# Joël (יואל, Yoel) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Joël 1 _De sprinkhanenplaag en de oproep tot rouw_ ### Het woord van Yahweh aan Joël **1:1** Het woord van Yahweh dat tot Joël, de zoon van Petoeël, kwam. Brontekst: דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֔ה (haya) = kwam | אֶל (el) = tot | יוֹאֵ֖ל (yoel) = Joël | בֶּן (ben) = zoon van | פְּתוּאֵֽל (petuel) = Petoeël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹאֵל (Yo’el), ‘Joël’: de naam betekent ‘Yahweh is El’. Over Joël en zijn vader Petoeël (פְּתוּאֵל) weten wij alleen wat hier staat. Het boek noemt geen koning, dus de tijd waarin Joël optrad is niet te bepalen. Zie ook: Hos 1:1; Jer 1:2; Ezech 1:3; Hand 2:16; 2 Petr 1:21 ### Een plaag zonder weerga **1:2** Hoor dit, oudsten, en luister, alle inwoners van het land. Is dit gebeurd in jullie dagen, of in de dagen van jullie vaderen? Brontekst: שִׁמְעוּ (shimu) = hoort | זֹאת֙ (zot) = dit | הַזְּקֵנִ֔ים (hazeqenim) = oudsten | וְהַֽאֲזִ֔ינוּ (vehaazinu) = en luistert | כֹּ֖ל (kol) = alle | יוֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | הֶהָ֤יְתָה (hehayeta) = is dit gebeurd | זֹּאת֙ (zot) = dit | בִּֽימֵיכֶ֔ם (bimeikhem) = in jullie dagen | וְאִ֖ם (veim) = en of | בִּימֵ֥י (bimei) = in de dagen van | אֲבֹֽתֵיכֶֽם (avoteikhem) = jullie vaderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:8; Joël 2:2; Hos 5:1; Mi 3:1; Jer 30:7 **1:3** Vertel erover aan jullie zonen. Laat jullie zonen het vertellen aan hun zonen, en hun zonen aan een volgend geslacht. Brontekst: עָלֶ֖יהָ (aleiha) = erover | לִבְנֵיכֶ֣ם (livneikhem) = aan jullie zonen | סַפֵּ֑רוּ (saperu) = vertelt | וּבְנֵיכֶם֙ (uveneikhem) = en jullie zonen | לִבְנֵיהֶ֔ם (livneihem) = aan hun zonen | וּבְנֵיהֶ֖ם (uveneihem) = en hun zonen | לְד֥וֹר (ledor) = aan een generatie | אַחֵֽר (acher) = volgende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 13:14; Deut 6:7; Ps 71:18; Ps 78:3–8; Ps 145:4 **1:4** Wat de knipper overliet, heeft de sprinkhaan opgegeten. Wat de sprinkhaan overliet, heeft de vreter opgegeten. Wat de vreter overliet, heeft de kaalvreter opgegeten. Brontekst: יֶ֤תֶר (yeter) = wat overbleef van | הַגָּזָם֙ (hagazam) = de knipper | אָכַ֣ל (akhal) = heeft opgegeten | הָֽאַרְבֶּ֔ה (haarbe) = de sprinkhaan | וְיֶ֥תֶר (veyeter) = en wat overbleef van | הָאַרְבֶּ֖ה (haarbe) = de sprinkhaan | אָכַ֣ל (akhal) = heeft opgegeten | הַיָּ֑לֶק (hayaleq) = de vreter | וְיֶ֣תֶר (veyeter) = en wat overbleef van | הַיֶּ֔לֶק (hayeleq) = de vreter | אָכַ֖ל (akhal) = heeft opgegeten | הֶחָסִֽיל (hechasil) = de kaalvreter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staan vier woorden voor sprinkhanen of voor de stadia van de sprinkhaan: גָּזָם (gazam), ‘knipper’; אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’; יֶלֶק (yelek), ‘vreter’; חָסִיל (chasil), ‘kaalvreter’. Welk woord welke soort of welke fase is, is onzeker. Wij houden in het hele boek dezelfde vier namen aan; in Joël 2:25 staan zij in een andere volgorde. Het woord arbeh staat ook in Exod. 10:4. Zie ook: Ex 10:4; Ps 78:46; Joël 2:25; Amos 4:9; Amos 7:1 ### Jammer, dronkaards **1:5** Word wakker, dronkaards, en huil. Jammer, alle wijndrinkers, om de zoete wijn, want die is uit jullie mond afgesneden. Brontekst: הָקִ֤יצוּ (haqitsu) = word wakker | שִׁכּוֹרִים֙ (shikorim) = dronkaards | וּבְכ֔וּ (uvekhu) = en huilt | וְהֵילִ֖לוּ (veheililu) = en jammert | כָּל (kal) = alle | שֹׁ֣תֵי (shotei) = drinkers van | יָ֑יִן (yayin) = wijn | עַל (al) = om | עָסִ֕יס (asis) = zoete wijn | כִּ֥י (ki) = want | נִכְרַ֖ת (nikhrat) = is afgesneden | מִפִּיכֶֽם (mipikhem) = uit jullie mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָסִיס (asis), ‘zoete wijn’: het sap van de druif of de nieuwe, zoete wijn. Wij onderscheiden het van תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’ (vers 10). Voetnoot : נִכְרַת (nikhrat), ‘is afgesneden’: hetzelfde werkwoord staat in de verzen 9 en 16. Wat het land niet meer geeft, wordt van de tafel en het huis van Yahweh weggesneden. Zie ook: Joël 1:10; Amos 6:3–7; Jes 24:7–11; Jes 32:10–12; Luc 21:34–36; Jak 5:1 **1:6** Want een volk is opgetrokken tegen mijn land, machtig en zonder getal. Zijn tanden zijn de tanden van een leeuw, en het heeft de kiezen van een leeuwin. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | גוֹי֙ (goy) = een volk | עָלָ֣ה (ala) = is opgetrokken | עַל (al) = tegen | אַרְצִ֔י (artsi) = mijn land | עָצ֖וּם (atsum) = machtig | וְאֵ֣ין (veein) = en geen | מִסְפָּ֑ר (mispar) = getal | שִׁנָּיו֙ (shinav) = zijn tanden | שִׁנֵּ֣י (shinei) = tanden van | אַרְיֵ֔ה (arye) = een leeuw | וּֽמְתַלְּע֥וֹת (umetaleot) = en kiezen van | לָבִ֖יא (lavi) = een leeuwin | לֽוֹ (lo) = heeft het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹי (goy), ‘volk’: het Hebreeuws noemt hier een volk met tanden van een leeuw. Het beeld past bij de sprinkhanenzwerm van vers 4; sommigen denken ook aan een vijandelijk leger. Het Hebreeuws kiest niet, en wij laten het beeld staan. Voetnoot : ‘Mijn land’: wie hier spreekt, is niet aangegeven. Het kan de profeet zijn, namens het volk, of Yahweh Zelf (vergelijk ‘Zijn land’ in Joël 2:18). Wij zetten het in de woorden van de profeet en schrijven ‘mijn’ met een kleine letter. Zie ook: Spr 30:14; Joël 1:4; Joël 2:2–11; Joël 2:18; Joël 2:25; Jes 8:8; Openb 9:7–10 **1:7** Het heeft van mijn wijnstok een woestenij gemaakt en van mijn vijgenboom splinters. Het heeft hem helemaal kaalgestript en weggegooid. De takken zijn wit geworden. Brontekst: שָׂ֤ם (sam) = heeft gemaakt | גַּפְנִי֙ (gafni) = mijn wijnstok | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot een woestenij | וּתְאֵנָתִ֖י (uteenati) = en mijn vijgenboom | לִקְצָפָ֑ה (liqtsafa) = tot splinters | חָשֹׂ֤ף (chasof) = helemaal kaalgestript | חֲשָׂפָהּ֙ (chasafah) = heeft het hem | וְהִשְׁלִ֔יךְ (vehishlikh) = en weggegooid | הִלְבִּ֖ינוּ (hilbinu) = zijn wit geworden | שָׂרִיגֶֽיהָ (sarigeiha) = zijn takken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְצָפָה (qetsafah), ‘splinters’: het woord staat alleen hier. De betekenis is onzeker: ‘splinters’, ‘afgebroken stukken’ of ‘schuim’. Voetnoot : De sprinkhanen vreten de bast van de stam, zodat de takken wit worden. Zie ook: Ex 10:15; Joël 1:12; Amos 4:9; Jes 5:6; Jes 24:7 ### De rouw van het land **1:8** Weeklaag als een maagd die een rouwkleed heeft omgord, om de man van haar jeugd. Brontekst: אֱלִ֕י (eli) = weeklaag | כִּבְתוּלָ֥ה (kivtula) = als een maagd | חֲגֻֽרַת (chagurat) = omgord | שַׂ֖ק (saq) = met een rouwkleed | עַל (al) = om | בַּ֥עַל (baal) = de man van | נְעוּרֶֽיהָ (neureiha) = haar jeugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלִי (eli), ‘weeklaag’: dit is een vrouwelijke aanspreking, tot een vrouw. Wie wordt aangesproken, staat er niet bij; mogelijk is het het volk of de stad. Voetnoot : בַּעַל נְעוּרֶיהָ (ba’al ne’ureha), ‘de man van haar jeugd’: de bruidegom met wie zij als jong meisje trouwde. Zie ook: Spr 2:17; Joël 2:12–14; Jes 22:12; Mal 2:15; Jak 5:1 **1:9** Graanoffer en plengoffer zijn afgesneden uit het huis van Yahweh. De priesters rouwen, de dienaren van Yahweh. Brontekst: הָכְרַ֥ת (hakherat) = is afgesneden | מִנְחָ֛ה (mincha) = graanoffer | וָנֶ֖סֶךְ (vanesekh) = en plengoffer | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אָֽבְלוּ֙ (avelu) = rouwen | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | מְשָׁרְתֵ֖י (mesharetei) = de dienaren van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’, en נֶסֶךְ (nesech), ‘plengoffer’: deze offers hoorden bij het dagelijkse offer in het huis van Yahweh. Zonder koren en wijn kunnen zij niet meer worden gebracht. Zie Num. 28:7–8. Zie ook: Num 28:7–8; Joël 1:13; Joël 2:14; Joël 2:17; Hos 9:4; Klaagl 1:16 **1:10** Het veld is verwoest, de grond rouwt. Want het koren is verwoest, de most is opgedroogd, de olie is verkwijnd. Brontekst: שֻׁדַּ֣ד (shudad) = is verwoest | שָׂדֶ֔ה (sade) = het veld | אָבְלָ֖ה (avela) = rouwt | אֲדָמָ֑ה (adama) = de grond | כִּ֚י (ki) = want | שֻׁדַּ֣ד (shudad) = is verwoest | דָּגָ֔ן (dagan) = het koren | הוֹבִ֥ישׁ (hovish) = is opgedroogd | תִּיר֖וֹשׁ (tirosh) = de most | אֻמְלַ֥ל (umlal) = is verkwijnd | יִצְהָֽר (yitshar) = de olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹבִישׁ (hovish), ‘is opgedroogd’: dit werkwoord klinkt als het werkwoord voor ‘beschaamd zijn’. In de verzen 10, 11, 12 en 17 spelen beide betekenissen mee. Wij vertalen ‘opgedroogd’ en ‘verdord’ bij gewassen, en ‘beschaamd’ bij mensen (vers 11). Zie ook: Joël 1:5; Joël 1:11; Joël 1:12; Hos 4:3; Hos 9:2; Jer 12:11 **1:11** Wees beschaamd, landbouwers. Jammer, wijnbouwers, om de tarwe en om de gerst, want de oogst van het veld is verloren. Brontekst: הֹבִ֣ישׁוּ (hovishu) = wees beschaamd | אִכָּרִ֗ים (ikarim) = landbouwers | הֵילִ֨ילוּ֙ (heililu) = jammert | כֹּֽרְמִ֔ים (koremim) = wijnbouwers | עַל (al) = om | חִטָּ֖ה (chita) = tarwe | וְעַל (veal) = en om | שְׂעֹרָ֑ה (seora) = gerst | כִּ֥י (ki) = want | אָבַ֖ד (avad) = is verloren | קְצִ֥יר (qetsir) = de oogst van | שָׂדֶֽה (sade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֹבִישׁוּ (hovishu), ‘wees beschaamd’: het gebaar van mensen die het gewas zien mislukken. Het woord klinkt als het werkwoord voor ‘verdorren’ in vers 10. Zie ook: Joël 1:10; Amos 5:16; Jes 17:11; Jer 9:11; Jer 14:3–4; Rom 5:5 **1:12** De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verkwijnd. Granaatappelboom, ook palm en appelboom, alle bomen van het veld zijn uitgedroogd. Want de vreugde is verdord bij de mensenkinderen. Brontekst: הַגֶּ֣פֶן (hagefen) = de wijnstok | הוֹבִ֔ישָׁה (hovisha) = is verdord | וְהַתְּאֵנָ֖ה (vehateena) = en de vijgenboom | אֻמְלָ֑לָה (umlala) = is verkwijnd | רִמּ֞וֹן (rimon) = granaatappelboom | גַּם (gam) = ook | תָּמָ֣ר (tamar) = palm | וְתַפּ֗וּחַ (vetapuach) = en appelboom | כָּל (kal) = alle | עֲצֵ֤י (atsei) = bomen van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | יָבֵ֔שׁוּ (yaveshu) = zijn uitgedroogd | כִּֽי (ki) = want | הֹבִ֥ישׁ (hovish) = is verdord | שָׂשׂ֖וֹן (sason) = de vreugde | מִן (min) = van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | אָדָֽם (adam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּפּוּחַ (tappuach), ‘appelboom’: de boom is niet zeker vast te stellen; het kan ook de abrikozenboom of de kweepeer zijn. Voetnoot : הֹבִישׁ (hovish) aan het slot: ‘is verdord’. Zie de Uitleg bij vers 10. De vreugde van de mensen verdort met het gewas. Zie ook: Joël 1:10; Joël 1:16; Hos 9:1–2; Jes 16:10; Jes 24:11; Hab 3:17–18 ### Roep de priesters op **1:13** Gord je om en rouw, priesters. Jammer, dienaren van het altaar. Kom, breng de nacht door in rouwkleden, dienaren van mijn Elohim. Want graanoffer en plengoffer zijn onthouden aan het huis van jullie Elohim. Brontekst: חִגְר֨וּ (chigru) = gordt u om | וְסִפְד֜וּ (vesifdu) = en rouwt | הַכֹּהֲנִ֗ים (hakohanim) = de priesters | הֵילִ֨ילוּ֙ (heililu) = jammert | מְשָׁרְתֵ֣י (mesharetei) = dienaren van | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = het altaar | בֹּ֚אוּ (bou) = komt | לִ֣ינוּ (linu) = breng de nacht door | בַשַּׂקִּ֔ים (basaqim) = in de rouwkleden | מְשָׁרְתֵ֖י (mesharetei) = dienaren van | אֱלֹהָ֑י (elohay) = mijn Elohim | כִּ֥י (ki) = want | נִמְנַ֛ע (nimna) = is onthouden | מִבֵּ֥ית (mibeit) = aan het huis van | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | מִנְחָ֥ה (mincha) = graanoffer | וָנָֽסֶךְ (vanasekh) = en plengoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 21:27; Joël 1:8–9; Joël 2:17; Jer 4:8; Jer 9:9 **1:14** Heilig een vasten, roep een plechtige bijeenkomst uit. Breng de oudsten samen, alle inwoners van het land, in het huis van Yahweh, jullie Elohim. En roep om hulp tot Yahweh. Brontekst: קַדְּשׁוּ (qadeshu) = heiligt | צוֹם֙ (tsom) = een vasten | קִרְא֣וּ (qiru) = roept uit | עֲצָרָ֔ה (atsara) = een plechtige bijeenkomst | אִסְפ֣וּ (isfu) = brengt samen | זְקֵנִ֗ים (zeqenim) = oudsten | כֹּ֚ל (kol) = alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְזַעֲק֖וּ (vezaaqu) = en roept om hulp | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצָרָה (atsarah), ‘plechtige bijeenkomst’: een samenkomst waarbij het volk zich van gewone arbeid onthoudt. Het woord is verwant aan עֲצֶרֶת (atseret), dat wij in Lev. 23:36 en Deut. 16:8 met ‘slotsamenkomst’ vertalen. Hier gaat het om een bijzondere bijeenkomst bij een vasten, niet om het slot van een feest. Zie ook: Lev 23:36; Deut 16:8; Deut 29:9–10; 2 Kron 20:13; Joël 2:15–16; Jona 3:8 ### De dag van Yahweh is nabij **1:15** Wee, die dag! Want de dag van Yahweh is nabij, en als een verwoesting van Sjaddai komt hij. Brontekst: אֲהָ֖הּ (ahah) = wee | לַיּ֑וֹם (layom) = die dag | כִּ֤י (ki) = want | קָרוֹב֙ (qarov) = nabij | י֣וֹם (yom) = de dag van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּכְשֹׁ֖ד (ukheshod) = en als een verwoesting | מִשַׁדַּ֥י (mishaday) = van Sjaddai | יָבֽוֹא (yavo) = komt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh zichtbaar ingrijpt en oordeelt. Het thema loopt door het hele boek: Joël 2:1, 2:11 en in het vervolg van het boek. Vergelijk Jes. 13:6 en Ezech. 30:3. Voetnoot : כְּשֹׁד מִשַּׁדַּי (keshod mishaddai), ‘als een verwoesting van Sjaddai’: in het Hebreeuws klinken ‘verwoesting’ (shod) en ‘Sjaddai’ bijna hetzelfde. Wij houden de naam Sjaddai. Zie ook: Joël 2:1; Joël 2:11; Jes 13:6–9; Sef 1:14–18; Jer 30:7; Ezech 7:2–12; Ezech 30:3 **1:16** Is het voedsel niet voor onze ogen afgesneden, en uit het huis van onze Elohim de blijdschap en de jubel? Brontekst: הֲל֛וֹא (halo) = is het niet | נֶ֥גֶד (neged) = voor | עֵינֵ֖ינוּ (eineinu) = onze ogen | אֹ֣כֶל (okhel) = voedsel | נִכְרָ֑ת (nikhrat) = afgesneden | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | שִׂמְחָ֥ה (simcha) = blijdschap | וָגִֽיל (vagil) = en jubel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 12:6–7; Deut 12:11–12; Ps 43:4; Ps 105:3; Joël 1:5–9 **1:17** De zaadkorrels zijn verschrompeld onder hun kluiten. De voorraadschuren liggen verwoest, de graanschuren zijn afgebroken, want het koren is verdord. Brontekst: עָבְשׁ֣וּ (aveshu) = zijn verschrompeld | פְרֻד֗וֹת (perudot) = zaadkorrels | תַּ֚חַת (tachat) = onder | מֶגְרְפֹ֣תֵיהֶ֔ם (megrefoteihem) = hun kluiten | נָשַׁ֨מּוּ֙ (nashamu) = liggen verwoest | אֹֽצָר֔וֹת (otsarot) = voorraadschuren | נֶהֶרְס֖וּ (nehersu) = zijn afgebroken | מַמְּגֻר֑וֹת (mamegurot) = graanschuren | כִּ֥י (ki) = want | הֹבִ֖ישׁ (hovish) = is verdord | דָּגָֽן (dagan) = het koren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers bevat drie woorden die elders niet of zelden voorkomen: פְּרֻדוֹת (perudot), ‘zaadkorrels’; מֶגְרְפֹתֵיהֶם (megrefoteihem), ‘hun kluiten’; מַמְּגֻרוֹת (mammegurot), ‘graanschuren’. De betekenis van de eerste twee is onzeker. Het beeld is dat het zaad in de droge grond verschrompelt. De voorraadschuren staan leeg en vervallen. Zie ook: Gen 23:16; Jes 17:10–11 **1:18** Hoe zucht het vee! De runderkudden zijn in verwarring, want zij hebben geen weide. Ook de kudden kleinvee boeten. Brontekst: מַה (ma) = hoe | נֶּאֶנְחָ֣ה (neencha) = zucht | בְהֵמָ֗ה (behema) = het vee | נָבֹ֨כוּ֙ (navokhu) = zijn in verwarring | עֶדְרֵ֣י (edrei) = de kudden van | בָקָ֔ר (baqar) = runderen | כִּ֛י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet is er | מִרְעֶ֖ה (mire) = weide | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | גַּם (gam) = ook | עֶדְרֵ֥י (edrei) = de kudden van | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | נֶאְשָֽׁמוּ (neshamu) = boeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶאְשָׁמוּ (ne’shamu), ‘boeten’: het werkwoord hoort bij ‘schuld’ (asham) en kan ook ‘lijden’ of ‘verwoest zijn’ betekenen. Het vee draagt de gevolgen mee. Zie ook: Joël 1:20; Hos 4:3; Jer 12:4; Jer 14:5–6; Rom 8:22 ### Het gebed van Joël **1:19** Tot U, Yahweh, roep ik, want vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld verzengd. Brontekst: אֵלֶ֥יךָ (eleikha) = tot U | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶקְרָ֑א (eqra) = roep ik | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֗שׁ (esh) = vuur | אָֽכְלָה֙ (akhela) = heeft verteerd | נְא֣וֹת (neot) = de weiden van | מִדְבָּ֔ר (midbar) = de woestijn | וְלֶ֣הָבָ֔ה (velehava) = en een vlam | לִהֲטָ֖ה (lihata) = heeft verzengd | כָּל (kal) = alle | עֲצֵ֥י (atsei) = bomen van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Joël spreekt hier Yahweh rechtstreeks aan, met ‘U’. De woorden zijn van de profeet, daarom staan zij zwart. Vers 20 gaat door met dezelfde aanspreking. Zie ook: Ps 50:15; Joël 1:20; Amos 7:4; Mi 7:7; Jer 9:9; Hab 3:17–18 **1:20** Ook de dieren van het veld hijgen naar U, want de waterbeken zijn opgedroogd, en vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd. Brontekst: גַּם (gam) = ook | בַּהֲמ֥וֹת (bahamot) = de dieren van | שָׂדֶ֖ה (sade) = het veld | תַּעֲר֣וֹג (taarog) = hijgen | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = naar U | כִּ֤י (ki) = want | יָֽבְשׁוּ֙ (yaveshu) = zijn opgedroogd | אֲפִ֣יקֵי (afiqei) = de beken van | מָ֔יִם (mayim) = water | וְאֵ֕שׁ (veesh) = en vuur | אָכְלָ֖ה (akhela) = heeft verteerd | נְא֥וֹת (neot) = de weiden van | הַמִּדְבָּֽר (hamidbar) = de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 38:41; Ps 104:21; Ps 145:15; Ps 147:9; 1 Kon 17:7 ## Joël 2 _Het leger van Yahweh, de oproep tot boete en de belofte van herstel_ ### Blaas de ramshoorn in Sion **2:1** **„Blaas de ramshoorn in Sion en laat een alarmkreet klinken op Mijn heilige berg.”** Alle inwoners van het land moeten beven, want de dag van Yahweh komt, want hij is nabij. Brontekst: תִּקְע֨וּ (tiqu) = blaast | שׁוֹפָ֜ר (shofar) = de ramshoorn | בְּצִיּ֗וֹן (betsiyon) = in Sion | וְהָרִ֨יעוּ֙ (vehariu) = en laat een alarmkreet klinken | בְּהַ֣ר (behar) = op de berg van | קָדְשִׁ֔י (qadeshi) = Mijn heiligheid | יִרְגְּז֕וּ (yirgezu) = laten beven | כֹּ֖ל (kol) = alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | כִּֽי (ki) = want | בָ֥א (ba) = komt | יוֹם (yom) = de dag van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | קָרֽוֹב (qarov) = nabij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: zie de Uitleg bij Joël 1:15. In dit hoofdstuk beschrijft de profeet de dag als het optrekken van een leger (verzen 1–11). Voetnoot : הַר קָדְשִׁי (har qodshi), ‘Mijn heilige berg’: de berg is Sion, waar Yahweh woont. Wie hier spreekt, is niet aangegeven. Het ‘Mijn’ klinkt als de stem van Yahweh Zelf, midden in de oproep van de profeet. Omdat hier de eerste persoon staat, zetten wij de eerste zin rood, zoals ‘Mijn heilige berg’ in Joël 4:17. De rest van het vers (‘de dag van Yahweh komt’) spreekt over Yahweh in de derde persoon en blijft zwart. Voetnoot : Sion is de heuvel van Jeruzalem met de tempel. Zie ook: Joël 1:15; Joël 2:15; Joël 4:17; Mal 3:19; 1 Petr 4:7 **2:2** Een dag van duisternis en donkerte; een dag van wolken en dikke nevel. Als de dageraad ligt het uitgespreid over de bergen: een volk, talrijk en machtig. Zoals het is er nooit geweest sinds de oertijd. Na hem komt er niets meer bij, tot in de jaren van geslacht op geslacht. Brontekst: י֧וֹם (yom) = een dag van | חֹ֣שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וַאֲפֵלָ֗ה (vaafela) = en donkerte | י֤וֹם (yom) = een dag van | עָנָן֙ (anan) = wolken | וַעֲרָפֶ֔ל (vaarafel) = en dikke nevel | כְּשַׁ֖חַר (keshachar) = als de dageraad | פָּרֻ֣שׂ (parus) = uitgespreid | עַל (al) = over | הֶֽהָרִ֑ים (heharim) = de bergen | עַ֚ם (am) = een volk | רַ֣ב (rav) = talrijk | וְעָצ֔וּם (veatsum) = en machtig | כָּמֹ֗הוּ (kamohu) = zoals hij | לֹ֤א (lo) = niet | נִֽהְיָה֙ (nihya) = is geweest | מִן (min) = sinds | הָ֣עוֹלָ֔ם (haolam) = de oertijd | וְאַֽחֲרָיו֙ (veacharav) = en na hem | לֹ֣א (lo) = niet | יוֹסֵ֔ף (yosef) = komt erbij | עַד (ad) = tot | שְׁנֵ֖י (shenei) = de jaren van | דּ֥וֹר (dor) = geslacht | וָדֽוֹר (vador) = en geslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּשַׁחַר פָּרֻשׂ (keshachar parus), ‘als de dageraad uitgespreid’: het volk komt als een donkere massa die zich uitspreidt over de bergen, zoals het licht bij het ochtendgloren. Voetnoot : מִן הָעוֹלָם (min ha’olam), ‘sinds de oertijd’: van de vroegste tijd af. Voetnoot : Het ‘volk’ is het leger van Yahweh. Hoe het zich verhoudt tot de sprinkhanen van hoofdstuk 1 zegt de tekst niet. Zie ook: Joël 1:6; Joël 2:5; Joël 2:10–11; Amos 5:18–20; Sef 1:14–15 ### Een leger als vuur **2:3** Voor hem uit verteert vuur, en achter hem laait een vlam. Het land is vóór hem als de tuin van Eden, en achter hem een verwoeste woestijn. En ook is er voor hem geen ontkomen. Brontekst: לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor hem | אָ֣כְלָה (akhela) = verteert | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | וְאַחֲרָ֖יו (veacharav) = en achter hem | תְּלַהֵ֣ט (telahet) = laait | לֶֽהָבָ֑ה (lehava) = een vlam | כְּגַן (kegan) = als de tuin van | עֵ֨דֶן (eden) = Eden | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | לְפָנָ֗יו (lefanav) = voor hem | וְאַֽחֲרָיו֙ (veacharav) = en achter hem | מִדְבַּ֣ר (midbar) = een woestijn van | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = verwoesting | וְגַם (vegam) = en ook | פְּלֵיטָ֖ה (peleita) = een ontkomen | לֹא (lo) = niet | הָ֥יְתָה (hayeta) = is | לּֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּן עֵדֶן (gan Eden), ‘de tuin van Eden’: het land dat vruchtbaar was als de tuin van Eden, wordt een woestijn. Zie Gen. 2:8. Voetnoot : פְּלֵיטָה (peletah), ‘ontkomen’: een ontsnapping of wie ontsnapt is. Er is geen ontkomen aan. Zie ook: Gen 2:8; Joël 1:19–20; Amos 7:4; Jes 51:3; Zach 7:14 **2:4** Zijn uiterlijk is als het uiterlijk van paarden, en als ruiters rennen zij. Brontekst: כְּמַרְאֵ֥ה (kemare) = als het uiterlijk van | סוּסִ֖ים (susim) = paarden | מַרְאֵ֑הוּ (marehu) = zijn uiterlijk | וּכְפָרָשִׁ֖ים (ukhefarashim) = en als ruiters | כֵּ֥ן (ken) = zo | יְרוּצֽוּן (yerutsun) = rennen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרָשִׁים (parashim), ‘ruiters’: het woord kan ook ‘paarden’ betekenen. Wij houden ‘ruiters’, omdat het vers al ‘paarden’ noemt. Zie ook: Openb 9:7 **2:5** Als het gerommel van wagens springen zij over de toppen van de bergen. Het klinkt als het geknetter van een vuurvlam die stoppels verteert, als een machtig volk, opgesteld voor de strijd. Brontekst: כְּק֣וֹל (keqol) = als het geluid van | מַרְכָּב֗וֹת (markavot) = wagens | עַל (al) = over | רָאשֵׁ֤י (rashei) = de toppen van | הֶֽהָרִים֙ (heharim) = de bergen | יְרַקֵּד֔וּן (yeraqedun) = springen zij | כְּקוֹל֙ (keqol) = als het geknetter van | לַ֣הַב (lahav) = een vlam van | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | אֹכְלָ֖ה (okhela) = die verteert | קָ֑שׁ (qash) = stoppels | כְּעַ֣ם (keam) = als een volk | עָצ֔וּם (atsum) = machtig | עֱר֖וּךְ (erukh) = opgesteld | מִלְחָמָֽה (milchama) = voor de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָשׁ (qash), ‘stoppels’: het droge stro dat na de oogst op het veld blijft staan. Een vuur verteert het snel en maakt veel lawaai. Zie ook: Jes 5:24; Jes 30:30; Nah 2:4–5; Mat 3:12; Openb 9:9 **2:6** Voor hem krimpen de volken ineen van angst. Alle gezichten zijn verbleekt. Brontekst: מִפָּנָ֖יו (mipanav) = voor hem | יָחִ֣ילוּ (yachilu) = krimpen ineen | עַמִּ֑ים (amim) = volken | כָּל (kal) = alle | פָּנִ֖ים (panim) = gezichten | קִבְּצ֥וּ (qibetsu) = zijn verbleekt | פָארֽוּר (parur) = hun gloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִבְּצוּ פָארוּר (qibbetsu fa’ur), ‘zijn verbleekt’: letterlijk ‘zij verzamelden gloed’. De betekenis is onzeker: ‘zij trekken hun kleur in’, dus ‘zij verbleken’. Zie ook: Jes 13:8; Nah 2:11; Jer 8:21; Jer 30:6; Klaagl 4:8 **2:7** Als helden rennen zij, als krijgsmannen beklimmen zij de muur. Ieder gaat zijn eigen weg, en zij wijken niet af van hun paden. Brontekst: כְּגִבּוֹרִ֣ים (kegiborim) = als helden | יְרֻצ֔וּן (yerutsun) = rennen zij | כְּאַנְשֵׁ֥י (keanshei) = als mannen van | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = de strijd | יַעֲל֣וּ (yaalu) = beklimmen zij | חוֹמָ֑ה (choma) = de muur | וְאִ֤ישׁ (veish) = en ieder | בִּדְרָכָיו֙ (bidrakhav) = op zijn wegen | יֵֽלֵכ֔וּן (yelekhun) = gaat zij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְעַבְּט֖וּן (yeabetun) = wijken zij af | אֹרְחוֹתָֽם (orechotam) = van hun paden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְעַבְּטוּן (ye’abbetun), ‘zij wijken af’: het werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker: ‘zij wijken af’ of ‘zij verruilen’. Het beeld is een leger dat in rechte rij vooruit trekt. Zie ook: 2 Sam 2:18–19; Spr 30:27; Joël 2:9; Jes 5:26–29; Jer 5:10 **2:8** Niemand dringt zijn broer opzij. Ieder gaat op zijn eigen pad. Zij storten zich door de wapens heen en breken niet. Brontekst: וְאִ֤ישׁ (veish) = en ieder | אָחִיו֙ (achiv) = zijn broer | לֹ֣א (lo) = niet | יִדְחָק֔וּן (yidchaqun) = dringt zij opzij | גֶּ֥בֶר (gever) = een man | בִּמְסִלָּת֖וֹ (bimsilato) = op zijn pad | יֵֽלֵכ֑וּן (yelekhun) = gaat zij | וּבְעַ֥ד (uvead) = en door | הַשֶּׁ֛לַח (hashelach) = de wapens | יִפֹּ֖לוּ (yipolu) = storten zij zich | לֹ֥א (lo) = niet | יִבְצָֽעוּ (yivtsau) = breken zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁלַח (shelach), ‘wapens’: het woord kan ‘werpwapen’ of ‘wapenrusting’ betekenen. De betekenis is onzeker. Voetnoot : יִבְצָעוּ (yivtsa’u), ‘zij breken’: zij laten zich niet doorbreken, of zij breken hun rij niet. Het Hebreeuws is kort; wij houden het kort. Zie ook: Job 33:18; Hoogl 4:13; 2 Kron 23:10; 2 Kron 32:5; Neh 4:17 **2:9** In de stad stormen zij rond, op de muur rennen zij, in de huizen klimmen zij. Door de vensters komen zij binnen als een dief. Brontekst: בָּעִ֣יר (bair) = in de stad | יָשֹׁ֗קּוּ (yashoqu) = stormen zij rond | בַּֽחוֹמָה֙ (bachoma) = op de muur | יְרֻצ֔וּן (yerutsun) = rennen zij | בַּבָּתִּ֖ים (babatim) = in de huizen | יַעֲל֑וּ (yaalu) = klimmen zij | בְּעַ֧ד (bead) = door | הַחַלּוֹנִ֛ים (hachalonim) = de vensters | יָבֹ֖אוּ (yavou) = komen zij binnen | כַּגַּנָּֽב (kaganav) = als een dief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 10:6; Jer 9:20; Joh 10:1 ### De dag van Yahweh **2:10** Voor hem beeft de aarde, de hemel davert. Zon en maan worden donker, en de sterren trekken hun glans in. Brontekst: לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor hem | רָ֣גְזָה (rageza) = beeft | אֶ֔רֶץ (erets) = de aarde | רָעֲשׁ֖וּ (raashu) = davert | שָׁמָ֑יִם (shamayim) = de hemel | שֶׁ֤מֶשׁ (shemesh) = zon | וְיָרֵ֨חַ֙ (veyareach) = en maan | קָדָ֔רוּ (qadaru) = worden donker | וְכוֹכָבִ֖ים (vekhokhavim) = en sterren | אָסְפ֥וּ (asefu) = trekken in | נָגְהָֽם (nageham) = hun glans Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Aarde en hemel, zon, maan en sterren worden in een opsomming genoemd, zoals in Joël 3:4 en 4:15 (Hebreeuwse telling). Het beeld van duisternis hoort bij de dag van Yahweh (vers 2). Zie ook: Ps 18:8; Joël 2:2; Joël 3:4; Joël 4:15–16; Jes 13:10; Mat 24:29; Hand 2:20 **2:11** Yahweh laat Zijn stem horen voor Zijn leger uit. Want zeer groot is Zijn kamp, want machtig is wie Zijn woord uitvoert. Want groot is de dag van Yahweh en zeer vreeswekkend. Wie kan hem verdragen? Brontekst: וַֽיהוָ֗ה (vaYahweh) = en Yahweh | נָתַ֤ן (natan) = laat horen | קוֹלוֹ֙ (qolo) = Zijn stem | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | חֵיל֔וֹ (cheilo) = Zijn leger | כִּ֣י (ki) = want | רַ֤ב (rav) = groot | מְאֹד֙ (meod) = zeer | מַחֲנֵ֔הוּ (machanehu) = is Zijn kamp | כִּ֥י (ki) = want | עָצ֖וּם (atsum) = machtig | עֹשֵׂ֣ה (ose) = is wie uitvoert | דְבָר֑וֹ (devaro) = Zijn woord | כִּֽי (ki) = want | גָד֧וֹל (gadol) = groot | יוֹם (yom) = de dag van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וְנוֹרָ֥א (venora) = en vreeswekkend | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | וּמִ֥י (umi) = en wie | יְכִילֶֽנּוּ (yekhilenu) = kan hem verdragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie voor het leger uitgaat, is Yahweh Zelf. Het leger is dus Zijn leger. Voetnoot : וְנוֹרָא (venora), ‘vreeswekkend’: ‘ontzagwekkend’. Het woord gaat over het ontzag dat de dag oproept. Zie ook: Ps 46:7; Nah 1:6; Jer 30:7; Mal 3:2; Openb 18:8 ### Keer terug tot Yahweh **2:12** **„Maar ook nu, godsspraak van Yahweh: keer terug tot Mij met heel je hart, met vasten, met geween en met rouwklacht.”** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | עַתָּה֙ (ata) = nu | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שֻׁ֥בוּ (shuvu) = keert terug | עָדַ֖י (aday) = tot Mij | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבַבְכֶ֑ם (levavkhem) = je hart | וּבְצ֥וֹם (uvetsom) = en met vasten | וּבְבְכִ֖י (uvevekhi) = en met geween | וּבְמִסְפֵּֽד (uvemisped) = en met rouwklacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profetische boeken. Zij geeft aan dat Yahweh Zelf spreekt. Wij zetten Zijn woorden rood. Voetnoot : וְגַם עַתָּה (vegam attah), ‘maar ook nu’: ondanks het oordeel dat al begonnen is, is terugkeer nog mogelijk. Voetnoot : שֻׁבוּ (shuvu), ‘keer terug’: het gaat om omkeren van de weg, dus bekering. Zie ook: 2 Kron 7:13–14; Hos 12:7; Jes 55:6–7; Jer 29:12–13; Jak 4:8–9 **2:13** Scheur je hart en niet je kleren, en keer terug tot Yahweh, jullie Elohim. Want Hij is genadig en barmhartig, langzaam tot toorn, rijk aan trouw, en Hij laat Zich het kwaad rouwen. Brontekst: וְקִרְע֤וּ (veqiru) = en scheurt | לְבַבְכֶם֙ (levavkhem) = je hart | וְאַל (veal) = en niet | בִּגְדֵיכֶ֔ם (bigdeikhem) = je kleren | וְשׁ֖וּבוּ (veshuvu) = en keert terug | אֶל (el) = tot | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | כִּֽי (ki) = want | חַנּ֤וּן (chanun) = genadig | וְרַחוּם֙ (verachum) = en barmhartig | ה֔וּא (hu) = Hij | אֶ֤רֶךְ (erekh) = langzaam tot | אַפַּ֨יִם֙ (apayim) = toorn | וְרַב (verav) = en rijk aan | חֶ֔סֶד (chesed) = trouw | וְנִחָ֖ם (venicham) = en laat Zich rouwen | עַל (al) = over | הָרָעָֽה (haraa) = het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden ‘genadig en barmhartig, langzaam tot toorn en rijk aan trouw’ komen overeen met Exod. 34:6. In Exodus staat de volgorde ‘barmhartig en genadig’; hier ‘genadig en barmhartig’. Dezelfde belijdenis klinkt in Ps. 103:8 en Jona 4:2. Voetnoot : וְנִחָם עַל הָרָעָה (venicham al hara’ah), ‘Hij laat Zich het kwaad rouwen’: Yahweh laat het aangekondigde kwaad achterwege. Zie Exod. 32:14 en Jona 4:2, waar dezelfde woorden staan. Voetnoot : קִרְעוּ (qir’u), ‘scheur’: het scheuren van kleren was een teken van rouw. De profeet vraagt om echte inkeer in het hart. Zie ook: Ex 32:14; Ex 34:6–7; Ps 34:19; Ps 86:15; Ps 103:8; Jona 4:2; Jes 57:15; Mat 5:3–4 **2:14** Wie weet of Hij terugkeert en Zich laat rouwen, en een zegen achter Zich laat: graanoffer en plengoffer voor Yahweh, jullie Elohim. Brontekst: מִ֥י (mi) = wie | יוֹדֵ֖עַ (yodea) = weet | יָשׁ֣וּב (yashuv) = Hij keert terug | וְנִחָ֑ם (venicham) = en laat Zich rouwen | וְהִשְׁאִ֤יר (vehishir) = en laat achter | אַֽחֲרָיו֙ (acharav) = achter Zich | בְּרָכָ֔ה (berakha) = een zegen | מִנְחָ֣ה (mincha) = graanoffer | וָנֶ֔סֶךְ (vanesekh) = en plengoffer | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִי יוֹדֵעַ (mi yodea), ‘wie weet’: de profeet belooft niets af te dwingen. Het hangt van Yahweh af. Dezelfde woorden staan in Jona 3:9. Zie ook: Jona 1:6; Jona 3:9; Amos 5:15; Sef 2:3; Hag 2:19 ### Roep het volk bijeen **2:15** Blaas de ramshoorn in Sion, heilig een vasten, roep een plechtige bijeenkomst uit. Brontekst: תִּקְע֥וּ (tiqu) = blaast | שׁוֹפָ֖ר (shofar) = de ramshoorn | בְּצִיּ֑וֹן (betsiyon) = in Sion | קַדְּשׁוּ (qadeshu) = heiligt | צ֖וֹם (tsom) = een vasten | קִרְא֥וּ (qiru) = roept uit | עֲצָרָֽה (atsara) = een plechtige bijeenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het hoofdstuk herhaalt de oproep van vers 1. Hier gaat het om een heilige bijeenkomst. Zie de Uitleg bij Joël 1:14 voor ‘plechtige bijeenkomst’ (עֲצָרָה, atsarah). Zie ook: Num 10:3; 1 Kon 21:12; 2 Kon 10:20; Joël 1:14; Joël 2:1 **2:16** Verzamel het volk, heilig de vergadering, breng de oudsten samen, verzamel de kinderen en de zuigelingen. Laat de bruidegom uit zijn kamer komen en de bruid uit haar bruidskamer. Brontekst: אִסְפוּ (isfu) = verzamelt | עָ֞ם (am) = het volk | קַדְּשׁ֤וּ (qadeshu) = heiligt | קָהָל֙ (qahal) = de vergadering | קִבְצ֣וּ (qivtsu) = brengt samen | זְקֵנִ֔ים (zeqenim) = oudsten | אִסְפוּ֙ (isfu) = verzamelt | עֽוֹלָלִ֔ים (olalim) = kinderen | וְיֹנְקֵ֖י (veyoneqei) = en zuigelingen van | שָׁדָ֑יִם (shadayim) = borsten | יֵצֵ֤א (yetse) = laat uitgaan | חָתָן֙ (chatan) = de bruidegom | מֵֽחֶדְר֔וֹ (mechedro) = uit zijn kamer | וְכַלָּ֖ה (vekhala) = en de bruid | מֵחֻפָּתָֽהּ (mechupatah) = uit haar bruidskamer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻפָּה (chuppah), ‘bruidskamer’: de plek of de tent waar de bruid en de bruidegom hun huwelijk voltrokken. Zelfs een pasgetrouwd paar mag er niet wegblijven. Zie ook: Ex 19:10; 2 Kron 20:13; 2 Kron 29:5; Zach 12:11–14; 1 Kor 7:5 **2:17** Tussen de voorhal en het altaar moeten de priesters, de dienaren van Yahweh, wenen. Laten zij zeggen: „Heb medelijden, Yahweh, met Uw volk. Geef Uw erfdeel niet prijs aan smaad, zodat volken over hen heersen. Waarom zouden zij onder de volken zeggen: ‘Waar is hun Elohim?’” Brontekst: בֵּ֤ין (bein) = tussen | הָאוּלָם֙ (haulam) = de voorhal | וְלַמִּזְבֵּ֔חַ (velamizbeach) = en het altaar | יִבְכּוּ֙ (yivku) = wenen zij | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | מְשָׁרְתֵ֖י (mesharetei) = de dienaren van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְֽיֹאמְר֞וּ (veyomru) = en laten zeggen | ח֧וּסָה (chusa) = heb medelijden | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = met | עַמֶּ֗ךָ (amekha) = Uw volk | וְאַל (veal) = en niet | תִּתֵּ֨ן (titen) = geef | נַחֲלָתְךָ֤ (nachalatekha) = Uw erfdeel | לְחֶרְפָּה֙ (lecherpa) = tot smaad | לִמְשָׁל (limshal) = zodat heersen | בָּ֣ם (bam) = over hen | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | לָ֚מָּה (lama) = waarom | יֹאמְר֣וּ (yomru) = zouden zij zeggen | בָֽעַמִּ֔ים (baamim) = onder de volken | אַיֵּ֖ה (aye) = waar is | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de voorhal van de tempel. Het altaar staat in de voorhof ervoor. De priesters staan dus tussen het heiligdom en het altaar. Zie 1 Kon. 6:3. Voetnoot : לִמְשָׁל בָּם גּוֹיִם (limshol bam goyim), ‘dat volken over hen heersen’: de medeklinkers kunnen ook gelezen worden als ‘tot een spotrede bij de volken’. Het Hebreeuws kiest niet. Wij kiezen ‘heersen’. Voetnoot : נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: het volk is Yahweh’s eigen bezit. Zie ook: Ps 79:10; Ps 115:2; 1 Kon 6:3; Amos 7:2; Ezech 8:16 ### Yahweh antwoordt **2:18** Toen werd Yahweh ijverig voor Zijn land en had Hij medelijden met Zijn volk. Brontekst: וַיְקַנֵּ֥א (vayqane) = en werd ijverig | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְאַרְצ֑וֹ (leartso) = voor Zijn land | וַיַּחְמֹ֖ל (vayachmol) = en had medelijden | עַל (al) = met | עַמּֽוֹ (amo) = Zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is verhalend: ‘Toen werd Yahweh ijverig’. Sommigen lezen het als een voorspelling die volgt op het gebed. Het Hebreeuws gebruikt hier de verhalende vorm; wij houden de verleden tijd. Voetnoot : קִנֵּא (qinne), ‘ijverig worden’: Yahweh zet zich met hartstocht in voor Zijn land. Zie ook: Ps 103:13; Klaagl 3:22; Zach 1:14; Zach 8:2; Jak 5:11 **2:19** Yahweh antwoordde en zei tegen Zijn volk: **„Zie, Ik stuur jullie het koren, de most en de olie. Jullie zullen daarvan verzadigd worden. Ik zal jullie niet langer tot smaad maken onder de volken.** Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לְעַמּ֗וֹ (leamo) = tegen Zijn volk | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | שֹׁלֵ֤חַ (sholeach) = stuur | לָכֶם֙ (lakhem) = jullie | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּגָן֙ (hadagan) = het koren | וְהַתִּיר֣וֹשׁ (vehatirosh) = en de most | וְהַיִּצְהָ֔ר (vehayitshar) = en de olie | וּשְׂבַעְתֶּ֖ם (usevatem) = en jullie zullen verzadigd worden | אֹת֑וֹ (oto) = daarvan | וְלֹא (velo) = en niet | אֶתֵּ֨ן (eten) = maak Ik | אֶתְכֶ֥ם (etkhem) = jullie | ע֛וֹד (od) = langer | חֶרְפָּ֖ה (cherpa) = tot smaad | בַּגּוֹיִֽם (bagoyim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers antwoordt Yahweh Zelf. Zijn woorden lopen door tot en met vers 20 en staan rood. De verzen 21 tot en met 24 zijn weer de woorden van de profeet. Zie ook: Joël 2:20; Amos 9:13–14; Jes 62:8–9; Jer 31:12; Ezech 34:29; Ezech 36:15 **2:20** **De noorderling zal Ik ver van jullie verwijderen. Ik verdrijf hem naar een dor en verlaten land: zijn voorhoede naar de oostelijke zee en zijn achterhoede naar de westelijke zee. Zijn stank zal opstijgen en zijn walm zal opstijgen, want hij heeft grote dingen gedaan.”** Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הַצְּפוֹנִ֞י (hatsefoni) = de noorderling | אַרְחִ֣יק (archiq) = verwijder Ik | מֵעֲלֵיכֶ֗ם (mealeikhem) = van jullie | וְהִדַּחְתִּיו֮ (vehidachtiv) = en Ik verdrijf hem | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | צִיָּ֣ה (tsiya) = dor | וּשְׁמָמָה֒ (ushemama) = en verlaten | אֶת (et) = (obj.) | פָּנָ֗יו (panav) = zijn voorhoede | אֶל (el) = naar | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | הַקַּדְמֹנִ֔י (haqadmoni) = oostelijke | וְסֹפ֖וֹ (vesofo) = en zijn achterhoede | אֶל (el) = naar | הַיָּ֣ם (hayam) = de zee | הָאַֽחֲר֑וֹן (haacharon) = westelijke | וְעָלָ֣ה (veala) = en zal opstijgen | בָאְשׁ֗וֹ (baesho) = zijn stank | וְתַ֨עַל֙ (vetaal) = en zal opstijgen | צַחֲנָת֔וֹ (tsachanato) = zijn walm | כִּ֥י (ki) = want | הִגְדִּ֖יל (higdil) = hij heeft groot gemaakt | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַצְּפוֹנִי (hatsfoni), ‘de noorderling’: letterlijk ‘de noordelijke’. Wie of wat bedoeld wordt, is onzeker: de sprinkhanenzwerm, het leger uit het noorden of een vijand. Wij houden de letterlijke vorm. Voetnoot : כִּי הִגְדִּיל לַעֲשׂוֹת (ki higdil la’asot), ‘want hij heeft grote dingen gedaan’: het onderwerp is hier waarschijnlijk de noorderling, die zich groot gemaakt heeft. In vers 21 staat dezelfde uitdrukking met Yahweh als onderwerp. Zie ook: Ex 10:19; Deut 11:24; Joël 2:21; Amos 4:10; Jes 34:3; Zach 14:8 ### Wees niet bang, grond **2:21** Wees niet bang, grond. Juich en wees blij, want Yahweh heeft grote dingen gedaan. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּֽירְאִ֖י (tirei) = wees bang | אֲדָמָ֑ה (adama) = grond | גִּ֣ילִי (gili) = juich | וּשְׂמָ֔חִי (usemachi) = en wees blij | כִּֽי (ki) = want | הִגְדִּ֥יל (higdil) = heeft groot gemaakt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: de profeet spreekt de aarde zelf aan, die in hoofdstuk 1 rouwde (Joël 1:10). Nu mag zij juichen. Zie ook: 1 Sam 12:16; Ps 126:1–3; Joël 1:10; Jes 41:10; Jes 54:4; Sef 3:16–17 **2:22** Wees niet bang, dieren van het veld, want de weiden van de woestijn zijn groen geworden. Want de boom draagt zijn vrucht; de vijgenboom en de wijnstok geven hun kracht. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּֽירְאוּ֙ (tireu) = weest bang | בַּהֲמ֣וֹת (bahamot) = dieren van | שָׂדַ֔י (saday) = het veld | כִּ֥י (ki) = want | דָשְׁא֖וּ (dasheu) = zijn groen geworden | נְא֣וֹת (neot) = weiden van | מִדְבָּ֑ר (midbar) = de woestijn | כִּֽי (ki) = want | עֵץ֙ (ets) = de boom | נָשָׂ֣א (nasa) = draagt | פִרְי֔וֹ (piryo) = zijn vrucht | תְּאֵנָ֥ה (teena) = de vijgenboom | וָגֶ֖פֶן (vagefen) = en de wijnstok | נָתְנ֥וּ (natenu) = geven | חֵילָֽם (cheilam) = hun kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂדַי (sadai), ‘veld’: een dichterlijke vorm van het woord voor ‘veld’. Het gaat niet om ‘mijn velden’. Zie ook: Ps 65:13; Ps 147:8–9; Amos 9:14–15; Jes 51:3; Zach 8:12 **2:23** Zonen van Sion, juich en verheug je in Yahweh, jullie Elohim. Want Hij heeft jullie de herfstregen gegeven tot gerechtigheid. Hij laat de regen voor jullie neerkomen, herfstregen en lenteregen, als vroeger. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | צִיּ֗וֹן (tsiyon) = Sion | גִּ֤ילוּ (gilu) = juicht | וְשִׂמְחוּ֙ (vesimchu) = en verheugt u | בַּיהוָ֣ה (baYahweh) = in Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | כִּֽי (ki) = want | נָתַ֥ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֛ם (lakhem) = jullie | אֶת (et) = (obj.) | הַמּוֹרֶ֖ה (hamore) = de herfstregen | לִצְדָקָ֑ה (litsdaqa) = tot gerechtigheid | וַיּ֣וֹרֶד (vayored) = en liet neerkomen | לָכֶ֗ם (lakhem) = voor jullie | גֶּ֛שֶׁם (geshem) = regen | מוֹרֶ֥ה (more) = herfstregen | וּמַלְק֖וֹשׁ (umalqosh) = en lenteregen | בָּרִאשֽׁוֹן (barishon) = als vroeger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַמּוֹרֶה (hammoreh) betekent ‘de herfstregen’, de eerste regen van het najaar. Het woord betekent ook ‘leraar’. Zie bij Lezing. Voetnoot : מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘lenteregen’: de late regen in het voorjaar, vlak voor de oogst. Voetnoot : לִצְדָקָה (litsdaqah), ‘tot gerechtigheid’: ook ‘naar recht’, ‘naar behoren’. Voetnoot Lezing: Wij lezen הַמּוֹרֶה als ‘de herfstregen’, omdat hetzelfde vers het woord daarna als regen (מוֹרֶה) noemt. Anderen lezen ‘de leraar tot gerechtigheid’. Beide zijn mogelijk. Zie ook: Lev 26:4; Deut 11:14; Hos 6:3; Jak 5:7–8; Fil 4:4 **2:24** De dorsvloeren zullen vol graan zijn, en de perskuipen zullen overlopen van most en olie. Brontekst: וּמָלְא֥וּ (umaleu) = en zullen vol zijn | הַגֳּרָנ֖וֹת (hagoranot) = de dorsvloeren | בָּ֑ר (bar) = van graan | וְהֵשִׁ֥יקוּ (veheshiqu) = en zullen overlopen | הַיְקָבִ֖ים (hayqavim) = de perskuipen | תִּיר֥וֹשׁ (tirosh) = van most | וְיִצְהָֽר (veyitshar) = en olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:9–10; Joël 4:13; Joël 4:18; Amos 9:13; Mal 3:10 ### Yahweh vergoedt de jaren **2:25** **„Ik zal jullie de jaren vergoeden die de sprinkhaan, de vreter, de kaalvreter en de knipper hebben opgegeten, Mijn grote leger dat Ik tegen jullie gestuurd heb.** Brontekst: וְשִׁלַּמְתִּ֤י (veshilamti) = en Ik zal vergoeden | לָכֶם֙ (lakhem) = jullie | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁנִ֔ים (hashanim) = de jaren | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | אָכַ֣ל (akhal) = heeft opgegeten | הָֽאַרְבֶּ֔ה (haarbe) = de sprinkhaan | הַיֶּ֖לֶק (hayeleq) = de vreter | וְהֶחָסִ֣יל (vehechasil) = en de kaalvreter | וְהַגָּזָ֑ם (vehagazam) = en de knipper | חֵילִי֙ (cheili) = Mijn leger | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = het grote | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | שִׁלַּ֖חְתִּי (shilachti) = Ik stuurde | בָּכֶֽם (bakhem) = tegen jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde vier namen als in Joël 1:4, nu in een andere volgorde: sprinkhaan, vreter, kaalvreter, knipper. Zie de Uitleg bij Joël 1:4. Voetnoot : חֵילִי הַגָּדוֹל (cheyli haggadol), ‘Mijn grote leger’: Yahweh noemt de sprinkhanen Zijn leger. Zij waren door Hem gestuurd. Voetnoot : Vanaf dit vers spreekt Yahweh weer Zelf. Zijn toespraak loopt door in het volgende hoofdstuk (Joël 3:1, Hebr.). Zie ook: Joël 1:4–7; Joël 2:2–11; Joël 3:1; Zach 10:6 **2:26** **Jullie zullen volop eten en verzadigd worden. Jullie zullen de naam van Yahweh, jullie Elohim, loven, die wonderen met jullie gedaan heeft. Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden.** Brontekst: וַאֲכַלְתֶּ֤ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | אָכוֹל֙ (akhol) = volop | וְשָׂב֔וֹעַ (vesavoa) = en verzadigd worden | וְהִלַּלְתֶּ֗ם (vehilaltem) = en jullie zullen loven | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֤ם (shem) = de naam van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֥ה (asa) = heeft gedaan | עִמָּכֶ֖ם (imakhem) = met jullie | לְהַפְלִ֑יא (lehafli) = wonderen | וְלֹא (velo) = en niet | יֵבֹ֥שׁוּ (yevoshu) = worden beschaamd | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon (‘de naam van Yahweh, jullie Elohim’). Het blijft Zijn eigen toespraak; wij zetten het rood. Voetnoot : לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’: ook ‘voor altijd’. Zie ook: Deut 12:7; Ps 22:27; Jes 45:17; Rom 5:5; Rom 10:11 **2:27** **Jullie zullen weten dat Ik in het midden van Israël ben. Ik ben Yahweh, jullie Elohim, en er is geen ander. Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden.** Brontekst: וִידַעְתֶּ֗ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֣י (ki) = dat | בְקֶ֤רֶב (beqerev) = in het midden van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אָ֔נִי (ani) = Ik | וַאֲנִ֛י (vaani) = en Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is er | ע֑וֹד (od) = ander | וְלֹא (velo) = en niet | יֵבֹ֥שׁוּ (yevoshu) = worden beschaamd | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het slot van de toespraak in dit hoofdstuk. Zij loopt door in Joël 3:1 (Hebr.), het begin van het volgende hoofdstuk: ‘Daarna zal het gebeuren …’. Zie ook: Lev 26:11–12; Joël 3:1; Jes 45:5; Sef 3:17; Ezech 37:26–28; Ezech 39:28 ## Joël 3 _De uitstorting van de Geest_ ### Yahweh stort Zijn Geest uit **3:1** **Het zal gebeuren daarna: Ik stort Mijn Geest uit over alle vlees. Jullie zonen en jullie dochters zullen profeteren. Jullie oude mannen zullen dromen hebben, jullie jonge mannen zullen visioenen zien.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | אַֽחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֗ן (ken) = dit | אֶשְׁפּ֤וֹךְ (eshpokh) = Ik zal uitstorten | אֶת (et) = (obj.) | רוּחִי֙ (ruchi) = Mijn Geest | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֔ר (basar) = vlees | וְנִבְּא֖וּ (venibeu) = en zullen profeteren | בְּנֵיכֶ֣ם (beneikhem) = jullie zonen | וּבְנֽוֹתֵיכֶ֑ם (uvenoteikhem) = en jullie dochters | זִקְנֵיכֶם֙ (ziqneikhem) = jullie oude mannen | חֲלֹמ֣וֹת (chalomot) = dromen | יַחֲלֹמ֔וּן (yachalomun) = zullen dromen | בַּח֣וּרֵיכֶ֔ם (bachureikhem) = jullie jonge mannen | חֶזְיֹנ֖וֹת (chezyonot) = visioenen | יִרְאֽוּ (yiru) = zullen zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws heeft Joël vier hoofdstukken. Hebr. 3:1–5 is in Nederlandse bijbels Joël 2:28–32, en Hebr. 4:1–21 is Nederlands 3:1–21. De app zet de kruisverwijzingen zelf om. Voetnoot : בָּשָׂר (basar), ‘vlees’: het woord staat voor levende mensen, in het bijzonder voor mensen als zwakke, sterfelijke wezens. Wij laten ‘vlees’ staan. Voetnoot : רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: ruach betekent ook ‘wind’ of ‘adem’. Hier is het de Geest van Yahweh zelf; daarom schrijven wij Geest met een hoofdletter. Vergelijk Num. 11:29. Voetnoot : De toespraak van Yahweh uit Joël 2:25–27 loopt hier door; daarom begint dit vers niet met een aanhalingsteken. Zij eindigt in vers 3. Voetnoot : נִבְּאוּ (nibbe’u), ‘zij zullen profeteren’: namens Elohim spreken. Zie ook: Num 11:29; Joël 2:25–27; Joël 2:28–32; Joël 3:3; Jes 32:15; Ezech 39:29; Hand 2:2–4; Hand 2:16–21; Hand 2:39; Heb 3:1–5; Heb 4:1–21 **3:2** **Ook over de dienaren en over de slavinnen stort Ik in die dagen Mijn Geest uit.** Brontekst: וְגַ֥ם (vegam) = en ook | עַל (al) = over | הָֽעֲבָדִ֖ים (haavadim) = de dienaren | וְעַל (veal) = en over | הַשְּׁפָח֑וֹת (hashefachot) = de slavinnen | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔מָּה (hahema) = die | אֶשְׁפּ֖וֹךְ (eshpokh) = Ik zal uitstorten | אֶת (et) = (obj.) | רוּחִֽי (ruchi) = Mijn Geest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁפָחוֹת (shefachot), ‘slavinnen’: dezelfde vertaling als in Exod. 11:5. Naast de vrouwen staan de עֲבָדִים (avadim), ‘dienaren’. Zie ook: Ex 11:5; Gal 3:28; 1 Kor 12:13; Kol 3:11 **3:3** **Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde: bloed, vuur en zuilen van rook.”** Brontekst: וְנָֽתַתִּי֙ (venatati) = en Ik zal geven | מֽוֹפְתִ֔ים (mofetim) = wonderen | בַּשָּׁמַ֖יִם (bashamayim) = in de hemel | וּבָאָ֑רֶץ (uvaarets) = en op de aarde | דָּ֣ם (dam) = bloed | וָאֵ֔שׁ (vaesh) = en vuur | וְתִֽימֲר֖וֹת (vetimarot) = en zuilen van | עָשָֽׁן (ashan) = rook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹפְתִים (moftim), ‘wonderen’: tekenen die verbazing wekken en op iets groters wijzen, zoals in Exod. 4:21 en 7:3. Voetnoot : תִּימְרוֹת עָשָׁן (timrot ashan), ‘zuilen van rook’: dezelfde uitdrukking als in Hoogl. 3:6. Zie ook: Ex 4:21; Ex 7:3; Re 20:40; Hoogl 3:6; Mat 24:29; Luc 21:11; Luc 21:25–26; Hand 2:19–20 ### De dag van Yahweh en de ontkomenen **3:4** De zon wordt veranderd in duisternis en de maan in bloed, voordat de dag van Yahweh komt, de grote en vreeswekkende. Brontekst: הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙ (hashemesh) = de zon | יֵהָפֵ֣ךְ (yehafekh) = zal veranderd worden | לְחֹ֔שֶׁךְ (lechoshekh) = in duisternis | וְהַיָּרֵ֖חַ (vehayareach) = en de maan | לְדָ֑ם (ledam) = in bloed | לִפְנֵ֗י (lifnei) = voor | בּ֚וֹא (bo) = het komen van | י֣וֹם (yom) = de dag van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | וְהַנּוֹרָֽא (vehanora) = en de vreeswekkende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is niet rood: de profeet spreekt hier over Yahweh in de derde persoon (‘de dag van Yahweh’). Voetnoot : יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh ingrijpt. Zie ook Joël 2:1, 2:11 en 4:14. Voetnoot : נוֹרָא (nora), ‘vreeswekkend’: wat ontzag en vrees wekt (zo ook in Joël 2:11). Zie ook: Joël 2:1; Joël 2:11; Joël 4:14; Joël 4:15; Mal 3:19; Mal 3:23; Mat 24:29; Openb 6:12–13 **3:5** Het zal gebeuren: ieder die de naam van Yahweh aanroept, zal ontkomen. Want op de berg Sion en in Jeruzalem zullen er ontkomenen zijn, zoals Yahweh gezegd heeft. Onder de overlevenden zijn zij die Yahweh roept. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כֹּ֧ל (kol) = ieder | אֲשֶׁר (asher) = die | יִקְרָ֛א (yiqra) = aanroept | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = bij de naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִמָּלֵ֑ט (yimalet) = zal ontkomen | כִּ֠י (ki) = want | בְּהַר (behar) = op de berg | צִיּ֨וֹן (tsiyon) = Sion | וּבִירוּשָׁלִַ֜ם (uvirushaliam) = en in Jeruzalem | תִּֽהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | פְלֵיטָ֗ה (peleita) = een ontkomen rest | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | אָמַ֣ר (amar) = heeft gezegd | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּבַ֨שְּׂרִידִ֔ים (uvaseridim) = en onder de overlevenden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | קֹרֵֽא (qore) = roept Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יִמָּלֵט (yimmalet), ‘zal ontkomen’: ontsnappen, in veiligheid komen. Dit vers is niet rood: de profeet verwijst naar wat Yahweh gezegd heeft. Voetnoot : פְּלֵיטָה (peletah) en שָׂרִיד (sarid): zij die ontkomen en wie overblijft na de ramp. Wie Yahweh ‘roept’ hoort bij hen. Voetnoot : Hand. 2:17–21 haalt dit gedeelte aan. Zie ook: Ps 50:15; Jes 46:13; Hand 2:17–21; Hand 2:20–21; Rom 10:11–14; Rom 11:26 ## Joël 4 _Het gericht over de volken en de zegen voor Juda_ ### Yahweh houdt gericht over de volken **4:1** **„Want zie, in die dagen en in die tijd, wanneer Ik het lot van Juda en Jeruzalem keer,** Brontekst: כִּ֗י (ki) = want | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | בַּיָּמִ֥ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֖מָּה (hahema) = die | וּבָעֵ֣ת (uvaet) = en in de tijd | הַהִ֑יא (hahi) = die | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wanneer | אָשִׁ֛יב (ashiv) = Ik zal doen terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁב֥וּת (shevut) = het lot van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָֽם (virushaliam) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Hebr. 4:1 is in Nederlandse bijbels Joël 3:1 (zie bij 3:1). De app zet de kruisverwijzingen zelf om. Voetnoot : שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: ‘het lot keren’ is een vaste uitdrukking voor herstel; het kan ook ‘de gevangenen terugbrengen’ betekenen. Wij vertalen ‘het lot keren’, zoals in Ps. 126:1. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is אָשׁוּב (ashuv), ‘Ik keer terug’. De te lezen vorm (qere) is אָשִׁיב (ashiv), ‘Ik laat terugkeren’. Wij volgen de qere, die in de tekst staat. Zie ook: Ps 126:1; Joël 3:1; Amos 9:14; Sef 3:19–20; Jer 29:14; Jer 30:3; Ezech 39:25; Heb 4:1 **4:2** **dan verzamel Ik alle volken en laat Ik hen afdalen naar het dal van Josafat. Daar ga Ik met hen in het gericht, over Mijn volk en Mijn erfdeel Israël. Zij hebben hen verstrooid onder de volken en Mijn land verdeeld.** Brontekst: וְקִבַּצְתִּי֙ (veqibatsti) = en Ik zal verzamelen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וְה֣וֹרַדְתִּ֔ים (vehoradtim) = en Ik zal hen laten afdalen | אֶל (el) = naar | עֵ֖מֶק (emeq) = het dal van | יְהֽוֹשָׁפָ֑ט (yehoshafat) = Josafat | וְנִשְׁפַּטְתִּ֨י (venishpatti) = en Ik zal in het gericht gaan | עִמָּ֜ם (imam) = met hen | שָׁ֗ם (sham) = daar | עַל (al) = over | עַמִּ֨י (ami) = Mijn volk | וְנַחֲלָתִ֤י (venachalati) = en Mijn erfdeel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | פִּזְּר֣וּ (pizeru) = zij hebben verstrooid | בַגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְצִ֖י (artsi) = Mijn land | חִלֵּֽקוּ (chilequ) = zij hebben verdeeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵמֶק יְהוֹשָׁפָט (emeq Yehoshafat), ‘dal van Josafat’: de naam betekent ‘Yahweh heeft recht gesproken’. Vers 12 noemt het dal als de plaats waar Yahweh gaat oordelen. Waar het dal ligt, zegt de tekst niet. Voetnoot : וְנִשְׁפַּטְתִּי (venishpatti), ‘Ik ga in het gericht’: Yahweh treedt zelf op als rechter. Zie ook: Joël 4:12; Jes 66:16; Sef 3:8; Ezech 38:22; Zach 12:3–4; Zach 14:2–4 **4:3** **Over Mijn volk wierpen zij het lot. Zij gaven de jongen weg voor een hoer, en het meisje verkochten zij voor wijn, en zij dronken.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en over | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | יַדּ֣וּ (yadu) = wierpen zij | גוֹרָ֑ל (goral) = lot | וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en zij gaven | הַיֶּ֨לֶד֙ (hayeled) = de jongen | בַּזּוֹנָ֔ה (bazona) = voor een hoer | וְהַיַּלְדָּ֛ה (vehayalda) = en het meisje | מָכְר֥וּ (makheru) = verkochten zij | בַיַּ֖יִן (bayayin) = voor wijn | וַיִּשְׁתּֽוּ (vayishtu) = en zij dronken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיֶּלֶד (hayeled) en הַיַּלְדָּה (hayaldah): yeled betekent eigenlijk ‘kind’. Door de tegenstelling met de vrouwelijke vorm vertalen wij ‘de jongen’ en ‘het meisje’. Voetnoot : יָדוּ גוֹרָל (yadu goral), ‘zij wierpen het lot’: zij verdeelden mensen als buit. Zie ook: 2 Kron 28:8–9; Amos 2:6; Nah 3:10; Ob 1:11; Openb 18:13 ### Tyrus, Sidon en Filistea **4:4** **Wat zijn jullie voor Mij, Tyrus en Sidon en alle gewesten van Filistea? Betalen jullie Mij een vergelding? En als jullie Mij iets vergelden, breng Ik jullie vergelding snel en vlug terug op jullie hoofd.** Brontekst: וְ֠גַם (vegam) = en ook | מָה (ma) = wat | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | לִי֙ (li) = voor Mij | צֹ֣ר (tsor) = Tyrus | וְצִיד֔וֹן (vetsidon) = en Sidon | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | גְּלִיל֣וֹת (gelilot) = gewesten van | פְּלָ֑שֶׁת (pelashet) = Filistea | הַגְּמ֗וּל (hagemul) = is het vergelding | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | מְשַׁלְּמִ֣ים (meshalemim) = betalen terug | עָלָ֔י (alay) = op Mij | וְאִם (veim) = en als | גֹּמְלִ֤ים (gomelim) = vergelden | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | עָלַ֔י (alay) = op Mij | קַ֣ל (qal) = snel | מְהֵרָ֔ה (mehera) = vlug | אָשִׁ֥יב (ashiv) = Ik zal terugbrengen | גְּמֻלְכֶ֖ם (gemulkhem) = jullie vergelding | בְּרֹאשְׁכֶֽם (beroshkhem) = op jullie hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: מָה אַתֶּם לִי (mah attem li), letterlijk ‘wat zijn jullie voor Mij’: wat hebben jullie met Mij te maken? Voetnoot : גְּמוּל (gemul), ‘vergelding’: wat iemand een ander aandoet, ten goede of ten kwade. De vraag is of Tyrus, Sidon en Filistea Yahweh iets willen terugbetalen; zij vergelden dan op Hem, wat zij Zijn volk hebben aangedaan. Voetnoot : גְּלִילוֹת (geliloth), ‘gewesten’: streken van een land. Zie ook: Amos 1:6–10; Jes 23:1–2; Jes 34:8; Jes 59:18; Jer 47:4 **4:5** **Jullie hebben Mijn zilver en Mijn goud genomen en Mijn beste kostbaarheden naar jullie tempels gebracht.** Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = die | כַּסְפִּ֥י (kaspi) = Mijn zilver | וּזְהָבִ֖י (uzehavi) = en Mijn goud | לְקַחְתֶּ֑ם (leqachtem) = jullie hebben genomen | וּמַֽחֲמַדַּי֙ (umachamaday) = en Mijn kostbaarheden | הַטֹּבִ֔ים (hatovim) = de beste | הֲבֵאתֶ֖ם (havetem) = jullie hebben gebracht | לְהֵיכְלֵיכֶֽם (leheikheleikhem) = naar jullie tempels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: het woord betekent ook ‘paleis’. Hier gaat het om de gebouwen van de volken. Welke gebeurtenis bedoeld is, zegt de tekst niet. Zie ook: 2 Kon 12:19; 2 Kon 16:8; 2 Kon 18:15–16; 2 Kon 24:13; 2 Kron 21:16–17 **4:6** **De zonen van Juda en de zonen van Jeruzalem hebben jullie verkocht aan de Javanieten, om hen ver van hun gebied te brengen.** Brontekst: וּבְנֵ֤י (uvenei) = en de zonen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | מְכַרְתֶּ֖ם (mekhartem) = jullie hebben verkocht | לִבְנֵ֣י (livnei) = aan de zonen van | הַיְּוָנִ֑ים (hayevanim) = de Javanieten | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | הַרְחִיקָ֖ם (harchiqam) = zij hen ver weg brengen | מֵעַ֥ל (meal) = van | גְּבוּלָֽם (gevulam) = hun gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַיְוָנִים (hayevanim), ‘de Javanieten’: Javan is een zoon van Jafeth (Gen. 10:2). De naam staat voor het volk van de Griekse kusten en eilanden. Wij laten de naam staan. Zie ook: Gen 10:2; Deut 28:32; Deut 28:68; Joël 4:3; Joël 4:8; Ezech 27:13 **4:7** **Zie, Ik wek hen op uit de plaats waarheen jullie hen verkocht hebben. Ik breng jullie vergelding terug op jullie hoofd.** Brontekst: הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | מְעִירָ֔ם (meiram) = Ik wek hen op | מִן (min) = uit | הַ֨מָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | מְכַרְתֶּ֥ם (mekhartem) = jullie hebben verkocht | אֹתָ֖ם (otam) = hen | שָׁ֑מָּה (shama) = daarheen | וַהֲשִׁבֹתִ֥י (vahashivoti) = en Ik zal terugbrengen | גְמֻלְכֶ֖ם (gemulkhem) = jullie vergelding | בְּרֹאשְׁכֶֽם (beroshkhem) = op jullie hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְעִירָם (me’irim), ‘Ik wek hen op’: het werkwoord betekent ‘wakker maken, opwekken’. Zie ook: Jes 43:5–6; Jer 23:8; Jer 30:10; Jer 30:16; 2 Tess 1:6 **4:8** **Ik verkoop jullie zonen en jullie dochters in de hand van de zonen van Juda. Zij verkopen hen aan de Sjebaïeten, aan een volk ver weg.”** Want Yahweh heeft gesproken. Brontekst: וּמָכַרְתִּ֞י (umakharti) = en Ik zal verkopen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיכֶ֣ם (beneikhem) = jullie zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֽוֹתֵיכֶ֗ם (benoteikhem) = jullie dochters | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּמְכָר֥וּם (umekharum) = en zij zullen hen verkopen | לִשְׁבָאיִ֖ם (lishvayim) = aan de Sjebaïeten | אֶל (el) = naar | גּ֣וֹי (goy) = een volk | רָח֑וֹק (rachoq) = ver weg | כִּ֥י (ki) = want | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבָאִים (shevaim), ‘Sjebaïeten’: inwoners van Sjeba, in het zuidwesten van Arabië. Zie 1 Kon. 10:1 en Ps. 72:10. Voetnoot : כִּי יְהוָה דִּבֵּר (ki Yahweh dibber), ‘want Yahweh heeft gesproken’: dit slot is niet rood, omdat Yahweh hier in de derde persoon wordt genoemd. Zie ook: Job 1:15; Deut 32:30; Re 2:14; Ps 72:10; 1 Kon 10:1; Jes 14:1–2; Jes 60:14 ### De oproep tot de strijd **4:9** Roep dit uit onder de volken: Heilig een oorlog! Wek de helden op! Laat ze naderen en optrekken, alle krijgsmannen. Brontekst: קִרְאוּ (qiru) = roept uit | זֹאת֙ (zot) = dit | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | קַדְּשׁ֖וּ (qadeshu) = heiligt | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | הָעִ֨ירוּ֙ (hairu) = wekt op | הַגִּבּוֹרִ֔ים (hagiborim) = de helden | יִגְּשׁ֣וּ (yigeshu) = laten naderen | יַֽעֲל֔וּ (yaalu) = laten optrekken | כֹּ֖ל (kol) = alle | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָֽה (hamilchama) = de oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker is in vers 9–11 niet aangegeven. Wij laten deze verzen zwart (de profeet), omdat Yahweh hier niet in de eerste persoon spreekt; vanaf vers 12 spreekt Hij zelf (‘Ik zal zitten’). Voetnoot : קַדְּשׁוּ מִלְחָמָה (qaddeshu milchamah), ‘heilig een oorlog’: wijd de oorlog, behandel hem als een heilige zaak. De tekst zegt niet hoe. Zie ook: Joël 4:12; Jes 8:9–10; Jer 31:10; Jer 46:3–4; Jer 50:2; Ezech 38:7 **4:10** Smeed jullie ploegscharen om tot zwaarden en jullie snoeimessen tot speren. Laat de zwakke zeggen: „Ik ben een held.” Brontekst: כֹּ֤תּוּ (kotu) = smeedt | אִתֵּיכֶם֙ (iteikhem) = jullie ploegscharen | לַֽחֲרָב֔וֹת (lacharavot) = tot zwaarden | וּמַזְמְרֹֽתֵיכֶ֖ם (umazmeroteikhem) = en jullie snoeimessen | לִרְמָחִ֑ים (lirmachim) = tot speren | הַֽחַלָּ֔שׁ (hachalash) = de zwakke | יֹאמַ֖ר (yomar) = laat zeggen | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִתִּים (ittim), ‘ploegscharen’, en מַזְמֵרוֹת (mazmerot), ‘snoeimessen’. Dit is het omgekeerde van Jes. 2:4 en Micha 4:3, waar zwaarden tot ploegscharen worden omgesmeed. Zie ook: 2 Kron 25:8; Jes 2:4; Mi 4:3; Zach 12:8; Luc 22:36 **4:11** Haast jullie en kom, alle volken rondom, en verzamel jullie daar. Breng daarheen, Yahweh, Uw helden naar beneden. Brontekst: ע֣וּשׁוּ (ushu) = haast jullie | וָבֹ֧אוּ (vavou) = en komt | כָֽל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֛ם (hagoyim) = de volken | מִסָּבִ֖יב (misaviv) = rondom | וְנִקְבָּ֑צוּ (veniqbatsu) = en verzamelt jullie | שָׁ֕מָּה (shama) = daarheen | הַֽנְחַ֥ת (hanchat) = breng naar beneden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | גִּבּוֹרֶֽיךָ (giboreikha) = Uw helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוּשׁוּ (ushu), ‘haast jullie’: het woord komt in de Schrift alleen hier voor en de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘help’ betekenen. Voetnoot : הַנְחַת יְהוָה גִּבּוֹרֶיךָ (hanchat Yahweh gibboreicha), ‘breng, Yahweh, Uw helden naar beneden’: de profeet spreekt hier Yahweh aan (daarom ‘Uw’). Wie met ‘Uw helden’ bedoeld wordt, zegt de tekst niet. Zie ook: Jes 10:34; Jes 13:3; Mi 4:12; Sef 3:8; Zach 14:2–3 **4:12** **„Laten de volken wakker worden en optrekken naar het dal van Josafat. Want daar zal Ik zitten om alle volken rondom te oordelen.”** Brontekst: יֵע֨וֹרוּ֙ (yeoru) = laten wakker worden | וְיַעֲל֣וּ (veyaalu) = en optrekken | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֶל (el) = naar | עֵ֖מֶק (emeq) = het dal van | יְהֽוֹשָׁפָ֑ט (yehoshafat) = Josafat | כִּ֣י (ki) = want | שָׁ֗ם (sham) = daar | אֵשֵׁ֛ב (eshev) = Ik zal zitten | לִשְׁפֹּ֥ט (lishpot) = om te oordelen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt Yahweh zelf in de eerste persoon (‘Ik zal zitten’); daarom is dit vers rood. Zie ook: Ps 96:13; Ps 98:9; Joël 4:2; Jes 2:4; Jes 3:13 **4:13** Zet de sikkel erin, want de oogst is rijp. Kom, trap, want de wijnpers is vol. De perskuipen lopen over, want hun kwaad is groot. Brontekst: שִׁלְח֣וּ (shilchu) = stuurt | מַגָּ֔ל (magal) = sikkel | כִּ֥י (ki) = want | בָשַׁ֖ל (bashal) = is rijp | קָצִ֑יר (qatsir) = oogst | בֹּ֤אֽוּ (bou) = komt | רְדוּ֙ (redu) = treedt | כִּֽי (ki) = want | מָ֣לְאָה (malea) = is vol | גַּ֔ת (gat) = wijnpers | הֵשִׁ֨יקוּ֙ (heshiqu) = lopen over | הַיְקָבִ֔ים (hayqavim) = de perskuipen | כִּ֥י (ki) = want | רַבָּ֖ה (raba) = is groot | רָעָתָֽם (raatam) = hun kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁלְחוּ מַגָּל (shilchu maggal), letterlijk ‘zend de sikkel’: ‘zet de sikkel erin’. Voetnoot : רְדוּ (redu), ‘trap’: van het werkwoord ‘treden’, passend bij de wijnpers. Het kan ook van ‘afdalen’ komen. Wij volgen ‘treden’. Voetnoot : Vergelijk Openb. 14:15–19. Zie ook: Hos 6:11; Jes 63:3; Jer 51:33; Mar 4:29; Openb 14:15–20 ### De dag van Yahweh is nabij **4:14** Menigten, menigten in het dal van de beslissing! Want de dag van Yahweh is nabij in het dal van de beslissing. Brontekst: הֲמוֹנִ֣ים (hamonim) = menigten | הֲמוֹנִ֔ים (hamonim) = menigten | בְּעֵ֖מֶק (beemeq) = in het dal van | הֶֽחָר֑וּץ (hecharuts) = de beslissing | כִּ֤י (ki) = want | קָרוֹב֙ (qarov) = nabij is | י֣וֹם (yom) = de dag van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעֵ֖מֶק (beemeq) = in het dal van | הֶחָרֽוּץ (hecharuts) = de beslissing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחָרוּץ (hecharuts), ‘de beslissing’: het woord betekent ‘besluit, uitspraak’. Het kan ook ‘scherp’ of ‘dorsslede’ betekenen. Wij volgen ‘beslissing’, omdat hier de dag van Yahweh komt. Zie ook Joël 2:1 en 3:4. Zie ook: Joël 2:1; Joël 3:4; Joël 4:2; Jes 34:2–8; Fil 3:2; Openb 16:14–16 **4:15** Zon en maan worden donker, en de sterren trekken hun glans in. Brontekst: שֶׁ֥מֶשׁ (shemesh) = zon | וְיָרֵ֖חַ (veyareach) = en maan | קָדָ֑רוּ (qadaru) = worden donker | וְכוֹכָבִ֖ים (vekhokhavim) = en sterren | אָסְפ֥וּ (asefu) = trekken in | נָגְהָֽם (nageham) = hun glans Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden staan in Joël 2:10. Zie ook: Joël 2:10; Joël 3:4; Jes 13:10; Mat 24:29; Luc 21:25–26 **4:16** Yahweh brult vanuit Sion en laat vanuit Jeruzalem Zijn stem klinken. Hemel en aarde beven. Maar Yahweh is een toevlucht voor Zijn volk en een burcht voor de zonen van Israël. Brontekst: וַיהוָ֞ה (vaYahweh) = en Yahweh | מִצִּיּ֣וֹן (mitsiyon) = uit Sion | יִשְׁאָ֗ג (yishag) = brult | וּמִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (umirushaliam) = en uit Jeruzalem | יִתֵּ֣ן (yiten) = geeft | קוֹל֔וֹ (qolo) = Zijn stem | וְרָעֲשׁ֖וּ (veraashu) = en zullen beven | שָׁמַ֣יִם (shamayim) = hemel | וָאָ֑רֶץ (vaarets) = en aarde | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = maar Yahweh | מַֽחֲסֶ֣ה (machase) = toevlucht | לְעַמּ֔וֹ (leamo) = voor Zijn volk | וּמָע֖וֹז (umaoz) = en burcht | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יִשְׁאָג (yish’ag), ‘Hij brult’: het geluid van een leeuw. Dezelfde woorden staan in Amos 1:2. Voetnoot : מַחֲסֶה (machaseh), ‘toevlucht’, en מָעוֹז (maoz), ‘burcht’: zoals in Ps. 27:1. Zie ook: Ps 27:1; Joël 2:10–11; Amos 1:2; Jer 16:19; Jer 25:30–31; Hag 2:6 **4:17** **„Jullie zullen weten dat Ik Yahweh ben, jullie Elohim, die woont in Sion, Mijn heilige berg. Jeruzalem zal heilig zijn en vreemden trekken er niet meer doorheen.”** Brontekst: וִֽידַעְתֶּ֗ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | שֹׁכֵ֖ן (shokhen) = wonend | בְּצִיּ֣וֹן (betsiyon) = in Sion | הַר (har) = de berg van | קָדְשִׁ֑י (qadeshi) = Mijn heiligheid | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal zijn | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | קֹ֔דֶשׁ (qodesh) = heilig | וְזָרִ֥ים (vezarim) = en vreemden | לֹא (lo) = niet | יַֽעַבְרוּ (yaavru) = zullen doorgaan | בָ֖הּ (bah) = erdoor | עֽוֹד (od) = nog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vergelijk Joël 2:27. Voetnoot : זָרִים (zarim), ‘vreemden’: mensen van buiten. Zie ook: Joël 2:27; Jes 4:3; Jes 52:1; Nah 2:1; Openb 21:27 ### De zegen voor Juda en Jeruzalem **4:18** Het zal gebeuren op die dag: de bergen druipen van zoete wijn en de heuvels stromen van melk. Alle beekbeddingen van Juda stromen vol water. Een bron komt uit het huis van Yahweh en geeft de beek van Sittim water. Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | יִטְּפ֧וּ (yitefu) = druipen | הֶהָרִ֣ים (heharim) = de bergen | עָסִ֗יס (asis) = zoete wijn | וְהַגְּבָעוֹת֙ (vehagevaot) = en de heuvels | תֵּלַ֣כְנָה (telakhna) = zullen stromen | חָלָ֔ב (chalav) = melk | וְכָל (vekhal) = en alle | אֲפִיקֵ֥י (afiqei) = beekbeddingen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | יֵ֣לְכוּ (yelekhu) = zullen stromen | מָ֑יִם (mayim) = water | וּמַעְיָ֗ן (umayan) = en een bron | מִבֵּ֤ית (mibeit) = uit het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יֵצֵ֔א (yetse) = zal uitgaan | וְהִשְׁקָ֖ה (vehishqa) = en zal water geven aan | אֶת (et) = (obj.) | נַ֥חַל (nachal) = de beek van | הַשִּׁטִּֽים (hashitim) = de Sittim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beek van Sittim (ligging onzeker): De beek van Sittim is het beekdal bij Sittim (Abel-Sittim), in de vlakte van Moab, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. De ligging van de beek is niet zeker. Voetnoot Uitleg: עָסִיס (asis), ‘zoete wijn’: vers geperst druivensap en de wijn die daarvan komt. Voetnoot : אֲפִיקֵי (afiqe), ‘beekbeddingen’: zoals in Ps. 126:4. Voetnoot : נַחַל הַשִּׁטִּים (nachal hashittim), ‘de beek van Sittim’: שִׁטִּים betekent ook ‘acaciabomen’. Zie ook Num. 25:1. De ligging van deze beek is onzeker. Zie ook: Num 25:1; Ps 126:4; Amos 9:13–14; Jes 35:6; Ezech 47:1–12; Zach 14:8; Openb 22:1–2 **4:19** Egypte zal een woestenij zijn en Edom zal een woestijn zijn, een woestenij, vanwege het geweld tegen de zonen van Juda. Zij hebben onschuldig bloed vergoten in hun land. Brontekst: מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | לִשְׁמָמָ֣ה (lishmama) = tot woestenij | תִֽהְיֶ֔ה (tihye) = zal zijn | וֶאֱד֕וֹם (veedom) = en Edom | לְמִדְבַּ֥ר (lemidbar) = tot woestijn van | שְׁמָמָ֖ה (shemama) = woestenij | תִּֽהְיֶ֑ה (tihye) = zal zijn | מֵֽחֲמַס֙ (mechamas) = vanwege het geweld tegen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁר (asher) = dat | שָׁפְכ֥וּ (shafekhu) = zij hebben vergoten | דָם (dam) = bloed | נָקִ֖יא (naqi) = onschuldig | בְּאַרְצָֽם (beartsam) = in hun land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: דָּם נָקִיא (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: bloed van mensen zonder schuld. נָקִיא is een oudere schrijfwijze van נָקִי. Voetnoot : ‘In hun land’ is het land van de zonen van Juda. Zie ook: Jes 19:1–15; Jer 49:17; Jer 51:35; Ezech 25:1–17; Zach 14:18–19 **4:20** Maar Juda zal voor eeuwig bewoond worden en Jeruzalem van generatie op generatie. Brontekst: וִיהוּדָ֖ה (vihuda) = en Juda | לְעוֹלָ֣ם (leolam) = voor eeuwig | תֵּשֵׁ֑ב (teshev) = zal bewoond worden | וִירוּשָׁלִַ֖ם (virushaliam) = en Jeruzalem | לְד֥וֹר (ledor) = van generatie | וָדֽוֹר (vador) = op generatie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Amos 9:15; Jes 33:20; Ezech 37:25 **4:21** **„Ik zal hun bloed vrijspreken, dat Ik niet had vrijgesproken.”** En Yahweh woont in Sion. Brontekst: וְנִקֵּ֖יתִי (veniqeiti) = en Ik zal vrijspreken | דָּמָ֣ם (damam) = hun bloed | לֹֽא (lo) = niet | נִקֵּ֑יתִי (niqeiti) = Ik had vrijgesproken | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | שֹׁכֵ֥ן (shokhen) = woont | בְּצִיּֽוֹן (betsiyon) = in Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וְנִקֵּיתִי (venikkeiti), ‘Ik zal vrijspreken’: het werkwoord betekent ‘onschuldig verklaren’ of ‘ongestraft laten’. De zin is moeilijk en wordt op meer manieren gelezen: Yahweh spreekt hun bloedschuld vrij, of Hij wreekt het vergoten bloed dat Hij nog niet had gewroken. Wij vertalen letterlijk. Voetnoot : Het slot ‘En Yahweh woont in Sion’ is niet rood, omdat Yahweh hier in de derde persoon wordt genoemd. Zie ook: Jes 4:4; Ezech 36:25; Ezech 36:29; Ezech 48:35; Openb 21:3