zij begroeven hem op het gebied van zijn erfdeel, in Timnat-Serach, in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs. Brontekst: וַיִּקְבְּר֤וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | בִּגְב֣וּל (bigvul) = op het gebied van | נַחֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | בְּתִמְנַת (betimnat) = in Timnat | סֶ֖רַח (serach) = Serach | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּהַר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | מִצְּפ֖וֹן (mitsefon) = ten noorden van | לְהַר (lehar) = de berg | גָּֽעַשׁ (gaash) = Gaäs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Timnat-Serach ligt waarschijnlijk bij Khirbet Tibnah, ten zuidwesten van Nabloes (Westelijke Jordaanoever). De berg Gaäs is onbekend. Richt. 2:9 noemt de plaats Timnat-Cheres. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie Beekdalen van Gaäs (ligging onzeker): De berg en de beekdalen van Gaäs lagen in het bergland van Efraïm, bij Timnat-Serach. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Lezing: De Septuaginta heeft in dit vers een toevoeging over wat er bij Jozua’s graf werd gelegd. Wij volgen de Hebreeuwse tekst. Voetnoot Aanvullend: Jasher 90:49 bevestigt dit. Zie ook: Jas 90:49; Joz 19:50; Re 2:9; 2 Sam 23:30 **24:31** Israël diende Yahweh al de dagen van Jozua en al de dagen van de oudsten die na Jozua lang bleven leven. Zij kenden al het werk van Yahweh dat Hij voor Israël had gedaan. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֤ד (vayaavod) = en diende | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | יְהוֹשֻׁ֑עַ (yehoshua) = Jozua | וְכֹ֣ל (vekhol) = en alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | הַזְּקֵנִ֗ים (hazeqenim) = de oudsten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֶאֱרִ֤יכוּ (heerikhu) = lang maakten | יָמִים֙ (yamim) = dagen | אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | יְהוֹשֻׁ֔עַ (yehoshua) = Jozua | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en die | יָדְע֗וּ (yadeu) = kenden | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = het werk van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עָשָׂ֖ה (asa) = Hij had gedaan | לְיִשְׂרָאֵֽל (leyisrael) = voor Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Richt. 2:7. Voetnoot Aanvullend: Jasher 91:11 bevestigt dit. Zie ook: Jas 91:11; Deut 11:2; Deut 31:13; Deut 31:29; Re 2:7; Fil 2:12 ### De beenderen van Jozef en de dood van Eleazar **24:32** De beenderen van Jozef, die de zonen van Israël uit Egypte hadden meegebracht, begroeven zij in Sichem. Dat was in het stuk land dat Jakob van de zonen van Hamor, de vader van Sichem, had gekocht voor honderd kesita’s. Het werd een erfdeel voor de zonen van Jozef. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַצְמ֣וֹת (atsmot) = de beenderen van | י֠וֹסֵף (yosef) = Jozef | אֲשֶׁר (asher) = die | הֶעֱל֨וּ (heelu) = hadden opgevoerd | בְנֵי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | מִמִּצְרַיִם֮ (mimitsrayim) = uit Egypte | קָבְר֣וּ (qaveru) = begroeven zij | בִשְׁכֶם֒ (bishkhem) = in Sichem | בְּחֶלְקַ֣ת (bechelqat) = in het stuk van | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | קָנָ֧ה (qana) = kocht | יַעֲקֹ֛ב (yaaqov) = Jakob | מֵאֵ֛ת (meet) = van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | חֲמ֥וֹר (chamor) = Hamor | אֲבִֽי (avi) = de vader van | שְׁכֶ֖ם (shekhem) = Sichem | בְּמֵאָ֣ה (bemea) = voor honderd | קְשִׂיטָ֑ה (qesita) = kesita | וַיִּֽהְי֥וּ (vayihyu) = en zij werden | לִבְנֵֽי (livnei) = voor de zonen van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | לְנַחֲלָֽה (lenachala) = tot erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: Dit vervult de eed van Jozef (Gen. 50:25; Exod. 13:19; Hebr. 11:22). Het stuk land dat Jakob kocht, staat in Gen. 33:19. Een kesita (קְשִׂיטָה, qesitah) is een betaalmiddel van onbekende waarde. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘zij werden’ (meervoud). Wij lezen dit als: het stuk land, en wat daarin lag, werd een erfdeel voor de zonen van Jozef. Wij vertalen ‘het werd’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 90:45 bevestigt dit. Zie ook: Gen 33:19; Gen 50:25; Jas 90:45; Ex 13:19; Hand 7:16; Heb 11:22 **24:33** Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Zij begroeven hem op de heuvel van Pinechas, zijn zoon, die hem in het bergland van Efraïm was gegeven. Brontekst: וְאֶלְעָזָ֥ר (veelazar) = en Eleazar | בֶּֽן (ben) = de zoon van | אַהֲרֹ֖ן (aharon) = Aäron | מֵ֑ת (met) = stierf | וַיִּקְבְּר֣וּ (vayiqberu) = en zij begroeven | אֹת֗וֹ (oto) = hem | בְּגִבְעַת֙ (begivat) = op de heuvel van | פִּֽינְחָ֣ס (pinechas) = Pinechas | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נִתַּן (nitan) = was gegeven | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בְּהַ֥ר (behar) = in het bergland van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De heuvel van Pinechas is onbekend. Een traditie plaatst Eleazars graf bij Awarta, ten zuidoosten van Nabloes (Westelijke Jordaanoever); dat is onzeker. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: Pinechas volgt zijn vader op als priester (Num. 25:11–13). Hij komt nog voor in Richt. 20:28. Hier houdt het boek Jozua op; het verhaal gaat verder in Richt. 1:1, ‘na de dood van Jozua’. Voetnoot Lezing: De Septuaginta heeft hier extra tekst over Israël en de ark. Wij volgen de Hebreeuwse tekst. Voetnoot Aanvullend: Jasher 90:50 bevestigt dit. Zie ook: Jas 90:50; Ex 6:25; Num 3:32; Num 25:11–13; Joz 22:13; Re 1:1; Re 20:28; Zach 1:5; Heb 7:24