# Johannes (Κατὰ Ἰωάννην, Kata Ioannen) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Johannes 1 _Het Woord, de getuige en de eerste leerlingen_ ### Het Woord **1:1** In het begin was het Woord. Het Woord was bij Elohim, en het Woord was Elohim. Brontekst: Ἐν (En) = in | ἀρχῇ (arche) = begin | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = Woord | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = Woord | ἦν (en) = was | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | θεὸς (theos) = Elohim | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = Woord Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λόγος (logos), ‘woord’: wat gezegd wordt, een uitspraak of boodschap. Elohim schiep door te spreken (Gen. 1:3; Ps. 33:6). ἐν ἀρχῇ (en arche), ‘in het begin’, doet denken aan het begin van Gen. 1:1. Voetnoot : Het Grieks heeft in ‘bij Elohim’ een lidwoord voor θεός (theos), maar in ‘het Woord was Elohim’ niet. Wij vertalen beide keren ‘Elohim’. Zie ook: Gen 1:1; Gen 1:3; Ps 33:6 **1:2** Dit was in het begin bij Elohim. Brontekst: οὗτος (houtos) = dit | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | ἀρχῇ (arche) = begin | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT **1:3** Alles is door Hem geworden, en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. Brontekst: πάντα (panta) = alles | δι’ (di’) = door | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἐγένετο (egeneto) = is geworden | καὶ (kai) = en | χωρὶς (choris) = zonder | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἐγένετο (egeneto) = is geworden | οὐδὲ (oude) = niet | ἕν (hen) = één | ὃ (ho) = wat | γέγονεν (gegonen) = geworden is Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: De oudste handschriften hebben geen leestekens. Wij volgen de versindeling van de SBLGNT: ὃ γέγονεν (ho gegonen), ‘wat geworden is’, sluit vers 3. Sommige uitgaven trekken die woorden naar vers 4 (‘wat geworden is, in Hem was leven’). Zie ook: Joh 1:4 **1:4** In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen. Brontekst: ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = Hem | ζωὴ (zoe) = leven | ἦν (en) = was | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | ζωὴ (zoe) = leven | ἦν (en) = was | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen Bron: SBLGNT **1:5** Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet overmeesterd. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | σκοτίᾳ (skotia) = duisternis | φαίνει (phainei) = schijnt | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | σκοτία (skotia) = duisternis | αὐτὸ (auto) = het | οὐ (ou) = niet | κατέλαβεν (katelaben) = heeft overmeesterd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατέλαβεν (katelaben), ‘heeft overmeesterd’: het werkwoord kan ‘grijpen, overmeesteren’ betekenen en ook ‘begrijpen’. Wij kiezen ‘overmeesterd’, omdat de duisternis hier tegenover het licht staat. ### Johannes, de getuige van het licht **1:6** Er kwam een man, door Elohim gezonden. Zijn naam was Johannes. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = kwam | ἄνθρωπος (anthropos) = een man | ἀπεσταλμένος (apestalmenos) = gezonden | παρὰ (para) = door | θεοῦ (theou) = Elohim | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτῷ (auto) = aan hem | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Johannes de Doper. In dit evangelie heet hij alleen Johannes; de bijnaam βαπτιστής (baptistes), ‘doper’, staat hier niet. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:1–12; Mark. 1:4–8; Luc. 3:1–18. Zie ook: Mat 3:1–12; Mar 1:4–8; Luc 3:1–18 **1:7** Deze man kwam als getuige, om te getuigen over het licht, zodat allen door hem zouden geloven. Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = tot | μαρτυρίαν (martyrian) = getuigenis | ἵνα (hina) = opdat | μαρτυρήσῃ (martyrese) = hij getuigt | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | φωτός (photos) = licht | ἵνα (hina) = opdat | πάντες (pantes) = allen | πιστεύσωσιν (pisteusosin) = geloven | δι’ (di’) = door | αὐτοῦ (autou) = hem Bron: SBLGNT **1:8** Hij was het licht niet, maar hij kwam om te getuigen over het licht. Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἦν (en) = was | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | μαρτυρήσῃ (martyrese) = hij getuigt | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | φωτός (photos) = licht Bron: SBLGNT **1:9** Het ware licht, dat ieder mens verlicht, kwam in de wereld. Brontekst: ἦν (en) = was | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | τὸ (to) = het | ἀληθινὸν (alethinon) = ware | ὃ (ho) = dat | φωτίζει (photizei) = verlicht | πάντα (panta) = ieder | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐρχόμενον (erchomenon), ‘komend’: het Grieks kan dit verbinden met ‘het licht’ (het licht kwam in de wereld) of met ‘ieder mens’ (ieder mens die in de wereld komt). Wij volgen de eerste lezing. **1:10** Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, maar de wereld kende Hem niet. Brontekst: Ἐν (En) = in | τῷ (to) = de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | ἦν (en) = was | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | δι’ (di’) = door | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἐγένετο (egeneto) = is geworden | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | αὐτὸν (auton) = Hem | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνω (egno) = kende Bron: SBLGNT **1:11** Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen namen Hem niet aan. Brontekst: εἰς (eis) = tot | τὰ (ta) = het | ἴδια (idia) = Zijne | ἦλθεν (elthen) = kwam Hij | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἴδιοι (idioi) = Zijnen | αὐτὸν (auton) = Hem | οὐ (ou) = niet | παρέλαβον (parelabon) = namen aan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὰ ἴδια (ta idia), ‘het Zijne’, en οἱ ἴδιοι (hoi idioi), ‘de Zijnen’: wat en wie bij Hem horen. Het Grieks zegt niet of het om het land, het huis of het volk gaat. **1:12** Maar aan allen die Hem ontvingen, gaf Hij het recht om kinderen van Elohim te worden, aan hen die geloven in Zijn naam. Brontekst: ὅσοι (hosoi) = allen die | δὲ (de) = maar | ἔλαβον (elabon) = ontvingen | αὐτόν (auton) = Hem | ἔδωκεν (edoken) = gaf Hij | αὐτοῖς (autois) = hun | ἐξουσίαν (exousian) = recht | τέκνα (tekna) = kinderen | θεοῦ (theou) = van Elohim | γενέσθαι (genesthai) = te worden | τοῖς (tois) = aan hen die | πιστεύουσιν (pisteuousin) = geloven | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia) vertalen wij elders met ‘gezag’. Hier staat ‘het recht’, omdat ‘gezag om kinderen te worden’ niet loopt in het Nederlands. Voetnoot : τέκνα θεοῦ (tekna theou), ‘kinderen van Elohim’. **1:13** Zij zijn niet uit bloed geboren, niet uit de wil van het vlees en niet uit de wil van een man, maar uit Elohim. Brontekst: οἳ (hoi) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἐξ (ex) = uit | αἱμάτων (haimaton) = bloeden | οὐδὲ (oude) = ook niet | ἐκ (ek) = uit | θελήματος (thelematos) = wil | σαρκὸς (sarkos) = van het vlees | οὐδὲ (oude) = ook niet | ἐκ (ek) = uit | θελήματος (thelematos) = wil | ἀνδρὸς (andros) = van een man | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐκ (ek) = uit | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐγεννήθησαν (egennethesan) = zijn geboren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἱμάτων (haimaton), ‘bloeden’, staat in het meervoud. Wij schrijven ‘uit bloed’: afstamming door bloedverwantschap. ### Het Woord is vlees geworden **1:14** Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de enige Zoon van de Vader, vol genade en waarheid. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = Woord | σὰρξ (sarx) = vlees | ἐγένετο (egeneto) = is geworden | καὶ (kai) = en | ἐσκήνωσεν (eskenosen) = heeft gewoond | ἐν (en) = onder | ἡμῖν (hemin) = ons | καὶ (kai) = en | ἐθεασάμεθα (etheasametha) = wij hebben gezien | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | ὡς (hos) = als | μονογενοῦς (monogenous) = van een enige | παρὰ (para) = van | πατρός (patros) = Vader | πλήρης (pleres) = vol | χάριτος (charitos) = van genade | καὶ (kai) = en | ἀληθείας (aletheias) = van waarheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σάρξ (sarx), ‘vlees’: de mens in zijn broosheid. ἐσκήνωσεν (eskenosen), ‘heeft gewoond’, betekent letterlijk ‘heeft Zijn tent opgeslagen’, van σκηνή (skene), ‘tent’. Het doet denken aan de tabernakel, in het Hebreeuws מִשְׁכָּן (mishkan), de woonplaats van Elohim bij Zijn volk (Exod. 25:8–9; Exod. 40:34–35). Voetnoot : μονογενής (monogenes), ‘enige’: de enige van zijn soort, of de enige geborene. Het Grieks heeft hier geen woord voor ‘Zoon’ en geen lidwoorden; wij voegen ‘Zoon’ toe (in 3:16 en 3:18 staat υἱός, ‘zoon’, wel in het Grieks). Voetnoot : ‘Vol genade en waarheid’ doet denken aan Exod. 34:6, waar Yahweh ‘rijk aan trouw en betrouwbaarheid’ heet (Hebr. chesed en emet). Zie ook: Ex 25:8–9; Ex 34:6; Ex 40:34–35 **1:15** Johannes getuigt over Hem en roept: „Dit was Hij over wie ik zei: ‘Hij die na mij komt, is mij voorgegaan, want Hij was er eerder dan ik.’” Brontekst: Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | μαρτυρεῖ (martyrei) = getuigt | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | καὶ (kai) = en | κέκραγεν (kekragen) = roept | λέγων (legon) = zeggend | Οὗτος (Houtos) = dit | ἦν (en) = was | ὃν (hon) = Hij over wie | εἶπον (eipon) = ik zei | Ὁ (Ho) = de | ὀπίσω (opiso) = na | μου (mou) = mij | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | ἔμπροσθέν (emprosthen) = voor | μου (mou) = mij | γέγονεν (gegonen) = is geworden | ὅτι (hoti) = want | πρῶτός (protos) = eerste | μου (mou) = van mij | ἦν (en) = was Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat van Johannes staat ook in vers 30. πρῶτός μου ἦν (protos mou en), ‘Hij was er eerder dan ik’: eerder in tijd, en ook hoger in rang. Voetnoot : Zie ook Matt. 3:11; Mark. 1:7; Luc. 3:16. Zie ook: Mat 3:11; Mar 1:7; Luc 3:16; Joh 1:30 **1:16** Want uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade. Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πληρώματος (pleromatos) = volheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἡμεῖς (hemeis) = wij | πάντες (pantes) = allen | ἐλάβομεν (elabomen) = ontvingen | καὶ (kai) = en | χάριν (charin) = genade | ἀντὶ (anti) = op | χάριτος (charitos) = genade Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀντί (anti), ‘op’, eigenlijk ‘in plaats van’: de ene genade volgt op de andere, of wordt vervangen door een volgende. Het Grieks zegt niet welke van de twee bedoeld is. **1:17** Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid zijn door Yeshua de Messias gekomen. Brontekst: ὅτι (hoti) = want | ὁ (ho) = de | νόμος (nomos) = wet | διὰ (dia) = door | Μωϋσέως (Moyseos) = Mozes | ἐδόθη (edothe) = is gegeven | ἡ (he) = de | χάρις (charis) = genade | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | ἀλήθεια (aletheia) = waarheid | διὰ (dia) = door | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Χριστοῦ (Christou) = de Messias | ἐγένετο (egeneto) = is gekomen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νόμος (nomos), ‘wet’: de Tora van Mozes. Χριστός (Christos), ‘de Messias’: het Griekse woord voor ‘gezalfde’, in het Hebreeuws מָשִׁיחַ (mashiach). In dit evangelie vertalen wij het met ‘Messias’; alleen in 1:41 en 4:25 staat ‘de Gezalfde’ (zie 1:41). **1:18** Niemand heeft Elohim ooit gezien. De enige Elohim, die in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem bekendgemaakt. Brontekst: θεὸν (theon) = Elohim | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἑώρακεν (heoraken) = heeft gezien | πώποτε (popote) = ooit | μονογενὴς (monogenes) = enige | θεὸς (theos) = Elohim | ὁ (ho) = die | ὢν (on) = is | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόλπον (kolpon) = schoot | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = Vader | ἐκεῖνος (ekeinos) = Die | ἐξηγήσατο (exegesato) = heeft bekendgemaakt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 33:20: ‘geen mens kan Mij zien en blijven leven’. κόλπος (kolpos), ‘schoot’: de plaats van grote nabijheid. ἐξηγήσατο (exegesato), ‘heeft bekendgemaakt’: heeft uitgelegd wie Elohim is. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ‘de enige Zoon’ in plaats van ‘de enige Elohim’. Wij vertalen de SBLGNT. Zie ook: Ex 33:20 ### Het getuigenis van Johannes **1:19** Dit is het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem zonden om hem te vragen: „Wie ben jij?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | αὕτη (haute) = dit | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | μαρτυρία (martyria) = getuigenis | τοῦ (tou) = van de | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | ὅτε (hote) = toen | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἐξ (ex) = uit | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | ἱερεῖς (hiereis) = priesters | καὶ (kai) = en | Λευίτας (Leuitas) = Levieten | ἵνα (hina) = opdat | ἐρωτήσωσιν (erotesosin) = zij vroegen | αὐτόν (auton) = hem | Σὺ (Sy) = jij | τίς (tis) = wie | εἶ (ei) = bent Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: in Johannes kan dit het hele volk zijn, maar vaak zijn de leiders in Jeruzalem en Judea bedoeld. Wij schrijven overal ‘Joden’ en zeggen in een Uitleg wanneer de leiders bedoeld lijken. Voetnoot : Λευίτας (Leuitas), ‘Levieten’: mannen uit de stam Levi die in de tempel dienden. **1:20** Hij beleed en ontkende het niet. Hij beleed: „Ik ben de Messias niet.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ὡμολόγησεν (homologesen) = beleed | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠρνήσατο (ernesato) = ontkende | καὶ (kai) = en | ὡμολόγησεν (homologesen) = beleed | ὅτι (hoti) = dat | Ἐγὼ (Ego) = ik | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT **1:21** Zij vroegen hem: „Wat dan? Ben jij Elia?” Hij zei: „Dat ben ik niet.” „Ben jij de profeet?” Hij antwoordde: „Nee.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠρώτησαν (erotesan) = vroegen | αὐτόν (auton) = hem | Τί (Ti) = wat | οὖν (oun) = dan | σὺ (sy) = jij | Ἠλίας (Elias) = Elia | εἶ (ei) = ben | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt hij | Οὐκ (Ouk) = niet | εἰμί (eimi) = ben ik | Ὁ (Ho) = de | προφήτης (prophetes) = profeet | εἶ (ei) = ben | σύ (sy) = jij | καὶ (kai) = en | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Οὔ (Ou) = nee Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De vraag naar Elia komt uit Mal. 3:23; in de Nederlandse telling is dit 4:5. ‘De profeet’ verwijst waarschijnlijk naar de profeet zoals Mozes in Deut. 18:15 en 18:18. Voetnoot : Zie ook Matt. 11:14; Matt. 17:12–13. Zie ook: Deut 18:15; Deut 18:18; Mal 3:23; Mat 11:14; Mat 17:12–13 **1:22** Toen zeiden zij tegen hem: „Wie ben je? Dan kunnen wij antwoord geven aan wie ons gestuurd hebben. Wat zeg je over jezelf?” Brontekst: εἶπαν (eipan) = zeiden | οὖν (oun) = dan | αὐτῷ (auto) = tot hem | Τίς (Tis) = wie | εἶ (ei) = ben je | ἵνα (hina) = opdat | ἀπόκρισιν (apokrisin) = antwoord | δῶμεν (domen) = wij geven | τοῖς (tois) = aan hen die | πέμψασιν (pempsasin) = gestuurd hebben | ἡμᾶς (hemas) = ons | τί (ti) = wat | λέγεις (legeis) = zeg je | περὶ (peri) = over | σεαυτοῦ (seautou) = jezelf Bron: SBLGNT **1:23** Hij zei: „Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: ‘Maak de weg van Yahweh recht’, zoals de profeet Jesaja zei.” Brontekst: ἔφη (ephe) = zei hij | Ἐγὼ (Ego) = ik | φωνὴ (phone) = stem | βοῶντος (boontos) = van een roepende | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | Εὐθύνατε (Euthynate) = maak recht | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | καθὼς (kathos) = zoals | εἶπεν (eipen) = zei | Ἠσαΐας (Esaias) = Jesaja | ὁ (ho) = de | προφήτης (prophetes) = profeet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 40:3. Het Hebreeuws heeft ‘Baan in de woestijn de weg van Yahweh’; de Griekse tekst heeft ‘Maak de weg van Yahweh recht’, en ‘in de woestijn’ hoort bij de stem. κυρίου (kyriou), ‘van de Heer’, is vertaald als Yahweh, zoals in het Hebreeuws (יהוה). Voetnoot : Zie ook Matt. 3:3; Mark. 1:2–3; Luc. 3:4–6. Zie ook: Jes 40:3; Mat 3:3; Mar 1:2–3; Luc 3:4–6 **1:24** Zij die gezonden waren, waren van de Farizeeën. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀπεσταλμένοι (apestalmenoi) = gezondenen | ἦσαν (esan) = waren | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen lidwoord: ‘gezondenen uit de Farizeeën’. Het kan dus ook betekenen dat de afgezanten van de Farizeeën kwamen. **1:25** Zij vroegen hem en zeiden tegen hem: „Waarom doop je dan, als jij de Messias niet bent, Elia niet en de profeet niet?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠρώτησαν (erotesan) = vroegen | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot hem | Τί (Ti) = waarom | οὖν (oun) = dan | βαπτίζεις (baptizeis) = doop je | εἰ (ei) = als | σὺ (sy) = jij | οὐκ (ouk) = niet | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | οὐδὲ (oude) = ook niet | Ἠλίας (Elias) = Elia | οὐδὲ (oude) = ook niet | ὁ (ho) = de | προφήτης (prophetes) = profeet Bron: SBLGNT **1:26** Johannes antwoordde hun: „Ik doop met water. Midden onder jullie staat Hij die jullie niet kennen. Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | λέγων (legon) = zeggend | Ἐγὼ (Ego) = ik | βαπτίζω (baptizo) = doop | ἐν (en) = in | ὕδατι (hydati) = water | μέσος (mesos) = midden | ὑμῶν (hymon) = van jullie | ἕστηκεν (hesteken) = staat | ὃν (hon) = Hij die | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = kennen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 3:11; Mark. 1:7–8; Luc. 3:16. Zie ook: Mat 3:11; Mar 1:7–8; Luc 3:16 **1:27** Hij komt na mij. Ik ben niet waardig om de riem van Zijn sandaal los te maken.” Brontekst: ὁ (ho) = de | ὀπίσω (opiso) = na | μου (mou) = mij | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | οὗ (hou) = van wie | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben ik | ἄξιος (axios) = waardig | ἵνα (hina) = opdat | λύσω (lyso) = ik losmaak | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὸν (ton) = de | ἱμάντα (himanta) = riem | τοῦ (tou) = van de | ὑποδήματος (hypodematos) = sandaal Bron: SBLGNT **1:28** Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes aan het dopen was. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | ἐν (en) = in | Βηθανίᾳ (Bethania) = Betanië | ἐγένετο (egeneto) = gebeurde | πέραν (peran) = aan de overkant | τοῦ (tou) = van de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | βαπτίζων (baptizon) = dopend Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betanië aan de overkant van de Jordaan (ligging onzeker): Dit Betanië is niet het dorp bij Jeruzalem, maar een plaats aan de oostoever van de Jordaan, waar Johannes doopte. De ligging is onzeker; voorgesteld wordt het gebied bij Wadi al-Charrar (Al-Maghtas), tegenover Jericho, nu in Jordanië. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Dit Betanië ligt aan de overkant van de Jordaan en is niet het dorp Betanië bij Jeruzalem (Joh. 11:1). Zie ook: Joh 11:1 ### Het Lam van Elohim **1:29** De volgende dag zag hij Yeshua naar zich toe komen en zei: „Zie, het Lam van Elohim, dat de zonde van de wereld wegneemt! Brontekst: Τῇ (Te) = op de | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | βλέπει (blepei) = ziet hij | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = zich | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | Ἴδε (Ide) = zie | ὁ (ho) = het | ἀμνὸς (amnos) = Lam | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὁ (ho) = die | αἴρων (airon) = wegneemt | τὴν (ten) = de | ἁμαρτίαν (hamartian) = zonde | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμνός (amnos), ‘lam’. Het Grieks zegt niet naar welk lam verwezen wordt. De woorden doen denken aan het lam van Pesach (Exod. 12:3), het lam dat Elohim voorziet (Gen. 22:8) en het lam dat naar de slacht geleid wordt (Jes. 53:7). αἴρων (airon), ‘wegneemt’: optillen en wegdragen. Zie ook: Gen 22:8; Ex 12:3; Jes 53:7 **1:30** Dit is Hij over wie ik zei: ‘Na mij komt een man die mij is voorgegaan, want Hij was er eerder dan ik.’ Brontekst: οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὑπὲρ (hyper) = over | οὗ (hou) = wie | ἐγὼ (ego) = ik | εἶπον (eipon) = zei | Ὀπίσω (Opiso) = na | μου (mou) = mij | ἔρχεται (erchetai) = komt | ἀνὴρ (aner) = een man | ὃς (hos) = die | ἔμπροσθέν (emprosthen) = voor | μου (mou) = mij | γέγονεν (gegonen) = is geworden | ὅτι (hoti) = want | πρῶτός (protos) = eerste | μου (mou) = van mij | ἦν (en) = was Bron: SBLGNT **1:31** Ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël bekend zou worden, ben ik gekomen en doop ik met water.” Brontekst: κἀγὼ (kago) = en ik | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδειν (edein) = kende | αὐτόν (auton) = Hem | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | φανερωθῇ (phanerothe) = Hij bekend wordt | τῷ (to) = de | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | ἦλθον (elthon) = kwam | ἐγὼ (ego) = ik | ἐν (en) = in | ὕδατι (hydati) = water | βαπτίζων (baptizon) = dopend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het onderwerp van φανερωθῇ (phanerothe), ‘bekend zou worden’, is Hij, Yeshua: Hij moest aan Israël bekend worden. **1:32** Johannes getuigde: „Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en Hij bleef op Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμαρτύρησεν (emartyresen) = getuigde | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | λέγων (legon) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | Τεθέαμαι (Tetheamai) = ik heb gezien | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | καταβαῖνον (katabainon) = neerdalend | ὡς (hos) = als | περιστερὰν (peristeran) = duif | ἐξ (ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | ἔμεινεν (emeinen) = bleef | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 3:16; Mark. 1:10; Luc. 3:22. Zie ook: Mat 3:16; Mar 1:10; Luc 3:22 **1:33** Ik kende Hem niet. Maar Hij die mij gestuurd heeft om met water te dopen, zei tegen mij: ‘Op wie je de Geest ziet neerdalen en blijven, Hij is het. Hij doopt met de Heilige Geest.’ Brontekst: κἀγὼ (kago) = en ik | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδειν (edein) = kende | αὐτόν (auton) = Hem | ἀλλ’ (all’) = maar | ὁ (ho) = de | πέμψας (pempsas) = gestuurd hebbende | με (me) = mij | βαπτίζειν (baptizein) = te dopen | ἐν (en) = in | ὕδατι (hydati) = water | ἐκεῖνός (ekeinos) = Die | μοι (moi) = tot mij | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐφ’ (Eph’) = op | ὃν (hon) = wie | ἂν (an) = ook | ἴδῃς (ides) = jij ziet | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | καταβαῖνον (katabainon) = neerdalend | καὶ (kai) = en | μένον (menon) = blijvend | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = Hem | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = Hij die | βαπτίζων (baptizon) = doopt | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = Geest | ἁγίῳ (hagio) = heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 3:11; Mark. 1:8; Luc. 3:16. Zie ook: Mat 3:11; Mar 1:8; Luc 3:16 **1:34** Ik heb het gezien en ik heb getuigd dat Hij de Uitverkorene van Elohim is.” Brontekst: κἀγὼ (kago) = en ik | ἑώρακα (heoraka) = heb gezien | καὶ (kai) = en | μεμαρτύρηκα (memartyreka) = heb getuigd | ὅτι (hoti) = dat | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | ἐκλεκτὸς (eklektos) = Uitverkorene | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkorene’: vergelijk Jes. 42:1, ‘Mijn uitverkorene, in wie Mijn ziel behagen heeft’. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben hier ‘de Zoon van Elohim’ in plaats van ‘de Uitverkorene van Elohim’. Wij vertalen de SBLGNT. Zie ook: Jes 42:1 ### De eerste leerlingen **1:35** De volgende dag stond Johannes er weer, met twee van zijn leerlingen. Brontekst: Τῇ (Te) = op de | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | πάλιν (palin) = weer | εἱστήκει (heistekei) = stond | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | καὶ (kai) = en | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | δύο (dyo) = twee Bron: SBLGNT **1:36** Johannes keek naar Yeshua, die voorbijliep, en zei: „Zie, het Lam van Elohim!” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμβλέψας (emblepsas) = kijkend naar | τῷ (to) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | περιπατοῦντι (peripatounti) = wandelend | λέγει (legei) = zegt | Ἴδε (Ide) = zie | ὁ (ho) = het | ἀμνὸς (amnos) = Lam | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **1:37** De twee leerlingen hoorden hem spreken en volgden Yeshua. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden | οἱ (hoi) = de | δύο (dyo) = twee | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = zijn | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | καὶ (kai) = en | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | τῷ (to) = de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT **1:38** Yeshua draaide Zich om en zag dat zij Hem volgden. Hij zei tegen hen: **„Wat zoeken jullie?”** Zij zeiden tegen Hem: „Rabbi”, wat vertaald „Leraar” betekent, „waar verblijft U?” Brontekst: στραφεὶς (strapheis) = zich omdraaiend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | θεασάμενος (theasamenos) = ziend | αὐτοὺς (autous) = hen | ἀκολουθοῦντας (akolouthountas) = volgend | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Τί (Ti) = wat | ζητεῖτε (zeteite) = zoeken jullie | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ῥαββί (Rhabbi) = Rabbi | ὃ (ho) = wat | λέγεται (legetai) = genoemd wordt | μεθερμηνευόμενον (methermeneuomenon) = vertaald | Διδάσκαλε (Didaskale) = Leraar | ποῦ (pou) = waar | μένεις (meneis) = verblijft U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: een Aramees woord, letterlijk ‘mijn grote’, als aanspreking van een leraar; het Grieks vertaalt het met διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’. Voetnoot : μένω (meno) betekent ‘blijven’ en ook ‘verblijven’. Hier gaat het om waar Yeshua verblijft; bij de Geest in vers 32–33 schrijven wij ‘blijven’. Voetnoot : Zie ook Matt. 23:7–8. Zie ook: Mat 23:7–8; Joh 1:32–33 **1:39** Hij zei tegen hen: **„Kom, dan zullen jullie het zien.”** Zij gingen mee, zagen waar Hij verbleef en bleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἔρχεσθε (Erchesthe) = kom | καὶ (kai) = en | ὄψεσθε (opsesthe) = jullie zullen zien | ἦλθαν (elthan) = kwamen | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = en | εἶδαν (eidan) = zagen | ποῦ (pou) = waar | μένει (menei) = Hij verblijft | καὶ (kai) = en | παρ’ (par’) = bij | αὐτῷ (auto) = Hem | ἔμειναν (emeinan) = bleven | τὴν (ten) = de | ἡμέραν (hemeran) = dag | ἐκείνην (ekeinen) = die | ὥρα (hora) = uur | ἦν (en) = was | ὡς (hos) = ongeveer | δεκάτη (dekate) = tiende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὥρα (hora), ‘uur’. Bij de Joodse dagtelling begint de dag bij zonsopgang; het tiende uur is dan ongeveer 4 uur ’s middags. Als Johannes de Romeinse telling gebruikt (vanaf middernacht), is het ongeveer 10 uur ’s ochtends. Zie ook de voetnoot bij Joh. 19:14. Zie ook: Joh 19:14 **1:40** Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van de twee die het van Johannes hadden gehoord en Hem waren gevolgd. Brontekst: ἦν (en) = was | Ἀνδρέας (Andreas) = Andreas | ὁ (ho) = de | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | Πέτρου (Petrou) = Petrus | εἷς (heis) = een | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | δύο (dyo) = twee | τῶν (ton) = de | ἀκουσάντων (akousanton) = gehoord hebbenden | παρὰ (para) = van | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | καὶ (kai) = en | ἀκολουθησάντων (akolouthesanton) = gevolgd zijnde | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT **1:41** Deze vond eerst zijn eigen broer Simon en zei tegen hem: „Wij hebben de Messias gevonden”, wat vertaald „de Gezalfde” betekent. Brontekst: εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | οὗτος (houtos) = deze | πρῶτον (proton) = eerst | τὸν (ton) = de | ἀδελφὸν (adelphon) = broer | τὸν (ton) = de | ἴδιον (idion) = eigen | Σίμωνα (Simona) = Simon | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Εὑρήκαμεν (Heurekamen) = wij hebben gevonden | τὸν (ton) = de | Μεσσίαν (Messian) = Messias | ὅ (ho) = wat | ἐστιν (estin) = is | μεθερμηνευόμενον (methermeneuomenon) = vertaald | χριστός (christos) = Gezalfde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Μεσσίας (Messias) is de Griekse schrijfwijze van het Aramese woord voor ‘gezalfde’ (Hebreeuws מָשִׁיחַ, mashiach). De evangelist vertaalt het zelf met χριστός (christos). Omdat wij dat elders met ‘Messias’ weergeven, staat hier ‘de Gezalfde’. **1:42** Hij bracht hem naar Yeshua. Yeshua keek hem aan en zei: **„Jij bent Simon, de zoon van Johannes. Jij zult Kefas heten.”** Dat wordt vertaald: Petrus. Brontekst: ἤγαγεν (egagen) = bracht | αὐτὸν (auton) = hem | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἐμβλέψας (emblepsas) = kijkend naar | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Σὺ (Sy) = jij | εἶ (ei) = bent | Σίμων (Simon) = Simon | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | σὺ (sy) = jij | κληθήσῃ (klethese) = zult heten | Κηφᾶς (Kephas) = Kefas | ὃ (ho) = wat | ἑρμηνεύεται (hermeneuetai) = wordt vertaald | Πέτρος (Petros) = Petrus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Κηφᾶς (Kephas) is Aramees, kepha, ‘rots’; Πέτρος (Petros) is het Griekse woord voor ‘rots, steen’. Zie ook Matt. 16:18. De vader van Simon heet hier Johannes; Matt. 16:17 heeft ‘Simon Bar-Jona’ (‘zoon van Jona’). Zie ook: Mat 16:17; Mat 16:18 ### Filippus en Nathanaël **1:43** De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken. Hij vond Filippus. Yeshua zei tegen hem: **„Volg Mij.”** Brontekst: Τῇ (Te) = op de | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ἠθέλησεν (ethelesen) = wilde Hij | ἐξελθεῖν (exelthein) = vertrekken | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | καὶ (kai) = en | εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | Φίλιππον (Philippon) = Filippus | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀκολούθει (Akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. **1:44** Filippus was uit Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | ἀπὸ (apo) = van | Βηθσαϊδά (Bethsaida) = Betsaïda | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | Ἀνδρέου (Andreou) = van Andreas | καὶ (kai) = en | Πέτρου (Petrou) = van Petrus Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan. Ook el-Araj is voorgesteld. **1:45** Filippus vond Nathanaël en zei tegen hem: „Wij hebben Hem gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft. Ook de profeten hebben over Hem geschreven: Yeshua, de zoon van Jozef, uit Nazaret.” Brontekst: εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | τὸν (ton) = de | Ναθαναὴλ (Nathanael) = Nathanaël | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Ὃν (Hon) = wie | ἔγραψεν (egrapsen) = schreef | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | νόμῳ (nomo) = wet | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten | εὑρήκαμεν (heurekamen) = wij hebben gevonden | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | υἱὸν (huion) = zoon | τοῦ (tou) = van de | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | τὸν (ton) = die | ἀπὸ (apo) = van | Ναζαρέτ (Nazaret) = Nazaret Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: ‘De wet’ en ‘de profeten’ zijn de Schrift: de boeken van Mozes en de profetische boeken. **1:46** Nathanaël zei tegen hem: „Kan uit Nazaret iets goeds komen?” Filippus zei tegen hem: „Kom en zie.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = hem | Ναθαναήλ (Nathanael) = Nathanaël | Ἐκ (Ek) = uit | Ναζαρὲτ (Nazaret) = Nazaret | δύναταί (dynatai) = kan | τι (ti) = iets | ἀγαθὸν (agathon) = goeds | εἶναι (einai) = zijn | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | Ἔρχου (Erchou) = kom | καὶ (kai) = en | ἴδε (ide) = zie Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. **1:47** Yeshua zag Nathanaël naar Zich toe komen en zei over hem: **„Zie, een echte Israëliet, in wie geen bedrog is.”** Brontekst: εἶδεν (eiden) = zag | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὸν (ton) = de | Ναθαναὴλ (Nathanael) = Nathanaël | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = hem | Ἴδε (Ide) = zie | ἀληθῶς (alethos) = waarlijk | Ἰσραηλίτης (Israelites) = Israëliet | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = wie | δόλος (dolos) = bedrog | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δόλος (dolos), ‘bedrog’: vergelijk Ps. 32:2, ‘in wiens geest geen bedrog is’. Zie ook: Ps 32:2 **1:48** Nathanaël zei tegen Hem: „Hoe kent U mij?” Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom was, zag Ik je.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | Ναθαναήλ (Nathanael) = Nathanaël | Πόθεν (Pothen) = vanwaar | με (me) = mij | γινώσκεις (ginoskeis) = ken U | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = hem | Πρὸ (Pro) = voor | τοῦ (tou) = het | σε (se) = jou | Φίλιππον (Philippon) = Filippus | φωνῆσαι (phonesai) = roepen | ὄντα (onta) = zijnde | ὑπὸ (hypo) = onder | τὴν (ten) = de | συκῆν (syken) = vijgenboom | εἶδόν (eidon) = zag Ik | σε (se) = jou Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet wat Nathanaël onder de vijgenboom deed. **1:49** Nathanaël antwoordde Hem: „Rabbi, U bent de Zoon van Elohim, U bent de koning van Israël.” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = Hem | Ναθαναήλ (Nathanael) = Nathanaël | Ῥαββί (Rhabbi) = Rabbi | σὺ (sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | σὺ (sy) = U | βασιλεὺς (basileus) = koning | εἶ (ei) = bent | τοῦ (tou) = van de | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Zoon van Elohim’ en ‘koning van Israël’ staan samen in Ps. 2:6–7: de koning die Elohim instelt, is Zijn zoon. Zie ook: Ps 2:6–7 **1:50** Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Geloof je omdat Ik je zei dat Ik je onder de vijgenboom zag? Je zult grotere dingen zien dan deze.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = hem | Ὅτι (Hoti) = omdat | εἶπόν (eipon) = zei Ik | σοι (soi) = je | ὅτι (hoti) = dat | εἶδόν (eidon) = zag Ik | σε (se) = je | ὑποκάτω (hypokato) = onder | τῆς (tes) = de | συκῆς (sykes) = vijgenboom | πιστεύεις (pisteueis) = geloof je | μείζω (meizo) = groter | τούτων (touton) = dan deze | ὄψῃ (opse) = zul je zien Bron: SBLGNT **1:51** Hij zei tegen hem: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: jullie zullen de hemel geopend zien en de engelen van Elohim opstijgen en neerdalen op de Mensenzoon.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = zeg Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὄψεσθε (opsesthe) = jullie zullen zien | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | ἀνεῳγότα (aneogota) = geopend | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | ἀγγέλους (angelous) = engelen | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἀναβαίνοντας (anabainontas) = opstijgend | καὶ (kai) = en | καταβαίνοντας (katabainontas) = neerdalend | ἐπὶ (epi) = op | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμὴν ἀμήν (amen amen), ‘voorwaar, voorwaar’: Johannes herhaalt het woord steeds. ὑμῖν (hymin), ‘jullie’, staat in het meervoud, hoewel Yeshua tot Nathanaël spreekt. Voetnoot : ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: Yeshua noemt Zichzelf zo. De naam komt uit Dan. 7:13, ‘iemand als een mensenzoon’ (Aramees בַּר אֱנָשׁ, bar enash). De engelen die opstijgen en neerdalen, doen denken aan de droom van Jakob in Gen. 28:12. Zie ook: Gen 28:12; Dan 7:13 ## Johannes 2 _De bruiloft in Kana en de reiniging van de tempel_ ### De bruiloft in Kana **2:1** Op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galilea, en de moeder van Yeshua was daar. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | τῇ (te) = op de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τῇ (te) = de | τρίτῃ (trite) = derde | γάμος (gamos) = bruiloft | ἐγένετο (egeneto) = was | ἐν (en) = in | Κανὰ (Kana) = Kana | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kana in Galilea (ligging onzeker): Kana in Galilea is waarschijnlijk Khirbet Qana of Kafr Kanna, ongeveer 12 km ten noordnoordoosten van Nazaret. Welke van de twee het is, is niet zeker. Het is een ander Kana dan dat bij Tyrus (Jozua 19:28). Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet vanaf welke dag ‘de derde dag’ geteld wordt; de voorgaande dagen staan in 1:29, 1:35 en 1:43. **2:2** Ook Yeshua en Zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. Brontekst: ἐκλήθη (eklethe) = werd uitgenodigd | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | γάμον (gamon) = bruiloft Bron: SBLGNT **2:3** Toen de wijn op was, zei de moeder van Yeshua tegen Hem: „Ze hebben geen wijn.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑστερήσαντος (hysteresantos) = ontbrekend zijnde | οἴνου (oinou) = wijn | λέγει (legei) = zegt | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = Hem | Οἶνον (Oinon) = wijn | οὐκ (ouk) = niet | ἔχουσιν (echousin) = hebben zij Bron: SBLGNT **2:4** Yeshua zei tegen haar: **„Wat heb Ik met jou te maken, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = haar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Τί (Ti) = wat | ἐμοὶ (emoi) = mij | καὶ (kai) = en | σοί (soi) = jou | γύναι (gynai) = vrouw | οὔπω (oupo) = nog niet | ἥκει (hekei) = is gekomen | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τί ἐμοὶ καὶ σοί (ti emoi kai soi), letterlijk ‘wat (is er) tussen Mij en jou’: een uitdrukking die afstand neemt of bezwaar maakt; vergelijk ‘Wat hebben wij met U te maken’ in Mark. 1:24. γύναι (gynai), ‘vrouw’: een beleefde aanspreking, zonder minachting. Voetnoot : ὥρα (hora), ‘uur’: het bepaalde uur van Yeshua. Johannes gebruikt het woord later voor het uur van Zijn lijden en Zijn verheerlijking. Het Grieks zegt hier niet welk uur bedoeld is. Zie ook: Mar 1:24 **2:5** Zijn moeder zei tegen de dienaren: „Wat Hij ook tegen jullie zegt, doe dat.” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τοῖς (tois) = aan de | διακόνοις (diakonois) = dienaren | Ὅ (Ho) = wat | τι (ti) = ook | ἂν (an) = maar | λέγῃ (lege) = Hij zegt | ὑμῖν (hymin) = jullie | ποιήσατε (poiesate) = doe Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάκονος (diakonos), ‘dienaar’: iemand die anderen dient, bijvoorbeeld aan tafel (vergelijk Matt. 23:11). Zie ook: Mat 23:11 **2:6** Daar stonden zes stenen waterkruiken, bestemd voor de reiniging van de Joden. Elke kruik kon twee of drie maten bevatten. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | δὲ (de) = en | ἐκεῖ (ekei) = daar | λίθιναι (lithinai) = stenen | ὑδρίαι (hydriai) = waterkruiken | ἓξ (hex) = zes | κατὰ (kata) = volgens | τὸν (ton) = de | καθαρισμὸν (katharismon) = reiniging | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | κείμεναι (keimenai) = staand | χωροῦσαι (chorousai) = bevattend | ἀνὰ (ana) = elk | μετρητὰς (metretas) = maten | δύο (dyo) = twee | ἢ (e) = of | τρεῖς (treis) = drie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μετρητής (metretes), ‘maat’: ongeveer 39 liter. Elke kruik bevatte dus ongeveer 80 tot 120 liter. ὑδρία (hydria), ‘waterkruik’. καθαρισμός (katharismos), ‘reiniging’: het ritueel wassen en onderdompelen vóór het eten (vergelijk Mark. 7:3–4). Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’, zijn hier de Joden in het algemeen, niet hun leiders. Zie ook: Mar 7:3–4 **2:7** Yeshua zei tegen hen: **„Vul de waterkruiken met water.”** Zij vulden ze tot boven. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Γεμίσατε (Gemisate) = vul | τὰς (tas) = de | ὑδρίας (hydrias) = waterkruiken | ὕδατος (hydatos) = met water | καὶ (kai) = en | ἐγέμισαν (egemisan) = vulden | αὐτὰς (autas) = ze | ἕως (heos) = tot | ἄνω (ano) = boven Bron: SBLGNT **2:8** Hij zei tegen hen: **„Schep nu en breng het naar de tafelmeester.”** Zij brachten het. Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἀντλήσατε (Antlesate) = schep | νῦν (nyn) = nu | καὶ (kai) = en | φέρετε (pherete) = breng | τῷ (to) = aan de | ἀρχιτρικλίνῳ (architriklino) = tafelmeester | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἤνεγκαν (enenkan) = brachten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρχιτρίκλινος (architriklinos), ‘tafelmeester’: degene die het feestmaal leidt. **2:9** De tafelmeester proefde het water dat wijn geworden was. Hij wist niet waar het vandaan kwam, maar de dienaren die het water hadden geschept, wisten het. Daarna riep de tafelmeester de bruidegom Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = maar | ἐγεύσατο (egeusato) = proefde | ὁ (ho) = de | ἀρχιτρίκλινος (architriklinos) = tafelmeester | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water | οἶνον (oinon) = wijn | γεγενημένον (gegenemenon) = geworden | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδει (edei) = wist | πόθεν (pothen) = vanwaar | ἐστίν (estin) = het is | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | διάκονοι (diakonoi) = dienaren | ᾔδεισαν (edeisan) = wisten | οἱ (hoi) = die | ἠντληκότες (entlekotes) = geschept hadden | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water | φωνεῖ (phonei) = roept | τὸν (ton) = de | νυμφίον (nymphion) = bruidegom | ὁ (ho) = de | ἀρχιτρίκλινος (architriklinos) = tafelmeester Bron: SBLGNT **2:10** en zei tegen hem: „Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en als men dronken geworden is, de mindere. Jij hebt de goede wijn tot nu bewaard.” Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Πᾶς (Pas) = elk | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | πρῶτον (proton) = eerst | τὸν (ton) = de | καλὸν (kalon) = goede | οἶνον (oinon) = wijn | τίθησιν (tithesin) = zet voor | καὶ (kai) = en | ὅταν (hotan) = wanneer | μεθυσθῶσιν (methysthosin) = men dronken is geworden | τὸν (ton) = de | ἐλάσσω (elasso) = mindere | σὺ (sy) = jij | τετήρηκας (teterekas) = hebt bewaard | τὸν (ton) = de | καλὸν (kalon) = goede | οἶνον (oinon) = wijn | ἕως (heos) = tot | ἄρτι (arti) = nu Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μεθυσθῶσιν (methysthosin), ‘dronken zijn geworden’: de tafelmeester beschrijft een gewoonte bij feesten. **2:11** Dit was het begin van de tekenen die Yeshua deed, in Kana in Galilea. Hij maakte Zijn heerlijkheid openbaar, en Zijn leerlingen geloofden in Hem. Brontekst: ταύτην (tauten) = dit | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ἀρχὴν (archen) = begin | τῶν (ton) = van de | σημείων (semeion) = tekenen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐν (en) = in | Κανὰ (Kana) = Kana | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | ἐφανέρωσεν (ephanerosen) = maakte openbaar | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | εἰς (eis) = in | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kana in Galilea (ligging onzeker): Kana in Galilea is waarschijnlijk Khirbet Qana of Kafr Kanna, ongeveer 12 km ten noordnoordoosten van Nazaret. Welke van de twee het is, is niet zeker. Het is een ander Kana dan dat bij Tyrus (Jozua 19:28). Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: σημεῖον (semeion), ‘teken’: Johannes noemt de wonderen van Yeshua ‘tekenen’. Wij schrijven overal ‘teken’. δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: zie 1:14. **2:12** Hierna ging Hij af naar Kapernaüm, Hij met Zijn moeder, Zijn broers en Zijn leerlingen. Daar bleven zij niet veel dagen. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | τοῦτο (touto) = dit | κατέβη (katebe) = daalde Hij af | εἰς (eis) = naar | Καφαρναοὺμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἔμειναν (emeinan) = bleven zij | οὐ (ou) = niet | πολλὰς (pollas) = vele | ἡμέρας (hemeras) = dagen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: κατέβη (katebe), ‘ging af’: naar het lager gelegen meer. ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: zie Matt. 13:55. Zie ook: Mat 13:55 ### Yeshua in de tempel **2:13** Het Pesach van de Joden was nabij, en Yeshua ging op naar Jeruzalem. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐγγὺς (engys) = nabij | ἦν (en) = was | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | καὶ (kai) = en | ἀνέβη (anebe) = ging op | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: πάσχα (pascha), ‘Pesach’: het feest waarop Israël de uittocht uit Egypte herdenkt (Exod. 12:11; Lev. 23:5). ἀνέβη (anebe), ‘ging op’: naar Jeruzalem trok men omhoog. Zie ook: Ex 12:11; Lev 23:5 **2:14** In de tempel trof Hij verkopers van runderen, schapen en duiven aan, en geldwisselaars die daar zaten. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὗρεν (heuren) = vond Hij | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | τοὺς (tous) = de | πωλοῦντας (polountas) = verkopende | βόας (boas) = runderen | καὶ (kai) = en | πρόβατα (probata) = schapen | καὶ (kai) = en | περιστερὰς (peristeras) = duiven | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | κερματιστὰς (kermatistas) = geldwisselaars | καθημένους (kathemenous) = zittend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelterrein. κερματιστής (kermatistes), ‘geldwisselaar’: iemand die geld wisselde voor wie in de tempel iets moest betalen. Wij gebruiken ‘geldwisselaar’ ook voor κολλυβιστής (kollybistes) in vers 15. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:12–13; Mark. 11:15–17; Luc. 19:45–46. Zie ook: Mat 21:12–13; Mar 11:15–17; Luc 19:45–46; Joh 2:15 **2:15** Hij maakte een zweep van touwen en joeg allen de tempel uit, zowel de schapen als de runderen. De munten van de geldwisselaars goot Hij uit, en de tafels keerde Hij om. Brontekst: καὶ (kai) = en | ποιήσας (poiesas) = makend | φραγέλλιον (phragellion) = zweep | ἐκ (ek) = van | σχοινίων (schoinion) = touwen | πάντας (pantas) = allen | ἐξέβαλεν (exebalen) = joeg uit | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ἱεροῦ (hierou) = tempel | τά (ta) = de | τε (te) = zowel | πρόβατα (probata) = schapen | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | βόας (boas) = runderen | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = van de | κολλυβιστῶν (kollybiston) = geldwisselaars | ἐξέχεεν (execheen) = goot uit | τὰ (ta) = de | κέρματα (kermata) = munten | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | τραπέζας (trapezas) = tafels | ἀνέστρεψεν (anestrepsen) = keerde om Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘allen’ met daarna ‘zowel de schapen als de runderen’. Het zegt niet of ook de verkopers zelf de tempel uit werden gejaagd; wij laten dat zo staan. κέρματα (kermata), ‘munten’: kleingeld. **2:16** Tegen de duivenverkopers zei Hij: **„Haal dit hier weg! Maak het huis van Mijn Vader niet tot een huis van handel.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | τοῖς (tois) = aan hen | τὰς (tas) = de | περιστερὰς (peristeras) = duiven | πωλοῦσιν (polousin) = verkopende | εἶπεν (eipen) = zei Hij | Ἄρατε (Arate) = neem weg | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ἐντεῦθεν (enteuthen) = vanhier | μὴ (me) = niet | ποιεῖτε (poieite) = maak | τὸν (ton) = het | οἶκον (oikon) = huis | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | οἶκον (oikon) = huis | ἐμπορίου (emporiou) = van handel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Yeshua noemt Elohim hier ‘Mijn Vader’. **2:17** Zijn leerlingen herinnerden zich dat geschreven staat: „De ijver voor Uw huis zal Mij verteren.” Brontekst: ἐμνήσθησαν (emnesthesan) = herinnerden zich | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὅτι (hoti) = dat | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschreven | ἐστίν (estin) = is | Ὁ (Ho) = de | ζῆλος (zelos) = ijver | τοῦ (tou) = van het | οἴκου (oikou) = huis | σου (sou) = Uw | καταφάγεταί (kataphagetai) = zal verteren | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Ps. 69:10. Het Hebreeuws heeft ‘heeft mij verteerd’ (verleden tijd); de Griekse tekst heeft ‘zal mij verteren’. Zie ook: Ps 69:10 **2:18** De Joden antwoordden en zeiden tegen Hem: „Welk teken laat U ons zien, dat U deze dingen doet?” Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Τί (Ti) = welk | σημεῖον (semeion) = teken | δεικνύεις (deiknyeis) = laat U zien | ἡμῖν (hemin) = ons | ὅτι (hoti) = dat | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ποιεῖς (poieis) = doet U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De Joden zijn hier waarschijnlijk de leiders van de tempel. **2:19** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Breek dit heiligdom af, en in drie dagen zal Ik het opwekken.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Λύσατε (Lysate) = breek af | τὸν (ton) = het | ναὸν (naon) = heiligdom | τοῦτον (touton) = dit | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τρισὶν (trisin) = drie | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἐγερῶ (egero) = zal Ik opwekken | αὐτόν (auton) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ναός (naos), ‘heiligdom’: het gebouw zelf; ἱερόν (hieron), ‘tempel’, is heel het terrein (vers 14). ἐγείρω (egeiro), ‘opwekken’: het woord kan ook ‘overeind zetten, opbouwen’ betekenen; in vers 22 wordt het gebruikt voor de opstanding uit de doden. λύω (lyo), ‘afbreken’: losmaken, slopen. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:61; Matt. 27:40; Mark. 14:58. Zie ook: Mat 26:61; Mat 27:40; Mar 14:58; Joh 2:14; Joh 2:22 **2:20** Toen zeiden de Joden: „Dit heiligdom is in 46 jaar gebouwd, en zult U het in drie dagen opwekken?” Brontekst: εἶπαν (eipan) = zeiden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | Τεσσεράκοντα (Tesserakonta) = 40 | καὶ (kai) = en | ἓξ (hex) = 6 | ἔτεσιν (etesin) = jaren | οἰκοδομήθη (oikodomethe) = is gebouwd | ὁ (ho) = het | ναὸς (naos) = heiligdom | οὗτος (houtos) = dit | καὶ (kai) = en | σὺ (sy) = U | ἐν (en) = in | τρισὶν (trisin) = drie | ἡμέραις (hemerais) = dagen | ἐγερεῖς (egereis) = zult opwekken | αὐτόν (auton) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks noemt 46 jaar bouwtijd en zegt niet welke bouw bedoeld is. **2:21** Maar Hij sprak over het heiligdom van Zijn lichaam. Brontekst: ἐκεῖνος (ekeinos) = Hij | δὲ (de) = maar | ἔλεγεν (elegen) = sprak | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | ναοῦ (naou) = heiligdom | τοῦ (tou) = van het | σώματος (somatos) = lichaam | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **2:22** Toen Hij dan uit de doden was opgewekt, herinnerden Zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had. Zij geloofden de Schrift en het woord dat Yeshua had gesproken. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | οὖν (oun) = dus | ἠγέρθη (egerthe) = Hij was opgewekt | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | ἐμνήσθησαν (emnesthesan) = herinnerden zich | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὅτι (hoti) = dat | τοῦτο (touto) = dit | ἔλεγεν (elegen) = Hij zei | καὶ (kai) = en | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | τῇ (te) = de | γραφῇ (graphe) = Schrift | καὶ (kai) = en | τῷ (to) = het | λόγῳ (logo) = woord | ὃν (hon) = dat | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De Schrift’ (γραφή, graphe): het Grieks zegt niet welke tekst bedoeld is. ### Yeshua kent de mensen **2:23** Toen Hij tijdens het Pesach, op het feest, in Jeruzalem was, geloofden velen in Zijn naam, omdat zij de tekenen zagen die Hij deed. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = maar | ἦν (en) = Hij was | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | ἐν (en) = tijdens | τῷ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | ἐν (en) = op | τῇ (te) = het | ἑορτῇ (heorte) = feest | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | θεωροῦντες (theorountes) = ziend | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὰ (ta) = de | σημεῖα (semeia) = tekenen | ἃ (ha) = die | ἐποίει (epoiei) = Hij deed Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **2:24** Maar Yeshua Zelf vertrouwde Zich niet aan hen toe, omdat Hij hen allen kende Brontekst: αὐτὸς (autos) = Hijzelf | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὐκ (ouk) = niet | ἐπίστευεν (episteuen) = vertrouwde toe | αὑτὸν (hauton) = Zichzelf | αὐτοῖς (autois) = aan hen | διὰ (dia) = omdat | τὸ (to) = het | αὐτὸν (auton) = Hij | γινώσκειν (ginoskein) = kennen | πάντας (pantas) = allen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Er is een woordspel: ‘geloofden in Zijn naam’ (vers 23), maar Yeshua ἐπίστευεν (episteuen), ‘vertrouwde toe’, Zichzelf niet aan hen. Het is hetzelfde werkwoord als ‘geloven’. Voetnoot : γινώσκω (ginosko), ‘kennen, weten’: wij schrijven ‘kende’ en ‘wist’ naar de zin. Zie ook: Joh 2:23 **2:25** en omdat Hij er geen behoefte aan had dat iemand over de mens getuigde. Want Hij Zelf wist wat er in de mens was. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = omdat | οὐ (ou) = niet | χρείαν (chreian) = behoefte | εἶχεν (eichen) = had Hij | ἵνα (hina) = opdat | τις (tis) = iemand | μαρτυρήσῃ (martyrese) = getuigt | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | αὐτὸς (autos) = Hijzelf | γὰρ (gar) = want | ἐγίνωσκεν (eginosken) = kende | τί (ti) = wat | ἦν (en) = was | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἀνθρώπῳ (anthropo) = mens Bron: SBLGNT ## Johannes 3 _Yeshua en Nikodemus; het laatste getuigenis van Johannes_ ### Yeshua en Nikodemus **3:1** Er was een man uit de Farizeeën. Zijn naam was Nikodemus, een leider van de Joden. Brontekst: Ἦν (En) = was | δὲ (de) = maar | ἄνθρωπος (anthropos) = een man | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | Νικόδημος (Nikodemos) = Nikodemus | ὄνομα (onoma) = naam | αὐτῷ (auto) = aan hem | ἄρχων (archon) = leider | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχων (archon), ‘leider’: een man met gezag onder de Joden. Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’, zijn hier de leiders in Jeruzalem (zie 1:19). **3:2** Deze kwam ’s nachts naar Hem toe en zei tegen Hem: „Rabbi, wij weten dat U als leraar van Elohim gekomen bent. Want niemand kan deze tekenen doen die U doet, als Elohim niet met Hem is.” Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | ἦλθεν (elthen) = kwam | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | νυκτὸς (nyktos) = ’s nachts | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ῥαββί (Rhabbi) = Rabbi | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | ὅτι (hoti) = dat | ἀπὸ (apo) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐλήλυθας (elelythas) = U bent gekomen | διδάσκαλος (didaskalos) = als leraar | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | γὰρ (gar) = want | δύναται (dynatai) = kan | ταῦτα (tauta) = deze | τὰ (ta) = de | σημεῖα (semeia) = tekenen | ποιεῖν (poiein) = doen | ἃ (ha) = die | σὺ (sy) = U | ποιεῖς (poieis) = doet | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | ᾖ (e) = is | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἴδαμεν (oidamen), ‘wij weten’: Nikodemus spreekt in het meervoud en zegt niet wie hij erbij rekent. Het Grieks zegt ook niet waarom hij ’s nachts kwam. ῥαββί (rhabbi): zie 1:38. **3:3** Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: als iemand niet van boven geboren wordt, kan hij het koninkrijk van Elohim niet zien.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = hem | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = zeg Ik | σοι (soi) = je | ἐὰν (ean) = als | μή (me) = niet | τις (tis) = iemand | γεννηθῇ (gennethe) = geboren wordt | ἄνωθεν (anothen) = van boven | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | ἰδεῖν (idein) = zien | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄνωθεν (anothen) kan ‘van boven’ en ook ‘opnieuw’ betekenen. Nikodemus verstaat ‘opnieuw’ (vers 4: ‘voor de tweede keer’). Wij schrijven ‘van boven’, zoals ook in 3:31. γεννάω (gennao) in de lijdende vorm vertalen wij met ‘geboren worden’. Zie ook: Joh 3:4 **3:4** Nikodemus zei tegen Hem: „Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Kan hij soms voor de tweede keer in de buik van zijn moeder binnengaan en geboren worden?” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | Νικόδημος (Nikodemos) = Nikodemus | Πῶς (Pos) = hoe | δύναται (dynatai) = kan | ἄνθρωπος (anthropos) = een mens | γεννηθῆναι (gennethenai) = geboren worden | γέρων (geron) = oud | ὤν (on) = zijnde | μὴ (me) = toch niet | δύναται (dynatai) = kan hij | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | κοιλίαν (koilian) = buik | τῆς (tes) = van de | μητρὸς (metros) = moeder | αὐτοῦ (autou) = zijn | δεύτερον (deuteron) = tweede keer | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnengaan | καὶ (kai) = en | γεννηθῆναι (gennethenai) = geboren worden Bron: SBLGNT **3:5** Yeshua antwoordde: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van Elohim niet binnengaan.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = zeg Ik | σοι (soi) = je | ἐὰν (ean) = als | μή (me) = niet | τις (tis) = iemand | γεννηθῇ (gennethe) = geboren wordt | ἐξ (ex) = uit | ὕδατος (hydatos) = water | καὶ (kai) = en | πνεύματος (pneumatos) = Geest | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | εἰσελθεῖν (eiselthein) = binnengaan | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | βασιλείαν (basileian) = koninkrijk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Uit water en Geest’: het Grieks zegt niet wat met ‘water’ bedoeld wordt. Vergelijk Ezech. 36:25–27, waar Elohim spreekt over rein water en een nieuwe geest, en Jes. 44:3. Voetnoot : Vergelijk Matt. 18:3; Mark. 10:15. Zie ook: Jes 44:3; Ezech 36:25–27; Mat 18:3; Mar 10:15 **3:6** **Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest.** Brontekst: τὸ (to) = wat | γεγεννημένον (gegennemenon) = geboren is | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | σαρκὸς (sarkos) = vlees | σάρξ (sarx) = vlees | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = wat | γεγεννημένον (gegennemenon) = geboren is | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | πνεῦμά (pneuma) = geest | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **3:7** **Verwonder je er niet over dat Ik tegen je gezegd heb: ‘Jullie moeten van boven geboren worden.’** Brontekst: μὴ (me) = niet | θαυμάσῃς (thaumases) = verwonder je | ὅτι (hoti) = dat | εἶπόν (eipon) = zei Ik | σοι (soi) = je | Δεῖ (Dei) = het is nodig | ὑμᾶς (hymas) = jullie | γεννηθῆναι (gennethenai) = geboren te worden | ἄνωθεν (anothen) = van boven Bron: SBLGNT **3:8** **De wind waait waar hij wil, en je hoort het geluid ervan, maar je weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat. Zo is het met ieder die uit de Geest geboren is.”** Brontekst: τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = wind | ὅπου (hopou) = waar | θέλει (thelei) = hij wil | πνεῖ (pnei) = waait | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = het | φωνὴν (phonen) = geluid | αὐτοῦ (autou) = ervan | ἀκούεις (akoueis) = hoor je | ἀλλ’ (all’) = maar | οὐκ (ouk) = niet | οἶδας (oidas) = weet je | πόθεν (pothen) = vanwaar | ἔρχεται (erchetai) = hij komt | καὶ (kai) = en | ποῦ (pou) = waarheen | ὑπάγει (hypagei) = hij gaat | οὕτως (houtos) = zo | ἐστὶν (estin) = is | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | γεγεννημένος (gegennemenos) = geboren is | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πνεύματος (pneumatos) = Geest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα (pneuma) betekent ‘wind’ en ‘geest’; φωνή (phone) betekent ‘geluid’ en ‘stem’. Het Hebreeuwse רוּחַ (ruach) heeft dezelfde dubbele betekenis. Wij schrijven ‘wind’ bij het eerste woord en ‘Geest’ bij het laatste. **3:9** Nikodemus antwoordde en zei tegen Hem: „Hoe kan dit gebeuren?” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Νικόδημος (Nikodemos) = Nikodemus | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = hem | Πῶς (Pos) = hoe | δύναται (dynatai) = kan | ταῦτα (tauta) = dit | γενέσθαι (genesthai) = gebeuren Bron: SBLGNT **3:10** Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Jij bent de leraar van Israël en je begrijpt dit niet?** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = hem | Σὺ (Sy) = jij | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | τοῦ (tou) = van de | Ἰσραὴλ (Israel) = Israël | καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | οὐ (ou) = niet | γινώσκεις (ginoskeis) = begrijp je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γινώσκεις (ginoskeis), ‘begrijp je’: letterlijk ‘ken je’. **3:11** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: wij spreken wat wij weten en wij getuigen van wat wij gezien hebben, maar jullie nemen ons getuigenis niet aan.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = zeg Ik | σοι (soi) = je | ὅτι (hoti) = dat | ὃ (ho) = wat | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | λαλοῦμεν (laloumen) = spreken wij | καὶ (kai) = en | ὃ (ho) = wat | ἑωράκαμεν (heorakamen) = wij hebben gezien | μαρτυροῦμεν (martyroumen) = getuigen wij | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = het | μαρτυρίαν (martyrian) = getuigenis | ἡμῶν (hemon) = ons | οὐ (ou) = niet | λαμβάνετε (lambanete) = nemen jullie aan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier ‘wij’; het zegt niet wie Yeshua erbij rekent. **3:12** **Als Ik jullie over aardse dingen gesproken heb en jullie geloven niet, hoe zullen jullie dan geloven als Ik jullie over hemelse dingen spreek?** Brontekst: εἰ (ei) = als | τὰ (ta) = de | ἐπίγεια (epigeia) = aardse dingen | εἶπον (eipon) = zei Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | πιστεύετε (pisteuete) = geloven jullie | πῶς (pos) = hoe | ἐὰν (ean) = als | εἴπω (eipo) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὰ (ta) = de | ἐπουράνια (epourania) = hemelse dingen | πιστεύσετε (pisteusete) = zullen jullie geloven Bron: SBLGNT **3:13** **En niemand is naar de hemel opgestegen, behalve Hij die uit de hemel is neergedaald: de Mensenzoon.** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἀναβέβηκεν (anabebeken) = is opgestegen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = Hij die | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καταβάς (katabas) = is neergedaald | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Voor ‘de Mensenzoon’ zie 1:51. Voetnoot Lezing: Sommige latere handschriften voegen na ‘neergedaald’ toe: ‘die in de hemel is’. Die woorden staan niet in de SBLGNT; wij vertalen de SBLGNT. **3:14** **Zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Mensenzoon verhoogd worden,** Brontekst: καὶ (kai) = en | καθὼς (kathos) = zoals | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | ὕψωσεν (hypsosen) = heeft verhoogd | τὸν (ton) = de | ὄφιν (ophin) = slang | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | οὕτως (houtos) = zo | ὑψωθῆναι (hypsothenai) = verhoogd te worden | δεῖ (dei) = moet | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Num. 21:8–9: Mozes zette een koperen slang op een paal, en wie ernaar keek, bleef leven. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: het woord kan ook ‘omhoogheffen’ en ‘verheffen, eren’ betekenen. Wij schrijven ‘verhogen’ ook in 8:28 en 12:32–34. Zie ook: Num 21:8–9 **3:15** **opdat ieder die in Hem gelooft, eeuwig leven heeft.** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | πιστεύων (pisteuon) = gelooft | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = Hem | ἔχῃ (eche) = heeft | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT ### Zo heeft Elohim de wereld liefgehad **3:16** **Want zo heeft Elohim de wereld liefgehad, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.** Brontekst: Οὕτως (Houtos) = zo | γὰρ (gar) = want | ἠγάπησεν (egapesen) = heeft liefgehad | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ὥστε (hoste) = zodat | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τὸν (ton) = de | μονογενῆ (monogene) = enige | ἔδωκεν (edoken) = gaf Hij | ἵνα (hina) = opdat | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | πιστεύων (pisteuon) = gelooft | εἰς (eis) = in | αὐτὸν (auton) = Hem | μὴ (me) = niet | ἀπόληται (apoletai) = verloren gaat | ἀλλὰ (alla) = maar | ἔχῃ (eche) = heeft | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen aanhalingstekens. Wij lezen 3:16–21 nog als woorden van Yeshua tot Nikodemus; ook is mogelijk dat de evangelist hier verder vertelt. Zie ook de voetnoot bij 3:31. Voetnoot : ἠγάπησεν (egapesen), ‘heeft liefgehad’: ἀγαπάω (agapao) vertalen wij overal met ‘liefhebben’. μονογενής (monogenes), ‘enige’: zie 1:14. **3:17** **Want Elohim heeft de Zoon niet in de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem gered wordt.** Brontekst: οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ἵνα (hina) = opdat | κρίνῃ (krine) = Hij oordeelt | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | σωθῇ (sothe) = gered wordt | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | δι’ (di’) = door | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίνω (krino), ‘oordelen’: het kan ook ‘veroordelen’ betekenen. Wij schrijven overal ‘oordelen’ en κρίσις (krisis) ‘oordeel’. **3:18** **Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld. Maar wie niet gelooft, is al geoordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de naam van de enige Zoon van Elohim.** Brontekst: ὁ (ho) = wie | πιστεύων (pisteuon) = gelooft | εἰς (eis) = in | αὐτὸν (auton) = Hem | οὐ (ou) = niet | κρίνεται (krinetai) = wordt geoordeeld | ὁ (ho) = wie | δὲ (de) = maar | μὴ (me) = niet | πιστεύων (pisteuon) = gelooft | ἤδη (ede) = al | κέκριται (kekritai) = is geoordeeld | ὅτι (hoti) = omdat | μὴ (me) = niet | πεπίστευκεν (pepisteuken) = hij heeft geloofd | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | τοῦ (tou) = van de | μονογενοῦς (monogenous) = enige | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **3:19** **Dit is het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, en de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht. Want hun werken waren slecht.** Brontekst: αὕτη (haute) = dit | δέ (de) = maar | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = het | κρίσις (krisis) = oordeel | ὅτι (hoti) = dat | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἐλήλυθεν (elelythen) = is gekomen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | καὶ (kai) = en | ἠγάπησαν (egapesan) = hebben liefgehad | οἱ (hoi) = de | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | μᾶλλον (mallon) = meer | τὸ (to) = de | σκότος (skotos) = duisternis | ἢ (e) = dan | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | αὐτῶν (auton) = hun | πονηρὰ (ponera) = slecht | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πονηρά (ponera), ‘slecht’: elders vertalen wij πονηρός met ‘de boze’, ‘boos’ of ‘slecht’; hier staat het bij ‘werken’. **3:20** **Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet naar het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden.** Brontekst: πᾶς (pas) = ieder | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = die | φαῦλα (phaula) = kwaad | πράσσων (prasson) = doet | μισεῖ (misei) = haat | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = naar | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | ἐλεγχθῇ (elenchthe) = ontmaskerd worden | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐλεγχθῇ (elenchthe), ‘ontmaskerd worden’: aan het licht gebracht en schuldig verklaard worden. **3:21** **Maar wie de waarheid doet, komt naar het licht, zodat openbaar wordt dat zijn werken in Elohim gedaan zijn.”** Brontekst: ὁ (ho) = wie | δὲ (de) = maar | ποιῶν (poion) = doet | τὴν (ten) = de | ἀλήθειαν (aletheian) = waarheid | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = naar | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἵνα (hina) = opdat | φανερωθῇ (phanerothe) = openbaar wordt | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = in | θεῷ (theo) = Elohim | ἐστιν (estin) = zijn | εἰργασμένα (eirgasmena) = gedaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De waarheid doen’ is een Hebreeuws klinkende uitdrukking: leven naar wat waar is. ### Yeshua en Johannes dopen **3:22** Hierna kwam Yeshua met Zijn leerlingen in het land Judea. Daar bleef Hij met hen en doopte Hij. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | ἦλθεν (elthen) = kwam | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | Ἰουδαίαν (Ioudaian) = Judese | γῆν (gen) = land | καὶ (kai) = en | ἐκεῖ (ekei) = daar | διέτριβεν (dietriben) = bleef Hij | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | καὶ (kai) = en | ἐβάπτιζεν (ebaptizen) = doopte Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: Zie ook Joh. 4:1–3. Zie ook: Joh 4:1–3 **3:23** Ook Johannes was aan het dopen in Enon, vlak bij Salim, want daar was veel water, en de mensen kwamen en werden gedoopt. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | βαπτίζων (baptizon) = dopend | ἐν (en) = in | Αἰνὼν (Ainon) = Enon | ἐγγὺς (engys) = nabij | τοῦ (tou) = van | Σαλείμ (Saleim) = Salim | ὅτι (hoti) = omdat | ὕδατα (hydata) = water | πολλὰ (polla) = veel | ἦν (en) = was | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = en | παρεγίνοντο (pareginonto) = kwamen | καὶ (kai) = en | ἐβαπτίζοντο (ebaptizonto) = werden gedoopt Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Enon bij Salim (ligging onzeker): De ligging van Enon en Salim is onzeker. Voorgesteld worden plaatsen ten oosten van Nablus (bij het huidige Salim) en in het Jordaandal. Dit punt is een grove gok. **3:24** Johannes was namelijk nog niet in de gevangenis geworpen. Brontekst: οὔπω (oupo) = nog niet | γὰρ (gar) = want | ἦν (en) = was | βεβλημένος (beblemenos) = geworpen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | φυλακὴν (phylaken) = gevangenis | ὁ (ho) = de | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 4:12; Matt. 14:3–5; Mark. 1:14; Mark. 6:17–20. Zie ook: Mat 4:12; Mat 14:3–5; Mar 1:14; Mar 6:17–20 ### Johannes: Hij moet groter worden **3:25** Er ontstond een twistgesprek tussen leerlingen van Johannes en een Jood over reiniging. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = ontstond | οὖν (oun) = dus | ζήτησις (zetesis) = twistgesprek | ἐκ (ek) = van | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | μετὰ (meta) = met | Ἰουδαίου (Ioudaiou) = een Jood | περὶ (peri) = over | καθαρισμοῦ (katharismou) = reiniging Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζήτησις (zetesis), ‘twistgesprek’: een discussie met tegenspraak. καθαρισμός (katharismos), ‘reiniging’: zie 2:6. **3:26** Zij kwamen bij Johannes en zeiden tegen hem: „Rabbi, Hij die met jou was aan de overkant van de Jordaan, over wie jij getuigd hebt: zie, Hij doopt. Iedereen komt naar Hem toe.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot hem | Ῥαββί (Rhabbi) = Rabbi | ὃς (hos) = Hij die | ἦν (en) = was | μετὰ (meta) = met | σοῦ (sou) = jou | πέραν (peran) = aan de overkant | τοῦ (tou) = van de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan | ᾧ (ho) = over wie | σὺ (sy) = jij | μεμαρτύρηκας (memartyrekas) = hebt getuigd | ἴδε (ide) = zie | οὗτος (houtos) = deze | βαπτίζει (baptizei) = doopt | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | ἔρχονται (erchontai) = komen | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **3:27** Johannes antwoordde en zei: „Een mens kan niets ontvangen als het hem niet uit de hemel gegeven is. Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐ (Ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | ἄνθρωπος (anthropos) = een mens | λαμβάνειν (lambanein) = ontvangen | οὐδὲ (oude) = niet eens | ἓν (hen) = één | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | ᾖ (e) = het is | δεδομένον (dedomenon) = gegeven | αὐτῷ (auto) = hem | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel Bron: SBLGNT **3:28** Jullie zelf getuigen voor mij dat ik gezegd heb: ‘Ik ben de Messias niet’, maar: ‘Ik ben vóór Hem uit gezonden.’ Brontekst: αὐτοὶ (autoi) = zelf | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | μοι (moi) = voor mij | μαρτυρεῖτε (martyreite) = getuigen | ὅτι (hoti) = dat | εἶπον (eipon) = zei ik | Οὐκ (Ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐγὼ (ego) = ik | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | ἀλλ’ (all’) = maar | ὅτι (hoti) = dat | Ἀπεσταλμένος (Apestalmenos) = gezonden | εἰμὶ (eimi) = ben ik | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | ἐκείνου (ekeinou) = Hem Bron: SBLGNT **3:29** Wie de bruid heeft, is de bruidegom. De vriend van de bruidegom, die erbij staat en naar Hem luistert, is zeer verheugd door de stem van de bruidegom. Zo is deze vreugde van mij vervuld. Brontekst: ὁ (ho) = wie | ἔχων (echon) = heeft | τὴν (ten) = de | νύμφην (nymphen) = bruid | νυμφίος (nymphios) = bruidegom | ἐστίν (estin) = is | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | φίλος (philos) = vriend | τοῦ (tou) = van de | νυμφίου (nymphiou) = bruidegom | ὁ (ho) = die | ἑστηκὼς (hestekos) = staat | καὶ (kai) = en | ἀκούων (akouon) = luistert | αὐτοῦ (autou) = naar Hem | χαρᾷ (chara) = met vreugde | χαίρει (chairei) = verheugt zich | διὰ (dia) = vanwege | τὴν (ten) = de | φωνὴν (phonen) = stem | τοῦ (tou) = van de | νυμφίου (nymphiou) = bruidegom | αὕτη (haute) = deze | οὖν (oun) = dus | ἡ (he) = de | χαρὰ (chara) = vreugde | ἡ (he) = de | ἐμὴ (eme) = mijne | πεπλήρωται (peplerotai) = is vervuld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De bruidegom en de bruid zijn een beeld uit de Schrift voor Elohim en Zijn volk (Jes. 62:5; Hos. 2:21–22). Yeshua noemt Zichzelf de bruidegom in Matt. 9:15 en Mark. 2:19–20. Zie ook: Hos 2:21–22; Jes 62:5; Mat 9:15; Mar 2:19–20 **3:30** Hij moet groter worden, en ik moet kleiner worden.” Brontekst: ἐκεῖνον (ekeinon) = Hij | δεῖ (dei) = het is nodig | αὐξάνειν (auxanein) = groter te worden | ἐμὲ (eme) = mij | δὲ (de) = maar | ἐλαττοῦσθαι (elattousthai) = kleiner te worden Bron: SBLGNT ### Hij die van boven komt **3:31** Hij die van boven komt, is boven allen. Wie van de aarde is, is van de aarde en spreekt van de aarde. Hij die uit de hemel komt, is boven allen. Brontekst: Ὁ (Ho) = Hij die | ἄνωθεν (anothen) = van boven | ἐρχόμενος (erchomenos) = komt | ἐπάνω (epano) = boven | πάντων (panton) = allen | ἐστίν (estin) = is | ὁ (ho) = wie | ὢν (on) = is | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | λαλεῖ (lalei) = spreekt | ὁ (ho) = Hij die | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἐρχόμενος (erchomenos) = komt | ἐπάνω (epano) = boven | πάντων (panton) = allen | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen aanhalingstekens. De woorden in 3:31–36 kunnen van Johannes de Doper zijn of van de evangelist; wij laten ze zwart en zonder aanhalingstekens. ἄνωθεν (anothen), ‘van boven’: zie 3:3. **3:32** Wat Hij gezien en gehoord heeft, daarvan getuigt Hij, maar niemand neemt Zijn getuigenis aan. Brontekst: ὃ (ho) = wat | ἑώρακεν (heoraken) = Hij heeft gezien | καὶ (kai) = en | ἤκουσεν (ekousen) = heeft gehoord | τοῦτο (touto) = dit | μαρτυρεῖ (martyrei) = getuigt Hij | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = het | μαρτυρίαν (martyrian) = getuigenis | αὐτοῦ (autou) = Zijn | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | λαμβάνει (lambanei) = neemt aan Bron: SBLGNT **3:33** Wie Zijn getuigenis heeft aangenomen, heeft bezegeld dat Elohim waarachtig is. Brontekst: ὁ (ho) = wie | λαβὼν (labon) = aannam | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὴν (ten) = het | μαρτυρίαν (martyrian) = getuigenis | ἐσφράγισεν (esphragisen) = heeft bezegeld | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἀληθής (alethes) = waarachtig | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐσφράγισεν (esphragisen), ‘heeft bezegeld’: van een zegel voorzien als teken van echtheid. Hetzelfde werkwoord staat in 6:27. **3:34** Want Hij die door Elohim gezonden is, spreekt de woorden van Elohim. Want Hij geeft de Geest niet met mate. Brontekst: ὃν (hon) = Hij die | γὰρ (gar) = want | ἀπέστειλεν (apesteilen) = heeft gezonden | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | λαλεῖ (lalei) = spreekt Hij | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἐκ (ek) = naar | μέτρου (metrou) = maat | δίδωσιν (didosin) = geeft Hij | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet wie de Geest ‘niet met mate’ geeft: Elohim of Hij die gezonden is. Wij laten dat zo staan. **3:35** De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in Zijn hand gegeven. Brontekst: ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἀγαπᾷ (agapa) = heeft lief | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = Zoon | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | δέδωκεν (dedoken) = heeft gegeven | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | χειρὶ (cheiri) = hand | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 11:27; Luc. 10:22. Zie ook: Mat 11:27; Luc 10:22 **3:36** Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Wie de Zoon niet gehoorzaamt, zal het leven niet zien, maar de toorn van Elohim blijft op hem. Brontekst: ὁ (ho) = wie | πιστεύων (pisteuon) = gelooft | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | ἔχει (echei) = heeft | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | ὁ (ho) = wie | δὲ (de) = maar | ἀπειθῶν (apeithon) = ongehoorzaam is | τῷ (to) = aan de | υἱῷ (huio) = Zoon | οὐκ (ouk) = niet | ὄψεται (opsetai) = zal zien | ζωήν (zoen) = leven | ἀλλ’ (all’) = maar | ἡ (he) = de | ὀργὴ (orge) = toorn | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | μένει (menei) = blijft | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀπειθῶν (apeithon), ‘die niet gehoorzaamt’: het staat tegenover ‘geloven’. ὀργή (orge), ‘toorn’. ## Johannes 4 _De Samaritaanse vrouw en de zoon van een koninklijk ambtenaar_ ### Yeshua verlaat Judea **4:1** Yeshua kwam dus te weten dat de Farizeeën gehoord hadden dat Hij meer leerlingen maakte en doopte dan Johannes. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | οὖν (oun) = dus | ἔγνω (egno) = wist | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | ἤκουσαν (ekousan) = hoorden | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πλείονας (pleionas) = meer | μαθητὰς (mathetas) = leerlingen | ποιεῖ (poiei) = maakt | καὶ (kai) = en | βαπτίζει (baptizei) = doopt | ἢ (e) = dan | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes Bron: SBLGNT **4:2** Yeshua zelf doopte overigens niet, maar Zijn leerlingen. Brontekst: καίτοιγε (kaitoige) = hoewel | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | αὐτὸς (autos) = zelf | οὐκ (ouk) = niet | ἐβάπτιζεν (ebaptizen) = doopte | ἀλλ’ (all’) = maar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Joh. 3:22 zegt dat Yeshua doopte. Hier vult de evangelist aan dat het Zijn leerlingen waren die doopten. Zie ook Joh. 3:26. Zie ook: Joh 3:22; Joh 3:26 **4:3** Hij verliet Judea en ging weer naar Galilea. Brontekst: ἀφῆκεν (apheken) = liet achter | τὴν (ten) = de | Ἰουδαίαν (Ioudaian) = Judea | καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | πάλιν (palin) = opnieuw | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. **4:4** Hij moest door Samaria reizen. Brontekst: ἔδει (edei) = moest | δὲ (de) = maar | αὐτὸν (auton) = Hem | διέρχεσθαι (dierchesthai) = doorreizen | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | Σαμαρείας (Samareias) = Samaria Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Yeshua trok er op weg naar Galilea doorheen. Voetnoot Uitleg: Samaria is het gebied tussen Judea in het zuiden en Galilea in het noorden. De kortste weg tussen die twee liep erdoorheen. Voetnoot : Ἔδει (edei), ‘moest’: het Grieks zegt niet of het om de weg gaat of om wat Elohim wil. ### Yeshua en de Samaritaanse vrouw bij de bron **4:5** Zo kwam Hij bij een stad in Samaria die Sichar heette, dichtbij het stuk land dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. Brontekst: ἔρχεται (erchetai) = komt | οὖν (oun) = dus | εἰς (eis) = naar | πόλιν (polin) = stad | τῆς (tes) = van de | Σαμαρείας (Samareias) = Samaria | λεγομένην (legomenen) = genoemd | Συχὰρ (Sychar) = Sichar | πλησίον (plesion) = dichtbij | τοῦ (tou) = het | χωρίου (choriou) = stuk land | ὃ (ho) = dat | ἔδωκεν (edoken) = gaf | Ἰακὼβ (Iakob) = Jakob | τῷ (to) = aan de | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | τῷ (to) = de | υἱῷ (huio) = zoon | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Yeshua trok er op weg naar Galilea doorheen. Zie Sichar (Askar?; ligging onzeker): Sichar was een stad in Samaria, vermoedelijk het huidige Askar, bij Sichem (Nablus). Ook Sichem zelf is voorgesteld. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Συχάρ (Sychar), door ons geschreven als ‘Sichar’: de ligging is niet zeker. Vaak wordt gedacht aan Askar, bij Sichem (het huidige Nablus). Voetnoot : Het Grieks noemt het stuk land niet bij naam. Vergelijk Gen. 33:19, Gen. 48:22 en Joz. 24:32, waar Jozef in Sichem wordt begraven. Zie ook: Gen 33:19; Gen 48:22; Joz 24:32 **4:6** Daar was de bron van Jakob. Yeshua, moe van de reis, ging zo bij de bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ἐκεῖ (ekei) = daar | πηγὴ (pege) = bron | τοῦ (tou) = van | Ἰακώβ (Iakob) = Jakob | ὁ (ho) = de | οὖν (oun) = dus | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | κεκοπιακὼς (kekopiakos) = moe geworden | ἐκ (ek) = van | τῆς (tes) = de | ὁδοιπορίας (hodoiporias) = reis | ἐκαθέζετο (ekathezeto) = zat neer | οὕτως (houtos) = zo | ἐπὶ (epi) = bij | τῇ (te) = de | πηγῇ (pege) = bron | ὥρα (hora) = uur | ἦν (en) = was | ὡς (hos) = ongeveer | ἕκτη (hekte) = zesde Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jakobsbron: De bron (put) van Jakob ligt bij het huidige Tell Balata, aan de rand van Nablus, bij het oude Sichem. Dit is waarschijnlijk de plek uit Johannes 4. Voetnoot Uitleg: πηγή (pege), ‘bron’: water dat uit de grond opwelt. In 4:11–12 staat φρέαρ (frear), ‘put’: een gegraven put. Voetnoot : οὕτως (houtos), ‘zo’: zoals Hij was, vermoeid van de reis. Voetnoot : ὥρα ἕκτη (hora hekte), ‘het zesde uur’: bij de Joodse telling vanaf zonsopgang is dat ongeveer 12 uur ’s middags. Als Johannes de Romeinse telling gebruikt (vanaf middernacht), is het ongeveer 6 uur ’s ochtends. Zie ook 1:39 en de voetnoot bij Joh. 19:14. Zie ook: Joh 19:14 **4:7** Een vrouw uit Samaria kwam water scheppen. Yeshua zei tegen haar: **„Geef Mij te drinken.”** Brontekst: Ἔρχεται (Erchetai) = komt | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | Σαμαρείας (Samareias) = Samaria | ἀντλῆσαι (antlesai) = om te scheppen | ὕδωρ (hydor) = water | λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = tegen haar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Δός (Dos) = geef | μοι (moi) = Mij | πεῖν (pein) = te drinken Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Yeshua trok er op weg naar Galilea doorheen. **4:8** Want Zijn leerlingen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen. Brontekst: οἱ (hoi) = de | γὰρ (gar) = want | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἀπεληλύθεισαν (apelelytheisan) = waren weggegaan | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | ἵνα (hina) = opdat | τροφὰς (trophas) = voedsel | ἀγοράσωσιν (agorasosin) = zij kopen Bron: SBLGNT **4:9** De Samaritaanse vrouw zei tegen Hem: „Hoe vraagt U, een Jood, mij te drinken? Ik ben een Samaritaanse vrouw.” Joden hebben namelijk geen omgang met Samaritanen. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | ἡ (he) = de | Σαμαρῖτις (Samaritis) = Samaritaanse | Πῶς (Pos) = hoe | σὺ (sy) = U | Ἰουδαῖος (Ioudaios) = Jood | ὢν (on) = zijnde | παρ’ (par’) = van | ἐμοῦ (emou) = mij | πεῖν (pein) = te drinken | αἰτεῖς (aiteis) = vraagt | γυναικὸς (gynaikos) = vrouw | Σαμαρίτιδος (Samaritidos) = Samaritaanse | οὔσης (ouses) = zijnde | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | συγχρῶνται (synchrontai) = hebben omgang | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | Σαμαρίταις (Samaritais) = met Samaritanen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σαμαρῖτις (Samaritis), ‘Samaritaanse’: een vrouw uit Samaria. Zie 2 Kon. 17:24–41 over de bevolking van Samaria. De Joden hadden over het algemeen geen omgang met de Samaritanen. Voetnoot : συγχράομαι (synchraomai) betekent ‘samen gebruiken’ of ‘omgang hebben met’. Het kan gaan om het gezamenlijk gebruik van een drinkvat. Voetnoot : Ἰουδαῖος (Ioudaios), ‘Jood’: zie de Uitleg bij 1:19. Zie ook: 2 Kon 17:24–41 **4:10** Yeshua antwoordde en zei tegen haar: **„Als je de gave van Elohim kende en wist wie tegen je zegt: ‘Geef Mij te drinken’, dan zou jij Hem gevraagd hebben. Dan zou Hij je levend water gegeven hebben.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tegen haar | Εἰ (Ei) = als | ᾔδεις (edeis) = je kende | τὴν (ten) = de | δωρεὰν (dorean) = gave | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | λέγων (legon) = zeggende | σοι (soi) = tegen je | Δός (Dos) = geef | μοι (moi) = Mij | πεῖν (pein) = te drinken | σὺ (sy) = jij | ἂν (an) = dan | ᾔτησας (etesas) = zou hebben gevraagd | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἔδωκεν (edoken) = zou hebben gegeven | ἄν (an) = dan | σοι (soi) = je | ὕδωρ (hydor) = water | ζῶν (zon) = levend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δωρεά (dorea), ‘gave’: een geschenk van Elohim. Voetnoot : ὕδωρ ζῶν (hydor zon), ‘levend water’: stromend water uit een bron, anders dan water dat uit een put wordt geschept. Zie Gen. 26:19 en Jer. 2:13, waar Yahweh ‘de bron van levend water’ heet; zie ook Zach. 14:8. Zie ook: Gen 26:19; Jer 2:13; Zach 14:8 **4:11** De vrouw zei tegen Hem: „Heer, U hebt geen emmer en de put is diep. Waar hebt U dan dat levende water vandaan? Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | ἡ (he) = de | γυνή (gyne) = vrouw | Κύριε (Kyrie) = Heer | οὔτε (oute) = noch | ἄντλημα (antlema) = emmer | ἔχεις (echeis) = U hebt | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | φρέαρ (phrear) = put | ἐστὶν (estin) = is | βαθύ (bathy) = diep | πόθεν (pothen) = vanwaar | οὖν (oun) = dus | ἔχεις (echeis) = U hebt | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water | τὸ (to) = het | ζῶν (zon) = levende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘Heer’: ook een beleefde aanspreking, zoals ‘meneer’. De vrouw weet nog niet wie Hij is. Wij schrijven bij de aanspreking van Yeshua overal ‘Heer’. **4:12** U bent toch niet groter dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft? Hij heeft er zelf uit gedronken, met zijn zonen en zijn vee.” Brontekst: μὴ (me) = toch niet | σὺ (sy) = U | μείζων (meizon) = groter | εἶ (ei) = bent | τοῦ (tou) = dan de | πατρὸς (patros) = vader | ἡμῶν (hemon) = onze | Ἰακώβ (Iakob) = Jakob | ὃς (hos) = die | ἔδωκεν (edoken) = gaf | ἡμῖν (hemin) = aan ons | τὸ (to) = de | φρέαρ (phrear) = put | καὶ (kai) = en | αὐτὸς (autos) = zelf | ἐξ (ex) = uit | αὐτοῦ (autou) = die | ἔπιεν (epien) = dronk | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | υἱοὶ (huioi) = zonen | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = het | θρέμματα (thremmata) = vee | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **4:13** Yeshua antwoordde en zei tegen haar: **„Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tegen haar | Πᾶς (Pas) = ieder | ὁ (ho) = de | πίνων (pinon) = drinkende | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ὕδατος (hydatos) = water | τούτου (toutou) = dit | διψήσει (dipsesei) = zal dorst hebben | πάλιν (palin) = opnieuw Bron: SBLGNT **4:14** **Maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal voor eeuwig geen dorst meer hebben. Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron van water worden, dat opwelt tot eeuwig leven.”** Brontekst: ὃς (hos) = wie | δ’ (d’) = maar | ἂν (an) = ooit | πίῃ (pie) = drinkt | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ὕδατος (hydatos) = water | οὗ (hou) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | δώσω (doso) = zal geven | αὐτῷ (auto) = hem | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | διψήσει (dipsesei) = zal dorst hebben | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water | ὃ (ho) = dat | δώσω (doso) = Ik zal geven | αὐτῷ (auto) = hem | γενήσεται (genesetai) = zal worden | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem | πηγὴ (pege) = bron | ὕδατος (hydatos) = van water | ἁλλομένου (hallomenou) = opwellend | εἰς (eis) = tot | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὸν αἰῶνα (eis ton aiona), ‘voor eeuwig’: letterlijk ‘tot de eeuwigheid’. Wij vertalen deze uitdrukking overal zo (zie Matt. 21:19; Mark. 11:14). Voetnoot : ἅλλομαι (hallomai), ‘springen’, ‘opwellen’. Zie ook: Mat 21:19; Mar 11:14 **4:15** Zij zei tegen Hem: „Heer, geef mij dit water, zodat ik geen dorst meer heb en hier niet meer hoef te komen om te scheppen.” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = Hem | ἡ (he) = de | γυνή (gyne) = vrouw | Κύριε (Kyrie) = Heer | δός (dos) = geef | μοι (moi) = mij | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | διψῶ (dipso) = ik dorst heb | μηδὲ (mede) = noch | διέρχωμαι (dierchomai) = ik kom | ἐνθάδε (enthade) = hierheen | ἀντλεῖν (antlein) = om te scheppen Bron: SBLGNT **4:16** Hij zei tegen haar: **„Ga je man roepen en kom hier.”** Brontekst: Λέγει (Legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = tegen haar | Ὕπαγε (Hypage) = ga | φώνησον (phoneson) = roep | τὸν (ton) = de | ἄνδρα (andra) = man | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἐλθὲ (elthe) = kom | ἐνθάδε (enthade) = hierheen Bron: SBLGNT **4:17** De vrouw antwoordde en zei tegen Hem: „Ik heb geen man.” Yeshua zei tegen haar: **„Je hebt terecht gezegd: ‘Ik heb geen man.’** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔχω (echo) = ik heb | ἄνδρα (andra) = man | λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = tegen haar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Καλῶς (Kalos) = terecht | εἶπας (eipas) = je zei | ὅτι (hoti) = dat | Ἄνδρα (Andra) = man | οὐκ (ouk) = niet | ἔχω (echo) = ik heb Bron: SBLGNT **4:18** **Want je hebt 5 mannen gehad, en degene die je nu hebt, is je man niet. Dit heb je naar waarheid gezegd.”** Brontekst: πέντε (pente) = 5 | γὰρ (gar) = want | ἄνδρας (andras) = mannen | ἔσχες (esches) = je had | καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | ὃν (hon) = die | ἔχεις (echeis) = je hebt | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | σου (sou) = je | ἀνήρ (aner) = man | τοῦτο (touto) = dit | ἀληθὲς (alethes) = waar | εἴρηκας (eirekas) = je hebt gezegd Bron: SBLGNT **4:19** De vrouw zei tegen Hem: „Heer, ik zie dat U een profeet bent. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | ἡ (he) = de | γυνή (gyne) = vrouw | Κύριε (Kyrie) = Heer | θεωρῶ (theoro) = ik zie | ὅτι (hoti) = dat | προφήτης (prophetes) = profeet | εἶ (ei) = bent | σύ (sy) = U Bron: SBLGNT **4:20** Onze vaders hebben zich op deze berg neergebogen, en jullie zeggen dat in Jeruzalem de plaats is waar men zich moet neerbuigen.” Brontekst: οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | ὄρει (orei) = berg | τούτῳ (touto) = deze | προσεκύνησαν (prosekynesan) = bogen zich neer | καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | λέγετε (legete) = zeggen | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = in | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | ἐστὶν (estin) = is | ὁ (ho) = de | τόπος (topos) = plaats | ὅπου (hopou) = waar | προσκυνεῖν (proskynein) = zich neerbuigen | δεῖ (dei) = het nodig is Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Gerizim (‘deze berg’): Met ‘deze berg’ bedoelt de Samaritaanse vrouw de Gerizim, bij Sichem. Dat was de heilige berg van de Samaritanen. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ‘Deze berg’ is de berg Gerizim, bij Sichem (Deut. 11:29; Deut. 27:12). De Samaritanen bogen zich daar neer voor Elohim; de Joden deden dat in Jeruzalem. Voetnoot : προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: letterlijk zich diep buigen voor iemand. Wij vertalen het overal zo (zie Matt. 2:2). Zie ook: Deut 11:29; Deut 27:12; Mat 2:2 **4:21** Hij zei tegen haar: **„Geloof Mij, vrouw. Er komt een uur dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem zich voor de Vader zullen neerbuigen.** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = tegen haar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Πίστευέ (Pisteue) = geloof | μοι (moi) = Mij | γύναι (gynai) = vrouw | ὅτι (hoti) = dat | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὥρα (hora) = uur | ὅτε (hote) = wanneer | οὔτε (oute) = noch | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | ὄρει (orei) = berg | τούτῳ (touto) = deze | οὔτε (oute) = noch | ἐν (en) = in | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | προσκυνήσετε (proskynesete) = zullen zich neerbuigen | τῷ (to) = voor de | πατρί (patri) = Vader Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Gerizim (‘deze berg’): Met ‘deze berg’ bedoelt de Samaritaanse vrouw de Gerizim, bij Sichem. Dat was de heilige berg van de Samaritanen. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **4:22** **Jullie buigen zich neer voor wat jullie niet kennen. Wij buigen ons neer voor wat wij kennen, want de redding komt uit de Joden.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | προσκυνεῖτε (proskyneite) = buigen zich neer | ὃ (ho) = wat | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = jullie kennen | ἡμεῖς (hemeis) = wij | προσκυνοῦμεν (proskynoumen) = buigen ons neer | ὃ (ho) = wat | οἴδαμεν (oidamen) = wij kennen | ὅτι (hoti) = want | ἡ (he) = de | σωτηρία (soteria) = redding | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT **4:23** **Maar er komt een uur, en het is er nu al, dat de ware aanbidders zich in geest en waarheid voor de Vader zullen neerbuigen. Want ook de Vader zoekt zulke mensen, die zich voor Hem neerbuigen.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὥρα (hora) = uur | καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | ἐστιν (estin) = is | ὅτε (hote) = wanneer | οἱ (hoi) = de | ἀληθινοὶ (alethinoi) = ware | προσκυνηταὶ (proskynetai) = aanbidders | προσκυνήσουσιν (proskynesousin) = zullen zich neerbuigen | τῷ (to) = voor de | πατρὶ (patri) = Vader | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = geest | καὶ (kai) = en | ἀληθείᾳ (aletheia) = waarheid | καὶ (kai) = en | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | τοιούτους (toioutous) = zulke | ζητεῖ (zetei) = zoekt | τοὺς (tous) = de | προσκυνοῦντας (proskynountas) = zich neerbuigenden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσκυνητής (proskynetes), ‘aanbidder’: iemand die zich neerbuigt. Het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. Wij schrijven ‘aanbidder’, omdat ‘de ware neerbuigers’ niet natuurlijk klinkt; het werkwoord blijft ‘zich neerbuigen’. Voetnoot : ἀληθινός (alethinos), ‘waar’, ‘echt’. **4:24** **Elohim is geest, en wie zich voor Hem neerbuigen, moeten zich in geest en waarheid neerbuigen.”** Brontekst: πνεῦμα (pneuma) = geest | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | προσκυνοῦντας (proskynountas) = zich neerbuigenden | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | πνεύματι (pneumati) = geest | καὶ (kai) = en | ἀληθείᾳ (aletheia) = waarheid | δεῖ (dei) = het is nodig | προσκυνεῖν (proskynein) = zich neer te buigen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen lidwoord bij πνεῦμα (pneuma): ‘Elohim is geest’ zegt wat Hij is. Wij schrijven ‘geest’ met een kleine letter. ‘In geest en waarheid’ kan ook betekenen ‘in de Geest en in waarheid’; ook daar heeft het Grieks geen lidwoord. **4:25** De vrouw zei tegen Hem: „Ik weet dat Messias komt, die de Gezalfde genoemd wordt. Wanneer Hij komt, zal Hij ons alles bekendmaken.” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | ἡ (he) = de | γυνή (gyne) = vrouw | Οἶδα (Oida) = ik weet | ὅτι (hoti) = dat | Μεσσίας (Messias) = Messias | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | λεγόμενος (legomenos) = genoemde | χριστός (christos) = Gezalfde | ὅταν (hotan) = wanneer | ἔλθῃ (elthe) = Hij komt | ἐκεῖνος (ekeinos) = Die | ἀναγγελεῖ (anangelei) = zal bekendmaken | ἡμῖν (hemin) = ons | ἅπαντα (hapanta) = alles Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Μεσσίας (Messias) is het Aramese woord voor ‘gezalfde’ in Griekse letters; de evangelist vertaalt het met χριστός (christos). Zie de Uitleg bij 1:41. **4:26** Yeshua zei tegen haar: **„Ik ben het, die met je spreekt.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = tegen haar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = de | λαλῶν (lalon) = sprekende | σοι (soi) = tegen je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi) is letterlijk ‘Ik ben’. Hier betekent het ‘Ik ben het’. Dezelfde woorden staan in 6:20; vergelijk Exod. 3:14. Zie ook: Ex 3:14 **4:27** Op dat moment kwamen Zijn leerlingen. Zij verbaasden zich erover dat Hij met een vrouw sprak. Toch zei niemand: „Wat zoekt U?” of: „Wat bespreekt U met haar?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἐπὶ (epi) = op | τούτῳ (touto) = dit | ἦλθαν (elthan) = kwamen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἐθαύμαζον (ethaumazon) = verbaasden zich | ὅτι (hoti) = dat | μετὰ (meta) = met | γυναικὸς (gynaikos) = vrouw | ἐλάλει (elalei) = Hij sprak | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | μέντοι (mentoi) = toch | εἶπεν (eipen) = zei | Τί (Ti) = wat | ζητεῖς (zeteis) = U zoekt | ἢ (e) = of | τί (ti) = wat | λαλεῖς (laleis) = U bespreekt | μετ’ (met’) = met | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT ### De vrouw gaat naar de stad **4:28** De vrouw liet dus haar waterkruik achter, ging naar de stad en zei tegen de mensen: Brontekst: ἀφῆκεν (apheken) = liet achter | οὖν (oun) = dus | τὴν (ten) = de | ὑδρίαν (hydrian) = waterkruik | αὐτῆς (autes) = haar | ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | καὶ (kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | πόλιν (polin) = stad | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen Bron: SBLGNT **4:29** „Kom, zie een man die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb. Zou dit soms de Messias zijn?” Brontekst: Δεῦτε (Deute) = kom | ἴδετε (idete) = zie | ἄνθρωπον (anthropon) = man | ὃς (hos) = die | εἶπέ (eipe) = zei | μοι (moi) = mij | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | ἐποίησα (epoiesa) = ik deed | μήτι (meti) = toch niet | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT **4:30** Zij gingen de stad uit en kwamen naar Hem toe. Brontekst: ἐξῆλθον (exelthon) = gingen uit | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | καὶ (kai) = en | ἤρχοντο (erchonto) = kwamen | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT ### Het voedsel van Yeshua en de oogst **4:31** Intussen vroegen de leerlingen Hem: „Rabbi, eet.” Brontekst: Ἐν (En) = in | τῷ (to) = het | μεταξὺ (metaxy) = tussen | ἠρώτων (eroton) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ῥαββί (Rhabbi) = rabbi | φάγε (phage) = eet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: zie de Uitleg bij 1:38. **4:32** Hij zei tegen hen: **„Ik heb voedsel om te eten, dat jullie niet kennen.”** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἐγὼ (Ego) = Ik | βρῶσιν (brosin) = voedsel | ἔχω (echo) = heb | φαγεῖν (phagein) = om te eten | ἣν (hen) = dat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = kennen Bron: SBLGNT **4:33** De leerlingen zeiden dus tegen elkaar: „Heeft iemand Hem soms te eten gebracht?” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | Μή (Me) = toch niet | τις (tis) = iemand | ἤνεγκεν (enenken) = bracht | αὐτῷ (auto) = Hem | φαγεῖν (phagein) = te eten Bron: SBLGNT **4:34** Yeshua zei tegen hen: **„Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hem die Mij gestuurd heeft, en Zijn werk voltooi.** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐμὸν (Emon) = Mijn | βρῶμά (broma) = voedsel | ἐστιν (estin) = is | ἵνα (hina) = opdat | ποιήσω (poieso) = Ik doe | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | πέμψαντός (pempsantos) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | τελειώσω (teleioso) = Ik voltooi | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὸ (to) = het | ἔργον (ergon) = werk Bron: SBLGNT **4:35** **Zeggen jullie niet: ‘Nog 4 maanden, en dan komt de oogst’? Zie, Ik zeg jullie: sla jullie ogen op en kijk naar de velden: ze zijn al wit voor de oogst.** Brontekst: οὐχ (ouch) = niet | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | λέγετε (legete) = zeggen | ὅτι (hoti) = dat | Ἔτι (Eti) = nog | τετράμηνός (tetramenos) = 4 maanden | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θερισμὸς (therismos) = oogst | ἔρχεται (erchetai) = komt | ἰδοὺ (idou) = zie | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐπάρατε (eparate) = sla op | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | θεάσασθε (theasasthe) = aanschouw | τὰς (tas) = de | χώρας (choras) = velden | ὅτι (hoti) = dat | λευκαί (leukai) = wit | εἰσιν (eisin) = zijn | πρὸς (pros) = voor | θερισμόν (therismon) = oogst | ἤδη (ede) = al Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λευκός (leukos), ‘wit’: hier waarschijnlijk van graan dat rijp is voor de oogst. χώρα (chora), ‘veld’: het open land. **4:36** **Wie oogst, ontvangt loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven, zodat wie zaait en wie oogst zich samen verheugen.** Brontekst: ὁ (ho) = de | θερίζων (therizon) = oogstende | μισθὸν (misthon) = loon | λαμβάνει (lambanei) = ontvangt | καὶ (kai) = en | συνάγει (synagei) = verzamelt | καρπὸν (karpon) = vrucht | εἰς (eis) = tot | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | ἵνα (hina) = opdat | ὁ (ho) = de | σπείρων (speiron) = zaaiende | ὁμοῦ (homou) = samen | χαίρῃ (chaire) = zich verheugt | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θερίζων (therizon) = oogstende Bron: SBLGNT **4:37** **Want hierin is het woord waar: ‘De een zaait en de ander oogst.’** Brontekst: ἐν (en) = in | γὰρ (gar) = want | τούτῳ (touto) = dit | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | ἐστὶν (estin) = is | ἀληθινὸς (alethinos) = waar | ὅτι (hoti) = dat | Ἄλλος (Allos) = een ander | ἐστὶν (estin) = is | ὁ (ho) = de | σπείρων (speiron) = zaaiende | καὶ (kai) = en | ἄλλος (allos) = een ander | ὁ (ho) = de | θερίζων (therizon) = oogstende Bron: SBLGNT **4:38** **Ik heb jullie gezonden om te oogsten waar jullie niet voor gezwoegd hebben. Anderen hebben gezwoegd, en jullie zijn binnengegaan in hun moeite.”** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | ἀπέστειλα (apesteila) = zond | ὑμᾶς (hymas) = jullie | θερίζειν (therizein) = om te oogsten | ὃ (ho) = wat | οὐχ (ouch) = niet | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | κεκοπιάκατε (kekopiakate) = hebben gezwoegd | ἄλλοι (alloi) = anderen | κεκοπιάκασιν (kekopiakasin) = hebben gezwoegd | καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόπον (kopon) = moeite | αὐτῶν (auton) = hun | εἰσεληλύθατε (eiselelythate) = zijn binnengegaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοπιάω (kopiao), ‘zwoegen’: zwaar werk doen; κόπος (kopos), ‘moeite’. Wie met ‘anderen’ bedoeld wordt, zegt de tekst niet. ### Veel Samaritanen geloven in Hem **4:39** Veel Samaritanen uit die stad geloofden in Hem door het woord van de vrouw, die getuigde: „Hij heeft mij alles gezegd wat ik gedaan heb.” Brontekst: Ἐκ (Ek) = uit | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = de | πόλεως (poleos) = stad | ἐκείνης (ekeines) = die | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | εἰς (eis) = in | αὐτὸν (auton) = Hem | τῶν (ton) = van de | Σαμαριτῶν (Samariton) = Samaritanen | διὰ (dia) = door | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τῆς (tes) = van de | γυναικὸς (gynaikos) = vrouw | μαρτυρούσης (martyrouses) = getuigende | ὅτι (hoti) = dat | Εἶπέν (Eipen) = zei | μοι (moi) = mij | πάντα (panta) = alles | ἃ (ha) = wat | ἐποίησα (epoiesa) = ik deed Bron: SBLGNT **4:40** Toen de Samaritanen bij Hem kwamen, vroegen zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef daar 2 dagen. Brontekst: ὡς (hos) = toen | οὖν (oun) = dus | ἦλθον (elthon) = kwamen | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | Σαμαρῖται (Samaritai) = Samaritanen | ἠρώτων (eroton) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | μεῖναι (meinai) = te blijven | παρ’ (par’) = bij | αὐτοῖς (autois) = hen | καὶ (kai) = en | ἔμεινεν (emeinen) = bleef | ἐκεῖ (ekei) = daar | δύο (dyo) = 2 | ἡμέρας (hemeras) = dagen Bron: SBLGNT **4:41** En nog veel meer mensen geloofden door Zijn woord. Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλῷ (pollo) = veel | πλείους (pleious) = meer | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | διὰ (dia) = door | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **4:42** Zij zeiden tegen de vrouw: „Wij geloven niet meer door jouw verhaal. Want wij hebben zelf gehoord en weten dat Hij werkelijk de Redder van de wereld is.” Brontekst: τῇ (te) = aan de | τε (te) = en | γυναικὶ (gynaiki) = vrouw | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Οὐκέτι (Ouketi) = niet meer | διὰ (dia) = door | τὴν (ten) = het | σὴν (sen) = jouw | λαλιὰν (lalian) = verhaal | πιστεύομεν (pisteuomen) = wij geloven | αὐτοὶ (autoi) = zelf | γὰρ (gar) = want | ἀκηκόαμεν (akekoamen) = wij hebben gehoord | καὶ (kai) = en | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | ὅτι (hoti) = dat | οὗτός (houtos) = Hij | ἐστιν (estin) = is | ἀληθῶς (alethos) = werkelijk | ὁ (ho) = de | σωτὴρ (soter) = Redder | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σωτήρ (soter), ‘Redder’: wie redt; verwant aan σῴζω (sozo), ‘redden’. Voetnoot : λαλιά (lalia), ‘verhaal’: wat iemand zegt. Het verschilt van λόγος (logos), ‘woord’, in 4:39 en 4:41. ### Terug in Galilea **4:43** Na die 2 dagen vertrok Hij vandaar naar Galilea. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = maar | τὰς (tas) = de | δύο (dyo) = 2 | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. **4:44** Yeshua zelf had namelijk getuigd dat een profeet in zijn eigen vaderstad geen eer heeft. Brontekst: αὐτὸς (autos) = zelf | γὰρ (gar) = want | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐμαρτύρησεν (emartyresen) = getuigde | ὅτι (hoti) = dat | προφήτης (prophetes) = profeet | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἰδίᾳ (idia) = eigen | πατρίδι (patridi) = vaderstad | τιμὴν (timen) = eer | οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πατρίς (patris), ‘vaderstad’: de plaats waar iemand thuishoort. Wat hier bedoeld is (Nazaret, Galilea of Judea), is niet zeker. Zie ook Matt. 13:57; Mark. 6:4; Luc. 4:24. Zie ook: Mat 13:57; Mar 6:4; Luc 4:24 **4:45** Toen Hij in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem. Zij hadden alles gezien wat Hij op het feest in Jeruzalem gedaan had, want ook zijzelf waren naar het feest gegaan. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | οὖν (oun) = dus | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | ἐδέξαντο (edexanto) = ontvingen | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | Γαλιλαῖοι (Galilaioi) = Galileeërs | πάντα (panta) = alles | ἑωρακότες (heorakotes) = gezien hebbend | ὅσα (hosa) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = Hij deed | ἐν (en) = in | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | ἐν (en) = op | τῇ (te) = het | ἑορτῇ (heorte) = feest | καὶ (kai) = ook | αὐτοὶ (autoi) = zijzelf | γὰρ (gar) = want | ἦλθον (elthon) = gingen | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ἑορτήν (heorten) = feest Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het feest is het Pesach uit 2:13 en 2:23. ### Yeshua geneest de zoon van een koninklijk ambtenaar **4:46** Hij kwam dus opnieuw in Kana in Galilea, waar Hij het water wijn had gemaakt. Er was een koninklijk ambtenaar wiens zoon ziek was in Kapernaüm. Brontekst: Ἦλθεν (Elthen) = kwam | οὖν (oun) = dus | πάλιν (palin) = opnieuw | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Κανὰ (Kana) = Kana | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | ὅπου (hopou) = waar | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water | οἶνον (oinon) = wijn | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | τις (tis) = een | βασιλικὸς (basilikos) = koninklijk ambtenaar | οὗ (hou) = wiens | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | ἠσθένει (esthenei) = ziek was | ἐν (en) = in | Καφαρναούμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kana in Galilea (ligging onzeker): Kana in Galilea is waarschijnlijk Khirbet Qana of Kafr Kanna, ongeveer 12 km ten noordnoordoosten van Nazaret. Welke van de twee het is, is niet zeker. Het is een ander Kana dan dat bij Tyrus (Jozua 19:28). Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. Voetnoot Uitleg: Zie 2:1–11 voor het water dat wijn werd. Voetnoot : βασιλικός (basilikos), ‘koninklijk ambtenaar’: iemand in dienst van de koning, waarschijnlijk van Herodes Antipas. Voetnoot : Zie ook Matt. 8:5–13; Luc. 7:1–10: een verhaal dat hierop lijkt; de woorden verschillen. Zie ook: Mat 8:5–13; Luc 7:1–10 **4:47** Toen deze hoorde dat Yeshua uit Judea in Galilea gekomen was, ging hij naar Hem toe. Hij vroeg Hem naar beneden te komen en zijn zoon te genezen. Want die stond op het punt te sterven. Brontekst: οὗτος (houtos) = deze | ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἥκει (hekei) = is gekomen | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἠρώτα (erota) = vroeg | ἵνα (hina) = opdat | καταβῇ (katabe) = Hij zou afdalen | καὶ (kai) = en | ἰάσηται (iasetai) = zou genezen | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = zoon | ἤμελλεν (emellen) = stond op het punt | γὰρ (gar) = want | ἀποθνῄσκειν (apothneskein) = te sterven Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. **4:48** Yeshua zei tegen hem: **„Als jullie geen tekenen en wonderen zien, zullen jullie beslist niet geloven.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = hem | Ἐὰν (Ean) = als | μὴ (me) = niet | σημεῖα (semeia) = tekenen | καὶ (kai) = en | τέρατα (terata) = wonderen | ἴδητε (idete) = jullie zien | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | πιστεύσητε (pisteusete) = jullie zult geloven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σημεῖον (semeion), ‘teken’: zie de Uitleg bij 2:11. τέρας (teras), ‘wonder’. De woorden ‘tekenen en wonderen’ staan ook in Exod. 7:3 en Deut. 4:34. ‘Jullie’ is meervoud: Yeshua spreekt niet alleen tot deze man. Zie ook: Ex 7:3; Deut 4:34 **4:49** De koninklijk ambtenaar zei tegen Hem: „Heer, kom naar beneden voordat mijn kind sterft.” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | πρὸς (pros) = tot | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | βασιλικός (basilikos) = koninklijk ambtenaar | Κύριε (Kyrie) = Heer | κατάβηθι (katabethi) = kom naar beneden | πρὶν (prin) = voordat | ἀποθανεῖν (apothanein) = te sterven | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **4:50** Yeshua zei tegen hem: **„Ga, je zoon leeft.”** De man geloofde het woord dat Yeshua tot hem gezegd had, en ging. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Πορεύου (Poreuou) = ga | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = zoon | σου (sou) = je | ζῇ (ze) = leeft | ἐπίστευσεν (episteusen) = geloofde | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | τῷ (to) = het | λόγῳ (logo) = woord | ὃν (hon) = dat | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐπορεύετο (eporeueto) = ging Bron: SBLGNT **4:51** Terwijl hij al naar beneden ging, kwamen zijn knechten hem tegemoet. Zij zeiden dat zijn kind leefde. Brontekst: ἤδη (ede) = al | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = zijn | καταβαίνοντος (katabainontos) = afdalend | οἱ (hoi) = de | δοῦλοι (douloi) = knechten | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὑπήντησαν (hypentesan) = kwamen tegemoet | αὐτῷ (auto) = hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = het | παῖς (pais) = kind | αὐτοῦ (autou) = zijn | ζῇ (ze) = leeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’. παῖς (pais) kan ‘kind’ en ‘knecht’ betekenen; hier vertalen wij ‘kind’, zoals de zoon in 4:50, omdat de knechten al apart genoemd worden. In 4:49 staat παιδίον (paidion), ‘kind’. **4:52** Hij vroeg hun op welk uur het beter met hem was gegaan. Zij zeiden tegen hem: „Gisteren, op het zevende uur, liet de koorts hem los.” Brontekst: ἐπύθετο (epytheto) = vernam | οὖν (oun) = dus | τὴν (ten) = het | ὥραν (horan) = uur | παρ’ (par’) = van | αὐτῶν (auton) = hen | ἐν (en) = in | ᾗ (he) = welk | κομψότερον (kompsoteron) = beter | ἔσχεν (eschen) = het kreeg | εἶπαν (eipan) = zeiden | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὅτι (hoti) = dat | Ἐχθὲς (Echthes) = gisteren | ὥραν (horan) = uur | ἑβδόμην (hebdomen) = zevende | ἀφῆκεν (apheken) = liet los | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | πυρετός (pyretos) = koorts Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὥρα ἑβδόμη (hora hebdome), ‘het zevende uur’: bij de Joodse telling ongeveer 1 uur ’s middags; zie 4:6. **4:53** De vader besefte dat het op dat uur was, waarop Yeshua tegen hem gezegd had: **„Je zoon leeft.”** En hij geloofde, hij en zijn hele huis. Brontekst: ἔγνω (egno) = wist | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | ὅτι (hoti) = dat | ἐκείνῃ (ekeine) = op dat | τῇ (te) = de | ὥρᾳ (hora) = uur | ἐν (en) = in | ᾗ (he) = welk | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ὁ (Ho) = de | υἱός (huios) = zoon | σου (sou) = je | ζῇ (ze) = leeft | καὶ (kai) = en | ἐπίστευσεν (episteusen) = geloofde | αὐτὸς (autos) = hij | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | οἰκία (oikia) = huis | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὅλη (hole) = geheel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἰκία (oikia), ‘huis’: hier de huisgenoten, het hele huishouden. **4:54** Dit was opnieuw het tweede teken dat Yeshua deed, nadat Hij uit Judea in Galilea gekomen was. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | πάλιν (palin) = opnieuw | δεύτερον (deuteron) = tweede | σημεῖον (semeion) = teken | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐλθὼν (elthon) = gekomen zijnde | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | Ἰουδαίας (Ioudaias) = Judea | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Γαλιλαίαν (Galilaian) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Het eerste teken in Kana staat in 2:11. ## Johannes 5 _De genezing bij de vijver en de woorden over de Zoon_ ### De genezing bij de vijver Betesda **5:1** Hierna was er een feest van de Joden, en Yeshua ging op naar Jeruzalem. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | ἦν (en) = was | ἑορτὴ (heorte) = feest | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | καὶ (kai) = en | ἀνέβη (anebe) = ging op | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet welk feest het is. Het Grieks heeft geen lidwoord: ‘een feest van de Joden’. **5:2** In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een vijver, in het Hebreeuws Betesda genoemd, met 5 zuilengangen. Brontekst: ἔστιν (estin) = is | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | ἐπὶ (epi) = bij | τῇ (te) = de | προβατικῇ (probatike) = Schapen- | κολυμβήθρα (kolymbethra) = vijver | ἡ (he) = die | ἐπιλεγομένη (epilegomene) = genoemd | Ἑβραϊστὶ (Hebraisti) = in het Hebreeuws | Βηθεσδά (Bethesda) = Betesda | πέντε (pente) = 5 | στοὰς (stoas) = zuilengangen | ἔχουσα (echousa) = hebbend Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Schaapspoort (ligging onzeker): De Schaapspoort lag in de noordoostelijke muur van Jeruzalem, bij de tempel. De precieze plaats is niet zeker. Zie Betesda (vijver): Betesda was een vijver met vijf zuilengangen in Jeruzalem, ten noorden van de tempelberg, bij de Schaapspoort. Hij wordt gezocht bij de Sint-Annakerk. Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘bij de schapen-’ (ἐπὶ τῇ προβατικῇ), zonder het woord dat erbij hoort. Wij vullen ‘poort’ aan, naar de Schaapspoort in Neh. 3:1. Mogelijk is ook ‘schapenvijver’ bedoeld. Voetnoot : Ἑβραϊστί (Hebraisti), ‘in het Hebreeuws’: het Nieuwe Testament gebruikt dit woord ook voor Aramees. De betekenis van de naam Βηθεσδά (Bethesda) is onzeker. Voetnoot : στοά (stoa), ‘zuilengang’: een overdekte gang met zuilen. Zie ook: Neh 3:1 **5:3** Daarin lag een groot aantal zieken: blinden, kreupelen en verschrompelden. Brontekst: ἐν (en) = in | ταύταις (tautais) = deze | κατέκειτο (katekeito) = lag | πλῆθος (plethos) = groot aantal | τῶν (ton) = van de | ἀσθενούντων (asthenounton) = zieken | τυφλῶν (typhlon) = blinden | χωλῶν (cholon) = kreupelen | ξηρῶν (xeron) = verschrompelden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet. Voetnoot : ξηρός (xeros), ‘verschrompeld’: uitgedroogd; hier iemand met een verschrompeld lichaamsdeel (vergelijk Matt. 12:10). Zie ook: Mat 12:10 **5:5** Er was daar een man die 38 jaar lang ziek was. Brontekst: ἦν (en) = was | δέ (de) = maar | τις (tis) = een | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἐκεῖ (ekei) = daar | τριάκοντα (triakonta) = 30 | ὀκτὼ (okto) = 8 | ἔτη (ete) = jaren | ἔχων (echon) = hebbend | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀσθενείᾳ (astheneia) = ziekte | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **5:6** Toen Yeshua hem zag liggen en wist dat hij al lange tijd zo was, zei Hij tegen hem: **„Wil je gezond worden?”** Brontekst: τοῦτον (touton) = deze | ἰδὼν (idon) = ziende | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | κατακείμενον (katakeimenon) = liggend | καὶ (kai) = en | γνοὺς (gnous) = wetend | ὅτι (hoti) = dat | πολὺν (polyn) = lange | ἤδη (ede) = al | χρόνον (chronon) = tijd | ἔχει (echei) = hij heeft | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Θέλεις (Theleis) = wil je | ὑγιὴς (hygies) = gezond | γενέσθαι (genesthai) = worden Bron: SBLGNT **5:7** De zieke antwoordde Hem: „Heer, ik heb niemand die mij in de vijver zet wanneer het water in beroering komt. Terwijl ik zelf op weg ben, gaat een ander vóór mij naar beneden.” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = Hem | ὁ (ho) = de | ἀσθενῶν (asthenon) = zieke | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | οὐκ (ouk) = niet | ἔχω (echo) = ik heb | ἵνα (hina) = opdat | ὅταν (hotan) = wanneer | ταραχθῇ (tarachthe) = in beroering komt | τὸ (to) = het | ὕδωρ (hydor) = water | βάλῃ (bale) = werpt | με (me) = mij | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | κολυμβήθραν (kolymbethran) = vijver | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = welke | δὲ (de) = maar | ἔρχομαι (erchomai) = kom | ἐγὼ (ego) = ik | ἄλλος (allos) = een ander | πρὸ (pro) = vóór | ἐμοῦ (emou) = mij | καταβαίνει (katabainei) = daalt af Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘Heer’: zie de Uitleg bij 4:11. ταραχθῇ (tarachthe), ‘in beroering komt’: het water wordt onrustig. **5:8** Yeshua zei tegen hem: **„Sta op, neem je bed op en loop.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἔγειρε (Egeire) = sta op | ἆρον (aron) = neem op | τὸν (ton) = het | κράβαττόν (krabatton) = bed | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | περιπάτει (peripatei) = loop Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κράβαττος (krabattos), ‘bed’: een eenvoudig bed of een mat waarop een zieke werd gedragen. Bijna dezelfde woorden, ‘Sta op, neem je bed op en loop’, staan in Mark. 2:9 (een andere genezing); zie ook Mark. 2:1–12. Zie ook: Mar 2:1–12; Mar 2:9 **5:9** Meteen werd de man gezond. Hij nam zijn bed op en liep. Het was sabbat op die dag. Brontekst: καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἐγένετο (egeneto) = werd | ὑγιὴς (hygies) = gezond | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | καὶ (kai) = en | ἦρε (ere) = nam op | τὸν (ton) = het | κράβαττον (krabatton) = bed | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | περιεπάτει (periepatei) = liep | Ἦν (En) = was | δὲ (de) = maar | σάββατον (sabbaton) = sabbat | ἐν (en) = op | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het verbod om op de sabbat een last te dragen staat in Jer. 17:21–22. Zie ook Exod. 20:8–11. Zie ook: Ex 20:8–11; Jer 17:21–22 ### De Joden en de genezen man **5:10** De Joden zeiden dus tegen de genezen man: „Het is sabbat, en het is je niet geoorloofd je bed op te nemen.” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | τῷ (to) = aan de | τεθεραπευμένῳ (tetherapeumeno) = genezen | Σάββατόν (Sabbaton) = sabbat | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔξεστίν (exestin) = geoorloofd | σοι (soi) = je | ἆραι (arai) = op te nemen | τὸν (ton) = het | κράβαττον (krabatton) = bed Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier lijken de leiders in Jeruzalem bedoeld (zie de Uitleg bij 1:19). **5:11** Hij antwoordde hun: „Degene die mij gezond gemaakt heeft, heeft tegen mij gezegd: **‘Neem je bed op en loop.’**” Brontekst: ὃς (hos) = die | δὲ (de) = maar | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | Ὁ (Ho) = de | ποιήσας (poiesas) = gemaakt hebbende | με (me) = mij | ὑγιῆ (hygie) = gezond | ἐκεῖνός (ekeinos) = Die | μοι (moi) = mij | εἶπεν (eipen) = zei | Ἆρον (Aron) = neem op | τὸν (ton) = het | κράβαττόν (krabatton) = bed | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | περιπάτει (peripatei) = loop Bron: SBLGNT **5:12** Zij vroegen hem dus: „Wie is de man die tegen je gezegd heeft: **‘Neem het op en loop’**?” Brontekst: ἠρώτησαν (erotesan) = vroegen | οὖν (oun) = dus | αὐτόν (auton) = hem | Τίς (Tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ὁ (ho) = de | εἰπών (eipon) = gezegd hebbende | σοι (soi) = tegen je | Ἆρον (Aron) = neem op | καὶ (kai) = en | περιπάτει (peripatei) = loop Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen voorwerp bij ‘neem op’ (ἆρον). Wij vullen ‘het’ aan: het bed. **5:13** De genezen man wist niet wie het was, want Yeshua had Zich teruggetrokken, terwijl er een menigte op die plaats was. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἰαθεὶς (iatheis) = genezen | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδει (edei) = wist | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐξένευσεν (exeneusen) = trok Zich terug | ὄχλου (ochlou) = menigte | ὄντος (ontos) = zijnde | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | τόπῳ (topo) = plaats Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐκνεύω (ekneuo), ‘zich terugtrekken’: ongemerkt weggaan. **5:14** Daarna vond Yeshua hem in de tempel en zei tegen hem: **„Zie, je bent gezond geworden. Zondig niet meer, zodat je niet iets ergers overkomt.”** Brontekst: μετὰ (meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | εὑρίσκει (heuriskei) = vindt | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἴδε (Ide) = zie | ὑγιὴς (hygies) = gezond | γέγονας (gegonas) = je bent geworden | μηκέτι (meketi) = niet meer | ἁμάρτανε (hamartane) = zondig | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | χεῖρόν (cheiron) = ergers | σοί (soi) = je | τι (ti) = iets | γένηται (genetai) = gebeurt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelterrein. Voetnoot : χεῖρον (cheiron), ‘iets ergers’: wat dat is, zegt de tekst niet. **5:15** De man ging weg en vertelde de Joden dat het Yeshua was die hem gezond had gemaakt. Brontekst: ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | καὶ (kai) = en | ἀνήγγειλεν (anengeilen) = meldde | τοῖς (tois) = aan de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | ποιήσας (poiesas) = gemaakt hebbende | αὐτὸν (auton) = hem | ὑγιῆ (hygie) = gezond Bron: SBLGNT ### Yeshua en Zijn Vader **5:16** Daarom vervolgden de Joden Yeshua, omdat Hij dit op de sabbat deed. Brontekst: καὶ (kai) = en | διὰ (dia) = door | τοῦτο (touto) = dit | ἐδίωκον (ediokon) = vervolgden | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ὅτι (hoti) = omdat | ταῦτα (tauta) = dit | ἐποίει (epoiei) = deed | ἐν (en) = op | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat Bron: SBLGNT **5:17** Hij antwoordde hun: **„Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.”** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | ἀπεκρίνατο (apekrinato) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | Ὁ (Ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | ἕως (heos) = tot | ἄρτι (arti) = nu | ἐργάζεται (ergazetai) = werkt | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἐργάζομαι (ergazomai) = werk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Elohim ‘rustte’ op de zevende dag (Gen. 2:2–3). Yeshua zegt dat Zijn Vader tot nu toe werkt, ook op de sabbat, en dat Hij zelf ook werkt. Zie ook: Gen 2:2–3 **5:18** Daarom probeerden de Joden Hem nog meer te doden. Want Hij brak niet alleen de sabbat, maar noemde ook Elohim Zijn eigen Vader, en maakte Zichzelf gelijk aan Elohim. Brontekst: διὰ (dia) = door | τοῦτο (touto) = dit | οὖν (oun) = dus | μᾶλλον (mallon) = meer | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden | ὅτι (hoti) = omdat | οὐ (ou) = niet | μόνον (monon) = alleen | ἔλυε (elye) = brak | τὸ (to) = de | σάββατον (sabbaton) = sabbat | ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | πατέρα (patera) = Vader | ἴδιον (idion) = eigen | ἔλεγε (elege) = noemde | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | ἴσον (ison) = gelijk | ἑαυτὸν (heauton) = Zichzelf | ποιῶν (poion) = makend | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔλυε (elye), ‘brak’: letterlijk ‘maakte los’; het sabbatsgebod werd volgens hen niet gehouden. Het Grieks heeft πατέρα ἴδιον (patera idion), ‘Zijn eigen Vader’. ἴσος (isos), ‘gelijk’. ### De Zoon geeft leven en oordeelt **5:19** Daarop antwoordde Yeshua en zei tegen hen: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: de Zoon kan niets uit Zichzelf doen, tenzij Hij de Vader iets ziet doen. Want wat de Vader ook doet, dat doet ook de Zoon evenzo.** Brontekst: Ἀπεκρίνατο (Apekrinato) = antwoordde | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | ποιεῖν (poiein) = doen | ἀφ’ (aph’) = uit | ἑαυτοῦ (heautou) = Zichzelf | οὐδὲν (ouden) = niets | ἐὰν (ean) = als | μή (me) = niet | τι (ti) = iets | βλέπῃ (blepe) = Hij ziet | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | ποιοῦντα (poiounta) = doend | ἃ (ha) = wat | γὰρ (gar) = want | ἂν (an) = ooit | ἐκεῖνος (ekeinos) = Die | ποιῇ (poie) = doet | ταῦτα (tauta) = dit | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | ὁμοίως (homoios) = evenzo | ποιεῖ (poiei) = doet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμὴν ἀμήν (amen amen), ‘voorwaar, voorwaar’: zie de Uitleg bij 1:51. ‘Jullie’ (ὑμῖν) is meervoud. Voetnoot : ὁ υἱός (ho huios), ‘de Zoon’: Yeshua spreekt over Zichzelf en over Elohim als Vader. **5:20** **Want de Vader heeft de Zoon lief en laat Hem alles zien wat Hij zelf doet. Hij zal Hem grotere werken dan deze laten zien, zodat jullie je verbazen.** Brontekst: ὁ (ho) = de | γὰρ (gar) = want | πατὴρ (pater) = Vader | φιλεῖ (philei) = heeft lief | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | καὶ (kai) = en | πάντα (panta) = alles | δείκνυσιν (deiknysin) = toont | αὐτῷ (auto) = Hem | ἃ (ha) = wat | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | ποιεῖ (poiei) = doet | καὶ (kai) = en | μείζονα (meizona) = grotere | τούτων (touton) = dan deze | δείξει (deixei) = zal tonen | αὐτῷ (auto) = Hem | ἔργα (erga) = werken | ἵνα (hina) = opdat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | θαυμάζητε (thaumazete) = jullie verbazen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φιλέω (phileo), ‘liefhebben’, staat hier waar 3:35 ἀγαπάω (agapao) heeft. Wij vertalen beide met ‘liefhebben’. **5:21** **Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil.** Brontekst: ὥσπερ (hosper) = zoals | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἐγείρει (egeirei) = wekt op | τοὺς (tous) = de | νεκροὺς (nekrous) = doden | καὶ (kai) = en | ζῳοποιεῖ (zoopoiei) = maakt levend | οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | οὓς (hous) = wie | θέλει (thelei) = Hij wil | ζῳοποιεῖ (zoopoiei) = maakt levend Bron: SBLGNT **5:22** **Want de Vader oordeelt ook niemand, maar Hij heeft het hele oordeel aan de Zoon gegeven,** Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | κρίνει (krinei) = oordeelt | οὐδένα (oudena) = niemand | ἀλλὰ (alla) = maar | τὴν (ten) = het | κρίσιν (krisin) = oordeel | πᾶσαν (pasan) = geheel | δέδωκεν (dedoken) = heeft gegeven | τῷ (to) = aan de | υἱῷ (huio) = Zoon Bron: SBLGNT **5:23** **opdat allen de Zoon eren, zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet, die Hem gestuurd heeft.** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | πάντες (pantes) = allen | τιμῶσι (timosi) = eren | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | καθὼς (kathos) = zoals | τιμῶσι (timosi) = zij eren | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | ὁ (ho) = de | μὴ (me) = niet | τιμῶν (timon) = eren | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | οὐ (ou) = niet | τιμᾷ (tima) = eert | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | τὸν (ton) = de | πέμψαντα (pempsanta) = gestuurd hebbende | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **5:24** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: wie Mijn woord hoort en Hem gelooft die Mij gestuurd heeft, heeft eeuwig leven. En hij komt niet in het oordeel, maar is overgegaan uit de dood in het leven.** Brontekst: Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | μου (mou) = Mijn | ἀκούων (akouon) = horend | καὶ (kai) = en | πιστεύων (pisteuon) = gelovend | τῷ (to) = aan de | πέμψαντί (pempsanti) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij | ἔχει (echei) = heeft | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | κρίσιν (krisin) = oordeel | οὐκ (ouk) = niet | ἔρχεται (erchetai) = komt | ἀλλὰ (alla) = maar | μεταβέβηκεν (metabebeken) = is overgegaan | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | θανάτου (thanatou) = dood | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | ζωήν (zoen) = leven Bron: SBLGNT **5:25** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: er komt een uur, en het is er nu al, dat de doden de stem van de Zoon van Elohim zullen horen. Wie haar gehoord hebben, zullen leven.** Brontekst: Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὥρα (hora) = uur | καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | ἐστιν (estin) = is | ὅτε (hote) = wanneer | οἱ (hoi) = de | νεκροὶ (nekroi) = doden | ἀκούσουσιν (akousousin) = zullen horen | τῆς (tes) = de | φωνῆς (phones) = stem | τοῦ (tou) = van de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbenden | ζήσουσιν (zesousin) = zullen leven Bron: SBLGNT **5:26** **Want zoals de Vader leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook aan de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf.** Brontekst: ὥσπερ (hosper) = zoals | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἔχει (echei) = heeft | ζωὴν (zoen) = leven | ἐν (en) = in | ἑαυτῷ (heauto) = Zichzelf | οὕτως (houtos) = zo | καὶ (kai) = ook | τῷ (to) = aan de | υἱῷ (huio) = Zoon | ἔδωκεν (edoken) = gaf Hij | ζωὴν (zoen) = leven | ἔχειν (echein) = te hebben | ἐν (en) = in | ἑαυτῷ (heauto) = Zichzelf Bron: SBLGNT **5:27** **En Hij heeft Hem gezag gegeven om oordeel te vellen, omdat Hij de Mensenzoon is.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔδωκεν (edoken) = gaf Hij | αὐτῷ (auto) = Hem | κρίσιν (krisin) = oordeel | ποιεῖν (poiein) = te vellen | ὅτι (hoti) = omdat | υἱὸς (huios) = Zoon | ἀνθρώπου (anthropou) = van mens | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft υἱὸς ἀνθρώπου (huios anthropou) zonder lidwoorden, zoals in Dan. 7:13 (‘iemand als een mensenzoon’). Wij vertalen ‘de Mensenzoon’, zoals elders; zie de Uitleg bij 1:51. Zie ook: Dan 7:13 **5:28** **Verbaas jullie hierover niet: er komt een uur waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen,** Brontekst: μὴ (me) = niet | θαυμάζετε (thaumazete) = verbaas jullie | τοῦτο (touto) = hierover | ὅτι (hoti) = dat | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὥρα (hora) = uur | ἐν (en) = in | ᾗ (he) = welk | πάντες (pantes) = allen | οἱ (hoi) = de | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | μνημείοις (mnemeiois) = graven | ἀκούσουσιν (akousousin) = zullen horen | τῆς (tes) = de | φωνῆς (phones) = stem | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **5:29** **en zij zullen naar buiten komen: zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, en zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ten oordeel.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐκπορεύσονται (ekporeusontai) = zullen uitgaan | οἱ (hoi) = de | τὰ (ta) = het | ἀγαθὰ (agatha) = goede | ποιήσαντες (poiesantes) = gedaan hebbenden | εἰς (eis) = tot | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | ζωῆς (zoes) = van leven | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | τὰ (ta) = het | φαῦλα (phaula) = kwade | πράξαντες (praxantes) = gedaan hebbenden | εἰς (eis) = tot | ἀνάστασιν (anastasin) = opstanding | κρίσεως (kriseos) = van oordeel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Dan. 12:2: ‘Velen van hen die slapen in de stofgrond zullen ontwaken: dezen tot eeuwig leven, anderen tot smaad, tot eeuwige afschuw.’ ἀνάστασις (anastasis), ‘opstanding’. Zie ook: Dan 12:2 **5:30** **Ik kan niets uit Mijzelf doen. Zoals Ik hoor, oordeel Ik. Mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet Mijn eigen wil, maar de wil van Hem die Mij gestuurd heeft.** Brontekst: Οὐ (Ou) = niet | δύναμαι (dynamai) = kan | ἐγὼ (ego) = Ik | ποιεῖν (poiein) = doen | ἀπ’ (ap’) = uit | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | οὐδέν (ouden) = niets | καθὼς (kathos) = zoals | ἀκούω (akouo) = Ik hoor | κρίνω (krino) = Ik oordeel | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | κρίσις (krisis) = oordeel | ἡ (he) = het | ἐμὴ (eme) = Mijne | δικαία (dikaia) = rechtvaardig | ἐστίν (estin) = is | ὅτι (hoti) = omdat | οὐ (ou) = niet | ζητῶ (zeto) = Ik zoek | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τὸ (to) = de | ἐμὸν (emon) = Mijne | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | πέμψαντός (pempsantos) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij Bron: SBLGNT ### De getuigen voor Yeshua **5:31** **Als Ik over Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis niet waar.** Brontekst: Ἐὰν (Ean) = als | ἐγὼ (ego) = Ik | μαρτυρῶ (martyro) = getuig | περὶ (peri) = over | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | ἡ (he) = het | μαρτυρία (martyria) = getuigenis | μου (mou) = Mijn | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἀληθής (alethes) = waar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 19:15: één getuige is niet genoeg; op het woord van twee of drie getuigen staat de zaak vast. Zie ook: Deut 19:15 **5:32** **Een ander is het die over Mij getuigt, en Ik weet dat het getuigenis waar is dat die over Mij getuigt.** Brontekst: ἄλλος (allos) = een ander | ἐστὶν (estin) = is | ὁ (ho) = de | μαρτυρῶν (martyron) = getuigende | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij | καὶ (kai) = en | οἶδα (oida) = Ik weet | ὅτι (hoti) = dat | ἀληθής (alethes) = waar | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = het | μαρτυρία (martyria) = getuigenis | ἣν (hen) = dat | μαρτυρεῖ (martyrei) = hij getuigt | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Wie met ‘een ander’ bedoeld wordt, zegt het vers niet: de Vader (vers 37) of Johannes (vers 33). Zie ook: Joh 5:33; Joh 5:37 **5:33** **Jullie hebben mensen naar Johannes gezonden, en hij heeft van de waarheid getuigd.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἀπεστάλκατε (apestalkate) = hebben gezonden | πρὸς (pros) = naar | Ἰωάννην (Ioannen) = Johannes | καὶ (kai) = en | μεμαρτύρηκε (memartyreke) = heeft getuigd | τῇ (te) = aan de | ἀληθείᾳ (aletheia) = waarheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie 1:19–34 voor het getuigenis van Johannes. Het voorwerp ‘mensen’ vullen wij aan; het Grieks heeft alleen ‘jullie hebben naar Johannes gezonden’. **5:34** **Maar Ik neem het getuigenis niet van een mens aan. Ik zeg dit, zodat jullie gered worden.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | οὐ (ou) = niet | παρὰ (para) = van | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | τὴν (ten) = het | μαρτυρίαν (martyrian) = getuigenis | λαμβάνω (lambano) = neem aan | ἀλλὰ (alla) = maar | ταῦτα (tauta) = dit | λέγω (lego) = Ik zeg | ἵνα (hina) = opdat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | σωθῆτε (sothete) = gered worden Bron: SBLGNT **5:35** **Johannes was de lamp die brandde en scheen. Jullie wilden een korte tijd juichen in zijn licht.** Brontekst: ἐκεῖνος (ekeinos) = Die | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = de | λύχνος (lychnos) = lamp | ὁ (ho) = de | καιόμενος (kaiomenos) = brandende | καὶ (kai) = en | φαίνων (phainon) = schijnende | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | ἠθελήσατε (ethelesate) = wilden | ἀγαλλιαθῆναι (agalliathenai) = juichen | πρὸς (pros) = voor | ὥραν (horan) = uur | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | φωτὶ (photi) = licht | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λύχνος (lychnos), ‘lamp’: een olielamp. πρὸς ὥραν (pros horan) is letterlijk ‘voor een uur’: voor een korte tijd. ἀγαλλιάομαι (agalliaomai), ‘juichen’. Voetnoot : Het Grieks heeft ἐκεῖνος (ekeinos), ‘die’; voor de duidelijkheid schrijven wij ‘Johannes’. **5:36** **Maar Ik heb een getuigenis dat groter is dan dat van Johannes. Want de werken die de Vader Mij gegeven heeft om ze te voltooien, juist die werken die Ik doe, getuigen over Mij. Zij getuigen dat de Vader Mij gezonden heeft.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | ἔχω (echo) = heb | τὴν (ten) = het | μαρτυρίαν (martyrian) = getuigenis | μείζω (meizo) = groter | τοῦ (tou) = dan dat van | Ἰωάννου (Ioannou) = Johannes | τὰ (ta) = de | γὰρ (gar) = want | ἔργα (erga) = werken | ἃ (ha) = die | δέδωκέν (dedoken) = heeft gegeven | μοι (moi) = Mij | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἵνα (hina) = opdat | τελειώσω (teleioso) = Ik voltooi | αὐτά (auta) = ze | αὐτὰ (auta) = juist | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | ἃ (ha) = die | ποιῶ (poio) = Ik doe | μαρτυρεῖ (martyrei) = getuigen | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | με (me) = Mij | ἀπέσταλκεν (apestalken) = heeft gezonden Bron: SBLGNT **5:37** **En de Vader die Mij gestuurd heeft, Die heeft over Mij getuigd. Jullie hebben nooit Zijn stem gehoord en nooit Zijn gedaante gezien,** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πέμψας (pempsas) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij | πατὴρ (pater) = Vader | ἐκεῖνος (ekeinos) = Die | μεμαρτύρηκεν (memartyreken) = heeft getuigd | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij | οὔτε (oute) = noch | φωνὴν (phonen) = stem | αὐτοῦ (autou) = Zijn | πώποτε (popote) = ooit | ἀκηκόατε (akekoate) = jullie hebben gehoord | οὔτε (oute) = noch | εἶδος (eidos) = gedaante | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἑωράκατε (heorakate) = jullie hebben gezien Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 4:12: Israël hoorde een stem, maar zag geen gedaante. εἶδος (eidos), ‘gedaante’. Zie ook: Deut 4:12 **5:38** **en Zijn woord blijft niet in jullie, want jullie geloven Hem niet die Hij gezonden heeft.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | αὐτοῦ (autou) = Zijn | οὐκ (ouk) = niet | ἔχετε (echete) = jullie hebben | ἐν (en) = in | ὑμῖν (hymin) = jullie | μένοντα (menonta) = blijvend | ὅτι (hoti) = omdat | ὃν (hon) = wie | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | ἐκεῖνος (ekeinos) = Die | τούτῳ (touto) = aan Hem | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐ (ou) = niet | πιστεύετε (pisteuete) = geloven Bron: SBLGNT **5:39** **Jullie onderzoeken de Schriften, omdat jullie denken daarin eeuwig leven te hebben. En juist die getuigen over Mij.** Brontekst: Ἐραυνᾶτε (Eraunate) = onderzoeken | τὰς (tas) = de | γραφάς (graphas) = Schriften | ὅτι (hoti) = omdat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δοκεῖτε (dokeite) = denken | ἐν (en) = in | αὐταῖς (autais) = hen | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | ἔχειν (echein) = te hebben | καὶ (kai) = en | ἐκεῖναί (ekeinai) = die | εἰσιν (eisin) = zijn | αἱ (hai) = de | μαρτυροῦσαι (martyrousai) = getuigende | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γραφαί (graphai), ‘Schriften’: de heilige geschriften van Israël. Voetnoot : Ἐραυνᾶτε (eraunate), ‘jullie onderzoeken’: de vorm kan ook een bevel zijn, ‘onderzoek de Schriften’. Wij lezen een vaststelling, omdat het vers verdergaat met ‘omdat jullie denken’. **5:40** **En jullie willen niet naar Mij toe komen om leven te hebben.** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | θέλετε (thelete) = jullie willen | ἐλθεῖν (elthein) = komen | πρός (pros) = tot | με (me) = Mij | ἵνα (hina) = opdat | ζωὴν (zoen) = leven | ἔχητε (echete) = jullie hebben Bron: SBLGNT **5:41** **Eer van mensen neem Ik niet aan.** Brontekst: δόξαν (doxan) = eer | παρὰ (para) = van | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | οὐ (ou) = niet | λαμβάνω (lambano) = neem aan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δόξα (doxa) is elders ‘heerlijkheid’ (zie 2:11). Waar het om waardering door mensen gaat, vertalen wij het met ‘eer’ (ook in 5:44, 9:24 en 12:43). **5:42** **Maar Ik ken jullie: jullie hebben de liefde van Elohim niet in jullie.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ἔγνωκα (egnoka) = Ik heb leren kennen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | τὴν (ten) = de | ἀγάπην (agapen) = liefde | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | οὐκ (ouk) = niet | ἔχετε (echete) = jullie hebben | ἐν (en) = in | ἑαυτοῖς (heautois) = jullie zelf Bron: SBLGNT **5:43** **Ik ben gekomen in de naam van Mijn Vader, en jullie nemen Mij niet aan. Als een ander komt in zijn eigen naam, die zullen jullie aannemen.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | ἐλήλυθα (elelytha) = ben gekomen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | λαμβάνετέ (lambanete) = jullie nemen aan | με (me) = Mij | ἐὰν (ean) = als | ἄλλος (allos) = een ander | ἔλθῃ (elthe) = komt | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τῷ (to) = de | ἰδίῳ (idio) = eigen | ἐκεῖνον (ekeinon) = die | λήμψεσθε (lempsesthe) = zullen jullie aannemen Bron: SBLGNT **5:44** **Hoe kunnen jullie geloven, als jullie eer van elkaar aannemen en de eer die van de enige Elohim komt, niet zoeken?** Brontekst: πῶς (pos) = hoe | δύνασθε (dynasthe) = jullie kunnen | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | πιστεῦσαι (pisteusai) = geloven | δόξαν (doxan) = eer | παρ’ (par’) = van | ἀλλήλων (allelon) = elkaar | λαμβάνοντες (lambanontes) = aannemend | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = eer | τὴν (ten) = de | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | μόνου (monou) = enige | θεοῦ (theou) = Elohim | οὐ (ou) = niet | ζητεῖτε (zeteite) = jullie zoeken Bron: SBLGNT ### Mozes klaagt jullie aan **5:45** **Denk niet dat Ik jullie bij de Vader zal aanklagen. Er is iemand die jullie aanklaagt: Mozes, op wie jullie hopen.** Brontekst: μὴ (me) = niet | δοκεῖτε (dokeite) = denk | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | κατηγορήσω (kategoreso) = zal aanklagen | ὑμῶν (hymon) = jullie | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | ἔστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | κατηγορῶν (kategoron) = aanklagende | ὑμῶν (hymon) = jullie | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | εἰς (eis) = op | ὃν (hon) = wie | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἠλπίκατε (elpikate) = hopen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κατηγορέω (kategoreo), ‘aanklagen’: voor het gerecht beschuldigen. ἠλπίκατε (elpikate), ‘jullie hopen’, is een voltooide tijd: jullie hebben jullie hoop op hem gevestigd. **5:46** **Want als jullie Mozes geloofden, zouden jullie Mij geloven, want over Mij heeft hij geschreven.** Brontekst: εἰ (ei) = als | γὰρ (gar) = want | ἐπιστεύετε (episteuete) = jullie geloofden | Μωϋσεῖ (Moysei) = Mozes | ἐπιστεύετε (episteuete) = zouden jullie geloven | ἂν (an) = dan | ἐμοί (emoi) = Mij | περὶ (peri) = over | γὰρ (gar) = want | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ἔγραψεν (egrapsen) = schreef Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Welke tekst Mozes over Yeshua schreef, noemt het vers niet. Vergelijk Deut. 18:15 en 18:18; zie ook 1:45. Zie ook: Deut 18:15; Deut 18:18 **5:47** **Maar als jullie zijn geschriften niet geloven, hoe zullen jullie dan Mijn woorden geloven?”** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | τοῖς (tois) = aan de | ἐκείνου (ekeinou) = van die | γράμμασιν (grammasin) = geschriften | οὐ (ou) = niet | πιστεύετε (pisteuete) = jullie geloven | πῶς (pos) = hoe | τοῖς (tois) = aan de | ἐμοῖς (emois) = Mijn | ῥήμασιν (rhemasin) = woorden | πιστεύσετε (pisteusete) = zullen jullie geloven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γράμμα (gramma), ‘geschrift’: letterlijk ‘letter’. ῥῆμα (rhema), ‘woord’: een uitspraak; het verschilt van λόγος (logos), ‘woord’, in 5:24 en 5:38. ## Johannes 6 _5000 mannen, het brood van het leven en het antwoord van Petrus_ ### Yeshua geeft 5000 mannen te eten **6:1** Hierna ging Yeshua naar de overkant van de zee van Galilea, die van Tiberias. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πέραν (peran) = overkant | τῆς (tes) = van de | θαλάσσης (thalasses) = zee | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | τῆς (tes) = van de | Τιβεριάδος (Tiberiados) = Tiberias Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het gaat om het meer van Galilea, ook ‘zee van Tiberias’ genoemd. Tiberias is een stad aan de westkant van het meer. Het Grieks heeft ‘de zee van Galilea, van Tiberias’. **6:2** Een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij bij de zieken deed. Brontekst: ἠκολούθει (ekolouthei) = volgde | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = Hem | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολύς (polys) = grote | ὅτι (hoti) = omdat | ἐθεώρουν (etheoroun) = zagen | τὰ (ta) = de | σημεῖα (semeia) = tekenen | ἃ (ha) = die | ἐποίει (epoiei) = deed | ἐπὶ (epi) = bij | τῶν (ton) = de | ἀσθενούντων (asthenounton) = zieken Bron: SBLGNT **6:3** Yeshua ging de berg op en zat daar met Zijn leerlingen. Brontekst: ἀνῆλθεν (anelthen) = ging op | δὲ (de) = maar | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἐκάθητο (ekatheto) = zat | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **6:4** Het Pesach, het feest van de Joden, was nabij. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ἐγγὺς (engys) = nabij | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | ἡ (he) = het | ἑορτὴ (heorte) = feest | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πάσχα (pascha), ‘Pesach’: zie de Uitleg bij 2:13 en vergelijk Exod. 12. **6:5** Yeshua sloeg Zijn ogen op en zag dat een grote menigte naar Hem toe kwam. Hij zei tegen Filippus: **„Waar moeten wij broden kopen, zodat zij kunnen eten?”** Brontekst: ἐπάρας (eparas) = opslaand | οὖν (oun) = dus | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | θεασάμενος (theasamenos) = aanschouwend | ὅτι (hoti) = dat | πολὺς (polys) = grote | ὄχλος (ochlos) = menigte | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγει (legei) = zegt | πρὸς (pros) = tot | Φίλιππον (Philippon) = Filippus | Πόθεν (Pothen) = vanwaar | ἀγοράσωμεν (agorasomen) = wij kopen | ἄρτους (artous) = broden | ἵνα (hina) = opdat | φάγωσιν (phagosin) = zij eten | οὗτοι (houtoi) = dezen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 14:13–21; Mark. 6:30–44; Luc. 9:10–17. Zie ook: Mat 14:13–21; Mar 6:30–44; Luc 9:10–17 **6:6** Dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij zelf wist wat Hij ging doen. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | ἔλεγεν (elegen) = zei | πειράζων (peirazon) = op de proef stellend | αὐτόν (auton) = hem | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | γὰρ (gar) = want | ᾔδει (edei) = wist | τί (ti) = wat | ἔμελλεν (emellen) = stond op het punt | ποιεῖν (poiein) = te doen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: zie Matt. 4:1. Zie ook: Mat 4:1 **6:7** Filippus antwoordde Hem: „Broden voor 200 denarie zijn niet genoeg voor hen, zodat ieder maar een klein beetje krijgt.” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = Hem | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | Διακοσίων (Diakosion) = van 200 | δηναρίων (denarion) = denarie | ἄρτοι (artoi) = broden | οὐκ (ouk) = niet | ἀρκοῦσιν (arkousin) = zijn genoeg | αὐτοῖς (autois) = voor hen | ἵνα (hina) = opdat | ἕκαστος (hekastos) = ieder | βραχύ (brachy) = weinig | τι (ti) = iets | λάβῃ (labe) = ontvangt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Een denarie was een zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 200 denarie is dus het loon van ongeveer 200 werkdagen. Zie ook Mark. 6:37. Zie ook: Mar 6:37 **6:8** Een van Zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tegen Hem: Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | εἷς (heis) = een | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἀνδρέας (Andreas) = Andreas | ὁ (ho) = de | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | Πέτρου (Petrou) = Petrus Bron: SBLGNT **6:9** „Er is hier een jongetje dat 5 gerstebroden en 2 visjes heeft. Maar wat is dat voor zoveel mensen?” Brontekst: Ἔστιν (Estin) = is | παιδάριον (paidarion) = jongetje | ὧδε (hode) = hier | ὃς (hos) = die | ἔχει (echei) = heeft | πέντε (pente) = 5 | ἄρτους (artous) = broden | κριθίνους (krithinous) = gersten- | καὶ (kai) = en | δύο (dyo) = 2 | ὀψάρια (opsaria) = visjes | ἀλλὰ (alla) = maar | ταῦτα (tauta) = deze | τί (ti) = wat | ἐστιν (estin) = zijn | εἰς (eis) = voor | τοσούτους (tosoutous) = zovelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παιδάριον (paidarion), ‘jongetje’. ὀψάριον (opsarion), ‘visje’: Matteüs en Markus hebben ἰχθύς (ichthys), ‘vis’ (Matt. 14:17; Mark. 6:38). κρίθινος (krithinos), ‘van gerst’. Zie ook: Mat 14:17; Mar 6:38 **6:10** Yeshua zei: **„Laat de mensen gaan zitten.”** Er was veel gras op die plaats. De mannen gingen zitten, ongeveer 5000 in aantal. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ποιήσατε (Poiesate) = maak | τοὺς (tous) = de | ἀνθρώπους (anthropous) = mensen | ἀναπεσεῖν (anapesein) = te gaan zitten | ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | χόρτος (chortos) = gras | πολὺς (polys) = veel | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | τόπῳ (topo) = plaats | ἀνέπεσαν (anepesan) = gingen zitten | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | ἄνδρες (andres) = mannen | τὸν (ton) = het | ἀριθμὸν (arithmon) = aantal | ὡς (hos) = ongeveer | πεντακισχίλιοι (pentakischilioi) = 5000 Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναπίπτω (anapipto), ‘gaan zitten’: letterlijk ‘achteroverleunen’, de houding bij het eten. Het Grieks telt alleen de mannen (ἄνδρες, andres); zie ook Matt. 14:21. Zie ook: Mat 14:21 **6:11** Yeshua nam de broden, dankte en deelde ze uit aan hen die zaten. Evenzo deelde Hij ook van de visjes uit, zoveel zij wilden. Brontekst: ἔλαβεν (elaben) = nam | οὖν (oun) = dus | τοὺς (tous) = de | ἄρτους (artous) = broden | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εὐχαριστήσας (eucharistesas) = dankend | διέδωκεν (diedoken) = deelde uit | τοῖς (tois) = aan de | ἀνακειμένοις (anakeimenois) = zittenden | ὁμοίως (homoios) = evenzo | καὶ (kai) = ook | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ὀψαρίων (opsarion) = visjes | ὅσον (hoson) = zoveel | ἤθελον (ethelon) = zij wilden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘danken’: Matteüs en Markus hebben εὐλογέω (eulogeo), ‘de zegen uitspreken’ (Matt. 14:19; Mark. 6:41). Zie ook: Mat 14:19; Mar 6:41 **6:12** Toen zij verzadigd waren, zei Hij tegen Zijn leerlingen: **„Verzamel de stukken die over zijn, zodat er niets verloren gaat.”** Brontekst: ὡς (hos) = toen | δὲ (de) = maar | ἐνεπλήσθησαν (eneplesthesan) = zij verzadigd waren | λέγει (legei) = zegt | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Συναγάγετε (Synagagete) = verzamel | τὰ (ta) = de | περισσεύσαντα (perisseusanta) = overgebleven | κλάσματα (klasmata) = stukken | ἵνα (hina) = opdat | μή (me) = niet | τι (ti) = iets | ἀπόληται (apoletai) = verloren gaat Bron: SBLGNT **6:13** Zij verzamelden ze en vulden twaalf manden met stukken van de 5 gerstebroden, die overgebleven waren van hen die gegeten hadden. Brontekst: συνήγαγον (synegagon) = verzamelden | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = en | ἐγέμισαν (egemisan) = vulden | δώδεκα (dodeka) = twaalf | κοφίνους (kophinous) = manden | κλασμάτων (klasmaton) = van stukken | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | πέντε (pente) = 5 | ἄρτων (arton) = broden | τῶν (ton) = de | κριθίνων (krithinon) = gersten- | ἃ (ha) = die | ἐπερίσσευσαν (eperisseusan) = overbleven | τοῖς (tois) = aan de | βεβρωκόσιν (bebrokosin) = gegeten hebbenden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόφινος (kophinos), ‘mand’: zoals in Matt. 14:20 en Mark. 6:43. κλάσμα (klasma), ‘stuk’: een gebroken stuk brood. Zie ook: Mat 14:20; Mar 6:43 **6:14** Toen de mensen het teken zagen dat Hij gedaan had, zeiden zij: „Hij is werkelijk de profeet die in de wereld komt.” Brontekst: οἱ (hoi) = de | οὖν (oun) = dus | ἄνθρωποι (anthropoi) = mensen | ἰδόντες (idontes) = ziende | ὃ (ho) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | σημεῖον (semeion) = teken | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Οὗτός (Houtos) = Hij | ἐστιν (estin) = is | ἀληθῶς (alethos) = werkelijk | ὁ (ho) = de | προφήτης (prophetes) = profeet | ὁ (ho) = de | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ προφήτης ὁ ἐρχόμενος (ho prophetes ho erchomenos), ‘de profeet die komt’: zie de Uitleg bij 1:21 en vergelijk Deut. 18:15, 18. Zie ook: Deut 18:15 **6:15** Yeshua wist dat zij zouden komen en Hem met geweld zouden meenemen om Hem koning te maken. Daarom trok Hij Zich opnieuw terug op de berg, Hij alleen. Brontekst: Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὖν (oun) = dus | γνοὺς (gnous) = wetend | ὅτι (hoti) = dat | μέλλουσιν (mellousin) = zij zullen | ἔρχεσθαι (erchesthai) = komen | καὶ (kai) = en | ἁρπάζειν (harpazein) = meenemen met geweld | αὐτὸν (auton) = Hem | ἵνα (hina) = opdat | ποιήσωσιν (poiesosin) = zij maken | βασιλέα (basilea) = koning | ἀνεχώρησεν (anechoresen) = trok Zich terug | πάλιν (palin) = opnieuw | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ὄρος (oros) = berg | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | μόνος (monos) = alleen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁρπάζω (harpazo), ‘met geweld meenemen’: grijpen, wegnemen. ### Yeshua loopt over de zee **6:16** Toen het avond werd, gingen Zijn leerlingen naar beneden, naar de zee. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = maar | ὀψία (opsia) = avond | ἐγένετο (egeneto) = werd | κατέβησαν (katebesan) = gingen af | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐπὶ (epi) = naar | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 14:22–33; Mark. 6:45–52. Zie ook: Mat 14:22–33; Mar 6:45–52 **6:17** Zij stapten in een boot en gingen over de zee naar Kapernaüm. Het was al donker geworden, en Yeshua was nog niet bij hen gekomen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐμβάντες (embantes) = instappend | εἰς (eis) = in | πλοῖον (ploion) = boot | ἤρχοντο (erchonto) = gingen | πέραν (peran) = overkant | τῆς (tes) = van de | θαλάσσης (thalasses) = zee | εἰς (eis) = naar | Καφαρναούμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | καὶ (kai) = en | σκοτία (skotia) = donker | ἤδη (ede) = al | ἐγεγόνει (egegonei) = was geworden | καὶ (kai) = en | οὔπω (oupo) = nog niet | ἐληλύθει (elelythei) = was gekomen | πρὸς (pros) = tot | αὐτοὺς (autous) = hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. **6:18** De zee werd woelig, doordat er een sterke wind waaide. Brontekst: ἥ (he) = de | τε (te) = en | θάλασσα (thalassa) = zee | ἀνέμου (anemou) = van wind | μεγάλου (megalou) = sterke | πνέοντος (pneontos) = waaiend | διεγείρετο (diegeireto) = woelde op Bron: SBLGNT **6:19** Toen zij ongeveer 25 of 30 stadiën hadden geroeid, zagen zij Yeshua over de zee lopen en dichtbij de boot komen. Zij werden bang. Brontekst: ἐληλακότες (elelakotes) = geroeid hebbend | οὖν (oun) = dus | ὡς (hos) = ongeveer | σταδίους (stadious) = stadiën | εἴκοσι (eikosi) = 20 | πέντε (pente) = 5 | ἢ (e) = of | τριάκοντα (triakonta) = 30 | θεωροῦσιν (theorousin) = zien | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | περιπατοῦντα (peripatounta) = lopend | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | θαλάσσης (thalasses) = zee | καὶ (kai) = en | ἐγγὺς (engys) = dichtbij | τοῦ (tou) = de | πλοίου (ploiou) = boot | γινόμενον (ginomenon) = komend | καὶ (kai) = en | ἐφοβήθησαν (ephobethesan) = werden bang Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: Een stadie (στάδιον, stadion) is ongeveer 185 meter. 25 of 30 stadiën is dus ongeveer 4,6 tot 5,5 kilometer. **6:20** Hij zei tegen hen: **„Ik ben het. Wees niet bang.”** Brontekst: ὁ (ho) = Hij | δὲ (de) = maar | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | μὴ (me) = niet | φοβεῖσθε (phobeisthe) = wees bang Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘Ik ben het’: zie de Uitleg bij 4:26. Dezelfde woorden staan in Mark. 6:50 en Matt. 14:27. Zie ook: Mat 14:27; Mar 6:50 **6:21** Zij wilden Hem dus in de boot nemen, en meteen was de boot bij het land waar zij naartoe gingen. Brontekst: ἤθελον (ethelon) = wilden | οὖν (oun) = dus | λαβεῖν (labein) = nemen | αὐτὸν (auton) = Hem | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἐγένετο (egeneto) = was | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | ἐπὶ (epi) = bij | τῆς (tes) = het | γῆς (ges) = land | εἰς (eis) = naar | ἣν (hen) = welk | ὑπῆγον (hypegon) = gingen Bron: SBLGNT ### De menigte zoekt Yeshua **6:22** De volgende dag zag de menigte, die aan de overkant van de zee was gebleven, dat er daar geen ander bootje was dan één. Zij zagen ook dat Yeshua niet met Zijn leerlingen in de boot was gestapt, maar dat Zijn leerlingen alleen waren weggegaan. Brontekst: Τῇ (Te) = de | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ὁ (ho) = de | ἑστηκὼς (hestekos) = gebleven | πέραν (peran) = overkant | τῆς (tes) = van de | θαλάσσης (thalasses) = zee | εἶδον (eidon) = zagen | ὅτι (hoti) = dat | πλοιάριον (ploiarion) = bootje | ἄλλο (allo) = ander | οὐκ (ouk) = niet | ἦν (en) = was | ἐκεῖ (ekei) = daar | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἕν (hen) = één | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | συνεισῆλθεν (syneiselthen) = ging mee in | τοῖς (tois) = met de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | ἀλλὰ (alla) = maar | μόνοι (monoi) = alleen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. **6:23** Maar er kwamen bootjes uit Tiberias, dicht bij de plaats waar zij het brood gegeten hadden nadat de Heer gedankt had. Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ἦλθεν (elthen) = kwamen | πλοιάρια (ploiaria) = bootjes | ἐκ (ek) = uit | Τιβεριάδος (Tiberiados) = Tiberias | ἐγγὺς (engys) = dichtbij | τοῦ (tou) = de | τόπου (topou) = plaats | ὅπου (hopou) = waar | ἔφαγον (ephagon) = aten | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | εὐχαριστήσαντος (eucharistesantos) = gedankt hebbend | τοῦ (tou) = de | κυρίου (kyriou) = Heer Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tiberias: Tiberias werd rond het jaar 20 gesticht door Herodes Antipas, aan de westkust van het meer van Galilea. Het meer werd er ook naar genoemd. Voetnoot Uitleg: τοῦ κυρίου (tou kyriou), ‘de Heer’: de evangelist noemt Yeshua hier zelf ‘de Heer’. Wij schrijven ‘Heer’ met hoofdletter, zoals bij de aanspreking van Yeshua. **6:24** Toen de menigte zag dat Yeshua daar niet was, en Zijn leerlingen ook niet, stapten zij zelf in de bootjes. Zij gingen naar Kapernaüm en zochten Yeshua. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | οὖν (oun) = dus | εἶδεν (eiden) = zag | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐκεῖ (ekei) = daar | οὐδὲ (oude) = ook niet | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐνέβησαν (enebesan) = stapten in | αὐτοὶ (autoi) = zij zelf | εἰς (eis) = in | τὰ (ta) = de | πλοιάρια (ploiaria) = bootjes | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = gingen | εἰς (eis) = naar | Καφαρναοὺμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm | ζητοῦντες (zetountes) = zoekend | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. **6:25** Toen zij Hem aan de overkant van de zee gevonden hadden, zeiden zij tegen Hem: „Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | εὑρόντες (heurontes) = gevonden hebbend | αὐτὸν (auton) = Hem | πέραν (peran) = overkant | τῆς (tes) = van de | θαλάσσης (thalasses) = zee | εἶπον (eipon) = zeiden | αὐτῷ (auto) = Hem | Ῥαββί (Rhabbi) = rabbi | πότε (pote) = wanneer | ὧδε (hode) = hier | γέγονας (gegonas) = bent U gekomen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: zie de Uitleg bij 1:38. **6:26** Yeshua antwoordde hun en zei: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: jullie zoeken Mij niet omdat jullie tekenen gezien hebben, maar omdat jullie van de broden gegeten hebben en verzadigd zijn.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ζητεῖτέ (zeteite) = jullie zoeken | με (me) = Mij | οὐχ (ouch) = niet | ὅτι (hoti) = omdat | εἴδετε (eidete) = jullie zagen | σημεῖα (semeia) = tekenen | ἀλλ’ (all’) = maar | ὅτι (hoti) = omdat | ἐφάγετε (ephagete) = jullie aten | ἐκ (ek) = van | τῶν (ton) = de | ἄρτων (arton) = broden | καὶ (kai) = en | ἐχορτάσθητε (echortasthete) = jullie zijn verzadigd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμὴν ἀμήν (amen amen), ‘voorwaar, voorwaar’: zie de Uitleg bij 1:51. **6:27** **Werk niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft tot eeuwig leven, dat de Mensenzoon jullie zal geven. Want Hem heeft de Vader, Elohim, bezegeld.”** Brontekst: ἐργάζεσθε (ergazesthe) = werk | μὴ (me) = niet | τὴν (ten) = het | βρῶσιν (brosin) = voedsel | τὴν (ten) = het | ἀπολλυμένην (apollymenen) = vergaande | ἀλλὰ (alla) = maar | τὴν (ten) = het | βρῶσιν (brosin) = voedsel | τὴν (ten) = het | μένουσαν (menousan) = blijvende | εἰς (eis) = tot | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | ἣν (hen) = dat | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ὑμῖν (hymin) = jullie | δώσει (dosei) = zal geven | τοῦτον (touton) = Hem | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἐσφράγισεν (esphragisen) = heeft bezegeld | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐργάζομαι (ergazomai), ‘werken’: zie ook 5:17. ἐσφράγισεν (esphragisen), ‘heeft bezegeld’: van een zegel voorzien als teken van echtheid. In 3:33 staat hetzelfde werkwoord; daar schrijven wij ook ‘bezegeld’. Voor ‘de Mensenzoon’ zie de Uitleg bij 1:51. **6:28** Zij zeiden dus tegen Hem: „Wat moeten wij doen om de werken van Elohim te verrichten?” Brontekst: εἶπον (eipon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = Hem | Τί (Ti) = wat | ποιῶμεν (poiomen) = moeten wij doen | ἵνα (hina) = opdat | ἐργαζώμεθα (ergazometha) = wij verrichten | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **6:29** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Dit is het werk van Elohim: dat jullie geloven in Hem die Hij gezonden heeft.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τοῦτό (Touto) = dit | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = het | ἔργον (ergon) = werk | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἵνα (hina) = opdat | πιστεύητε (pisteuete) = jullie geloven | εἰς (eis) = in | ὃν (hon) = wie | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | ἐκεῖνος (ekeinos) = Die Bron: SBLGNT **6:30** Zij zeiden dus tegen Hem: „Welk teken doet U dan, zodat wij het zien en U geloven? Wat werkt U? Brontekst: εἶπον (eipon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = Hem | Τί (Ti) = welk | οὖν (oun) = dan | ποιεῖς (poieis) = doet | σὺ (sy) = U | σημεῖον (semeion) = teken | ἵνα (hina) = opdat | ἴδωμεν (idomen) = wij zien | καὶ (kai) = en | πιστεύσωμέν (pisteusomen) = wij geloven | σοι (soi) = U | τί (ti) = wat | ἐργάζῃ (ergaze) = werkt U Bron: SBLGNT **6:31** Onze vaders aten het manna in de woestijn, zoals geschreven staat: ‘Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten.’” Brontekst: οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ἡμῶν (hemon) = onze | τὸ (to) = het | μάννα (manna) = manna | ἔφαγον (ephagon) = aten | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | καθώς (kathos) = zoals | ἐστιν (estin) = is | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschreven | Ἄρτον (Arton) = brood | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἔδωκεν (edoken) = gaf Hij | αὐτοῖς (autois) = hun | φαγεῖν (phagein) = te eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat lijkt op Exod. 16:4 en 16:15, Neh. 9:15 en Ps. 78:24. Welk vers precies bedoeld is, zegt de tekst niet. μάννα (manna) is het brood dat Israël in de woestijn kreeg (Exod. 16). Zie ook: Ex 16:4; Ex 16:15; Ps 78:24; Neh 9:15 **6:32** Yeshua zei dus tegen hen: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: niet Mozes heeft jullie het brood uit de hemel gegeven. Maar Mijn Vader geeft jullie het ware brood uit de hemel.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | δέδωκεν (dedoken) = heeft gegeven | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | ἀλλ’ (all’) = maar | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | δίδωσιν (didosin) = geeft | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | τὸν (ton) = het | ἀληθινόν (alethinon) = ware Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀληθινός (alethinos), ‘waar, echt’: het ware brood, tegenover het manna. **6:33** **Want het brood van Elohim is Hij die uit de hemel neerdaalt en de wereld leven geeft.”** Brontekst: ὁ (ho) = het | γὰρ (gar) = want | ἄρτος (artos) = brood | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | καταβαίνων (katabainon) = neerdalende | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καὶ (kai) = en | ζωὴν (zoen) = leven | διδοὺς (didous) = gevend | τῷ (to) = aan de | κόσμῳ (kosmo) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ καταβαίνων (ho katabainon): de vorm kan mannelijk (‘Hij die neerdaalt’) of onzijdig (‘dat wat neerdaalt’) zijn. Wij schrijven ‘Hij die’. **6:34** Zij zeiden dus tegen Hem: „Heer, geef ons altijd dit brood.” Brontekst: εἶπον (eipon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | πάντοτε (pantote) = altijd | δὸς (dos) = geef | ἡμῖν (hemin) = ons | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | τοῦτον (touton) = dit Bron: SBLGNT ### Yeshua is het brood van het leven **6:35** Yeshua zei tegen hen: **„Ik ben het brood van het leven. Wie naar Mij toe komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit dorst hebben.** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = het | ἄρτος (artos) = brood | τῆς (tes) = van het | ζωῆς (zoes) = leven | ὁ (ho) = de | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende | πρὸς (pros) = naar | ἐμὲ (eme) = Mij | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | πεινάσῃ (peinase) = honger zal hebben | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πιστεύων (pisteuon) = gelovende | εἰς (eis) = in | ἐμὲ (eme) = Mij | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | διψήσει (dipsesei) = dorst zal hebben | πώποτε (popote) = ooit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι ὁ ἄρτος τῆς ζωῆς (ego eimi ho artos tes zoes), ‘Ik ben het brood van het leven’: dit is de eerste uitspraak in dit evangelie waarin Yeshua van Zichzelf zegt ‘Ik ben …’ met een beeld (zie ook 6:48 en 6:51). Vergelijk Jes. 55:1–3. Zie ook: Jes 55:1–3 **6:36** **Maar Ik heb jullie gezegd dat jullie Mij wel gezien hebben en toch niet geloven.** Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | εἶπον (eipon) = Ik zei | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | καὶ (kai) = ook | ἑωράκατέ (heorakate) = jullie hebben gezien | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | πιστεύετε (pisteuete) = jullie geloven Bron: SBLGNT **6:37** **Alles wat de Vader Mij geeft, zal naar Mij toe komen. En wie naar Mij toe komt, zal Ik beslist niet naar buiten werpen.** Brontekst: πᾶν (pan) = alles | ὃ (ho) = wat | δίδωσίν (didosin) = geeft | μοι (moi) = Mij | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | πρὸς (pros) = naar | ἐμὲ (eme) = Mij | ἥξει (hexei) = zal komen | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | ἐρχόμενον (erchomenon) = komende | πρός (pros) = naar | με (me) = Mij | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἐκβάλω (ekbalo) = werp Ik | ἔξω (exo) = buiten Bron: SBLGNT **6:38** **Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om Mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gestuurd heeft.** Brontekst: ὅτι (hoti) = want | καταβέβηκα (katabebeka) = ben neergedaald | ἀπὸ (apo) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | οὐχ (ouch) = niet | ἵνα (hina) = opdat | ποιῶ (poio) = Ik doe | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τὸ (to) = de | ἐμὸν (emon) = Mijne | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | πέμψαντός (pempsantos) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **6:39** **Dit is de wil van Hem die Mij gestuurd heeft: dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft niets verlies, maar het opwek op de laatste dag.** Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δέ (de) = maar | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | πέμψαντός (pempsantos) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij | ἵνα (hina) = opdat | πᾶν (pan) = alles | ὃ (ho) = wat | δέδωκέν (dedoken) = heeft gegeven | μοι (moi) = Mij | μὴ (me) = niet | ἀπολέσω (apoleso) = Ik verlies | ἐξ (ex) = van | αὐτοῦ (autou) = het | ἀλλὰ (alla) = maar | ἀναστήσω (anasteso) = Ik wek op | αὐτὸ (auto) = het | τῇ (te) = op de | ἐσχάτῃ (eschate) = laatste | ἡμέρᾳ (hemera) = dag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναστήσω (anastiso), ‘Ik zal opwekken’ (ook 6:40, 6:44, 6:54): het overgankelijke werkwoord ἀνίστημι (anistemi) vertalen wij met ‘opwekken’. **6:40** **Want dit is de wil van Mijn Vader: dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft. En Ik zal hem opwekken op de laatste dag.”** Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | ἵνα (hina) = opdat | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = de | θεωρῶν (theoron) = ziende | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | καὶ (kai) = en | πιστεύων (pisteuon) = gelovende | εἰς (eis) = in | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔχῃ (eche) = heeft | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | καὶ (kai) = en | ἀναστήσω (anasteso) = Ik wek op | αὐτὸν (auton) = hem | ἐγὼ (ego) = Ik | τῇ (te) = op de | ἐσχάτῃ (eschate) = laatste | ἡμέρᾳ (hemera) = dag Bron: SBLGNT ### De Joden mopperen **6:41** De Joden mopperden dus over Hem, omdat Hij gezegd had: **„Ik ben het brood dat uit de hemel neergedaald is.”** Brontekst: Ἐγόγγυζον (Egongyzon) = mopperden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὅτι (hoti) = omdat | εἶπεν (eipen) = zei | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = het | ἄρτος (artos) = brood | ὁ (ho) = dat | καταβὰς (katabas) = neergedaald is | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γογγύζω (gongyzo), ‘mopperen’: zoals Israël in de woestijn morde (Exod. 16:2). Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier zijn het de mensen uit de menigte in Kapernaüm (6:59), niet de leiders in Jeruzalem; zie de Uitleg bij 1:19. Zie ook: Ex 16:2 **6:42** Zij zeiden: „Is Hij niet Yeshua, de zoon van Jozef, van wie wij de vader en de moeder kennen? Hoe zegt Hij nu: **‘Ik ben uit de hemel neergedaald’**?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Οὐχ (Ouch) = niet | οὗτός (houtos) = Deze | ἐστιν (estin) = is | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | Ἰωσήφ (Ioseph) = van Jozef | οὗ (hou) = van wie | ἡμεῖς (hemeis) = wij | οἴδαμεν (oidamen) = kennen | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = vader | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | πῶς (pos) = hoe | νῦν (nyn) = nu | λέγει (legei) = zegt Hij | ὅτι (hoti) = dat | Ἐκ (Ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καταβέβηκα (katabebeka) = ben neergedaald Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Luc. 4:22; zie ook Matt. 13:55; Mark. 6:3. Zie ook: Mat 13:55; Mar 6:3; Luc 4:22 **6:43** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Mopper niet onder elkaar.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Μὴ (Me) = niet | γογγύζετε (gongyzete) = mopper | μετ’ (met’) = onder | ἀλλήλων (allelon) = elkaar Bron: SBLGNT **6:44** **Niemand kan naar Mij toe komen, tenzij de Vader die Mij gestuurd heeft, hem trekt. En Ik zal hem opwekken op de laatste dag.** Brontekst: οὐδεὶς (oudeis) = niemand | δύναται (dynatai) = kan | ἐλθεῖν (elthein) = komen | πρός (pros) = naar | με (me) = Mij | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ὁ (ho) = de | πέμψας (pempsas) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij | ἑλκύσῃ (helkyse) = trekt | αὐτόν (auton) = hem | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἀναστήσω (anasteso) = zal opwekken | αὐτὸν (auton) = hem | ἐν (en) = op | τῇ (te) = de | ἐσχάτῃ (eschate) = laatste | ἡμέρᾳ (hemera) = dag Bron: SBLGNT **6:45** **In de Profeten staat geschreven: ‘En allen zullen door Elohim onderwezen zijn.’ Ieder die van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt naar Mij toe.** Brontekst: ἔστιν (estin) = is | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschreven | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | προφήταις (prophetais) = Profeten | Καὶ (Kai) = en | ἔσονται (esontai) = zullen zijn | πάντες (pantes) = allen | διδακτοὶ (didaktoi) = onderwezen | θεοῦ (theou) = van Elohim | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = de | ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbende | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = Vader | καὶ (kai) = en | μαθὼν (mathon) = geleerd hebbende | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = naar | ἐμέ (eme) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 54:13. Het Hebreeuws heeft ‘Al je zonen zullen onderwezen zijn door Yahweh’; de Griekse tekst heeft ‘allen zullen onderwezen zijn door Elohim’. ‘De Profeten’ is het deel van de Schrift met de profetische boeken. διδακτός (didaktos), ‘onderwezen’. Zie ook: Jes 54:13 **6:46** **Niet dat iemand de Vader gezien heeft, behalve Hij die van Elohim komt. Die heeft de Vader gezien.** Brontekst: οὐχ (ouch) = niet | ὅτι (hoti) = dat | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | ἑώρακέν (heoraken) = heeft gezien | τις (tis) = iemand | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = de | ὢν (on) = zijnde | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | οὗτος (houtos) = Die | ἑώρακεν (heoraken) = heeft gezien | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ ὢν παρὰ τοῦ θεοῦ (ho on para tou theou) is letterlijk ‘Hij die is van bij Elohim’. Zie ook 1:18. **6:47** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: wie gelooft, heeft eeuwig leven.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὁ (ho) = de | πιστεύων (pisteuon) = gelovende | ἔχει (echei) = heeft | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: Sommige handschriften (zoals de Textus Receptus) hebben: ‘wie in Mij gelooft’. De SBLGNT heeft die woorden niet. **6:48** **Ik ben het brood van het leven.** Brontekst: ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = het | ἄρτος (artos) = brood | τῆς (tes) = van het | ζωῆς (zoes) = leven Bron: SBLGNT **6:49** **Jullie vaders aten het manna in de woestijn en stierven.** Brontekst: οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔφαγον (ephagon) = aten | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐρήμῳ (eremo) = woestijn | τὸ (to) = het | μάννα (manna) = manna | καὶ (kai) = en | ἀπέθανον (apethanon) = stierven Bron: SBLGNT **6:50** **Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, zodat iemand ervan eet en niet sterft.** Brontekst: οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = het | ἄρτος (artos) = brood | ὁ (ho) = dat | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καταβαίνων (katabainon) = neerdaalt | ἵνα (hina) = opdat | τις (tis) = iemand | ἐξ (ex) = uit | αὐτοῦ (autou) = het | φάγῃ (phage) = eet | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ἀποθάνῃ (apothane) = sterft Bron: SBLGNT **6:51** **Ik ben het levende brood dat uit de hemel neergedaald is. Als iemand van dit brood eet, zal hij voor eeuwig leven. Het brood dat Ik zal geven, is Mijn vlees, voor het leven van de wereld.”** Brontekst: ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = het | ἄρτος (artos) = brood | ὁ (ho) = het | ζῶν (zon) = levende | ὁ (ho) = dat | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καταβάς (katabas) = neergedaald is | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | φάγῃ (phage) = eet | ἐκ (ek) = van | τούτου (toutou) = dit | τοῦ (tou) = het | ἄρτου (artou) = brood | ζήσει (zesei) = zal leven | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | ἄρτος (artos) = brood | δὲ (de) = maar | ὃν (hon) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | δώσω (doso) = zal geven | ἡ (he) = het | σάρξ (sarx) = vlees | μού (mou) = Mijn | ἐστιν (estin) = is | ὑπὲρ (hyper) = voor | τῆς (tes) = het | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | ζωῆς (zoes) = leven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σάρξ (sarx), ‘vlees’: het lichaam, de mens in zijn broosheid; zie ook 1:14. εἰς τὸν αἰῶνα (eis ton aiona), ‘voor eeuwig’: zie de Uitleg bij 4:14. ### Het vlees en het bloed van de Mensenzoon **6:52** De Joden twistten dus onder elkaar en zeiden: „Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven?” Brontekst: Ἐμάχοντο (Emachonto) = twistten | οὖν (oun) = dus | πρὸς (pros) = onder | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | λέγοντες (legontes) = zeggend | Πῶς (Pos) = hoe | δύναται (dynatai) = kan | οὗτος (houtos) = Hij | ἡμῖν (hemin) = ons | δοῦναι (dounai) = geven | τὴν (ten) = het | σάρκα (sarka) = vlees | αὐτοῦ (autou) = Zijn | φαγεῖν (phagein) = te eten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μάχομαι (machomai), ‘twisten’: ruzie maken met woorden. **6:53** Yeshua zei dus tegen hen: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: als jullie het vlees van de Mensenzoon niet eten en Zijn bloed niet drinken, hebben jullie geen leven in jullie.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | φάγητε (phagete) = jullie eten | τὴν (ten) = het | σάρκα (sarka) = vlees | τοῦ (tou) = van de | υἱοῦ (huiou) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | καὶ (kai) = en | πίητε (piete) = jullie drinken | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὸ (to) = het | αἷμα (haima) = bloed | οὐκ (ouk) = niet | ἔχετε (echete) = jullie hebben | ζωὴν (zoen) = leven | ἐν (en) = in | ἑαυτοῖς (heautois) = jullie zelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Voor ‘de Mensenzoon’ zie de Uitleg bij 1:51 en 5:27. **6:54** **Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag.** Brontekst: ὁ (ho) = de | τρώγων (trogon) = etende | μου (mou) = Mijn | τὴν (ten) = het | σάρκα (sarka) = vlees | καὶ (kai) = en | πίνων (pinon) = drinkende | μου (mou) = Mijn | τὸ (to) = het | αἷμα (haima) = bloed | ἔχει (echei) = heeft | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἀναστήσω (anasteso) = zal opwekken | αὐτὸν (auton) = hem | τῇ (te) = op de | ἐσχάτῃ (eschate) = laatste | ἡμέρᾳ (hemera) = dag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τρώγω (trogo), ‘eten’: eigenlijk ‘kauwen’. In 6:50–53 staat φαγεῖν (phagein), ‘eten’. Wij vertalen beide met ‘eten’. **6:55** **Want Mijn vlees is echt voedsel en Mijn bloed is echte drank.** Brontekst: ἡ (he) = het | γὰρ (gar) = want | σάρξ (sarx) = vlees | μου (mou) = Mijn | ἀληθής (alethes) = echt | ἐστι (esti) = is | βρῶσις (brosis) = voedsel | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | αἷμά (haima) = bloed | μου (mou) = Mijn | ἀληθής (alethes) = echte | ἐστι (esti) = is | πόσις (posis) = drank Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀληθής (alethes), ‘waar, echt’: hier ‘echt voedsel’ en ‘echte drank’. ἀληθινός (alethinos) in 6:32 vertalen wij met ‘waar’. **6:56** **Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij, en Ik in hem.** Brontekst: ὁ (ho) = de | τρώγων (trogon) = etende | μου (mou) = Mijn | τὴν (ten) = het | σάρκα (sarka) = vlees | καὶ (kai) = en | πίνων (pinon) = drinkende | μου (mou) = Mijn | τὸ (to) = het | αἷμα (haima) = bloed | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | μένει (menei) = blijft | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **6:57** **Zoals de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook wie Mij eet, door Mij leven.** Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | ἀπέστειλέν (apesteilen) = zond | με (me) = Mij | ὁ (ho) = de | ζῶν (zon) = levende | πατὴρ (pater) = Vader | κἀγὼ (kago) = en Ik | ζῶ (zo) = leef | διὰ (dia) = door | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | τρώγων (trogon) = etende | με (me) = Mij | κἀκεῖνος (kakeinos) = ook die | ζήσει (zesei) = zal leven | δι’ (di’) = door | ἐμέ (eme) = Mij Bron: SBLGNT **6:58** **Dit is het brood dat uit de hemel neergedaald is, niet zoals de vaders aten en stierven. Wie dit brood eet, zal voor eeuwig leven.”** Brontekst: οὗτός (houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = het | ἄρτος (artos) = brood | ὁ (ho) = dat | ἐξ (ex) = uit | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | καταβάς (katabas) = neergedaald is | οὐ (ou) = niet | καθὼς (kathos) = zoals | ἔφαγον (ephagon) = aten | οἱ (hoi) = de | πατέρες (pateres) = vaders | καὶ (kai) = en | ἀπέθανον (apethanon) = stierven | ὁ (ho) = de | τρώγων (trogon) = etende | τοῦτον (touton) = dit | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | ζήσει (zesei) = zal leven | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid Bron: SBLGNT **6:59** Dit zei Hij terwijl Hij onderwees in de synagoge, in Kapernaüm. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | εἶπεν (eipen) = zei Hij | ἐν (en) = in | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | ἐν (en) = in | Καφαρναούμ (Kapharnaoum) = Kapernaüm Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël. ### Veel leerlingen verlaten Yeshua **6:60** Veel van Zijn leerlingen zeiden dus, toen zij het hoorden: „Dit woord is hard. Wie kan ernaar luisteren?” Brontekst: Πολλοὶ (Polloi) = velen | οὖν (oun) = dus | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἶπαν (eipan) = zeiden | Σκληρός (Skleros) = hard | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | οὗτος (houtos) = dit | τίς (tis) = wie | δύναται (dynatai) = kan | αὐτοῦ (autou) = het | ἀκούειν (akouein) = horen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκληρός (skleros), ‘hard’: moeilijk te aanvaarden. **6:61** Yeshua wist in Zichzelf dat Zijn leerlingen hierover mopperden. Hij zei tegen hen: **„Laat dit jullie struikelen?** Brontekst: εἰδὼς (eidos) = wetend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐν (en) = in | ἑαυτῷ (heauto) = Zichzelf | ὅτι (hoti) = dat | γογγύζουσιν (gongyzousin) = mopperen | περὶ (peri) = over | τούτου (toutou) = dit | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Τοῦτο (Touto) = dit | ὑμᾶς (hymas) = jullie | σκανδαλίζει (skandalizei) = laat struikelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκανδαλίζω (skandalizo), ‘laten struikelen’: zoals in Matt. 13:57 en Mark. 6:3. γογγύζω (gongyzo), ‘mopperen’: zie 6:41. Zie ook: Mat 13:57; Mar 6:3 **6:62** **Als jullie dan de Mensenzoon zien opstijgen naar waar Hij eerst was …** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | οὖν (oun) = dus | θεωρῆτε (theorete) = jullie zien | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | ἀναβαίνοντα (anabainonta) = opstijgend | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | τὸ (to) = het | πρότερον (proteron) = eerder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks laat de zin onaf: ‘Als jullie dan de Mensenzoon zien opstijgen naar waar Hij eerst was …’. Wij vullen niets aan. **6:63** **De Geest is het die levend maakt. Het vlees is van geen enkel nut. De woorden die Ik tot jullie gesproken heb, zijn geest en zijn leven.** Brontekst: τὸ (to) = de | πνεῦμά (pneuma) = Geest | ἐστιν (estin) = is | τὸ (to) = die | ζῳοποιοῦν (zoopoioun) = levend maakt | ἡ (he) = het | σὰρξ (sarx) = vlees | οὐκ (ouk) = niet | ὠφελεῖ (ophelei) = nut heeft | οὐδέν (ouden) = niets | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ἃ (ha) = die | ἐγὼ (ego) = Ik | λελάληκα (lelaleka) = heb gesproken | ὑμῖν (hymin) = tot jullie | πνεῦμά (pneuma) = geest | ἐστιν (estin) = zijn | καὶ (kai) = en | ζωή (zoe) = leven | ἐστιν (estin) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het eerste πνεῦμα (pneuma) heeft een lidwoord; daarom schrijven wij ‘de Geest’ met hoofdletter. Het tweede πνεῦμα heeft geen lidwoord; daarom ‘geest’ met kleine letter. Of in beide gevallen de Geest van Elohim bedoeld is, is niet zeker. Voetnoot : ζῳοποιέω (zoopoieo), ‘levend maken’. **6:64** **Maar er zijn enkelen van jullie die niet geloven.”** Want Yeshua wist van het begin af wie het waren die niet geloofden en wie Hem zou overleveren. Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | εἰσὶν (eisin) = zijn | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | τινες (tines) = enkelen | οἳ (hoi) = die | οὐ (ou) = niet | πιστεύουσιν (pisteuousin) = geloven | ᾔδει (edei) = wist | γὰρ (gar) = want | ἐξ (ex) = van | ἀρχῆς (arches) = begin | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τίνες (tines) = wie | εἰσὶν (eisin) = zijn | οἱ (hoi) = de | μὴ (me) = niet | πιστεύοντες (pisteuontes) = gelovenden | καὶ (kai) = en | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | παραδώσων (paradoson) = overleverende | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: zoals in Matt. 26:15. Zie ook: Mat 26:15 **6:65** Hij zei: **„Daarom heb Ik jullie gezegd dat niemand naar Mij toe kan komen, tenzij het hem door de Vader gegeven is.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei | Διὰ (Dia) = daarom | τοῦτο (touto) = dit | εἴρηκα (eireka) = Ik heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | δύναται (dynatai) = kan | ἐλθεῖν (elthein) = komen | πρός (pros) = tot | με (me) = Mij | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | ᾖ (e) = het is | δεδομένον (dedomenon) = gegeven | αὐτῷ (auto) = hem | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader Bron: SBLGNT **6:66** Vanaf dat moment gingen velen van Zijn leerlingen terug en liepen niet meer met Hem mee. Brontekst: Ἐκ (Ek) = uit | τούτου (toutou) = dit | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = het | ὀπίσω (opiso) = achter | καὶ (kai) = en | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | περιεπάτουν (periepatoun) = liepen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὰ ὀπίσω (eis ta opiso), ‘terug’: letterlijk ‘naar wat achter is’. ### Petrus en de twaalf **6:67** Yeshua zei dus tegen de twaalf: **„Willen ook jullie soms weggaan?”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τοῖς (tois) = aan de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | Μὴ (Me) = toch niet | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | θέλετε (thelete) = willen | ὑπάγειν (hypagein) = weggaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἱ δώδεκα (hoi dodeka), ‘de twaalf’: de kring van twaalf leerlingen die Yeshua uitgekozen heeft (vers 70). Hier voor het eerst in dit evangelie. Zie ook Mark. 3:14; Matt. 10:1–4. Zie ook: Mat 10:1–4; Mar 3:14; Joh 6:70 **6:68** Simon Petrus antwoordde Hem: „Heer, naar wie zullen wij gaan? U hebt woorden van eeuwig leven. Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = Hem | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | Κύριε (Kyrie) = Heer | πρὸς (pros) = naar | τίνα (tina) = wie | ἀπελευσόμεθα (apeleusometha) = zullen wij gaan | ῥήματα (rhemata) = woorden | ζωῆς (zoes) = van leven | αἰωνίου (aioniou) = eeuwig | ἔχεις (echeis) = U hebt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘Heer’: zie de Uitleg bij 4:11. Zie ook Matt. 16:16; Mark. 8:29; Luc. 9:20. Zie ook: Mat 16:16; Mar 8:29; Luc 9:20 **6:69** Wij geloven en weten dat U de Heilige van Elohim bent.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἡμεῖς (hemeis) = wij | πεπιστεύκαμεν (pepisteukamen) = geloven | καὶ (kai) = en | ἐγνώκαμεν (egnokamen) = weten | ὅτι (hoti) = dat | σὺ (sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | ἅγιος (hagios) = Heilige | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ ἅγιος τοῦ θεοῦ (ho hagios tou theou), ‘de Heilige van Elohim’: zo noemt ook een onreine geest Yeshua in Mark. 1:24. De ‘heilige van Yahweh’ in Ps. 106:16 is Aäron. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften (zoals de Textus Receptus) hebben: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende Elohim’ (vergelijk Matt. 16:16). Wij vertalen de SBLGNT. Zie ook: Ps 106:16; Mat 16:16; Mar 1:24 **6:70** Yeshua antwoordde hun: **„Heb Ik niet jullie, de twaalf, uitgekozen? En een van jullie is een duivel.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐκ (Ouk) = niet | ἐγὼ (ego) = Ik | ὑμᾶς (hymas) = jullie | τοὺς (tous) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ἐξελεξάμην (exelexamen) = koos uit | καὶ (kai) = en | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἷς (heis) = een | διάβολός (diabolos) = duivel | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάβολος (diabolos), ‘duivel’: letterlijk ‘beschuldiger, lasteraar’; zie de Uitleg bij Matt. 4:1. Zie ook: Mat 4:1 **6:71** Hij sprak over Judas, de zoon van Simon Iskariot. Want die zou Hem overleveren, een van de twaalf. Brontekst: ἔλεγεν (elegen) = sprak | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = over | Ἰούδαν (Ioudan) = Judas | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | Ἰσκαριώτου (Iskariotou) = Iskariot | οὗτος (houtos) = deze | γὰρ (gar) = want | ἔμελλεν (emellen) = stond op het punt | παραδιδόναι (paradidonai) = over te leveren | αὐτόν (auton) = Hem | εἷς (heis) = een | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘Judas van Simon Iskariot’: Ἰσκαριώτου (Iskarioutou) staat in dezelfde naamval als Σίμωνος (Simonos), dus ‘Iskariot’ hoort hier bij Simon. Wij vullen ‘de zoon’ aan, zoals in 13:2. Ἰσκαριώτης (Iskariotes) betekent waarschijnlijk ‘man uit Kerioth’; welke plaats Kerioth is, is onzeker. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:14–16. Zie ook: Mat 26:14–16 ## Johannes 7 _Het feest van de hutten, het levende water en de verdeeldheid over Yeshua_ ### Yeshua en Zijn broers **7:1** Hierna trok Yeshua rond in Galilea. Want Hij wilde niet in Judea rondtrekken, omdat de Joden Hem probeerden te doden. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | μετὰ (meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit | περιεπάτει (periepatei) = trok rond | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Γαλιλαίᾳ (Galilaia) = Galilea | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἤθελεν (ethelen) = wilde Hij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Ἰουδαίᾳ (Ioudaia) = Judea | περιπατεῖν (peripatein) = rondtrekken | ὅτι (hoti) = omdat | ἐζήτουν (ezetoun) = probeerden | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: in Johannes zijn dit vaak de leiders in Judea en Jeruzalem die tegenover Yeshua staan, niet het hele volk (vergelijk 7:13 en 7:15). Yeshua en Zijn leerlingen zijn zelf ook Joden. Voetnoot : ζητέω (zeteo), ‘zoeken’: met een werkwoord erachter (‘Hem doden’, ‘Hem grijpen’) vertalen wij het als ‘proberen’; zonder werkwoord als ‘zoeken’ (7:11, 7:34). **7:2** Het feest van de Joden, het feest van de hutten, was dichtbij. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ἐγγὺς (engys) = dichtbij | ἡ (he) = het | ἑορτὴ (heorte) = feest | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἡ (he) = het | σκηνοπηγία (skenopegia) = feest van de hutten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκηνοπηγία (skenopegia), ‘feest van de hutten’: zeven dagen lang woonde het volk in hutten (Lev. 23:34–43; Deut. 16:13–15). Het Hebreeuwse woord is סֻכּוֹת (sukkot). Zie ook: Lev 23:34–43; Deut 16:13–15 **7:3** Zijn broers zeiden dus tegen Hem: „Vertrek van hier en ga naar Judea, zodat ook Uw leerlingen de werken zien die U doet. Brontekst: εἶπον (eipon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | πρὸς (pros) = tegen | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Μετάβηθι (Metabethi) = vertrek | ἐντεῦθεν (enteuthen) = vanhier | καὶ (kai) = en | ὕπαγε (hypage) = ga | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ἰουδαίαν (Ioudaian) = Judea | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | σου (sou) = Uw | θεωρήσουσιν (theoresousin) = zullen zien | σοῦ (sou) = van U | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | ἃ (ha) = die | ποιεῖς (poieis) = U doet Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. Voetnoot Uitleg: ‘Zijn broers’ zijn de broers van Yeshua; zie ook Matt. 13:55 en Mark. 6:3. Zie ook: Mat 13:55; Mar 6:3 **7:4** Want niemand doet iets in het verborgen en wil zelf openlijk bekend zijn. Als U deze dingen doet, openbaar U aan de wereld.” Brontekst: οὐδεὶς (oudeis) = niemand | γάρ (gar) = want | τι (ti) = iets | ἐν (en) = in | κρυπτῷ (krypto) = verborgen | ποιεῖ (poiei) = doet | καὶ (kai) = en | ζητεῖ (zetei) = zoekt | αὐτὸς (autos) = zelf | ἐν (en) = in | παρρησίᾳ (parresia) = openlijkheid | εἶναι (einai) = te zijn | εἰ (ei) = als | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ποιεῖς (poieis) = U doet | φανέρωσον (phaneroson) = openbaar | σεαυτὸν (seauton) = Uzelf | τῷ (to) = aan de | κόσμῳ (kosmo) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρρησία (parresia), ‘openlijkheid’: wij vertalen het als ‘openlijk’ (ook 7:13 en 7:26). φανερόω (phaneroo), ‘openbaren’: zie ook 9:3. **7:5** Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem. Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | γὰρ (gar) = want | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐπίστευον (episteuon) = geloofden | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **7:6** Yeshua zei dus tegen hen: **„Mijn tijd is er nog niet, maar jullie tijd is altijd klaar.** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ὁ (Ho) = de | καιρὸς (kairos) = tijd | ὁ (ho) = de | ἐμὸς (emos) = Mijn | οὔπω (oupo) = nog niet | πάρεστιν (parestin) = is er | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | καιρὸς (kairos) = tijd | ὁ (ho) = de | ὑμέτερος (hymeteros) = jullie | πάντοτέ (pantote) = altijd | ἐστιν (estin) = is | ἕτοιμος (hetoimos) = klaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καιρός (kairos), ‘tijd’, het juiste moment. In 7:30 en 8:20 staat een ander woord, ὥρα (hora), ‘uur’. **7:7** **De wereld kan jullie niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik over haar getuig dat haar werken slecht zijn.** Brontekst: οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | μισεῖν (misein) = haten | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐμὲ (eme) = Mij | δὲ (de) = maar | μισεῖ (misei) = haat zij | ὅτι (hoti) = omdat | ἐγὼ (ego) = Ik | μαρτυρῶ (martyro) = getuig | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = haar | ὅτι (hoti) = dat | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | αὐτοῦ (autou) = haar | πονηρά (ponera) = slecht | ἐστιν (estin) = zijn Bron: SBLGNT **7:8** **Ga jullie zelf op naar het feest. Ik ga niet op naar dit feest, want Mijn tijd is nog niet vervuld.”** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἀνάβητε (anabete) = gaat op | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ἑορτήν (heorten) = feest | ἐγὼ (ego) = Ik | οὐκ (ouk) = niet | ἀναβαίνω (anabaino) = ga op | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ἑορτὴν (heorten) = feest | ταύτην (tauten) = dit | ὅτι (hoti) = omdat | ὁ (ho) = de | ἐμὸς (emos) = Mijn | καιρὸς (kairos) = tijd | οὔπω (oupo) = nog niet | πεπλήρωται (peplerotai) = is vervuld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀναβαίνω (anabaino), ‘opgaan’: Jeruzalem ligt hoog, men ‘ging op’ naar het feest. In vers 10 gaat Yeshua zelf toch op. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ‘Ik ga nog niet op’ (οὔπω, oupo) in plaats van ‘Ik ga niet op’ (οὐκ, ouk). Wij volgen de SBLGNT: ‘niet’. Zie ook: Joh 7:10 **7:9** Nadat Hij dit gezegd had, bleef Hij in Galilea. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | δὲ (de) = maar | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | ἔμεινεν (emeinen) = bleef | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | Γαλιλαίᾳ (Galilaia) = Galilea Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. ### Yeshua gaat in het verborgen naar het feest op **7:10** Toen Zijn broers naar het feest waren opgegaan, ging daarna ook Hij zelf op, niet in het openbaar maar als in het verborgen. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | δὲ (de) = maar | ἀνέβησαν (anebesan) = gingen op | οἱ (hoi) = de | ἀδελφοὶ (adelphoi) = broers | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ἑορτήν (heorten) = feest | τότε (tote) = daarna | καὶ (kai) = ook | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | ἀνέβη (anebe) = ging op | οὐ (ou) = niet | φανερῶς (phaneros) = in het openbaar | ἀλλὰ (alla) = maar | ὡς (hos) = als | ἐν (en) = in | κρυπτῷ (krypto) = het verborgen Bron: SBLGNT **7:11** De Joden zochten Hem dus op het feest en zeiden: „Waar is Hij?” Brontekst: οἱ (hoi) = de | οὖν (oun) = dus | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = op | τῇ (te) = het | ἑορτῇ (heorte) = feest | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Ποῦ (Pou) = waar | ἐστιν (estin) = is | ἐκεῖνος (ekeinos) = Hij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ἐκεῖνος (ekeinos), ‘die’: de Joden noemen Yeshua niet bij naam. Wij schrijven ‘Hij’, met hoofdletter, ook in de woorden van tegenstanders (zoals in Matteüs). **7:12** Er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: „Hij is goed.” Anderen zeiden: „Nee, Hij misleidt de menigte.” Brontekst: καὶ (kai) = en | γογγυσμὸς (gongysmos) = gemompel | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἦν (en) = was | πολὺς (polys) = veel | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | ὄχλοις (ochlois) = menigten | οἱ (hoi) = sommigen | μὲν (men) = enerzijds | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Ἀγαθός (Agathos) = goed | ἐστιν (estin) = is Hij | ἄλλοι (alloi) = anderen | δὲ (de) = maar | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Οὔ (Ou) = nee | ἀλλὰ (alla) = maar | πλανᾷ (plana) = misleidt | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γογγυσμός (gongysmos), ‘gemompel’: zacht, heimelijk praten. Het hoort bij γογγύζω (gongyzo), ‘mopperen’ in 6:41. Hier gaat het niet om klagen maar om fluisterend praten; daarom schrijven wij hier en in vers 32 ‘gemompel’ en ‘mompelen’. Zie ook: Joh 7:32 **7:13** Niemand sprak echter openlijk over Hem, uit angst voor de Joden. Brontekst: οὐδεὶς (oudeis) = niemand | μέντοι (mentoi) = echter | παρρησίᾳ (parresia) = openlijk | ἐλάλει (elalei) = sprak | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | φόβον (phobon) = angst | τῶν (ton) = voor de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT ### Yeshua onderwijst in de tempel **7:14** Toen het feest al halverwege was, ging Yeshua op naar de tempel en onderwees. Brontekst: Ἤδη (Ede) = al | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = van het | ἑορτῆς (heortes) = feest | μεσούσης (mesouses) = halverwege zijnde | ἀνέβη (anebe) = ging op | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = de | ἱερὸν (hieron) = tempel | καὶ (kai) = en | ἐδίδασκεν (edidasken) = onderwees Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἱερόν (hieron), ‘tempel’: heel het tempelterrein (zie Matt. 21:12). Zie ook: Mat 21:12 **7:15** De Joden verwonderden zich dus en zeiden: „Hoe kent deze man de geschriften, terwijl Hij niet geleerd heeft?” Brontekst: ἐθαύμαζον (ethaumazon) = verwonderden zich | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | λέγοντες (legontes) = zeggend | Πῶς (Pos) = hoe | οὗτος (houtos) = deze | γράμματα (grammata) = geschriften | οἶδεν (oiden) = kent | μὴ (me) = niet | μεμαθηκώς (memathekos) = geleerd hebbend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γράμματα (grammata), letterlijk ‘letters, geschriften’: kennis van de Schrift. De Joden verwonderen zich dat iemand die niet bij een leraar geleerd heeft, zo onderwijst. **7:16** Daarop antwoordde Yeshua hun en zei: **„Mijn onderwijs is niet van Mij, maar van Hem die Mij gestuurd heeft.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἡ (He) = het | ἐμὴ (eme) = Mijn | διδαχὴ (didache) = onderwijs | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐμὴ (eme) = van Mij | ἀλλὰ (alla) = maar | τοῦ (tou) = van Hem | πέμψαντός (pempsantos) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **7:17** **Als iemand Zijn wil wil doen, zal hij weten of dit onderwijs uit Elohim is of dat Ik uit Mijzelf spreek.** Brontekst: ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | θέλῃ (thele) = wil | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ποιεῖν (poiein) = doen | γνώσεται (gnosetai) = zal weten | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = het | διδαχῆς (didaches) = onderwijs | πότερον (poteron) = of | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐστιν (estin) = het is | ἢ (e) = of | ἐγὼ (ego) = Ik | ἀπ’ (ap’) = uit | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | λαλῶ (lalo) = spreek Bron: SBLGNT **7:18** **Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen heerlijkheid. Maar wie de heerlijkheid zoekt van Hem die hem gestuurd heeft, die is waar, en er is geen onrecht in hem.** Brontekst: ὁ (ho) = wie | ἀφ’ (aph’) = uit | ἑαυτοῦ (heautou) = zichzelf | λαλῶν (lalon) = spreekt | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | τὴν (ten) = de | ἰδίαν (idian) = eigen | ζητεῖ (zetei) = zoekt | ὁ (ho) = wie | δὲ (de) = maar | ζητῶν (zeton) = zoekt | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | τοῦ (tou) = van Hem | πέμψαντος (pempsantos) = die gestuurd heeft | αὐτὸν (auton) = hem | οὗτος (houtos) = die | ἀληθής (alethes) = waar | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | ἀδικία (adikia) = onrecht | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: het kan ook ‘eer’ betekenen, zoals het Hebreeuwse כָּבוֹד (kavod). Wij schrijven ‘eer’ in 5:41–44, 9:24 en 12:43, waar het gaat om waardering door mensen of om eer geven aan Elohim. Overal elders, ook hier en in 8:50 en 8:54, schrijven wij ‘heerlijkheid’. ἀληθής (alethes), ‘waar’, is een ander woord dan ἀληθινός (alethinos), ‘waarachtig’, in vers 28. Zie ook: Joh 7:28 ### Het werk op sabbat **7:19** **Heeft Mozes jullie niet de wet gegeven? En niemand van jullie doet de wet. Waarom proberen jullie Mij te doden?”** Brontekst: Οὐ (Ou) = niet | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | δέδωκεν (dedoken) = heeft gegeven | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐξ (ex) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | ποιεῖ (poiei) = doet | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | τί (ti) = waarom | με (me) = Mij | ζητεῖτε (zeteite) = proberen jullie | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νόμος (nomos), ‘wet’: hier de wet van Mozes, het Hebreeuwse תּוֹרָה (torah). De vraag ‘Waarom proberen jullie Mij te doden?’ gaat terug op 7:1 en 5:18. **7:20** De menigte antwoordde: „U hebt een demon! Wie probeert U te doden?” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | Δαιμόνιον (Daimonion) = demon | ἔχεις (echeis) = U hebt | τίς (tis) = wie | σε (se) = U | ζητεῖ (zetei) = probeert | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Een demon hebben’: bezeten zijn; hier een scheldwoord. Zie ook 8:48 en 10:20. **7:21** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Eén werk heb Ik gedaan, en jullie verwonderen je allemaal.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἓν (Hen) = een | ἔργον (ergon) = werk | ἐποίησα (epoiesa) = Ik deed | καὶ (kai) = en | πάντες (pantes) = allen | θαυμάζετε (thaumazete) = verwonderen jullie je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Eén werk’: de genezing op sabbat in Jeruzalem; zie 5:1–9. **7:22** **Daarom heeft Mozes jullie de besnijdenis gegeven. Zij komt niet van Mozes, maar van de vaderen. En op sabbat besnijden jullie een mens.** Brontekst: διὰ (dia) = daarom | τοῦτο (touto) = dit | Μωϋσῆς (Moyses) = Mozes | δέδωκεν (dedoken) = heeft gegeven | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὴν (ten) = de | περιτομήν (peritomen) = besnijdenis | οὐχ (ouch) = niet | ὅτι (hoti) = dat | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | Μωϋσέως (Moyseos) = Mozes | ἐστὶν (estin) = is | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | πατέρων (pateron) = vaderen | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = op | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | περιτέμνετε (peritemnete) = besnijden jullie | ἄνθρωπον (anthropon) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De besnijdenis gaat terug op Abraham (Gen. 17:10–12) en staat in de wet van Mozes (Lev. 12:3): op de achtste dag. Zie ook: Gen 17:10–12; Lev 12:3 **7:23** **Als een mens op sabbat de besnijdenis ontvangt, zodat de wet van Mozes niet gebroken wordt, zijn jullie dan boos op Mij omdat Ik op sabbat een heel mens gezond gemaakt heb?** Brontekst: εἰ (ei) = als | περιτομὴν (peritomen) = besnijdenis | λαμβάνει (lambanei) = ontvangt | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἐν (en) = op | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | λυθῇ (lythe) = wordt gebroken | ὁ (ho) = de | νόμος (nomos) = wet | Μωϋσέως (Moyseos) = van Mozes | ἐμοὶ (emoi) = op Mij | χολᾶτε (cholate) = zijn jullie boos | ὅτι (hoti) = omdat | ὅλον (holon) = hele | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | ὑγιῆ (hygie) = gezond | ἐποίησα (epoiesa) = Ik maakte | ἐν (en) = op | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χολάω (cholao), ‘boos zijn’: een zeldzaam woord. De zin begint in het Grieks met ‘Als’ en is lang; wij houden hem als één zin. ὅλον ἄνθρωπον ὑγιῆ (holon anthropon hygie), ‘een heel mens gezond’: een mens helemaal gezond. **7:24** **Oordeel niet naar het uiterlijk, maar oordeel met een rechtvaardig oordeel.”** Brontekst: μὴ (me) = niet | κρίνετε (krinete) = oordeelt | κατ’ (kat’) = naar | ὄψιν (opsin) = uiterlijk | ἀλλὰ (alla) = maar | τὴν (ten) = het | δικαίαν (dikaian) = rechtvaardige | κρίσιν (krisin) = oordeel | κρίνετε (krinete) = oordeelt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίνω (krino), ‘oordelen’; κρίσις (krisis), ‘oordeel’. ὄψις (opsis), ‘uiterlijk’: wat men aan de buitenkant ziet. ### Is Hij de Messias? **7:25** Sommigen van de inwoners van Jeruzalem zeiden dus: „Is dit niet Hij die zij proberen te doden? Brontekst: Ἔλεγον (Elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | τινες (tines) = sommigen | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Ἱεροσολυμιτῶν (Hierosolymiton) = Jeruzalemmers | Οὐχ (Ouch) = niet | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὃν (hon) = die | ζητοῦσιν (zetousin) = zij proberen | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Ἱεροσολυμῖται (Hierosolymitai), ‘inwoners van Jeruzalem’; zie ook Mark. 1:5. Zie ook: Mar 1:5 **7:26** En kijk: Hij spreekt openlijk en zij zeggen niets tegen Hem. Zouden de leiders werkelijk erkend hebben dat Hij de Messias is? Brontekst: καὶ (kai) = en | ἴδε (ide) = kijk | παρρησίᾳ (parresia) = openlijk | λαλεῖ (lalei) = spreekt | καὶ (kai) = en | οὐδὲν (ouden) = niets | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | λέγουσιν (legousin) = zeggen zij | μήποτε (mepote) = misschien | ἀληθῶς (alethos) = werkelijk | ἔγνωσαν (egnosan) = hebben erkend | οἱ (hoi) = de | ἄρχοντες (archontes) = leiders | ὅτι (hoti) = dat | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χριστός (christos), ‘gezalfde’, is het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘Messias’. ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’: de leiders van het volk. **7:27** Maar van Hem weten wij waar Hij vandaan komt. Wanneer de Messias komt, weet niemand waar Hij vandaan komt.” Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | τοῦτον (touton) = deze | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | πόθεν (pothen) = vanwaar | ἐστίν (estin) = Hij is | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | χριστὸς (christos) = Messias | ὅταν (hotan) = wanneer | ἔρχηται (erchetai) = komt | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | γινώσκει (ginoskei) = weet | πόθεν (pothen) = vanwaar | ἐστίν (estin) = Hij is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet waarop dit idee berust, dat niemand zou weten waar de Messias vandaan komt; vergelijk 7:41–42, waar de menigte de Schrift aanhaalt. **7:28** Daarop riep Yeshua in de tempel, terwijl Hij onderwees, en zei: **„Ook Mij kennen jullie, en jullie weten waar Ik vandaan kom. Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar waarachtig is Hij die Mij gestuurd heeft. Hem kennen jullie niet.** Brontekst: ἔκραξεν (ekraxen) = riep | οὖν (oun) = dus | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | λέγων (legon) = zeggend | Κἀμὲ (Kame) = ook Mij | οἴδατε (oidate) = jullie kennen | καὶ (kai) = en | οἴδατε (oidate) = jullie weten | πόθεν (pothen) = vanwaar | εἰμί (eimi) = Ik ben | καὶ (kai) = en | ἀπ’ (ap’) = uit | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | οὐκ (ouk) = niet | ἐλήλυθα (elelytha) = ben gekomen | ἀλλ’ (all’) = maar | ἔστιν (estin) = is | ἀληθινὸς (alethinos) = waarachtig | ὁ (ho) = Hij | πέμψας (pempsas) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij | ὃν (hon) = wie | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = kennen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀληθινός (alethinos), ‘waarachtig’: wij onderscheiden dit van ἀληθής (alethes), ‘waar’ (7:18). Voetnoot Lezing: Wij lezen ‘Ook Mij kennen jullie’ als een uitspraak. Het kan ook als een vraag of als ironie worden gelezen. **7:29** **Ik ken Hem, want Ik kom van Hem, en Hij heeft Mij gezonden.”** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | οἶδα (oida) = ken | αὐτόν (auton) = Hem | ὅτι (hoti) = want | παρ’ (par’) = van | αὐτοῦ (autou) = Hem | εἰμι (eimi) = ben | κἀκεῖνός (kakeinos) = en Hij | με (me) = Mij | ἀπέστειλεν (apesteilen) = heeft gezonden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρ᾽ αὐτοῦ εἰμι (par’ autou eimi), letterlijk ‘Ik ben van bij Hem’: Ik kom van Hem. **7:30** Zij probeerden Hem dus te grijpen, maar niemand legde de hand op Hem, omdat Zijn uur nog niet gekomen was. Brontekst: ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | οὖν (oun) = dus | αὐτὸν (auton) = Hem | πιάσαι (piasai) = te grijpen | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐπέβαλεν (epebalen) = legde | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτὸν (auton) = Hem | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | ὅτι (hoti) = omdat | οὔπω (oupo) = nog niet | ἐληλύθει (elelythei) = was gekomen | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὥρα (hora), ‘uur’: vergelijk καιρός (kairos) in 7:6. Het ‘uur’ van Yeshua komt later in Johannes terug (bijvoorbeeld 12:23 en 13:1). **7:31** Velen uit de menigte geloofden in Hem en zeiden: „Zal de Messias, wanneer Hij komt, meer tekenen doen dan deze gedaan heeft?” Brontekst: ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | δὲ (de) = maar | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Ὁ (Ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | ὅταν (hotan) = wanneer | ἔλθῃ (elthe) = Hij komt | μὴ (me) = toch niet | πλείονα (pleiona) = meer | σημεῖα (semeia) = tekenen | ποιήσει (poiesei) = zal doen | ὧν (hon) = dan die | οὗτος (houtos) = deze | ἐποίησεν (epoiesen) = deed Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σημεῖον (semeion), ‘teken’: een wonder dat iets laat zien. Johannes noemt de wonderen van Yeshua ‘tekenen’ (zo ook 9:16). ### Bedienden worden gezonden om Hem te grijpen **7:32** De Farizeeën hoorden de menigte dit over Hem mompelen. En de hogepriesters en de Farizeeën zonden bedienden om Hem te grijpen. Brontekst: Ἤκουσαν (Ekousan) = hoorden | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | γογγύζοντος (gongyzontos) = mompelend | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | ταῦτα (tauta) = dit | καὶ (kai) = en | ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ὑπηρέτας (hyperetas) = bedienden | ἵνα (hina) = opdat | πιάσωσιν (piasosin) = zij grijpen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: hier dienaren van de tempelleiding. Wij vertalen het zo ook in Matt. 26:58 en Mark. 14:54. Zie ook: Mat 26:58; Mar 14:54 **7:33** Yeshua zei dus: **„Nog korte tijd ben Ik bij jullie, en dan ga Ik heen naar Hem die Mij gestuurd heeft.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἔτι (Eti) = nog | χρόνον (chronon) = tijd | μικρὸν (mikron) = kort | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰμι (eimi) = ben Ik | καὶ (kai) = en | ὑπάγω (hypago) = ga heen | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = Hem | πέμψαντά (pempsanta) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **7:34** **Jullie zullen Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben, kunnen jullie niet komen.”** Brontekst: ζητήσετέ (zetesete) = jullie zullen zoeken | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | εὑρήσετε (heuresete) = jullie zullen vinden | καὶ (kai) = en | ὅπου (hopou) = waar | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐγὼ (ego) = Ik | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = kunnen | ἐλθεῖν (elthein) = komen Bron: SBLGNT **7:35** De Joden zeiden dus tegen elkaar: „Waar gaat Hij naartoe, dat wij Hem niet zullen vinden? Gaat Hij naar de verstrooiing onder de Grieken en gaat Hij de Grieken onderwijzen? Brontekst: εἶπον (eipon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | πρὸς (pros) = tegen | ἑαυτούς (heautous) = zichzelf | Ποῦ (Pou) = waar | οὗτος (houtos) = deze | μέλλει (mellei) = gaat | πορεύεσθαι (poreuesthai) = heengaan | ὅτι (hoti) = dat | ἡμεῖς (hemeis) = wij | οὐχ (ouch) = niet | εὑρήσομεν (heuresomen) = zullen vinden | αὐτόν (auton) = Hem | μὴ (me) = toch niet | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | διασπορὰν (diasporan) = verstrooiing | τῶν (ton) = van de | Ἑλλήνων (Hellenon) = Grieken | μέλλει (mellei) = gaat Hij | πορεύεσθαι (poreuesthai) = heengaan | καὶ (kai) = en | διδάσκειν (didaskein) = onderwijzen | τοὺς (tous) = de | Ἕλληνας (Hellenas) = Grieken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διασπορά (diaspora), ‘verstrooiing’: de plaatsen buiten het land waar Joden verspreid onder de volken wonen. Ἕλληνες (Hellenes), ‘Grieken’: Grieks sprekende niet-Joden. **7:36** Wat is dit voor een woord dat Hij gezegd heeft: **‘Jullie zullen Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben, kunnen jullie niet komen’**?” Brontekst: τίς (tis) = wat | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | οὗτος (houtos) = dit | ὃν (hon) = dat | εἶπε (eipe) = Hij zei | Ζητήσετέ (Zetesete) = jullie zullen zoeken | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | εὑρήσετε (heuresete) = jullie zullen vinden | καὶ (kai) = en | ὅπου (hopou) = waar | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐγὼ (ego) = Ik | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = kunnen | ἐλθεῖν (elthein) = komen Bron: SBLGNT ### Rivieren van levend water **7:37** Op de laatste dag, de grote dag van het feest, stond Yeshua en riep: **„Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken.** Brontekst: Ἐν (En) = op | δὲ (de) = maar | τῇ (te) = de | ἐσχάτῃ (eschate) = laatste | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τῇ (te) = de | μεγάλῃ (megale) = grote | τῆς (tes) = van het | ἑορτῆς (heortes) = feest | εἱστήκει (heistekei) = stond | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἔκραξεν (ekraxen) = riep | λέγων (legon) = zeggend | Ἐάν (Ean) = als | τις (tis) = iemand | διψᾷ (dipsa) = dorst heeft | ἐρχέσθω (erchestho) = laat komen | πρός (pros) = tot | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | πινέτω (pineto) = laat drinken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het feest duurde zeven dagen (Lev. 23:34); op de achtste dag was er een slotsamenkomst (Lev. 23:36). Het Grieks zegt niet welke dag met ‘de laatste, de grote dag’ bedoeld is. διψάω (dipsao), ‘dorst hebben’: vergelijk Jes. 55:1. Zie ook: Lev 23:34; Lev 23:36; Jes 55:1 **7:38** **Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift gezegd heeft: uit zijn binnenste zullen rivieren van levend water vloeien.”** Brontekst: ὁ (ho) = wie | πιστεύων (pisteuon) = gelooft | εἰς (eis) = in | ἐμέ (eme) = Mij | καθὼς (kathos) = zoals | εἶπεν (eipen) = zei | ἡ (he) = de | γραφή (graphe) = Schrift | ποταμοὶ (potamoi) = rivieren | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | κοιλίας (koilias) = binnenste | αὐτοῦ (autou) = zijn | ῥεύσουσιν (rheusousin) = zullen vloeien | ὕδατος (hydatos) = van water | ζῶντος (zontos) = levend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks noemt niet welk Schriftwoord bedoeld is. Water dat stroomt: vergelijk Jes. 58:11, Zach. 14:8 en Joël 4:18 (in de Nederlandse telling is dit 3:18). κοιλία (koilia), letterlijk ‘buik’: het binnenste van de mens. Het Grieks laat open of ‘zijn binnenste’ (αὐτοῦ) op de gelovige slaat of op Yeshua. Wij volgen de interpunctie van de SBLGNT, waarin ‘wie in Mij gelooft’ bij het volgende hoort: het gaat dan om de gelovige. Zie ook: Joël 4:18; Jes 58:11; Zach 14:8 **7:39** Dit zei Hij over de Geest die zij zouden ontvangen, zij die in Hem geloofden. Want er was nog geen Geest, omdat Yeshua nog niet verheerlijkt was. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei Hij | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | πνεύματος (pneumatos) = Geest | οὗ (hou) = die | ἔμελλον (emellon) = zouden | λαμβάνειν (lambanein) = ontvangen | οἱ (hoi) = de | πιστεύσαντες (pisteusantes) = gelovig geworden | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = Hem | οὔπω (oupo) = nog niet | γὰρ (gar) = want | ἦν (en) = was | πνεῦμα (pneuma) = Geest | ὅτι (hoti) = omdat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὐδέπω (oudepo) = nog niet | ἐδοξάσθη (edoxasthe) = verheerlijkt werd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: in Johannes wijst dit naar Yeshua’s dood en opstanding en Zijn terugkeer naar de Vader (vergelijk 12:16 en 12:23). Voetnoot Lezing: In sommige handschriften staat bij ‘Geest’ ook ‘heilige’ of ‘gegeven’. De SBLGNT heeft alleen ‘Geest’. ### Verdeeldheid onder de menigte **7:40** Sommigen uit de menigte die deze woorden hoorden, zeiden dus: „Deze is werkelijk de profeet.” Brontekst: Ἐκ (Ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ὄχλου (ochlou) = menigte | οὖν (oun) = dus | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | τῶν (ton) = de | λόγων (logon) = woorden | τούτων (touton) = deze | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ἀληθῶς (alethos) = werkelijk | ὁ (ho) = de | προφήτης (prophetes) = profeet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De profeet’ is de profeet zoals Mozes (Deut. 18:15 en 18:18). Zie ook 1:21 en 6:14. Zie ook: Deut 18:15; Deut 18:18 **7:41** Anderen zeiden: „Deze is de Messias.” Maar sommigen zeiden: „De Messias komt toch niet uit Galilea? Brontekst: ἄλλοι (alloi) = anderen | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | οἱ (hoi) = sommigen | δὲ (de) = maar | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Μὴ (Me) = toch niet | γὰρ (gar) = want | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | ἔρχεται (erchetai) = komt Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. **7:42** Heeft de Schrift niet gezegd dat de Messias komt uit het nageslacht van David en uit Betlehem, het dorp waar David was?” Brontekst: οὐχ (ouch) = niet | ἡ (he) = de | γραφὴ (graphe) = Schrift | εἶπεν (eipen) = zei | ὅτι (hoti) = dat | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | σπέρματος (spermatos) = nageslacht | Δαυίδ (Dauid) = van David | καὶ (kai) = en | ἀπὸ (apo) = vanuit | Βηθλέεμ (Bethleem) = Betlehem | τῆς (tes) = het | κώμης (komes) = dorp | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | Δαυίδ (Dauid) = David | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Betlehem als de plaats vanwaar de heerser komt: Micha 5:1 (in de Nederlandse telling is dit 5:2). De belofte aan David: 2 Sam. 7:12–16 en Ps. 89:5 (in de Nederlandse telling is dit 89:4). σπέρμα (sperma), ‘nageslacht’: het Hebreeuwse זֶרַע (zera). Voetnoot : Zie ook Matt. 2:5–6. Zie ook: 2 Sam 7:12–16; Ps 89:5; Mi 5:1; Mat 2:5–6 **7:43** Er ontstond dus verdeeldheid onder de menigte vanwege Hem. Brontekst: σχίσμα (schisma) = verdeeldheid | οὖν (oun) = dus | ἐγένετο (egeneto) = ontstond | ἐν (en) = onder | τῷ (to) = de | ὄχλῳ (ochlo) = menigte | δι’ (di’) = vanwege | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **7:44** Enkelen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand legde de handen op Hem. Brontekst: τινὲς (tines) = sommigen | δὲ (de) = maar | ἤθελον (ethelon) = wilden | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | πιάσαι (piasai) = grijpen | αὐτόν (auton) = Hem | ἀλλ’ (all’) = maar | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐπέβαλεν (epebalen) = legde | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτὸν (auton) = Hem | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen Bron: SBLGNT ### De bedienden, de Farizeeën en Nikodemus **7:45** De bedienden kwamen dus bij de hogepriesters en de Farizeeën. Die zeiden tegen hen: „Waarom hebben jullie Hem niet gebracht?” Brontekst: Ἦλθον (Elthon) = kwamen | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | ὑπηρέται (hyperetai) = bedienden | πρὸς (pros) = bij | τοὺς (tous) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | Φαρισαίους (Pharisaious) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | εἶπον (eipon) = zeiden | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = die | Διὰ (Dia) = waarom | τί (ti) = (waarom) | οὐκ (ouk) = niet | ἠγάγετε (egagete) = hebben jullie gebracht | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **7:46** De bedienden antwoordden: „Nog nooit heeft een mens zo gesproken.” Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | οἱ (hoi) = de | ὑπηρέται (hyperetai) = bedienden | Οὐδέποτε (Oudepote) = nooit | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | οὕτως (houtos) = zo | ἄνθρωπος (anthropos) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat erachter ‘zoals deze mens’. De SBLGNT heeft dat niet. **7:47** Daarop antwoordden de Farizeeën hun: „Zijn ook jullie misleid? Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = hun | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | Μὴ (Me) = toch niet | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | πεπλάνησθε (peplanesthe) = zijn misleid Bron: SBLGNT **7:48** Heeft soms iemand van de leiders in Hem geloofd, of van de Farizeeën? Brontekst: μή (me) = toch niet | τις (tis) = iemand | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἀρχόντων (archonton) = leiders | ἐπίστευσεν (episteusen) = geloofde | εἰς (eis) = in | αὐτὸν (auton) = Hem | ἢ (e) = of | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën Bron: SBLGNT **7:49** Maar deze menigte, die de wet niet kent, is vervloekt.” Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = die | μὴ (me) = niet | γινώσκων (ginoskon) = kent | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | ἐπάρατοί (eparatoi) = vervloekt | εἰσιν (eisin) = zijn Bron: SBLGNT **7:50** Nikodemus, die eerder naar Hem toe was gekomen en een van hen was, zei tegen hen: Brontekst: λέγει (legei) = zegt | Νικόδημος (Nikodemos) = Nikodemus | πρὸς (pros) = tegen | αὐτούς (autous) = hen | ὁ (ho) = die | ἐλθὼν (elthon) = gekomen was | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | πρότερον (proteron) = eerder | εἷς (heis) = een | ὢν (on) = zijnde | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Nikodemus: zie 3:1–2 en 19:39. **7:51** „Onze wet oordeelt toch niet over een mens, tenzij zij eerst van hem gehoord heeft en weet wat hij doet?” Brontekst: Μὴ (Me) = toch niet | ὁ (ho) = de | νόμος (nomos) = wet | ἡμῶν (hemon) = onze | κρίνει (krinei) = oordeelt | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | ἀκούσῃ (akouse) = zij hoort | πρῶτον (proton) = eerst | παρ’ (par’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | καὶ (kai) = en | γνῷ (gno) = zij weet | τί (ti) = wat | ποιεῖ (poiei) = hij doet Bron: SBLGNT **7:52** Zij antwoordden en zeiden tegen hem: „Ben jij soms ook uit Galilea? Onderzoek het en kijk: uit Galilea staat geen profeet op.” Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Μὴ (Me) = toch niet | καὶ (kai) = ook | σὺ (sy) = jij | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | εἶ (ei) = ben | ἐραύνησον (erauneson) = onderzoek | καὶ (kai) = en | ἴδε (ide) = kijk | ὅτι (hoti) = dat | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | προφήτης (prophetes) = profeet | οὐκ (ouk) = niet | ἐγείρεται (egeiretai) = staat op Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘een profeet’; in vers 40 noemde de menigte ‘de profeet’. De profeet Jona kwam uit Gat-Chefer (2 Kon. 14:25), een plaats in het gebied van Zebulon (Joz. 19:10–13), dus uit Galilea. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgen hier de verzen 7:53–8:11, die in de oudste handschriften ontbreken; wij vertalen ze niet. Zie ook: Joz 19:10–13; 2 Kon 14:25; Joh 7:40 ## Johannes 8 _Het licht van de wereld, de waarheid die vrijmaakt en Yeshua en Abraham_ ### Het licht van de wereld **8:12** Opnieuw sprak Yeshua tot hen en zei: **„Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.”** Brontekst: Πάλιν (Palin) = opnieuw | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | λέγων (legon) = zeggend | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | ὁ (ho) = wie | ἀκολουθῶν (akolouthon) = volgt | ἐμοὶ (emoi) = Mij | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | περιπατήσῃ (peripatese) = zal wandelen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | σκοτίᾳ (skotia) = duisternis | ἀλλ’ (all’) = maar | ἕξει (hexei) = zal hebben | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | τῆς (tes) = van het | ζωῆς (zoes) = leven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘Ik ben’, met een omschrijving: ‘het licht van de wereld’. Vergelijk Jes. 42:6 en 49:6 (‘een licht voor de volken’) en Ps. 27:1 (‘Yahweh is mijn licht’). Vergelijk Matt. 5:14 (‘Jullie zijn het licht van de wereld’). περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: zo vertalen wij het in beeldspraak; in 7:1 is het ‘rondtrekken’. Voetnoot : In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgen hier de verzen 7:53–8:11, die in de oudste handschriften ontbreken; wij vertalen ze niet. Zie ook: Ps 27:1; Jes 42:6; Jes 49:6; Mat 5:14 **8:13** De Farizeeën zeiden dus tegen Hem: „U getuigt over Uzelf. Uw getuigenis is niet waar.” Brontekst: εἶπον (eipon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | Σὺ (Sy) = U | περὶ (peri) = over | σεαυτοῦ (seautou) = Uzelf | μαρτυρεῖς (martyreis) = getuigt | ἡ (he) = de | μαρτυρία (martyria) = getuigenis | σου (sou) = Uw | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἀληθής (alethes) = waar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: zoals voor een rechtbank. Eén getuige was niet genoeg (Deut. 19:15; zie vers 17). Zie ook: Deut 19:15; Joh 8:17 **8:14** Yeshua antwoordde en zei tegen hen: **„Ook al getuig Ik over Mijzelf, Mijn getuigenis is waar. Want Ik weet waar Ik vandaan gekomen ben en waar Ik heen ga. Maar jullie weten niet waar Ik vandaan kom of waar Ik heen ga.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Κἂν (Kan) = ook al | ἐγὼ (ego) = Ik | μαρτυρῶ (martyro) = getuig | περὶ (peri) = over | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | ἀληθής (alethes) = waar | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = de | μαρτυρία (martyria) = getuigenis | μου (mou) = Mijn | ὅτι (hoti) = want | οἶδα (oida) = Ik weet | πόθεν (pothen) = vanwaar | ἦλθον (elthon) = Ik kwam | καὶ (kai) = en | ποῦ (pou) = waarheen | ὑπάγω (hypago) = Ik ga | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = weten | πόθεν (pothen) = vanwaar | ἔρχομαι (erchomai) = Ik kom | ἢ (e) = of | ποῦ (pou) = waarheen | ὑπάγω (hypago) = Ik ga Bron: SBLGNT **8:15** **Jullie oordelen naar het vlees. Ik oordeel niemand.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | κατὰ (kata) = naar | τὴν (ten) = het | σάρκα (sarka) = vlees | κρίνετε (krinete) = oordelen | ἐγὼ (ego) = Ik | οὐ (ou) = niet | κρίνω (krino) = oordeel | οὐδένα (oudena) = niemand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σάρξ (sarx), ‘vlees’: de mens zoals hij is. ‘Naar het vlees oordelen’ is oordelen naar de menselijke maatstaf, naar wat men ziet; vergelijk 7:24. **8:16** **Maar ook als Ik oordeel, is Mijn oordeel waarachtig, want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader die Mij gestuurd heeft.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | κρίνω (krino) = oordeel | δὲ (de) = maar | ἐγώ (ego) = Ik | ἡ (he) = het | κρίσις (krisis) = oordeel | ἡ (he) = het | ἐμὴ (eme) = Mijn | ἀληθινή (alethine) = waarachtig | ἐστιν (estin) = is | ὅτι (hoti) = omdat | μόνος (monos) = alleen | οὐκ (ouk) = niet | εἰμί (eimi) = ben Ik | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐγὼ (ego) = Ik | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πέμψας (pempsas) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij | πατήρ (pater) = Vader Bron: SBLGNT **8:17** **Ook in jullie wet staat geschreven dat het getuigenis van twee mensen waar is.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | νόμῳ (nomo) = wet | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = de | ὑμετέρῳ (hymetero) = jullie | γέγραπται (gegraptai) = staat geschreven | ὅτι (hoti) = dat | δύο (dyo) = twee | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | ἡ (he) = de | μαρτυρία (martyria) = getuigenis | ἀληθής (alethes) = waar | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Jullie wet’: Yeshua noemt de wet van Mozes hier ‘jullie wet’. Het gebod over twee getuigen staat in Deut. 17:6 en 19:15. Zie ook: Deut 17:6; Deut 19:15 **8:18** **Ik ben het die over Mijzelf getuig, en de Vader die Mij gestuurd heeft, getuigt over Mij.”** Brontekst: ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = die | μαρτυρῶν (martyron) = getuigt | περὶ (peri) = over | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | καὶ (kai) = en | μαρτυρεῖ (martyrei) = getuigt | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij | ὁ (ho) = de | πέμψας (pempsas) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij | πατήρ (pater) = Vader Bron: SBLGNT **8:19** Zij zeiden dus tegen Hem: „Waar is Uw Vader?” Yeshua antwoordde: **„Jullie kennen noch Mij noch Mijn Vader. Als jullie Mij kenden, zouden jullie ook Mijn Vader kennen.”** Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ποῦ (Pou) = waar | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | σου (sou) = Uw | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὔτε (Oute) = noch | ἐμὲ (eme) = Mij | οἴδατε (oidate) = kennen jullie | οὔτε (oute) = noch | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | μου (mou) = Mijn | εἰ (ei) = als | ἐμὲ (eme) = Mij | ᾔδειτε (edeite) = jullie kenden | καὶ (kai) = ook | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | μου (mou) = Mijn | ἂν (an) = zou | ᾔδειτε (edeite) = jullie kenden Bron: SBLGNT **8:20** Deze woorden sprak Hij in de schatkamer, terwijl Hij onderwees in de tempel. En niemand greep Hem, omdat Zijn uur nog niet gekomen was. Brontekst: ταῦτα (tauta) = deze | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak Hij | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | γαζοφυλακίῳ (gazophylakio) = schatkamer | διδάσκων (didaskon) = onderwijzend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐπίασεν (epiasen) = greep | αὐτόν (auton) = Hem | ὅτι (hoti) = omdat | οὔπω (oupo) = nog niet | ἐληλύθει (elelythei) = was gekomen | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γαζοφυλάκιον (gazophylakion), ‘schatkamer’: een deel van het tempelterrein waar giften werden bewaard; zie ook Mark. 12:41. ὥρα (hora), ‘uur’: zie 7:30. Zie ook: Mar 12:41 ### Waar Yeshua heen gaat, kunnen zij niet komen **8:21** Hij zei dus opnieuw tegen hen: **„Ik ga heen, en jullie zullen Mij zoeken, en jullie zullen in jullie zonde sterven. Waar Ik heen ga, kunnen jullie niet komen.”** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | πάλιν (palin) = opnieuw | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἐγὼ (Ego) = Ik | ὑπάγω (hypago) = ga heen | καὶ (kai) = en | ζητήσετέ (zetesete) = jullie zullen zoeken | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἁμαρτίᾳ (hamartia) = zonde | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἀποθανεῖσθε (apothaneisthe) = jullie zullen sterven | ὅπου (hopou) = waar | ἐγὼ (ego) = Ik | ὑπάγω (hypago) = ga heen | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = kunnen | ἐλθεῖν (elthein) = komen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπάγω (hypago), ‘heengaan’: zie ook 7:33–34. ἁμαρτία (hamartia), ‘zonde’: hier staat het enkelvoud, in vers 24 het meervoud ‘zonden’. Zie ook: Joh 8:24 **8:22** De Joden zeiden dus: „Zal Hij Zichzelf soms doden, omdat Hij zegt: **‘Waar Ik heen ga, kunnen jullie niet komen’**?” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | Μήτι (Meti) = toch niet | ἀποκτενεῖ (apoktenei) = zal doden | ἑαυτὸν (heauton) = Zichzelf | ὅτι (hoti) = dat | λέγει (legei) = Hij zegt | Ὅπου (Hopou) = waar | ἐγὼ (ego) = Ik | ὑπάγω (hypago) = ga heen | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = kunnen | ἐλθεῖν (elthein) = komen Bron: SBLGNT **8:23** En Hij zei tegen hen: **„Jullie zijn van beneden, Ik ben van boven. Jullie zijn van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἔλεγεν (elegen) = zei Hij | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | κάτω (kato) = beneden | ἐστέ (este) = zijn | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἄνω (ano) = boven | εἰμί (eimi) = ben | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐκ (ek) = uit | τούτου (toutou) = deze | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | ἐστέ (este) = zijn | ἐγὼ (ego) = Ik | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | τούτου (toutou) = deze Bron: SBLGNT **8:24** **Daarom zei Ik jullie dat jullie in jullie zonden zullen sterven. Want als jullie niet geloven dat Ik ben, zullen jullie in jullie zonden sterven.”** Brontekst: εἶπον (eipon) = zei Ik | οὖν (oun) = dus | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἀποθανεῖσθε (apothaneisthe) = jullie zullen sterven | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἁμαρτίαις (hamartiais) = zonden | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐὰν (ean) = als | γὰρ (gar) = want | μὴ (me) = niet | πιστεύσητε (pisteusete) = jullie geloven | ὅτι (hoti) = dat | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ἀποθανεῖσθε (apothaneisthe) = jullie zullen sterven | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | ἁμαρτίαις (hamartiais) = zonden | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi), letterlijk ‘Ik ben’, zonder aanvulling. Wij laten het zo staan. Vergelijk Jes. 43:10, waar ons Hebreeuws ‘dat Ik Hij ben’ heeft (אֲנִי הוּא, ani hu), en Exod. 3:14 (‘Ik ben die Ik ben’). Of Johannes hierop zinspeelt, zegt de tekst niet. Zie ook 8:28 en 8:58. Zie ook: Ex 3:14; Jes 43:10 **8:25** Zij zeiden dus tegen Hem: „Wie bent U?” Yeshua zei tegen hen: **„Wat zeg Ik jullie eigenlijk al van het begin af?** Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Σὺ (Sy) = U | τίς (tis) = wie | εἶ (ei) = bent | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Τὴν (Ten) = het | ἀρχὴν (archen) = begin | ὅ (ho) = wat | τι (ti) = (iets) | καὶ (kai) = ook | λαλῶ (lalo) = Ik spreek | ὑμῖν (hymin) = tot jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: Dit is een moeilijke zin. Wij volgen de interpunctie van de SBLGNT en lezen hem als een vraag. Andere lezingen zijn bijvoorbeeld: ‘Wat Ik jullie al van het begin af zeg’ (een uitspraak) en ‘Van het begin af ben Ik wat Ik jullie zeg’. **8:26** **Ik heb veel over jullie te zeggen en te oordelen. Maar Hij die Mij gestuurd heeft, is waar, en wat Ik van Hem gehoord heb, dat spreek Ik tot de wereld.”** Brontekst: πολλὰ (polla) = veel | ἔχω (echo) = heb Ik | περὶ (peri) = over | ὑμῶν (hymon) = jullie | λαλεῖν (lalein) = te spreken | καὶ (kai) = en | κρίνειν (krinein) = te oordelen | ἀλλ’ (all’) = maar | ὁ (ho) = de | πέμψας (pempsas) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij | ἀληθής (alethes) = waar | ἐστιν (estin) = is | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἃ (ha) = wat | ἤκουσα (ekousa) = Ik hoorde | παρ’ (par’) = van | αὐτοῦ (autou) = Hem | ταῦτα (tauta) = dit | λαλῶ (lalo) = spreek Ik | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld Bron: SBLGNT **8:27** Zij begrepen niet dat Hij hun over de Vader sprak. Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἔγνωσαν (egnosan) = begrepen zij | ὅτι (hoti) = dat | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ἔλεγεν (elegen) = Hij sprak Bron: SBLGNT **8:28** Yeshua zei dus: **„Wanneer jullie de Mensenzoon verhoogd hebben, dan zullen jullie weten dat Ik ben en dat Ik niets uit Mijzelf doe. Maar zoals de Vader Mij geleerd heeft, spreek Ik dit.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ὅταν (Hotan) = wanneer | ὑψώσητε (hypsosete) = jullie verhoogd hebben | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | τότε (tote) = dan | γνώσεσθε (gnosesthe) = jullie zullen weten | ὅτι (hoti) = dat | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | καὶ (kai) = en | ἀπ’ (ap’) = uit | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | ποιῶ (poio) = doe Ik | οὐδέν (ouden) = niets | ἀλλὰ (alla) = maar | καθὼς (kathos) = zoals | ἐδίδαξέν (edidaxen) = heeft geleerd | με (me) = Mij | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ταῦτα (tauta) = dit | λαλῶ (lalo) = spreek Ik Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: de naam komt uit Dan. 7:13, ‘iemand als een mensenzoon’ (Aramees בַּר אֱנָשׁ, bar enash). Letterlijk betekent het ‘zoon van de mens’. Wij schrijven overal ‘de Mensenzoon’. Voetnoot : ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: het kan ook ‘omhoogheffen’ en ‘verheffen, eren’ betekenen. Zie ook 3:14 en 12:32–34. Voetnoot : ἐγώ εἰμι (ego eimi): zie 8:24. Zie ook: Dan 7:13 **8:29** **En Hij die Mij gestuurd heeft, is met Mij. Hij heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd wat Hem behaagt.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πέμψας (pempsas) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἐστιν (estin) = is | οὐκ (ouk) = niet | ἀφῆκέν (apheken) = liet achter | με (me) = Mij | μόνον (monon) = alleen | ὅτι (hoti) = omdat | ἐγὼ (ego) = Ik | τὰ (ta) = de | ἀρεστὰ (aresta) = behagelijke dingen | αὐτῷ (auto) = Hem | ποιῶ (poio) = doe | πάντοτε (pantote) = altijd Bron: SBLGNT **8:30** Terwijl Hij dit sprak, geloofden velen in Hem. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | αὐτοῦ (autou) = Hij | λαλοῦντος (lalountos) = sprekend | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT ### De waarheid maakt vrij **8:31** Yeshua zei dus tegen de Joden die Hem geloofden: **„Als jullie blijven in Mijn woord, zijn jullie werkelijk Mijn leerlingen.** Brontekst: Ἔλεγεν (Elegen) = zei | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πρὸς (pros) = tegen | τοὺς (tous) = de | πεπιστευκότας (pepisteukotas) = die geloofd hadden | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | Ἐὰν (Ean) = als | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | μείνητε (meinete) = blijven | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | λόγῳ (logo) = woord | τῷ (to) = het | ἐμῷ (emo) = Mijn | ἀληθῶς (alethos) = werkelijk | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | μού (mou) = Mijn | ἐστε (este) = zijn jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier zijn het Joden die in Yeshua hebben geloofd. ‘Joden’ staat in Johannes dus niet altijd voor tegenstanders (zie 7:1). **8:32** **En jullie zullen de waarheid kennen, en de waarheid zal jullie vrijmaken.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | γνώσεσθε (gnosesthe) = jullie zullen kennen | τὴν (ten) = de | ἀλήθειαν (aletheian) = waarheid | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | ἀλήθεια (aletheia) = waarheid | ἐλευθερώσει (eleutherosei) = zal vrijmaken | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT **8:33** Zij antwoordden Hem: „Wij zijn nageslacht van Abraham en zijn nooit iemands knecht geweest. Hoe zegt U dan: **‘Jullie zullen vrij worden’**?” Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | πρὸς (pros) = tot | αὐτόν (auton) = Hem | Σπέρμα (Sperma) = nageslacht | Ἀβραάμ (Abraam) = van Abraham | ἐσμεν (esmen) = wij zijn | καὶ (kai) = en | οὐδενὶ (oudeni) = aan niemand | δεδουλεύκαμεν (dedouleukamen) = hebben gediend | πώποτε (popote) = ooit | πῶς (pos) = hoe | σὺ (sy) = U | λέγεις (legeis) = zegt | ὅτι (hoti) = dat | Ἐλεύθεροι (Eleutheroi) = vrij | γενήσεσθε (genesesthe) = jullie zullen worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δουλεύω (douleuo), ‘als knecht dienen’. δοῦλος (doulos) is letterlijk ‘slaaf’; wij schrijven overal ‘knecht’. σπέρμα (sperma), ‘nageslacht’: het Hebreeuwse זֶרַע (zera). **8:34** Yeshua antwoordde hun: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: iedereen die de zonde doet, is een knecht van de zonde.** Brontekst: Ἀπεκρίθη (Apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | πᾶς (pas) = iedereen | ὁ (ho) = die | ποιῶν (poion) = doet | τὴν (ten) = de | ἁμαρτίαν (hamartian) = zonde | δοῦλός (doulos) = knecht | ἐστιν (estin) = is | τῆς (tes) = van de | ἁμαρτίας (hamartias) = zonde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: een Hebreeuws woord (אָמֵן) dat ‘het is waar, het is zeker’ betekent. Johannes zet het dubbel: ‘Voorwaar, voorwaar’. Wij vertalen het overal met ‘voorwaar’. Voetnoot : δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; zie 8:33. **8:35** **De knecht blijft niet voor eeuwig in het huis; de zoon blijft voor eeuwig.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | δοῦλος (doulos) = knecht | οὐ (ou) = niet | μένει (menei) = blijft | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | εἰς (eis) = voor | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | μένει (menei) = blijft | εἰς (eis) = voor | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De zoon’ (met kleine letter) is hier de zoon van het huis; in vers 36 is ‘de Zoon’ de Zoon van Elohim. Zie ook: Joh 8:36 **8:36** **Als de Zoon jullie dus vrijmaakt, zullen jullie echt vrij zijn.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐλευθερώσῃ (eleutherose) = vrijmaakt | ὄντως (ontos) = echt | ἐλεύθεροι (eleutheroi) = vrij | ἔσεσθε (esesthe) = jullie zullen zijn Bron: SBLGNT **8:37** **Ik weet dat jullie nageslacht van Abraham zijn. Maar jullie proberen Mij te doden, omdat Mijn woord geen plaats heeft in jullie.** Brontekst: οἶδα (oida) = Ik weet | ὅτι (hoti) = dat | σπέρμα (sperma) = nageslacht | Ἀβραάμ (Abraam) = van Abraham | ἐστε (este) = jullie zijn | ἀλλὰ (alla) = maar | ζητεῖτέ (zeteite) = jullie proberen | με (me) = Mij | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden | ὅτι (hoti) = omdat | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | ὁ (ho) = het | ἐμὸς (emos) = Mijn | οὐ (ou) = geen | χωρεῖ (chorei) = plaats heeft | ἐν (en) = in | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT **8:38** **Ik spreek wat Ik bij de Vader gezien heb, en jullie doen dus wat jullie van de vader gehoord hebben.”** Brontekst: ἃ (ha) = wat | ἐγὼ (ego) = Ik | ἑώρακα (heoraka) = heb gezien | παρὰ (para) = bij | τῷ (to) = de | πατρὶ (patri) = Vader | λαλῶ (lalo) = spreek | καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὖν (oun) = dus | ἃ (ha) = wat | ἠκούσατε (ekousate) = jullie hoorden | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = vader | ποιεῖτε (poieite) = doen jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In sommige handschriften (zoals de Textus Receptus) staat ‘bij Mijn Vader’, ‘bij jullie vader’ en ‘gezien hebben’. De SBLGNT heeft ‘bij de Vader’, ‘van de vader’ en ‘gehoord hebben’. Wij schrijven ‘de vader’ met kleine letter, in tegenstelling tot ‘de Vader’; vergelijk 8:41 en 8:44. ### Kinderen van Abraham en van de duivel **8:39** Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: „Onze vader is Abraham.” Yeshua zei tegen hen: **„Als jullie kinderen van Abraham zijn, zouden jullie de werken van Abraham doen.** Brontekst: Ἀπεκρίθησαν (Apekrithesan) = antwoordden | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ὁ (Ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | ἡμῶν (hemon) = onze | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | ἐστιν (estin) = is | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Εἰ (Ei) = als | τέκνα (tekna) = kinderen | τοῦ (tou) = van | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | ἐστε (este) = jullie zijn | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | τοῦ (tou) = van | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | ἐποιεῖτε (epoieite) = deden jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 3:9; Luc. 3:8. Voetnoot Lezing: Het Grieks van de SBLGNT heeft een mengvorm: ‘Als jullie kinderen van Abraham zijn, deden jullie de werken van Abraham’. In sommige handschriften staat een gewone onwerkelijke voorwaarde: ‘als jullie kinderen van Abraham waren, zouden jullie de werken van Abraham doen’. Wij vertalen in die zin. Zie ook: Mat 3:9; Luc 3:8 **8:40** **Maar nu proberen jullie Mij te doden, een mens die jullie de waarheid gesproken heeft, de waarheid die Ik van Elohim gehoord heb. Dat heeft Abraham niet gedaan.** Brontekst: νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | ζητεῖτέ (zeteite) = jullie proberen | με (me) = Mij | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | ὃς (hos) = die | τὴν (ten) = de | ἀλήθειαν (aletheian) = waarheid | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | λελάληκα (lelaleka) = heb gesproken | ἣν (hen) = die | ἤκουσα (ekousa) = Ik hoorde | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | τοῦτο (touto) = dit | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | οὐκ (ouk) = niet | ἐποίησεν (epoiesen) = deed Bron: SBLGNT **8:41** **Jullie doen de werken van jullie vader.”** Zij zeiden tegen Hem: „Wij zijn niet uit hoererij geboren. Wij hebben één Vader: Elohim.” Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ποιεῖτε (poieite) = doen | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ἡμεῖς (Hemeis) = wij | ἐκ (ek) = uit | πορνείας (porneias) = hoererij | οὐ (ou) = niet | γεγεννήμεθα (gegennemetha) = zijn geboren | ἕνα (hena) = één | πατέρα (patera) = Vader | ἔχομεν (echomen) = hebben wij | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πορνεία (porneia), ‘hoererij’: ontucht. In de profeten wordt ook afgoderij ‘hoererij’ genoemd (bijvoorbeeld Hos. 1:2). ‘Eén Vader, Elohim’: vergelijk Deut. 32:6 en Mal. 2:10. Zie ook: Deut 32:6; Hos 1:2; Mal 2:10 **8:42** Yeshua zei tegen hen: **„Als Elohim jullie Vader was, zouden jullie Mij liefhebben. Want Ik ben uit Elohim uitgegaan en Ik ben gekomen. Ik ben immers ook niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Εἰ (Ei) = als | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | πατὴρ (pater) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἦν (en) = was | ἠγαπᾶτε (egapate) = zouden liefhebben | ἂν (an) = zou | ἐμέ (eme) = Mij | ἐγὼ (ego) = Ik | γὰρ (gar) = want | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐξῆλθον (exelthon) = ging uit | καὶ (kai) = en | ἥκω (heko) = ben gekomen | οὐδὲ (oude) = ook niet | γὰρ (gar) = want | ἀπ’ (ap’) = uit | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | ἐλήλυθα (elelytha) = ben gekomen | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐκεῖνός (ekeinos) = Hij | με (me) = Mij | ἀπέστειλεν (apesteilen) = heeft gezonden Bron: SBLGNT **8:43** **Waarom begrijpen jullie Mijn spraak niet? Omdat jullie Mijn woord niet kunnen horen.** Brontekst: διὰ (dia) = waarom | τί (ti) = (waarom) | τὴν (ten) = de | λαλιὰν (lalian) = spraak | τὴν (ten) = de | ἐμὴν (emen) = Mijn | οὐ (ou) = niet | γινώσκετε (ginoskete) = begrijpen jullie | ὅτι (hoti) = omdat | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = jullie kunnen | ἀκούειν (akouein) = horen | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | τὸν (ton) = het | ἐμόν (emon) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λαλιά (lalia), ‘spraak’: wat iemand zegt en hoe hij het zegt. Wij vertalen het zo ook in Matt. 26:73. Zie ook: Mat 26:73 **8:44** **Jullie zijn van de vader, de duivel, en jullie willen de verlangens van jullie vader doen. Die was een mensenmoordenaar van het begin af en staat niet in de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader ervan.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = vader | τοῦ (tou) = de | διαβόλου (diabolou) = duivel | ἐστὲ (este) = zijn | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | ἐπιθυμίας (epithymias) = verlangens | τοῦ (tou) = van de | πατρὸς (patros) = vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | θέλετε (thelete) = willen | ποιεῖν (poiein) = doen | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ἀνθρωποκτόνος (anthropoktonos) = mensenmoordenaar | ἦν (en) = was | ἀπ’ (ap’) = van | ἀρχῆς (arches) = begin | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀληθείᾳ (aletheia) = waarheid | οὐκ (ouk) = niet | ἔστηκεν (esteken) = staat | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἀλήθεια (aletheia) = waarheid | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem | ὅταν (hotan) = wanneer | λαλῇ (lale) = hij spreekt | τὸ (to) = de | ψεῦδος (pseudos) = leugen | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἰδίων (idion) = eigen dingen | λαλεῖ (lalei) = spreekt hij | ὅτι (hoti) = omdat | ψεύστης (pseustes) = leugenaar | ἐστὶν (estin) = is hij | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | αὐτοῦ (autou) = ervan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάβολος (diabolos), ‘duivel’, is letterlijk ‘beschuldiger’; zie Matt. 4:1. ἀνθρωποκτόνος (anthropoktonos), letterlijk ‘mensendoder’. Het slot (ὁ πατὴρ αὐτοῦ, ho pater autou) kan betekenen ‘de vader van de leugen’ of ‘de vader van hem (de leugenaar)’; wij schrijven ‘de vader ervan’. Zie ook: Mat 4:1 **8:45** **Maar omdat Ik de waarheid zeg, geloven jullie Mij niet.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | ὅτι (hoti) = omdat | τὴν (ten) = de | ἀλήθειαν (aletheian) = waarheid | λέγω (lego) = zeg | οὐ (ou) = niet | πιστεύετέ (pisteuete) = geloven jullie | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT **8:46** **Wie van jullie overtuigt Mij van zonde? Als Ik de waarheid zeg, waarom geloven jullie Mij niet?** Brontekst: τίς (tis) = wie | ἐξ (ex) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐλέγχει (elenchei) = overtuigt | με (me) = Mij | περὶ (peri) = van | ἁμαρτίας (hamartias) = zonde | εἰ (ei) = als | ἀλήθειαν (aletheian) = waarheid | λέγω (lego) = zeg Ik | διὰ (dia) = waarom | τί (ti) = (waarom) | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐ (ou) = niet | πιστεύετέ (pisteuete) = geloven | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐλέγχω (elencho), ‘overtuigen’: aantonen dat iemand schuldig is. In Matt. 18:15 vertalen wij het als ‘terechtwijzen’. Zie ook: Mat 18:15 **8:47** **Wie uit Elohim is, hoort de woorden van Elohim. Daarom horen jullie niet, omdat jullie niet uit Elohim zijn.”** Brontekst: ὁ (ho) = wie | ὢν (on) = zijnde | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἀκούει (akouei) = hoort | διὰ (dia) = daarom | τοῦτο (touto) = dit | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐκ (ouk) = niet | ἀκούετε (akouete) = horen | ὅτι (hoti) = omdat | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | οὐκ (ouk) = niet | ἐστέ (este) = zijn jullie Bron: SBLGNT ### Yeshua en Abraham **8:48** De Joden antwoordden en zeiden tegen Hem: „Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en een demon hebt?” Brontekst: Ἀπεκρίθησαν (Apekrithesan) = antwoordden | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Οὐ (Ou) = niet | καλῶς (kalos) = terecht | λέγομεν (legomen) = zeggen | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ὅτι (hoti) = dat | Σαμαρίτης (Samarites) = Samaritaan | εἶ (ei) = bent | σὺ (sy) = U | καὶ (kai) = en | δαιμόνιον (daimonion) = demon | ἔχεις (echeis) = hebt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σαμαρίτης (Samarites), ‘Samaritaan’: iemand uit Samaria; de Joden gebruiken het hier als scheldwoord, naast ‘een demon hebben’ (vergelijk 7:20). **8:49** Yeshua antwoordde: **„Ik heb geen demon, maar Ik eer Mijn Vader, en jullie onteren Mij.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐγὼ (Ego) = Ik | δαιμόνιον (daimonion) = demon | οὐκ (ouk) = niet | ἔχω (echo) = heb | ἀλλὰ (alla) = maar | τιμῶ (timo) = eer Ik | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἀτιμάζετέ (atimazete) = onteren | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **8:50** **Ik zoek Mijn heerlijkheid niet. Er is Hij die zoekt en oordeelt.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | οὐ (ou) = niet | ζητῶ (zeto) = zoek | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | μου (mou) = Mijn | ἔστιν (estin) = is er | ὁ (ho) = die | ζητῶν (zeton) = zoekt | καὶ (kai) = en | κρίνων (krinon) = oordeelt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ ζητῶν καὶ κρίνων (ho zeton kai krinon), ‘Hij die zoekt en oordeelt’: de Vader; zie vers 54. Zie ook: Joh 8:54 **8:51** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: als iemand Mijn woord bewaart, zal hij de dood voor eeuwig niet zien.”** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | τὸν (ton) = het | ἐμὸν (emon) = Mijn | λόγον (logon) = woord | τηρήσῃ (terese) = bewaart | θάνατον (thanaton) = dood | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | θεωρήσῃ (theorese) = zal zien | εἰς (eis) = voor | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὸν αἰῶνα (eis ton aiona), ‘voor eeuwig’: zo vertalen wij het overal (zie ook Matt. 21:19). ‘De dood zien’ betekent sterven. Zie ook: Mat 21:19 **8:52** De Joden zeiden tegen Hem: „Nu weten wij dat U een demon hebt. Abraham is gestorven, en de profeten ook. En U zegt: **‘Als iemand Mijn woord bewaart, zal hij de dood voor eeuwig niet proeven’**. Brontekst: εἶπον (eipon) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | Νῦν (Nyn) = nu | ἐγνώκαμεν (egnokamen) = wij weten | ὅτι (hoti) = dat | δαιμόνιον (daimonion) = demon | ἔχεις (echeis) = U hebt | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten | καὶ (kai) = en | σὺ (sy) = U | λέγεις (legeis) = zegt | Ἐάν (Ean) = als | τις (tis) = iemand | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | μου (mou) = Mijn | τηρήσῃ (terese) = bewaart | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | γεύσηται (geusetai) = zal proeven | θανάτου (thanatou) = dood | εἰς (eis) = voor | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De dood proeven’ (γεύομαι θανάτου, geuomai thanatou) is een uitdrukking voor sterven; zie Matt. 16:28. De Joden halen Yeshua’s woorden uit vers 51 aan, maar met een ander werkwoord: ‘proeven’ in plaats van ‘zien’. Zie ook: Mat 16:28; Joh 8:51 **8:53** Bent U soms groter dan onze vader Abraham, die gestorven is? De profeten zijn ook gestorven. Wie maakt U van Uzelf?” Brontekst: μὴ (me) = toch niet | σὺ (sy) = U | μείζων (meizon) = groter | εἶ (ei) = bent | τοῦ (tou) = dan de | πατρὸς (patros) = vader | ἡμῶν (hemon) = onze | Ἀβραάμ (Abraam) = Abraham | ὅστις (hostis) = die | ἀπέθανεν (apethanen) = stierf | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | προφῆται (prophetai) = profeten | ἀπέθανον (apethanon) = stierven | τίνα (tina) = wie | σεαυτὸν (seauton) = Uzelf | ποιεῖς (poieis) = maakt U Bron: SBLGNT **8:54** Yeshua antwoordde: **„Als Ik Mijzelf verheerlijk, is Mijn heerlijkheid niets. Mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van wie jullie zeggen dat Hij onze Elohim is.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐὰν (Ean) = als | ἐγὼ (ego) = Ik | δοξάσω (doxaso) = verheerlijk | ἐμαυτόν (emauton) = Mijzelf | ἡ (he) = de | δόξα (doxa) = heerlijkheid | μου (mou) = Mijn | οὐδέν (ouden) = niets | ἐστιν (estin) = is | ἔστιν (estin) = is | ὁ (ho) = die | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = die | δοξάζων (doxazon) = verheerlijkt | με (me) = Mij | ὃν (hon) = van wie | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | λέγετε (legete) = zeggen | ὅτι (hoti) = dat | θεὸς (theos) = Elohim | ἡμῶν (hemon) = onze | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In sommige handschriften (zoals de Textus Receptus) staat ‘jullie Elohim’ in plaats van ‘onze Elohim’. **8:55** **En jullie kennen Hem niet, maar Ik ken Hem. En als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik een leugenaar zijn, net als jullie. Maar Ik ken Hem en Ik bewaar Zijn woord.** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἐγνώκατε (egnokate) = kennen jullie | αὐτόν (auton) = Hem | ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | οἶδα (oida) = ken | αὐτόν (auton) = Hem | κἂν (kan) = en als | εἴπω (eipo) = Ik zeg | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | οἶδα (oida) = ken | αὐτόν (auton) = Hem | ἔσομαι (esomai) = zal Ik zijn | ὅμοιος (homoios) = gelijk | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ψεύστης (pseustes) = leugenaar | ἀλλὰ (alla) = maar | οἶδα (oida) = ken Ik | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τηρῶ (tero) = bewaar Bron: SBLGNT **8:56** **Abraham, jullie vader, juichte dat hij Mijn dag zou zien. Hij zag die dag en verheugde zich.”** Brontekst: Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἠγαλλιάσατο (egalliasato) = juichte | ἵνα (hina) = opdat | ἴδῃ (ide) = hij zag | τὴν (ten) = de | ἡμέραν (hemeran) = dag | τὴν (ten) = de | ἐμήν (emen) = Mijn | καὶ (kai) = en | εἶδεν (eiden) = zag hij | καὶ (kai) = en | ἐχάρη (echare) = verheugde zich Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγαλλιάομαι (agalliaomai), ‘juichen’: luid blij zijn. ‘Mijn dag’ is de dag van Yeshua; het Grieks zegt niet wanneer of hoe Abraham die zag. **8:57** De Joden zeiden dus tegen Hem: „U bent nog geen 50 jaar oud, en U hebt Abraham gezien?” Brontekst: εἶπον (eipon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | πρὸς (pros) = tegen | αὐτόν (auton) = Hem | Πεντήκοντα (Pentekonta) = 50 | ἔτη (ete) = jaren | οὔπω (oupo) = nog niet | ἔχεις (echeis) = U hebt | καὶ (kai) = en | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | ἑώρακας (heorakas) = U hebt gezien Bron: SBLGNT **8:58** Yeshua zei tegen hen: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: voordat Abraham ontstond, ben Ik.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | πρὶν (prin) = voordat | Ἀβραὰμ (Abraam) = Abraham | γενέσθαι (genesthai) = ontstond | ἐγὼ (ego) = Ik | εἰμί (eimi) = ben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γίνομαι (ginomai), ‘worden, ontstaan, tot bestaan komen’: Abraham ‘ontstond’ (verleden tijd), maar Yeshua zegt ‘Ik ben’ (tegenwoordige tijd). ἐγώ εἰμι (ego eimi): zie 8:24; vergelijk Exod. 3:14. Zie ook: Ex 3:14 **8:59** Toen namen zij stenen op om op Hem te gooien. Maar Yeshua verborg Zich en ging de tempel uit. Brontekst: ἦραν (eran) = namen op | οὖν (oun) = dus | λίθους (lithous) = stenen | ἵνα (hina) = opdat | βάλωσιν (balosin) = zij gooiden | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτόν (auton) = Hem | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | δὲ (de) = maar | ἐκρύβη (ekrybe) = verborg Zich | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | ἱεροῦ (hierou) = tempel Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In sommige handschriften (zoals de Textus Receptus) staat hierna nog dat Hij midden door hen heen ging en zo voorbijging. De SBLGNT heeft dat niet. ## Johannes 9 _De genezing van een man die blind geboren was, en de blindheid van de Farizeeën_ ### Yeshua geneest een man die blind geboren is **9:1** Terwijl Hij verderging, zag Hij een man die blind was vanaf zijn geboorte. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | παράγων (paragon) = verdergaand | εἶδεν (eiden) = zag Hij | ἄνθρωπον (anthropon) = man | τυφλὸν (typhlon) = blind | ἐκ (ek) = uit | γενετῆς (genetes) = geboorte Bron: SBLGNT **9:2** Zijn leerlingen vroegen Hem: „Rabbi, wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders, zodat hij blind geboren werd?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠρώτησαν (erotesan) = vroegen | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ῥαββί (Rhabbi) = rabbi | τίς (tis) = wie | ἥμαρτεν (hemarten) = zondigde | οὗτος (houtos) = deze | ἢ (e) = of | οἱ (hoi) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἵνα (hina) = opdat | τυφλὸς (typhlos) = blind | γεννηθῇ (gennethe) = hij geboren werd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: een Hebreeuws-Aramees woord, letterlijk ‘mijn grote’, als aanspreking van een leraar; zie ook Matt. 23:7–8. De leerlingen veronderstellen dat blindheid met zonde te maken heeft; vergelijk Exod. 20:5 en Ezech. 18:20. Zie ook: Ex 20:5; Ezech 18:20; Mat 23:7–8 **9:3** Yeshua antwoordde: **„Noch hij heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar opdat de werken van Elohim in hem openbaar worden.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὔτε (Oute) = noch | οὗτος (houtos) = deze | ἥμαρτεν (hemarten) = zondigde | οὔτε (oute) = noch | οἱ (hoi) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | φανερωθῇ (phanerothe) = openbaar wordt | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φανερόω (phaneroo), ‘openbaren’: zie ook 7:4. Vóór ‘maar opdat …’ ontbreekt in het Grieks een werkwoord (‘maar [dit is zo] opdat …’); wij laten dat zo staan. **9:4** **Wij moeten de werken verrichten van Hem die Mij gestuurd heeft, zolang het dag is. Er komt een nacht waarin niemand kan werken.** Brontekst: ἡμᾶς (hemas) = ons | δεῖ (dei) = het is nodig | ἐργάζεσθαι (ergazesthai) = verrichten | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | τοῦ (tou) = van Hem | πέμψαντός (pempsantos) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij | ἕως (heos) = zolang | ἡμέρα (hemera) = dag | ἐστίν (estin) = het is | ἔρχεται (erchetai) = komt | νὺξ (nyx) = nacht | ὅτε (hote) = wanneer | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | δύναται (dynatai) = kan | ἐργάζεσθαι (ergazesthai) = werken Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat ‘Ik moet’ (ἐμὲ δεῖ) in plaats van ‘wij moeten’ (ἡμᾶς δεῖ). **9:5** **Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.”** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | ὦ (o) = Ik ben | φῶς (phos) = licht | εἰμι (eimi) = ben Ik | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen lidwoord bij ‘licht’. Zie 8:12. **9:6** Toen Hij dit gezegd had, spuugde Hij op de grond, maakte met het speeksel modder en smeerde de modder op zijn ogen. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | ἔπτυσεν (eptysen) = spuugde | χαμαὶ (chamai) = op de grond | καὶ (kai) = en | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | πηλὸν (pelon) = modder | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | πτύσματος (ptysmatos) = speeksel | καὶ (kai) = en | ἐπέχρισεν (epechrisen) = smeerde | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὸν (ton) = de | πηλὸν (pelon) = modder | ἐπὶ (epi) = op | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμούς (ophthalmous) = ogen Bron: SBLGNT **9:7** Hij zei tegen hem: **„Ga heen, was je in de vijver van Siloam.”** Vertaald betekent dat: „Gestuurde.” De man ging dus heen, waste zich en kwam ziende terug. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ὕπαγε (Hypage) = ga heen | νίψαι (nipsai) = was je | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | κολυμβήθραν (kolymbethran) = vijver | τοῦ (tou) = van | Σιλωάμ (Siloam) = Siloam | ὃ (ho) = wat | ἑρμηνεύεται (hermeneuetai) = wordt vertaald | Ἀπεσταλμένος (Apestalmenos) = Gestuurde | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging heen | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = en | ἐνίψατο (enipsato) = waste zich | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | βλέπων (blepon) = ziende Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Vijver van Siloam: De vijver van Siloam lag in het zuiden van het oude Jeruzalem en kreeg zijn water uit de Gihon door de tunnel van Hizkia. Voetnoot Uitleg: Σιλωάμ (Siloam) is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Siloah (שִׁלֹחַ), zie Jes. 8:6. Johannes verklaart de naam met ἀπεσταλμένος (apestalmenos), ‘gestuurde’; het Hebreeuwse werkwoord שָׁלַח (shalach) betekent ‘sturen’. Vergelijk 7:29, waar Yeshua zegt dat Hij gezonden is. κολυμβήθρα (kolymbethra), ‘vijver’: zo vertalen wij het ook in 5:2. Zie ook: Jes 8:6 ### De buren ondervragen de man **9:8** De buren en zij die hem eerder als bedelaar gezien hadden, zeiden dus: „Is dit niet degene die zat en bedelde?” Brontekst: οἱ (hoi) = de | οὖν (oun) = dus | γείτονες (geitones) = buren | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | θεωροῦντες (theorountes) = zagen | αὐτὸν (auton) = hem | τὸ (to) = het | πρότερον (proteron) = eerder | ὅτι (hoti) = dat | προσαίτης (prosaites) = bedelaar | ἦν (en) = hij was | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Οὐχ (Ouch) = niet | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | καθήμενος (kathemenos) = zittende | καὶ (kai) = en | προσαιτῶν (prosaiton) = bedelende Bron: SBLGNT **9:9** Sommigen zeiden: „Hij is het.” Anderen zeiden: „Nee, maar hij lijkt op hem.” De man zelf zei: „Ik ben het.” Brontekst: ἄλλοι (alloi) = anderen | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ἄλλοι (alloi) = anderen | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Οὐχί (Ouchi) = nee | ἀλλὰ (alla) = maar | ὅμοιος (homoios) = gelijkend | αὐτῷ (auto) = aan hem | ἐστιν (estin) = hij is | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ἔλεγεν (elegen) = zei | ὅτι (hoti) = dat | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘ik ben het’: hier gewoon het antwoord van de man op de vraag of hij het is. Het heeft niet de zwaardere betekenis van 8:24 en 8:58, waar Yeshua het zonder aanvulling zegt. **9:10** Zij zeiden dus tegen hem: „Hoe zijn je ogen geopend?” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Πῶς (Pos) = hoe | ἠνεῴχθησάν (eneochthesan) = werden geopend | σου (sou) = je | οἱ (hoi) = de | ὀφθαλμοί (ophthalmoi) = ogen Bron: SBLGNT **9:11** Die antwoordde: „De man die Yeshua genoemd wordt, maakte modder en smeerde die op mijn ogen. Hij zei tegen mij: **‘Ga naar Siloam en was je.’** Toen ik heengegaan was en mij gewassen had, kreeg ik zicht.” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | Ὁ (Ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ὁ (ho) = die | λεγόμενος (legomenos) = genoemd wordt | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πηλὸν (pelon) = modder | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | καὶ (kai) = en | ἐπέχρισέν (epechrisen) = smeerde | μου (mou) = mijn | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | καὶ (kai) = en | εἶπέν (eipen) = zei | μοι (moi) = tegen mij | ὅτι (hoti) = dat | Ὕπαγε (Hypage) = ga heen | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | Σιλωὰμ (Siloam) = Siloam | καὶ (kai) = en | νίψαι (nipsai) = was je | ἀπελθὼν (apelthon) = heengegaan | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = en | νιψάμενος (nipsamenos) = gewassen hebbend | ἀνέβλεψα (aneblepsa) = kreeg ik zicht Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Vijver van Siloam: De vijver van Siloam lag in het zuiden van het oude Jeruzalem en kreeg zijn water uit de Gihon door de tunnel van Hizkia. Voetnoot Uitleg: ἀναβλέπω (anablepo), ‘zicht krijgen’, letterlijk ‘opkijken’. Wij vertalen het zo ook in 9:15 en 9:18. βλέπω (blepo) is ‘zien’. **9:12** Zij zeiden tegen hem: „Waar is Hij?” De man zei: „Ik weet het niet.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ποῦ (Pou) = waar | ἐστιν (estin) = is | ἐκεῖνος (ekeinos) = Hij | λέγει (legei) = zegt hij | Οὐκ (Ouk) = niet | οἶδα (oida) = ik weet Bron: SBLGNT ### De Farizeeën ondervragen de man **9:13** Zij brachten de man die eerder blind was naar de Farizeeën. Brontekst: Ἄγουσιν (Agousin) = zij brengen | αὐτὸν (auton) = hem | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | Φαρισαίους (Pharisaious) = Farizeeën | τόν (ton) = de | ποτε (pote) = eens | τυφλόν (typhlon) = blinde Bron: SBLGNT **9:14** Het was sabbat op de dag waarop Yeshua de modder maakte en de ogen van de man opende. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | σάββατον (sabbaton) = sabbat | ἐν (en) = op | ᾗ (he) = welke | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | τὸν (ton) = de | πηλὸν (pelon) = modder | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἀνέῳξεν (aneoxen) = opende | αὐτοῦ (autou) = zijn | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμούς (ophthalmous) = ogen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Werk op sabbat: Exod. 20:10 en Deut. 5:14. Dat Yeshua op sabbat modder maakt en een blinde geneest, wordt door sommige Farizeeën als overtreding gezien (vers 16). Zie ook: Ex 20:10; Deut 5:14; Joh 9:16 **9:15** Opnieuw vroegen dus ook de Farizeeën hem hoe hij zicht gekregen had. De man zei tegen hen: „Hij legde modder op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.” Brontekst: πάλιν (palin) = opnieuw | οὖν (oun) = dus | ἠρώτων (eroton) = vroegen | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = ook | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | πῶς (pos) = hoe | ἀνέβλεψεν (aneblepsen) = hij kreeg zicht | ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Πηλὸν (Pelon) = modder | ἐπέθηκέν (epetheken) = legde Hij | μου (mou) = mijn | ἐπὶ (epi) = op | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμούς (ophthalmous) = ogen | καὶ (kai) = en | ἐνιψάμην (enipsamen) = ik waste mij | καὶ (kai) = en | βλέπω (blepo) = ik zie Bron: SBLGNT **9:16** Sommigen van de Farizeeën zeiden dus: „Deze man is niet van Elohim, want Hij houdt de sabbat niet.” Anderen zeiden: „Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen?” En er was verdeeldheid onder hen. Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | τινές (tines) = sommigen | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | οὗτος (houtos) = deze | παρὰ (para) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ὅτι (hoti) = omdat | τὸ (to) = de | σάββατον (sabbaton) = sabbat | οὐ (ou) = niet | τηρεῖ (terei) = houdt Hij | ἄλλοι (alloi) = anderen | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Πῶς (Pos) = hoe | δύναται (dynatai) = kan | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἁμαρτωλὸς (hamartolos) = zondig | τοιαῦτα (toiauta) = zulke | σημεῖα (semeia) = tekenen | ποιεῖν (poiein) = doen | καὶ (kai) = en | σχίσμα (schisma) = verdeeldheid | ἦν (en) = was | ἐν (en) = onder | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σχίσμα (schisma), ‘verdeeldheid’: zie ook 7:43 en 10:19. **9:17** Zij zeiden dus opnieuw tegen de blinde: „Wat zeg jij over Hem, nu Hij je ogen geopend heeft?” De man zei: „Hij is een profeet.” Brontekst: λέγουσιν (legousin) = zeggen zij | οὖν (oun) = dus | τῷ (to) = tegen de | τυφλῷ (typhlo) = blinde | πάλιν (palin) = opnieuw | Τί (Ti) = wat | σὺ (sy) = jij | λέγεις (legeis) = zeg | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὅτι (hoti) = omdat | ἠνέῳξέν (eneoxen) = opende Hij | σου (sou) = je | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμούς (ophthalmous) = ogen | ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | ὅτι (hoti) = dat | Προφήτης (Prophetes) = profeet | ἐστίν (estin) = is Hij Bron: SBLGNT ### De ouders worden ondervraagd **9:18** De Joden geloofden dus niet van hem dat hij blind was geweest en zicht had gekregen. Zo bleef het, totdat zij de ouders van hem die zicht gekregen had, hadden geroepen. Brontekst: Οὐκ (Ouk) = niet | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = hem | ὅτι (hoti) = dat | ἦν (en) = hij was | τυφλὸς (typhlos) = blind | καὶ (kai) = en | ἀνέβλεψεν (aneblepsen) = kreeg zicht | ἕως (heos) = totdat | ὅτου (hotou) = (totdat) | ἐφώνησαν (ephonesan) = riepen zij | τοὺς (tous) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | αὐτοῦ (autou) = zijn | τοῦ (tou) = van de | ἀναβλέψαντος (anablepsantos) = zicht gekregen hebbende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: zie 1:19; hier de leiders, de Farizeeën (vers 13–16). De ouders zijn bang voor hen (vers 22). Zie ook: Joh 9:13–16; Joh 9:22 **9:19** Zij vroegen hun: „Is dit jullie zoon, van wie jullie zeggen dat hij blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἠρώτησαν (erotesan) = vroegen | αὐτοὺς (autous) = hen | λέγοντες (legontes) = zeggend | Οὗτός (Houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὃν (hon) = die | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | λέγετε (legete) = zeggen | ὅτι (hoti) = dat | τυφλὸς (typhlos) = blind | ἐγεννήθη (egennethe) = werd geboren | πῶς (pos) = hoe | οὖν (oun) = dus | βλέπει (blepei) = ziet | ἄρτι (arti) = nu Bron: SBLGNT **9:20** De ouders antwoordden en zeiden: „Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is. Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | αὐτοῦ (autou) = zijn | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | Οἴδαμεν (Oidamen) = wij weten | ὅτι (hoti) = dat | οὗτός (houtos) = deze | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | ἡμῶν (hemon) = onze | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | τυφλὸς (typhlos) = blind | ἐγεννήθη (egennethe) = werd geboren Bron: SBLGNT **9:21** Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet, en wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet. Vraag het hem: hij is oud genoeg, hij zal zelf over zichzelf spreken.” Brontekst: πῶς (pos) = hoe | δὲ (de) = maar | νῦν (nyn) = nu | βλέπει (blepei) = ziet hij | οὐκ (ouk) = niet | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | ἢ (e) = of | τίς (tis) = wie | ἤνοιξεν (enoixen) = opende | αὐτοῦ (autou) = zijn | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | ἡμεῖς (hemeis) = wij | οὐκ (ouk) = niet | οἴδαμεν (oidamen) = weten | αὐτὸν (auton) = hem | ἐρωτήσατε (erotesate) = vraag | ἡλικίαν (helikian) = leeftijd | ἔχει (echei) = heeft hij | αὐτὸς (autos) = hij zelf | περὶ (peri) = over | ἑαυτοῦ (heautou) = zichzelf | λαλήσει (lalesei) = zal spreken Bron: SBLGNT **9:22** Dit zeiden de ouders omdat zij bang waren voor de Joden. De Joden waren namelijk al overeengekomen dat wie Hem als Messias zou belijden, uit de synagoge gezet zou worden. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | εἶπαν (eipan) = zeiden | οἱ (hoi) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὅτι (hoti) = omdat | ἐφοβοῦντο (ephobounto) = waren bang | τοὺς (tous) = voor de | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | ἤδη (ede) = al | γὰρ (gar) = want | συνετέθειντο (synetetheinto) = waren overeengekomen | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἵνα (hina) = opdat | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁμολογήσῃ (homologese) = belijdt | χριστόν (christon) = Messias | ἀποσυνάγωγος (aposynagogos) = uit de synagoge | γένηται (genetai) = zou worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποσυνάγωγος (aposynagogos), ‘uit de synagoge gezet’: buitengesloten uit de gemeenschap van de synagoge; zie ook 12:42 en 16:2. χριστός (christos), ‘Messias’: zie 1:17 en 7:26. **9:23** Daarom zeiden de ouders: „Vraag het hem: hij is oud genoeg.” Brontekst: διὰ (dia) = daarom | τοῦτο (touto) = dit | οἱ (hoi) = de | γονεῖς (goneis) = ouders | αὐτοῦ (autou) = zijn | εἶπαν (eipan) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Ἡλικίαν (Helikian) = leeftijd | ἔχει (echei) = heeft hij | αὐτὸν (auton) = hem | ἐπερωτήσατε (eperotesate) = vraag Bron: SBLGNT ### De man wordt voor de tweede keer ondervraagd **9:24** Zij riepen dus voor de tweede keer de man die blind was geweest en zeiden tegen hem: „Geef eer aan Elohim. Wij weten dat deze man een zondaar is.” Brontekst: Ἐφώνησαν (Ephonesan) = riepen zij | οὖν (oun) = dus | τὸν (ton) = de | ἄνθρωπον (anthropon) = man | ἐκ (ek) = uit | δευτέρου (deuterou) = tweede | ὃς (hos) = die | ἦν (en) = was | τυφλὸς (typhlos) = blind | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Δὸς (Dos) = geef | δόξαν (doxan) = eer | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim | ἡμεῖς (hemeis) = wij | οἴδαμεν (oidamen) = weten | ὅτι (hoti) = dat | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | ἁμαρτωλός (hamartolos) = zondaar | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Δὸς δόξαν τῷ θεῷ (dos doxan to theo), ‘Geef eer aan Elohim’: een vaste formule om iemand op te roepen de waarheid te zeggen; vergelijk Joz. 7:19 (‘geef toch eer aan Yahweh’). Wij vertalen δόξα hier als ‘eer’, zoals in Joz. 7:19. In Johannes is δόξα bij Yeshua en Elohim ‘heerlijkheid’; bij waardering door mensen en in deze formule is het ‘eer’ (zie ook 5:41 en 12:43). Zie ook: Joz 7:19 **9:25** De man antwoordde: „Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik: ik was blind en nu zie ik.” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | οὖν (oun) = dus | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | Εἰ (Ei) = of | ἁμαρτωλός (hamartolos) = zondaar | ἐστιν (estin) = is Hij | οὐκ (ouk) = niet | οἶδα (oida) = weet ik | ἓν (hen) = één | οἶδα (oida) = weet ik | ὅτι (hoti) = dat | τυφλὸς (typhlos) = blind | ὢν (on) = zijnde | ἄρτι (arti) = nu | βλέπω (blepo) = zie ik Bron: SBLGNT **9:26** Zij zeiden dus tegen hem: „Wat heeft Hij met je gedaan? Hoe heeft Hij je ogen geopend?” Brontekst: εἶπον (eipon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Τί (Ti) = wat | ἐποίησέν (epoiesen) = deed Hij | σοι (soi) = aan jou | πῶς (pos) = hoe | ἤνοιξέν (enoixen) = opende Hij | σου (sou) = je | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμούς (ophthalmous) = ogen Bron: SBLGNT **9:27** De man antwoordde hun: „Ik heb het jullie al gezegd, en jullie hebben niet geluisterd. Waarom willen jullie het opnieuw horen? Willen ook jullie soms Zijn leerlingen worden?” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | Εἶπον (Eipon) = ik zei | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἤδη (ede) = al | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἠκούσατε (ekousate) = jullie luisterden | τί (ti) = wat | πάλιν (palin) = opnieuw | θέλετε (thelete) = willen jullie | ἀκούειν (akouein) = horen | μὴ (me) = toch niet | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | θέλετε (thelete) = willen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | γενέσθαι (genesthai) = worden Bron: SBLGNT **9:28** Zij beschimpten hem en zeiden: „Jij bent een leerling van Hem, maar wij zijn leerlingen van Mozes. Brontekst: ἐλοιδόρησαν (eloidoresan) = beschimpten | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | εἶπον (eipon) = zeiden | Σὺ (Sy) = jij | μαθητὴς (mathetes) = leerling | εἶ (ei) = bent | ἐκείνου (ekeinou) = van die | ἡμεῖς (hemeis) = wij | δὲ (de) = maar | τοῦ (tou) = van | Μωϋσέως (Moyseos) = Mozes | ἐσμὲν (esmen) = zijn | μαθηταί (mathetai) = leerlingen Bron: SBLGNT **9:29** Wij weten dat Elohim tot Mozes gesproken heeft. Maar van deze man weten wij niet waar Hij vandaan komt.” Brontekst: ἡμεῖς (hemeis) = wij | οἴδαμεν (oidamen) = weten | ὅτι (hoti) = dat | Μωϋσεῖ (Moysei) = tegen Mozes | λελάληκεν (lelaleken) = heeft gesproken | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | τοῦτον (touton) = deze | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | οἴδαμεν (oidamen) = weten wij | πόθεν (pothen) = vanwaar | ἐστίν (estin) = is Hij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Elohim sprak met Mozes: Exod. 33:11 en Num. 12:8. Zie ook: Ex 33:11; Num 12:8 **9:30** De man antwoordde en zei tegen hen: „Want hierin is het wonderlijke: dat jullie niet weten waar Hij vandaan komt. En Hij heeft mijn ogen geopend. Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Ἐν (En) = in | τούτῳ (touto) = dit | γὰρ (gar) = want | τὸ (to) = het | θαυμαστόν (thaumaston) = wonderlijke | ἐστιν (estin) = is | ὅτι (hoti) = dat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = weten | πόθεν (pothen) = vanwaar | ἐστίν (estin) = Hij is | καὶ (kai) = en | ἤνοιξέν (enoixen) = opende Hij | μου (mou) = mijn | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμούς (ophthalmous) = ogen Bron: SBLGNT **9:31** Wij weten dat Elohim naar zondaars niet luistert. Maar als iemand Elohim eerbiedigt en Zijn wil doet, naar die luistert Hij. Brontekst: οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | ὅτι (hoti) = dat | ἁμαρτωλῶν (hamartolon) = van zondaars | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | οὐκ (ouk) = niet | ἀκούει (akouei) = luistert | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | θεοσεβὴς (theosebes) = Elohim eerbiedigend | ᾖ (e) = is | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | θέλημα (thelema) = wil | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ποιῇ (poie) = doet | τούτου (toutou) = naar deze | ἀκούει (akouei) = luistert Hij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θεοσεβής (theosebes), ‘iemand die Elohim eerbiedigt’. **9:32** Van oudsher is niet gehoord dat iemand de ogen geopend heeft van een man die blind geboren was. Brontekst: ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | αἰῶνος (aionos) = oudsher | οὐκ (ouk) = niet | ἠκούσθη (ekousthe) = is gehoord | ὅτι (hoti) = dat | ἠνέῳξέν (eneoxen) = opende | τις (tis) = iemand | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | τυφλοῦ (typhlou) = van een blinde | γεγεννημένου (gegennemenou) = geboren zijnde Bron: SBLGNT **9:33** Als Hij niet van Elohim was, kon Hij niets doen.” Brontekst: εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἦν (en) = was | οὗτος (houtos) = deze | παρὰ (para) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | οὐκ (ouk) = niet | ἠδύνατο (edynato) = kon | ποιεῖν (poiein) = doen | οὐδέν (ouden) = niets Bron: SBLGNT **9:34** Zij antwoordden en zeiden tegen hem: „Jij bent helemaal in zonden geboren, en jij onderwijst ons?” En zij wierpen hem eruit. Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἐν (En) = in | ἁμαρτίαις (hamartiais) = zonden | σὺ (sy) = jij | ἐγεννήθης (egennethes) = werd geboren | ὅλος (holos) = geheel | καὶ (kai) = en | σὺ (sy) = jij | διδάσκεις (didaskeis) = onderwijst | ἡμᾶς (hemas) = ons | καὶ (kai) = en | ἐξέβαλον (exebalon) = wierpen | αὐτὸν (auton) = hem | ἔξω (exo) = buiten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet of zij hem uit de synagoge zetten of alleen uit de zaal; vergelijk vers 22. Zie ook: Joh 9:22 ### Yeshua vindt de man en hij gelooft **9:35** Yeshua hoorde dat zij hem eruit geworpen hadden. Hij vond hem en zei: **„Geloof jij in de Mensenzoon?”** Brontekst: Ἤκουσεν (Ekousen) = hoorde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | ἐξέβαλον (exebalon) = wierpen zij | αὐτὸν (auton) = hem | ἔξω (exo) = buiten | καὶ (kai) = en | εὑρὼν (heuron) = vindend | αὐτὸν (auton) = hem | εἶπεν (eipen) = zei | Σὺ (Sy) = jij | πιστεύεις (pisteueis) = gelooft | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘De Mensenzoon’: zie 1:51 en 8:28. Voetnoot Lezing: In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat ‘Zoon van Elohim’ in plaats van ‘Mensenzoon’. **9:36** De man antwoordde en zei: „En wie is Hij, Heer, zodat ik in Hem kan geloven?” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Καὶ (Kai) = en | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is Hij | κύριε (kyrie) = Heer | ἵνα (hina) = opdat | πιστεύσω (pisteuso) = ik geloof | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘Heer’: het woord kan ook een beleefde aanspreking zijn (‘meneer’). Wij schrijven overal ‘Heer’ als aanspreking van Yeshua. **9:37** Yeshua zei tegen hem: **„Je hebt Hem gezien, en Hij die met je spreekt, is het.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Καὶ (Kai) = en | ἑώρακας (heorakas) = heb gezien | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = die | λαλῶν (lalon) = spreekt | μετὰ (meta) = met | σοῦ (sou) = jou | ἐκεῖνός (ekeinos) = Hij | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **9:38** De man zei: „Ik geloof, Heer.” En hij boog zich voor Hem neer. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | ἔφη (ephe) = zei | Πιστεύω (Pisteuo) = ik geloof | κύριε (kyrie) = Heer | καὶ (kai) = en | προσεκύνησεν (prosekynesen) = boog zich neer | αὐτῷ (auto) = voor Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zie Matt. 2:2. Zie ook: Mat 2:2 ### Zien en blind zijn **9:39** Yeshua zei: **„Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien, en wie zien, blind worden.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Εἰς (Eis) = tot | κρίμα (krima) = oordeel | ἐγὼ (ego) = Ik | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | τοῦτον (touton) = deze | ἦλθον (elthon) = kwam | ἵνα (hina) = opdat | οἱ (hoi) = die | μὴ (me) = niet | βλέποντες (blepontes) = zien | βλέπωσιν (bleposin) = zouden zien | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = die | βλέποντες (blepontes) = zien | τυφλοὶ (typhloi) = blind | γένωνται (genontai) = zouden worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίμα (krima), ‘oordeel’, afgeleid van κρίνω (zie 7:24). ‘Zien’ en ‘blind zijn’ zijn hier ook beeldtaal: wie zeggen niet te zien, krijgen te zien; wie zeggen te zien, worden blind (vergelijk vers 41). Zie ook: Joh 9:41 **9:40** Enkele Farizeeën die bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tegen Hem: „Wij zijn toch niet ook blind?” Brontekst: ἤκουσαν (ekousan) = hoorden | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | ταῦτα (tauta) = dit | οἱ (hoi) = die | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὄντες (ontes) = zijnde | καὶ (kai) = en | εἶπον (eipon) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Μὴ (Me) = toch niet | καὶ (kai) = ook | ἡμεῖς (hemeis) = wij | τυφλοί (typhloi) = blind | ἐσμεν (esmen) = zijn Bron: SBLGNT **9:41** Yeshua zei tegen hen: **„Als jullie blind waren, zouden jullie geen zonde hebben. Maar nu zeggen jullie: ‘Wij zien.’ Jullie zonde blijft.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Εἰ (Ei) = als | τυφλοὶ (typhloi) = blind | ἦτε (ete) = jullie waren | οὐκ (ouk) = niet | ἂν (an) = zou | εἴχετε (eichete) = jullie hadden | ἁμαρτίαν (hamartian) = zonde | νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | λέγετε (legete) = jullie zeggen | ὅτι (hoti) = dat | Βλέπομεν (Blepomen) = wij zien | ἡ (he) = de | ἁμαρτία (hamartia) = zonde | ὑμῶν (hymon) = jullie | μένει (menei) = blijft Bron: SBLGNT ## Johannes 10 _De goede herder, het inwijdingsfeest en de steniging die mislukt_ ### De herder, de deur en de schapen **10:1** **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: wie niet door de deur de schaapskooi van de schapen binnengaat, maar ergens anders omhoogklimt, die is een dief en een rover.** Brontekst: Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὁ (ho) = de | μὴ (me) = niet | εἰσερχόμενος (eiserchomenos) = binnengaande | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | θύρας (thyras) = deur | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | αὐλὴν (aulen) = schaapskooi | τῶν (ton) = van de | προβάτων (probaton) = schapen | ἀλλὰ (alla) = maar | ἀναβαίνων (anabainon) = omhoogklimmend | ἀλλαχόθεν (allachothen) = ergens anders vandaan | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | κλέπτης (kleptes) = dief | ἐστὶν (estin) = is | καὶ (kai) = en | λῃστής (lestes) = rover Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Deze rede sluit aan bij Joh. 9:39–41. αὐλή (aule), ‘schaapskooi’: een omheinde ruimte waar de schapen ’s nachts staan. ποιμήν (poimen), ‘herder’. Elohim wordt in de Schrift vaak herder genoemd, zie Ps. 23:1 en Ezech. 34:11–16. Zie ook: Ps 23:1; Ezech 34:11–16; Joh 9:39–41 **10:2** **Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἰσερχόμενος (eiserchomenos) = binnengaande | διὰ (dia) = door | τῆς (tes) = de | θύρας (thyras) = deur | ποιμήν (poimen) = herder | ἐστιν (estin) = is | τῶν (ton) = van de | προβάτων (probaton) = schapen Bron: SBLGNT **10:3** **Voor hem opent de deurwachter. De schapen luisteren naar zijn stem. Hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.** Brontekst: τούτῳ (touto) = voor deze | ὁ (ho) = de | θυρωρὸς (thyroros) = deurwachter | ἀνοίγει (anoigei) = opent | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | τῆς (tes) = naar de | φωνῆς (phones) = stem | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀκούει (akouei) = luisteren | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | ἴδια (idia) = eigen | πρόβατα (probata) = schapen | φωνεῖ (phonei) = roept | κατ’ (kat’) = bij | ὄνομα (onoma) = naam | καὶ (kai) = en | ἐξάγει (exagei) = leidt naar buiten | αὐτά (auta) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θυρωρός (thyroros), ‘deurwachter’: de wachter bij de deur van de schaapskooi. **10:4** **Wanneer hij al de zijnen naar buiten drijft, gaat hij voor hen uit. De schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | τὰ (ta) = de | ἴδια (idia) = eigen | πάντα (panta) = alle | ἐκβάλῃ (ekbale) = hij naar buiten drijft | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | αὐτῶν (auton) = hen | πορεύεται (poreuetai) = gaat | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | αὐτῷ (auto) = hem | ἀκολουθεῖ (akolouthei) = volgen | ὅτι (hoti) = omdat | οἴδασιν (oidasin) = zij kennen | τὴν (ten) = de | φωνὴν (phonen) = stem | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT **10:5** **Een vreemde zullen zij beslist niet volgen, maar zij zullen van hem wegvluchten, omdat zij de stem van vreemden niet kennen.”** Brontekst: ἀλλοτρίῳ (allotrio) = een vreemde | δὲ (de) = maar | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἀκολουθήσουσιν (akolouthesousin) = zullen volgen | ἀλλὰ (alla) = maar | φεύξονται (pheuxontai) = zullen vluchten | ἀπ’ (ap’) = van | αὐτοῦ (autou) = hem | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | οἴδασι (oidasi) = zij kennen | τῶν (ton) = van de | ἀλλοτρίων (allotrion) = vreemden | τὴν (ten) = de | φωνήν (phonen) = stem Bron: SBLGNT **10:6** Yeshua zei hun deze beeldspraak, maar zij begrepen niet wat het was dat Hij tot hen sprak. Brontekst: ταύτην (tauten) = deze | τὴν (ten) = de | παροιμίαν (paroimian) = beeldspraak | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = zij | δὲ (de) = maar | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνωσαν (egnosan) = begrepen | τίνα (tina) = wat | ἦν (en) = was | ἃ (ha) = wat | ἐλάλει (elalei) = Hij sprak | αὐτοῖς (autois) = tot hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παροιμία (paroimia), ‘beeldspraak’: een rede in beelden, waarvan de betekenis niet meteen duidelijk is. Wij gebruiken ‘gelijkenis’ alleen voor παραβολή (parabole). ### Ik ben de deur **10:7** Yeshua zei daarom opnieuw tegen hen: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: Ik ben de deur van de schapen.** Brontekst: Εἶπεν (Eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | πάλιν (palin) = opnieuw | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ἡ (he) = de | θύρα (thyra) = deur | τῶν (ton) = van de | προβάτων (probaton) = schapen Bron: SBLGNT **10:8** **Allen die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.** Brontekst: πάντες (pantes) = allen | ὅσοι (hosoi) = zovelen | ἦλθον (elthon) = kwamen | πρὸ (pro) = vóór | ἐμοῦ (emou) = Mij | κλέπται (kleptai) = dieven | εἰσὶν (eisin) = zijn | καὶ (kai) = en | λῃσταί (lestai) = rovers | ἀλλ’ (all’) = maar | οὐκ (ouk) = niet | ἤκουσαν (ekousan) = luisterden | αὐτῶν (auton) = naar hen | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen Bron: SBLGNT **10:9** **Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij gered worden. Hij zal binnengaan, naar buiten gaan en weide vinden.** Brontekst: ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ἡ (he) = de | θύρα (thyra) = deur | δι’ (di’) = door | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | εἰσέλθῃ (eiselthe) = binnengaat | σωθήσεται (sothesetai) = zal gered worden | καὶ (kai) = en | εἰσελεύσεται (eiseleusetai) = zal binnengaan | καὶ (kai) = en | ἐξελεύσεται (exeleusetai) = zal naar buiten gaan | καὶ (kai) = en | νομὴν (nomen) = weide | εὑρήσει (heuresei) = zal vinden Bron: SBLGNT **10:10** **De dief komt alleen om te stelen, te slachten en te vernietigen. Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed hebben.** Brontekst: ὁ (ho) = de | κλέπτης (kleptes) = dief | οὐκ (ouk) = niet | ἔρχεται (erchetai) = komt | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἵνα (hina) = opdat | κλέψῃ (klepse) = hij steelt | καὶ (kai) = en | θύσῃ (thyse) = slacht | καὶ (kai) = en | ἀπολέσῃ (apolese) = vernietigt | ἐγὼ (ego) = Ik | ἦλθον (elthon) = kwam | ἵνα (hina) = opdat | ζωὴν (zoen) = leven | ἔχωσιν (echosin) = zij hebben | καὶ (kai) = en | περισσὸν (perisson) = overvloed | ἔχωσιν (echosin) = zij hebben Bron: SBLGNT ### Ik ben de goede herder **10:11** **Ik ben de goede herder. De goede herder legt zijn leven neer voor de schapen.** Brontekst: Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = de | ποιμὴν (poimen) = herder | ὁ (ho) = de | καλός (kalos) = goede | ὁ (ho) = de | ποιμὴν (poimen) = herder | ὁ (ho) = de | καλὸς (kalos) = goede | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | τίθησιν (tithesin) = legt neer | ὑπὲρ (hyper) = voor | τῶν (ton) = de | προβάτων (probaton) = schapen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’: zoals in Matt. 16:25. ‘Zijn leven neerleggen’ betekent: bereid zijn voor de schapen te sterven. καλός (kalos), ‘goed’: goed in de zin van ‘voortreffelijk, echt’. Zie ook Ps. 23:1 en Ezech. 34:23. Zie ook: Ps 23:1; Ezech 34:23; Mat 16:25 **10:12** **De loonarbeider, die geen herder is en aan wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf komen. Hij laat de schapen achter en vlucht. En de wolf grijpt ze en jaagt ze uiteen.** Brontekst: ὁ (ho) = de | μισθωτὸς (misthotos) = loonarbeider | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ὢν (on) = zijnde | ποιμήν (poimen) = herder | οὗ (hou) = van wie | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | ἴδια (idia) = eigen | θεωρεῖ (theorei) = ziet | τὸν (ton) = de | λύκον (lykon) = wolf | ἐρχόμενον (erchomenon) = komend | καὶ (kai) = en | ἀφίησιν (aphiesin) = laat achter | τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | καὶ (kai) = en | φεύγει (pheugei) = vlucht | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | λύκος (lykos) = wolf | ἁρπάζει (harpazei) = grijpt | αὐτὰ (auta) = ze | καὶ (kai) = en | σκορπίζει (skorpizei) = jaagt uiteen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μισθωτός (misthotos), ‘loonarbeider’: iemand die voor loon werkt en de schapen niet zelf bezit. **10:13** **Want hij is een loonarbeider en bekommert zich niet om de schapen.** Brontekst: ὅτι (hoti) = omdat | μισθωτός (misthotos) = loonarbeider | ἐστιν (estin) = hij is | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μέλει (melei) = bekommert zich | αὐτῷ (auto) = hij | περὶ (peri) = om | τῶν (ton) = de | προβάτων (probaton) = schapen Bron: SBLGNT **10:14** **Ik ben de goede herder. Ik ken de Mijnen, en de Mijnen kennen Mij,** Brontekst: ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ὁ (ho) = de | ποιμὴν (poimen) = herder | ὁ (ho) = de | καλός (kalos) = goede | καὶ (kai) = en | γινώσκω (ginosko) = Ik ken | τὰ (ta) = de | ἐμὰ (ema) = Mijnen | καὶ (kai) = en | γινώσκουσί (ginoskousi) = kennen | με (me) = Mij | τὰ (ta) = de | ἐμά (ema) = Mijnen Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: Wij volgen de SBLGNT: ‘en de Mijnen kennen Mij’. In sommige handschriften staat ‘en Ik word door de Mijnen gekend’. **10:15** **zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. En Ik leg Mijn leven neer voor de schapen.** Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | γινώσκει (ginoskei) = kent | με (me) = Mij | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | κἀγὼ (kago) = en Ik | γινώσκω (ginosko) = Ik ken | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = het | ψυχήν (psychen) = leven | μου (mou) = Mijn | τίθημι (tithemi) = Ik leg neer | ὑπὲρ (hyper) = voor | τῶν (ton) = de | προβάτων (probaton) = schapen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Matt. 11:27. Zie ook: Mat 11:27 **10:16** **Ik heb ook andere schapen, die niet uit deze schaapskooi zijn. Ook die moet Ik leiden. Zij zullen naar Mijn stem luisteren, en zij zullen één kudde worden, één herder.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἄλλα (alla) = andere | πρόβατα (probata) = schapen | ἔχω (echo) = Ik heb | ἃ (ha) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = zijn | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | αὐλῆς (aules) = schaapskooi | ταύτης (tautes) = deze | κἀκεῖνα (kakeina) = ook die | δεῖ (dei) = moet | με (me) = Ik | ἀγαγεῖν (agagein) = leiden | καὶ (kai) = en | τῆς (tes) = naar de | φωνῆς (phones) = stem | μου (mou) = Mijn | ἀκούσουσιν (akousousin) = zij zullen luisteren | καὶ (kai) = en | γενήσονται (genesontai) = zij zullen worden | μία (mia) = één | ποίμνη (poimne) = kudde | εἷς (heis) = één | ποιμήν (poimen) = herder Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De ‘andere schapen’ zijn niet uit deze schaapskooi. Vergelijk Jes. 56:8, waar Elohim nog meer verzamelt naast wie al verzameld zijn, en Ezech. 37:22–24, waar één volk en één herder zijn. ποίμνη (poimne), ‘kudde’, is wat anders dan αὐλή (aule), ‘schaapskooi’. Zie ook: Jes 56:8; Ezech 37:22–24 **10:17** **Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven neerleg om het weer te nemen.** Brontekst: διὰ (dia) = om | τοῦτό (touto) = dit | με (me) = Mij | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἀγαπᾷ (agapa) = heeft lief | ὅτι (hoti) = omdat | ἐγὼ (ego) = Ik | τίθημι (tithemi) = leg neer | τὴν (ten) = het | ψυχήν (psychen) = leven | μου (mou) = Mijn | ἵνα (hina) = opdat | πάλιν (palin) = weer | λάβω (labo) = Ik neem | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT **10:18** **Niemand neemt het van Mij weg, maar Ik leg het uit Mijzelf neer. Ik heb gezag om het neer te leggen, en Ik heb gezag om het weer te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.”** Brontekst: οὐδεὶς (oudeis) = niemand | αἴρει (airei) = neemt weg | αὐτὴν (auten) = het | ἀπ’ (ap’) = van | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐγὼ (ego) = Ik | τίθημι (tithemi) = leg neer | αὐτὴν (auten) = het | ἀπ’ (ap’) = uit | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχω (echo) = Ik heb | θεῖναι (theinai) = neer te leggen | αὐτήν (auten) = het | καὶ (kai) = en | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχω (echo) = Ik heb | πάλιν (palin) = weer | λαβεῖν (labein) = te nemen | αὐτήν (auten) = het | ταύτην (tauten) = dit | τὴν (ten) = het | ἐντολὴν (entolen) = gebod | ἔλαβον (elabon) = ontving Ik | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: zoals in Matt. 8:9. ἐντολή (entole), ‘gebod’: een opdracht van de Vader. Zie ook: Mat 8:9 ### Verdeeldheid onder de Joden **10:19** Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden vanwege deze woorden. Brontekst: Σχίσμα (Schisma) = verdeeldheid | πάλιν (palin) = opnieuw | ἐγένετο (egeneto) = ontstond | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | διὰ (dia) = vanwege | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | τούτους (toutous) = deze Bron: SBLGNT **10:20** Velen van hen zeiden: „Hij heeft een demon en is razend. Waarom luisteren jullie naar Hem?” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | δὲ (de) = maar | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐξ (ex) = van | αὐτῶν (auton) = hen | Δαιμόνιον (Daimonion) = een demon | ἔχει (echei) = Hij heeft | καὶ (kai) = en | μαίνεται (mainetai) = is razend | τί (ti) = wat | αὐτοῦ (autou) = naar Hem | ἀκούετε (akouete) = luisteren jullie Bron: SBLGNT **10:21** Anderen zeiden: „Dit zijn geen woorden van iemand die door een demon bezeten is. Een demon kan toch de ogen van blinden niet openen?” Brontekst: ἄλλοι (alloi) = anderen | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Ταῦτα (Tauta) = deze | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = zijn | δαιμονιζομένου (daimonizomenou) = van een bezetene | μὴ (me) = toch niet | δαιμόνιον (daimonion) = een demon | δύναται (dynatai) = kan | τυφλῶν (typhlon) = van blinden | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | ἀνοῖξαι (anoixai) = openen Bron: SBLGNT ### Op het inwijdingsfeest: ‘Ik en de Vader zijn één’ **10:22** Toen was het in Jeruzalem het inwijdingsfeest. Het was winter. Brontekst: Ἐγένετο (Egeneto) = kwam | τότε (tote) = toen | τὰ (ta) = het | ἐγκαίνια (enkainia) = inwijdingsfeest | ἐν (en) = in | τοῖς (tois) = de | Ἱεροσολύμοις (Hierosolymois) = Jeruzalem | χειμὼν (cheimon) = winter | ἦν (en) = was Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἐγκαίνια (enkainia), ‘inwijdingsfeest’: het Hebreeuwse feest חֲנֻכָּה (chanukkah, Chanoeka), ‘inwijding’. Het wordt in de winter gehouden en herdenkt de nieuwe inwijding van de tempel. **10:23** Yeshua liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo. Brontekst: καὶ (kai) = en | περιεπάτει (periepatei) = liep | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | στοᾷ (stoa) = zuilengang | τοῦ (tou) = van | Σολομῶνος (Solomonos) = Salomo Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zuilengang van Salomo (ligging ongeveer): De zuilengang van Salomo was een overdekte galerij langs de oostkant van het tempelplein in Jeruzalem. De precieze plek is niet vast te stellen. Voetnoot Uitleg: στοά (stoa), ‘zuilengang’: een overdekte gang met zuilen langs het tempelplein. Vergelijk Hand. 3:11. Zie ook: Hand 3:11 **10:24** De Joden omringden Hem en zeiden tegen Hem: „Hoelang houdt U ons nog in spanning? Als U de Messias bent, zeg het ons dan openlijk.” Brontekst: ἐκύκλωσαν (ekyklosan) = omringden | οὖν (oun) = dus | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ἕως (Heos) = tot | πότε (pote) = wanneer | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | ἡμῶν (hemon) = ons | αἴρεις (aireis) = houdt U in spanning | εἰ (ei) = als | σὺ (sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | χριστός (christos) = Messias | εἰπὲ (eipe) = zeg | ἡμῖν (hemin) = ons | παρρησίᾳ (parresia) = openlijk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Letterlijk: ‘Hoelang tilt U ons leven op?’ (ψυχήν, psychen, αἴρεις, aireis). De uitdrukking is niet zeker te duiden; wij vertalen met ‘in spanning houden’. Het kan ook betekenen: ‘ons leven wegnemen’ of ‘onze ziel in onzekerheid laten’. Voetnoot : Zie ook Luc. 22:67, waar het Grieks van ‘Als U de Messias bent, zeg het ons’ woordelijk gelijk is. Zie ook: Luc 22:67 **10:25** Yeshua antwoordde hun: **„Ik heb het jullie gezegd, en jullie geloven het niet. De werken die Ik doe in de naam van Mijn Vader, die getuigen over Mij.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Εἶπον (Eipon) = Ik zei | ὑμῖν (hymin) = jullie | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | πιστεύετε (pisteuete) = geloven jullie | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | ἃ (ha) = die | ἐγὼ (ego) = Ik | ποιῶ (poio) = doe | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | ταῦτα (tauta) = deze | μαρτυρεῖ (martyrei) = getuigen | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT **10:26** **Maar jullie geloven niet, omdat jullie niet van Mijn schapen zijn.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐ (ou) = niet | πιστεύετε (pisteuete) = geloven | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | ἐστὲ (este) = jullie zijn | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | προβάτων (probaton) = schapen | τῶν (ton) = de | ἐμῶν (emon) = Mijne Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: Wij volgen de SBLGNT. In sommige handschriften volgt hier nog ‘zoals Ik jullie gezegd heb’. **10:27** **Mijn schapen luisteren naar Mijn stem. Ik ken ze, en zij volgen Mij.** Brontekst: τὰ (ta) = de | πρόβατα (probata) = schapen | τὰ (ta) = de | ἐμὰ (ema) = Mijne | τῆς (tes) = naar de | φωνῆς (phones) = stem | μου (mou) = Mijn | ἀκούουσιν (akouousin) = luisteren | κἀγὼ (kago) = en Ik | γινώσκω (ginosko) = ken | αὐτά (auta) = hen | καὶ (kai) = en | ἀκολουθοῦσίν (akolouthousin) = volgen | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT **10:28** **Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen voor eeuwig beslist niet omkomen. Niemand zal ze uit Mijn hand rukken.** Brontekst: κἀγὼ (kago) = en Ik | δίδωμι (didomi) = geef | αὐτοῖς (autois) = hun | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἀπόλωνται (apolontai) = zullen omkomen | εἰς (eis) = voor | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | ἁρπάσει (harpasei) = zal rukken | τις (tis) = iemand | αὐτὰ (auta) = hen | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | χειρός (cheiros) = hand | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὸν αἰῶνα (eis ton aiona), ‘voor eeuwig’: letterlijk ‘tot de eeuw’. Wij vertalen deze uitdrukking overal zo; zie Mark. 11:14. ἀπόλλυμι (apollymi), ‘omkomen’. Zie ook: Mar 11:14 **10:29** **Mijn Vader, wat Hij Mij gegeven heeft, is groter dan alles. Niemand kan ze uit de hand van de Vader rukken.** Brontekst: ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | ὃ (ho) = wat | δέδωκέν (dedoken) = Hij heeft gegeven | μοι (moi) = Mij | πάντων (panton) = dan alles | μεῖζων (meizon) = groter | ἐστίν (estin) = is | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | δύναται (dynatai) = kan | ἁρπάζειν (harpazein) = rukken | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Ze’ in de tweede zin voegt het Nederlands toe: het Grieks heeft geen voorwerp. Bedoeld zijn de schapen uit vers 28. Voetnoot Lezing: Wij volgen de SBLGNT: ‘Mijn Vader, wat Hij Mij gegeven heeft, is groter dan alles’. De zin is in het Grieks moeilijk. In sommige handschriften staat ‘Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is groter dan allen’. Zie ook: Joh 10:28 **10:30** **Ik en de Vader zijn één.”** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἕν (hen) = één | ἐσμεν (esmen) = zijn wij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἕν (hen), ‘één’, staat in het onzijdige: ‘één ding’, niet ‘één persoon’ (dat zou εἷς, heis, zijn). ### De Joden willen Hem stenigen **10:31** De Joden pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen. Brontekst: Ἐβάστασαν (Ebastasan) = pakten op | οὖν (oun) = dus | πάλιν (palin) = opnieuw | λίθους (lithous) = stenen | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἵνα (hina) = opdat | λιθάσωσιν (lithasosin) = zij zouden stenigen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λιθάζω (lithazo), ‘stenigen’: de straf voor lastering, zie Lev. 24:16. Zie ook: Lev 24:16 **10:32** Yeshua antwoordde hun: **„Veel goede werken heb Ik jullie van de Vader laten zien. Om welk van die werken stenigen jullie Mij?”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Πολλὰ (Polla) = veel | ἔργα (erga) = werken | καλὰ (kala) = goede | ἔδειξα (edeixa) = Ik liet zien | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐκ (ek) = van | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | διὰ (dia) = om | ποῖον (poion) = welk | αὐτῶν (auton) = van hen | ἔργον (ergon) = werk | ἐμὲ (eme) = Mij | λιθάζετε (lithazete) = stenigen jullie Bron: SBLGNT **10:33** De Joden antwoordden Hem: „Wij stenigen U niet om een goed werk, maar om lastering, omdat U, een mens, Uzelf Elohim maakt.” Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | αὐτῷ (auto) = Hem | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | Περὶ (Peri) = om | καλοῦ (kalou) = goed | ἔργου (ergou) = werk | οὐ (ou) = niet | λιθάζομέν (lithazomen) = stenigen wij | σε (se) = U | ἀλλὰ (alla) = maar | περὶ (peri) = om | βλασφημίας (blasphemias) = lastering | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = omdat | σὺ (sy) = U | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ὢν (on) = zijnde | ποιεῖς (poieis) = maakt | σεαυτὸν (seauton) = Uzelf | θεόν (theon) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βλασφημία (blasphemia), ‘lastering’: spreken tegen Elohim. Op het onteren van de Naam stond steniging, Lev. 24:16. Zie ook: Lev 24:16 **10:34** Yeshua antwoordde hun: **„Staat er niet in jullie wet geschreven: ‘Ik heb gezegd: Goden zijn jullie’?** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschreven | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | νόμῳ (nomo) = wet | ὑμῶν (hymon) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | Ἐγὼ (Ego) = Ik | εἶπα (eipa) = zei | Θεοί (Theoi) = goden | ἐστε (este) = zijn jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Ps. 82:6. In het Hebreeuws spreekt Elohim tot de ‘goden’ in Zijn raad, die recht moeten spreken (Ps. 82:1–4): ‘Goden zijn jullie, en zonen van de Allerhoogste, jullie allen.’ Yeshua haalt alleen de eerste helft aan. νόμος (nomos), ‘wet’: hier de hele Schrift. Zie ook: Ps 82:1–4; Ps 82:6 **10:35** **Als Hij hen goden noemde, aan wie het woord van Elohim kwam – en de Schrift kan niet ongeldig gemaakt worden –** Brontekst: εἰ (ei) = als | ἐκείνους (ekeinous) = hen | εἶπεν (eipen) = Hij zei | θεοὺς (theous) = goden | πρὸς (pros) = tot | οὓς (hous) = wie | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐγένετο (egeneto) = kwam | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | λυθῆναι (lythenai) = ongeldig gemaakt worden | ἡ (he) = de | γραφή (graphe) = Schrift Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λύω (lyo), ‘ongeldig maken’: zoals in Matt. 5:19. γραφή (graphe), ‘Schrift’: de heilige geschriften. Zie ook: Mat 5:19 **10:36** **zeggen jullie dan tegen Hem die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: ‘U lastert’, omdat Ik zei: ‘Ik ben Zoon van Elohim’?** Brontekst: ὃν (hon) = die | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἡγίασεν (hegiasen) = heiligde | καὶ (kai) = en | ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | λέγετε (legete) = zeggen | ὅτι (hoti) = dat | Βλασφημεῖς (Blasphemeis) = U lastert | ὅτι (hoti) = omdat | εἶπον (eipon) = Ik zei | Υἱὸς (Huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | εἰμι (eimi) = Ik ben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁγιάζω (hagiazo), ‘heiligen’: apart zetten voor Elohim. **10:37** **Als Ik de werken van Mijn Vader niet doe, geloof Mij dan niet.** Brontekst: εἰ (ei) = als | οὐ (ou) = niet | ποιῶ (poio) = Ik doe | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | μὴ (me) = niet | πιστεύετέ (pisteuete) = geloof | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT **10:38** **Maar als Ik ze wel doe, geloof dan de werken, ook al geloven jullie Mij niet. Zo kunnen jullie weten en blijven weten dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader.”** Brontekst: εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | ποιῶ (poio) = Ik doe | κἂν (kan) = ook al | ἐμοὶ (emoi) = Mij | μὴ (me) = niet | πιστεύητε (pisteuete) = jullie geloven | τοῖς (tois) = de | ἔργοις (ergois) = werken | πιστεύετε (pisteuete) = geloof | ἵνα (hina) = opdat | γνῶτε (gnote) = jullie weten | καὶ (kai) = en | γινώσκητε (ginoskete) = jullie blijven weten | ὅτι (hoti) = dat | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πατρί (patri) = Vader Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πιστεύω (pisteuo) met de derde naamval betekent ‘iets of iemand geloven’ (‘Mij geloven’, ‘de werken geloven’). Met εἰς (eis) betekent het ‘in iemand geloven’. **10:39** Weer zochten zij Hem te grijpen, maar Hij ontsnapte uit hun hand. Brontekst: ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | οὖν (oun) = dus | πάλιν (palin) = opnieuw | αὐτὸν (auton) = Hem | πιάσαι (piasai) = te grijpen | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ontsnapte | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | χειρὸς (cheiros) = hand | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT ### Aan de overkant van de Jordaan **10:40** Hij ging weer weg naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerst doopte, en bleef daar. Brontekst: Καὶ (Kai) = en | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | πάλιν (palin) = weer | πέραν (peran) = aan de overkant | τοῦ (tou) = van de | Ἰορδάνου (Iordanou) = Jordaan | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | τὸ (to) = het | πρῶτον (proton) = eerst | βαπτίζων (baptizon) = dopend | καὶ (kai) = en | ἔμεινεν (emeinen) = bleef | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Betanië aan de overkant van de Jordaan (ligging onzeker): Dit Betanië is niet het dorp bij Jeruzalem, maar een plaats aan de oostoever van de Jordaan, waar Johannes doopte. De ligging is onzeker; voorgesteld wordt het gebied bij Wadi al-Charrar (Al-Maghtas), tegenover Jericho, nu in Jordanië. Voetnoot Uitleg: Het gaat om de plaats aan de overkant van de Jordaan waar Johannes eerst doopte; zie Joh. 1:28. De ligging is niet zeker. Zie ook: Joh 1:28 **10:41** Velen kwamen naar Hem toe en zeiden: „Johannes heeft geen enkel teken gedaan, maar alles wat Johannes over deze man heeft gezegd, was waar.” Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλοὶ (polloi) = velen | ἦλθον (elthon) = kwamen | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | ὅτι (hoti) = dat | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | μὲν (men) = wel | σημεῖον (semeion) = teken | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | οὐδέν (ouden) = geen | πάντα (panta) = alles | δὲ (de) = maar | ὅσα (hosa) = wat | εἶπεν (eipen) = zei | Ἰωάννης (Ioannes) = Johannes | περὶ (peri) = over | τούτου (toutou) = deze | ἀληθῆ (alethe) = waar | ἦν (en) = was Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σημεῖον (semeion), ‘teken’: Johannes noemt de wonderen van Yeshua steeds ‘tekenen’. **10:42** En daar geloofden velen in Hem. Brontekst: καὶ (kai) = en | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | εἰς (eis) = in | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT ## Johannes 11 _De opwekking van Lazarus en het besluit van de Raad_ ### De ziekte van Lazarus **11:1** Er was iemand ziek: Lazarus uit Betanië, uit het dorp van Maria en haar zus Marta. Brontekst: Ἦν (En) = was | δέ (de) = maar | τις (tis) = iemand | ἀσθενῶν (asthenon) = ziek zijnde | Λάζαρος (Lazaros) = Lazarus | ἀπὸ (apo) = uit | Βηθανίας (Bethanias) = Betanië | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | κώμης (komes) = dorp | Μαρίας (Marias) = van Maria | καὶ (kai) = en | Μάρθας (Marthas) = van Marta | τῆς (tes) = de | ἀδελφῆς (adelphes) = zus | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Betanië (Bethania) was een dorp bij Jeruzalem; zie vers 18. Wat Maria deed, staat in Joh. 12:1–8. Voetnoot : Vergelijk Luc. 10:38–42, waar ook Marta en Maria voorkomen. Zie ook: Luc 10:38–42; Joh 11:18; Joh 12:1–8 **11:2** Het was Maria die de Heer met zalfolie gezalfd had en Zijn voeten met haar haren had afgeveegd. Haar broer Lazarus was ziek. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | ἡ (he) = die | ἀλείψασα (aleipsasa) = gezalfd had | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | μύρῳ (myro) = met zalfolie | καὶ (kai) = en | ἐκμάξασα (ekmaxasa) = afgeveegd had | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ταῖς (tais) = met de | θριξὶν (thrixin) = haren | αὐτῆς (autes) = haar | ἧς (hes) = wier | ὁ (ho) = de | ἀδελφὸς (adelphos) = broer | Λάζαρος (Lazaros) = Lazarus | ἠσθένει (esthenei) = was ziek Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: een titel van Yeshua, hier in de verteltekst. Wij schrijven ‘de Heer’ met hoofdletter, zoals Johannes Hem ook later noemt (Joh. 20:2). μύρον (myron), ‘zalfolie’: een kostbare geurende olie, zoals in Matt. 26:7. ἐκμάσσω (ekmasso), ‘afvegen’. Voetnoot : Zie ook Joh. 12:3. Zie ook: Mat 26:7; Joh 12:3; Joh 20:2 **11:3** De zussen zonden dus een boodschap naar Hem: „Heer, zie, hij die U liefhebt, is ziek.” Brontekst: ἀπέστειλαν (apesteilan) = zonden | οὖν (oun) = dus | αἱ (hai) = de | ἀδελφαὶ (adelphai) = zussen | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | λέγουσαι (legousai) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἴδε (ide) = zie | ὃν (hon) = wie | φιλεῖς (phileis) = U liefhebt | ἀσθενεῖ (asthenei) = is ziek Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Wij vertalen zowel φιλέω (phileo) als ἀγαπάω (agapao) met ‘liefhebben’: hier staat φιλέω, in vers 5 ἀγαπάω. Zie ook Joh. 21:15–17. Zie ook: Joh 11:5; Joh 21:15–17 **11:4** Toen Yeshua het hoorde, zei Hij: **„Deze ziekte leidt niet tot de dood. Maar ze is er voor de heerlijkheid van Elohim, zodat de Zoon van Elohim erdoor verheerlijkt wordt.”** Brontekst: ἀκούσας (akousas) = horend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Αὕτη (Haute) = deze | ἡ (he) = de | ἀσθένεια (astheneia) = ziekte | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | πρὸς (pros) = tot | θάνατον (thanaton) = dood | ἀλλ’ (all’) = maar | ὑπὲρ (hyper) = voor | τῆς (tes) = de | δόξης (doxes) = heerlijkheid | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἵνα (hina) = opdat | δοξασθῇ (doxasthe) = verheerlijkt wordt | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | δι’ (di’) = door | αὐτῆς (autes) = haar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’; δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’. Beide woorden komen in Johannes vaak voor. **11:5** Yeshua had Marta lief, en haar zus, en Lazarus. Brontekst: ἠγάπα (egapa) = had lief | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τὴν (ten) = de | Μάρθαν (Marthan) = Marta | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | ἀδελφὴν (adelphen) = zus | αὐτῆς (autes) = haar | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | Λάζαρον (Lazaron) = Lazarus Bron: SBLGNT **11:6** Toen Hij dus hoorde dat hij ziek was, bleef Hij 2 dagen op de plaats waar Hij was. Brontekst: ὡς (hos) = toen | οὖν (oun) = dus | ἤκουσεν (ekousen) = Hij hoorde | ὅτι (hoti) = dat | ἀσθενεῖ (asthenei) = hij is ziek | τότε (tote) = toen | μὲν (men) = wel | ἔμεινεν (emeinen) = bleef Hij | ἐν (en) = op | ᾧ (ho) = welke | ἦν (en) = was Hij | τόπῳ (topo) = plaats | δύο (dyo) = 2 | ἡμέρας (hemeras) = dagen Bron: SBLGNT ### Yeshua wil terug naar Judea **11:7** Daarna zei Hij tegen de leerlingen: **„Laten wij weer naar Judea gaan.”** Brontekst: ἔπειτα (epeita) = daarna | μετὰ (meta) = na | τοῦτο (touto) = dit | λέγει (legei) = zei | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | Ἄγωμεν (Agomen) = laten wij gaan | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | Ἰουδαίαν (Ioudaian) = Judea | πάλιν (palin) = weer Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem. Het komt overeen met het oude Juda. **11:8** De leerlingen zeiden tegen Hem: „Rabbi, de Joden probeerden U zojuist nog te stenigen, en U gaat daar weer heen?” Brontekst: λέγουσιν (legousin) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot Hem | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | Ῥαββί (Rhabbi) = rabbi | νῦν (nyn) = nu | ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | σε (se) = U | λιθάσαι (lithasai) = te stenigen | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = weer | ὑπάγεις (hypageis) = gaat U | ἐκεῖ (ekei) = daarheen Bron: SBLGNT **11:9** Yeshua antwoordde: **„Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand overdag loopt, struikelt hij niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐχὶ (Ouchi) = niet | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ὧραί (horai) = uren | εἰσιν (eisin) = zijn | τῆς (tes) = van de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | περιπατῇ (peripate) = loopt | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | οὐ (ou) = niet | προσκόπτει (proskoptei) = struikelt | ὅτι (hoti) = omdat | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | τούτου (toutou) = deze | βλέπει (blepei) = hij ziet Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὥρα (hora), ‘uur’: de dag telde twaalf uren, van zonsopgang tot zonsondergang. Vergelijk Joh. 8:12 en 9:5, waar Yeshua Zichzelf het licht van de wereld noemt. Zie ook: Joh 8:12; Joh 9:5 **11:10** **Maar als iemand in de nacht loopt, struikelt hij, omdat het licht niet in hem is.”** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | δέ (de) = maar | τις (tis) = iemand | περιπατῇ (peripate) = loopt | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | νυκτί (nykti) = nacht | προσκόπτει (proskoptei) = struikelt | ὅτι (hoti) = omdat | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT **11:11** Dit zei Hij, en daarna zei Hij tegen hen: **„Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga hem wakker maken.”** Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | εἶπεν (eipen) = zei Hij | καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | τοῦτο (touto) = dit | λέγει (legei) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Λάζαρος (Lazaros) = Lazarus | ὁ (ho) = de | φίλος (philos) = vriend | ἡμῶν (hemon) = onze | κεκοίμηται (kekoimetai) = slaapt | ἀλλὰ (alla) = maar | πορεύομαι (poreuomai) = Ik ga | ἵνα (hina) = opdat | ἐξυπνίσω (exypniso) = Ik wakker maak | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοιμάομαι (koimaomai), ‘slapen’: in de Schrift is ‘slapen’ ook een beeld voor sterven, zie Dan. 12:2. φίλος (philos), ‘vriend’. Zie ook: Dan 12:2 **11:12** De leerlingen zeiden dus tegen Hem: „Heer, als hij slaapt, zal hij gered worden.” Brontekst: εἶπαν (eipan) = zeiden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | εἰ (ei) = als | κεκοίμηται (kekoimetai) = hij slaapt | σωθήσεται (sothesetai) = zal gered worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σῴζω (sozo) betekent ‘redden’. Hier bedoelen de leerlingen dat de zieke zal herstellen. Wij houden de vaste weergave ‘gered worden’. **11:13** Yeshua had over de dood van Lazarus gesproken, maar zij meenden dat Hij sprak over de rust van de slaap. Brontekst: εἰρήκει (eirekei) = had gesproken | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | θανάτου (thanatou) = dood | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = zij | δὲ (de) = maar | ἔδοξαν (edoxan) = meenden | ὅτι (hoti) = dat | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = de | κοιμήσεως (koimeseos) = rust | τοῦ (tou) = van de | ὕπνου (hypnou) = slaap | λέγει (legei) = Hij spreekt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κοίμησις (koimesis), ‘het rusten’: hier de rust van de slaap. De leerlingen verstonden ‘slapen’ letterlijk. ‘Zijn dood’ is de dood van Lazarus; wij noemen zijn naam om verwarring met Yeshua te voorkomen. **11:14** Toen zei Yeshua openlijk tegen hen: **„Lazarus is gestorven.** Brontekst: τότε (tote) = toen | οὖν (oun) = dus | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | παρρησίᾳ (parresia) = openlijk | Λάζαρος (Lazaros) = Lazarus | ἀπέθανεν (apethanen) = is gestorven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρρησία (parresia), ‘openlijk’: zonder beeldspraak, in duidelijke woorden. **11:15** **En Ik ben blij, om jullie, dat Ik daar niet was, zodat jullie geloven. Laten wij naar hem toe gaan.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | χαίρω (chairo) = Ik ben blij | δι’ (di’) = om | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | πιστεύσητε (pisteusete) = jullie geloven | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | ἤμην (emen) = was Ik | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἀλλὰ (alla) = maar | ἄγωμεν (agomen) = laten wij gaan | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **11:16** Tomas, die Didymus genoemd wordt, zei tegen de medeleerlingen: „Laten ook wij gaan, om met Hem te sterven.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | Θωμᾶς (Thomas) = Tomas | ὁ (ho) = die | λεγόμενος (legomenos) = genoemd wordt | Δίδυμος (Didymos) = Didymus | τοῖς (tois) = tot de | συμμαθηταῖς (symmathetais) = medeleerlingen | Ἄγωμεν (Agomen) = laten wij gaan | καὶ (kai) = ook | ἡμεῖς (hemeis) = wij | ἵνα (hina) = opdat | ἀποθάνωμεν (apothanomen) = wij sterven | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Θωμᾶς (Thomas), ‘Tomas’, is Aramees voor ‘tweeling’; Δίδυμος (Didymos), ‘Didymus’, is het Griekse woord voor ‘tweeling’. συμμαθητής (symmathetes), ‘medeleerling’. Het Grieks laat open of ‘met hem’ Yeshua of Lazarus is; wij lezen Yeshua. ### Yeshua en Marta **11:17** Toen Yeshua aankwam, vond Hij dat hij al 4 dagen in het graf lag. Brontekst: Ἐλθὼν (Elthon) = gekomen | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εὗρεν (heuren) = vond | αὐτὸν (auton) = hem | τέσσαρας (tessaras) = 4 | ἤδη (ede) = al | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ἔχοντα (echonta) = hebbend | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | μνημείῳ (mnemeio) = graf Bron: SBLGNT **11:18** Betanië lag dicht bij Jeruzalem, ongeveer 15 stadiën ervandaan. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ἡ (he) = de | Βηθανία (Bethania) = Betanië | ἐγγὺς (engys) = nabij | τῶν (ton) = van de | Ἱεροσολύμων (Hierosolymon) = Jeruzalem | ὡς (hos) = ongeveer | ἀπὸ (apo) = op | σταδίων (stadion) = stadiën | δεκαπέντε (dekapente) = 15 Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Een stadie (στάδιον, stadion) is ongeveer 185 meter. 15 stadiën is dus ongeveer 2,8 kilometer. **11:19** Veel van de Joden waren naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over hun broer. Brontekst: πολλοὶ (polloi) = velen | δὲ (de) = maar | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἐληλύθεισαν (elelytheisan) = waren gekomen | πρὸς (pros) = naar | τὴν (ten) = de | Μάρθαν (Marthan) = Marta | καὶ (kai) = en | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | ἵνα (hina) = opdat | παραμυθήσωνται (paramythesontai) = zij zouden troosten | αὐτὰς (autas) = hen | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | ἀδελφοῦ (adelphou) = broer Bron: SBLGNT **11:20** Toen Marta hoorde dat Yeshua kwam, ging zij Hem tegemoet. Maria bleef in huis zitten. Brontekst: ἡ (he) = de | οὖν (oun) = dus | Μάρθα (Martha) = Marta | ὡς (hos) = toen | ἤκουσεν (ekousen) = zij hoorde | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὑπήντησεν (hypentesen) = ging tegemoet | αὐτῷ (auto) = Hem | Μαρία (Maria) = Maria | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | οἴκῳ (oiko) = huis | ἐκαθέζετο (ekathezeto) = bleef zitten Bron: SBLGNT **11:21** Marta zei dus tegen Yeshua: „Heer, als U hier was geweest, was mijn broer niet gestorven. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | ἡ (he) = de | Μάρθα (Martha) = Marta | πρὸς (pros) = tot | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | Κύριε (Kyrie) = Heer | εἰ (ei) = als | ἦς (es) = U was | ὧδε (hode) = hier | οὐκ (ouk) = niet | ἂν (an) = zou | ἀπέθανεν (apethanen) = was gestorven | ὁ (ho) = de | ἀδελφός (adelphos) = broer | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT **11:22** Ook nu weet ik dat Elohim U alles zal geven wat U aan Elohim vraagt.” Brontekst: καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | οἶδα (oida) = ik weet | ὅτι (hoti) = dat | ὅσα (hosa) = alles wat | ἂν (an) = zou | αἰτήσῃ (aitese) = U vraagt | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | δώσει (dosei) = zal geven | σοι (soi) = U | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim Bron: SBLGNT **11:23** Yeshua zei tegen haar: **„Je broer zal opstaan.”** Brontekst: λέγει (legei) = zei | αὐτῇ (aute) = tot haar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀναστήσεται (Anastesetai) = zal opstaan | ὁ (ho) = de | ἀδελφός (adelphos) = broer | σου (sou) = jouw Bron: SBLGNT **11:24** Marta zei tegen Hem: „Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.” Brontekst: λέγει (legei) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | ἡ (he) = de | Μάρθα (Martha) = Marta | Οἶδα (Oida) = ik weet | ὅτι (hoti) = dat | ἀναστήσεται (anastesetai) = hij zal opstaan | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀναστάσει (anastasei) = opstanding | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐσχάτῃ (eschate) = laatste | ἡμέρᾳ (hemera) = dag Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνάστασις (anastasis), ‘opstanding’: het geloof dat de doden op de laatste dag opstaan, zie Dan. 12:2. Zie ook: Dan 12:2 **11:25** Yeshua zei tegen haar: **„Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al sterft hij.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = tot haar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ἡ (he) = de | ἀνάστασις (anastasis) = opstanding | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | ζωή (zoe) = leven | ὁ (ho) = de | πιστεύων (pisteuon) = gelovende | εἰς (eis) = in | ἐμὲ (eme) = Mij | κἂν (kan) = ook al | ἀποθάνῃ (apothane) = hij sterft | ζήσεται (zesetai) = zal leven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De woorden ‘Ik ben’ (ἐγώ εἰμι, ego eimi) komen in Johannes vaak voor, met een beeld erachter (de deur, de herder, het licht). **11:26** **En ieder die leeft en in Mij gelooft, zal voor eeuwig beslist niet sterven. Geloof je dit?”** Brontekst: καὶ (kai) = en | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = de | ζῶν (zon) = levende | καὶ (kai) = en | πιστεύων (pisteuon) = gelovende | εἰς (eis) = in | ἐμὲ (eme) = Mij | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἀποθάνῃ (apothane) = zal sterven | εἰς (eis) = voor | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | πιστεύεις (pisteueis) = geloof je | τοῦτο (touto) = dit Bron: SBLGNT **11:27** Zij zei tegen Hem: „Ja, Heer. Ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van Elohim, Hij die in de wereld komt.” Brontekst: λέγει (legei) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Ναί (Nai) = ja | κύριε (kyrie) = Heer | ἐγὼ (ego) = ik | πεπίστευκα (pepisteuka) = geloof | ὅτι (hoti) = dat | σὺ (sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | ὁ (ho) = de | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ἐρχόμενος (erchomenos) = komende Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χριστός (christos), ‘Messias’; ὁ ἐρχόμενος (ho erchomenos), ‘Hij die komt’: dezelfde uitdrukking als in Ps. 118:26 (‘Gezegend is hij die komt’) en Matt. 11:3. Wij schrijven ‘Hij’ met hoofdletter. Zie ook: Ps 118:26; Mat 11:3 ### Yeshua en Maria **11:28** Nadat zij dit gezegd had, ging zij weg en riep haar zus Maria. In het geheim zei zij: „De leraar is er en roept je.” Brontekst: Καὶ (Kai) = en | τοῦτο (touto) = dit | εἰποῦσα (eipousa) = gezegd hebbend | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | καὶ (kai) = en | ἐφώνησεν (ephonesen) = riep | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | τὴν (ten) = de | ἀδελφὴν (adelphen) = zus | αὐτῆς (autes) = haar | λάθρᾳ (lathra) = in het geheim | εἰποῦσα (eipousa) = zeggend | Ὁ (Ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | πάρεστιν (parestin) = is er | καὶ (kai) = en | φωνεῖ (phonei) = roept | σε (se) = je Bron: SBLGNT **11:29** Toen Maria dat hoorde, stond zij snel op en ging naar Hem toe. Brontekst: ἐκείνη (ekeine) = zij | δὲ (de) = maar | ὡς (hos) = toen | ἤκουσεν (ekousen) = zij hoorde | ἠγέρθη (egerthe) = stond op | ταχὺ (tachy) = snel | καὶ (kai) = en | ἤρχετο (ercheto) = ging | πρὸς (pros) = naar | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **11:30** Yeshua was het dorp nog niet binnengekomen, maar was nog op de plaats waar Marta Hem had ontmoet. Brontekst: οὔπω (oupo) = nog niet | δὲ (de) = maar | ἐληλύθει (elelythei) = was gekomen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | κώμην (komen) = dorp | ἀλλ’ (all’) = maar | ἦν (en) = was | ἔτι (eti) = nog | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | τόπῳ (topo) = plaats | ὅπου (hopou) = waar | ὑπήντησεν (hypentesen) = had ontmoet | αὐτῷ (auto) = Hem | ἡ (he) = de | Μάρθα (Martha) = Marta Bron: SBLGNT **11:31** De Joden die bij haar in huis waren en haar troostten, zagen dat Maria snel opstond en wegging. Zij volgden haar, omdat zij dachten dat zij naar het graf ging om daar te huilen. Brontekst: οἱ (hoi) = de | οὖν (oun) = dus | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | οἱ (hoi) = die | ὄντες (ontes) = waren | μετ’ (met’) = met | αὐτῆς (autes) = haar | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | καὶ (kai) = en | παραμυθούμενοι (paramythoumenoi) = troostend | αὐτήν (auten) = haar | ἰδόντες (idontes) = ziende | τὴν (ten) = de | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | ὅτι (hoti) = dat | ταχέως (tacheos) = snel | ἀνέστη (aneste) = opstond | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = wegging | ἠκολούθησαν (ekolouthesan) = volgden | αὐτῇ (aute) = haar | δόξαντες (doxantes) = denkend | ὅτι (hoti) = dat | ὑπάγει (hypagei) = zij gaat | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | ἵνα (hina) = opdat | κλαύσῃ (klause) = zij huilt | ἐκεῖ (ekei) = daar Bron: SBLGNT **11:32** Toen Maria kwam waar Yeshua was en Hem zag, viel zij bij Zijn voeten neer. Zij zei tegen Hem: „Heer, als U hier was geweest, was mijn broer niet gestorven.” Brontekst: ἡ (he) = de | οὖν (oun) = dus | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | ὡς (hos) = toen | ἦλθεν (elthen) = zij kwam | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἰδοῦσα (idousa) = ziende | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔπεσεν (epesen) = viel | αὐτοῦ (autou) = Zijn | πρὸς (pros) = bij | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | λέγουσα (legousa) = zeggend | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | εἰ (ei) = als | ἦς (es) = U was | ὧδε (hode) = hier | οὐκ (ouk) = niet | ἄν (an) = zou | μου (mou) = mijn | ἀπέθανεν (apethanen) = was gestorven | ὁ (ho) = de | ἀδελφός (adelphos) = broer Bron: SBLGNT **11:33** Toen Yeshua haar zag huilen, en de Joden die met haar waren meegekomen ook, werd Hij heftig bewogen in Zijn geest. Hij raakte in beroering. Brontekst: Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὖν (oun) = dus | ὡς (hos) = toen | εἶδεν (eiden) = Hij zag | αὐτὴν (auten) = haar | κλαίουσαν (klaiousan) = huilend | καὶ (kai) = en | τοὺς (tous) = de | συνελθόντας (synelthontas) = meegekomenen | αὐτῇ (aute) = met haar | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | κλαίοντας (klaiontas) = huilend | ἐνεβριμήσατο (enebrimesato) = werd heftig bewogen | τῷ (to) = in de | πνεύματι (pneumati) = geest | καὶ (kai) = en | ἐτάραξεν (etaraxen) = bracht in beroering | ἑαυτόν (heauton) = Zichzelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμβριμάομαι (embrimaomai) drukt een sterke beroering uit: letterlijk ‘snuiven’. Het kan ontroering, ontzetting of verontwaardiging zijn; zie ook Mark. 1:43, waar wij ‘streng toespreken’ schrijven. Hier en in vers 38 staat het zonder persoon die aangesproken wordt, daarom schrijven wij ‘heftig bewogen’. ταράσσω (tarasso), ‘in beroering brengen’. Zie ook: Mar 1:43; Joh 11:38 **11:34** Hij zei: **„Waar hebben jullie hem neergelegd?”** Zij zeiden tegen Hem: „Heer, kom en zie.” Brontekst: καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ποῦ (Pou) = waar | τεθείκατε (tetheikate) = hebben jullie neergelegd | αὐτόν (auton) = hem | λέγουσιν (legousin) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἔρχου (erchou) = kom | καὶ (kai) = en | ἴδε (ide) = zie Bron: SBLGNT **11:35** Yeshua vergoot tranen. Brontekst: ἐδάκρυσεν (edakrysen) = vergoot tranen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δακρύω (dakryo), ‘tranen vergieten’, komt alleen hier in het Nieuwe Testament voor. Het is een ander woord dan κλαίω (klaio), ‘huilen’, waarmee Maria en de Joden in vers 33 worden beschreven. Zie ook: Joh 11:33 **11:36** De Joden zeiden dus: „Zie, hoe lief Hij hem had.” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | Ἴδε (Ide) = zie | πῶς (pos) = hoe | ἐφίλει (ephilei) = had lief | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT **11:37** Maar sommigen van hen zeiden: „Kon Hij, die de ogen van de blinde geopend heeft, er niet voor zorgen dat ook deze niet stierf?” Brontekst: τινὲς (tines) = sommigen | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | εἶπαν (eipan) = zeiden | Οὐκ (Ouk) = niet | ἐδύνατο (edynato) = kon | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = de | ἀνοίξας (anoixas) = geopend hebbende | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | τοῦ (tou) = van de | τυφλοῦ (typhlou) = blinde | ποιῆσαι (poiesai) = maken | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | οὗτος (houtos) = deze | μὴ (me) = niet | ἀποθάνῃ (apothane) = zou sterven Bron: SBLGNT ### Lazarus wordt uit het graf geroepen **11:38** Yeshua kwam, opnieuw heftig bewogen in Zichzelf, bij het graf. Het was een grot, en er lag een steen op. Brontekst: Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὖν (oun) = dus | πάλιν (palin) = opnieuw | ἐμβριμώμενος (embrimomenos) = heftig bewogen | ἐν (en) = in | ἑαυτῷ (heauto) = Zichzelf | ἔρχεται (erchetai) = komt | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | ἦν (en) = het was | δὲ (de) = maar | σπήλαιον (spelaion) = grot | καὶ (kai) = en | λίθος (lithos) = steen | ἐπέκειτο (epekeito) = lag | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτῷ (auto) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μνημεῖον (mnemeion), ‘graf’: hier een grot, waarvoor een steen lag. **11:39** Yeshua zei: **„Neem de steen weg.”** Marta, de zus van de overledene, zei tegen Hem: „Heer, hij stinkt al. Want het is al de vierde dag.” Brontekst: λέγει (legei) = zei | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἄρατε (Arate) = neem weg | τὸν (ton) = de | λίθον (lithon) = steen | λέγει (legei) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | ἡ (he) = de | ἀδελφὴ (adelphe) = zus | τοῦ (tou) = van de | τετελευτηκότος (teteleutekotos) = overledene | Μάρθα (Martha) = Marta | Κύριε (Kyrie) = Heer | ἤδη (ede) = al | ὄζει (ozei) = stinkt hij | τεταρταῖος (tetartaios) = vierdedags | γάρ (gar) = want | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τεταρταῖος (tetartaios), letterlijk ‘een van de vierde dag’: het is al de vierde dag sinds de dood. **11:40** Yeshua zei tegen haar: **„Heb Ik je niet gezegd dat je de heerlijkheid van Elohim zult zien, als je gelooft?”** Brontekst: λέγει (legei) = zei | αὐτῇ (aute) = tot haar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐκ (Ouk) = niet | εἶπόν (eipon) = zei Ik | σοι (soi) = je | ὅτι (hoti) = dat | ἐὰν (ean) = als | πιστεύσῃς (pisteuses) = je gelooft | ὄψῃ (opse) = je zult zien | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT **11:41** Toen namen zij de steen weg. Yeshua hief Zijn ogen omhoog en zei: **„Vader, Ik dank U dat U Mij gehoord hebt.** Brontekst: ἦραν (eran) = namen weg | οὖν (oun) = dus | τὸν (ton) = de | λίθον (lithon) = steen | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἦρεν (eren) = hief op | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | ἄνω (ano) = omhoog | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Πάτερ (Pater) = Vader | εὐχαριστῶ (eucharisto) = Ik dank | σοι (soi) = U | ὅτι (hoti) = dat | ἤκουσάς (ekousas) = U hebt gehoord | μου (mou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: Wij volgen de SBLGNT. In sommige handschriften staat achter ‘de steen’ nog ‘van de plaats waar de dode lag’. **11:42** **Ik wist dat U Mij altijd hoort. Maar vanwege de menigte die erbij staat heb Ik het gezegd, zodat zij geloven dat U Mij gezonden hebt.”** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δὲ (de) = maar | ᾔδειν (edein) = wist | ὅτι (hoti) = dat | πάντοτέ (pantote) = altijd | μου (mou) = Mij | ἀκούεις (akoueis) = U hoort | ἀλλὰ (alla) = maar | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | ὄχλον (ochlon) = menigte | τὸν (ton) = de | περιεστῶτα (periestota) = omstaande | εἶπον (eipon) = Ik zei | ἵνα (hina) = opdat | πιστεύσωσιν (pisteusosin) = zij geloven | ὅτι (hoti) = dat | σύ (sy) = U | με (me) = Mij | ἀπέστειλας (apesteilas) = hebt gezonden Bron: SBLGNT **11:43** Toen Hij dit gezegd had, riep Hij met luide stem: **„Lazarus, kom hier naar buiten!”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | φωνῇ (phone) = met stem | μεγάλῃ (megale) = grote | ἐκραύγασεν (ekraugasen) = riep | Λάζαρε (Lazare) = Lazarus | δεῦρο (deuro) = kom hier | ἔξω (exo) = naar buiten Bron: SBLGNT **11:44** De dode kwam naar buiten, zijn voeten en handen met windsels gebonden, en zijn gezicht met een zweetdoek omwonden. Yeshua zei tegen hen: **„Maak hem los en laat hem weggaan.”** Brontekst: ἐξῆλθεν (exelthen) = kwam naar buiten | ὁ (ho) = de | τεθνηκὼς (tethnekos) = gestorvene | δεδεμένος (dedemenos) = gebonden | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | καὶ (kai) = en | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | κειρίαις (keiriais) = met windsels | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | ὄψις (opsis) = gezicht | αὐτοῦ (autou) = zijn | σουδαρίῳ (soudario) = met een zweetdoek | περιεδέδετο (periededeto) = was omwonden | λέγει (legei) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Λύσατε (Lysate) = maak los | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἄφετε (aphete) = laat | αὐτὸν (auton) = hem | ὑπάγειν (hypagein) = weggaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κειρία (keiria), ‘windsel’: een strook doek om het lichaam te omwikkelen. σουδάριον (soudarion), ‘zweetdoek’: een doek, hier om het gezicht van de dode gebonden. ### Het besluit van de Raad **11:45** Veel van de Joden die naar Maria waren gekomen en zagen wat Hij had gedaan, geloofden in Hem. Brontekst: Πολλοὶ (Polloi) = velen | οὖν (oun) = dus | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | οἱ (hoi) = die | ἐλθόντες (elthontes) = gekomen waren | πρὸς (pros) = naar | τὴν (ten) = de | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | καὶ (kai) = en | θεασάμενοι (theasamenoi) = gezien hebbend | ἃ (ha) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = Hij deed | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **11:46** Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en vertelden hun wat Yeshua had gedaan. Brontekst: τινὲς (tines) = sommigen | δὲ (de) = maar | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | Φαρισαίους (Pharisaious) = Farizeeën | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτοῖς (autois) = hun | ἃ (ha) = wat | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT **11:47** De hogepriesters en de Farizeeën riepen de Raad bijeen en zeiden: „Wat doen wij? Want deze man doet veel tekenen. Brontekst: συνήγαγον (synegagon) = brachten bijeen | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | συνέδριον (synedrion) = Raad | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Τί (Ti) = wat | ποιοῦμεν (poioumen) = doen wij | ὅτι (hoti) = omdat | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man | πολλὰ (polla) = veel | ποιεῖ (poiei) = doet | σημεῖα (semeia) = tekenen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: de hoogste Joodse raad; zie Matt. 26:59. σημεῖον (semeion), ‘teken’. Zie ook: Mat 26:59 **11:48** Als wij hem zo laten gaan, zullen allen in hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en zowel onze plaats als ons volk wegnemen.” Brontekst: ἐὰν (ean) = als | ἀφῶμεν (aphomen) = wij laten gaan | αὐτὸν (auton) = hem | οὕτως (houtos) = zo | πάντες (pantes) = allen | πιστεύσουσιν (pisteusousin) = zullen geloven | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐλεύσονται (eleusontai) = zullen komen | οἱ (hoi) = de | Ῥωμαῖοι (Rhomaioi) = Romeinen | καὶ (kai) = en | ἀροῦσιν (arousin) = zullen wegnemen | ἡμῶν (hemon) = van ons | καὶ (kai) = zowel | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | καὶ (kai) = als | τὸ (to) = het | ἔθνος (ethnos) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τόπος (topos), ‘plaats’: waarschijnlijk de tempel. ἔθνος (ethnos), ‘volk’. **11:49** Maar een van hen, Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei tegen hen: „Jullie weten niets. Brontekst: εἷς (heis) = één | δέ (de) = maar | τις (tis) = iemand | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | Καϊάφας (Kaiaphas) = Kajafas | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | ὢν (on) = zijnde | τοῦ (tou) = van het | ἐνιαυτοῦ (eniautou) = jaar | ἐκείνου (ekeinou) = dat | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ὑμεῖς (Hymeis) = jullie | οὐκ (ouk) = niet | οἴδατε (oidate) = weten | οὐδέν (ouden) = niets Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Kajafas was de hogepriester; zie ook Matt. 26:3. Het Grieks zegt ‘hogepriester van dat jaar’. Zie ook: Mat 26:3 **11:50** Jullie bedenken ook niet dat het beter voor jullie is dat één mens sterft voor het volk dan dat het hele volk omkomt.” Brontekst: οὐδὲ (oude) = ook niet | λογίζεσθε (logizesthe) = bedenken jullie | ὅτι (hoti) = dat | συμφέρει (sympherei) = het is beter | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | ἵνα (hina) = opdat | εἷς (heis) = één | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | ἀποθάνῃ (apothane) = sterft | ὑπὲρ (hyper) = voor | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | ὅλον (holon) = heel | τὸ (to) = het | ἔθνος (ethnos) = volk | ἀπόληται (apoletai) = omkomt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: In vers 50 staan λαός (laos) en ἔθνος (ethnos), in vers 51–52 ἔθνος; wij vertalen beide met ‘volk’. ‘Mens’ vertaalt ἄνθρωπος (anthropos). Zie ook: Joh 11:51–52 **11:51** Dit zei hij niet uit zichzelf. Maar omdat hij dat jaar hogepriester was, profeteerde hij dat Yeshua zou sterven voor het volk, Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | ἀφ’ (aph’) = van | ἑαυτοῦ (heautou) = zichzelf | οὐκ (ouk) = niet | εἶπεν (eipen) = zei hij | ἀλλὰ (alla) = maar | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | ὢν (on) = zijnde | τοῦ (tou) = van het | ἐνιαυτοῦ (eniautou) = jaar | ἐκείνου (ekeinou) = dat | ἐπροφήτευσεν (epropheteusen) = profeteerde hij | ὅτι (hoti) = dat | ἔμελλεν (emellen) = zou | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀποθνῄσκειν (apothneskein) = sterven | ὑπὲρ (hyper) = voor | τοῦ (tou) = het | ἔθνους (ethnous) = volk Bron: SBLGNT **11:52** en niet alleen voor het volk, maar ook om de kinderen van Elohim, die verspreid waren, tot één te verzamelen. Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐχ (ouch) = niet | ὑπὲρ (hyper) = voor | τοῦ (tou) = het | ἔθνους (ethnous) = volk | μόνον (monon) = alleen | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | τὰ (ta) = de | τέκνα (tekna) = kinderen | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | τὰ (ta) = de | διεσκορπισμένα (dieskorpismena) = verspreide | συναγάγῃ (synagage) = hij zou verzamelen | εἰς (eis) = tot | ἕν (hen) = één Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ezech. 34:12 en Jes. 56:8, waar Elohim Zijn verspreide schapen en de verdrevenen van Israël verzamelt. Zie ook: Jes 56:8; Ezech 34:12 **11:53** Vanaf die dag besloten zij Hem te doden. Brontekst: ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἐκείνης (ekeines) = die | οὖν (oun) = dus | τῆς (tes) = de | ἡμέρας (hemeras) = dag | ἐβουλεύσαντο (ebouleusanto) = besloten zij | ἵνα (hina) = opdat | ἀποκτείνωσιν (apokteinosin) = zij zouden doden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐβουλεύσαντο (ebouleusanto), ‘besloten zij’: zij berieden zich en besloten tot een plan om Hem te doden. Voetnoot : Vergelijk Matt. 26:3–5; Mark. 14:1–2; Luc. 22:1–2. Zie ook: Mat 26:3–5; Mar 14:1–2; Luc 22:1–2 ### Yeshua trekt zich terug naar Efraïm **11:54** Yeshua liep daarom niet meer openlijk rond onder de Joden. Hij ging vandaar weg naar de streek bij de woestijn, naar een stad die Efraïm genoemd wordt, en bleef daar met de leerlingen. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | οὖν (oun) = dus | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | παρρησίᾳ (parresia) = openlijk | περιεπάτει (periepatei) = liep | ἐν (en) = onder | τοῖς (tois) = de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | ἀλλὰ (alla) = maar | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg | ἐκεῖθεν (ekeithen) = vandaar | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | χώραν (choran) = streek | ἐγγὺς (engys) = nabij | τῆς (tes) = van de | ἐρήμου (eremou) = woestijn | εἰς (eis) = naar | Ἐφραὶμ (Ephraim) = Efraïm | λεγομένην (legomenen) = genoemde | πόλιν (polin) = stad | κἀκεῖ (kakei) = en daar | ἔμεινεν (emeinen) = bleef | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Efraïm (stad; ligging onzeker): Efraïm was een stad aan de rand van de woestijn, ongeveer 20 km ten noordoosten van Jeruzalem. Vermoedelijk is het het huidige et-Taiyiba (Ofra). Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Efraïm: de ligging is niet zeker; zie het plaatsenbestand. **11:55** Het Pesach van de Joden was nabij. Velen gingen vóór het Pesach uit de streek op naar Jeruzalem om zich te reinigen. Brontekst: Ἦν (En) = was | δὲ (de) = maar | ἐγγὺς (engys) = nabij | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | καὶ (kai) = en | ἀνέβησαν (anebesan) = gingen op | πολλοὶ (polloi) = velen | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | χώρας (choras) = streek | πρὸ (pro) = vóór | τοῦ (tou) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | ἵνα (hina) = opdat | ἁγνίσωσιν (hagnisosin) = zij zouden reinigen | ἑαυτούς (heautous) = zichzelf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἁγνίζω (hagnizo), ‘zich reinigen’: wie onrein was, bijvoorbeeld door het aanraken van een dode, reinigde zich vóór het Pesach, zie Num. 9:6–10 en Num. 19:11–13. Zie ook: Num 9:6–10; Num 19:11–13 **11:56** Zij zochten Yeshua en zeiden tegen elkaar, terwijl zij in de tempel stonden: „Wat denken jullie, dat Hij beslist niet naar het feest komt?” Brontekst: ἐζήτουν (ezetoun) = zochten | οὖν (oun) = dus | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | μετ’ (met’) = met | ἀλλήλων (allelon) = elkaar | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | ἑστηκότες (hestekotes) = staande | Τί (Ti) = wat | δοκεῖ (dokei) = lijkt | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἔλθῃ (elthe) = hij komt | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ἑορτήν (heorten) = feest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οὐ μὴ ἔλθῃ (ou me elthe), ‘beslist niet komt’. Wij lezen de zin als één vraag: ‘Wat denken jullie? Dat Hij beslist niet naar het feest komt?’ **11:57** De hogepriesters en de Farizeeën hadden bevelen gegeven: als iemand wist waar Hij was, moest hij het melden, zodat zij Hem konden grijpen. Brontekst: δεδώκεισαν (dedokeisan) = hadden gegeven | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | ἐντολὰς (entolas) = bevelen | ἵνα (hina) = opdat | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | γνῷ (gno) = weet | ποῦ (pou) = waar | ἐστιν (estin) = Hij is | μηνύσῃ (menyse) = hij meldt | ὅπως (hopos) = opdat | πιάσωσιν (piasosin) = zij grijpen | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT ## Johannes 12 _De zalving in Betanië, de intocht in Jeruzalem en het laatste openbare woord_ ### De zalving in Betanië **12:1** Zes dagen vóór het Pesach kwam Yeshua in Betanië, waar Lazarus was, die Hij uit de doden had opgewekt. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | οὖν (oun) = dus | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πρὸ (pro) = vóór | ἓξ (hex) = zes | ἡμερῶν (hemeron) = dagen | τοῦ (tou) = van het | πάσχα (pascha) = Pesach | ἦλθεν (elthen) = kwam | εἰς (eis) = naar | Βηθανίαν (Bethanian) = Betanië | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | Λάζαρος (Lazaros) = Lazarus | ὃν (hon) = wie | ἤγειρεν (egeiren) = opwekte | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Aan het slot heeft het Grieks nog een keer ‘Yeshua’ (‘die Yeshua uit de doden opgewekt had’); wij schrijven ‘Hij’. πάσχα (pascha), ‘Pesach’. Betanië: zie 11:1. **12:2** Daar maakten zij een maaltijd voor Hem. Marta diende, en Lazarus was een van hen die met Hem aan tafel lagen. Brontekst: ἐποίησαν (epoiesan) = maakten | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = voor Hem | δεῖπνον (deipnon) = maaltijd | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | Μάρθα (Martha) = Marta | διηκόνει (diekonei) = diende | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Λάζαρος (Lazaros) = Lazarus | εἷς (heis) = één | ἦν (en) = was | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἀνακειμένων (anakeimenon) = aan tafel liggenden | σὺν (syn) = met | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνάκειμαι (anakeimai), ‘aan tafel liggen’: bij een maaltijd lag men op rustbanken. διακονέω (diakoneo), ‘dienen’: hier het bedienen bij de maaltijd; zie ook vers 26. Zie ook: Joh 12:26 **12:3** Maria nam een pond zalfolie van zuivere, zeer kostbare nardus en zalfde de voeten van Yeshua. Zij veegde Zijn voeten af met haar haren. Het huis werd gevuld met de geur van de zalfolie. Brontekst: ἡ (he) = de | οὖν (oun) = dus | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | λαβοῦσα (labousa) = nemend | λίτραν (litran) = pond | μύρου (myrou) = zalfolie | νάρδου (nardou) = van nardus | πιστικῆς (pistikes) = zuivere | πολυτίμου (polytimou) = zeer kostbare | ἤλειψεν (eleipsen) = zalfde | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐξέμαξεν (exemaxen) = veegde af | ταῖς (tais) = met de | θριξὶν (thrixin) = haren | αὐτῆς (autes) = haar | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἡ (he) = het | δὲ (de) = maar | οἰκία (oikia) = huis | ἐπληρώθη (eplerothe) = werd gevuld | ἐκ (ek) = door | τῆς (tes) = de | ὀσμῆς (osmes) = geur | τοῦ (tou) = van de | μύρου (myrou) = zalfolie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λίτρα (litra), ‘pond’: een Romeins pond, ongeveer 330 gram. νάρδος (nardos), ‘nardus’: een dure, geurige olie. πιστικῆς (pistikes) is een moeilijk woord; het betekent waarschijnlijk ‘zuiver, echt’, maar dat is onzeker. Matteüs en Markus zeggen dat de olie over Zijn hoofd werd gegoten; Johannes noemt Zijn voeten. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:6–13; Mark. 14:3–9. Vergelijk Luc. 7:36–38. Zie ook: Mat 26:6–13; Mar 14:3–9; Luc 7:36–38 **12:4** Judas Iskariot, een van Zijn leerlingen, degene die Hem zou overleveren, zei: Brontekst: λέγει (legei) = zei | δὲ (de) = maar | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | ὁ (ho) = de | Ἰσκαριώτης (Iskariotes) = Iskariot | εἷς (heis) = één | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ὁ (ho) = de | μέλλων (mellon) = zou | αὐτὸν (auton) = Hem | παραδιδόναι (paradidonai) = overleveren Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: wij vertalen het overal zo; zie Matt. 26:2. Zie ook: Mat 26:2 **12:5** „Waarom is deze zalfolie niet voor 300 denariën verkocht en aan armen gegeven?” Brontekst: Διὰ (Dia) = om | τί (ti) = wat | τοῦτο (touto) = dit | τὸ (to) = de | μύρον (myron) = zalfolie | οὐκ (ouk) = niet | ἐπράθη (eprathe) = werd verkocht | τριακοσίων (triakosion) = voor 300 | δηναρίων (denarion) = denariën | καὶ (kai) = en | ἐδόθη (edothe) = werd gegeven | πτωχοῖς (ptochois) = aan armen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 300 denariën is dus het loon voor ongeveer 300 werkdagen. In Matt. 26:9 staat ‘veel geld’, in Mark. 14:5 ‘meer dan 300 denariën’. Voetnoot : Zie ook Mark. 14:4–5. Zie ook: Mat 26:9; Mar 14:4–5; Mar 14:5 **12:6** Dit zei hij niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was. Hij had de geldkist en droeg wat erin gelegd werd. Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei hij | δὲ (de) = maar | τοῦτο (touto) = dit | οὐχ (ouch) = niet | ὅτι (hoti) = omdat | περὶ (peri) = over | τῶν (ton) = de | πτωχῶν (ptochon) = armen | ἔμελεν (emelen) = bekommerde zich | αὐτῷ (auto) = hij | ἀλλ’ (all’) = maar | ὅτι (hoti) = omdat | κλέπτης (kleptes) = dief | ἦν (en) = was | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | γλωσσόκομον (glossokomon) = geldkist | ἔχων (echon) = hebbend | τὰ (ta) = het | βαλλόμενα (ballomena) = erin gelegde | ἐβάσταζεν (ebastazen) = droeg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γλωσσόκομον (glossokomon), ‘geldkist’. βαστάζω (bastazo), ‘dragen’: het kan ook ‘wegdragen, stelen’ betekenen, vergelijk Joh. 20:15. Zie ook: Joh 20:15 **12:7** Yeshua zei dus: **„Laat haar met rust, zodat zij het bewaart voor de dag van Mijn begrafenis.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἄφες (Aphes) = laat | αὐτήν (auten) = haar | ἵνα (hina) = opdat | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = de | ἡμέραν (hemeran) = dag | τοῦ (tou) = van de | ἐνταφιασμοῦ (entaphiasmou) = begrafenis | μου (mou) = Mijn | τηρήσῃ (terese) = zij bewaart | αὐτό (auto) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐνταφιασμός (entaphiasmos), ‘begrafenis’: het gereedmaken van een dode voor het graf; vergelijk Matt. 26:12 en Mark. 14:8. Voetnoot Lezing: Wij volgen de SBLGNT: ‘zodat zij het bewaart’. In sommige handschriften staat ‘zij heeft het bewaard’ (τετήρηκεν, tetereken). Zie ook: Mat 26:12; Mar 14:8 **12:8** **Want de armen hebben jullie altijd bij je, maar Mij hebben jullie niet altijd.”** Brontekst: τοὺς (tous) = de | πτωχοὺς (ptochous) = armen | γὰρ (gar) = want | πάντοτε (pantote) = altijd | ἔχετε (echete) = jullie hebben | μεθ’ (meth’) = bij | ἑαυτῶν (heauton) = jullie | ἐμὲ (eme) = Mij | δὲ (de) = maar | οὐ (ou) = niet | πάντοτε (pantote) = altijd | ἔχετε (echete) = jullie hebben Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 26:11; Mark. 14:7. Zie ook: Mat 26:11; Mar 14:7 ### De hogepriesters willen ook Lazarus doden **12:9** Een grote menigte van de Joden kwam te weten dat Hij daar was. Zij kwamen niet alleen vanwege Yeshua, maar ook om Lazarus te zien, die Hij uit de doden had opgewekt. Brontekst: Ἔγνω (Egno) = wist | οὖν (oun) = dus | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολὺς (polys) = grote | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ὅτι (hoti) = dat | ἐκεῖ (ekei) = daar | ἐστιν (estin) = Hij is | καὶ (kai) = en | ἦλθον (elthon) = kwamen | οὐ (ou) = niet | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | μόνον (monon) = alleen | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | τὸν (ton) = de | Λάζαρον (Lazaron) = Lazarus | ἴδωσιν (idosin) = zij zagen | ὃν (hon) = wie | ἤγειρεν (egeiren) = Hij opwekte | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT **12:10** De hogepriesters besloten ook Lazarus te doden, Brontekst: ἐβουλεύσαντο (ebouleusanto) = besloten zij | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | τὸν (ton) = de | Λάζαρον (Lazaron) = Lazarus | ἀποκτείνωσιν (apokteinosin) = zij zouden doden Bron: SBLGNT **12:11** omdat veel van de Joden om hem weggingen en in Yeshua geloofden. Brontekst: ὅτι (hoti) = omdat | πολλοὶ (polloi) = velen | δι’ (di’) = om | αὐτὸν (auton) = hem | ὑπῆγον (hypegon) = gingen weg | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | καὶ (kai) = en | ἐπίστευον (episteuon) = geloofden | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπάγω (hypago), ‘weggaan’: het Grieks noemt niet waarvandaan zij weggingen; waarschijnlijk bij de Joodse leiders vandaan. ### De intocht in Jeruzalem **12:12** De volgende dag hoorde de grote menigte die voor het feest was gekomen dat Yeshua naar Jeruzalem kwam. Brontekst: Τῇ (Te) = op de | ἐπαύριον (epaurion) = volgende dag | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | πολὺς (polys) = grote | ὁ (ho) = de | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | ἑορτήν (heorten) = feest | ἀκούσαντες (akousantes) = gehoord hebbend | ὅτι (hoti) = dat | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = naar | Ἱεροσόλυμα (Hierosolyma) = Jeruzalem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ἑορτή (heorte), ‘feest’: het Pesach, zie 11:55. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:1–11; Mark. 11:1–11; Luc. 19:28–40. Zie ook: Mat 21:1–11; Mar 11:1–11; Luc 19:28–40 **12:13** Zij namen palmtakken en gingen naar buiten, Hem tegemoet. Zij riepen: „Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh, en de koning van Israël!” Brontekst: ἔλαβον (elabon) = namen | τὰ (ta) = de | βαΐα (baia) = takken | τῶν (ton) = van de | φοινίκων (phoinikon) = palmen | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθον (exelthon) = gingen naar buiten | εἰς (eis) = naar | ὑπάντησιν (hypantesin) = ontmoeting | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = en | ἐκραύγαζον (ekraugazon) = riepen | Ὡσαννά (Hosanna) = Hosanna | εὐλογημένος (eulogemenos) = gezegend | ὁ (ho) = Hij | ἐρχόμενος (erchomenos) = die komt | ἐν (en) = in | ὀνόματι (onomati) = naam | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τοῦ (tou) = van | Ἰσραήλ (Israel) = Israël Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαΐα φοινίκων (baia phoinikon), ‘palmtakken’. ὡσαννά (hosanna) komt van het Hebreeuwse הוֹשִׁיעָה נָּא (hoshia na), ‘red toch’ (Ps. 118:25). De woorden ‘Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh’ zijn Ps. 118:26; daarom vertalen wij κυρίου (kyriou) als ‘Yahweh’. De woorden ‘en de koning van Israël’ staan niet in de psalm. Wij schrijven ‘Hij’ met hoofdletter, omdat de menigte over Yeshua spreekt. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:9; Mark. 11:9–10. Zie ook: Ps 118:25; Ps 118:26; Mat 21:9; Mar 11:9–10 **12:14** Yeshua vond een jonge ezel en ging erop zitten, zoals geschreven staat: Brontekst: εὑρὼν (heuron) = vindend | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὀνάριον (onarion) = jonge ezel | ἐκάθισεν (ekathisen) = ging zitten | ἐπ’ (ep’) = op | αὐτό (auto) = hem | καθώς (kathos) = zoals | ἐστιν (estin) = het is | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschreven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀνάριον (onarion), ‘jonge ezel’. **12:15** „Wees niet bang, Dochter Sion. Zie, je koning komt, zittend op het veulen van een ezel.” Brontekst: Μὴ (Me) = niet | φοβοῦ (phobou) = wees bang | θυγάτηρ (thygater) = Dochter | Σιών (Sion) = Sion | ἰδοὺ (idou) = zie | ὁ (ho) = de | βασιλεύς (basileus) = koning | σου (sou) = je | ἔρχεται (erchetai) = komt | καθήμενος (kathemenos) = zittend | ἐπὶ (epi) = op | πῶλον (polon) = veulen | ὄνου (onou) = van een ezel Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het citaat volgt Zach. 9:9, maar begint met ‘Wees niet bang’; het Hebreeuws van Zacharia heeft ‘Jubel luid’. Vergelijk Zef. 3:16 en Jes. 40:9, waar ‘wees niet bang’ staat. Het Hebreeuws zegt ‘op een ezel, op een jonge ezel, een jong van ezelinnen’; de Griekse tekst zegt ‘op het veulen van een ezel’. θυγάτηρ Σιών (thygater Sion), ‘Dochter Sion’: zie Matt. 21:5. Voetnoot : Zie ook Matt. 21:4–5. Zie ook: Jes 40:9; Sef 3:16; Zach 9:9; Mat 21:4–5; Mat 21:5 **12:16** Dit begrepen Zijn leerlingen eerst niet. Maar toen Yeshua verheerlijkt was, herinnerden zij zich dat dit over Hem geschreven stond en dat zij dit voor Hem hadden gedaan. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνωσαν (egnosan) = begrepen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | τὸ (to) = het | πρῶτον (proton) = eerst | ἀλλ’ (all’) = maar | ὅτε (hote) = toen | ἐδοξάσθη (edoxasthe) = verheerlijkt werd | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τότε (tote) = toen | ἐμνήσθησαν (emnesthesan) = herinnerden zich | ὅτι (hoti) = dat | ταῦτα (tauta) = dit | ἦν (en) = was | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτῷ (auto) = Hem | γεγραμμένα (gegrammena) = geschreven | καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | ἐποίησαν (epoiesan) = deden zij | αὐτῷ (auto) = voor Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐδοξάσθη (edoxasthe), ‘verheerlijkt werd’: zie vers 23. Zie ook: Joh 12:23 **12:17** Zo getuigde de menigte die bij Hem was toen Hij Lazarus uit het graf riep en hem uit de doden opwekte. Brontekst: ἐμαρτύρει (emartyrei) = getuigde | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ὁ (ho) = die | ὢν (on) = was | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | ὅτε (hote) = toen | τὸν (ton) = de | Λάζαρον (Lazaron) = Lazarus | ἐφώνησεν (ephonesen) = Hij riep | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | μνημείου (mnemeiou) = graf | καὶ (kai) = en | ἤγειρεν (egeiren) = wekte op | αὐτὸν (auton) = hem | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT **12:18** Daarom ging de menigte Hem ook tegemoet: zij hadden gehoord dat Hij dit teken gedaan had. Brontekst: διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | καὶ (kai) = ook | ὑπήντησεν (hypentesen) = ging tegemoet | αὐτῷ (auto) = Hem | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | ὅτι (hoti) = omdat | ἤκουσαν (ekousan) = zij hoorden | τοῦτο (touto) = dit | αὐτὸν (auton) = Hem | πεποιηκέναι (pepoiekenai) = gedaan te hebben | τὸ (to) = het | σημεῖον (semeion) = teken Bron: SBLGNT **12:19** De Farizeeën zeiden dus tegen elkaar: „Zien jullie dat jullie niets bereiken? Kijk, de wereld is Hem achternagelopen!” Brontekst: οἱ (hoi) = de | οὖν (oun) = dus | Φαρισαῖοι (Pharisaioi) = Farizeeën | εἶπαν (eipan) = zeiden | πρὸς (pros) = tot | ἑαυτούς (heautous) = zichzelf | Θεωρεῖτε (Theoreite) = zien jullie | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | ὠφελεῖτε (opheleite) = jullie bereiken | οὐδέν (ouden) = niets | ἴδε (ide) = kijk | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | ὀπίσω (opiso) = achter | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἀπῆλθεν (apelthen) = ging weg Bron: SBLGNT ### Grieken willen Yeshua zien **12:20** Er waren enkele Grieken onder hen die opgingen om zich tijdens het feest neer te buigen. Brontekst: Ἦσαν (Esan) = waren | δὲ (de) = maar | Ἕλληνές (Hellenes) = Grieken | τινες (tines) = enkele | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἀναβαινόντων (anabainonton) = opgaanden | ἵνα (hina) = opdat | προσκυνήσωσιν (proskynesosin) = zij zich neerbuigen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | ἑορτῇ (heorte) = feest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἕλληνες (Hellenes), ‘Grieken’: het Grieks zegt niet of zij Joden of niet-Joden waren. Zij waren naar Jeruzalem gekomen om zich neer te buigen (προσκυνέω, proskyneo; zie Matt. 2:2). Zie ook: Mat 2:2 **12:21** Zij gingen naar Filippus, die uit Betsaïda in Galilea kwam, en vroegen hem: „Heer, wij willen Yeshua zien.” Brontekst: οὗτοι (houtoi) = deze | οὖν (oun) = dus | προσῆλθον (proselthon) = gingen naar | Φιλίππῳ (Philippo) = Filippus | τῷ (to) = die | ἀπὸ (apo) = van | Βηθσαϊδὰ (Bethsaida) = Betsaïda | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | ἠρώτων (eroton) = vroegen | αὐτὸν (auton) = hem | λέγοντες (legontes) = zeggend | Κύριε (Kyrie) = heer | θέλομεν (thelomen) = wij willen | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἰδεῖν (idein) = zien Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan. Ook el-Araj is voorgesteld. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Βηθσαϊδά (Betsaida), ‘Betsaïda’: een plaats bij het meer van Galilea; zie Matt. 11:21. κύριε (kyrie) is hier een beleefde aanspreking van een man; Filippus wordt niet als Heer aangesproken. Zie ook: Mat 11:21 **12:22** Filippus ging het zeggen aan Andreas. Andreas en Filippus gingen het zeggen aan Yeshua. Brontekst: ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | Ἀνδρέᾳ (Andrea) = Andreas | ἔρχεται (erchetai) = komt | Ἀνδρέας (Andreas) = Andreas | καὶ (kai) = en | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zeggen | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ‘Het’ voegt het Nederlands toe: het Grieks heeft geen voorwerp bij ‘zeggen’. **12:23** Yeshua antwoordde hun: **„Het uur is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀποκρίνεται (apokrinetai) = antwoordt | αὐτοῖς (autois) = hun | λέγων (legon) = zeggend | Ἐλήλυθεν (Elelythen) = is gekomen | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | ἵνα (hina) = opdat | δοξασθῇ (doxasthe) = verheerlijkt wordt | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT **12:24** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen. Maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = de | κόκκος (kokkos) = korrel | τοῦ (tou) = van het | σίτου (sitou) = graan | πεσὼν (peson) = gevallen | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | γῆν (gen) = aarde | ἀποθάνῃ (apothane) = sterft | αὐτὸς (autos) = zelf | μόνος (monos) = alleen | μένει (menei) = blijft | ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | ἀποθάνῃ (apothane) = zij sterft | πολὺν (polyn) = veel | καρπὸν (karpon) = vrucht | φέρει (pherei) = draagt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόκκος τοῦ σίτου (kokkos tou sitou), ‘graankorrel’. **12:25** **Wie zijn leven liefheeft, verliest het. En wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot eeuwig leven.** Brontekst: ὁ (ho) = de | φιλῶν (philon) = liefhebbende | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἀπολλύει (apollyei) = verliest | αὐτήν (auten) = het | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | μισῶν (mison) = hatende | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | τούτῳ (touto) = deze | εἰς (eis) = tot | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig | φυλάξει (phylaxei) = zal bewaren | αὐτήν (auten) = het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’. Wij vertalen μισέω (miseo) letterlijk met ‘haten’. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:39; 16:25; Mark. 8:35; Luc. 9:24; 17:33. Zie ook: Mat 10:39; Mat 16:25; Mar 8:35; Luc 9:24; Luc 17:33 **12:26** **Als iemand Mij dient, laat hij Mij volgen. Waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | ἐμοί (emoi) = Mij | τις (tis) = iemand | διακονῇ (diakone) = dient | ἐμοὶ (emoi) = Mij | ἀκολουθείτω (akoloutheito) = laat volgen | καὶ (kai) = en | ὅπου (hopou) = waar | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐκεῖ (ekei) = daar | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | διάκονος (diakonos) = dienaar | ὁ (ho) = de | ἐμὸς (emos) = Mijne | ἔσται (estai) = zal zijn | ἐάν (ean) = als | τις (tis) = iemand | ἐμοὶ (emoi) = Mij | διακονῇ (diakone) = dient | τιμήσει (timesei) = zal eren | αὐτὸν (auton) = hem | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διακονέω (diakoneo), ‘dienen’; διάκονος (diakonos), ‘dienaar’: zoals in Matt. 20:26. Zie ook: Mat 20:26 ### Een stem uit de hemel **12:27** **Nu is Mijn ziel in beroering. Wat zal Ik zeggen? ‘Vader, red Mij uit dit uur’? Maar hierom ben Ik tot dit uur gekomen.** Brontekst: Νῦν (Nyn) = nu | ἡ (he) = de | ψυχή (psyche) = ziel | μου (mou) = Mijn | τετάρακται (tetaraktai) = is in beroering | καὶ (kai) = en | τί (ti) = wat | εἴπω (eipo) = zal Ik zeggen | πάτερ (pater) = Vader | σῶσόν (soson) = red | με (me) = Mij | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = het | ὥρας (horas) = uur | ταύτης (tautes) = dit | ἀλλὰ (alla) = maar | διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | ἦλθον (elthon) = kwam Ik | εἰς (eis) = tot | τὴν (ten) = het | ὥραν (horan) = uur | ταύτην (tauten) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘ziel’: het innerlijk leven, zoals in Matt. 26:38. ταράσσω (tarasso), ‘in beroering brengen’. Het Grieks laat open of ‘Vader, red Mij uit dit uur’ een gebed is of een vraag die Yeshua Zichzelf stelt; wij zetten de woorden tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:38–39; Mark. 14:34–36. Zie ook: Mat 26:38; Mar 14:34–36 **12:28** **Vader, verheerlijk Uw naam.”** Toen kwam er een stem uit de hemel: **„Ik heb verheerlijkt en Ik zal opnieuw verheerlijken.”** Brontekst: πάτερ (pater) = Vader | δόξασόν (doxason) = verheerlijk | σου (sou) = Uw | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | ἦλθεν (elthen) = kwam | οὖν (oun) = dus | φωνὴ (phone) = stem | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | οὐρανοῦ (ouranou) = hemel | Καὶ (Kai) = en | ἐδόξασα (edoxasa) = Ik verheerlijkte | καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = weer | δοξάσω (doxaso) = Ik zal verheerlijken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De stem uit de hemel is de stem van de Vader, vergelijk Matt. 3:17 en 17:5; daarom staat ze rood. Het Grieks geeft bij ‘heb verheerlijkt’ geen voorwerp. δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’. Zie ook: Mat 3:17; Mat 17:5 **12:29** De menigte die erbij stond en het hoorde, zei dat het gedonderd had. Anderen zeiden: „Een engel heeft tot Hem gesproken.” Brontekst: ὁ (ho) = de | οὖν (oun) = dus | ὄχλος (ochlos) = menigte | ὁ (ho) = de | ἑστὼς (hestos) = staande | καὶ (kai) = en | ἀκούσας (akousas) = gehoord hebbend | ἔλεγεν (elegen) = zei | βροντὴν (bronten) = donder | γεγονέναι (gegonenai) = dat was geweest | ἄλλοι (alloi) = anderen | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Ἄγγελος (Angelos) = engel | αὐτῷ (auto) = tot Hem | λελάληκεν (lelaleken) = heeft gesproken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βροντή (bronte), ‘donder’. **12:30** Yeshua antwoordde en zei: **„Deze stem is niet vanwege Mij gekomen, maar vanwege jullie.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐ (Ou) = niet | δι’ (di’) = om | ἐμὲ (eme) = Mij | ἡ (he) = de | φωνὴ (phone) = stem | αὕτη (haute) = deze | γέγονεν (gegonen) = is gekomen | ἀλλὰ (alla) = maar | δι’ (di’) = om | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT **12:31** **Nu is er een oordeel over deze wereld. Nu zal de heerser van deze wereld buiten geworpen worden.** Brontekst: νῦν (nyn) = nu | κρίσις (krisis) = oordeel | ἐστὶν (estin) = is | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | τούτου (toutou) = deze | νῦν (nyn) = nu | ὁ (ho) = de | ἄρχων (archon) = heerser | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | τούτου (toutou) = deze | ἐκβληθήσεται (ekblethesetai) = zal geworpen worden | ἔξω (exo) = buiten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχων (archon), ‘heerser’. ἐκβάλλω (ekballo), ‘uitwerpen’: zoals in Matt. 8:12. Zie ook: Mat 8:12 **12:32** **En Ik zal, als Ik van de aarde verhoogd ben, allen tot Mijzelf trekken.”** Brontekst: κἀγὼ (kago) = en Ik | ἐὰν (ean) = als | ὑψωθῶ (hypsotho) = Ik verhoogd word | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | πάντας (pantas) = allen | ἑλκύσω (helkyso) = zal trekken | πρὸς (pros) = tot | ἐμαυτόν (emauton) = Mijzelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: het woord kan ook ‘omhoogheffen’ en ‘eren’ betekenen. Vers 33 geeft aan dat het over de manier van sterven gaat. Vergelijk Joh. 3:14 en 8:28. Zie ook: Joh 3:14; Joh 8:28; Joh 12:33 **12:33** Dit zei Hij om aan te duiden met wat voor dood Hij zou sterven. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | ἔλεγεν (elegen) = zei Hij | σημαίνων (semainon) = aanduidend | ποίῳ (poio) = met welke | θανάτῳ (thanato) = dood | ἤμελλεν (emellen) = zou Hij | ἀποθνῄσκειν (apothneskein) = sterven Bron: SBLGNT ### De menigte vraagt naar de Mensenzoon **12:34** De menigte antwoordde Hem: „Wij hebben uit de wet gehoord dat de Messias voor eeuwig blijft. En hoe zegt U dat de Mensenzoon verhoogd moet worden? Wie is deze Mensenzoon?” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = Hem | ὁ (ho) = de | ὄχλος (ochlos) = menigte | Ἡμεῖς (Hemeis) = wij | ἠκούσαμεν (ekousamen) = hoorden | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | νόμου (nomou) = wet | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | μένει (menei) = blijft | εἰς (eis) = voor | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | καὶ (kai) = en | πῶς (pos) = hoe | λέγεις (legeis) = zegt U | σὺ (sy) = U | ὅτι (hoti) = dat | δεῖ (dei) = moet | ὑψωθῆναι (hypsothenai) = verhoogd worden | τὸν (ton) = de | υἱὸν (huion) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | οὗτος (houtos) = deze | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Met ‘de wet’ (νόμος, nomos) bedoelen zij de Schrift. Een eeuwig koningschap en priesterschap staat bijvoorbeeld in Ps. 110:4, Dan. 7:14, Jes. 9:6 en Ezech. 37:25. Zie ook: Ps 110:4; Jes 9:6; Ezech 37:25; Dan 7:14 **12:35** Yeshua zei dus tegen hen: **„Nog een korte tijd is het licht onder jullie. Loop zolang jullie het licht hebben, zodat de duisternis jullie niet overmeestert. Wie in de duisternis loopt, weet niet waar hij heen gaat.** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἔτι (Eti) = nog | μικρὸν (mikron) = korte | χρόνον (chronon) = tijd | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἐν (en) = onder | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐστιν (estin) = is | περιπατεῖτε (peripateite) = loop | ὡς (hos) = zolang | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἔχετε (echete) = jullie hebben | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | σκοτία (skotia) = duisternis | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καταλάβῃ (katalabe) = overmeestert | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | περιπατῶν (peripaton) = lopende | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | σκοτίᾳ (skotia) = duisternis | οὐκ (ouk) = niet | οἶδεν (oiden) = weet | ποῦ (pou) = waar | ὑπάγει (hypagei) = hij heen gaat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκοτία (skotia), ‘duisternis’. καταλαμβάνω (katalambano), ‘overmeesteren’: zoals in Joh. 1:5. Het kan ook ‘overvallen’, ‘grijpen’ of ‘begrijpen’ betekenen. Zie ook: Joh 1:5 **12:36** **Geloof in het licht zolang jullie het licht hebben, zodat jullie zonen van het licht worden.”** Dit zei Yeshua. Daarna ging Hij weg en verborg Zich voor hen. Brontekst: ὡς (hos) = zolang | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἔχετε (echete) = jullie hebben | πιστεύετε (pisteuete) = geloof | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | φῶς (phos) = licht | ἵνα (hina) = opdat | υἱοὶ (huioi) = zonen | φωτὸς (photos) = van licht | γένησθε (genesthe) = jullie worden | Ταῦτα (Tauta) = dit | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἀπελθὼν (apelthon) = weggegaan | ἐκρύβη (ekrybe) = verborg Zich | ἀπ’ (ap’) = voor | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: υἱοὶ φωτός (huioi photos), ‘zonen van het licht’: een Hebreeuwse manier van spreken voor mensen die bij het licht horen. ### Het ongeloof van het volk **12:37** Hoewel Hij zoveel tekenen voor hun ogen had gedaan, geloofden zij niet in Hem, Brontekst: τοσαῦτα (tosauta) = zoveel | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hij | σημεῖα (semeia) = tekenen | πεποιηκότος (pepoiekotos) = gedaan hebbend | ἔμπροσθεν (emprosthen) = voor | αὐτῶν (auton) = hen | οὐκ (ouk) = niet | ἐπίστευον (episteuon) = geloofden zij | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **12:38** opdat het woord van de profeet Jesaja vervuld zou worden, dat hij gesproken heeft: „Heer, wie heeft ons bericht geloofd? En aan wie is de arm van Yahweh geopenbaard?” Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | Ἠσαΐου (Esaiou) = van Jesaja | τοῦ (tou) = van de | προφήτου (prophetou) = profeet | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld zou worden | ὃν (hon) = dat | εἶπεν (eipen) = hij zei | Κύριε (Kyrie) = Heer | τίς (tis) = wie | ἐπίστευσεν (episteusen) = geloofde | τῇ (te) = het | ἀκοῇ (akoe) = bericht | ἡμῶν (hemon) = ons | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | βραχίων (brachion) = arm | κυρίου (kyriou) = van Yahweh | τίνι (tini) = aan wie | ἀπεκαλύφθη (apekalyphthe) = werd geopenbaard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 53:1. Het Hebreeuws heeft: ‘Wie heeft ons bericht geloofd? En aan wie is de arm van Yahweh geopenbaard?’ De Griekse tekst heeft vooraan ‘Heer’ (Κύριε); dat staat niet in het Hebreeuws. ἀκοή (akoe), ‘bericht’. Zie ook: Jes 53:1 **12:39** Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw zei: Brontekst: διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | οὐκ (ouk) = niet | ἠδύναντο (edynanto) = konden zij | πιστεύειν (pisteuein) = geloven | ὅτι (hoti) = omdat | πάλιν (palin) = opnieuw | εἶπεν (eipen) = zei | Ἠσαΐας (Esaias) = Jesaja Bron: SBLGNT **12:40** „Hij heeft hun ogen blind gemaakt en hun hart verhard, zodat zij niet met hun ogen zien, niet met hun hart begrijpen en zich niet omkeren, en Ik hen niet genees.” Brontekst: Τετύφλωκεν (Tetyphloken) = Hij heeft blind gemaakt | αὐτῶν (auton) = hun | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | καὶ (kai) = en | ἐπώρωσεν (eporosen) = verhard | αὐτῶν (auton) = hun | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | ἴδωσιν (idosin) = zij zien | τοῖς (tois) = met de | ὀφθαλμοῖς (ophthalmois) = ogen | καὶ (kai) = en | νοήσωσιν (noesosin) = zij begrijpen | τῇ (te) = met het | καρδίᾳ (kardia) = hart | καὶ (kai) = en | στραφῶσιν (straphosin) = zij zich omkeren | καὶ (kai) = en | ἰάσομαι (iasomai) = Ik zal genezen | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Jes. 6:10. Het Hebreeuws is een opdracht aan de profeet: ‘Maak het hart van dit volk vet’, en het slot is ‘en niet genezen wordt’. De Griekse tekst heeft een mededeling in de voltooide tijd: ‘Hij heeft hun ogen blind gemaakt en hun hart verhard’. Het slot ‘en Ik hen genees’ hangt in het Grieks nog af van ‘zodat niet’; daarom vertalen wij ‘en Ik hen niet genees’. De woorden ‘Ik hen niet genees’ spreekt Yahweh; daarom schrijven wij ‘Ik’ met hoofdletter. πωρόω (poroo), ‘verharden’. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:14–15; Mark. 4:12; Luc. 8:10. Zie ook: Jes 6:10; Mat 13:14–15; Mar 4:12; Luc 8:10 **12:41** Dit zei Jesaja omdat hij Zijn heerlijkheid zag, en hij sprak over Hem. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | εἶπεν (eipen) = zei | Ἠσαΐας (Esaias) = Jesaja | ὅτι (hoti) = omdat | εἶδεν (eiden) = hij zag | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Jesaja zag de Heer op de troon (Jes. 6:1–4). Het voornaamwoord αὐτοῦ (‘Zijn’, ‘Hem’) heeft geen duidelijke naam; de samenhang met vers 37–38 wijst op Yeshua. Wij schrijven het met hoofdletter. Zie ook: Jes 6:1–4; Joh 12:37–38 **12:42** Toch geloofden ook velen van de leiders in Hem. Maar vanwege de Farizeeën beleden zij het niet, om niet uit de synagoge gezet te worden. Brontekst: ὅμως (homos) = toch | μέντοι (mentoi) = echter | καὶ (kai) = ook | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἀρχόντων (archonton) = leiders | πολλοὶ (polloi) = velen | ἐπίστευσαν (episteusan) = geloofden | εἰς (eis) = in | αὐτόν (auton) = Hem | ἀλλὰ (alla) = maar | διὰ (dia) = vanwege | τοὺς (tous) = de | Φαρισαίους (Pharisaious) = Farizeeën | οὐχ (ouch) = niet | ὡμολόγουν (homologoun) = beleden zij | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | ἀποσυνάγωγοι (aposynagogoi) = uit de synagoge gezet | γένωνται (genontai) = zij zouden worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’: leden van de Raad en andere bestuurders. ἀποσυνάγωγος (aposynagogos), ‘uit de synagoge gezet’: buitengesloten worden uit de gemeenschap van de synagoge. Voetnoot : Zie ook Joh. 9:22. Zie ook: Joh 9:22 **12:43** Want zij hadden de eer van de mensen meer lief dan de eer van Elohim. Brontekst: ἠγάπησαν (egapesan) = zij hadden lief | γὰρ (gar) = want | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = eer | τῶν (ton) = van de | ἀνθρώπων (anthropon) = mensen | μᾶλλον (mallon) = meer | ἤπερ (eper) = dan | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = eer | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δόξα (doxa) betekent ‘heerlijkheid’ en ‘eer’. In vers 41 schrijven wij ‘heerlijkheid’; hier past ‘eer’ beter. Zie ook: Joh 12:41 ### Yeshua roept uit: Ik ben als licht gekomen **12:44** Yeshua riep uit en zei: **„Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gestuurd heeft.** Brontekst: Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | δὲ (de) = maar | ἔκραξεν (ekraxen) = riep uit | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ὁ (Ho) = de | πιστεύων (pisteuon) = gelovende | εἰς (eis) = in | ἐμὲ (eme) = Mij | οὐ (ou) = niet | πιστεύει (pisteuei) = gelooft | εἰς (eis) = in | ἐμὲ (eme) = Mij | ἀλλὰ (alla) = maar | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | πέμψαντά (pempsanta) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Wij lezen vers 44–50 als woorden van Yeshua (rood), omdat vers 44 zegt: ‘Yeshua riep uit en zei’. Het kan ook dat de evangelist hier de leer van Yeshua samenvat; het Grieks laat dat niet met zekerheid uitmaken. Voetnoot : Vergelijk Matt. 10:40. Zie ook: Mat 10:40 **12:45** **En wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gestuurd heeft.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θεωρῶν (theoron) = ziende | ἐμὲ (eme) = Mij | θεωρεῖ (theorei) = ziet | τὸν (ton) = de | πέμψαντά (pempsanta) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **12:46** **Ik ben als licht in de wereld gekomen, opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | φῶς (phos) = licht | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ἐλήλυθα (elelytha) = ben gekomen | ἵνα (hina) = opdat | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = de | πιστεύων (pisteuon) = gelovende | εἰς (eis) = in | ἐμὲ (eme) = Mij | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | σκοτίᾳ (skotia) = duisternis | μὴ (me) = niet | μείνῃ (meine) = blijft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘Ik, licht, ben in de wereld gekomen’; ‘als’ voegt het Nederlands toe. **12:47** **Als iemand Mijn woorden hoort en ze niet bewaart, oordeel Ik hem niet. Want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐάν (ean) = als | τίς (tis) = iemand | μου (mou) = Mijn | ἀκούσῃ (akouse) = hoort | τῶν (ton) = de | ῥημάτων (rhematon) = woorden | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | φυλάξῃ (phylaxe) = bewaart | ἐγὼ (ego) = Ik | οὐ (ou) = niet | κρίνω (krino) = oordeel | αὐτόν (auton) = hem | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἦλθον (elthon) = kwam Ik | ἵνα (hina) = opdat | κρίνω (krino) = Ik oordeel | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | σώσω (soso) = Ik red | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κρίνω (krino), ‘oordelen’; σῴζω (sozo), ‘redden’. **12:48** **Wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet aanneemt, heeft iemand die hem oordeelt. Het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen op de laatste dag.** Brontekst: ὁ (ho) = de | ἀθετῶν (atheton) = verwerpende | ἐμὲ (eme) = Mij | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | λαμβάνων (lambanon) = aannemende | τὰ (ta) = de | ῥήματά (rhemata) = woorden | μου (mou) = Mijn | ἔχει (echei) = heeft | τὸν (ton) = de | κρίνοντα (krinonta) = oordelende | αὐτόν (auton) = hem | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | ὃν (hon) = dat | ἐλάλησα (elalesa) = Ik sprak | ἐκεῖνος (ekeinos) = dat | κρινεῖ (krinei) = zal oordelen | αὐτὸν (auton) = hem | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἐσχάτῃ (eschate) = laatste | ἡμέρᾳ (hemera) = dag Bron: SBLGNT **12:49** **Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken. Maar de Vader die Mij gestuurd heeft, heeft Zelf Mij een gebod gegeven: wat Ik moet zeggen en wat Ik moet spreken.** Brontekst: ὅτι (hoti) = omdat | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐξ (ex) = uit | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | οὐκ (ouk) = niet | ἐλάλησα (elalesa) = sprak | ἀλλ’ (all’) = maar | ὁ (ho) = de | πέμψας (pempsas) = gestuurd hebbende | με (me) = Mij | πατὴρ (pater) = Vader | αὐτός (autos) = Zelf | μοι (moi) = Mij | ἐντολὴν (entolen) = gebod | δέδωκεν (dedoken) = heeft gegeven | τί (ti) = wat | εἴπω (eipo) = Ik zal zeggen | καὶ (kai) = en | τί (ti) = wat | λαλήσω (laleso) = Ik zal spreken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐντολή (entole), ‘gebod’: een opdracht van de Vader, zoals in 10:18. **12:50** **En Ik weet dat Zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dus spreek, zoals de Vader het Mij gezegd heeft, zo spreek Ik.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | οἶδα (oida) = Ik weet | ὅτι (hoti) = dat | ἡ (he) = het | ἐντολὴ (entole) = gebod | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ζωὴ (zoe) = leven | αἰώνιός (aionios) = eeuwig | ἐστιν (estin) = is | ἃ (ha) = wat | οὖν (oun) = dus | ἐγὼ (ego) = Ik | λαλῶ (lalo) = spreek | καθὼς (kathos) = zoals | εἴρηκέν (eireken) = gezegd heeft | μοι (moi) = Mij | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | οὕτως (houtos) = zo | λαλῶ (lalo) = Ik spreek Bron: SBLGNT ## Johannes 13 _De voetwassing, de aankondiging van de overlevering en het nieuwe gebod_ ### De voetwassing **13:1** Vóór het Pesachfeest wist Yeshua dat Zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader. Hij had de Zijnen die in de wereld waren, liefgehad, en had hen lief tot het einde. Brontekst: Πρὸ (Pro) = vóór | δὲ (de) = maar | τῆς (tes) = het | ἑορτῆς (heortes) = feest | τοῦ (tou) = van het | πάσχα (pascha) = Pesach | εἰδὼς (eidos) = wetend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | ἦλθεν (elthen) = gekomen was | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | ἵνα (hina) = opdat | μεταβῇ (metabe) = Hij zou overgaan | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | τούτου (toutou) = deze | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | ἀγαπήσας (agapesas) = liefgehad hebbend | τοὺς (tous) = de | ἰδίους (idious) = Zijnen | τοὺς (tous) = die | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | εἰς (eis) = tot | τέλος (telos) = einde | ἠγάπησεν (egapesen) = had lief | αὐτούς (autous) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πάσχα (pascha), ‘Pesach’. Het Grieks zegt dat dit gebeurt ‘vóór het feest van het Pesach’. In Matt. 26:17–20 en Mark. 14:12–17 is dit maal het Pesach-maal zelf. Hoe de verhalen zich tot elkaar verhouden, is niet zeker; zie ook Joh. 18:28 en 19:14. Voetnoot : ὥρα (hora), ‘uur’: het bepaalde tijdstip. Zie ook Joh. 17:1, waar Yeshua zegt dat het uur gekomen is. Voetnoot : οἱ ἴδιοι (hoi idioi), ‘de Zijnen’: letterlijk ‘de eigen mensen’; het gaat hier om de leerlingen met wie Hij aan tafel ligt. Vergelijk Joh. 1:11. Voetnoot : εἰς τέλος (eis telos), ‘tot het einde’: τέλος kan ook ‘uiterste’ betekenen; het Grieks laat beide toe. Zie ook: Mat 26:17–20; Mar 14:12–17; Joh 1:11; Joh 17:1; Joh 18:28; Joh 19:14 **13:2** Tijdens een maaltijd had de duivel al in het hart gelegd dat Judas, de zoon van Simon Iskariot, Hem zou overleveren. Brontekst: καὶ (kai) = en | δείπνου (deipnou) = maaltijd | γινομένου (ginomenou) = gebeurend | τοῦ (tou) = de | διαβόλου (diabolou) = duivel | ἤδη (ede) = al | βεβληκότος (beblekotos) = gelegd hebbend | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart | ἵνα (hina) = dat | παραδοῖ (paradoi) = zou overleveren | αὐτὸν (auton) = Hem | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | Ἰσκαριώτου (Iskariotou) = Iskariot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διάβολος (diabolos), ‘duivel’: zie Matt. 4:1. Voetnoot : Het Grieks heeft ‘Judas van Simon Iskariot’. Wij vullen ‘de zoon’ aan; ‘Iskariot’ staat in het Grieks bij Simon, zoals ook in 13:26 en Joh. 6:71. Het Grieks noemt niet van wie het hart is. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben γενομένου (genomenou), ‘toen een maaltijd gekomen was’; wij volgen de SBLGNT: γινομένου (ginomenou), ‘tijdens een maaltijd’. Zie ook: Mat 4:1; Joh 6:71 **13:3** Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven, en dat Hij van Elohim was uitgegaan en naar Elohim heenging. Brontekst: εἰδὼς (eidos) = wetend | ὅτι (hoti) = dat | πάντα (panta) = alles | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτῷ (auto) = Hem | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | εἰς (eis) = in | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | καὶ (kai) = en | ὅτι (hoti) = dat | ἀπὸ (apo) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐξῆλθεν (exelthen) = uitging | καὶ (kai) = en | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | θεὸν (theon) = Elohim | ὑπάγει (hypagei) = heenging Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπάγω (hypago), ‘heengaan’: dit woord staat voor het weggaan van Yeshua in 13:3, 13:33, 13:36, 14:4–5 en 14:28. πορεύομαι (poreuomai), ‘gaan’, staat in 14:2–3, 14:12 en 14:28. **13:4** Hij stond op van de maaltijd, legde Zijn kleren neer, nam een handdoek en bond die om Zich heen. Brontekst: ἐγείρεται (egeiretai) = staat op | ἐκ (ek) = van | τοῦ (tou) = de | δείπνου (deipnou) = maaltijd | καὶ (kai) = en | τίθησιν (tithesin) = legt neer | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | καὶ (kai) = en | λαβὼν (labon) = nemend | λέντιον (lention) = handdoek | διέζωσεν (diezosen) = bond om | ἑαυτόν (heauton) = Zich Bron: SBLGNT **13:5** Daarna goot Hij water in de waskom. Hij begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze af te drogen met de handdoek waarmee Hij Zich omgord had. Brontekst: εἶτα (eita) = daarna | βάλλει (ballei) = goot | ὕδωρ (hydor) = water | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | νιπτῆρα (niptera) = waskom | καὶ (kai) = en | ἤρξατο (erxato) = begon | νίπτειν (niptein) = te wassen | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | καὶ (kai) = en | ἐκμάσσειν (ekmassein) = af te drogen | τῷ (to) = met de | λεντίῳ (lentio) = handdoek | ᾧ (ho) = waarmee | ἦν (en) = was | διεζωσμένος (diezosmenos) = omgord Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: νιπτήρ (nipter), ‘waskom’. νίπτω (nipto), ‘wassen’: het wassen van een deel van het lichaam, zoals de voeten of de handen. Voetnoot : Voeten wassen was dienstwerk; vergelijk 1 Sam. 25:41, waar Abigaïl zich een dienares noemt om de voeten van de dienaren van haar heer te wassen. Zie ook Luc. 22:24–27. Zie ook: 1 Sam 25:41; Luc 22:24–27 **13:6** Hij kwam dus bij Simon Petrus. Die zei tegen Hem: „Heer, wast U mijn voeten?” Brontekst: ἔρχεται (erchetai) = komt | οὖν (oun) = dus | πρὸς (pros) = naar | Σίμωνα (Simona) = Simon | Πέτρον (Petron) = Petrus | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | σύ (sy) = U | μου (mou) = mijn | νίπτεις (nipteis) = wast | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριος (kyrios), ‘Heer’: als aanspreking van Yeshua schrijven wij ‘Heer’ met een hoofdletter. Een meester of eigenaar heet ‘heer’ met een kleine letter, zoals in 13:16. **13:7** Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar later zul je het begrijpen.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ὃ (Ho) = wat | ἐγὼ (ego) = Ik | ποιῶ (poio) = doe | σὺ (sy) = jij | οὐκ (ouk) = niet | οἶδας (oidas) = weet | ἄρτι (arti) = nu | γνώσῃ (gnose) = je zult begrijpen | δὲ (de) = maar | μετὰ (meta) = na | ταῦτα (tauta) = dit Bron: SBLGNT **13:8** Petrus zei tegen Hem: „U zult mijn voeten nooit wassen!” Yeshua antwoordde hem: **„Als Ik je niet was, heb je geen deel aan Mij.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Πέτρος (Petros) = Petrus | Οὐ (Ou) = niet | μὴ (me) = beslist | νίψῃς (nipses) = zult wassen | μου (mou) = mijn | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | αὐτῷ (auto) = hem | Ἐὰν (Ean) = als | μὴ (me) = niet | νίψω (nipso) = Ik was | σε (se) = je | οὐκ (ouk) = niet | ἔχεις (echeis) = heb je | μέρος (meros) = deel | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οὐ μὴ … εἰς τὸν αἰῶνα (ou me … eis ton aiona), ‘beslist niet … tot in eeuwigheid’: wij geven het weer met ‘nooit’. Voetnoot : μέρος μετ’ ἐμοῦ (meros met’ emou), ‘deel met Mij’: wij geven het weer met ‘deel aan Mij’. **13:9** Simon Petrus zei tegen Hem: „Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | Κύριε (Kyrie) = Heer | μὴ (me) = niet | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | μου (mou) = mijn | μόνον (monon) = alleen | ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = het | κεφαλήν (kephalen) = hoofd Bron: SBLGNT **13:10** Yeshua zei tegen hem: **„Wie gebaad is, heeft niets nodig, behalve zijn voeten te wassen. Maar hij is helemaal rein. En jullie zijn rein, maar niet allemaal.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ὁ (Ho) = wie | λελουμένος (leloumenos) = gebaad is | οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft | χρείαν (chreian) = nodig | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | νίψασθαι (nipsasthai) = te wassen | ἀλλ’ (all’) = maar | ἔστιν (estin) = is | καθαρὸς (katharos) = rein | ὅλος (holos) = helemaal | καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | καθαροί (katharoi) = rein | ἐστε (este) = zijn | ἀλλ’ (all’) = maar | οὐχὶ (ouchi) = niet | πάντες (pantes) = allen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λούω (louo), ‘baden’, en νίπτω (nipto), ‘wassen’: het eerste gaat over het hele lichaam, het tweede over een deel ervan, zoals de voeten. Voetnoot : καθαρός (katharos), ‘rein’: hetzelfde woord als in 15:3. **13:11** Want Hij wist wie Hem overleverde. Daarom zei Hij: **„Niet allemaal zijn jullie rein.”** Brontekst: ᾔδει (edei) = wist | γὰρ (gar) = want | τὸν (ton) = degene | παραδιδόντα (paradidonta) = die overleverde | αὐτόν (auton) = Hem | διὰ (dia) = daarom | τοῦτο (touto) = dit | εἶπεν (eipen) = zei | ὅτι (hoti) = dat | Οὐχὶ (Ouchi) = niet | πάντες (pantes) = allen | καθαροί (katharoi) = rein | ἐστε (este) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: zoals in Matt. 26:2. Zie ook Joh. 6:64 en 6:70–71. Zie ook: Mat 26:2; Joh 6:64; Joh 6:70 ### Een voorbeeld voor de leerlingen **13:12** Nadat Hij hun voeten had gewassen en Zijn kleren had genomen, ging Hij aan tafel liggen. Hij zei weer tegen hen: **„Begrijpen jullie wat Ik voor jullie gedaan heb?** Brontekst: Ὅτε (Hote) = toen | οὖν (oun) = dus | ἔνιψεν (enipsen) = had gewassen | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | αὐτῶν (auton) = hun | καὶ (kai) = en | ἔλαβεν (elaben) = nam | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἀνέπεσεν (anepesen) = ging aan tafel liggen | πάλιν (palin) = weer | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tegen hen | Γινώσκετε (Ginoskete) = begrijpen jullie | τί (ti) = wat | πεποίηκα (pepoieka) = Ik gedaan heb | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνέπεσεν (anepesen), ‘ging aan tafel liggen’: bij een maaltijd lag men op een rustbank. γινώσκω (ginosko), ‘begrijpen’: het gaat om inzicht in wat Hij gedaan heeft. **13:13** **Jullie noemen Mij ‘Leraar’ en ‘Heer’, en jullie zeggen dat terecht, want dat ben Ik.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | φωνεῖτέ (phoneite) = noemen | με (me) = Mij | Ὁ (Ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = Leraar | καὶ (kai) = en | Ὁ (Ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | καὶ (kai) = en | καλῶς (kalos) = terecht | λέγετε (legete) = zeggen jullie | εἰμὶ (eimi) = ben Ik | γάρ (gar) = want Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’, en κύριος (kyrios), ‘Heer’: beide woorden zijn hier titels voor Yeshua. Zie ook 13:6. **13:14** **Als Ik dan, de Heer en de leraar, jullie voeten heb gewassen, dan moeten ook jullie elkaars voeten wassen.** Brontekst: εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | ἐγὼ (ego) = Ik | ἔνιψα (enipsa) = heb gewassen | ὑμῶν (hymon) = jullie | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = Heer | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | διδάσκαλος (didaskalos) = leraar | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὀφείλετε (opheilete) = moeten | ἀλλήλων (allelon) = elkaar | νίπτειν (niptein) = wassen | τοὺς (tous) = de | πόδας (podas) = voeten Bron: SBLGNT **13:15** **Want Ik heb jullie een voorbeeld gegeven, opdat ook jullie doen zoals Ik voor jullie gedaan heb.** Brontekst: ὑπόδειγμα (hypodeigma) = voorbeeld | γὰρ (gar) = want | ἔδωκα (edoka) = Ik heb gegeven | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | καθὼς (kathos) = zoals | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐποίησα (epoiesa) = heb gedaan | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ποιῆτε (poiete) = doen Bron: SBLGNT **13:16** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: een knecht is niet groter dan zijn heer, en een apostel is niet groter dan degene die hem gestuurd heeft.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | δοῦλος (doulos) = knecht | μείζων (meizon) = groter | τοῦ (tou) = dan de | κυρίου (kyriou) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | οὐδὲ (oude) = ook niet | ἀπόστολος (apostolos) = apostel | μείζων (meizon) = groter | τοῦ (tou) = dan de | πέμψαντος (pempsantos) = gestuurd hebbende | αὐτόν (auton) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand in dienst van een heer. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: letterlijk ‘gezondene’; het woord staat hier bij πέμψαντος (pempsantos), ‘degene die gestuurd heeft’. Wij vertalen πέμπω (pempo) met ‘sturen’, zoals in Matteüs. Voetnoot : Zie ook Matt. 10:24–25; Luc. 6:40; Joh. 15:20. Zie ook: Mat 10:24–25; Luc 6:40; Joh 15:20 **13:17** **Als jullie dit weten, zijn jullie gelukkig als jullie het doen.** Brontekst: εἰ (ei) = als | ταῦτα (tauta) = dit | οἴδατε (oidate) = jullie weten | μακάριοί (makarioi) = gelukkig | ἐστε (este) = zijn jullie | ἐὰν (ean) = als | ποιῆτε (poiete) = jullie doen | αὐτά (auta) = het Bron: SBLGNT **13:18** **Ik heb het niet over jullie allemaal. Ik weet wie Ik uitgekozen heb. Maar dit gebeurt opdat de Schrift vervuld wordt: ‘Wie Mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij geheven.’** Brontekst: οὐ (ou) = niet | περὶ (peri) = over | πάντων (panton) = allen | ὑμῶν (hymon) = jullie | λέγω (lego) = Ik spreek | ἐγὼ (ego) = Ik | οἶδα (oida) = weet | τίνας (tinas) = wie | ἐξελεξάμην (exelexamen) = Ik heb uitgekozen | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | ἡ (he) = de | γραφὴ (graphe) = Schrift | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | Ὁ (Ho) = wie | τρώγων (trogon) = eet | μου (mou) = Mijn | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | ἐπῆρεν (eperen) = heeft geheven | ἐπ’ (ep’) = tegen | ἐμὲ (eme) = Mij | τὴν (ten) = de | πτέρναν (pternan) = hiel | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat is Ps. 41:10 (NL 41:9). Het Hebreeuws heeft ‘heeft de hiel groot gemaakt tegen mij’ en noemt ook ‘op wie ik vertrouwde’; de Griekse tekst heeft ‘heeft zijn hiel tegen Mij geheven’. Voetnoot : ἀλλ’ ἵνα (all’ hina), ‘maar opdat’: het Grieks heeft hier geen werkwoord; wij vullen ‘dit gebeurt’ aan. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:23–24; Mark. 14:18–21. Zie ook: Ps 41:10; Mat 26:23–24; Mar 14:18–21 **13:19** **Vanaf nu zeg Ik het jullie, voordat het gebeurt, zodat jullie, wanneer het gebeurt, geloven dat Ik het ben.** Brontekst: ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἄρτι (arti) = nu | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | πρὸ (pro) = voordat | τοῦ (tou) = het | γενέσθαι (genesthai) = gebeurt | ἵνα (hina) = opdat | πιστεύσητε (pisteusete) = jullie geloven | ὅταν (hotan) = wanneer | γένηται (genetai) = het gebeurt | ὅτι (hoti) = dat | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben het Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘Ik ben het’: letterlijk ‘Ik ben’; het staat hier zonder vervolg. Vergelijk Exod. 3:14 (‘Ik ben die Ik ben’) en Jes. 43:10 (‘Ik ben Hij’). Voetnoot : Het Grieks heeft bij ‘zeg Ik’ geen voorwerp; wij vullen ‘het’ aan. Zie ook: Ex 3:14; Jes 43:10 **13:20** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: wie iemand ontvangt die Ik stuur, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gestuurd heeft.”** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὁ (ho) = wie | λαμβάνων (lambanon) = ontvangt | ἄν (an) = wie ook | τινα (tina) = iemand | πέμψω (pempso) = Ik stuur | ἐμὲ (eme) = Mij | λαμβάνει (lambanei) = ontvangt | ὁ (ho) = wie | δὲ (de) = maar | ἐμὲ (eme) = Mij | λαμβάνων (lambanon) = ontvangt | λαμβάνει (lambanei) = ontvangt | τὸν (ton) = degene | πέμψαντά (pempsanta) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 10:40; Luc. 10:16. Zie ook: Mat 10:40; Luc 10:16 ### Yeshua kondigt de overlevering aan **13:21** Nadat Yeshua dit gezegd had, werd Hij verontrust in Zijn geest. Hij getuigde en zei: **„Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: een van jullie zal Mij overleveren.”** Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = dit | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐταράχθη (etarachthe) = werd verontrust | τῷ (to) = in de | πνεύματι (pneumati) = geest | καὶ (kai) = en | ἐμαρτύρησεν (emartyresen) = getuigde | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Ἀμὴν (Amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | εἷς (heis) = een | ἐξ (ex) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie | παραδώσει (paradosei) = zal overleveren | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ταράσσω (tarasso), ‘verontrust zijn’: hetzelfde woord als in 14:1 en 14:27. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:21–25; Mark. 14:18–21; Luc. 22:21–23. Zie ook: Mat 26:21–25; Mar 14:18–21; Luc 22:21–23 **13:22** De leerlingen keken elkaar aan, in verwarring over wie Hij sprak. Brontekst: ἔβλεπον (eblepon) = keken | εἰς (eis) = naar | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἀπορούμενοι (aporoumenoi) = in verwarring | περὶ (peri) = over | τίνος (tinos) = wie | λέγει (legei) = Hij spreekt Bron: SBLGNT **13:23** Een van Zijn leerlingen, degene die Yeshua liefhad, lag aan tafel in de schoot van Yeshua. Brontekst: ἦν (en) = was | ἀνακείμενος (anakeimenos) = aan tafel liggend | εἷς (heis) = een | ἐκ (ek) = van | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κόλπῳ (kolpo) = schoot | τοῦ (tou) = van | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ὃν (hon) = die | ἠγάπα (egapa) = liefhad | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κόλπος (kolpos), ‘schoot’: bij een maaltijd lag men schuin op een rustbank, zodat het hoofd van de een dicht bij de borst van de ander kwam (zie 13:25). Vergelijk Joh. 1:18. Voetnoot : De leerling die Yeshua liefhad, wordt hier niet bij naam genoemd. Zie ook Joh. 19:26; 20:2; 21:7 en 21:20. Zie ook: Joh 1:18; Joh 19:26; Joh 20:2; Joh 21:7; Joh 21:20 **13:24** Simon Petrus wenkte hem daarom om te vragen wie het zou zijn over wie Hij sprak. Brontekst: νεύει (neuei) = wenkt | οὖν (oun) = dus | τούτῳ (touto) = hem | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | πυθέσθαι (pythesthai) = te vragen | τίς (tis) = wie | ἂν (an) = zou | εἴη (eie) = zijn | περὶ (peri) = over | οὗ (hou) = wie | λέγει (legei) = Hij spreekt Bron: SBLGNT **13:25** Die leunde zo achterover tegen de borst van Yeshua en zei tegen Hem: „Heer, wie is het?” Brontekst: ἀναπεσὼν (anapeson) = achterover leunend | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | οὕτως (houtos) = zo | ἐπὶ (epi) = tegen | τὸ (to) = de | στῆθος (stethos) = borst | τοῦ (tou) = van | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **13:26** Yeshua antwoordde: **„Degene voor wie Ik het stuk brood indoop en aan wie Ik het geef, die is het.”** Toen doopte Hij het stuk brood in en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. Brontekst: ἀποκρίνεται (apokrinetai) = antwoordt | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐκεῖνός (Ekeinos) = die | ἐστιν (estin) = is | ᾧ (ho) = voor wie | ἐγὼ (ego) = Ik | βάψω (bapso) = zal indopen | τὸ (to) = het | ψωμίον (psomion) = stuk brood | καὶ (kai) = en | δώσω (doso) = zal geven | αὐτῷ (auto) = aan hem | βάψας (bapsas) = indoopte | οὖν (oun) = toen | τὸ (to) = het | ψωμίον (psomion) = stuk brood | δίδωσιν (didosin) = geeft | Ἰούδᾳ (Iouda) = aan Judas | Σίμωνος (Simonos) = van Simon | Ἰσκαριώτου (Iskariotou) = Iskariot Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψωμίον (psomion), ‘stuk brood’: een klein stuk brood, dat in de schotel gedoopt werd. Zie ook Matt. 26:23. Zie ook: Mat 26:23 **13:27** Na het stuk brood ging Satan toen in hem. Yeshua zei dus tegen hem: **„Wat je doet, doe dat sneller.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | μετὰ (meta) = na | τὸ (to) = het | ψωμίον (psomion) = stuk brood | τότε (tote) = toen | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging | εἰς (eis) = in | ἐκεῖνον (ekeinon) = hem | ὁ (ho) = de | Σατανᾶς (Satanas) = Satan | λέγει (legei) = zegt | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ὃ (Ho) = wat | ποιεῖς (poieis) = je doet | ποίησον (poieson) = doe | τάχιον (tachion) = sneller Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: van het Hebreeuwse שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’; zie Matt. 4:10. Voetnoot : τάχιον (tachion) is een vergrotende trap: ‘sneller’ of ‘eerder’. Wij vertalen ‘sneller’. Zie ook: Mat 4:10 **13:28** Niemand van hen die aan tafel lagen, begreep waarom Hij dit tegen hem zei. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἔγνω (egno) = begreep | τῶν (ton) = van | ἀνακειμένων (anakeimenon) = die aan tafel lagen | πρὸς (pros) = met het oog op | τί (ti) = wat | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem Bron: SBLGNT **13:29** Sommigen dachten namelijk, omdat Judas de geldkist had, dat Yeshua tegen hem zei: „Koop wat wij nodig hebben voor het feest.” Of dat hij de armen iets moest geven. Brontekst: τινὲς (tines) = sommigen | γὰρ (gar) = want | ἐδόκουν (edokoun) = dachten | ἐπεὶ (epei) = omdat | τὸ (to) = de | γλωσσόκομον (glossokomon) = geldkist | εἶχεν (eichen) = had | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | ὅτι (hoti) = dat | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀγόρασον (Agorason) = koop | ὧν (hon) = wat | χρείαν (chreian) = nodig | ἔχομεν (echomen) = wij hebben | εἰς (eis) = voor | τὴν (ten) = het | ἑορτήν (heorten) = feest | ἢ (e) = of | τοῖς (tois) = aan de | πτωχοῖς (ptochois) = armen | ἵνα (hina) = dat | τι (ti) = iets | δῷ (do) = hij geeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γλωσσόκομον (glossokomon), ‘geldkist’: zie ook Joh. 12:6. Voetnoot : Wat de leerlingen zich bij Yeshua’s woorden voorstelden, zetten wij zwart: het zijn geen woorden die Hij zelf zei. Zie ook: Joh 12:6 **13:30** Toen hij het stuk brood genomen had, ging hij meteen naar buiten. Het was nacht. Brontekst: λαβὼν (labon) = nemend | οὖν (oun) = dus | τὸ (to) = het | ψωμίον (psomion) = stuk brood | ἐκεῖνος (ekeinos) = hij | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging naar buiten | εὐθύς (euthys) = meteen | ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | νύξ (nyx) = nacht Bron: SBLGNT ### Het heengaan van Yeshua en het nieuwe gebod **13:31** Toen hij naar buiten was gegaan, zei Yeshua: **„Nu is de Mensenzoon verheerlijkt, en Elohim is in Hem verheerlijkt.** Brontekst: Ὅτε (Hote) = toen | οὖν (oun) = dus | ἐξῆλθεν (exelthen) = hij naar buiten ging | λέγει (legei) = zegt | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Νῦν (Nyn) = nu | ἐδοξάσθη (edoxasthe) = is verheerlijkt | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = mens | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐδοξάσθη (edoxasthe) = is verheerlijkt | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: eer geven en laten zien wie iemand is. Het woord staat in 13:31–32 vijf keer; wij vertalen het overal zo. **13:32** **Als Elohim in Hem verheerlijkt is, zal Elohim ook Hem in Zichzelf verheerlijken, en Hij zal Hem meteen verheerlijken.** Brontekst: εἰ (ei) = als | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | ἐδοξάσθη (edoxasthe) = is verheerlijkt | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = Hem | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | θεὸς (theos) = Elohim | δοξάσει (doxasei) = zal verheerlijken | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐν (en) = in | αὑτῷ (hauto) = Zichzelf | καὶ (kai) = en | εὐθὺς (euthys) = meteen | δοξάσει (doxasei) = zal verheerlijken | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT **13:33** **Kinderen, nog even ben Ik bij jullie. Jullie zullen Mij zoeken. En zoals Ik tegen de Joden zei: ‘Waar Ik heen ga, kunnen jullie niet komen’, zo zeg Ik het nu ook tegen jullie.** Brontekst: τεκνία (teknia) = kinderen | ἔτι (eti) = nog | μικρὸν (mikron) = even | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰμι (eimi) = ben Ik | ζητήσετέ (zetesete) = jullie zullen zoeken | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | καθὼς (kathos) = zoals | εἶπον (eipon) = Ik zei | τοῖς (tois) = aan de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | ὅτι (hoti) = dat | Ὅπου (Hopou) = waar | ἐγὼ (ego) = Ik | ὑπάγω (hypago) = heen ga | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = kunnen | ἐλθεῖν (elthein) = komen | καὶ (kai) = ook | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | λέγω (lego) = zeg Ik | ἄρτι (arti) = nu Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τεκνία (teknia), ‘kinderen’: een liefdevolle aanspreking in verkleinvorm. Voetnoot : Voor de woorden aan de Joden zie Joh. 7:33–34 en 8:21. Zie ook: Joh 7:33–34; Joh 8:21 **13:34** **Een nieuw gebod geef Ik jullie: dat jullie elkaar liefhebben. Zoals Ik jullie heb liefgehad, zo moeten ook jullie elkaar liefhebben.** Brontekst: ἐντολὴν (entolen) = gebod | καινὴν (kainen) = nieuw | δίδωμι (didomi) = geef Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | ἀγαπᾶτε (agapate) = jullie liefhebben | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | καθὼς (kathos) = zoals | ἠγάπησα (egapesa) = Ik heb liefgehad | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἀγαπᾶτε (agapate) = liefhebben | ἀλλήλους (allelous) = elkaar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’. Het gebod om de naaste lief te hebben staat al in Lev. 19:18; hier is de maat ‘zoals Ik jullie heb liefgehad’. Zie ook Joh. 15:12. Voetnoot : De tweede ἵνα (hina) geven wij weer met ‘zo moeten ook jullie’. Zie ook: Lev 19:18; Joh 15:12 **13:35** **Hieraan zullen allen weten dat jullie Mijn leerlingen zijn: als jullie liefde voor elkaar hebben.”** Brontekst: ἐν (en) = in | τούτῳ (touto) = dit | γνώσονται (gnosontai) = zullen weten | πάντες (pantes) = allen | ὅτι (hoti) = dat | ἐμοὶ (emoi) = Mijn | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | ἐστε (este) = jullie zijn | ἐὰν (ean) = als | ἀγάπην (agapen) = liefde | ἔχητε (echete) = jullie hebben | ἐν (en) = onder | ἀλλήλοις (allelois) = elkaar Bron: SBLGNT ### Yeshua kondigt de ontkenning door Petrus aan **13:36** Simon Petrus zei tegen Hem: „Heer, waar gaat U heen?” Yeshua antwoordde: **„Waar Ik heen ga, kun je Mij nu niet volgen. Maar later zul je volgen.”** Brontekst: Λέγει (Legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | Κύριε (Kyrie) = Heer | ποῦ (pou) = waar | ὑπάγεις (hypageis) = gaat U heen | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ὅπου (Hopou) = waar | ὑπάγω (hypago) = Ik heen ga | οὐ (ou) = niet | δύνασαί (dynasai) = kun je | μοι (moi) = Mij | νῦν (nyn) = nu | ἀκολουθῆσαι (akolouthesai) = volgen | ἀκολουθήσεις (akoloutheseis) = je zult volgen | δὲ (de) = maar | ὕστερον (hysteron) = later Bron: SBLGNT **13:37** Petrus zei tegen Hem: „Heer, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U neerleggen.” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | Κύριε (Kyrie) = Heer | διὰ (dia) = om | τί (ti) = wat | οὐ (ou) = niet | δύναμαί (dynamai) = kan ik | σοι (soi) = U | ἀκολουθῆσαι (akolouthesai) = volgen | ἄρτι (arti) = nu | τὴν (ten) = het | ψυχήν (psychen) = leven | μου (mou) = mijn | ὑπὲρ (hyper) = voor | σοῦ (sou) = U | θήσω (theso) = zal neerleggen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’: het leven, de persoon zelf; zie ook Matt. 16:25. τίθημι (tithemi), ‘neerleggen’: hetzelfde woord als in 15:13; zie ook Joh. 10:11, 10:15 en 10:17. Zie ook: Mat 16:25; Joh 10:11; Joh 10:15; Joh 10:17 **13:38** Yeshua antwoordde: **„Je leven zul je voor Mij neerleggen? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: de haan zal beslist niet kraaien voordat je Mij drie keer ontkend hebt.** Brontekst: ἀποκρίνεται (apokrinetai) = antwoordt | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Τὴν (Ten) = het | ψυχήν (psychen) = leven | σου (sou) = je | ὑπὲρ (hyper) = voor | ἐμοῦ (emou) = Mij | θήσεις (theseis) = zul je neerleggen | ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | σοι (soi) = je | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = beslist | ἀλέκτωρ (alektor) = haan | φωνήσῃ (phonese) = kraait | ἕως (heos) = totdat | οὗ (hou) = wanneer | ἀρνήσῃ (arnese) = je ontkent | με (me) = Mij | τρίς (tris) = drie keer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρνέομαι (arneomai), ‘ontkennen’: in Matt. 26:34 staat de verwante vorm ἀπαρνέομαι (aparneomai), ‘verloochenen’. Zie ook Matt. 26:33–35; Mark. 14:29–31; Luc. 22:31–34. Voetnoot : Yeshua’s woorden lopen zonder onderbreking door in Joh. 14:1–4. Zie ook: Mat 26:33–35; Mat 26:34; Mar 14:29–31; Luc 22:31–34; Joh 14:1–4 ## Johannes 14 _Yeshua is de weg naar de Vader en belooft de Helper_ ### Yeshua gaat een plaats voor Zijn leerlingen klaarmaken **14:1** **Laat jullie hart niet verontrust zijn. Geloof in Elohim, en geloof ook in Mij.** Brontekst: Μὴ (Me) = niet | ταρασσέσθω (tarassestho) = laat verontrust zijn | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | πιστεύετε (pisteuete) = geloof | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | ἐμὲ (eme) = Mij | πιστεύετε (pisteuete) = geloof Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πιστεύετε (pisteuete), ‘geloof’: de vorm kan een bevel zijn of een vaststelling (‘jullie geloven’). Wij lezen beide keren een bevel. **14:2** **In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen. Zo niet, dan zou Ik jullie gezegd hebben dat Ik ga om een plaats voor jullie klaar te maken.** Brontekst: ἐν (en) = in | τῇ (te) = het | οἰκίᾳ (oikia) = huis | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | μοναὶ (monai) = woningen | πολλαί (pollai) = veel | εἰσιν (eisin) = zijn | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μή (me) = niet | εἶπον (eipon) = zou gezegd hebben | ἂν (an) = zou | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | πορεύομαι (poreuomai) = Ik ga | ἑτοιμάσαι (hetoimasai) = om klaar te maken | τόπον (topon) = plaats | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μονή (mone), ‘woning’: van μένω (meno), ‘blijven’; zie ook 14:23 en 15:4. Voetnoot : ὅτι (hoti) kan ‘dat’ of ‘want’ betekenen. Wij lezen ‘dat’: ‘zou Ik jullie gezegd hebben dat Ik ga …’. Bij ‘want’ luidt de zin: ‘Zo niet, dan had Ik het jullie gezegd, want Ik ga om een plaats voor jullie klaar te maken.’ **14:3** **En als Ik ga en een plaats voor jullie klaarmaak, kom Ik weer. Dan zal Ik jullie tot Mij nemen, zodat ook jullie zijn waar Ik ben.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐὰν (ean) = als | πορευθῶ (poreutho) = Ik ga | καὶ (kai) = en | ἑτοιμάσω (hetoimaso) = klaarmaak | τόπον (topon) = plaats | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | πάλιν (palin) = weer | ἔρχομαι (erchomai) = kom Ik | καὶ (kai) = en | παραλήμψομαι (paralempsomai) = zal Ik nemen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | πρὸς (pros) = tot | ἐμαυτόν (emauton) = Mijzelf | ἵνα (hina) = opdat | ὅπου (hopou) = waar | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐγὼ (ego) = Ik | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἦτε (ete) = zijn Bron: SBLGNT **14:4** **En waar Ik heen ga, kennen jullie de weg.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅπου (hopou) = waar | ἐγὼ (ego) = Ik | ὑπάγω (hypago) = heen ga | οἴδατε (oidate) = kennen jullie | τὴν (ten) = de | ὁδόν (hodon) = weg Bron: SBLGNT ### De weg naar de Vader **14:5** Tomas zei tegen Hem: „Heer, wij weten niet waar U heen gaat. Hoe kunnen wij de weg kennen?” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Θωμᾶς (Thomas) = Tomas | Κύριε (Kyrie) = Heer | οὐκ (ouk) = niet | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | ποῦ (pou) = waar | ὑπάγεις (hypageis) = U heen gaat | πῶς (pos) = hoe | δυνάμεθα (dynametha) = kunnen wij | τὴν (ten) = de | ὁδὸν (hodon) = weg | εἰδέναι (eidenai) = kennen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Tomas wordt ook genoemd in Matt. 10:3. Zie ook Joh. 11:16 en 20:24–28. Zie ook: Mat 10:3; Joh 11:16; Joh 20:24 **14:6** Yeshua zei tegen hem: **„Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt bij de Vader dan door Mij.** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ἡ (he) = de | ὁδὸς (hodos) = weg | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | ἀλήθεια (aletheia) = waarheid | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = het | ζωή (zoe) = leven | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = bij | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | εἰ (ei) = tenzij | μὴ (me) = niet | δι’ (di’) = door | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT **14:7** **Als jullie Mij gekend hadden, zouden jullie ook Mijn Vader kennen. Vanaf nu kennen jullie Hem en hebben jullie Hem gezien.”** Brontekst: εἰ (ei) = als | ἐγνώκειτέ (egnokeite) = jullie gekend hadden | με (me) = Mij | καὶ (kai) = ook | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | μου (mou) = Mijn | ἂν (an) = zouden | ᾔδειτε (edeite) = jullie kennen | ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἄρτι (arti) = nu | γινώσκετε (ginoskete) = kennen jullie | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἑωράκατε (heorakate) = hebben gezien | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks gebruikt twee werkwoorden voor ‘kennen’: γινώσκω (ginosko) en οἶδα (oida). Wij geven beide weer met ‘kennen’. ### Filippus vraagt om de Vader te zien **14:8** Filippus zei tegen Hem: „Heer, toon ons de Vader, en het is genoeg voor ons.” Brontekst: Λέγει (Legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Φίλιππος (Philippos) = Filippus | Κύριε (Kyrie) = Heer | δεῖξον (deixon) = toon | ἡμῖν (hemin) = ons | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | καὶ (kai) = en | ἀρκεῖ (arkei) = is genoeg | ἡμῖν (hemin) = voor ons Bron: SBLGNT **14:9** Yeshua zei tegen hem: **„Zo lang ben Ik bij jullie, en toch ken je Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Hoe kun je zeggen: ‘Toon ons de Vader’?** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Τοσούτῳ (Tosouto) = zo lange | χρόνῳ (chrono) = tijd | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰμι (eimi) = ben Ik | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνωκάς (egnokas) = ken je | με (me) = Mij | Φίλιππε (Philippe) = Filippus | ὁ (ho) = wie | ἑωρακὼς (heorakos) = gezien heeft | ἐμὲ (eme) = Mij | ἑώρακεν (heoraken) = heeft gezien | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | πῶς (pos) = hoe | σὺ (sy) = jij | λέγεις (legeis) = zegt | Δεῖξον (Deixon) = toon | ἡμῖν (hemin) = ons | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader Bron: SBLGNT **14:10** **Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij? De woorden die Ik tot jullie zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf. Maar de Vader die in Mij blijft, doet Zijn werken.** Brontekst: οὐ (ou) = niet | πιστεύεις (pisteueis) = geloof je | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πατρὶ (patri) = Vader | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἐν (en) = in | ἐμοί (emoi) = Mij | ἐστιν (estin) = is | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ἃ (ha) = die | ἐγὼ (ego) = Ik | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = tot jullie | ἀπ’ (ap’) = uit | ἐμαυτοῦ (emautou) = Mijzelf | οὐ (ou) = niet | λαλῶ (lalo) = spreek Ik | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | πατὴρ (pater) = Vader | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | μένων (menon) = blijvend | ποιεῖ (poiei) = doet | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **14:11** **Geloof Mij dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij. Zo niet, geloof dan vanwege de werken zelf.** Brontekst: πιστεύετέ (pisteuete) = geloof | μοι (moi) = Mij | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πατρὶ (patri) = Vader | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἐν (en) = in | ἐμοί (emoi) = Mij | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | μή (me) = niet | διὰ (dia) = vanwege | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | αὐτὰ (auta) = zelf | πιστεύετε (pisteuete) = geloof Bron: SBLGNT **14:12** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: wie in Mij gelooft, zal ook hij de werken doen die Ik doe. En grotere dan deze zal hij doen, want Ik ga naar de Vader.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὁ (ho) = wie | πιστεύων (pisteuon) = gelooft | εἰς (eis) = in | ἐμὲ (eme) = Mij | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | ἃ (ha) = die | ἐγὼ (ego) = Ik | ποιῶ (poio) = doe | κἀκεῖνος (kakeinos) = ook hij | ποιήσει (poiesei) = zal doen | καὶ (kai) = en | μείζονα (meizona) = grotere | τούτων (touton) = dan deze | ποιήσει (poiesei) = zal doen | ὅτι (hoti) = want | ἐγὼ (ego) = Ik | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | πορεύομαι (poreuomai) = ga Bron: SBLGNT **14:13** **En alles wat jullie vragen in Mijn naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader verheerlijkt wordt in de Zoon.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὅ (ho) = alles | τι (ti) = wat | ἂν (an) = ook maar | αἰτήσητε (aitesete) = jullie vragen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | τοῦτο (touto) = dit | ποιήσω (poieso) = zal Ik doen | ἵνα (hina) = opdat | δοξασθῇ (doxasthe) = verheerlijkt wordt | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | υἱῷ (huio) = Zoon Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὄνομα (onoma), ‘naam’: in de Schrift staat de naam voor wie iemand is en met welk gezag hij komt. αἰτέω (aiteo), ‘vragen’ (om iets); in 14:16 staat ἐρωτάω (erotao), ‘vragen’ (een verzoek richten tot iemand). Wij vertalen beide met ‘vragen’. Voetnoot : Zie ook Matt. 7:7–11; 18:19; 21:22. Zie ook: Mat 7:7–11; Mat 18:19; Mat 21:22 **14:14** **Als jullie Mij iets vragen in Mijn naam, zal Ik het doen.** Brontekst: ἐάν (ean) = als | τι (ti) = iets | αἰτήσητέ (aitesete) = jullie vragen | με (me) = Mij | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | ἐγὼ (ego) = Ik | ποιήσω (poieso) = zal doen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘Mij’ (με): jullie vragen Mij zelf. ### De belofte van de Helper **14:15** **Als jullie Mij liefhebben, zullen jullie Mijn geboden onderhouden.** Brontekst: Ἐὰν (Ean) = als | ἀγαπᾶτέ (agapate) = jullie liefhebben | με (me) = Mij | τὰς (tas) = de | ἐντολὰς (entolas) = geboden | τὰς (tas) = die | ἐμὰς (emas) = Mijn | τηρήσετε (teresete) = zullen onderhouden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐντολή (entole), ‘gebod’; τηρέω (tereo), ‘onderhouden’: wij vertalen het zo bij geboden en bij ‘woord’ (14:23–24; 15:10, 15:20). Zie ook Matt. 28:20. Zie ook: Mat 28:20 **14:16** **En Ik zal de Vader vragen, en Hij zal jullie een andere Helper geven, om voor altijd bij jullie te zijn,** Brontekst: κἀγὼ (kago) = en ook Ik | ἐρωτήσω (eroteso) = zal vragen | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | καὶ (kai) = en | ἄλλον (allon) = een andere | παράκλητον (parakleton) = Helper | δώσει (dosei) = zal geven | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | ᾖ (e) = Hij is | μεθ’ (meth’) = bij | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰς (eis) = tot | τὸν (ton) = de | αἰῶνα (aiona) = eeuwigheid Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παράκλητος (parakletos), ‘Helper’: letterlijk ‘iemand die erbij geroepen is’. Het woord kan ook ‘pleitbezorger’, ‘bijstand’ of ‘trooster’ betekenen. Wij vertalen overal ‘de Helper’. Wij schrijven ‘Helper’ met een hoofdletter, omdat de Geest bedoeld is (14:17, 14:26). Zie ook Joh. 15:26; 16:7 en 1 Joh. 2:1. Voetnoot : εἰς τὸν αἰῶνα (eis ton aiona), ‘voor altijd’. Zie ook: Joh 15:26; Joh 16:7; 1 Joh 2:1 **14:17** **de Geest van de waarheid. De wereld kan Hem niet ontvangen, omdat zij Hem niet ziet en niet kent. Jullie kennen Hem, want Hij blijft bij jullie en zal in jullie zijn.** Brontekst: τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τῆς (tes) = van de | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | ὃ (ho) = die | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | λαβεῖν (labein) = ontvangen | ὅτι (hoti) = omdat | οὐ (ou) = niet | θεωρεῖ (theorei) = ziet | αὐτὸ (auto) = Hem | οὐδὲ (oude) = en niet | γινώσκει (ginoskei) = kent | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | γινώσκετε (ginoskete) = kennen | αὐτό (auto) = Hem | ὅτι (hoti) = omdat | παρ’ (par’) = bij | ὑμῖν (hymin) = jullie | μένει (menei) = blijft | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἔσται (estai) = zal zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πνεῦμα τῆς ἀληθείας (pneuma tes aletheias), ‘Geest van de waarheid’: de Geest van Elohim; zie 14:26. Voetnoot Lezing: Sommige handschriften hebben ‘is in jullie’ (ἐστίν); de SBLGNT heeft ‘zal zijn’ (ἔσται). **14:18** **Ik zal jullie niet als wezen achterlaten. Ik kom naar jullie toe.** Brontekst: Οὐκ (Ouk) = niet | ἀφήσω (apheso) = zal achterlaten | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὀρφανούς (orphanous) = wezen | ἔρχομαι (erchomai) = kom Ik | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀρφανός (orphanos), ‘wees’: iemand zonder ouders; wij vertalen ‘wezen’. **14:19** **Nog even, en de wereld ziet Mij niet meer. Maar jullie zien Mij, want Ik leef en jullie zullen leven.** Brontekst: ἔτι (eti) = nog | μικρὸν (mikron) = even | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | με (me) = Mij | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | θεωρεῖ (theorei) = ziet | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = maar | θεωρεῖτέ (theoreite) = zien | με (me) = Mij | ὅτι (hoti) = omdat | ἐγὼ (ego) = Ik | ζῶ (zo) = leef | καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ζήσετε (zesete) = zullen leven Bron: SBLGNT **14:20** **Op die dag zullen jullie weten dat Ik in Mijn Vader ben, en jullie in Mij, en Ik in jullie.** Brontekst: ἐν (en) = op | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | γνώσεσθε (gnosesthe) = zullen weten | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | πατρί (patri) = Vader | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἐν (en) = in | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT **14:21** **Wie Mijn geboden heeft en ze onderhoudt, die is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader liefgehad worden. Ook Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem tonen.”** Brontekst: ὁ (ho) = wie | ἔχων (echon) = heeft | τὰς (tas) = de | ἐντολάς (entolas) = geboden | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | τηρῶν (teron) = onderhoudt | αὐτὰς (autas) = ze | ἐκεῖνός (ekeinos) = die | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = degene | ἀγαπῶν (agapon) = die liefheeft | με (me) = Mij | ὁ (ho) = wie | δὲ (de) = maar | ἀγαπῶν (agapon) = liefheeft | με (me) = Mij | ἀγαπηθήσεται (agapethesetai) = zal liefgehad worden | ὑπὸ (hypo) = door | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἀγαπήσω (agapeso) = zal liefhebben | αὐτὸν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | ἐμφανίσω (emphaniso) = zal tonen | αὐτῷ (auto) = aan hem | ἐμαυτόν (emauton) = Mijzelf Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμφανίζω (emphanizo), ‘tonen’: zichtbaar maken. Hetzelfde woord staat in 14:22. ### Yeshua zal Zich tonen aan wie Hem liefheeft **14:22** Judas, niet Iskariot, zei tegen Hem: „Heer, wat is er gebeurd dat U Uzelf aan ons gaat tonen en niet aan de wereld?” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = tegen Hem | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | οὐχ (ouch) = niet | ὁ (ho) = de | Ἰσκαριώτης (Iskariotes) = Iskariot | Κύριε (Kyrie) = Heer | τί (ti) = wat | γέγονεν (gegonen) = is gebeurd | ὅτι (hoti) = dat | ἡμῖν (hemin) = aan ons | μέλλεις (melleis) = U gaat | ἐμφανίζειν (emphanizein) = tonen | σεαυτὸν (seauton) = Uzelf | καὶ (kai) = en | οὐχὶ (ouchi) = niet | τῷ (to) = aan de | κόσμῳ (kosmo) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is een andere leerling met de naam Judas, niet Judas Iskariot. Zie ook Luc. 6:16. Zie ook: Luc 6:16 **14:23** Yeshua antwoordde en zei tegen hem: **„Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord onderhouden. Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem een woning maken.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tegen hem | Ἐάν (Ean) = als | τις (tis) = iemand | ἀγαπᾷ (agapa) = liefheeft | με (me) = Mij | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | μου (mou) = Mijn | τηρήσει (teresei) = zal onderhouden | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | ἀγαπήσει (agapesei) = zal liefhebben | αὐτόν (auton) = hem | καὶ (kai) = en | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = hem | ἐλευσόμεθα (eleusometha) = zullen komen | καὶ (kai) = en | μονὴν (monen) = woning | παρ’ (par’) = bij | αὐτῷ (auto) = hem | ποιησόμεθα (poiesometha) = zullen maken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μονή (mone), ‘woning’: zie 14:2. ‘Wij’ staat met een hoofdletter, omdat Yeshua over Zichzelf en de Vader spreekt. **14:24** **Wie Mij niet liefheeft, onderhoudt Mijn woorden niet. En het woord dat jullie horen, is niet van Mij, maar van de Vader die Mij gestuurd heeft.** Brontekst: ὁ (ho) = wie | μὴ (me) = niet | ἀγαπῶν (agapon) = liefheeft | με (me) = Mij | τοὺς (tous) = de | λόγους (logous) = woorden | μου (mou) = Mijn | οὐ (ou) = niet | τηρεῖ (terei) = onderhoudt | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | ὃν (hon) = dat | ἀκούετε (akouete) = jullie horen | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐμὸς (emos) = van Mij | ἀλλὰ (alla) = maar | τοῦ (tou) = van de | πέμψαντός (pempsantos) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij | πατρός (patros) = Vader Bron: SBLGNT **14:25** **Dit heb Ik jullie gezegd terwijl Ik bij jullie blijf.** Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = dit | λελάληκα (lelaleka) = heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | παρ’ (par’) = bij | ὑμῖν (hymin) = jullie | μένων (menon) = blijvend Bron: SBLGNT **14:26** **Maar de Helper, de Heilige Geest, die de Vader zal sturen in Mijn naam: Hij zal jullie alles leren. En Hij zal jullie herinneren aan alles wat Ik jullie gezegd heb.** Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | παράκλητος (parakletos) = Helper | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τὸ (to) = de | ἅγιον (hagion) = Heilige | ὃ (ho) = die | πέμψει (pempsei) = zal sturen | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | ἐκεῖνος (ekeinos) = Hij | ὑμᾶς (hymas) = jullie | διδάξει (didaxei) = zal leren | πάντα (panta) = alles | καὶ (kai) = en | ὑπομνήσει (hypomnesei) = zal herinneren | ὑμᾶς (hymas) = jullie | πάντα (panta) = alles | ἃ (ha) = wat | εἶπον (eipon) = Ik zei | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παράκλητος (parakletos), ‘Helper’: zie 14:16. πνεῦμα ἅγιον (pneuma hagion), ‘Heilige Geest’. Zie ook 14:16–17 en 15:26. ### Mijn vrede geef Ik jullie **14:27** **Vrede laat Ik jullie na; Mijn vrede geef Ik jullie. Ik geef jullie niet zoals de wereld geeft. Laat jullie hart niet verontrust zijn en niet bang worden.** Brontekst: εἰρήνην (eirenen) = vrede | ἀφίημι (aphiemi) = laat Ik na | ὑμῖν (hymin) = jullie | εἰρήνην (eirenen) = vrede | τὴν (ten) = de | ἐμὴν (emen) = Mijn | δίδωμι (didomi) = geef Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | οὐ (ou) = niet | καθὼς (kathos) = zoals | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | δίδωσιν (didosin) = geeft | ἐγὼ (ego) = Ik | δίδωμι (didomi) = geef Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | μὴ (me) = niet | ταρασσέσθω (tarassestho) = laat verontrust zijn | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | μηδὲ (mede) = en niet | δειλιάτω (deiliato) = laat bang worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: de Hebreeuwse שָׁלוֹם (shalom), die ook als gewone groet gebruikt wordt. **14:28** **Jullie hebben gehoord dat Ik tegen jullie gezegd heb: ‘Ik ga heen en Ik kom naar jullie toe.’ Als jullie Mij liefhadden, zouden jullie blij zijn dat Ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan Ik.** Brontekst: ἠκούσατε (ekousate) = jullie hebben gehoord | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | εἶπον (eipon) = zei | ὑμῖν (hymin) = jullie | Ὑπάγω (Hypago) = Ik ga heen | καὶ (kai) = en | ἔρχομαι (erchomai) = kom Ik | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie | εἰ (ei) = als | ἠγαπᾶτέ (egapate) = jullie liefhadden | με (me) = Mij | ἐχάρητε (echarete) = zouden jullie blij zijn | ἄν (an) = zouden | ὅτι (hoti) = dat | πορεύομαι (poreuomai) = Ik ga | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | ὅτι (hoti) = want | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | μείζων (meizon) = groter | μού (mou) = dan Ik | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μείζων (meizon), ‘groter’: wij vertalen letterlijk. **14:29** **En nu heb Ik het jullie gezegd voordat het gebeurt, zodat jullie, wanneer het gebeurt, geloven.** Brontekst: καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | εἴρηκα (eireka) = heb Ik gezegd | ὑμῖν (hymin) = jullie | πρὶν (prin) = voordat | γενέσθαι (genesthai) = het gebeurt | ἵνα (hina) = opdat | ὅταν (hotan) = wanneer | γένηται (genetai) = het gebeurt | πιστεύσητε (pisteusete) = jullie geloven Bron: SBLGNT **14:30** **Ik zal niet meer veel met jullie spreken, want de heerser van de wereld komt. In Mij heeft hij niets.** Brontekst: οὐκέτι (ouketi) = niet meer | πολλὰ (polla) = veel | λαλήσω (laleso) = zal Ik spreken | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἔρχεται (erchetai) = komt | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | ἄρχων (archon) = heerser | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | οὐκ (ouk) = niet | ἔχει (echei) = heeft hij | οὐδέν (ouden) = niets Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄρχων (archon), ‘heerser’: zo vertalen wij het woord ook in Joh. 12:31 en 16:11; in Matt. 9:34 staat ‘leider’ (‘leider van de demonen’). Het Grieks noemt hier geen naam. Zie ook: Mat 9:34; Joh 12:31; Joh 16:11 **14:31** **Maar de wereld moet weten dat Ik de Vader liefheb. Zoals de Vader Mij opgedragen heeft, zo doe Ik. Sta op, laten wij hier weggaan.** Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | γνῷ (gno) = zal weten | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | ὅτι (hoti) = dat | ἀγαπῶ (agapo) = Ik liefheb | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | καὶ (kai) = en | καθὼς (kathos) = zoals | ἐνετείλατο (eneteilato) = opdroeg | μοι (moi) = Mij | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | οὕτως (houtos) = zo | ποιῶ (poio) = doe Ik | Ἐγείρεσθε (Egeiresthe) = sta op | ἄγωμεν (agomen) = laten wij gaan | ἐντεῦθεν (enteuthen) = hiervandaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft bij ἀλλ’ ἵνα (all’ hina), ‘maar opdat’, geen werkwoord; wij vullen ‘moet’ aan. Voetnoot : De woorden ‘Sta op, laten wij gaan’ staan in het Grieks ook in Matt. 26:46 en Mark. 14:42; hier staat er ἐντεῦθεν (enteuthen), ‘vanhier’, bij. Voetnoot : De toespraak van Yeshua loopt zonder onderbreking door in hoofdstuk 15. Zie ook: Mat 26:46; Mar 14:42 ## Johannes 15 _De ware wijnstok, de liefde en de haat van de wereld_ ### De ware wijnstok **15:1** **Ik ben de ware wijnstok, en Mijn Vader is de landbouwer.** Brontekst: Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ἡ (he) = de | ἄμπελος (ampelos) = wijnstok | ἡ (he) = de | ἀληθινή (alethine) = ware | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | ὁ (ho) = de | γεωργός (georgos) = landbouwer | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De toespraak van Yeshua loopt zonder onderbreking door uit hoofdstuk 14. Voetnoot : ἄμπελος (ampelos), ‘wijnstok’: in de Schrift is Israël vaak een wijnstok of wijngaard; zie Ps. 80:9–12; Jes. 5:1–7; Jer. 2:21 en Hos. 10:1. Voetnoot : ἀληθινός (alethinos), ‘waar’: echt, het ware voorbeeld. γεωργός (georgos), ‘landbouwer’: iemand die het land bewerkt. In Matt. 21:33–41 vertalen wij hetzelfde woord met ‘pachter’, omdat daar de wijngaard verpacht is. Zie ook: Ps 80:9–12; Hos 10:1; Jes 5:1–7; Jer 2:21; Mat 21:33–41 **15:2** **Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg. En alles wat vrucht draagt, reinigt Hij, zodat het meer vrucht draagt.** Brontekst: πᾶν (pan) = elke | κλῆμα (klema) = rank | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | μὴ (me) = niet | φέρον (pheron) = dragend | καρπὸν (karpon) = vrucht | αἴρει (airei) = neemt weg | αὐτό (auto) = het | καὶ (kai) = en | πᾶν (pan) = alles | τὸ (to) = de | καρπὸν (karpon) = vrucht | φέρον (pheron) = dragend | καθαίρει (kathairei) = reinigt | αὐτὸ (auto) = het | ἵνα (hina) = opdat | καρπὸν (karpon) = vrucht | πλείονα (pleiona) = meer | φέρῃ (phere) = het draagt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἴρω (airo), ‘wegnemen’, en καθαίρω (kathairo), ‘reinigen’: het tweede woord is verwant aan καθαρός (katharos), ‘rein’, in 15:3 (zie ook 13:10). Het kan ook ‘snoeien’ betekenen. **15:3** **Jullie zijn al rein vanwege het woord dat Ik jullie gezegd heb.** Brontekst: ἤδη (ede) = al | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | καθαροί (katharoi) = rein | ἐστε (este) = zijn | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | ὃν (hon) = dat | λελάληκα (lelaleka) = Ik gezegd heb | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT **15:4** **Blijf in Mij, en Ik in jullie. De rank kan niet uit zichzelf vrucht dragen als zij niet in de wijnstok blijft. Zo ook jullie niet, als jullie niet in Mij blijven.** Brontekst: μείνατε (meinate) = blijf | ἐν (en) = in | ἐμοί (emoi) = Mij | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἐν (en) = in | ὑμῖν (hymin) = jullie | καθὼς (kathos) = zoals | τὸ (to) = de | κλῆμα (klema) = rank | οὐ (ou) = niet | δύναται (dynatai) = kan | καρπὸν (karpon) = vrucht | φέρειν (pherein) = dragen | ἀφ’ (aph’) = uit | ἑαυτοῦ (heautou) = zichzelf | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | μένῃ (mene) = blijft | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀμπέλῳ (ampelo) = wijnstok | οὕτως (houtos) = zo | οὐδὲ (oude) = ook niet | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐὰν (ean) = als | μὴ (me) = niet | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | μένητε (menete) = blijven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μένω (meno), ‘blijven’: ook ‘wonen, verblijven’. Het woord staat in dit hoofdstuk steeds opnieuw (15:4–10 en 15:16) en ook in 14:10, 14:17 en 14:25. **15:5** **Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken. Wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunnen jullie niets doen.** Brontekst: ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ἡ (he) = de | ἄμπελος (ampelos) = wijnstok | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | τὰ (ta) = de | κλήματα (klemata) = ranken | ὁ (ho) = wie | μένων (menon) = blijft | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = hem | οὗτος (houtos) = die | φέρει (pherei) = draagt | καρπὸν (karpon) = vrucht | πολύν (polyn) = veel | ὅτι (hoti) = want | χωρὶς (choris) = zonder | ἐμοῦ (emou) = Mij | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = kunnen jullie | ποιεῖν (poiein) = doen | οὐδέν (ouden) = niets Bron: SBLGNT **15:6** **Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en hij verdort. Men verzamelt ze, werpt ze in het vuur, en het brandt.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | μή (me) = niet | τις (tis) = iemand | μένῃ (mene) = blijft | ἐν (en) = in | ἐμοί (emoi) = Mij | ἐβλήθη (eblethe) = werd geworpen | ἔξω (exo) = buiten | ὡς (hos) = als | τὸ (to) = de | κλῆμα (klema) = rank | καὶ (kai) = en | ἐξηράνθη (exeranthe) = verdorde | καὶ (kai) = en | συνάγουσιν (synagousin) = verzamelt men | αὐτὰ (auta) = ze | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | πῦρ (pyr) = vuur | βάλλουσιν (ballousin) = werpt men | καὶ (kai) = en | καίεται (kaietai) = het brandt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen onderwerp bij ‘verzamelen’ en ‘werpen’; wij schrijven ‘men’. **15:7** **Als jullie in Mij blijven en Mijn woorden in jullie blijven, vraag dan wat jullie willen, en het zal jullie gebeuren.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | μείνητε (meinete) = jullie blijven | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = de | ῥήματά (rhemata) = woorden | μου (mou) = Mijn | ἐν (en) = in | ὑμῖν (hymin) = jullie | μείνῃ (meine) = blijven | ὃ (ho) = wat | ἐὰν (ean) = ook | θέλητε (thelete) = jullie willen | αἰτήσασθε (aitesasthe) = vraag | καὶ (kai) = en | γενήσεται (genesetai) = zal gebeuren | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT **15:8** **Hierin is Mijn Vader verheerlijkt: dat jullie veel vrucht dragen en Mijn leerlingen worden.** Brontekst: ἐν (en) = in | τούτῳ (touto) = dit | ἐδοξάσθη (edoxasthe) = is verheerlijkt | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | μου (mou) = Mijn | ἵνα (hina) = opdat | καρπὸν (karpon) = vrucht | πολὺν (polyn) = veel | φέρητε (pherete) = jullie dragen | καὶ (kai) = en | γένησθε (genesthe) = jullie worden | ἐμοὶ (emoi) = Mijn | μαθηταί (mathetai) = leerlingen Bron: SBLGNT ### Blijf in Mijn liefde **15:9** **Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik jullie liefgehad. Blijf in Mijn liefde.** Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | ἠγάπησέν (egapesen) = liefhad | με (me) = Mij | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | κἀγὼ (kago) = en ook Ik | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἠγάπησα (egapesa) = heb liefgehad | μείνατε (meinate) = blijf | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀγάπῃ (agape) = liefde | τῇ (te) = de | ἐμῇ (eme) = Mijn Bron: SBLGNT **15:10** **Als jullie Mijn geboden onderhouden, zullen jullie in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader onderhouden heb en in Zijn liefde blijf.** Brontekst: ἐὰν (ean) = als | τὰς (tas) = de | ἐντολάς (entolas) = geboden | μου (mou) = Mijn | τηρήσητε (teresete) = jullie onderhouden | μενεῖτε (meneite) = zullen jullie blijven | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀγάπῃ (agape) = liefde | μου (mou) = Mijn | καθὼς (kathos) = zoals | ἐγὼ (ego) = Ik | τὰς (tas) = de | ἐντολὰς (entolas) = geboden | τοῦ (tou) = van de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | τετήρηκα (tetereka) = heb onderhouden | καὶ (kai) = en | μένω (meno) = blijf | αὐτοῦ (autou) = Zijn | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀγάπῃ (agape) = liefde Bron: SBLGNT **15:11** **Dit heb Ik jullie gezegd, opdat Mijn vreugde in jullie is en jullie vreugde vervuld wordt.** Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | λελάληκα (lelaleka) = heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | ἵνα (hina) = opdat | ἡ (he) = de | χαρὰ (chara) = vreugde | ἡ (he) = de | ἐμὴ (eme) = Mijn | ἐν (en) = in | ὑμῖν (hymin) = jullie | ᾖ (e) = is | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | χαρὰ (chara) = vreugde | ὑμῶν (hymon) = jullie | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt Bron: SBLGNT **15:12** **Dit is Mijn gebod: dat jullie elkaar liefhebben, zoals Ik jullie heb liefgehad.** Brontekst: Αὕτη (Haute) = dit | ἐστὶν (estin) = is | ἡ (he) = het | ἐντολὴ (entole) = gebod | ἡ (he) = het | ἐμὴ (eme) = Mijn | ἵνα (hina) = opdat | ἀγαπᾶτε (agapate) = jullie liefhebben | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | καθὼς (kathos) = zoals | ἠγάπησα (egapesa) = Ik heb liefgehad | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Joh. 13:34. Zie ook: Joh 13:34 **15:13** **Een grotere liefde dan deze heeft niemand: dat iemand zijn leven neerlegt voor zijn vrienden.** Brontekst: μείζονα (meizona) = grotere | ταύτης (tautes) = dan deze | ἀγάπην (agapen) = liefde | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἔχει (echei) = heeft | ἵνα (hina) = dat | τις (tis) = iemand | τὴν (ten) = het | ψυχὴν (psychen) = leven | αὐτοῦ (autou) = zijn | θῇ (the) = neerlegt | ὑπὲρ (hyper) = voor | τῶν (ton) = de | φίλων (philon) = vrienden | αὐτοῦ (autou) = zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ψυχή (psyche), ‘leven’; τίθημι (tithemi), ‘neerleggen’: zie 13:37 en Joh. 10:11, 10:15 en 10:17. Zie ook: Joh 10:11; Joh 10:15; Joh 10:17 **15:14** **Jullie zijn Mijn vrienden, als jullie doen wat Ik jullie opdraag.** Brontekst: ὑμεῖς (hymeis) = jullie | φίλοι (philoi) = vrienden | μού (mou) = Mijn | ἐστε (este) = zijn | ἐὰν (ean) = als | ποιῆτε (poiete) = jullie doen | ἃ (ha) = wat | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐντέλλομαι (entellomai) = opdraag | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐντέλλομαι (entellomai), ‘opdragen’: verwant aan ἐντολή (entole), ‘gebod’ (15:10, 15:12). **15:15** **Ik noem jullie niet meer knechten, want de knecht weet niet wat zijn heer doet. Maar jullie heb Ik vrienden genoemd, want alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, heb Ik jullie bekendgemaakt.** Brontekst: οὐκέτι (ouketi) = niet meer | λέγω (lego) = noem Ik | ὑμᾶς (hymas) = jullie | δούλους (doulous) = knechten | ὅτι (hoti) = omdat | ὁ (ho) = de | δοῦλος (doulos) = knecht | οὐκ (ouk) = niet | οἶδεν (oiden) = weet | τί (ti) = wat | ποιεῖ (poiei) = doet | αὐτοῦ (autou) = zijn | ὁ (ho) = de | κύριος (kyrios) = heer | ὑμᾶς (hymas) = jullie | δὲ (de) = maar | εἴρηκα (eireka) = heb Ik genoemd | φίλους (philous) = vrienden | ὅτι (hoti) = omdat | πάντα (panta) = alles | ἃ (ha) = wat | ἤκουσα (ekousa) = Ik heb gehoord | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | μου (mou) = Mijn | ἐγνώρισα (egnorisa) = heb Ik bekendgemaakt | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; zie 13:16. φίλος (philos), ‘vriend’. **15:16** **Jullie hebben Mij niet uitgekozen, maar Ik heb jullie uitgekozen en aangesteld, opdat jullie heengaan en vrucht dragen en jullie vrucht blijft. Zo zal de Vader jullie geven wat jullie ook vragen in Mijn naam.** Brontekst: οὐχ (ouch) = niet | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | με (me) = Mij | ἐξελέξασθε (exelexasthe) = hebben uitgekozen | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐξελεξάμην (exelexamen) = heb uitgekozen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καὶ (kai) = en | ἔθηκα (etheka) = heb aangesteld | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὑπάγητε (hypagete) = heengaan | καὶ (kai) = en | καρπὸν (karpon) = vrucht | φέρητε (pherete) = dragen | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | καρπὸς (karpos) = vrucht | ὑμῶν (hymon) = jullie | μένῃ (mene) = blijft | ἵνα (hina) = opdat | ὅ (ho) = alles | τι (ti) = wat | ἂν (an) = ook | αἰτήσητε (aitesete) = jullie vragen | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | δῷ (do) = Hij geeft | ὑμῖν (hymin) = aan jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθηκα (etheka), ‘aangesteld’: letterlijk ‘neergezet, geplaatst’, van τίθημι (tithemi). **15:17** **Dit draag Ik jullie op: dat jullie elkaar liefhebben.** Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | ἐντέλλομαι (entellomai) = draag Ik op | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | ἀγαπᾶτε (agapate) = jullie liefhebben | ἀλλήλους (allelous) = elkaar Bron: SBLGNT ### De haat van de wereld **15:18** **Als de wereld jullie haat, weet dan dat zij Mij eerder dan jullie gehaat heeft.** Brontekst: Εἰ (Ei) = als | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | ὑμᾶς (hymas) = jullie | μισεῖ (misei) = haat | γινώσκετε (ginoskete) = weet | ὅτι (hoti) = dat | ἐμὲ (eme) = Mij | πρῶτον (proton) = eerder | ὑμῶν (hymon) = dan jullie | μεμίσηκεν (memiseken) = heeft gehaat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 10:22; 24:9; Joh. 17:14. Zie ook: Mat 10:22; Mat 24:9; Joh 17:14 **15:19** **Als jullie van de wereld waren, zou de wereld liefhebben wat van haar is. Omdat jullie niet van de wereld zijn, maar Ik jullie uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld jullie.** Brontekst: εἰ (ei) = als | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | ἦτε (ete) = jullie waren | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | ἂν (an) = zou | τὸ (to) = het | ἴδιον (idion) = eigene | ἐφίλει (ephilei) = liefhebben | ὅτι (hoti) = omdat | δὲ (de) = maar | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | οὐκ (ouk) = niet | ἐστέ (este) = jullie zijn | ἀλλ’ (all’) = maar | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐξελεξάμην (exelexamen) = heb uitgekozen | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | διὰ (dia) = daarom | τοῦτο (touto) = dit | μισεῖ (misei) = haat | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φιλέω (phileo), ‘liefhebben’: verwant aan φίλος (philos), ‘vriend’. Wij vertalen het zoals ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’. **15:20** **Denk aan het woord dat Ik tot jullie gezegd heb: ‘Een knecht is niet groter dan zijn heer.’ Als zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook jullie vervolgen. Als zij Mijn woord onderhouden hebben, zullen zij ook jullie woord onderhouden.** Brontekst: μνημονεύετε (mnemoneuete) = denk aan | τοῦ (tou) = het | λόγου (logou) = woord | οὗ (hou) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | εἶπον (eipon) = zei | ὑμῖν (hymin) = tot jullie | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | δοῦλος (doulos) = knecht | μείζων (meizon) = groter | τοῦ (tou) = dan de | κυρίου (kyriou) = heer | αὐτοῦ (autou) = zijn | εἰ (ei) = als | ἐμὲ (eme) = Mij | ἐδίωξαν (edioxan) = vervolgden | καὶ (kai) = ook | ὑμᾶς (hymas) = jullie | διώξουσιν (dioxousin) = zullen vervolgen | εἰ (ei) = als | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | μου (mou) = Mijn | ἐτήρησαν (eteresan) = onderhielden | καὶ (kai) = ook | τὸν (ton) = het | ὑμέτερον (hymeteron) = jullie | τηρήσουσιν (teresousin) = zullen onderhouden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Yeshua haalt Zijn woord uit 13:16 aan. διώκω (dioko), ‘vervolgen’. Zie ook Matt. 5:11–12; 10:24–25. Zie ook: Mat 5:11–12; Mat 10:24 **15:21** **Maar dit alles zullen zij jullie aandoen vanwege Mijn naam, omdat zij Hem die Mij gestuurd heeft, niet kennen.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ταῦτα (tauta) = dit | πάντα (panta) = alles | ποιήσουσιν (poiesousin) = zullen doen | εἰς (eis) = aan | ὑμᾶς (hymas) = jullie | διὰ (dia) = vanwege | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | μου (mou) = Mijn | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | οἴδασιν (oidasin) = zij kennen | τὸν (ton) = degene | πέμψαντά (pempsanta) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **15:22** **Als Ik niet gekomen was en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonde hebben. Maar nu hebben zij geen excuus voor hun zonde.** Brontekst: εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἦλθον (elthon) = kwam Ik | καὶ (kai) = en | ἐλάλησα (elalesa) = sprak | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ἁμαρτίαν (hamartian) = zonde | οὐκ (ouk) = niet | εἴχοσαν (eichosan) = hadden zij | νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | πρόφασιν (prophasin) = excuus | οὐκ (ouk) = niet | ἔχουσιν (echousin) = hebben zij | περὶ (peri) = voor | τῆς (tes) = de | ἁμαρτίας (hamartias) = zonde | αὐτῶν (auton) = hun Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρόφασις (prophasis), ‘excuus’: een reden die iemand aanvoert om zijn schuld te verklaren. **15:23** **Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader.** Brontekst: ὁ (ho) = wie | ἐμὲ (eme) = Mij | μισῶν (mison) = haat | καὶ (kai) = ook | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | μου (mou) = Mijn | μισεῖ (misei) = haat Bron: SBLGNT **15:24** **Als Ik onder hen niet de werken gedaan had die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben. Maar nu hebben zij zowel Mij als Mijn Vader gezien en gehaat.** Brontekst: εἰ (ei) = als | τὰ (ta) = de | ἔργα (erga) = werken | μὴ (me) = niet | ἐποίησα (epoiesa) = deed Ik | ἐν (en) = onder | αὐτοῖς (autois) = hen | ἃ (ha) = die | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἄλλος (allos) = anders | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ἁμαρτίαν (hamartian) = zonde | οὐκ (ouk) = niet | εἴχοσαν (eichosan) = hadden zij | νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = zowel | ἑωράκασιν (heorakasin) = hebben gezien | καὶ (kai) = en | μεμισήκασιν (memisekasin) = hebben gehaat | καὶ (kai) = zowel | ἐμὲ (eme) = Mij | καὶ (kai) = als | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **15:25** **Maar dit is gebeurd opdat het woord vervuld wordt dat in hun wet geschreven staat: ‘Zij hebben Mij zonder reden gehaat.’** Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | ὁ (ho) = dat | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | νόμῳ (nomo) = wet | αὐτῶν (auton) = hun | γεγραμμένος (gegrammenos) = geschreven staat | ὅτι (hoti) = dat | Ἐμίσησάν (Emisesan) = zij hebben gehaat | με (me) = Mij | δωρεάν (dorean) = zonder reden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het citaat staat in Ps. 35:19 en Ps. 69:5 (in de Nederlandse telling 69:4). Het Hebreeuws heeft ‘zij die mij zonder reden haten’; de Griekse tekst heeft ‘Zij hebben Mij zonder reden gehaat’. Voetnoot : νόμος (nomos), ‘wet’: hier in ruime zin voor de Schrift van Israël. Voetnoot : ἀλλ’ ἵνα (all’ hina), ‘maar opdat’: het Grieks heeft hier geen werkwoord; wij vullen ‘dit is gebeurd’ aan. Zie ook: Ps 35:19; Ps 69:5 ### De Helper en de getuigen **15:26** **Wanneer de Helper komt, zal Hij over Mij getuigen. Ik zal Hem jullie van de Vader sturen: de Geest van de waarheid, die van de Vader uitgaat.** Brontekst: Ὅταν (Hotan) = wanneer | ἔλθῃ (elthe) = komt | ὁ (ho) = de | παράκλητος (parakletos) = Helper | ὃν (hon) = die | ἐγὼ (ego) = Ik | πέμψω (pempso) = zal sturen | ὑμῖν (hymin) = aan jullie | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | πατρός (patros) = Vader | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τῆς (tes) = van de | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | ὃ (ho) = die | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = Vader | ἐκπορεύεται (ekporeuetai) = uitgaat | ἐκεῖνος (ekeinos) = Hij | μαρτυρήσει (martyresei) = zal getuigen | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παράκλητος (parakletos), ‘Helper’: zie 14:16. Het Grieks heeft één zin: ‘Wanneer de Helper komt, die Ik jullie van de Vader zal sturen, de Geest van de waarheid die van de Vader uitgaat, Hij zal over Mij getuigen’; wij splitsen die. ἐκπορεύεται (ekporeuetai), ‘gaat uit’: wij vertalen letterlijk. Zie ook 14:26 en 16:7. **15:27** **En ook jullie getuigen, want jullie zijn van het begin af bij Mij.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | δὲ (de) = ook | μαρτυρεῖτε (martyreite) = getuigen | ὅτι (hoti) = omdat | ἀπ’ (ap’) = van | ἀρχῆς (arches) = begin | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἐστε (este) = jullie zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαρτυρεῖτε (martyreite), ‘jullie getuigen’: de vorm kan ook een bevel zijn (‘getuig’). De toespraak loopt door in hoofdstuk 16. ## Johannes 16 _De Helper, verdriet dat vreugde wordt en de overwinning op de wereld_ ### Aankondiging van vervolging **16:1** **Dit heb Ik jullie gezegd, opdat jullie niet struikelen.** Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = dit | λελάληκα (lelaleka) = heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | σκανδαλισθῆτε (skandalisthete) = jullie struikelen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σκανδαλίζω (skandalizo), ‘struikelen’: hier de lijdende vorm, ook ‘aanstoot nemen’ of ‘ten val komen’; zie ook Matt. 26:31. Voetnoot : De toespraak van Yeshua loopt zonder onderbreking door uit het vorige hoofdstuk (vanaf 14:23); zie ook Joh. 15:26–27. Zie ook: Mat 26:31; Joh 15:26–27 **16:2** **Zij zullen jullie uit de synagoge zetten. Maar er komt een uur dat iedereen die jullie doodt, zal denken dat hij Elohim een eredienst aanbiedt.** Brontekst: ἀποσυναγώγους (aposynagogous) = uit de synagoge gezet | ποιήσουσιν (poiesousin) = zullen maken | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἀλλ’ (all’) = maar | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὥρα (hora) = uur | ἵνα (hina) = opdat | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = de | ἀποκτείνας (apokteinas) = die doodt | ὑμᾶς (hymas) = jullie | δόξῃ (doxe) = zal menen | λατρείαν (latreian) = eredienst | προσφέρειν (prospherein) = aan te bieden | τῷ (to) = aan de | θεῷ (theo) = Elohim Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποσυνάγωγος (aposynagogos), ‘uit de synagoge gezet’: buitengesloten uit de gemeenschap van de synagoge. Zie ook Joh. 9:22 en 12:42. Voetnoot : λατρεία (latreia), ‘eredienst’: dienst aan Elohim. Het Grieks heeft δόξῃ (doxe), letterlijk ‘hij mag denken’; wij schrijven ‘zal denken’. Zie ook: Joh 9:22; Joh 12:42 **16:3** **En dit zullen zij doen, omdat zij de Vader niet gekend hebben, en Mij ook niet.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | ποιήσουσιν (poiesousin) = zullen doen | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνωσαν (egnosan) = kenden | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | οὐδὲ (oude) = noch | ἐμέ (eme) = Mij Bron: SBLGNT **16:4** **Maar dit heb Ik jullie gezegd, opdat jullie, wanneer hun uur komt, eraan denken dat Ik het jullie gezegd heb. Dit heb Ik jullie niet vanaf het begin gezegd, omdat Ik bij jullie was.** Brontekst: ἀλλὰ (alla) = maar | ταῦτα (tauta) = dit | λελάληκα (lelaleka) = heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | ὅταν (hotan) = wanneer | ἔλθῃ (elthe) = komt | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | αὐτῶν (auton) = hun | μνημονεύητε (mnemoneuete) = jullie denken aan | αὐτῶν (auton) = eraan | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | εἶπον (eipon) = zei | ὑμῖν (hymin) = jullie | Ταῦτα (Tauta) = dit | δὲ (de) = maar | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐξ (ex) = vanaf | ἀρχῆς (arches) = begin | οὐκ (ouk) = niet | εἶπον (eipon) = zei | ὅτι (hoti) = omdat | μεθ’ (meth’) = met | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἤμην (emen) = was Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft twee keer αὐτῶν (auton): ‘hun uur’ en ‘denk aan hen’. Wij lezen het tweede als ‘eraan’, dus aan deze dingen. ### De komst van de Helper **16:5** **Maar nu ga Ik naar Hem die Mij gestuurd heeft. Niemand van jullie vraagt Mij: ‘Waar gaat U heen?’** Brontekst: νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | ὑπάγω (hypago) = ga heen | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πέμψαντά (pempsanta) = die gestuurd heeft | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐξ (ex) = uit | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἐρωτᾷ (erota) = vraagt | με (me) = Mij | Ποῦ (Pou) = waar | ὑπάγεις (hypageis) = gaat U heen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk de vragen ‘Waar gaat U heen?’ van Petrus en Tomas in Joh. 13:36 en 14:5. Zie ook: Joh 13:36; Joh 14:5 **16:6** **Maar omdat Ik dit jullie gezegd heb, heeft het verdriet jullie hart vervuld.** Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | ὅτι (hoti) = omdat | ταῦτα (tauta) = dit | λελάληκα (lelaleka) = heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἡ (he) = het | λύπη (lype) = verdriet | πεπλήρωκεν (pepleroken) = heeft vervuld | ὑμῶν (hymon) = jullie | τὴν (ten) = het | καρδίαν (kardian) = hart Bron: SBLGNT **16:7** **Maar Ik zeg jullie de waarheid: het is beter voor jullie dat Ik wegga. Want als Ik niet wegga, zal de Helper niet naar jullie komen. Maar als Ik ga, zal Ik Hem naar jullie sturen.** Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | ἐγὼ (ego) = Ik | τὴν (ten) = de | ἀλήθειαν (aletheian) = waarheid | λέγω (lego) = zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | συμφέρει (sympherei) = het is beter | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | ἵνα (hina) = opdat | ἐγὼ (ego) = Ik | ἀπέλθω (apeltho) = wegga | ἐὰν (ean) = als | γὰρ (gar) = want | μὴ (me) = niet | ἀπέλθω (apeltho) = Ik wegga | ὁ (ho) = de | παράκλητος (parakletos) = Helper | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker | ἔλθῃ (elthe) = komt | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐὰν (ean) = als | δὲ (de) = maar | πορευθῶ (poreutho) = Ik ga | πέμψω (pempso) = zal sturen | αὐτὸν (auton) = Hem | πρὸς (pros) = naar | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παράκλητος (parakletos), ‘Helper’: letterlijk ‘iemand die erbij geroepen is’. Het woord kan ook ‘pleitbezorger’, ‘bijstand’ of ‘trooster’ betekenen. Wij vertalen overal ‘de Helper’ (zie ook Joh. 14:16, 14:26 en 15:26). Voetnoot : συμφέρει (sympherei), ‘het is beter’: het is nuttig of voordelig. Zie ook: Joh 14:16; Joh 14:26; Joh 15:26 **16:8** **En wanneer Hij gekomen is, zal Hij de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel:** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐλθὼν (elthon) = gekomen | ἐκεῖνος (ekeinos) = Hij | ἐλέγξει (elenxei) = zal overtuigen | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | περὶ (peri) = over | ἁμαρτίας (hamartias) = zonde | καὶ (kai) = en | περὶ (peri) = over | δικαιοσύνης (dikaiosynes) = gerechtigheid | καὶ (kai) = en | περὶ (peri) = over | κρίσεως (kriseos) = oordeel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐλέγχω (elencho), ‘overtuigen’: iemand van iets overtuigen door het aan het licht te brengen; het kan ook ‘terechtwijzen’ betekenen. **16:9** **van zonde, omdat zij niet in Mij geloven;** Brontekst: περὶ (peri) = over | ἁμαρτίας (hamartias) = zonde | μέν (men) = enerzijds | ὅτι (hoti) = omdat | οὐ (ou) = niet | πιστεύουσιν (pisteuousin) = zij geloven | εἰς (eis) = in | ἐμέ (eme) = Mij Bron: SBLGNT **16:10** **van gerechtigheid, omdat Ik naar de Vader ga en jullie Mij niet meer zien;** Brontekst: περὶ (peri) = over | δικαιοσύνης (dikaiosynes) = gerechtigheid | δέ (de) = anderzijds | ὅτι (hoti) = omdat | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | ὑπάγω (hypago) = Ik ga | καὶ (kai) = en | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | θεωρεῖτέ (theoreite) = jullie zien | με (me) = Mij Bron: SBLGNT **16:11** **van oordeel, omdat de heerser van deze wereld veroordeeld is.** Brontekst: περὶ (peri) = over | δὲ (de) = maar | κρίσεως (kriseos) = oordeel | ὅτι (hoti) = omdat | ὁ (ho) = de | ἄρχων (archon) = heerser | τοῦ (tou) = van de | κόσμου (kosmou) = wereld | τούτου (toutou) = deze | κέκριται (kekritai) = is veroordeeld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ ἄρχων τοῦ κόσμου τούτου (ho archon tou kosmou toutou), ‘de heerser van deze wereld’: de tekst noemt geen naam. Zie ook Joh. 12:31 en 14:30. Voetnoot : κέκριται (kekritai), ‘is veroordeeld’: van κρίνω (krino), ‘oordelen’. Zie ook: Joh 12:31; Joh 14:30 **16:12** **Ik heb jullie nog veel te zeggen, maar jullie kunnen het nu niet dragen.** Brontekst: Ἔτι (Eti) = nog | πολλὰ (polla) = veel | ἔχω (echo) = heb Ik | ὑμῖν (hymin) = jullie | λέγειν (legein) = te zeggen | ἀλλ’ (all’) = maar | οὐ (ou) = niet | δύνασθε (dynasthe) = jullie kunnen | βαστάζειν (bastazein) = dragen | ἄρτι (arti) = nu Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βαστάζω (bastazo), ‘dragen’: het Grieks heeft hier geen voorwerp; wij schrijven ‘het’. **16:13** **Maar wanneer Hij gekomen is, de Geest van de waarheid, zal Hij jullie leiden in de hele waarheid. Want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar wat Hij hoort, zal Hij spreken. En wat komen gaat, zal Hij jullie meedelen.** Brontekst: ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | ἔλθῃ (elthe) = komt | ἐκεῖνος (ekeinos) = Hij | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = Geest | τῆς (tes) = van de | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | ὁδηγήσει (hodegesei) = zal leiden | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀληθείᾳ (aletheia) = waarheid | πάσῃ (pase) = hele | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | λαλήσει (lalesei) = zal spreken | ἀφ’ (aph’) = uit | ἑαυτοῦ (heautou) = Zichzelf | ἀλλ’ (all’) = maar | ὅσα (hosa) = wat | ἀκούσει (akousei) = zal horen | λαλήσει (lalesei) = zal spreken | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = het | ἐρχόμενα (erchomena) = komende | ἀναγγελεῖ (anangelei) = zal meedelen | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τὸ πνεῦμα τῆς ἀληθείας (to pneuma tes aletheias), ‘de Geest van de waarheid’: de Heilige Geest; zie ook Joh. 14:17 en 15:26. Hij die komt, wordt in het Grieks met ἐκεῖνος (ekeinos), ‘Die’, aangeduid; wij schrijven ‘Hij’. Voetnoot : ὁδηγέω (hodegeo), ‘leiden’: de weg wijzen. Voetnoot : ἀναγγέλλω (anangello), ‘meedelen’: bekendmaken wat er is of komt. Zie ook: Joh 14:17; Joh 15:26 **16:14** **Hij zal Mij verheerlijken, omdat Hij van het Mijne zal nemen en het jullie zal meedelen.** Brontekst: ἐκεῖνος (ekeinos) = Hij | ἐμὲ (eme) = Mij | δοξάσει (doxasei) = zal verheerlijken | ὅτι (hoti) = omdat | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ἐμοῦ (emou) = Mijne | λήμψεται (lempsetai) = zal nemen | καὶ (kai) = en | ἀναγγελεῖ (anangelei) = zal meedelen | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT **16:15** **Alles wat de Vader heeft, is van Mij. Daarom heb Ik gezegd dat Hij van het Mijne neemt en het jullie zal meedelen.** Brontekst: πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | ἔχει (echei) = heeft | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | ἐμά (ema) = Mijn | ἐστιν (estin) = is | διὰ (dia) = om | τοῦτο (touto) = dit | εἶπον (eipon) = zei Ik | ὅτι (hoti) = dat | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | ἐμοῦ (emou) = Mijne | λαμβάνει (lambanei) = neemt | καὶ (kai) = en | ἀναγγελεῖ (anangelei) = zal meedelen | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT ### Een korte tijd **16:16** **Een korte tijd, en jullie zien Mij niet meer. En weer een korte tijd, en jullie zullen Mij zien.”** Brontekst: Μικρὸν (Mikron) = een korte tijd | καὶ (kai) = en | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | θεωρεῖτέ (theoreite) = jullie zien | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = weer | μικρὸν (mikron) = een korte tijd | καὶ (kai) = en | ὄψεσθέ (opsesthe) = jullie zullen zien | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μικρόν (mikron), ‘een korte tijd’: letterlijk ‘een kleine’. Er staan twee Griekse woorden voor ‘zien’: θεωρέω (theoreo) en ὁράω (horao); wij vertalen beide met ‘zien’. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staan aan het eind van dit vers ook de woorden ‘omdat Ik naar de Vader ga’ (vergelijk 16:17). De SBLGNT heeft ze hier niet. **16:17** Daarom zeiden sommigen van Zijn leerlingen tegen elkaar: „Wat is dit dat Hij ons zegt: **‘Een korte tijd, en jullie zien Mij niet, en weer een korte tijd, en jullie zullen Mij zien’**? En: **‘Omdat Ik naar de Vader ga’**?” Brontekst: εἶπαν (eipan) = zeiden | οὖν (oun) = dus | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | Τί (Ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | τοῦτο (touto) = dit | ὃ (ho) = wat | λέγει (legei) = Hij zegt | ἡμῖν (hemin) = ons | Μικρὸν (Mikron) = een korte tijd | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | θεωρεῖτέ (theoreite) = jullie zien | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = weer | μικρὸν (mikron) = een korte tijd | καὶ (kai) = en | ὄψεσθέ (opsesthe) = jullie zullen zien | με (me) = Mij | καί (kai) = en | Ὅτι (Hoti) = omdat | ὑπάγω (hypago) = Ik ga | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De leerlingen halen de woorden van Yeshua aan uit 16:16 en 16:10. Wij zetten die aanhalingen rood. **16:18** Zij zeiden dus: „Wat is dit, wat Hij zegt: **‘Een korte tijd’**? Wij weten niet wat Hij zegt.” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | Τί (Ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | τοῦτο (touto) = dit | ὃ (ho) = wat | λέγει (legei) = Hij zegt | μικρόν (mikron) = een korte tijd | οὐκ (ouk) = niet | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | τί (ti) = wat | λαλεῖ (lalei) = Hij zegt Bron: SBLGNT **16:19** Yeshua wist dat zij Hem wilden vragen. Hij zei tegen hen: **„Zoeken jullie hierover onder elkaar, omdat Ik gezegd heb: ‘Een korte tijd, en jullie zien Mij niet, en weer een korte tijd, en jullie zullen Mij zien’?** Brontekst: ἔγνω (egno) = wist | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | ἤθελον (ethelon) = zij wilden | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐρωτᾶν (erotan) = vragen | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Περὶ (Peri) = over | τούτου (toutou) = dit | ζητεῖτε (zeteite) = jullie zoeken | μετ’ (met’) = met | ἀλλήλων (allelon) = elkaar | ὅτι (hoti) = omdat | εἶπον (eipon) = Ik zei | Μικρὸν (Mikron) = een korte tijd | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | θεωρεῖτέ (theoreite) = jullie zien | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = weer | μικρὸν (mikron) = een korte tijd | καὶ (kai) = en | ὄψεσθέ (opsesthe) = jullie zullen zien | με (me) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐρωτάω (erotao), ‘vragen’: een vraag stellen aan iemand. ### Verdriet wordt vreugde **16:20** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: jullie zullen huilen en weeklagen, maar de wereld zal zich verheugen. Jullie zullen bedroefd worden, maar jullie verdriet zal vreugde worden.** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | κλαύσετε (klausete) = jullie zullen huilen | καὶ (kai) = en | θρηνήσετε (threnesete) = zullen weeklagen | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | κόσμος (kosmos) = wereld | χαρήσεται (charesetai) = zal zich verheugen | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | λυπηθήσεσθε (lypethesesthe) = zullen bedroefd worden | ἀλλ’ (all’) = maar | ἡ (he) = het | λύπη (lype) = verdriet | ὑμῶν (hymon) = jullie | εἰς (eis) = tot | χαρὰν (charan) = vreugde | γενήσεται (genesetai) = zal worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀμὴν ἀμήν (amen amen), ‘voorwaar, voorwaar’: een plechtige beklemtoning; Johannes laat het woord altijd dubbel klinken. Voetnoot : κλαίω (klaio), ‘huilen’, en θρηνέω (threneo), ‘weeklagen’: luid klagen en rouwen. **16:21** **Een vrouw heeft verdriet wanneer zij baart, omdat haar uur gekomen is. Maar wanneer zij het kind gebaard heeft, denkt zij niet meer aan de verdrukking, vanwege de vreugde dat een mens in de wereld geboren is.** Brontekst: ἡ (he) = de | γυνὴ (gyne) = vrouw | ὅταν (hotan) = wanneer | τίκτῃ (tikte) = zij baart | λύπην (lypen) = verdriet | ἔχει (echei) = heeft | ὅτι (hoti) = omdat | ἦλθεν (elthen) = gekomen is | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | αὐτῆς (autes) = haar | ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | γεννήσῃ (gennese) = zij gebaard heeft | τὸ (to) = het | παιδίον (paidion) = kind | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | μνημονεύει (mnemoneuei) = zij denkt aan | τῆς (tes) = de | θλίψεως (thlipseos) = verdrukking | διὰ (dia) = vanwege | τὴν (ten) = de | χαρὰν (charan) = vreugde | ὅτι (hoti) = dat | ἐγεννήθη (egennethe) = geboren is | ἄνθρωπος (anthropos) = mens | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk het beeld van de barende vrouw in Jes. 26:17–18 en Jes. 66:7–9. Voetnoot : θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’: nood, benauwdheid; hetzelfde woord als in 16:33. Zie ook: Jes 26:17–18; Jes 66:7–9 **16:22** **Ook jullie hebben dus nu verdriet. Maar Ik zal jullie weer zien, en jullie hart zal zich verheugen, en niemand neemt jullie vreugde van jullie weg.** Brontekst: καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | οὖν (oun) = dus | νῦν (nyn) = nu | μὲν (men) = enerzijds | λύπην (lypen) = verdriet | ἔχετε (echete) = hebben | πάλιν (palin) = weer | δὲ (de) = maar | ὄψομαι (opsomai) = Ik zal zien | ὑμᾶς (hymas) = jullie | καὶ (kai) = en | χαρήσεται (charesetai) = zal zich verheugen | ὑμῶν (hymon) = jullie | ἡ (he) = het | καρδία (kardia) = hart | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | χαρὰν (charan) = vreugde | ὑμῶν (hymon) = jullie | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | αἴρει (airei) = neemt weg | ἀφ’ (aph’) = van | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 66:14: ‘jullie hart zal zich verheugen’. Zie ook: Jes 66:14 ### Vragen in Yeshua's naam **16:23** **En op die dag zullen jullie Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: als jullie de Vader om iets vragen, zal Hij het jullie geven in Mijn naam.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐμὲ (eme) = Mij | οὐκ (ouk) = niet | ἐρωτήσετε (erotesete) = jullie zullen vragen | οὐδέν (ouden) = niets | ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἄν (an) = als | τι (ti) = iets | αἰτήσητε (aitesete) = jullie vragen om | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | δώσει (dosei) = zal geven | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Er staan twee Griekse werkwoorden voor ‘vragen’. ἐρωτάω (erotao) is een vraag stellen: ‘Mij zullen jullie niets vragen’. αἰτέω (aiteo) is ergens om vragen, bidden om: ‘de Vader om iets vragen’. Wij vertalen αἰτέω met ‘vragen om’. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staan de woorden ‘in Mijn naam’ vóór ‘zal Hij het jullie geven’: ‘als jullie de Vader in Mijn naam om iets vragen’. De SBLGNT heeft ze erna. **16:24** **Tot nu toe hebben jullie in Mijn naam om niets gevraagd. Vraag erom en jullie zullen ontvangen, opdat jullie vreugde vervuld is.** Brontekst: ἕως (heos) = tot | ἄρτι (arti) = nu | οὐκ (ouk) = niet | ᾐτήσατε (etesate) = jullie vroegen om | οὐδὲν (ouden) = niets | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | αἰτεῖτε (aiteite) = vraag erom | καὶ (kai) = en | λήμψεσθε (lempsesthe) = jullie zullen ontvangen | ἵνα (hina) = opdat | ἡ (he) = de | χαρὰ (chara) = vreugde | ὑμῶν (hymon) = jullie | ᾖ (e) = is | πεπληρωμένη (pepleromene) = vervuld Bron: SBLGNT ### Openlijk over de Vader **16:25** **Dit heb Ik jullie in beeldspraak gezegd. Er komt een uur dat Ik niet meer in beeldspraak tot jullie zal spreken, maar jullie openlijk over de Vader zal vertellen.** Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = dit | ἐν (en) = in | παροιμίαις (paroimiais) = beeldspraken | λελάληκα (lelaleka) = heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὥρα (hora) = uur | ὅτε (hote) = wanneer | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | ἐν (en) = in | παροιμίαις (paroimiais) = beeldspraken | λαλήσω (laleso) = Ik zal spreken | ὑμῖν (hymin) = tot jullie | ἀλλὰ (alla) = maar | παρρησίᾳ (parresia) = openlijk | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = Vader | ἀπαγγελῶ (apangelo) = zal vertellen | ὑμῖν (hymin) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παροιμία (paroimia), ‘beeldspraak’: verhullende taal, een gezegde of raadselachtige spreuk. Zie ook 16:29. **16:26** **Op die dag zullen jullie in Mijn naam erom vragen. En Ik zeg jullie niet dat Ik de Vader voor jullie zal vragen.** Brontekst: ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | μου (mou) = Mijn | αἰτήσεσθε (aitesesthe) = jullie zullen vragen om | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | λέγω (lego) = Ik zeg | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐρωτήσω (eroteso) = zal vragen | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | περὶ (peri) = over | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐρωτάω (erotao) is hier ‘vragen’ in de zin van een verzoek doen; zie 16:23. **16:27** **Want de Vader zelf heeft jullie lief, omdat jullie Mij liefgehad hebben en geloofd hebben dat Ik van Elohim ben uitgegaan.** Brontekst: αὐτὸς (autos) = zelf | γὰρ (gar) = want | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | φιλεῖ (philei) = heeft lief | ὑμᾶς (hymas) = jullie | ὅτι (hoti) = omdat | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | ἐμὲ (eme) = Mij | πεφιλήκατε (pephilekate) = liefgehad hebben | καὶ (kai) = en | πεπιστεύκατε (pepisteukate) = geloofd hebben | ὅτι (hoti) = dat | ἐγὼ (ego) = Ik | παρὰ (para) = van | τοῦ (tou) = de | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐξῆλθον (exelthon) = ben uitgegaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: φιλέω (phileo), ‘liefhebben’: het Grieks heeft hier niet ἀγαπάω (agapao). Wij vertalen beide met ‘liefhebben’ (zie ook de voetnoot bij Joh. 21:15–17). Voetnoot : παρὰ τοῦ θεοῦ (para tou theou), ‘van Elohim’: letterlijk ‘van bij Elohim’. Zie ook: Joh 21:15–17 **16:28** **Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen. Weer verlaat Ik de wereld en ga Ik naar de Vader.”** Brontekst: ἐξῆλθον (exelthon) = Ik ben uitgegaan | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | πατρὸς (patros) = Vader | καὶ (kai) = en | ἐλήλυθα (elelytha) = Ik ben gekomen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | πάλιν (palin) = weer | ἀφίημι (aphiemi) = Ik verlaat | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | καὶ (kai) = en | πορεύομαι (poreuomai) = Ik ga | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader Bron: SBLGNT ### Geloof en verstrooiing **16:29** Zijn leerlingen zeiden: „Zie, nu spreekt U openlijk, en U gebruikt geen enkele beeldspraak. Brontekst: Λέγουσιν (Legousin) = zeggen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Ἴδε (Ide) = zie | νῦν (nyn) = nu | ἐν (en) = in | παρρησίᾳ (parresia) = openlijkheid | λαλεῖς (laleis) = U spreekt | καὶ (kai) = en | παροιμίαν (paroimian) = beeldspraak | οὐδεμίαν (oudemian) = geen enkele | λέγεις (legeis) = U gebruikt Bron: SBLGNT **16:30** Nu weten wij dat U alles weet en niet nodig hebt dat iemand U iets vraagt. Hierdoor geloven wij dat U van Elohim bent uitgegaan.” Brontekst: νῦν (nyn) = nu | οἴδαμεν (oidamen) = wij weten | ὅτι (hoti) = dat | οἶδας (oidas) = U weet | πάντα (panta) = alles | καὶ (kai) = en | οὐ (ou) = niet | χρείαν (chreian) = behoefte | ἔχεις (echeis) = U hebt | ἵνα (hina) = opdat | τίς (tis) = iemand | σε (se) = U | ἐρωτᾷ (erota) = vraagt | ἐν (en) = in | τούτῳ (touto) = dit | πιστεύομεν (pisteuomen) = wij geloven | ὅτι (hoti) = dat | ἀπὸ (apo) = van | θεοῦ (theou) = Elohim | ἐξῆλθες (exelthes) = U bent uitgegaan Bron: SBLGNT **16:31** Yeshua antwoordde hun: **„Geloven jullie nu?** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἄρτι (Arti) = nu | πιστεύετε (pisteuete) = geloven jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks kan een vraag zijn (‘Geloven jullie nu?’) of een vaststelling (‘Nu geloven jullie’). Wij lezen het als vraag, omdat Yeshua daarna aankondigt dat zij Hem zullen verlaten. **16:32** **Zie, er komt een uur, en het is al gekomen, dat jullie verstrooid worden, ieder naar zijn eigen huis, en Mij alleen achterlaten. En Ik ben niet alleen, want de Vader is met Mij.** Brontekst: ἰδοὺ (idou) = zie | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὥρα (hora) = uur | καὶ (kai) = en | ἐλήλυθεν (elelythen) = is gekomen | ἵνα (hina) = opdat | σκορπισθῆτε (skorpisthete) = jullie verstrooid worden | ἕκαστος (hekastos) = ieder | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = het | ἴδια (idia) = eigene | κἀμὲ (kame) = en Mij | μόνον (monon) = alleen | ἀφῆτε (aphete) = jullie achterlaten | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = Ik ben | μόνος (monos) = alleen | ὅτι (hoti) = omdat | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὰ ἴδια (eis ta idia), ‘naar het eigene’: naar zijn eigen huis of plaats; zie ook Joh. 19:27. Vergelijk Zach. 13:7 en de parallel in Matt. 26:31 en Mark. 14:27. Zie ook: Zach 13:7; Mat 26:31; Mar 14:27; Joh 19:27 ### Vrede en overwinning **16:33** **Dit heb Ik jullie gezegd, opdat jullie in Mij vrede hebben. In de wereld hebben jullie verdrukking, maar houd moed: Ik heb de wereld overwonnen.”** Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | λελάληκα (lelaleka) = heb gezegd | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἵνα (hina) = opdat | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | εἰρήνην (eirenen) = vrede | ἔχητε (echete) = jullie hebben | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | θλῖψιν (thlipsin) = verdrukking | ἔχετε (echete) = jullie hebben | ἀλλὰ (alla) = maar | θαρσεῖτε (tharseite) = houd moed | ἐγὼ (ego) = Ik | νενίκηκα (nenikeka) = heb overwonnen | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’: zie 16:21. νικάω (nikao), ‘overwinnen’. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat de toekomende tijd: ‘in de wereld zullen jullie verdrukking hebben’. De SBLGNT heeft de tegenwoordige tijd. ## Johannes 17 _Het gebed van Yeshua voor Zichzelf, Zijn leerlingen en allen die zullen geloven_ ### Yeshua bidt voor Zichzelf **17:1** Dit sprak Yeshua. Hij sloeg Zijn ogen op naar de hemel en zei: **„Vader, het uur is gekomen. Verheerlijk Uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijkt,** Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = dit | ἐλάλησεν (elalesen) = sprak | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐπάρας (eparas) = opgeslagen hebbend | τοὺς (tous) = de | ὀφθαλμοὺς (ophthalmous) = ogen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | οὐρανὸν (ouranon) = hemel | εἶπεν (eipen) = zei | Πάτερ (Pater) = Vader | ἐλήλυθεν (elelythen) = is gekomen | ἡ (he) = het | ὥρα (hora) = uur | δόξασόν (doxason) = verheerlijk | σου (sou) = Uw | τὸν (ton) = de | υἱόν (huion) = Zoon | ἵνα (hina) = opdat | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | δοξάσῃ (doxase) = verheerlijkt | σέ (se) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὥρα (hora), ‘uur’: het beslissende moment van Yeshua’s lijden en verheerlijking; zie ook Joh. 2:4, 7:30, 8:20, 12:23 en 13:1. Voetnoot : δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: eer en heerlijkheid geven. Yeshua spreekt de Vader aan met ‘U’ en ‘Uw’; de Zoon noemt Zichzelf hier ‘de Zoon’. Zie ook: Joh 2:4; Joh 7:30; Joh 8:20; Joh 12:23; Joh 13:1 **17:2** **zoals U Hem gezag gegeven hebt over alle mensen, opdat Hij aan allen die U Hem gegeven hebt, eeuwig leven geeft.** Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | ἔδωκας (edokas) = U gaf | αὐτῷ (auto) = Hem | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | πάσης (pases) = van alle | σαρκός (sarkos) = vlees | ἵνα (hina) = opdat | πᾶν (pan) = alles | ὃ (ho) = wat | δέδωκας (dedokas) = U hebt gegeven | αὐτῷ (auto) = Hem | δώσῃ (dose) = Hij zal geven | αὐτοῖς (autois) = hun | ζωὴν (zoen) = leven | αἰώνιον (aionion) = eeuwig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σάρξ (sarx), ‘vlees’: de mens in zijn sterfelijkheid. Het Grieks heeft ‘over alle vlees’; wij schrijven ‘alle mensen’. Voetnoot : πᾶν ὅ (pan ho), ‘alles wat’: het Grieks heeft hier een enkelvoud (‘alles wat U Hem gegeven hebt’) met daarna ‘hun’; wij schrijven ‘allen die’. **17:3** **Dit is het eeuwige leven: dat zij U kennen, de enige waarachtige Elohim, en Hem die U gezonden hebt, Yeshua de Messias.** Brontekst: αὕτη (haute) = dit | δέ (de) = maar | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = het | αἰώνιος (aionios) = eeuwige | ζωὴ (zoe) = leven | ἵνα (hina) = opdat | γινώσκωσι (ginoskosi) = zij kennen | σὲ (se) = U | τὸν (ton) = de | μόνον (monon) = enige | ἀληθινὸν (alethinon) = waarachtige | θεὸν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | ὃν (hon) = die | ἀπέστειλας (apesteilas) = U zond | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | Χριστόν (Christon) = Messias Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ζωὴ αἰώνιος (zoe aionios), ‘eeuwig leven’. Voetnoot : Χριστός (Christos), ‘Messias’: ‘gezalfde’, Hebreeuws מָשִׁיחַ (mashiach). γινώσκω (ginosko), ‘kennen’: kennen door omgang met iemand. Voetnoot : Vergelijk Deut. 6:4 en Jer. 10:10 (‘Yahweh is een Elohim van waarheid’). Zie ook: Deut 6:4; Jer 10:10 **17:4** **Ik heb U verheerlijkt op de aarde, door het werk te voltooien dat U Mij gegeven hebt om te doen.** Brontekst: ἐγώ (ego) = Ik | σε (se) = U | ἐδόξασα (edoxasa) = verheerlijkte | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = de | γῆς (ges) = aarde | τὸ (to) = het | ἔργον (ergon) = werk | τελειώσας (teleiosas) = voltooiend | ὃ (ho) = wat | δέδωκάς (dedokas) = U hebt gegeven | μοι (moi) = Mij | ἵνα (hina) = opdat | ποιήσω (poieso) = Ik zou doen Bron: SBLGNT Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat hier ‘Ik heb het werk voltooid dat U Mij gegeven hebt’. De SBLGNT heeft ‘door het werk te voltooien’. **17:5** **En nu, Vader, verheerlijk Mij bij Uzelf met de heerlijkheid die Ik bij U had voordat de wereld bestond.** Brontekst: καὶ (kai) = en | νῦν (nyn) = nu | δόξασόν (doxason) = verheerlijk | με (me) = Mij | σύ (sy) = U | πάτερ (pater) = Vader | παρὰ (para) = bij | σεαυτῷ (seauto) = Uzelf | τῇ (te) = de | δόξῃ (doxe) = heerlijkheid | ᾗ (he) = waarmee | εἶχον (eichon) = Ik had | πρὸ (pro) = voor | τοῦ (tou) = het | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | εἶναι (einai) = zijn | παρὰ (para) = bij | σοί (soi) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σύ (sy), ‘U’: het Grieks legt nadruk op ‘U’; wij laten die nadruk in de zin vallen. ### Yeshua bidt voor Zijn leerlingen **17:6** **Ik heb Uw naam geopenbaard aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren van U, en U hebt hen aan Mij gegeven. Zij hebben Uw woord bewaard.** Brontekst: Ἐφανέρωσά (Ephanerosa) = Ik heb geopenbaard | σου (sou) = Uw | τὸ (to) = de | ὄνομα (onoma) = naam | τοῖς (tois) = aan de | ἀνθρώποις (anthropois) = mensen | οὓς (hous) = die | ἔδωκάς (edokas) = U gaf | μοι (moi) = Mij | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | σοὶ (soi) = aan U | ἦσαν (esan) = zij waren | κἀμοὶ (kamoi) = en aan Mij | αὐτοὺς (autous) = hen | ἔδωκας (edokas) = U gaf | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | σου (sou) = Uw | τετήρηκαν (teterekan) = zij hebben bewaard Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὄνομα (onoma), ‘naam’: in de Schrift ook de persoon zelf en wat Hij is. Voetnoot : φανερόω (phaneroo), ‘openbaren’: zichtbaar maken. τηρέω (tereo), ‘bewaren’. **17:7** **Nu hebben zij erkend dat alles wat U Mij gegeven hebt, van U komt.** Brontekst: νῦν (nyn) = nu | ἔγνωκαν (egnokan) = zij hebben erkend | ὅτι (hoti) = dat | πάντα (panta) = alles | ὅσα (hosa) = wat | δέδωκάς (dedokas) = U hebt gegeven | μοι (moi) = Mij | παρὰ (para) = van | σοῦ (sou) = U | εἰσιν (eisin) = is Bron: SBLGNT **17:8** **Want de woorden die U Mij gegeven hebt, heb Ik aan hen gegeven. Zij hebben ze aangenomen en werkelijk erkend dat Ik van U ben uitgegaan. Zij hebben geloofd dat U Mij gezonden hebt.** Brontekst: ὅτι (hoti) = omdat | τὰ (ta) = de | ῥήματα (rhemata) = woorden | ἃ (ha) = die | ἔδωκάς (edokas) = U gaf | μοι (moi) = Mij | δέδωκα (dedoka) = Ik heb gegeven | αὐτοῖς (autois) = hun | καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἔλαβον (elabon) = namen aan | καὶ (kai) = en | ἔγνωσαν (egnosan) = erkenden | ἀληθῶς (alethos) = werkelijk | ὅτι (hoti) = dat | παρὰ (para) = van | σοῦ (sou) = U | ἐξῆλθον (exelthon) = Ik ben uitgegaan | καὶ (kai) = en | ἐπίστευσαν (episteusan) = zij geloofden | ὅτι (hoti) = dat | σύ (sy) = U | με (me) = Mij | ἀπέστειλας (apesteilas) = zondt Bron: SBLGNT **17:9** **Ik vraag voor hen. Ik vraag niet voor de wereld, maar voor hen die U Mij gegeven hebt, omdat zij van U zijn.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | περὶ (peri) = over | αὐτῶν (auton) = hen | ἐρωτῶ (eroto) = vraag | οὐ (ou) = niet | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | ἐρωτῶ (eroto) = Ik vraag | ἀλλὰ (alla) = maar | περὶ (peri) = over | ὧν (hon) = die | δέδωκάς (dedokas) = U hebt gegeven | μοι (moi) = Mij | ὅτι (hoti) = omdat | σοί (soi) = van U | εἰσιν (eisin) = zij zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐρωτάω (erotao), ‘vragen’: hier een verzoek doen; zie de voetnoot bij Joh. 16:23. Zie ook: Joh 16:23 **17:10** **En al het Mijne is het Uwe, en het Uwe is het Mijne. En Ik ben in hen verheerlijkt.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = het | ἐμὰ (ema) = Mijne | πάντα (panta) = alles | σά (sa) = het Uwe | ἐστιν (estin) = is | καὶ (kai) = en | τὰ (ta) = het | σὰ (sa) = Uwe | ἐμά (ema) = het Mijne | καὶ (kai) = en | δεδόξασμαι (dedoxasmai) = Ik ben verheerlijkt | ἐν (en) = in | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT **17:11** **Ik ben niet meer in de wereld, en zij zijn in de wereld, en Ik kom naar U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw naam, die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals Wij.** Brontekst: καὶ (kai) = en | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | εἰμὶ (eimi) = Ik ben | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | εἰσίν (eisin) = zijn | κἀγὼ (kago) = en Ik | πρὸς (pros) = naar | σὲ (se) = U | ἔρχομαι (erchomai) = kom | πάτερ (pater) = Vader | ἅγιε (hagie) = heilige | τήρησον (tereson) = bewaar | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | σου (sou) = Uw | ᾧ (ho) = die | δέδωκάς (dedokas) = U hebt gegeven | μοι (moi) = Mij | ἵνα (hina) = opdat | ὦσιν (osin) = zij zijn | ἓν (hen) = één | καθὼς (kathos) = zoals | ἡμεῖς (hemeis) = Wij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡμεῖς (hemeis), ‘Wij’: de Vader en de Zoon; hoofdletter, zoals in Gen. 1:26. Vergelijk Joh. 10:30. Voetnoot : τηρέω (tereo), ‘bewaren’; ἅγιος (hagios), ‘heilig’. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat hier ‘bewaar hen die U Mij gegeven hebt, in Uw naam’. De SBLGNT heeft ‘in Uw naam, die U Mij gegeven hebt’. Zie ook: Gen 1:26; Joh 10:30 **17:12** **Toen Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw naam, die U Mij gegeven hebt. Ik heb hen beschermd, en niemand van hen is verloren gegaan, behalve de zoon van het verderf, opdat de Schrift vervuld zou worden.** Brontekst: ὅτε (hote) = toen | ἤμην (emen) = Ik was | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | ἐγὼ (ego) = Ik | ἐτήρουν (eteroun) = bewaarde | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματί (onomati) = naam | σου (sou) = Uw | ᾧ (ho) = die | δέδωκάς (dedokas) = U hebt gegeven | μοι (moi) = Mij | καὶ (kai) = en | ἐφύλαξα (ephylaxa) = Ik heb beschermd | καὶ (kai) = en | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | ἀπώλετο (apoleto) = is verloren gegaan | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = zoon | τῆς (tes) = van het | ἀπωλείας (apoleias) = verderf | ἵνα (hina) = opdat | ἡ (he) = de | γραφὴ (graphe) = Schrift | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ υἱὸς τῆς ἀπωλείας (ho huios tes apoleias), ‘de zoon van het verderf’: een Hebreeuwse manier om te zeggen dat iemand bestemd is voor het verderf. De tekst noemt geen naam. Voetnoot : φυλάσσω (phylasso), ‘beschermen’. ἡ γραφή (he graphe), ‘de Schrift’: het Grieks zegt niet welke Schriftplaats; vergelijk Joh. 13:18. Zie ook: Joh 13:18 **17:13** **Maar nu kom Ik naar U, en dit spreek Ik in de wereld, opdat zij Mijn vreugde vervuld in zichzelf hebben.** Brontekst: νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = naar | σὲ (se) = U | ἔρχομαι (erchomai) = Ik kom | καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | λαλῶ (lalo) = Ik spreek | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | ἵνα (hina) = opdat | ἔχωσιν (echosin) = zij hebben | τὴν (ten) = de | χαρὰν (charan) = vreugde | τὴν (ten) = de | ἐμὴν (emen) = Mijne | πεπληρωμένην (pepleromenen) = vervuld | ἐν (en) = in | ἑαυτοῖς (heautois) = henzelf Bron: SBLGNT **17:14** **Ik heb hun Uw woord gegeven. En de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet van de wereld zijn, zoals Ik niet van de wereld ben.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | δέδωκα (dedoka) = heb gegeven | αὐτοῖς (autois) = hun | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | σου (sou) = Uw | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | ἐμίσησεν (emisesen) = haatte | αὐτούς (autous) = hen | ὅτι (hoti) = omdat | οὐκ (ouk) = niet | εἰσὶν (eisin) = zij zijn | ἐκ (ek) = van | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | καθὼς (kathos) = zoals | ἐγὼ (ego) = Ik | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐκ (ek) = van | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld Bron: SBLGNT **17:15** **Ik vraag niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze.** Brontekst: οὐκ (ouk) = niet | ἐρωτῶ (eroto) = Ik vraag | ἵνα (hina) = dat | ἄρῃς (ares) = U wegneemt | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | ἀλλ’ (all’) = maar | ἵνα (hina) = dat | τηρήσῃς (tereses) = U bewaart | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐκ (ek) = voor | τοῦ (tou) = de | πονηροῦ (ponerou) = boze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τοῦ πονηροῦ (tou ponerou), ‘de boze’ of ‘het kwade’: het Grieks kan beide zijn. Wij schrijven ‘de boze’, zoals in Matt. 6:13. Zie ook: Mat 6:13 **17:16** **Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben.** Brontekst: ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | οὐκ (ouk) = niet | εἰσὶν (eisin) = zij zijn | καθὼς (kathos) = zoals | ἐγὼ (ego) = Ik | οὐκ (ouk) = niet | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld Bron: SBLGNT **17:17** **Heilig hen in de waarheid. Uw woord is waarheid.** Brontekst: ἁγίασον (hagiason) = heilig | αὐτοὺς (autous) = hen | ἐν (en) = in | τῇ (te) = de | ἀληθείᾳ (aletheia) = waarheid | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | ὁ (ho) = het | σὸς (sos) = Uwe | ἀλήθειά (aletheia) = waarheid | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἁγιάζω (hagiazo), ‘heiligen’: apart zetten voor Elohim. **17:18** **Zoals U Mij in de wereld gezonden hebt, heb ook Ik hen in de wereld gezonden.** Brontekst: καθὼς (kathos) = zoals | ἐμὲ (eme) = Mij | ἀπέστειλας (apesteilas) = U zond | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | κἀγὼ (kago) = ook Ik | ἀπέστειλα (apesteila) = Ik zond | αὐτοὺς (autous) = hen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld Bron: SBLGNT **17:19** **En voor hen heilig Ik Mijzelf, opdat ook zij geheiligd zijn in waarheid.** Brontekst: καὶ (kai) = en | ὑπὲρ (hyper) = voor | αὐτῶν (auton) = hen | ἐγὼ (ego) = Ik | ἁγιάζω (hagiazo) = heilig | ἐμαυτόν (emauton) = Mijzelf | ἵνα (hina) = opdat | ὦσιν (osin) = zij zijn | καὶ (kai) = ook | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἡγιασμένοι (hegiasmenoi) = geheiligd | ἐν (en) = in | ἀληθείᾳ (aletheia) = waarheid Bron: SBLGNT ### Yeshua bidt voor allen die geloven **17:20** **Ik vraag niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven,** Brontekst: Οὐ (Ou) = niet | περὶ (peri) = over | τούτων (touton) = dezen | δὲ (de) = maar | ἐρωτῶ (eroto) = Ik vraag | μόνον (monon) = alleen | ἀλλὰ (alla) = maar | καὶ (kai) = ook | περὶ (peri) = over | τῶν (ton) = de | πιστευόντων (pisteuonton) = gelovenden | διὰ (dia) = door | τοῦ (tou) = het | λόγου (logou) = woord | αὐτῶν (auton) = hun | εἰς (eis) = in | ἐμέ (eme) = Mij Bron: SBLGNT **17:21** **opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U. Opdat ook zij in Ons zijn, opdat de wereld gelooft dat U Mij gezonden hebt.** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | πάντες (pantes) = allen | ἓν (hen) = één | ὦσιν (osin) = zij zijn | καθὼς (kathos) = zoals | σύ (sy) = U | πάτερ (pater) = Vader | ἐν (en) = in | ἐμοὶ (emoi) = Mij | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἐν (en) = in | σοί (soi) = U | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | αὐτοὶ (autoi) = zij | ἐν (en) = in | ἡμῖν (hemin) = Ons | ὦσιν (osin) = zij zijn | ἵνα (hina) = opdat | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | πιστεύῃ (pisteue) = gelooft | ὅτι (hoti) = dat | σύ (sy) = U | με (me) = Mij | ἀπέστειλας (apesteilas) = zondt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἡμῖν (hemin), ‘Ons’: de Vader en de Zoon; hoofdletter, zoals ‘Wij’ in 17:11. **17:22** **De heerlijkheid die U Mij gegeven hebt, heb Ik aan hen gegeven, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn,** Brontekst: κἀγὼ (kago) = en Ik | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | ἣν (hen) = die | δέδωκάς (dedokas) = U hebt gegeven | μοι (moi) = Mij | δέδωκα (dedoka) = Ik heb gegeven | αὐτοῖς (autois) = hun | ἵνα (hina) = opdat | ὦσιν (osin) = zij zijn | ἓν (hen) = één | καθὼς (kathos) = zoals | ἡμεῖς (hemeis) = Wij | ἕν (hen) = één Bron: SBLGNT **17:23** **Ik in hen en U in Mij, opdat zij volmaakt één zijn. Opdat de wereld erkent dat U Mij gezonden hebt en hen liefgehad hebt zoals U Mij liefgehad hebt.** Brontekst: ἐγὼ (ego) = Ik | ἐν (en) = in | αὐτοῖς (autois) = hen | καὶ (kai) = en | σὺ (sy) = U | ἐν (en) = in | ἐμοί (emoi) = Mij | ἵνα (hina) = opdat | ὦσιν (osin) = zij zijn | τετελειωμένοι (teteleiomenoi) = volmaakt gemaakt | εἰς (eis) = tot | ἕν (hen) = één | ἵνα (hina) = opdat | γινώσκῃ (ginoske) = erkent | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | ὅτι (hoti) = dat | σύ (sy) = U | με (me) = Mij | ἀπέστειλας (apesteilas) = zondt | καὶ (kai) = en | ἠγάπησας (egapesas) = U hebt liefgehad | αὐτοὺς (autous) = hen | καθὼς (kathos) = zoals | ἐμὲ (eme) = Mij | ἠγάπησας (egapesas) = U hebt liefgehad Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’; ἀγάπη (agape), ‘liefde’ (17:26). Voetnoot : τελειόω (teleioo), ‘volmaken’: het Grieks heeft ‘volmaakt gemaakt tot één’; wij schrijven ‘volmaakt één’. Voetnoot : γινώσκω (ginosko) met ‘dat’ vertalen wij hier met ‘erkennen’. **17:24** **Vader, wat U Mij gegeven hebt: Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn. Opdat zij Mijn heerlijkheid zien die U Mij gegeven hebt, omdat U Mij liefgehad hebt vóór de grondlegging van de wereld.** Brontekst: πάτερ (pater) = Vader | ὃ (ho) = wat | δέδωκάς (dedokas) = U hebt gegeven | μοι (moi) = Mij | θέλω (thelo) = Ik wil | ἵνα (hina) = opdat | ὅπου (hopou) = waar | εἰμὶ (eimi) = ben | ἐγὼ (ego) = Ik | κἀκεῖνοι (kakeinoi) = en die ook | ὦσιν (osin) = zij zijn | μετ’ (met’) = met | ἐμοῦ (emou) = Mij | ἵνα (hina) = opdat | θεωρῶσιν (theorosin) = zij aanschouwen | τὴν (ten) = de | δόξαν (doxan) = heerlijkheid | τὴν (ten) = de | ἐμὴν (emen) = Mijne | ἣν (hen) = die | δέδωκάς (dedokas) = U hebt gegeven | μοι (moi) = Mij | ὅτι (hoti) = omdat | ἠγάπησάς (egapesas) = U hebt liefgehad | με (me) = Mij | πρὸ (pro) = voor | καταβολῆς (kataboles) = grondlegging | κόσμου (kosmou) = van de wereld Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: καταβολὴ κόσμου (katabole kosmou), ‘grondlegging van de wereld’: het begin van de schepping. Voetnoot Lezing: In sommige latere handschriften staat hier ‘hen die U Mij gegeven hebt’. De SBLGNT heeft ‘wat U Mij gegeven hebt’. **17:25** **Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend, en dezen hebben erkend dat U Mij gezonden hebt.** Brontekst: Πάτερ (Pater) = Vader | δίκαιε (dikaie) = rechtvaardige | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | κόσμος (kosmos) = wereld | σε (se) = U | οὐκ (ouk) = niet | ἔγνω (egno) = kende | ἐγὼ (ego) = Ik | δέ (de) = maar | σε (se) = U | ἔγνων (egnon) = kende | καὶ (kai) = en | οὗτοι (houtoi) = dezen | ἔγνωσαν (egnosan) = erkenden | ὅτι (hoti) = dat | σύ (sy) = U | με (me) = Mij | ἀπέστειλας (apesteilas) = zondt Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardig’. **17:26** **Ik heb hun Uw naam bekendgemaakt en zal hem bekendmaken, opdat de liefde waarmee U Mij liefgehad hebt, in hen is en Ik in hen.”** Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐγνώρισα (egnorisa) = Ik maakte bekend | αὐτοῖς (autois) = hun | τὸ (to) = de | ὄνομά (onoma) = naam | σου (sou) = Uw | καὶ (kai) = en | γνωρίσω (gnoriso) = zal bekendmaken | ἵνα (hina) = opdat | ἡ (he) = de | ἀγάπη (agape) = liefde | ἣν (hen) = waarmee | ἠγάπησάς (egapesas) = U hebt liefgehad | με (me) = Mij | ἐν (en) = in | αὐτοῖς (autois) = hen | ᾖ (e) = is | κἀγὼ (kago) = en Ik | ἐν (en) = in | αὐτοῖς (autois) = hen Bron: SBLGNT ## Johannes 18 _De gevangenneming in de tuin, Yeshua voor de hogepriester, Petrus en Yeshua voor Pilatus_ ### De gevangenneming in de tuin **18:1** Nadat Yeshua dit gezegd had, ging Hij met Zijn leerlingen naar buiten, naar de overkant van de beek Kidron. Daar was een tuin, en daarin ging Hij binnen, Hij en Zijn leerlingen. Brontekst: Ταῦτα (Tauta) = dit | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | σὺν (syn) = met | τοῖς (tois) = de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | πέραν (peran) = aan de overkant van | τοῦ (tou) = de | χειμάρρου (cheimarrou) = beek | τοῦ (tou) = de | Κεδρὼν (Kedron) = Kidron | ὅπου (hopou) = waar | ἦν (en) = was | κῆπος (kepos) = tuin | εἰς (eis) = in | ὃν (hon) = die | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | αὐτὸς (autos) = Hij zelf | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Zie Tuin over het Kidrondal (Getsemane?; ligging onzeker): Johannes noemt de tuin niet bij naam. De traditie verbindt hem met Getsemane, aan de voet van de Olijfberg, over het Kidrondal. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: χείμαρρος (cheimarros), ‘beek’: een beek die vooral in de regentijd water voert. De beek Kidron lag tussen Jeruzalem en de Olijfberg; vergelijk 2 Sam. 15:23. Voetnoot : κῆπος (kepos), ‘tuin’: Johannes noemt de naam Getsemane niet. Zie ook Matt. 26:36–46; Mark. 14:32–42; Luc. 22:39–46. Zie ook: 2 Sam 15:23; Mat 26:36–46; Mar 14:32–42; Luc 22:39–46 **18:2** Ook Judas, die Hem overleverde, kende die plaats, want Yeshua was daar vaak met Zijn leerlingen samengekomen. Brontekst: ᾔδει (edei) = wist | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | ὁ (ho) = die | παραδιδοὺς (paradidous) = overleverde | αὐτὸν (auton) = Hem | τὸν (ton) = de | τόπον (topon) = plaats | ὅτι (hoti) = omdat | πολλάκις (pollakis) = vaak | συνήχθη (synechthe) = werd bijeengebracht | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐκεῖ (ekei) = daar | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT **18:3** Judas nam dus de cohort mee, en bedienden van de hogepriesters en van de Farizeeën, en kwam daar met fakkels, lampen en wapens. Brontekst: ὁ (ho) = de | οὖν (oun) = dus | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | λαβὼν (labon) = genomen hebbend | τὴν (ten) = de | σπεῖραν (speiran) = cohort | καὶ (kai) = en | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἀρχιερέων (archiereon) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | Φαρισαίων (Pharisaion) = Farizeeën | ὑπηρέτας (hyperetas) = bedienden | ἔρχεται (erchetai) = komt | ἐκεῖ (ekei) = daar | μετὰ (meta) = met | φανῶν (phanon) = fakkels | καὶ (kai) = en | λαμπάδων (lampadon) = lampen | καὶ (kai) = en | ὅπλων (hoplon) = wapens Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σπεῖρα (speira), ‘cohort’: een Romeinse afdeling soldaten; zie ook Matt. 27:27. ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: iemand die opdrachten uitvoert. φανός (phanos), ‘fakkel’, en λαμπάς (lampas), ‘lamp’. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:47–56; Mark. 14:43–52; Luc. 22:47–53. Zie ook: Mat 26:47–56; Mat 27:27; Mar 14:43–52; Luc 22:47–53 **18:4** Yeshua wist dus alles wat over Hem zou komen. Hij ging naar buiten en zei tegen hen: **„Wie zoeken jullie?”** Brontekst: Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὖν (oun) = dus | εἰδὼς (eidos) = wetend | πάντα (panta) = alles | τὰ (ta) = wat | ἐρχόμενα (erchomena) = komt | ἐπ’ (ep’) = over | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Τίνα (Tina) = wie | ζητεῖτε (zeteite) = jullie zoeken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ἐξῆλθεν (exelthen), ‘ging uit’; hier vanuit de tuin naar hen toe. **18:5** Zij antwoordden Hem: „Yeshua de Nazoreeër.” Hij zei tegen hen: **„Ik ben het.”** Ook Judas, die Hem overleverde, stond bij hen. Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = zij antwoordden | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τὸν (ton) = de | Ναζωραῖον (Nazoraion) = Nazoreeër | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | εἱστήκει (heistekei) = stond | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | Ἰούδας (Ioudas) = Judas | ὁ (ho) = die | παραδιδοὺς (paradidous) = overleverde | αὐτὸν (auton) = Hem | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: uit Nazaret; zie ook Matt. 2:23 en 26:71. Voetnoot : Ἐγώ εἰμι (Ego eimi), ‘Ik ben het’: letterlijk ‘Ik ben’. In het Grieks is dit een gewone manier om te zeggen ‘Ik ben het’, maar het klinkt ook als de woorden van Elohim in Exod. 3:14 (‘Ik ben die Ik ben’) en Jes. 43:10 (‘dat Ik Hij ben’); vergelijk Joh. 8:24, 8:28 en 8:58. Zie ook: Ex 3:14; Jes 43:10; Mat 2:23; Mat 26:71; Joh 8:24; Joh 8:28; Joh 8:58 **18:6** Toen Hij tegen hen zei: **„Ik ben het”**, weken zij achteruit en vielen op de grond. Brontekst: ὡς (hos) = toen | οὖν (oun) = dus | εἶπεν (eipen) = Hij zei | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ἐγώ (Ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | ἀπῆλθον (apelthon) = zij gingen weg | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = het | ὀπίσω (opiso) = achter | καὶ (kai) = en | ἔπεσαν (epesan) = vielen | χαμαί (chamai) = op de grond Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks zegt niet waarom zij achteruit weken en vielen. χαμαί (chamai), ‘op de grond’. **18:7** Opnieuw vroeg Hij hun dus: **„Wie zoeken jullie?”** Zij zeiden: „Yeshua de Nazoreeër.” Brontekst: πάλιν (palin) = opnieuw | οὖν (oun) = dus | ἐπηρώτησεν (eperotesen) = Hij vroeg | αὐτούς (autous) = hen | Τίνα (Tina) = wie | ζητεῖτε (zeteite) = jullie zoeken | οἱ (hoi) = zij | δὲ (de) = maar | εἶπαν (eipan) = zeiden | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | τὸν (ton) = de | Ναζωραῖον (Nazoraion) = Nazoreeër Bron: SBLGNT **18:8** Yeshua antwoordde: **„Ik heb jullie gezegd dat Ik het ben. Als jullie dus Mij zoeken, laat dezen dan weggaan.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Εἶπον (Eipon) = Ik zei | ὑμῖν (hymin) = jullie | ὅτι (hoti) = dat | ἐγώ (ego) = Ik | εἰμι (eimi) = ben | εἰ (ei) = als | οὖν (oun) = dus | ἐμὲ (eme) = Mij | ζητεῖτε (zeteite) = jullie zoeken | ἄφετε (aphete) = laat | τούτους (toutous) = dezen | ὑπάγειν (hypagein) = weggaan Bron: SBLGNT **18:9** Dit gebeurde opdat het woord vervuld zou worden dat Hij gezegd had: **„Van hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik er niet één verloren.”** Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld werd | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | ὃν (hon) = dat | εἶπεν (eipen) = Hij zei | ὅτι (hoti) = dat | Οὓς (Hous) = die | δέδωκάς (dedokas) = U hebt gegeven | μοι (moi) = Mij | οὐκ (ouk) = niet | ἀπώλεσα (apolesa) = Ik verloor | ἐξ (ex) = uit | αὐτῶν (auton) = hen | οὐδένα (oudena) = niemand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft hier geen werkwoord voor ‘Dit gebeurde’; wij hebben dat aangevuld, zoals in Mark. 14:49. De aanhaling vat samen wat Yeshua zei in Joh. 17:12; vergelijk ook Joh. 6:39. Zie ook: Mar 14:49; Joh 6:39; Joh 17:12 **18:10** Simon Petrus had een zwaard. Hij trok het, sloeg de knecht van de hogepriester en hieuw hem het rechteroor af. De naam van de knecht was Malchus. Brontekst: Σίμων (Simon) = Simon | οὖν (oun) = dus | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἔχων (echon) = hebbend | μάχαιραν (machairan) = zwaard | εἵλκυσεν (heilkysen) = trok | αὐτὴν (auten) = het | καὶ (kai) = en | ἔπαισεν (epaisen) = sloeg | τὸν (ton) = de | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | δοῦλον (doulon) = knecht | καὶ (kai) = en | ἀπέκοψεν (apekopsen) = hieuw af | αὐτοῦ (autou) = zijn | τὸ (to) = het | ὠτάριον (otarion) = oor | τὸ (to) = het | δεξιόν (dexion) = rechter | ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ὄνομα (onoma) = naam | τῷ (to) = aan de | δούλῳ (doulo) = knecht | Μάλχος (Malchos) = Malchus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand in dienst van een heer. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: hier een kort zwaard of mes. Malchus (Μάλχος) wordt alleen door Johannes bij naam genoemd. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:51–54; Mark. 14:47; Luc. 22:49–51. Zie ook: Mat 26:51–54; Mar 14:47; Luc 22:49–51 **18:11** Yeshua zei dus tegen Petrus: **„Steek het zwaard in de schede. Zou Ik de beker die de Vader Mij gegeven heeft, niet drinken?”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | Βάλε (Bale) = werp | τὴν (ten) = het | μάχαιραν (machairan) = zwaard | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θήκην (theken) = schede | τὸ (to) = de | ποτήριον (poterion) = beker | ὃ (ho) = die | δέδωκέν (dedoken) = gegeven heeft | μοι (moi) = Mij | ὁ (ho) = de | πατὴρ (pater) = Vader | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = zeker | πίω (pio) = Ik zal drinken | αὐτό (auto) = die Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ποτήριον (poterion), ‘beker’: in de Schrift een beeld voor wat Elohim iemand toemeet; vergelijk Matt. 26:39 en Mark. 14:36. Voetnoot : οὐ μὴ πίω (ou me pio): het Grieks stelt een vraag waarop het antwoord ‘ja, Ik zal hem drinken’ is. Zie ook: Mat 26:39; Mar 14:36 ### Yeshua wordt naar Annas gebracht **18:12** Daarop namen de cohort, de bevelhebber en de bedienden van de Joden Yeshua gevangen en bonden Hem. Brontekst: Ἡ (He) = de | οὖν (oun) = dus | σπεῖρα (speira) = cohort | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | χιλίαρχος (chiliarchos) = bevelhebber | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ὑπηρέται (hyperetai) = bedienden | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | συνέλαβον (synelabon) = namen gevangen | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἔδησαν (edesan) = bonden | αὐτὸν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χιλίαρχος (chiliarchos), ‘bevelhebber’: letterlijk ‘aanvoerder van duizend’; de bevelhebber van een cohort. Voetnoot : Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: bij Johannes vaak de leiders in Judea, hier de leiders in Jeruzalem en hun bedienden. **18:13** Zij brachten Hem eerst naar Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤγαγον (egagon) = zij brachten | πρὸς (pros) = naar | Ἅνναν (Hannan) = Annas | πρῶτον (proton) = eerst | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | πενθερὸς (pentheros) = schoonvader | τοῦ (tou) = van de | Καϊάφα (Kaiapha) = Kajafas | ὃς (hos) = die | ἦν (en) = was | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | τοῦ (tou) = van het | ἐνιαυτοῦ (eniautou) = jaar | ἐκείνου (ekeinou) = dat Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Huis van de hogepriester (Annas en Kajafas; Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van Annas en Kajafas, de hogepriesters, stond in Jeruzalem. De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel. Voetnoot Uitleg: Ἅννας (Hannas), ‘Annas’; Kajafas (Καϊάφας) was hogepriester ‘in dat jaar’. Luc. 3:2 noemt Annas en Kajafas samen als hogepriesters. πενθερός (pentheros), ‘schoonvader’. Zie ook: Luc 3:2 **18:14** Kajafas was het die de Joden had geadviseerd dat het beter is dat één mens sterft voor het volk. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | Καϊάφας (Kaiaphas) = Kajafas | ὁ (ho) = die | συμβουλεύσας (symbouleusas) = had geadviseerd | τοῖς (tois) = aan de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | ὅτι (hoti) = dat | συμφέρει (sympherei) = het is beter | ἕνα (hena) = één | ἄνθρωπον (anthropon) = mens | ἀποθανεῖν (apothanein) = te sterven | ὑπὲρ (hyper) = voor | τοῦ (tou) = het | λαοῦ (laou) = volk Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Joh. 11:49–50. Zie ook: Joh 11:49–50 ### Petrus en de andere leerling **18:15** Simon Petrus volgde Yeshua, en ook een andere leerling. Die leerling was bekend bij de hogepriester en ging met Yeshua mee naar de binnenplaats van de hogepriester. Brontekst: Ἠκολούθει (Ekolouthei) = volgde | δὲ (de) = maar | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | ἄλλος (allos) = een andere | μαθητής (mathetes) = leerling | ὁ (ho) = die | δὲ (de) = maar | μαθητὴς (mathetes) = leerling | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ἦν (en) = was | γνωστὸς (gnostos) = bekend | τῷ (to) = aan de | ἀρχιερεῖ (archierei) = hogepriester | καὶ (kai) = en | συνεισῆλθεν (syneiselthen) = ging mee binnen | τῷ (to) = met de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | αὐλὴν (aulen) = binnenplaats | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Huis van de hogepriester (Annas en Kajafas; Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van Annas en Kajafas, de hogepriesters, stond in Jeruzalem. De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel. Voetnoot Uitleg: αὐλή (aule), ‘binnenplaats’: de open ruimte binnen het huis. Wie de andere leerling is, zegt de tekst niet. γνωστός (gnostos), ‘bekend’: een bekende van de hogepriester. Voetnoot : Zie ook Matt. 26:58; Mark. 14:54; Luc. 22:54–55. Zie ook: Mat 26:58; Mar 14:54; Luc 22:54–55 **18:16** Petrus stond buiten bij de deur. De andere leerling, die bij de hogepriester bekend was, ging dus naar buiten, sprak met de deurwachtster en bracht Petrus binnen. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Πέτρος (Petros) = Petrus | εἱστήκει (heistekei) = stond | πρὸς (pros) = bij | τῇ (te) = de | θύρᾳ (thyra) = deur | ἔξω (exo) = buiten | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | μαθητὴς (mathetes) = leerling | ὁ (ho) = de | ἄλλος (allos) = andere | ὁ (ho) = de | γνωστὸς (gnostos) = bekende | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = sprak | τῇ (te) = tot de | θυρωρῷ (thyroro) = deurwachtster | καὶ (kai) = en | εἰσήγαγεν (eisegagen) = bracht binnen | τὸν (ton) = de | Πέτρον (Petron) = Petrus Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: θυρωρός (thyroros), ‘deurwachtster’: wie de deur bewaakt. Het Grieks heeft εἶπεν (eipen), ‘zei’, zonder voorwerp; wij schrijven ‘sprak met’. **18:17** Het dienstmeisje, de deurwachtster, zei toen tegen Petrus: „Ben jij soms ook een van de leerlingen van deze man?” Hij zei: „Dat ben ik niet.” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | οὖν (oun) = dus | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | ἡ (he) = het | παιδίσκη (paidiske) = dienstmeisje | ἡ (he) = de | θυρωρός (thyroros) = deurwachtster | Μὴ (Me) = toch niet | καὶ (kai) = ook | σὺ (sy) = jij | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | εἶ (ei) = ben | τοῦ (tou) = van de | ἀνθρώπου (anthropou) = man | τούτου (toutou) = deze | λέγει (legei) = zegt | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | Οὐκ (Ouk) = niet | εἰμί (eimi) = ben ik Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Μὴ καὶ σύ (Me kai sy), ‘Ben jij soms ook …?’: de vraag verwacht een ontkennend antwoord. Zie ook Matt. 26:69–70; Mark. 14:66–68; Luc. 22:56–57. Zie ook: Mat 26:69–70; Mar 14:66–68; Luc 22:56–57 **18:18** De knechten en de bedienden hadden een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was. Zij stonden daar en warmden zich. Ook Petrus stond bij hen en warmde zich. Brontekst: εἱστήκεισαν (heistekeisan) = stonden | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | δοῦλοι (douloi) = knechten | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ὑπηρέται (hyperetai) = bedienden | ἀνθρακιὰν (anthrakian) = kolenvuur | πεποιηκότες (pepoiekotes) = gemaakt hebbend | ὅτι (hoti) = omdat | ψῦχος (psychos) = koud | ἦν (en) = was | καὶ (kai) = en | ἐθερμαίνοντο (ethermainonto) = zij warmden zich | ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | ἑστὼς (hestos) = staand | καὶ (kai) = en | θερμαινόμενος (thermainomenos) = zich warmend Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνθρακιά (anthrakia), ‘kolenvuur’: een vuur van gloeiende kolen. Het woord komt ook voor in Joh. 21:9. Voetnoot : δοῦλοι (douloi), ‘knechten’, en ὑπηρέται (hyperetai), ‘bedienden’: zie ook 18:3 en 18:10. Zie ook: Joh 21:9 ### Yeshua voor de hogepriester **18:19** De hogepriester vroeg Yeshua dus naar Zijn leerlingen en naar Zijn onderwijs. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | οὖν (oun) = dus | ἀρχιερεὺς (archiereus) = hogepriester | ἠρώτησεν (erotesen) = vroeg | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | περὶ (peri) = over | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | περὶ (peri) = over | τῆς (tes) = het | διδαχῆς (didaches) = onderwijs | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De hogepriester die Yeshua ondervraagt, is waarschijnlijk Annas; 18:24 zegt dat Annas Hem daarna naar Kajafas zendt. De tekst noemt hier alleen ‘de hogepriester’. Zie ook Matt. 26:57–68; Mark. 14:53–65; Luc. 22:63–71. Zie ook: Mat 26:57–68; Mar 14:53–65; Luc 22:63–71 **18:20** Yeshua antwoordde hem: **„Ik heb openlijk tot de wereld gesproken. Ik heb altijd onderwezen in de synagoge en in de tempel, waar alle Joden samenkomen. In het verborgen heb Ik niets gesproken.** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = hem | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐγὼ (Ego) = Ik | παρρησίᾳ (parresia) = openlijk | λελάληκα (lelaleka) = heb gesproken | τῷ (to) = aan de | κόσμῳ (kosmo) = wereld | ἐγὼ (ego) = Ik | πάντοτε (pantote) = altijd | ἐδίδαξα (edidaxa) = onderwees | ἐν (en) = in | συναγωγῇ (synagoge) = synagoge | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ἱερῷ (hiero) = tempel | ὅπου (hopou) = waar | πάντες (pantes) = alle | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | συνέρχονται (synerchontai) = samenkomen | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | κρυπτῷ (krypto) = verborgen | ἐλάλησα (elalesa) = sprak | οὐδέν (ouden) = niets Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρρησία (parresia), ‘openlijk’: vrijuit, zonder verberging. συναγωγή (synagoge), ‘synagoge’; ἱερόν (hieron), ‘tempel’. **18:21** **Waarom vraag je Mij? Vraag het aan hen die gehoord hebben wat Ik tot hen gesproken heb. Zie, dezen weten wat Ik gezegd heb.”** Brontekst: τί (ti) = wat | με (me) = Mij | ἐρωτᾷς (erotas) = vraag je | ἐρώτησον (eroteson) = vraag | τοὺς (tous) = de | ἀκηκοότας (akekootas) = gehoord hebbenden | τί (ti) = wat | ἐλάλησα (elalesa) = Ik sprak | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ἴδε (ide) = zie | οὗτοι (houtoi) = dezen | οἴδασιν (oidasin) = weten | ἃ (ha) = wat | εἶπον (eipon) = Ik zei | ἐγώ (ego) = Ik Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τί (ti), ‘waarom’: letterlijk ‘wat’. **18:22** Toen Hij dit gezegd had, gaf een van de bedienden die erbij stond Yeshua een klap. Die bediende zei: „Antwoordt U de hogepriester zo?” Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | δὲ (de) = maar | αὐτοῦ (autou) = Hem | εἰπόντος (eipontos) = gezegd hebbend | εἷς (heis) = een | παρεστηκὼς (parestekos) = die erbij stond | τῶν (ton) = van de | ὑπηρετῶν (hypereton) = bedienden | ἔδωκεν (edoken) = gaf | ῥάπισμα (rhapisma) = klap | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | εἰπών (eipon) = zeggend | Οὕτως (Houtos) = zo | ἀποκρίνῃ (apokrine) = antwoordt U | τῷ (to) = aan de | ἀρχιερεῖ (archierei) = hogepriester Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥάπισμα (rhapisma), ‘klap’: een slag, met de hand of met een stok. Vergelijk Joh. 19:3 en Mark. 14:65. Zie ook: Mar 14:65; Joh 19:3 **18:23** Yeshua antwoordde hem: **„Als Ik kwaad gesproken heb, getuig dan van het kwaad. Maar als Ik goed gesproken heb, waarom sla je Mij?”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = hem | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Εἰ (Ei) = als | κακῶς (kakos) = kwaad | ἐλάλησα (elalesa) = Ik sprak | μαρτύρησον (martyreson) = getuig | περὶ (peri) = over | τοῦ (tou) = het | κακοῦ (kakou) = kwaad | εἰ (ei) = als | δὲ (de) = maar | καλῶς (kalos) = goed | τί (ti) = waarom | με (me) = Mij | δέρεις (dereis) = sla je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δέρω (dero), ‘slaan’: iemand met geweld treffen. τί (ti), ‘waarom’: letterlijk ‘wat’, zoals in 18:21. **18:24** Annas zond Hem dus gebonden naar Kajafas, de hogepriester. Brontekst: ἀπέστειλεν (apesteilen) = zond | οὖν (oun) = dus | αὐτὸν (auton) = Hem | ὁ (ho) = de | Ἅννας (Hannas) = Annas | δεδεμένον (dedemenon) = gebonden | πρὸς (pros) = naar | Καϊάφαν (Kaiaphan) = Kajafas | τὸν (ton) = de | ἀρχιερέα (archierea) = hogepriester Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Huis van de hogepriester (Annas en Kajafas; Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van Annas en Kajafas, de hogepriesters, stond in Jeruzalem. De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel. Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft de verleden tijd ἀπέστειλεν (apesteilen), ‘zond’. Het kan ook ‘had gezonden’ betekenen, als dit vers terugkijkt: dan was Yeshua al bij Kajafas, terwijl Petrus Hem nog ontkende. ### Petrus ontkent opnieuw **18:25** Simon Petrus stond daar en warmde zich. Zij zeiden dus tegen hem: „Ben jij soms ook een van Zijn leerlingen?” Hij ontkende het en zei: „Dat ben ik niet.” Brontekst: Ἦν (En) = was | δὲ (de) = maar | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἑστὼς (hestos) = staand | καὶ (kai) = en | θερμαινόμενος (thermainomenos) = zich warmend | εἶπον (eipon) = zij zeiden | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = tot hem | Μὴ (Me) = toch niet | καὶ (kai) = ook | σὺ (sy) = jij | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | εἶ (ei) = ben | ἠρνήσατο (ernesato) = hij ontkende | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Οὐκ (Ouk) = niet | εἰμί (eimi) = ben ik Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀρνέομαι (arneomai), ‘ontkennen’: zeggen dat je iets niet bent of niet kent. Zie ook Matt. 26:71–75; Mark. 14:69–72; Luc. 22:58–62. Zie ook: Mat 26:71–75; Mar 14:69–72; Luc 22:58–62 **18:26** Een van de knechten van de hogepriester was een familielid van degene wiens oor Petrus had afgehouwen. Die knecht zei: „Heb ik jou niet in de tuin bij Hem gezien?” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | εἷς (heis) = een | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | δούλων (doulon) = knechten | τοῦ (tou) = van de | ἀρχιερέως (archiereos) = hogepriester | συγγενὴς (syngenes) = familielid | ὢν (on) = zijnde | οὗ (hou) = van wie | ἀπέκοψεν (apekopsen) = afhieuw | Πέτρος (Petros) = Petrus | τὸ (to) = het | ὠτίον (otion) = oor | Οὐκ (Ouk) = niet | ἐγώ (ego) = ik | σε (se) = jou | εἶδον (eidon) = zag | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κήπῳ (kepo) = tuin | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tuin over het Kidrondal (Getsemane?; ligging onzeker): Johannes noemt de tuin niet bij naam. De traditie verbindt hem met Getsemane, aan de voet van de Olijfberg, over het Kidrondal. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: συγγενής (syngenes), ‘familielid’: een bloedverwant. **18:27** Petrus ontkende het opnieuw, en meteen kraaide een haan. Brontekst: πάλιν (palin) = opnieuw | οὖν (oun) = dus | ἠρνήσατο (ernesato) = ontkende | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | εὐθέως (eutheos) = meteen | ἀλέκτωρ (alektor) = haan | ἐφώνησεν (ephonesen) = kraaide Bron: SBLGNT ### Yeshua voor Pilatus **18:28** Zij brachten Yeshua van Kajafas naar het pretorium. Het was vroeg in de ochtend. Zelf gingen zij het pretorium niet binnen, om niet onrein te worden, maar het Pesach te kunnen eten. Brontekst: Ἄγουσιν (Agousin) = zij leiden | οὖν (oun) = dus | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἀπὸ (apo) = van | τοῦ (tou) = de | Καϊάφα (Kaiapha) = Kajafas | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | πραιτώριον (praitorion) = pretorium | ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | πρωΐ (proi) = vroeg | καὶ (kai) = en | αὐτοὶ (autoi) = zijzelf | οὐκ (ouk) = niet | εἰσῆλθον (eiselthon) = gingen binnen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | πραιτώριον (praitorion) = pretorium | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | μιανθῶσιν (mianthosin) = zij onrein werden | ἀλλὰ (alla) = maar | φάγωσιν (phagosin) = zij konden eten | τὸ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pretorium (Jeruzalem; ligging onzeker): Het pretorium was het verblijf van de Romeinse stadhouder in Jeruzalem. Of dat het paleis van Herodes (westkant van de stad) of de Antonia-burcht (bij de tempel) was, is niet zeker. Voetnoot Uitleg: πραιτώριον (praitorion), ‘pretorium’: het verblijf van de Romeinse stadhouder; zie ook Matt. 27:27. πρωΐ (proi), ‘vroeg in de ochtend’. Voetnoot : μιαίνω (miaino), ‘onrein worden’: wie het huis van een heiden binnenging, werd onrein. Voetnoot : τὸ πάσχα φάγωσιν (to pascha phagosin), ‘het Pesach eten’: dat kan het Pesachmaal zelf zijn, of de maaltijden van het feest in de dagen daarna. Hoe dit past bij de maaltijd van Yeshua met Zijn leerlingen in Matt. 26:17–20 en Mark. 14:12–17, is een open vraag; zie ook de voetnoot bij Joh. 19:14. Zie ook: Mat 26:17–20; Mat 27:27; Mar 14:12–17; Joh 19:14 **18:29** Pilatus kwam dus naar buiten, naar hen toe, en zei: „Welke beschuldiging brengen jullie tegen deze man in?” Brontekst: ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἔξω (exo) = naar buiten | πρὸς (pros) = naar | αὐτοὺς (autous) = hen | καὶ (kai) = en | φησίν (phesin) = zegt | Τίνα (Tina) = welke | κατηγορίαν (kategorian) = beschuldiging | φέρετε (pherete) = jullie brengen | κατὰ (kata) = tegen | τοῦ (tou) = de | ἀνθρώπου (anthropou) = man | τούτου (toutou) = deze Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 27:1–2, 27:11–14; Mark. 15:1–5; Luc. 23:1–5. Zie ook: Mat 27:1–2; Mat 27:11; Mar 15:1–5; Luc 23:1–5 **18:30** Zij antwoordden hem: „Als deze man geen kwaad deed, zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd.” Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = zij antwoordden | καὶ (kai) = en | εἶπαν (eipan) = zeiden | αὐτῷ (auto) = hem | Εἰ (Ei) = als | μὴ (me) = niet | ἦν (en) = was | οὗτος (houtos) = deze | κακὸν (kakon) = kwaad | ποιῶν (poion) = doend | οὐκ (ouk) = niet | ἄν (an) = zeker | σοι (soi) = aan u | παρεδώκαμεν (paredokamen) = wij leverden over | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κακὸν ποιῶν (kakon poion), ‘kwaad doend’: een boosdoener. **18:31** Pilatus zei dus tegen hen: „Neem Hem zelf mee en oordeel over Hem volgens jullie wet.” De Joden zeiden tegen hem: „Het is ons niet toegestaan iemand te doden.” Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = tot hen | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Λάβετε (Labete) = neem | αὐτὸν (auton) = Hem | ὑμεῖς (hymeis) = jullie zelf | καὶ (kai) = en | κατὰ (kata) = volgens | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | ὑμῶν (hymon) = jullie | κρίνατε (krinate) = oordeel | αὐτόν (auton) = Hem | εἶπον (eipon) = zeiden | αὐτῷ (auto) = tot hem | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | Ἡμῖν (Hemin) = ons | οὐκ (ouk) = niet | ἔξεστιν (exestin) = is toegestaan | ἀποκτεῖναι (apokteinai) = te doden | οὐδένα (oudena) = niemand Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Waarom het de Joodse leiders niet is toegestaan iemand te doden, zegt de tekst niet. Zij bedoelen waarschijnlijk dat alleen de Romeinse stadhouder een doodvonnis kon uitspreken; vergelijk Joh. 19:10, waar Pilatus zegt dat hij gezag heeft om Yeshua te kruisigen. Zie ook: Joh 19:10 **18:32** Dit gebeurde opdat het woord van Yeshua vervuld zou worden, dat Hij gezegd had om aan te duiden met wat voor dood Hij zou sterven. Brontekst: ἵνα (hina) = opdat | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld werd | ὃν (hon) = dat | εἶπεν (eipen) = Hij zei | σημαίνων (semainon) = aanduidend | ποίῳ (poio) = met wat voor | θανάτῳ (thanato) = dood | ἤμελλεν (emellen) = Hij zou | ἀποθνῄσκειν (apothneskein) = sterven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Welk woord van Yeshua bedoeld wordt, zegt de tekst niet: vergelijk Joh. 3:14, 8:28 en 12:32–33, waar ‘verhoogd worden’ een aanduiding is van de wijze van sterven. σημαίνω (semaino), ‘aanduiden’. Zie ook: Joh 3:14; Joh 8:28; Joh 12:32 ### Pilatus en de koning van de Joden **18:33** Pilatus ging het pretorium weer binnen, riep Yeshua en zei tegen Hem: „Bent U de koning van de Joden?” Brontekst: Εἰσῆλθεν (Eiselthen) = ging binnen | οὖν (oun) = dus | πάλιν (palin) = weer | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | πραιτώριον (praitorion) = pretorium | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | καὶ (kai) = en | ἐφώνησεν (ephonesen) = riep | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = tot Hem | Σὺ (Sy) = U | εἶ (ei) = bent | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pretorium (Jeruzalem; ligging onzeker): Het pretorium was het verblijf van de Romeinse stadhouder in Jeruzalem. Of dat het paleis van Herodes (westkant van de stad) of de Antonia-burcht (bij de tempel) was, is niet zeker. Voetnoot Uitleg: βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων (basileus ton Ioudaion), ‘koning van de Joden’. Zie ook Matt. 27:11–14; Mark. 15:2–5; Luc. 23:2–5. Zie ook: Mat 27:11–14; Mar 15:2–5; Luc 23:2–5 **18:34** Yeshua antwoordde: **„Zeg jij dit uit jezelf, of hebben anderen het jou over Mij gezegd?”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἀπὸ (Apo) = van | σεαυτοῦ (seautou) = jezelf | σὺ (sy) = jij | τοῦτο (touto) = dit | λέγεις (legeis) = zegt | ἢ (e) = of | ἄλλοι (alloi) = anderen | εἶπόν (eipon) = zeiden | σοι (soi) = jou | περὶ (peri) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij Bron: SBLGNT **18:35** Pilatus antwoordde: „Ben ik soms een Jood? Uw volk en de hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt U gedaan?” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Μήτι (Meti) = toch niet | ἐγὼ (ego) = ik | Ἰουδαῖός (Ioudaios) = Jood | εἰμι (eimi) = ben | τὸ (to) = het | ἔθνος (ethnos) = volk | τὸ (to) = het | σὸν (son) = Uwe | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | παρέδωκάν (paredokan) = leverden over | σε (se) = U | ἐμοί (emoi) = aan mij | τί (ti) = wat | ἐποίησας (epoiesas) = hebt U gedaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔθνος (ethnos), ‘volk’: hier het volk van de Joden. Pilatus spreekt Yeshua aan met ‘U’. **18:36** Yeshua antwoordde: **„Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn bedienden strijden, zodat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden. Maar nu is Mijn koninkrijk niet van hier.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἡ (He) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | ἡ (he) = het | ἐμὴ (eme) = Mijne | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | τούτου (toutou) = deze | εἰ (ei) = als | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = de | κόσμου (kosmou) = wereld | τούτου (toutou) = deze | ἦν (en) = was | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | ἡ (he) = het | ἐμή (eme) = Mijne | οἱ (hoi) = de | ὑπηρέται (hyperetai) = bedienden | οἱ (hoi) = de | ἐμοὶ (emoi) = Mijne | ἠγωνίζοντο (egonizonto) = zouden strijden | ἄν (an) = zeker | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | παραδοθῶ (paradotho) = Ik werd overgeleverd | τοῖς (tois) = aan de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | νῦν (nyn) = nu | δὲ (de) = maar | ἡ (he) = het | βασιλεία (basileia) = koninkrijk | ἡ (he) = het | ἐμὴ (eme) = Mijne | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = is | ἐντεῦθεν (enteuthen) = van hier Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: βασιλεία (basileia), ‘koninkrijk’: hier het koninkrijk dat Yeshua toekomt. ὑπηρέται (hyperetai), ‘bedienden’: zie 18:3. ἀγωνίζομαι (agonizomai), ‘strijden’. **18:37** Pilatus zei dus tegen Hem: „U bent dus een koning?” Yeshua antwoordde: **„Jij zegt dat Ik een koning ben. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om te getuigen van de waarheid. Ieder die uit de waarheid is, luistert naar Mijn stem.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Οὐκοῦν (Oukoun) = dus | βασιλεὺς (basileus) = koning | εἶ (ei) = ben | σύ (sy) = U | ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Σὺ (Sy) = jij | λέγεις (legeis) = zegt | ὅτι (hoti) = dat | βασιλεύς (basileus) = koning | εἰμι (eimi) = Ik ben | ἐγὼ (ego) = Ik | εἰς (eis) = tot | τοῦτο (touto) = dit | γεγέννημαι (gegennemai) = ben geboren | καὶ (kai) = en | εἰς (eis) = tot | τοῦτο (touto) = dit | ἐλήλυθα (elelytha) = Ik ben gekomen | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | ἵνα (hina) = opdat | μαρτυρήσω (martyreso) = Ik getuig | τῇ (te) = aan de | ἀληθείᾳ (aletheia) = waarheid | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = die | ὢν (on) = zijnde | ἐκ (ek) = uit | τῆς (tes) = de | ἀληθείας (aletheias) = waarheid | ἀκούει (akouei) = hoort | μου (mou) = Mijn | τῆς (tes) = de | φωνῆς (phones) = stem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Σὺ λέγεις ὅτι βασιλεύς εἰμι (Sy legeis hoti basileus eimi): ‘Jij zegt dat Ik een koning ben’. Het Grieks kan ook zijn: ‘Jij zegt het, want Ik ben koning’. Het antwoord is bevestigend maar terughoudend, zoals in Matt. 27:11. Voetnoot : Vergelijk Joh. 10:27 voor ‘luisteren naar Mijn stem’. Zie ook: Mat 27:11; Joh 10:27 ### Pilatus en Barabbas **18:38** Pilatus zei tegen Hem: „Wat is waarheid?” Nadat hij dit gezegd had, ging hij weer naar buiten, naar de Joden, en zei tegen hen: „Ik vind geen enkele aanklacht tegen Hem. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Τί (Ti) = wat | ἐστιν (estin) = is | ἀλήθεια (aletheia) = waarheid | Καὶ (Kai) = en | τοῦτο (touto) = dit | εἰπὼν (eipon) = gezegd hebbend | πάλιν (palin) = weer | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | Ἰουδαίους (Ioudaious) = Joden | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = tot hen | Ἐγὼ (Ego) = Ik | οὐδεμίαν (oudemian) = geen enkele | εὑρίσκω (heurisko) = vind | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = Hem | αἰτίαν (aitian) = aanklacht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰτία (aitia), ‘aanklacht’: een grond om iemand te beschuldigen. Pilatus zegt het ook in 19:4 en 19:6. Het Grieks heeft ‘in Hem’; wij schrijven ‘tegen Hem’, zoals in 19:4 en 19:6. Op Pilatus’ vraag ‘Wat is waarheid?’ staat geen antwoord; vergelijk Joh. 14:6. Zie ook: Joh 14:6 **18:39** Het is bij jullie een gewoonte dat ik jullie met het Pesach één vrijlaat. Willen jullie dus dat ik jullie de koning van de Joden vrijlaat?” Brontekst: ἔστιν (estin) = is | δὲ (de) = maar | συνήθεια (synetheia) = gewoonte | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | ἵνα (hina) = opdat | ἕνα (hena) = één | ἀπολύσω (apolyso) = Ik vrijlaat | ὑμῖν (hymin) = jullie | ἐν (en) = bij | τῷ (to) = het | πάσχα (pascha) = Pesach | βούλεσθε (boulesthe) = willen jullie | οὖν (oun) = dus | ἀπολύσω (apolyso) = Ik vrijlaat | ὑμῖν (hymin) = jullie | τὸν (ton) = de | βασιλέα (basilea) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: συνήθεια (synetheia), ‘gewoonte’. Het Grieks heeft ‘één’ zonder zelfstandig naamwoord; vergelijk Matt. 27:15 (‘één gevangene’). πάσχα (pascha), ‘Pesach’: zie Exod. 12. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:15–23; Mark. 15:6–14; Luc. 23:18–23. Zie ook: Mat 27:15; Mar 15:6–14; Luc 23:18–23 **18:40** Daarop schreeuwden zij opnieuw: „Niet Hem, maar Barabbas!” Barabbas was een rover. Brontekst: ἐκραύγασαν (ekraugasan) = zij schreeuwden | οὖν (oun) = dus | πάλιν (palin) = opnieuw | λέγοντες (legontes) = zeggend | Μὴ (Me) = niet | τοῦτον (touton) = deze | ἀλλὰ (alla) = maar | τὸν (ton) = de | Βαραββᾶν (Barabban) = Barabbas | ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = de | Βαραββᾶς (Barabbas) = Barabbas | λῃστής (lestes) = rover Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λῃστής (lestes), ‘rover’: zie ook Matt. 26:55. Zie ook Matt. 27:16–26; Mark. 15:7–15; Luc. 23:18–25. Zie ook: Mat 26:55; Mat 27:16–26; Mar 15:7–15; Luc 23:18–25 ## Johannes 19 _Het vonnis, de kruisiging, de dood en de begrafenis van Yeshua_ ### Yeshua wordt gegeseld en bespot **19:1** Toen nam Pilatus Yeshua en geselde Hem. Brontekst: Τότε (Tote) = toen | οὖν (oun) = dus | ἔλαβεν (elaben) = nam | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐμαστίγωσεν (emastigosen) = geselde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαστιγόω (mastigoo), ‘geselen’: slaan met een zweep. Het is een ander woord dan φραγελλόω (phragelloo) in Matt. 27:26 en Mark. 15:15, met dezelfde betekenis. Het Grieks zegt niet door wie de geseling werd uitgevoerd. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:26; Mark. 15:15. Zie ook: Mat 27:26; Mar 15:15 **19:2** De soldaten vlochten een kroon van doornen en zetten die op Zijn hoofd. Zij deden Hem een purperen mantel om. Brontekst: καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | στρατιῶται (stratiotai) = soldaten | πλέξαντες (plexantes) = vlechtend | στέφανον (stephanon) = kroon | ἐξ (ex) = uit | ἀκανθῶν (akanthon) = doornen | ἐπέθηκαν (epethekan) = zetten op | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τῇ (te) = het | κεφαλῇ (kephale) = hoofd | καὶ (kai) = en | ἱμάτιον (himation) = mantel | πορφυροῦν (porphyroun) = purperen | περιέβαλον (periebalon) = deden om | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πορφυροῦς (porphyrous), ‘purperen’: een duur, roodpaars kleed, zoals koningen dat droegen (vergelijk Mark. 15:17). Matt. 27:28 heeft een ander woord, κόκκινος (kokkinos), ‘karmozijnrood’. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:27–31; Mark. 15:16–20. Zie ook: Mat 27:27–31; Mat 27:28; Mar 15:16–20; Mar 15:17 **19:3** Zij kwamen naar Hem toe en zeiden: „Gegroet, koning van de Joden!” En zij gaven Hem klappen. Brontekst: καὶ (kai) = en | ἤρχοντο (erchonto) = kwamen | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | καὶ (kai) = en | ἔλεγον (elegon) = zeiden | Χαῖρε (Chaire) = gegroet | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | καὶ (kai) = en | ἐδίδοσαν (edidosan) = gaven | αὐτῷ (auto) = Hem | ῥαπίσματα (rhapismata) = klappen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ῥάπισμα (rhapisma), ‘klap’: een slag, vaak met de vlakke hand of met een stok. ### Zie, de man! **19:4** Pilatus ging opnieuw naar buiten. Hij zei tegen hen: „Zie, ik breng Hem voor jullie naar buiten, zodat jullie weten dat ik geen enkele aanklacht tegen Hem vind.” Brontekst: καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | πάλιν (palin) = opnieuw | ἔξω (exo) = buiten | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἴδε (Ide) = zie | ἄγω (ago) = breng | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | αὐτὸν (auton) = Hem | ἔξω (exo) = buiten | ἵνα (hina) = opdat | γνῶτε (gnote) = jullie weten | ὅτι (hoti) = dat | οὐδεμίαν (oudemian) = geen enkele | αἰτίαν (aitian) = aanklacht | εὑρίσκω (heurisko) = vind | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: αἰτία (aitia), ‘aanklacht’: de reden waarom iemand beschuldigd kan worden, zoals in Matt. 27:37 en Mark. 15:26. Pilatus zegt het ook in 18:38 en 19:6. Zie ook Luc. 23:4. Zie ook: Mat 27:37; Mar 15:26; Luc 23:4 **19:5** Yeshua kwam naar buiten, met de doornenkroon en de purperen mantel. Pilatus zei tegen hen: „Zie, de man!” Brontekst: ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἔξω (exo) = buiten | φορῶν (phoron) = dragend | τὸν (ton) = de | ἀκάνθινον (akanthinon) = doornen | στέφανον (stephanon) = kroon | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = het | πορφυροῦν (porphyroun) = purperen | ἱμάτιον (himation) = mantel | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἰδοὺ (Idou) = zie | ὁ (ho) = de | ἄνθρωπος (anthropos) = man Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄνθρωπος (anthropos), ‘man’: het woord kan ook ‘mens’ betekenen. Het Grieks heeft bij ‘zei tegen hen’ geen onderwerp (ook in 19:14); wij noemen Pilatus. **19:6** Toen de hogepriesters en de bedienden Hem zagen, schreeuwden zij: „Kruisig, kruisig!” Pilatus zei tegen hen: „Neem Hem jullie zelf mee en kruisig Hem. Want ik vind geen aanklacht tegen Hem.” Brontekst: ὅτε (hote) = toen | οὖν (oun) = dus | εἶδον (eidon) = zagen | αὐτὸν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | ὑπηρέται (hyperetai) = bedienden | ἐκραύγασαν (ekraugasan) = schreeuwden | λέγοντες (legontes) = zeggend | Σταύρωσον (Stauroson) = kruisig | σταύρωσον (stauroson) = kruisig | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Λάβετε (Labete) = neem | αὐτὸν (auton) = Hem | ὑμεῖς (hymeis) = jullie zelf | καὶ (kai) = en | σταυρώσατε (staurosate) = kruisig | ἐγὼ (ego) = ik | γὰρ (gar) = want | οὐχ (ouch) = niet | εὑρίσκω (heurisko) = vind | ἐν (en) = in | αὐτῷ (auto) = Hem | αἰτίαν (aitian) = aanklacht Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: iemand in dienst van de leiders die opdrachten uitvoerde (zoals in 18:3). Voetnoot : ὑμεῖς (hymeis), ‘jullie’: nadrukkelijk gezegd; Pilatus laat de beslissing aan hen. **19:7** De Joden antwoordden hem: „Wij hebben een wet, en volgens de wet moet Hij sterven, omdat Hij Zichzelf Zoon van Elohim heeft gemaakt.” Brontekst: ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | αὐτῷ (auto) = hem | οἱ (hoi) = de | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | Ἡμεῖς (Hemeis) = wij | νόμον (nomon) = wet | ἔχομεν (echomen) = hebben | καὶ (kai) = en | κατὰ (kata) = volgens | τὸν (ton) = de | νόμον (nomon) = wet | ὀφείλει (opheilei) = moet | ἀποθανεῖν (apothanein) = sterven | ὅτι (hoti) = omdat | υἱὸν (huion) = Zoon | θεοῦ (theou) = van Elohim | ἑαυτὸν (heauton) = Zichzelf | ἐποίησεν (epoiesen) = maakte Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders (vergelijk 19:6). υἱὸς θεοῦ (huios theou), ‘Zoon van Elohim’: het Grieks heeft geen lidwoord. Vergelijk Lev. 24:16, waar de straf voor het uitspreken van de naam van Yahweh de dood is. Zie ook Joh. 5:18; 10:33. Zie ook: Lev 24:16; Joh 5:18; Joh 10:33 ### Pilatus ondervraagt Yeshua opnieuw **19:8** Toen Pilatus dit woord hoorde, werd hij nog banger. Brontekst: Ὅτε (Hote) = toen | οὖν (oun) = dus | ἤκουσεν (ekousen) = hoorde | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | τοῦτον (touton) = dit | τὸν (ton) = het | λόγον (logon) = woord | μᾶλλον (mallon) = meer | ἐφοβήθη (ephobethe) = werd bang Bron: SBLGNT **19:9** Hij ging weer het pretorium in en zei tegen Yeshua: „Waar komt U vandaan?” Maar Yeshua gaf hem geen antwoord. Brontekst: καὶ (kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | πραιτώριον (praitorion) = pretorium | πάλιν (palin) = opnieuw | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Πόθεν (Pothen) = vanwaar | εἶ (ei) = bent | σύ (sy) = U | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀπόκρισιν (apokrisin) = antwoord | οὐκ (ouk) = niet | ἔδωκεν (edoken) = gaf | αὐτῷ (auto) = hem Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Pretorium (Jeruzalem; ligging onzeker): Het pretorium was het verblijf van de Romeinse stadhouder in Jeruzalem. Of dat het paleis van Herodes (westkant van de stad) of de Antonia-burcht (bij de tempel) was, is niet zeker. **19:10** Pilatus zei dus tegen Hem: „Tegen mij spreekt U niet? Weet U niet dat ik gezag heb om U vrij te laten en gezag heb om U te kruisigen?” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = Hem | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Ἐμοὶ (Emoi) = tegen mij | οὐ (ou) = niet | λαλεῖς (laleis) = spreekt U | οὐκ (ouk) = niet | οἶδας (oidas) = weet U | ὅτι (hoti) = dat | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχω (echo) = heb | ἀπολῦσαί (apolysai) = vrij te laten | σε (se) = U | καὶ (kai) = en | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | ἔχω (echo) = heb | σταυρῶσαί (staurosai) = te kruisigen | σε (se) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht en de macht om te handelen, zoals in Matt. 28:18. Zie ook: Mat 28:18 **19:11** Yeshua antwoordde hem: **„Je zou geen enkel gezag over Mij hebben, als het je niet van boven gegeven was. Daarom heeft hij die Mij aan jou heeft overgeleverd, een grotere zonde.”** Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | αὐτῷ (auto) = hem | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Οὐκ (Ouk) = niet | εἶχες (eiches) = zou hebben | ἐξουσίαν (exousian) = gezag | κατ’ (kat’) = over | ἐμοῦ (emou) = Mij | οὐδεμίαν (oudemian) = geen enkel | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | ἦν (en) = was | δεδομένον (dedomenon) = gegeven | σοι (soi) = je | ἄνωθεν (anothen) = van boven | διὰ (dia) = daarom | τοῦτο (touto) = dit | ὁ (ho) = de | παραδούς (paradous) = overleverende | μέ (me) = Mij | σοι (soi) = aan jou | μείζονα (meizona) = grotere | ἁμαρτίαν (hamartian) = zonde | ἔχει (echei) = heeft Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Yeshua spreekt Pilatus aan met ‘je’, zoals Hij ook anderen aanspreekt (vergelijk Matt. 27:11). ἄνωθεν (anothen), ‘van boven’: het woord kan ook ‘opnieuw’ betekenen (3:3); hier past ‘van boven’. Wie met ‘hij die Mij aan jou heeft overgeleverd’ bedoeld is, zegt het Grieks niet. Zie ook: Mat 27:11 **19:12** Vanaf dat moment probeerde Pilatus Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwden: „Als u deze man vrijlaat, bent u geen vriend van de keizer. Iedereen die zichzelf koning maakt, verzet zich tegen de keizer.” Brontekst: ἐκ (ek) = vanaf | τούτου (toutou) = dit | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἐζήτει (ezetei) = zocht | ἀπολῦσαι (apolysai) = vrij te laten | αὐτόν (auton) = Hem | οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἐκραύγασαν (ekraugasan) = schreeuwden | λέγοντες (legontes) = zeggend | Ἐὰν (Ean) = als | τοῦτον (touton) = deze | ἀπολύσῃς (apolyses) = vrijlaat | οὐκ (ouk) = niet | εἶ (ei) = bent | φίλος (philos) = vriend | τοῦ (tou) = van de | Καίσαρος (Kaisaros) = keizer | πᾶς (pas) = ieder | ὁ (ho) = de | βασιλέα (basilea) = koning | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | ποιῶν (poion) = makend | ἀντιλέγει (antilegei) = spreekt tegen | τῷ (to) = de | Καίσαρι (Kaisari) = keizer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders die Yeshua aan Pilatus hadden overgeleverd. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: de Romeinse keizer. ### Yeshua wordt overgeleverd **19:13** Toen Pilatus deze woorden hoorde, bracht hij Yeshua naar buiten. Pilatus ging op de rechterstoel zitten, op een plaats die Lithostroton genoemd wordt, in het Hebreeuws Gabbata. Brontekst: Ὁ (Ho) = de | οὖν (oun) = dus | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἀκούσας (akousas) = horend | τῶν (ton) = de | λόγων (logon) = woorden | τούτων (touton) = deze | ἤγαγεν (egagen) = leidde | ἔξω (exo) = buiten | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐκάθισεν (ekathisen) = ging zitten | ἐπὶ (epi) = op | βήματος (bematos) = rechterstoel | εἰς (eis) = naar | τόπον (topon) = plaats | λεγόμενον (legomenon) = genoemd | Λιθόστρωτον (Lithostroton) = Lithostroton | Ἑβραϊστὶ (Hebraisti) = in het Hebreeuws | δὲ (de) = maar | Γαββαθα (Gabbatha) = Gabbata Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Lithostroton of Gabbata (Jeruzalem; ligging onzeker): Lithostroton (‘stenen plaveisel’) of Gabbata (‘verhoging’) was de plaats van het rechtersgestoelte van Pilatus, bij het pretorium in Jeruzalem. De precieze ligging is niet bekend. Voetnoot Uitleg: ἐκάθισεν (ekathisen), ‘ging zitten’: het werkwoord kan ook ‘liet zitten’ betekenen, dan zet Pilatus Yeshua op de rechterstoel. Wij lezen dat Pilatus zelf ging zitten. βῆμα (bema), ‘rechterstoel’: zoals in Matt. 27:19. Voetnoot : Λιθόστρωτον (Lithostroton) is Grieks voor een plaats met een plaveisel van stenen; Γαββαθα (Gabbata) is Aramees. Ἑβραϊστί (Hebraisti), ‘in het Hebreeuws’: in het Nieuwe Testament kan hiermee de taal van het land, het Aramees, bedoeld zijn. De ligging van deze plaats in Jeruzalem is onzeker. Zie ook: Mat 27:19 **19:14** Het was de voorbereidingsdag van het Pesach, ongeveer het zesde uur. Pilatus zei tegen de Joden: „Zie, jullie koning!” Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | παρασκευὴ (paraskeue) = voorbereidingsdag | τοῦ (tou) = van het | πάσχα (pascha) = Pesach | ὥρα (hora) = uur | ἦν (en) = was | ὡς (hos) = ongeveer | ἕκτη (hekte) = zesde | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | τοῖς (tois) = aan de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | Ἴδε (Ide) = zie | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρασκευή (paraskeue), ‘voorbereidingsdag’: de dag voor de sabbat, vrijdag (vergelijk Mark. 15:42). ‘Voorbereidingsdag van het Pesach’ kan de vrijdag in de week van het Pesach zijn; de tekst zegt niet hoe dit zich verhoudt tot het Pesach-maal in Matt. 26:17–20 en Joh. 13:1. Voetnoot : ὥρα ἕκτη (hora hekte), ‘het zesde uur’: bij de Joodse dagtelling, vanaf zonsopgang, is dat ongeveer 12 uur ’s middags. Markus noemt het derde uur, ongeveer 9 uur ’s ochtends, voor de kruisiging (Mark. 15:25). Als Johannes de Romeinse telling gebruikt (vanaf middernacht), is het zesde uur ongeveer 6 uur ’s ochtends. Wat Johannes bedoelt, is onzeker. Zie ook Joh. 1:39. Zie ook: Mat 26:17–20; Mar 15:25; Mar 15:42; Joh 1:39; Joh 13:1 **19:15** Zij schreeuwden: „Weg met Hem, weg met Hem, kruisig Hem!” Pilatus zei tegen hen: „Moet ik jullie koning kruisigen?” De hogepriesters antwoordden: „Wij hebben geen koning behalve de keizer.” Brontekst: ἐκραύγασαν (ekraugasan) = schreeuwden | οὖν (oun) = dus | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = zij | Ἆρον (Aron) = weg | ἆρον (aron) = weg | σταύρωσον (stauroson) = kruisig | αὐτόν (auton) = Hem | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Τὸν (Ton) = de | βασιλέα (basilea) = koning | ὑμῶν (hymon) = jullie | σταυρώσω (stauroso) = zal ik kruisigen | ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | Οὐκ (Ouk) = niet | ἔχομεν (echomen) = hebben | βασιλέα (basilea) = koning | εἰ (ei) = als | μὴ (me) = niet | Καίσαρα (Kaisara) = keizer Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἆρον (aron), ‘neem weg’: het Grieks heeft geen voorwerp; wij schrijven ‘Weg met Hem’. De Joden die hier roepen zijn de leiders; de hogepriesters spreken het slot uit. **19:16** Toen leverde hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij namen Yeshua dus mee. Brontekst: τότε (tote) = toen | οὖν (oun) = dus | παρέδωκεν (paredoken) = leverde over | αὐτὸν (auton) = Hem | αὐτοῖς (autois) = aan hen | ἵνα (hina) = opdat | σταυρωθῇ (staurothe) = hij gekruisigd wordt | Παρέλαβον (Parelabon) = namen mee | οὖν (oun) = dus | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie ook Matt. 27:26; Mark. 15:15; Luc. 23:24–25. Zie ook: Mat 27:26; Mar 15:15; Luc 23:24–25 ### De kruisiging **19:17** Hij droeg zelf Zijn kruis en ging naar buiten, naar de plaats die Plaats van de Schedel genoemd wordt, in het Hebreeuws Golgota. Brontekst: καὶ (kai) = en | βαστάζων (bastazon) = dragend | αὑτῷ (hauto) = voor Zichzelf | τὸν (ton) = het | σταυρὸν (stauron) = kruis | ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | εἰς (eis) = naar | τὸν (ton) = de | λεγόμενον (legomenon) = genoemde | Κρανίου (Kraniou) = van de schedel | Τόπον (Topon) = plaats | ὃ (ho) = die | λέγεται (legetai) = wordt genoemd | Ἑβραϊστὶ (Hebraisti) = in het Hebreeuws | Γολγοθα (Golgotha) = Golgota Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Golgota (ligging onzeker): Golgota (Plaats van de Schedel) lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem. De traditie zoekt het bij de Heilig-Grafkerk in de oude stad. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Γολγοθᾶ (Golgota) is Aramees voor ‘schedel’; Κρανίου Τόπος (Kraniou Topos) is ‘Plaats van de Schedel’. Johannes noemt Simon van Cyrene niet (vergelijk Matt. 27:32; Mark. 15:21). De ligging van Golgota is niet zeker; het lag buiten de stad. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:33–44; Mark. 15:22–32; Luc. 23:33–43. Zie ook: Mat 27:32; Mat 27:33–44; Mar 15:21; Mar 15:22–32; Luc 23:33–43 **19:18** Daar kruisigden zij Hem, en met Hem 2 anderen, aan beide kanten een, en Yeshua in het midden. Brontekst: ὅπου (hopou) = waar | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐσταύρωσαν (estaurosan) = kruisigden | καὶ (kai) = en | μετ’ (met’) = met | αὐτοῦ (autou) = Hem | ἄλλους (allous) = anderen | δύο (dyo) = twee | ἐντεῦθεν (enteuthen) = aan deze kant | καὶ (kai) = en | ἐντεῦθεν (enteuthen) = aan die kant | μέσον (meson) = in het midden | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Johannes noemt de 2 anderen niet ‘rovers’ (vergelijk Matt. 27:38). Zie ook: Mat 27:38 **19:19** Pilatus schreef ook een opschrift en zette het op het kruis. Er stond geschreven: „Yeshua de Nazoreeër, de koning van de Joden.” Brontekst: ἔγραψεν (egrapsen) = schreef | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | τίτλον (titlon) = opschrift | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | καὶ (kai) = en | ἔθηκεν (etheken) = zette | ἐπὶ (epi) = op | τοῦ (tou) = het | σταυροῦ (staurou) = kruis | ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschreven | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὁ (ho) = de | Ναζωραῖος (Nazoraios) = Nazoreeër | ὁ (ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τίτλος (titlos), ‘opschrift’: een bordje met de reden van de straf (vergelijk Mark. 15:26). Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret, zoals in Matt. 2:23. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:37; Mark. 15:26; Luc. 23:38. Zie ook: Mat 2:23; Mat 27:37; Mar 15:26; Luc 23:38 **19:20** Veel Joden lazen dit opschrift, want de plaats waar Yeshua gekruisigd werd, was dicht bij de stad. Het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. Brontekst: τοῦτον (touton) = dit | οὖν (oun) = dus | τὸν (ton) = het | τίτλον (titlon) = opschrift | πολλοὶ (polloi) = velen | ἀνέγνωσαν (anegnosan) = lazen | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ὅτι (hoti) = omdat | ἐγγὺς (engys) = dichtbij | ἦν (en) = was | ὁ (ho) = de | τόπος (topos) = plaats | τῆς (tes) = van de | πόλεως (poleos) = stad | ὅπου (hopou) = waar | ἐσταυρώθη (estaurothe) = gekruisigd werd | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἦν (en) = was | γεγραμμένον (gegrammenon) = geschreven | Ἑβραϊστί (Hebraisti) = in het Hebreeuws | Ῥωμαϊστί (Rhomaisti) = in het Latijn | Ἑλληνιστί (Hellenisti) = in het Grieks Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ῥωμαϊστί (Romaisti), ‘in het Latijn’: letterlijk ‘op Romeinse wijze’, de taal van de Romeinen. **19:21** De hogepriesters van de Joden zeiden dus tegen Pilatus: „Schrijf niet: ‘De koning van de Joden’, maar dat die man gezegd heeft: ‘Ik ben koning van de Joden.’” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | τῷ (to) = aan de | Πιλάτῳ (Pilato) = Pilatus | οἱ (hoi) = de | ἀρχιερεῖς (archiereis) = hogepriesters | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | Μὴ (Me) = niet | γράφε (graphe) = schrijf | Ὁ (Ho) = de | βασιλεὺς (basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἀλλ’ (all’) = maar | ὅτι (hoti) = dat | ἐκεῖνος (ekeinos) = die man | εἶπεν (eipen) = zei | Βασιλεὺς (Basileus) = koning | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | εἰμί (eimi) = ben ik Bron: SBLGNT **19:22** Pilatus antwoordde: „Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | Ὃ (Ho) = wat | γέγραφα (gegrapha) = heb geschreven | γέγραφα (gegrapha) = heb geschreven Bron: SBLGNT ### De soldaten verdelen Zijn kleren **19:23** Toen de soldaten Yeshua gekruisigd hadden, namen zij Zijn kleren en maakten er 4 delen van, voor elke soldaat een deel, en het onderkleed. Het onderkleed was naadloos, van boven af helemaal geweven. Brontekst: οἱ (hoi) = de | οὖν (oun) = dus | στρατιῶται (stratiotai) = soldaten | ὅτε (hote) = toen | ἐσταύρωσαν (estaurosan) = kruisigden | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἔλαβον (elabon) = namen | τὰ (ta) = de | ἱμάτια (himatia) = kleren | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἐποίησαν (epoiesan) = maakten | τέσσαρα (tessara) = vier | μέρη (mere) = delen | ἑκάστῳ (hekasto) = aan elke | στρατιώτῃ (stratiote) = soldaat | μέρος (meros) = deel | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = het | χιτῶνα (chitona) = onderkleed | ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ὁ (ho) = het | χιτὼν (chiton) = onderkleed | ἄραφος (araphos) = naadloos | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | ἄνωθεν (anothen) = boven | ὑφαντὸς (hyphantos) = geweven | δι’ (di’) = door | ὅλου (holou) = geheel Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: χιτών (chiton), ‘onderkleed’: een kleed dat direct op het lichaam gedragen werd. ἄραφος (araphos), ‘naadloos’: zonder naad. ‘En het onderkleed’ heeft in het Grieks geen eigen werkwoord; het onderkleed is een stuk naast de 4 delen. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:35; Mark. 15:24; Luc. 23:34. Zie ook: Mat 27:35; Mar 15:24; Luc 23:34 **19:24** Zij zeiden dus tegen elkaar: „Laten wij het niet scheuren, maar erom loten van wie het zal zijn.” Dit gebeurde opdat de Schrift vervuld zou worden die zegt: „Zij verdeelden mijn kleren onder zich, en over mijn gewaad wierpen zij het lot.” Dit deden de soldaten dus. Brontekst: εἶπαν (eipan) = zeiden | οὖν (oun) = dus | πρὸς (pros) = tot | ἀλλήλους (allelous) = elkaar | Μὴ (Me) = niet | σχίσωμεν (schisomen) = laten wij scheuren | αὐτόν (auton) = het | ἀλλὰ (alla) = maar | λάχωμεν (lachomen) = laten wij loten | περὶ (peri) = over | αὐτοῦ (autou) = het | τίνος (tinos) = van wie | ἔσται (estai) = zal zijn | ἵνα (hina) = opdat | ἡ (he) = de | γραφὴ (graphe) = Schrift | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | ἡ (he) = de | λέγουσα (legousa) = zeggende | Διεμερίσαντο (Diemerisanto) = verdeelden | τὰ (ta) = de | ἱμάτιά (himatia) = kleren | μου (mou) = mijn | ἑαυτοῖς (heautois) = onder zich | καὶ (kai) = en | ἐπὶ (epi) = over | τὸν (ton) = het | ἱματισμόν (himatismon) = gewaad | μου (mou) = mijn | ἔβαλον (ebalon) = wierpen | κλῆρον (kleron) = lot | Οἱ (Hoi) = de | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | στρατιῶται (stratiotai) = soldaten | ταῦτα (tauta) = dit | ἐποίησαν (epoiesan) = deden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Ps. 22:19 (in de Nederlandse telling is dit 22:18): ‘Zij verdelen mijn kleren onder zich en over mijn gewaad werpen zij het lot.’ In onze vertaling van de psalm staat de tegenwoordige tijd; de Griekse tekst heeft de verleden tijd. ἱμάτια (himatia), ‘kleren’ en ἱματισμός (himatismos), ‘gewaad’ komen overeen met de twee Hebreeuwse woorden. Voetnoot : Het Grieks heeft bij ‘opdat de Schrift vervuld zou worden’ geen ‘Dit gebeurde’; wij vullen dat aan, zoals in 18:9 en 18:32. Zie ook: Ps 22:19 ### Yeshua en Zijn moeder **19:25** Bij het kruis van Yeshua stonden Zijn moeder en de zus van Zijn moeder, Maria van Klopas, en Maria Magdalena. Brontekst: Εἱστήκεισαν (Heistekeisan) = stonden | δὲ (de) = maar | παρὰ (para) = bij | τῷ (to) = het | σταυρῷ (stauro) = kruis | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | ἡ (he) = de | ἀδελφὴ (adelphe) = zus | τῆς (tes) = van de | μητρὸς (metros) = moeder | αὐτοῦ (autou) = Zijn | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | τοῦ (tou) = van | Κλωπᾶ (Klopa) = Klopas | καὶ (kai) = en | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | Μαγδαληνή (Magdalene) = Magdalena Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft ‘Maria van Klopas’; dat kan ‘vrouw van’, ‘dochter van’ of ‘moeder van’ betekenen. Ook is niet duidelijk of de zus van Zijn moeder dezelfde is als Maria van Klopas: dan zijn het 3 vrouwen, anders 4. Μαγδαληνή: ‘Magdalena’, zie Mark. 15:40. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:55–56; Mark. 15:40–41; Luc. 23:49. Zie ook: Mat 27:55–56; Mar 15:40; Luc 23:49 **19:26** Toen Yeshua Zijn moeder zag, en naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tegen Zijn moeder: **„Vrouw, zie, je zoon!”** Brontekst: Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | οὖν (oun) = dus | ἰδὼν (idon) = ziende | τὴν (ten) = de | μητέρα (metera) = moeder | καὶ (kai) = en | τὸν (ton) = de | μαθητὴν (matheten) = leerling | παρεστῶτα (parestota) = staande naast | ὃν (hon) = die | ἠγάπα (egapa) = Hij liefhad | λέγει (legei) = zegt | τῇ (te) = aan de | μητρί (metri) = moeder | Γύναι (Gynai) = vrouw | ἴδε (ide) = zie | ὁ (ho) = de | υἱός (huios) = zoon | σου (sou) = je Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: γύναι (gynai), ‘vrouw’: een beleefde, respectvolle aanspreking (zie 2:4). De leerling die Yeshua liefhad wordt niet bij naam genoemd (zie ook 13:23; 20:2; 21:7; 21:20). Ἠγάπα: ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’. **19:27** Daarna zei Hij tegen de leerling: **„Zie, je moeder!”** Vanaf dat uur nam de leerling haar bij zich in zijn huis. Brontekst: εἶτα (eita) = daarna | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | μαθητῇ (mathete) = leerling | Ἴδε (Ide) = zie | ἡ (he) = de | μήτηρ (meter) = moeder | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἀπ’ (ap’) = vanaf | ἐκείνης (ekeines) = dat | τῆς (tes) = het | ὥρας (horas) = uur | ἔλαβεν (elaben) = nam | ὁ (ho) = de | μαθητὴς (mathetes) = leerling | αὐτὴν (auten) = haar | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = het | ἴδια (idia) = eigene Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: εἰς τὰ ἴδια (eis ta idia), letterlijk ‘naar het eigene’: naar zijn eigen huis of wat hem toebehoorde. Wij schrijven ‘bij zich in zijn huis’. ### De dood van Yeshua **19:28** Hierna wist Yeshua dat nu alles volbracht was. Opdat de Schrift voltooid zou worden, zei Hij: **„Ik heb dorst.”** Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | τοῦτο (touto) = dit | εἰδὼς (eidos) = wetend | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | ἤδη (ede) = nu | πάντα (panta) = alles | τετέλεσται (tetelestai) = is volbracht | ἵνα (hina) = opdat | τελειωθῇ (teleiothe) = voltooid wordt | ἡ (he) = de | γραφὴ (graphe) = Schrift | λέγει (legei) = zegt | Διψῶ (Dipso) = ik heb dorst Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τετέλεσται (tetelestai), ‘is volbracht’, en τελειόω (teleioo), ‘voltooien’, zijn verwant. De tekst noemt het Schriftvers niet; vergelijk Ps. 22:16 (‘mijn tong kleeft aan mijn kaken’; in de Nederlandse telling is dit 22:15) en Ps. 69:22 (in de Nederlandse telling is dit 69:21). Zie ook 19:30. Zie ook: Ps 22:16; Ps 69:22 **19:29** Daar stond een vat vol azijn. Zij zetten een spons vol azijn op een hysoptak en brachten die aan Zijn mond. Brontekst: σκεῦος (skeuos) = vat | ἔκειτο (ekeito) = stond | ὄξους (oxous) = azijn | μεστόν (meston) = vol | σπόγγον (spongon) = spons | οὖν (oun) = dus | μεστὸν (meston) = vol | τοῦ (tou) = van de | ὄξους (oxous) = azijn | ὑσσώπῳ (hyssopo) = hysop | περιθέντες (perithentes) = zettend om | προσήνεγκαν (prosenenkan) = brachten aan | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τῷ (to) = de | στόματι (stomati) = mond Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὕσσωπος (hyssopos), ‘hysop’: een plant waarvan takken werden gebruikt om te sprenkelen, zoals bij het Pesach (Exod. 12:22). Het Grieks zegt niet ‘tak’; wij vullen dat aan. ὄξος (oxos), ‘azijn’: zure wijn, vergelijk Ps. 69:22 (in de Nederlandse telling is dit 69:21). Voetnoot : Zie ook Matt. 27:48; Mark. 15:36; Luc. 23:36. Zie ook: Ex 12:22; Ps 69:22; Mat 27:48; Mar 15:36; Luc 23:36 **19:30** Toen Yeshua de azijn genomen had, zei Hij: **„Het is volbracht.”** Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest over. Brontekst: ὅτε (hote) = toen | οὖν (oun) = dus | ἔλαβεν (elaben) = nam | τὸ (to) = de | ὄξος (oxos) = azijn | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἶπεν (eipen) = zei | Τετέλεσται (Tetelestai) = het is volbracht | καὶ (kai) = en | κλίνας (klinas) = buigend | τὴν (ten) = het | κεφαλὴν (kephalen) = hoofd | παρέδωκεν (paredoken) = gaf over | τὸ (to) = de | πνεῦμα (pneuma) = geest Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παρέδωκεν τὸ πνεῦμα (paredoken to pneuma), ‘gaf de geest over’: Hij stierf. πνεῦμα kan ook ‘adem’ betekenen (vergelijk Matt. 27:50). Voetnoot : Zie ook Matt. 27:50; Mark. 15:37; Luc. 23:46. Zie ook: Mat 27:50; Mar 15:37; Luc 23:46 ### De speer in Zijn zij **19:31** Omdat het voorbereidingsdag was, vroegen de Joden aan Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken en zij weggehaald mochten worden. De lichamen mochten niet op de sabbat aan het kruis blijven, want die sabbat was een grote dag. Brontekst: Οἱ (Hoi) = de | οὖν (oun) = dus | Ἰουδαῖοι (Ioudaioi) = Joden | ἐπεὶ (epei) = omdat | παρασκευὴ (paraskeue) = voorbereidingsdag | ἦν (en) = was | ἵνα (hina) = opdat | μὴ (me) = niet | μείνῃ (meine) = blijft | ἐπὶ (epi) = aan | τοῦ (tou) = het | σταυροῦ (staurou) = kruis | τὰ (ta) = de | σώματα (somata) = lichamen | ἐν (en) = op | τῷ (to) = de | σαββάτῳ (sabbato) = sabbat | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | μεγάλη (megale) = grote | ἡ (he) = de | ἡμέρα (hemera) = dag | ἐκείνου (ekeinou) = van die | τοῦ (tou) = de | σαββάτου (sabbatou) = sabbat | ἠρώτησαν (erotesan) = vroegen | τὸν (ton) = de | Πιλᾶτον (Pilaton) = Pilatus | ἵνα (hina) = opdat | κατεαγῶσιν (kateagosin) = gebroken worden | αὐτῶν (auton) = hun | τὰ (ta) = de | σκέλη (skele) = benen | καὶ (kai) = en | ἀρθῶσιν (arthosin) = weggehaald worden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders. αὐτῶν (auton), ‘hun’: de gekruisigden. De tekst zegt niet waarom die sabbat een ‘grote dag’ was. Het breken van de benen diende om de dood te verhaasten. Vergelijk Deut. 21:22–23: een lijk mag de nacht niet aan de boom blijven. Zie ook: Deut 21:22–23 **19:32** De soldaten kwamen dus en braken de benen van de eerste en van de ander die met Hem gekruisigd was. Brontekst: ἦλθον (elthon) = kwamen | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | στρατιῶται (stratiotai) = soldaten | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van de | μὲν (men) = wel | πρώτου (protou) = eerste | κατέαξαν (kateaxan) = braken | τὰ (ta) = de | σκέλη (skele) = benen | καὶ (kai) = en | τοῦ (tou) = van de | ἄλλου (allou) = ander | τοῦ (tou) = de | συσταυρωθέντος (systaurothentos) = mee gekruisigde | αὐτῷ (auto) = Hem Bron: SBLGNT **19:33** Maar toen zij bij Yeshua kwamen en zagen dat Hij al gestorven was, braken zij Zijn benen niet. Brontekst: ἐπὶ (epi) = bij | δὲ (de) = maar | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἐλθόντες (elthontes) = komend | ὡς (hos) = toen | εἶδον (eidon) = zagen | ἤδη (ede) = al | αὐτὸν (auton) = Hem | τεθνηκότα (tethnekota) = gestorven | οὐ (ou) = niet | κατέαξαν (kateaxan) = braken | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὰ (ta) = de | σκέλη (skele) = benen Bron: SBLGNT **19:34** Maar een van de soldaten stak met een speer in Zijn zij, en meteen kwamen er bloed en water uit. Brontekst: ἀλλ’ (all’) = maar | εἷς (heis) = een | τῶν (ton) = van de | στρατιωτῶν (stratioton) = soldaten | λόγχῃ (lonche) = met een speer | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὴν (ten) = de | πλευρὰν (pleuran) = zij | ἔνυξεν (enyxen) = stak | καὶ (kai) = en | ἐξῆλθεν (exelthen) = kwam uit | εὐθὺς (euthys) = meteen | αἷμα (haima) = bloed | καὶ (kai) = en | ὕδωρ (hydor) = water Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λόγχη (lonche), ‘speer’. πλευρά (pleura), ‘zij’: de zijkant van het lichaam (zoals in 20:20, 20:25 en 20:27). **19:35** Wie het gezien heeft, heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waar. En die weet dat hij de waarheid zegt, zodat ook jullie geloven. Brontekst: καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἑωρακὼς (heorakos) = gezien hebbende | μεμαρτύρηκεν (memartyreken) = heeft getuigd | καὶ (kai) = en | ἀληθινὴ (alethine) = waar | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἐστιν (estin) = is | ἡ (he) = de | μαρτυρία (martyria) = getuigenis | καὶ (kai) = en | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | οἶδεν (oiden) = weet | ὅτι (hoti) = dat | ἀληθῆ (alethe) = waarheid | λέγει (legei) = zegt | ἵνα (hina) = opdat | καὶ (kai) = ook | ὑμεῖς (hymeis) = jullie | πιστεύητε (pisteuete) = geloven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’; μαρτυρία (martyria), ‘getuigenis’. De tekst noemt de getuige niet bij naam. ἐκεῖνος (ekeinos), ‘die’, kan dezelfde getuige zijn of een ander. Vergelijk 21:24. Voetnoot Lezing: In sommige oude handschriften staat hier πιστεύσητε (pisteusete), ‘tot geloof komen’. De SBLGNT heeft πιστεύητε (pisteuete), ‘geloven’ of ‘blijven geloven’. **19:36** Want dit is gebeurd opdat de Schrift vervuld zou worden: „Geen been van Hem zal gebroken worden.” Brontekst: ἐγένετο (egeneto) = werd | γὰρ (gar) = want | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ἵνα (hina) = opdat | ἡ (he) = de | γραφὴ (graphe) = Schrift | πληρωθῇ (plerothe) = vervuld wordt | Ὀστοῦν (Ostoun) = been | οὐ (ou) = niet | συντριβήσεται (syntribesetai) = zal gebroken worden | αὐτοῦ (autou) = van Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 12:46 en Num. 9:12, waar het over het Pesach-offer gaat: ‘geen been ervan breken’. Ook Ps. 34:21 (in de Nederlandse telling is dit 34:20): ‘Hij bewaart al zijn beenderen. Niet één van hen is gebroken.’ De tekst noemt het vers niet. συντρίβω (syntribo), ‘breken’. Zie ook: Ex 12:46; Num 9:12; Ps 34:21 **19:37** En weer zegt een andere Schrifttekst: „Zij zullen zien op Hem die zij doorstoken hebben.” Brontekst: καὶ (kai) = en | πάλιν (palin) = opnieuw | ἑτέρα (hetera) = andere | γραφὴ (graphe) = Schrift | λέγει (legei) = zegt | Ὄψονται (Opsontai) = zullen zien | εἰς (eis) = naar | ὃν (hon) = wie | ἐξεκέντησαν (exekentesan) = doorstaken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Dit is Zach. 12:10: ‘Zij zullen opzien naar Mij, naar hem die zij doorstoken hebben.’ Het Hebreeuws heeft ‘naar Mij’, omdat Yahweh spreekt; de Griekse tekst heeft alleen ‘naar wie zij doorstoken hebben’. ἐκκεντέω (ekkenteo), ‘doorsteken’. Zie ook Openb. 1:7. Zie ook: Zach 12:10; Openb 1:7 ### Het graf in de tuin **19:38** Hierna vroeg Jozef van Arimatea aan Pilatus of hij het lichaam van Yeshua mocht wegnemen. Hij was een leerling van Yeshua, maar hield dat verborgen uit angst voor de Joden. Pilatus stond het toe. Jozef kwam dus en nam Zijn lichaam weg. Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | δὲ (de) = maar | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ἠρώτησεν (erotesen) = vroeg | τὸν (ton) = de | Πιλᾶτον (Pilaton) = Pilatus | Ἰωσὴφ (Ioseph) = Jozef | ἀπὸ (apo) = uit | Ἁριμαθαίας (Harimathaias) = Arimatea | ὢν (on) = zijnde | μαθητὴς (mathetes) = leerling | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | κεκρυμμένος (kekrymmenos) = verborgen | δὲ (de) = maar | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | φόβον (phobon) = angst | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἵνα (hina) = opdat | ἄρῃ (are) = hij wegneemt | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἐπέτρεψεν (epetrepsen) = stond toe | ὁ (ho) = de | Πιλᾶτος (Pilatos) = Pilatus | ἦλθεν (elthen) = kwam | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = en | ἦρεν (eren) = nam weg | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Arimatea (Ramataim?; ligging onzeker): De ligging van Arimatea is onbekend. Vaak wordt het gelijkgesteld met Ramataim-Sofim (Rama), ongeveer bij Rentis, ten noordoosten van Lod. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Ἁριμαθαία (Harimathaia), ‘Arimatea’: de ligging is onzeker (zoals bij Matt. 27:57). κεκρυμμένος (kekrymmenos), ‘verborgen’. Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders. Voetnoot : Zie ook Matt. 27:57–61; Mark. 15:42–47; Luc. 23:50–56. Zie ook: Mat 27:57; Mar 15:42–47; Luc 23:50–56 **19:39** Ook Nikodemus kwam, die eerder ’s nachts naar Hem toe gekomen was. Hij bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer 100 pond. Brontekst: ἦλθεν (elthen) = kwam | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | Νικόδημος (Nikodemos) = Nikodemus | ὁ (ho) = die | ἐλθὼν (elthon) = gekomen was | πρὸς (pros) = naar | αὐτὸν (auton) = Hem | νυκτὸς (nyktos) = ’s nachts | τὸ (to) = het | πρῶτον (proton) = eerst | φέρων (pheron) = brengend | μίγμα (migma) = mengsel | σμύρνης (smyrnes) = van mirre | καὶ (kai) = en | ἀλόης (aloes) = van aloë | ὡς (hos) = ongeveer | λίτρας (litras) = ponden | ἑκατόν (hekaton) = honderd Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: λίτρα (litra), ‘pond’: een Romeins pond, ongeveer 330 gram; 100 pond is dus ongeveer 33 kilo. σμύρνα (smyrna), ‘mirre’ en ἀλόη (aloe), ‘aloë’: geurige stoffen voor de begrafenis. Zie ook Joh. 3:1–2; 7:50. Zie ook: Joh 3:1–2; Joh 7:50 **19:40** Zij namen het lichaam van Yeshua en wikkelden het met de specerijen in linnen doeken. Zo is het bij de Joden de gewoonte te begraven. Brontekst: ἔλαβον (elabon) = namen | οὖν (oun) = dus | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἔδησαν (edesan) = bonden | αὐτὸ (auto) = het | ὀθονίοις (othoniois) = met linnen doeken | μετὰ (meta) = met | τῶν (ton) = de | ἀρωμάτων (aromaton) = specerijen | καθὼς (kathos) = zoals | ἔθος (ethos) = gewoonte | ἐστὶν (estin) = is | τοῖς (tois) = aan de | Ἰουδαίοις (Ioudaiois) = Joden | ἐνταφιάζειν (entaphiazein) = te begraven Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀθόνιον (othonion), ‘linnen doek’: een ander woord dan σινδών (sindon) in Mark. 15:46. ἄρωμα (aroma), ‘specerij’, zoals in Mark. 16:1. Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de Joden in het algemeen. Zie ook: Mar 15:46; Mar 16:1 **19:41** Op de plaats waar Hij gekruisigd was, was een tuin, en in de tuin een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was neergelegd. Brontekst: ἦν (en) = was | δὲ (de) = maar | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | τόπῳ (topo) = plaats | ὅπου (hopou) = waar | ἐσταυρώθη (estaurothe) = gekruisigd werd | κῆπος (kepos) = tuin | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | κήπῳ (kepo) = tuin | μνημεῖον (mnemeion) = graf | καινόν (kainon) = nieuw | ἐν (en) = in | ᾧ (ho) = dat | οὐδέπω (oudepo) = nog niet | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | ἦν (en) = was | τεθειμένος (tetheimenos) = neergelegd Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tuin en graf van Yeshua (Jeruzalem; ligging onzeker): De tuin met het nieuwe graf lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem, vlak bij Golgota. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: μνημεῖον (mnemeion), ‘graf’. Johannes zegt niet van wie het graf was; vergelijk Matt. 27:60: ‘zijn nieuwe graf’. Zie ook: Mat 27:60 **19:42** Daar legden zij Yeshua dus neer, vanwege de voorbereidingsdag van de Joden, want het graf was dichtbij. Brontekst: ἐκεῖ (ekei) = daar | οὖν (oun) = dus | διὰ (dia) = vanwege | τὴν (ten) = de | παρασκευὴν (paraskeuen) = voorbereidingsdag | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ὅτι (hoti) = omdat | ἐγγὺς (engys) = dichtbij | ἦν (en) = was | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | ἔθηκαν (ethekan) = legden | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tuin en graf van Yeshua (Jeruzalem; ligging onzeker): De tuin met het nieuwe graf lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem, vlak bij Golgota. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. ## Johannes 20 _Het lege graf en de verschijningen van de opgestane Yeshua_ ### Het lege graf **20:1** Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena vroeg, toen het nog donker was, naar het graf. Zij zag dat de steen van het graf weggehaald was. Brontekst: Τῇ (Te) = op de | δὲ (de) = maar | μιᾷ (mia) = eerste | τῶν (ton) = van de | σαββάτων (sabbaton) = week | Μαρία (Maria) = Maria | ἡ (he) = de | Μαγδαληνὴ (Magdalene) = Magdalena | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρωῒ (proi) = vroeg | σκοτίας (skotias) = duisternis | ἔτι (eti) = nog | οὔσης (ouses) = zijnde | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | καὶ (kai) = en | βλέπει (blepei) = ziet | τὸν (ton) = de | λίθον (lithon) = steen | ἠρμένον (ermenon) = weggehaald | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | μνημείου (mnemeiou) = graf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tuin en graf van Yeshua (Jeruzalem; ligging onzeker): De tuin met het nieuwe graf lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem, vlak bij Golgota. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: μία τῶν σαββάτων (mia ton sabbaton), ‘de eerste dag van de week’: letterlijk ‘de eerste van de sabbatten’, de dag na de sabbat (zoals in Matt. 28:1). Johannes noemt alleen Maria Magdalena; in 20:2 spreekt zij echter van ‘wij’. Voetnoot : Zie ook Matt. 28:1–8; Mark. 16:1–8; Luc. 24:1–12. Zie ook: Mat 28:1; Mar 16:1–8; Luc 24:1–12 **20:2** Zij rende dus weg en kwam bij Simon Petrus en bij de andere leerling, die Yeshua liefhad. Zij zei tegen hen: „Zij hebben de Heer uit het graf weggehaald, en wij weten niet waar zij Hem hebben neergelegd.” Brontekst: τρέχει (trechei) = rent | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = en | ἔρχεται (erchetai) = komt | πρὸς (pros) = naar | Σίμωνα (Simona) = Simon | Πέτρον (Petron) = Petrus | καὶ (kai) = en | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | ἄλλον (allon) = andere | μαθητὴν (matheten) = leerling | ὃν (hon) = die | ἐφίλει (ephilei) = liefhad | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἦραν (Eran) = hebben weggehaald | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | ἐκ (ek) = uit | τοῦ (tou) = het | μνημείου (mnemeiou) = graf | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | οἴδαμεν (oidamen) = weten wij | ποῦ (pou) = waar | ἔθηκαν (ethekan) = legden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐφίλει (ephilei): φιλέω (phileo), ‘liefhebben’. In 19:26, 21:7 en 21:20 staat ἀγαπάω (agapao). Wij vertalen beide met ‘liefhebben’ (zie 21:15–17). Voetnoot : οἴδαμεν (oidamen), ‘wij weten’: het meervoud kan wijzen op meer vrouwen dan Maria Magdalena alleen (vergelijk Matt. 28:1; Mark. 16:1). Zie ook: Mat 28:1; Mar 16:1 **20:3** Petrus en de andere leerling vertrokken dus en gingen naar het graf. Brontekst: ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἄλλος (allos) = andere | μαθητής (mathetes) = leerling | καὶ (kai) = en | ἤρχοντο (erchonto) = gingen | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf Bron: SBLGNT **20:4** De twee renden samen, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Brontekst: ἔτρεχον (etrechon) = renden | δὲ (de) = maar | οἱ (hoi) = de | δύο (dyo) = twee | ὁμοῦ (homou) = samen | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | ἄλλος (allos) = andere | μαθητὴς (mathetes) = leerling | προέδραμεν (proedramen) = liep vooruit | τάχιον (tachion) = sneller | τοῦ (tou) = dan | Πέτρου (Petrou) = Petrus | καὶ (kai) = en | ἦλθεν (elthen) = kwam | πρῶτος (protos) = eerste | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf Bron: SBLGNT **20:5** Hij bukte zich en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Brontekst: καὶ (kai) = en | παρακύψας (parakypsas) = zich bukkend | βλέπει (blepei) = ziet | κείμενα (keimena) = liggend | τὰ (ta) = de | ὀθόνια (othonia) = linnen doeken | οὐ (ou) = niet | μέντοι (mentoi) = echter | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὀθόνια (othonia), ‘linnen doeken’: zoals in 19:40. **20:6** Ook Simon Petrus kwam, die hem volgde. Hij ging het graf in en zag de linnen doeken liggen, Brontekst: ἔρχεται (erchetai) = komt | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = ook | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἀκολουθῶν (akolouthon) = volgend | αὐτῷ (auto) = hem | καὶ (kai) = en | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | καὶ (kai) = en | θεωρεῖ (theorei) = ziet | τὰ (ta) = de | ὀθόνια (othonia) = linnen doeken | κείμενα (keimena) = liggend Bron: SBLGNT **20:7** en de zweetdoek die op Zijn hoofd had gelegen, niet bij de linnen doeken, maar apart opgerold op één plaats. Brontekst: καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | σουδάριον (soudarion) = zweetdoek | ὃ (ho) = die | ἦν (en) = was | ἐπὶ (epi) = op | τῆς (tes) = het | κεφαλῆς (kephales) = hoofd | αὐτοῦ (autou) = Zijn | οὐ (ou) = niet | μετὰ (meta) = bij | τῶν (ton) = de | ὀθονίων (othonion) = linnen doeken | κείμενον (keimenon) = liggend | ἀλλὰ (alla) = maar | χωρὶς (choris) = apart | ἐντετυλιγμένον (entetyligmenon) = opgerold | εἰς (eis) = op | ἕνα (hena) = één | τόπον (topon) = plaats Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σουδάριον (soudarion), ‘zweetdoek’: een doek, ook gebruikt om het gezicht te bedekken (zoals in 11:44). Het woord komt van het Latijn. Het Grieks heeft bij ‘en de zweetdoek’ geen eigen werkwoord; het hangt af van ‘zag’ in vers 6. Zie ook: Joh 20:6 **20:8** Toen ging ook de andere leerling naar binnen, die als eerste bij het graf was gekomen. Hij zag en geloofde. Brontekst: τότε (tote) = toen | οὖν (oun) = dus | εἰσῆλθεν (eiselthen) = ging binnen | καὶ (kai) = ook | ὁ (ho) = de | ἄλλος (allos) = andere | μαθητὴς (mathetes) = leerling | ὁ (ho) = die | ἐλθὼν (elthon) = gekomen was | πρῶτος (protos) = eerste | εἰς (eis) = naar | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf | καὶ (kai) = en | εἶδεν (eiden) = zag | καὶ (kai) = en | ἐπίστευσεν (episteusen) = geloofde Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐπίστευσεν (episteusen), ‘geloofde’: het Grieks zegt niet wat hij geloofde. **20:9** Want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan. Brontekst: οὐδέπω (oudepo) = nog niet | γὰρ (gar) = want | ᾔδεισαν (edeisan) = wisten | τὴν (ten) = de | γραφὴν (graphen) = Schrift | ὅτι (hoti) = dat | δεῖ (dei) = moet | αὐτὸν (auton) = Hem | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden | ἀναστῆναι (anastenai) = opstaan Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ᾔδεισαν τὴν γραφήν (ideisan ten graphen), letterlijk ‘zij wisten de Schrift niet’: zij begrepen nog niet wat de Schrift zegt, dat Hij moest opstaan. De tekst noemt geen bepaald vers. ἀναστῆναι (anastenai), ‘opstaan’: een ander woord dan ἐγείρω (egeiro), ‘opwekken’. **20:10** De leerlingen gingen dus weer naar huis. Brontekst: ἀπῆλθον (apelthon) = gingen weg | οὖν (oun) = dus | πάλιν (palin) = opnieuw | πρὸς (pros) = naar | αὑτοὺς (hautous) = zichzelf | οἱ (hoi) = de | μαθηταί (mathetai) = leerlingen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πρὸς αὑτούς (pros hautous), letterlijk ‘naar zichzelf’: naar hun plaats, naar huis. ### Yeshua verschijnt aan Maria Magdalena **20:11** Maria stond buiten bij het graf te huilen. Terwijl zij huilde, boog zij zich voorover en keek in het graf. Brontekst: Μαρία (Maria) = Maria | δὲ (de) = maar | εἱστήκει (heistekei) = stond | πρὸς (pros) = bij | τῷ (to) = het | μνημείῳ (mnemeio) = graf | ἔξω (exo) = buiten | κλαίουσα (klaiousa) = huilend | ὡς (hos) = toen | οὖν (oun) = dus | ἔκλαιεν (eklaien) = huilde | παρέκυψεν (parekypsen) = boog zich voorover | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | μνημεῖον (mnemeion) = graf Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Tuin en graf van Yeshua (Jeruzalem; ligging onzeker): De tuin met het nieuwe graf lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem, vlak bij Golgota. De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk. Dit is niet zeker. **20:12** Zij zag 2 engelen in het wit zitten, een bij het hoofd en een bij de voeten, waar het lichaam van Yeshua had gelegen. Brontekst: καὶ (kai) = en | θεωρεῖ (theorei) = ziet | δύο (dyo) = twee | ἀγγέλους (angelous) = engelen | ἐν (en) = in | λευκοῖς (leukois) = witte | καθεζομένους (kathezomenous) = zittend | ἕνα (hena) = één | πρὸς (pros) = bij | τῇ (te) = het | κεφαλῇ (kephale) = hoofd | καὶ (kai) = en | ἕνα (hena) = één | πρὸς (pros) = bij | τοῖς (tois) = de | ποσίν (posin) = voeten | ὅπου (hopou) = waar | ἔκειτο (ekeito) = lag | τὸ (to) = het | σῶμα (soma) = lichaam | τοῦ (tou) = van de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐν λευκοῖς (en leukois), ‘in het wit’: in witte kleren. Matteüs noemt 1 engel (Matt. 28:2), Markus een jongeman (Mark. 16:5) en Lucas 2 mannen in stralende kleren (Luc. 24:4). Zie ook: Mat 28:2; Mar 16:5; Luc 24:4 **20:13** Zij zeiden tegen haar: „Vrouw, waarom huil je?” Zij zei tegen hen: „Zij hebben mijn Heer weggehaald, en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.” Brontekst: καὶ (kai) = en | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῇ (aute) = haar | ἐκεῖνοι (ekeinoi) = die | Γύναι (Gynai) = vrouw | τί (ti) = waarom | κλαίεις (klaieis) = huil je | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | ὅτι (hoti) = dat | Ἦραν (Eran) = hebben weggehaald | τὸν (ton) = de | κύριόν (kyrion) = Heer | μου (mou) = mijn | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | οἶδα (oida) = weet ik | ποῦ (pou) = waar | ἔθηκαν (ethekan) = legden | αὐτόν (auton) = Hem Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριός μου (kyrios mou), ‘mijn Heer’: Maria noemt Yeshua zo, ook in 20:2 (‘de Heer’) en 20:18. **20:14** Nadat zij dit gezegd had, draaide zij zich om en zag Yeshua staan. Zij wist niet dat het Yeshua was. Brontekst: ταῦτα (tauta) = deze dingen | εἰποῦσα (eipousa) = zeggend | ἐστράφη (estraphe) = draaide zich om | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | ὀπίσω (opiso) = achterzijde | καὶ (kai) = en | θεωρεῖ (theorei) = ziet | τὸν (ton) = de | Ἰησοῦν (Iesoun) = Yeshua | ἑστῶτα (hestota) = staand | καὶ (kai) = en | οὐκ (ouk) = niet | ᾔδει (edei) = wist | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **20:15** Yeshua zei tegen haar: **„Vrouw, waarom huil je? Wie zoek je?”** Zij dacht dat het de tuinman was en zei tegen Hem: „Heer, als u Hem hebt weggedragen, zeg mij dan waar u Hem hebt neergelegd. Dan zal ik Hem weghalen.” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = haar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Γύναι (Gynai) = vrouw | τί (ti) = waarom | κλαίεις (klaieis) = huil je | τίνα (tina) = wie | ζητεῖς (zeteis) = zoek je | ἐκείνη (ekeine) = zij | δοκοῦσα (dokousa) = denkend | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | κηπουρός (kepouros) = tuinman | ἐστιν (estin) = is | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | Κύριε (Kyrie) = heer | εἰ (ei) = als | σὺ (sy) = u | ἐβάστασας (ebastasas) = hebt weggedragen | αὐτόν (auton) = Hem | εἰπέ (eipe) = zeg | μοι (moi) = mij | ποῦ (pou) = waar | ἔθηκας (ethekas) = hebt neergelegd | αὐτόν (auton) = Hem | κἀγὼ (kago) = en ik | αὐτὸν (auton) = Hem | ἀρῶ (aro) = zal wegnemen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: κύριε (kyrie), ‘heer’: Maria denkt dat zij met de tuinman spreekt; het is een beleefde aanspreking en geen titel. Wij schrijven ‘u’. κηπουρός (kepouros), ‘tuinman’. Het Grieks heeft bij ‘zeg mij’ en ‘weghalen’ geen voorwerp; de ‘Hem’ is Yeshua zelf. **20:16** Yeshua zei tegen haar: **„Maria!”** Zij draaide zich om en zei in het Hebreeuws tegen Hem: „Rabboeni!” Dat betekent: Leraar. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = haar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Μαριάμ (Mariam) = Maria | στραφεῖσα (strapheisa) = omgedraaid | ἐκείνη (ekeine) = zij | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | Ἑβραϊστί (Hebraisti) = in het Hebreeuws | Ραββουνι (Rhabbouni) = rabboeni | ὃ (ho) = wat | λέγεται (legetai) = wordt gezegd | Διδάσκαλε (Didaskale) = leraar Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Μαριάμ (Mariam) is de Aramese vorm van de naam Maria. Ῥαββουνι (Rabboeni) is Aramees en een eerbiedige vorm van ῥαββί (rabbi), ‘leraar’; Johannes vertaalt het zelf met διδάσκαλε (didaskale), ‘Leraar’. Ἑβραϊστί (Hebraisti), ‘in het Hebreeuws’: kan hier de Aramese volkstaal bedoelen (zie 19:13). **20:17** Yeshua zei tegen haar: **„Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgegaan naar de Vader. Maar ga naar Mijn broers en zeg tegen hen: ‘Ik ga op naar Mijn Vader en jullie Vader, naar Mijn Elohim en jullie Elohim.’”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῇ (aute) = haar | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Μή (Me) = niet | μου (mou) = Mij | ἅπτου (haptou) = houd vast | οὔπω (oupo) = nog niet | γὰρ (gar) = want | ἀναβέβηκα (anabebeka) = ben opgegaan | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | πορεύου (poreuou) = ga | δὲ (de) = maar | πρὸς (pros) = naar | τοὺς (tous) = de | ἀδελφούς (adelphous) = broers | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | εἰπὲ (eipe) = zeg | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἀναβαίνω (Anabaino) = ga op | πρὸς (pros) = naar | τὸν (ton) = de | πατέρα (patera) = Vader | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | πατέρα (patera) = Vader | ὑμῶν (hymon) = jullie | καὶ (kai) = en | θεόν (theon) = Elohim | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | θεὸν (theon) = Elohim | ὑμῶν (hymon) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἅπτομαι (haptomai), ‘aanraken’ of ‘vasthouden’: Μή μου ἅπτου kan betekenen ‘raak Mij niet aan’ of ‘houd Mij niet vast’ (blijf je niet aan Mij vastklampen). Wij kiezen het laatste, omdat Yeshua in 20:27 Tomas juist uitnodigt Hem aan te raken. ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: hier de leerlingen (zoals in Matt. 28:10). ἀναβαίνω (anabaino), ‘opgaan’. Voetnoot : Zie ook Matt. 28:9–10; Mark. 16:9–11. Zie ook: Mat 28:9–10; Mat 28:10; Mar 16:9–11 **20:18** Maria Magdalena kwam naar de leerlingen en meldde: „Ik heb de Heer gezien!” En zij vertelde dat Hij dit tegen haar gezegd had. Brontekst: ἔρχεται (erchetai) = komt | Μαριὰμ (Mariam) = Maria | ἡ (he) = de | Μαγδαληνὴ (Magdalene) = Magdalena | ἀγγέλλουσα (angellousa) = meldend | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | ὅτι (hoti) = dat | Ἑώρακα (Heoraka) = heb gezien | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | καὶ (kai) = en | ταῦτα (tauta) = dit | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῇ (aute) = haar Bron: SBLGNT ### Yeshua verschijnt aan de leerlingen **20:19** Het was avond op die dag, de eerste dag van de week. De deuren waren gesloten waar de leerlingen waren, uit angst voor de Joden. Yeshua kwam, ging in het midden staan en zei tegen hen: **„Vrede voor jullie.”** Brontekst: Οὔσης (Ouses) = zijnde | οὖν (oun) = dus | ὀψίας (opsias) = avond | τῇ (te) = op de | ἡμέρᾳ (hemera) = dag | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | μιᾷ (mia) = eerste | σαββάτων (sabbaton) = week | καὶ (kai) = en | τῶν (ton) = van de | θυρῶν (thyron) = deuren | κεκλεισμένων (kekleismenon) = gesloten | ὅπου (hopou) = waar | ἦσαν (esan) = waren | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | διὰ (dia) = vanwege | τὸν (ton) = de | φόβον (phobon) = angst | τῶν (ton) = van de | Ἰουδαίων (Ioudaion) = Joden | ἦλθεν (elthen) = kwam | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | ἔστη (este) = stond | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | μέσον (meson) = midden | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Εἰρήνη (Eirene) = vrede | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Εἰρήνη ὑμῖν (eirene hymin), ‘Vrede voor jullie’: de gewone groet, in het Hebreeuws shalom. Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders (zoals in 19:38). Voetnoot : Zie ook Mark. 16:14; Luc. 24:36–43. Zie ook: Mar 16:14; Luc 24:36–43 **20:20** Nadat Hij dit gezegd had, liet Hij hun Zijn handen en Zijn zij zien. De leerlingen werden blij toen zij de Heer zagen. Brontekst: καὶ (kai) = en | τοῦτο (touto) = dit | εἰπὼν (eipon) = zeggend | ἔδειξεν (edeixen) = toonde | τὰς (tas) = de | χεῖρας (cheiras) = handen | καὶ (kai) = en | τὴν (ten) = de | πλευρὰν (pleuran) = zij | αὐτοῖς (autois) = hun | ἐχάρησαν (echaresan) = verheugden zich | οὖν (oun) = dus | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ἰδόντες (idontes) = ziende | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer Bron: SBLGNT **20:21** Yeshua zei opnieuw tegen hen: **„Vrede voor jullie. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, stuur Ik ook jullie.”** Brontekst: εἶπεν (eipen) = zei | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | πάλιν (palin) = opnieuw | Εἰρήνη (Eirene) = vrede | ὑμῖν (hymin) = voor jullie | καθὼς (kathos) = zoals | ἀπέσταλκέν (apestalken) = heeft gezonden | με (me) = Mij | ὁ (ho) = de | πατήρ (pater) = Vader | κἀγὼ (kago) = ook Ik | πέμπω (pempo) = stuur | ὑμᾶς (hymas) = jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’ en πέμπω (pempo), ‘sturen’ zijn twee Griekse woorden met een vergelijkbare betekenis. Van het eerste komt ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’. Zie ook Joh. 17:18. Zie ook: Joh 17:18 **20:22** Nadat Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zei tegen hen: **„Ontvang de Heilige Geest.** Brontekst: καὶ (kai) = en | τοῦτο (touto) = dit | εἰπὼν (eipon) = zeggend | ἐνεφύσησεν (enephysesen) = blies | καὶ (kai) = en | λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Λάβετε (Labete) = ontvangt | πνεῦμα (pneuma) = geest | ἅγιον (hagion) = heilige Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἐμφυσάω (emphysao), ‘blazen’: het Grieks heeft geen voorwerp; wij vullen ‘op hen’ aan. Vergelijk Gen. 2:7, waar Elohim de adem van leven in de mens blies. πνεῦμα ἅγιον (pneuma hagion) heeft geen lidwoord; wij schrijven ‘de Heilige Geest’. Zie ook Hand. 2:1–4. Zie ook: Gen 2:7; Hand 2:1–4 **20:23** **Van wie jullie de zonden vergeven, hun zijn zij vergeven. Van wie jullie ze vasthouden, zijn ze vastgehouden.”** Brontekst: ἄν (an) = als | τινων (tinon) = van sommigen | ἀφῆτε (aphete) = vergeven jullie | τὰς (tas) = de | ἁμαρτίας (hamartias) = zonden | ἀφέωνται (apheontai) = zijn vergeven | αὐτοῖς (autois) = hun | ἄν (an) = als | τινων (tinon) = van sommigen | κρατῆτε (kratete) = vasthouden jullie | κεκράτηνται (kekratentai) = zijn vastgehouden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀφίημι (aphiemi), ‘vergeven’; κρατέω (krateo), ‘vasthouden’: de zonden niet vergeven. ἀφέωνται (apheontai), ‘zijn vergeven’, en κεκράτηνται (kekratentai), ‘zijn vastgehouden’, zijn voltooide tijden. Vergelijk Matt. 16:19 en 18:18. Zie ook: Mat 16:19; Mat 18:18 ### Tomas **20:24** Tomas, een van de twaalf, die Didymus genoemd wordt, was er niet bij toen Yeshua kwam. Brontekst: Θωμᾶς (Thomas) = Tomas | δὲ (de) = maar | εἷς (heis) = een | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | δώδεκα (dodeka) = twaalf | ὁ (ho) = de | λεγόμενος (legomenos) = genoemde | Δίδυμος (Didymos) = Didymus | οὐκ (ouk) = niet | ἦν (en) = was | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | ὅτε (hote) = toen | ἦλθεν (elthen) = kwam | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Θωμᾶς (Thomas), ‘Tomas’, is Aramees voor ‘tweeling’; Δίδυμος (Didymos), ‘Didymus’, is Grieks voor ‘tweeling’. Zie ook Joh. 11:16. Zie ook: Joh 11:16 **20:25** De andere leerlingen zeiden dus tegen hem: „Wij hebben de Heer gezien!” Maar hij zei tegen hen: „Als ik niet in Zijn handen de afdruk van de nagels zie, en mijn vinger in de afdruk van de nagels leg, en mijn hand in Zijn zij leg, zal ik beslist niet geloven.” Brontekst: ἔλεγον (elegon) = zeiden | οὖν (oun) = dus | αὐτῷ (auto) = hem | οἱ (hoi) = de | ἄλλοι (alloi) = andere | μαθηταί (mathetai) = leerlingen | Ἑωράκαμεν (Heorakamen) = hebben gezien wij | τὸν (ton) = de | κύριον (kyrion) = Heer | ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Ἐὰν (Ean) = als | μὴ (me) = niet | ἴδω (ido) = zie ik | ἐν (en) = in | ταῖς (tais) = de | χερσὶν (chersin) = handen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | τὸν (ton) = de | τύπον (typon) = afdruk | τῶν (ton) = van de | ἥλων (helon) = nagels | καὶ (kai) = en | βάλω (balo) = leg ik | τὸν (ton) = de | δάκτυλόν (daktylon) = vinger | μου (mou) = mijn | εἰς (eis) = in | τὸν (ton) = de | τύπον (typon) = afdruk | τῶν (ton) = van de | ἥλων (helon) = nagels | καὶ (kai) = en | βάλω (balo) = leg ik | μου (mou) = mijn | τὴν (ten) = de | χεῖρα (cheira) = hand | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | πλευρὰν (pleuran) = zij | αὐτοῦ (autou) = Zijn | οὐ (ou) = niet | μὴ (me) = niet | πιστεύσω (pisteuso) = zal geloven ik Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: τύπος (typos), ‘afdruk’: het teken dat de nagels achterlieten. ἥλος (helos), ‘nagel’. οὐ μὴ πιστεύσω (ou me pisteuso), ‘ik zal beslist niet geloven’: een sterke ontkenning. Zie ook Luc. 24:39–40. Zie ook: Luc 24:39–40 **20:26** Na 8 dagen waren Zijn leerlingen weer binnen, en Tomas was bij hen. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Yeshua, ging in het midden staan en zei: **„Vrede voor jullie.”** Brontekst: Καὶ (Kai) = en | μεθ’ (meth’) = na | ἡμέρας (hemeras) = dagen | ὀκτὼ (okto) = acht | πάλιν (palin) = weer | ἦσαν (esan) = waren | ἔσω (eso) = binnen | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | Θωμᾶς (Thomas) = Tomas | μετ’ (met’) = met | αὐτῶν (auton) = hen | ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τῶν (ton) = van de | θυρῶν (thyron) = deuren | κεκλεισμένων (kekleismenon) = gesloten | καὶ (kai) = en | ἔστη (este) = stond | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = het | μέσον (meson) = midden | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Εἰρήνη (Eirene) = vrede | ὑμῖν (hymin) = voor jullie Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: μεθ’ ἡμέρας ὀκτώ (meth’ hemeras okto), ‘na 8 dagen’: volgens de toenmalige manier van tellen, waarbij de eerste dag meetelde, is dat een week later. **20:27** Daarna zei Hij tegen Tomas: **„Breng je vinger hier en zie Mijn handen. Breng je hand en leg die in Mijn zij. En wees niet ongelovig, maar gelovig.”** Brontekst: εἶτα (eita) = daarna | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | Θωμᾷ (Thoma) = Tomas | Φέρε (Phere) = breng | τὸν (ton) = de | δάκτυλόν (daktylon) = vinger | σου (sou) = je | ὧδε (hode) = hier | καὶ (kai) = en | ἴδε (ide) = zie | τὰς (tas) = de | χεῖράς (cheiras) = handen | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | φέρε (phere) = breng | τὴν (ten) = de | χεῖρά (cheira) = hand | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | βάλε (bale) = leg | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | πλευράν (pleuran) = zij | μου (mou) = Mijn | καὶ (kai) = en | μὴ (me) = niet | γίνου (ginou) = word | ἄπιστος (apistos) = ongelovig | ἀλλὰ (alla) = maar | πιστός (pistos) = gelovig Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἄπιστος (apistos), ‘ongelovig’ en πιστός (pistos), ‘gelovig’ (ook ‘trouw’): verwant aan πίστις (pistis), ‘geloof’. **20:28** Tomas antwoordde en zei tegen Hem: „Mijn Heer en mijn Elohim!” Brontekst: ἀπεκρίθη (apekrithe) = antwoordde | Θωμᾶς (Thomas) = Tomas | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = Hem | Ὁ (Ho) = de | κύριός (kyrios) = Heer | μου (mou) = mijn | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | θεός (theos) = Elohim | μου (mou) = mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ὁ κύριός μου καὶ ὁ θεός μου (ho kyrios mou kai ho theos mou), ‘mijn Heer en mijn Elohim’: Tomas spreekt Yeshua zo aan. Vergelijk Ps. 35:23: ‘mijn Elohim en mijn Heer’. Zie ook: Ps 35:23 **20:29** Yeshua zei tegen hem: **„Heb je geloofd omdat je Mij gezien hebt? Gelukkig zij die niet gezien hebben en geloofd hebben.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ὅτι (Hoti) = omdat | ἑώρακάς (heorakas) = gezien hebt | με (me) = Mij | πεπίστευκας (pepisteukas) = heb geloofd | μακάριοι (makarioi) = gelukkig | οἱ (hoi) = de | μὴ (me) = niet | ἰδόντες (idontes) = gezien hebbenden | καὶ (kai) = en | πιστεύσαντες (pisteusantes) = geloofd hebbenden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen leestekens en laat hier een vraag of een vaststelling toe: ‘Omdat je Mij gezien hebt, heb je geloofd.’ Wij lezen een vraag. μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: zoals in Matt. 5:3. Zie ook: Mat 5:3 ### Het doel van dit boek **20:30** Yeshua heeft ook nog veel andere tekenen gedaan in het bijzijn van de leerlingen. Die zijn niet in dit boek geschreven. Brontekst: Πολλὰ (Polla) = veel | μὲν (men) = wel | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = ook | ἄλλα (alla) = andere | σημεῖα (semeia) = tekenen | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐνώπιον (enopion) = in het bijzijn van | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | ἃ (ha) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἔστιν (estin) = zijn | γεγραμμένα (gegrammena) = geschreven | ἐν (en) = in | τῷ (to) = het | βιβλίῳ (biblio) = boek | τούτῳ (touto) = dit Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: σημεῖον (semeion), ‘teken’: Johannes noemt de wonderen van Yeshua ‘tekenen’. βιβλίον (biblion), ‘boek’: een boekrol. **20:31** Maar dit is geschreven opdat jullie geloven dat Yeshua de Messias is, de Zoon van Elohim, en opdat jullie, door te geloven, leven hebben in Zijn naam. Brontekst: ταῦτα (tauta) = dit | δὲ (de) = maar | γέγραπται (gegraptai) = is geschreven | ἵνα (hina) = opdat | πιστεύητε (pisteuete) = jullie geloven | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | χριστὸς (christos) = Messias | ὁ (ho) = de | υἱὸς (huios) = Zoon | τοῦ (tou) = van de | θεοῦ (theou) = Elohim | καὶ (kai) = en | ἵνα (hina) = opdat | πιστεύοντες (pisteuontes) = gelovend | ζωὴν (zoen) = leven | ἔχητε (echete) = jullie hebben | ἐν (en) = in | τῷ (to) = de | ὀνόματι (onomati) = naam | αὐτοῦ (autou) = Zijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Χριστός (Christos), ‘Messias’: de gezalfde, in het Hebreeuws mashiach. Voetnoot Lezing: In sommige oude handschriften staat hier πιστεύσητε (pisteusete), ‘tot geloof komen’. De SBLGNT heeft πιστεύητε (pisteuete), ‘geloven’ of ‘blijven geloven’. ## Johannes 21 _De vangst bij de zee van Tiberias, Petrus en het slot van het evangelie_ ### Yeshua aan de zee van Tiberias **21:1** Hierna liet Yeshua Zich opnieuw aan de leerlingen zien, bij de zee van Tiberias. Hij liet Zich zo zien: Brontekst: Μετὰ (Meta) = na | ταῦτα (tauta) = deze dingen | ἐφανέρωσεν (ephanerosen) = maakte zichtbaar | ἑαυτὸν (heauton) = Zichzelf | πάλιν (palin) = opnieuw | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | ἐπὶ (epi) = bij | τῆς (tes) = de | θαλάσσης (thalasses) = zee | τῆς (tes) = van de | Τιβεριάδος (Tiberiados) = Tiberias | ἐφανέρωσεν (ephanerosen) = maakte zichtbaar | δὲ (de) = maar | οὕτως (houtos) = zo Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het gaat om het meer van Galilea. Tiberias is de naam van de stad aan de westkant van het meer (zie 6:1 en 6:23). φανερόω (phaneroo), ‘laten zien’, zoals in Mark. 16:12 en 16:14. Zie ook: Mar 16:12; Mar 16:14 **21:2** Samen waren Simon Petrus, Tomas, die Didymus genoemd wordt, Nathanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en 2 anderen van Zijn leerlingen. Brontekst: ἦσαν (esan) = waren | ὁμοῦ (homou) = samen | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | Θωμᾶς (Thomas) = Tomas | ὁ (ho) = de | λεγόμενος (legomenos) = genoemde | Δίδυμος (Didymos) = Didymus | καὶ (kai) = en | Ναθαναὴλ (Nathanael) = Nathanaël | ὁ (ho) = de | ἀπὸ (apo) = uit | Κανὰ (Kana) = Kana | τῆς (tes) = van de | Γαλιλαίας (Galilaias) = Galilea | καὶ (kai) = en | οἱ (hoi) = de | τοῦ (tou) = van de | Ζεβεδαίου (Zebedaiou) = Zebedeüs | καὶ (kai) = en | ἄλλοι (alloi) = anderen | ἐκ (ek) = uit | τῶν (ton) = de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | αὐτοῦ (autou) = Zijn | δύο (dyo) = twee Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Kana in Galilea (ligging onzeker): Kana in Galilea is waarschijnlijk Khirbet Qana of Kafr Kanna, ongeveer 12 km ten noordnoordoosten van Nazaret. Welke van de twee het is, is niet zeker. Het is een ander Kana dan dat bij Tyrus (Jozua 19:28). Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied. Voetnoot Uitleg: Κανά (Kana): Kana in Galilea (zie 2:1). Het Grieks heeft ‘die van Zebedeüs’; dat zijn de zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes (vergelijk Matt. 4:21). Zie ook Joh. 1:45–51; 11:16. Zie ook: Mat 4:21; Joh 1:45–51; Joh 11:16 **21:3** Simon Petrus zei tegen hen: „Ik ga vissen.” Zij zeiden tegen hem: „Wij gaan ook met je mee.” Zij gingen weg en stapten in de boot, maar in die nacht vingen zij niets. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | Ὑπάγω (Hypago) = ga | ἁλιεύειν (halieuein) = vissen | λέγουσιν (legousin) = zeggen | αὐτῷ (auto) = hem | Ἐρχόμεθα (Erchometha) = komen wij | καὶ (kai) = ook | ἡμεῖς (hemeis) = wij | σὺν (syn) = met | σοί (soi) = jou | ἐξῆλθον (exelthon) = gingen uit | καὶ (kai) = en | ἐνέβησαν (enebesan) = stapten in | εἰς (eis) = in | τὸ (to) = de | πλοῖον (ploion) = boot | καὶ (kai) = en | ἐν (en) = in | ἐκείνῃ (ekeine) = die | τῇ (te) = de | νυκτὶ (nykti) = nacht | ἐπίασαν (epiasan) = vingen | οὐδέν (ouden) = niets Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πλοῖον (ploion), ‘boot’. Vergelijk Luc. 5:1–11, waar Petrus na een nacht zonder vangst een grote vangst doet. Zie ook: Luc 5:1–11 **21:4** Toen het al ochtend werd, stond Yeshua op het strand. De leerlingen wisten echter niet dat het Yeshua was. Brontekst: Πρωΐας (Proias) = ochtend | δὲ (de) = maar | ἤδη (ede) = al | γενομένης (genomenes) = wordend | ἔστη (este) = stond | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | εἰς (eis) = op | τὸν (ton) = het | αἰγιαλόν (aigialon) = strand | οὐ (ou) = niet | μέντοι (mentoi) = echter | ᾔδεισαν (edeisan) = wisten | οἱ (hoi) = de | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | ὅτι (hoti) = dat | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT **21:5** Yeshua zei dus tegen hen: **„Kinderen, hebben jullie soms iets te eten?”** Zij antwoordden Hem: „Nee.” Brontekst: λέγει (legei) = zegt | οὖν (oun) = dus | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Παιδία (Paidia) = kinderen | μή (me) = soms | τι (ti) = iets | προσφάγιον (prosphagion) = bijgerecht | ἔχετε (echete) = hebben jullie | ἀπεκρίθησαν (apekrithesan) = antwoordden | αὐτῷ (auto) = Hem | Οὔ (Ou) = nee Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: παιδίον (paidion), ‘kind’: een liefdevolle aanspreking. προσφάγιον (prosphagion), ‘iets te eten’: eigenlijk wat men bij het brood eet, zoals vis. μή τι (me ti) verwacht als antwoord ‘nee’; daarom ‘soms’. **21:6** Hij zei tegen hen: **„Werp het net aan de rechterkant van de boot, en jullie zullen vinden.”** Zij wierpen het dus uit, en door de grote hoeveelheid vissen konden zij het niet meer binnenhalen. Brontekst: ὁ (ho) = de | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτοῖς (autois) = hun | Βάλετε (Balete) = werpt | εἰς (eis) = naar | τὰ (ta) = de | δεξιὰ (dexia) = rechter | μέρη (mere) = kant | τοῦ (tou) = van de | πλοίου (ploiou) = boot | τὸ (to) = het | δίκτυον (diktyon) = net | καὶ (kai) = en | εὑρήσετε (heuresete) = zult vinden | ἔβαλον (ebalon) = wierpen | οὖν (oun) = dus | καὶ (kai) = en | οὐκέτι (ouketi) = niet meer | αὐτὸ (auto) = het | ἑλκύσαι (helkysai) = binnenhalen | ἴσχυον (ischyon) = konden | ἀπὸ (apo) = vanwege | τοῦ (tou) = de | πλήθους (plethous) = grote hoeveelheid | τῶν (ton) = van de | ἰχθύων (ichthyon) = vissen Bron: SBLGNT **21:7** Die leerling die Yeshua liefhad, zei dus tegen Petrus: „Het is de Heer!” Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, bond hij zijn bovenkleed om, want hij was naakt, en wierp zich in de zee. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | οὖν (oun) = dus | ὁ (ho) = de | μαθητὴς (mathetes) = leerling | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | ὃν (hon) = wie | ἠγάπα (egapa) = liefhad | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τῷ (to) = aan de | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | Ὁ (Ho) = de | κύριός (kyrios) = Heer | ἐστιν (estin) = is | Σίμων (Simon) = Simon | οὖν (oun) = dus | Πέτρος (Petros) = Petrus | ἀκούσας (akousas) = horend | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | κύριός (kyrios) = Heer | ἐστιν (estin) = is | τὸν (ton) = het | ἐπενδύτην (ependyten) = bovenkleed | διεζώσατο (diezosato) = omgordde zich | ἦν (en) = was | γὰρ (gar) = want | γυμνός (gymnos) = naakt | καὶ (kai) = en | ἔβαλεν (ebalen) = wierp | ἑαυτὸν (heauton) = zichzelf | εἰς (eis) = in | τὴν (ten) = de | θάλασσαν (thalassan) = zee Bron: SBLGNT Voetnoot Plaats: Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël. Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld. Voetnoot Uitleg: ἐπενδύτης (ependytes), ‘bovenkleed’: een kledingstuk dat over andere kleding gedragen wordt. γυμνός (gymnos), ‘naakt’: het kan ook betekenen: zonder bovenkleed, alleen in het onderkleed. Zie ook Joh. 13:23; 19:26; 20:2. Zie ook: Joh 13:23; Joh 19:26; Joh 20:2 **21:8** De andere leerlingen kwamen met het bootje, want zij waren niet ver van het land, maar ongeveer 200 el ervandaan. Zij sleepten het net met de vissen mee. Brontekst: οἱ (hoi) = de | δὲ (de) = maar | ἄλλοι (alloi) = andere | μαθηταὶ (mathetai) = leerlingen | τῷ (to) = met het | πλοιαρίῳ (ploiario) = bootje | ἦλθον (elthon) = kwamen | οὐ (ou) = niet | γὰρ (gar) = want | ἦσαν (esan) = waren | μακρὰν (makran) = ver | ἀπὸ (apo) = van | τῆς (tes) = het | γῆς (ges) = land | ἀλλὰ (alla) = maar | ὡς (hos) = ongeveer | ἀπὸ (apo) = van | πηχῶν (pechon) = ellen | διακοσίων (diakosion) = tweehonderd | σύροντες (syrontes) = slepend | τὸ (to) = het | δίκτυον (diktyon) = net | τῶν (ton) = van de | ἰχθύων (ichthyon) = vissen Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: πῆχυς (pechys), ‘el’: ongeveer 45 cm; 200 el is dus ongeveer 90 meter. πλοιάριον (ploiarion), ‘bootje’: een verkleinwoord van πλοῖον. **21:9** Toen zij aan land gingen, zagen zij een kolenvuur liggen, met vis erop, en brood. Brontekst: Ὡς (Hos) = toen | οὖν (oun) = dus | ἀπέβησαν (apebesan) = stapten uit | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | βλέπουσιν (blepousin) = zien | ἀνθρακιὰν (anthrakian) = kolenvuur | κειμένην (keimenen) = liggend | καὶ (kai) = en | ὀψάριον (opsarion) = vis | ἐπικείμενον (epikeimenon) = erop liggend | καὶ (kai) = en | ἄρτον (arton) = brood Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀνθρακιά (anthrakia), ‘kolenvuur’: het woord komt in dit evangelie ook voor in 18:18, bij het vuur waar Petrus zich warmde. ὀψάριον (opsarion), ‘vis’: vis als eten, zoals in 6:9. **21:10** Yeshua zei tegen hen: **„Breng wat van de vis die jullie nu gevangen hebben.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐνέγκατε (Enenkate) = brengt | ἀπὸ (apo) = van | τῶν (ton) = de | ὀψαρίων (opsarion) = vissen | ὧν (hon) = die | ἐπιάσατε (epiasate) = hebben gevangen | νῦν (nyn) = nu Bron: SBLGNT **21:11** Simon Petrus ging aan boord en trok het net aan land, vol grote vissen: 153. Hoewel het er zoveel waren, scheurde het net niet. Brontekst: ἀνέβη (anebe) = ging omhoog | οὖν (oun) = dus | Σίμων (Simon) = Simon | Πέτρος (Petros) = Petrus | καὶ (kai) = en | εἵλκυσεν (heilkysen) = trok | τὸ (to) = het | δίκτυον (diktyon) = net | εἰς (eis) = naar | τὴν (ten) = het | γῆν (gen) = land | μεστὸν (meston) = vol | ἰχθύων (ichthyon) = vissen | μεγάλων (megalon) = grote | ἑκατὸν (hekaton) = honderd | πεντήκοντα (pentekonta) = vijftig | τριῶν (trion) = drie | καὶ (kai) = en | τοσούτων (tosouton) = zovele | ὄντων (onton) = zijnde | οὐκ (ouk) = niet | ἐσχίσθη (eschisthe) = scheurde | τὸ (to) = het | δίκτυον (diktyon) = net Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet wat het aantal 153 betekent. ἀνέβη (anebe), ‘ging omhoog’: aan boord. **21:12** Yeshua zei tegen hen: **„Kom, ontbijt.”** Niemand van de leerlingen durfde Hem te vragen: „Wie ben U?” Zij wisten dat het de Heer was. Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτοῖς (autois) = hun | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Δεῦτε (Deute) = komt | ἀριστήσατε (aristesate) = ontbijt | οὐδεὶς (oudeis) = niemand | δὲ (de) = maar | ἐτόλμα (etolma) = durfde | τῶν (ton) = van de | μαθητῶν (matheton) = leerlingen | ἐξετάσαι (exetasai) = te vragen | αὐτόν (auton) = Hem | Σὺ (Sy) = U | τίς (tis) = wie | εἶ (ei) = bent | εἰδότες (eidotes) = wetend | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | κύριός (kyrios) = Heer | ἐστιν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀριστάω (aristao), ‘ontbijten’: de eerste maaltijd van de dag. ἐξετάζω (exetazo), ‘vragen’: ook ‘onderzoeken’. **21:13** Yeshua kwam, nam het brood en gaf het aan hen, en evenzo de vis. Brontekst: ἔρχεται (erchetai) = komt | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | καὶ (kai) = en | λαμβάνει (lambanei) = neemt | τὸν (ton) = het | ἄρτον (arton) = brood | καὶ (kai) = en | δίδωσιν (didosin) = geeft | αὐτοῖς (autois) = hun | καὶ (kai) = en | τὸ (to) = de | ὀψάριον (opsarion) = vis | ὁμοίως (homoios) = evenzo Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Vergelijk 6:11, waar Yeshua het brood nam en uitdeelde. **21:14** Dit was al de derde keer dat Yeshua Zich aan de leerlingen liet zien, nadat Hij uit de doden was opgewekt. Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | ἤδη (ede) = al | τρίτον (triton) = derde | ἐφανερώθη (ephanerothe) = liet Zich zien | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | τοῖς (tois) = aan de | μαθηταῖς (mathetais) = leerlingen | ἐγερθεὶς (egertheis) = opgewekt | ἐκ (ek) = uit | νεκρῶν (nekron) = doden Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: De eerste 2 keren staan in 20:19–23 en 20:26–29. ἐγερθείς (egertheis), ‘opgewekt’, zoals in Matt. 28:6. Zie ook: Mat 28:6 ### Yeshua en Petrus **21:15** Toen zij ontbeten hadden, zei Yeshua tegen Simon Petrus: **„Simon, zoon van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen?”** Petrus zei tegen Hem: „Ja, Heer, U weet dat ik U liefheb.” Yeshua zei tegen hem: **„Weid Mijn lammeren.”** Brontekst: Ὅτε (Hote) = toen | οὖν (oun) = dus | ἠρίστησαν (eristesan) = ontbeten hadden | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | Σίμωνι (Simoni) = Simon | Πέτρῳ (Petro) = Petrus | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Σίμων (Simon) = Simon | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | ἀγαπᾷς (agapas) = heb je lief | με (me) = Mij | πλέον (pleon) = meer | τούτων (touton) = dan dezen | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | Ναί (Nai) = ja | κύριε (kyrie) = Heer | σὺ (sy) = U | οἶδας (oidas) = weet | ὅτι (hoti) = dat | φιλῶ (philo) = heb lief | σε (se) = U | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Βόσκε (Boske) = weid | τὰ (ta) = de | ἀρνία (arnia) = lammeren | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀγαπάω (agapao) en φιλέω (phileo) zijn twee Griekse woorden voor ‘liefhebben’. Yeshua gebruikt in 21:15 en 21:16 ἀγαπάω; Petrus antwoordt steeds met φιλέω; in 21:17 gebruikt Yeshua zelf φιλέω. Wij vertalen beide met ‘liefhebben’. πλέον τούτων (pleon touton), ‘meer dan dezen’: meer dan deze anderen, of meer dan deze dingen (de vis, het werk). βόσκω (bosko), ‘weiden’, en ποιμαίνω (poimaino), ‘hoeden’ (21:16): Yeshua spreekt eerst van ‘lammeren’, dan van ‘schapen’. Het Grieks heeft bij ‘zei tegen’ geen namen; wij noemen Petrus en Yeshua. Voetnoot : Zie ook Joh. 10:11–16; 18:17, 18:25–27. Zie ook: Joh 10:11–16; Joh 18:17; Joh 18:25 **21:16** Yeshua zei opnieuw, voor de tweede keer, tegen hem: **„Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief?”** Petrus zei tegen Hem: „Ja, Heer, U weet dat ik U liefheb.” Yeshua zei tegen hem: **„Hoed Mijn schapen.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | πάλιν (palin) = opnieuw | δεύτερον (deuteron) = tweede | Σίμων (Simon) = Simon | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | ἀγαπᾷς (agapas) = heb je lief | με (me) = Mij | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = Hem | Ναί (Nai) = ja | κύριε (kyrie) = Heer | σὺ (sy) = U | οἶδας (oidas) = weet | ὅτι (hoti) = dat | φιλῶ (philo) = heb lief | σε (se) = U | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Ποίμαινε (Poimaine) = hoed | τὰ (ta) = de | πρόβατά (probata) = schapen | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT **21:17** Yeshua zei voor de derde keer tegen hem: **„Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief?”** Petrus werd verdrietig omdat Hij voor de derde keer tegen hem zei: **„Heb je Mij lief?”** Petrus zei tegen Hem: „Heer, U weet alles. U beseft dat ik U liefheb.” Yeshua zei tegen hem: **„Weid Mijn schapen.** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | τὸ (to) = het | τρίτον (triton) = derde | Σίμων (Simon) = Simon | Ἰωάννου (Ioannou) = van Johannes | φιλεῖς (phileis) = heb je lief | με (me) = Mij | ἐλυπήθη (elypethe) = werd bedroefd | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | ὅτι (hoti) = omdat | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = hem | τὸ (to) = het | τρίτον (triton) = derde | Φιλεῖς (Phileis) = heb je lief | με (me) = Mij | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | αὐτῷ (auto) = Hem | Κύριε (Kyrie) = Heer | πάντα (panta) = alles | σὺ (sy) = U | οἶδας (oidas) = weet | σὺ (sy) = U | γινώσκεις (ginoskeis) = beseft | ὅτι (hoti) = dat | φιλῶ (philo) = heb lief | σε (se) = U | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Βόσκε (Boske) = weid | τὰ (ta) = de | πρόβατά (probata) = schapen | μου (mou) = Mijn Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἶδα (oida) en γινώσκω (ginosko) zijn twee Griekse woorden voor ‘weten’; Petrus gebruikt beide. Wij schrijven ‘U weet alles’ en ‘U beseft’. **21:18** **Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jonger was, gordde je jezelf en liep je waarheen je wilde. Maar wanneer je oud wordt, zul je je handen uitstrekken. Een ander zal je omgorden en brengen waarheen je niet wilt.”** Brontekst: ἀμὴν (amen) = voorwaar | ἀμὴν (amen) = voorwaar | λέγω (lego) = zeg Ik | σοι (soi) = je | ὅτε (hote) = toen | ἦς (es) = was | νεώτερος (neoteros) = jonger | ἐζώννυες (ezonnyes) = gordde | σεαυτὸν (seauton) = jezelf | καὶ (kai) = en | περιεπάτεις (periepateis) = liep rond | ὅπου (hopou) = waarheen | ἤθελες (etheles) = wilde | ὅταν (hotan) = wanneer | δὲ (de) = maar | γηράσῃς (gerases) = oud wordt | ἐκτενεῖς (ekteneis) = zult uitstrekken | τὰς (tas) = de | χεῖράς (cheiras) = handen | σου (sou) = je | καὶ (kai) = en | ἄλλος (allos) = een ander | σε (se) = je | ζώσει (zosei) = zal omgorden | καὶ (kai) = en | οἴσει (oisei) = zal brengen | ὅπου (hopou) = waarheen | οὐ (ou) = niet | θέλεις (theleis) = wilt Bron: SBLGNT **21:19** Dit zei Hij om aan te geven met wat voor dood hij Elohim zou verheerlijken. Nadat Hij dit gezegd had, zei Hij tegen hem: **„Volg Mij.”** Brontekst: τοῦτο (touto) = dit | δὲ (de) = maar | εἶπεν (eipen) = zei | σημαίνων (semainon) = aanduidend | ποίῳ (poio) = met wat voor | θανάτῳ (thanato) = dood | δοξάσει (doxasei) = zal verheerlijken | τὸν (ton) = de | θεόν (theon) = Elohim | καὶ (kai) = en | τοῦτο (touto) = dit | εἰπὼν (eipon) = zeggend | λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | Ἀκολούθει (Akolouthei) = volg | μοι (moi) = Mij Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: eer geven. Het Grieks heeft bij ‘zou verheerlijken’ geen onderwerp; wij lezen: Petrus. Dezelfde woorden ‘aanduidend met wat voor dood’ staan in 12:33 en 18:32. ### De leerling die Yeshua liefhad **21:20** Petrus draaide zich om en zag de leerling volgen die Yeshua liefhad. Dit was degene die ook bij de maaltijd tegen Zijn borst had geleund en had gezegd: „Heer, wie is het die U overlevert?” Brontekst: Ἐπιστραφεὶς (Epistrapheis) = omgedraaid | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | βλέπει (blepei) = ziet | τὸν (ton) = de | μαθητὴν (matheten) = leerling | ὃν (hon) = wie | ἠγάπα (egapa) = liefhad | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἀκολουθοῦντα (akolouthounta) = volgend | ὃς (hos) = die | καὶ (kai) = ook | ἀνέπεσεν (anepesen) = leunde | ἐν (en) = tijdens | τῷ (to) = de | δείπνῳ (deipno) = maaltijd | ἐπὶ (epi) = tegen | τὸ (to) = de | στῆθος (stethos) = borst | αὐτοῦ (autou) = Zijn | καὶ (kai) = en | εἶπεν (eipen) = zei | Κύριε (Kyrie) = Heer | τίς (tis) = wie | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | παραδιδούς (paradidous) = overleverende | σε (se) = U Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Zie Joh. 13:23–25: de leerling die Yeshua liefhad, leunde bij de maaltijd tegen Zijn borst en vroeg wie Hem zou overleveren. Zie ook: Joh 13:23–25 **21:21** Toen Petrus hem zag, zei hij tegen Yeshua: „Heer, en deze, wat dan?” Brontekst: τοῦτον (touton) = deze | οὖν (oun) = dus | ἰδὼν (idon) = ziende | ὁ (ho) = de | Πέτρος (Petros) = Petrus | λέγει (legei) = zegt | τῷ (to) = aan de | Ἰησοῦ (Iesou) = Yeshua | Κύριε (Kyrie) = Heer | οὗτος (houtos) = deze | δὲ (de) = maar | τί (ti) = wat Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: Het Grieks heeft geen werkwoord: ‘Heer, maar deze, wat?’ Wij schrijven ‘en deze, wat dan?’. **21:22** Yeshua zei tegen hem: **„Als Ik wil dat hij blijft tot Ik kom, wat gaat het jou aan? Jij, volg Mij.”** Brontekst: λέγει (legei) = zegt | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | Ἐὰν (Ean) = als | αὐτὸν (auton) = hem | θέλω (thelo) = wil Ik | μένειν (menein) = blijven | ἕως (heos) = totdat | ἔρχομαι (erchomai) = kom Ik | τί (ti) = wat | πρὸς (pros) = tot | σέ (se) = jou | σύ (sy) = jij | μοι (moi) = Mij | ἀκολούθει (akolouthei) = volg Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἔρχομαι (erchomai), ‘Ik kom’: wat ‘totdat Ik kom’ precies betekent, zegt de tekst niet. **21:23** Dit woord ging dus rond onder de broers: die leerling sterft niet. Maar Yeshua had niet tegen hem gezegd dat hij niet sterft, maar: **„Als Ik wil dat hij blijft tot Ik kom, wat gaat het jou aan?”** Brontekst: ἐξῆλθεν (exelthen) = ging uit | οὖν (oun) = dus | οὗτος (houtos) = dit | ὁ (ho) = het | λόγος (logos) = woord | εἰς (eis) = naar | τοὺς (tous) = de | ἀδελφοὺς (adelphous) = broers | ὅτι (hoti) = dat | ὁ (ho) = de | μαθητὴς (mathetes) = leerling | ἐκεῖνος (ekeinos) = die | οὐκ (ouk) = niet | ἀποθνῄσκει (apothneskei) = sterft | οὐκ (ouk) = niet | εἶπεν (eipen) = zei | δὲ (de) = maar | αὐτῷ (auto) = hem | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ὅτι (hoti) = dat | οὐκ (ouk) = niet | ἀποθνῄσκει (apothneskei) = sterft | ἀλλ’ (all’) = maar | Ἐὰν (Ean) = als | αὐτὸν (auton) = hem | θέλω (thelo) = wil Ik | μένειν (menein) = blijven | ἕως (heos) = totdat | ἔρχομαι (erchomai) = kom Ik | τί (ti) = wat | πρὸς (pros) = tot | σέ (se) = jou Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: hier de gelovigen, de gemeenschap van leerlingen. ### Het getuigenis van de leerling **21:24** Dit is de leerling die van deze dingen getuigt en die dit geschreven heeft. En wij weten dat zijn getuigenis waar is. Brontekst: Οὗτός (Houtos) = dit | ἐστιν (estin) = is | ὁ (ho) = de | μαθητὴς (mathetes) = leerling | ὁ (ho) = de | μαρτυρῶν (martyron) = getuigende | περὶ (peri) = over | τούτων (touton) = deze dingen | καὶ (kai) = en | ὁ (ho) = de | γράψας (grapsas) = geschreven hebbende | ταῦτα (tauta) = deze dingen | καὶ (kai) = en | οἴδαμεν (oidamen) = weten wij | ὅτι (hoti) = dat | ἀληθὴς (alethes) = waar | αὐτοῦ (autou) = zijn | ἡ (he) = de | μαρτυρία (martyria) = getuigenis | ἐστίν (estin) = is Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἴδαμεν (oidamen), ‘wij weten’: het Grieks wisselt hier van ‘hij’ naar ‘wij’. Wie met ‘wij’ bedoeld wordt, zegt de tekst niet. Zie ook Joh. 19:35. Zie ook: Joh 19:35 **21:25** Yeshua heeft ook nog veel andere dingen gedaan. Als die één voor één opgeschreven werden, dan denk ik dat zelfs de wereld de boeken die geschreven zouden worden niet zou kunnen bevatten. Brontekst: ἔστιν (estin) = is | δὲ (de) = maar | καὶ (kai) = ook | ἄλλα (alla) = andere | πολλὰ (polla) = vele | ἃ (ha) = die | ἐποίησεν (epoiesen) = deed | ὁ (ho) = de | Ἰησοῦς (Iesous) = Yeshua | ἅτινα (hatina) = welke | ἐὰν (ean) = als | γράφηται (graphetai) = wordt geschreven | καθ’ (kath’) = per | ἕν (hen) = één | οὐδ’ (oud’) = zelfs niet | αὐτὸν (auton) = zelf | οἶμαι (oimai) = denk ik | τὸν (ton) = de | κόσμον (kosmon) = wereld | χωρήσειν (choresein) = zou bevatten | τὰ (ta) = de | γραφόμενα (graphomena) = geschreven wordende | βιβλία (biblia) = boeken Bron: SBLGNT Voetnoot Uitleg: οἶμαι (oimai), ‘ik denk’: hier staat ‘ik’, in 21:24 stond ‘wij’. Vergelijk 20:30.