# Jona (יונה, Yonah) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Jona 1 _Jona vlucht, de storm en de zeelieden_ ### Jona krijgt zijn opdracht **1:1** Het woord van Yahweh kwam tot Jona, de zoon van Amittai: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יוֹנָ֥ה (yona) = Jona | בֶן (ben) = zoon van | אֲמִתַּ֖י (amitay) = Amittai | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹנָה בֶן אֲמִתַּי (Yonah ben Amittai), ‘Jona, de zoon van Amittai’: Jona betekent ‘duif’. Dezelfde profeet komt voor in 2 Kon. 14:25, in de tijd van Jerobeam II. Zie ook: 2 Kon 14:25; Mat 12:39–41; Mat 16:4; Luc 11:29–30; Luc 11:32 **1:2** **„Sta op, ga naar Nineve, de grote stad. Roep tegen haar uit, want hun kwaad is opgekomen voor Mijn aangezicht.”** Brontekst: ק֠וּם (qum) = sta op | לֵ֧ךְ (lekh) = ga | אֶל (el) = naar | נִֽינְוֵ֛ה (nineve) = Nineve | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַגְּדוֹלָ֖ה (hagedola) = de grote | וּקְרָ֣א (uqera) = en roep uit | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = tegen haar | כִּֽי (ki) = want | עָלְתָ֥ה (aleta) = is opgekomen | רָעָתָ֖ם (raatam) = hun kwaad | לְפָנָֽי (lefanay) = voor Mijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: רָעָתָם (raah), ‘kwaad’: het woord kan het kwaad zijn dat mensen doen, maar ook het onheil dat hen treft. Wij vertalen het in dit boek steeds met ‘kwaad’, zowel hier als in vers 7 en 8. Zie ook: Gen 10:11; Gen 18:20–21; Jona 1:7; Jona 1:8; Jona 4:11; Jes 58:1; Nah 1:1 ### Jona vlucht naar Tarsis **1:3** Maar Jona stond op om te vluchten naar Tarsis, weg van het aangezicht van Yahweh. Hij ging af naar Jafo en vond een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde het vervoer en ging erin af om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg van het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיָּ֤קָם (vayaqam) = en stond op | יוֹנָה֙ (yona) = Jona | לִבְרֹ֣חַ (livroach) = om te vluchten | תַּרְשִׁ֔ישָׁה (tarshisha) = naar Tarsis | מִלִּפְנֵ֖י (milifnei) = weg van het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּ֨רֶד (vayered) = en ging af | יָפ֜וֹ (yafo) = naar Jafo | וַיִּמְצָ֥א (vayimtsa) = en vond | אָנִיָּ֣ה (aniya) = een schip | בָּאָ֣ה (baa) = dat ging | תַרְשִׁ֗ישׁ (tarshish) = naar Tarsis | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | שְׂכָרָ֜הּ (sekharah) = zijn vervoersgeld | וַיֵּ֤רֶד (vayered) = en ging af | בָּהּ֙ (bah) = erin | לָב֤וֹא (lavo) = om te gaan | עִמָּהֶם֙ (imahem) = met hen | תַּרְשִׁ֔ישָׁה (tarshisha) = naar Tarsis | מִלִּפְנֵ֖י (milifnei) = weg van het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. Voetnoot Uitleg: תַרְשִׁישׁ (Tarshish), Tarsis: de ligging is onzeker. Vaak denkt men aan een plaats ver in het westen van de Middellandse Zee, bijvoorbeeld in het zuiden van Spanje. Nineve lag in het oosten: Jona vlucht dus de andere kant op. Zie ook Gen. 10:4 en 1 Kon. 10:22. Voetnoot : מִלִּפְנֵי יְהוָה (milifnei Yahweh), ‘weg van het aangezicht van Yahweh’: Jona wil zich aan Yahweh onttrekken. Het staat in dit vers twee keer. Voetnoot : וַיֵּרֶד (vayyered), ‘hij ging af’: Jona gaat steeds verder naar beneden: naar Jafo, het schip in (1:3), het diepste deel van het schip (1:5) en de voet van de bergen (2:7). Zie ook: Gen 4:16; Gen 10:4; Joz 19:46; Ps 139:7–12; 1 Kon 10:22; Hand 9:36; 2 Tess 1:9 ### De storm op de zee **1:4** Maar Yahweh wierp een grote wind op de zee. Er kwam een grote storm op de zee. Het schip dreigde te breken. Brontekst: וַֽיהוָ֗ה (vaYahweh) = maar Yahweh | הֵטִ֤יל (hetil) = wierp | רֽוּחַ (ruach) = een wind | גְּדוֹלָה֙ (gedola) = grote | אֶל (el) = op | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | סַֽעַר (saar) = een storm | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | בַּיָּ֑ם (bayam) = op zee | וְהָ֣אֳנִיָּ֔ה (vehaoniya) = en het schip | חִשְּׁבָ֖ה (chisheva) = dacht | לְהִשָּׁבֵֽר (lehishaver) = te breken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵטִיל (hetil), ‘wierp’: Yahweh slingert de wind over de zee. Hetzelfde werkwoord gebruiken de zeelieden voor de lading (vers 5) en voor Jona (vers 12 en 15). Voetnoot : חִשְּׁבָה לְהִשָּׁבֵר (chishvah lehishaver), letterlijk ‘het schip dacht te breken’: het dreigde uit elkaar te vallen. Zie ook: Ex 14:21; Ps 107:23–31; Ps 135:7; Jona 1:5; Jona 1:12; Jona 1:15; Amos 4:13; Mat 8:24–27 **1:5** De zeelieden werden bang en riepen, ieder tot zijn god. Zij wierpen de lading die in het schip was in de zee, om het voor hen lichter te maken. Maar Jona was afgedaald naar het diepste deel van het schip. Hij lag neer en viel in diepe slaap. Brontekst: וַיִּֽירְא֣וּ (vayireu) = en werden bang | הַמַּלָּחִ֗ים (hamalachim) = de zeelieden | וַֽיִּזְעֲקוּ֮ (vayizaqu) = en riepen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = tot | אֱלֹהָיו֒ (elohav) = zijn god | וַיָּטִ֨לוּ (vayatilu) = en wierpen | אֶת (et) = (obj.) | הַכֵּלִ֜ים (hakelim) = de vaten | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בָּֽאֳנִיָּה֙ (baoniya) = in het schip | אֶל (el) = in | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | לְהָקֵ֖ל (lehaqel) = om lichter te maken | מֵֽעֲלֵיהֶ֑ם (mealeihem) = van hen af | וְיוֹנָ֗ה (veyona) = maar Jona | יָרַד֙ (yarad) = was afgedaald | אֶל (el) = naar | יַרְכְּתֵ֣י (yarketei) = het diepste van | הַסְּפִינָ֔ה (hasefina) = het schip | וַיִּשְׁכַּ֖ב (vayishkav) = en lag neer | וַיֵּרָדַֽם (vayeradam) = en viel in diepe slaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהָיו (elohav), ‘zijn god’: de zeelieden roepen ieder hun eigen god aan. Omdat het om de goden van de zeelieden gaat, schrijven wij ‘god’ met een kleine letter. Voetnoot : הַכֵּלִים (hakkelim), ‘de vaten’: de lading en uitrusting van het schip. Voetnoot : וַיֵּרָדַם (vayyeradam), ‘en hij viel in diepe slaap’: hetzelfde woord als ‘diepe slaap’ in Gen. 2:21. Zie ook: Gen 2:21; 1 Kon 18:26; Jona 1:6; Jer 2:28; Luc 22:45–46; Hand 27:18–19 **1:6** De kapitein kwam naar hem toe en zei tegen hem: „Wat is er met je, dat je diep slaapt? Sta op, roep tot je god. Misschien denkt de Elohim aan ons, zodat wij niet omkomen.” Brontekst: וַיִּקְרַ֤ב (vayiqrav) = en kwam dichtbij | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | רַ֣ב (rav) = de overste van | הַחֹבֵ֔ל (hachovel) = het touwwerk | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | ל֖וֹ (lo) = tegen hem | מַה (ma) = wat | לְּךָ֣ (lekha) = met jou | נִרְדָּ֑ם (nirdam) = diep slapend | ק֚וּם (qum) = sta op | קְרָ֣א (qera) = roep | אֶל (el) = tot | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je god | אוּלַ֞י (ulay) = misschien | יִתְעַשֵּׁ֧ת (yitashet) = zal denken | הָאֱלֹהִ֛ים (haElohim) = de Elohim | לָ֖נוּ (lanu) = aan ons | וְלֹ֥א (velo) = opdat niet | נֹאבֵֽד (noved) = wij omkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַב הַחֹבֵל (rav hachovel), letterlijk ‘overste van het touwwerk’: de kapitein van het schip. Voetnoot : יִתְעַשֵּׁת (yit'asshet), ‘hij zal denken aan’: een zeldzaam woord. De betekenis ‘zich bekommeren om’ ligt voor de hand. Voetnoot : הָאֱלֹהִים (ha-Elohim), ‘de Elohim’: het woord heeft het lidwoord. De kapitein spreekt als heiden; wij laten het Hebreeuwse woord Elohim staan. Zie ook: 2 Sam 12:22; Ps 107:28–29; Jona 3:9; Mar 4:37–41; Ef 5:14 ### Het lot valt op Jona **1:7** Zij zeiden tegen elkaar: „Kom, laten we loten werpen. Dan weten we wegens wie dit kwaad ons treft.” Zij wierpen de loten, en het lot viel op Jona. Brontekst: וַיֹּאמְר֞וּ (vayomru) = en zeiden | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = tot | רֵעֵ֗הוּ (reehu) = zijn metgezel | לְכוּ֙ (lekhu) = kom | וְנַפִּ֣ילָה (venapila) = en laten we werpen | גֽוֹרָל֔וֹת (goralot) = loten | וְנֵ֣דְעָ֔ה (venedea) = zodat we weten | בְּשֶׁלְּמִ֛י (beshelemi) = wegens wie | הָרָעָ֥ה (haraa) = het kwaad | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | לָ֑נוּ (lanu) = ons treft | וַיַּפִּ֨לוּ֙ (vayapilu) = en zij wierpen | גּֽוֹרָל֔וֹת (goralot) = loten | וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en viel | הַגּוֹרָ֖ל (hagoral) = het lot | עַל (al) = op | יוֹנָֽה (yona) = Jona Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גוֹרָלוֹת (goralot), ‘loten’: voorwerpen die men wierp om een besluit te vinden, in het geloof dat een godheid de uitkomst bepaalt. Zie ook Spr. 16:33. Voetnoot : בְּשֶׁלְּמִי (beshellemi), ‘wegens wie’: een korte vorm van de vraag die in vers 8 voluit staat (בַּאֲשֶׁר לְמִי). Zie ook: Num 32:23; Joz 7:10; Joz 7:13–18; 1 Sam 10:20–21; Spr 16:33; Jona 1:8 **1:8** Zij zeiden tegen hem: „Vertel ons toch wegens wie dit kwaad ons treft. Wat is je werk, en waar kom je vandaan? Wat is je land, en van welk volk ben je?” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | הַגִּידָה (hagida) = vertel | נָּ֣א (na) = toch | לָ֔נוּ (lanu) = ons | בַּאֲשֶׁ֛ר (baasher) = wegens | לְמִי (lemi) = wie | הָרָעָ֥ה (haraa) = het kwaad | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | לָ֑נוּ (lanu) = ons treft | מַה (ma) = wat | מְּלַאכְתְּךָ֙ (melakhtekha) = is je werk | וּמֵאַ֣יִן (umeayin) = en vanwaar | תָּב֔וֹא (tavo) = kom je | מָ֣ה (ma) = wat | אַרְצֶ֔ךָ (artsekha) = is je land | וְאֵֽי (veei) = en welk | מִזֶּ֥ה (mize) = hiervan | עַ֖ם (am) = volk | אָֽתָּה (ata) = ben je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 47:3; Joz 7:19; 1 Sam 14:43; 1 Sam 30:13; Jak 5:16 **1:9** Hij zei tegen hen: „Ik ben een Hebreeër. Ik vrees Yahweh, de Elohim van de hemel, die de zee en het droge heeft gemaakt.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | עִבְרִ֣י (ivri) = een Hebreeër | אָנֹ֑כִי (anokhi) = ben ik | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de Elohim van | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | אֲנִ֣י (ani) = ik | יָרֵ֔א (yare) = vrees | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיַּבָּשָֽׁה (hayabasha) = het droge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִבְרִי (ivri), ‘Hebreeër’: zo noemt een Israëliet zichzelf tegenover vreemdelingen. Zie ook Gen. 14:13. Voetnoot : יָרֵא (yare), ‘ik vrees’: ontzag en eerbied voor Yahweh, niet alleen angst. Zie ook: Gen 14:13; Ps 95:5–6; Ps 136:26; Ps 146:5–6; Neh 1:4; Neh 9:6 **1:10** De mannen werden zeer bang. Zij zeiden tegen hem: „Wat is dit wat je hebt gedaan?” Want de mannen wisten dat hij op de vlucht was weg van het aangezicht van Yahweh, omdat hij het hun verteld had. Brontekst: וַיִּֽירְא֤וּ (vayireu) = en werden bang | הָֽאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | יִרְאָ֣ה (yira) = met vrees | גְדוֹלָ֔ה (gedola) = grote | וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | מַה (ma) = wat | זֹּ֣את (zot) = dit | עָשִׂ֑יתָ (asita) = heb je gedaan | כִּֽי (ki) = want | יָדְע֣וּ (yadeu) = wisten | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | כִּֽי (ki) = dat | מִלִּפְנֵ֤י (milifnei) = weg van het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | ה֣וּא (hu) = hij | בֹרֵ֔חַ (boreach) = op de vlucht was | כִּ֥י (ki) = want | הִגִּ֖יד (higid) = hij had verteld | לָהֶֽם (lahem) = hun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּירְאוּ הָאֲנָשִׁים יִרְאָה גְדוֹלָה (vayyire'u ha'anashim yir'ah gedolah), ‘de mannen werden met grote vrees bevreesd’: een nadrukkelijke uitdrukking. Dezelfde woorden staan in vers 16, maar daar is Yahweh het voorwerp: dan gaat het om ontzag. Zie ook: Job 27:22; Joz 7:25; Jona 1:3; Jona 1:16; Dan 5:6–9; Joh 19:8 ### Jona wordt in de zee geworpen **1:11** Zij zeiden tegen hem: „Wat moeten wij met je doen, zodat de zee van ons af tot rust komt?” Want de zee werd steeds stormachtiger. Brontekst: וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | מַה (ma) = wat | נַּ֣עֲשֶׂה (naase) = moeten wij doen | לָּ֔ךְ (lakh) = met jou | וְיִשְׁתֹּ֥ק (veyishtoq) = zodat tot rust komt | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | מֵֽעָלֵ֑ינוּ (mealeinu) = van ons af | כִּ֥י (ki) = want | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | הוֹלֵ֥ךְ (holekh) = ging | וְסֹעֵֽר (vesoer) = en werd stormachtig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 6:2–3; 2 Sam 21:1–6; 2 Sam 24:11–13; Mi 6:6–7 **1:12** Hij zei tegen hen: „Neem mij op en werp mij in de zee, dan komt de zee van jullie af tot rust. Want ik weet dat deze grote storm wegens mij over jullie is gekomen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | שָׂא֨וּנִי֙ (sauni) = neem mij op | וַהֲטִילֻ֣נִי (vahatiluni) = en werp mij | אֶל (el) = in | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | וְיִשְׁתֹּ֥ק (veyishtoq) = zodat tot rust komt | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | מֵֽעֲלֵיכֶ֑ם (mealeikhem) = van jullie af | כִּ֚י (ki) = want | יוֹדֵ֣עַ (yodea) = weet | אָ֔נִי (ani) = ik | כִּ֣י (ki) = dat | בְשֶׁלִּ֔י (besheli) = wegens mij | הַסַּ֧עַר (hasaar) = de storm | הַגָּד֛וֹל (hagadol) = de grote | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = over jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 7:12; Joz 7:20–21; 2 Sam 24:17; 1 Kron 21:17; Joh 11:50 **1:13** De mannen roeiden hard om terug te keren naar het droge, maar zij konden het niet. Want de zee werd steeds stormachtiger tegen hen. Brontekst: וַיַּחְתְּר֣וּ (vayachteru) = en roeiden hard | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | לְהָשִׁ֛יב (lehashiv) = om terug te keren | אֶל (el) = naar | הַיַּבָּשָׁ֖ה (hayabasha) = het droge | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | יָכֹ֑לוּ (yakholu) = konden zij | כִּ֣י (ki) = want | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | הוֹלֵ֥ךְ (holekh) = ging | וְסֹעֵ֖ר (vesoer) = en werd stormachtig | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּחְתְּרוּ (vayyachteru), ‘zij roeiden hard’: het werkwoord betekent letterlijk ‘graven, doorbreken’. Het beeld is dat de mannen zich met kracht door het water heen werken. Zie ook: Job 34:29; Spr 21:30 **1:14** Zij riepen tot Yahweh en zeiden: „Ach, Yahweh, laat ons toch niet omkomen om het leven van deze man. Leg geen onschuldig bloed op ons. Want U, Yahweh, hebt gedaan zoals het U behaagde.” Brontekst: וַיִּקְרְא֨וּ (vayiqreu) = en riepen | אֶל (el) = tot | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zeiden | אָנָּ֤ה (ana) = ach | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אַל (al) = laat | נָ֣א (na) = toch | נֹאבְדָ֗ה (novda) = ons omkomen | בְּנֶ֨פֶשׁ֙ (benefesh) = om het leven van | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וְאַל (veal) = en niet | תִּתֵּ֥ן (titen) = leg | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = op ons | דָּ֣ם (dam) = bloed | נָקִ֑יא (naqi) = onschuldig | כִּֽי (ki) = want | אַתָּ֣ה (ata) = U | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | חָפַ֖צְתָּ (chafatsta) = het U behaagde | עָשִֽׂיתָ (asita) = hebt U gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier vertalen wij ‘leven’. Voetnoot : דָּם נָקִיא (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: zie ook Deut. 21:8. Zie ook: Deut 21:8; Ps 107:28; Ps 115:3; Ps 135:6; Ef 1:11 **1:15** Zij namen Jona op en wierpen hem in de zee. De zee hield op met woeden. Brontekst: וַיִּשְׂאוּ֙ (vayisu) = en namen op | אֶת (et) = (obj.) | יוֹנָ֔ה (yona) = Jona | וַיְטִלֻ֖הוּ (vaytiluhu) = en wierpen hem | אֶל (el) = in | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | וַיַּעֲמֹ֥ד (vayaamod) = en hield op | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | מִזַּעְפּֽוֹ (mizapo) = met haar woede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 89:10; Ps 93:3–4; Ps 107:29; Mat 8:26; Luc 8:24 **1:16** De mannen vreesden Yahweh met grote vrees. Zij brachten Yahweh een slachtoffer en deden geloften. Brontekst: וַיִּֽירְא֧וּ (vayireu) = en werden bevreesd | הָאֲנָשִׁ֛ים (haanashim) = de mannen | יִרְאָ֥ה (yira) = met vrees | גְדוֹלָ֖ה (gedola) = grote | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּֽזְבְּחוּ (vayizbechu) = en brachten slachtoffer | זֶ֨בַח֙ (zevach) = een slachtoffer | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | וַֽיִּדְּר֖וּ (vayideru) = en deden | נְדָרִֽים (nedarim) = geloften Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּירְאוּ הָאֲנָשִׁים יִרְאָה גְדוֹלָה (vayyire'u ha'anashim yir'ah gedolah): zie de uitleg bij vers 10. De zeelieden gaan van doodsangst over op ontzag voor Yahweh. Voetnoot : זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’ en נְדָרִים (nedarim), ‘geloften’: de zeelieden brengen Yahweh een slachtoffer en beloven Hem iets. Zie ook: Gen 8:20; Ps 50:14; Ps 107:22; Ps 116:14; Jona 1:10; Dan 6:27 ## Jona 2 _Jona in de buik van de vis_ ### De grote vis **2:1** Yahweh liet een grote vis komen om Jona in te slikken. Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van de vis. Brontekst: וַיְמַ֤ן (vayman) = en liet komen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | דָּ֣ג (dag) = een vis | גָּד֔וֹל (gadol) = grote | לִבְלֹ֖עַ (livloa) = om in te slikken | אֶת (et) = (obj.) | יוֹנָ֑ה (yona) = Jona | וַיְהִ֤י (vayhi) = en was | יוֹנָה֙ (yona) = Jona | בִּמְעֵ֣י (bimei) = in de buik van | הַדָּ֔ג (hadag) = de vis | שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | וּשְׁלֹשָׁ֥ה (ushelosha) = en drie | לֵילֽוֹת (leilot) = nachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Hebreeuwse telling begint hier hoofdstuk 2. Nederlandse bijbels tellen dit vers als Jona 1:17; Hebr. 2:2–11 is dan NL 2:1–10. Voetnoot : וַיְמַן (vayman), ‘liet komen’: Yahweh wijst de vis aan, Hij zorgt dat de vis er is. Het werkwoord is manah, ‘aanwijzen, aanstellen’. Voetnoot : דָּג גָּדוֹל (dag gadol), ‘een grote vis’: het woord noemt geen soort vis. In vers 2 staat ‘de vis’ in een vrouwelijke vorm (הַדָּגָה, haddagah). Voetnoot : De drie dagen en drie nachten komen ook voor in Matt. 12:40. Zie ook: Ps 104:25–26; Jona 1:17; Jona 2:2; Hab 3:2; Mat 12:40; Mat 16:4; Luc 11:30; Heb 2:2–11 ### Het gebed van Jona **2:2** Jona bad tot Yahweh, zijn Elohim, uit de buik van de vis. Brontekst: וַיִּתְפַּלֵּ֣ל (vayitpalel) = en bad | יוֹנָ֔ה (yona) = Jona | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑יו (elohav) = zijn Elohim | מִמְּעֵ֖י (mimeei) = uit de buik van | הַדָּגָֽה (hadaga) = de vis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gebed in vers 3–10 lijkt op de dankpsalmen: het spreekt over nood, golven, Sjeol en de kuil, en eindigt met een dankbelofte. Jona spreekt alsof hij al gered is. Vergelijk Ps. 42:8. Zie ook: Job 13:15; Ps 42:8; Ps 91:15; Ps 130:1–2; Jona 2:3–10; Jes 26:16; Klaagl 3:53–56 **2:3** Hij zei: „In mijn nood riep ik tot Yahweh, en Hij antwoordde mij. Uit de schoot van Sjeol riep ik om hulp. U hoorde mijn stem. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | קָ֠רָאתִי (qarati) = ik riep | מִצָּ֥רָה (mitsara) = uit nood | לִ֛י (li) = mijn | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיַּעֲנֵ֑נִי (vayaaneni) = en Hij antwoordde mij | מִבֶּ֧טֶן (mibeten) = uit de schoot van | שְׁא֛וֹל (sheol) = Sjeol | שִׁוַּ֖עְתִּי (shivati) = riep ik om hulp | שָׁמַ֥עְתָּ (shamata) = U hoorde | קוֹלִֽי (qoli) = mijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (sheol), ‘Sjeol’: het dodenrijk. מִבֶּטֶן (beten), ‘buik, schoot’: het is alsof Jona uit de schoot van het dodenrijk om hulp roept. Voetnoot : In dit vers gaat Jona midden in de zin van ‘Hij’ (Yahweh) naar ‘U’ over. Wij laten dat zo staan. Zie ook: Ps 18:5–7; Ps 34:7; Ps 86:13; Ps 88:2–8; Ps 120:1 **2:4** U wierp mij in de diepte, in het hart van de zeeën. De stroom omringde mij. Al Uw branding en Uw golven gingen over mij heen. Brontekst: וַתַּשְׁלִיכֵ֤נִי (vatashlikheni) = en U wierp mij | מְצוּלָה֙ (metsula) = in de diepte | בִּלְבַ֣ב (bilvav) = in het hart van | יַמִּ֔ים (yamim) = de zeeën | וְנָהָ֖ר (venahar) = en de stroom | יְסֹבְבֵ֑נִי (yesoveveni) = omringde mij | כָּל (kal) = al | מִשְׁבָּרֶ֥יךָ (mishbareikha) = Uw branding | וְגַלֶּ֖יךָ (vegaleikha) = en Uw golven | עָלַ֥י (alay) = over mij | עָבָֽרוּ (avaru) = gingen heen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְצוּלָה (metsulah), ‘diepte’; מִשְׁבָּרֶיךָ (mishbareka), ‘Uw branding’, en וְגַלֶּיךָ (galleka), ‘Uw golven’: Jona ziet de golven als golven van Yahweh Zelf. Dezelfde beelden staan in Ps. 42:8. Zie ook: Ps 42:8; Ps 69:2–3; Ps 69:15–16; Ps 88:6–9; Klaagl 3:54 **2:5** Ik zei: ‘Ik ben verdreven uit Uw ogen. Toch zal ik weer kijken naar Uw heilige tempel.’ Brontekst: וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | אָמַ֔רְתִּי (amarti) = zei | נִגְרַ֖שְׁתִּי (nigrashti) = ik ben verdreven | מִנֶּ֣גֶד (mineged) = van voor | עֵינֶ֑יךָ (eineikha) = Uw ogen | אַ֚ךְ (akh) = toch | אוֹסִ֣יף (osif) = zal ik opnieuw | לְהַבִּ֔יט (lehabit) = kijken | אֶל (el) = naar | הֵיכַ֖ל (heikhal) = de tempel van | קָדְשֶֽׁךָ (qadeshekha) = Uw heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵיכַל קָדְשֶׁךָ (heikal qodshekha), ‘Uw heilige tempel’: dat kan de tempel in Jeruzalem zijn, maar ook Yahweh’s woning in de hemel. Zie ook: Ps 5:8; Ps 31:23; 2 Kron 6:38; Jes 38:17; Jer 7:15 **2:6** Water omsloot mij tot aan mijn ziel. De diepte omringde mij. Riet was om mijn hoofd gewikkeld. Brontekst: אֲפָפ֤וּנִי (afafuni) = omsloten mij | מַ֨יִם֙ (mayim) = wateren | עַד (ad) = tot aan | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = de ziel | תְּה֖וֹם (tehom) = de diepte | יְסֹבְבֵ֑נִי (yesoveveni) = omringde mij | ס֖וּף (suf) = riet | חָב֥וּשׁ (chavush) = was gewikkeld | לְרֹאשִֽׁי (leroshi) = om mijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het woord kan ook ‘keel’ of ‘leven’ betekenen. ‘Tot aan de ziel’ betekent dat het leven zelf bedreigd werd. Voetnoot : סוּף (suf), ‘riet’: planten die in of aan het water groeien. Sommigen denken aan zeewier. Dezelfde letters staan in ‘de Rietzee’ (Exod. 13:18). Zie ook: Ex 13:18; Ps 40:3; Ps 69:2–3; Klaagl 3:54 **2:7** Ik daalde af tot de voet van de bergen. De aarde: haar grendels waren voor eeuwig om mij heen. Maar U haalde mijn leven op uit de kuil, Yahweh, mijn Elohim. Brontekst: לְקִצְבֵ֤י (leqitsvei) = bij de uiteinden van | הָרִים֙ (harim) = bergen | יָרַ֔דְתִּי (yaradti) = daalde ik af | הָאָ֛רֶץ (haarets) = de aarde | בְּרִחֶ֥יהָ (bericheiha) = haar grendels | בַעֲדִ֖י (baadi) = om mij heen | לְעוֹלָ֑ם (leolam) = voor eeuwig | וַתַּ֧עַל (vataal) = maar U haalde op | מִשַּׁ֛חַת (mishachat) = uit de kuil | חַיַּ֖י (chayay) = mijn leven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְקִצְבֵי (qitsvei), ‘uiteinden’: wij vertalen ‘tot de voet van de bergen’, de plek waar de bergen op de zeebodem rusten. Voetnoot : בְּרִחֶיהָ (berichehah), ‘haar grendels’: de grendels van een poort. Het beeld is dat de aarde Jona als een gevangene opsluit. Voetnoot : מִשַּׁחַת (shachat), ‘kuil’: een beeld voor het dodenrijk of het graf. Zie ook: Ps 16:10; Ps 30:4; Ps 143:7; Spr 8:25–29; Jes 38:17 **2:8** Toen mijn ziel in mij verzwakte, dacht ik aan Yahweh. Mijn gebed kwam tot U, in Uw heilige tempel. Brontekst: בְּהִתְעַטֵּ֤ף (behitatef) = toen verzwakte | עָלַי֙ (alay) = in mij | נַפְשִׁ֔י (nafshi) = mijn ziel | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | זָכָ֑רְתִּי (zakharti) = dacht ik | וַתָּב֤וֹא (vatavo) = en kwam | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = tot U | תְּפִלָּתִ֔י (tefilati) = mijn gebed | אֶל (el) = in | הֵיכַ֖ל (heikhal) = de tempel van | קָדְשֶֽׁךָ (qadeshekha) = Uw heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 30:6; Ps 11:4; Ps 18:7; Ps 143:5; 2 Kron 30:27 **2:9** Zij die vasthouden aan dampen van leegte, laten hun trouw varen. Brontekst: מְשַׁמְּרִ֖ים (meshamerim) = zij die vasthouden aan | הַבְלֵי (havlei) = dampen van | שָׁ֑וְא (shave) = leegte | חַסְדָּ֖ם (chasdam) = hun trouw | יַעֲזֹֽבוּ (yaazovu) = laten zij varen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבְלֵי שָׁוְא (havlei shav), ‘dampen van leegte’: nietige, waardeloze dingen, vaak afgoden. Het woord havel (‘damp’) staat ook in Prediker. Voetnoot : חַסְדָּם (chasdam), ‘hun trouw’: dat kan hun eigen trouw zijn, of de trouw die Yahweh hun geeft. Beide lezingen zijn mogelijk. Zie ook: 1 Sam 12:21; Ps 31:7; 2 Kon 17:15; Jer 2:13; Jer 10:8 **2:10** Maar ik zal U met een stem van dankzegging slachtoffers brengen. Wat ik beloofd heb, zal ik nakomen. De redding is van Yahweh.” Brontekst: וַאֲנִ֗י (vaani) = maar ik | בְּק֤וֹל (beqol) = met de stem van | תּוֹדָה֙ (toda) = dankzegging | אֶזְבְּחָה (ezbecha) = zal ik slachtoffers brengen | לָּ֔ךְ (lakh) = aan U | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | נָדַ֖רְתִּי (nadarti) = ik heb beloofd | אֲשַׁלֵּ֑מָה (ashalema) = zal ik nakomen | יְשׁוּעָ֖תָה (yeshuata) = redding | לַיהוָֽה (laYahweh) = is van Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹדָה (todah), ‘dankzegging’: een dankoffer met een lofzang. Voetnoot : יְשׁוּעָתָה לַיהוָה (yeshuatah laYahweh), ‘de redding is van Yahweh’: redding komt van Yahweh alleen. Het woord ‘redding’ is verwant aan de naam Yeshua. Zie ook: Ps 3:9; Ps 50:14; Ps 50:23; Pred 5:3–4; Heb 13:15 ### Jona op het droge **2:11** Yahweh sprak tot de vis, en die braakte Jona uit op het droge. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַדָּ֑ג (ladag) = tot de vis | וַיָּקֵ֥א (vayaqe) = en die braakte uit | אֶת (et) = (obj.) | יוֹנָ֖ה (yona) = Jona | אֶל (el) = op | הַיַּבָּשָֽׁה (hayabasha) = het droge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּקֵא (vayyaqe), ‘en die braakte uit’: Yahweh geeft het bevel en de vis gehoorzaamt. Zie ook: Gen 1:3; Ps 33:9; Jes 50:2; Mat 8:8–9; Mat 8:26–27 ## Jona 3 _Jona in Nineve: de stad keert terug van haar weg_ ### De tweede opdracht **3:1** Het woord van Yahweh kwam voor de tweede keer tot Jona, met deze woorden: Brontekst: וַיְהִ֧י (vayhi) = en was | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יוֹנָ֖ה (yona) = Jona | שֵׁנִ֥ית (shenit) = een tweede keer | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jona 1:1; Joh 21:15–17 **3:2** **„Sta op, ga naar Nineve, de grote stad, en roep haar de oproep toe die Ik tot je spreek.”** Brontekst: ק֛וּם (qum) = sta op | לֵ֥ךְ (lekh) = ga | אֶל (el) = naar | נִֽינְוֵ֖ה (nineve) = Nineve | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַגְּדוֹלָ֑ה (hagedola) = de grote | וִּקְרָ֤א (viqra) = en roep | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = tot haar | אֶת (et) = (obj.) | הַקְּרִיאָ֔ה (haqeria) = de oproep | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | דֹּבֵ֥ר (dover) = spreek | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = tot jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: הַקְּרִיאָה (haqqeri’ah), ‘de oproep’: wat iemand luid uitroept, zoals een heraut. Het woord hoort bij het werkwoord ‘roepen’ (קָרָא, qara) in de verzen 2, 4, 5 en 8. Zie ook: Jona 1:2; Jona 3:3; Jer 1:17; Jer 15:19–21; Ezech 2:7 **3:3** Jona stond op en ging naar Nineve, naar het woord van Yahweh. Nineve was een stad die groot was voor Elohim: een tocht van drie dagen. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | יוֹנָ֗ה (yona) = Jona | וַיֵּ֛לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֶל (el) = naar | נִֽינְוֶ֖ה (nineve) = Nineve | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = naar het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְנִֽינְוֵ֗ה (venineve) = en Nineve | הָיְתָ֤ה (hayeta) = was | עִיר (ir) = een stad | גְּדוֹלָה֙ (gedola) = groot | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = voor Elohim | מַהֲלַ֖ךְ (mahalakh) = een tocht van | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: גְּדוֹלָה לֵאלֹהִים (gedolah lElohim), ‘groot voor Elohim’: letterlijk ‘groot voor Elohim’. Het kan betekenen dat de stad in Elohims ogen groot is, of simpelweg ‘zeer groot’. Wij laten het Hebreeuws staan. Voetnoot : מַהֲלַךְ שְׁלֹשֶׁת יָמִים (mahalakh sheloshet yamim), ‘een tocht van drie dagen’: de tekst zegt niet of dit de breedte van de stad is, de omtrek, of de tijd die een bezoek aan alle wijken kost. In vers 4 gaat Jona ‘een tocht van één dag’ de stad in. Zie ook: Gen 22:3; Gen 30:8; Ps 36:7; Ps 80:11; Jona 3:4; Mat 21:28–29 **3:4** Jona begon de stad in te gaan, een tocht van één dag. Hij riep en zei: „Nog veertig dagen, en Nineve wordt omgekeerd.” Brontekst: וַיָּ֤חֶל (vayachel) = en begon | יוֹנָה֙ (yona) = Jona | לָב֣וֹא (lavo) = om binnen te gaan | בָעִ֔יר (bair) = in de stad | מַהֲלַ֖ךְ (mahalakh) = een tocht van | י֣וֹם (yom) = een dag | אֶחָ֑ד (echad) = één | וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en riep | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en zei | ע֚וֹד (od) = nog | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | י֔וֹם (yom) = dagen | וְנִֽינְוֵ֖ה (venineve) = en Nineve | נֶהְפָּֽכֶת (nehpakhet) = wordt omgekeerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: נֶהְפָּכֶת (nehpakhet), ‘omgekeerd worden’: het werkwoord (הָפַךְ, hafakh) is hetzelfde als voor Sodom in Gen. 19:25. Het kan ook ‘veranderd worden’ betekenen. De boodschap noemt dus geen voorwaarde, maar laat open hoe Nineve ‘omgekeerd’ wordt. Zie ook: Gen 19:25; Deut 18:22; 2 Kon 20:1; 2 Kon 20:6; Jona 3:10; Jer 18:7–10 ### Nineve gelooft in Elohim **3:5** De mannen van Nineve geloofden in Elohim. Zij riepen een vasten uit en trokken rouwkleden aan, van de grootsten tot de kleinsten onder hen. Brontekst: וַֽיַּאֲמִ֛ינוּ (vayaaminu) = en geloofden | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = de mannen van | נִֽינְוֵ֖ה (nineve) = Nineve | בֵּֽאלֹהִ֑ים (bElohim) = in Elohim | וַיִּקְרְאוּ (vayiqreu) = en riepen uit | צוֹם֙ (tsom) = een vasten | וַיִּלְבְּשׁ֣וּ (vayilbeshu) = en trokken aan | שַׂקִּ֔ים (saqim) = rouwkleden | מִגְּדוֹלָ֖ם (migedolam) = vanaf hun groten | וְעַד (vead) = en tot | קְטַנָּֽם (qetanam) = hun kleinen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: וַיַּאֲמִינוּ בֵּאלֹהִים (vayya’aminu be’Elohim), ‘geloofden in Elohim’: het werkwoord (אָמַן, aman) betekent vertrouwen op en trouw blijven aan. Zie Exod. 14:31. Hier staat ‘Elohim’, niet ‘Yahweh’. Voetnoot : צוֹם (tsom), ‘vasten’: niet eten en niet drinken, als teken van boete. שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grof kleed van geitenhaar, gedragen bij rouw en boete. Zie ook: Ex 14:31; Joël 1:14; Joël 2:12–17; Dan 9:3; Mat 12:41; Luc 11:32 **3:6** Het woord bereikte de koning van Nineve. Hij stond op van zijn troon, deed zijn mantel af, bedekte zich met een rouwkleed en ging op de as zitten. Brontekst: וַיִּגַּ֤ע (vayiga) = en bereikte | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֶל (el) = tot | מֶ֣לֶך (melekh) = de koning van | נִֽינְוֵ֔ה (nineve) = Nineve | וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en stond op | מִכִּסְא֔וֹ (mikiso) = van zijn troon | וַיַּעֲבֵ֥ר (vayaaver) = en deed af | אַדַּרְתּ֖וֹ (adarto) = zijn mantel | מֵֽעָלָ֑יו (mealav) = van zich | וַיְכַ֣ס (vaykhas) = en bedekte zich | שַׂ֔ק (saq) = met een rouwkleed | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en ging zitten | עַל (al) = op | הָאֵֽפֶר (haefer) = de as Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: הַדָּבָר (haddavar), ‘het woord’: het Hebreeuwse woord betekent ook ‘de zaak’ of ‘het bericht’. De koning wordt niet bij naam genoemd. Voetnoot : אַדֶּרֶת (adderet), ‘mantel’: een wijde, kostbare overmantel, zoals in Joz. 7:21. Zie ook: Job 2:8; Joz 7:21; Jer 6:26; Dan 9:3; Est 4:1–4; Jak 4:6–10 **3:7** Hij liet uitroepen en zeggen in Nineve, op bevel van de koning en zijn groten: „Mensen en dieren, rundvee en kleinvee: laat hen niets proeven. Laat hen niet grazen en geen water drinken. Brontekst: וַיַּזְעֵ֗ק (vayazeq) = en liet uitroepen | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | בְּנִֽינְוֵ֔ה (benineve) = in Nineve | מִטַּ֧עַם (mitaam) = op bevel van | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּגְדֹלָ֖יו (ugedolav) = en zijn groten | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הָאָדָ֨ם (haadam) = de mensen | וְהַבְּהֵמָ֜ה (vehabehema) = en de dieren | הַבָּקָ֣ר (habaqar) = het rundvee | וְהַצֹּ֗אן (vehatson) = en het kleinvee | אַֽל (al) = niet | יִטְעֲמוּ֙ (yitamu) = laat proeven | מְא֔וּמָה (meuma) = iets | אַ֨ל (al) = niet | יִרְע֔וּ (yiru) = laat grazen | וּמַ֖יִם (umayim) = en water | אַל (al) = niet | יִשְׁתּֽוּ (yishtu) = laat drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: מִטַּעַם (mitta’am), ‘op bevel van’: het woord טַעַם (ta’am) betekent eigenlijk ‘smaak’ en daarna ‘besluit, bevel’. Het staat ook in ‘laat hen niets proeven’ (יִטְעֲמוּ, yit’amu), een woordspeling in het Hebreeuws. Voetnoot : וַיַּזְעֵק (vayyaz’eq), ‘liet uitroepen’: de koning laat de oproep door anderen bekendmaken. Ook de dieren moeten vasten en zich in rouwkleden hullen (vers 8). Zie ook: 2 Kron 20:3; Joël 1:18; Joël 2:15–16; Jona 3:5; Jona 3:8; Ezra 8:21 **3:8** Laat mensen en dieren zich in rouwkleden hullen. Laat hen met kracht tot Elohim roepen. Laat ieder terugkeren van zijn kwade weg en van het geweld dat in hun handen is. Brontekst: וְיִתְכַּסּ֣וּ (veyitkasu) = en laat bedekken zich | שַׂקִּ֗ים (saqim) = rouwkleden | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mensen | וְהַבְּהֵמָ֔ה (vehabehema) = en de dieren | וְיִקְרְא֥וּ (veyiqreu) = en laat roepen | אֶל (el) = tot | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בְּחָזְקָ֑ה (bechazeqa) = met kracht | וְיָשֻׁ֗בוּ (veyashuvu) = en laat terugkeren | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | מִדַּרְכּ֣וֹ (midarko) = van zijn weg | הָֽרָעָ֔ה (haraa) = de kwade | וּמִן (umin) = en van | הֶחָמָ֖ס (hechamas) = het geweld | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בְּכַפֵּיהֶֽם (bekhapeihem) = in hun handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָמָס (chamas), ‘geweld’: onrecht dat anderen pijn doet. Voetnoot : שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’: het werkwoord staat ook in de verzen 9 en 10. Het kwaad (רָעָה, ra’ah) is hier de kwade weg van de mensen; in vers 10 is het hetzelfde woord voor het kwaad dat Elohim had aangekondigd. Zie ook: Jona 1:6; Jona 3:10; Jes 55:6–7; Jes 59:6; Ezech 18:21–24; Hand 3:19 **3:9** Wie weet keert Elohim terug en laat Hij Zich rouwen, en keert Hij terug van Zijn brandende toorn, zodat wij niet omkomen.” Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יוֹדֵ֣עַ (yodea) = weet | יָשׁ֔וּב (yashuv) = keert terug | וְנִחַ֖ם (venicham) = en laat Zich rouwen | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וְשָׁ֛ב (veshav) = en keert terug | מֵחֲר֥וֹן (mecharon) = van de gloed van | אַפּ֖וֹ (apo) = Zijn toorn | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נֹאבֵֽד (noved) = komen wij om Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִי יוֹדֵעַ (mi yodea), ‘wie weet’: de koning weet niet of Elohim zal ingrijpen. Hij eist niets af, maar hoopt. Voetnoot : וְנִחַם (venicham), ‘laat Hij Zich rouwen’: zie de uitleg bij vers 10. Zie ook: 2 Sam 12:22; Ps 106:45; Joël 2:13–14; Jona 1:6; Jona 3:10; Luc 15:18–20 ### Elohim ziet hun daden **3:10** Elohim zag hun daden: zij waren teruggekeerd van hun kwade weg. Toen liet Elohim Zich het kwaad rouwen dat Hij had gezegd hun aan te doen. En Hij deed het niet. Brontekst: וַיַּ֤רְא (vayar) = en zag | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | אֶֽת (et) = (obj.) | מַ֣עֲשֵׂיהֶ֔ם (maaseihem) = hun daden | כִּי (ki) = dat | שָׁ֖בוּ (shavu) = zij waren teruggekeerd | מִדַּרְכָּ֣ם (midarkam) = van hun weg | הָרָעָ֑ה (haraa) = de kwade | וַיִּנָּ֣חֶם (vayinachem) = en liet Zich rouwen | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | עַל (al) = over | הָרָעָ֛ה (haraa) = het kwaad | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij had gesproken | לַעֲשׂוֹת (laasot) = om te doen | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָשָֽׂה (asa) = deed Hij het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּנָּחֶם (vayyinnachem), ‘liet Zich rouwen’: zoals in Exod. 32:14. Het werkwoord (נָחַם, nacham) betekent dat Elohim van gedachten verandert over wat Hij zou doen. Zie ook Jer. 18:8. Voetnoot : הָרָעָה (hara’ah), ‘het kwaad’: dit is hetzelfde woord als ‘kwade weg’ in dezelfde zin: de mensen laten hun kwaad achter, en Elohim het kwaad dat Hij had aangekondigd. Zie ook: Ex 32:14; 1 Kon 21:27–29; Amos 7:6; Jer 18:8; Luc 11:32 ## Jona 4 _Jona is woedend en Yahweh stelt een vraag_ ### Jona is woedend **4:1** Maar het was Jona een groot kwaad, en hij werd woedend. Brontekst: וַיֵּ֥רַע (vayera) = en het was kwaad | אֶל (el) = voor | יוֹנָ֖ה (yona) = Jona | רָעָ֣ה (raa) = een kwaad | גְדוֹלָ֑ה (gedola) = groot | וַיִּ֖חַר (vayichar) = en hij werd woedend | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָעָה (ra’ah), ‘kwaad’: dit is hetzelfde woord als ‘het kwaad’ in 3:10, waar Elohim het kwaad laat rouwen. Wat Elohim niet doet, is voor Jona zelf een groot kwaad. Wij laten het woord gelijk. Voetnoot : וַיִּחַר (vayyichar), ‘werd woedend’: letterlijk ‘het brandde hem’. Het werkwoord (חָרָה, charah) hoort bij ‘brandende toorn’ (חֲרוֹן, charon) in 3:9. Het staat ook in de verzen 4 en 9 (twee keer). Zie ook: Jona 4:4; Jona 4:9; Mat 20:15; Luc 15:28; Jak 4:5–6 **4:2** Hij bad tot Yahweh en zei: „Ach, Yahweh, was dit niet wat ik zei toen ik nog in mijn land was? Daarom was ik er snel bij om naar Tarsis te vluchten. Want ik wist dat U een genadige en barmhartige El bent, langzaam tot toorn, rijk aan trouw, en Die Zich het kwaad laat rouwen. Brontekst: וַיִּתְפַּלֵּ֨ל (vayitpalel) = en bad | אֶל (el) = tot | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֗ר (vayomar) = en zei | אָנָּ֤ה (ana) = ach | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הֲלוֹא (halo) = was niet | זֶ֣ה (ze) = dit | דְבָרִ֗י (devari) = mijn woord | עַד (ad) = toen | הֱיוֹתִי֙ (heyoti) = ik was | עַל (al) = op | אַדְמָתִ֔י (admati) = mijn land | עַל (al) = daarom | כֵּ֥ן (ken) = (zo) | קִדַּ֖מְתִּי (qidamti) = was ik er snel bij | לִבְרֹ֣חַ (livroach) = om te vluchten | תַּרְשִׁ֑ישָׁה (tarshisha) = naar Tarsis | כִּ֣י (ki) = want | יָדַ֗עְתִּי (yadati) = ik wist | כִּ֤י (ki) = dat | אַתָּה֙ (ata) = U | אֵֽל (el) = El | חַנּ֣וּן (chanun) = genadig | וְרַח֔וּם (verachum) = en barmhartig | אֶ֤רֶךְ (erekh) = langzaam van | אַפַּ֨יִם֙ (apayim) = toorn | וְרַב (verav) = en rijk aan | חֶ֔סֶד (chesed) = trouw | וְנִחָ֖ם (venicham) = en Die Zich laat rouwen | עַל (al) = over | הָרָעָֽה (haraa) = het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Voetnoot Uitleg: אָנָּה (annah), ‘ach’: een smeekwoord, ‘toe, alsjeblieft’. Hier met een verwijtende klank. Voetnoot : קִדַּמְתִּי (qiddamti), ‘was ik er snel bij’: letterlijk ‘ik kwam voor, ik was eerder’. Jona verwijst naar zijn vlucht in Jona 1:3. Voetnoot : אַדְמָתִי (admati), ‘mijn land’: letterlijk ‘mijn grond’, het land waar hij vandaan komt. Voetnoot : חַנּוּן וְרַחוּם … (channun verachum …), ‘genadig en barmhartig, langzaam tot toorn en rijk aan trouw’: dit is de belijdenis van Yahweh uit Exod. 34:6, die ook in Num. 14:18 en Ps. 103:8 klinkt. Jona haalt haar aan als reden voor zijn woede. Voetnoot : וְנִחָם עַל הָרָעָה (venicham al hara’ah), ‘en Die Zich het kwaad laat rouwen’: zoals in 3:10 en Exod. 32:14. Zie ook: Ex 32:14; Ex 34:6–7; Num 14:18–19; Ps 86:15; Ps 103:8; Ps 145:8; Joël 2:13–14; Jona 1:3 **4:3** En nu, Yahweh, neem toch mijn ziel van mij weg, want mijn dood is beter dan mijn leven.” Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | קַח (qach) = neem | נָ֥א (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = van mij | כִּ֛י (ki) = want | ט֥וֹב (tov) = goed | מוֹתִ֖י (moti) = mijn dood | מֵחַיָּֽי (mechayay) = meer dan mijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het leven van Jona zelf. Vergelijk Elia in 1 Kon. 19:4, die ook om de dood vraagt. Het Hebreeuws zegt in dit vers ‘mijn ziel’ en ‘mijn leven’ (חַיַּי, chayyay) naast elkaar. Zie ook: Num 11:15; Num 20:3; Pred 7:1; 1 Kon 19:4; Jer 20:14–18 **4:4** Yahweh zei: **„Is het goed dat je woedend bent?”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַהֵיטֵ֖ב (haheitev) = is het goed | חָ֥רָה (chara) = dat hij werd woedend | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲהֵיטֵב (hehetev), ‘is het goed’: het kan ook zijn ‘heb je daar recht op’ of ‘is het terecht’. Yahweh geeft geen oordeel, maar stelt een vraag. Dezelfde vraag klinkt in vers 9. Zie ook: Ps 106:32–33; Jona 4:9; Mi 6:3; Mat 20:15; Jak 1:19–20 ### De wonderboom **4:5** Jona ging de stad uit en ging ten oosten van de stad zitten. Daar maakte hij zich een hut. Hij zat eronder in de schaduw, totdat hij zou zien wat er in de stad zou gebeuren. Brontekst: וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en ging uit | יוֹנָה֙ (yona) = Jona | מִן (min) = van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en ging zitten | מִקֶּ֣דֶם (miqedem) = ten oosten van | לָעִ֑יר (lair) = de stad | וַיַּעַשׂ֩ (vayaas) = en maakte | ל֨וֹ (lo) = voor zich | שָׁ֜ם (sham) = daar | סֻכָּ֗ה (suka) = een hut | וַיֵּ֤שֶׁב (vayeshev) = en zat | תַּחְתֶּ֨יהָ֙ (tachteiha) = onder haar | בַּצֵּ֔ל (batsel) = in de schaduw | עַ֚ד (ad) = totdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יִרְאֶ֔ה (yire) = hij zou zien | מַה (ma) = wat | יִּהְיֶ֖ה (yihye) = zou zijn | בָּעִֽיר (bair) = in de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקֶּדֶם לָעִיר (miqqedem la’ir), ‘ten oosten van de stad’: Jona zoekt een plek met uitzicht op Nineve. Voetnoot : סֻכָּה (sukkah), ‘hut’: een hut van takken, zoals in Lev. 23:42. Zie ook: Gen 19:27–28; Lev 23:42; 1 Kon 19:9; 1 Kon 19:13; Jes 57:17; Jer 17:15–16 **4:6** Yahweh Elohim liet een wonderboom komen. Die groeide omhoog boven Jona, als schaduw boven zijn hoofd, om hem te redden van zijn kwaad. En Jona verheugde zich met grote vreugde over de wonderboom. Brontekst: וַיְמַ֣ן (vayman) = en liet komen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh | אֱ֠לֹהִים (Elohim) = Elohim | קִיקָי֞וֹן (qiqayon) = een wonderboom | וַיַּ֣עַל (vayaal) = en die groeide | מֵעַ֣ל (meal) = boven | לְיוֹנָ֗ה (leyona) = over Jona | לִֽהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | צֵל֙ (tsel) = schaduw | עַל (al) = boven | רֹאשׁ֔וֹ (rosho) = zijn hoofd | לְהַצִּ֥יל (lehatsil) = om te redden | ל֖וֹ (lo) = voor hem | מֵרָֽעָת֑וֹ (meraato) = van zijn kwaad | וַיִּשְׂמַ֥ח (vayismach) = en was blij | יוֹנָ֛ה (yona) = Jona | עַל (al) = over | הַקִּֽיקָי֖וֹן (haqiqayon) = de wonderboom | שִׂמְחָ֥ה (simcha) = een vreugde | גְדוֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִיקָיוֹן (qiqajon), ‘wonderboom’: een snelgroeiende plant met grote bladeren. Het woord komt alleen hier voor. Vaak wordt gedacht aan de ricinus, maar dat is onzeker. Voetnoot : וַיְמַן (vayman), ‘liet komen’: het werkwoord (מָנָה, manah) betekent ‘aanwijzen, aanstellen’. Het staat ook voor de grote vis (Jona 2:1), en in dit hoofdstuk voor de wonderboom, de worm en de oostenwind. Voetnoot : מֵרָעָתוֹ (mera’ato), ‘van zijn kwaad’: het woord ra’ah heeft hier de betekenis van ongemak of ellende. Het kan ook zijn boosheid zijn. Wij laten het woord staan. Zie ook: Ps 103:10–14; Jona 2:1; Jes 39:2; Est 5:9; Luc 10:20 **4:7** Bij het opkomen van de dageraad, de volgende dag, liet Elohim een worm komen. Die trof de wonderboom, en hij verdorde. Brontekst: וַיְמַ֤ן (vayman) = en liet komen | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | תּוֹלַ֔עַת (tolaat) = een worm | בַּעֲל֥וֹת (baalot) = bij het opkomen van | הַשַּׁ֖חַר (hashachar) = de dageraad | לַֽמָּחֳרָ֑ת (lamachorat) = de volgende dag | וַתַּ֥ךְ (vatakh) = en trof | אֶת (et) = (obj.) | הַקִּֽיקָי֖וֹן (haqiqayon) = de wonderboom | וַיִּיבָֽשׁ (vayivash) = en hij verdorde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹלַעַת (tola’at), ‘worm’: een kleine made of worm, zoals in Exod. 16:20. Voetnoot : וַיַּךְ (vayyak), ‘trof’: het werkwoord (נָכָה, nakah) betekent ‘slaan, treffen’. In vers 8 staat het weer, nu voor de zon: wij vertalen daar ‘stak’. Zie ook: Job 1:21; Ex 16:20; Ps 30:7–8; Ps 90:5–6; Joël 1:12; Jona 4:8; Jes 40:6–8 **4:8** Toen de zon opkwam, liet Elohim een hete oostenwind komen. De zon stak op het hoofd van Jona, en hij raakte uitgeput. Hij vroeg voor zijn ziel om te sterven. Hij zei: „Beter is mijn dood dan mijn leven.” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כִּזְרֹ֣חַ (kizroach) = bij het opkomen van | הַשֶּׁ֗מֶשׁ (hashemesh) = de zon | וַיְמַ֨ן (vayman) = en liet komen | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | ר֤וּחַ (ruach) = een wind van | קָדִים֙ (qadim) = oost | חֲרִישִׁ֔ית (charishit) = hete | וַתַּ֥ךְ (vatakh) = en stak | הַשֶּׁ֛מֶשׁ (hashemesh) = de zon | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = het hoofd van | יוֹנָ֖ה (yona) = Jona | וַיִּתְעַלָּ֑ף (vayitalaf) = en hij raakte uitgeput | וַיִּשְׁאַ֤ל (vayishal) = en vroeg | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשׁוֹ֙ (nafsho) = voor zijn ziel | לָמ֔וּת (lamut) = om te sterven | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | ט֥וֹב (tov) = goed | מוֹתִ֖י (moti) = mijn dood | מֵחַיָּֽי (mechayay) = meer dan mijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲרִישִׁית (charishit), ‘hete’: de betekenis is onzeker. Het kan ‘verzengend’ of ‘drukkend’ zijn, of verband houden met ‘stil’. Voetnoot : קָדִים (qadim), ‘oost’: de oostenwind komt uit de woestijn en is droog en heet. Voetnoot : וַיִּשְׁאַל אֶת נַפְשׁוֹ לָמוּת (vayyish’al et nafsho lamut), ‘vroeg voor zijn ziel om te sterven’: zoals Jona in vers 3 en Elia in 1 Kon. 19:4. Zie ook: Ps 121:6; 1 Kon 19:4; Jona 4:3; Jes 49:10; Ezech 19:12; Openb 3:19 **4:9** Elohim zei tegen Jona: **„Is het goed dat je woedend bent over de wonderboom?”** Hij zei: „Het is goed dat ik woedend ben, tot de dood toe.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | יוֹנָ֔ה (yona) = Jona | הַהֵיטֵ֥ב (haheitev) = is het goed | חָרָֽה (chara) = dat hij werd woedend | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | עַל (al) = over | הַקִּֽיקָי֑וֹן (haqiqayon) = de wonderboom | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֵיטֵ֥ב (heitev) = goed | חָֽרָה (chara) = dat hij werd woedend | לִ֖י (li) = voor mij | עַד (ad) = tot | מָֽוֶת (mavet) = de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elohim herhaalt de vraag van vers 4, nu met de wonderboom erbij. Jona antwoordt met ‘tot de dood toe’ (עַד מָוֶת, ad mavet). Zie ook: Gen 4:5–14; Job 5:2; Job 18:4; Job 40:4–5; Re 16:16; Jona 4:4 ### De vraag van Yahweh **4:10** Yahweh zei: **„Jij hebt medelijden gehad met de wonderboom. Jij hebt er niet voor gezwoegd en hebt hem niet laten groeien. In één nacht ontstond hij, en in één nacht kwam hij om.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אַתָּ֥ה (ata) = jij | חַ֨סְתָּ֙ (chasta) = had medelijden | עַל (al) = over | הַקִּ֣יקָי֔וֹן (haqiqayon) = de wonderboom | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | עָמַ֥לְתָּ (amalta) = zwoegde | בּ֖וֹ (bo) = aan hem | וְלֹ֣א (velo) = en niet | גִדַּלְתּ֑וֹ (gidalto) = liet hem groeien | שֶׁבִּן (shebin) = die als zoon van | לַ֥יְלָה (layla) = een nacht | הָיָ֖ה (haya) = was | וּבִן (uvin) = en als zoon van | לַ֥יְלָה (layla) = een nacht | אָבָֽד (avad) = kwam om Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַסְתָּ (chasta), ‘had medelijden’: het werkwoord (חוּס, chus) betekent ook ‘sparen’. Wij gebruiken ‘medelijden hebben (met)’ in de verzen 10 en 11. Voetnoot : עָמַלְתָּ (amalta), ‘gezwoegd’: hard werken voor iets. Voetnoot : בֶּן־לַיְלָה (ben layla), ‘zoon van een nacht’: een uitdrukking voor iets dat in één nacht ontstaat en weer verdwijnt. Zie ook: Gen 17:12; 1 Sam 20:31 **4:11** **En Ik, zou Ik geen medelijden hebben met Nineve, de grote stad? Er zijn in haar meer dan 120.000 mensen die hun rechterhand niet van hun linkerhand kunnen onderscheiden, en veel dieren.”** Brontekst: וַֽאֲנִי֙ (vaani) = en ik | לֹ֣א (lo) = niet | אָח֔וּס (achus) = zal medelijden hebben | עַל (al) = over | נִינְוֵ֖ה (nineve) = Nineve | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַגְּדוֹלָ֑ה (hagedola) = de grote | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarin | יֶשׁ (yesh) = er zijn | בָּ֡הּ (bah) = in haar | הַרְבֵּה֩ (harbe) = meer | מִֽשְׁתֵּים (mishteim) = dan twee | עֶשְׂרֵ֨ה (esre) = tien | רִבּ֜וֹ (ribo) = tienduizendtallen | אָדָ֗ם (adam) = mensen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָדַע֙ (yada) = weten | בֵּין (bein) = tussen | יְמִינ֣וֹ (yemino) = zijn rechterhand | לִשְׂמֹאל֔וֹ (lismolo) = en zijn linkerhand | וּבְהֵמָ֖ה (uvehema) = en dieren | רַבָּֽה (raba) = veel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: רִבּוֹ (ribbo), ‘tienduizendtal’: ‘twaalf maal tienduizend’ is 120.000. De tekst zegt niet wie de mensen zijn die ‘hun rechterhand niet van hun linkerhand kennen’. Vaak denkt men aan kleine kinderen, of aan mensen die nog geen weg weten. Wij laten het open. Voetnoot : Het boek eindigt met deze vraag van Yahweh. Het antwoord van Jona staat er niet bij. Zie ook: Ps 36:7; Ps 145:8–9; Jona 1:2; Mat 18:33; Luc 15:28–32