# Job (איוב, Iyov) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Job 1 _Job en de satan_ ### Job, een onberispelijk man **1:1** Er was een man in het land Uz. Zijn naam was Job. Die man was onberispelijk en oprecht. Hij had ontzag voor Elohim en hield zich ver van het kwaad. Brontekst: אִ֛ישׁ (ish) = een man | הָיָ֥ה (haya) = was | בְאֶֽרֶץ (beerets) = in het land | ע֖וּץ (uts) = Uz | אִיּ֣וֹב (iyov) = Job | שְׁמ֑וֹ (shemo) = zijn naam | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en was | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַה֗וּא (hahu) = die | תָּ֧ם (tam) = onberispelijk | וְיָשָׁ֛ר (veyashar) = en oprecht | וִירֵ֥א (vire) = en ontzag hebbend voor | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וְסָ֥ר (vesar) = en wijkend | מֵרָֽע (mera) = van het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Uz (עוּץ, Uts): de ligging is onzeker. Klaagliederen 4:21 verbindt Uz met Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee (nu het zuidwesten van Jordanië). Andere voorstellen zoeken Uz in het noorden van Arabië of bij Aram, het gebied rond Damascus in het huidige Syrië (Gen. 10:23). Voetnoot Uitleg: תָּם (tam), ‘onberispelijk’, betekent ‘heel, volledig’; יָשָׁר (yashar) is ‘oprecht’, recht van doen en laten. Zie ook: Gen 10:23; Job 2:3; Job 28:28; Klaagl 4:21; Ezech 14:14; Ezech 14:20; Jak 5:11 **1:2** Hij kreeg zeven zonen en drie dochters. Brontekst: וַיִּוָּ֥לְדוּ (vayivaledu) = en werden geboren | ל֛וֹ (lo) = aan hem | שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | בָנִ֖ים (banim) = zonen | וְשָׁל֥וֹשׁ (veshalosh) = en drie | בָּנֽוֹת (banot) = dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:13; Job 42:13; Ps 127:3–5; Ps 128:3; Est 5:11 **1:3** Hij bezat zevenduizend schapen en geiten, drieduizend kamelen, vijfhonderd paar runderen en vijfhonderd ezelinnen, en een zeer groot aantal knechten. Die man was de rijkste van alle mensen in het oosten. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en was | מִ֠קְנֵהוּ (miqnehu) = zijn vee | שִֽׁבְעַ֨ת (shivat) = zeven | אַלְפֵי (alfei) = duizenden van | צֹ֜אן (tson) = schapen en geiten | וּשְׁלֹ֧שֶׁת (usheloshet) = en drie | אַלְפֵ֣י (alfei) = duizenden van | גְמַלִּ֗ים (gemalim) = kamelen | וַחֲמֵ֨שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵא֤וֹת (meot) = honderden | צֶֽמֶד (tsemed) = span van | בָּקָר֙ (baqar) = runderen | וַחֲמֵ֣שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵא֣וֹת (meot) = honderden | אֲתוֹנ֔וֹת (atonot) = ezelinnen | וַעֲבֻדָּ֖ה (vaavuda) = en dienstvolk | רַבָּ֣ה (raba) = talrijk | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיְהִי֙ (vayhi) = en was | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַה֔וּא (hahu) = die | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | מִכָּל (mikal) = van alle | בְּנֵי (benei) = zonen van | קֶֽדֶם (qedem) = het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶמֶד (tsemed), ‘span’, is een paar runderen onder één juk. ‘Vijfhonderd paar’ zijn dus 1000 runderen. Zie ook: Job 29:25; Job 42:12; Re 6:3; Spr 10:22; 1 Kon 5:10 **1:4** Zijn zonen hielden om de beurt een feest, ieder in zijn eigen huis op zijn eigen dag. Dan nodigden ze hun drie zussen uit om met hen te eten en te drinken. Brontekst: וְהָלְכ֤וּ (vehalekhu) = en gingen | בָנָיו֙ (banav) = zijn zonen | וְעָשׂ֣וּ (veasu) = en hielden | מִשְׁתֶּ֔ה (mishte) = een feestmaal | בֵּ֖ית (beit) = huis van | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | יוֹמ֑וֹ (yomo) = zijn dag | וְשָׁלְח֗וּ (veshalechu) = en zonden | וְקָרְאוּ֙ (veqareu) = en riepen | לִשְׁלֹ֣שֶׁת (lishloshet) = voor drie | אַחְיֽוֹתֵיהֶ֔ם (achyoteihem) = hun zusters | לֶאֱכֹ֥ל (leekhol) = om te eten | וְלִשְׁתּ֖וֹת (velishtot) = en te drinken | עִמָּהֶֽם (imahem) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 133:1; Heb 13:1 **1:5** Als de dagen van het feest voorbij waren, stuurde Job een bericht en heiligde hen. Hij stond vroeg op en bracht brandoffers, voor ieder van hen één. Want Job dacht: „Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en Elohim in hun hart vervloekt.” Zo deed Job altijd. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het gebeurde | כִּ֣י (ki) = toen | הִקִּיפֽוּ֩ (hiqifu) = omgegaan waren | יְמֵ֨י (yemei) = dagen van | הַמִּשְׁתֶּ֜ה (hamishte) = het feest | וַיִּשְׁלַ֧ח (vayishlach) = en zond | אִיּ֣וֹב (iyov) = Job | וַֽיְקַדְּשֵׁ֗ם (vayqadeshem) = en heiligde hen | וְהִשְׁכִּ֣ים (vehishkim) = en stond vroeg op | בַּבֹּקֶר֮ (baboqer) = in de morgen | וְהֶעֱלָ֣ה (veheela) = en bracht op | עֹלוֹת֮ (olot) = brandoffers | מִסְפַּ֣ר (mispar) = naar het getal van | כֻּלָּם֒ (kulam) = hen allen | כִּ֚י (ki) = want | אָמַ֣ר (amar) = zei | אִיּ֔וֹב (iyov) = Job | אוּלַי֙ (ulay) = misschien | חָטְא֣וּ (chateu) = hebben gezondigd | בָנַ֔י (banay) = mijn zonen | וּבֵרֲכ֥וּ (uverakhu) = en hebben ‘gezegend’ | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בִּלְבָבָ֑ם (bilvavam) = in hun hart | כָּ֛כָה (kakha) = zo | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = deed | אִיּ֖וֹב (iyov) = Job | כָּל (kal) = al | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּרְכוּ (berekhu) betekent gewoonlijk ‘zij hebben gezegend’. Hier staat het voor het tegendeel: ‘vervloeken’. Het is een omschrijving: de schrijver vermijdt de woorden ‘Elohim vervloeken’. Zo ook in 1:11, 2:5 en 2:9. Voetnoot : וַיְקַדְּשֵׁם (vaykaddeshem), ‘en hij heiligde hen’: Job maakte hen, door offers en reiniging, geschikt om voor Elohim te staan. Zie ook: Gen 8:20; Gen 35:2–3; Job 42:8; 1 Sam 16:5; Ef 6:18 ### De satan voor Yahweh **1:6** Op een dag kwamen de zonen van Elohim zich voor Yahweh opstellen. Ook de satan kwam in hun midden. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | הַיּ֔וֹם (hayom) = op de dag | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en kwamen | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | לְהִתְיַצֵּ֖ב (lehityatsev) = om zich te stellen | עַל (al) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּב֥וֹא (vayavo) = en kwam | גַֽם (gam) = ook | הַשָּׂטָ֖ן (hasatan) = de satan | בְּתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הָאֱלֹהִים (bene ha’Elohim), ‘zonen van Elohim’, zijn hemelse wezens, zoals in Gen. 6:2 en Job 38:7. הַשָּׂטָן (hasatan), ‘de satan’, is letterlijk ‘de tegenstander’ of ‘de aanklager’, met lidwoord: een titel. In de latere Schrift is hij de satan zelf (Zach. 3:1–2; Openb. 12:9–10). Zie ook: Gen 6:2; Job 2:1; Job 38:7; 1 Kon 22:19; Zach 3:1; Openb 12:9–10 **1:7** Yahweh zei tegen de satan: **„Waar kom je vandaan?”** De satan antwoordde Yahweh: _„Ik trek rond over de aarde en loop daar heen en weer.”_ Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | הַשָּׂטָ֖ן (hasatan) = de satan | מֵאַ֣יִן (meayin) = vanwaar | תָּבֹ֑א (tavo) = kom je | וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | הַשָּׂטָ֤ן (hasatan) = de satan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en zei | מִשּׁ֣וּט (mishut) = van rondtrekken | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = over de aarde | וּמֵֽהִתְהַלֵּ֖ךְ (umehithalekh) = en van heen en weer lopen | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 2:2; Mat 12:43; 1 Petr 5:8; Openb 12:12–17; Openb 20:8 **1:8** Yahweh zei tegen de satan: **„Heb je aandacht gehad voor Mijn dienaar Job? Want er is niemand zoals hij op de aarde: een onberispelijk en oprecht man, die ontzag heeft voor Elohim en zich ver van het kwaad houdt.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | הַשָּׂטָ֔ן (hasatan) = de satan | הֲשַׂ֥מְתָּ (hasamta) = heb je gezet | לִבְּךָ֖ (libekha) = je hart | עַל (al) = op | עַבְדִּ֣י (avdi) = Mijn dienaar | אִיּ֑וֹב (iyov) = Job | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֤ין (ein) = er is niet | כָּמֹ֨הוּ֙ (kamohu) = zoals hij | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = op de aarde | אִ֣ישׁ (ish) = een man | תָּ֧ם (tam) = onberispelijk | וְיָשָׁ֛ר (veyashar) = en oprecht | יְרֵ֥א (yere) = ontzag hebbend voor | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וְסָ֥ר (vesar) = en wijkend | מֵרָֽע (mera) = van het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂמְתָּ לִבְּךָ (samta libbekha), letterlijk ‘heb je je hart gezet op’: heb je aandacht gehad voor. עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn dienaar’, is een eretitel (Num. 12:7). Zie ook: Job 1:1; Job 2:3; Num 12:7–8; Spr 8:13; 2 Kon 23:25 **1:9** De satan antwoordde Yahweh: _„Heeft Job soms voor niets ontzag voor Elohim?_ Brontekst: וַיַּ֧עַן (vayaan) = en antwoordde | הַשָּׂטָ֛ן (hasatan) = de satan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | הַֽחִנָּ֔ם (hachinam) = voor niets? | יָרֵ֥א (yare) = heeft ontzag | אִיּ֖וֹב (iyov) = Job | אֱלֹהִֽים (Elohim) = voor Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:21; Job 21:14–15; Mat 16:26; 1 Tim 4:8; 1 Tim 6:6 **1:10** _Hebt U niet een omheining gezet rond hem, rond zijn huis en rond alles wat hij heeft? Het werk van zijn handen hebt U gezegend, en zijn vee heeft zich over het land verspreid._ Brontekst: הֲלֹֽא (halo) = niet? | אַ֠תָּה (ata) = U | שַׂ֣כְתָּ (sakhta) = hebt omheind | בַעֲד֧וֹ (baado) = rondom hem | וּבְעַד (uvead) = en rondom | בֵּית֛וֹ (beito) = zijn huis | וּבְעַ֥ד (uvead) = en rondom | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֖וֹ (lo) = van hem | מִסָּבִ֑יב (misaviv) = overal | מַעֲשֵׂ֤ה (maase) = het werk van | יָדָיו֙ (yadav) = zijn handen | בֵּרַ֔כְתָּ (berakhta) = hebt U gezegend | וּמִקְנֵ֖הוּ (umiqnehu) = en zijn vee | פָּרַ֥ץ (parats) = breekt uit | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂכְתָּ (sakta), ‘U hebt omheind’, komt van een woord voor ‘een heg of omheining zetten’: een beschermende muur van doornen. Zie ook: Deut 28:2–6; Ps 34:8; Spr 10:22; Zach 2:9; 1 Petr 1:5 **1:11** _Maar steek Uw hand uit en raak alles aan wat hij heeft. Dan zal hij U zeker vervloeken, recht in Uw gezicht.”_ Brontekst: וְאוּלָם֙ (veulam) = maar | שְֽׁלַֽח (shelach) = steek uit | נָ֣א (na) = toch | יָֽדְךָ֔ (yadekha) = Uw hand | וְגַ֖ע (vega) = en raak aan | בְּכָל (bekhal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֑וֹ (lo) = van hem | אִם (im) = indien | לֹ֥א (lo) = niet | עַל (al) = in | פָּנֶ֖יךָ (paneikha) = Uw gezicht | יְבָרֲכֶֽךָּ (yevarakheka) = zal hij U ‘zegenen’ Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 2:5; Job 19:21; Openb 16:9; Openb 16:11; Openb 16:21 **1:12** Yahweh zei tegen de satan: **„Zie, alles wat hij heeft, is in jouw hand. Alleen tegen hem zelf mag je je hand niet uitsteken.”** Daarna ging de satan weg uit de nabijheid van Yahweh. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | הַשָּׂטָ֗ן (hasatan) = de satan | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | כָל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לוֹ֙ (lo) = van hem | בְּיָדֶ֔ךָ (beyadekha) = in jouw hand | רַ֣ק (raq) = alleen | אֵלָ֔יו (elav) = tegen hem | אַל (al) = niet | תִּשְׁלַ֖ח (tishlach) = steek uit | יָדֶ֑ךָ (yadekha) = jouw hand | וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en ging weg | הַשָּׂטָ֔ן (hasatan) = de satan | מֵעִ֖ם (meim) = van bij | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh geeft de satan de macht over Jobs bezit, niet over Job zelf. Zie ook: Luc 22:31–32; Joh 3:35–36; Joh 19:11; 1 Kor 10:13; 2 Kor 12:7 ### De rampen komen **1:13** Op een dag waren Jobs zonen en dochters aan het eten en wijn aan het drinken, in het huis van hun oudste broer. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het gebeurde | הַיּ֑וֹם (hayom) = op de dag | וּבָנָ֨יו (uvanav) = en zijn zonen | וּבְנֹתָ֤יו (uvenotav) = en zijn dochters | אֹֽכְלִים֙ (okhelim) = aten | וְשֹׁתִ֣ים (veshotim) = en dronken | יַ֔יִן (yayin) = wijn | בְּבֵ֖ית (beveit) = in het huis van | אֲחִיהֶ֥ם (achihem) = hun broer | הַבְּכֽוֹר (habekhor) = de oudste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 27:1; Pred 9:12; Luc 12:19–20; Luc 17:27–29; Luc 21:34 **1:14** Toen kwam er een bode bij Job. Hij zei: „De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen graasden ernaast. Brontekst: וּמַלְאָ֛ךְ (umalakh) = en een bode | בָּ֥א (ba) = kwam | אֶל (el) = naar | אִיּ֖וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | הַבָּקָר֙ (habaqar) = de runderen | הָי֣וּ (hayu) = waren | חֹֽרְשׁ֔וֹת (choreshot) = aan het ploegen | וְהָאֲתֹנ֖וֹת (vehaatonot) = en de ezelinnen | רֹע֥וֹת (root) = graasden | עַל (al) = naast | יְדֵיהֶֽם (yedeihem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 4:17; 2 Sam 15:13; Jer 51:31 **1:15** Toen viel Sjeba aan en nam ze mee. De jongens hebben ze met het zwaard gedood. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen.” Brontekst: וַתִּפֹּ֤ל (vatipol) = en viel aan | שְׁבָא֙ (sheva) = Sjeba | וַתִּקָּחֵ֔ם (vatiqachem) = en nam ze | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַנְּעָרִ֖ים (hanearim) = de jongens | הִכּ֣וּ (hiku) = sloegen ze | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | וָֽאִמָּ֨לְטָ֧ה (vaimaleta) = en ik ben ontkomen | רַק (raq) = alleen | אֲנִ֛י (ani) = ik | לְבַדִּ֖י (levadi) = alleen | לְהַגִּ֥יד (lehagid) = om te vertellen | לָֽךְ (lakh) = aan u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sjeba (שְׁבָא, Sheva): een volk in het zuidwesten van Arabië (het huidige Jemen), bekend van handel in wierook en specerijen (1 Kon. 10:1–2). Hier zijn het roversbenden die van daar kwamen. Voetnoot Uitleg: נְעָרִים (ne’arim), ‘jongens’: jonge mannen in dienst, knechten. Zie ook: Gen 10:7; Gen 10:28; Job 6:19; 1 Kon 10:1–2; Joël 4:8; Jes 45:14 **1:16** Terwijl hij nog sprak, kwam er een ander. Die zei: „Een vuur van Elohim is uit de hemel gevallen. Het heeft de schapen en geiten en de jongens in brand gestoken en verteerd. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen.” Brontekst: ע֣וֹד (od) = nog | זֶ֣ה (ze) = deze | מְדַבֵּ֗ר (medaber) = sprak | וְזֶה֮ (veze) = en deze | בָּ֣א (ba) = kwam | וַיֹּאמַר֒ (vayomar) = en zei | אֵ֣שׁ (esh) = vuur van | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | נָֽפְלָה֙ (nafela) = is gevallen | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַתִּבְעַ֥ר (vativar) = en het brandde | בַּצֹּ֛אן (batson) = onder de schapen en geiten | וּבַנְּעָרִ֖ים (uvanearim) = en onder de jongens | וַתֹּאכְלֵ֑ם (vatokhlem) = en het verteerde ze | וָאִמָּ֨לְטָ֧ה (vaimaleta) = en ik ben ontkomen | רַק (raq) = alleen | אֲנִ֛י (ani) = ik | לְבַדִּ֖י (levadi) = alleen | לְהַגִּ֥יד (lehagid) = om te vertellen | לָֽךְ (lakh) = aan u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵשׁ אֱלֹהִים (esh Elohim), ‘vuur van Elohim’: letterlijk zo gezegd; het kan bliksem zijn. Zie 1 Kon. 18:38. Zie ook: Gen 19:24; Lev 9:24; Lev 10:2; 1 Kon 18:38; 2 Kon 1:12 **1:17** Terwijl hij nog sprak, kwam er weer een ander. Die zei: „De Chaldeeën hebben zich in drie groepen opgesteld en de kamelen overvallen. Ze hebben ze meegenomen en de jongens met het zwaard gedood. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen.” Brontekst: ע֣וֹד (od) = nog | זֶ֣ה (ze) = deze | מְדַבֵּ֗ר (medaber) = sprak | וְזֶה֮ (veze) = en deze | בָּ֣א (ba) = kwam | וַיֹּאמַר֒ (vayomar) = en zei | כַּשְׂדִּ֞ים (kasdim) = Chaldeeën | שָׂ֣מוּ (samu) = stelden op | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | רָאשִׁ֗ים (rashim) = groepen | וַֽיִּפְשְׁט֤וּ (vayifshetu) = en overvielen | עַל (al) = op | הַגְּמַלִּים֙ (hagemalim) = de kamelen | וַיִּקָּח֔וּם (vayiqachum) = en namen ze | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַנְּעָרִ֖ים (hanearim) = de jongens | הִכּ֣וּ (hiku) = sloegen ze | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | וָאִמָּ֨לְטָ֧ה (vaimaleta) = en ik ben ontkomen | רַק (raq) = alleen | אֲנִ֛י (ani) = ik | לְבַדִּ֖י (levadi) = alleen | לְהַגִּ֥יד (lehagid) = om te vertellen | לָֽךְ (lakh) = aan u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Chaldeeën (כַּשְׂדִּים, Kasdim) waren hier rondtrekkende roversbenden uit het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: שְׁלֹשָׁה רָאשִׁים (sheloshah rashim), ‘drie hoofden’, zijn drie groepen aanvallers. Zie ook: Gen 11:28; Gen 11:31; Job 1:15; Jes 23:13; Hab 1:6 **1:18** Terwijl hij nog sprak, kwam er weer een ander. Die zei: „Uw zonen en dochters waren aan het eten en wijn aan het drinken, in het huis van hun oudste broer. Brontekst: עַ֚ד (ad) = tot | זֶ֣ה (ze) = deze | מְדַבֵּ֔ר (medaber) = sprak | וְזֶ֖ה (veze) = en deze | בָּ֣א (ba) = kwam | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | בָּנֶ֨יךָ (baneikha) = uw zonen | וּבְנוֹתֶ֤יךָ (uvenoteikha) = en uw dochters | אֹֽכְלִים֙ (okhelim) = aten | וְשֹׁתִ֣ים (veshotim) = en dronken | יַ֔יִן (yayin) = wijn | בְּבֵ֖ית (beveit) = in het huis van | אֲחִיהֶ֥ם (achihem) = hun broer | הַבְּכֽוֹר (habekhor) = de oudste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:4; Job 1:13; Ps 34:20; Pred 9:2; Klaagl 1:12 **1:19** En zie, er kwam een grote wind van de overkant van de woestijn. Hij greep het huis bij de vier hoeken, en het stortte in op de jongeren. Ze zijn dood. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen.” Brontekst: וְהִנֵּה֩ (vehine) = en zie | ר֨וּחַ (ruach) = een wind | גְּדוֹלָ֜ה (gedola) = grote | בָּ֣אָה (baa) = kwam | מֵעֵ֣בֶר (meever) = van de overkant van | הַמִּדְבָּ֗ר (hamidbar) = de woestijn | וַיִּגַּע֙ (vayiga) = en raakte | בְּאַרְבַּע֙ (bearba) = de vier | פִּנּ֣וֹת (pinot) = hoeken van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en het viel | עַל (al) = op | הַנְּעָרִ֖ים (hanearim) = de jongeren | וַיָּמ֑וּתוּ (vayamutu) = en zij stierven | וָאִמָּ֨לְטָ֧ה (vaimaleta) = en ik ben ontkomen | רַק (raq) = alleen | אֲנִ֛י (ani) = ik | לְבַדִּ֖י (levadi) = alleen | לְהַגִּ֥יד (lehagid) = om te vertellen | לָֽךְ (lakh) = aan u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het huis stortte in doordat de wind de vier hoeken van het huis tegelijk greep. De ‘jongeren’ zijn hier Jobs zonen en dochters (vers 18). Zie ook: Gen 37:32–33; Gen 42:36; Re 16:30; 2 Sam 19:1; Ef 2:2 ### Job rouwt en aanbidt **1:20** Toen stond Job op. Hij scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd kaal. Hij viel op de grond en boog zich diep neer. Brontekst: וַיָּ֤קָם (vayaqam) = en stond op | אִיּוֹב֙ (iyov) = Job | וַיִּקְרַ֣ע (vayiqra) = en scheurde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מְעִל֔וֹ (meilo) = zijn mantel | וַיָּ֖גָז (vayagaz) = en schoor af | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רֹאשׁ֑וֹ (rosho) = zijn hoofd | וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en viel | אַ֖רְצָה (artsa) = naar de grond | וַיִּשְׁתָּֽחוּ (vayishtachu) = en boog zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het scheuren van kleren en het scheren van het hoofd zijn tekens van rouw. Zie ook: Gen 37:29; Gen 37:34; 2 Sam 12:16–20; Ezra 9:3; 1 Petr 5:6 **1:21** Hij zei: „Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. Yahweh heeft gegeven en Yahweh heeft genomen. Gezegend zij de naam van Yahweh.” Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | עָרֹ֨ם (arom) = naakt | יָצָ֜אתִי (yatsati) = ben ik gekomen | מִבֶּ֣טֶן (mibeten) = uit de buik van | אִמִּ֗י (imi) = mijn moeder | וְעָרֹם֙ (vearom) = en naakt | אָשׁ֣וּב (ashuv) = zal ik terugkeren | שָׁ֔מָה (shama) = daarheen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | נָתַ֔ן (natan) = gaf | וַיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | לָקָ֑ח (laqach) = nam | יְהִ֛י (yehi) = moge zijn | שֵׁ֥ם (shem) = de naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְבֹרָֽךְ (mevorakh) = gezegend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁמָּה (shammah), ‘daarheen’, is de aarde, de schoot waar de mens uit genomen is (Gen. 3:19; Ps. 139:15). Zie ook 1 Tim. 6:7. Zie ook: Gen 3:19; Job 2:10; Ps 139:15; Pred 5:14; Jak 1:17; 1 Tess 5:18; 1 Tim 6:7 **1:22** In dit alles zondigde Job niet. Hij zei niets ongepasts over Elohim. Brontekst: בְּכָל (bekhal) = in alles | זֹ֖את (zot) = dit | לֹא (lo) = niet | חָטָ֣א (chata) = zondigde | אִיּ֑וֹב (iyov) = Job | וְלֹא (velo) = en niet | נָתַ֥ן (natan) = gaf | תִּפְלָ֖ה (tifla) = iets ongepasts | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = aan Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפְלָה (tifla) is letterlijk ‘iets smaakloos’, ‘iets ongepasts’. Sommigen lezen: ‘hij legde Elohim niets ten laste’. Zie ook: Job 2:10; Jak 1:4; Jak 1:12; Rom 9:20; 1 Petr 1:7 ## Job 2 _Job wordt geslagen; de drie vrienden_ ### De satan opnieuw voor Yahweh **2:1** Op een dag kwamen de zonen van Elohim weer zich voor Yahweh opstellen. Ook de satan kwam in hun midden om zich voor Yahweh op te stellen. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | הַיּ֔וֹם (hayom) = op de dag | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en kwamen | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | לְהִתְיַצֵּ֖ב (lehityatsev) = om zich te stellen | עַל (al) = voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּב֤וֹא (vayavo) = en kwam | גַֽם (gam) = ook | הַשָּׂטָן֙ (hasatan) = de satan | בְּתֹכָ֔ם (betokham) = in hun midden | לְהִתְיַצֵּ֖ב (lehityatsev) = om zich te stellen | עַל (al) = voor | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:6; Jes 6:1–2; Luc 1:19; Heb 1:14 **2:2** Yahweh zei tegen de satan: **„Waar kom je vandaan?”** De satan antwoordde Yahweh: _„Ik trek rond over de aarde en loop daar heen en weer.”_ Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | הַשָּׂטָ֔ן (hasatan) = de satan | אֵ֥י (ei) = waar | מִזֶּ֖ה (mize) = vandaan | תָּבֹ֑א (tavo) = kom je | וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | הַשָּׂטָ֤ן (hasatan) = de satan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en zei | מִשֻּׁ֣ט (mishut) = van rondtrekken | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = over de aarde | וּמֵהִתְהַלֵּ֖ךְ (umehithalekh) = en van heen en weer lopen | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:8; Job 1:7; Joh 14:30; 2 Kor 4:4; 1 Petr 5:8 **2:3** Yahweh zei tegen de satan: **„Heb je aandacht gehad voor Mijn dienaar Job? Want er is niemand zoals hij op de aarde: een onberispelijk en oprecht man, die ontzag heeft voor Elohim en zich ver van het kwaad houdt. Hij houdt nog steeds vast aan zijn onberispelijkheid, terwijl jij Mij tegen hem ophitste om hem zonder reden te verslinden.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | הַשָּׂטָ֗ן (hasatan) = de satan | הֲשַׂ֣מְתָּ (hasamta) = heb je gezet | לִבְּךָ֮ (libekha) = je hart | אֶל (el) = op | עַבְדִּ֣י (avdi) = Mijn dienaar | אִיּוֹב֒ (iyov) = Job | כִּי֩ (ki) = want | אֵ֨ין (ein) = er is niet | כָּמֹ֜הוּ (kamohu) = zoals hij | בָּאָ֗רֶץ (baarets) = op de aarde | אִ֣ישׁ (ish) = een man | תָּ֧ם (tam) = onberispelijk | וְיָשָׁ֛ר (veyashar) = en oprecht | יְרֵ֥א (yere) = ontzag hebbend voor | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וְסָ֣ר (vesar) = en wijkend | מֵרָ֑ע (mera) = van het kwaad | וְעֹדֶ֨נּוּ֙ (veodenu) = en nog | מַחֲזִ֣יק (machaziq) = vasthoudend | בְּתֻמָּת֔וֹ (betumato) = aan zijn onberispelijkheid | וַתְּסִיתֵ֥נִי (vatesiteni) = en je hitste Mij op | ב֖וֹ (bo) = tegen hem | לְבַלְּע֥וֹ (levaleo) = om hem te verslinden | חִנָּֽם (chinam) = zonder reden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִנָּם (chinnam), ‘zonder reden’: Yahweh zegt dat Job zonder reden is getroffen. Yahweh noemt hier de satan als degene die Hem ophitste; het lijden van Job komt niet voort uit zijn eigen schuld. Zie ook: Job 1:8; Job 9:17; Job 27:5–6; Spr 16:17; Jak 1:12 **2:4** De satan antwoordde Yahweh: _„Huid voor huid! Alles wat een mens heeft, geeft hij voor zijn leven._ Brontekst: וַיַּ֧עַן (vayaan) = en antwoordde | הַשָּׂטָ֛ן (hasatan) = de satan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | ע֣וֹר (or) = huid | בְּעַד (bead) = voor | ע֗וֹר (or) = huid | וְכֹל֙ (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לָאִ֔ישׁ (laish) = van de man | יִתֵּ֖ן (yiten) = geeft hij | בְּעַ֥ד (bead) = voor | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹר בְּעַד עוֹר (or be’ad or), ‘huid voor huid’, is een spreekwoord. De bedoeling is waarschijnlijk: een mens geeft alles op om zijn leven te redden, zoals je een huid ruilt voor een huid. Daarom reikt de proef pas echt als Jobs eigen lichaam wordt aangetast. Zie ook: Jer 41:8; Est 7:3–4; Mat 6:25; Mat 16:26; Fil 3:8–10 **2:5** _Steek Uw hand maar uit en raak zijn botten en zijn vlees aan. Dan zal hij U zeker vervloeken, recht in Uw gezicht.”_ Brontekst: אוּלָם֙ (ulam) = maar | שְֽׁלַֽח (shelach) = steek uit | נָ֣א (na) = toch | יָֽדְךָ֔ (yadekha) = Uw hand | וְגַ֥ע (vega) = en raak aan | אֶל (el) = tot | עַצְמ֖וֹ (atsmo) = zijn beenderen | וְאֶל (veel) = en tot | בְּשָׂר֑וֹ (besaro) = zijn vlees | אִם (im) = indien | לֹ֥א (lo) = niet | אֶל (el) = in | פָּנֶ֖יךָ (paneikha) = Uw gezicht | יְבָרֲכֶֽךָּ (yevarakheka) = zal hij U ‘zegenen’ Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:5; Job 1:11; Job 19:20–21; Lev 24:15; Ps 39:11 **2:6** Yahweh zei tegen de satan: **„Zie, hij is in jouw hand. Alleen zijn leven moet je sparen.”** Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | הַשָּׂטָ֖ן (hasatan) = de satan | הִנּ֣וֹ (hino) = zie hem | בְיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in jouw hand | אַ֖ךְ (akh) = alleen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נַפְשׁ֥וֹ (nafsho) = zijn leven | שְׁמֹֽר (shemor) = bewaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:12; Job 38:10–11; Luc 22:31–32; 1 Kor 10:13; Openb 2:10 ### Job wordt geslagen met zweren **2:7** Daarop ging de satan weg uit de nabijheid van Yahweh. Hij sloeg Job met pijnlijke zweren, van de voetzool tot de kruin. Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en ging uit | הַשָּׂטָ֔ן (hasatan) = de satan | מֵאֵ֖ת (meet) = van bij | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּ֤ךְ (vayakh) = en sloeg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אִיּוֹב֙ (iyov) = Job | בִּשְׁחִ֣ין (bishchin) = met zweren | רָ֔ע (ra) = boze | מִכַּ֥ף (mikaf) = van de voetzool | רַגְל֖וֹ (raglo) = zijn voet | וְעַ֥ד (vead) = tot | קָדְקֳדֽוֹ (qadeqodo) = zijn kruin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁחִין רָע (shechin ra), ‘boze zweer’: dezelfde aandoening die in Deut. 28:35 als straf wordt genoemd. De aard van de ziekte is onzeker. Zie ook: Job 7:5; Job 30:30; Deut 28:27; Deut 28:35; Jes 1:6 **2:8** Job nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij midden in de as zat. Brontekst: וַיִּֽקַּֽח (vayiqach) = en nam | ל֣וֹ (lo) = zich | חֶ֔רֶשׂ (cheres) = een potscherf | לְהִתְגָּרֵ֖ד (lehitgared) = om zich te krabben | בּ֑וֹ (bo) = ermee | וְה֖וּא (vehu) = en hij | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = zat | בְּתוֹךְ (betokh) = te midden van | הָאֵֽפֶר (haefer) = de as Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:6; Jona 3:6; Ezech 27:30; Mat 11:21; Luc 16:20–21 **2:9** Zijn vrouw zei tegen hem: „Houd je nog steeds vast aan je onberispelijkheid? Vervloek Elohim en sterf!” Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en zei | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | עֹדְךָ֖ (odekha) = nog | מַחֲזִ֣יק (machaziq) = vasthoudend | בְּתֻמָּתֶ֑ךָ (betumatekha) = aan je onberispelijkheid | בָּרֵ֥ךְ (barekh) = ‘zegen’ | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וָמֻֽת (vamut) = en sterf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרֵךְ (barekh), ‘zegen’, staat hier voor het tegendeel: ‘vervloek’, zoals in 1:5 en 1:11. Zie ook: Job 2:3; Job 2:5; Job 21:14–15; 2 Kon 6:33; Mal 3:14 **2:10** Hij zei tegen haar: „Je spreekt als een van de dwaze vrouwen. Het goede nemen we aan van Elohim, en het kwade zouden we niet aannemen?” In dit alles zondigde Job niet met zijn lippen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלֶ֗יהָ (eleiha) = tegen haar | כְּדַבֵּ֞ר (kedaber) = zoals het spreken van | אַחַ֤ת (achat) = een van | הַנְּבָלוֹת֙ (hanevalot) = de dwaze vrouwen | תְּדַבֵּ֔רִי (tedaberi) = spreek je | גַּ֣ם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַטּ֗וֹב (hatov) = het goede | נְקַבֵּל֙ (neqabel) = nemen we aan | מֵאֵ֣ת (meet) = van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָרָ֖ע (hara) = het kwade | לֹ֣א (lo) = niet | נְקַבֵּ֑ל (neqabel) = nemen we aan | בְּכָל (bekhal) = in | זֹ֛את (zot) = dit alles | לֹא (lo) = niet | חָטָ֥א (chata) = zondigde | אִיּ֖וֹב (iyov) = Job | בִּשְׂפָתָֽיו (bisfatav) = met zijn lippen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּבָלוֹת (hanevalot) komt van נָבָל (naval), ‘dwaas, gewetenloos’. Job noemt zijn vrouw niet dwaas, maar zegt dat ze spreekt als zulke vrouwen. Zie ook: Job 1:21–22; Klaagl 3:38–41; Jak 1:12; Jak 5:10–11; Rom 12:12 ### De drie vrienden komen **2:11** Drie vrienden van Job hoorden van al dit kwaad dat hem was overkomen. Ze kwamen ieder uit hun eigen plaats: Elifaz uit Teman, Bildad uit Sjuach en Zofar uit Naäma. Ze spraken met elkaar af om samen naar hem toe te gaan, om hem te beklagen en te troosten. Brontekst: וַֽיִּשְׁמְע֞וּ (vayishmeu) = en hoorden | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | רֵעֵ֣י (reei) = vrienden van | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | אֵ֣ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֣ה (haraa) = het kwaad | הַזֹּאת֮ (hazot) = dit | הַבָּ֣אָה (habaa) = dat kwam | עָלָיו֒ (alav) = over hem | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en kwamen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | מִמְּקֹמ֔וֹ (mimeqomo) = uit zijn plaats | אֱלִיפַ֤ז (elifaz) = Elifaz | הַתֵּימָנִי֙ (hateimani) = de Temaniet | וּבִלְדַּ֣ד (uvildad) = en Bildad | הַשּׁוּחִ֔י (hashuchi) = de Sjuchiet | וְצוֹפַ֖ר (vetsofar) = en Zofar | הַנַּֽעֲמָתִ֑י (hanaamati) = de Naämatiet | וַיִּוָּעֲד֣וּ (vayivaadu) = en spraken af | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | לָב֥וֹא (lavo) = om te komen | לָנֽוּד (lanud) = om te beklagen | ל֖וֹ (lo) = hem | וּֽלְנַחֲמֽוֹ (ulenachamo) = en om te troosten hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Teman (תֵּימָן): in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee (Jer. 49:7; Amos 1:12). Sjuach (שׁוּחַ) wordt in Gen. 25:2 genoemd als zoon van Abraham en Ketura; de ligging is onzeker, waarschijnlijk in het oosten. Naäma (נַעֲמָה): de ligging is onbekend. Zie ook: Gen 25:2; Job 6:14; Job 42:11; Spr 17:17; Amos 1:12; Jer 49:7; Rom 12:15 **2:12** Toen ze van een afstand hun ogen opsloegen, herkenden ze hem niet. Ze barstten uit in luid gehuil. Ieder scheurde zijn mantel, en ze strooiden stof naar de hemel boven hun hoofd. Brontekst: וַיִּשְׂא֨וּ (vayisu) = en sloegen op | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵינֵיהֶ֤ם (eineihem) = hun ogen | מֵרָחוֹק֙ (merachoq) = van veraf | וְלֹ֣א (velo) = en niet | הִכִּירֻ֔הוּ (hikiruhu) = herkenden hem | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en verhieven | קוֹלָ֖ם (qolam) = hun stem | וַיִּבְכּ֑וּ (vayivku) = en weenden | וַֽיִּקְרְעוּ֙ (vayiqreu) = en scheurden | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | מְעִל֔וֹ (meilo) = zijn mantel | וַיִּזְרְק֥וּ (vayizrequ) = en strooiden | עָפָ֛ר (afar) = stof | עַל (al) = op | רָאשֵׁיהֶ֖ם (rasheihem) = hun hoofden | הַשָּׁמָֽיְמָה (hashamayema) = hemelwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het scheuren van het kleed en het strooien van stof op het hoofd zijn tekens van diepe rouw. Zie ook: Job 1:20; Joz 7:6; Klaagl 2:10; Ezech 27:30; Neh 9:1 **2:13** Ze zaten zeven dagen en zeven nachten met hem op de grond. Niemand zei een woord tegen hem, want ze zagen dat zijn pijn zeer groot was. Brontekst: וַיֵּשְׁב֤וּ (vayeshevu) = en zaten | אִתּוֹ֙ (ito) = met hem | לָאָ֔רֶץ (laarets) = op de grond | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | וְשִׁבְעַ֣ת (veshivat) = en zeven | לֵיל֑וֹת (leilot) = nachten | וְאֵין (veein) = en niet | דֹּבֵ֤ר (dover) = iemand | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | דָּבָ֔ר (davar) = een woord | כִּ֣י (ki) = want | רָא֔וּ (rau) = zagen | כִּֽי (ki) = dat | גָדַ֥ל (gadal) = groot was | הַכְּאֵ֖ב (hakeev) = de pijn | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zeven dagen en nachten zwijgen: een gebruikelijke rouwtijd (Gen. 50:10; 1 Sam. 31:13). Pas met hoofdstuk 3 begint het spreken. Zie ook: Gen 50:10; 1 Sam 31:13; Jes 3:26; Ezech 3:15; Ezra 9:3; Neh 1:4 ## Job 3 _Job vervloekt de dag van zijn geboorte_ ### Job vervloekt de dag van zijn geboorte **3:1** Daarna deed Job zijn mond open en vervloekte de dag waarop hij geboren was. Brontekst: אַחֲרֵי (acharei) = daarna | כֵ֗ן (ken) = zo | פָּתַ֤ח (patach) = opende | אִיּוֹב֙ (iyov) = Job | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פִּ֔יהוּ (pihu) = zijn mond | וַיְקַלֵּ֖ל (vayqalel) = en vervloekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹמֽוֹ (yomo) = zijn dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job vervloekt niet Elohim, maar de dag van zijn geboorte. Daarmee houdt hij zich aan wat hij in 1:21–22 en 2:10 volhield. Met hoofdstuk 3 begint het dichterlijke deel van het boek, dat doorloopt tot 42:6. Zie ook: Job 3:3; Job 35:16; Ps 39:3–4; Ps 106:33; Jer 20:14–15 **3:2** Job nam het woord en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 18:14 **3:3** „Ga verloren, de dag waarop ik geboren ben, en de nacht die zei: ‘Er is een jongen verwekt!’ Brontekst: יֹ֣אבַד (yovad) = ga verloren | י֭וֹם (yom) = de dag | אִוָּ֣לֶד (ivaled) = ik werd geboren | בּ֑וֹ (bo) = daarin | וְהַלַּ֥יְלָה (vehalayla) = en de nacht | אָ֝מַ֗ר (amar) = zei | הֹ֣רָה (hora) = is ontvangen | גָֽבֶר (gaver) = een jongen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:18–19; Jer 15:10; Jer 20:14–18 **3:4** Die dag moge duisternis zijn. Moge Eloah daarboven niet naar hem vragen en geen licht erover schijnen. Brontekst: הַיּ֥וֹם (hayom) = die dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יְֽהִ֫י (yehi) = zij | חֹ֥שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | אַֽל (al) = niet | יִדְרְשֵׁ֣הוּ (yidreshehu) = vrage naar hem | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | מִמָּ֑עַל (mimaal) = van boven | וְאַל (veal) = en niet | תּוֹפַ֖ע (tofa) = schijne | עָלָ֣יו (alav) = op hem | נְהָרָֽה (nehara) = licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלוֹהַּ (Eloah) is een enkelvoudige vorm naast het gewone אֱלֹהִים (Elohim). In Job komt hij vaak voor. Zie ook: Ex 10:22–23; Joël 2:2; Mat 27:45; Hand 27:20; Openb 16:10 **3:5** Mogen duisternis en diepe schaduw hem opeisen. Moge een wolk op hem blijven rusten en mogen de verduisteringen van de dag hem schrik aanjagen. Brontekst: יִגְאָלֻ֡הוּ (yigaluhu) = laten opeisen hem | חֹ֣שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וְ֭צַלְמָוֶת (vetsalmavet) = en diepe schaduw | תִּשְׁכָּן (tishkan) = laat wonen | עָלָ֣יו (alav) = op hem | עֲנָנָ֑ה (anana) = een wolk | יְ֝בַעֲתֻ֗הוּ (yevaatuhu) = laten schrikken hem | כִּֽמְרִ֥ירֵי (kimrirei) = verduisteringen van | יֽוֹם (yom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’, wordt door de Masoretische klinkers gelezen als ‘schaduw van de dood’ (tsal-mavet). Veel uitleggers lezen het als tsalmut, ‘diepe duisternis’. Beide lezingen passen bij het beeld. Zie ook: Job 10:21–22; Job 28:3; Ps 23:4; Ps 107:10; Jer 2:6 **3:6** Die nacht: moge dikke duisternis hem grijpen. Moge hij zich niet voegen bij de dagen van het jaar en niet komen in het getal van de maanden. Brontekst: הַלַּ֥יְלָה (halayla) = die nacht | הַהוּא֮ (hahu) = die | יִקָּחֵ֪ה֫וּ (yiqachehu) = grijpe hem | אֹ֥פֶל (ofel) = dikke duisternis | אַל (al) = niet | יִ֭חַדְּ (yichad) = voege zich | בִּימֵ֣י (bimei) = bij de dagen van | שָׁנָ֑ה (shana) = het jaar | בְּמִסְפַּ֥ר (bemispar) = in het getal van | יְ֝רָחִ֗ים (yerachim) = maanden | אַל (al) = niet | יָבֹֽא (yavo) = kome Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יִחַד (yichad) kan komen van חָדָה (chadah), ‘zich verheugen’ (‘moge hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar’), of van יָחַד (yachad), ‘zich verenigen’. Wij kiezen de tweede: de nacht hoort niet meer bij de kalender. **3:7** Zie, die nacht moge onvruchtbaar zijn en geen gejuich moge erin klinken. Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הַלַּ֣יְלָה (halayla) = die nacht | הַ֭הוּא (hahu) = die | יְהִ֣י (yehi) = zij | גַלְמ֑וּד (galmud) = onvruchtbaar | אַל (al) = niet | תָּבֹ֖א (tavo) = kome | רְנָנָ֣ה (renana) = gejuich | בֽוֹ (bo) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 13:20–22; Jes 24:8; Jer 7:34; Openb 18:22–23 **3:8** Mogen zij die de dag vervloeken hem vervloeken, zij die bekwaam zijn om Leviatan wakker te maken. Brontekst: יִקְּבֻ֥הוּ (yiqevuhu) = laten vervloeken hem | אֹרְרֵי (orerei) = vervloekers van | י֑וֹם (yom) = dag | הָ֝עֲתִידִ֗ים (haatidim) = de bekwamen | עֹרֵ֥ר (orer) = om op te wekken | לִוְיָתָֽן (livyatan) = Leviatan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִוְיָתָן (livyatan), Leviatan, is een zeemonster dat de chaos voorstelt (Job 41; Ps. 74:14; Jes. 27:1). Wie dag en nacht kan vervloeken, zou ook dit wezen kunnen wakker maken. Zie ook: Job 40:25; Job 41:2; Ps 74:14; 2 Kron 35:25; Jes 27:1; Mat 11:17; Mar 5:38 **3:9** Mogen de sterren van zijn schemering donker worden. Moge hij op licht hopen en niets krijgen, en de oogleden van de dageraad niet zien. Brontekst: יֶחְשְׁכוּ֮ (yechshekhu) = laten verduisteren | כּוֹכְבֵ֪י (kokhevei) = sterren van | נִ֫שְׁפּ֥וֹ (nishpo) = zijn schemering | יְקַו (yeqav) = hope | לְא֥וֹר (leor) = op licht | וָאַ֑יִן (vaayin) = en niets | וְאַל (veal) = en niet | יִ֝רְאֶ֗ה (yire) = zie | בְּעַפְעַפֵּי (beafapei) = de oogleden van | שָֽׁחַר (shachar) = dageraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 30:26; Job 41:10; Jer 8:15; Jer 13:16 **3:10** Want hij sloot de deuren van de schoot die mij droeg niet, en hij verborg de last niet voor mijn ogen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | סָ֭גַר (sagar) = sloot | דַּלְתֵ֣י (daltei) = deuren van | בִטְנִ֑י (bitni) = mijn buik | וַיַּסְתֵּ֥ר (vayaster) = en verborg | עָ֝מָ֗ל (amal) = moeite | מֵעֵינָֽי (meeinay) = voor mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:18; Job 6:2–3; Job 10:1; Pred 6:3–5; Jer 20:17 ### Waarom ben ik niet gestorven? **3:11** Waarom ben ik niet gestorven vanuit de moederschoot? Waarom ben ik niet omgekomen bij de geboorte? Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | לֹּ֣א (lo) = niet | מֵרֶ֣חֶם (merechem) = uit de moederschoot | אָמ֑וּת (amut) = stierf ik | מִבֶּ֖טֶן (mibeten) = uit de buik | יָצָ֣אתִי (yatsati) = kwam ik uit | וְאֶגְוָֽע (veegva) = en gaf de geest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:18–19; Ps 139:13–16; Hos 9:14; Jes 46:3; Jer 15:10 **3:12** Waarom kwamen er knieën om mij op te vangen? En waarom borsten, zodat ik kon zuigen? Brontekst: מַ֭דּוּעַ (madua) = waarom | קִדְּמ֣וּנִי (qidemuni) = kwamen mij tegemoet | בִרְכָּ֑יִם (birkayim) = knieën | וּמַה (uma) = en waarom | שָּׁ֝דַ֗יִם (shadayim) = borsten | כִּ֣י (ki) = dat | אִינָֽק (inaq) = ik zoog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘knieën’ zijn die van de vader of van de vroedvrouw, die de pasgeborene op de knieën nam (Gen. 50:23). Zie ook: Gen 30:3; Gen 50:23; Jes 66:12; Ezech 16:4–5 **3:13** Want nu zou ik liggen en rustig zijn. Ik zou slapen en dan rust hebben, Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עַ֭תָּה (ata) = nu | שָׁכַ֣בְתִּי (shakhavti) = zou ik liggen | וְאֶשְׁק֑וֹט (veeshqot) = en rustig zijn | יָ֝שַׁ֗נְתִּי (yashanti) = zou ik slapen | אָ֤ז (az) = dan | יָנ֬וּחַֽ (yanuach) = zou rust zijn | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:21; Job 14:10–12; Job 19:27; Job 21:13; Pred 9:10 **3:14** samen met koningen en raadsheren van de aarde, die ruïnes voor zichzelf hebben herbouwd, Brontekst: עִם (im) = met | מְ֭לָכִים (melakhim) = koningen | וְיֹ֣עֲצֵי (veyoatsei) = en raadsheren van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | הַבֹּנִ֖ים (habonim) = die bouwden | חֳרָב֣וֹת (choravot) = ruïnes | לָֽמוֹ (lamo) = voor zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרְבוֹת (chorvot) betekent ‘ruïnes’. Sommigen vertalen ‘grafmonumenten’ of ‘woestenijen’ die de koningen voor zichzelf lieten aanleggen. Zie ook: Job 15:28; Ps 49:15; Ps 89:49; Jes 14:10–16; Ezech 26:20 **3:15** of met vorsten die goud hadden, die hun huizen met zilver vulden. Brontekst: א֣וֹ (o) = of | עִם (im) = met | שָׂ֭רִים (sarim) = vorsten | זָהָ֣ב (zahav) = goud | לָהֶ֑ם (lahem) = hadden zij | הַֽמְמַלְאִ֖ים (hammalim) = die vulden | בָּתֵּיהֶ֣ם (bateihem) = hun huizen | כָּֽסֶף (kasef) = met zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:21; Job 22:25; Num 22:18; 1 Kon 10:27; Sef 1:18 **3:16** Of ik was er nooit geweest, als een verborgen misgeboorte, als kinderen die nooit licht hebben gezien. Brontekst: א֤וֹ (o) = of | כְנֵ֣פֶל (kenefel) = als een misgeboorte | טָ֭מוּן (tamun) = verborgen | לֹ֣א (lo) = niet | אֶהְיֶ֑ה (ehye) = zou ik zijn | כְּ֝עֹלְלִ֗ים (keolelim) = als kinderen | לֹא (lo) = niet | רָ֥אוּ (rau) = zagen | אֽוֹר (or) = licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 58:9; Pred 6:3; 1 Kor 15:8 **3:17** Daar houden de goddelozen op met razen, en daar rusten de uitgeputten. Brontekst: שָׁ֣ם (sham) = daar | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | חָ֣דְלוּ (chadelu) = houden op | רֹ֑גֶז (rogez) = met razen | וְשָׁ֥ם (vesham) = en daar | יָ֝נ֗וּחוּ (yanuchu) = rusten | יְגִ֣יעֵי (yegiei) = de uitgeputten van | כֹֽחַ (koach) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:16; Jes 57:1–2; Heb 4:9; Heb 4:11; Openb 14:13 **3:18** Samen leven de gevangenen daar zorgeloos. Ze horen de stem van de drijver niet. Brontekst: יַ֭חַד (yachad) = samen | אֲסִירִ֣ים (asirim) = gevangenen | שַׁאֲנָ֑נוּ (shaananu) = zijn zorgeloos | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁ֝מְע֗וּ (shameu) = horen | ק֣וֹל (qol) = stem van | נֹגֵֽשׂ (noges) = de drijver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 39:7; Ex 5:6–8; Ex 5:15–19; Re 4:3; Jes 14:3–4 **3:19** Klein en groot zijn daar gelijk, en de slaaf is vrij van zijn heer. Brontekst: קָטֹ֣ן (qaton) = klein | וְ֭גָדוֹל (vegadol) = en groot | שָׁ֣ם (sham) = daar | ה֑וּא (hu) = hij is | וְ֝עֶ֗בֶד (veeved) = en slaaf | חָפְשִׁ֥י (chafeshi) = vrij | מֵאֲדֹנָֽיו (meadonav) = van zijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 30:23; Ps 49:3; Pred 8:8; Pred 12:5; Pred 12:7 ### Waarom licht voor wie lijdt? **3:20** Waarom wordt licht gegeven aan wie lijdt, en leven aan wie bitter van ziel is, Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | יִתֵּ֣ן (yiten) = wordt gegeven | לְעָמֵ֣ל (leamel) = aan de ellendige | א֑וֹר (or) = licht | וְ֝חַיִּ֗ים (vechayim) = en leven | לְמָ֣רֵי (lemarei) = aan bitteren van | נָֽפֶשׁ (nafesh) = ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er staat geen onderwerp: ‘Waarom wordt gegeven …?’ Vers 23 laat zien dat Eloah bedoeld is. Zie ook: Job 6:9; Job 7:15–16; 1 Sam 1:10; Spr 31:6; Jer 20:18 **3:21** aan wie op de dood wachten, maar hij komt niet, die ernaar graven meer dan naar verborgen schatten, Brontekst: הַֽמְחַכִּ֣ים (hamchakim) = de wachtenden | לַמָּ֣וֶת (lamavet) = op de dood | וְאֵינֶ֑נּוּ (veeinenu) = maar niet is hij | וַֽ֝יַּחְפְּרֻ֗הוּ (vayachperuhu) = en graven ernaar | מִמַּטְמוֹנִֽים (mimatmonim) = meer dan naar verborgen schatten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 11:15; Spr 2:4; 1 Kon 19:4; Jona 4:8; Openb 9:6 **3:22** die jubelen van blijdschap, en vrolijk zijn als ze een graf vinden, Brontekst: הַשְּׂמֵחִ֥ים (hasemechim) = de jubelenden | אֱלֵי (elei) = tot | גִ֑יל (gil) = vreugde | יָ֝שִׂ֗ישׂוּ (yasisu) = zijn blij | כִּ֣י (ki) = als | יִמְצְאוּ (yimtseu) = zij vinden | קָֽבֶר (qaver) = een graf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **3:23** aan een man wiens weg verborgen is, en die Eloah van alle kanten heeft ingesloten? Brontekst: לְ֭גֶבֶר (legever) = voor de man | אֲשֶׁר (asher) = wiens | דַּרְכּ֣וֹ (darko) = zijn weg | נִסְתָּ֑רָה (nistara) = verborgen is | וַיָּ֖סֶךְ (vayasekh) = en heeft omheind | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | בַּעֲדֽוֹ (baado) = om hem heen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld van de omheining uit 1:10: wat de satan als bescherming noemde, voelt Job nu als gevangenschap. Zie ook: Job 12:14; Job 19:8; Ps 31:9; Jes 40:27; Klaagl 3:7 **3:24** Want mijn zucht komt in plaats van mijn brood, en mijn gebrul stroomt als water. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | לַ֭חְמִי (lachmi) = mijn brood | אַנְחָתִ֣י (anchati) = mijn zucht | תָבֹ֑א (tavo) = komt | וַֽיִּתְּכ֥וּ (vayitekhu) = en stromen | כַ֝מַּ֗יִם (kamayim) = als water | שַׁאֲגֹתָֽי (shaagotay) = mijn gebrul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 33:20; Ps 38:9; Ps 42:4–5; Ps 80:6; Ps 102:10 **3:25** Want wat ik vreesde, is mij overkomen, en waar ik bang voor was, is over mij gekomen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | פַ֣חַד (pachad) = een vrees | פָּ֭חַדְתִּי (pachadti) = vreesde ik | וַיֶּאֱתָיֵ֑נִי (vayeetayeni) = en het kwam mij | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | יָ֝גֹ֗רְתִּי (yagorti) = waar ik bang voor was | יָ֣בֹא (yavo) = komt | לִֽי (li) = over mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:5; Job 30:15; Job 31:23 **3:26** Ik heb geen rust, geen stilte en geen verademing, en toch komt de onrust.” Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | שָׁלַ֨וְתִּי (shalavti) = heb ik rust | וְלֹ֖א (velo) = en niet | שָׁקַ֥טְתִּי (shaqatti) = ben ik stil | וְֽלֹא (velo) = en niet | נָ֗חְתִּי (nachti) = heb ik verademing | וַיָּ֥בֹא (vayavo) = en kwam | רֹֽגֶז (rogez) = onrust Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:14; Job 27:9; Ps 143:11 ## Job 4 _Elifaz spreekt_ ### Elifaz spreekt **4:1** Elifaz uit Teman nam het woord en zei: Brontekst: וַ֭יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | אֱלִיפַ֥ז (elifaz) = Elifaz | הַֽתֵּימָנִ֗י (hateimani) = de Temaniet | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië). Voetnoot Uitleg: Elifaz uit Teman spreekt als eerste van de drie vrienden. Zijn gedachte, in de hele cyclus: wie onrecht zaait, maait onheil; dus Job moet iets verkeerd hebben gedaan. Zie ook: Job 3:1–2; Job 8:1; Job 15:1; Job 22:1; Job 42:9 **4:2** „Neem je het kwalijk als iemand een woord tot je waagt? Maar wie kan zijn woorden binnenhouden? Brontekst: הֲנִסָּ֬ה (hanisa) = heeft men gewaagd | דָבָ֣ר (davar) = een woord | אֵלֶ֣יךָ (eleikha) = tot jou | תִּלְאֶ֑ה (tile) = word je moe | וַעְצֹ֥ר (vatsor) = maar terughouden | בְּ֝מִלִּ֗ין (bemilin) = van woorden | מִ֣י (mi) = wie | יוּכָֽל (yukhal) = kan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲנִסָּה (hanissah), ‘heeft men gewaagd’: een voorzichtige opening. Elifaz vraagt of Job het kwalijk neemt als hij iets zegt. Zie ook: Job 32:18–20; Jer 6:11; Jer 20:9; Hand 4:20; 2 Kor 7:8–10 **4:3** Zie, jij hebt velen onderwezen en slappe handen sterk gemaakt. Brontekst: הִ֭נֵּה (hine) = zie | יִסַּ֣רְתָּ (yisarta) = jij onderwees | רַבִּ֑ים (rabim) = velen | וְיָדַ֖יִם (veyadayim) = en handen | רָפ֣וֹת (rafot) = slappe | תְּחַזֵּֽק (techazeq) = versterkte je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:5; Spr 10:21; Jes 35:3; Luc 22:32; Heb 12:12 **4:4** Wie struikelde, hielden je woorden overeind, en knikkende knieën gaf je kracht. Brontekst: כּ֭וֹשֵׁל (koshel) = struikelende | יְקִימ֣וּן (yeqimun) = richtten op | מִלֶּ֑יךָ (mileikha) = je woorden | וּבִרְכַּ֖יִם (uvirkayim) = en knieën | כֹּרְע֣וֹת (koreot) = knikkende | תְּאַמֵּֽץ (teamets) = maakte je sterk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 145:14; Spr 12:18; Jes 35:3–4; 1 Tess 5:14; Heb 12:12 **4:5** Maar nu het jou overkomt, word je moedeloos. Het raakt jou, en je schrikt. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עַתָּ֨ה (ata) = nu | תָּב֣וֹא (tavo) = komt het | אֵלֶ֣יךָ (eleikha) = tot jou | וַתֵּ֑לֶא (vatele) = en je wordt moe | תִּגַּ֥ע (tiga) = raakt het | עָ֝דֶ֗יךָ (adeikha) = aan jou | וַתִּבָּהֵֽל (vatibahel) = en je schrikt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:11; Job 3:25–26; Job 19:21; Spr 24:10; 2 Kor 4:16 **4:6** Is je ontzag niet je vertrouwen, en je onberispelijke levenswandel je hoop? Brontekst: הֲלֹ֣א (halo) = niet? | יִ֭רְאָתְךָ (yiratekha) = je ontzag | כִּסְלָתֶ֑ךָ (kislatekha) = je vertrouwen | תִּ֝קְוָתְךָ֗ (tiqvatekha) = je hoop | וְתֹ֣ם (vetom) = en de onberispelijkheid van | דְּרָכֶֽיךָ (derakheikha) = je wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְאָה (yirah), ‘ontzag’: het Hebreeuws noemt hier geen naam; bedoeld is ontzag voor Elohim (vergelijk 1:1). Elifaz haalt Jobs eigen vroomheid aan als reden voor vertrouwen, maar gebruikt dat om te zeggen dat Job zich zou moeten herstellen: wie rechtschapen is, komt er wel doorheen (vers 7). Zie ook: Job 1:1; Job 17:15; Job 23:11–12; Spr 3:26; Spr 14:26 **4:7** Bedenk toch: wie is er ooit onschuldig omgekomen? En waar zijn oprechte mensen ooit uitgeroeid? Brontekst: זְכָר (zekhar) = bedenk | נָ֗א (na) = toch | מִ֤י (mi) = wie | ה֣וּא (hu) = hij | נָקִ֣י (naqi) = onschuldig | אָבָ֑ד (avad) = kwam om | וְ֝אֵיפֹ֗ה (veeifo) = en waar | יְשָׁרִ֥ים (yesharim) = oprechten | נִכְחָֽדוּ (nikhchadu) = zijn uitgeroeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de leer van vergelding die de vrienden vasthouden: onschuldigen gaan niet ten onder. Het boek laat zien dat dit in Jobs geval niet klopt (1:8; 2:3). Zie ook: Job 8:20; Job 36:7; Ps 37:25; Hand 28:4; 2 Petr 2:9 **4:8** Zoals ik het heb gezien: zij die onrecht ploegen en moeite zaaien, maaien dat ook. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | רָ֭אִיתִי (raiti) = ik zag | חֹ֣רְשֵׁי (choreshei) = ploegers van | אָ֑וֶן (aven) = onrecht | וְזֹרְעֵ֖י (vezoreei) = en zaaiers van | עָמָ֣ל (amal) = moeite | יִקְצְרֻֽהוּ (yiqtseruhu) = maaien het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:35; Spr 22:8; Hos 8:7; Gal 6:7–8; 2 Kor 9:6 **4:9** Door de adem van Eloah komen ze om, door de wind van Zijn toorn gaan ze ten onder. Brontekst: מִנִּשְׁמַ֣ת (minishmat) = door de adem van | אֱל֣וֹהַ (eloha) = Eloah | יֹאבֵ֑דוּ (yovedu) = komen ze om | וּמֵר֖וּחַ (umeruach) = en door de wind van | אַפּ֣וֹ (apo) = Zijn toorn | יִכְלֽוּ (yikhlu) = gaan ze ten onder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:30; Ps 18:16; Jes 11:4; Jes 30:33; 2 Tess 2:8 **4:10** Het gebrul van de leeuw en de stem van de brulleeuw, en de tanden van de jonge leeuwen worden gebroken. Brontekst: שַׁאֲגַ֣ת (shaagat) = gebrul van | אַ֭רְיֵה (arye) = de leeuw | וְק֣וֹל (veqol) = en stem van | שָׁ֑חַל (shachal) = de brulleeuw | וְשִׁנֵּ֖י (veshinei) = en tanden van | כְפִירִ֣ים (kefirim) = jonge leeuwen | נִתָּֽעוּ (nitau) = zijn gebroken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 10–11 bevatten vijf verschillende woorden voor ‘leeuw’ (אַרְיֵה, שַׁחַל, כְּפִירִים, לַיִשׁ, לָבִיא): een dichterlijke opsomming van krachtige roofdieren die toch omkomen. Zie ook: Job 29:17; Ps 3:8; Ps 57:5; Ps 58:7; Spr 30:14 **4:11** De leeuw komt om bij gebrek aan prooi, en de jongen van de leeuwin worden verspreid. Brontekst: לַ֭יִשׁ (layish) = leeuw | אֹבֵ֣ד (oved) = komt om | מִבְּלִי (mibeli) = bij gebrek aan | טָ֑רֶף (taref) = prooi | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en jongen van | לָ֝בִ֗יא (lavi) = de leeuwin | יִתְפָּרָֽדוּ (yitparadu) = worden verspreid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:19; Job 38:39; Ps 34:11; Jer 4:7; 2 Tim 4:17 ### Het visioen van Elifaz **4:12** Tot mij kwam heimelijk een woord, en mijn oor ving er een fluistering van op. Brontekst: וְ֭אֵלַי (veelay) = en tot mij | דָּבָ֣ר (davar) = een woord | יְגֻנָּ֑ב (yegunav) = werd gebracht stiekem | וַתִּקַּ֥ח (vatiqach) = en nam op | אָ֝זְנִ֗י (azeni) = mijn oor | שֵׁ֣מֶץ (shemets) = een fluistering | מֶֽנְהֽוּ (menhu) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier vertelt Elifaz van een nachtelijk visioen. Hij beroept zich op bovenmenselijk gezag voor wat hij zegt. Zie ook: Job 26:14; Ps 62:12; 1 Kor 13:12 **4:13** Midden in de gedachten van nachtelijke visioenen, wanneer diepe slaap op mensen valt, Brontekst: בִּ֭שְׂעִפִּים (bisipim) = in gedachten | מֵחֶזְיֹנ֣וֹת (mechezyonot) = gezichten van | לָ֑יְלָה (layela) = de nacht | בִּנְפֹ֥ל (binfol) = als valt | תַּ֝רְדֵּמָ֗ה (tardema) = diepe slaap | עַל (al) = op | אֲנָשִֽׁים (anashim) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:21; Gen 20:3; Job 33:14–16; Num 22:19–20; Dan 10:9 **4:14** overviel mij schrik en beving, en mijn beenderen schudden allemaal. Brontekst: פַּ֣חַד (pachad) = schrik | קְ֭רָאַנִי (qeraani) = trof mij | וּרְעָדָ֑ה (ureada) = en beving | וְרֹ֖ב (verov) = en veel van | עַצְמוֹתַ֣י (atsmotay) = mijn beenderen | הִפְחִֽיד (hifchid) = deed schudden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:14; Job 33:19; Ps 119:120; Dan 10:11; Openb 1:17 **4:15** Een geest gleed langs mijn gezicht. De haren van mijn lijf gingen overeind staan. Brontekst: וְ֭רוּחַ (veruach) = en een geest | עַל (al) = over | פָּנַ֣י (panay) = mijn gezicht | יַחֲלֹ֑ף (yachalof) = gleed | תְּ֝סַמֵּ֗ר (tesamer) = rees overeind | שַֽׂעֲרַ֥ת (saarat) = het haar van | בְּשָׂרִֽי (besari) = mijn lichaam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach) is hier ‘geest’ of ‘ademstoot’; de haren die rechtop gaan staan laten zien dat hij een bovennatuurlijke aanwezigheid ervaart. Zie ook: Ps 104:4; Jes 13:8; Dan 5:6; Luc 24:37–39; Heb 1:7 **4:16** Hij bleef staan, maar ik herkende zijn uiterlijk niet. Een gestalte stond voor mijn ogen. Het was stil, en ik hoorde een stem: Brontekst: יַעֲמֹ֤ד (yaamod) = hij stond | וְֽלֹא (velo) = maar niet | אַכִּ֬יר (akir) = herkende ik | מַרְאֵ֗הוּ (marehu) = zijn uiterlijk | תְּ֭מוּנָה (temuna) = een gestalte | לְנֶ֣גֶד (leneged) = voor | עֵינָ֑י (einay) = mijn ogen | דְּמָמָ֖ה (demama) = stilte | וָק֣וֹל (vaqol) = en een stem | אֶשְׁמָֽע (eshma) = hoorde ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 19:12 ### Wie is rechtvaardig voor Eloah? **4:17** ‘Is een sterveling rechtvaardig voor Eloah? Is een man zuiver voor zijn Maker? Brontekst: הַֽ֭אֱנוֹשׁ (haenosh) = de sterveling | מֵאֱל֣וֹהַ (meeloha) = voor Eloah | יִצְדָּ֑ק (yitsdaq) = is rechtvaardig | אִ֥ם (im) = of | מֵ֝עֹשֵׂ֗הוּ (meosehu) = voor zijn Maker | יִטְהַר (yithar) = is zuiver | גָּֽבֶר (gaver) = een man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מֵאֱלוֹהַּ (me’Eloah): het voorzetsel מִן (min) kan ‘vóór’ (‘rechtvaardig voor Eloah’) of ‘meer dan’ (‘rechtvaardiger dan Eloah’) betekenen. Wij kiezen ‘voor’: de tweede helft van het vers (‘zuiver voor zijn Maker’) wijst die kant op. De lezing ‘meer dan’ is mogelijk, maar zet een mens naast Eloah om hem te vergelijken. Zie ook: Job 9:2; Job 25:4; Ps 143:2; Pred 7:20; Rom 11:33 **4:18** Zie, op Zijn dienaren vertrouwt Hij niet, en bij Zijn engelen vindt Hij nog dwaling. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | בַּ֭עֲבָדָיו (baavadav) = op Zijn dienaren | לֹ֣א (lo) = niet | יַאֲמִ֑ין (yaamin) = vertrouwt Hij | וּ֝בְמַלְאָכָ֗יו (uvemalakhav) = en bij Zijn engelen | יָשִׂ֥ים (yasim) = legt Hij | תָּהֳלָֽה (tahola) = dwaling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּהֳלָה (tohola) komt nergens anders voor; de betekenis ‘dwaling’ of ‘fout’ is afgeleid van de context. Als zelfs de hemelse wezens niet volmaakt zijn, hoeveel te minder de mens. Zie ook: Job 15:15–16; Job 25:5–6; Ps 103:20–21; 2 Petr 2:4; Jud 1:6 **4:19** Hoeveel te meer bij wie in lemen huizen wonen, wier fundament in het stof ligt, die als een mot worden vermorzeld. Brontekst: אַ֤ף (af) = ook | שֹׁכְנֵ֬י (shokhenei) = bewoners van | בָֽתֵּי (batei) = huizen van | חֹ֗מֶר (chomer) = leem | אֲשֶׁר (asher) = die | בֶּעָפָ֥ר (beafar) = in het stof | יְסוֹדָ֑ם (yesodam) = hun fundament | יְ֝דַכְּא֗וּם (yedakeum) = men vermorzelt hen | לִפְנֵי (lifnei) = voor | עָֽשׁ (ash) = een mot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:7; Gen 3:19; Job 10:9; Job 33:6; Ps 39:12 **4:20** Tussen ochtend en avond worden ze verbrijzeld. Ze gaan voorgoed verloren, zonder dat iemand het merkt. Brontekst: מִבֹּ֣קֶר (miboqer) = van ochtend | לָעֶ֣רֶב (laerev) = tot avond | יֻכַּ֑תּוּ (yukatu) = worden ze verbrijzeld | מִבְּלִ֥י (mibeli) = zonder | מֵ֝שִׂ֗ים (mesim) = dat iemand het merkt | לָנֶ֥צַח (lanetsach) = voor altijd | יֹאבֵֽדוּ (yovedu) = gaan ze verloren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:22; Job 20:7; Ps 92:8; 2 Kron 15:6; Jes 38:12–13 **4:21** Wordt hun tentkoord niet losgerukt? Ze sterven, en zonder wijsheid.’” Brontekst: הֲלֹא (halo) = niet? | נִסַּ֣ע (nisa) = wordt uitgerukt | יִתְרָ֣ם (yitram) = hun tentkoord | בָּ֑ם (bam) = in hen | יָ֝מ֗וּתוּ (yamutu) = ze sterven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | בְחָכְמָֽה (bechakhema) = in wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִתְרָם (yitram) kan ‘hun tentkoord’ betekenen (het beeld is: de tent wordt afgebroken) of ‘hun voortreffelijkheid’. Wij volgen de eerste lezing. Zie ook: Job 8:22; Job 36:12; Ps 39:12; Luc 16:22–23; Jak 1:11 ## Job 5 _Elifaz: wend je tot Elohim_ ### Elifaz: wie helpt een dwaas? **5:1** „Roep maar. Is er iemand die je antwoordt? Naar wie van de heiligen zul je je wenden? Brontekst: קְֽרָא (qera) = roep | נָ֭א (na) = toe | הֲיֵ֣שׁ (hayesh) = is er | עוֹנֶ֑ךָּ (oneka) = wie antwoordt je | וְאֶל (veel) = en tot | מִ֖י (mi) = wie | מִקְּדֹשִׁ֣ים (miqedoshim) = van heiligen | תִּפְנֶֽה (tifne) = wend je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְדֹשִׁים (kedoshim), ‘heiligen’, zijn hier hemelse wezens, zoals in 15:15. Elifaz zegt: niemand daarboven kan Job helpen; hij moet zich tot Elohim zelf wenden. Zie ook: Job 4:18; Job 15:8–10; Job 15:15; Jes 41:1; Jes 41:21–23 **5:2** Want verbittering doodt de dwaas, en afgunst doodt de eenvoudige. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | לֶֽ֭אֱוִיל (leevil) = de dwaas | יַהֲרָג (yaharag) = doodt | כָּ֑עַשׂ (kaas) = verbittering | וּ֝פֹתֶ֗ה (ufote) = en de eenvoudige | תָּמִ֥ית (tamit) = doodt | קִנְאָֽה (qina) = afgunst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּעַשׁ (ka’as) is ‘verbittering, ergernis’; קִנְאָה (qin’ah) is ‘afgunst, hartstocht’. De gedachte is dat wie in woede tekeergaat zichzelf schaadt. Zie ook: Gen 30:1; 1 Sam 18:8–9; Ps 14:1; Pred 7:9; Hos 7:11 **5:3** Ik zag een dwaas wortel schieten, maar plotseling vervloekte ik zijn woning. Brontekst: אֲֽנִי (ani) = ik | רָ֭אִיתִי (raiti) = zag | אֱוִ֣יל (evil) = een dwaas | מַשְׁרִ֑ישׁ (mashrish) = wortelschietend | וָאֶקּ֖וֹב (vaeqov) = en vervloekte | נָוֵ֣הוּ (navehu) = zijn woning | פִתְאֹֽם (pitom) = plotseling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 27:8; Ps 69:26; Ps 73:3–9; Ps 73:18–20; Ps 92:8 **5:4** Zijn zonen zijn ver van redding. Ze worden vermorzeld in de poort en niemand redt hen. Brontekst: יִרְחֲק֣וּ (yirchaqu) = zijn ver | בָנָ֣יו (banav) = zijn zonen | מִיֶּ֑שַׁע (miyesha) = van redding | וְיִֽדַּכְּא֥וּ (veyidakeu) = en worden vermorzeld | בַ֝שַּׁ֗עַר (bashaar) = in de poort | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand is er | מַצִּֽיל (matsil) = die redt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:7; Job 18:16–19; Job 27:14; Ps 119:155; Ps 127:5 **5:5** Zijn oogst eet de hongerige op. Zelfs tussen de doornen haalt hij die weg, en de dorstigen slokken hun bezit op. Brontekst: אֲשֶׁ֤ר (asher) = wiens | קְצִיר֨וֹ (qetsiro) = oogst | רָ֘עֵ֤ב (raev) = de hongerige | יֹאכֵ֗ל (yokhel) = eet op | וְאֶֽל (veel) = en tot | מִצִּנִּ֥ים (mitsinim) = tussen doornen | יִקָּחֵ֑הוּ (yiqachehu) = neemt hij die | וְשָׁאַ֖ף (veshaaf) = en hijgt | צַמִּ֣ים (tsamim) = dorstigen | חֵילָֽם (cheilam) = hun bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: צַמִּים (tsammim) is moeilijk. Wij lezen ‘dorstigen’ (van צָמֵא, tsame). Anderen lezen ‘strikken’ (צַמִּים): ‘een strik hijgt naar hun bezit’. Het vers beschrijft in beide gevallen hoe anderen de oogst van de dwaas wegnemen. Zie ook: Deut 28:33; Hos 8:7; Jer 51:34; Jer 51:44; Klaagl 2:16 **5:6** Want onheil komt niet uit het stof, en moeite spruit niet uit de grond. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | יֵצֵ֣א (yetse) = komt voort | מֵעָפָ֣ר (meafar) = uit stof | אָ֑וֶן (aven) = onheil | וּ֝מֵאֲדָמָ֗ה (umeadama) = en uit grond | לֹא (lo) = niet | יִצְמַ֥ח (yitsmach) = spruit | עָמָֽל (amal) = moeite Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:29; 1 Sam 6:9; Ps 90:7; Amos 3:6; Jes 45:7 **5:7** Maar de mens wordt geboren voor moeite, zoals de vonken hoog opvliegen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אָ֭דָם (adam) = de mens | לְעָמָ֣ל (leamal) = tot moeite | יוּלָּ֑ד (yulad) = wordt geboren | וּבְנֵי (uvenei) = en zonen van | רֶ֝֗שֶׁף (reshef) = de vlam | יַגְבִּ֥יהוּ (yagbihu) = vliegen hoog | עֽוּף (uf) = op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי־רֶשֶׁף (bene-reshef), letterlijk ‘zonen van Resjef’, zijn de vonken. Resjef is ook een naam van een West-Semitische god van de pest en het vuur; hier is het gewoon het woord voor ‘vlam’. Zie ook: Gen 3:17–19; Job 14:1; Ps 90:8–9; Pred 5:14–16; 1 Kor 10:13 ### Wend je tot El **5:8** Ik zou mij echter tot El wenden, en mijn zaak aan Elohim voorleggen, Brontekst: אוּלָ֗ם (ulam) = maar | אֲ֭נִי (ani) = ik | אֶדְרֹ֣שׁ (edrosh) = zou zoeken | אֶל (el) = tot | אֵ֑ל (el) = El | וְאֶל (veel) = en tot | אֱ֝לֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | אָשִׂ֥ים (asim) = zou voorleggen | דִּבְרָתִֽי (divrati) = mijn zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elifaz noemt Elohim hier met twee namen: אֵל (El) en אֱלֹהִים (Elohim). Vanaf dit vers volgt zijn raad aan Job. Zie ook: Job 22:21; Ps 37:5; Ps 50:15; 2 Kron 33:12–13; 1 Petr 4:19 **5:9** Hem die grote dingen doet die niemand kan doorgronden, wonderen zonder getal; Brontekst: עֹשֶׂ֣ה (ose) = Hem die doet | גְ֭דֹלוֹת (gedolot) = grote dingen | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is er | חֵ֑קֶר (cheqer) = doorgronding | נִ֝פְלָא֗וֹת (niflaot) = wonderen | עַד (ad) = tot | אֵ֥ין (ein) = niet is er | מִסְפָּֽר (mispar) = getal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:10; Job 11:7–9; Ps 40:6; Ps 72:18; Ps 86:10 **5:10** die regen geeft over het land en water stuurt over de velden; Brontekst: הַנֹּתֵ֣ן (hanoten) = Hem die geeft | מָ֭טָר (matar) = regen | עַל (al) = over | פְּנֵי (penei) = het gelaat van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | וְשֹׁ֥לֵֽחַ (vesholeach) = en stuurt | מַ֝יִם (mayim) = water | עַל (al) = over | פְּנֵ֥י (penei) = het gelaat van | חוּצֽוֹת (chutsot) = de velden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 65:10–12; Ps 147:8; Jer 5:24; Jer 14:22; Hand 14:17 **5:11** die de nederigen hoog zet, zodat de treurenden veilig zijn in redding; Brontekst: לָשׂ֣וּם (lasum) = om te plaatsen | שְׁפָלִ֣ים (shefalim) = nederigen | לְמָר֑וֹם (lemarom) = omhoog | וְ֝קֹדְרִ֗ים (veqoderim) = en treurenden | שָׂ֣גְבוּ (sagevu) = zijn hoog | יֶֽשַׁע (yesha) = in redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 2:7–8; Ps 107:41; Ps 113:7; Luc 1:52–53; Luc 6:21 **5:12** die de plannen van de listigen ongedaan maakt, zodat hun handen niets tot stand brengen; Brontekst: מֵ֭פֵר (mefer) = Hem die ongedaan maakt | מַחְשְׁב֣וֹת (machshevot) = plannen van | עֲרוּמִ֑ים (arumim) = listigen | וְֽלֹא (velo) = en niet | תַעֲשֶׂ֥ינָה (taaseina) = brengen tot stand | יְ֝דֵיהֶ֗ם (yedeihem) = hun handen | תּוּשִׁיָּֽה (tushiya) = vooruitgang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 21:12; Ps 33:10–11; Ps 37:17; Spr 21:30; Jes 8:10 **5:13** die de wijzen vangt in hun eigen list, zodat de raad van de kronkelaars overhaast wordt. Brontekst: לֹכֵ֣ד (lokhed) = Hem die vangt | חֲכָמִ֣ים (chakhamim) = wijzen | בְּעָרְמָ֑ם (bearemam) = in hun list | וַעֲצַ֖ת (vaatsat) = en de raad van | נִפְתָּלִ֣ים (niftalim) = de kronkelaars | נִמְהָֽרָה (nimhara) = wordt overhaast Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Paulus haalt dit vers aan in 1 Kor. 3:19 (‘Hij vangt de wijzen in hun sluwheid’). Het is een van de duidelijkste plaatsen waar het Nieuwe Testament het boek Job aanhaalt. Zie ook: Ps 7:16–17; Ps 9:16–17; Luc 1:51; 1 Kor 1:19–20; 1 Kor 3:19 **5:14** Overdag lopen ze in duisternis en op het middaguur tasten ze rond als in de nacht. Brontekst: יוֹמָ֥ם (yomam) = overdag | יְפַגְּשׁוּ (yefageshu) = ontmoeten ze | חֹ֑שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וְ֝כַלַּ֗יְלָה (vekhalayla) = en als in de nacht | יְֽמַשְׁשׁ֥וּ (yemashshu) = tasten ze | בַֽצָּהֳרָֽיִם (batsahorayim) = op het middaguur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:25; Deut 28:29; Spr 4:19; Amos 8:9; Jes 59:10 **5:15** Zo redt Hij de arme van het zwaard van hun mond, en uit de hand van de sterke. Brontekst: וַיֹּ֣שַׁע (vayosha) = en redt | מֵ֭חֶרֶב (mecherev) = van het zwaard | מִפִּיהֶ֑ם (mipihem) = uit hun mond | וּמִיַּ֖ד (umiyad) = en uit de hand van | חָזָ֣ק (chazaq) = de sterke | אֶבְיֽוֹן (evyon) = de arme Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:10; Ps 35:10; Ps 72:4; Ps 109:31; Ps 140:13 **5:16** Zo is er hoop voor de zwakke, en moet het onrecht zijn mond sluiten. Brontekst: וַתְּהִ֣י (vatehi) = en er is | לַדַּ֣ל (ladal) = voor de zwakke | תִּקְוָ֑ה (tiqva) = hoop | וְ֝עֹלָ֗תָה (veolata) = en sluit | קָ֣פְצָה (qafetsa) = het onrecht | פִּֽיהָ (piha) = haar mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 2:8–9; Ps 63:12; Ps 107:42; Jes 14:32; Rom 3:19 ### Gelukkig wie door Eloah wordt terechtgewezen **5:17** Zie, gelukkig is de mens die Eloah terechtwijst. Verwerp daarom de tucht van Sjaddai niet. Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אַשְׁרֵ֣י (ashrei) = gelukkig | אֱ֭נוֹשׁ (enosh) = de mens | יוֹכִחֶ֣נּֽוּ (yokhichenu) = die terechtwijst hem | אֱל֑וֹהַּ (eloha) = Eloah | וּמוּסַ֥ר (umusar) = en de tucht van | שַׁ֝דַּ֗י (shaday) = Sjaddai | אַל (al) = niet | תִּמְאָֽס (timas) = verwerp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁדַּי (Shaddai), ‘de Almachtige’, is de naam waarmee Elohim zich aan de aartsvaders bekendmaakte (Ex. 6:3). In Job komt hij 31 keer voor, meer dan in enig ander boek. Zie ook: Ex 6:3; Ps 94:12; Spr 3:11–12; Jak 1:12; Jak 5:11; Openb 3:19 **5:18** Want Hij brengt pijn, maar verbindt ook. Hij slaat, maar Zijn handen genezen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | ה֣וּא (hu) = Hij | יַכְאִ֣יב (yakhiv) = brengt pijn | וְיֶחְבָּ֑שׁ (veyechbash) = en verbindt | יִ֝מְחַ֗ץ (yimchats) = slaat | וְיָדָ֥יו (veyadav) = en zijn handen | תִּרְפֶּֽינָה (tirpeina) = genezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:39; 1 Sam 2:6; Ps 147:3; Hos 6:1; Jes 30:26 **5:19** Uit zes noden redt Hij je, en in de zevende zal geen kwaad je raken. Brontekst: בְּשֵׁ֣שׁ (beshesh) = in zes | צָ֭רוֹת (tsarot) = noden | יַצִּילֶ֑ךָּ (yatsileka) = redt Hij je | וּבְשֶׁ֓בַע (uvesheva) = en in zeven | לֹא (lo) = niet | יִגַּ֖ע (yiga) = raakt | בְּךָ֣ (bekha) = je | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zes … zeven’ is een dichterlijke manier van tellen (Spr. 6:16; Amos 1:3): het aantal noemt een ruime maat. Het betekent: in elke nood, hoe vaak ook, helpt Hij. Zie ook: Ps 34:20; Ps 91:3–10; Spr 6:16; Spr 24:16; Amos 1:3; 1 Kor 10:13; 2 Petr 2:9 **5:20** In hongersnood heeft Hij je van de dood gered, en in oorlog uit de macht van het zwaard. Brontekst: בְּ֭רָעָב (beraav) = in hongersnood | פָּֽדְךָ֣ (padekha) = verloste Hij je | מִמָּ֑וֶת (mimavet) = van de dood | וּ֝בְמִלְחָמָ֗ה (uvemilchama) = en in oorlog | מִ֣ידֵי (midei) = uit de macht van | חָֽרֶב (charev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 45:7; Ps 33:19; Ps 37:19; Spr 10:3; Hos 13:14 **5:21** Voor de gesel van de tong zul je verborgen zijn, en je zult niet bang zijn voor geweld als het komt. Brontekst: בְּשׁ֣וֹט (beshot) = voor de gesel van | לָ֭שׁוֹן (lashon) = de tong | תֵּחָבֵ֑א (techave) = zul je verborgen zijn | וְֽלֹא (velo) = en niet | תִירָ֥א (tira) = zul je vrezen | מִ֝שֹּׁ֗ד (mishod) = voor geweld | כִּ֣י (ki) = als | יָבֽוֹא (yavo) = het komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 31:21; Ps 55:22; Ps 91:5–7; Spr 12:18; Jer 18:18 **5:22** Om geweld en honger zul je lachen, en voor de wilde dieren van de aarde zul je niet bang zijn. Brontekst: לְשֹׁ֣ד (leshod) = om geweld | וּלְכָפָ֣ן (ulekhafan) = en honger | תִּשְׂחָ֑ק (tischaq) = zul je lachen | וּֽמֵחַיַּ֥ת (umechayat) = en voor het wild van | הָ֝אָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | אַל (al) = niet | תִּירָֽא (tira) = vrees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 91:13; Hos 2:20; Jes 35:9; Jes 65:25; Ezech 34:25 **5:23** Want je verbond is met de stenen van het veld, en de wilde dieren van het veld leven in vrede met je. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עִם (im) = met | אַבְנֵ֣י (avnei) = stenen van | הַשָּׂדֶ֣ה (hasade) = het veld | בְרִיתֶ֑ךָ (beritekha) = je verbond | וְחַיַּ֥ת (vechayat) = en wild van | הַ֝שָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | הָשְׁלְמָה (hashelema) = is in vrede | לָֽךְ (lakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met ‘de stenen van het veld’ een verbond hebben betekent: de akkers geven geen schade meer. Dit past bij Hos. 2:20. Zie ook: Lev 26:6; Ps 91:12–13; Hos 2:20; Hos 2:22; Jes 11:6–9; Dan 6:23 **5:24** Je zult weten dat je tent in vrede is. Je zult je woning nagaan en niets missen. Brontekst: וְֽ֭יָדַעְתָּ (veyadata) = en je zult weten | כִּי (ki) = dat | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | אָהֳלֶ֑ךָ (aholekha) = je tent | וּֽפָקַדְתָּ֥ (ufaqadta) = en je zult nagaan | נָ֝וְךָ (navekha) = je woning | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תֶחֱטָֽא (techeta) = zul je missen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:6; Deut 28:6; Ps 91:10; Ps 121:7–8; Jes 4:5–6 **5:25** Je zult weten dat je nageslacht talrijk is, en je afstammelingen als het gras van de aarde. Brontekst: וְֽ֭יָדַעְתָּ (veyadata) = en je zult weten | כִּי (ki) = dat | רַ֣ב (rav) = talrijk | זַרְעֶ֑ךָ (zarekha) = je nageslacht | וְ֝צֶאֱצָאֶ֗יךָ (vetseetsaeikha) = en je afstammelingen | כְּעֵ֣שֶׂב (keesev) = als gras van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:5; Job 42:13–16; Deut 28:4; Ps 72:16; Ps 112:2 **5:26** Je zult in volle kracht in het graf komen, zoals een korenschoof op zijn tijd wordt binnengehaald. Brontekst: תָּב֣וֹא (tavo) = je zult komen | בְכֶ֣לַח (bekhelach) = in volle kracht | אֱלֵי (elei) = tot | קָ֑בֶר (qaver) = het graf | כַּעֲל֖וֹת (kaalot) = als het opkomen van | גָּדִ֣ישׁ (gadish) = een schoof | בְּעִתּֽוֹ (beito) = op zijn tijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֶּלַח (kelach) betekent ‘volle kracht’; het woord komt alleen hier en in 30:2 voor. Zie ook: Gen 15:15; Job 42:16–17; Ps 91:16; Spr 9:11; Spr 10:27 **5:27** Zie, dit hebben we onderzocht, zo is het. Luister ernaar en neem het ter harte.” Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | זֹ֭את (zot) = dit | חֲקַרְנ֥וּהָ (chaqarnuha) = we hebben onderzocht het | כֶּֽן (ken) = zo | הִ֑יא (hi) = is het | שְׁ֝מָעֶ֗נָּה (shemaena) = luister ernaar | וְאַתָּ֥ה (veata) = en jij | דַֽע (da) = weet het | לָֽךְ (lakh) = voor jezelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 32:11–12; Deut 10:13; Ps 111:2; Spr 2:3–5; Spr 9:12 ## Job 6 _Job antwoordt Elifaz_ ### Job antwoordt Elifaz **6:1** Job antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:1 **6:2** „Ach, mocht mijn verdriet worden gewogen, en mijn ramp tegelijk op een weegschaal worden gelegd. Brontekst: ל֗וּ (lu) = o dat | שָׁק֣וֹל (shaqol) = wegen | יִשָּׁקֵ֣ל (yishaqel) = zou worden gewogen | כַּעְשִׂ֑י (kasi) = mijn verdriet | וְ֝הַוָּתִ֗י (vehavati) = en mijn ramp | בְּֽמֹאזְנַ֥יִם (bemoznayim) = in weegschalen | יִשְׂאוּ (yisu) = zouden worden opgeheven | יָֽחַד (yachad) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:5; Job 23:2; Job 31:6 **6:3** Want nu is het zwaarder dan het zand van de zeeën. Daarom zijn mijn woorden onbezonnen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עַתָּ֗ה (ata) = nu | מֵח֣וֹל (mechol) = dan zand van | יַמִּ֣ים (yamim) = zeeën | יִכְבָּ֑ד (yikhbad) = is het zwaar | עַל (al) = daarom | כֵּ֝֗ן (ken) = zo | דְּבָרַ֥י (devaray) = mijn woorden | לָֽעוּ (lau) = zijn onbezonnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 23:2; Job 37:19–20; Ps 77:5; Spr 27:3; Mat 11:28 **6:4** Want de pijlen van Sjaddai zitten in mij. Mijn geest drinkt hun vergif. De verschrikkingen van Eloah stellen zich tegen mij op. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | חִצֵּ֪י (chitsei) = pijlen van | שַׁדַּ֡י (shaday) = Sjaddai | עִמָּדִ֗י (imadi) = met mij | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarvan | חֲ֭מָתָם (chamatam) = hun vergif | שֹׁתָ֣ה (shota) = drinkt | רוּחִ֑י (ruchi) = mijn geest | בִּעוּתֵ֖י (biutei) = verschrikkingen van | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | יַֽעַרְכֽוּנִי (yaarkhuni) = stellen zich op tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִצֵּי שַׁדַּי (chitse Shaddai), ‘pijlen van Sjaddai’: Job ziet zijn lijden als een aanval van Sjaddai zelf. Het beeld komt terug in 16:12–13 en 34:6. Zie ook: Job 30:15; Ps 38:3; Ps 88:16–17; Ps 143:7; Spr 18:14 **6:5** Brult een wilde ezel bij het gras? Loeit een rund bij zijn voer? Brontekst: הֲיִֽנְהַק (hayinhaq) = brult | פֶּ֥רֶא (pere) = een wilde ezel | עֲלֵי (alei) = bij | דֶ֑שֶׁא (deshe) = gras | אִ֥ם (im) = of | יִגְעֶה (yige) = loeit | שּׁ֝֗וֹר (shor) = een rund | עַל (al) = bij | בְּלִילֽוֹ (belilo) = zijn voer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 42:2; Ps 104:14; Joël 1:18–20; Jer 14:6 **6:6** Eet men smaakloos voedsel zonder zout? Is er smaak in het slijm van de malve? Brontekst: הֲיֵאָכֵ֣ל (hayeakhel) = wordt gegeten | תָּ֭פֵל (tafel) = smaakloos voedsel | מִבְּלִי (mibeli) = zonder | מֶ֑לַח (melach) = zout | אִם (im) = of | יֶשׁ (yesh) = is er | טַ֝֗עַם (taam) = smaak | בְּרִ֣יר (berir) = in het slijm van | חַלָּמֽוּת (chalamut) = malve Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: חַלָּמוּת (challamut) komt alleen hier voor. Het kan ‘malve’ (een plant met slijmerig sap) betekenen, of ‘eierdooier’ of ‘eiwit’. Het beeld is hoe dan ook iets smaakloos. Zie ook: Job 6:30; Job 12:11; Job 34:3; Lev 2:13; Luc 14:34 **6:7** Mijn ziel weigert ze aan te raken. Ze zijn voor mij als bedorven voedsel. Brontekst: מֵאֲנָ֣ה (meana) = weigert | לִנְגּ֣וֹעַ (lingoa) = aan te raken | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn ziel | הֵ֝֗מָּה (hema) = zij | כִּדְוֵ֥י (kidvei) = als ziekte van | לַחְמִֽי (lachmi) = mijn brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:24; Ps 102:10; 1 Kon 22:27; Ezech 4:14; Ezech 12:18–19 **6:8** Mocht mijn vraag worden verhoord en gaf Eloah mij wat ik hoop: Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יִ֭תֵּן (yiten) = geeft | תָּב֣וֹא (tavo) = kome | שֶֽׁאֱלָתִ֑י (sheelati) = mijn vraag | וְ֝תִקְוָתִ֗י (vetiqvati) = en mijn hoop | יִתֵּ֥ן (yiten) = geve | אֱלֽוֹהַּ (eloha) = Eloah Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:11–13; Job 17:14–16; Ps 119:81 **6:9** dat Eloah besloot mij te verbrijzelen, dat Hij Zijn hand losliet en mij afsneed. Brontekst: וְיֹאֵ֣ל (veyoel) = en wilde | אֱ֭לוֹהַּ (eloha) = Eloah | וִֽידַכְּאֵ֑נִי (vidakeeni) = en verbrijzelde mij | יַתֵּ֥ר (yater) = liet los | יָ֝ד֗וֹ (yado) = Zijn hand | וִֽיבַצְּעֵֽנִי (vivatseeni) = en sneed mij af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:15–16; 1 Kon 19:4; Jona 4:3; Jona 4:8; Jes 48:10–13 **6:10** Dan zou ik nog troost hebben. Ik zou opspringen in de pijn die Hij niet spaart, want ik heb de woorden van de Heilige niet verloochend. Brontekst: וּ֥תְהִי (utehi) = en het zou zijn | ע֨וֹד (od) = nog | נֶ֘חָ֤מָתִ֗י (nechamati) = mijn troost | וַאֲסַלְּדָ֣ה (vaasaleda) = en ik zou opspringen | בְ֭חִילָה (bechila) = in pijn | לֹ֣א (lo) = niet | יַחְמ֑וֹל (yachmol) = Hij spaart | כִּי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | כִ֝חַ֗דְתִּי (kichadti) = verloochende ik | אִמְרֵ֥י (imrei) = woorden van | קָדֽוֹשׁ (qadosh) = de Heilige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 23:12; Lev 19:2; Ps 40:10–11; Ps 71:17–18; Jes 57:15 **6:11** Wat is mijn kracht, dat ik moet blijven hopen? Wat is mijn einde, dat ik geduld moet hebben? Brontekst: מַה (ma) = wat | כֹּחִ֥י (kochi) = mijn kracht | כִֽי (ki) = dat | אֲיַחֵ֑ל (ayachel) = ik zou wachten | וּמַה (uma) = en wat | קִּ֝צִּ֗י (qitsi) = mijn einde | כִּֽי (ki) = dat | אַאֲרִ֥יךְ (aarikh) = ik zou rekken | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:20; Job 17:1; Ps 39:6; Ps 102:24; Ps 103:14–16 **6:12** Is mijn kracht de kracht van stenen? Is mijn vlees van koper? Brontekst: אִם (im) = of | כֹּ֣חַ (koach) = kracht van | אֲבָנִ֣ים (avanim) = stenen | כֹּחִ֑י (kochi) = mijn kracht | אִֽם (im) = of | בְּשָׂרִ֥י (besari) = mijn vlees | נָחֽוּשׁ (nachush) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:18; Job 41:16 **6:13** Is er dan geen hulp in mij? Is elke redding van mij weggedreven? Brontekst: הַאִ֬ם (haim) = is het dat | אֵ֣ין (ein) = niet | עֶזְרָתִ֣י (ezrati) = mijn hulp | בִ֑י (bi) = in mij | וְ֝תֻשִׁיָּ֗ה (vetushiya) = en redding | נִדְּחָ֥ה (nidecha) = verdreven | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:2–3; Job 13:2; Job 19:28; Job 26:2; 2 Kor 1:12 ### Job over zijn vrienden **6:14** Wie wanhopig is, heeft trouw van zijn vriend nodig. Anders verlaat hij het ontzag voor Sjaddai. Brontekst: לַמָּ֣ס (lamas) = voor de wanhopige | מֵרֵעֵ֣הוּ (mereehu) = van zijn vriend | חָ֑סֶד (chased) = trouw | וְיִרְאַ֖ת (veyirat) = en ontzag voor | שַׁדַּ֣י (shaday) = Sjaddai | יַעֲזֽוֹב (yaazov) = verlaat hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: לַמָּס (lammas) is moeilijk. Wij lezen: voor de wanhopige (van מוּס/מסס, ‘wegsmelten’) hoort trouw van zijn vriend. Anderen lezen: ‘Wie trouw onthoudt aan zijn vriend, verlaat het ontzag voor Sjaddai.’ In beide lezingen verwijt Job zijn vrienden dat ze hem geen steun geven. Zie ook: Spr 17:17; Luc 23:40; Gal 6:2; 1 Kor 12:26; Rom 12:15 **6:15** Mijn broers zijn trouweloos als een beek, als het bed van beken die verdwijnen. Brontekst: אַ֭חַי (achay) = mijn broers | בָּגְד֣וּ (bagedu) = handelen trouweloos | כְמוֹ (kemo) = als | נָ֑חַל (nachal) = een beek | כַּאֲפִ֖יק (kaafiq) = als het bed van | נְחָלִ֣ים (nechalim) = beken | יַעֲבֹֽרוּ (yaavoru) = die voorbijgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחַל (nachal) is een beek die alleen in het regenseizoen water voert, ‘wadi’. Het beeld: in de droge tijd, als je water het hardst nodig hebt, is het weg. Zie ook: Ps 38:12; Ps 41:10; Ps 55:13–15; Jer 15:18; Joh 13:18 **6:16** Ze zijn donker van het ijs, en smeltende sneeuw verbergt zich daarin. Brontekst: הַקֹּדְרִ֥ים (haqoderim) = de donkere | מִנִּי (mini) = van | קָ֑רַח (qarach) = ijs | עָ֝לֵ֗ימוֹ (aleimo) = daarin | יִתְעַלֶּם (yitalem) = verbergt zich | שָֽׁלֶג (shaleg) = sneeuw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:17** Zodra ze stromen, verdwijnen ze. In de hitte drogen ze op uit hun bedding. Brontekst: בְּ֭עֵת (beet) = in de tijd dat | יְזֹרְב֣וּ (yezorevu) = ze stromen | נִצְמָ֑תוּ (nitsmatu) = worden ze stil | בְּ֝חֻמּ֗וֹ (bechumo) = in hun hitte | נִדְעֲכ֥וּ (nidakhu) = doven ze uit | מִמְּקוֹמָֽם (mimeqomam) = van hun plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 24:19; 1 Kon 17:1 **6:18** Karavanen buigen af van hun weg. Ze trekken het niets in en komen om. Brontekst: יִ֭לָּ֣פְתוּ (yilafetu) = buigen af | אָרְח֣וֹת (arechot) = karavanen van | דַּרְכָּ֑ם (darkam) = hun weg | יַעֲל֖וּ (yaalu) = trekken omhoog | בַתֹּ֣הוּ (batohu) = in het niets | וְיֹאבֵֽדוּ (veyovedu) = en gaan verloren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **6:19** De karavanen van Tema keken uit, de reizigers van Sjeba hoopten op hen. Brontekst: הִ֭בִּיטוּ (hibitu) = keken uit | אָרְח֣וֹת (arechot) = karavanen van | תֵּמָ֑א (tema) = Tema | הֲלִיכֹ֥ת (halikhot) = reizigerstroepen van | שְׁ֝בָ֗א (sheva) = Sjeba | קִוּוּ (qiuu) = hoopten | לָֽמוֹ (lamo) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tema (תֵּימָא): oase in het noordwesten van Arabië, op de karavaanroute. Sjeba (שְׁבָא): het zuidwesten van Arabië (zie 1:15). Zie ook: Gen 25:15; 1 Kon 10:1; Jes 21:14; Jer 25:23; Ezech 27:22–23 **6:20** Ze werden beschaamd omdat ze erop vertrouwd hadden. Ze kwamen erheen en werden teleurgesteld. Brontekst: בֹּ֥שׁוּ (boshu) = werden beschaamd | כִּֽי (ki) = omdat | בָטָ֑ח (batach) = hij vertrouwde | בָּ֥אוּ (bau) = ze kwamen | עָ֝דֶ֗יהָ (adeiha) = tot haar | וַיֶּחְפָּֽרוּ (vayechparu) = en werden teleurgesteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 14:3–4; Jer 17:13; Rom 5:5; Rom 9:33 **6:21** Zo zijn jullie nu: niets waard. Jullie zien de ramp en schrikken. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עַ֭תָּה (ata) = nu | הֱיִ֣יתֶם (heyitem) = zijn jullie geworden | ל֑וֹ (lo) = voor hem (K: niet) | תִּֽרְא֥וּ (tiru) = jullie zien | חֲ֝תַ֗ת (chatat) = een ramp | וַתִּירָֽאוּ (vatirau) = en jullie vrezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft לֹא (lo), ‘niet’; de lezing in de marge (qere) heeft לוֹ (lo), ‘voor hem’. Wij volgen de ketiv in de vertaling: ‘jullie zijn niets waard’, omdat ‘voor hem’ hier geen zin geeft; in de grondtekst staat de qere. Zie ook: Ps 38:12; Jer 17:5–6; Mat 26:56; 2 Tim 4:16; Openb 18:17–18 **6:22** Heb ik ooit gezegd: ‘Geef mij iets’, of: ‘Bied van jullie vermogen een geschenk voor mij aan’? Brontekst: הֲֽכִי (hakhi) = is het dat | אָ֭מַרְתִּי (amarti) = ik zei | הָ֣בוּ (havu) = geef | לִ֑י (li) = mij | וּ֝מִכֹּחֲכֶ֗ם (umikochakhem) = en van jullie vermogen | שִׁחֲד֥וּ (shichadu) = geef een geschenk | בַעֲדִֽי (baadi) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:11; 1 Sam 12:3; Hand 20:33 **6:23** Of: ‘Red mij uit de hand van de vijand’, of: ‘Koop mij vrij uit de hand van geweldenaars’? Brontekst: וּמַלְּט֥וּנִי (umaletuni) = en red mij | מִיַּד (miyad) = uit de hand van | צָ֑ר (tsar) = de vijand | וּמִיַּ֖ד (umiyad) = en uit de hand van | עָרִיצִ֣ים (aritsim) = geweldenaars | תִּפְדּֽוּנִי (tifduni) = koop mij vrij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:20; Ps 49:8–9; Ps 49:16; Ps 107:2; Jer 15:21 ### Job vraagt om bewijs **6:24** Onderwijs mij, dan zal ik zwijgen. Laat mij weten waarin ik gedwaald heb. Brontekst: ה֭וֹרוּנִי (horuni) = onderwijs mij | וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | אַחֲרִ֑ישׁ (acharish) = zal zwijgen | וּמַה (uma) = en waarin | שָּׁ֝גִ֗יתִי (shagiti) = dwaalde ik | הָבִ֥ינוּ (havinu) = maak duidelijk | לִֽי (li) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:2; Ps 19:13; Ps 39:2–3; Spr 9:9; Jak 3:2 **6:25** Hoe krachtig zijn oprechte woorden! Maar wat bewijst jullie terechtwijzing? Brontekst: מַה (ma) = hoe | נִּמְרְצ֥וּ (nimretsu) = krachtig zijn | אִמְרֵי (imrei) = woorden van | יֹ֑שֶׁר (yosher) = oprechtheid | וּמַה (uma) = maar wat | יּוֹכִ֖יחַ (yokhiach) = bewijst | הוֹכֵ֣חַ (hokheach) = de terechtwijzing | מִכֶּֽם (mikem) = van jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:4; Job 13:5; Job 21:34; Spr 25:11; Pred 12:10–11 **6:26** Willen jullie mijn woorden berispen? De woorden van een wanhopige zijn voor de wind. Brontekst: הַלְהוֹכַ֣ח (halhokhach) = willen jullie berispen | מִלִּ֣ים (milim) = woorden | תַּחְשֹׁ֑בוּ (tachshovu) = denken jullie | וּ֝לְר֗וּחַ (uleruach) = en voor de wind | אִמְרֵ֥י (imrei) = woorden van | נֹאָֽשׁ (noash) = een wanhopige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:2; Job 34:3–9; Job 42:3; Mat 12:37; Ef 4:14 **6:27** Jullie zouden zelfs een wees verloten en jullie vriend verhandelen. Brontekst: אַף (af) = ook | עַל (al) = over | יָת֥וֹם (yatom) = een wees | תַּפִּ֑ילוּ (tapilu) = werpen jullie | וְ֝תִכְר֗וּ (vetikhru) = en verhandelen jullie | עַל (al) = over | רֵֽיעֲכֶֽם (reiakhem) = jullie vriend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּפִּילוּ (tappilu), ‘jullie werpen’: namelijk het lot. Wie de schulden van een wees niet kon betalen, werd verloot of verkocht. Job zegt: zo ver zouden jullie gaan. Zie ook: Job 22:9; Job 24:3; Ps 7:16; Nah 3:10; Jak 1:27 **6:28** Nu dan, wees zo goed mij aan te kijken. Ik zal jullie toch niet in het gezicht liegen? Brontekst: וְ֭עַתָּה (veata) = en nu | הוֹאִ֣ילוּ (hoilu) = wees bereid | פְנוּ (penu) = kijk | בִ֑י (bi) = naar mij | וְעַל (veal) = en in | פְּ֝נֵיכֶ֗ם (peneikhem) = jullie gezicht | אִם (im) = of | אֲכַזֵּֽב (akhazev) = ik zal liegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:3; Job 13:4; Job 27:4; Job 33:3; Job 36:4 **6:29** Keer terug, laat er geen onrecht zijn. Keer terug, mijn gerechtigheid staat nog. Brontekst: שֻֽׁבוּ (shuvu) = keer terug | נָ֭א (na) = toch | אַל (al) = niet | תְּהִ֣י (tehi) = zij | עַוְלָ֑ה (avla) = onrecht | וְשׁ֥וּבוּ (veshuvu) = en keer terug | ע֝וֹד (od) = nog | צִדְקִי (tsidqi) = mijn gerechtigheid | בָֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:10; Job 23:10; Job 27:4–6; Job 42:6; Mal 3:18 **6:30** Is er onrecht op mijn tong? Of onderscheidt mijn gehemelte geen ramp?” Brontekst: הֲיֵשׁ (hayesh) = is er | בִּלְשׁוֹנִ֥י (bilshoni) = op mijn tong | עַוְלָ֑ה (avla) = onrecht | אִם (im) = of | חִ֝כִּ֗י (chiki) = mijn gehemelte | לֹא (lo) = niet | יָבִ֥ין (yavin) = onderscheidt | הַוּֽוֹת (hauot) = ramp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:6; Job 12:11; Job 33:8–12; Job 34:3; Heb 5:14 ## Job 7 _Job klaagt: het leven is een ademtocht_ ### Het leven van de mens is zwaar werk **7:1** „Heeft een mens op aarde niet harde dienst, en zijn zijn dagen niet als die van een dagloner? Brontekst: הֲלֹא (halo) = niet? | צָבָ֣א (tsava) = dienst | לֶאֱנ֣וֹשׁ (leenosh) = voor de sterveling | עֲלֵי (alei) = op | אָ֑רֶץ (arets) = aarde | וְכִימֵ֖י (vekhimei) = en als dagen van | שָׂכִ֣יר (sakhir) = een dagloner | יָמָֽיו (yamav) = zijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָבָא (tsava) is ‘dienstplicht, krijgsdienst, zware arbeid’. Het leven van de mens is een verplichte dienst, zonder eigen keuze. Zie ook: Job 5:7; Job 14:5–6; Job 14:13–14; Lev 25:50; Ps 39:5 **7:2** Als een slaaf die naar de schaduw hijgt, als een dagloner die op zijn loon wacht, Brontekst: כְּעֶ֥בֶד (keeved) = als een slaaf | יִשְׁאַף (yishaf) = hijgt hij naar | צֵ֑ל (tsel) = schaduw | וּ֝כְשָׂכִ֗יר (ukhesakhir) = en als een dagloner | יְקַוֶּ֥ה (yeqave) = wacht hij op | פָעֳלֽוֹ (paolo) = zijn loon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:13; Deut 24:15; Jer 6:4; Mal 3:5; Jak 5:4 **7:3** zo heb ik maanden van niets als erfdeel gekregen, en nachten vol moeite zijn mij toegewezen. Brontekst: כֵּ֤ן (ken) = zo | הָנְחַ֣לְתִּי (hanechalti) = ik kreeg als erfdeel | לִ֭י (li) = mij | יַרְחֵי (yarchei) = maanden van | שָׁ֑וְא (shave) = niets | וְלֵיל֥וֹת (veleilot) = en nachten van | עָ֝מָ֗ל (amal) = moeite | מִנּוּ (minu) = zijn toegewezen | לִֽי (li) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:7; Job 29:2; Ps 6:7; Ps 39:6; Pred 1:14 **7:4** Als ik ga liggen, zeg ik: ‘Wanneer sta ik op?’ Maar de avond rekt zich uit, en ik word verzadigd van onrust tot de morgenschemering. Brontekst: אִם (im) = indien | שָׁכַ֗בְתִּי (shakhavti) = lag ik | וְאָמַ֗רְתִּי (veamarti) = en zei ik | מָתַ֣י (matay) = wanneer | אָ֭קוּם (aqum) = sta ik op | וּמִדַּד (umidad) = en rekt zich | עָ֑רֶב (arev) = de avond | וְשָׂבַ֖עְתִּי (vesavati) = en ik werd verzadigd | נְדֻדִ֣ים (nedudim) = van onrust | עֲדֵי (adei) = tot | נָֽשֶׁף (nashef) = de schemering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:13–14; Job 30:17; Deut 28:67; Ps 6:7; Ps 77:5 **7:5** Mijn lichaam is bekleed met maden en met klonten stof. Mijn huid scheurt open en loopt weer. Brontekst: לָ֘בַ֤שׁ (lavash) = bekleed is | בְּשָׂרִ֣י (besari) = mijn lichaam | רִ֭מָּה (rima) = met maden | וְג֣וּשׁ (vegush) = en klonter van | עָפָ֑ר (afar) = stof | עוֹרִ֥י (ori) = mijn huid | רָ֝גַ֗ע (raga) = scheurt | וַיִּמָּאֵֽס (vayimaes) = en loopt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zweren, maden en gebarsten huid: Job beschrijft zijn ziekte (2:7). רֶגַע (rega) is hier ‘scheurt’ of ‘wordt hard’; וַיִּמָּאֵס (vayimma’es) is ‘loopt’ of ‘lost op’. Zie ook: Job 2:7–8; Job 17:14; Ps 38:6–8; Jes 14:11; Jes 66:24 **7:6** Mijn dagen gaan sneller dan een weefspoel en lopen af zonder hoop. Brontekst: יָמַ֣י (yamay) = mijn dagen | קַ֭לּוּ (qalu) = zijn sneller | מִנִּי (mini) = dan | אָ֑רֶג (areg) = een weefspoel | וַ֝יִּכְל֗וּ (vayikhlu) = en ze eindigen | בְּאֶ֣פֶס (beefes) = zonder | תִּקְוָֽה (tiqva) = hoop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:25; Job 17:11; Job 17:15; Ps 144:4; Jes 38:12–13 ### Job spreekt tot Eloah **7:7** Denk eraan dat mijn leven een ademtocht is. Mijn oog zal het goede niet meer zien. Brontekst: זְ֭כֹר (zekhor) = denk eraan | כִּי (ki) = dat | ר֣וּחַ (ruach) = adem | חַיָּ֑י (chayay) = mijn leven | לֹא (lo) = niet | תָשׁ֥וּב (tashuv) = zal terugkeren | עֵ֝ינִ֗י (eini) = mijn oog | לִרְא֥וֹת (lirot) = om te zien | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:21–22; Ps 78:39; Ps 89:48; Jer 15:15; Jak 4:14 **7:8** Het oog dat mij ziet, zal mij niet meer zien. Uw ogen zijn op mij gericht, en ik ben er niet meer. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תְ֭שׁוּרֵנִי (teshureni) = zal mij aanschouwen | עֵ֣ין (ein) = oog | רֹ֑אִי (roi) = dat mij ziet | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = Uw ogen | בִּ֣י (bi) = op mij | וְאֵינֶֽנִּי (veeineni) = en ik ben niet meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:18; Job 13:27; Job 14:3; Job 20:9; Ps 37:36 **7:9** Een wolk lost op en verdwijnt. Zo komt wie naar het dodenrijk gaat, niet meer boven. Brontekst: כָּלָ֣ה (kala) = vergaat | עָ֭נָן (anan) = een wolk | וַיֵּלַ֑ךְ (vayelakh) = en gaat weg | כֵּ֥ן (ken) = zo | יוֹרֵ֥ד (yored) = wie neerdaalt | שְׁ֝א֗וֹל (sheol) = naar het dodenrijk | לֹ֣א (lo) = niet | יַעֲלֶֽה (yaale) = komt omhoog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (Sheol) is het dodenrijk, de plaats waar de overledenen verblijven. Job zegt: wie daar komt, komt niet meer terug. Zie ook: Job 10:21; Job 14:10–14; Job 30:15; 2 Sam 12:23; 2 Sam 14:14 **7:10** Hij keert niet meer terug naar zijn huis, en zijn plaats herkent hem niet meer. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יָשׁ֣וּב (yashuv) = keert terug | ע֣וֹד (od) = meer | לְבֵית֑וֹ (leveito) = naar zijn huis | וְלֹא (velo) = en niet | יַכִּירֶ֖נּוּ (yakirenu) = herkent hem | ע֣וֹד (od) = meer | מְקֹמֽוֹ (meqomo) = zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:18; Job 20:9; Job 27:21; Job 27:23; Ps 103:16 **7:11** Daarom zal ik mijn mond niet bedwingen. Ik spreek in de nood van mijn geest, ik klaag in de bitterheid van mijn ziel. Brontekst: גַּם (gam) = ook | אֲנִי֮ (ani) = ik | לֹ֤א (lo) = niet | אֶחֱשָׂ֫ךְ (echesakh) = zal bedwingen | פִּ֥י (pi) = mijn mond | אֲֽ֭דַבְּרָה (adabera) = ik zal spreken | בְּצַ֣ר (betsar) = in de nood van | רוּחִ֑י (ruchi) = mijn geest | אָ֝שִׂ֗יחָה (asicha) = ik zal klagen | בְּמַ֣ר (bemar) = in de bitterheid van | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:1; Job 21:25; 1 Sam 1:10; Ps 40:10; Jes 38:15 **7:12** Ben ik de zee, of het zeemonster, dat U een wacht tegen mij stelt? Brontekst: הֲֽיָם (hayam) = de zee | אָ֭נִי (ani) = ben ik | אִם (im) = of | תַּנִּ֑ין (tanin) = het zeemonster | כִּֽי (ki) = dat | תָשִׂ֖ים (tasim) = U stelt | עָלַ֣י (alay) = over mij | מִשְׁמָֽר (mishmar) = een wacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָם (yam) is de zee, תַּנִּין (tannin) het zeemonster; in de oudoosterse verhalen zijn zij de machten van de chaos, die door de godheid worden bedwongen (Ps. 74:13). Job vraagt: ben ik zo gevaarlijk dat U mij moet bewaken? Zie ook: Job 7:17; Job 38:6–11; Job 40:25–41:26; Ps 74:13; Klaagl 3:7; Ezech 32:2–3 **7:13** Als ik zeg: ‘Mijn bed zal mij troosten, mijn legerstede zal mijn klacht verlichten’, Brontekst: כִּֽי (ki) = als | אָ֭מַרְתִּי (amarti) = ik zei | תְּנַחֲמֵ֣נִי (tenachameni) = zal mij troosten | עַרְשִׂ֑י (arsi) = mijn bed | יִשָּׂ֥א (yisa) = zal dragen | בְ֝שִׂיחִ֗י (besichi) = mijn klacht | מִשְׁכָּבִֽי (mishkavi) = mijn legerstede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:3–4; Job 9:27–28; Ps 6:7; Ps 77:5 **7:14** dan verschrikt U mij met dromen en jaagt U mij angst aan met visioenen, Brontekst: וְחִתַּתַּ֥נִי (vechitatani) = dan schrikt U mij | בַחֲלֹמ֑וֹת (bachalomot) = met dromen | וּֽמֵחֶזְיֹנ֥וֹת (umechezyonot) = en met visioenen | תְּבַעֲתַֽנִּי (tevaatani) = verschrikt U mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 40:5–7; Gen 41:8; Re 7:13–14; Dan 2:1; Mat 27:19 **7:15** zodat mijn ziel de wurging verkiest, de dood boven mijn beenderen. Brontekst: וַתִּבְחַ֣ר (vativchar) = en kiest | מַחֲנָ֣ק (machanaq) = wurging | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn ziel | מָ֝֗וֶת (mavet) = dood | מֵֽעַצְמוֹתָֽי (meatsmotay) = boven mijn beenderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 17:23; Mat 27:5 **7:16** Ik heb er genoeg van, ik zal niet eeuwig leven. Laat mij met rust, want mijn dagen zijn een ademtocht. Brontekst: מָ֭אַסְתִּי (maasti) = ik verwerp (het) | לֹא (lo) = niet | לְעֹלָ֣ם (leolam) = eeuwig | אֶֽחְיֶ֑ה (echye) = zal ik leven | חֲדַ֥ל (chadal) = houd op | מִ֝מֶּ֗נִּי (mimeni) = van mij | כִּי (ki) = want | הֶ֥בֶל (hevel) = een zucht | יָמָֽי (yamay) = mijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:21; Job 10:1; Job 14:6; 1 Kon 19:4; Jona 4:8 ### Wat is een mens, dat U hem zo in de gaten houdt? **7:17** Wat is een mens dat U hem zo groot maakt, en dat U Uw hart op hem richt, Brontekst: מָֽה (ma) = wat | אֱ֭נוֹשׁ (enosh) = de sterveling | כִּ֣י (ki) = dat | תְגַדְּלֶ֑נּוּ (tegadelenu) = U hem groot maakt | וְכִי (vekhi) = en dat | תָשִׁ֖ית (tashit) = U richt | אֵלָ֣יו (elav) = op hem | לִבֶּֽךָ (libekha) = Uw hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een omkering van Ps. 8:5: daar verwondert de dichter zich dat Elohim aan de mens denkt; Job verwijt dat Elohim te veel naar de mens kijkt. Zie ook: Job 7:12; Job 34:14–15; Ps 8:5; Ps 8:6; Ps 144:3; Heb 2:6 **7:18** hem elke ochtend bezoekt en hem elk ogenblik beproeft? Brontekst: וַתִּפְקְדֶ֥נּוּ (vatifqedenu) = en hem bezoekt | לִבְקָרִ֑ים (livqarim) = elke ochtend | לִ֝רְגָעִ֗ים (lirgaim) = elk ogenblik | תִּבְחָנֶֽנּוּ (tivchanenu) = hem beproeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 22:1; Ex 20:5; Jes 38:12–13; Jer 9:6; 1 Petr 1:7 **7:19** Hoe lang nog kijkt U niet van mij weg en laat U mij niet los, totdat ik mijn speeksel kan inslikken? Brontekst: כַּ֭מָּה (kama) = hoe lang | לֹא (lo) = niet | תִשְׁעֶ֣ה (tishe) = kijkt U weg | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = van mij | לֹֽא (lo) = niet | תַ֝רְפֵּ֗נִי (tarpeni) = laat U mij los | עַד (ad) = tot | בִּלְעִ֥י (bili) = ik inslik | רֻקִּֽי (ruqi) = mijn speeksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:18; Job 14:6; Ps 6:4; Ps 13:2–4; Ps 94:3 **7:20** Heb ik gezondigd, wat doe ik U daarmee aan, bewaker van de mens? Waarom hebt U mij tot Uw doelwit gemaakt, zodat ik mezelf tot last ben? Brontekst: חָטָ֡אתִי (chatati) = ik heb gezondigd | מָ֤ה (ma) = wat | אֶפְעַ֨ל (efal) = doe ik | לָךְ֮ (lakh) = U | נֹצֵ֪ר (notser) = bewaker van | הָאָ֫דָ֥ם (haadam) = de mens | לָ֤מָה (lama) = waarom | שַׂמְתַּ֣נִי (samtani) = hebt U mij gezet | לְמִפְגָּ֣ע (lemifga) = tot doelwit | לָ֑ךְ (lakh) = voor U | וָאֶהְיֶ֖ה (vaehye) = en ben ik | עָלַ֣י (alay) = voor mij | לְמַשָּֽׂא (lemasa) = tot last Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: עָלַי (alay), ‘voor mij’. Een oude Joodse overlevering (tikkun soferim, ‘verbetering van de schrijvers’) zegt dat er oorspronkelijk ‘voor U’ (עָלֶיךָ) stond, maar dat de schrijvers dat hebben gewijzigd uit eerbied. Wij vertalen de Masoretische tekst. Zie ook: Job 3:24; Job 7:11–12; Job 33:27; Ps 36:7; Klaagl 3:12 **7:21** En waarom vergeeft U mijn overtreding niet en neemt U mijn schuld niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen. U zult mij zoeken, maar ik ben er niet meer.” Brontekst: וּמֶ֤ה (ume) = en waarom | לֹא (lo) = niet | תִשָּׂ֣א (tisa) = vergeeft U | פִשְׁעִי֮ (pishi) = mijn overtreding | וְתַעֲבִ֪יר (vetaavir) = en neemt U weg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֲוֺ֫נִ֥י (avoni) = mijn schuld | כִּֽי (ki) = want | עַ֭תָּה (ata) = nu | לֶעָפָ֣ר (leafar) = in het stof | אֶשְׁכָּ֑ב (eshkav) = zal ik liggen | וְשִׁ֖חֲרְתַּ֣נִי (veshichartani) = en zult U mij zoeken | וְאֵינֶֽנִּי (veeineni) = en ik ben er niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De laatste zin keert de gedachte om: Elohim zal Job zoeken, maar niet meer vinden. Dat is bitter: Elohim zoekt te laat. Zie ook: Job 10:14; Pred 12:7; Klaagl 5:20–22; Dan 12:2; 1 Joh 1:9 ## Job 8 _Bildad spreekt_ ### Bildad spreekt **8:1** Bildad uit Sjuach nam het woord en zei: Brontekst: וַ֭יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | בִּלְדַּ֥ד (bildad) = Bildad | הַשּׁוּחִ֗י (hashuchi) = de Sjuchiet | וַיֹאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bildad komt uit Sjuach (zie 2:11). Voetnoot Uitleg: Hij spreekt korter en scherper dan Elifaz en beroept zich op de overlevering van de voorouders. Zie ook: Job 2:11 **8:2** „Hoe lang nog zeg je dit? Hoe lang zijn de woorden van je mond een geweldige storm? Brontekst: עַד (ad) = tot | אָ֥ן (an) = waar | תְּמַלֶּל (temalel) = spreek je | אֵ֑לֶּה (ele) = deze dingen | וְר֥וּחַ (veruach) = en een wind | כַּ֝בִּיר (kabir) = geweldige | אִמְרֵי (imrei) = woorden van | פִֽיךָ (pikha) = je mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:26; Job 7:11; Job 15:2; Ex 10:7; 1 Kon 19:11 **8:3** Verdraait El het recht? Verdraait Sjaddai de gerechtigheid? Brontekst: הַ֭אֵל (hael) = El? | יְעַוֵּ֣ת (yeavet) = verdraait | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | וְאִם (veim) = of | שַׁ֝דַּ֗י (shaday) = Sjaddai | יְעַוֵּֽת (yeavet) = verdraait | צֶֽדֶק (tsedeq) = gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bildads vraag is retorisch: natuurlijk verdraait El het recht niet. Dit is de kern van zijn leer: Elohim is rechtvaardig, dus wie lijdt, heeft gezondigd. Zie ook: Gen 18:25; Deut 32:4; 2 Kron 19:7; Ezech 33:20; Dan 9:14 **8:4** Als je zonen tegen Hem gezondigd hebben, dan heeft Hij hen overgeleverd aan hun eigen overtreding. Brontekst: אִם (im) = indien | בָּנֶ֥יךָ (baneikha) = je zonen | חָֽטְאוּ (chateu) = zondigden | ל֑וֹ (lo) = tegen Hem | וַֽ֝יְשַׁלְּחֵ֗ם (vayshalechem) = dan zond Hij hen weg | בְּיַד (beyad) = in de hand van | פִּשְׁעָֽם (pisham) = hun overtreding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een harde uitspraak over Jobs gestorven kinderen (1:19). Bildad zegt het onverbloemd: hun dood was de straf voor hun zonde. Zie ook: Gen 19:13–25; Job 1:5; Job 1:18–19; Job 5:4; Job 18:16–19 **8:5** Maar als jij El ernstig zoekt en Sjaddai om genade smeekt, Brontekst: אִם (im) = indien | אַ֭תָּה (ata) = jij | תְּשַׁחֵ֣ר (teshacher) = zoekt | אֶל (el) = naar | אֵ֑ל (el) = El | וְאֶל (veel) = en tot | שַׁ֝דַּ֗י (shaday) = Sjaddai | תִּתְחַנָּֽן (titchanan) = smeekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: El (אֵל) en Sjaddai (שַׁדַּי) staan parallel als namen voor Elohim. Zie ook: Job 11:13; Jes 55:6–7; Mat 7:7–8; Jak 4:7–10; Heb 3:7–8 **8:6** als jij zuiver en oprecht bent, dan zal Hij nu voor je opstaan en je rechtmatige woning herstellen. Brontekst: אִם (im) = indien | זַ֥ךְ (zakh) = zuiver | וְיָשָׁ֗ר (veyashar) = en oprecht | אָ֥תָּה (ata) = jij bent | כִּי (ki) = want | עַ֭תָּה (ata) = nu | יָעִ֣יר (yair) = zal Hij ontwaken | עָלֶ֑יךָ (aleikha) = voor jou | וְ֝שִׁלַּ֗ם (veshilam) = en zal herstellen | נְוַ֣ת (nevat) = woning van | צִדְקֶֽךָ (tsidqekha) = je rechtvaardigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:24; Ps 7:7; Spr 15:8; Jes 3:10; Jes 51:9 **8:7** Dan zal je begin klein lijken en je einde zeer groot worden. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en zal zijn | רֵאשִׁיתְךָ֣ (reshitekha) = je begin | מִצְעָ֑ר (mitsar) = klein | וְ֝אַחֲרִיתְךָ֗ (veacharitekha) = en je einde | יִשְׂגֶּ֥ה (yisge) = zal groot worden | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:12–13; Spr 4:18; Spr 19:20; Zach 4:10; Mat 13:31–32 ### Leer van de vorige generaties **8:8** Vraag het toch aan de vorige generatie, en let op wat hun vaders hebben ontdekt. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שְׁאַל (sheal) = vraag | נָ֭א (na) = toch | לְדֹ֣ר (ledor) = aan generatie | רִישׁ֑וֹן (rishon) = vorige | וְ֝כוֹנֵ֗ן (vekhonen) = en richt je | לְחֵ֣קֶר (lecheqer) = op het onderzoek van | אֲבוֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bildad beroept zich niet op een visioen zoals Elifaz (4:12–16) maar op de ervaring van eerdere generaties. Zie ook: Job 15:18; Deut 4:32; Deut 32:7; 1 Kor 10:11; Rom 15:4 **8:9** Want wij zijn van gisteren en weten niets. Onze dagen op aarde zijn een schaduw. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תְמ֣וֹל (temol) = gisteren | אֲ֭נַחְנוּ (anachnu) = wij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נֵדָ֑ע (neda) = weten wij | כִּ֤י (ki) = want | צֵ֖ל (tsel) = schaduw | יָמֵ֣ינוּ (yameinu) = onze dagen | עֲלֵי (alei) = op | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 47:9; Job 14:2; 1 Kron 29:15; Ps 102:12; Ps 144:4 **8:10** Zullen zij je niet onderwijzen en tot je spreken, en woorden uit hun hart voortbrengen? Brontekst: הֲלֹא (halo) = niet? | הֵ֣ם (hem) = zij | י֭וֹרוּךָ (yorukha) = zullen je onderwijzen | יֹ֣אמְרוּ (yomru) = zullen zeggen | לָ֑ךְ (lakh) = tot jou | וּ֝מִלִּבָּ֗ם (umilibam) = en uit hun hart | יוֹצִ֥אוּ (yotsiu) = brengen ze voort | מִלִּֽים (milim) = woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 11:19; Ps 145:4; Spr 18:15; Mat 12:35; Heb 11:4 **8:11** Groeit riet zonder moeras? Groeit gras zonder water? Brontekst: הֲיִֽגְאֶה (hayige) = groeit hoog | גֹּ֭מֶא (gome) = riet | בְּלֹ֣א (belo) = zonder | בִצָּ֑ה (bitsa) = moeras | יִשְׂגֶּה (yisge) = groeit | אָ֥חוּ (achu) = gras | בְלִי (beli) = zonder | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּמֶא (gome) is papyrusriet, dat alleen groeit waar water is. Het beeld: iets wat afhankelijk is van water verdort zonder water; zo verdort wie El vergeet. Zie ook: Ex 2:3; Jes 19:5–7 **8:12** Het staat nog in zijn groen en wordt niet gesneden, maar toch verdort het eerder dan alle gras. Brontekst: עֹדֶ֣נּוּ (odenu) = nog | בְ֭אִבּוֹ (beibo) = in zijn groen | לֹ֣א (lo) = niet | יִקָּטֵ֑ף (yiqatef) = wordt het gesneden | וְלִפְנֵ֖י (velifnei) = en voor | כָל (kal) = elk | חָצִ֣יר (chatsir) = gras | יִיבָֽשׁ (yivash) = verdort het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 129:6–7; Jer 17:6; Mat 13:20; Jak 1:10–11; 1 Petr 1:24 **8:13** Zo zijn de paden van allen die El vergeten, en de hoop van de goddeloze vergaat. Brontekst: כֵּ֗ן (ken) = zo | אָ֭רְחוֹת (arechot) = paden van | כָּל (kal) = allen | שֹׁ֣כְחֵי (shokhechei) = die vergeten | אֵ֑ל (el) = El | וְתִקְוַ֖ת (vetiqvat) = en hoop van | חָנֵ֣ף (chanef) = de goddeloze | תֹּאבֵֽד (toved) = vergaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָנֵף (chanef), ‘goddeloze’, is iemand die de verbinding met Elohim verbroken heeft, ook al ziet het er van buiten anders uit. Zie ook: Job 11:20; Job 13:16; Job 15:34; Ps 9:18; Spr 10:28 **8:14** Zijn vertrouwen breekt af, en wat hij vertrouwt, is een spinnenweb. Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = wiens | יָק֥וֹט (yaqot) = breekt af | כִּסְל֑וֹ (kislo) = vertrouwen | וּבֵ֥ית (uveit) = en een huis van | עַ֝כָּבִ֗ישׁ (akavish) = spin | מִבְטַחֽוֹ (mivtacho) = zijn vertrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 59:5–6 **8:15** Hij leunt op zijn huis, maar het blijft niet staan. Hij klampt zich eraan vast, maar het houdt geen stand. Brontekst: יִשָּׁעֵ֣ן (yishaen) = leunt hij | עַל (al) = op | בֵּ֭יתוֹ (beito) = zijn huis | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲמֹ֑ד (yaamod) = staat het | יַחֲזִ֥יק (yachaziq) = hij klampt zich vast | בּ֝֗וֹ (bo) = eraan | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָקֽוּם (yaqum) = houdt het stand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:14; Job 27:18; Ps 112:10; Mat 7:24–27; Luc 6:47–49 **8:16** Hij is groen in de zon, en zijn scheuten spreiden zich uit over zijn tuin. Brontekst: רָטֹ֣ב (ratov) = sappig | ה֭וּא (hu) = hij | לִפְנֵי (lifnei) = voor | שָׁ֑מֶשׁ (shamesh) = de zon | וְעַ֥ל (veal) = en over | גַּ֝נָּת֗וֹ (ganato) = zijn tuin | יֹֽנַקְתּ֥וֹ (yonaqto) = zijn scheuten | תֵצֵֽא (tetse) = gaan uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:3; Job 21:7–15; Ps 73:3–12; Ps 80:12; Jer 11:16 **8:17** Zijn wortels strengelen zich om een steenhoop, hij ziet een huis van stenen. Brontekst: עַל (al) = over | גַּ֭ל (gal) = een steenhoop | שָֽׁרָשָׁ֣יו (sharashav) = zijn wortels | יְסֻבָּ֑כוּ (yesubakhu) = strengelen | בֵּ֖ית (beit) = een huis van | אֲבָנִ֣ים (avanim) = stenen | יֶחֱזֶֽה (yecheze) = ziet hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is onzeker. Het beeld: een plant die zich met zijn wortels om een steenhoop windt, denkt in een huis van stenen te leven, maar zit vast op de stenen. Zie ook: Job 18:16; Job 29:19; Jes 5:24; Jes 40:24; Mar 11:20 **8:18** Als iemand hem van zijn plaats wegrukt, loochent die plaats hem: ‘Ik heb je nooit gezien.’ Brontekst: אִם (im) = indien | יְבַלְּעֶ֥נּוּ (yevaleenu) = men hem opslokt | מִמְּקוֹמ֑וֹ (mimeqomo) = van zijn plaats | וְכִ֥חֶשׁ (vekhichesh) = dan loochent | בּ֝֗וֹ (bo) = hem | לֹ֣א (lo) = niet | רְאִיתִֽיךָ (reitikha) = ik zag je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:8; Job 7:10; Job 20:9; Ps 37:10; Ps 37:36 **8:19** Zie, dat is de vreugde van zijn weg, en uit het stof groeit een ander op. Brontekst: הֶן (hen) = zie | ה֭וּא (hu) = dit | מְשׂ֣וֹשׂ (mesos) = vreugde van | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = zijn weg | וּ֝מֵעָפָ֗ר (umeafar) = en uit stof | אַחֵ֥ר (acher) = anderen | יִצְמָֽחוּ (yitsmachu) = zullen opgroeien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De vreugde van zijn weg’ is bitter bedoeld: dat is alles wat de goddeloze krijgt. Een ander groeit uit het stof op en neemt zijn plaats in. Zie ook: Job 20:5; 1 Sam 2:8; Ps 75:8; Ps 113:7; Mat 13:20–21 ### El verwerpt de onberispelijke niet **8:20** Zie, El verwerpt de onberispelijke niet, en geeft de boosdoeners geen hand. Brontekst: הֶן (hen) = zie | אֵ֭ל (el) = El | לֹ֣א (lo) = niet | יִמְאַס (yimas) = verwerpt | תָּ֑ם (tam) = de onberispelijke | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַ֝חֲזִ֗יק (yachaziq) = grijpt | בְּיַד (beyad) = bij de hand | מְרֵעִֽים (mereim) = boosdoeners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:7; Ps 37:24; Ps 37:37; Ps 94:14; Jes 45:1 **8:21** Hij zal je mond nog vullen met lachen en je lippen met gejuich. Brontekst: עַד (ad) = totdat | יְמַלֵּ֣ה (yemale) = Hij vult | שְׂח֣וֹק (sechoq) = lachen | פִּ֑יךָ (pikha) = je mond | וּשְׂפָתֶ֥יךָ (usefateikha) = en je lippen | תְרוּעָֽה (terua) = gejuich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bildad eindigt met een belofte: als Job zich bekeert, zal Elohim hem herstellen. Dat gebeurt aan het einde van het boek, maar anders dan Bildad denkt (42:7–9). Zie ook: Gen 21:6; Ps 32:11; Ps 126:2; Ps 126:6; Luc 6:21 **8:22** Je vijanden zullen zich met schaamte kleden, en de tent van de goddelozen bestaat niet meer.” Brontekst: שֹׂנְאֶ֥יךָ (soneeikha) = je haters | יִלְבְּשׁוּ (yilbeshu) = zullen zich kleden | בֹ֑שֶׁת (boshet) = in schaamte | וְאֹ֖הֶל (veohel) = en tent van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | אֵינֶֽנּוּ (einenu) = niet is er Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:18; Job 18:14; Ps 35:26; Ps 109:29; Ps 132:18 ## Job 9 _Job: er is geen scheidsrechter_ ### Hoe kan een mens gelijk krijgen bij El? **9:1** Job antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:2** „Zeker, ik weet dat het zo is. Maar hoe kan een mens rechtvaardig zijn bij El? Brontekst: אָ֭מְנָם (amenam) = waarlijk | יָדַ֣עְתִּי (yadati) = ik weet | כִי (ki) = dat | כֵ֑ן (ken) = zo | וּמַה (uma) = en hoe | יִּצְדַּ֖ק (yitsdaq) = is rechtvaardig | אֱנ֣וֹשׁ (enosh) = een sterveling | עִם (im) = bij | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job stemt in met Bildad (8:3): Elohim is rechtvaardig. Maar hij trekt een andere conclusie: dan kan een mens nooit gelijk krijgen tegenover Hem. Zie ook: Job 4:17; Job 14:3–4; Job 25:4; Ps 143:2; Rom 3:20 **9:3** Als hij een rechtszaak met Hem wil voeren, kan hij op duizend vragen er niet één beantwoorden. Brontekst: אִם (im) = indien | יַ֭חְפֹּץ (yachpots) = hij wil | לָרִ֣יב (lariv) = twisten | עִמּ֑וֹ (imo) = met Hem | לֹֽא (lo) = niet | יַ֝עֲנֶ֗נּוּ (yaanenu) = kan hij Hem antwoorden | אַחַ֥ת (achat) = één | מִנִּי (mini) = van | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld is dat van een rechtszaak (רִיב, riv). Job denkt dat hij Elohim voor het gerecht kan dagen, maar dat hij op geen van de duizend vragen zou kunnen antwoorden. In hoofdstuk 38–41 gebeurt precies dat: Elohim stelt de vragen. Zie ook: Job 9:20; Job 10:2; Job 23:3–7; Job 40:2; 1 Joh 3:20 **9:4** Wijs van hart en sterk van kracht: wie heeft zich tegen Hem verhard en bleef ongedeerd? Brontekst: חֲכַ֣ם (chakham) = wijs van | לֵ֭בָב (levav) = hart | וְאַמִּ֣יץ (veamits) = en sterk van | כֹּ֑חַ (koach) = kracht | מִֽי (mi) = wie | הִקְשָׁ֥ה (hiqsha) = verhardde zich | אֵ֝לָ֗יו (elav) = tegen Hem | וַיִּשְׁלָֽם (vayishlam) = en bleef ongedeerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:5; Spr 29:1; Rom 11:33; Ef 3:20; Jud 1:24–25 **9:5** Hij verplaatst bergen zonder dat ze het weten, en keert ze om in Zijn toorn. Brontekst: הַמַּעְתִּ֣יק (hamatiq) = Hij die verplaatst | הָ֭רִים (harim) = bergen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָדָ֑עוּ (yadau) = weten ze het | אֲשֶׁ֖ר (asher) = Hij die | הֲפָכָ֣ם (hafakham) = ze omkeert | בְּאַפּֽוֹ (beapo) = in Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hab 3:10; Mat 27:51; Luc 21:11; Openb 11:13; Openb 16:18–20 **9:6** Hij doet de aarde beven op haar plaats, en haar pilaren schudden. Brontekst: הַמַּרְגִּ֣יז (hamargiz) = Hij die doet beven | אֶ֭רֶץ (erets) = aarde | מִמְּקוֹמָ֑הּ (mimeqomah) = van haar plaats | וְ֝עַמּוּדֶ֗יהָ (veamudeiha) = en haar pilaren | יִתְפַלָּצֽוּן (yitfalatsun) = schudden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 26:11; Ps 75:4; Jes 2:21; Hag 2:6; Heb 12:26 **9:7** Hij spreekt tot de zon en ze gaat niet op, en Hij verzegelt de sterren. Brontekst: הָאֹמֵ֣ר (haomer) = Hij die zegt | לַ֭חֶרֶס (lacheres) = tot de zon | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִזְרָ֑ח (yizrach) = gaat ze op | וּבְעַ֖ד (uvead) = en rond | כּוֹכָבִ֣ים (kokhavim) = sterren | יַחְתֹּֽם (yachtom) = verzegelt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרֶס (cheres), ‘zon’, is een dichterlijk woord. De zon gaat niet op als Hij het zegt, en de sterren worden verzegeld, dus afgesloten. Zie ook: Job 37:7; Ex 10:21–22; Amos 8:9; Jes 13:10; Luc 21:25–26 **9:8** Hij alleen spant de hemel uit en betreedt de hoogten van de zee. Brontekst: נֹטֶ֣ה (note) = Hij die uitspant | שָׁמַ֣יִם (shamayim) = hemel | לְבַדּ֑וֹ (levado) = alleen | וְ֝דוֹרֵ֗ךְ (vedorekh) = en betreedt | עַל (al) = op | בָּ֥מֳתֵי (bamotei) = hoogten van | יָֽם (yam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:18; Ps 104:2–3; Jes 40:22; Jes 44:24; Zach 12:1 **9:9** Hij maakt de Beer, Orion en de Plejaden, en de kamers van het zuiden. Brontekst: עֹֽשֶׂה (ose) = Hij die maakt | עָ֭שׁ (ash) = de Beer | כְּסִ֥יל (kesil) = Orion | וְכִימָ֗ה (vekhima) = en de Plejaden | וְחַדְרֵ֥י (vechadrei) = en kamers van | תֵמָֽן (teman) = het zuiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָשׁ (ash), כְּסִיל (kesil) en כִּימָה (kimah) zijn sterrenbeelden. De gebruikelijke vertaling is Beer (of Arcturus), Orion en de Plejaden; de identificatie is niet zeker. Zie ook 38:31–32 en Amos 5:8. ‘De kamers van het zuiden’ zijn de sterren aan de zuidelijke hemel. Zie ook: Gen 1:16; Job 38:31–41; Ps 104:13; Ps 147:4; Amos 5:8 **9:10** Hij doet grote dingen die niemand kan doorgronden, wonderen zonder getal. Brontekst: עֹשֶׂ֣ה (ose) = Hij die doet | גְ֭דֹלוֹת (gedolot) = grote dingen | עַד (ad) = tot | אֵ֣ין (ein) = niet is er | חֵ֑קֶר (cheqer) = onderzoek | וְנִפְלָא֗וֹת (veniflaot) = en wonderen | עַד (ad) = tot | אֵ֥ין (ein) = niet is er | מִסְפָּֽר (mispar) = getal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:9; Ps 72:18; Ps 136:4; Rom 11:33; Ef 3:20 **9:11** Zie, Hij gaat langs mij, maar ik zie Hem niet. Hij glijdt voorbij en ik merk Hem niet op. Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | יַעֲבֹ֣ר (yaavor) = Hij gaat voorbij | עָ֭לַי (alay) = langs mij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶרְאֶ֑ה (ere) = zie ik (Hem) | וְ֝יַחֲלֹ֗ף (veyachalof) = en Hij glijdt weg | וְֽלֹא (velo) = en niet | אָבִ֥ין (avin) = merk ik | לֽוֹ (lo) = Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 23:8–9; Job 35:14; Ps 77:20; 1 Tim 6:16 **9:12** Zie, Hij grist weg. Wie kan Hem terughouden? Wie zal tegen Hem zeggen: ‘Wat doet U?’ Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | יַ֭חְתֹּף (yachtof) = Hij grist weg | מִ֣י (mi) = wie | יְשִׁיבֶ֑נּוּ (yeshivenu) = kan Hem terughouden | מִֽי (mi) = wie | יֹאמַ֥ר (yomar) = zal zeggen | אֵ֝לָ֗יו (elav) = tot Hem | מַֽה (ma) = wat | תַּעֲשֶֽׂה (taase) = doet U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:10; Job 23:13; Job 34:29; Jes 45:9; Dan 4:32 **9:13** Eloah houdt Zijn toorn niet in. Onder Hem bukken de helpers van Rahab. Brontekst: אֱ֭לוֹהַּ (eloha) = Eloah | לֹא (lo) = niet | יָשִׁ֣יב (yashiv) = houdt in | אַפּ֑וֹ (apo) = Zijn toorn | תַּחְתָּ֥יו (tachtav) = onder Hem | שָׁ֝חֲח֗וּ (shachachu) = bukken | עֹ֣זְרֵי (ozerei) = helpers van | רָֽהַב (rahav) = Rahab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַהַב (Rahav), ‘Rahab’, is een zeemonster uit de oudoosterse overlevering, een beeld van de chaos (26:12; Ps. 89:11; Jes. 51:9). Zelfs de helpers van dit monster bukken voor Eloah. Zie ook: Job 26:12; Ps 89:11; Ps 89:12; Jes 30:7; Jes 51:9; Jak 4:6–7 **9:14** Hoeveel te minder kan ik Hem antwoorden en mijn woorden tegenover Hem kiezen. Brontekst: אַ֭ף (af) = hoeveel | כִּֽי (ki) = te minder | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | אֶֽעֱנֶ֑נּוּ (eenenu) = zal Hem antwoorden | אֶבְחֲרָ֖ה (evchara) = zal kiezen | דְבָרַ֣י (devaray) = mijn woorden | עִמּֽוֹ (imo) = tegenover Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:19; Job 9:3; Job 25:6; Job 33:5; 1 Kon 8:27 **9:15** Zelfs als ik gelijk had, zou ik Hem niet kunnen antwoorden. Ik kan alleen mijn rechter om genade smeken. Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = Hem die | אִם (im) = al | צָ֭דַקְתִּי (tsadaqti) = ik had gelijk | לֹ֣א (lo) = niet | אֶעֱנֶ֑ה (eene) = zou ik antwoorden | לִ֝מְשֹׁפְטִ֗י (limshofeti) = mijn rechter | אֶתְחַנָּֽן (etchanan) = zou ik smeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job noemt Elohim hier zijn ‘rechter’ (מְשֹׁפְטִי, meshofeti): tegelijk de partij tegen wie hij procedeert en de rechter die moet beslissen. Zie ook: Job 8:5; Job 10:2; Job 10:15; Job 22:27; 1 Petr 2:23 **9:16** Als ik riep en Hij antwoordde, zou ik niet geloven dat Hij naar mijn stem luisterde. Brontekst: אִם (im) = indien | קָרָ֥אתִי (qarati) = ik riep | וַֽיַּעֲנֵ֑נִי (vayaaneni) = en Hij antwoordde mij | לֹֽא (lo) = niet | אַ֝אֲמִ֗ין (aamin) = zou ik geloven | כִּֽי (ki) = dat | יַאֲזִ֥ין (yaazin) = Hij luisterde | קוֹלִֽי (qoli) = naar mijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:7; Ps 116:1–2; Ps 126:1; Luc 24:41; Hand 12:14–16 **9:17** Hij verplettert mij met een storm en vermenigvuldigt mijn wonden zonder reden. Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = Hij die | בִּשְׂעָרָ֥ה (bisara) = in een storm | יְשׁוּפֵ֑נִי (yeshufeni) = verplettert mij | וְהִרְבָּ֖ה (vehirba) = en vermenigvuldigt | פְצָעַ֣י (petsaay) = mijn wonden | חִנָּֽם (chinam) = zonder reden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: בִּשְׂעָרָה (bis’arah) kan ‘in een storm’ of ‘om een haar’ (een kleinigheid) betekenen: het woord שְׂעָרָה/שַׂעֲרָה is beide. Wij kiezen ‘storm’, zoals ook in 38:1 Elohim uit de storm antwoordt. In beide lezingen voelt Job zich zonder reden getroffen. Zie ook: Job 1:14–19; Job 2:3; Job 16:14; Job 34:6; Ps 83:16 **9:18** Hij laat mij geen adem halen, maar verzadigt mij met bitterheid. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יִ֭תְּנֵנִי (yiteneni) = geeft Hij mij | הָשֵׁ֣ב (hashev) = te herstellen | רוּחִ֑י (ruchi) = mijn adem | כִּ֥י (ki) = maar | יַ֝שְׂבִּעַ֗נִי (yasbiani) = verzadigt mij | מַמְּרֹרִֽים (mamerorim) = met bitterheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:19; Job 27:2; Klaagl 3:3; Klaagl 3:15; Klaagl 3:18–19 **9:19** Gaat het om kracht, zie, Hij is machtig. Gaat het om recht, wie zal Mij dagvaarden? Brontekst: אִם (im) = indien | לְכֹ֣חַ (lekhoach) = over kracht | אַמִּ֣יץ (amits) = machtig | הִנֵּ֑ה (hine) = zie Hem | וְאִם (veim) = en indien | לְ֝מִשְׁפָּ֗ט (lemishpat) = over recht | מִ֣י (mi) = wie | יוֹעִידֵֽנִי (yoideni) = zal Mij dagvaarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יוֹעִידֵנִי (yo’idenni) betekent in de Masoretische tekst ‘zal mij dagvaarden’. Wij laten Elohim hier zelf spreken: ‘wie zal Mij dagvaarden?’ (vergelijk Jer. 49:19). Anderen lezen ‘Hem’ (Job spreekt): wie durft Elohim te dagvaarden? Zie ook: Job 9:4; Job 9:32–33; Ps 62:12; Jer 49:19; Mat 6:13; 1 Kor 1:25 **9:20** Al kreeg ik gelijk, mijn eigen mond zou mij schuldig verklaren. Ben ik onberispelijk, dan verdraait Hij het. Brontekst: אִם (im) = indien | אֶ֭צְדָּק (etsdaq) = ik gelijk heb | פִּ֣י (pi) = mijn mond | יַרְשִׁיעֵ֑נִי (yarshieni) = verklaart mij schuldig | תָּֽם (tam) = onberispelijk | אָ֝֗נִי (ani) = ik ben | וַֽיַּעְקְשֵֽׁנִי (vayaqesheni) = dan verdraait Hij het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:17; Job 15:5–6; Job 34:35; Ps 130:3; Ps 143:2 **9:21** Ik ben onberispelijk. Ik ken mezelf niet meer, ik verwerp mijn leven. Brontekst: תָּֽם (tam) = onberispelijk | אָ֭נִי (ani) = ik ben | לֹֽא (lo) = niet | אֵדַ֥ע (eda) = ken ik | נַפְשִׁ֗י (nafshi) = mijzelf | אֶמְאַ֥ס (emas) = ik verwerp | חַיָּֽי (chayay) = mijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:1; Job 7:21; Ps 139:23–24; Spr 28:26; 1 Kor 4:4 **9:22** Het is allemaal hetzelfde. Daarom zeg ik: de onberispelijke en de goddeloze maakt Hij beiden een einde. Brontekst: אַחַ֗ת (achat) = eenzelfde | הִ֥יא (hi) = het is | עַל (al) = op grond | כֵּ֥ן (ken) = hiervan | אָמַ֑רְתִּי (amarti) = zei ik | תָּ֥ם (tam) = de onberispelijke | וְ֝רָשָׁ֗ע (verasha) = en de goddeloze | ה֣וּא (hu) = Hij | מְכַלֶּֽה (mekhale) = maakt een einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:8; Pred 9:1–3; Ezech 21:8–9; Luc 13:2–4 **9:23** Als een gesel plotseling doodt, lacht Hij om de wanhoop van onschuldigen. Brontekst: אִם (im) = indien | שׁ֭וֹט (shot) = een gesel | יָמִ֣ית (yamit) = doodt | פִּתְאֹ֑ם (pitom) = plotseling | לְמַסַּ֖ת (lemasat) = om de wanhoop van | נְקִיִּ֣ם (neqiyim) = onschuldigen | יִלְעָֽג (yilag) = lacht Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:20; Job 24:12; Ps 44:23; Ezech 14:19–21; Ezech 21:18 **9:24** De aarde is in de hand van een goddeloze gegeven. Het gezicht van haar rechters bedekt Hij. Als Hij het niet is, wie dan? Brontekst: אֶ֤רֶץ (erets) = aarde | נִתְּנָ֬ה (nitena) = is gegeven | בְֽיַד (beyad) = in de hand van | רָשָׁ֗ע (rasha) = een goddeloze | פְּנֵֽי (penei) = gezicht van | שֹׁפְטֶ֥יהָ (shofeteiha) = haar rechters | יְכַסֶּ֑ה (yekhase) = bedekt Hij | אִם (im) = indien | לֹ֖א (lo) = niet | אֵפ֣וֹא (efo) = dan | מִי (mi) = wie | הֽוּא (hu) = Hij (is het) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een van de scherpste uitspraken van Job: de aarde is aan de goddeloze gegeven, en Elohim bedekt het gezicht van de rechters, zodat ze het recht niet zien. Het slot, ‘Als Hij het niet is, wie dan?’, maakt Elohim verantwoordelijk. Zie ook: Job 10:3; Job 21:7–15; 2 Sam 15:30; Ps 73:3–7; Jer 12:1–2 ### Mijn dagen vliegen voorbij **9:25** Mijn dagen zijn sneller dan een renner. Ze vluchten, ze zien geen geluk. Brontekst: וְיָמַ֣י (veyamay) = en mijn dagen | קַ֭לּוּ (qalu) = zijn sneller | מִנִּי (mini) = dan | רָ֑ץ (rats) = een renner | בָּֽ֝רְח֗וּ (barechu) = ze vluchten | לֹא (lo) = niet | רָא֥וּ (rau) = zien ze | טוֹבָֽה (tova) = goeds Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:6–7; Ps 39:6; Ps 90:9–10; Est 8:14; Jak 4:14 **9:26** Ze glijden voorbij als rietboten, als een arend die op zijn prooi duikt. Brontekst: חָ֭לְפוּ (chalefu) = glijden voorbij | עִם (im) = met | אֳנִיּ֣וֹת (oniyot) = schepen van | אֵבֶ֑ה (eve) = riet | כְּ֝נֶ֗שֶׁר (kenesher) = als een arend | יָט֥וּשׂ (yatus) = duikt | עֲלֵי (alei) = op | אֹֽכֶל (okhel) = prooi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנִיּוֹת אֵבֶה (aniyyot eve) zijn ‘rietboten’ of ‘snelle schepen’. De betekenis van אֵבֶה (eve) is onzeker. Zie ook: Job 39:27–30; Spr 23:5; Jes 18:2; Jer 4:13; Hab 1:8 **9:27** Als ik zeg: ‘Ik zal mijn klacht vergeten, mijn gezicht veranderen en vrolijk kijken’, Brontekst: אִם (im) = indien | אָ֭מְרִי (ameri) = ik zeg | אֶשְׁכְּחָ֣ה (eshkecha) = ik wil vergeten | שִׂיחִ֑י (sichi) = mijn klacht | אֶעֶזְבָ֖ה (eezva) = ik wil laten varen | פָנַ֣י (panay) = mijn gezicht | וְאַבְלִֽיגָה (veavliga) = en opvrolijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:11; Job 7:13; Ps 77:3–4; Jer 8:18 **9:28** dan ben ik bang voor al mijn pijnen. Ik weet dat U mij niet onschuldig verklaart. Brontekst: יָגֹ֥רְתִּי (yagorti) = ik vrees | כָל (kal) = al | עַצְּבֹתָ֑י (atsevotay) = mijn pijnen | יָ֝דַ֗עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּי (ki) = dat | לֹ֥א (lo) = niet | תְנַקֵּֽנִי (tenaqeni) = U verklaart mij onschuldig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:25; Job 10:14; Job 14:16; Ps 88:16–17; Ps 119:120 **9:29** Ik zal toch schuldig zijn. Waarom dan nog tevergeefs moeite doen? Brontekst: אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | אֶרְשָׁ֑ע (ersha) = zal schuldig zijn | לָמָּה (lama) = waarom | זֶּ֝֗ה (ze) = dan | הֶ֣בֶל (hevel) = tevergeefs | אִיגָֽע (iga) = zou ik moeite doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:22; Job 10:2; Job 10:7; Ps 37:33; Ps 73:13 **9:30** Als ik mij zou wassen met sneeuwwater en mijn handen reinigde met zeep, Brontekst: אִם (im) = indien | הִתְרָחַ֥צְתִּי (hitrachatsti) = ik mij waste | בְמֵי (bemei) = met water van | שָׁ֑לֶג (shaleg) = sneeuw | וַ֝הֲזִכּ֗וֹתִי (vahazikoti) = en reinigde | בְּבֹ֣ר (bevor) = met zeep | כַּפָּֽי (kapay) = mijn handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּר (bor), ‘zeep’, is hier een reinigingsmiddel, bijvoorbeeld loog of potas. Zie ook: Ps 26:6; Spr 28:13; Jer 2:22; Rom 10:3; 1 Joh 1:8 **9:31** dan nog zou U mij in de put dompelen, zodat mijn kleren een afschuw van mij hebben. Brontekst: אָ֭ז (az) = dan | בַּשַּׁ֣חַת (bashachat) = in de put | תִּטְבְּלֵ֑נִי (titbeleni) = dompelt U mij | וְ֝תִֽעֲב֗וּנִי (vetiavuni) = en verafschuwen mij | שַׂלְמוֹתָֽי (salmotay) = mijn kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:20; Job 15:6; Jes 59:6; Jes 64:5; Fil 3:8–9 ### Er is geen scheidsrechter **9:32** Want Hij is geen mens zoals ik, dat ik Hem zou antwoorden, dat wij samen voor de rechter zouden komen. Brontekst: כִּי (ki) = want | לֹא (lo) = niet | אִ֣ישׁ (ish) = een man | כָּמֹ֣נִי (kamoni) = zoals ik | אֶֽעֱנֶ֑נּוּ (eenenu) = dat ik Hem antwoord | נָב֥וֹא (navo) = dat wij komen | יַ֝חְדָּ֗ו (yachdav) = samen | בַּמִּשְׁפָּֽט (bamishpat) = in het gericht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:19; Ps 143:2; Pred 6:10; Jes 45:9; Rom 9:20 **9:33** Er is geen scheidsrechter tussen ons, die zijn hand op ons beiden legt. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | יֵשׁ (yesh) = is er | בֵּינֵ֣ינוּ (beineinu) = tussen ons | מוֹכִ֑יחַ (mokhiach) = een scheidsrechter | יָשֵׁ֖ת (yashet) = die legt | יָד֣וֹ (yado) = zijn hand | עַל (al) = op | שְׁנֵֽינוּ (sheneinu) = ons beiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹכִיחַ (mokiach) is een scheidsrechter of bemiddelaar die beide partijen aan zich bindt door zijn hand op hen te leggen. Job wenst zo iemand (vergelijk 16:19–21; 19:25). In het Nieuwe Testament wordt Christus de bemiddelaar tussen Elohim en mensen genoemd (1 Tim. 2:5). Zie ook: Job 9:19; 1 Sam 2:25; Ps 106:23; 1 Kon 3:16–28; 1 Tim 2:5; 1 Joh 2:1–2 **9:34** Hij moet Zijn stok van mij wegnemen. Zijn schrikbeeld mag mij niet verschrikken. Brontekst: יָסֵ֣ר (yaser) = laat Hij wegnemen | מֵעָלַ֣י (mealay) = van mij | שִׁבְט֑וֹ (shivto) = Zijn stok | וְ֝אֵמָת֗וֹ (veemato) = en Zijn schrik | אַֽל (al) = niet | תְּבַעֲתַֽנִּי (tevaatani) = verschrikke mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:11; Job 13:20–22; Job 33:7; Job 37:1; Ps 39:11 **9:35** Dan zou ik spreken en Hem niet vrezen. Maar zo ben ik niet bij mijzelf.” Brontekst: אַֽ֭דַבְּרָה (adabera) = ik zou spreken | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אִירָאֶ֑נּוּ (iraenu) = zou ik Hem vrezen | כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | כֵ֥ן (ken) = zo | אָ֝נֹכִ֗י (anokhi) = ik | עִמָּדִֽי (imadi) = bij mezelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ## Job 10 _Job spreekt Eloah rechtstreeks aan_ ### Job spreekt Eloah rechtstreeks aan **10:1** „Ik heb genoeg van mijn leven. Ik laat mijn klacht de vrije loop, ik spreek in de bitterheid van mijn ziel. Brontekst: נָֽקְטָ֥ה (naqeta) = heeft genoeg | נַפְשִׁ֗י (nafshi) = mijn ziel | בְּחַ֫יָּ֥י (bechayay) = van mijn leven | אֶֽעֶזְבָ֣ה (eezva) = ik laat los | עָלַ֣י (alay) = over mij | שִׂיחִ֑י (sichi) = mijn klacht | אֲ֝דַבְּרָה֗ (adabera) = ik spreek | בְּמַ֣ר (bemar) = in bitterheid van | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier richt Job zich niet meer tot zijn vrienden, maar tot Eloah. Het is een klaagpsalm in de vorm van een rechtszaak: ‘laat mij weten waarom U met mij twist’ (vers 2). Zie ook: Job 7:11; Job 9:21; Num 11:15; 1 Kon 19:4; Jona 4:8 **10:2** Ik zeg tegen Eloah: ‘Verklaar mij niet schuldig. Laat mij weten waarom U met mij twist.’ Brontekst: אֹמַ֣ר (omar) = ik zeg | אֶל (el) = tot | אֱ֭לוֹהַּ (eloha) = Eloah | אַל (al) = niet | תַּרְשִׁיעֵ֑נִי (tarshieni) = verklaar mij schuldig | הֽ֝וֹדִיעֵ֗נִי (hodieni) = laat mij weten | עַ֣ל (al) = om | מַה (ma) = wat | תְּרִיבֵֽנִי (teriveni) = U met mij twist Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:5–6; Job 9:29; Ps 6:2–5; Ps 139:23–24; Ps 143:2 **10:3** Is het goed voor U om te onderdrukken, om het werk van Uw handen te verachten, terwijl U schijnt over de plannen van de goddelozen? Brontekst: הֲט֤וֹב (hatov) = is het goed | לְךָ֨ (lekha) = voor U | כִּֽי (ki) = dat | תַעֲשֹׁ֗ק (taashoq) = U onderdrukt | כִּֽי (ki) = dat | תִ֭מְאַס (timas) = U verwerpt | יְגִ֣יעַ (yegia) = arbeid van | כַּפֶּ֑יךָ (kapeikha) = Uw handen | וְעַל (veal) = en over | עֲצַ֖ת (atsat) = raad van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | הוֹפָֽעְתָּ (hofata) = U laat schijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּמְאַס (tim’as), ‘U verwerpt’: Job heeft het gevoel dat Eloah het werk van Zijn eigen handen veracht, terwijl Hij tegelijk over de plannen van de goddelozen Zijn licht laat schijnen. Het contrast is scherp. Zie ook: Job 14:15; Job 34:18–19; Ps 138:8; Jes 64:7; Jer 12:1–3 **10:4** Hebt U ogen van vlees? Ziet U zoals een mens ziet? Brontekst: הַעֵינֵ֣י (haeinei) = zijn ogen van | בָשָׂ֣ר (basar) = vlees | לָ֑ךְ (lakh) = bij U | אִם (im) = of | כִּרְא֖וֹת (kirot) = zoals zien van | אֱנ֣וֹשׁ (enosh) = een sterveling | תִּרְאֶֽה (tire) = ziet U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vraag is retorisch: Elohim ziet niet als een mens, die naar de buitenkant kijkt. Dan moet Hij weten dat Job onschuldig is (vers 7). Zie ook: Job 9:32; 1 Sam 16:7; Luc 16:15; Openb 1:14 **10:5** Zijn Uw dagen als de dagen van een sterveling, of Uw jaren als de dagen van een man, Brontekst: הֲכִימֵ֣י (hakhimei) = zijn zoals dagen van | אֱנ֣וֹשׁ (enosh) = een sterveling | יָמֶ֑יךָ (yameikha) = Uw dagen | אִם (im) = of | שְׁ֝נוֹתֶ֗יךָ (shenoteikha) = Uw jaren | כִּ֣ימֵי (kimei) = als dagen van | גָֽבֶר (gaver) = een man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:26; Ps 90:2–4; Ps 102:25–28; 2 Petr 3:8; Heb 1:12 **10:6** dat U naar mijn schuld zoekt en mijn zonde onderzoekt, Brontekst: כִּֽי (ki) = dat | תְבַקֵּ֥שׁ (tevaqesh) = U zoekt | לַעֲוֺנִ֑י (laavoni) = naar mijn schuld | וּ֭לְחַטָּאתִ֥י (ulechatati) = en naar mijn zonde | תִדְרֽוֹשׁ (tidrosh) = onderzoekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 14:16; Ps 10:15; Ps 44:22; Sef 1:12; Jer 2:34 **10:7** terwijl U weet dat ik niet schuldig ben, en niemand mij uit Uw hand kan redden? Brontekst: עַֽל (al) = bovenop | דַּ֭עְתְּךָ (datekha) = Uw weten | כִּי (ki) = dat | לֹ֣א (lo) = niet | אֶרְשָׁ֑ע (ersha) = ik schuldig ben | וְאֵ֖ין (veein) = en niet is er | מִיָּדְךָ֣ (miyadekha) = uit Uw hand | מַצִּֽיל (matsil) = iemand die redt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:7; Deut 32:39; Ps 139:1–2; Dan 3:15; Joh 10:28–30 ### U hebt mij gemaakt **10:8** Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt, helemaal rondom, en toch verslindt U mij. Brontekst: יָדֶ֣יךָ (yadeikha) = Uw handen | עִ֭צְּבוּנִי (itsevuni) = vormden mij | וַֽיַּעֲשׂ֑וּנִי (vayaasuni) = en maakten mij | יַ֥חַד (yachad) = samen | סָ֝בִ֗יב (saviv) = rondom | וַֽתְּבַלְּעֵֽנִי (vatevaleeni) = en U verslindt mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job beschrijft de vorming van zijn lichaam in de moederschoot, met beelden als klei, melk en kaas, huid, vlees, botten en pezen (vers 8–12). Vergelijk Ps. 139:13–16. Zie ook: Gen 6:6–7; Job 10:3; Ps 119:73; Ps 139:13–16; Jes 43:7; Jer 18:3–10 **10:9** Denk eraan dat U mij als klei hebt gemaakt, en dat U mij tot stof laat terugkeren. Brontekst: זְכָר (zekhar) = denk eraan | נָ֭א (na) = toch | כִּי (ki) = dat | כַחֹ֣מֶר (kachomer) = als klei | עֲשִׂיתָ֑נִי (asitani) = U mij maakte | וְֽאֶל (veel) = en tot | עָפָ֥ר (afar) = stof | תְּשִׁיבֵֽנִי (teshiveni) = laat U mij terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Klei en stof herinneren aan Gen. 2:7 en 3:19: de mens is uit stof gemaakt en keert tot stof terug. Zie ook: Gen 2:7; Gen 3:19; Ps 25:6–7; Pred 12:7; Jes 64:7 **10:10** Hebt U mij niet als melk uitgegoten en als kaas laten stollen? Brontekst: הֲלֹ֣א (halo) = niet? | כֶ֭חָלָב (kechalav) = als melk | תַּתִּיכֵ֑נִי (tatikheni) = goot U mij uit | וְ֝כַגְּבִנָּ֗ה (vekhagevina) = en als kaas | תַּקְפִּיאֵֽנִי (taqpieni) = liet U mij stollen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 139:14–16 **10:11** Met huid en vlees hebt U mij bekleed, met botten en pezen hebt U mij dooreen gevlochten. Brontekst: ע֣וֹר (or) = huid | וּ֭בָשָׂר (uvasar) = en vlees | תַּלְבִּישֵׁ֑נִי (talbisheni) = bekleedde U mij | וּֽבַעֲצָמ֥וֹת (uvaatsamot) = en met beenderen | וְ֝גִידִ֗ים (vegidim) = en pezen | תְּסֹכְכֵֽנִי (tesokhekheni) = vlocht U mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:17–18; Ezech 37:4–8; 2 Kor 5:2–3; Ef 4:16 **10:12** Leven en trouw hebt U mij geschonken, en Uw zorg heeft mijn geest bewaard. Brontekst: חַיִּ֣ים (chayim) = leven | וָ֭חֶסֶד (vachesed) = en trouw | עָשִׂ֣יתָ (asita) = schonk U | עִמָּדִ֑י (imadi) = mij | וּ֝פְקֻדָּתְךָ֗ (ufequdatekha) = en Uw zorg | שָֽׁמְרָ֥ה (shamera) = bewaarde | רוּחִֽי (ruchi) = mijn geest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:19; Job 33:4; Mat 6:25; Hand 17:25; Hand 17:28 **10:13** Maar dit hebt U in Uw hart verborgen. Ik weet dat dit bij U was: Brontekst: וְ֭אֵלֶּה (veele) = en dit | צָפַ֣נְתָּ (tsafanta) = verborg U | בִלְבָבֶ֑ךָ (bilvavekha) = in Uw hart | יָ֝דַ֗עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּי (ki) = dat | זֹ֥את (zot) = dit | עִמָּֽךְ (imakh) = bij U was Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job zegt dat Elohim, ondanks alle zorg (vers 12), een bedoeling in Zijn hart verborgen hield: Job te straffen als hij zondigt (vers 14). Hij begrijpt Elohims bedoeling niet, en dat is de kern van zijn klacht. Zie ook: Job 23:9; Job 23:13; Deut 32:39; Jes 46:9–11; Klaagl 3:37 **10:14** als ik zondigde, hield U mij in het oog, en liet U mij niet vrijuit gaan van mijn schuld. Brontekst: אִם (im) = indien | חָטָ֥אתִי (chatati) = ik zondigde | וּשְׁמַרְתָּ֑נִי (ushemartani) = dan hield U mij in het oog | וּ֝מֵעֲוֺנִ֗י (umeavoni) = en van mijn schuld | לֹ֣א (lo) = niet | תְנַקֵּֽנִי (tenaqeni) = liet U mij vrij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:21; Job 9:28; Num 14:18; Ps 130:3; Ps 139:1 **10:15** Als ik schuldig ben, wee mij! Maar ben ik rechtvaardig, dan durf ik mijn hoofd niet op te heffen, verzadigd van schande en kijkend naar mijn ellende. Brontekst: אִם (im) = indien | רָשַׁ֡עְתִּי (rashati) = ik schuldig ben | אַלְלַ֬י (allay) = wee | לִ֗י (li) = mij | וְ֭צָדַקְתִּי (vetsadaqti) = en ben ik rechtvaardig | לֹא (lo) = niet | אֶשָּׂ֣א (esa) = durf ik opheffen | רֹאשִׁ֑י (roshi) = mijn hoofd | שְׂבַ֥ע (seva) = verzadigd van | קָ֝ל֗וֹן (qalon) = schande | וּרְאֵ֥ה (uree) = en kijkend naar | עָנְיִֽי (aneyi) = mijn ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job zegt: ben ik schuldig, dan is het mijn eigen ongeluk; ben ik rechtvaardig, dan helpt me dat niet, want Elohim blijft mij vervolgen. Hij durft zijn hoofd niet op te heffen, uit schaamte en ellende. Zie ook: Job 9:15; Job 9:20–21; Job 10:7; Jes 3:11; Mal 3:18 **10:16** Richt ik mij op, dan jaagt U op mij als een leeuw en toont U opnieuw Uw wonderbare macht tegen mij. Brontekst: וְ֭יִגְאֶה (veyige) = en richt ik mij op | כַּשַּׁ֣חַל (kashachal) = als een leeuw | תְּצוּדֵ֑נִי (tetsudeni) = jaagt U op mij | וְ֝תָשֹׁ֗ב (vetashov) = en weer | תִּתְפַּלָּא (titpala) = doet U wonderbaarlijk | בִֽי (bi) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:9; Deut 28:59; Amos 3:8; Jes 38:13; Klaagl 3:10 **10:17** U vernieuwt Uw getuigen tegen mij en vergroot Uw toorn tegen mij. Wisselende legers staan tegen mij. Brontekst: תְּחַדֵּ֬שׁ (techadesh) = U vernieuwt | עֵדֶ֨יךָ (edeikha) = Uw getuigen | נֶגְדִּ֗י (negdi) = tegenover mij | וְתֶ֣רֶב (veterev) = en vergroot | כַּֽ֭עַשְׂךָ (kaaskha) = Uw toorn | עִמָּדִ֑י (imadi) = tegen mij | חֲלִיפ֖וֹת (chalifot) = wisselingen | וְצָבָ֣א (vetsava) = en leger | עִמִּֽי (imi) = tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲלִיפוֹת וְצָבָא (chalifot vetsava) is letterlijk ‘wisselingen en een leger’: ploegen die elkaar aflossen, zoals bij een aanval in golven. Zie ook: Job 16:8; Job 16:11–16; Ruth 1:21; Ps 55:20; Jer 48:11 ### Waarom hebt U mij geboren laten worden? **10:18** Waarom hebt U mij uit de moederschoot gehaald? Was ik maar gestorven en had geen oog mij gezien. Brontekst: וְלָ֣מָּה (velama) = en waarom | מֵ֭רֶחֶם (merechem) = uit de moederschoot | הֹצֵאתָ֑נִי (hotsetani) = bracht U mij | אֶ֝גְוַ֗ע (egva) = had ik de geest gegeven | וְעַ֣יִן (veayin) = en oog | לֹא (lo) = niet | תִרְאֵֽנִי (tireni) = had mij gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:10–11; Job 14:10; Jer 15:10; Jer 20:14–18; Mat 26:24 **10:19** Dan was ik geweest alsof ik niet bestaan had. Van de buik zou ik naar het graf zijn gedragen. Brontekst: כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = alsof | לֹא (lo) = niet | הָיִ֣יתִי (hayiti) = ik was | אֶהְיֶ֑ה (ehye) = zou ik zijn | מִ֝בֶּ֗טֶן (mibeten) = van de buik | לַקֶּ֥בֶר (laqever) = naar het graf | אוּבָֽל (uval) = zou ik gedragen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 58:9 **10:20** Mijn dagen zijn weinig. Houd op, laat mij met rust, zodat ik een beetje kan opvrolijken Brontekst: הֲלֹא (halo) = niet? | מְעַ֣ט (meat) = weinig | יָמַ֣י (yamay) = mijn dagen | וַחֲדָ֑ל (vachadal) = houd op | וְשִׁ֥ית (veshit) = en laat af | מִ֝מֶּ֗נִּי (mimeni) = van mij | וְאַבְלִ֥יגָה (veavliga) = dat ik opvrolijk | מְּעָֽט (meat) = een beetje Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft יחדל (yechdal), ‘laat Hij ophouden’, en ישית (yashit), ‘laat Hij leggen’; de lezing in de marge (qere) heeft וחדל (vachadal), ‘houd op’, en ושית (veshit), ‘en leg’. Zo wordt de zin een rechtstreekse aanspraak op Eloah. Wij volgen de qere, die ook in de grondtekst staat. Zie ook: Job 7:16–21; Job 9:25–26; Job 14:1; Ps 39:6; Ps 39:14 **10:21** voordat ik ga, om niet terug te keren, naar het land van duisternis en diepe schaduw, Brontekst: בְּטֶ֣רֶם (beterem) = voordat | אֵ֭לֵךְ (elekh) = ik ga | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אָשׁ֑וּב (ashuv) = terugkeer | אֶל (el) = naar | אֶ֖רֶץ (erets) = land van | חֹ֣שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וְצַלְמָֽוֶת (vetsalmavet) = en diepe schaduw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het land van duisternis is Sheol, het dodenrijk (zie 7:9). De beschrijving in vers 21–22 is een van de somberste in het Oude Testament. Zie ook: Job 3:5; Job 7:8–10; Job 14:10–14; Job 16:22; 2 Sam 12:23 **10:22** een land zo donker als de nacht, een schaduw zonder orde, waar het licht zelf als duisternis is.” Brontekst: אֶ֤רֶץ (erets) = land van | עֵיפָ֨תָה (eifata) = donkerte | כְּמ֥וֹ (kemo) = zoals | אֹ֗פֶל (ofel) = duisternis | צַ֭לְמָוֶת (tsalmavet) = diepe schaduw | וְלֹ֥א (velo) = en niet | סְדָרִ֗ים (sedarim) = ordeningen | וַתֹּ֥פַע (vatofa) = en schijnt | כְּמוֹ (kemo) = zoals | אֹֽפֶל (ofel) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְדָרִים (sedarim), ‘ordeningen’: in het dodenrijk is geen orde, geen dag en nacht. Zelfs het licht is er als duisternis. Zie ook: Job 38:17; Ps 44:20; Ps 88:13; Jer 2:6; Jer 13:16 ## Job 11 _Zofar spreekt_ ### Zofar spreekt **11:1** Zofar uit Naäma nam het woord en zei: Brontekst: וַ֭יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | צֹפַ֥ר (tsofar) = Zofar | הַֽנַּעֲמָתִ֗י (hanaamati) = de Naämatiet | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zofar komt uit Naäma (zie 2:11). Voetnoot Uitleg: Hij is de felste van de drie vrienden: hij spreekt Job direct aan als iemand die schuld heeft. Zie ook: Job 2:11; Job 20:1 **11:2** „Moet een woordenstroom onbeantwoord blijven? Moet een man met veel praatjes gelijk krijgen? Brontekst: הֲרֹ֣ב (harov) = een menigte van | דְּ֭בָרִים (devarim) = woorden | לֹ֣א (lo) = niet | יֵעָנֶ֑ה (yeane) = zal worden beantwoord | וְאִם (veim) = en of | אִ֖ישׁ (ish) = een man van | שְׂפָתַ֣יִם (sefatayim) = lippen | יִצְדָּֽק (yitsdaq) = gelijk krijgt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:2; Job 16:3; Job 18:2; Spr 10:19; Jak 1:19 **11:3** Moet jouw gebabbel mensen het zwijgen opleggen? Mag je spotten zonder dat iemand je beschaamt? Brontekst: בַּ֭דֶּיךָ (badeikha) = je gebabbel | מְתִ֣ים (metim) = mannen | יַחֲרִ֑ישׁו (yacharishv) = zullen zwijgen | וַ֝תִּלְעַ֗ג (vatilag) = en spot je | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is er | מַכְלִֽם (makhlim) = die beschaamt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zofar noemt Jobs woorden ‘gebabbel’ en beschuldigt hem van spot. Hij vindt dat Eloah Job nog te mild straft (vers 6). Zie ook: Job 13:4; Job 17:2; Ps 35:16; 2 Tess 3:14; Jud 1:18 **11:4** Je zegt: ‘Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in Uw ogen.’ Brontekst: וַ֭תֹּאמֶר (vatomer) = en je zegt | זַ֣ךְ (zakh) = zuiver | לִקְחִ֑י (liqchi) = mijn leer | וּ֝בַ֗ר (uvar) = en rein | הָיִ֥יתִי (hayiti) = ben ik | בְעֵינֶֽיךָ (beeineikha) = in Uw ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:10; Job 9:2–3; Job 10:7; Job 34:5–6; Job 35:2 **11:5** Maar mocht Eloah toch spreken en Zijn lippen tegen jou openen! Brontekst: וְֽאוּלָ֗ם (veulam) = maar | מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֣ן (yiten) = geeft | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | דַּבֵּ֑ר (daber) = sprak | וְיִפְתַּ֖ח (veyiftach) = en opende | שְׂפָתָ֣יו (sefatav) = zijn lippen | עִמָּֽךְ (imakh) = tegen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 23:3–7; Job 31:35; Job 33:6–18; Job 38:1–2; Job 42:7 **11:6** Dan zou Hij je de geheimen van de wijsheid tonen, want ze zijn dubbel in hun inzicht. Weet dan: Eloah laat je minder boeten dan je schuld verdient. Brontekst: וְיַגֶּד (veyaged) = en tonen zou Hij | לְךָ֨ (lekha) = aan jou | תַּֽעֲלֻמ֣וֹת (taalumot) = geheimen van | חָכְמָה֮ (chakhema) = wijsheid | כִּֽי (ki) = want | כִפְלַ֪יִם (kiflayim) = dubbel | לְֽת֫וּשִׁיָּ֥ה (letushiya) = in inzicht | וְדַ֡ע (veda) = en weet | כִּֽי (ki) = dat | יַשֶּׁ֥ה (yashe) = vergeet | לְךָ֥ (lekha) = voor jou | אֱ֝ל֗וֹהַ (eloha) = Eloah | מֵעֲוֺנֶֽךָ (meavonekha) = van je schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het slot van het vers, יַשֶּׁה לְךָ אֱלוֹהַּ מֵעֲוֹנֶךָ (yasheh lekha Eloah me’avonekha), is letterlijk ‘Eloah laat voor jou iets van je schuld vergeten’: Job krijgt minder straf dan hij verdient. Voor Zofar is Jobs lijden dus nog een gunst. Zie ook: Klaagl 3:22; Dan 2:28; Ezra 9:13; Mat 13:35; Ef 3:5 ### De diepten van Eloah **11:7** Kun je de diepten van Eloah doorgronden, of reiken tot de uiterste grens van Sjaddai? Brontekst: הַחֵ֣קֶר (hacheqer) = de diepte van | אֱל֣וֹהַ (eloha) = Eloah | תִּמְצָ֑א (timtsa) = kun je vinden | אִ֤ם (im) = of | עַד (ad) = tot | תַּכְלִ֖ית (takhlit) = het uiterste van | שַׁדַּ֣י (shaday) = Sjaddai | תִּמְצָֽא (timtsa) = kun je reiken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 145:3; Pred 3:11; Jes 40:28; Rom 11:33; Ef 3:8 **11:8** Hoger dan de hemel: wat kun jij doen? Dieper dan het dodenrijk: wat weet jij? Brontekst: גָּבְהֵ֣י (gavehei) = hoogten van | שָׁ֭מַיִם (shamayim) = hemel | מַה (ma) = wat | תִּפְעָ֑ל (tifal) = kun je doen | עֲמֻקָּ֥ה (amuqa) = dieper | מִ֝שְּׁא֗וֹל (misheol) = dan het dodenrijk | מַה (ma) = wat | תֵּדָֽע (teda) = kun je weten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (Sheol) is het dodenrijk; zie 7:9. De vier richtingen (hoog, diep, lang, breed) beschrijven dat Eloah niet te meten is. Zie ook: Job 22:12; Ps 139:6–8; Ps 148:13; Amos 9:2; Jes 55:9 **11:9** Langer dan de aarde is Zijn maat, en breder dan de zee. Brontekst: אֲרֻכָּ֣ה (aruka) = langer | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = dan aarde | מִדָּ֑הּ (midah) = Zijn maat | וּ֝רְחָבָ֗ה (urechava) = en breder | מִנִּי (mini) = dan | יָֽם (yam) = zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:24–25; Ps 65:6–9; Ps 139:9–10 **11:10** Als Hij voorbijgaat, iemand gevangen zet en een rechtszitting belegt, wie kan Hem dan tegenhouden? Brontekst: אִם (im) = indien | יַחֲלֹ֥ף (yachalof) = Hij voorbijgaat | וְיַסְגִּ֑יר (veyasgir) = en gevangen zet | וְ֝יַקְהִ֗יל (veyaqhil) = en bijeenroept | וּמִ֣י (umi) = wie dan | יְשִׁיבֶֽנּוּ (yeshivenu) = kan Hem tegenhouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:12–13; Job 12:14; Jes 41:27; Dan 4:32; Openb 3:7 **11:11** Want Hij kent de mensen van nietigheid. Hij ziet onrecht, ook als Hij er niet op let. Brontekst: כִּי (ki) = want | ה֭וּא (hu) = Hij | יָדַ֣ע (yada) = kent | מְתֵי (metei) = mensen van | שָׁ֑וְא (shave) = nietigheid | וַיַּרְא (vayar) = en ziet | אָ֝֗וֶן (aven) = onrecht | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִתְבּוֹנָֽן (yitbonan) = let erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 10:14; Hab 1:13; Joh 2:24–25; Heb 4:13; Openb 2:23 **11:12** Een holle man wordt pas verstandig als een wilde ezel als mens wordt geboren. Brontekst: וְאִ֣ישׁ (veish) = en een man | נָ֭בוּב (navuv) = hol | יִלָּבֵ֑ב (yilavev) = krijgt verstand | וְעַ֥יִר (veayir) = en een veulen van | פֶּ֝֗רֶא (pere) = wilde ezel | אָדָ֥ם (adam) = als mens | יִוָּלֵֽד (yivaled) = wordt geboren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een spreekwoord: een holle (leeghoofdige) man krijgt pas verstand als een wilde ezel als mens geboren wordt, dat wil zeggen nooit. Zofar noemt Job daarmee onverstandig. Zie ook: Job 39:5–8; Ps 73:22; Jer 2:24; Jak 2:20; Jak 3:13–17 ### Keer terug, dan komt het goed **11:13** Als jij je hart op orde brengt en je handen naar Hem uitspreidt, Brontekst: אִם (im) = indien | אַ֭תָּ֗ה (ata) = jij | הֲכִינ֣וֹתָ (hakhinota) = op orde brengt | לִבֶּ֑ךָ (libekha) = je hart | וּפָרַשְׂתָּ֖ (ufarasta) = en uitspreidt | אֵלָ֣יו (elav) = naar Hem | כַּפֶּֽךָ (kapekha) = je handpalmen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 13–19 is een uitnodiging tot bekering: zet je hart recht (13), haal het onrecht weg (14), dan volgt herstel (15–19). Dit is een belofte die aan het eind van het boek anders blijkt uit te pakken dan Zofar denkt (42:7–9). Zie ook: Job 8:5–6; 1 Sam 7:3; Ps 78:8; Ps 88:10; Ps 143:6 **11:14** als je het onrecht in je hand verwijdert en geen kwaad in je tenten laat wonen, Brontekst: אִם (im) = indien | אָ֣וֶן (aven) = onrecht | בְּ֭יָדְךָ (beyadekha) = in je hand | הַרְחִיקֵ֑הוּ (harchiqehu) = verwijder het | וְאַל (veal) = en niet | תַּשְׁכֵּ֖ן (tashken) = laat wonen | בְּאֹהָלֶ֣יךָ (beohaleikha) = in je tenten | עַוְלָֽה (avla) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:7; Job 22:23; Job 34:32; Jes 1:15; Jak 4:8 **11:15** dan kun je je gezicht zonder smet opheffen en sta je stevig en zonder angst. Brontekst: כִּי (ki) = want | אָ֤ז (az) = dan | תִּשָּׂ֣א (tisa) = zul je opheffen | פָנֶ֣יךָ (paneikha) = je gezicht | מִמּ֑וּם (mimum) = zonder smet | וְהָיִ֥יתָ (vehayita) = en je zult zijn | מֻ֝צָ֗ק (mutsaq) = stevig | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִירָֽא (tira) = zul je vrezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מּוּם (mum) is een ‘smet’, ook gebruikt voor lichaamsgebreken die een offerdier of priester ongeschikt maken (Lev. 21:17–21). Hier: een gezicht zonder smet is een zuiver geweten. Zie ook: Job 22:26; Lev 21:17–21; Ps 27:1; 1 Tim 2:8; 1 Joh 2:28; 1 Joh 3:19–22 **11:16** Dan zul je je ellende vergeten, en eraan terugdenken als aan water dat voorbij is gestroomd. Brontekst: כִּי (ki) = want | אַ֭תָּה (ata) = jij | עָמָ֣ל (amal) = moeite | תִּשְׁכָּ֑ח (tishkach) = zul je vergeten | כְּמַ֖יִם (kemayim) = als water | עָבְר֣וּ (averu) = dat voorbijgegaan is | תִזְכֹּֽר (tizkor) = zul je terugdenken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 5:19; Jes 54:4; Jes 54:9; Jes 65:16; Joh 16:21 **11:17** Je leven wordt helderder dan de middag, en het donker wordt als de morgen. Brontekst: וּֽ֭מִצָּהֳרַיִם (umitsahorayim) = en meer dan de middag | יָק֣וּם (yaqum) = zal opkomen | חָ֑לֶד (chaled) = levensduur | תָּ֝עֻ֗פָה (taufa) = duisternis | כַּבֹּ֥קֶר (kaboqer) = als de morgen | תִּהְיֶֽה (tihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:6; Spr 4:18; Jes 58:8–10; Mi 7:8–9; Zach 14:6–7 **11:18** Je zult vertrouwen omdat er hoop is. Je kijkt rond en gaat veilig liggen. Brontekst: וּֽ֭בָטַחְתָּ (uvatachta) = en je zult vertrouwen | כִּי (ki) = omdat | יֵ֣שׁ (yesh) = er is | תִּקְוָ֑ה (tiqva) = hoop | וְ֝חָפַרְתָּ֗ (vechafarta) = en je ziet rond | לָבֶ֥טַח (lavetach) = in veiligheid | תִּשְׁכָּֽב (tishkav) = zul je liggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:5–6; Ps 3:6; Ps 4:9; Ps 43:5; Spr 3:24–26 **11:19** Je legert je zonder dat iemand je opschrikt, en velen zoeken je gunst. Brontekst: וְֽ֭רָבַצְתָּ (veravatsta) = en je zult rusten | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is er | מַחֲרִ֑יד (macharid) = die opschrikt | וְחִלּ֖וּ (vechilu) = en zullen smeken | פָנֶ֣יךָ (paneikha) = je gunst | רַבִּֽים (rabim) = velen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:8–9; Lev 26:6; Ps 45:13; Jes 45:14; Jes 60:14 **11:20** Maar de ogen van de goddelozen zullen smachten. Hun toevlucht is verloren en hun hoop is hun laatste adem.” Brontekst: וְעֵינֵ֥י (veeinei) = en ogen van | רְשָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | תִּ֫כְלֶ֥ינָה (tikhleina) = smachten | וּ֭מָנוֹס (umanos) = en toevlucht | אָבַ֣ד (avad) = is verloren | מִנְהֶ֑ם (minhem) = voor hen | וְ֝תִקְוָתָ֗ם (vetiqvatam) = en hun hoop | מַֽפַּח (mapach) = de uitblazing van | נָֽפֶשׁ (nafesh) = ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַפַּח־נֶפֶשׁ (mappach nefesh), ‘de uitblazing van de ziel’, is het laatste uitademen. De hoop van de goddelozen eindigt met hun dood. Zie ook: Job 17:5; Job 31:16; Deut 28:65; Ps 69:4; Heb 2:3 ## Job 12 _Job antwoordt Zofar_ ### Job antwoordt Zofar **12:1** Job antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:2** „Jullie zijn dus echt het volk, en met jullie sterft de wijsheid! Brontekst: אָ֭מְנָם (amenam) = waarlijk | כִּ֣י (ki) = dat | אַתֶּם (atem) = jullie | עָ֑ם (am) = het volk | וְ֝עִמָּכֶ֗ם (veimakhem) = en met jullie | תָּמ֥וּת (tamut) = sterft | חָכְמָֽה (chakhema) = wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job is sarcastisch: zij zijn dus het volk dat alle wijsheid bezit, en met hen sterft de wijsheid uit. Zie ook: Job 15:2; Job 17:4; Job 20:3; Jes 5:21; 1 Kor 6:5 **12:3** Ook ik heb verstand zoals jullie. Ik sta niet onder jullie. Wie kent zulke dingen niet? Brontekst: גַּם (gam) = ook | לִ֤י (li) = voor mij | לֵבָ֨ב (levav) = verstand | כְּֽמוֹכֶ֗ם (kemokhem) = zoals jullie | לֹא (lo) = niet | נֹפֵ֣ל (nofel) = ben ik gevallen | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | מִכֶּ֑ם (mikem) = beneden jullie | וְאֶת (veet) = (lijdend voorwerp) | מִי (mi) = wie | אֵ֥ין (ein) = niet is er | כְּמוֹ (kemo) = zoals | אֵֽלֶּה (ele) = deze dingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:2–5; Job 26:2–3; Spr 26:4; 2 Kor 11:5; 2 Kor 11:21–23 **12:4** Een voorwerp van spot voor zijn vriend ben ik, ik die tot Eloah riep en antwoord van Hem kreeg. De rechtvaardige, onberispelijke man is een bespotting geworden. Brontekst: שְׂחֹ֤ק (sechoq) = voorwerp van spot | לְרֵעֵ֨הוּ (lereehu) = voor zijn vriend | אֶֽהְיֶ֗ה (ehye) = word ik | קֹרֵ֣א (qore) = een die roept | לֶ֭אֱלוֹהַּ (leeloha) = tot Eloah | וַֽיַּעֲנֵ֑הוּ (vayaanehu) = en Hij antwoordt hem | שְׂ֝ח֗וֹק (sechoq) = spot | צַדִּ֥יק (tsadiq) = een rechtvaardige | תָּמִֽים (tamim) = onberispelijke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job beklaagt zich dat hij, die vroeger Eloah aanriep en antwoord kreeg, nu bespot wordt door zijn vrienden (vergelijk 1:8). Zie ook: Job 17:6; Job 21:3; Job 30:1; Ps 91:15; Jer 33:3 **12:5** Voor het ongeluk is er minachting, denkt wie zorgeloos is. Het is bestemd voor wie struikelt. Brontekst: לַפִּ֣יד (lapid) = een fakkel | בּ֭וּז (buz) = minachting | לְעַשְׁתּ֣וּת (leashtut) = in de gedachte van | שַׁאֲנָ֑ן (shaanan) = zorgeloze | נָ֝כ֗וֹן (nakhon) = gereed | לְמ֣וֹעֲדֵי (lemoadei) = voor wie wankelt | רָֽגֶל (ragel) = voet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:4; Ps 17:5; Spr 13:9; Mat 25:8; Luc 16:19–20 **12:6** De tenten van de plunderaars zijn rustig, en zij die El tergen, zijn veilig: zij die hun god in hun eigen hand dragen. Brontekst: יִשְׁלָ֤יוּ (yishlayu) = zijn rustig | אֹֽהָלִ֨ים (ohalim) = tenten | לְשֹׁ֥דְדִ֗ים (leshodedim) = voor plunderaars | וּֽ֭בַטֻּחוֹת (uvatuchot) = en zekerheid | לְמַרְגִּ֣יזֵי (lemargizei) = voor tergers van | אֵ֑ל (el) = El | לַאֲשֶׁ֤ר (laasher) = voor degene die | הֵבִ֖יא (hevi) = brengt | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: לַאֲשֶׁר הֵבִיא אֱלוֹהַּ בְּיָדוֹ (la’asher hevi Eloah beyado) is moeilijk: ‘zij die Eloah in hun hand brengen’. Wij begrijpen het als: zij die hun eigen macht als hun god hebben (vergelijk Hab. 1:11, ‘zijn kracht is zijn god’). Anderen lezen: ‘aan wie Eloah met rijke hand geeft’. Zie ook: Job 9:24; Job 21:7–15; Ps 17:14; Ps 37:1; Ps 73:11–12; Hab 1:11 ### De dieren leren het **12:7** Vraag het toch aan de dieren, en zij zullen het je leren, aan de vogels van de hemel, en zij zullen het je vertellen, Brontekst: וְֽאוּלָ֗ם (veulam) = maar | שְׁאַל (sheal) = vraag | נָ֣א (na) = toch | בְהֵמ֣וֹת (behemot) = dieren | וְתֹרֶ֑ךָּ (vetoreka) = en ze zullen je leren | וְע֥וֹף (veof) = en vogel van | הַ֝שָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | וְיַגֶּד (veyaged) = en ze zullen vertellen | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:29–30; Spr 6:6; Jes 1:3; Jer 8:7 **12:8** of spreek tot de aarde, en zij zal het je leren. De vissen van de zee zullen het je vertellen. Brontekst: א֤וֹ (o) = of | שִׂ֣יחַ (siach) = spreek | לָאָ֣רֶץ (laarets) = tot de aarde | וְתֹרֶ֑ךָּ (vetoreka) = en ze zal je leren | וִֽיסַפְּר֥וּ (visaperu) = en zullen vertellen | לְ֝ךָ֗ (lekha) = aan jou | דְּגֵ֣י (degei) = vissen van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:9** Wie van al deze weet niet dat de hand van Yahweh dit gedaan heeft? Brontekst: מִ֭י (mi) = wie | לֹא (lo) = niet | יָדַ֣ע (yada) = weet | בְּכָל (bekhal) = bij al | אֵ֑לֶּה (ele) = deze | כִּ֥י (ki) = dat | יַד (yad) = hand van | יְ֝הוָה (Yahweh) = Yahweh | עָ֣שְׂתָה (aseta) = heeft gedaan | זֹּֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה (Yahweh) staat in de gesprekken van Job vrijwel nooit; dit is de enige plaats in de redevoeringen van hoofdstuk 3–37 waar de naam voorkomt. Daarna keert hij terug in 38:1. Sommige handschriften lezen hier Eloah. Zie ook: 1 Sam 2:7; Jes 41:20; Jer 27:5–6; Hand 19:35; Rom 11:36 **12:10** In Zijn hand is de ziel van al wat leeft, en de adem van elk mensenvlees. Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = in wiens | בְּ֭יָדוֹ (beyado) = hand | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = ziel van | כָּל (kal) = al | חָ֑י (chay) = wat leeft | וְ֝ר֗וּחַ (veruach) = en adem van | כָּל (kal) = al | בְּשַׂר (besar) = vlees van | אִֽישׁ (ish) = een mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, is hier het leven van al wat leeft; רוּחַ (ruach), ‘adem’, is de levensadem van de mensen. Vergelijk Gen. 2:7. Zie ook: Gen 2:7; Job 27:3; Job 33:4; Num 16:22; Hand 17:25; Hand 17:28 **12:11** Beproeft het oor niet de woorden, zoals het gehemelte voedsel proeft? Brontekst: הֲלֹא (halo) = niet? | אֹ֭זֶן (ozen) = oor | מִלִּ֣ין (milin) = woorden | תִּבְחָ֑ן (tivchan) = beproeft | וְ֝חֵ֗ךְ (vechekh) = en gehemelte | אֹ֣כֶל (okhel) = voedsel | יִטְעַם (yitam) = proeft | לֽוֹ (lo) = voor zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een gezegde: net zoals het gehemelte voedsel proeft, moet het oor woorden toetsen. Job eist dat zijn vrienden zijn woorden toetsen en niet zomaar afwijzen. Zie ook: Job 6:30; Job 34:3; Fil 1:10; 1 Petr 2:3; Heb 5:14 **12:12** Bij de ouden is wijsheid, en een lang leven brengt inzicht. Brontekst: בִּֽישִׁישִׁ֥ים (bishishim) = bij de ouden | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְאֹ֖רֶךְ (veorekh) = en lengte van | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | תְּבוּנָֽה (tevuna) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:8; Job 15:10; Job 32:7 ### Wijsheid en kracht zijn bij Hem **12:13** Bij Hem is wijsheid en kracht. Hij heeft raad en inzicht. Brontekst: עִ֭מּוֹ (imo) = bij Hem | חָכְמָ֣ה (chakhema) = wijsheid | וּגְבוּרָ֑ה (ugevura) = en kracht | ל֝֗וֹ (lo) = bij Hem | עֵצָ֥ה (etsa) = raad | וּתְבוּנָֽה (utevuna) = en inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier is het een lofzang op de macht van Eloah, maar met een scherpe bijklank: Hij gebruikt Zijn macht ook om koningen, rechters en priesters hun verstand te ontnemen (vers 17–25). Job is het met zijn vrienden eens over Zijn macht, maar niet over de conclusie. Zie ook: Job 9:4; Job 28:20–28; Job 36:5; Spr 2:6–7; Jak 1:5 **12:14** Zie, Hij breekt af en het wordt niet herbouwd. Hij sluit iemand op en niemand opent. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | יַ֭הֲרוֹס (yaharos) = Hij breekt af | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִבָּנֶ֑ה (yibane) = wordt gebouwd | יִסְגֹּ֥ר (yisgor) = Hij sluit op | עַל (al) = over | אִ֝֗ישׁ (ish) = een man | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִפָּתֵֽחַ (yipateach) = wordt geopend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wat Hij afbreekt, wordt niet herbouwd; wie Hij opsluit, wordt niet bevrijd. Job ziet daarin zijn eigen situatie. Zie ook: Job 11:10; Job 16:11; Jes 22:22; Mal 1:4; Openb 3:7 **12:15** Zie, Hij houdt het water tegen en het droogt op. Hij laat het los en het keert het land om. Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | יַעְצֹ֣ר (yatsor) = Hij houdt tegen | בַּמַּ֣יִם (bamayim) = het water | וְיִבָ֑שׁוּ (veyivashu) = en ze drogen op | וִֽ֝ישַׁלְּחֵ֗ם (vishalechem) = en Hij laat los | וְיַ֖הַפְכוּ (veyahafkhu) = en ze keren om | אָֽרֶץ (arets) = land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:10; 1 Kon 17:1; Amos 5:8; Jak 5:17–18; Openb 11:6 **12:16** Bij Hem is kracht en succes. Van Hem is wie dwaalt en wie doet dwalen. Brontekst: עִ֭מּוֹ (imo) = bij Hem | עֹ֣ז (oz) = kracht | וְתֽוּשִׁיָּ֑ה (vetushiya) = en succes | ל֝֗וֹ (lo) = van Hem | שֹׁגֵ֥ג (shogeg) = de dwalende | וּמַשְׁגֶּֽה (umashge) = en wie doet dwalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:13; Job 13:7; Job 13:9; 1 Kon 22:22–23; Ezech 14:9 **12:17** Hij leidt raadsheren beroofd weg, en rechters maakt Hij dwaas. Brontekst: מוֹלִ֣יךְ (molikh) = Hij die wegleidt | יוֹעֲצִ֣ים (yoatsim) = raadgevers | שׁוֹלָ֑ל (sholal) = beroofd | וְֽשֹׁפְטִ֥ים (veshofetim) = en rechters | יְהוֹלֵֽל (yeholel) = maakt Hij gek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:14; 2 Sam 17:23; Jes 19:12–14; Jes 29:14; 1 Kor 1:19–20 **12:18** Hij maakt de band van koningen los en omgordt hun heupen met een koord. Brontekst: מוּסַ֣ר (musar) = band van | מְלָכִ֣ים (melakhim) = koningen | פִּתֵּ֑חַ (piteach) = maakt Hij los | וַיֶּאְסֹ֥ר (vayesor) = en bindt | אֵ֝ז֗וֹר (ezor) = een gordel | בְּמָתְנֵיהֶֽם (bemateneihem) = om hun heupen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 116:16; 2 Kron 33:11–14; Jer 52:31–34; Dan 2:21; Openb 19:16 **12:19** Hij leidt priesters beroofd weg, en machtigen werpt Hij omver. Brontekst: מוֹלִ֣יךְ (molikh) = Hij die wegleidt | כֹּהֲנִ֣ים (kohanim) = priesters | שׁוֹלָ֑ל (sholal) = beroofd | וְאֵֽתָנִ֣ים (veetanim) = en machtigen | יְסַלֵּֽף (yesalef) = werpt Hij omver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:28; Joz 10:42; Jes 37:36–38; Jes 45:1; Openb 19:19–21 **12:20** Hij neemt de spraak weg van de betrouwbaren, en het oordeel van de oudsten neemt Hij weg. Brontekst: מֵסִ֣יר (mesir) = Hij die wegneemt | שָׂ֭פָה (safa) = spraak | לְנֶאֱמָנִ֑ים (leneemanim) = van betrouwbaren | וְטַ֖עַם (vetaam) = en oordeel van | זְקֵנִ֣ים (zeqenim) = ouderen | יִקָּֽח (yiqach) = neemt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:24; Job 17:4; Job 32:9; Job 39:17; Spr 10:21 **12:21** Hij stort minachting uit over edelen, en de gordel van de sterken maakt Hij slap. Brontekst: שׁוֹפֵ֣ךְ (shofekh) = Hij die uitstort | בּ֭וּז (buz) = minachting | עַל (al) = over | נְדִיבִ֑ים (nedivim) = edelen | וּמְזִ֖יחַ (umeziach) = en de gordel van | אֲפִיקִ֣ים (afiqim) = sterken | רִפָּֽה (ripa) = maakt slap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 7:27; Ps 107:40; 1 Kon 21:23–24; Jes 11:5; Jes 23:9 **12:22** Hij onthult diepten uit de duisternis en brengt diepe schaduw naar het licht. Brontekst: מְגַלֶּ֣ה (megale) = Hij die onthult | עֲ֭מֻקוֹת (amuqot) = diepten | מִנִּי (mini) = uit | חֹ֑שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וַיֹּצֵ֖א (vayotse) = en brengt uit | לָא֣וֹר (laor) = naar licht | צַלְמָֽוֶת (tsalmavet) = diepe schaduw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’; zie 3:5. Zie ook: Job 3:5; Dan 2:22; Luc 1:79; 1 Kor 2:10; 1 Kor 4:5 **12:23** Hij maakt volken groot en laat ze omkomen. Hij breidt volken uit en leidt ze weg. Brontekst: מַשְׂגִּ֣יא (masgi) = Hij die groot maakt | לַ֭גּוֹיִם (lagoyim) = volken | וַֽיְאַבְּדֵ֑ם (vayabedem) = en laat ze omkomen | שֹׁטֵ֥חַ (shoteach) = breidt uit | לַ֝גּוֹיִ֗ם (lagoyim) = volken | וַיַּנְחֵֽם (vayanchem) = en leidt ze weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 107:38; Jes 9:2; Jes 26:15; Jes 60:22; Jer 33:22 **12:24** Hij neemt het verstand weg van de leiders van het volk van de aarde, en laat ze dwalen in een leegte zonder weg. Brontekst: מֵסִ֗יר (mesir) = Hij die wegneemt | לֵ֭ב (lev) = verstand van | רָאשֵׁ֣י (rashei) = hoofden van | עַם (am) = volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַ֝יַּתְעֵ֗ם (vayatem) = en laat ze dwalen | בְּתֹ֣הוּ (betohu) = in leegte | לֹא (lo) = niet | דָֽרֶךְ (darekh) = weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:20; Ps 107:40; Hos 7:11; Jes 19:1; Dan 4:30 **12:25** Ze tasten in het donker zonder licht, en Hij laat ze waggelen als een dronkaard.” Brontekst: יְמַֽשְׁשׁוּ (yemashshu) = ze tasten | חֹ֥שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וְלֹא (velo) = en niet | א֑וֹר (or) = licht | וַ֝יַּתְעֵ֗ם (vayatem) = en laat ze waggelen | כַּשִּׁכּֽוֹר (kashikor) = als een dronkaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:11; Job 5:14; Ps 107:27; Jes 19:14; Jes 24:20 ## Job 13 _Job wil zijn zaak aan El voorleggen_ ### Job wil met El twisten **13:1** „Zie, mijn oog heeft dit alles gezien, mijn oor heeft het gehoord en begrepen. Brontekst: הֶן (hen) = zie | כֹּ֭ל (kol) = alles | רָאֲתָ֣ה (raata) = zag | עֵינִ֑י (eini) = mijn oog | שָֽׁמְעָ֥ה (shamea) = hoorde | אָ֝זְנִ֗י (azeni) = mijn oor | וַתָּ֥בֶן (vataven) = en begreep | לָֽהּ (lah) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:12; Job 5:9–16; Job 8:8–10; Job 12:9–25; Ps 78:3–4 **13:2** Wat jullie weten, weet ik ook. Ik sta niet onder jullie. Brontekst: כְּֽ֭דַעְתְּכֶם (kedatekhem) = zoals jullie weten | יָדַ֣עְתִּי (yadati) = weet ik | גַם (gam) = ook | אָ֑נִי (ani) = ik | לֹא (lo) = niet | נֹפֵ֖ל (nofel) = ben ik gevallen | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | מִכֶּֽם (mikem) = beneden jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:3; Job 42:7; 1 Kor 8:1–2; 2 Kor 11:16–18; 2 Kor 12:11 **13:3** Maar ik wil tot Sjaddai spreken. Ik verlang ernaar mijn zaak aan El voor te leggen. Brontekst: אוּלָ֗ם (ulam) = maar | אֲ֭נִי (ani) = ik | אֶל (el) = tot | שַׁדַּ֣י (shaday) = Sjaddai | אֲדַבֵּ֑ר (adaber) = wil spreken | וְהוֹכֵ֖חַ (vehokheach) = en aanvoeren | אֶל (el) = tegenover | אֵ֣ל (el) = El | אֶחְפָּֽץ (echpats) = verlang ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job wil niet met zijn vrienden debatteren maar met Sjaddai zelf. Het beeld is dat van een rechtszaak (vers 18–19): Job is de aanklager die zijn zaak voorlegt. Zie ook: Job 9:3; Job 13:22; Job 31:35; Jes 1:18–20; Jes 41:21 **13:4** Jullie smeren leugens bij elkaar, waardeloze artsen zijn jullie allemaal. Brontekst: וְֽאוּלָ֗ם (veulam) = maar | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | טֹֽפְלֵי (tofelei) = smeerders van | שָׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | רֹפְאֵ֖י (rofeei) = artsen van | אֱלִ֣ל (elil) = waardeloosheid | כֻּלְּכֶֽם (kulekhem) = jullie allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טֹפְלֵי־שֶׁקֶר (tofle sheqer), ‘leugensmeerders’: ze smeren leugens op Job zoals men pleister smeert. רֹפְאֵי אֱלִל (rof’e elil), ‘waardeloze artsen’: ze willen genezen met woorden die niets doen. Zie ook: Job 16:2; Ps 119:69; Jer 6:14; Jer 8:22; Mar 5:26 **13:5** Wilden jullie maar zwijgen. Dat zou jullie als wijsheid worden aangerekend. Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יִ֭תֵּן (yiten) = geeft | הַחֲרֵ֣שׁ (hacharesh) = zwijgend | תַּחֲרִישׁ֑וּן (tacharishun) = zwijgden jullie | וּתְהִ֖י (utehi) = en het zou zijn | לָכֶ֣ם (lakhem) = voor jullie | לְחָכְמָֽה (lechakhema) = tot wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:13; Job 18:2; Spr 17:28; Pred 5:2; Jak 1:19 **13:6** Hoor toch mijn verweer, luister naar de pleidooien van mijn lippen. Brontekst: שִׁמְעוּ (shimu) = hoor | נָ֥א (na) = toch | תוֹכַחְתִּ֑י (tokhachti) = mijn verweer | וְרִב֖וֹת (verivot) = en pleidooien van | שְׂפָתַ֣י (sefatay) = mijn lippen | הַקְשִֽׁיבוּ (haqshivu) = luister Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:2–3; Job 33:1–3; Job 34:2; Re 9:7; Spr 8:6–7 **13:7** Spreken jullie onrecht voor El en bedrog voor Hem? Brontekst: הַ֭לְאֵל (halel) = voor El? | תְּדַבְּר֣וּ (tedaberu) = spreken jullie | עַוְלָ֑ה (avla) = onrecht | וְ֝ל֗וֹ (velo) = en voor Hem | תְּֽדַבְּר֥וּ (tedaberu) = spreken jullie | רְמִיָּֽה (remiya) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job beschuldigt zijn vrienden dat zij, door Elohim te verdedigen met onwaarheden, Hem zelf onrecht aandoen. Dit is een belangrijk punt: aan het einde van het boek zegt Yahweh dat Jobs vrienden niet recht over Hem gesproken hebben, zoals Job (42:7). Zie ook: Job 11:2–4; Job 17:5; Job 27:4; Job 36:4; Rom 3:5–8 **13:8** Kiezen jullie partij voor Hem? Voeren jullie de zaak voor El? Brontekst: הֲפָנָ֥יו (hafanav) = Zijn gezicht? | תִּשָּׂא֑וּן (tisaun) = verheffen jullie | אִם (im) = of | לָאֵ֥ל (lael) = voor El | תְּרִיבֽוּן (terivun) = twisten jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 32:21; Job 34:19; Ex 23:2–3; Spr 24:23; Mal 2:9 **13:9** Is het goed als Hij jullie doorgrondt? Of kunnen jullie Hem bedriegen zoals men mensen bedriegt? Brontekst: הֲ֭טוֹב (hatov) = is het goed | כִּֽי (ki) = dat | יַחְקֹ֣ר (yachqor) = Hij onderzoekt | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | אִם (im) = of | כְּהָתֵ֥ל (kehatel) = zoals bedriegen | בֶּ֝אֱנ֗וֹשׁ (beenosh) = een sterveling | תְּהָתֵ֥לּוּ (tehatelu) = bedriegen jullie | בֽוֹ (bo) = Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:36; Ps 44:22; Ps 139:23; Jer 17:10; Gal 6:7–8 **13:10** Hij zal jullie zeker terechtwijzen als jullie in het geheim partij kiezen. Brontekst: הוֹכֵ֣חַ (hokheach) = terechtwijzen | יוֹכִ֣יחַ (yokhiach) = zal Hij | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | אִם (im) = als | בַּ֝סֵּ֗תֶר (baseter) = in het verborgen | פָּנִ֥ים (panim) = gezicht | תִּשָּׂאֽוּן (tisaun) = jullie verheffen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:7–8; Ps 50:21–22; Ps 82:2; Jak 2:9 **13:11** Zal Zijn majesteit jullie niet doen schrikken en Zijn vrees over jullie vallen? Brontekst: הֲלֹ֣א (halo) = niet? | שְׂ֭אֵתוֹ (seeto) = Zijn verhevenheid | תְּבַעֵ֣ת (tevaet) = zal doen schrikken | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וּ֝פַחְדּ֗וֹ (ufachdo) = en Zijn vrees | יִפֹּ֥ל (yipol) = valt | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = op jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:23; Ex 15:16; Ps 119:120; Jes 8:13; Mat 10:28 **13:12** Jullie gezegden zijn spreuken van as, jullie verdedigingswerken zijn van klei. Brontekst: זִֽ֭כְרֹנֵיכֶם (zikhroneikhem) = jullie herinneringen | מִשְׁלֵי (mishlei) = spreuken van | אֵ֑פֶר (efer) = as | לְגַבֵּי (legabei) = tot | חֹ֝֗מֶר (chomer) = klei | גַּבֵּיכֶֽם (gabeikhem) = jullie schilden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:7; Ps 34:17; Ps 102:13; Spr 10:7; Jes 26:14 ### Al doodt Hij mij, ik wacht op Hem **13:13** Zwijg en laat mij spreken, en laat over mij komen wat wil. Brontekst: הַחֲרִ֣ישׁוּ (hacharishu) = zwijg | מִ֭מֶּנִּי (mimeni) = van mij | וַאֲדַבְּרָה (vaadabera) = en laat spreken | אָ֑נִי (ani) = ik | וְיַעֲבֹ֖ר (veyaavor) = en kome over | עָלַ֣י (alay) = mij | מָֽה (ma) = wat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:11; Job 7:15–16; Job 10:1; Job 13:5; Job 21:3 **13:14** Waarom zou ik mijn vlees tussen mijn tanden nemen en mijn leven in mijn hand leggen? Brontekst: עַל (al) = waarom | מָ֤ה (ma) = wat | אֶשָּׂ֣א (esa) = zou ik nemen | בְשָׂרִ֣י (besari) = mijn vlees | בְשִׁנָּ֑י (beshinay) = tussen mijn tanden | וְ֝נַפְשִׁ֗י (venafshi) = en mijn leven | אָשִׂ֥ים (asim) = zou ik leggen | בְּכַפִּֽי (bekhapi) = in mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:4; Re 12:3; 1 Sam 19:5; 1 Sam 28:21; Ps 119:109 **13:15** Zie, Hij doodt mij, ik blijf op Hem wachten. Maar mijn wegen zal ik voor Zijn gezicht verdedigen. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | יִ֭קְטְלֵנִי (yiqteleni) = Hij doodt mij | ל֣וֹ (lo) = op Hem (K: niet) | אֲיַחֵ֑ל (ayachel) = zal ik wachten | אַךְ (akh) = maar | דְּ֝רָכַ֗י (derakhay) = mijn wegen | אֶל (el) = voor | פָּנָ֥יו (panav) = Zijn gezicht | אוֹכִֽיחַ (okhiach) = zal ik verdedigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft לֹא (lo), ‘niet’: ‘Zie, Hij doodt mij, ik heb geen hoop.’ De lezing in de marge (qere) heeft לוֹ (lo), ‘op Hem’: ‘ik wacht op Hem.’ Wij volgen de qere, die ook in de grondtekst staat. Het tweede deel van het vers, ‘maar mijn wegen zal ik voor Zijn gezicht verdedigen’, past bij beide lezingen: Job blijft vasthouden aan zijn recht. Zie ook: Job 19:25–28; Job 23:10; Ps 23:4; Rom 8:38–39; 1 Joh 3:20 **13:16** Ook dat zal mijn redding zijn, want een goddeloze komt niet voor Zijn gezicht. Brontekst: גַּם (gam) = ook | הוּא (hu) = dat | לִ֥י (li) = voor mij | לִֽישׁוּעָ֑ה (lishua) = tot redding | כִּי (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | לְ֝פָנָ֗יו (lefanav) = voor Zijn gezicht | חָנֵ֥ף (chanef) = een goddeloze | יָבֽוֹא (yavo) = komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָנֵף (chanef), ‘goddeloze’: Job zegt dat zijn bereidheid om voor Elohim te verschijnen zijn onschuld bewijst, want een goddeloze zou dat niet durven. In de Griekse vertaling luidt het begin ‘dit zal mij tot redding zijn’; Paulus gebruikt dezelfde woorden in Fil. 1:19. Zie ook: Ps 62:7–8; Ps 118:14; Ps 118:21; Jes 12:1–2; Jes 33:14; Fil 1:19 **13:17** Luister goed naar mijn woorden, laat mijn verklaring in jullie oren komen. Brontekst: שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoor | שָׁ֭מוֹעַ (shamoa) = luister | מִלָּתִ֑י (milati) = mijn woord | וְ֝אַֽחֲוָתִ֗י (veachavati) = en mijn verklaring | בְּאָזְנֵיכֶֽם (beazeneikhem) = in jullie oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:6; Job 21:2; Job 33:1 **13:18** Zie, ik heb mijn zaak voorbereid. Ik weet dat ik gelijk zal krijgen. Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | נָ֭א (na) = toch | עָרַ֣כְתִּי (arakhti) = ik heb geordend | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = de zaak | יָ֝דַ֗עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = ik | אֶצְדָּֽק (etsdaq) = gelijk zal krijgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:2–3; Job 9:20; Job 16:21; Job 23:4; Rom 8:33–34 **13:19** Wie wil met mij twisten? Dan zou ik nu zwijgen en sterven. Brontekst: מִי (mi) = wie | ה֭וּא (hu) = is dit | יָרִ֣יב (yariv) = die twist | עִמָּדִ֑י (imadi) = met mij | כִּֽי (ki) = want | עַתָּ֖ה (ata) = nu | אַחֲרִ֣ישׁ (acharish) = zou ik zwijgen | וְאֶגְוָֽע (veegva) = en sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:5; Job 33:5–7; Job 33:32; Jes 50:7–8; Jer 20:9 ### Job stelt voorwaarden aan Eloah **13:20** Doe mij slechts twee dingen niet aan, dan zal ik mij niet voor U verbergen. Brontekst: אַךְ (akh) = alleen | שְׁ֭תַּיִם (shetayim) = twee dingen | אַל (al) = niet | תַּ֣עַשׂ (taas) = doe | עִמָּדִ֑י (imadi) = met mij | אָ֥ז (az) = dan | מִ֝פָּנֶ֗יךָ (mipaneikha) = voor Uw gezicht | לֹ֣א (lo) = niet | אֶסָּתֵֽר (esater) = zal ik me verbergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De twee dingen volgen in vers 21: Elohim moet Zijn hand van Job wegnemen en Zijn schrik laten rusten. Daarna kan het gesprek beginnen (vers 22). Zie ook: Gen 3:8–10; Job 9:34–35; Ps 139:12; Openb 6:15–16 **13:21** Neem Uw hand van mij weg en laat Uw schrik mij niet verschrikken. Brontekst: כַּ֭פְּךָ (kapekha) = Uw hand | מֵעָלַ֣י (mealay) = van mij | הַרְחַ֑ק (harchaq) = verwijder | וְ֝אֵ֥מָתְךָ֗ (veematekha) = en Uw schrik | אַֽל (al) = niet | תְּבַעֲתַֽנִּי (tevaatani) = verschrikke mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:34; Job 10:20; Job 33:7; Ps 39:11; Ps 119:120 **13:22** Roep dan, en ik zal antwoorden, of laat mij spreken en antwoord mij. Brontekst: וּ֭קְרָא (uqera) = en roep | וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = en ik | אֶֽעֱנֶ֑ה (eene) = zal antwoorden | אֽוֹ (o) = of | אֲ֝דַבֵּ֗ר (adaber) = ik zal spreken | וַהֲשִׁיבֵֽנִי (vahashiveni) = en antwoord mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:16; Job 9:32; Job 14:15; Job 38:3; Job 42:3–6 **13:23** Hoeveel schulden en zonden heb ik? Laat mij mijn overtreding en mijn zonde weten. Brontekst: כַּמָּ֣ה (kama) = hoeveel | לִ֭י (li) = heb ik | עֲוֺנ֣וֹת (avonot) = schulden | וְחַטָּא֑וֹת (vechataot) = en zonden | פִּֽשְׁעִ֥י (pishi) = mijn overtreding | וְ֝חַטָּאתִ֗י (vechatati) = en mijn zonde | הֹדִיעֵֽנִי (hodieni) = maak mij bekend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:5; Job 36:8–9; Ps 44:21–22; Ps 139:23 **13:24** Waarom verbergt U Uw gezicht en beschouwt U mij als Uw vijand? Brontekst: לָֽמָּה (lama) = waarom | פָנֶ֥יךָ (paneikha) = Uw gezicht | תַסְתִּ֑יר (tastir) = verbergt U | וְתַחְשְׁבֵ֖נִי (vetachsheveni) = en rekent U mij | לְאוֹיֵ֣ב (leoyev) = tot vijand | לָֽךְ (lakh) = voor U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:11; Ps 13:2; Ps 44:25; Ps 88:15; Klaagl 2:5 **13:25** Wilt U een verwaaid blad schrik aanjagen, of droog stro achtervolgen? Brontekst: הֶעָלֶ֣ה (heale) = een blad | נִדָּ֣ף (nidaf) = verwaaid | תַּעֲר֑וֹץ (taarots) = wilt U doen schrikken | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | קַ֖שׁ (qash) = stro | יָבֵ֣שׁ (yavesh) = droog | תִּרְדֹּֽף (tirdof) = achtervolgt U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job noemt zichzelf een verwaaid blad en droog stro: zo klein dat het eigenlijk geen zin heeft dat Eloah hem vervolgt. Zie ook: Job 14:3; Job 21:18; Lev 26:36; Jes 17:13; Mat 12:20 **13:26** Want U schrijft bittere dingen over mij op en laat mij de schuld van mijn jeugd erven. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תִכְתֹּ֣ב (tikhtov) = U schrijft | עָלַ֣י (alay) = over mij | מְרֹר֑וֹת (merorot) = bitterheden | וְ֝תוֹרִישֵׁ֗נִי (vetorisheni) = en laat mij erven | עֲוֺנ֥וֹת (avonot) = schulden van | נְעוּרָֽי (neuray) = mijn jeugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:11; Ps 25:7; Ps 88:4–19; Jer 31:19; Joh 5:14 **13:27** U zet mijn voeten in de blokken, bewaakt al mijn paden en trekt een lijn om de zolen van mijn voeten. Brontekst: וְתָ֘שֵׂ֤ם (vetasem) = en U zet | בַּסַּ֨ד (basad) = in het blok | רַגְלַ֗י (raglay) = mijn voeten | וְתִשְׁמ֥וֹר (vetishmor) = en bewaakt | כָּל (kal) = al | אָרְחוֹתָ֑י (arechotay) = mijn paden | עַל (al) = om | שָׁרְשֵׁ֥י (shareshei) = de zolen van | רַ֝גְלַ֗י (raglay) = mijn voeten | תִּתְחַקֶּֽה (titchaqe) = trekt U een lijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַד (sad), ‘blok’, is een houten blok om de voeten van een gevangene vast te zetten (zie 33:11). ‘Een lijn trekken om de zolen’ is een beeld van strikte bewaking: Job kan geen stap verzetten zonder dat Eloah het ziet. Zie ook: Job 14:16; Job 16:9; Job 33:11; Spr 7:22; Hand 16:24 **13:28** En hij vergaat als iets wat rot is, als een kleed dat de mot heeft opgegeten.” Brontekst: וְ֭הוּא (vehu) = en hij | כְּרָקָ֣ב (keraqav) = als iets wat rot is | יִבְלֶ֑ה (yivle) = vergaat | כְּ֝בֶ֗גֶד (keveged) = als een kleed | אֲכָ֣לוֹ (akhalo) = heeft het opgegeten | עָֽשׁ (ash) = een mot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:19; Job 30:29–30; Num 12:12; Ps 39:12; Hos 5:12 ## Job 14 _De mens is als een bloem; is er hoop na de dood?_ ### Het korte leven van de mens **14:1** „De mens, geboren uit een vrouw, is kort van dagen en vol onrust. Brontekst: אָ֭דָם (adam) = een mens | יְל֣וּד (yelud) = geboren van | אִשָּׁ֑ה (isha) = een vrouw | קְצַ֥ר (qetsar) = kort van | יָ֝מִ֗ים (yamim) = dagen | וּֽשְׂבַֽע (useva) = en verzadigd van | רֹֽגֶז (rogez) = onrust Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 90:5–6; 103:15–16. ‘Geboren uit een vrouw’ benadrukt de zwakte en sterfelijkheid van de mens. Zie ook: Job 5:7; Job 7:1; Job 25:4; Ps 90:5–6; Ps 103:15; Pred 2:23; Mat 11:11 **14:2** Als een bloem komt hij op en verwelkt. Hij vlucht als een schaduw en blijft niet bestaan. Brontekst: כְּצִ֣יץ (ketsits) = als een bloem | יָ֭צָא (yatsa) = komt hij op | וַיִּמָּ֑ל (vayimal) = en verwelkt | וַיִּבְרַ֥ח (vayivrach) = en vlucht | כַּ֝צֵּ֗ל (katsel) = als een schaduw | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲמֽוֹד (yaamod) = blijft hij staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:9; 1 Kron 29:15; Ps 103:15–16; Jes 40:6–8; 1 Petr 1:24 **14:3** En op zo iemand slaat U Uw oog, en mij brengt U in het gericht met U? Brontekst: אַף (af) = ook | עַל (al) = op | זֶ֭ה (ze) = zo iemand | פָּקַ֣חְתָּ (paqachta) = opent U | עֵינֶ֑ךָ (einekha) = Uw oog | וְאֹ֘תִ֤י (veoti) = en mij | תָבִ֖יא (tavi) = brengt U | בְמִשְׁפָּ֣ט (bemishpat) = in het gericht | עִמָּֽךְ (imakh) = met U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:25; Ps 8:5; Ps 143:2; Ps 144:3; Rom 3:19 **14:4** Wie kan iets zuivers uit iets onzuivers voortbrengen? Niet één. Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֣ן (yiten) = geeft | טָ֭הוֹר (tahor) = rein | מִטָּמֵ֗א (mitame) = uit onrein | לֹ֣א (lo) = niet | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job zegt dat niets zuivers uit onzuiverheid voortkomt. In de kerkelijke traditie wordt dit vers wel naast Ps. 51:7 gelegd en met de erfzonde verbonden; wij laten dat hier open. In het verband van Job is het vooral een klacht: een mens kan niet zuiver zijn voor Elohim, dus waarom wordt hij zo streng beoordeeld? Vergelijk ook Job 15:14 en 25:4. Zie ook: Job 15:14; Job 25:4–6; Ps 51:9; Joh 3:6; Rom 8:8–9; Ef 2:3 **14:5** Als zijn dagen vastgesteld zijn, het aantal van zijn maanden bij U ligt, en U hem een grens hebt gesteld die hij niet kan overschrijden, Brontekst: אִ֥ם (im) = indien | חֲרוּצִ֨ים (charutsim) = vastgesteld | יָמָ֗יו (yamav) = zijn dagen | מִֽסְפַּר (mispar) = getal van | חֳדָשָׁ֥יו (chodashav) = zijn maanden | אִתָּ֑ךְ (itakh) = bij U | חֻקָּ֥יו (chuqav) = zijn grenzen | עָ֝שִׂ֗יתָ (asita) = stelde U | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲבֽוֹר (yaavor) = kan hij overschrijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:10; Ps 39:5; Ps 104:29; Hand 17:26; Heb 9:27 **14:6** kijk dan van hem weg, zodat hij rust heeft, totdat hij net als een dagloner van zijn dag kan genieten. Brontekst: שְׁעֵ֣ה (shee) = kijk weg | מֵעָלָ֣יו (mealav) = van hem | וְיֶחְדָּ֑ל (veyechdal) = en laat hem ophouden | עַד (ad) = tot | יִ֝רְצֶ֗ה (yirtse) = hij geniet | כְּשָׂכִ֥יר (kesakhir) = als een dagloner | יוֹמֽוֹ (yomo) = van zijn dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:1–2; Job 7:16; Job 7:19; Job 10:20; Ps 39:14 ### Voor een boom is er hoop **14:7** Want voor een boom is er hoop: als hij wordt omgehakt, groeit hij weer uit, en zijn scheuten blijven niet uit. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | יֵ֥שׁ (yesh) = er is | לָעֵ֗ץ (laets) = voor een boom | תִּ֫קְוָ֥ה (tiqva) = hoop | אִֽם (im) = indien | יִ֭כָּרֵת (yikaret) = hij wordt omgehakt | וְע֣וֹד (veod) = nog | יַחֲלִ֑יף (yachalif) = groeit hij weer | וְ֝יֹֽנַקְתּ֗וֹ (veyonaqto) = en zijn scheut | לֹ֣א (lo) = niet | תֶחְדָּֽל (techdal) = houdt op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het contrast met de boom: een omgehakte boom loopt weer uit, een mens niet (vers 10–12). Het beeld toont dat Job geen hoop ziet in zijn dood. Zie ook: Job 14:14; Job 19:10; Jes 11:1; Jes 27:6; Dan 4:20–22 **14:8** Al wordt zijn wortel oud in de aarde en sterft zijn stronk in het stof, Brontekst: אִם (im) = indien | יַזְקִ֣ין (yazqin) = wordt oud | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in de aarde | שָׁרְשׁ֑וֹ (sharesho) = zijn wortel | וּ֝בֶעָפָ֗ר (uveafar) = en in het stof | יָמ֥וּת (yamut) = sterft | גִּזְעֽוֹ (gizo) = zijn stronk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 26:19; Joh 12:24; 1 Kor 15:36 **14:9** bij de geur van water botst hij uit en maakt hij takken als een jonge plant. Brontekst: מֵרֵ֣יחַ (mereiach) = van de geur van | מַ֣יִם (mayim) = water | יַפְרִ֑חַ (yafriach) = bloeit hij | וְעָשָׂ֖ה (veasa) = en maakt | קָצִ֣יר (qatsir) = takken | כְּמוֹ (kemo) = als | נָֽטַע (nata) = een plant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 17:3–10; Ezech 17:22–24; Ezech 19:10; Rom 11:17–24 **14:10** Maar een man sterft en ligt uitgestrekt. De mens geeft de geest, en waar is hij dan? Brontekst: וְגֶ֣בֶר (vegever) = en een man | יָ֭מוּת (yamut) = sterft | וַֽיֶּחֱלָ֑שׁ (vayechelash) = en ligt uitgestrekt | וַיִּגְוַ֖ע (vayigva) = en geeft de geest | אָדָ֣ם (adam) = een mens | וְאַיּֽוֹ (veayo) = en waar is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:33; Job 7:7–10; Job 19:26; Spr 14:32; Mat 27:50 **14:11** Water verdwijnt uit de zee, een rivier valt droog en verdort. Brontekst: אָֽזְלוּ (azelu) = verdwijnen | מַ֭יִם (mayim) = water | מִנִּי (mini) = uit | יָ֑ם (yam) = zee | וְ֝נָהָ֗ר (venahar) = en rivier | יֶחֱרַ֥ב (yecherav) = valt droog | וְיָבֵֽשׁ (veyavesh) = en verdort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:15–18; Jes 19:5; Jer 15:18 **14:12** Zo gaat een mens liggen en staat niet meer op. Totdat de hemel niet meer is, worden ze niet wakker en niet gewekt uit hun slaap. Brontekst: וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man | שָׁכַ֗ב (shakhav) = ligt neer | וְֽלֹא (velo) = en niet | יָ֫ק֥וּם (yaqum) = staat op | עַד (ad) = tot | בִּלְתִּ֣י (bilti) = niet meer | שָׁ֭מַיִם (shamayim) = hemel | לֹ֣א (lo) = niet | יָקִ֑יצוּ (yaqitsu) = worden ze wakker | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵ֝עֹ֗רוּ (yeoru) = worden gewekt | מִשְּׁנָתָֽם (mishenatam) = uit hun slaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Totdat de hemel niet meer is’ betekent hier ‘nooit’: de hemel verdwijnt niet. Job ontkent dus (op dat moment) dat doden opstaan. Later zegt hij iets anders (19:25–27). Dit is een van de plaatsen waar Job tussen wanhoop en hoop heen en weer gaat. Zie ook: Job 3:13; Job 10:21–22; Pred 3:19–21; Jes 26:19; 2 Petr 3:10–13 ### Wilde U mij maar verbergen in het dodenrijk **14:13** Wilde U mij maar in het dodenrijk verbergen, mij verstoppen totdat Uw toorn voorbij is, mij een tijdstip stellen en aan mij denken! Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | יִתֵּ֨ן (yiten) = geeft | בִּשְׁא֬וֹל (bishol) = in het dodenrijk | תַּצְפִּנֵ֗נִי (tatspineni) = verberg mij | תַּ֭סְתִּירֵנִי (tastireni) = verstop mij | עַד (ad) = tot | שׁ֣וּב (shuv) = afwendt | אַפֶּ֑ךָ (apekha) = Uw toorn | תָּ֤שִׁ֥ית (tashit) = stelt U | לִ֖י (li) = mij | חֹ֣ק (choq) = een bepaalde tijd | וְתִזְכְּרֵֽנִי (vetizkereni) = en denkt aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (Sheol) is hier niet alleen een plaats van duisternis (10:21–22), maar ook een schuilplaats tot Elohims toorn voorbij is. Job wenst een tijdelijke dood, met een vastgestelde tijd waarop Elohim aan hem denkt. Zie ook: Job 3:17–19; Jes 26:20–21; Jes 57:1–2; Mar 13:32; Hand 17:31 **14:14** Als een man sterft, zal hij dan weer leven? Al de dagen van mijn dienst wacht ik, totdat mijn aflossing komt. Brontekst: אִם (im) = indien | יָמ֥וּת (yamut) = sterft | גֶּ֗בֶר (gever) = een man | הֲיִ֫חְיֶ֥ה (hayichye) = zal hij leven | כָּל (kal) = al | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | צְבָאִ֣י (tsevai) = mijn dienst | אֲיַחֵ֑ל (ayachel) = wacht ik | עַד (ad) = tot | בּ֝֗וֹא (bo) = komt | חֲלִיפָתִֽי (chalifati) = mijn aflossing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲלִיפָה (chalifah), ‘aflossing’, is de wisseling van de wacht: Job ziet zijn leven als diensttijd die eindigt als een ander hem aflost. Zie ook: Job 7:1; Job 13:15; Ps 27:14; Hand 26:8; 1 Kor 15:51–52 **14:15** U zult roepen en ik zal U antwoorden. Naar het werk van Uw handen zult U verlangen. Brontekst: תִּ֭קְרָא (tiqra) = U zult roepen | וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = en ik | אֶֽעֱנֶ֑ךָּ (eeneka) = zal U antwoorden | לְֽמַעֲשֵׂ֖ה (lemaase) = naar het werk van | יָדֶ֣יךָ (yadeikha) = Uw handen | תִכְסֹֽף (tikhsof) = zult U verlangen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job verwacht dat Elohim, na de dood, naar het werk van Zijn handen zal verlangen. Het is een beeld van een schepper die zijn schepsel mist. Zie ook: Job 7:21; Job 10:8; Job 13:22; Ps 138:8; 1 Petr 4:19 **14:16** Want nu telt U mijn stappen, maar U waakt niet over mijn zonde. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עַ֭תָּה (ata) = nu | צְעָדַ֣י (tseaday) = mijn stappen | תִּסְפּ֑וֹר (tispor) = telt U | לֹֽא (lo) = niet | תִ֝שְׁמ֗וֹר (tishmor) = bewaakt U | עַל (al) = over | חַטָּאתִֽי (chatati) = mijn zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:6; Job 31:4; Job 34:21; Ps 139:1–4; Spr 5:21 **14:17** Mijn overtreding is verzegeld in een zak, en U plakt mijn schuld dicht. Brontekst: חָתֻ֣ם (chatum) = verzegeld | בִּצְר֣וֹר (bitsror) = in een zak | פִּשְׁעִ֑י (pishi) = mijn overtreding | וַ֝תִּטְפֹּ֗ל (vatitpol) = en U plakt dicht | עַל (al) = over | עֲוֺנִֽי (avoni) = mijn schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een verzegelde zak is een beeld van een rekening die wordt bewaard: de schuld wordt niet vergeten maar verzegeld voor de afrekening. Zie ook: Job 21:19; Deut 32:34; Hos 13:12 **14:18** Maar een berg die valt, brokkelt af, en een rots verplaatst zich van zijn plaats. Brontekst: וְ֭אוּלָם (veulam) = maar | הַר (har) = berg | נוֹפֵ֣ל (nofel) = vallend | יִבּ֑וֹל (yibol) = brokkelt af | וְ֝צ֗וּר (vetsur) = en rots | יֶעְתַּ֥ק (yetaq) = verplaatst zich | מִמְּקֹמֽוֹ (mimeqomo) = van zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:4; Jes 40:12; Jer 4:24; Mat 27:51; Openb 6:14 **14:19** Water slijt stenen, zijn stortvloed spoelt het stof van de aarde weg. Zo vernietigt U de hoop van de mens. Brontekst: אֲבָנִ֤ים (avanim) = stenen | שָׁ֥חֲקוּ (shachaqu) = slijt | מַ֗יִם (mayim) = water | תִּשְׁטֹֽף (tishtof) = spoelt weg | סְפִיחֶ֥יהָ (seficheiha) = zijn overstromingen | עֲפַר (afar) = stof van | אָ֑רֶץ (arets) = aarde | וְתִקְוַ֖ת (vetiqvat) = en hoop van | אֱנ֣וֹשׁ (enosh) = de mens | הֶאֱבַֽדְתָּ (heevadta) = vernietigt U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het water dat stenen slijt is hier een beeld voor de manier waarop Elohim de hoop van een mens langzaam afslijt. Zie ook: Gen 6:17; Job 7:6; Job 19:10; Job 27:8; Luc 12:19–20 **14:20** U overweldigt hem voorgoed en hij gaat heen. U verandert zijn gezicht en stuurt hem weg. Brontekst: תִּתְקְפֵ֣הוּ (titqefehu) = U overweldigt hem | לָ֭נֶצַח (lanetsach) = voorgoed | וַֽיַּהֲלֹ֑ךְ (vayahalokh) = en hij gaat | מְשַׁנֶּ֥ה (meshane) = U verandert | פָ֝נָ֗יו (panav) = zijn gezicht | וַֽתְּשַׁלְּחֵֽהוּ (vateshalechehu) = en stuurt hem weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 2:12; Job 14:14; Pred 8:8; Klaagl 4:8 **14:21** Zijn zonen worden geëerd en hij weet het niet. Ze worden klein en hij merkt het niet. Brontekst: יִכְבְּד֣וּ (yikhbedu) = worden geëerd | בָ֭נָיו (banav) = zijn zonen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֵדָ֑ע (yeda) = weet hij | וְ֝יִצְעֲר֗וּ (veyitsaru) = en worden klein | וְֽלֹא (velo) = en niet | יָבִ֥ין (yavin) = merkt hij | לָֽמוֹ (lamo) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 39:7; Pred 2:18–19; Pred 9:5; Jes 39:7–8; Jes 63:16 **14:22** Alleen zijn eigen vlees voelt pijn en zijn ziel rouwt om hem.” Brontekst: אַךְ (akh) = alleen | בְּ֭שָׂרוֹ (besaro) = zijn vlees | עָלָ֣יו (alav) = over hem | יִכְאָ֑ב (yikhav) = doet pijn | וְ֝נַפְשׁ֗וֹ (venafsho) = en zijn ziel | עָלָ֥יו (alav) = over hem | תֶּאֱבָֽל (teeval) = rouwt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:20; Job 19:26; Job 33:19–21; Spr 14:32; Luc 16:23–24 ## Job 15 _Elifaz spreekt voor de tweede keer_ ### Elifaz: Jobs woorden zijn windkennis **15:1** Elifaz uit Teman nam het woord en zei: Brontekst: וַ֭יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | אֱלִיפַ֥ז (elifaz) = Elifaz | הַֽתֵּימָנִ֗י (hateimani) = de Temaniet | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië). Voetnoot Uitleg: Elifaz spreekt voor de tweede keer. Zijn toon is scherper dan in hoofdstuk 4–5: hij noemt Jobs woorden nu ‘windkennis’. Zie ook: Job 2:11; Job 4:1; Job 22:1; Job 42:7; Job 42:9 **15:2** „Geeft een wijze antwoord met windkennis, en vult hij zijn buik met de oostenwind? Brontekst: הֶֽחָכָ֗ם (hechakham) = een wijze | יַעֲנֶ֥ה (yaane) = zal antwoorden | דַֽעַת (daat) = met kennis van | ר֑וּחַ (ruach) = wind | וִֽימַלֵּ֖א (vimale) = en vult | קָדִ֣ים (qadim) = oostenwind | בִּטְנֽוֹ (bitno) = zijn buik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדִים (qadim), ‘oostenwind’, is de hete, droge woestijnwind (Gen. 41:6). Zijn buik ermee vullen betekent: hij uit alleen leegte. Zie ook: Gen 41:6; Job 6:26; Job 8:2; Job 13:2; Hos 12:2; Jak 3:13 **15:3** Redetwist hij met woorden die niet baten, met praatjes die niets uithalen? Brontekst: הוֹכֵ֣חַ (hokheach) = redetwisten | בְּ֭דָבָר (bedavar) = met woord | לֹ֣א (lo) = niet | יִסְכּ֑וֹן (yiskon) = dat nut heeft | וּ֝מִלִּ֗ים (umilim) = en met praatjes | לֹא (lo) = niet | יוֹעִ֥יל (yoil) = die baten | בָּֽם (bam) = daarmee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:4–5; Mal 3:13–15; Mat 12:36–37; Kol 4:6; 1 Tim 6:4–5 **15:4** Jij maakt zelfs het ontzag ongedaan en brengt het bidden tot El tot niets. Brontekst: אַף (af) = ook | אַ֭תָּה (ata) = jij | תָּפֵ֣ר (tafer) = maakt ongedaan | יִרְאָ֑ה (yira) = ontzag | וְתִגְרַ֥ע (vetigra) = en vermindert | שִׂ֝יחָ֗ה (sicha) = overweging | לִפְנֵי (lifnei) = voor | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elifaz zegt dat Job door zijn woorden het ontzag voor Elohim ondermijnt. Zijn eigen opvatting is dat iemand die zo spreekt, schuldig moet zijn. Zie ook: Job 6:14; Ps 36:2–4; Ps 119:126; Sef 1:6; Rom 3:31 **15:5** Want je schuld leert je mond wat te zeggen, en je kiest de taal van de listigen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | יְאַלֵּ֣ף (yealef) = leert | עֲוֺנְךָ֣ (avonekha) = je schuld | פִ֑יךָ (pikha) = je mond | וְ֝תִבְחַ֗ר (vetivchar) = en je kiest | לְשׁ֣וֹן (leshon) = taal van | עֲרוּמִֽים (arumim) = listigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 50:19–20; Ps 52:4–6; Jer 9:2–4; Luc 6:45; Jak 1:26 **15:6** Je eigen mond verklaart je schuldig, niet ik, en je lippen getuigen tegen je. Brontekst: יַרְשִֽׁיעֲךָ֣ (yarshiakha) = verklaart je schuldig | פִ֣יךָ (pikha) = je mond | וְלֹא (velo) = en niet | אָ֑נִי (ani) = ik | וּ֝שְׂפָתֶ֗יךָ (usefateikha) = en je lippen | יַעֲנוּ (yaanu) = getuigen | בָֽךְ (bakh) = tegen je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:20; Job 33:8–12; Job 42:3; Mat 12:37; Luc 19:22 **15:7** Ben jij als eerste mens geboren? Ben je voor de heuvels voortgebracht? Brontekst: הֲרִאישׁ֣וֹן (hariyshon) = als eerste? | אָ֭דָם (adam) = mens | תִּוָּלֵ֑ד (tivaled) = werd je geboren | וְלִפְנֵ֖י (velifnei) = en voor | גְבָע֣וֹת (gevaot) = heuvels | חוֹלָֽלְתָּ (cholalta) = werd je voortgebracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:12; Job 15:10; Job 38:4–41; Ps 90:2; Spr 8:22–25 **15:8** Heb jij geluisterd in de raad van Eloah? Heb je de wijsheid voor jezelf gehouden? Brontekst: הַבְס֣וֹד (havsod) = in de raad van | אֱל֣וֹהַ (eloha) = Eloah | תִּשְׁמָ֑ע (tishma) = luisterde je | וְתִגְרַ֖ע (vetigra) = en houd je | אֵלֶ֣יךָ (eleikha) = voor jezelf | חָכְמָֽה (chakhema) = wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוֹד (sod), ‘raad’, is de kring van hemelse wezens rond Eloah (zie Jer. 23:18; Ps. 89:8). Elifaz vraagt spottend of Job daar was. Zie ook: Job 12:2; Ps 89:9; Spr 3:32; Jer 23:18; 1 Kor 2:9–11; Rom 11:34 **15:9** Wat weet jij dat wij niet weten? Wat begrijp je dat bij ons niet is? Brontekst: מַה (ma) = wat | יָּ֭דַעְתָּ (yadata) = weet jij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נֵדָ֑ע (neda) = wij weten | תָּ֝בִ֗ין (tavin) = begrijp je | וְֽלֹא (velo) = en niet | עִמָּ֥נוּ (imanu) = bij ons | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:3; Job 13:2; Job 26:3–4; 2 Kor 10:7; 2 Kor 11:5 **15:10** Ook onder ons zijn grijsaards en bejaarden, ouder in dagen dan je vader. Brontekst: גַּם (gam) = ook | שָׂ֣ב (sav) = grijsaard | גַּם (gam) = ook | יָשִׁ֣ישׁ (yashish) = bejaarde | בָּ֑נוּ (banu) = onder ons | כַּבִּ֖יר (kabir) = groter | מֵאָבִ֣יךָ (meavikha) = dan je vader | יָמִֽים (yamim) = in dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:8–10; Job 12:12; Job 32:6–7; Deut 32:7; Spr 16:31 **15:11** Is de troost van El je te weinig, en het zachte woord tegen jou? Brontekst: הַמְעַ֣ט (hamat) = te weinig? | מִ֭מְּךָ (mimekha) = voor jou | תַּנְחֻמ֣וֹת (tanchumot) = de troost van | אֵ֑ל (el) = El | וְ֝דָבָ֗ר (vedavar) = en een woord | לָאַ֥ט (laat) = zacht | עִמָּֽךְ (imakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:8–26; Job 13:2; Job 15:8; 2 Kor 1:3–5; 2 Kor 7:6 **15:12** Waarom neemt je hart je mee, en waarom knipperen je ogen, Brontekst: מַה (ma) = wat | יִּקָּחֲךָ֥ (yiqachakha) = neemt je mee | לִבֶּ֑ךָ (libekha) = je hart | וּֽמַה (uma) = en wat | יִּרְזְמ֥וּן (yirzemun) = knipperen | עֵינֶֽיךָ (eineikha) = je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:13; Job 17:2; Ps 35:19; Mar 7:21–22; Hand 5:3–4 **15:13** dat je je geest tegen El keert en woorden uit je mond laat gaan? Brontekst: כִּֽי (ki) = dat | תָשִׁ֣יב (tashiv) = je keert | אֶל (el) = tegen | אֵ֣ל (el) = El | רוּחֶ֑ךָ (ruchekha) = je geest | וְהֹצֵ֖אתָ (vehotseta) = en laat uitgaan | מִפִּ֣יךָ (mipikha) = uit je mond | מִלִּֽין (milin) = woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:3; Job 12:6; Job 15:25–27; Ps 34:14; Jak 3:2–6 **15:14** Wat is een mens dat hij rein zou zijn, en een vrouwenzoon dat hij rechtvaardig zou zijn? Brontekst: מָֽה (ma) = wat | אֱנ֥וֹשׁ (enosh) = een mens | כִּֽי (ki) = dat | יִזְכֶּ֑ה (yizke) = hij rein zou zijn | וְכִֽי (vekhi) = en dat | יִ֝צְדַּ֗ק (yitsdaq) = hij rechtvaardig zou zijn | יְל֣וּד (yelud) = geboren van | אִשָּֽׁה (isha) = een vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elifaz herhaalt zijn eerdere uitspraak (4:17), nu in de vorm van Jobs eigen woorden (14:1,4). Zie ook: Job 14:4; Job 25:4–6; Spr 20:9; Pred 7:20; Rom 7:18 **15:15** Zie, zelfs op Zijn heiligen vertrouwt Hij niet, en de hemelen zijn niet rein in Zijn ogen. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | בִּ֭קְדֹשָׁיו (biqdoshav) = in Zijn heiligen | לֹ֣א (lo) = niet | יַאֲמִ֑ין (yaamin) = vertrouwt Hij | וְ֝שָׁמַ֗יִם (veshamayim) = en hemelen | לֹא (lo) = niet | זַכּ֥וּ (zaku) = zijn rein | בְעֵינָֽיו (beeinav) = in Zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit herhaalt 4:18. Voor Elifaz is zelfs de hemel niet rein voor Elohim, dus Job al helemaal niet. Zie ook: Job 4:18; Job 5:1; Job 25:5; Jes 6:2–5 **15:16** Hoeveel minder dan de verfoeilijke, verdorven man die onrecht drinkt als water. Brontekst: אַ֭ף (af) = hoeveel | כִּֽי (ki) = te minder | נִתְעָ֥ב (nitav) = verfoeilijk | וְֽנֶאֱלָ֑ח (veneelach) = en verdorven | אִישׁ (ish) = een man | שֹׁתֶ֖ה (shote) = die drinkt | כַמַּ֣יִם (kamayim) = als water | עַוְלָֽה (avla) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:7; Ps 53:4; Spr 19:28; Rom 3:9–19; Tit 3:3 ### Het lot van de goddeloze **15:17** Ik zal het je vertellen, luister naar mij. Wat ik heb gezien, zal ik uitspreken, Brontekst: אֲחַוְךָ֥ (achavkha) = ik zal je tonen | שְֽׁמַֽע (shema) = luister | לִ֑י (li) = naar mij | וְזֶֽה (veze) = en dit | חָ֝זִ֗יתִי (chaziti) = wat ik zag | וַאֲסַפֵּֽרָה (vaasapera) = ik zal vertellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier volgt een lange beschrijving van het lot van de goddeloze (vers 20–35). Elifaz beroept zich op de overlevering van de wijzen (vers 18). Zie ook: Job 5:27; Job 13:5–6; Job 33:1; Job 34:2; Job 36:2 **15:18** wat wijzen hebben verteld en niet voor hun vaders hebben verborgen, Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = wat | חֲכָמִ֥ים (chakhamim) = wijzen | יַגִּ֑ידוּ (yagidu) = vertelden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | כִֽ֝חֲד֗וּ (kichadu) = verborgen | מֵאֲבוֹתָֽם (meavotam) = van hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:8; Job 15:10; Ps 71:18; Ps 78:3–6; Jes 38:19 **15:19** aan wie alleen het land was gegeven en onder wie geen vreemde doorgetrokken is: Brontekst: לָהֶ֣ם (lahem) = aan hen | לְ֭בַדָּם (levadam) = alleen | נִתְּנָ֣ה (nitena) = werd gegeven | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְלֹא (velo) = en niet | עָ֖בַר (avar) = trok door | זָ֣ר (zar) = een vreemde | בְּתוֹכָֽם (betokham) = onder hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Aan wie alleen het land was gegeven’: de wijzen van vroeger leefden in een tijd waarin geen vreemde invloed hun leer verontreinigde. Het is een beroep op de zuiverheid van de oude traditie. Zie ook: Gen 10:25; Gen 10:32; Deut 32:8; Joël 4:17 **15:20** Alle dagen van de goddeloze is hij in angst, en het aantal jaren is weggelegd voor de tiran. Brontekst: כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | רָ֭שָׁע (rasha) = een goddeloze | ה֣וּא (hu) = hij | מִתְחוֹלֵ֑ל (mitcholel) = is in angst | וּמִסְפַּ֥ר (umispar) = en het getal van | שָׁ֝נִ֗ים (shanim) = jaren | נִצְפְּנ֥וּ (nitspenu) = zijn weggelegd | לֶעָרִֽיץ (learits) = voor de tiran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 24:1; Job 27:13; Ps 90:3–4; Luc 12:19–21; Jak 5:1–6 **15:21** Een geluid van schrik is in zijn oren. In vrede komt de plunderaar over hem. Brontekst: קוֹל (qol) = geluid van | פְּחָדִ֥ים (pechadim) = schrik | בְּאָזְנָ֑יו (beazenav) = in zijn oren | בַּ֝שָּׁל֗וֹם (bashalom) = in vrede | שׁוֹדֵ֥ד (shoded) = een plunderaar | יְבוֹאֶֽנּוּ (yevoenu) = komt over hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:11; Lev 26:36; 1 Tess 5:3; 1 Kor 10:10; Openb 9:11 **15:22** Hij gelooft niet dat hij uit de duisternis terugkeert. Hij is bestemd voor het zwaard. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יַאֲמִ֣ין (yaamin) = gelooft hij | שׁ֭וּב (shuv) = terugkeren | מִנִּי (mini) = uit | חֹ֑שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וְצָפ֖וּי (vetsafuy) = en bestemd | ה֣וּא (hu) = hij is | אֱלֵי (elei) = voor | חָֽרֶב (charev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:11; Job 9:16; Job 20:24–25; Job 27:14; Mat 27:5 **15:23** Hij zwerft rond naar brood: waar is het? Hij weet dat de dag van duisternis bij hem gereedstaat. Brontekst: נֹ֘דֵ֤ד (noded) = zwervend | ה֣וּא (hu) = hij | לַלֶּ֣חֶם (lalechem) = naar brood | אַיֵּ֑ה (aye) = waar | יָדַ֓ע (yada) = hij weet | כִּֽי (ki) = dat | נָכ֖וֹן (nakhon) = gereed | בְּיָד֣וֹ (beyado) = aan zijn hand | יֽוֹם (yom) = dag van | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:12; Ps 59:16; Ps 109:10; Pred 11:8; Amos 5:20 **15:24** Nood en benauwdheid doen hem schrikken. Ze overweldigen hem als een koning die klaarstaat voor de aanval. Brontekst: יְֽ֭בַעֲתֻהוּ (yevaatuhu) = doen hem schrikken | צַ֣ר (tsar) = nood | וּמְצוּקָ֑ה (umetsuqa) = en benauwdheid | תִּ֝תְקְפֵ֗הוּ (titqefehu) = overweldigen hem | כְּמֶ֤לֶךְ (kemelekh) = als een koning | עָתִ֬יד (atid) = gereed | לַכִּידֽוֹר (lakidor) = voor de aanval Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De goddeloze wordt achtervolgd door nood en benauwdheid als door een koning die klaarstaat om aan te vallen. Zie ook: Job 6:2–4; Ps 119:143; Spr 6:11; Spr 24:34; Jes 13:3 **15:25** Want hij strekte zijn hand uit tegen El en speelde de sterke tegenover Sjaddai. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | נָטָ֣ה (nata) = hij strekte uit | אֶל (el) = tegen | אֵ֣ל (el) = El | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | וְאֶל (veel) = en tegen | שַׁ֝דַּ֗י (shaday) = Sjaddai | יִתְגַּבָּֽר (yitgabar) = speelt hij de sterke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:4; Ps 52:9; Ps 73:9; Ps 73:11; Dan 5:23 **15:26** Hij rende op Hem af met gestrekte nek, achter de dikke bulten van zijn schilden. Brontekst: יָר֣וּץ (yaruts) = hij rent | אֵלָ֣יו (elav) = naar Hem | בְּצַוָּ֑אר (betsavar) = met de nek | בַּ֝עֲבִ֗י (baavi) = met dikte van | גַּבֵּ֥י (gabei) = bulten van | מָֽגִנָּֽיו (maginav) = zijn schilden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit beeld van een krijger die met gestrekte nek, achter zijn schild op zijn vijand afrent, is hier de goddeloze die tegen Sjaddai zelf te velde trekt. Zie ook: Gen 49:8; Job 16:12; Ps 18:41; 2 Kron 28:22; 2 Kron 32:13–17 **15:27** Want hij heeft zijn gezicht met vet bedekt en spek op zijn lenden gelegd. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כִסָּ֣ה (kisa) = bedekt | פָנָ֣יו (panav) = zijn gezicht | בְּחֶלְבּ֑וֹ (bechelbo) = met zijn vet | וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en legt | פִּימָ֣ה (pima) = spek | עֲלֵי (alei) = op | כָֽסֶל (kasel) = zijn lenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:15; Ps 17:10; Ps 73:7; Jes 6:10; Jer 5:28 **15:28** Hij woont in verwoeste steden, in huizen waar niemand woont, die bestemd zijn voor puinhopen. Brontekst: וַיִּשְׁכּ֤וֹן (vayishkon) = en woont | עָ֘רִ֤ים (arim) = in steden | נִכְחָד֗וֹת (nikhchadot) = verwoeste | בָּ֭תִּים (batim) = huizen | לֹא (lo) = niet | יֵ֣שְׁבוּ (yeshevu) = woont men | לָ֑מוֹ (lamo) = in hen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | הִתְעַתְּד֣וּ (hitatedu) = bestemd zijn | לְגַלִּֽים (legalim) = voor puinhopen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:14; Jes 5:8–10; Mi 3:12; Mi 7:18; Jer 51:37 **15:29** Hij wordt niet rijk en zijn vermogen houdt geen stand. Zijn bezit breidt zich niet uit over het land. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יֶ֭עְשַׁר (yeshar) = wordt hij rijk | וְלֹא (velo) = en niet | יָק֣וּם (yaqum) = houdt stand | חֵיל֑וֹ (cheilo) = zijn vermogen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִטֶּ֖ה (yite) = breidt zich uit | לָאָ֣רֶץ (laarets) = over land | מִנְלָֽם (minlam) = hun bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מִנְלָם (minlam) komt alleen hier voor en is onzeker. Wij begrijpen het als ‘hun bezit’ of ‘wat zij verworven hebben’. Een oude vertaling heeft ‘hun schaduw’. Zie ook: Job 20:22–28; Job 27:16–17; Luc 16:19–22; Jak 1:11; Jak 5:1–3 **15:30** Hij ontkomt niet aan de duisternis. Een vlam verdort zijn scheuten, en hij verdwijnt door de adem van Zijn mond. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יָס֨וּר (yasur) = ontkomt hij | מִנִּי (mini) = aan | חֹ֗שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | יֹֽ֭נַקְתּוֹ (yonaqto) = zijn scheut | תְּיַבֵּ֣שׁ (teyabesh) = verdort | שַׁלְהָ֑בֶת (shalhavet) = een vlam | וְ֝יָס֗וּר (veyasur) = en hij verdwijnt | בְּר֣וּחַ (beruach) = door adem van | פִּֽיו (piv) = Zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:9; Job 15:22; Job 18:5–6; Job 20:26; Mat 25:41 **15:31** Laat hij niet op nietigheid vertrouwen, hij dwaalt, want nietigheid zal zijn loon zijn. Brontekst: אַל (al) = niet | יַאֲמֵ֣ן (yaamen) = laat hij vertrouwen | בַּשָּׁ֣יו (bashav) = op nietigheid | נִתְעָ֑ה (nita) = hij dwaalt | כִּי (ki) = want | שָׁ֝֗וְא (shave) = nietigheid | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | תְמוּרָתֽוֹ (temurato) = zijn ruil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 62:11; Hos 8:7; Jes 59:4; Gal 6:3; Gal 6:7–8 **15:32** Voor zijn tijd wordt het volbracht, en zijn tak wordt niet groen. Brontekst: בְּֽלֹא (belo) = voor | י֭וֹמוֹ (yomo) = zijn dag | תִּמָּלֵ֑א (timale) = wordt het vervuld | וְ֝כִפָּת֗וֹ (vekhipato) = en zijn tak | לֹ֣א (lo) = niet | רַעֲנָֽנָה (raanana) = is groen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld is dat van een boom die vroegtijdig afsterft, zijn tak wordt nooit groen. Zie ook: Job 22:16; Ps 55:24; Pred 7:17; Hos 9:16; Hos 14:6–8 **15:33** Hij laat zijn onrijpe druiven vallen als een wijnstok en werpt zijn bloesem af als een olijfboom. Brontekst: יַחְמֹ֣ס (yachmos) = hij laat vallen | כַּגֶּ֣פֶן (kagefen) = als een wijnstok | בִּסְר֑וֹ (bisro) = zijn onrijpe druif | וְיַשְׁלֵ֥ךְ (veyashlekh) = en werpt af | כַּ֝זַּ֗יִת (kazayit) = als een olijfboom | נִצָּתֽוֹ (nitsato) = zijn bloesem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:39–40; Jes 33:9; Openb 6:13 **15:34** Want de kring van de goddelozen is onvruchtbaar, en vuur verteert de tenten van omkoping. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עֲדַ֣ת (adat) = kring van | חָנֵ֣ף (chanef) = goddelozen | גַּלְמ֑וּד (galmud) = onvruchtbaar | וְ֝אֵ֗שׁ (veesh) = en vuur | אָכְלָ֥ה (akhela) = verteert | אָֽהֳלֵי (aholei) = tenten van | שֹֽׁחַד (shochad) = omkoping Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:13; Job 8:22; Job 22:5–9; Job 27:8; Mi 7:2 **15:35** Ze zijn zwanger van moeite en baren onrecht, en hun schoot bereidt bedrog.” Brontekst: הָרֹ֣ה (haro) = zwanger zijn | עָ֭מָל (amal) = moeite | וְיָ֣לֹד (veyalod) = en baren | אָ֑וֶן (aven) = onrecht | וּ֝בִטְנָ֗ם (uvitnam) = en hun schoot | תָּכִ֥ין (takhin) = bereidt | מִרְמָֽה (mirma) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zwanger worden van moeite en baren wat onrecht is: hetzelfde beeld staat in Ps. 7:15 en Jes. 59:4, voor wie kwaad beraamt. Zie ook: Ps 7:15; Ps 7:16; Hos 10:13; Jes 59:4–5; Jak 1:15; Gal 6:7–8 ## Job 16 _Job: mijn getuige is in de hemel_ ### Zwakke troosters **16:1** Job antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **16:2** „Zulke dingen heb ik vaak gehoord. Zwakke troosters zijn jullie allemaal. Brontekst: שָׁמַ֣עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | כְאֵ֣לֶּה (keele) = zulke dingen | רַבּ֑וֹת (rabot) = veel | מְנַחֲמֵ֖י (menachamei) = troosters van | עָמָ֣ל (amal) = moeite | כֻּלְּכֶֽם (kulekhem) = jullie allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:6; Job 6:25; Job 13:4–5; Jak 1:19; Fil 1:16 **16:3** Komt er een einde aan windpraatjes? Of wat zet jou aan om te antwoorden? Brontekst: הֲקֵ֥ץ (haqets) = is er een einde | לְדִבְרֵי (ledivrei) = aan woorden van | ר֑וּחַ (ruach) = wind | א֥וֹ (o) = of | מַה (ma) = wat | יַּ֝מְרִֽיצְךָ֗ (yamritsekha) = brengt je ertoe | כִּ֣י (ki) = dat | תַעֲנֶֽה (taane) = je antwoordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי־רוּחַ (divre-ruach), ‘woorden van wind’: lege woorden. Job gebruikt Elifaz’ eigen uitdrukking (15:2) tegen hem. Zie ook: Job 6:26; Job 15:2; Job 20:3; Job 32:3–6; Tit 1:11 **16:4** Ook ik zou kunnen spreken zoals jullie, als jullie in mijn plaats waren. Ik zou woorden tegen jullie aaneenrijgen en mijn hoofd tegen jullie schudden. Brontekst: גַּ֤ם (gam) = ook | אָנֹכִי֮ (anokhi) = ik | כָּכֶ֪ם (kakhem) = zoals jullie | אֲדַ֫בֵּ֥רָה (adabera) = zou spreken | ל֤וּ (lu) = als | יֵ֪שׁ (yesh) = waren | נַפְשְׁכֶ֡ם (nafshekhem) = jullie ziel | תַּ֤חַת (tachat) = in plaats van | נַפְשִׁ֗י (nafshi) = mijn ziel | אַחְבִּ֣ירָה (achbira) = ik zou aaneenrijgen | עֲלֵיכֶ֣ם (aleikhem) = tegen jullie | בְּמִלִּ֑ים (bemilim) = woorden | וְאָנִ֥יעָה (veania) = en schudden | עֲ֝לֵיכֶ֗ם (aleikhem) = tegen jullie | בְּמ֣וֹ (bemo) = met | רֹאשִֽׁי (roshi) = mijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job zegt: ik kan ook zulke dingen zeggen, als wij van plaats zouden ruilen. Het gaat hem niet om de woorden maar om medeleven. Zie ook: Ps 22:8; Ps 109:25; 2 Kon 19:21; Jer 18:16; Klaagl 2:15 **16:5** Ik zou jullie sterken met mijn mond, en het bewegen van mijn lippen zou verlichting brengen. Brontekst: אֲאַמִּצְכֶ֥ם (aamitskhem) = ik zou jullie sterken | בְּמוֹ (bemo) = met | פִ֑י (pi) = mijn mond | וְנִ֖יד (venid) = en het bewegen van | שְׂפָתַ֣י (sefatay) = mijn lippen | יַחְשֹֽׂךְ (yachsokh) = zou sparen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:3–4; Job 6:14; Spr 27:9; Jes 35:3–4; Gal 6:1 **16:6** Als ik spreek, wordt mijn pijn niet verlicht. Als ik zwijg, wat gaat er dan van mij weg? Brontekst: אִֽם (im) = indien | אֲ֭דַבְּרָה (adabera) = ik spreek | לֹא (lo) = niet | יֵחָשֵׂ֣ךְ (yechasekh) = wordt gespaard | כְּאֵבִ֑י (keevi) = mijn pijn | וְ֝אַחְדְּלָ֗ה (veachdela) = en laat ik af | מַה (ma) = wat | מִנִּ֥י (mini) = van mij | יַהֲלֹֽךְ (yahalokh) = gaat weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:1; Ps 77:2–10; Ps 88:16–19 ### Eloah is mijn vijand geworden **16:7** Maar nu heeft Hij mij uitgeput. U hebt heel mijn kring verwoest. Brontekst: אַךְ (akh) = maar | עַתָּ֥ה (ata) = nu | הֶלְאָ֑נִי (helani) = heeft Hij mij uitgeput | הֲ֝שִׁמּ֗וֹתָ (hashimota) = U hebt verwoest | כָּל (kal) = heel | עֲדָתִֽי (adati) = mijn kring Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:15–19; Job 3:17; Job 7:3; Job 7:16; Jes 50:4 **16:8** U hebt mij vastgegrepen, het is een getuige geworden. Mijn magerheid staat tegen mij op en getuigt mij recht in het gezicht. Brontekst: וַֽ֭תִּקְמְטֵנִי (vatiqmeteni) = en U grijpt mij | לְעֵ֣ד (leed) = tot getuige | הָיָ֑ה (haya) = is het geworden | וַיָּ֥קָם (vayaqam) = en staat op | בִּ֥י (bi) = tegen mij | כַ֝חֲשִׁ֗י (kachashi) = mijn magerheid | בְּפָנַ֥י (befanay) = in mijn gezicht | יַעֲנֶֽה (yaane) = getuigt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּחַשׁ (kachash), ‘magerheid’ (letterlijk ‘leugen’ of ‘verval’), staat hier als getuige tegen Job: zijn verwoeste lichaam lijkt zijn schuld te bewijzen. Zie ook: Job 10:17; Job 19:20; Ruth 1:21; Ps 109:24; Jes 10:16 **16:9** Zijn toorn verscheurt en vervolgt mij. Hij knarsetandt tegen mij. Mijn vijand slijpt zijn ogen op mij. Brontekst: אַפּ֤וֹ (apo) = Zijn toorn | טָרַ֨ף (taraf) = verscheurt | וַֽיִּשְׂטְמֵ֗נִי (vayistemeni) = en vervolgt mij | חָרַ֣ק (charaq) = knarst | עָלַ֣י (alay) = tegen mij | בְּשִׁנָּ֑יו (beshinav) = met Zijn tanden | צָרִ֓י (tsari) = mijn vijand | יִלְט֖וֹשׁ (yiltosh) = slijpt | עֵינָ֣יו (einav) = zijn ogen | לִֽי (li) = op mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier wordt Eloah beschreven als een dier of krijger die Job aanvalt: Hij verscheurt, knarsetandt, schiet pijlen (vers 12–13). Zie ook: Job 13:24; Job 19:11; Ps 35:16; Hos 6:1; Klaagl 2:16 **16:10** Ze sperren hun mond tegen mij open, ze slaan mij smadelijk op de wangen, samen verdringen ze zich tegen mij. Brontekst: פָּעֲר֬וּ (paaru) = sperren open | עָלַ֨י (alay) = tegen mij | בְּפִיהֶ֗ם (befihem) = hun mond | בְּ֭חֶרְפָּה (becherpa) = met smaad | הִכּ֣וּ (hiku) = slaan | לְחָיָ֑י (lechayay) = mijn wangen | יַ֝֗חַד (yachad) = samen | עָלַ֥י (alay) = tegen mij | יִתְמַלָּאֽוּן (yitmalaun) = verzamelen zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 22:14; Ps 35:15; Jes 50:6; Klaagl 3:30; Hand 23:2 **16:11** El levert mij over aan de onrechtvaardige en stort mij neer in de handen van goddelozen. Brontekst: יַסְגִּירֵ֣נִי (yasgireni) = levert mij over | אֵ֭ל (el) = El | אֶ֣ל (el) = aan | עֲוִ֑יל (avil) = de onrechtvaardige | וְעַל (veal) = en in | יְדֵ֖י (yedei) = handen van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | יִרְטֵֽנִי (yirteni) = stort mij neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲוִיל (avil), ‘onrechtvaardige’, kan ook ‘jongen’ betekenen (19:18; 21:11); wij volgen de eerste lezing, omdat ‘goddelozen’ er parallel aan staat. Zie ook: Job 1:13–19; Ps 7:15; Ps 27:12; Ps 31:9; Rom 11:32 **16:12** Ik leefde in vrede en Hij heeft mij verbrijzeld. Hij greep mij bij de nek en sloeg mij stuk, en stelde mij op als Zijn doelwit. Brontekst: שָׁ֘לֵ֤ו (shalev) = in vrede | הָיִ֨יתִי (hayiti) = was ik | וַֽיְפַרְפְּרֵ֗נִי (vayfarpereni) = en Hij verbrijzelde mij | וְאָחַ֣ז (veachaz) = en greep | בְּ֭עָרְפִּי (bearpi) = bij mijn nek | וַֽיְפַצְפְּצֵ֑נִי (vayfatspetseni) = en sloeg mij stuk | וַיְקִימֵ֥נִי (vayqimeni) = en stelde mij op | ל֝֗וֹ (lo) = voor zich | לְמַטָּרָֽה (lematara) = als doelwit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:20; Job 9:17; Ps 44:20; Klaagl 3:4; Klaagl 3:11–12 **16:13** Zijn schutters omringen mij. Hij doorboort mijn nieren zonder medelijden. Hij giet mijn gal uit op de grond. Brontekst: יָ֘סֹ֤בּוּ (yasobu) = omringen | עָלַ֨י (alay) = mij | רַבָּ֗יו (rabav) = Zijn schutters | יְפַלַּ֣ח (yefalach) = Hij doorboort | כִּ֭לְיוֹתַי (kilyotay) = mijn nieren | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַחְמ֑וֹל (yachmol) = spaart | יִשְׁפֹּ֥ךְ (yishpokh) = Hij giet uit | לָ֝אָ֗רֶץ (laarets) = op de grond | מְרֵרָֽתִי (mererati) = mijn gal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:23; Job 6:4; Job 19:27; Job 20:25; Klaagl 2:11 **16:14** Hij breekt mij open, bres na bres. Hij rent op mij af als een held. Brontekst: יִפְרְצֵ֣נִי (yifretseni) = Hij breekt mij open | פֶ֭רֶץ (perets) = bres | עַל (al) = op | פְּנֵי (penei) = gezicht van | פָ֑רֶץ (parets) = bres | יָרֻ֖ץ (yaruts) = Hij rent | עָלַ֣י (alay) = op mij | כְּגִבּֽוֹר (kegibor) = als een held Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:17; Re 15:8; Ps 42:8; Joël 2:7; Klaagl 3:3–5 **16:15** Ik heb een rouwkleed om mijn huid genaaid en mijn kracht in het stof gestoken. Brontekst: שַׂ֣ק (saq) = rouwkleed | תָּ֭פַרְתִּי (tafarti) = naaide ik | עֲלֵ֣י (alei) = over | גִלְדִּ֑י (gildi) = mijn huid | וְעֹלַ֖לְתִּי (veolalti) = en stak | בֶעָפָ֣ר (beafar) = in het stof | קַרְנִֽי (qarni) = mijn hoorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַרְנִי (qarni), ‘mijn hoorn’, is het beeld van kracht en waardigheid. Job steekt die in het stof, een gebaar van diepe vernedering. Zie ook: Gen 37:34; Ps 7:6; Ps 75:6; 1 Kon 21:27; Jes 22:12 **16:16** Mijn gezicht is rood van het huilen, en over mijn oogleden ligt diepe schaduw, Brontekst: פָּנַ֣י (panay) = mijn gezicht | חֳ֭מַרְמְרוּ (chomarmeru) = is rood | מִנִּי (mini) = van | בֶ֑כִי (bekhi) = huilen | וְעַ֖ל (veal) = en over | עַפְעַפַּ֣י (afapay) = mijn oogleden | צַלְמָֽוֶת (tsalmavet) = diepe schaduw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:7; Ps 31:10; Ps 102:4–6; Klaagl 1:16; Mar 14:34 **16:17** hoewel er geen geweld in mijn handen is en mijn gebed zuiver is. Brontekst: עַ֭ל (al) = hoewel | לֹא (lo) = niet | חָמָ֣ס (chamas) = geweld | בְּכַפָּ֑י (bekhapay) = in mijn handen | וּֽתְפִלָּתִ֥י (utefilati) = en mijn gebed | זַכָּֽה (zaka) = zuiver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:5–6; Job 27:6–7; Job 29:12–17; Ps 66:18–19; Spr 15:8 ### Mijn getuige is in de hemel **16:18** Aarde, bedek mijn bloed niet, en laat er geen plaats zijn voor mijn roep! Brontekst: אֶ֭רֶץ (erets) = aarde | אַל (al) = niet | תְּכַסִּ֣י (tekhasi) = bedek | דָמִ֑י (dami) = mijn bloed | וְֽאַל (veal) = en niet | יְהִ֥י (yehi) = zij | מָ֝ק֗וֹם (maqom) = plaats | לְזַעֲקָתִֽי (lezaaqati) = voor mijn roep Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Aarde, bedek mijn bloed niet’ verwijst naar Gen. 4:10 en Ezech. 24:7–8: bloed dat onbedekt blijft, roept om recht. Job vraagt dat zijn kreet niet wordt gesmoord. Zie ook: Gen 4:10; Gen 4:11; Ps 66:18–19; Jes 26:21; Ezech 24:7; Neh 3:37 **16:19** Zie, ook nu is mijn getuige in de hemel, en degene die voor mij instaat in de hoogte. Brontekst: גַּם (gam) = ook | עַ֭תָּה (ata) = nu | הִנֵּה (hine) = zie | בַשָּׁמַ֣יִם (bashamayim) = in de hemel | עֵדִ֑י (edi) = mijn getuige | וְ֝שָׂהֲדִ֗י (vesahadi) = en mijn borg | בַּמְּרוֹמִֽים (bameromim) = in de hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵד (ed), ‘getuige’, en שָׂהֵד (sahed), ‘borg’ of ‘getuige’, zijn hier iemand in de hemel die voor Job opkomt, tegenover Eloah die Job aanvalt. Wie het is, blijft open. Vergelijk 9:33 (‘scheidsrechter’) en 19:25 (‘losser’). Zie ook: Gen 31:50; Job 25:2; 1 Tess 2:10; 2 Kor 11:31; Rom 1:9 **16:20** Mijn vrienden bespotten mij, maar tot Eloah druipt mijn oog. Brontekst: מְלִיצַ֥י (melitsay) = mijn bespotters | רֵעָ֑י (reay) = mijn vrienden | אֶל (el) = tot | אֱ֝ל֗וֹהַ (eloha) = Eloah | דָּלְפָ֥ה (dalefa) = druipt | עֵינִֽי (eini) = mijn oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מְלִיצַי רֵעָי (melitsay re’ay) kan ‘mijn vrienden bespotten mij’ zijn (van לִיץ, ‘spotten’) of ‘mijn tolk is mijn vriend’ (van מֵלִיץ, ‘tolk’, ‘bemiddelaar’). Wij kiezen de eerste lezing, omdat de vrienden hier verwijten krijgen. Zie ook: Job 17:2; Ps 109:4; Ps 142:3; Luc 6:11–12; Heb 5:7 **16:21** Moge Hij een man recht verschaffen bij Eloah, zoals een mensenzoon dat voor zijn vriend doet. Brontekst: וְיוֹכַ֣ח (veyokhach) = en moge Hij recht verschaffen | לְגֶ֣בֶר (legever) = voor een man | עִם (im) = bij | אֱל֑וֹהַּ (eloha) = Eloah | וּֽבֶן (uven) = en zoals een zoon van | אָדָ֥ם (adam) = mens | לְרֵעֵֽהוּ (lereehu) = voor zijn vriend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:34–35; Job 40:1–5; Pred 6:10; Jes 45:9; Rom 9:20 **16:22** Want de jaren die gerekend zijn, komen, en dan ga ik het pad waarvan ik niet terugkeer.” Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שְׁנ֣וֹת (shenot) = jaren van | מִסְפָּ֣ר (mispar) = getal | יֶאֱתָ֑יוּ (yeetayu) = komen | וְאֹ֖רַח (veorach) = en het pad | לֹא (lo) = niet | אָשׁ֣וּב (ashuv) = keer ik terug | אֶהֱלֹֽךְ (ehelokh) = zal ik gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Het pad waarvan ik niet terugkeer’ is het pad naar de dood. Zie ook 10:21. Zie ook: Job 7:9–10; Job 14:5; Job 14:10; Job 14:14; Pred 12:5 ## Job 17 _Job: mijn hoop is het graf_ ### Graven wachten op mij **17:1** „Mijn geest is gebroken, mijn dagen zijn gedoofd, graven wachten op mij. Brontekst: רוּחִ֣י (ruchi) = mijn geest | חֻ֭בָּלָה (chubala) = is gebroken | יָמַ֥י (yamay) = mijn dagen | נִזְעָ֗כוּ (nizakhu) = zijn gedoofd | קְבָרִ֥ים (qevarim) = graven | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:11; Job 19:17; Ps 88:4–6; Jes 38:10–14; Jes 57:16 **17:2** Zijn er geen spotters bij mij? Mijn oog verblijft bij hun getreiter. Brontekst: אִם (im) = indien | לֹ֣א (lo) = niet | הֲ֭תֻלִים (hatulim) = spotters | עִמָּדִ֑י (imadi) = bij mij | וּ֝בְהַמְּרוֹתָ֗ם (uvehamerotam) = en bij hun tergen | תָּלַ֥ן (talan) = verblijft | עֵינִֽי (eini) = mijn oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:4; Job 16:20; 1 Sam 1:6–7; Ps 35:14–16; Mat 27:39–44 **17:3** Stel toch een onderpand voor mij bij U. Wie anders zal hand op hand slaan voor mij? Brontekst: שִֽׂימָה (sima) = stel | נָּ֭א (na) = toch | עָרְבֵ֣נִי (areveni) = mijn onderpand | עִמָּ֑ךְ (imakh) = bij U | מִֽי (mi) = wie | ה֝֗וּא (hu) = is dit | לְיָדִ֥י (leyadi) = mijn hand | יִתָּקֵֽעַ (yitaqea) = zal slaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hand op hand slaan is het teken waarmee men zich borg stelt (Spr. 6:1; 17:18). Job vraagt dat Eloah zelf, bij Zichzelf, voor hem borg staat, want niemand anders wil dat doen. Zie ook 16:19–21. Zie ook: Gen 44:32; Ps 119:122; Spr 6:1; Spr 11:15; Spr 17:18; Jes 38:14; Heb 7:22 **17:4** Want hun hart hebt U voor inzicht verborgen. Daarom verheft U hen niet. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | לִ֭בָּם (libam) = hun hart | צָפַ֣נְתָּ (tsafanta) = verborg U | מִּשָּׂ֑כֶל (misakhel) = voor inzicht | עַל (al) = daarom | כֵּ֝֗ן (ken) = zo | לֹ֣א (lo) = niet | תְרֹמֵֽם (teromem) = verhoogt U hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 17:14; Jes 19:14; Mat 11:25; Mat 13:11; 1 Kor 1:20 **17:5** Wie zijn vrienden aan de plundering prijsgeeft, bij hem zullen de ogen van zijn kinderen smachten. Brontekst: לְ֭חֵלֶק (lecheleq) = tot deel | יַגִּ֣יד (yagid) = meldt | רֵעִ֑ים (reim) = vrienden | וְעֵינֵ֖י (veeinei) = en de ogen van | בָנָ֣יו (banav) = zijn zonen | תִּכְלֶֽנָה (tikhlena) = smachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:65; Ps 12:3–4; Spr 20:19; Spr 29:5; 1 Kon 11:12 **17:6** Hij heeft mij tot een spreekwoord onder de volken gemaakt. Ik ben iemand in wiens gezicht gespuugd wordt. Brontekst: וְֽ֭הִצִּגַנִי (vehitsigani) = en Hij stelde mij | לִמְשֹׁ֣ל (limshol) = tot spreekwoord van | עַמִּ֑ים (amim) = volken | וְתֹ֖פֶת (vetofet) = en spuwsel | לְפָנִ֣ים (lefanim) = in het gezicht | אֶֽהְיֶֽה (ehye) = ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּפֶת (tofet), ‘spuwsel’: iemand in wiens gezicht gespuugd wordt, is volkomen vernederd. Vergelijk Num. 12:14 en Jes. 50:6. Zie ook: Gen 31:27; Job 30:9; Num 12:14; Ps 44:15; 1 Kon 9:7; Jes 5:12; Jes 50:6 **17:7** Mijn oog is dof van verdriet, en al mijn ledematen zijn als een schaduw. Brontekst: וַתֵּ֣כַהּ (vatekhah) = en dof wordt | מִכַּ֣עַשׂ (mikaas) = van verdriet | עֵינִ֑י (eini) = mijn oog | וִֽיצֻרַ֖י (vitsuray) = en mijn vormen | כַּצֵּ֣ל (katsel) = als schaduw | כֻּלָּֽם (kulam) = alle Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:8; Job 16:16; Ps 6:8; Ps 31:10–11; Pred 6:12 **17:8** De oprechten staan hierover verbaasd, en de onschuldige windt zich op tegen de goddeloze. Brontekst: יָשֹׁ֣מּוּ (yashomu) = zijn verbaasd | יְשָׁרִ֣ים (yesharim) = oprechten | עַל (al) = over | זֹ֑את (zot) = dit | וְ֝נָקִ֗י (venaqi) = en de onschuldige | עַל (al) = tegen | חָנֵ֥ף (chanef) = de goddeloze | יִתְעֹרָֽר (yitorar) = windt zich op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:19; Job 34:30; Pred 5:7; Hab 1:13; Rom 11:33 **17:9** Toch houdt de rechtvaardige vast aan zijn weg, en wie reine handen heeft, wint aan kracht. Brontekst: וְיֹאחֵ֣ז (veyochez) = en houdt vast | צַדִּ֣יק (tsadiq) = een rechtvaardige | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = zijn weg | וּֽטֳהָר (utohar) = en wie rein is van | יָ֝דַ֗יִם (yadayim) = handen | יֹסִ֥יף (yosif) = wint | אֹֽמֶץ (omets) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Midden in zijn klacht zegt Job dat de rechtvaardige zijn weg niet loslaat. Het is een korte lichtflits in een donker hoofdstuk. Zie ook: Job 22:30; Ps 84:8; Spr 4:18; Jes 1:15–16; 2 Kor 12:9–10 ### Waar is mijn hoop? **17:10** Maar kom allemaal nog maar eens terug. Ik zal onder jullie geen wijze vinden. Brontekst: וְֽאוּלָ֗ם (veulam) = maar | כֻּלָּ֣ם (kulam) = jullie allen | תָּ֭שֻׁבוּ (tashuvu) = keer terug | וּבֹ֣אוּ (uvou) = en kom | נָ֑א (na) = toch | וְלֹֽא (velo) = en niet | אֶמְצָ֖א (emtsa) = zal ik vinden | בָכֶ֣ם (bakhem) = onder jullie | חָכָֽם (chakham) = een wijze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:29; Job 12:2; Job 42:7; 1 Kor 1:20; 1 Kor 6:5 **17:11** Mijn dagen zijn voorbij, mijn plannen zijn verbroken, de bezittingen van mijn hart. Brontekst: יָמַ֣י (yamay) = mijn dagen | עָ֭בְרוּ (averu) = zijn voorbij | זִמֹּתַ֣י (zimotay) = mijn plannen | נִתְּק֑וּ (nitequ) = zijn verbroken | מ֖וֹרָשֵׁ֣י (morashei) = bezittingen van | לְבָבִֽי (levavi) = mijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:6; Spr 16:9; Jes 38:10; Klaagl 3:37; Jak 4:13–15 **17:12** Nacht maken ze tot dag. Licht, zeggen ze, is nabij, voor het aangezicht van de duisternis. Brontekst: לַ֭יְלָה (layla) = nacht | לְי֣וֹם (leyom) = tot dag | יָשִׂ֑ימוּ (yasimu) = maken ze | א֝֗וֹר (or) = licht | קָר֥וֹב (qarov) = nabij | מִפְּנֵי (mipenei) = voor het aangezicht van | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:3–4; Job 7:13–14; Job 24:14–16; Deut 28:67 **17:13** Als ik nog hoop: het dodenrijk is mijn huis, in de duisternis heb ik mijn bed opgemaakt. Brontekst: אִם (im) = indien | אֲ֭קַוֶּה (aqave) = ik hoop | שְׁא֣וֹל (sheol) = het dodenrijk | בֵּיתִ֑י (beiti) = mijn huis | בַּ֝חֹ֗שֶׁךְ (bachoshekh) = in de duisternis | רִפַּ֥דְתִּי (ripadti) = heb ik uitgespreid | יְצוּעָֽי (yetsuay) = mijn bed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job ziet het dodenrijk als zijn laatste huis: zijn bed is al opgemaakt in de duisternis. Vergelijk Ps. 88:4–7. Zie ook: Job 3:13; Job 10:21–22; Job 14:14; Job 17:1; Ps 88:5–8; Klaagl 3:25–26 **17:14** Tot het graf roep ik: ‘U bent mijn vader’, tot de made: ‘mijn moeder en mijn zuster’. Brontekst: לַשַּׁ֣חַת (lashachat) = tot het graf | קָ֭רָאתִי (qarati) = roep ik | אָ֣בִי (avi) = mijn vader | אָ֑תָּה (ata) = U | אִמִּ֥י (imi) = mijn moeder | וַ֝אֲחֹתִ֗י (vaachoti) = en mijn zuster | לָֽרִמָּֽה (larima) = tot de made Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job noemt het graf zijn vader en de made zijn moeder en zuster: het enige gezin dat hem rest, is de dood. Zie ook: Job 30:30; Ps 16:10; Ps 49:10; Hand 13:34–37; 1 Kor 15:42 **17:15** Waar is dan mijn hoop? Mijn hoop, wie zal die zien? Brontekst: וְ֭אַיֵּה (veaye) = en waar | אֵפ֣וֹ (efo) = dan | תִקְוָתִ֑י (tiqvati) = mijn hoop | וְ֝תִקְוָתִ֗י (vetiqvati) = en mijn hoop | מִ֣י (mi) = wie | יְשׁוּרֶֽנָּה (yeshurena) = zal die zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:6; Job 6:11; Job 7:6; Job 13:15; Job 19:10 **17:16** Naar de grendels van het dodenrijk zal zij dalen, wanneer we samen in het stof neerdalen.” Brontekst: בַּדֵּ֣י (badei) = naar de grendels van | שְׁאֹ֣ל (sheol) = het dodenrijk | תֵּרַ֑דְנָה (teradna) = zal zij dalen | אִם (im) = indien | יַ֖חַד (yachad) = samen | עַל (al) = in | עָפָ֣ר (afar) = stof | נָֽחַת (nachat) = we dalen neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּדֵּי שְׁאֹל (baddey she’ol), ‘de grendels van het dodenrijk’: het beeld van een vestingpoort met sloten. Zie ook Jona 2:7. Zie ook: Job 3:17–19; Job 18:13–14; Ps 143:7; Jona 2:7; Jona 2:8; Ezech 37:11 ## Job 18 _Bildad spreekt voor de tweede keer_ ### Bildad: het lot van de goddeloze **18:1** Bildad uit Sjuach nam het woord en zei: Brontekst: וַ֭יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | בִּלְדַּ֥ד (bildad) = Bildad | הַשֻּׁחִ֗י (hashuchi) = de Sjuchiet | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sjuach: De ligging van Sjuach is onzeker; vermoedelijk lag het in het oosten, bij de middenloop van de Eufraat. Zie ook: Job 2:11; Job 8:1; Job 25:1; Job 42:7–9 **18:2** „Hoe lang nog gaan jullie op woorden jagen? Begrijp het, en daarna kunnen we spreken. Brontekst: עַד (ad) = tot | אָ֤נָה (ana) = waar | תְּשִׂימ֣וּן (tesimun) = zullen jullie maken | קִנְצֵ֣י (qintsei) = jacht (einde?) van | לְמִלִּ֑ין (lemilin) = op woorden | תָּ֝בִ֗ינוּ (tavinu) = begrijp | וְאַחַ֥ר (veachar) = en daarna | נְדַבֵּֽר (nedaber) = spreken wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bildad richt zich tot Job in het meervoud (‘jullie’): hij spreekt Job en zijn kring van bijstanders aan. De uitdrukking קִנְצֵי לְמִלִּין (qintse lemillin) is moeilijk. Wij begrijpen ‘jacht op woorden’; anderen: ‘een einde aan woorden maken’. Zie ook: Job 3:5–6; Job 3:17; Job 11:2; Job 13:5–6; Spr 18:13 **18:3** Waarom worden wij als vee beschouwd en als dom in jullie ogen? Brontekst: מַ֭דּוּעַ (madua) = waarom | נֶחְשַׁ֣בְנוּ (nechshavnu) = worden wij geacht | כַבְּהֵמָ֑ה (kabehema) = als vee | נִ֝טְמִ֗ינוּ (nitminu) = zijn wij dom | בְּעֵינֵיכֶֽם (beeineikhem) = in jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:7–8; Job 17:4; Job 17:10; Ps 73:22; Rom 12:10 **18:4** Jij die jezelf verscheurt in je toorn: moet de aarde om jou verlaten worden, en een rots van zijn plaats verhuizen? Brontekst: טֹֽרֵ֥ף (toref) = die verscheurt | נַפְשׁ֗וֹ (nafsho) = zijn ziel | בְּאַ֫פּ֥וֹ (beapo) = in zijn toorn | הַ֭לְמַעַנְךָ (halmaankha) = omwille van jou? | תֵּעָ֣זַב (teazav) = wordt verlaten | אָ֑רֶץ (arets) = aarde | וְיֶעְתַּק (veyetaq) = of verplaatst zich | צ֝֗וּר (tsur) = rots | מִמְּקֹמֽוֹ (mimeqomo) = van zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Bildad wijst Jobs eis af dat Elohim voor hem de orde van de wereld zou veranderen: zou de aarde of een rots van zijn plaats gaan om één man? Zie ook: Job 5:2; Job 13:14; Job 14:18; Job 16:9; Jona 4:9 ### Het licht van de goddelozen dooft **18:5** Ja, het licht van de goddelozen dooft, en de vonk van zijn vuur schijnt niet. Brontekst: גַּ֤ם (gam) = ja | א֣וֹר (or) = licht van | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | יִדְעָ֑ךְ (yidakh) = dooft | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִ֝גַּ֗הּ (yigah) = schijnt | שְׁבִ֣יב (sheviv) = vonk van | אִשּֽׁוֹ (isho) = zijn vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:17; Spr 13:9; Spr 20:20; Spr 24:20; Jes 50:11 **18:6** Het licht wordt donker in zijn tent, en de lamp boven hem dooft. Brontekst: א֭וֹר (or) = licht | חָשַׁ֣ךְ (chashakh) = wordt donker | בְּאָהֳל֑וֹ (beaholo) = in zijn tent | וְ֝נֵר֗וֹ (venero) = en zijn lamp | עָלָ֥יו (alav) = boven hem | יִדְעָֽךְ (yidakh) = dooft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:17; Ps 18:29; Openb 18:23 **18:7** Zijn krachtige stappen worden kort, en zijn eigen plan werpt hem neer. Brontekst: יֵֽ֭צְרוּ (yetseru) = worden benauwd | צַעֲדֵ֣י (tsaadei) = stappen van | אוֹנ֑וֹ (ono) = zijn kracht | וְֽתַשְׁלִיכֵ֥הוּ (vetashlikhehu) = en werpt hem neer | עֲצָתֽוֹ (atsato) = zijn plan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:12–13; Job 36:16; Ps 18:37; Ps 33:10; Spr 4:12 **18:8** Want hij wordt met zijn voeten in een net gedreven, en hij loopt over een vlechtwerk. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שֻׁלַּ֣ח (shulach) = hij wordt gedreven | בְּרֶ֣שֶׁת (bereshet) = in een net | בְּרַגְלָ֑יו (beraglav) = door zijn voeten | וְעַל (veal) = en over | שְׂ֝בָכָ֗ה (sevakha) = vlechtwerk | יִתְהַלָּֽךְ (yithalakh) = loopt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:10; Ps 9:16; Ps 35:8; Spr 5:22; 1 Tim 3:7 **18:9** Een strik grijpt hem bij de hiel, een valstrik houdt hem vast. Brontekst: יֹאחֵ֣ז (yochez) = grijpt | בְּעָקֵ֣ב (beaqev) = bij de hiel | פָּ֑ח (pach) = een strik | יַחֲזֵ֖ק (yachazeq) = houdt vast | עָלָ֣יו (alav) = hem | צַמִּֽים (tsamim) = een valstrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:15; Job 1:17; Job 5:5; Jes 8:14–15 **18:10** Een touw ligt verborgen in de grond, en een val op zijn pad. Brontekst: טָמ֣וּן (tamun) = verborgen | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in de grond | חַבְל֑וֹ (chavlo) = zijn touw | וּ֝מַלְכֻּדְתּ֗וֹ (umalkudto) = en zijn val | עֲלֵ֣י (alei) = op | נָתִֽיב (nativ) = het pad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 11:6; Ezech 12:13; Rom 11:9 **18:11** Rondom jagen verschrikkingen hem angst aan en ze drijven hem uiteen naar zijn voeten. Brontekst: סָ֭בִיב (saviv) = rondom | בִּֽעֲתֻ֣הוּ (biatuhu) = doen hem schrikken | בַלָּה֑וֹת (balahot) = verschrikkingen | וֶהֱפִיצֻ֥הוּ (vehefitsuhu) = en verspreiden hem | לְרַגְלָֽיו (leraglav) = naar zijn voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:21; Lev 26:36; Jer 6:25; Jer 46:5; Jer 49:29 **18:12** Zijn kracht is uitgehongerd, en het onheil staat klaar aan zijn zij. Brontekst: יְהִי (yehi) = is | רָעֵ֥ב (raev) = hongerig | אֹנ֑וֹ (ono) = zijn kracht | וְ֝אֵ֗יד (veeid) = en onheil | נָכ֥וֹן (nakhon) = gereed | לְצַלְעֽוֹ (letsalo) = aan zijn zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 2:5; Ps 7:13–15; Ps 109:10; 1 Tess 5:3; 2 Petr 2:3 **18:13** Het verslindt de stukken van zijn huid. Ja, de eerstgeborene van de dood verslindt zijn ledematen. Brontekst: יֹ֭אכַל (yokhal) = verslindt | בַּדֵּ֣י (badei) = delen van | עוֹר֑וֹ (oro) = zijn huid | יֹאכַ֥ל (yokhal) = verslindt | בַּ֝דָּ֗יו (badav) = zijn delen | בְּכ֣וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | מָֽוֶת (mavet) = de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכוֹר מָוֶת (bekhor mavet), ‘de eerstgeborene van de dood’, is waarschijnlijk een dichterlijk beeld voor een dodelijke ziekte of voor de dood zelf als een machtig wezen. Wij houden het bij de woordelijke weergave. Zie ook: Gen 49:3; Job 17:16; Jes 14:30; Zach 14:12; Openb 6:8 **18:14** Hij wordt uit zijn tent weggerukt, uit zijn vertrouwen, en men voert hem naar de koning van de verschrikkingen. Brontekst: יִנָּתֵ֣ק (yinateq) = wordt weggerukt | מֵ֭אָהֳלוֹ (meaholo) = uit zijn tent | מִבְטַח֑וֹ (mivtacho) = zijn vertrouwen | וְ֝תַצְעִדֵ֗הוּ (vetatsidehu) = en men laat hem stappen | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = naar de koning van | בַּלָּהֽוֹת (balahot) = verschrikkingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֶלֶךְ בַּלָּהוֹת (melekh ballahot), ‘koning van de verschrikkingen’, is een personificatie van de dood, de heerser van het dodenrijk. Zie ook: Job 41:26; Ps 112:10; Spr 10:28; Spr 14:32; 1 Kor 15:55–56 **18:15** In zijn tent woont wat niet van hem is. Zwavel wordt over zijn woning gestrooid. Brontekst: תִּשְׁכּ֣וֹן (tishkon) = woont | בְּ֭אָהֳלוֹ (beaholo) = in zijn tent | מִבְּלִי (mibeli) = wat niet | ל֑וֹ (lo) = van hem | יְזֹרֶ֖ה (yezore) = wordt gestrooid | עַל (al) = over | נָוֵ֣הוּ (navehu) = zijn woning | גָפְרִֽית (gaferit) = zwavel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zwavel (גָּפְרִית, gofrit) over een woonplaats strooien is een beeld van oordeel en verwoesting (Gen. 19:24; Deut. 29:23). Het doet denken aan Sodom en Gomorra. Zie ook: Gen 19:24; Job 18:12–13; Deut 29:22; Ps 11:6; Jes 34:9–10; Zach 5:4 **18:16** Beneden verdorren zijn wortels en boven wordt zijn tak afgesneden. Brontekst: מִ֭תַּחַת (mitachat) = beneden | שָֽׁרָשָׁ֣יו (sharashav) = zijn wortels | יִבָ֑שׁוּ (yivashu) = verdorren | וּ֝מִמַּ֗עַל (umimaal) = en boven | יִמַּ֥ל (yimal) = wordt afgesneden | קְצִירֽוֹ (qetsiro) = zijn tak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:30; Amos 2:9; Hos 9:16; Jes 5:24; Mal 3:19 **18:17** Zijn herinnering verdwijnt van de aarde, en hij heeft geen naam op straat. Brontekst: זִֽכְרוֹ (zikhro) = zijn herinnering | אָ֭בַד (avad) = gaat verloren | מִנִּי (mini) = van | אָ֑רֶץ (arets) = aarde | וְלֹא (velo) = en niet | שֵׁ֥ם (shem) = naam | ל֝֗וֹ (lo) = voor hem | עַל (al) = op | פְּנֵי (penei) = gezicht van | חֽוּץ (chuts) = de straat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 17–19: het ergste lot is vergeten worden zonder nakomelingen. Voor Job, die zijn kinderen verloor (1:19), is dit extra pijnlijk. Zie ook: Job 13:12; Ps 34:17; Ps 109:13; Spr 2:22; Spr 10:7 **18:18** Men stoot hem uit het licht in de duisternis en jaagt hem de wereld uit. Brontekst: יֶ֭הְדְּפֻהוּ (yehdefuhu) = men stoot hem | מֵא֣וֹר (meor) = uit licht | אֶל (el) = naar | חֹ֑שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וּֽמִתֵּבֵ֥ל (umitevel) = en uit de wereld | יְנִדֻּֽהוּ (yeniduhu) = verjaagt men hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:22; Job 20:8; Spr 14:32; Jes 8:21–22; Dan 4:30 **18:19** Hij heeft geen kind of kleinkind onder zijn volk, en geen overlevende in zijn woonplaatsen. Brontekst: לֹ֘א (lo) = niet | נִ֤ין (nin) = kind | ל֣וֹ (lo) = voor hem | וְלֹא (velo) = en niet | נֶ֣כֶד (nekhed) = kleinkind | בְּעַמּ֑וֹ (beamo) = onder zijn volk | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is er | שָׂ֝רִ֗יד (sarid) = overlevende | בִּמְגוּרָֽיו (bimgurav) = in zijn woonplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:4; Job 20:26–28; Jes 5:8–9; Jes 14:21–22; Jer 22:30 **18:20** Over zijn dag staan degenen na hem verbaasd, en wie voor hem kwamen, worden door afschuw gegrepen. Brontekst: עַל (al) = over | י֭וֹמוֹ (yomo) = zijn dag | נָשַׁ֣מּוּ (nashamu) = staan verbaasd | אַחֲרֹנִ֑ים (acharonim) = de laatsten | וְ֝קַדְמֹנִ֗ים (veqadmonim) = en de vorigen | אָ֣חֲזוּ (achazu) = grijpt | שָֽׂעַר (saar) = afschuw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:13–19; Deut 29:22–23; Ps 37:13; Jer 50:27; Ezech 21:30 **18:21** Ja, zo zijn de woningen van de onrechtvaardige, en zo is de plaats van wie El niet kent.” Brontekst: אַךְ (akh) = ja | אֵ֭לֶּה (ele) = dit | מִשְׁכְּנ֣וֹת (mishkenot) = woningen van | עַוָּ֑ל (aval) = onrecht | וְ֝זֶ֗ה (veze) = en dit | מְק֣וֹם (meqom) = plaats van | לֹא (lo) = niet | יָדַֽע (yada) = kent | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘plaats van wie El niet kent’: Bildad zegt dat zulk onheil iedereen treft die El niet kent. Hij bedoelt Job. Zie ook: Jer 9:2; Jer 10:25; 1 Tess 4:5; 2 Tess 1:8; Tit 1:16 ## Job 19 _Ik weet dat mijn losser leeft_ ### Job: Eloah heeft mij onrecht aangedaan **19:1** Job antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:2** „Hoe lang nog kwellen jullie mijn ziel en verbrijzelen jullie mij met woorden? Brontekst: עַד (ad) = tot | אָ֭נָה (ana) = waar | תּוֹגְי֣וּן (togeyun) = kwellen jullie | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn ziel | וּֽתְדַכְּאוּנַ֥נִי (utedakeunani) = en verbrijzelen mij | בְמִלִּֽים (bemilim) = met woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 27:2; Ps 6:3–4; Ps 13:2; 2 Petr 2:7–8; Openb 6:10 **19:3** Dit is de tiende keer dat jullie mij beledigen. Jullie schamen je niet om mij te mishandelen. Brontekst: זֶ֤ה (ze) = dit | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | פְּ֭עָמִים (peamim) = keer | תַּכְלִימ֑וּנִי (takhlimuni) = beledigen jullie mij | לֹֽא (lo) = niet | תֵ֝בֹ֗שׁוּ (tevoshu) = schamen jullie je | תַּהְכְּרוּ (tahkeru) = mishandelen jullie | לִֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Tien keer’ is een manier van spreken voor ‘herhaaldelijk’ (Gen. 31:7; Num. 14:22). Zie ook: Gen 31:7; Job 15:4–6; Job 18:4–21; Job 19:17; Num 14:22; Ps 69:9 **19:4** En als ik werkelijk heb gedwaald, dan blijft mijn dwaling bij mij. Brontekst: וְאַף (veaf) = en ook | אָמְנָ֥ם (amenam) = waarlijk | שָׁגִ֑יתִי (shagiti) = dwaalde ik | אִ֝תִּ֗י (iti) = bij mij | תָּלִ֥ין (talin) = blijft | מְשׁוּגָתִֽי (meshugati) = mijn dwaling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 24:17; Spr 9:12; Ezech 18:4; Gal 6:5; 2 Kor 5:10 **19:5** Als jullie je werkelijk boven mij verheffen en mijn schande tegen mij aanvoeren, Brontekst: אִם (im) = indien | אָ֭מְנָם (amenam) = waarlijk | עָלַ֣י (alay) = boven mij | תַּגְדִּ֑ילוּ (tagdilu) = verheffen jullie je | וְתוֹכִ֥יחוּ (vetokhichu) = en voeren aan | עָ֝לַ֗י (alay) = tegen mij | חֶרְפָּתִּֽי (cherpati) = mijn schande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 35:26; Ps 38:17; Ps 55:13; Zach 12:7; Luc 1:25 **19:6** weet dan dat Eloah mij onrecht heeft aangedaan en Zijn net rondom mij heeft gelegd. Brontekst: דְּֽעוּ (deu) = weet | אֵ֭פוֹ (efo) = dan | כִּי (ki) = dat | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | עִוְּתָ֑נִי (ivetani) = mij onrecht deed | וּ֝מְצוּד֗וֹ (umetsudo) = en Zijn net | עָלַ֥י (alay) = om mij | הִקִּֽיף (hiqif) = legde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִוְּתַנִי (ivvetani), ‘mij onrecht doen’ of ‘mij verdraaien’: Job zegt dat Eloah hem krom heeft gemaakt, het recht heeft verdraaid, en niet hijzelf. Het net (מְצוּדוֹ, metsudo) is een jachtnet, een beeld uit 18:8. Zie ook: Job 7:20; Job 16:11–14; Job 18:8–10; Job 27:2; Ezech 32:3 **19:7** Zie, ik roep ‘Geweld!’, maar ik krijg geen antwoord. Ik schreeuw om hulp, maar er is geen recht. Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | אֶצְעַ֣ק (etsaq) = ik roep | חָ֭מָס (chamas) = geweld | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֵעָנֶ֑ה (eane) = word ik beantwoord | אֲ֝שַׁוַּ֗ע (ashava) = ik schreeuw | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is er | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 30:20; Job 31:35–36; Job 40:8; Hab 1:2–3; Klaagl 3:8 **19:8** Mijn weg heeft Hij versperd, zodat ik er niet langs kan. Op mijn paden zet Hij duisternis. Brontekst: אָרְחִ֣י (arechi) = mijn weg | גָ֭דַר (gadar) = heeft Hij versperd | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶעֱב֑וֹר (eevor) = kan ik voorbij | וְעַ֥ל (veal) = en op | נְ֝תִיבוֹתַ֗י (netivotay) = mijn paden | חֹ֣שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | יָשִֽׂים (yasim) = zet Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:23; Ps 88:9; Spr 4:19; Klaagl 3:7; Klaagl 3:9 **19:9** Mijn eer heeft Hij van mij afgestroopt en de kroon van mijn hoofd weggenomen. Brontekst: כְּ֭בוֹדִי (kevodi) = mijn eer | מֵעָלַ֣י (mealay) = van mij | הִפְשִׁ֑יט (hifshit) = heeft Hij afgestroopt | וַ֝יָּ֗סַר (vayasar) = en nam weg | עֲטֶ֣רֶת (ateret) = kroon van | רֹאשִֽׁי (roshi) = mijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 29:7–14; Job 30:1; Ps 89:40; Ps 89:45; Klaagl 5:16 **19:10** Hij breekt mij af, rondom, en ik ga heen. Hij rukt mijn hoop uit als een boom. Brontekst: יִתְּצֵ֣נִי (yitetseni) = Hij breekt mij af | סָ֭בִיב (saviv) = rondom | וָאֵלַ֑ךְ (vaelakh) = en ik ga | וַיַּסַּ֥ע (vayasa) = en Hij rukt uit | כָּ֝עֵ֗ץ (kaets) = als een boom | תִּקְוָתִֽי (tiqvati) = mijn hoop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:14; Job 17:11; Job 24:20; Ps 37:35–36; 2 Kor 4:8–9 **19:11** Zijn toorn is tegen mij ontbrand en Hij rekent mij tot Zijn vijanden. Brontekst: וַיַּ֣חַר (vayachar) = en ontbrandt | עָלַ֣י (alay) = tegen mij | אַפּ֑וֹ (apo) = Zijn toorn | וַיַּחְשְׁבֵ֖נִי (vayachsheveni) = en Hij rekent mij | ל֣וֹ (lo) = voor zich | כְצָרָֽיו (ketsarav) = tot Zijn vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:24; Job 16:9; Job 33:10; Deut 32:22; Klaagl 2:5 **19:12** Gezamenlijk komen Zijn troepen, banen zich een weg tegen mij en leggen zich rondom mijn tent. Brontekst: יַ֤חַד (yachad) = samen | יָ֘בֹ֤אוּ (yavou) = komen | גְדוּדָ֗יו (gedudav) = Zijn troepen | וַיָּסֹ֣לּוּ (vayasolu) = en banen | עָלַ֣י (alay) = tegen mij | דַּרְכָּ֑ם (darkam) = hun weg | וַיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en legeren | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | לְאָהֳלִֽי (leaholi) = mijn tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:11; Job 16:13; Job 30:12; Jes 10:5–6; Jes 51:23 ### Verlaten door al mijn naasten **19:13** Mijn broers heeft Hij van mij verwijderd, en mijn bekenden zijn mij vreemd geworden. Brontekst: אַ֭חַי (achay) = mijn broers | מֵעָלַ֣י (mealay) = van mij | הִרְחִ֑יק (hirchiq) = heeft Hij verwijderd | וְ֝יֹדְעַ֗י (veyodeay) = en mijn bekenden | אַךְ (akh) = zeker | זָ֥רוּ (zaru) = zijn vreemd | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 31:12; Ps 69:9; Ps 69:21; Ps 88:9; Ps 88:19 **19:14** Mijn verwanten laten mij in de steek, en mijn vertrouwelingen vergeten mij. Brontekst: חָדְל֥וּ (chadelu) = hebben opgehouden | קְרוֹבָ֑י (qerovay) = mijn verwanten | וּֽמְיֻדָּעַ֥י (umeyudaay) = en mijn vertrouwelingen | שְׁכֵחֽוּנִי (shekhechuni) = hebben mij vergeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 16:23; Ps 38:12; Ps 55:13–15; Spr 18:24; Mat 10:21 **19:15** De gasten in mijn huis en mijn slavinnen beschouwen mij als een vreemde. Een onbekende ben ik in hun ogen. Brontekst: גָּ֘רֵ֤י (garei) = gasten van | בֵיתִ֣י (beiti) = mijn huis | וְ֭אַמְהֹתַי (veamhotay) = en mijn slavinnen | לְזָ֣ר (lezar) = als een vreemde | תַּחְשְׁבֻ֑נִי (tachshevuni) = rekenen mij | נָ֝כְרִ֗י (nakheri) = een buitenlander | הָיִ֥יתִי (hayiti) = ben ik | בְעֵינֵיהֶֽם (beeineihem) = in hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:31–32; Ps 123:3 **19:16** Ik roep mijn dienaar, maar hij antwoordt niet. Met mijn mond moet ik hem smeken. Brontekst: לְעַבְדִּ֣י (leavdi) = mijn dienaar | קָ֭רָאתִי (qarati) = riep ik | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲנֶ֑ה (yaane) = antwoordt hij | בְּמוֹ (bemo) = met | פִ֝֗י (pi) = mijn mond | אֶתְחַנֶּן (etchanen) = smeek ik | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:15–17; Job 1:19 **19:17** Mijn adem is mijn vrouw vreemd, en ik ben weerzinwekkend voor mijn eigen broers. Brontekst: ר֭וּחִֽי (ruchi) = mijn adem | זָ֣רָה (zara) = is vreemd | לְאִשְׁתִּ֑י (leishti) = voor mijn vrouw | וְ֝חַנֹּתִ֗י (vechanoti) = en mijn gesmeek | לִבְנֵ֥י (livnei) = voor de zonen van | בִטְנִֽי (bitni) = mijn buik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: בְּנֵי בִטְנִי (bene vitni) is letterlijk ‘de zonen van mijn buik’, dus ‘mijn eigen kinderen’. Omdat Job zijn kinderen verloor (1:19), begrijpen wij het als ‘de zonen van de buik die mij droeg’, dat wil zeggen zijn broers. Anderen lezen ‘de kinderen van mijn eigen lichaam’ bij de vrouw die hem is overgebleven. Zie ook: Job 2:9–10; Job 17:1 **19:18** Zelfs kleine jongens verachten mij. Sta ik op, dan spreken ze over mij. Brontekst: גַּם (gam) = ook | עֲ֭וִילִים (avilim) = kleine jongens | מָ֣אֲסוּ (maasu) = verachten | בִ֑י (bi) = mij | אָ֝ק֗וּמָה (aquma) = ik sta op | וַיְדַבְּרוּ (vaydaberu) = en spreken | בִֽי (bi) = over mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 30:1; Job 30:12; 2 Kon 2:23; Jes 3:5 **19:19** Al mijn vertrouwelingen verafschuwen mij, en wie ik liefhad, heeft zich tegen mij gekeerd. Brontekst: תִּֽ֭עֲבוּנִי (tiavuni) = verafschuwen mij | כָּל (kal) = al | מְתֵ֣י (metei) = mannen van | סוֹדִ֑י (sodi) = mijn kring | וְזֶֽה (veze) = en degene die | אָ֝הַ֗בְתִּי (ahavti) = ik liefhad | נֶהְפְּכוּ (nehpekhu) = hebben zich gekeerd | בִֽי (bi) = tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:14–15; Ps 41:10; Ps 55:13–15; Ps 55:21; Ps 109:4–5 **19:20** Mijn bot kleeft aan mijn huid en mijn vlees. Ik ben ontkomen met de huid van mijn tanden. Brontekst: בְּעוֹרִ֣י (beori) = aan mijn huid | וּ֭בִבְשָׂרִי (uvivsari) = en aan mijn vlees | דָּבְקָ֣ה (daveqa) = kleeft | עַצְמִ֑י (atsmi) = mijn bot | וָ֝אֶתְמַלְּטָ֗ה (vaetmaleta) = en ik ben ontkomen | בְּע֣וֹר (beor) = met de huid van | שִׁנָּֽי (shinay) = mijn tanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Met de huid van mijn tanden’ is een spreekwoord: nauwelijks. Er is bijna niets van Job overgebleven; zelfs het tandvlees is verdwenen. Zie ook: Job 30:30; Job 33:19–22; Ps 102:6; Klaagl 3:4; Klaagl 4:8 ### Ik weet dat mijn losser leeft **19:21** Heb medelijden met mij, heb medelijden, jullie, mijn vrienden, want de hand van Eloah heeft mij getroffen. Brontekst: חָנֻּ֬נִי (chanuni) = heb medelijden met mij | חָנֻּ֣נִי (chanuni) = heb medelijden met mij | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | רֵעָ֑י (reay) = mijn vrienden | כִּ֥י (ki) = want | יַד (yad) = hand van | אֱ֝ל֗וֹהַּ (eloha) = Eloah | נָ֣גְעָה (nagea) = heeft geraakt | בִּֽי (bi) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:11; Job 2:5; Job 2:10; Ps 38:3; 1 Kor 12:26 **19:22** Waarom vervolgen jullie mij als El, en worden jullie niet verzadigd van mijn vlees? Brontekst: לָ֭מָּה (lama) = waarom | תִּרְדְּפֻ֣נִי (tirdefuni) = vervolgen jullie mij | כְמוֹ (kemo) = zoals | אֵ֑ל (el) = El | וּ֝מִבְּשָׂרִ֗י (umibesari) = en van mijn vlees | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׂבָּֽעוּ (tisbau) = worden jullie verzadigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 2:5; Job 10:16; Job 16:11; Ps 69:27; Jes 51:23 **19:23** Wie geeft dat mijn woorden worden opgeschreven? Wie geeft dat ze in een boekrol worden ingegraveerd, Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֣ן (yiten) = geeft | אֵ֭פוֹ (efo) = dan | וְיִכָּתְב֣וּן (veyikatevun) = dat ze worden opgeschreven | מִלָּ֑י (milay) = mijn woorden | מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֖ן (yiten) = geeft | בַּסֵּ֣פֶר (basefer) = in een boek | וְיֻחָֽקוּ (veyuchaqu) = dat ze worden gegraveerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job verlangt ernaar dat zijn woorden worden vastgelegd: eerst op een boekrol, dan zelfs in de rots. Hij wil dat zijn onschuld bewaard blijft voor wie later komen, ook als hij zelf sterft. Het boek zelf is in zekere zin die vastlegging. Zie ook: Job 31:35; Jes 8:1; Jes 30:8 **19:24** met een ijzeren stift en lood, voor altijd in de rots gehouwen! Brontekst: בְּעֵט (beet) = met een stift van | בַּרְזֶ֥ל (barzel) = ijzer | וְעֹפָ֑רֶת (veofaret) = en lood | לָ֝עַ֗ד (laad) = voor altijd | בַּצּ֥וּר (batsur) = in rots | יֵחָצְבֽוּן (yechatsevun) = worden gehouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 28:21; Ex 32:16; Deut 27:2–3; Deut 27:8; Jer 17:1 **19:25** Maar ik weet dat mijn losser leeft, en dat Hij als laatste over het stof zal opstaan. Brontekst: וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | יָ֭דַעְתִּי (yadati) = weet | גֹּ֣אֲלִי (goali) = mijn losser | חָ֑י (chay) = leeft | וְ֝אַחֲר֗וֹן (veacharon) = en als laatste | עַל (al) = op | עָפָ֥ר (afar) = stof | יָקֽוּם (yaqum) = zal opstaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּאֵל (go’el), ‘losser’, is in de wet van Israël de naaste verwant die iemand uit schuld of slavernij vrijkoopt of zijn bloed wreekt (Lev. 25:25; Num. 35:19; Ruth 3:9–13). Job verwacht dat zijn losser leeft, ook als hijzelf sterft, en dat Hij ‘als laatste’ (אַחֲרוֹן, acharon) over het stof zal opstaan: Hij blijft staan als alles voorbij is. Wie de losser is, zegt Job niet. In de christelijke uitleg wordt dit vaak op Christus betrokken; in de joodse uitleg is het Eloah zelf. Vergelijk 16:19 en 9:33. Zie ook: Lev 25:25; Num 35:19; Ruth 3:9–13; Ps 19:15; Ps 78:35; Spr 23:11; Jes 54:5; Ef 1:7 **19:26** En nadat mijn huid zo is afgeslagen, zal ik uit mijn vlees Eloah zien, Brontekst: וְאַחַ֣ר (veachar) = en nadat | ע֭וֹרִֽי (ori) = mijn huid | נִקְּפוּ (niqefu) = is afgeslagen | זֹ֑את (zot) = dit | וּ֝מִבְּשָׂרִ֗י (umibesari) = en uit mijn vlees | אֶֽחֱזֶ֥ה (echeze) = zal ik zien | אֱלֽוֹהַּ (eloha) = Eloah Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מִבְּשָׂרִי (mibbesari) kan ‘uit mijn vlees’ (vanuit mijn lichaam, dus lichamelijk) of ‘zonder mijn vlees’ (dus nadat het lichaam vergaan is) betekenen. Het voorzetsel מִן (min) laat beide toe. Wij kiezen ‘uit mijn vlees’, omdat Job zegt dat hij zelf, met eigen ogen, zal zien (vers 27). Vergelijk 14:12, waar Job zegt dat doden niet opstaan: het is een geloof dat hij nog niet kan doorzien. Zie ook: Ps 17:15; Mat 5:8; 1 Kor 13:12; 1 Joh 3:2; Openb 1:7 **19:27** die ik zelf voor mij zal zien. Mijn ogen zullen Hem zien, en geen vreemde. Mijn nieren bezwijken van verlangen in mijn binnenste. Brontekst: אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | אֲנִ֨י (ani) = ik | אֶֽחֱזֶה (echeze) = zal zien | לִּ֗י (li) = voor mij | וְעֵינַ֣י (veeinay) = en mijn ogen | רָא֣וּ (rau) = zullen zien | וְלֹא (velo) = en niet | זָ֑ר (zar) = een vreemde | כָּל֖וּ (kalu) = bezwijken | כִלְיֹתַ֣י (kilyotay) = mijn nieren | בְּחֵקִֽי (becheqi) = in mijn binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 24:17; Ps 73:26; Jes 26:19 **19:28** Als jullie zeggen: ‘Hoe zullen we hem vervolgen?’ en: ‘De wortel van de zaak is in hem te vinden’, Brontekst: כִּ֣י (ki) = als | תֹ֭אמְרוּ (tomru) = jullie zeggen | מַה (ma) = hoe | נִּרְדָּף (nirdaf) = zullen we vervolgen | ל֑וֹ (lo) = hem | וְשֹׁ֥רֶשׁ (veshoresh) = en wortel van | דָּ֝בָ֗ר (davar) = de zaak | נִמְצָא (nimtsa) = wordt gevonden | בִֽי (bi) = in mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:22; Ps 69:27; 1 Kon 14:13 **19:29** vrees dan voor het zwaard, want grimmig is de toorn over de schuld die het zwaard straft, zodat jullie weten dat er een rechter is.” Brontekst: גּ֤וּרוּ (guru) = vreest | לָכֶ֨ם (lakhem) = voor jullie | מִפְּנֵי (mipenei) = voor | חֶ֗רֶב (cherev) = zwaard | כִּֽי (ki) = want | חֵ֭מָה (chema) = grimmig | עֲוֺנ֣וֹת (avonot) = schuldig | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | תֵּדְע֣וּן (tedeun) = jullie weten | שַׁדּֽוּן (shadun) = er is een gericht (K: er is een rechter) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft שַׁדִּין (shaddin), de lezing in de marge (qere) heeft שַׁדּוּן (shaddun). De betekenis is ‘dat er een gericht is’ of ‘dat er een Rechter is’, met een klank van Sjaddai. Wij volgen de qere. Zie ook: Job 13:7–11; Ps 1:5; Pred 11:9; Pred 12:14; Mat 7:1–2 ## Job 20 _Zofar spreekt voor de tweede keer_ ### Zofar: het geluk van de goddeloze is kort **20:1** Zofar uit Naäma nam het woord en zei: Brontekst: וַ֭יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | צֹפַ֥ר (tsofar) = Zofar | הַנַּֽעֲמָתִ֗י (hanaamati) = de Naämatiet | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zofar komt uit Naäma, waarvan de ligging onbekend is (zie 2:11). Voetnoot Uitleg: Zofar reageert persoonlijk gekwetst op Jobs hoofdstuk 19. Zijn betoog is een klassieke uiteenzetting van de leer van vergelding: het geluk van de goddeloze is kort, en zijn rijkdom wordt hem ontnomen. Zie ook: Job 2:11; Job 11:1; Job 42:9 **20:2** „Daarom geven mijn gedachten mij een antwoord, en vanwege mijn opwinding in mij. Brontekst: לָ֭כֵן (lakhen) = daarom | שְׂעִפַּ֣י (seipay) = mijn gedachten | יְשִׁיב֑וּנִי (yeshivuni) = geven mij antwoord | וּ֝בַעֲב֗וּר (uvaavur) = en vanwege | ח֣וּשִׁי (chushi) = mijn haast | בִֽי (bi) = in mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:19; Ps 31:23; Ps 116:11; Spr 14:29; Spr 29:20 **20:3** Een berisping die mij beschaamt, hoor ik. Maar een geest uit mijn inzicht antwoordt mij. Brontekst: מוּסַ֣ר (musar) = berisping van | כְּלִמָּתִ֣י (kelimati) = mijn schande | אֶשְׁמָ֑ע (eshma) = hoor ik | וְ֝ר֗וּחַ (veruach) = en een geest | מִֽבִּינָתִ֥י (mibinati) = uit mijn inzicht | יַעֲנֵֽנִי (yaaneni) = antwoordt mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:3; Job 19:29; Job 20:2; Job 33:3; Ps 78:2–5 **20:4** Weet je dit niet van oudsher, sinds de mens op aarde is gezet, Brontekst: הֲזֹ֣את (hazot) = dit | יָ֭דַעְתָּ (yadata) = weet je | מִנִּי (mini) = van | עַ֑ד (ad) = oudsher | מִנִּ֤י (mini) = sinds | שִׂ֖ים (sim) = geplaatst werd | אָדָ֣ם (adam) = de mens | עֲלֵי (alei) = op | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:28; Gen 9:1–3; Job 8:8–9; Job 15:10; Job 32:7 **20:5** dat het gejuich van de goddelozen kort is en de vreugde van de goddeloze maar een ogenblik? Brontekst: כִּ֤י (ki) = dat | רִנְנַ֣ת (rinnat) = het gejuich van | רְ֭שָׁעִים (reshaim) = goddelozen | מִקָּר֑וֹב (miqarov) = van kortbij | וְשִׂמְחַ֖ת (vesimchat) = en de vreugde van | חָנֵ֣ף (chanef) = de goddeloze | עֲדֵי (adei) = tot | רָֽגַע (raga) = een moment Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:3; Job 18:5–6; Ps 37:35–36; Mat 13:20–21; Hand 12:22–23 **20:6** Al stijgt zijn hoogte tot de hemel en raakt zijn hoofd de wolken, Brontekst: אִם (im) = indien | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = stijgt | לַשָּׁמַ֣יִם (lashamayim) = tot de hemel | שִׂיא֑וֹ (sio) = zijn hoogte | וְ֝רֹאשׁ֗וֹ (verosho) = en zijn hoofd | לָעָ֥ב (laav) = aan de wolk | יַגִּֽיעַ (yagia) = raakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 11:4; Amos 9:2; Jes 14:13–14; Ob 1:3–4; Dan 4:8 **20:7** als zijn eigen drek vergaat hij voorgoed. Wie hem zagen, zeggen: ‘Waar is hij?’ Brontekst: כְּֽ֭גֶלֲלוֹ (kegelalo) = als zijn drek | לָנֶ֣צַח (lanetsach) = voor altijd | יֹאבֵ֑ד (yoved) = vergaat hij | רֹ֝אָ֗יו (roav) = die hem zagen | יֹאמְר֥וּ (yomru) = zeggen | אַיּֽוֹ (ayo) = waar is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֶּלֶל (gelel), ‘drek, mest’, is een bijzonder krachtig woord: de goddeloze verdwijnt als mest die wordt weggespoeld. Zie ook: Job 4:20; Job 8:18; Job 14:10; Ps 83:11; 2 Kon 9:37 **20:8** Als een droom vliegt hij weg en ze vinden hem niet. Hij wordt verjaagd als een nachtelijk visioen. Brontekst: כַּחֲל֣וֹם (kachalom) = als een droom | יָ֭עוּף (yauf) = vliegt hij weg | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִמְצָא֑וּהוּ (yimtsauhu) = vinden ze hem | וְ֝יֻדַּ֗ד (veyudad) = en hij wordt verjaagd | כְּחֶזְי֥וֹן (kechezyon) = als een visioen van | לָֽיְלָה (layela) = de nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:18; Job 27:21–23; Ps 73:20; Ps 90:5; Jes 29:7–8 **20:9** Het oog dat hem zag, ziet hem niet meer, en zijn plaats ziet hem niet meer. Brontekst: עַ֣יִן (ayin) = oog | שְׁ֭זָפַתּוּ (shezafatu) = dat hem zag | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תוֹסִ֑יף (tosif) = meer | וְלֹא (velo) = en niet | ע֝֗וֹד (od) = meer | תְּשׁוּרֶ֥נּוּ (teshurenu) = zal hem aanschouwen | מְקוֹמֽוֹ (meqomo) = zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:8; Job 7:10; Job 8:18; Job 20:7; Ps 37:10 **20:10** Zijn zonen moeten de armen gunstig stemmen, en zijn eigen handen geven zijn rijkdom terug. Brontekst: בָּ֭נָיו (banav) = zijn zonen | יְרַצּ֣וּ (yeratsu) = moeten gunstig stemmen | דַלִּ֑ים (dalim) = armen | וְ֝יָדָ֗יו (veyadav) = en zijn handen | תָּשֵׁ֥בְנָה (tashevena) = geven terug | אוֹנֽוֹ (ono) = zijn rijkdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:4; Job 20:18; Job 27:16–17; Ex 22:2; Luc 19:8 **20:11** Zijn beenderen zijn vol jeugdkracht, maar die ligt met hem in het stof. Brontekst: עַ֭צְמוֹתָיו (atsmotav) = zijn beenderen | מָלְא֣וּ (maleu) = zijn vol van | עֲלוּמָ֑יו (alumav) = zijn jeugd | וְ֝עִמּ֗וֹ (veimo) = en met hem | עַל (al) = in | עָפָ֥ר (afar) = stof | תִּשְׁכָּֽב (tishkav) = ligt het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: עֲלוּמָיו (alumav), ‘zijn jeugd’ of ‘verborgen zonden’: het woord kan van עלום (‘verborgen’) komen. Sommige uitleggers lezen: ‘Zijn beenderen zijn vol van zijn verborgen zonden’. Wij kiezen ‘jeugdkracht’, de gewone betekenis. Zie ook: Job 13:26; Job 21:26; Ps 25:7; Ezech 24:13; Ezech 32:27 ### Het kwaad is zoet, maar wordt gif **20:12** Als het kwaad zoet is in zijn mond en hij het onder zijn tong verbergt, Brontekst: אִם (im) = indien | תַּמְתִּ֣יק (tamtiq) = zoet is | בְּפִ֣יו (befiv) = in zijn mond | רָעָ֑ה (raa) = kwaad | יַ֝כְחִידֶ֗נָּה (yakhchidena) = hij verbergt het | תַּ֣חַת (tachat) = onder | לְשׁוֹנֽוֹ (leshono) = zijn tong Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 12–16: het kwaad smaakt eerst zoet, maar wordt gif in de maag. Een beeld van de goddeloze die roof en onrecht als voedsel inslikt. Zie ook: Gen 3:6; Job 15:16; Ps 10:7; Spr 9:17–18; Pred 11:9 **20:13** als hij het spaart en niet loslaat en het in zijn gehemelte houdt, Brontekst: יַחְמֹ֣ל (yachmol) = hij spaart | עָ֭לֶיהָ (aleiha) = het | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַֽעַזְבֶ֑נָּה (yaazvena) = laat het los | וְ֝יִמְנָעֶ֗נָּה (veyimnaena) = en houdt het vast | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | חִכּֽוֹ (chiko) = zijn gehemelte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 11:18–20; Mat 5:29–30; Mar 9:43–49; Rom 8:13 **20:14** dan verandert zijn voedsel in zijn ingewanden en wordt het slangengif in zijn binnenste. Brontekst: לַ֭חְמוֹ (lachmo) = zijn brood | בְּמֵעָ֣יו (bemeav) = in zijn ingewanden | נֶהְפָּ֑ךְ (nehpakh) = verandert | מְרוֹרַ֖ת (merorat) = gal van | פְּתָנִ֣ים (petanim) = slangen | בְּקִרְבּֽוֹ (beqirbo) = in zijn binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:24; Spr 23:20–21; Spr 23:29–35; Mal 2:2; Rom 3:13 **20:15** Rijkdom heeft hij verslonden en spuugt hij uit. El drijft het uit zijn buik. Brontekst: חַ֣יִל (chayil) = rijkdom | בָּ֭לַע (bala) = verslond hij | וַיְקִאֶ֑נּוּ (vayqienu) = en hij spuugt het uit | מִ֝בִּטְנ֗וֹ (mibitno) = uit zijn buik | יוֹרִשֶׁ֥נּוּ (yorishenu) = drijft het uit | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 23:8; Mat 27:3–4 **20:16** Slangengif zuigt hij op. De tong van een adder doodt hem. Brontekst: רֹאשׁ (rosh) = gif van | פְּתָנִ֥ים (petanim) = slangen | יִינָ֑ק (yinaq) = zuigt hij | תַּֽ֝הַרְגֵ֗הוּ (tahargehu) = doodt hem | לְשׁ֣וֹן (leshon) = tong van | אֶפְעֶֽה (efe) = een adder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:24; Jes 30:6; Mat 3:7; Hand 28:3–6; Rom 3:13 **20:17** Hij zal de stromen niet aanschouwen, de rivieren, de beken van honing en room. Brontekst: אַל (al) = niet | יֵ֥רֶא (yere) = moge hij zien | בִפְלַגּ֑וֹת (biflagot) = de stromen van | נַהֲרֵ֥י (naharei) = rivieren van | נַ֝חֲלֵ֗י (nachalei) = beken van | דְּבַ֣שׁ (devash) = honing | וְחֶמְאָֽה (vechema) = en room Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Beken van honing en room zijn een beeld van overvloed, zoals het land ‘overvloeiend van melk en honing’ (Ex. 3:8). De goddeloze krijgt er geen deel aan. Zie ook: Job 29:6; Ex 3:8; Deut 32:13–14; 2 Kon 7:2; Jes 7:22; Luc 16:24 **20:18** Hij moet zijn winst teruggeven en mag niet slikken. Naar de waarde van zijn ruil geniet hij niet. Brontekst: מֵשִׁ֣יב (meshiv) = hij geeft terug | יָ֭גָע (yaga) = zijn arbeid | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִבְלָ֑ע (yivla) = slikt hij | כְּחֵ֥יל (kecheil) = naar de rijkdom van | תְּ֝מוּרָת֗וֹ (temurato) = zijn ruil | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲלֹֽס (yaalos) = geniet hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:10; Job 20:15; Spr 1:12; Jer 22:13; Jer 51:44 **20:19** Want hij heeft de armen vermorzeld en verlaten, een huis geroofd dat hij niet heeft gebouwd. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | רִ֭צַּץ (ritsats) = hij vermorzelde | עָזַ֣ב (azav) = verliet | דַּלִּ֑ים (dalim) = armen | בַּ֥יִת (bayit) = een huis | גָּ֝זַ֗ל (gazal) = roofde hij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִבֶנֵֽהוּ (yivenehu) = heeft hij het gebouwd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 35:9; Spr 14:31; Jak 2:6; Jak 2:13; Jak 5:4 **20:20** Want hij kende geen rust in zijn binnenste. Van zijn kostbaarheden redt hij niets. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | יָדַ֣ע (yada) = kende hij | שָׁלֵ֣ו (shalev) = rust | בְּבִטְנ֑וֹ (bevitno) = in zijn buik | בַּ֝חֲמוּד֗וֹ (bachamudo) = van zijn kostbaarheden | לֹ֣א (lo) = niet | יְמַלֵּֽט (yemalet) = redt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 5:12–13; Jes 57:20–21 **20:21** Niets ontsnapt aan zijn gulzigheid, daarom houdt zijn welvaart geen stand. Brontekst: אֵין (ein) = niet is er | שָׂרִ֥יד (sarid) = overblijfsel | לְאָכְל֑וֹ (leakhelo) = voor zijn vraatzucht | עַל (al) = op | כֵּ֝֗ן (ken) = grond daarvan | לֹא (lo) = niet | יָחִ֥יל (yachil) = houdt stand | טוּבֽוֹ (tuvo) = zijn welvaart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:29; Job 18:19; Jer 17:11; Luc 16:24–25 **20:22** Midden in zijn overvloed wordt het hem eng. De hand van elke ellendige komt over hem. Brontekst: בִּמְלֹ֣אות (bimlovt) = in de volheid van | שִׂ֭פְקוֹ (sifqo) = zijn overvloed | יֵ֣צֶר (yetser) = wordt het eng | ל֑וֹ (lo) = voor hem | כָּל (kal) = elke | יַ֖ד (yad) = hand van | עָמֵ֣ל (amel) = de ellendige | תְּבוֹאֶֽנּוּ (tevoenu) = komt over hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:17; Job 3:17; Job 15:29; Jes 10:6; Openb 18:7 ### Het deel van de goddeloze **20:23** Het zal zo zijn: om zijn buik te vullen zendt Hij Zijn brandende toorn tegen hem, en laat die als regen op hem vallen terwijl hij eet. Brontekst: יְהִ֤י (yehi) = het zal zijn | לְמַלֵּ֬א (lemale) = om te vullen | בִטְנ֗וֹ (bitno) = zijn buik | יְֽשַׁלַּח (yeshalach) = zendt Hij | בּ֭וֹ (bo) = tegen hem | חֲר֣וֹן (charon) = gloed van | אַפּ֑וֹ (apo) = Zijn toorn | וְיַמְטֵ֥ר (veyamter) = en laat regenen | עָ֝לֵ֗ימוֹ (aleimo) = op hem | בִּלְחוּמֽוֹ (bilchumo) = terwijl hij eet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: בִּלְחוּמוֹ (bilchumo) is onzeker: ‘terwijl hij eet’ (van לחם, ‘brood, voedsel’), of ‘in zijn lichaam’. Wij volgen de eerste lezing. Zie ook: Gen 19:24; Ex 9:23; Num 11:33; Ps 78:30–31; Mal 2:2 **20:24** Vlucht hij voor het ijzeren wapen, dan doorboort hem de koperen boog. Brontekst: יִ֭בְרַח (yivrach) = hij vlucht | מִנֵּ֣שֶׁק (minesheq) = voor wapen van | בַּרְזֶ֑ל (barzel) = ijzer | תַּ֝חְלְפֵ֗הוּ (tachlefehu) = doorboort hem | קֶ֣שֶׁת (qeshet) = een boog van | נְחוּשָֽׁה (nechusha) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 22:35; Spr 7:23; Amos 5:19; Amos 9:1–3; Jes 24:18 **20:25** Hij trekt de pijl uit zijn rug, de glanzende punt uit zijn gal. Verschrikkingen komen over hem. Brontekst: שָׁלַף֮ (shalaf) = hij trekt | וַיֵּצֵ֪א (vayetse) = en het komt uit | מִגֵּ֫וָ֥ה (migeva) = uit zijn rug | וּ֭בָרָק (uvaraq) = en de glans | מִֽמְּרֹרָת֥וֹ (mimerorato) = uit zijn gal | יַהֲלֹ֗ךְ (yahalokh) = gaat | עָלָ֥יו (alav) = over hem | אֵמִֽים (emim) = verschrikkingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld is dat van een pijl die in zijn rug wordt getroffen en door zijn gal heen komt. De glans is die van de metalen punt. Zie ook: Job 15:21; Job 16:13; Job 18:11; Job 27:20; Deut 32:41 **20:26** Alle duisternis is weggelegd voor zijn schatten. Een vuur dat niemand aanblaast, verteert hem. Wat in zijn tent overblijft, wordt weggevaagd. Brontekst: כָּל (kal) = alle | חֹשֶׁךְ֮ (choshekh) = duisternis | טָמ֪וּן (tamun) = is verborgen | לִצְפּ֫וּנָ֥יו (litspunav) = voor zijn schatten | תְּ֭אָכְלֵהוּ (teakhelehu) = verteert hem | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | לֹֽא (lo) = niet | נֻפָּ֑ח (nupach) = aangeblazen | יֵ֖רַע (yera) = het gaat slecht met | שָׂרִ֣יד (sarid) = wat overblijft | בְּאָהֳלֽוֹ (beaholo) = in zijn tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Een vuur dat niemand aanblaast’ is een bovennatuurlijk vuur: het oordeel van Elohim zelf, zoals bij Sodom (Gen. 19:24) en in Num. 16:35. Zie ook: Gen 19:24; Num 16:35; Ps 21:10; Ps 109:9–15; Ps 120:4; Mat 3:12; Mat 8:12 **20:27** De hemel onthult zijn schuld, en de aarde staat tegen hem op. Brontekst: יְגַלּ֣וּ (yegalu) = onthullen | שָׁמַ֣יִם (shamayim) = hemel | עֲוֺנ֑וֹ (avono) = zijn schuld | וְ֝אֶ֗רֶץ (veerets) = en aarde | מִתְקוֹמָ֘מָ֥ה (mitqomama) = staat op | לֽוֹ (lo) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:18; Job 18:18; Jes 26:21; Mal 3:5; Luc 12:2–3 **20:28** De opbrengst van zijn huis wordt weggevoerd, het stroomt weg op de dag van Zijn toorn. Brontekst: יִ֭גֶל (yigel) = wordt weggevoerd | יְב֣וּל (yevul) = opbrengst van | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | נִ֝גָּר֗וֹת (nigarot) = stromen weg | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | אַפּֽוֹ (apo) = Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:5; Job 27:14–19; Sef 1:18; Jak 5:1–3; Openb 18:17 **20:29** Dit is het deel dat Elohim aan de goddeloze mens toewijst, en het erfdeel dat El hem heeft toegesproken.” Brontekst: זֶ֤ה (ze) = dit | חֵֽלֶק (cheleq) = deel van | אָדָ֣ם (adam) = een mens | רָ֭שָׁע (rasha) = goddeloze | מֵאֱלֹהִ֑ים (meElohim) = van Elohim | וְנַחֲלַ֖ת (venachalat) = en erfdeel van | אִמְר֣וֹ (imro) = Zijn uitspraak | מֵאֵֽל (meel) = van El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zofar sluit af met de formule: dit is wat Elohim de goddeloze toedeelt. Weer wordt Job dus indirect beschuldigd. Het volgende hoofdstuk is Jobs antwoord. Zie ook: Job 18:21; Job 27:13; Job 31:2–3; Ps 11:5–6; Mat 24:51 ## Job 21 _Job: de goddelozen hebben het goed_ ### Job: luister naar mij **21:1** Job antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 21 keert het betoog van de vrienden om. Zij zeggen dat de goddeloze snel ten onder gaat (hoofdstuk 15, 18, 20). Job antwoordt: dat zie ik niet gebeuren. De goddelozen leven lang, hebben veel kinderen en sterven in vrede. **21:2** „Luister goed naar mijn woorden. Laat dit jullie troost zijn. Brontekst: שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoor | שָׁ֭מוֹעַ (shamoa) = luister | מִלָּתִ֑י (milati) = mijn woord | וּתְהִי (utehi) = en laat het zijn | זֹ֝֗את (zot) = dit | תַּנְח֥וּמֹֽתֵיכֶֽם (tanchumoteikhem) = jullie troost Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:3–4; Job 15:11; Job 33:1; Jes 55:2; Heb 2:1 **21:3** Verdraag mij, dan zal ik spreken, en na mijn woorden mogen jullie spotten. Brontekst: שָׂ֭אוּנִי (sauni) = verdraag mij | וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = en ik | אֲדַבֵּ֑ר (adaber) = zal spreken | וְאַחַ֖ר (veachar) = en nadat | דַּבְּרִ֣י (daberi) = ik gesproken heb | תַלְעִֽיג (talig) = kun je spotten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:4–5; Job 16:10; Job 16:20; Job 17:2; Job 33:31–33 **21:4** Is mijn klacht dan gericht tot een mens? En waarom zou mijn geest niet ongeduldig zijn? Brontekst: הֶ֭אָנֹכִי (heanokhi) = ik? | לְאָדָ֣ם (leadam) = tot een mens | שִׂיחִ֑י (sichi) = mijn klacht | וְאִם (veim) = en indien | מַ֝דּ֗וּעַ (madua) = waarom | לֹא (lo) = niet | תִקְצַ֥ר (tiqtsar) = zou ongeduldig worden | רוּחִֽי (ruchi) = mijn geest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:11; Ps 42:12; Ps 102:2; Ps 142:3–4; Mat 26:38 **21:5** Kijk naar mij en sta verbaasd, en leg de hand op de mond. Brontekst: פְּנוּ (penu) = keer je | אֵלַ֥י (elay) = naar mij | וְהָשַׁ֑מּוּ (vehashamu) = en wees verbaasd | וְשִׂ֖ימוּ (vesimu) = en leg | יָ֣ד (yad) = hand | עַל (al) = op | פֶּֽה (pe) = mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 29:9; Job 40:4; Re 18:19; Spr 30:32; Rom 11:33 **21:6** Als ik eraan denk, schrik ik, en huivering grijpt mijn lichaam. Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | זָכַ֥רְתִּי (zakharti) = ik denk eraan | וְנִבְהָ֑לְתִּי (venivhalti) = dan schrik ik | וְאָחַ֥ז (veachaz) = en grijpt | בְּ֝שָׂרִ֗י (besari) = mijn vlees | פַּלָּצֽוּת (palatsut) = huivering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 77:4; Ps 88:16; Ps 119:120; Hab 3:16; Klaagl 3:19–20 ### Waarom blijven de goddelozen leven? **21:7** Waarom blijven goddelozen leven, worden ze oud en nemen ze zelfs toe in kracht? Brontekst: מַדּ֣וּעַ (madua) = waarom | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | יִחְי֑וּ (yichyu) = leven ze | עָ֝תְק֗וּ (atequ) = worden oud | גַּם (gam) = ook | גָּ֥בְרוּ (gaveru) = worden machtig | חָֽיִל (chayil) = in kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de kern van Jobs tegenwerping: de wereld werkt niet volgens het schema van de vrienden. Vergelijk Ps. 73:3–12 en Jer. 12:1. Zie ook: Job 12:6; Ps 17:10; Ps 37:35; Ps 73:3–12; Jer 12:1–3 **21:8** Hun nageslacht staat stevig bij hen, hun kinderen voor hun ogen. Brontekst: זַרְעָ֤ם (zaram) = hun nageslacht | נָכ֣וֹן (nakhon) = staat vast | לִפְנֵיהֶ֣ם (lifneihem) = voor hen | עִמָּ֑ם (imam) = bij hen | וְ֝צֶאֱצָאֵיהֶ֗ם (vetseetsaeihem) = en hun spruiten | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:3–4; Job 18:19; Job 20:10; Job 20:28; Spr 17:6 **21:9** Hun huizen zijn veilig, zonder angst, en de staf van Eloah is niet over hen. Brontekst: בָּתֵּיהֶ֣ם (bateihem) = hun huizen | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | מִפָּ֑חַד (mipachad) = zonder angst | וְלֹ֤א (velo) = en niet | שֵׁ֖בֶט (shevet) = staf van | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:34; Job 15:21; Job 18:11; Ps 73:5; Jes 57:19–21 **21:10** Zijn stier bevrucht en faalt niet. Zijn koe kalft en verliest haar jong niet. Brontekst: שׁוֹר֣וֹ (shoro) = zijn stier | עִ֭בַּר (ibar) = bevrucht | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַגְעִ֑ל (yagil) = faalt | תְּפַלֵּ֥ט (tefalet) = werpt | פָּ֝רָת֗וֹ (parato) = zijn koe | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תְשַׁכֵּֽל (teshakel) = verliest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:26; Deut 7:13–14; Deut 28:11; Pred 9:1–2; Luc 12:16–21 **21:11** Ze laten hun kinderen uitgaan als een kudde, en hun jongen dansen. Brontekst: יְשַׁלְּח֣וּ (yeshalechu) = ze sturen uit | כַ֭צֹּאן (katson) = als een kudde | עֲוִילֵיהֶ֑ם (avileihem) = hun kleintjes | וְ֝יַלְדֵיהֶ֗ם (veyaldeihem) = en hun kinderen | יְרַקֵּדֽוּן (yeraqedun) = dansen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 107:41; Ps 127:3–5 **21:12** Ze zingen bij tamboerijn en harp, en zijn vrolijk bij de klank van de fluit. Brontekst: יִ֭שְׂאוּ (yisu) = ze heffen aan | כְּתֹ֣ף (ketof) = tamboerijn | וְכִנּ֑וֹר (vekhinor) = en harp | וְ֝יִשְׂמְח֗וּ (veyismechu) = en zijn blij | לְק֣וֹל (leqol) = bij het geluid van | עוּגָֽב (ugav) = de fluit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:21; Gen 31:27; Amos 6:4–6; Jes 5:12; Jes 22:13 **21:13** Ze brengen hun dagen door in welvaart, en in een ogenblik dalen ze neer in het dodenrijk. Brontekst: יְכַלּ֣וּ (yekhalu) = ze brengen door | בַטּ֣וֹב (batov) = in welvaart | יְמֵיהֶ֑ם (yemeihem) = hun dagen | וּ֝בְרֶ֗גַע (uverega) = en in een ogenblik | שְׁא֣וֹל (sheol) = het dodenrijk | יֵחָֽתּוּ (yechatu) = dalen ze neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:11; Ps 73:4; Mat 24:38–39; Luc 12:19–20; Luc 17:28–29 **21:14** Ze zeggen tegen El: ‘Ga weg van ons! Wij hebben geen zin in kennis van Uw wegen. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeggen | לָ֭אֵל (lael) = tot El | ס֣וּר (sur) = ga weg | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = van ons | וְדַ֥עַת (vedaat) = en kennis van | דְּ֝רָכֶ֗יךָ (derakheikha) = Uw wegen | לֹ֣א (lo) = niet | חָפָֽצְנוּ (chafatsenu) = verlangen wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 14–15 geven de woorden van de goddelozen weer: zij vragen niet naar Elohim en vinden dat zij Hem niet nodig hebben, en toch gaat het hen goed. Vers 16 laat Job zeggen dat hij hun raad niet deelt. Zie ook: Job 22:17; Ps 10:4; Joh 3:19–20; 2 Tess 2:10–12; Rom 8:7 **21:15** Wie is Sjaddai, dat wij Hem zouden dienen? Wat baat het ons als wij Hem aanroepen?’ Brontekst: מַה (ma) = wie | שַׁדַּ֥י (shaday) = Sjaddai | כִּֽי (ki) = dat | נַֽעַבְדֶ֑נּוּ (naavdenu) = wij Hem dienen | וּמַה (uma) = en wat | נּ֝וֹעִ֗יל (noil) = baat het ons | כִּ֣י (ki) = dat | נִפְגַּע (nifga) = wij ons wenden | בּֽוֹ (bo) = tot Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:9; Ex 5:2; Ps 12:5; Jes 30:11; Mal 1:13–14 **21:16** Zie, hun geluk ligt niet in hun hand. De raad van de goddelozen is ver van mij. Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | לֹ֣א (lo) = niet | בְיָדָ֣ם (beyadam) = in hun hand | טוּבָ֑ם (tuvam) = hun geluk | עֲצַ֥ת (atsat) = raad van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | רָ֣חֲקָה (rachaqa) = is ver | מֶֽנִּי (meni) = van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:6; Job 22:18; Ps 1:1; Ps 49:7–8; Ps 52:7–9 **21:17** Hoe vaak dooft de lamp van de goddelozen? Komt hun ondergang over hen? Verdeelt Hij pijnen in Zijn toorn? Brontekst: כַּמָּ֤ה (kama) = hoe vaak | נֵר (ner) = lamp van | רְשָׁ֘עִ֤ים (reshaim) = goddelozen | יִדְעָ֗ךְ (yidakh) = dooft | וְיָבֹ֣א (veyavo) = en komt | עָלֵ֣ימוֹ (aleimo) = over hen | אֵידָ֑ם (eidam) = hun ondergang | חֲ֝בָלִ֗ים (chavalim) = pijnen | יְחַלֵּ֥ק (yechaleq) = verdeelt Hij | בְּאַפּֽוֹ (beapo) = in Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:5–6; Job 18:18; Spr 13:9; Spr 20:20; Luc 12:46 **21:18** Zijn ze als stro voor de wind, als kaf dat de storm wegvoert? Brontekst: יִהְי֗וּ (yihyu) = zijn ze | כְּתֶ֥בֶן (keteven) = als stro | לִפְנֵי (lifnei) = voor | ר֑וּחַ (ruach) = wind | וּ֝כְמֹ֗ץ (ukhemots) = en als kaf | גְּנָבַ֥תּוּ (genavatu) = dat steelt weg | סוּפָֽה (sufa) = een storm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:25; Ps 1:4; Ps 35:5; Ps 83:14; Jes 17:13 **21:19** ‘Eloah bewaart zijn onrecht voor zijn kinderen’: laat Hij het hem zelf vergelden, zodat hij het weet. Brontekst: אֱל֗וֹהַּ (eloha) = Eloah | יִצְפֹּן (yitspon) = bewaart | לְבָנָ֥יו (levanav) = voor zijn zonen | אוֹנ֑וֹ (ono) = zijn onrecht | יְשַׁלֵּ֖ם (yeshalem) = laat Hij vergelden | אֵלָ֣יו (elav) = aan hem | וְיֵדָֽע (veyeda) = zodat hij weet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job citeert een zegswijze van zijn vrienden: Eloah bewaart het onrecht van de vader voor zijn kinderen. Hij antwoordt: laat Elohim het de man zelf vergelden (vers 20–21). Een straf die alleen op de kinderen valt, heeft voor de dader geen betekenis. Vergelijk Ex. 20:5 en Ezech. 18:2–4. Zie ook: Ex 20:5; Jes 14:21; Jer 31:29; Ezech 18:2; Ezech 18:19–20 **21:20** Laat zijn ogen zijn ondergang zien, laat hij zelf van de grimmigheid van Sjaddai drinken. Brontekst: יִרְא֣וּ (yiru) = laten zien | עֵינָ֣יו (einav) = zijn ogen | כִּיד֑וֹ (kido) = zijn ondergang | וּמֵחֲמַ֖ת (umechamat) = en van de gloed van | שַׁדַּ֣י (shaday) = Sjaddai | יִשְׁתֶּֽה (yishte) = laat hij drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 60:5; Ps 75:9; Jes 51:17; Jer 25:15–16; Openb 14:10 **21:21** Want wat gaat hem zijn huis aan na hem, als het aantal van zijn maanden is afgesneden? Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מַה (ma) = wat | חֶפְצ֣וֹ (cheftso) = zijn lust | בְּבֵית֣וֹ (beveito) = in zijn huis | אַחֲרָ֑יו (acharav) = na hem | וּמִסְפַּ֖ר (umispar) = en getal van | חֳדָשָׁ֣יו (chodashav) = zijn maanden | חֻצָּֽצוּ (chutsatsu) = is afgesneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 14:5; Job 14:21; Ps 55:24; Ps 102:25; Pred 2:18–19 **21:22** Zal iemand El kennis leren, Hem die de hoogsten oordeelt? Brontekst: הַלְאֵ֥ל (halel) = El? | יְלַמֶּד (yelamed) = leert men | דָּ֑עַת (daat) = kennis | וְ֝ה֗וּא (vehu) = en Hij | רָמִ֥ים (ramim) = de hoogsten | יִשְׁפּֽוֹט (yishpot) = oordeelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job vraagt scherp: wie zou El onderwijzen, Hem die zelfs de hoogsten, de hemelse wezens, oordeelt? Zie ook: Job 4:18; Jes 40:13–14; 1 Kor 2:16; Rom 11:34; Openb 20:1–3 **21:23** De een sterft in zijn volle kracht, geheel zorgeloos en rustig. Brontekst: זֶ֗ה (ze) = de een | יָ֭מוּת (yamut) = sterft | בְּעֶ֣צֶם (beetsem) = in het wezen van | תֻּמּ֑וֹ (tumo) = zijn volheid | כֻּ֝לּ֗וֹ (kulo) = geheel | שַׁלְאֲנַ֥ן (shalanan) = zorgeloos | וְשָׁלֵֽיו (veshaleiv) = en rustig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:22–23; Ps 49:18; Ps 73:4–5; Luc 12:19–21 **21:24** Zijn emmers zijn vol melk, en het merg van zijn beenderen is verzadigd. Brontekst: עֲ֭טִינָיו (atinav) = zijn emmers | מָלְא֣וּ (maleu) = zijn vol | חָלָ֑ב (chalav) = melk | וּמֹ֖חַ (umoach) = en merg van | עַצְמוֹתָ֣יו (atsmotav) = zijn beenderen | יְשֻׁקֶּֽה (yeshuqe) = is verzadigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: עֲטִינָיו (atinav) komt alleen hier voor en is onzeker. Het kan ‘zijn emmers’ (melkemmers) of ‘zijn dijen’ betekenen. Het beeld is in elk geval dat van volle welvaart. Zie ook: Job 15:27; Ps 17:10; Spr 3:8 **21:25** En de ander sterft met een bittere ziel, zonder ooit van het goede te hebben gegeten. Brontekst: וְזֶ֗ה (veze) = en de ander | יָ֭מוּת (yamut) = sterft | בְּנֶ֣פֶשׁ (benefesh) = met een ziel | מָרָ֑ה (mara) = bittere | וְלֹֽא (velo) = en niet | אָ֝כַ֗ל (akhal) = at hij | בַּטּוֹבָֽה (batova) = van het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:20; Job 7:11; Job 10:1; Spr 14:10; Ezech 4:16–17 **21:26** Samen liggen ze in het stof, en de made bedekt hen. Brontekst: יַ֭חַד (yachad) = samen | עַל (al) = in | עָפָ֣ר (afar) = stof | יִשְׁכָּ֑בוּ (yishkavu) = liggen ze | וְ֝רִמָּ֗ה (verima) = en de made | תְּכַסֶּ֥ה (tekhase) = bedekt | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job zegt: in de dood liggen de goddeloze en de rechtvaardige samen in het stof, en de made bedekt hen beiden. In het graf blijft er geen verschil, zoals er in het leven ook geen verschil te zien was in hun lot. Zie ook: Job 3:18–19; Job 20:11; Job 24:20; Pred 9:2; Jes 14:11 ### Jullie antwoorden zijn onzin **21:27** Zie, ik ken jullie gedachten, en de plannen waarmee jullie mij onrecht aandoen. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | יָ֭דַעְתִּי (yadati) = ik ken | מַחְשְׁבֽוֹתֵיכֶ֑ם (machshevoteikhem) = jullie gedachten | וּ֝מְזִמּ֗וֹת (umezimot) = en plannen | עָלַ֥י (alay) = tegen mij | תַּחְמֹֽסוּ (tachmosu) = waarmee jullie onrecht doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:3–5; Job 20:5; Job 32:3; Ps 119:86; Luc 5:22 **21:28** Want jullie zeggen: ‘Waar is het huis van de edele, en waar de tent waar de goddelozen woonden?’ Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | תֹֽאמְר֗וּ (tomru) = jullie zeggen | אַיֵּ֥ה (aye) = waar is | בֵית (beit) = het huis van | נָדִ֑יב (nadiv) = de edele | וְ֝אַיֵּ֗ה (veaye) = en waar is | אֹ֤הֶל (ohel) = de tent van | מִשְׁכְּנ֬וֹת (mishkenot) = woningen van | רְשָׁעִֽים (reshaim) = goddelozen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vrienden zeggen: waar staat nu het huis van de goddeloze (vergelijk 8:22; 18:15–21)? Job vraagt hun de reizigers te vragen, die de wereld kennen (vers 29). Zie ook: Job 8:22; Job 20:7; Job 31:37; Ps 52:7–8; Zach 5:4 **21:29** Hebben jullie reizigers niet gevraagd? Willen jullie hun tekenen niet erkennen: Brontekst: הֲלֹ֣א (halo) = niet? | שְׁ֭אֶלְתֶּם (sheeltem) = hebben jullie gevraagd | ע֣וֹבְרֵי (overei) = reizigers van | דָ֑רֶךְ (darekh) = de weg | וְ֝אֹתֹתָ֗ם (veototam) = en hun tekenen | לֹ֣א (lo) = niet | תְנַכֵּֽרוּ (tenakeru) = herkennen jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹתֹתָם (otot) betekent ‘hun tekenen’, getuigenissen of bewijzen. Job roept reizigers als getuigen op: wie de wereld verkent, ziet dat de goddeloze niet zomaar wordt gestraft. Zie ook: Ps 129:8 **21:30** dat de slechte wordt gespaard op de dag van het onheil, op de dag van de toorn wordt weggevoerd? Brontekst: כִּ֤י (ki) = dat | לְי֣וֹם (leyom) = voor de dag van | אֵ֭יד (eid) = onheil | יֵחָ֣שֶׂךְ (yechasekh) = wordt gespaard | רָ֑ע (ra) = de slechte | לְי֖וֹם (leyom) = voor de dag van | עֲבָר֣וֹת (avarot) = toorn | יוּבָֽלוּ (yuvalu) = wordt hij weggevoerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:28; Spr 16:4; Rom 2:5; 2 Petr 2:9–17; 2 Petr 3:7 **21:31** Wie houdt hem zijn weg voor? En wat hij heeft gedaan, wie vergeldt hem dat? Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יַגִּ֣יד (yagid) = houdt voor | עַל (al) = aan | פָּנָ֣יו (panav) = zijn gezicht | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = zijn weg | וְהֽוּא (vehu) = en wat hij | עָ֝שָׂ֗ה (asa) = deed | מִ֣י (mi) = wie | יְשַׁלֶּם (yeshalem) = vergeldt | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 7:10; Jer 2:33–35; Jak 2:13; Gal 2:11; Rom 12:19 **21:32** Hij wordt naar het graf gebracht, en bij de grafheuvel wordt gewaakt. Brontekst: וְ֭הוּא (vehu) = en hij | לִקְבָר֣וֹת (liqvarot) = naar graven | יוּבָ֑ל (yuval) = wordt gebracht | וְֽעַל (veal) = en bij | גָּדִ֥ישׁ (gadish) = een grafheuvel | יִשְׁקֽוֹד (yishqod) = wordt gewaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּדִישׁ (gadish) is een stapel of grafheuvel. De goddeloze krijgt een groot gevolg bij zijn begrafenis (vers 33). Zie ook: Ps 49:15; Ezech 32:21–32; Luc 16:22 **21:33** De kluiten van het dal zijn hem zoet. Achter hem trekt ieder mens, en voor hem zijn ze zonder getal. Brontekst: מָֽתְקוּ (matequ) = zoet zijn | ל֗וֹ (lo) = hem | רִגְבֵ֫י (rigvei) = kluiten van | נָ֥חַל (nachal) = dal | וְ֭אַחֲרָיו (veacharav) = en achter hem | כָּל (kal) = alle | אָדָ֣ם (adam) = mensen | יִמְשׁ֑וֹךְ (yimshokh) = trekken | וּ֝לְפָנָ֗יו (ulefanav) = en voor hem | אֵ֣ין (ein) = niet is er | מִסְפָּֽר (mispar) = getal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 24:24; Job 30:23; Pred 1:4; Pred 12:7; Heb 9:27 **21:34** Hoe kunnen jullie mij dan troosten met onzin? Van jullie antwoorden blijft alleen trouweloosheid over.” Brontekst: וְ֭אֵיךְ (veeikh) = en hoe | תְּנַחֲמ֣וּנִי (tenachamuni) = troosten jullie mij | הָ֑בֶל (havel) = nietig | וּ֝תְשֽׁוּבֹתֵיכֶ֗ם (uteshuvoteikhem) = en jullie antwoorden | נִשְׁאַר (nishar) = blijft over | מָֽעַל (maal) = trouweloosheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעַל (ma’al), ‘trouweloosheid’: de vrienden hebben niets te bieden dan onwaarheid. Job beschuldigt hen van ontrouw aan de waarheid en aan hem. Zie ook: Job 13:4; Job 16:2; Job 32:3; Job 42:7 ## Job 22 _Elifaz beschuldigt Job en roept hem tot bekering_ ### Elifaz beschuldigt Job **22:1** Elifaz uit Teman nam het woord en zei: Brontekst: וַ֭יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | אֱלִיפַ֥ז (elifaz) = Elifaz | הַֽתֵּמָנִ֗י (hatemani) = de Temaniet | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië). Voetnoot Uitleg: Elifaz noemt Job voor het eerst concreet schuldig. Er is in het boek nergens een aanwijzing dat Job deze dingen heeft gedaan; het zijn aannames die voortkomen uit de leer van vergelding: wie lijdt, moet zondig zijn. Vergelijk hoofdstuk 31, waar Job zijn onschuld tegenover elk van deze beschuldigingen uitspreekt. **22:2** „Kan een man El van nut zijn? Nee, de verstandige is alleen zichzelf tot nut. Brontekst: הַלְאֵ֥ל (halel) = aan El? | יִסְכָּן (yiskan) = is van nut | גָּ֑בֶר (gaver) = een man | כִּֽי (ki) = dat | יִסְכֹּ֖ן (yiskon) = is van nut | עָלֵ֣ימוֹ (aleimo) = voor zichzelf | מַשְׂכִּֽיל (maskil) = een verstandige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 35:6–8; Ps 16:2; Spr 3:13–18; Luc 17:10; Gal 6:7–8 **22:3** Heeft Shaddai er plezier in als jij rechtvaardig bent, of winst als je wegen onberispelijk zijn? Brontekst: הַחֵ֣פֶץ (hachefets) = is er lust | לְ֭שַׁדַּי (leshaday) = voor Shaddai | כִּ֣י (ki) = dat | תִצְדָּ֑ק (titsdaq) = je rechtvaardig bent | וְאִם (veim) = of | בֶּ֝֗צַע (betsa) = winst | כִּֽי (ki) = dat | תַתֵּ֥ם (tatem) = je onberispelijk maakt | דְּרָכֶֽיךָ (derakheikha) = je wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 147:10–11; Spr 11:1; Spr 12:22; Spr 15:8; 2 Kor 7:1 **22:4** Straft Hij je om je ontzag, brengt Hij je daarom voor het gericht? Brontekst: הֲֽ֭מִיִּרְאָ֣תְךָ (hamiyiratekha) = vanwege je ontzag | יֹכִיחֶ֑ךָ (yokhichekha) = straft Hij je | יָב֥וֹא (yavo) = komt Hij | עִ֝מְּךָ֗ (imekha) = met jou | בַּמִּשְׁפָּֽט (bamishpat) = in het gericht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 14:3; Ps 80:17; Ps 143:2; Jes 3:14–15; Openb 3:19 **22:5** Is je kwaad niet groot en zijn je schulden niet eindeloos? Brontekst: הֲלֹ֣א (halo) = niet? | רָעָֽתְךָ֣ (raatekha) = je kwaad | רַבָּ֑ה (raba) = is groot | וְאֵֽין (veein) = en niet is er | קֵ֝֗ץ (qets) = einde | לַעֲוֺנֹתֶֽיךָ (laavonoteikha) = aan je schulden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:7–11; Job 11:14; Job 15:5–6; Job 15:31–34; Ps 40:13 **22:6** Je nam zonder reden pand van je broer en stroopte de kleren van naakten af. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תַחְבֹּ֣ל (tachbol) = nam je pand van | אַחֶ֣יךָ (acheikha) = je broer | חִנָּ֑ם (chinam) = zonder reden | וּבִגְדֵ֖י (uvigdei) = en kleren van | עֲרוּמִּ֣ים (arumim) = naakten | תַּפְשִֽׁיט (tafshit) = stroopte je af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Pand nemen van een arme en zijn kleed afnemen is in de wet verboden (Ex. 22:25–26; Deut. 24:12–13). Zie ook: Job 24:3; Ex 22:24–25; Ex 22:25; Deut 24:10–18; Deut 24:12–13; Ezech 18:12; Ezech 18:16 **22:7** Je gaf de vermoeide geen water te drinken, en de hongerige onthield je brood. Brontekst: לֹא (lo) = niet | מַ֭יִם (mayim) = water | עָיֵ֣ף (ayef) = de vermoeide | תַּשְׁקֶ֑ה (tashqe) = gaf je te drinken | וּ֝מֵרָעֵ֗ב (umeraev) = en van de hongerige | תִּֽמְנַֽע (timna) = onthield je | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:17; Jes 58:7; Ezech 18:7; Ezech 18:16; Mat 25:42 **22:8** Maar de machtige man had het land, en de aanzienlijke woonde erin. Brontekst: וְאִ֣ישׁ (veish) = en de man van | זְ֭רוֹעַ (zeroa) = arm | ל֣וֹ (lo) = voor hem | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וּנְשׂ֥וּא (unesu) = en de aanzienlijke | פָ֝נִ֗ים (panim) = (van) gezicht | יֵ֣שֶׁב (yeshev) = woonde | בָּֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:8; Job 31:34; Ps 12:9; Jes 9:14; Mi 7:3 **22:9** Weduwen stuurde je met lege handen weg, en de armen van wezen werden vermorzeld. Brontekst: אַ֭לְמָנוֹת (almanot) = weduwen | שִׁלַּ֣חְתָּ (shilachta) = stuurde je weg | רֵיקָ֑ם (reiqam) = met lege handen | וּזְרֹע֖וֹת (uzeroot) = en armen van | יְתֹמִ֣ים (yetomim) = wezen | יְדֻכָּֽא (yeduka) = werden vermorzeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Weduwen en wezen waren de zwakste leden van de samenleving. De wet beschermt hen uitdrukkelijk (Ex. 22:21). Zie ook: Job 24:3; Job 24:21; Job 31:21; Ex 22:20; Jes 10:2; Ezech 22:7 **22:10** Daarom zijn er strikken rondom je, en overvalt je plotseling angst, Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֭ן (ken) = (zo) | סְבִיבוֹתֶ֣יךָ (sevivoteikha) = rondom je | פַחִ֑ים (pachim) = strikken | וִֽ֝יבַהֶלְךָ (vivahelkha) = en doet je schrikken | פַּ֣חַד (pachad) = angst | פִּתְאֹֽם (pitom) = plotseling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:4; Job 13:21; Job 18:8–10; Spr 1:27; 1 Tess 5:3 **22:11** of duisternis, zodat je niets ziet, en een vloed van water bedekt je. Brontekst: אוֹ (o) = of | חֹ֥שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | לֹֽא (lo) = niet | תִרְאֶ֑ה (tire) = zie je | וְֽשִׁפְעַת (veshifat) = en een vloed van | מַ֥יִם (mayim) = water | תְּכַסֶּֽךָּ (tekhaseka) = bedekt je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:6; Job 19:8; Ps 69:2–3; Jona 2:4; Klaagl 3:54 ### Wat weet El? **22:12** Is Eloah niet hoog in de hemel? Kijk naar de top van de sterren: hoe hoog! Brontekst: הֲֽלֹא (halo) = niet? | אֱ֭לוֹהַּ (eloha) = Eloah | גֹּ֣בַהּ (govah) = hoog van | שָׁמָ֑יִם (shamayim) = hemel | וּרְאֵ֤ה (uree) = en kijk | רֹ֖אשׁ (rosh) = top van | כּוֹכָבִ֣ים (kokhavim) = sterren | כִּי (ki) = hoe | רָֽמּוּ (ramu) = hoog zijn ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:8; Ps 8:4–5; Ps 115:3; Pred 5:1; Jes 66:1 **22:13** Maar jij zegt: ‘Wat weet El? Kan Hij door donkere wolken heen oordelen? Brontekst: וְֽ֭אָמַרְתָּ (veamarta) = en je zegt | מַה (ma) = wat | יָּ֣דַֽע (yada) = weet | אֵ֑ל (el) = El | הַבְעַ֖ד (havad) = door | עֲרָפֶ֣ל (arafel) = donkere wolk | יִשְׁפּֽוֹט (yishpot) = oordeelt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elifaz legt Job woorden in de mond die hij niet heeft gezegd: dat Elohim niets ziet door de wolken. Job zegt het tegendeel: Hij ziet te veel (7:17–20). Zie ook: Ps 10:11; Ps 59:8; Ps 73:11; Ezech 8:12; Ezech 9:9 **22:14** Wolken zijn een sluier voor Hem, zodat Hij niet ziet. Hij wandelt over de koepel van de hemel.’ Brontekst: עָבִ֣ים (avim) = wolken | סֵֽתֶר (seter) = een sluier | ל֭וֹ (lo) = voor Hem | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִרְאֶ֑ה (yire) = ziet Hij | וְח֥וּג (vechug) = en de koepel van | שָׁ֝מַ֗יִם (shamayim) = hemel | יִתְהַלָּֽךְ (yithalakh) = wandelt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוּג (chug), ‘koepel’ of ‘cirkel’, is het hemelgewelf (Jes. 40:22; Spr. 8:27). Zie ook: Job 26:9; Ps 33:14; Ps 97:2; Ps 139:11–12; Spr 8:27; Jes 40:22; Luc 12:2–3 **22:15** Wil je het oude pad bewaren dat de mensen van onrecht hebben betreden, Brontekst: הַאֹ֣רַח (haorach) = het pad | עוֹלָ֣ם (olam) = van oudsher | תִּשְׁמֹ֑ר (tishmor) = wil je bewaren | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | דָּרְכ֣וּ (darekhu) = betraden | מְתֵי (metei) = mensen van | אָֽוֶן (aven) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:5; Gen 6:11–13; Luc 17:26–27 **22:16** die voor hun tijd zijn weggerukt, wier fundament als een stroom is weggespoeld, Brontekst: אֲשֶֽׁר (asher) = die | קֻמְּט֥וּ (qumetu) = werden weggerukt | וְלֹא (velo) = en niet | עֵ֑ת (et) = tijd | נָ֝הָ֗ר (nahar) = een stroom | יוּצַ֥ק (yutsaq) = wordt uitgegoten | יְסוֹדָֽם (yesodam) = hun fundament Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:11; Gen 7:17–24; Job 15:32; Ps 55:24; Mat 24:37–39 **22:17** die tegen El zeiden: ‘Ga weg van ons!’ en: ‘Wat kan Shaddai voor hen doen?’ Brontekst: הָאֹמְרִ֣ים (haomerim) = die zeggen | לָ֭אֵל (lael) = tot El | ס֣וּר (sur) = ga weg | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = van ons | וּמַה (uma) = en wat | יִּפְעַ֖ל (yifal) = kan doen | שַׁדַּ֣י (shaday) = Shaddai | לָֽמוֹ (lamo) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elifaz herhaalt Jobs woorden uit 21:14–16, nu als bewijs tegen de goddelozen (en indirect tegen Job). Zie ook: Job 21:14–15; Ps 4:7; Jes 30:11; Mal 3:14; Rom 1:28 **22:18** Terwijl Hij hun huizen met goede dingen vulde? Maar de raad van de goddelozen is ver van mij. Brontekst: וְה֤וּא (vehu) = en Hij | מִלֵּ֣א (mile) = vulde | בָתֵּיהֶ֣ם (bateihem) = hun huizen | ט֑וֹב (tov) = met goede dingen | וַעֲצַ֥ת (vaatsat) = maar raad van | רְ֝שָׁעִ֗ים (reshaim) = goddelozen | רָ֣חֲקָה (rachaqa) = is ver | מֶֽנִּי (meni) = van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:6; Job 21:16; 1 Sam 2:7; Ps 17:14; Hand 14:17 **22:19** De rechtvaardigen zien het en verheugen zich, en de onschuldige spot met hen: Brontekst: יִרְא֣וּ (yiru) = zien | צַדִּיקִ֣ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | וְיִשְׂמָ֑חוּ (veyismachu) = en zijn blij | וְ֝נָקִ֗י (venaqi) = en de onschuldige | יִלְעַג (yilag) = spot | לָֽמוֹ (lamo) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 52:8; Ps 58:11; Ps 97:8; Ps 107:42; Openb 18:20 **22:20** ‘Is onze tegenstander niet vernietigd, en heeft vuur hun rijkdom niet verteerd?’ Brontekst: אִם (im) = indien | לֹ֣א (lo) = niet | נִכְחַ֣ד (nikhchad) = is vernietigd | קִימָ֑נוּ (qimanu) = onze tegenstander | וְ֝יִתְרָ֗ם (veyitram) = en hun overschot | אָ֣כְלָה (akhela) = heeft verteerd | אֵֽשׁ (esh) = vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:24; Job 1:16; Job 15:30; Job 20:26; 2 Petr 2:6–7 ### Keer terug tot Shaddai **22:21** Raak toch vertrouwd met Hem en maak vrede. Daardoor zal er goeds voor je komen. Brontekst: הַסְכֶּן (hasken) = raak vertrouwd | נָ֣א (na) = toch | עִמּ֑וֹ (imo) = met Hem | וּשְׁלם (ushelm) = en maak vrede | בָּ֝הֶ֗ם (bahem) = daardoor | תְּֽבוֹאַתְךָ֥ (tevoatkha) = zal je opbrengst zijn | טוֹבָֽה (tova) = goeds Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 28:9; Ps 34:11; Jes 27:5; Ef 2:14–17; Fil 4:7 **22:22** Neem toch onderricht aan uit Zijn mond en leg Zijn woorden in je hart. Brontekst: קַח (qach) = neem | נָ֣א (na) = toch | מִפִּ֣יו (mipiv) = uit Zijn mond | תּוֹרָ֑ה (tora) = onderricht | וְשִׂ֥ים (vesim) = en leg | אֲ֝מָרָ֗יו (amarav) = Zijn woorden | בִּלְבָבֶֽךָ (bilvavekha) = in je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 23:12; Deut 4:1–2; Deut 6:6–9; Ps 119:11; Jer 15:16 **22:23** Als je terugkeert tot Shaddai, word je herbouwd. Als je onrecht uit je tent verwijdert, Brontekst: אִם (im) = indien | תָּשׁ֣וּב (tashuv) = je terugkeert | עַד (ad) = tot | שַׁ֭דַּי (shaday) = Shaddai | תִּבָּנֶ֑ה (tibane) = word je herbouwd | תַּרְחִ֥יק (tarchiq) = indien je verwijdert | עַ֝וְלָ֗ה (avla) = onrecht | מֵאָהֳלֶֽךָ (meaholekha) = uit je tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Net als Zofar (11:13–19) en Bildad (8:5–7) roept Elifaz Job tot bekering op, met de belofte van herstel. Hij legt zijn eigen leer uit: zondaars lijden, wie zich bekeert krijgt weer geluk. Zie ook: Job 8:5–6; Job 11:13–14; Hos 14:2–3; Jes 55:6–7; Zach 1:3 **22:24** je goud in het stof legt en het goud van Ofir tussen de stenen van de beken, Brontekst: וְשִׁית (veshit) = en leg | עַל (al) = op | עָפָ֥ר (afar) = stof | בָּ֑צֶר (batser) = goud | וּבְצ֖וּר (uvetsur) = en tussen de rots van | נְחָלִ֣ים (nechalim) = beken | אוֹפִֽיר (ofir) = Ofir Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ofir (אוֹפִיר) was een land bekend om zijn goud (1 Kon. 9:28; 10:11). De ligging is niet zeker: voorstellen zijn zuidwest-Arabië, Oost-Afrika (Somalië) en India. Voetnoot Uitleg: Elifaz zegt: leg zelfs het beste goud weg, want Shaddai zal je goud zijn. Zie ook: 1 Kon 9:28; 1 Kon 10:11; 1 Kon 10:21; 2 Kron 1:5; 2 Kron 9:10; Jes 13:12 **22:25** dan is Shaddai je goud en je zilver in overvloed. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en zal zijn | שַׁדַּ֣י (shaday) = Shaddai | בְּצָרֶ֑יךָ (betsareikha) = je goud | וְכֶ֖סֶף (vekhesef) = en zilver | תּוֹעָפ֣וֹת (toafot) = overvloed | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 15:1; Ps 16:5–6; Ps 18:3; Ps 84:12; Jes 33:6 **22:26** Want dan zul je je verlustigen in Shaddai en je gezicht opheffen tot Eloah. Brontekst: כִּי (ki) = want | אָ֭ז (az) = dan | עַל (al) = in | שַׁדַּ֣י (shaday) = Shaddai | תִּתְעַנָּ֑ג (titanag) = verlustig je je | וְתִשָּׂ֖א (vetisa) = en hef je op | אֶל (el) = tot | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | פָּנֶֽיךָ (paneikha) = je gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:15; Job 27:10; Ps 37:4; Jes 58:14; Rom 7:22 **22:27** Je zult tot Hem bidden en Hij hoort je, en je geloften kun je inlossen. Brontekst: תַּעְתִּ֣יר (tatir) = je zult bidden | אֵ֭לָיו (elav) = tot Hem | וְיִשְׁמָעֶ֑ךָּ (veyishmaeka) = en Hij hoort je | וּנְדָרֶ֥יךָ (unedareikha) = en je geloften | תְשַׁלֵּֽם (teshalem) = betaal je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 50:14–15; Ps 91:15; Ps 116:1; Jes 58:9; 1 Joh 5:14–15 **22:28** Wat je besluit, komt tot stand, en over je wegen zal licht schijnen. Brontekst: וְֽתִגְזַר (vetigzar) = en je besluit | א֭וֹמֶר (omer) = een woord | וְיָ֣קָם (veyaqam) = en het wordt bevestigd | לָ֑ךְ (lakh) = voor jou | וְעַל (veal) = en over | דְּ֝רָכֶ֗יךָ (derakheikha) = je wegen | נָ֣גַֽהּ (nagah) = schijnt | אֽוֹר (or) = licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 20:5; Ps 90:17; Spr 4:18; Jes 30:21; Mat 21:22 **22:29** Als ze naar beneden worden gedrukt, zeg je: ‘Omhoog!’ En wie de ogen neerslaat, redt Hij. Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | הִ֭שְׁפִּילוּ (hishpilu) = zij neergedrukt worden | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = dan zeg je | גֵּוָ֑ה (geva) = omhoog | וְשַׁ֖ח (veshach) = en wie neerslaat | עֵינַ֣יִם (einayim) = de ogen | יוֹשִֽׁעַ (yoshia) = redt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:19–27; Mat 23:12; Luc 1:52; Jak 4:6; 1 Petr 5:5 **22:30** Hij redt zelfs wie niet onschuldig is. Die wordt gered door de reinheid van je handen.” Brontekst: יְֽמַלֵּ֥ט (yemalet) = redt Hij | אִֽי (i) = niet | נָקִ֑י (naqi) = onschuldige | וְ֝נִמְלַ֗ט (venimlat) = en die wordt gered | בְּבֹ֣ר (bevor) = door de reinheid van | כַּפֶּֽיךָ (kapeikha) = je handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אִי־נָקִי (i-naqi) kan ‘de niet-onschuldige’ zijn (zoals wij vertalen) of ‘het eiland van de onschuldige’ (אִי, i, is ook ‘eiland’). In de tweede lezing: ‘Hij zal het eiland van de onschuldige redden’. Wij kiezen de eerste. Zie ook: Gen 18:26–32; Job 42:7–8; Ps 18:21; Hand 27:24; Jak 5:15–16 ## Job 23 _Job zoekt Eloah, maar vindt Hem niet_ ### Waar kan ik Hem vinden? **23:1** Job antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **23:2** „Ook vandaag is mijn klacht bitter. Mijn hand is zwaar door mijn zuchten. Brontekst: גַּם (gam) = ook | הַ֭יּוֹם (hayom) = vandaag | מְרִ֣י (meri) = bitter | שִׂחִ֑י (sichi) = mijn klacht | יָ֝דִ֗י (yadi) = mijn hand | כָּבְדָ֥ה (kaveda) = is zwaar | עַל (al) = op | אַנְחָתִֽי (anchati) = mijn zuchten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יָדִי (yadi), ‘mijn hand’: de Masoretische tekst zegt dat Jobs hand zwaar is door zijn zuchten. Oude vertalingen (Septuaginta, Syrisch) lezen ‘Zijn hand’ (יָדוֹ): dan drukt Eloahs hand zwaar op Job. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Job 6:2–3; Job 7:11; Job 10:1; Ps 32:4; Ps 77:3–10 **23:3** Wist ik maar waar ik Hem kon vinden, dan ging ik naar Zijn zetel. Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֣ן (yiten) = geeft | יָ֭דַעְתִּי (yadati) = ik wist | וְאֶמְצָאֵ֑הוּ (veemtsaehu) = en ik zou Hem vinden | אָ֝ב֗וֹא (avo) = ik zou komen | עַד (ad) = tot | תְּכוּנָתֽוֹ (tekhunato) = Zijn zetel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּכוּנָתוֹ (tekhunato), ‘Zijn zetel’ of ‘Zijn woonplaats’: Job zoekt Eloah als een procespartij die de rechter niet kan vinden. Wat hij in 9:33 niet kon, wil hij hier wel: Eloah zelf ontmoeten. Zie ook: Job 13:3; Job 16:21; Job 31:35–37; Jer 14:7; Heb 4:6 **23:4** Ik zou mijn zaak voor Hem uiteenzetten en mijn mond vullen met bewijzen. Brontekst: אֶעֶרְכָ֣ה (eerkha) = ik zou uiteenzetten | לְפָנָ֣יו (lefanav) = voor Hem | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = de zaak | וּ֝פִ֗י (ufi) = en mijn mond | אֲמַלֵּ֥א (amale) = zou ik vullen | תוֹכָחֽוֹת (tokhachot) = met bewijzen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:18; Num 14:13–19; Joz 7:8–9; Ps 43:1; Dan 9:18–19 **23:5** Ik zou weten met welke woorden Hij mij antwoordt en begrijpen wat Hij tegen mij zegt. Brontekst: אֵ֭דְעָה (edea) = ik zou weten | מִלִּ֣ים (milim) = woorden | יַעֲנֵ֑נִי (yaaneni) = Hij antwoordt mij | וְ֝אָבִ֗ינָה (veavina) = en ik zou begrijpen | מַה (ma) = wat | יֹּ֥אמַר (yomar) = Hij zegt | לִֽי (li) = tot mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:2; Job 13:22–23; Job 42:2–6; 1 Kor 4:3–4 **23:6** Zou Hij met grote kracht tegen mij twisten? Nee, Hij zou acht op mij slaan. Brontekst: הַבְּרָב (haberav) = met overvloed van | כֹּ֭חַ (koach) = kracht | יָרִ֣יב (yariv) = zou Hij twisten | עִמָּדִ֑י (imadi) = met mij | לֹ֥א (lo) = nee | אַךְ (akh) = maar | ה֝֗וּא (hu) = Hij | יָשִׂ֥ם (yasim) = zou letten | בִּֽי (bi) = op mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job gelooft dat Eloah, als Hij zou luisteren, hem recht zou doen. Zijn probleem is niet dat Eloah onrechtvaardig zou zijn, maar dat Hij afwezig lijkt. Zie ook: Job 9:19; Job 9:33–34; Job 13:21; Ezech 20:33; 2 Kor 12:9–10 **23:7** Daar zou een oprechte met Hem het gesprek aangaan, en ik zou voorgoed vrijgesproken worden door mijn rechter. Brontekst: שָׁ֗ם (sham) = daar | יָ֭שָׁר (yashar) = een oprechte | נוֹכָ֣ח (nokhach) = zou redetwisten | עִמּ֑וֹ (imo) = met Hem | וַאֲפַלְּטָ֥ה (vaafaleta) = en ik zou bevrijd worden | לָ֝נֶ֗צַח (lanetsach) = voorgoed | מִשֹּׁפְטִֽי (mishofeti) = van mijn rechter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:3; Jes 1:18; Jer 12:1; Rom 8:1; Rom 8:33–34 ### Hij is er niet, maar Hij kent mijn weg **23:8** Zie, ik ga vooruit, maar Hij is er niet. Ik ga terug, maar ik merk Hem niet op. Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | קֶ֣דֶם (qedem) = vooruit | אֶהֱלֹ֣ךְ (ehelokh) = ga ik | וְאֵינֶ֑נּוּ (veeinenu) = en Hij is er niet | וְ֝אָח֗וֹר (veachor) = en achteruit | וְֽלֹא (velo) = en niet | אָבִ֥ין (avin) = merk ik | לֽוֹ (lo) = Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶדֶם (qedem) en אָחוֹר (achor) zijn letterlijk ‘voorwaarts’ (oosten) en ‘achterwaarts’ (westen); links en rechts in vers 9 zijn noord en zuid. Job zoekt Eloah in alle richtingen. Vergelijk Ps. 139:7–12, waar de dichter juist overal Zijn aanwezigheid ervaart. Zie ook: Job 9:11; Job 35:14; Ps 10:1; Ps 139:7–12; Jes 45:15; 1 Tim 6:16 **23:9** Links, waar Hij werkt, zie ik Hem niet. Hij verbergt zich rechts, en ik zie Hem niet. Brontekst: שְׂמֹ֣אול (semovl) = links | בַּעֲשֹׂת֣וֹ (baasoto) = waar Hij werkt | וְלֹא (velo) = en niet | אָ֑חַז (achaz) = zie ik Hem | יַעְטֹ֥ף (yatof) = Hij verbergt zich | יָ֝מִ֗ין (yamin) = rechts | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶרְאֶֽה (ere) = zie ik (Hem) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 89:47; Jes 8:17 **23:10** Maar Hij kent de weg die ik ga. Als Hij mij heeft beproefd, kom ik eruit als goud. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יָ֭דַע (yada) = Hij kent | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg | עִמָּדִ֑י (imadi) = die bij mij is | בְּ֝חָנַ֗נִי (bechanani) = Hij beproefde mij | כַּזָּהָ֥ב (kazahav) = als goud | אֵצֵֽא (etse) = kom ik uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een van de belangrijkste verzen van het boek: Job gelooft dat hij beproefd wordt en als goud zal blijken. Vergelijk Ps. 66:10; 1 Petr. 1:7. Zie ook: Ps 66:10; Ps 139:1–3; Zach 13:9; Jak 1:2–4; Jak 1:12; 1 Petr 1:7 **23:11** Mijn voet heeft Zijn spoor vastgehouden. Zijn weg heb ik bewaard en ik week niet af. Brontekst: בַּ֭אֲשֻׁרוֹ (baashuro) = aan Zijn schreden | אָחֲזָ֣ה (achaza) = houdt vast | רַגְלִ֑י (ragli) = mijn voet | דַּרְכּ֖וֹ (darko) = Zijn weg | שָׁמַ֣רְתִּי (shamarti) = ik heb bewaard | וְלֹא (velo) = en niet | אָֽט (at) = week ik af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:9; Ps 17:5; Ps 44:19; Rom 2:7; 2 Petr 2:20–22 **23:12** Van het gebod van Zijn lippen ben ik niet geweken. De woorden van Zijn mond heb ik meer dan mijn eigen deel bewaard. Brontekst: מִצְוַ֣ת (mitsvat) = gebod van | שְׂ֭פָתָיו (sefatav) = Zijn lippen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אָמִ֑ישׁ (amish) = ben ik geweken | מֵ֝חֻקִּ֗י (mechuqi) = meer dan mijn bestemde deel | צָפַ֥נְתִּי (tsafanti) = heb ik bewaard | אִמְרֵי (imrei) = woorden van | פִֽיו (piv) = Zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מֵחֻקִּי (mechukki), ‘meer dan mijn bestemde deel’: het deel dat voor mij is afgemeten, mijn dagelijks brood. Een oude lezing heeft ‘in mijn boezem’ (בְּחֵקִי): dan heeft Job Eloahs woorden in zijn boezem bewaard. Zo of zo: hij acht Eloahs woorden hoger dan zijn voedsel (vergelijk Deut. 8:3; Matt. 4:4). Zie ook: Deut 8:3; Ps 19:10–11; Ps 119:11; Ps 119:103; Jer 15:16; Mat 4:4; Joh 4:34 ### Eén is Hij, en wie kan Hem omkeren? **23:13** Maar Hij is één, en wie kan Hem omkeren? Wat Zijn ziel verlangt, dat doet Hij. Brontekst: וְה֣וּא (vehu) = en Hij | בְ֭אֶחָד (beechad) = is een (alleen) | וּמִ֣י (umi) = en wie | יְשִׁיבֶ֑נּוּ (yeshivenu) = kan Hem terugdraaien | וְנַפְשׁ֖וֹ (venafsho) = en Zijn ziel | אִוְּתָ֣ה (iveta) = verlangt | וַיָּֽעַשׂ (vayaas) = en Hij doet het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאֶחָד (be’echad), ‘in één’ of ‘eenstemmig’: Eloah is onveranderlijk in Zijn besluit. Niemand kan Hem van gedachten doen veranderen. Zie ook: Job 12:14; Ps 115:3; Spr 19:21; Jes 46:10; Dan 4:32 **23:14** Want Hij voltooit wat voor mij bepaald is, en zulke dingen zijn er veel bij Hem. Brontekst: כִּ֭י (ki) = want | יַשְׁלִ֣ים (yashlim) = Hij voltooit | חֻקִּ֑י (chuqi) = wat voor mij bepaald is | וְכָהֵ֖נָּה (vekhahena) = en dergelijke dingen | רַבּ֣וֹת (rabot) = veel | עִמּֽוֹ (imo) = bij Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 97:2; Jes 40:27–28; 1 Tess 3:3; 1 Tess 5:9; Rom 11:33 **23:15** Daarom ben ik voor Zijn gezicht verschrikt. Ik denk na en ben bang voor Hem. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֭ן (ken) = (zo) | מִפָּנָ֣יו (mipanav) = voor Zijn gezicht | אֶבָּהֵ֑ל (ebahel) = schrik ik | אֶ֝תְבּוֹנֵ֗ן (etbonen) = ik denk na | וְאֶפְחַ֥ד (veefchad) = en ik ben bang | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = voor Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:15; Job 31:23; Ps 77:4; Ps 119:120; Hab 3:16 **23:16** El heeft mijn hart week gemaakt, en Shaddai heeft mij doen schrikken. Brontekst: וְ֭אֵל (veel) = en El | הֵרַ֣ךְ (herakh) = heeft week gemaakt | לִבִּ֑י (libi) = mijn hart | וְ֝שַׁדַּ֗י (veshaday) = en Shaddai | הִבְהִילָֽנִי (hivhilani) = heeft mij doen schrikken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 27:2; Deut 20:3; Ps 22:15; Ps 88:17; Jes 6:5 **23:17** Want ik word niet tot zwijgen gebracht door de duisternis, door het donker dat Hij voor mijn gezicht heeft gelegd.” Brontekst: כִּֽי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | נִ֭צְמַתִּי (nitsmati) = ben ik tot zwijgen gebracht | מִפְּנֵי (mipenei) = door | חֹ֑שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וּ֝מִפָּנַ֗י (umipanay) = en door | כִּסָּה (kisa) = bedekt heeft | אֹֽפֶל (ofel) = donkerte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het slot van het vers is moeilijk. Wij begrijpen: Job wordt niet door de duisternis zelf gebroken, maar het is Eloah die deze duisternis voor zijn gezicht heeft gelegd. Anderen lezen: ‘Ik ben niet vernietigd door de duisternis, maar Hij heeft de duisternis van mijn gezicht niet bedekt.’ Zie ook: Job 18:6; Job 18:18; Job 19:8; 2 Kon 22:20; Jes 57:1 ## Job 24 _Waarom grijpt Shaddai niet in?_ ### Waarom zijn Zijn dagen niet zichtbaar? **24:1** „Waarom zijn tijden van oordeel niet door Shaddai opgespaard, en zien wie Hem kennen Zijn dagen niet? Brontekst: מַדּ֗וּעַ (madua) = waarom | מִ֭שַּׁדַּי (mishaday) = door Shaddai | לֹא (lo) = niet | נִצְפְּנ֣וּ (nitspenu) = zijn opgespaard | עִתִּ֑ים (itim) = tijden | וְ֝יֹדְעָ֗יו (veyodeav) = en Zijn kenners | לֹא (lo) = niet | חָ֥זוּ (chazu) = zien | יָמָֽיו (yamav) = Zijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job vraagt waarom Shaddai niet tijden van oordeel vastlegt die voor iedereen zichtbaar zijn. Wie Hem kennen, zien Zijn ‘dagen’ (dagen van afrekening) niet. Dit hoofdstuk beschrijft hoe de zwakken onderdrukt worden en Elohim lijkt te zwijgen. Zie ook: Pred 3:17; Pred 8:6–7; Mat 24:38; Hand 1:7; 2 Petr 3:7–8 **24:2** Mensen verleggen grenzen. Ze roven een kudde en weiden die. Brontekst: גְּבֻל֥וֹת (gevulot) = grenzen | יַשִּׂ֑יגוּ (yasigu) = verleggen ze | עֵ֥דֶר (eder) = kudde | גָּ֝זְל֗וּ (gazelu) = roven ze | וַיִּרְעֽוּ (vayiru) = en weiden die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Grenzen verleggen is in de wet verboden (Deut. 19:14; 27:17). Met dit voorbeeld begint Job zijn lijst van misdaden die ongestraft blijven. Zie ook: Deut 19:14; Deut 27:17; Spr 22:28; Spr 23:10; Hos 5:10 **24:3** De ezel van de wezen drijven ze weg, het rund van de weduwe nemen ze in pand. Brontekst: חֲמ֣וֹר (chamor) = ezel van | יְתוֹמִ֣ים (yetomim) = wezen | יִנְהָ֑גוּ (yinhagu) = drijven ze weg | יַ֝חְבְּל֗וּ (yachbelu) = nemen in pand | שׁ֣וֹר (shor) = rund van | אַלְמָנָֽה (almana) = een weduwe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:16–17; Deut 24:6; Deut 24:10–13; Deut 24:17–21; 1 Sam 12:3 **24:4** Ze duwen de behoeftigen van de weg, de armen van het land moeten zich samen verbergen. Brontekst: יַטּ֣וּ (yatu) = duwen weg | אֶבְיוֹנִ֣ים (evyonim) = behoeftigen | מִדָּ֑רֶךְ (midarekh) = van de weg | יַ֥חַד (yachad) = samen | חֻ֝בְּא֗וּ (chubeu) = verbergen zich | עֲנִיֵּי (aniyei) = armen van | אָֽרֶץ (arets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 24:14; Spr 28:12; Spr 28:28; Amos 2:7; Ezech 22:29 **24:5** Zie, als wilde ezels in de woestijn gaan ze eropuit bij hun werk, zoekend naar prooi. De steppe geeft brood voor hun jongens. Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | פְּרָאִ֨ים (peraim) = wilde ezels | בַּֽמִּדְבָּ֗ר (bamidbar) = in de woestijn | יָצְא֣וּ (yatseu) = gaan ze uit | בְּ֭פָעֳלָם (befaolam) = aan hun werk | מְשַׁחֲרֵ֣י (meshacharei) = zoekend | לַטָּ֑רֶף (lataref) = naar prooi | עֲרָבָ֥ה (arava) = de steppe | ל֥וֹ (lo) = voor hem | לֶ֝֗חֶם (lechem) = brood | לַנְּעָרִֽים (lanearim) = voor jongens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De armen die moeten rondzwerven om voedsel zijn als wilde ezels in de woestijn (vergelijk 39:5–8). Zie ook: Gen 16:12; Job 5:5; Job 39:5–7; Ps 104:23; Mi 2:1 **24:6** Op het veld oogsten ze het voer van een ander, en in de wijngaard van de goddeloze lezen ze na. Brontekst: בַּ֭שָּׂדֶה (basade) = op het veld | בְּלִיל֣וֹ (belilo) = zijn voer | יִקְצ֑וֹרוּ (yiqtsoru) = oogsten ze | וְכֶ֖רֶם (vekherem) = en wijngaard van | רָשָׁ֣ע (rasha) = een goddeloze | יְלַקֵּֽשׁוּ (yelaqeshu) = lezen ze na Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:33; Deut 28:51; Re 6:3–6; Mi 6:15 **24:7** Naakt brengen ze de nacht door, zonder kleding en zonder dekking in de kou. Brontekst: עָר֣וֹם (arom) = naakt | יָ֭לִינוּ (yalinu) = brengen ze de nacht door | מִבְּלִ֣י (mibeli) = zonder | לְב֑וּשׁ (levush) = kleding | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is er | כְּ֝ס֗וּת (kesut) = bedekking | בַּקָּרָֽה (baqara) = in de kou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:6; Job 24:10; Ex 22:25–26; Deut 24:11–13; Jes 58:7 **24:8** Door de stortregen van de bergen worden ze nat, en zonder schuilplaats omhelzen ze de rots. Brontekst: מִזֶּ֣רֶם (mizerem) = van de stortvloed van | הָרִ֣ים (harim) = bergen | יִרְטָ֑בוּ (yirtavu) = worden ze nat | וּֽמִבְּלִ֥י (umibeli) = en zonder | מַ֝חְסֶ֗ה (machse) = schuilplaats | חִבְּקוּ (chibequ) = omhelzen ze | צֽוּר (tsur) = rots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hoogl 5:2; Klaagl 4:5; Heb 11:38 **24:9** Ze rukken de wees van de borst en nemen pand van de arme. Brontekst: יִ֭גְזְלוּ (yigzelu) = ze roven | מִשֹּׁ֣ד (mishod) = van de borst | יָת֑וֹם (yatom) = een wees | וְֽעַל (veal) = en van | עָנִ֥י (ani) = de arme | יַחְבֹּֽלוּ (yachbolu) = nemen ze pand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 4:1; Neh 5:5 **24:10** Naakt lopen ze rond zonder kleding, en hongerig dragen ze de schoof. Brontekst: עָר֣וֹם (arom) = naakt | הִ֭לְּכוּ (hilekhu) = lopen ze | בְּלִ֣י (beli) = zonder | לְב֑וּשׁ (levush) = kleding | וּ֝רְעֵבִ֗ים (ureevim) = en hongerig | נָ֣שְׂאוּ (naseu) = dragen ze | עֹֽמֶר (omer) = schoof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 24:19; Amos 2:7–8; Amos 5:11–12 **24:11** Tussen hun rijen persen ze olie. Ze treden de persen en hebben dorst. Brontekst: בֵּין (bein) = tussen | שׁוּרֹתָ֥ם (shurotam) = hun rijen | יַצְהִ֑ירוּ (yatshiru) = persen ze olie | יְקָבִ֥ים (yeqavim) = persen | דָּ֝רְכ֗וּ (darekhu) = treden ze | וַיִּצְמָֽאוּ (vayitsmau) = en hebben dorst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 25:4; Jer 22:13; Jak 5:4 **24:12** Uit de stad kermen stervenden, en de ziel van gewonden roept om hulp. Maar Eloah rekent het niemand aan. Brontekst: מֵ֘עִ֤יר (meir) = uit de stad | מְתִ֨ים (metim) = stervenden | יִנְאָ֗קוּ (yinaqu) = kermen | וְנֶֽפֶשׁ (venefesh) = en de ziel van | חֲלָלִ֥ים (chalalim) = gewonden | תְּשַׁוֵּ֑עַ (teshavea) = schreeuwt om hulp | וֶ֝אֱל֗וֹהַּ (veeloha) = en Eloah | לֹא (lo) = niet | יָשִׂ֥ים (yasim) = schrijft toe | תִּפְלָֽה (tifla) = ongepastheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: תִפְלָה (tifla), ‘ongepastheid’ (zie 1:22), staat hier zonder duidelijke betekenis. Wij vertalen ‘Eloah rekent het niemand aan’. Sommige handschriften lezen תְּפִלָּה (tefilla), ‘gebed’: ‘Eloah let niet op hun gebed’. Zie ook: Ps 50:21; Pred 4:1; Mal 2:17; Mal 3:15; Rom 2:4–5 ### De misdadigers van het donker **24:13** Dezen horen bij de opstandigen tegen het licht. Ze kennen Zijn wegen niet en blijven niet op Zijn paden. Brontekst: הֵ֤מָּה (hema) = zij | הָיוּ֮ (hayu) = behoren | בְּֽמֹרְדֵ֫י (bemoredei) = tot de opstandigen van | א֥וֹר (or) = licht | לֹֽא (lo) = niet | הִכִּ֥ירוּ (hikiru) = kennen | דְרָכָ֑יו (derakhav) = Zijn wegen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָ֝שְׁב֗וּ (yashevu) = blijven | בִּנְתִיבֹתָֽיו (bintivotav) = op Zijn paden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 13–17 beschrijven de misdadigers van het donker: moordenaars, overspeligen en inbrekers die het licht schuwen. Sommige uitleggers zien vers 18–24 als een uitspraak van een vriend, omdat de inhoud het standpunt van de vrienden volgt (de zondaar gaat ten onder). Wij laten alles bij Job, zoals de Masoretische tekst het presenteert. Zie ook: Spr 4:19; Joh 3:19–20; 2 Tess 2:10–12; 2 Petr 2:20–22; Jud 1:6 **24:14** Bij het eerste licht staat de moordenaar op. Hij doodt de arme en de behoeftige, en in de nacht is hij als een dief. Brontekst: לָא֡וֹר (laor) = bij het licht | יָ֘ק֤וּם (yaqum) = staat op | רוֹצֵ֗חַ (rotseach) = een moordenaar | יִֽקְטָל (yiqtal) = doodt | עָנִ֥י (ani) = de arme | וְאֶבְי֑וֹן (veevyon) = en de behoeftige | וּ֝בַלַּ֗יְלָה (uvalayla) = en in de nacht | יְהִ֣י (yehi) = is hij | כַגַּנָּֽב (kaganav) = als een dief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 10:8–10; Mi 2:1–2; 1 Tess 5:2; Ef 5:7–11; Openb 3:3 **24:15** Het oog van de overspelige wacht op de schemering en zegt: ‘Geen oog zal mij zien.’ En hij legt een sluier over zijn gezicht. Brontekst: וְעֵ֤ין (veein) = en het oog van | נֹאֵ֨ף (noef) = een overspelige | שָׁ֤מְרָֽה (shamera) = wacht op | נֶ֣שֶׁף (neshef) = de schemering | לֵ֭אמֹר (lemor) = zeggend | לֹא (lo) = niet | תְשׁוּרֵ֣נִי (teshureni) = ziet mij | עָ֑יִן (ayin) = oog | וְסֵ֖תֶר (veseter) = en een sluier | פָּנִ֣ים (panim) = gezicht | יָשִֽׂים (yasim) = legt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het oog van de overspelige wacht op de schemering: hij verbergt zich en denkt dat niemand hem ziet. Vergelijk Spr. 7:9. Zie ook: Ps 10:11; Spr 6:32–35; Spr 7:9–10; Ezech 8:12; Ezech 9:9 **24:16** In het donker breken ze in huizen in, overdag sluiten ze zich op. Ze kennen het licht niet. Brontekst: חָתַ֥ר (chatar) = hij breekt in | בַּחֹ֗שֶׁךְ (bachoshekh) = in het donker | בָּ֫תִּ֥ים (batim) = huizen | יוֹמָ֥ם (yomam) = overdag | חִתְּמוּ (chitemu) = sluiten zich op | לָ֗מוֹ (lamo) = voor zichzelf | לֹא (lo) = niet | יָ֥דְעוּ (yadeu) = kennen ze | אֽוֹר (or) = licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 24:13; Ex 22:1–2; Ezech 12:5–7; Joh 3:20; Ef 5:11–13 **24:17** Want voor hen allen is de morgen diepe schaduw. Ze zijn vertrouwd met de verschrikkingen van de diepe schaduw. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | יַחְדָּ֨ו (yachdav) = samen | בֹּ֣קֶר (boqer) = morgen | לָ֣מוֹ (lamo) = voor hen | צַלְמָ֑וֶת (tsalmavet) = diepe schaduw | כִּֽי (ki) = want | יַ֝כִּ֗יר (yakir) = ze zijn vertrouwd met | בַּלְה֥וֹת (balhot) = verschrikkingen van | צַלְמָֽוֶת (tsalmavet) = diepe schaduw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:5; Ps 73:18–19; Jer 2:26; 2 Kor 5:10–11; Openb 6:16–17 ### Het lot van de zondaar **24:18** Snel is hij op het water. Vervloekt is hun akker op de aarde. Hij slaat de weg van de wijngaarden niet in. Brontekst: קַֽל (qal) = snel | ה֤וּא (hu) = hij | עַל (al) = op | פְּנֵי (penei) = oppervlak van | מַ֗יִם (mayim) = water | תְּקֻלַּ֣ל (tequlal) = vervloekt wordt | חֶלְקָתָ֣ם (chelqatam) = hun akker | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = op aarde | לֹֽא (lo) = niet | יִ֝פְנֶה (yifne) = slaat hij in | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | כְּרָמִֽים (keramim) = wijngaarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:26; Job 22:16; Ps 58:8; Ps 69:23; Spr 3:33 **24:19** Droogte en hitte roven het sneeuwwater weg. Het dodenrijk doet dat met zondaars. Brontekst: צִיָּ֤ה (tsiya) = droogte | גַם (gam) = en ook | חֹ֗ם (chom) = hitte | יִגְזְל֥וּ (yigzelu) = roven | מֵֽימֵי (meimei) = water van | שֶׁ֗לֶג (sheleg) = sneeuw | שְׁא֣וֹל (sheol) = het dodenrijk | חָטָֽאוּ (chatau) = zondaars Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Net als sneeuwwater door hitte wordt opgeslokt, neemt de dood de zondaar weg. Dit is wat de vrienden zouden zeggen. Zie ook: Job 21:13; Ps 49:15; Ps 68:3; Spr 14:32; Luc 16:22 **24:20** De moederschoot vergeet hem, de made vindt hem zoet. Hij wordt niet meer herinnerd. Zo wordt onrecht gebroken als een boom. Brontekst: יִשְׁכָּ֘חֵ֤הוּ (yishkachehu) = vergeet hem | רֶ֨חֶם (rechem) = schoot | מְתָ֘ק֤וֹ (metaqo) = vindt zoet | רִמָּ֗ה (rima) = de made | ע֥וֹד (od) = meer | לֹֽא (lo) = niet | יִזָּכֵ֑ר (yizakher) = wordt hij herinnerd | וַתִּשָּׁבֵ֖ר (vatishaver) = en wordt gebroken | כָּעֵ֣ץ (kaets) = als een boom | עַוְלָֽה (avla) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 14:7–10; Job 18:16–17; Spr 10:7; Jes 26:14; Dan 4:11 **24:21** Hij graast op de onvruchtbare die niet baart, en aan de weduwe doet hij geen goed. Brontekst: רֹעֶ֣ה (roe) = hij graast op | עֲ֭קָרָה (aqara) = een onvruchtbare | לֹ֣א (lo) = niet | תֵלֵ֑ד (teled) = die baart | וְ֝אַלְמָנָ֗ה (vealmana) = en aan een weduwe | לֹ֣א (lo) = niet | יְיֵטִֽיב (yeyetiv) = doet hij goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:9; Job 24:3; Job 29:13; Job 31:16–18; 1 Sam 1:6–7 **24:22** Maar Hij trekt de machtigen weg met Zijn kracht. Ze staan op, maar vertrouwen niet op hun leven. Brontekst: וּמָשַׁ֣ךְ (umashakh) = en Hij trekt weg | אַבִּירִ֣ים (abirim) = machtigen | בְּכֹח֑וֹ (bekhocho) = met Zijn kracht | יָ֝ק֗וּם (yaqum) = staat op | וְֽלֹא (velo) = en niet | יַאֲמִ֥ין (yaamin) = vertrouwt | בַּֽחַיִּֽין (bachayin) = op het leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Dan 6:5–10; Est 3:8–10; Joh 19:12–16; Openb 16:13–14; Openb 17:2 **24:23** Hij geeft hun zekerheid en ze steunen erop. Maar Zijn ogen zijn op hun wegen. Brontekst: יִתֶּן (yiten) = Hij geeft | ל֣וֹ (lo) = hun | לָ֭בֶטַח (lavetach) = zekerheid | וְיִשָּׁעֵ֑ן (veyishaen) = en ze steunen | וְ֝עֵינֵ֗יהוּ (veeineihu) = en Zijn ogen | עַל (al) = op | דַּרְכֵיהֶֽם (darkheihem) = hun wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 23–24 zeggen: ook als de machtigen veilig lijken, zijn Zijn ogen op hun wegen. Zij worden uiteindelijk neergedrukt, ‘afgesneden als de top van een aar’. Zie ook: Ps 11:4–5; Spr 15:3; Pred 5:7; 1 Tess 5:3; Openb 2:23 **24:24** Even zijn ze verheven en dan zijn ze er niet meer. Ze worden neergedrukt als alle anderen, afgesneden als de top van een aar. Brontekst: ר֤וֹמּוּ (romu) = verheven zijn ze | מְּעַ֨ט (meat) = een weinig | וְֽאֵינֶ֗נּוּ (veeinenu) = en ze zijn er niet | וְֽהֻמְּכ֗וּ (vehumekhu) = en ze worden neergedrukt | כַּכֹּ֥ל (kakol) = als alle (anderen) | יִקָּפְצ֑וּן (yiqafetsun) = ze worden gesloten | וּכְרֹ֖אשׁ (ukherosh) = en als top van | שִׁבֹּ֣לֶת (shibolet) = aar | יִמָּֽלוּ (yimalu) = worden ze afgesneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:10; Ps 37:35–36; Ps 92:8; Jak 1:11; Jak 5:1–3 **24:25** Als het niet zo is, wie zal mij dan van leugen beschuldigen en mijn woord tot niets maken?” Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | לֹ֣א (lo) = niet | אֵ֭פוֹ (efo) = dan | מִ֣י (mi) = wie | יַכְזִיבֵ֑נִי (yakhziveni) = zal mij van leugen betichten | וְיָשֵׂ֥ם (veyasem) = en maken | לְ֝אַ֗ל (leal) = tot niets | מִלָּתִֽי (milati) = mijn woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job daagt zijn vrienden uit: als wat hij zegt niet klopt, laat hen het dan weerleggen. Zie ook: Job 6:28; Job 9:24; Job 11:2–3; Job 15:2; Job 27:4 ## Job 25 _Bildad: hoe kan een mens rechtvaardig zijn?_ ### Bildad: Hij sticht vrede in Zijn hoogten **25:1** Bildad uit Sjuach nam het woord en zei: Brontekst: וַ֭יַּעַן (vayaan) = en antwoordde | בִּלְדַּ֥ד (bildad) = Bildad | הַשֻּׁחִ֗י (hashuchi) = de Sjuchiet | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sjuach: De ligging van Sjuach is onzeker; vermoedelijk lag het in het oosten, bij de middenloop van de Eufraat. Voetnoot Uitleg: Dit is de kortste redevoering van het boek. Bildad heeft niets nieuws te zeggen en herhaalt wat Elifaz in 4:17–19 en 15:14–16 al zei. Daarna zwijgen de vrienden: Job heeft hen met zijn antwoorden de mond gesnoerd. **25:2** „Heerschappij en ontzag zijn bij Hem. Hij sticht vrede in Zijn hoogten. Brontekst: הַמְשֵׁ֣ל (hamshel) = heerschappij | וָפַ֣חַד (vafachad) = en ontzag | עִמּ֑וֹ (imo) = bij Hem | עֹשֶׂ֥ה (ose) = Hij die maakt | שָׁ֝ל֗וֹם (shalom) = vrede | בִּמְרוֹמָֽיו (bimromav) = in Zijn hoogten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 26:5–14; 1 Kron 29:11–12; Ef 2:16–17; Kol 1:20; Openb 6:16 **25:3** Is er een getal aan Zijn legers? Over wie gaat Zijn licht niet op? Brontekst: הֲיֵ֣שׁ (hayesh) = is er | מִ֭סְפָּר (mispar) = getal | לִגְדוּדָ֑יו (ligdudav) = voor Zijn legers | וְעַל (veal) = en over | מִ֝֗י (mi) = wie | לֹא (lo) = niet | יָק֥וּם (yaqum) = gaat op | אוֹרֵֽהוּ (orehu) = Zijn licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּדוּדָיו (gedudav), ‘Zijn legers’, zijn de hemelse heerscharen. Zijn licht gaat over allen op: niemand ontkomt aan Zijn blik. Zie ook: Gen 1:3–5; Ps 103:20–21; Dan 7:10; Mat 5:45; Jak 1:17 **25:4** Hoe kan een mens rechtvaardig zijn bij El? Hoe kan wie uit een vrouw geboren is zuiver zijn? Brontekst: וּמַה (uma) = en hoe | יִּצְדַּ֣ק (yitsdaq) = is rechtvaardig | אֱנ֣וֹשׁ (enosh) = een mens | עִם (im) = bij | אֵ֑ל (el) = El | וּמַה (uma) = en hoe | יִּ֝זְכֶּ֗ה (yizke) = is zuiver | יְל֣וּד (yelud) = geboren van | אִשָּֽׁה (isha) = een vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:17–19; Job 9:2; Job 15:14–16; Ps 130:3; Rom 5:1 **25:5** Zie, zelfs de maan schijnt niet helder, en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | עַד (ad) = zelfs | יָ֭רֵחַ (yareach) = maan | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַאֲהִ֑יל (yaahil) = schijnt helder | וְ֝כוֹכָבִ֗ים (vekhokhavim) = en sterren | לֹא (lo) = niet | זַכּ֥וּ (zaku) = zijn zuiver | בְעֵינָֽיו (beeinav) = in Zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zelfs de maan en de sterren, die voor ons zo helder zijn, schijnen niet helder genoeg naast Elohim. Zo beschrijft Bildad Zijn verhevenheid. Zie ook: Job 15:15; Job 31:26; Jes 24:23; Jes 60:19–20; 2 Kor 3:10 **25:6** Hoeveel minder de mens, een made, en de mensenzoon, een worm.” Brontekst: אַ֭ף (af) = hoeveel | כִּֽי (ki) = te minder | אֱנ֣וֹשׁ (enosh) = een mens | רִמָּ֑ה (rima) = een made | וּבֶן (uven) = en zoon van | אָ֝דָ֗ם (adam) = mens | תּוֹלֵעָֽה (tolea) = een worm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִמָּה (rimmah), ‘made’, en תּוֹלֵעָה (tola’ah), ‘worm’, zijn beelden van het kleine en vergankelijke. Vergelijk Ps. 22:7 (‘ik ben een worm en geen man’) en Jes. 41:14. Zie ook: Gen 18:27; Job 4:19; Job 7:17; Ps 22:7; Ps 22:8; Jes 41:14 ## Job 26 _Job over de macht van Eloah_ ### Hoe heb je geholpen! **26:1** Job antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **26:2** „Hoe heb je de krachteloze geholpen, de arm zonder sterkte gered! Brontekst: מֶה (me) = hoe | עָזַ֥רְתָּ (azarta) = heb je geholpen | לְלֹא (lelo) = wie zonder | כֹ֑חַ (koach) = kracht | ה֝וֹשַׁ֗עְתָּ (hoshata) = gered | זְר֣וֹעַ (zeroa) = een arm | לֹא (lo) = zonder | עֹֽז (oz) = sterkte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job is sarcastisch: wat een hulp hebben jullie mij geboden, aan mij die zonder kracht ben! Vers 2–4 spreken Bildad persoonlijk aan, die in hoofdstuk 25 niets nieuws bracht. Zie ook: Job 4:3–4; Job 12:2; 1 Kon 18:27; Jes 35:3–4; Jes 41:5–7 **26:3** Hoe heb je de onwijze geadviseerd en inzicht in overvloed bekendgemaakt! Brontekst: מַה (ma) = hoe | יָּ֭עַצְתָּ (yaatsta) = heb je geadviseerd | לְלֹ֣א (lelo) = wie zonder | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְ֝תוּשִׁיָּ֗ה (vetushiya) = en inzicht | לָרֹ֥ב (larov) = in overvloed | הוֹדָֽעְתָּ (hodata) = bekendgemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:3; Job 13:5; Job 38:2; Ps 49:2–5; Hand 20:27 **26:4** Aan wie heb je deze woorden gericht, en wiens adem kwam uit jou voort? Brontekst: אֶת (et) = aan | מִ֭י (mi) = wie | הִגַּ֣דְתָּ (higadta) = heb je meegedeeld | מִלִּ֑ין (milin) = woorden | וְנִשְׁמַת (venishmat) = en adem van | מִ֝י (mi) = wie | יָצְאָ֥ה (yatsea) = kwam uit | מִמֶּֽךָּ (mimeka) = van jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:3; Job 32:18; 1 Kon 22:23–24; 1 Kor 12:3; 1 Joh 4:1–3 ### De macht van Eloah **26:5** De schimmen beven onder de wateren en hun bewoners. Brontekst: הָרְפָאִ֥ים (harefaim) = de schimmen | יְחוֹלָ֑לוּ (yecholalu) = beven | מִתַּ֥חַת (mitachat) = onder | מַ֝֗יִם (mayim) = wateren | וְשֹׁכְנֵיהֶֽם (veshokheneihem) = en hun bewoners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְפָאִים (refa’im) zijn de schimmen van de doden in het dodenrijk (Jes. 14:9; Ps. 88:11). Ook zij beven voor Elohim. Zie ook: Gen 6:4; Job 40:25–41:26; Ps 88:11; Ps 88:12; Ps 104:25–26; Jes 14:9; Ezech 29:3–5 **26:6** Naakt ligt het dodenrijk voor Hem open, en de Afgrond heeft geen bedekking. Brontekst: עָר֣וֹם (arom) = naakt | שְׁא֣וֹל (sheol) = het dodenrijk | נֶגְדּ֑וֹ (negdo) = voor Hem | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is er | כְּ֝ס֗וּת (kesut) = bedekking | לָֽאֲבַדּֽוֹן (laavadon) = voor de Afgrond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲבַדּוֹן (Avaddon), ‘de Afgrond’ of ‘Verderf’, is een andere naam voor het dodenrijk (28:22; Ps. 88:12; Spr. 15:11). Vergelijk Openb. 9:11. Zie ook: Job 28:22; Ps 88:13; Ps 139:8; Spr 15:11; Amos 9:2; Heb 4:13; Openb 9:11 **26:7** Hij spant het noorden uit over de leegte en hangt de aarde op aan niets. Brontekst: נֹטֶ֣ה (note) = Hij die uitspant | צָפ֣וֹן (tsafon) = het noorden | עַל (al) = over | תֹּ֑הוּ (tohu) = leegte | תֹּ֥לֶה (tole) = hangt op | אֶ֝֗רֶץ (erets) = aarde | עַל (al) = aan | בְּלִי (beli) = niets | מָֽה (ma) = zonder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָפוֹן (tsafon), ‘het noorden’, is de noordelijke hemel; vergelijk Ps. 48:3. De aarde die ‘aan niets hangt’ is een opmerkelijk beeld: zij rust niet op een fundament, maar op Zijn macht. Zie ook: Job 9:8; Ps 24:2; Ps 48:4; Ps 104:2–5; Jes 40:22; Jes 42:5 **26:8** Hij bindt de wateren in Zijn wolken, en de wolk scheurt er niet onder. Brontekst: צֹרֵֽר (tsorer) = bindt | מַ֥יִם (mayim) = wateren | בְּעָבָ֑יו (beavav) = in Zijn wolken | וְלֹא (velo) = en niet | נִבְקַ֖ע (nivqa) = scheurt | עָנָ֣ן (anan) = wolk | תַּחְתָּֽם (tachtam) = onder hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:11–16; Job 38:37; Spr 30:4; Jes 5:6; Jer 10:13 **26:9** Hij bedekt het aanzicht van de troon en spreidt Zijn wolk erover uit. Brontekst: מְאַחֵ֥ז (meachez) = bedekt | פְּנֵי (penei) = aanzicht van | כִסֵּ֑ה (kise) = de troon | פַּרְשֵׁ֖ז (parshez) = spreidt uit | עָלָ֣יו (alav) = erover | עֲנָנֽוֹ (anano) = Zijn wolk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מְאַחֵז פְּנֵי־כִסֵּה (me’achez pene-chisse), ‘Hij bedekt het aanzicht van de troon’: sommigen lezen ‘de volle maan’ (כֶּסֶא, keseh) in plaats van ‘troon’ (כִּסֵּא, kisse). Wij volgen de Masoretische klinkers. Zie ook: Job 22:14; Ex 20:21; Ex 34:3; Ps 97:2; Hab 3:3–5 **26:10** Een grens heeft Hij getrokken over het water, tot waar licht en duisternis eindigen. Brontekst: חֹֽק (choq) = een grens | חָ֭ג (chag) = heeft Hij getrokken | עַל (al) = over | פְּנֵי (penei) = oppervlak van | מָ֑יִם (mayim) = water | עַד (ad) = tot | תַּכְלִ֖ית (takhlit) = einde van | א֣וֹר (or) = licht | עִם (im) = met | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een grens trekken over het water: dit is het beeld van het uitgespannen hemelgewelf dat de oceaan omsluit, op de horizon waar licht en duisternis elkaar ontmoeten (vergelijk Spr. 8:27). Zie ook: Job 38:8–11; Ps 33:7; Spr 8:27; Spr 8:29; Jes 54:9–10; Jer 5:22 **26:11** De pilaren van de hemel wankelen en staan verbaasd bij Zijn dreiging. Brontekst: עַמּוּדֵ֣י (amudei) = pilaren van | שָׁמַ֣יִם (shamayim) = hemel | יְרוֹפָ֑פוּ (yerofafu) = wankelen | וְ֝יִתְמְה֗וּ (veyitmehu) = en staan verbaasd | מִגַּעֲרָתֽוֹ (migaarato) = bij Zijn dreiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:15; 1 Sam 2:8; Ps 18:8; Hag 2:21; Heb 12:26–27 **26:12** Met Zijn kracht heeft Hij de zee bedaard, met Zijn inzicht Rahab verbrijzeld. Brontekst: בְּ֭כֹחוֹ (bekhocho) = met Zijn kracht | רָגַ֣ע (raga) = bedaarde | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | וּ֝בִתְבוּנָת֗וֹ (uvitvunato) = en met Zijn inzicht | מָ֣חַץ (machats) = verbrijzelde | רָֽהַב (rahav) = Rahab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַהַב (Rahav), ‘Rahab’, het zeemonster dat de chaos voorstelt (zie 9:13). Hier heeft Elohim hem verslagen. Zie ook: Job 9:13; Job 12:13; Jes 51:9; Jes 51:15; Jer 31:35 **26:13** Door Zijn adem is de hemel helder. Zijn hand doorboorde de vluchtende slang. Brontekst: בְּ֭רוּחוֹ (berucho) = door Zijn adem | שָׁמַ֣יִם (shamayim) = hemel | שִׁפְרָ֑ה (shifra) = is helder | חֹֽלֲלָ֥ה (cholala) = doorboorde | יָ֝ד֗וֹ (yado) = Zijn hand | נָחָ֥שׁ (nachash) = slang | בָּרִֽיחַ (bariach) = vluchtende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָחָשׁ בָּרִחַ (nachash bariach), ‘vluchtende slang’, is Leviatan (3:8; Jes. 27:1). Dit zijn de chaosmonsters waarover Elohim heerst. Zie ook: Gen 1:2; Ps 33:6–7; Ps 74:13–14; Ps 104:30; Jes 27:1 **26:14** Zie, dit zijn slechts de randen van Zijn wegen. Wat een fluistering van een woord horen wij van Hem! En de donder van Zijn krachten, wie begrijpt die?” Brontekst: הֶן (hen) = zie | אֵ֤לֶּה (ele) = dit | קְצ֬וֹת (qetsot) = randen van | דְּרָכָ֗יו (derakhav) = Zijn wegen | וּמַה (uma) = en wat | שֵּׁ֣מֶץ (shemets) = fluistering van | דָּ֭בָר (davar) = woord | נִשְׁמַע (nishma) = horen wij | בּ֑וֹ (bo) = van Hem | וְרַ֥עַם (veraam) = en donder van | גְּ֝בוּרוֹתָ֗יו (gevurotav) = Zijn krachten | מִ֣י (mi) = wie | יִתְבּוֹנָֽן (yitbonan) = begrijpt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job eindigt met nederigheid: alles wat wij van Hem zien en horen, is maar een fluistering. De volle donder van Zijn macht begrijpt niemand. Zie ook: Job 11:7–9; Ps 139:6; Ps 145:3; Jes 40:26–29; Rom 11:33 ## Job 27 _Job houdt vast aan zijn onschuld_ ### Ik laat mijn onberispelijkheid niet los **27:1** Job vervolgde zijn gedicht en zei: Brontekst: וַיֹּ֣סֶף (vayosef) = en voegde toe | אִ֭יּוֹב (iyov) = Job | שְׂאֵ֥ת (seet) = om op te heffen | מְשָׁל֗וֹ (meshalo) = zijn gedicht | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָשָׁל (mashal) is hier ‘gedicht’ of ‘redevoering’. Job spreekt verder; niemand reageert, want de vrienden zwijgen. Zie ook: Job 29:1; Num 23:7; Num 24:3; Num 24:15; Spr 26:7 **27:2** „Zo waar El leeft, die mijn recht heeft weggenomen, en Shaddai, die mijn ziel bitter heeft gemaakt, Brontekst: חַי (chay) = zo waar leeft | אֵ֭ל (el) = El | הֵסִ֣יר (hesir) = die wegnam | מִשְׁפָּטִ֑י (mishpati) = mijn recht | וְ֝שַׁדַּ֗י (veshaday) = en Shaddai | הֵמַ֥ר (hemar) = die bitter maakte | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job zweert bij El, ook al zegt hij dat El zijn recht heeft weggenomen. Dat is typisch voor het boek: Job wijst Elohim niet af, ook niet in zijn klacht. Zie ook: Job 34:5; Num 14:21; 1 Sam 14:45; 1 Kon 18:15; 2 Kon 4:27 **27:3** zolang mijn adem in mij is en de geest van Eloah in mijn neus, Brontekst: כִּֽי (ki) = dat | כָל (kal) = heel | ע֣וֹד (od) = zolang | נִשְׁמָתִ֣י (nishmati) = mijn adem | בִ֑י (bi) = in mij | וְר֖וּחַ (veruach) = en geest van | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | בְּאַפִּֽי (beapi) = in mijn neus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁמָתִי (nishmati), ‘mijn adem’, en רוּחַ אֱלוֹהַּ (ruach Eloah), ‘de geest van Eloah’: de levensadem die Elohim aan de mens gaf (Gen. 2:7). Zie ook: Gen 2:7; Job 32:8; Job 33:4; Jes 2:22; Hand 17:25 **27:4** mijn lippen spreken geen onrecht en mijn tong uit geen bedrog. Brontekst: אִם (im) = indien | תְּדַבֵּ֣רְנָה (tedaberena) = spreken | שְׂפָתַ֣י (sefatay) = mijn lippen | עַוְלָ֑ה (avla) = onrecht | וּ֝לְשׁוֹנִ֗י (uleshoni) = en mijn tong | אִם (im) = indien | יֶהְגֶּ֥ה (yehge) = uit | רְמִיָּֽה (remiya) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:28; Job 13:7; Job 34:6; Joh 8:55; 2 Kor 11:10 **27:5** Het zij verre van mij dat ik jullie gelijk geef. Tot ik sterf, laat ik mijn onberispelijkheid niet los. Brontekst: חָלִ֣ילָה (chalila) = het zij verre | לִּי֮ (li) = van mij | אִם (im) = dat | אַצְדִּ֪יק (atsdiq) = ik gelijk geef | אֶ֫תְכֶ֥ם (etkhem) = aan jullie | עַד (ad) = tot | אֶגְוָ֑ע (egva) = ik sterf | לֹא (lo) = niet | אָסִ֖יר (asir) = zal ik wegnemen | תֻּמָּתִ֣י (tumati) = mijn onberispelijkheid | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job blijft zijn onberispelijkheid (תֻּמָּה, tummah) vasthouden tot zijn dood. Dat was ook de getuigenis van Yahweh in 2:3 en wordt door zijn vrouw tegengesproken (2:9). Zie ook: Job 2:9; Job 13:15; Job 29:14; Job 42:7; Spr 17:15 **27:6** Aan mijn gerechtigheid houd ik vast en ik laat haar niet los. Mijn hart zal mij mijn dagen niet verwijten. Brontekst: בְּצִדְקָתִ֣י (betsidqati) = aan mijn gerechtigheid | הֶ֭חֱזַקְתִּי (hechezaqti) = houd ik vast | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אַרְפֶּ֑הָ (arpeha) = laat ik los | לֹֽא (lo) = niet | יֶחֱרַ֥ף (yecheraf) = zal verwijten | לְ֝בָבִ֗י (levavi) = mijn hart | מִיָּמָֽי (miyamay) = voor mijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 2:3; Spr 4:13; Hand 24:16; 2 Kor 12:11; 1 Joh 3:20–21 **27:7** Mijn vijand zij als de goddeloze, en wie tegen mij opstaat als de onrechtvaardige. Brontekst: יְהִ֣י (yehi) = zij | כְ֭רָשָׁע (kerasha) = als de goddeloze | אֹ֣יְבִ֑י (oyevi) = mijn vijand | וּמִתְקוֹמְמִ֥י (umitqomemi) = en wie tegen mij opstaat | כְעַוָּֽל (keaval) = als de onrechtvaardige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 25:26; 2 Sam 18:32; Dan 4:16 **27:8** Want wat is de hoop van de goddeloze als hij winst maakt, als Eloah zijn ziel wegtrekt? Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מַה (ma) = wat | תִּקְוַ֣ת (tiqvat) = hoop van | חָ֭נֵף (chanef) = de goddeloze | כִּ֣י (ki) = wanneer | יִבְצָ֑ע (yivtsa) = hij winst maakt | כִּ֤י (ki) = wanneer | יֵ֖שֶׁל (yeshel) = Hij wegtrekt | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:13; Job 11:20; Job 20:5; Mat 16:26; Luc 12:20–21 **27:9** Zal El zijn geschreeuw horen als er nood over hem komt? Brontekst: הַֽ֭צַעֲקָתוֹ (hatsaaqato) = zijn geschreeuw? | יִשְׁמַ֥ע (yishma) = hoort | אֵ֑ל (el) = El | כִּֽי (ki) = als | תָב֖וֹא (tavo) = komt | עָלָ֣יו (alav) = over hem | צָרָֽה (tsara) = nood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:42; Spr 1:28; Jes 1:15; Mi 3:4; Jer 14:12 **27:10** Of zal hij zich verlustigen in Shaddai en Eloah altijd aanroepen? Brontekst: אִם (im) = of | עַל (al) = in | שַׁדַּ֥י (shaday) = Shaddai | יִתְעַנָּ֑ג (yitanag) = zal hij zich verlustigen | יִקְרָ֖א (yiqra) = zal hij aanroepen | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | בְּכָל (bekhal) = op elk | עֵֽת (et) = moment Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:26–27; Ps 37:4; Ps 78:34–36; Hab 3:18; 1 Tess 5:17 ### Het deel van de goddeloze **27:11** Ik zal jullie onderwijzen over de hand van El. Wat bij Shaddai is, verberg ik niet. Brontekst: אוֹרֶ֣ה (ore) = ik zal onderwijzen | אֶתְכֶ֣ם (etkhem) = jullie | בְּיַד (beyad) = over de hand van | אֵ֑ל (el) = El | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עִם (im) = bij | שַׁ֝דַּ֗י (shaday) = Shaddai is | לֹ֣א (lo) = niet | אֲכַחֵֽד (akhached) = verberg ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf vers 11 klinkt Job als zijn vrienden: de goddeloze krijgt een slecht einde. Sommige uitleggers zien hier daarom de woorden van Zofar, omdat Job in hoofdstuk 21 het tegendeel zei. Het is ook mogelijk dat Job zijn vrienden hier citeert of dat hij zegt: ook ik weet dat de goddeloze uiteindelijk ten onder gaat, maar jullie passen het verkeerd toe. Wij laten het bij Job, zoals de Masoretische tekst het geeft. Zie ook: Job 4:3–4; Job 6:10; Deut 4:5; Ps 71:17; Jes 8:11 **27:12** Zie, jullie allen hebben het gezien. Waarom dan zo nietig praten? Brontekst: הֵן (hen) = zie | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | כֻּלְּכֶ֣ם (kulekhem) = allen | חֲזִיתֶ֑ם (chazitem) = hebben gezien | וְלָמָּה (velama) = en waarom | זֶּ֝֗ה (ze) = dan | הֶ֣בֶל (hevel) = nietigheid | תֶּהְבָּֽלוּ (tehbalu) = praat jullie nietig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:3; Job 19:2–3; Job 21:3; Job 21:28–30; Pred 9:1–3 **27:13** Dit is het deel van de goddeloze mens bij El, en het erfdeel dat tirannen van Shaddai ontvangen: Brontekst: זֶ֤ה (ze) = dit | חֵֽלֶק (cheleq) = deel van | אָדָ֖ם (adam) = een mens | רָשָׁ֥ע (rasha) = goddeloze | עִם (im) = bij | אֵ֑ל (el) = El | וְֽנַחֲלַ֥ת (venachalat) = en erfdeel van | עָ֝רִיצִ֗ים (aritsim) = tirannen | מִשַּׁדַּ֥י (mishaday) = van Shaddai | יִקָּֽחוּ (yiqachu) = ontvangen ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit herhaalt bijna letterlijk de slotzin van Zofar (20:29), met ‘bij El’ in plaats van ‘van Elohim’. Zie ook: Job 15:20–35; Job 20:19–29; Ps 12:6; Jes 3:11; 2 Petr 2:9 **27:14** Als zijn zonen talrijk worden, is het voor het zwaard, en zijn nageslacht heeft niet genoeg brood. Brontekst: אִם (im) = indien | יִרְבּ֣וּ (yirbu) = zich vermenigvuldigen | בָנָ֣יו (banav) = zijn zonen | לְמוֹ (lemo) = voor | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | וְ֝צֶאֱצָאָ֗יו (vetseetsaav) = en zijn nageslacht | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׂבְּעוּ (yisbeu) = worden verzadigd | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:10; Deut 28:41; Ps 109:13; Est 5:11; Luc 23:29 **27:15** Wie van hem overblijft, wordt in de dood begraven, en zijn weduwen wenen niet. Brontekst: שְׂ֭רִידָיו (seridav) = zijn overlevenden | בַּמָּ֣וֶת (bamavet) = in de dood | יִקָּבֵ֑רוּ (yiqaveru) = worden begraven | וְ֝אַלְמְנֹתָ֗יו (vealmenotav) = en zijn weduwen | לֹ֣א (lo) = niet | תִבְכֶּֽינָה (tivkeina) = wenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 78:64; 1 Kon 14:10–11; 1 Kon 16:3–4; 1 Kon 21:21–24; Jer 22:18 **27:16** Als hij zilver ophoopt als stof en kleding klaarmaakt als klei, Brontekst: אִם (im) = indien | יִצְבֹּ֣ר (yitsbor) = hij ophoopt | כֶּעָפָ֣ר (keafar) = als stof | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וְ֝כַחֹ֗מֶר (vekhachomer) = en als klei | יָכִ֥ין (yakhin) = hij klaarmaakt | מַלְבּֽוּשׁ (malbush) = kleding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:24; Hab 2:6; Zach 9:3; Mat 6:19; Jak 5:2 **27:17** dan maakt hij het klaar, maar een rechtvaardige kleedt zich ermee, en het zilver verdeelt de onschuldige. Brontekst: יָ֭כִין (yakhin) = hij maakt klaar | וְצַדִּ֣יק (vetsadiq) = maar een rechtvaardige | יִלְבָּ֑שׁ (yilbash) = kleedt zich | וְ֝כֶ֗סֶף (vekhesef) = en zilver | נָקִ֥י (naqi) = de onschuldige | יַחֲלֹֽק (yachaloq) = verdeelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 13:22; Spr 28:8; Pred 2:26 **27:18** Hij bouwt zijn huis als een mot, en als een hut die een wachter maakt. Brontekst: בָּנָ֣ה (bana) = hij bouwde | כָעָ֣שׁ (kaash) = als een mot | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וּ֝כְסֻכָּ֗ה (ukhesuka) = en als een hut | עָשָׂ֥ה (asa) = maakte | נֹצֵֽר (notser) = een wachter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָשׁ (ash), ‘mot’: een mot bouwt een kwetsbaar huisje van wol of kleed; zo is het huis van de goddeloze. Zie ook: Job 8:14–15; Jes 1:8; Jes 38:12; Jes 51:8; Klaagl 2:6 **27:19** Rijk gaat hij liggen en hij wordt niet verzameld. Hij opent zijn ogen en is er niet meer. Brontekst: עָשִׁ֣יר (ashir) = rijk | יִ֭שְׁכַּב (yishkav) = gaat hij liggen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֵאָסֵ֑ף (yeasef) = wordt hij verzameld | עֵינָ֖יו (einav) = zijn ogen | פָּקַ֣ח (paqach) = opent hij | וְאֵינֶֽנּוּ (veeinenu) = en hij is er niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:10; Job 24:24; Ps 58:10; Ps 73:19–20; Jer 8:2 **27:20** Verschrikkingen halen hem in als water, 's nachts steelt een storm hem weg. Brontekst: תַּשִּׂיגֵ֣הוּ (tasigehu) = halen hem in | כַ֭מַּיִם (kamayim) = als water | בַּלָּה֑וֹת (balahot) = verschrikkingen | לַ֝֗יְלָה (layla) = 's nachts | גְּנָבַ֥תּוּ (genavatu) = steelt hem | סוּפָֽה (sufa) = een storm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:21; Job 18:11; Job 20:23; Job 21:18; 2 Kon 19:35 **27:21** De oostenwind neemt hem op, zodat hij gaat, en sleurt hem weg van zijn plaats. Brontekst: יִשָּׂאֵ֣הוּ (yisaehu) = neemt hem op | קָדִ֣ים (qadim) = oostenwind | וְיֵלַ֑ךְ (veyelakh) = en hij gaat | וִֽ֝ישָׂעֲרֵ֗הוּ (visaarehu) = en sleurt hem | מִמְּקֹמֽוֹ (mimeqomo) = van zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדִים (qadim), ‘oostenwind’, de verzengende woestijnwind (zie 15:2). Zie ook: Job 7:10; Job 21:18; Ps 11:6; Ps 58:10; Ps 83:16 **27:22** Hij werpt zich op hem zonder medelijden. Voor Zijn hand vlucht hij halsoverkop. Brontekst: וְיַשְׁלֵ֣ךְ (veyashlekh) = en Hij werpt | עָ֭לָיו (alav) = op hem | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַחְמֹ֑ל (yachmol) = spaart | מִ֝יָּד֗וֹ (miyado) = voor Zijn hand | בָּר֥וֹחַ (baroach) = vluchtend | יִבְרָֽח (yivrach) = vlucht hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:20; Ex 14:25–28; Ezech 5:11; Ezech 24:14; 2 Petr 2:4–5 **27:23** Men klapt in de handen over hem en fluit hem uit van zijn plaats.” Brontekst: יִשְׂפֹּ֣ק (yispoq) = klapt | עָלֵ֣ימוֹ (aleimo) = over hem | כַפֵּ֑ימוֹ (kapeimo) = zijn handen | וְיִשְׁרֹ֥ק (veyishroq) = en fluit | עָ֝לָ֗יו (alav) = over hem | מִמְּקֹמֽוֹ (mimeqomo) = vanaf zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 11:10; 1 Kon 9:8; Sef 2:15; Jer 19:8; Klaagl 2:15 ## Job 28 _Lied over de wijsheid_ ### De mijn: de mens zoekt het verborgene **28:1** „Want er is een mijn voor zilver en een plaats waar goud wordt gezuiverd. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | יֵ֣שׁ (yesh) = er is | לַכֶּ֣סֶף (lakesef) = voor zilver | מוֹצָ֑א (motsa) = een vindplaats | וּ֝מָק֗וֹם (umaqom) = en plaats | לַזָּהָ֥ב (lazahav) = voor goud | יָזֹֽקּוּ (yazoqu) = waar men zuivert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk is een zelfstandig lied over de wijsheid. Het begint met een beschrijving van mijnbouw (vers 1–11): de mens kan diep in de aarde dringen en schatten vinden, maar de wijsheid vindt hij niet (vers 12–22). Alleen Elohim kent haar weg (vers 23–27). Wie spreekt, laat de tekst niet merken; het past bij Job, maar kan ook een dichterlijke tussenstem zijn. Zie ook: Spr 17:3; 1 Kon 7:48–50; Jes 48:10; Mal 3:2–3; 1 Petr 1:7 **28:2** IJzer wordt uit de grond gehaald, en uit gesmolten steen wordt koper gegoten. Brontekst: בַּ֭רְזֶל (barzel) = ijzer | מֵעָפָ֣ר (meafar) = uit stof | יֻקָּ֑ח (yuqach) = wordt genomen | וְ֝אֶ֗בֶן (veeven) = en steen | יָצ֥וּק (yatsuq) = wordt gesmolten | נְחוּשָֽׁה (nechusha) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:22; Num 31:22; Deut 8:9; 1 Kron 22:14 **28:3** Aan de duisternis maakt men een einde, en tot het uiterste doorzoekt men de steen van donker en diepe schaduw. Brontekst: קֵ֤ץ (qets) = een einde | שָׂ֤ם (sam) = stelt men | לַחֹ֗שֶׁךְ (lachoshekh) = aan duisternis | וּֽלְכָל (ulekhal) = en tot elk | תַּ֭כְלִית (takhlit) = uiterste | ה֣וּא (hu) = hij | חוֹקֵ֑ר (choqer) = doorzoekt | אֶ֖בֶן (even) = steen van | אֹ֣פֶל (ofel) = donkerte | וְצַלְמָֽוֶת (vetsalmavet) = en diepe schaduw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:22; Job 38:16–17; Spr 2:4; Pred 1:13; Mat 6:33 **28:4** Ver van waar mensen wonen, breekt men een schacht open. Vergeten door de voet hangen ze, ver van mensen zwaaien ze heen en weer. Brontekst: פָּ֤רַץ (parats) = hij breekt open | נַ֨חַל (nachal) = een schacht | מֵֽעִם (meim) = ver van | גָּ֗ר (gar) = wie verblijft | הַֽנִּשְׁכָּחִ֥ים (hanishkachim) = vergeten | מִנִּי (mini) = door | רָ֑גֶל (ragel) = voet | דַּ֖לּוּ (dalu) = hangen | מֵאֱנ֣וֹשׁ (meenosh) = ver van mensen | נָֽעוּ (nau) = zwaaien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Vers 4 is moeilijk. Wij begrijpen: mijnwerkers laten zich aan touwen in een schacht zakken, ver van bewoonde streken, en hangen heen en weer. Andere vertalingen lezen de eerste helft als ‘een stroom breekt door ver van de bewoner’. **28:5** De aarde: daaruit komt brood voort, en daaronder is ze omgewoeld als door vuur. Brontekst: אֶ֗רֶץ (erets) = aarde | מִמֶּ֥נָּה (mimena) = daaruit | יֵֽצֵא (yetse) = komt | לָ֑חֶם (lachem) = brood | וְ֝תַחְתֶּ֗יהָ (vetachteiha) = en onder haar | נֶהְפַּ֥ךְ (nehpakh) = is omgewoeld | כְּמוֹ (kemo) = als | אֵֽשׁ (esh) = vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:11–12; Gen 1:29; Ps 104:14–15; Jes 28:25–29; Ezech 28:13–14 **28:6** Haar stenen zijn de plaats van saffier, en ze heeft stofgoud. Brontekst: מְקוֹם (meqom) = plaats van | סַפִּ֥יר (sapir) = saffier | אֲבָנֶ֑יהָ (avaneiha) = haar stenen | וְעַפְרֹ֖ת (veafrot) = en stof van | זָהָ֣ב (zahav) = goud | לֽוֹ (lo) = heeft zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:16; Ex 24:10; Hoogl 5:14; Jes 54:11; Openb 21:19 **28:7** Een pad dat geen roofvogel kent, en dat het oog van de havik niet heeft gezien. Brontekst: נָ֭תִיב (nativ) = een pad | לֹֽא (lo) = niet | יְדָ֣עוֹ (yedao) = kent | עָ֑יִט (ayit) = roofvogel | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שְׁ֝זָפַ֗תּוּ (shezafatu) = heeft gezien | עֵ֣ין (ein) = oog van | אַיָּֽה (aya) = de havik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:6; Job 28:21–23; Job 38:19; Job 38:24; Rom 11:33 **28:8** De trotse dieren hebben het niet betreden, de leeuw is er niet overheen getrokken. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | הִדְרִיכֻ֥הוּ (hidrikhuhu) = betraden het | בְנֵי (benei) = zonen van | שָׁ֑חַץ (shachats) = trots | לֹֽא (lo) = niet | עָדָ֖ה (ada) = trok | עָלָ֣יו (alav) = erover | שָֽׁחַל (shachal) = de leeuw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:9** Hij slaat zijn hand aan de keisteen. Hij keert bergen om bij de wortel. Brontekst: בַּֽ֭חַלָּמִישׁ (bachalamish) = aan de keisteen | שָׁלַ֣ח (shalach) = slaat hij | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | הָפַ֖ךְ (hafakh) = hij keert om | מִשֹּׁ֣רֶשׁ (mishoresh) = bij de wortel | הָרִֽים (harim) = bergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Nah 1:4–6 **28:10** In de rotsen hakt hij kanalen open, en zijn oog ziet alles wat kostbaar is. Brontekst: בַּ֭צּוּרוֹת (batsurot) = in rotsen | יְאֹרִ֣ים (yeorim) = kanalen | בִּקֵּ֑עַ (biqea) = hakt hij open | וְכָל (vekhal) = en alles | יְ֝קָ֗ר (yeqar) = wat kostbaar is | רָאֲתָ֥ה (raata) = ziet | עֵינֽוֹ (eino) = zijn oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 14:23; Spr 24:4; Hab 3:9 **28:11** De bronnen van de rivieren dicht hij af, en wat verborgen was, brengt hij naar het licht. Brontekst: מִ֭בְּכִי (mibekhi) = van de bronnen van | נְהָר֣וֹת (neharot) = rivieren | חִבֵּ֑שׁ (chibesh) = dicht hij af | וְ֝תַעֲלֻמָ֗הּ (vetaalumah) = en wat verborgen is | יֹ֣צִא (yotsi) = brengt hij uit | אֽוֹר (or) = naar licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 26:8; Jes 37:25; Jes 44:27; Jes 45:2–3; 1 Kor 4:5 ### Waar is de wijsheid te vinden? **28:12** Maar de wijsheid, waar is die te vinden? En waar is de plaats van het inzicht? Brontekst: וְֽ֭הַחָכְמָה (vehachakhema) = en de wijsheid | מֵאַ֣יִן (meayin) = waar vandaan | תִּמָּצֵ֑א (timatse) = wordt gevonden | וְאֵ֥י (veei) = en waar | זֶ֝ה (ze) = is | מְק֣וֹם (meqom) = plaats van | בִּינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het refrein van het lied: ‘Waar is de wijsheid te vinden?’ Het komt terug in vers 20. Het antwoord is: alleen bij Elohim. Zie ook: Job 28:20; Spr 2:4–6; Spr 3:19; Jak 1:5; Kol 2:3 **28:13** De mens kent haar waarde niet, en in het land van de levenden wordt ze niet gevonden. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יָדַ֣ע (yada) = kent | אֱנ֣וֹשׁ (enosh) = de mens | עֶרְכָּ֑הּ (erkah) = haar waarde | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִ֝מָּצֵ֗א (timatse) = wordt ze gevonden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | הַֽחַיִּֽים (hachayim) = de levenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 119:72; Spr 3:14–15; Spr 8:11; Spr 8:18–19; Pred 8:16–17 **28:14** De oerdiepte zegt: ‘Ze is niet in mij’, en de zee zegt: ‘Ze is niet bij mij.’ Brontekst: תְּה֣וֹם (tehom) = de oerdiepte | אָ֭מַר (amar) = zegt | לֹ֣א (lo) = niet | בִי (bi) = in mij | הִ֑יא (hi) = is ze | וְיָ֥ם (veyam) = en de zee | אָ֝מַ֗ר (amar) = zegt | אֵ֣ין (ein) = niet is ze | עִמָּדִֽי (imadi) = bij mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּהוֹם (tehom), ‘oerdiepte’, is de diepe oceaan onder de aarde (Gen. 1:2). Zelfs zij weet niet waar de wijsheid is. Zie ook: Gen 1:2; Rom 11:33–34 **28:15** Ze is niet te koop voor gezuiverd goud, en zilver wordt niet gewogen als haar prijs. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יֻתַּ֣ן (yutan) = wordt gegeven | סְג֣וֹר (segor) = gezuiverd goud | תַּחְתֶּ֑יהָ (tachteiha) = in ruil voor haar | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִ֝שָּׁקֵ֗ל (yishaqel) = wordt gewogen | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | מְחִירָֽהּ (mechirah) = als haar prijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:18; Spr 3:13–15; Spr 8:10–11; Spr 8:19; Spr 16:16 **28:16** Ze kan niet worden afgewogen tegen goud van Ofir, tegen kostbare onyx en saffier. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תְ֭סֻלֶּה (tesule) = kan worden afgewogen | בְּכֶ֣תֶם (bekhetem) = tegen goud van | אוֹפִ֑יר (ofir) = Ofir | בְּשֹׁ֖הַם (beshoham) = tegen onyx | יָקָ֣ר (yaqar) = kostbare | וְסַפִּֽיר (vesapir) = en saffier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ofir (אוֹפִיר): zie 22:24. De ligging is onzeker; het land is bekend om het fijnste goud. Zie ook: Ex 28:20; 1 Kron 29:4; Ps 45:10; Jes 13:12; Ezech 28:13 **28:17** Goud en glas kunnen haar niet evenaren, en een ruil voor sieraden van fijn goud is niet mogelijk. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יַעַרְכֶ֣נָּה (yaarkhena) = kunnen haar evenaren | זָ֭הָב (zahav) = goud | וּזְכוֹכִ֑ית (uzekhokhit) = en glas | וּתְמ֖וּרָתָ֣הּ (utemuratah) = en haar ruil | כְּלִי (keli) = sieraden van | פָֽז (paz) = fijn goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 16:16; Ezech 1:22; Openb 4:6; Openb 21:11; Openb 22:1 **28:18** Koraal en kristal worden niet eens genoemd. Het bezit van wijsheid is meer waard dan parels. Brontekst: רָאמ֣וֹת (ramot) = koraal | וְ֭גָבִישׁ (vegavish) = en kristal | לֹ֣א (lo) = niet | יִזָּכֵ֑ר (yizakher) = worden genoemd | וּמֶ֥שֶׁךְ (umeshekh) = en het bezit van | חָ֝כְמָ֗ה (chakhema) = wijsheid | מִפְּנִינִֽים (mipeninim) = meer dan parels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:15; Spr 31:10; Klaagl 4:7; Ezech 27:16; Openb 18:12 **28:19** De topaas van Kush evenaart haar niet. Met zuiver goud kan ze niet worden afgewogen. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יַ֭עַרְכֶנָּה (yaarkhena) = evenaart haar | פִּטְדַת (pitdat) = topaas van | כּ֑וּשׁ (kush) = Kush | בְּכֶ֥תֶם (bekhetem) = met goud | טָ֝ה֗וֹר (tahor) = zuiver | לֹ֣א (lo) = niet | תְסֻלֶּֽה (tesule) = kan ze worden afgewogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kush (כּוּשׁ): het gebied ten zuiden van Egypte, het huidige Noord-Soedan (Nubië) en Zuid-Egypte. De topaas van Kush is een kostbare edelsteen. Zie ook: Ex 28:17; Ex 39:10; Spr 8:19; Ezech 28:13; Openb 21:20 **28:20** Maar de wijsheid, waar komt ze vandaan? En waar is de plaats van het inzicht? Brontekst: וְֽ֭הַחָכְמָה (vehachakhema) = en de wijsheid | מֵאַ֣יִן (meayin) = waar vandaan | תָּב֑וֹא (tavo) = komt ze | וְאֵ֥י (veei) = en waar | זֶ֝֗ה (ze) = is | מְק֣וֹם (meqom) = plaats van | בִּינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:12; Job 28:23; Job 28:28; Jak 1:5; Jak 1:17 **28:21** Ze is verborgen voor de ogen van al wat leeft, en voor de vogels van de hemel verhuld. Brontekst: וְֽ֭נֶעֶלְמָה (veneelma) = en ze is verborgen | מֵעֵינֵ֣י (meeinei) = voor de ogen van | כָל (kal) = al | חָ֑י (chay) = wat leeft | וּמֵע֖וֹף (umeof) = en voor de vogels van | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | נִסְתָּֽרָה (nistara) = verhuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 49:4–5; Mat 11:25; Mat 13:35; 1 Kor 2:7–10; Kol 2:3 **28:22** De Afgrond en de Dood zeggen: ‘Met onze oren hebben we geruchten over haar gehoord.’ Brontekst: אֲבַדּ֣וֹן (avadon) = Afgrond | וָ֭מָוֶת (vamavet) = en Dood | אָ֣מְר֑וּ (ameru) = zeggen | בְּ֝אָזְנֵ֗ינוּ (beazeneinu) = met onze oren | שָׁמַ֥עְנוּ (shamanu) = hebben wij gehoord | שִׁמְעָֽהּ (shimah) = haar gerucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲבַדּוֹן וָמָוֶת (Avaddon vamavet), ‘de Afgrond en de Dood’, zijn de poorten van het dodenrijk (zie 26:6). Ze kennen de wijsheid alleen van horen zeggen. Zie ook: Job 26:6; Job 28:14; Ps 83:11–13 ### Elohim kent haar weg **28:23** Elohim begrijpt haar weg, en Hij weet haar plaats. Brontekst: אֱ֭לֹהִים (Elohim) = Elohim | הֵבִ֣ין (hevin) = begrijpt | דַּרְכָּ֑הּ (darkah) = haar weg | וְ֝ה֗וּא (vehu) = en Hij | יָדַ֥ע (yada) = weet | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מְקוֹמָֽהּ (meqomah) = haar plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier wijst Job (of de dichter) van de mens weg naar Elohim: Hij kent de weg van de wijsheid, omdat Hij haar bij de schepping heeft gezien (vers 25–27). Vergelijk Spr. 8:22–31. Zie ook: Spr 2:6; Spr 8:22–31; 1 Kor 1:30; Rom 11:33; Jud 1:25 **28:24** Want Hij kijkt tot de einden van de aarde en ziet onder de hele hemel. Brontekst: כִּי (ki) = want | ה֭וּא (hu) = Hij | לִקְצוֹת (liqtsot) = tot de einden van | הָאָ֣רֶץ (haarets) = de aarde | יַבִּ֑יט (yabit) = kijkt | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כָּל (kal) = heel | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | יִרְאֶֽה (yire) = ziet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 33:13–14; Spr 15:3; 2 Kron 16:9; Zach 4:10; Openb 5:6 **28:25** Toen Hij de wind een gewicht gaf en de wateren met een maat afmat, Brontekst: לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = toen Hij gaf | לָר֣וּחַ (laruach) = aan de wind | מִשְׁקָ֑ל (mishqal) = gewicht | וּ֝מַ֗יִם (umayim) = en wateren | תִּכֵּ֥ן (tiken) = afmat | בְּמִדָּֽה (bemida) = met een maat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:15; Ps 135:7; Jes 40:12 **28:26** toen Hij de regen een wet gaf en de bliksemflits een weg, Brontekst: בַּעֲשֹׂת֣וֹ (baasoto) = toen Hij gaf | לַמָּטָ֣ר (lamatar) = aan de regen | חֹ֑ק (choq) = een wet | וְ֝דֶ֗רֶךְ (vederekh) = en een weg | לַחֲזִ֥יז (lachaziz) = aan de flits van | קֹלֽוֹת (qolot) = donderslagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:32; Job 37:3; Job 37:11; Job 38:25; Zach 10:1 **28:27** toen zag Hij haar en maakte haar bekend. Hij vestigde haar en doorzocht haar ook. Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | רָ֭אָהּ (raah) = zag Hij | וַֽיְסַפְּרָ֑הּ (vaysaperah) = en maakte haar bekend | הֱ֝כִינָ֗הּ (hekhinah) = vestigde haar | וְגַם (vegam) = en ook | חֲקָרָֽהּ (chaqarah) = doorzocht haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 19:2; Spr 8:22–29 **28:28** En Hij zei tegen de mens: ‘Zie, ontzag voor Adonai, dat is wijsheid, en het kwaad mijden is inzicht.’” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לָֽאָדָ֗ם (laadam) = tot de mens | הֵ֤ן (hen) = zie | יִרְאַ֣ת (yirat) = ontzag voor | אֲ֭דֹנָי (adonay) = Adonai | הִ֣יא (hi) = het is | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְס֖וּר (vesur) = en wijken | מֵרָ֣ע (mera) = van kwaad | בִּינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de enige plaats in Job waar de naam אֲדֹנָי (Adonai), ‘Heer’, voorkomt. Een aantal handschriften leest hier יהוה (Yahweh). De slotzin vat het boek samen: ontzag voor Elohim is de wijsheid (vergelijk 1:1 en 1:8; Spr. 1:7; Ps. 111:10). Zie ook: Ps 111:10; Spr 1:7; Spr 3:7; Spr 9:10; Pred 12:13 ## Job 29 _Job herinnert zich zijn vroegere geluk_ ### Zoals het vroeger was **29:1** Job vervolgde zijn gedicht en zei: Brontekst: וַיֹּ֣סֶף (vayosef) = en voegde toe | אִ֭יּוֹב (iyov) = Job | שְׂאֵ֥ת (seet) = om op te heffen | מְשָׁל֗וֹ (meshalo) = zijn gedicht | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De hoofdstukken 29–31 vormen Jobs slotrede: hij blikt terug op zijn vroegere leven (29), beschrijft zijn ellende nu (30) en legt een eed van onschuld af (31). Zie ook: Job 13:12; Job 27:1; Num 23:7 **29:2** „Wie geeft mij de maanden van vroeger terug, de dagen toen Eloah over mij waakte, Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יִתְּנֵ֥נִי (yiteneni) = geeft mij | כְיַרְחֵי (keyarchei) = als de maanden van | קֶ֑דֶם (qedem) = vroeger | כִּ֝ימֵ֗י (kimei) = als de dagen dat | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | יִשְׁמְרֵֽנִי (yishmereni) = mij bewaarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:1–5; Job 1:10; Job 7:3; Jer 31:28; Jud 1:1 **29:3** toen Zijn lamp boven mijn hoofd scheen en ik door Zijn licht de duisternis doorliep, Brontekst: בְּהִלּ֣וֹ (behilo) = toen scheen | נֵ֭רוֹ (nero) = Zijn lamp | עֲלֵ֣י (alei) = boven | רֹאשִׁ֑י (roshi) = mijn hoofd | לְ֝אוֹרוֹ (leoro) = bij Zijn licht | אֵ֣לֶךְ (elekh) = liep ik | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = door duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:6; Ps 18:29; Joh 8:12; Joh 12:46; Ef 5:8 **29:4** zoals ik was in de dagen van mijn herfst, toen de vertrouwelijke omgang met Eloah over mijn tent lag, Brontekst: כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | הָ֭יִיתִי (hayiti) = ik was | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | חָרְפִּ֑י (charpi) = mijn herfst | בְּס֥וֹד (besod) = in vertrouwelijkheid van | אֱ֝ל֗וֹהַּ (eloha) = Eloah | עֲלֵ֣י (alei) = over | אָהֳלִֽי (aholi) = mijn tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: חָרְפִּי (chorpi), ‘mijn herfst’: het woord betekent ‘herfst’ (de rijpe tijd van het jaar). Anderen lezen ‘mijn jeugd’ of ‘mijn winter’. Wij kiezen ‘herfst’, de tijd waarin alles rijp is. Zie ook: Job 1:10; Job 15:8; Ps 25:14; Ps 27:5; Spr 3:32 **29:5** toen Shaddai nog bij mij was en mijn jongens rondom mij, Brontekst: בְּע֣וֹד (beod) = terwijl nog | שַׁ֭דַּי (shaday) = Shaddai | עִמָּדִ֑י (imadi) = bij mij | סְבִ֖יבוֹתַ֣י (sevivotay) = rondom mij | נְעָרָֽי (nearay) = mijn jongens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:9; Ps 30:8; Ps 127:3–5; Ps 128:3; Hoogl 3:1–2 **29:6** toen mijn voeten in room baadden en de rots voor mij stromen olie goot! Brontekst: בִּרְחֹ֣ץ (birchots) = toen baadden | הֲלִיכַ֣י (halikhay) = mijn schreden | בְּחֵמָ֑ה (bechema) = in room | וְצ֥וּר (vetsur) = en de rots | יָצ֥וּק (yatsuq) = goot | עִ֝מָּדִ֗י (imadi) = bij mij | פַּלְגֵי (palgei) = stromen van | שָֽׁמֶן (shamen) = olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Room en olie zijn beelden van overvloed. Dat zelfs de rots olie voor Job liet stromen, doelt op de olijfpersen die in rotsen waren uitgehouwen. Zie ook: Gen 49:11; Job 20:17; Deut 32:13–14; Deut 33:24; Ps 81:17 ### Job in de poort van de stad **29:7** Als ik naar de poort van de stad ging en mijn zetel op het plein neerzette, Brontekst: בְּצֵ֣אתִי (betseti) = toen ik uitging | שַׁ֣עַר (shaar) = naar de poort | עֲלֵי (alei) = boven | קָ֑רֶת (qaret) = de stad | בָּ֝רְח֗וֹב (barechov) = op het plein | אָכִ֥ין (akhin) = zette ik | מוֹשָׁבִֽי (moshavi) = mijn zetel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De poort van de stad was de plaats van recht en bestuur (Rut 4:1; Spr. 31:23). Job zat daar als eerbiedwaardig rechter. Zie ook: Job 31:21; Deut 16:18; Ruth 4:1–2; Ruth 4:11; Spr 31:23; Zach 8:16 **29:8** zagen de jongens mij en verborgen zich, en de bejaarden stonden op en bleven staan. Brontekst: רָא֣וּנִי (rauni) = zagen mij | נְעָרִ֣ים (nearim) = jongens | וְנֶחְבָּ֑אוּ (venechbau) = en verborgen zich | וִֽ֝ישִׁישִׁים (vishishim) = en bejaarden | קָ֣מוּ (qamu) = stonden op | עָמָֽדוּ (amadu) = bleven staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 19:32; Spr 16:31; Rom 13:7; Tit 3:1; 1 Petr 5:5 **29:9** Vorsten hielden op met spreken en legden de hand op hun mond. Brontekst: שָׂ֭רִים (sarim) = vorsten | עָצְר֣וּ (atseru) = hielden in | בְמִלִּ֑ים (bemilim) = met woorden | וְ֝כַ֗ף (vekhaf) = en hand | יָשִׂ֥ימוּ (yasimu) = legden | לְפִיהֶֽם (lefihem) = op hun mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:5; Job 40:4; Spr 10:19; Spr 30:32; Jak 1:19 **29:10** De stem van de edelen verstomde, hun tong kleefde aan hun gehemelte. Brontekst: קוֹל (qol) = stem van | נְגִידִ֥ים (negidim) = edelen | נֶחְבָּ֑אוּ (nechbau) = verborg zich | וּ֝לְשׁוֹנָ֗ם (uleshonam) = en hun tong | לְחִכָּ֥ם (lechikam) = aan hun gehemelte | דָּבֵֽקָה (daveqa) = kleefde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 137:6; Ezech 3:26 **29:11** Want als een oor mij hoorde, prees het mij gelukkig. Als een oog mij zag, getuigde het van mij. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אֹ֣זֶן (ozen) = een oor | שָׁ֭מְעָה (shamea) = hoorde | וַֽתְּאַשְּׁרֵ֑נִי (vateashereni) = en prees mij gelukkig | וְעַ֥יִן (veayin) = en een oog | רָ֝אֲתָ֗ה (raata) = zag | וַתְּעִידֵֽנִי (vateideni) = en getuigde van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:20; Spr 29:2; Luc 4:22; Luc 11:27 **29:12** Want ik redde de arme die om hulp riep, en de wees die niemand hielp. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אֲ֭מַלֵּט (amalet) = ik redde | עָנִ֣י (ani) = de arme | מְשַׁוֵּ֑עַ (meshavea) = die om hulp riep | וְ֝יָת֗וֹם (veyatom) = en de wees | וְֽלֹא (velo) = en niet | עֹזֵ֥ר (ozer) = helper | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 22:21–23; Deut 10:18; Ps 72:12; Spr 21:13; Jak 1:27 **29:13** De zegen van wie op het punt stond te vergaan, kwam over mij, en het hart van de weduwe liet ik jubelen. Brontekst: בִּרְכַּ֣ת (birkat) = zegen van | אֹ֭בֵד (oved) = wie omkwam | עָלַ֣י (alay) = over mij | תָּבֹ֑א (tavo) = kwam | וְלֵ֖ב (velev) = en hart van | אַלְמָנָ֣ה (almana) = een weduwe | אַרְנִֽן (arnin) = liet ik jubelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie op het punt stond te vergaan (אֹבֵד, over), de in nood verkerende, zegende Job omdat hij hem redde. Zie ook: Job 22:9; Job 31:19–20; Jes 27:13; Filem 1:7; 2 Tim 1:16–18 **29:14** Gerechtigheid trok ik aan en zij kleedde mij. Mijn recht was als mantel en tulband. Brontekst: צֶ֣דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | לָ֭בַשְׁתִּי (lavashti) = trok ik aan | וַיִּלְבָּשֵׁ֑נִי (vayilbasheni) = en zij kleedde mij | כִּֽמְעִ֥יל (kimil) = als een mantel | וְ֝צָנִ֗יף (vetsanif) = en tulband | מִשְׁפָּטִֽי (mishpati) = mijn recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gerechtigheid als kleed: Job beschrijft zijn recht als een mantel en tulband, die bij hem horen als een officieel ambtsgewaad. Vergelijk Jes. 59:17 en Ps. 132:9. Zie ook: Ps 132:9; Jes 59:17; Jes 61:10; Ef 6:14; Openb 19:8 **29:15** Ogen was ik voor de blinde, voeten voor de lamme. Brontekst: עֵינַ֣יִם (einayim) = ogen | הָ֭יִיתִי (hayiti) = was ik | לַֽעִוֵּ֑ר (laiver) = voor de blinde | וְרַגְלַ֖יִם (veraglayim) = en voeten | לַפִּסֵּ֣חַ (lapiseach) = voor de lamme | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 10:31; Mat 11:5; 1 Kor 12:12–31 **29:16** Een vader was ik voor de armen, en de zaak van een onbekende onderzocht ik. Brontekst: אָ֣ב (av) = vader | אָ֭נֹכִֽי (anokhi) = ik | לָֽאֶבְיוֹנִ֑ים (laevyonim) = voor de behoeftigen | וְרִ֖ב (veriv) = en de zaak van | לֹא (lo) = niet | יָדַ֣עְתִּי (yadati) = ik kende | אֶחְקְרֵֽהוּ (echqerehu) = onderzocht ik haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 24:4; Ps 68:6; Spr 25:2; Spr 29:7; Est 2:7 **29:17** Ik brak de kiezen van de onrechtvaardige en rukte de prooi uit zijn tanden. Brontekst: וָֽ֭אֲשַׁבְּרָה (vaashabera) = en ik brak | מְתַלְּע֣וֹת (metaleot) = kiezen van | עַוָּ֑ל (aval) = de onrechtvaardige | וּ֝מִשִּׁנָּ֗יו (umishinav) = en uit zijn tanden | אַשְׁלִ֥יךְ (ashlikh) = wierp ik | טָֽרֶף (taref) = prooi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 17:35; Ps 3:8; Ps 58:9; Ps 124:6; Spr 30:14 ### Mijn raad werd gezocht **29:18** Ik dacht: ‘Met mijn nest sterf ik, en als zand maak ik mijn dagen talrijk. Brontekst: וָ֭אֹמַר (vaomar) = en ik zei | עִם (im) = met | קִנִּ֣י (qini) = mijn nest | אֶגְוָ֑ע (egva) = sterf ik | וְ֝כַח֗וֹל (vekhachol) = en als zand | אַרְבֶּ֥ה (arbe) = maak ik talrijk | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Met mijn nest sterf ik’ is: in vrede, bij mijn huis en kinderen. Het woord חוֹל (chol) betekent ‘zand’, maar in de oude Joodse overlevering ook ‘feniks’, een vogel die lang leeft: ‘en als een feniks maak ik mijn dagen talrijk’. Wij vertalen ‘als zand’. Zie ook: Gen 32:12; Ps 30:7–8; Ps 91:16; Jer 49:16; Ob 1:4 **29:19** Mijn wortel ligt open voor het water, en de dauw overnacht op mijn tak. Brontekst: שָׁרְשִׁ֣י (shareshi) = mijn wortel | פָת֣וּחַ (patuach) = open | אֱלֵי (elei) = naar | מָ֑יִם (mayim) = water | וְ֝טַ֗ל (vetal) = en dauw | יָלִ֥ין (yalin) = overnacht | בִּקְצִירִֽי (biqtsiri) = op mijn tak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 18:16; Ps 1:3; Hos 14:6–8; Jer 17:8 **29:20** Mijn eer blijft bij mij nieuw, en mijn boog wordt in mijn hand vernieuwd.’ Brontekst: כְּ֭בוֹדִי (kevodi) = mijn eer | חָדָ֣שׁ (chadash) = nieuw | עִמָּדִ֑י (imadi) = bij mij | וְ֝קַשְׁתִּ֗י (veqashti) = en mijn boog | בְּיָדִ֥י (beyadi) = in mijn hand | תַחֲלִֽיף (tachalif) = wordt vernieuwd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 45:13; Gen 49:24; Ps 18:35; Jes 40:31; 2 Kor 4:16 **29:21** Naar mij luisterden ze en wachtten, en zwegen voor mijn raad. Brontekst: לִֽי (li) = naar mij | שָׁמְע֥וּ (shameu) = luisterden ze | וְיִחֵ֑לּוּ (veyichelu) = en wachtten | וְ֝יִדְּמ֗וּ (veyidemu) = en zwegen | לְמ֣וֹ (lemo) = bij | עֲצָתִֽי (atsati) = mijn raad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 29:9–10; Job 32:11–12 **29:22** Na mijn woorden spraken ze niet opnieuw, en mijn woord druppelde op hen. Brontekst: אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | דְ֭בָרִי (devari) = mijn woorden | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁנ֑וּ (yishnu) = spraken ze opnieuw | וְ֝עָלֵ֗ימוֹ (vealeimo) = en op hen | תִּטֹּ֥ף (titof) = druppelde | מִלָּתִֽי (milati) = mijn woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:2; Hoogl 4:11; Jes 52:15; Ezech 21:2; Mat 22:46 **29:23** Ze wachtten op mij als op regen, en hun mond sperden ze open als voor de late regen. Brontekst: וְיִֽחֲל֣וּ (veyichalu) = en ze wachtten | כַמָּטָ֣ר (kamatar) = als op regen | לִ֑י (li) = op mij | וּ֝פִיהֶ֗ם (ufihem) = en hun mond | פָּעֲר֥וּ (paaru) = sperden ze open | לְמַלְקֽוֹשׁ (lemalqosh) = als voor late regen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 72:6; Hos 6:3; Zach 10:1 **29:24** Als ik naar hen lachte, geloofden ze het niet, en het licht van mijn gezicht lieten ze niet vallen. Brontekst: אֶשְׂחַ֣ק (eschaq) = ik lachte | אֲ֭לֵהֶם (alehem) = naar hen | לֹ֣א (lo) = niet | יַאֲמִ֑ינוּ (yaaminu) = geloofden ze | וְא֥וֹר (veor) = en het licht van | פָּ֝נַ֗י (panay) = mijn gezicht | לֹ֣א (lo) = niet | יַפִּילֽוּן (yapilun) = lieten ze vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 45:26; Ps 4:7; Ps 89:16; Ps 126:1; Luc 24:41 **29:25** Ik koos hun weg en zat als hoofd, en ik woonde als een koning bij zijn troepen, als iemand die rouwenden troost.” Brontekst: אֶֽבֲחַ֣ר (evachar) = ik koos | דַּרְכָּם֮ (darkam) = hun weg | וְאֵשֵׁ֪ב (veeshev) = en zat | רֹ֥אשׁ (rosh) = als hoofd | וְ֭אֶשְׁכּוֹן (veeshkon) = en woonde | כְּמֶ֣לֶךְ (kemelekh) = als een koning | בַּגְּד֑וּד (bagedud) = bij zijn troepen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = als | אֲבֵלִ֣ים (avelim) = rouwenden | יְנַחֵֽם (yenachem) = hij troost Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job was als een koning en tegelijk als een trooster: de vorst die rouwenden troost. Dat staat in schril contrast met de vrienden, die hem niet kunnen troosten. Zie ook: Gen 14:14–17; Gen 41:40; Re 11:8; Jes 35:3–4; 2 Kor 1:3–4 ## Job 30 _Job beschrijft zijn ellende_ ### Nu lachen ze mij uit **30:1** „Maar nu lachen ze mij uit, mensen jonger dan ik, van wie ik de vaders te min achtte om bij de honden van mijn kudde te zetten. Brontekst: וְעַתָּ֤ה (veata) = en nu | שָֽׂחֲק֣וּ (sachaqu) = lachen | עָלַי֮ (alay) = om mij | צְעִירִ֥ים (tseirim) = jonger | מִמֶּ֗נִּי (mimeni) = dan ik | לְיָ֫מִ֥ים (leyamim) = in dagen | אֲשֶׁר (asher) = van wie | מָאַ֥סְתִּי (maasti) = ik verachtte | אֲבוֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | לָ֝שִׁ֗ית (lashit) = om te zetten | עִם (im) = bij | כַּלְבֵ֥י (kalvei) = honden van | צֹאנִֽי (tsoni) = mijn kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het contrast met hoofdstuk 29 is groot: toen werd hij door jongeren en vorsten geëerd, nu lacht dat soort mensen hem uit. De honden van de kudde waren in Jobs tijd verachte dieren; de vaders van deze mensen waren niet eens goed genoeg om bij die honden te werken. Zie ook: Job 12:4; Ps 35:15–16; Ps 69:13; 2 Kon 2:23; Luc 23:35 **30:2** Ook de kracht van hun handen, wat heb ik eraan? Voor hen is de volle kracht verloren gegaan. Brontekst: גַּם (gam) = ook | כֹּ֣חַ (koach) = kracht van | יְ֭דֵיהֶם (yedeihem) = hun handen | לָ֣מָּה (lama) = waartoe | לִּ֑י (li) = mij | עָ֝לֵ֗ימוֹ (aleimo) = voor hen | אָ֣בַד (avad) = is verloren | כָּֽלַח (kalach) = volle kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:3** In gebrek en honger zijn ze uitgeput. Ze knagen aan de dorre grond, gisteren nog woestenij en wildernis. Brontekst: בְּחֶ֥סֶר (becheser) = in gebrek | וּבְכָפָ֗ן (uvekhafan) = en honger | גַּ֫לְמ֥וּד (galmud) = uitgeput | הַֽעֹרְקִ֥ים (haoreqim) = knagend aan | צִיָּ֑ה (tsiya) = dorre grond | אֶ֝֗מֶשׁ (emesh) = gisteren | שׁוֹאָ֥ה (shoa) = woestenij | וּמְשֹׁאָֽה (umeshoa) = en wildernis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze verschoppelingen leven in de woestijn en eten wat niemand eet. Job beschrijft hun armoede om de schaamte te laten zien: juist zij bespotten nu hem. Zie ook: Job 24:5; Job 24:13–16; Heb 11:38 **30:4** Ze plukken zoutkruid bij de struiken, en de wortel van de bremstruik is hun brood. Brontekst: הַקֹּטְפִ֣ים (haqotefim) = die plukken | מַלּ֣וּחַ (maluach) = zoutkruid | עֲלֵי (alei) = bij | שִׂ֑יחַ (siach) = struik | וְשֹׁ֖רֶשׁ (veshoresh) = en wortel van | רְתָמִ֣ים (retamim) = bremstruiken | לַחְמָֽם (lachmam) = hun brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלּוּחַ (malluach), ‘zoutkruid’, is een zoute plant van de steppe; רְתָמִים (retamim), ‘bremstruiken’, hebben wortels die als brandhout of noodvoedsel dienen (Ps. 120:4). Zie ook: Ps 120:4; 2 Kon 4:38–39; Amos 7:14; Luc 15:16 **30:5** Uit de samenleving worden ze verjaagd, men schreeuwt hen na als een dief. Brontekst: מִן (min) = uit | גֵּ֥ו (gev) = samenleving | יְגֹרָ֑שׁוּ (yegorashu) = worden ze verjaagd | יָרִ֥יעוּ (yariu) = men schreeuwt | עָ֝לֵ֗ימוֹ (aleimo) = tegen hen | כַּגַּנָּֽב (kaganav) = als tegen een dief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:12–14; Ps 109:10; Dan 4:22; Dan 4:29–30 **30:6** In de kloven van de beekbeddingen moeten ze wonen, in holen van de grond en rotsen. Brontekst: בַּעֲר֣וּץ (baaruts) = in kloof van | נְחָלִ֣ים (nechalim) = beekdalen | לִשְׁכֹּ֑ן (lishkon) = om te wonen | חֹרֵ֖י (chorei) = holen van | עָפָ֣ר (afar) = grond | וְכֵפִֽים (vekhefim) = en rotsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 6:2; 1 Sam 22:1–2; Jes 2:19; Openb 6:15 **30:7** Tussen de struiken balken ze, onder de distels verzamelen ze zich. Brontekst: בֵּין (bein) = tussen | שִׂיחִ֥ים (sichim) = struiken | יִנְהָ֑קוּ (yinhaqu) = balken ze | תַּ֖חַת (tachat) = onder | חָר֣וּל (charul) = distels | יְסֻפָּֽחוּ (yesupachu) = verzamelen ze zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:12; Job 6:5; Job 11:12 **30:8** Zonen van dwazen, ja, zonen zonder naam, zijn uit het land weggeslagen. Brontekst: בְּֽנֵי (benei) = zonen van | נָ֭בָל (naval) = dwazen | גַּם (gam) = ook | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | בְלִי (beli) = zonder | שֵׁ֑ם (shem) = naam | נִ֝כְּא֗וּ (nikeu) = zijn weggeslagen | מִן (min) = uit | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:4; Spr 1:22; Spr 16:22; Jer 7:18; Mar 6:24 **30:9** En nu ben ik hun spotlied geworden, ik ben een gespreksonderwerp voor hen geworden. Brontekst: וְ֭עַתָּה (veata) = en nu | נְגִינָתָ֣ם (neginatam) = hun spotlied | הָיִ֑יתִי (hayiti) = ben ik | וָאֱהִ֖י (vaehi) = en ben geworden | לָהֶ֣ם (lahem) = voor hen | לְמִלָּֽה (lemila) = tot gespreksstof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:6; Ps 35:15–16; Ps 69:12–13; Klaagl 3:14; Klaagl 3:63 **30:10** Ze verafschuwen mij, houden afstand van mij en onthouden mijn gezicht het speeksel niet. Brontekst: תִּֽ֭עֲבוּנִי (tiavuni) = verafschuwen mij | רָ֣חֲקוּ (rachaqu) = houden afstand | מֶ֑נִּי (meni) = van mij | וּ֝מִפָּנַ֗י (umipanay) = en van mijn gezicht | לֹא (lo) = niet | חָ֥שְׂכוּ (chasekhu) = onthouden ze | רֹֽק (roq) = speeksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 12:14; Deut 25:9; Ps 88:9; Jes 50:6; Mat 26:67 **30:11** Want Hij heeft mijn touw losgemaakt en mij vernederd, en ze hebben de teugel voor mij losgelaten. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יִתְרִ֣י (yitri) = mijn touw | פִ֭תַּח (pitach) = maakte los | וַיְעַנֵּ֑נִי (vayaneni) = en vernederde mij | וְ֝רֶ֗סֶן (veresen) = en teugel | מִפָּנַ֥י (mipanay) = voor mij | שִׁלֵּֽחוּ (shilechu) = lieten ze los Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יִתְרִי (yitri), ‘mijn touw’, is de koord van de boog of van de tent. De geschreven tekst (ketiv) heeft יתרו (‘zijn touw’). Wij volgen de lezing ‘mijn touw’, het beeld van een boog waarvan de pees wordt losgemaakt. Zie ook: Job 12:18; Job 12:21; Ruth 1:21; Ps 32:9; Jak 1:26 **30:12** Rechts van mij staat het gespuis op. Ze zetten mijn voeten aan het wankelen en banen tegen mij wegen van ondergang. Brontekst: עַל (al) = aan | יָמִין֮ (yamin) = rechterhand | פִּרְחַ֪ח (pirchach) = het gespuis | יָ֫ק֥וּמוּ (yaqumu) = staat op | רַגְלַ֥י (raglay) = mijn voeten | שִׁלֵּ֑חוּ (shilechu) = ze zenden | וַיָּסֹ֥לּוּ (vayasolu) = en ze banen | עָ֝לַ֗י (alay) = tegen mij | אָרְח֥וֹת (arechot) = wegen van | אֵידָֽם (eidam) = hun ondergang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:12; Job 19:18; Ps 140:5–6; Jes 3:5 **30:13** Ze breken mijn pad af, werken mee aan mijn ondergang. Er is niemand die hen tegenhoudt. Brontekst: נָתְס֗וּ (natesu) = ze breken af | נְֽתִיבָ֫תִ֥י (netivati) = mijn pad | לְהַוָּתִ֥י (lehavati) = tot mijn ondergang | יֹעִ֑ילוּ (yoilu) = ze helpen | לֹ֖א (lo) = niet | עֹזֵ֣ר (ozer) = helper | לָֽמוֹ (lamo) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 69:27; Jes 3:12; Zach 1:15 **30:14** Als door een brede bres komen ze, onder de verwoesting rollen ze naar voren. Brontekst: כְּפֶ֣רֶץ (keferets) = als door een bres | רָחָ֣ב (rachav) = brede | יֶאֱתָ֑יוּ (yeetayu) = komen ze | תַּ֥חַת (tachat) = onder | שֹׁ֝אָ֗ה (shoa) = verwoesting | הִתְגַּלְגָּֽלוּ (hitgalgalu) = rollen ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:16; Ps 18:5; Ps 69:15–16; Jes 8:7–8 **30:15** Verschrikkingen zijn tegen mij gekeerd. Mijn waardigheid wordt als door de wind weggejaagd, en mijn redding is verdwenen als een wolk. Brontekst: הָהְפַּ֥ךְ (hahpakh) = is gekeerd | עָלַ֗י (alay) = tegen mij | בַּלָּ֫ה֥וֹת (balahot) = verschrikkingen | תִּרְדֹּ֣ף (tirdof) = wordt achtervolgd | כָּ֭רוּחַ (karuach) = als door wind | נְדִבָתִ֑י (nedivati) = mijn waardigheid | וּ֝כְעָ֗ב (ukheav) = en als een wolk | עָבְרָ֥ה (avera) = is voorbijgegaan | יְשֻׁעָתִֽי (yeshuati) = mijn redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:4; Job 31:23; Ps 55:5–6; Ps 88:16; Hos 13:3 ### Mijn ziel giet zich uit **30:16** En nu giet mijn ziel zich over mij uit. Dagen van ellende grijpen mij. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | עָ֭לַי (alay) = over mij | תִּשְׁתַּפֵּ֣ךְ (tishtapekh) = giet zich uit | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn ziel | יֹ֭אחֲז֣וּנִי (yochazuni) = grijpen mij | יְמֵי (yemei) = dagen van | עֹֽנִי (oni) = ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:24; Ps 22:15; Ps 40:13; Ps 42:5; Jes 53:12 **30:17** 's Nachts wordt mijn bot van mij doorboord, en mijn knagende pijn rust niet. Brontekst: לַ֗יְלָה (layla) = 's nachts | עֲ֭צָמַי (atsamay) = mijn bot | נִקַּ֣ר (niqar) = wordt doorboord | מֵעָלָ֑י (mealay) = van mij | וְ֝עֹרְקַ֗י (veoreqay) = en mijn knagende pijn | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁכָּבֽוּן (yishkavun) = rusten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:4; Job 33:19–21; Ps 6:3–7; Ps 22:3; Jes 38:13 **30:18** Met grote kracht wordt mijn kleed vervormd. Als de halsopening van mijn kleed omsluit Hij mij. Brontekst: בְּרָב (berav) = met grote | כֹּ֭חַ (koach) = kracht | יִתְחַפֵּ֣שׂ (yitchapes) = wordt vervormd | לְבוּשִׁ֑י (levushi) = mijn kleed | כְּפִ֖י (kefi) = als de opening van | כֻתָּנְתִּ֣י (kutanti) = mijn kleed | יַֽאַזְרֵֽנִי (yaazreni) = omgordt mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 2:7; Job 7:5; Job 19:20; Ps 38:6; Jes 1:5–6 **30:19** Hij heeft mij in de modder gegooid, en ik ben als stof en as geworden. Brontekst: הֹרָ֥נִי (horani) = Hij wierp mij | לַחֹ֑מֶר (lachomer) = in de modder | וָ֝אֶתְמַשֵּׁ֗ל (vaetmashel) = en ik word gelijk | כֶּעָפָ֥ר (keafar) = aan stof | וָאֵֽפֶר (vaefer) = en as Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job zegt dat Eloah hem in de modder heeft gegooid: een herhaling van zijn gevoel van vernedering. Vergelijk 42:6, waar hij zich ‘in stof en as’ bekeert. Zie ook: Gen 18:27; Job 9:31; Job 42:6; Ps 69:15; Jer 38:6 ### Eloah is wreed tegen mij geworden **30:20** Ik roep tot U om hulp, maar U antwoordt mij niet. Ik sta, en U kijkt naar mij. Brontekst: אֲשַׁוַּ֣ע (ashava) = ik roep om hulp | אֵ֭לֶיךָ (eleikha) = tot U | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תַעֲנֵ֑נִי (taaneni) = antwoordt U mij | עָ֝מַ֗דְתִּי (amadti) = ik sta | וַתִּתְבֹּ֥נֶן (vatitbonen) = en U kijkt | בִּֽי (bi) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:7; Ps 22:3; Ps 80:5–6; Klaagl 3:8; Klaagl 3:44 **30:21** U bent een wrede voor mij geworden. Met de kracht van Uw hand vervolgt U mij. Brontekst: תֵּהָפֵ֣ךְ (tehafekh) = U verandert | לְאַכְזָ֣ר (leakhzar) = in een wrede | לִ֑י (li) = voor mij | בְּעֹ֖צֶם (beotsem) = met de sterkte van | יָדְךָ֣ (yadekha) = Uw hand | תִשְׂטְמֵֽנִי (tistemeni) = vervolgt U mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:3; Job 10:14–17; Job 16:9–14; Job 19:6–9; 1 Petr 5:6 **30:22** U tilt mij op naar de wind, laat mij erop rijden, en U laat mij in de storm oplossen. Brontekst: תִּשָּׂאֵ֣נִי (tisaeni) = U tilt mij op | אֶל (el) = naar | ר֭וּחַ (ruach) = wind | תַּרְכִּיבֵ֑נִי (tarkiveni) = U laat mij rijden | וּ֝תְמֹגְגֵ֗נִי (utemogegeni) = en U doet mij smelten | תּוּשִׁיָּֽה (tushiya) = in de storm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: תּוּשִׁיָּה (tushiyyah) betekent gewoonlijk ‘inzicht, succes’, maar hier wordt ‘storm’ (van שׁוֹאָה, so’ah) bedoeld. Wij kiezen ‘storm’, zoals sommige oude vertalingen. Zie ook: Job 9:17; Job 27:21; Ps 1:4; Hos 13:3; Ezech 5:2 **30:23** Want ik weet dat U mij naar de dood terugbrengt, naar het huis dat voor alle levenden is bestemd. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יָ֭דַעְתִּי (yadati) = ik weet | מָ֣וֶת (mavet) = naar de dood | תְּשִׁיבֵ֑נִי (teshiveni) = brengt U mij terug | וּבֵ֖ית (uveit) = en naar het huis van | מוֹעֵ֣ד (moed) = bijeenkomst | לְכָל (lekhal) = voor alle | חָֽי (chay) = levenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Het huis van bijeenkomst voor alle levenden’ is het graf of dodenrijk, waar iedereen heen gaat (Pred. 12:5). Zie ook: Job 14:5; Pred 8:8; Pred 9:5; Pred 12:5–7; Heb 9:27 **30:24** Toch strekt niemand zijn hand uit naar een puinhoop, wanneer men in zijn ondergang om hulp roept. Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = maar | לֹא (lo) = niet | בְ֭עִי (bei) = naar een ruïne | יִשְׁלַח (yishlach) = strekt hij uit | יָ֑ד (yad) = hand | אִם (im) = indien | בְּ֝פִיד֗וֹ (befido) = bij zijn ondergang | לָהֶ֥ן (lahen) = daarom | שֽׁוּעַ (shua) = hulpgeroep Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Dit vers is moeilijk en onzeker. Wij begrijpen: niemand strekt zijn hand uit naar een puinhoop, ook niet als iemand in zijn ondergang om hulp roept. Anderen: ‘Toch strekt niemand zijn hand uit in een ondergang; ze schreeuwen om hulp bij hun verderf.’ Zie ook: Job 19:7; Re 5:31; Ps 35:25; Mat 27:39–44 **30:25** Heb ik niet gehuild om wie een zware dag had? Was mijn ziel niet bedroefd om de behoeftige? Brontekst: אִם (im) = indien | לֹ֣א (lo) = niet | בָ֭כִיתִי (bakhiti) = huilde ik | לִקְשֵׁה (liqshe) = om wie hard had | י֑וֹם (yom) = dag | עָֽגְמָ֥ה (agema) = was bedroefd | נַ֝פְשִׁ֗י (nafshi) = mijn ziel | לָאֶבְיֽוֹן (laevyon) = om de behoeftige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 35:13–14; Spr 19:17; Jer 13:17; Jer 18:20; Rom 12:15 **30:26** Want ik hoopte op het goede, en het kwade kwam. Ik wachtte op licht, en duisternis kwam. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | ט֣וֹב (tov) = goed | קִ֭וִּיתִי (qiviti) = hoopte ik | וַיָּ֣בֹא (vayavo) = en kwam | רָ֑ע (ra) = kwaad | וַֽאֲיַחֲלָ֥ה (vaayachala) = en ik wachtte | לְ֝א֗וֹר (leor) = op licht | וַיָּ֥בֹא (vayavo) = en kwam | אֹֽפֶל (ofel) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:25–26; Ps 97:11; Mi 1:12; Jer 8:15; Jer 14:19 **30:27** Mijn ingewanden koken en zijn niet stil. Dagen van ellende zijn mij tegemoet gekomen. Brontekst: מֵעַ֖י (meay) = mijn ingewanden | רֻתְּח֥וּ (rutechu) = koken | וְלֹא (velo) = en niet | דָ֗מּוּ (damu) = zijn stil | קִדְּמֻ֥נִי (qidemuni) = zijn mij tegemoet gekomen | יְמֵי (yemei) = dagen van | עֹֽנִי (oni) = ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 22:5; Jer 4:19; Jer 31:20; Klaagl 1:20; Klaagl 2:11 **30:28** Zwart ga ik rond, zonder zon. Ik sta op in de vergadering en roep om hulp. Brontekst: קֹדֵ֣ר (qoder) = verduisterd | הִ֭לַּכְתִּי (hilakhti) = ga ik rond | בְּלֹ֣א (belo) = zonder | חַמָּ֑ה (chama) = zon | קַ֖מְתִּי (qamti) = ik sta op | בַקָּהָ֣ל (baqahal) = in de vergadering | אֲשַׁוֵּֽעַ (ashavea) = roep ik om hulp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 38:7; Ps 42:10; Ps 43:2; Jes 53:3–4; Klaagl 3:1–3 **30:29** Een broer ben ik geworden van jakhalzen en een vriend van struisvogels. Brontekst: אָ֭ח (ach) = broer | הָיִ֣יתִי (hayiti) = ben ik geworden | לְתַנִּ֑ים (letanim) = van jakhalzen | וְ֝רֵ֗עַ (verea) = en vriend | לִבְנ֥וֹת (livnot) = van dochters van | יַעֲנָֽה (yaana) = de struisvogel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jakhalzen en struisvogels zijn dieren van de woestijn, bekend om hun klaaggeluid (Mi. 1:8). Job heeft nu alleen de eenzaamheid van de woestijn als gezelschap. Zie ook: Job 17:14; Ps 44:20; Ps 102:7; Mi 1:8; Mal 1:3 **30:30** Mijn huid is zwart geworden en valt van mij af, en mijn beenderen branden van hitte. Brontekst: ע֭וֹרִי (ori) = mijn huid | שָׁחַ֣ר (shachar) = is zwart | מֵעָלָ֑י (mealay) = van mij | וְעַצְמִי (veatsmi) = en mijn bot | חָ֝֗רָה (chara) = brandt | מִנִּי (mini) = van | חֹֽרֶב (chorev) = hitte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 102:4; Ps 119:83; Klaagl 3:4; Klaagl 4:8; Klaagl 5:10 **30:31** Mijn harp is tot rouwklacht geworden en mijn fluit tot de stem van wie wenen.” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en werd | לְ֭אֵבֶל (leevel) = tot rouw | כִּנֹּרִ֑י (kinori) = mijn harp | וְ֝עֻגָבִ֗י (veugavi) = en mijn fluit | לְק֣וֹל (leqol) = tot de stem van | בֹּכִֽים (bokhim) = wenenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 137:1–4; Jes 21:4; Jes 24:7–9; Klaagl 5:15; Dan 6:19 ## Job 31 _Jobs eed van onschuld_ ### Het verbond met mijn ogen **31:1** „Een verbond sloot ik met mijn ogen. Hoe zou ik dan naar een maagd kijken? Brontekst: בְּ֭רִית (berit) = verbond | כָּרַ֣תִּי (karati) = sloot ik | לְעֵינָ֑י (leeinay) = met mijn ogen | וּמָ֥ה (uma) = en hoe | אֶ֝תְבּוֹנֵ֗ן (etbonen) = zou ik kijken | עַל (al) = naar | בְּתוּלָֽה (betula) = een maagd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 31 is Jobs eed van onschuld: een reeks voorwaardelijke zinnen (‘Als ik … dan …’). Hij noemt wellust (1–4), bedrog (5–8), overspel (9–12), onrecht tegen knechten (13–15), verwaarlozing van armen (16–23), afgoderij van rijkdom en gesternten (24–28), vijandschap (29–31), gastvrijheid (32), verbergen van schuld (33–34) en onrecht tegen het land (38–40). Het beantwoordt de beschuldigingen van Elifaz in 22:5–11. Vergelijk Matt. 5:28 (de begerende blik). Zie ook: Ps 119:37; Spr 6:25; Mat 5:28–29; Jak 1:14–15; 1 Joh 2:16 **31:2** Wat zou het deel van Eloah van boven zijn, en het erfdeel van Shaddai uit de hoogte? Brontekst: וּמֶ֤ה (ume) = en wat | חֵ֣לֶק (cheleq) = deel van | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | מִמָּ֑עַל (mimaal) = van boven | וְֽנַחֲלַ֥ת (venachalat) = en erfdeel van | שַׁ֝דַּ֗י (shaday) = Shaddai | מִמְּרֹמִֽים (mimeromim) = uit de hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:29; Job 27:13; Heb 13:4 **31:3** Is het niet ondergang voor de onrechtvaardige en ramp voor wie onrecht doen? Brontekst: הֲלֹא (halo) = niet? | אֵ֥יד (eid) = ondergang | לְעַוָּ֑ל (leaval) = voor de onrechtvaardige | וְ֝נֵ֗כֶר (venekher) = en ramp | לְפֹ֣עֲלֵי (lefoalei) = voor wie doen | אָֽוֶן (aven) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:30; Job 34:22; Ps 73:18; 1 Tess 5:3; Jud 1:7 **31:4** Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn stappen? Brontekst: הֲלֹא (halo) = niet? | ה֭וּא (hu) = Hij | יִרְאֶ֣ה (yire) = ziet | דְרָכָ֑י (derakhay) = mijn wegen | וְֽכָל (vekhal) = en alle | צְעָדַ֥י (tseaday) = mijn stappen | יִסְפּֽוֹר (yispor) = telt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 14:16; Job 34:21; Spr 5:21; Spr 15:3; 2 Kron 16:9 **31:5** Als ik met leugen ben meegegaan en mijn voet naar bedrog is gesneld, Brontekst: אִם (im) = indien | הָלַ֥כְתִּי (halakhti) = ik ging | עִם (im) = met | שָׁ֑וְא (shave) = leugen | וַתַּ֖חַשׁ (vatachash) = en haastte zich | עַל (al) = naar | מִרְמָ֣ה (mirma) = bedrog | רַגְלִֽי (ragli) = mijn voet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 44:21–22; Spr 12:11; Mi 2:11; Jer 2:5; Ezech 13:8 **31:6** laat Hij mij wegen op een eerlijke weegschaal. Dan zal Eloah mijn onberispelijkheid kennen. Brontekst: יִשְׁקְלֵ֥נִי (yishqeleni) = moge Hij mij wegen | בְמֹאזְנֵי (bemoznei) = op weegschalen van | צֶ֑דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וְיֵדַ֥ע (veyeda) = en kennen | אֱ֝ל֗וֹהַּ (eloha) = Eloah | תֻּמָּתִֽי (tumati) = mijn onberispelijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job vraagt om een eerlijk onderzoek: ‘een eerlijke weegschaal’. Hij is zeker van zijn zaak, zoals ook de rest van het hoofdstuk laat zien. Zie ook: 1 Sam 2:3; Ps 7:9–10; Jes 26:7; Dan 5:27; Mat 7:23 **31:7** Als mijn stap van de weg is afgeweken en mijn hart mijn ogen is gevolgd, en aan mijn handen een vlek is blijven kleven, Brontekst: אִ֥ם (im) = indien | תִּטֶּ֣ה (tite) = afweek | אַשֻּׁרִי֮ (ashuri) = mijn schrede | מִנִּ֪י (mini) = van | הַ֫דָּ֥רֶךְ (hadarekh) = de weg | וְאַחַ֣ר (veachar) = en na | עֵ֭ינַי (einay) = mijn ogen | הָלַ֣ךְ (halakh) = ging | לִבִּ֑י (libi) = mijn hart | וּ֝בְכַפַּ֗י (uvekhapay) = en aan mijn handen | דָּ֣בַק (davaq) = kleefde | מֻאֽוּם (muum) = een vlek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 15:39; Pred 11:9; Jes 33:15; Ezech 14:7; Mat 5:29 **31:8** laat mij dan zaaien en een ander eten, en laat mijn nakomelingen ontworteld worden. Brontekst: אֶ֭זְרְעָה (ezrea) = laat mij zaaien | וְאַחֵ֣ר (veacher) = en een ander | יֹאכֵ֑ל (yokhel) = eet | וְֽצֶאֱצָאַ֥י (vetseetsaay) = en mijn nakomelingen | יְשֹׁרָֽשׁוּ (yeshorashu) = worden ontworteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:30; Lev 26:16; Deut 28:38; Ps 109:13; Mi 6:15 **31:9** Als mijn hart is verleid door een vrouw en ik bij de deur van mijn naaste op de loer heb gelegen, Brontekst: אִם (im) = indien | נִפְתָּ֣ה (nifta) = verleid werd | לִ֭בִּי (libi) = mijn hart | עַל (al) = door | אִשָּׁ֑ה (isha) = een vrouw | וְעַל (veal) = en bij | פֶּ֖תַח (petach) = de deur van | רֵעִ֣י (rei) = mijn naaste | אָרָֽבְתִּי (aravti) = ik op de loer lag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 16:5; Spr 2:16–19; Pred 7:26; 1 Kon 11:4; Jer 5:8 **31:10** laat mijn vrouw dan voor een ander malen, en laten anderen zich over haar buigen. Brontekst: תִּטְחַ֣ן (titchan) = laat malen | לְאַחֵ֣ר (leacher) = voor een ander | אִשְׁתִּ֑י (ishti) = mijn vrouw | וְ֝עָלֶ֗יהָ (vealeiha) = en over haar | יִכְרְע֥וּן (yikhreun) = zich bukken | אֲחֵרִֽין (acherin) = anderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Malen voor een ander’ is het werk van een slavin (Ex. 11:5; Jes. 47:2) en hier ook een eufemisme voor seksuele onderwerping aan een andere man. Zie ook: Ex 11:5; Deut 28:30; 2 Sam 12:11; Jes 47:2; Jer 8:10 **31:11** Want dat is schandelijk, een misdaad die rechters moeten straffen. Brontekst: כִּי (ki) = want | הִ֥יא (hi) = dit | זִמָּ֑ה (zima) = is schandelijk | וְ֝ה֗וּא (vehu) = en dit | עָוֺ֥ן (avon) = schuld voor | פְּלִילִֽים (pelilim) = rechters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 38:24; Job 31:28; Ex 20:14; Lev 20:10; Deut 22:22–24 **31:12** Want het is een vuur dat tot de Afgrond verteert, en mijn hele oogst zou het ontwortelen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | הִ֭יא (hi) = het is | עַד (ad) = tot | אֲבַדּ֣וֹן (avadon) = de Afgrond | תֹּאכֵ֑ל (tokhel) = dat verteert | וּֽבְכָל (uvekhal) = en heel | תְּב֖וּאָתִ֣י (tevuati) = mijn opbrengst | תְשָׁרֵֽשׁ (tesharesh) = zou ontwortelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:30; Spr 3:33; Spr 6:27; Jer 5:7–9; Mal 3:5 ### Recht voor dienaar en slavin **31:13** Als ik het recht van mijn dienaar of mijn slavin heb veracht toen ze een zaak tegen mij hadden, Brontekst: אִם (im) = indien | אֶמְאַ֗ס (emas) = ik verachtte | מִשְׁפַּ֣ט (mishpat) = het recht van | עַ֭בְדִּי (avdi) = mijn dienaar | וַאֲמָתִ֑י (vaamati) = en mijn slavin | בְּ֝רִבָ֗ם (berivam) = toen ze twistten | עִמָּדִֽי (imadi) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 21:20–21; Lev 25:43; Deut 15:12–15; Ef 6:9; Kol 4:1 **31:14** wat zou ik dan doen als El opstaat? En als Hij komt kijken, wat zou ik Hem antwoorden? Brontekst: וּמָ֣ה (uma) = en wat | אֶֽ֭עֱשֶׂה (eese) = zou ik doen | כִּֽי (ki) = als | יָק֣וּם (yaqum) = opstaat | אֵ֑ל (el) = El | וְכִֽי (vekhi) = en als | יִ֝פְקֹ֗ד (yifqod) = Hij onderzoekt | מָ֣ה (ma) = wat | אֲשִׁיבֶֽנּוּ (ashivenu) = zou ik Hem antwoorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 9:13; Ps 9:20; Ps 10:12–15; Zach 2:17; Jak 2:13 **31:15** Heeft Hij die mij in de buik maakte, niet ook hem gemaakt? Heeft niet Dezelfde ons in de schoot gevormd? Brontekst: הֲֽ֝לֹא (halo) = niet? | בַ֭בֶּטֶן (babeten) = in de buik | עֹשֵׂ֣נִי (oseni) = maakte mij | עָשָׂ֑הוּ (asahu) = maakte hem | וַ֝יְכֻנֶ֗נּוּ (vaykhunenu) = en vormde ons | בָּרֶ֥חֶם (barechem) = in de schoot | אֶחָֽד (echad) = Dezelfde (één) Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job gaat uit van de gelijkheid van alle mensen, ook van slaven: dezelfde Schepper heeft ons gevormd. Vergelijk Spr. 14:31; 22:2; Mal. 2:10. Vergelijk ook Ef. 6:9. Zie ook: Job 10:8–12; Job 34:19; Spr 14:31; Spr 22:2; Mal 2:10; Ef 6:9 ### Zorg voor de arme **31:16** Als ik de wens van de armen heb geweigerd en de ogen van de weduwe heb laten smachten, Brontekst: אִם (im) = indien | אֶ֭מְנַע (emna) = ik weigerde | מֵחֵ֣פֶץ (mechefets) = de wens van | דַּלִּ֑ים (dalim) = armen | וְעֵינֵ֖י (veeinei) = en ogen van | אַלְמָנָ֣ה (almana) = een weduwe | אֲכַלֶּֽה (akhale) = liet smachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:7–9; Deut 15:7–10; Ps 69:4; Jes 38:14; Klaagl 4:17 **31:17** en alleen mijn brood heb gegeten zonder dat de wees ervan at, Brontekst: וְאֹכַ֣ל (veokhal) = en at | פִּתִּ֣י (piti) = mijn brood | לְבַדִּ֑י (levadi) = alleen | וְלֹא (velo) = en niet | אָכַ֖ל (akhal) = at | יָת֣וֹם (yatom) = de wees | מִמֶּֽנָּה (mimena) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 29:12–16; Deut 15:11; Neh 8:10; Joh 13:29; Rom 12:13 **31:18** terwijl hij van jongs af bij mij opgroeide als bij een vader, en ik vanaf de schoot van mijn moeder haar geleid heb, Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מִ֭נְּעוּרַי (mineuray) = van jongs af | גְּדֵלַ֣נִי (gedelani) = groeide hij op bij mij | כְאָ֑ב (keav) = als bij een vader | וּמִבֶּ֖טֶן (umibeten) = en vanaf de buik van | אִמִּ֣י (imi) = mijn moeder | אַנְחֶֽנָּה (anchena) = leidde ik haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:19** als ik iemand omkomen zag zonder kleding, of een behoeftige zonder dekking, Brontekst: אִם (im) = indien | אֶרְאֶ֣ה (ere) = ik zie | א֭וֹבֵד (oved) = een omkomende | מִבְּלִ֣י (mibeli) = zonder | לְב֑וּשׁ (levush) = kleding | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is er | כְּ֝ס֗וּת (kesut) = dekking | לָאֶבְיֽוֹן (laevyon) = voor een behoeftige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:6; 2 Kron 28:15; Mat 25:43; Luc 3:11; 1 Joh 3:18 **31:20** als zijn heupen mij niet gezegend hebben en hij zich niet warmde aan de vacht van mijn schapen, Brontekst: אִם (im) = indien | לֹ֣א (lo) = niet | בֵרֲכ֣וּנִי (berakhuni) = zegenden mij | חֲלָצָ֑יו (chalatsav) = zijn heupen | וּמִגֵּ֥ז (umigez) = en met de vacht van | כְּ֝בָשַׂי (kevasay) = mijn schapen | יִתְחַמָּֽם (yitchamam) = hij zich warmde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 29:11; Deut 24:13 **31:21** als ik mijn hand heb opgeheven tegen een wees omdat ik in de poort steun voor mij zag, Brontekst: אִם (im) = indien | הֲנִיפ֣וֹתִי (hanifoti) = ik zwaaide | עַל (al) = tegen | יָת֣וֹם (yatom) = een wees | יָדִ֑י (yadi) = mijn hand | כִּֽי (ki) = omdat | אֶרְאֶ֥ה (ere) = ik zag | בַ֝שַּׁ֗עַר (bashaar) = in de poort | עֶזְרָתִֽי (ezrati) = mijn hulp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:27; Job 22:9; Job 24:9; Job 29:12; Mi 7:3 **31:22** laat dan mijn schouder van het schouderblad vallen en mijn arm uit zijn gewricht breken. Brontekst: כְּ֭תֵפִי (ketefi) = mijn schouder | מִשִּׁכְמָ֣ה (mishikhma) = van het schouderblad | תִפּ֑וֹל (tipol) = valle | וְ֝אֶזְרֹעִ֗י (veezroi) = en mijn arm | מִקָּנָ֥ה (miqana) = uit zijn kom | תִשָּׁבֵֽר (tishaver) = breke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:10; Job 31:40; Job 38:15; Joz 22:22–23; Ps 7:5–6 **31:23** Want de angst voor de ramp van El was voor mij een schrik, en tegen Zijn majesteit zou ik niets kunnen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | פַ֣חַד (pachad) = schrik | אֵ֭לַי (elay) = voor mij | אֵ֣יד (eid) = ramp van | אֵ֑ל (el) = El | וּ֝מִשְּׂאֵת֗וֹ (umiseeto) = en voor Zijn majesteit | לֹ֣א (lo) = niet | אוּכָֽל (ukhal) = zou ik kunnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:11; Ps 76:8; Ps 119:120; Jes 13:6; 2 Kor 5:11 ### Geen vertrouwen in goud **31:24** Als ik goud tot mijn vertrouwen heb gemaakt en tegen het fijne goud heb gezegd: ‘Mijn zekerheid’, Brontekst: אִם (im) = indien | שַׂ֣מְתִּי (samti) = ik stelde | זָהָ֣ב (zahav) = goud | כִּסְלִ֑י (kisli) = mijn vertrouwen | וְ֝לַכֶּ֗תֶם (velaketem) = en tegen fijn goud | אָמַ֥רְתִּי (amarti) = zei ik | מִבְטַחִֽי (mivtachi) = mijn zekerheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job verwerpt het vertrouwen in goud (vergelijk 22:23–25) en in de gesternten (vers 26–28). Dat laatste kan zonnedienst en maandienst bedoelen: de hand die de mond kust is een gebaar van aanbidding naar zon of maan. Zie ook: Deut 8:12–14; Ps 49:7–8; Ps 52:9; Ps 62:11; Spr 11:28 **31:25** als ik mij heb verheugd dat mijn rijkdom groot was en mijn hand veel had verworven, Brontekst: אִם (im) = indien | אֶ֭שְׂמַח (esmach) = ik me verheugde | כִּי (ki) = dat | רַ֣ב (rav) = groot was | חֵילִ֑י (cheili) = mijn vermogen | וְכִֽי (vekhi) = en dat | כַ֝בִּ֗יר (kabir) = veel | מָצְאָ֥ה (matsea) = had gevonden | יָדִֽי (yadi) = mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 8:17–18; Ps 62:11; Jes 10:13–14; Ezech 28:5; Dan 4:27 **31:26** als ik naar het licht keek hoe het scheen en naar de maan die prachtig voortging, Brontekst: אִם (im) = indien | אֶרְאֶ֣ה (ere) = ik zag | א֖וֹר (or) = het licht | כִּ֣י (ki) = hoe | יָהֵ֑ל (yahel) = het scheen | וְ֝יָרֵ֗חַ (veyareach) = en maan | יָקָ֥ר (yaqar) = prachtig | הֹלֵֽךְ (holekh) = voortging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Verering van zon en maan was in het Oude Nabije Oosten verbreid; de wet verbiedt haar (Deut. 4:19; 17:3; 2 Kon. 23:5). Zie ook: Deut 4:19; Deut 17:3; 2 Kon 23:5; Jer 8:2; Ezech 8:16 **31:27** en mijn hart in het geheim werd verleid en mijn hand mijn mond kuste, Brontekst: וַיִּ֣פְתְּ (vayift) = en verleid werd | בַּסֵּ֣תֶר (baseter) = in het geheim | לִבִּ֑י (libi) = mijn hart | וַתִּשַּׁ֖ק (vatishaq) = en kuste | יָדִ֣י (yadi) = mijn hand | לְפִֽי (lefi) = mijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 11:16; Deut 13:7; Ps 2:12; Jes 44:20; Rom 1:28 **31:28** ook dat zou een misdaad voor rechters zijn, want dan zou ik El hierboven hebben verloochend. Brontekst: גַּם (gam) = ook | ה֭וּא (hu) = dit | עָוֺ֣ן (avon) = schuld van | פְּלִילִ֑י (pelili) = een rechter (strafbaar) | כִּֽי (ki) = want | כִחַ֖שְׁתִּי (kichashti) = ik zou verloochend hebben | לָאֵ֣ל (lael) = El | מִמָּֽעַל (mimaal) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Alle vormen van afgoderij zijn ‘een misdaad voor rechters’: zij verloochenen El hierboven. Zie ook: Job 23:7; Job 31:11; Deut 17:2–7; Re 11:27; Ps 50:6 ### Geen vreugde over de ondergang van een vijand **31:29** Als ik mij heb verheugd over de ondergang van wie mij haatten en opgewonden was toen het kwaad hem trof, Brontekst: אִם (im) = indien | אֶ֭שְׂמַח (esmach) = ik me verheugde | בְּפִ֣יד (befid) = over de ondergang van | מְשַׂנְאִ֑י (mesani) = mijn haters | וְ֝הִתְעֹרַ֗רְתִּי (vehitorarti) = en opgewonden was | כִּֽי (ki) = omdat | מְצָ֥אוֹ (metsao) = trof hem | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 35:13–14; Ps 35:25–26; Spr 17:5; Spr 24:17–18; Ob 1:12 **31:30** maar ik heb mijn gehemelte niet laten zondigen door zijn leven met een vloek te vragen, Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | נָתַ֣תִּי (natati) = gaf ik | לַחֲטֹ֣א (lachato) = om te zondigen | חִכִּ֑י (chiki) = mijn gehemelte | לִשְׁאֹ֖ל (lishol) = door te vragen | בְּאָלָ֣ה (beala) = met een vloek | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:4–5; Mat 5:22; Jak 3:9–10; Rom 12:14; 1 Petr 3:9 **31:31** als de mannen van mijn tent niet hebben gezegd: ‘Wie is er niet verzadigd van zijn vlees geweest?’, Brontekst: אִם (im) = indien | לֹ֣א (lo) = niet | אָ֭מְרוּ (ameru) = zeiden | מְתֵ֣י (metei) = mannen van | אָהֳלִ֑י (aholi) = mijn tent | מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֥ן (yiten) = geeft | מִ֝בְּשָׂר֗וֹ (mibesaro) = van zijn vlees | לֹ֣א (lo) = niet | נִשְׂבָּֽע (nisba) = zijn verzadigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:22; 1 Sam 24:11; 1 Sam 26:8; 2 Sam 16:9–10; Mi 3:2–3 **31:32** en de vreemdeling overnachtte niet buiten, maar ik opende mijn deuren voor de reiziger, Brontekst: בַּ֭חוּץ (bachuts) = buiten | לֹא (lo) = niet | יָלִ֣ין (yalin) = overnachtte | גֵּ֑ר (ger) = een vreemdeling | דְּ֝לָתַ֗י (delatay) = mijn deuren | לָאֹ֥רַח (laorach) = voor de reiziger | אֶפְתָּֽח (eftach) = opende ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gastvrijheid voor de vreemdeling: vergelijk Gen. 19:1–3 en Hebr. 13:2. Zie ook: Gen 19:1–3; Gen 19:2–3; Re 19:20–21; Jes 58:7; Mat 25:35; Heb 13:2 **31:33** als ik mijn overtredingen heb bedekt zoals Adam, door mijn schuld in mijn boezem te verbergen, Brontekst: אִם (im) = indien | כִּסִּ֣יתִי (kisiti) = ik bedekte | כְאָדָ֣ם (keadam) = zoals Adam | פְּשָׁעָ֑י (peshaay) = mijn overtredingen | לִטְמ֖וֹן (litmon) = door te verbergen | בְּחֻבִּ֣י (bechubi) = in mijn boezem | עֲוֺֽנִי (avoni) = mijn schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: כְּאָדָם (ke’adam), ‘zoals Adam’ of ‘zoals mensen’. Het woord אָדָם zonder lidwoord is soms de eigennaam van de eerste mens (Gen. 4:25), maar kan ook ‘een mens’ betekenen. Bij ‘zoals Adam’ denkt men aan Gen. 3:7–12, waar de eerste mens zijn schuld verborg en Eva de schuld gaf; bij ‘zoals mensen’ gaat het om de gewone menselijke neiging tot verbergen. Hos. 6:7 gebruikt dezelfde vorm (‘zij hebben het verbond overtreden zoals Adam’) en wordt eveneens verschillend gelezen. Wij kiezen ‘zoals Adam’, omdat het beeld van het verbergen in de boezem (vers 33) goed past bij Gen. 3:8. Zie ook: Gen 3:7–12; Gen 3:8; Gen 3:12; Gen 4:25; Spr 28:13; Hos 6:7; Hand 5:8; 1 Joh 1:8–10 **31:34** omdat ik de grote menigte vreesde en de minachting van families mij schrik aanjoeg, zodat ik zweeg en de deur niet uitging... Brontekst: כִּ֤י (ki) = omdat | אֶֽעֱר֨וֹץ (eerots) = ik vreesde | הָ֘מ֤וֹן (hamon) = menigte | רַבָּ֗ה (raba) = grote | וּבוּז (uvuz) = en minachting van | מִשְׁפָּח֥וֹת (mishpachot) = families | יְחִתֵּ֑נִי (yechiteni) = deed mij schrikken | וָ֝אֶדֹּ֗ם (vaedom) = en ik zweeg | לֹא (lo) = niet | אֵ֥צֵא (etse) = ging ik uit | פָֽתַח (patach) = deur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 23:2; Spr 29:25; Neh 13:4–8; Neh 13:28; Mat 27:20–26 ### Mijn handtekening: Shaddai moge antwoorden **31:35** Was er maar iemand die naar mij luisterde! Zie, hier is mijn handtekening: laat Shaddai mij antwoorden. Was er maar een geschrift dat mijn tegenstander heeft geschreven! Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | יִתֶּן (yiten) = geeft | לִ֨י (li) = mij | שֹׁ֘מֵ֤עַֽ (shomea) = iemand die hoort | לִ֗י (li) = naar mij | הֶן (hen) = zie | תָּ֭וִי (tavi) = mijn handtekening | שַׁדַּ֣י (shaday) = Shaddai | יַעֲנֵ֑נִי (yaaneni) = moge antwoorden mij | וְסֵ֥פֶר (vesefer) = en een geschrift | כָּ֝תַ֗ב (katav) = schreef | אִ֣ישׁ (ish) = de man | רִיבִֽי (rivi) = van mijn geschil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּו (taw), ‘teken’ of ‘handtekening’, is de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet; in het oude schrift was die als een kruisje (‘X’) geschreven, het merkteken waarmee een rechtszaak werd ondertekend. Job zet zijn handtekening onder zijn verweer en verlangt dat Shaddai antwoordt. Dit is de grote wending van het boek: dit verlangen wordt vervuld in hoofdstuk 38. Zie ook: Job 13:21–22; Job 13:24; Job 17:3; Job 19:23–24; Job 40:4–5 **31:36** Voorzeker zou ik het op mijn schouder dragen, ik zou het als kroon om mij binden. Brontekst: אִם (im) = indien | לֹ֣א (lo) = niet | עַל (al) = op | שִׁ֭כְמִי (shikhmi) = mijn schouder | אֶשָּׂאֶ֑נּוּ (esaenu) = zou ik het dragen | אֶֽעֶנְדֶ֖נּוּ (eendenu) = zou ik het omwinden | עֲטָר֣וֹת (atarot) = kronen | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De volgorde van vers 35–37 is in de Masoretische tekst zo. Sommige uitleggers plaatsen vers 36–37 vóór vers 35. Job zegt: een aanklacht van de tegenpartij zou hij trots dragen als een kroon, want hij heeft niets te verbergen. Zie ook: Job 29:14; Ex 28:12; Jes 22:22; Jes 62:3; Fil 4:1 **31:37** Het getal van mijn stappen zou ik Hem meedelen, als een vorst zou ik Hem naderen. Brontekst: מִסְפַּ֣ר (mispar) = getal van | צְ֭עָדַי (tseaday) = mijn stappen | אַגִּידֶ֑נּוּ (agidenu) = zou ik meedelen | כְּמוֹ (kemo) = als | נָ֝גִ֗יד (nagid) = een vorst | אֲקָרֲבֶֽנּוּ (aqaravenu) = zou ik Hem naderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:3; Job 13:15; Ef 3:12; Heb 4:15–16; 1 Joh 3:19–21 **31:38** Als mijn grond over mij schreeuwt en haar voren samen huilen, Brontekst: אִם (im) = indien | עָ֭לַי (alay) = over mij | אַדְמָתִ֣י (admati) = mijn grond | תִזְעָ֑ק (tizaq) = schreeuwt | וְ֝יַ֗חַד (veyachad) = en samen | תְּלָמֶ֥יהָ (telameiha) = haar voren | יִבְכָּיֽוּן (yivkayun) = huilen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 20:27; Ps 65:14; Hab 2:11; Jak 5:4 **31:39** als ik haar opbrengst zonder betaling heb gegeten en de ziel van haar eigenaars heb laten hijgen, Brontekst: אִם (im) = indien | כֹּ֭חָהּ (kochah) = haar opbrengst | אָכַ֣לְתִּי (akhalti) = ik at | בְלִי (beli) = zonder | כָ֑סֶף (kasef) = geld | וְנֶ֖פֶשׁ (venefesh) = en de ziel van | בְּעָלֶ֣יהָ (bealeiha) = haar eigenaars | הִפָּֽחְתִּי (hipachti) = liet hijgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 21:13–16; 1 Kon 21:19; Jes 26:21; Ezech 22:6; Jak 5:4 **31:40** laat dan distels voor tarwe groeien en onkruid voor gerst.” Hier eindigen de woorden van Job. Brontekst: תַּ֤חַת (tachat) = in plaats van | חִטָּ֨ה (chita) = tarwe | יֵ֥צֵא (yetse) = groeie | ח֗וֹחַ (choach) = distel | וְתַֽחַת (vetachat) = en in plaats van | שְׂעֹרָ֥ה (seora) = gerst | בָאְשָׁ֑ה (baesha) = onkruid | תַּ֝֗מּוּ (tamu) = zijn ten einde | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | אִיּֽוֹב (iyov) = Job Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Hier eindigen de woorden van Job’: een opmerking van de schrijver. Daarna begint Elihu te spreken (hoofdstukken 32–37), en vanaf hoofdstuk 38 antwoordt Yahweh. Zie ook: Gen 3:17–18; Ps 72:20; Jes 7:23; Sef 2:9; Mal 1:3 ## Job 32 _Elihu begint te spreken_ ### Het zwijgen van de drie vrienden **32:1** Toen hielden deze drie mannen op Job te antwoorden, omdat hij rechtvaardig was in zijn eigen ogen. Brontekst: וַֽיִּשְׁבְּת֡וּ (vayishbetu) = en hielden op | שְׁלֹ֤שֶׁת (sheloshet) = drie | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | הָ֭אֵלֶּה (haele) = deze | מֵעֲנ֣וֹת (meanot) = te antwoorden | אֶת (et) = (obj.) | אִיּ֑וֹב (iyov) = Job | כִּ֤י (ki) = omdat | ה֖וּא (hu) = hij | צַדִּ֣יק (tsadiq) = rechtvaardig | בְּעֵינָֽיו (beeinav) = in zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 10:2; Job 10:7; Job 13:15; Job 27:4–6; Job 33:9 **32:2** Maar de toorn van Elihu, de zoon van Barachel, de Buziet, uit het geslacht van Ram, ontbrandde. Tegen Job ontbrandde zijn toorn, omdat hij zichzelf rechtvaardiger achtte dan Elohim. Brontekst: וַיִּ֤חַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֨ף (af) = toorn | אֱלִיה֣וּא (elihu) = van Elihu | בֶן (ben) = zoon van | בַּרַכְאֵ֣ל (barakhel) = Barachel | הַבּוּזִי֮ (habuzi) = de Buziet | מִמִּשְׁפַּ֪חַ֫ת (mimishpachat) = uit het geslacht van | רָ֥ם (ram) = Ram | בְּ֭אִיּוֹב (beiyov) = tegen Job | חָרָ֣ה (chara) = ontbrandde | אַפּ֑וֹ (apo) = zijn toorn | עַֽל (al) = omdat | צַדְּק֥וֹ (tsadeqo) = zijn rechtvaardigen van | נַ֝פְשׁ֗וֹ (nafsho) = zichzelf | מֵאֱלֹהִֽים (meElohim) = meer dan Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Buz (בּוּז) is de naam van een zoon van Nahor (Gen. 22:21) en van een stam of streek in het noorden van Arabië (Jer. 25:23), bij Dedan en Tema. ‘Ram’ komt als naam voor in de stamboom van Juda (Rut 4:19). ‘Uit het geslacht van Ram’ wijst naar een geslacht in Buz. Voetnoot Uitleg: Elihu wordt als enige in het boek zo uitvoerig voorgesteld: met vader, plaats en geslacht. De naam Elihu betekent ‘Mijn El is Hij’. Hij wordt eerder niet genoemd en ook in de epiloog (42:7–9) niet. Zie ook: Gen 22:21; Job 27:5; Job 35:2; Job 40:8; Ruth 4:19; Jer 25:23; Ef 4:26 **32:3** Ook tegen zijn drie vrienden ontbrandde zijn toorn, omdat zij geen antwoord hadden gevonden en toch Job schuldig verklaarden. Brontekst: וּבִשְׁלֹ֣שֶׁת (uvishloshet) = en tegen drie | רֵעָיו֮ (reav) = zijn vrienden | חָרָ֪ה (chara) = ontbrandde | אַ֫פּ֥וֹ (apo) = zijn toorn | עַ֤ל (al) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | מָצְא֣וּ (matseu) = zij vonden | מַעֲנֶ֑ה (maane) = antwoord | וַ֝יַּרְשִׁ֗יעוּ (vayarshiu) = en zij verklaarden schuldig | אֶת (et) = (obj.) | אִיּֽוֹב (iyov) = Job Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Volgens een oude Joodse overlevering (tikkun soferim, ‘verbetering van de schrijvers’) stond hier oorspronkelijk ‘zij verklaarden Elohim schuldig’ en hebben de schrijvers dat uit eerbied veranderd in ‘Job’. Wij vertalen de Masoretische tekst, die ‘Job’ heeft. Zie ook: Job 8:6; Job 22:5–30; Job 24:25; Job 26:2–4; Job 32:1 **32:4** Elihu had gewacht met zijn woorden aan Job, omdat zij ouder waren dan hij in dagen. Brontekst: וֶֽאֱלִיה֗וּ (veelihu) = en Elihu | חִכָּ֣ה (chika) = wachtte | אֶת (et) = (obj.) | אִ֭יּוֹב (iyov) = Job | בִּדְבָרִ֑ים (bidvarim) = met woorden | כִּ֤י (ki) = omdat | זְֽקֵנִים (zeqenim) = oudere | הֵ֖מָּה (hema) = zij | מִמֶּ֣נּוּ (mimenu) = dan hij | לְיָמִֽים (leyamim) = in dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu wachtte, zoals het goed gebruik was, tot de ouderen hadden gesproken. Dat past bij de leeftijdsvolgorde die ook in 15:10 en 29:8 wordt genoemd. Zie ook: Job 32:11–12; Spr 18:13 **32:5** Maar Elihu zag dat er geen antwoord was in de mond van de drie mannen, en zijn toorn ontbrandde. Brontekst: וַיַּ֤רְא (vayar) = en zag | אֱלִיה֗וּא (elihu) = Elihu | כִּ֘י (ki) = dat | אֵ֤ין (ein) = niet is | מַעֲנֶ֗ה (maane) = antwoord | בְּ֭פִי (befi) = in de mond van | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = mannen | וַיִּ֥חַר (vayichar) = en ontbrandde | אַפּֽוֹ (apo) = zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 32:2; Ex 32:19 ### Elihu: ‘Ik ben jong’ **32:6** Elihu, de zoon van Barachel, de Buziet, antwoordde en zei: „Jong ben ik in dagen en u bent grijsaards; daarom aarzelde ik en vreesde ik u mijn kennis te tonen. Brontekst: וַיַּ֤עַן (vayaan) = en antwoordde | אֱלִיה֖וּא (elihu) = Elihu | בֶן (ben) = zoon van | בַּֽרַכְאֵ֥ל (barakhel) = Barachel | הַבּוּזִ֗י (habuzi) = de Buziet | וַיֹּ֫אמַ֥ר (vayomar) = en zei | צָ֘עִ֤יר (tsair) = jong | אֲנִ֣י (ani) = ik | לְ֭יָמִים (leyamim) = in dagen | וְאַתֶּ֣ם (veatem) = en u | יְשִׁישִׁ֑ים (yeshishim) = grijsaards | עַל (al) = daarom | כֵּ֖ן (ken) = zo | זָחַ֥לְתִּי (zachalti) = aarzelde ik | וָֽאִירָ֓א (vaira) = en vreesde ik | מֵחַוֺּ֖ת (mechavot) = te tonen | דֵּעִ֣י (dei) = mijn kennis | אֶתְכֶֽם (etkhem) = u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Buz: Buz lag in het noorden van Arabië, bij Dedan en Tema (Jeremia 25:23); de ligging is onzeker. Zie ook: Job 15:10; Rom 13:7; 1 Tim 5:1; Tit 2:6; 1 Petr 5:5 **32:7** Ik zei: ‘Laat de dagen spreken en de vele jaren wijsheid verkondigen.’ Brontekst: אָ֭מַרְתִּי (amarti) = ik zei | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | יְדַבֵּ֑רוּ (yedaberu) = laten spreken | וְרֹ֥ב (verov) = en menigte van | שָׁ֝נִ֗ים (shanim) = jaren | יֹדִ֥יעוּ (yodiu) = laat verkondigen | חָכְמָֽה (chakhema) = wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:8–10; Job 12:12; Spr 1:1–4; Spr 16:31; Heb 5:12 **32:8** Maar het is de geest in de mens, de adem van Shaddai, die hen inzicht geeft. Brontekst: אָ֭כֵן (akhen) = waarlijk | רֽוּחַ (ruach) = geest | הִ֣יא (hi) = zij | בֶאֱנ֑וֹשׁ (beenosh) = in de mens | וְנִשְׁמַ֖ת (venishmat) = en adem van | שַׁדַּ֣י (shaday) = Shaddai | תְּבִינֵֽם (tevinem) = geeft hun inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu beroept zich niet op ouderdom of traditie, maar op de geest (ruach) in de mens en de adem (nishmat) van Shaddai. Vergelijk Gen. 2:7 en Job 33:4; 34:14–15. Zie ook: Gen 2:7; Job 33:4; Job 34:14; Job 38:36; Spr 2:6; Jak 1:5; 2 Tim 3:16 **32:9** Niet de oudsten zijn wijs, en niet de bejaarden begrijpen het recht. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | רַבִּ֥ים (rabim) = velen | יֶחְכָּ֑מוּ (yechkamu) = zijn wijs | וּ֝זְקֵנִ֗ים (uzeqenim) = en oudsten | יָבִ֥ינוּ (yavinu) = begrijpen | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:20; Pred 4:13; Mat 11:25; 1 Kor 1:26–27; 1 Kor 2:7–8 **32:10** Daarom zeg ik: ‘Luister naar mij, ook ik zal mijn kennis tonen.’ Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | אָ֭מַרְתִּי (amarti) = zeg ik | שִׁמְעָה (shima) = luister | לִּ֑י (li) = naar mij | אֲחַוֶּ֖ה (achave) = ik zal tonen | דֵּעִ֣י (dei) = mijn kennis | אַף (af) = ook | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 7:25; 1 Kor 7:40 ### Ik heb gewacht op uw woorden **32:11** Zie, ik heb gewacht op uw woorden, ik luisterde naar uw inzichten, totdat u woorden gevonden zou hebben. Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | הוֹחַ֨לְתִּי (hochalti) = ik wachtte | לְֽדִבְרֵיכֶ֗ם (ledivreikhem) = op uw woorden | אָ֭זִין (azin) = ik luisterde | עַד (ad) = naar | תְּב֥וּנֹֽתֵיכֶ֑ם (tevunoteikhem) = uw inzichten | עַֽד (ad) = totdat | תַּחְקְר֥וּן (tachqerun) = u zoekt | מִלִּֽין (milin) = woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:27; Job 32:4; Spr 18:17; Spr 28:11; Pred 12:9–10 **32:12** Ik lette goed op u, en zie, er was niemand die Job weerlegde, niemand van u die zijn woorden beantwoordde. Brontekst: וְעָֽדֵיכֶ֗ם (veadeikhem) = en tot u | אֶתְבּ֫וֹנָ֥ן (etbonan) = let ik op | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | אֵ֣ין (ein) = niet is | לְאִיּ֣וֹב (leiyov) = voor Job | מוֹכִ֑יחַ (mokhiach) = een die weerlegt | עוֹנֶ֖ה (one) = die antwoordt | אֲמָרָ֣יו (amarav) = zijn woorden | מִכֶּֽם (mikem) = van u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 32:3; 1 Tim 1:7 **32:13** Zeg niet: ‘Wij hebben wijsheid gevonden; El moet hem weerleggen, niet een mens.’ Brontekst: פֶּן (pen) = opdat niet | תֹּ֣֭אמְרוּ (tomru) = u zegt | מָצָ֣אנוּ (matsanu) = wij vonden | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | אֵ֖ל (el) = El | יִדְּפֶ֣נּוּ (yidefenu) = moge hem verjagen | לֹא (lo) = niet | אִֽישׁ (ish) = een man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws kan hier ook worden gelezen: ‘Zeg niet: wij hebben wijsheid gevonden, (alleen) El kan hem overwinnen, niet een mens.’ Elihu verwijt de vrienden dat zij zich achter Elohim verschuilen, terwijl zij zelf geen antwoord hadden. Zie ook: Gen 14:23; Jes 5:21; Jer 9:22; 1 Kor 1:27–29; 1 Kor 3:18 **32:14** Niet tegen mij heeft hij zijn woorden gericht, en met uw woorden zal ik hem niet antwoorden. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | עָרַ֣ךְ (arakh) = richtte hij | אֵלַ֣י (elay) = tot mij | מִלִּ֑ין (milin) = woorden | וּ֝בְאִמְרֵיכֶ֗ם (uveimreikhem) = en met uw woorden | לֹ֣א (lo) = niet | אֲשִׁיבֶֽנּוּ (ashivenu) = zal ik hem antwoorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **32:15** Ze zijn ontzet, ze antwoorden niet meer, de woorden zijn van hen weggenomen. Brontekst: חַ֭תּוּ (chatu) = zij zijn ontzet | לֹא (lo) = niet | עָ֣נוּ (anu) = antwoorden | ע֑וֹד (od) = meer | הֶעְתִּ֖יקוּ (hetiqu) = zijn weggenomen | מֵהֶ֣ם (mehem) = van hen | מִלִּֽים (milim) = woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 7:23; Mat 22:22; Mat 22:26; Mat 22:34; Mat 22:46 **32:16** Moet ik wachten omdat ze niet spreken, omdat ze stilstaan en niet meer antwoorden? Brontekst: וְ֭הוֹחַלְתִּי (vehochalti) = en ik wacht | כִּי (ki) = omdat | לֹ֣א (lo) = niet | יְדַבֵּ֑רוּ (yedaberu) = zij spreken | כִּ֥י (ki) = omdat | עָ֝מְד֗וּ (amedu) = zij staan | לֹא (lo) = niet | עָ֥נוּ (anu) = antwoorden | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:5; Spr 17:28; Amos 5:13; Jak 1:19 **32:17** Ook ik zal mijn deel antwoorden, ook ik zal mijn kennis tonen. Brontekst: אַעֲנֶ֣ה (aane) = ik antwoord | אַף (af) = ook | אֲנִ֣י (ani) = ik | חֶלְקִ֑י (chelqi) = mijn deel | אֲחַוֶּ֖ה (achave) = ik zal tonen | דֵעִ֣י (dei) = kennis | אַף (af) = ook | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 32:10; Job 33:12; Job 35:3–4 ### Ik ben vol van woorden **32:18** Want ik ben vol van woorden, de geest in mijn buik dringt mij. Brontekst: כִּ֭י (ki) = want | מָלֵ֣תִי (maleti) = ik ben vol | מִלִּ֑ים (milim) = van woorden | הֱ֝צִיקַ֗תְנִי (hetsiqatni) = dringt mij | ר֣וּחַ (ruach) = geest van | בִּטְנִֽי (bitni) = mijn buik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 39:4; Jer 20:9; Ezech 3:14–27; Hand 4:20; 2 Kor 5:13–14 **32:19** Zie, mijn buik is als wijn die niet geopend wordt, als nieuwe zakken staat hij op springen. Brontekst: הִנֵּֽה (hine) = zie | בִטְנִ֗י (bitni) = mijn buik | כְּיַ֥יִן (keyayin) = als wijn | לֹא (lo) = niet | יִפָּתֵ֑חַ (yipateach) = geopend wordt | כְּאֹב֥וֹת (keovot) = als zakken | חֲ֝דָשִׁ֗ים (chadashim) = nieuwe | יִבָּקֵֽעַ (yibaqea) = staat te barsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nieuwe wijnzakken werden gemaakt van dierenhuid. Gistende wijn kon de zak doen barsten (Matt. 9:17). Zo voelt Elihu zich: vol van woorden. Zie ook: Mat 9:17 **32:20** Laat mij spreken, dan krijg ik lucht; ik zal mijn lippen openen en antwoorden. Brontekst: אֲדַבְּרָ֥ה (adabera) = ik zal spreken | וְיִֽרְוַֽח (veyirvach) = en lucht krijgen | לִ֑י (li) = voor mij | אֶפְתַּ֖ח (eftach) = ik zal openen | שְׂפָתַ֣י (sefatay) = mijn lippen | וְאֶֽעֱנֶֽה (veeene) = en antwoorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:13; Job 13:19; Job 20:2; Job 21:3; Spr 8:6–7 **32:21** Laat mij toch niemand voortrekken, en geen mens vleiende titels geven. Brontekst: אַל (al) = niet | נָ֭א (na) = toch | אֶשָּׂ֣א (esa) = ik zal aanzien | פְנֵי (penei) = het gezicht van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וְאֶל (veel) = en tegen | אָ֝דָ֗ם (adam) = een mens | לֹ֣א (lo) = niet | אֲכַנֶּֽה (akhane) = zal ik vleien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:8; Job 34:19; Lev 19:15; Mat 22:16; Hand 24:2–3 **32:22** Want ik weet niet hoe te vleien; weldra zou mijn Maker mij wegnemen.” Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֣עְתִּי (yadati) = ik weet | אֲכַנֶּ֑ה (akhane) = te vleien | כִּ֝מְעַ֗ט (kimat) = binnenkort | יִשָּׂאֵ֥נִי (yisaeni) = zou wegnemen mij | עֹשֵֽׂנִי (oseni) = mijn Maker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu zegt niemand voor te trekken (Lev. 19:15; Deut. 1:17), maar hij vreest ook de ernst van Elohim, ‘mijn Maker’. Zie ook: Job 17:5; Lev 19:15; Deut 1:17; Ps 12:3–4; Spr 29:5; Gal 1:10; 1 Tess 2:5 ## Job 33 _Elihu: El spreekt door dromen, pijn en een bemiddelaar_ ### Elihu spreekt Job aan **33:1** „Maar luister toch, Job, naar mijn woorden en geef gehoor aan al mijn woorden. Brontekst: וְֽאוּלָ֗ם (veulam) = maar | שְׁמַֽע (shema) = hoor | נָ֣א (na) = toch | אִיּ֣וֹב (iyov) = Job | מִלָּ֑י (milay) = mijn woorden | וְֽכָל (vekhal) = en alle | דְּבָרַ֥י (devaray) = mijn woorden | הַאֲזִֽינָה (haazina) = geef gehoor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu spreekt Job rechtstreeks aan, bij zijn naam (de vrienden deden dat niet). Zijn onderwerp is: El spreekt wel tot de mens, maar op manieren die de mens niet opmerkt (vers 14): door dromen (15–18), door pijn (19–22) en door een bemiddelaar (23–28). Zie ook: Job 13:6; Job 34:2; Ps 49:2–4; Mar 4:9 **33:2** Zie toch, ik open mijn mond, mijn tong spreekt in mijn gehemelte. Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | נָ֭א (na) = toch | פָּתַ֣חְתִּי (patachti) = ik open | פִ֑י (pi) = mijn mond | דִּבְּרָ֖ה (dibera) = spreekt | לְשׁוֹנִ֣י (leshoni) = mijn tong | בְחִכִּֽי (bechiki) = in mijn gehemelte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:1; Job 31:30; Ps 78:2; Mat 5:2 **33:3** Mijn woorden komen uit een oprecht hart, en wat mijn lippen weten, spreken ze zuiver uit. Brontekst: יֹֽשֶׁר (yosher) = oprecht | לִבִּ֥י (libi) = mijn hart | אֲמָרָ֑י (amaray) = mijn woorden | וְדַ֥עַת (vedaat) = en kennis | שְׂ֝פָתַ֗י (sefatay) = mijn lippen | בָּר֥וּר (barur) = zuiver | מִלֵּֽלוּ (milelu) = spreken zij uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:28; Job 27:4; Ps 37:30–31; Spr 20:15; 1 Tess 2:3–4 **33:4** De geest van El heeft mij gemaakt, en de adem van Shaddai geeft mij leven. Brontekst: רֽוּחַ (ruach) = geest van | אֵ֥ל (el) = El | עָשָׂ֑תְנִי (asateni) = heeft mij gemaakt | וְנִשְׁמַ֖ת (venishmat) = en adem van | שַׁדַּ֣י (shaday) = Shaddai | תְּחַיֵּֽנִי (techayeni) = geeft mij leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu verwijst naar de schepping van de mens uit adem (Gen. 2:7). Vergelijk Job 32:8 en 34:14–15. Zie ook: Gen 2:7; Job 10:12; Job 27:3; Job 32:8; Job 34:14; 1 Kor 15:45 **33:5** Als u kunt, antwoord mij dan; schik u voor mij, ga staan. Brontekst: אִם (im) = indien | תּוּכַ֥ל (tukhal) = u kunt | הֲשִׁיבֵ֑נִי (hashiveni) = antwoord mij | עֶרְכָ֥ה (erkha) = schik | לְ֝פָנַ֗י (lefanay) = voor mij | הִתְיַצָּֽבָה (hityatsava) = ga staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:18; Job 23:4–5; Job 32:1; Job 32:12; Job 33:32–33 **33:6** Zie, ik ben voor El zoals u: ook ik ben uit klei geknepen. Brontekst: הֵן (hen) = zie | אֲנִ֣י (ani) = ik | כְפִ֣יךָ (kefikha) = als u | לָאֵ֑ל (lael) = voor El | מֵ֝חֹ֗מֶר (mechomer) = uit klei | קֹרַ֥צְתִּי (qoratsti) = geknepen | גַם (gam) = ook | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Uit klei geknepen’: Elihu zegt tegen Job dat hij, net als Job, een geschapen mens is. Vergelijk Job 10:9 en Gen. 2:7. Zie ook: Gen 2:7; Gen 3:19; Job 4:19; Job 10:9; Ex 4:16; 2 Kor 5:1 **33:7** Zie, de angst voor mij hoeft u niet te verschrikken, en mijn druk zal niet zwaar op u wegen. Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אֵ֭מָתִי (emati) = angst voor mij | לֹ֣א (lo) = niet | תְבַעֲתֶ֑ךָּ (tevaateka) = zal u verschrikken | וְ֝אַכְפִּ֗י (veakhpi) = en mijn druk | עָלֶ֥יךָ (aleikha) = op u | לֹא (lo) = niet | יִכְבָּֽד (yikhbad) = zal zwaar zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:34; Job 13:21; Ps 32:4; Ps 88:17 ### Wat u zei in mijn oren **33:8** Maar u hebt in mijn oren gezegd, en ik hoorde het geluid van uw woorden: Brontekst: אַ֭ךְ (akh) = slechts | אָמַ֣רְתָּ (amarta) = u zei | בְאָזְנָ֑י (beazenay) = in mijn oren | וְק֖וֹל (veqol) = en geluid van | מִלִּ֣ין (milin) = woorden | אֶשְׁמָֽע (eshma) = hoorde ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 13:15; Jer 29:23 **33:9** ‘Ik ben zuiver, zonder overtreding, rein ben ik en geen schuld is er in mij. Brontekst: זַ֥ךְ (zakh) = zuiver | אֲנִ֗י (ani) = ik | בְּֽלִ֫י (beli) = zonder | פָ֥שַׁע (pasha) = overtreding | חַ֥ף (chaf) = rein | אָנֹכִ֑י (anokhi) = ik | וְלֹ֖א (velo) = en niet | עָוֺ֣ן (avon) = schuld | לִֽי (li) = is in mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu citeert Job: ‘Ik ben zuiver, zonder overtreding’. Job zei in 9:21; 10:7; 16:17; 23:10–12; 27:5–6 iets dergelijks, maar niet letterlijk dit; Elihu vat samen en scherpt toe. Zie ook: Job 9:21; Job 10:7; Job 11:4; Job 16:17; Job 29:14 **33:10** Zie, Hij vindt aanleidingen tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | תְּ֭נוּאוֹת (tenuot) = aanleidingen | עָלַ֣י (alay) = tegen mij | יִמְצָ֑א (yimtsa) = vindt Hij | יַחְשְׁבֵ֖נִי (yachsheveni) = houdt mij voor | לְאוֹיֵ֣ב (leoyev) = een vijand | לֽוֹ (lo) = voor Zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:30–31; Job 10:15–17; Job 13:24–25; Job 14:16; Job 19:11 **33:11** Hij legt mijn voeten in de blokken, Hij bewaakt al mijn paden.’ Brontekst: יָשֵׂ֣ם (yasem) = Hij legt | בַּסַּ֣ד (basad) = in de blokken | רַגְלָ֑י (raglay) = mijn voeten | יִ֝שְׁמֹ֗ר (yishmor) = Hij bewaakt | כָּל (kal) = alle | אָרְחֹתָֽי (arechotay) = mijn paden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu citeert Job 13:27 (‘U zet mijn voeten in de blokken’). De blokken zijn een voetboei van hout (Hand. 16:24). Zie ook: Job 13:27; Job 14:16; Job 31:4; Jer 20:2; Hand 16:24 ### Eloah is groter dan een mens **33:12** Zie, hierin hebt u geen gelijk. Ik antwoord u: Eloah is groter dan een mens. Brontekst: הֶן (hen) = zie | זֹ֣את (zot) = dit | לֹא (lo) = niet | צָדַ֣קְתָּ (tsadaqta) = u hebt gelijk | אֶעֱנֶ֑ךָּ (eeneka) = ik antwoord u | כִּֽי (ki) = want | יִרְבֶּ֥ה (yirbe) = groter is | אֱ֝ל֗וֹהַ (eloha) = Eloah | מֵאֱנֽוֹשׁ (meenosh) = dan een mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:17–19; Job 34:23; Job 36:5; Pred 7:20; Ezech 18:25 **33:13** Waarom hebt u tegen Hem getwist? Want over al Zijn woorden geeft Hij geen antwoord. Brontekst: מַ֭דּוּעַ (madua) = waarom | אֵלָ֣יו (elav) = tegen Hem | רִיב֑וֹתָ (rivota) = hebt u getwist | כִּ֥י (ki) = want | כָל (kal) = alle | דְּ֝בָרָ֗יו (devarav) = Zijn woorden | לֹ֣א (lo) = niet | יַעֲנֶֽה (yaane) = antwoordt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:2; Jes 45:9; Jes 46:10; Dan 4:32; Rom 11:34 **33:14** Want El spreekt op één manier, en op twee, maar men let er niet op. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | בְאַחַ֥ת (beachat) = in één (manier) | יְדַבֶּר (yedaber) = spreekt | אֵ֑ל (el) = El | וּ֝בִשְׁתַּ֗יִם (uvishtayim) = en in twee | לֹ֣א (lo) = niet | יְשׁוּרֶֽנָּה (yeshurena) = men let erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het vers luidt letterlijk: ‘Want El spreekt in één (keer), en in twee (keer) – men let er niet op.’ Elihu zegt dus dat El op meerdere wijzen tot de mens spreekt zonder dat men het opmerkt. Sommigen lezen het als een gezegde ‘één keer, ja twee keer’ (vergelijk 40:5). Zie ook: Job 33:29; Ps 62:12; Spr 1:24; 2 Kron 33:10; Luc 24:25 ### El spreekt in dromen **33:15** In een droom, in een nachtgezicht, wanneer een diepe slaap op mensen valt, tijdens sluimer op het bed, Brontekst: בַּחֲל֤וֹם (bachalom) = in een droom | חֶזְי֬וֹן (chezyon) = gezicht van | לַ֗יְלָה (layla) = nacht | בִּנְפֹ֣ל (binfol) = als valt | תַּ֭רְדֵּמָה (tardema) = diepe slaap | עַל (al) = op | אֲנָשִׁ֑ים (anashim) = mensen | בִּ֝תְנוּמ֗וֹת (bitnumot) = in sluimeringen | עֲלֵ֣י (alei) = op | מִשְׁכָּֽב (mishkav) = bed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dromen en nachtgezichten zijn een middel van Elohim (Gen. 20:3; 31:11; Num. 12:6). Hier is het echter geen openbaring van de toekomst maar een waarschuwing voor het geweten. Elifaz noemde in 4:13 ook een nachtgezicht. Zie ook: Gen 20:3; Gen 31:11; Gen 31:24; Job 4:13; Num 12:6; Dan 4:2 **33:16** dan opent Hij het oor van mensen en bezegelt hun een waarschuwing, Brontekst: אָ֣ז (az) = toen | יִ֭גְלֶה (yigle) = opent Hij | אֹ֣זֶן (ozen) = oor van | אֲנָשִׁ֑ים (anashim) = mensen | וּבְמֹ֖סָרָ֣ם (uvemosaram) = en bij hun waarschuwing | יַחְתֹּֽם (yachtom) = bezegelt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:10; Job 36:15; Ps 40:7; Jes 50:5; Luc 24:45 **33:17** om de mens van zijn daad af te brengen en hoogmoed voor de man te bedekken, Brontekst: לְ֭הָסִיר (lehasir) = om te doen afwenden | אָדָ֣ם (adam) = de mens | מַעֲשֶׂ֑ה (maase) = van een daad | וְגֵוָ֖ה (vegeva) = en hoogmoed | מִגֶּ֣בֶר (migever) = van een man | יְכַסֶּֽה (yekhase) = bedekt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:11; Jes 2:11; Mat 27:19; Jak 4:10; 2 Kor 12:7 **33:18** om zijn ziel van de Groeve terug te houden en zijn leven van het doorgaan door het wapen. Brontekst: יַחְשֹׂ֣ךְ (yachsokh) = Hij houdt terug | נַ֭פְשׁוֹ (nafsho) = zijn ziel | מִנִּי (mini) = van | שָׁ֑חַת (shachat) = de Groeve | וְ֝חַיָּת֗וֹ (vechayato) = en zijn leven | מֵעֲבֹ֥ר (meavor) = van het doorgaan | בַּשָּֽׁלַח (bashalach) = door het wapen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Groeve (shachat) is hier een naam voor de onderwereld, Sjeol (zie Job 33:22, 24, 28, 30; Ps. 16:10; 30:10). ‘Door het wapen gaan’ is: door een wapen omkomen. De betekenis van שֶׁלַח (shelach), ‘wapen’, is niet helemaal zeker. Zie ook: Job 33:22; Job 33:28; Job 33:30; Ps 16:10; Ps 30:11; Rom 2:4; 2 Petr 3:9 ### El spreekt door pijn **33:19** Ook wordt hij getuchtigd met pijn op zijn bed, en de strijd in zijn beenderen is voortdurend, Brontekst: וְהוּכַ֣ח (vehukhach) = en hij wordt getuchtigd | בְּ֭מַכְאוֹב (bemakhov) = met pijn | עַל (al) = op | מִשְׁכָּב֑וֹ (mishkavo) = zijn bed | וְר֖וֹב (verov) = en strijd van | עֲצָמָ֣יו (atsamav) = zijn beenderen | אֵתָֽן (etan) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:17–18; Job 30:17; Ps 94:12; Ps 119:71; 1 Kor 11:32 **33:20** zodat zijn leven van brood walgt en zijn ziel van lekkere spijs. Brontekst: וְזִֽהֲמַ֣תּוּ (vezihamatu) = en walgt van | חַיָּת֣וֹ (chayato) = zijn leven | לָ֑חֶם (lachem) = brood | וְ֝נַפְשׁ֗וֹ (venafsho) = en zijn ziel | מַאֲכַ֥ל (maakhal) = spijs van | תַּאֲוָֽה (taava) = verlangen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 3:6; Job 3:24; Ps 107:17–18; Amos 5:11; Jer 3:19 **33:21** Verteerd is zijn vlees, zodat men het niet meer ziet, en zijn beenderen, die niet gezien werden, steken uit. Brontekst: יִ֣כֶל (yikhel) = verteert | בְּשָׂר֣וֹ (besaro) = zijn vlees | מֵרֹ֑אִי (meroi) = van het zien | וְשֻׁפּ֥וּ (veshupu) = en zijn beenderen | עַ֝צְמוֹתָ֗יו (atsmotav) = niet | לֹ֣א (lo) = gezien | רֻאּֽוּ (ruu) = steken uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:5; Job 13:28; Job 14:22; Job 19:20; Spr 5:11 **33:22** En zijn ziel nadert de Groeve en zijn leven de doden. Brontekst: וַתִּקְרַ֣ב (vatiqrav) = en nadert | לַשַּׁ֣חַת (lashachat) = tot de Groeve | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn ziel | וְ֝חַיָּת֗וֹ (vechayato) = en zijn leven | לַֽמְמִתִֽים (lammitim) = tot de doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:1; Job 33:28; 2 Sam 24:16; Jes 38:10; Openb 9:11 ### De bemiddelaar en het losgeld **33:23** Als er bij hem een engel is, een bemiddelaar, één uit duizend, om de mens zijn rechtschapenheid te vertellen, Brontekst: אִם (im) = indien | יֵ֤שׁ (yesh) = is | עָלָ֨יו (alav) = bij hem | מַלְאָ֗ךְ (malakh) = een engel | מֵלִ֗יץ (melits) = bemiddelaar | אֶחָ֥ד (echad) = één | מִנִּי (mini) = uit | אָ֑לֶף (alef) = duizend | לְהַגִּ֖יד (lehagid) = om te vertellen | לְאָדָ֣ם (leadam) = aan de mens | יָשְׁרֽוֹ (yashero) = zijn rechtschapenheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מַלְאָךְ מֵלִיץ (mal’ak melits), ‘een engel, een bemiddelaar’. Het woord melits kan ook ‘tolk’ of ‘woordvoerder’ betekenen (Gen. 42:23; Jes. 43:27). Wie of wat dit is, is onzeker: een hemelse bemiddelaar, een engel die voor de zieke pleit, of zelfs een profeet. Vergelijk 5:1; 9:33 (‘een scheidsrechter’), 16:19–21 en 19:25 (‘mijn Losser’). Wij vertalen ‘engel’ omdat het Hebreeuwse mal’ak dat betekent. Zie ook: Gen 42:23; Pred 7:28; Jes 43:27; Hag 1:13; Mal 2:7; Mal 3:1; 2 Kor 5:20 **33:24** dan is Hij hem genadig en zegt: ‘Red hem van het neerdalen in de Groeve; ik heb losgeld gevonden.’ Brontekst: וַיְחֻנֶּ֗נּוּ (vaychunenu) = en is hem genadig | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zegt | פְּ֭דָעֵהוּ (pedaehu) = red hem | מֵרֶ֥דֶת (meredet) = van het neerdalen | שָׁ֗חַת (shachat) = in de Groeve | מָצָ֥אתִי (matsati) = ik heb gevonden | כֹֽפֶר (kofer) = losgeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: כֹּפֶר (kofer), ‘losgeld’, is de prijs voor de redding van een leven (Ex. 21:30; 30:12; Ps. 49:8–9). Hier is het onduidelijk wat het losgeld is; de bemiddelaar vindt het, Elohim neemt het aan. In de christelijke traditie wordt Mark. 10:45 en 1 Tim. 2:5–6 hiermee verbonden. Zie ook: Job 33:18; Ex 21:30; Ex 30:12; Ps 49:8–9; Ps 49:9–10; Hos 14:5; Mat 20:28; Mar 10:45; 1 Tim 2:5–6; 1 Petr 1:18–19 **33:25** Frisser dan in zijn jeugd wordt zijn vlees; hij keert terug naar de dagen van zijn jonge kracht. Brontekst: רֻֽטֲפַ֣שׁ (rutafash) = frisser wordt | בְּשָׂר֣וֹ (besaro) = zijn vlees | מִנֹּ֑עַר (minoar) = dan in jeugd | יָ֝שׁ֗וּב (yashuv) = hij keert terug | לִימֵ֥י (limei) = naar dagen van | עֲלוּמָֽיו (alumav) = zijn jonge kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:16; Deut 34:7; Joz 14:10–11; Ps 103:5; 2 Kon 5:14 **33:26** Tot Eloah bidt hij, en Hij heeft welgevallen aan hem; hij ziet Zijn aangezicht met gejuich, en Hij geeft de mens zijn gerechtigheid terug. Brontekst: יֶעְתַּ֤ר (yetar) = hij bidt | אֶל (el) = tot | אֱל֨וֹהַּ (eloha) = Eloah | וַיִּרְצֵ֗הוּ (vayirtsehu) = en Hij heeft welgevallen aan hem | וַיַּ֣רְא (vayar) = en hij ziet | פָּ֭נָיו (panav) = Zijn aangezicht | בִּתְרוּעָ֑ה (bitrua) = met gejuich | וַיָּ֥שֶׁב (vayashev) = en Hij geeft terug | לֶ֝אֱנ֗וֹשׁ (leenosh) = aan de mens | צִדְקָתֽוֹ (tsidqato) = zijn gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De herstelde zieke ziet het aangezicht van Eloah ‘met gejuich’ (teruah), dat is: hij mag weer de tempel naderen en voor het aangezicht van Elohim komen (Ps. 42:3; 27:4). Zie ook: Ps 27:4; Ps 30:6; Ps 42:4; Ps 50:15; Jes 30:19; Hand 2:28; Hand 9:11 **33:27** Voor de mensen zingt hij en zegt: ‘Ik heb gezondigd en het rechte verdraaid, maar het is mij niet vergolden. Brontekst: יָשֹׁ֤ר (yashor) = hij zingt | עַל (al) = over | אֲנָשִׁ֗ים (anashim) = mensen | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zegt | חָ֭טָאתִי (chatati) = ik zondigde | וְיָשָׁ֥ר (veyashar) = en het rechte | הֶעֱוֵ֗יתִי (heeveiti) = verdraaide ik | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁ֥וָה (shava) = werd vergolden | לִֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 12:13; Ps 14:2; Mat 16:26; Rom 6:21; Rom 7:22 **33:28** Hij heeft mijn ziel verlost van het neerdalen in de Groeve, en mijn leven ziet het licht.’ Brontekst: פָּדָ֣ה (pada) = Hij verloste | נַ֭פְשׁוֹ (nafsho) = zijn ziel | מֵעֲבֹ֣ר (meavor) = van het neerdalen | בַּשָּׁ֑חַת (bashachat) = in de Groeve | וְ֝חַיָּתוֹ (vechayato) = en zijn leven | בָּא֥וֹר (baor) = in het licht | תִּרְאֶֽה (tire) = ziet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst heeft hier ‘Hij verloste zijn ziel … en zijn leven ziet het licht’ (ketiv); de te lezen vorm (qere) heeft ‘mijn ziel … mijn leven’. Wij volgen de qere en laten de zieke zelf zingen (vanaf vers 27). Volgen wij de geschreven vorm, dan zijn het woorden van Elihu over de zieke. Zie ook: Job 3:9; Job 3:16; Job 33:22; Job 33:24; Joh 11:9 **33:29** Zie, dit alles doet El, twee, drie keer, met een man, Brontekst: הֶן (hen) = zie | כָּל (kal) = alles | אֵ֭לֶּה (ele) = dit | יִפְעַל (yifal) = doet | אֵ֑ל (el) = El | פַּעֲמַ֖יִם (paamayim) = tweemaal | שָׁל֣וֹשׁ (shalosh) = drie | עִם (im) = met | גָּֽבֶר (gaver) = een man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kor 12:6; 2 Kor 5:5; Ef 1:11; Fil 2:13; Heb 13:21 **33:30** om zijn ziel terug te halen uit de Groeve, om verlicht te worden met het licht van het leven. Brontekst: לְהָשִׁ֣יב (lehashiv) = om terug te halen | נַ֭פְשׁוֹ (nafsho) = zijn ziel | מִנִּי (mini) = uit | שָׁ֑חַת (shachat) = de Groeve | לֵ֝א֗וֹר (leor) = om verlicht te worden | בְּא֣וֹר (beor) = met licht van | הַֽחַיִּים (hachayim) = de levenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Verlicht worden met het licht van de levenden’ (Ps. 56:14). Het is het tegenovergestelde van de duisternis van de Groeve (vers 28). Zie ook: Job 33:28; Ps 40:2–3; Ps 56:14; Ps 56:15; Jes 38:17; Joh 8:12 ### Luister, Job **33:31** Merk op, Job, luister naar mij; zwijg, en ik zal spreken. Brontekst: הַקְשֵׁ֖ב (haqshev) = merk op | אִיּ֥וֹב (iyov) = Job | שְֽׁמַֽע (shema) = luister | לִ֑י (li) = naar mij | הַ֝חֲרֵ֗שׁ (hacharesh) = zwijg | וְאָנֹכִ֥י (veanokhi) = en ik | אֲדַבֵּֽר (adaber) = zal spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:6; Job 18:2; Job 21:2; Job 32:11 **33:32** Als u woorden hebt, antwoord mij; spreek, want ik wens uw gelijk. Brontekst: אִם (im) = indien | יֵשׁ (yesh) = er zijn | מִלִּ֥ין (milin) = woorden | הֲשִׁיבֵ֑נִי (hashiveni) = antwoord mij | דַּ֝בֵּ֗ר (daber) = spreek | כִּֽי (ki) = want | חָפַ֥צְתִּי (chafatsti) = ik wens | צַדְּקֶֽךָּ (tsadeqeka) = uw gelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:4–5; Job 21:27; Job 22:5–9; Job 27:5 **33:33** Zo niet, luister dan naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.” Brontekst: אִם (im) = indien | אַ֭יִן (ayin) = niet | אַתָּ֥ה (ata) = u | שְֽׁמַֽע (shema) = luister | לִ֑י (li) = naar mij | הַ֝חֲרֵ֗שׁ (hacharesh) = zwijg | וַאֲאַלֶּפְךָ֥ (vaaalefkha) = en ik zal u leren | חָכְמָֽה (chakhema) = wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 33:3; Ps 34:12; Ps 49:4; Spr 5:1–2; Spr 8:5 ## Job 34 _Elihu: El is rechtvaardig_ ### Elihu roept de wijzen op **34:1** Elihu antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אֱלִיה֗וּא (elihu) = Elihu | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu spreekt in vier gedeelten (hoofdstukken 32–33, 34, 35 en 36–37). Hij verwijt Job dat deze Elohim onrecht aandoet (34:5–9), en betoogt dat Elohim rechtvaardig is en alles ziet. **34:2** „Hoor mijn woorden, wijzen, en geef gehoor, kenners. Brontekst: שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoort | חֲכָמִ֣ים (chakhamim) = wijzen | מִלָּ֑י (milay) = mijn woorden | וְ֝יֹדְעִ֗ים (veyodeim) = en kenners | הַאֲזִ֥ינוּ (haazinu) = geef gehoor | לִֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 1:5; 1 Kor 10:15; 1 Kor 14:20 **34:3** Want het oor beproeft woorden, zoals het gehemelte proeft om te eten. Brontekst: כִּי (ki) = want | אֹ֭זֶן (ozen) = het oor | מִלִּ֣ין (milin) = woorden | תִּבְחָ֑ן (tivchan) = beproeft | וְ֝חֵ֗ךְ (vechekh) = en gehemelte | יִטְעַ֥ם (yitam) = proeft | לֶאֱכֹֽל (leekhol) = om te eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:30; Job 12:11; Job 33:2; 1 Kor 2:15; Heb 5:14 **34:4** Laten wij het recht voor ons kiezen, laten wij onder ons weten wat goed is. Brontekst: מִשְׁפָּ֥ט (mishpat) = het recht | נִבְחֲרָה (nivchara) = laten wij kiezen | לָּ֑נוּ (lanu) = voor ons | נֵדְעָ֖ה (nedea) = laten wij weten | בֵינֵ֣ינוּ (beineinu) = onder ons | מַה (ma) = wat | טּֽוֹב (tov) = goed is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 11:2–5; Gal 2:11–14; 1 Tess 5:21; 1 Kor 6:2–5; Rom 12:2 ### Wat Job zegt **34:5** Want Job heeft gezegd: ‘Ik ben rechtvaardig, maar El heeft mijn recht weggenomen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אָ֭מַר (amar) = zei | אִיּ֣וֹב (iyov) = Job | צָדַ֑קְתִּי (tsadaqti) = ik ben rechtvaardig | וְ֝אֵ֗ל (veel) = en El | הֵסִ֥יר (hesir) = nam weg | מִשְׁפָּטִֽי (mishpati) = mijn recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:4; Job 16:17; Job 27:2; Job 32:1; Job 33:9 **34:6** Tegen mijn recht word ik een leugenaar genoemd; mijn wond is ongeneeslijk, hoewel ik niet heb overtreden.’ Brontekst: עַל (al) = over | מִשְׁפָּטִ֥י (mishpati) = mijn recht | אֲכַזֵּ֑ב (akhazev) = ik word een leugenaar genoemd | אָנ֖וּשׁ (anush) = ongeneeslijk | חִצִּ֣י (chitsi) = mijn pijl (wond) | בְלִי (beli) = zonder | פָֽשַׁע (pasha) = overtreding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: חִצִּי (chitsi), letterlijk ‘mijn pijl’. Job zelf spreekt over de pijlen van Shaddai in 6:4 en 16:13. Elihu citeert hem: de wond (de pijl) is ongeneeslijk, hoewel Job niets heeft misdaan. Wij vertalen daarom ‘mijn wond’. Zie ook: Job 6:4; Job 16:13; Job 27:4–6 **34:7** Welke man is als Job, die spot drinkt als water, Brontekst: מִי (mi) = wie | גֶ֥בֶר (gever) = man | כְּאִיּ֑וֹב (keiyov) = zoals Job | יִֽשְׁתֶּה (yishte) = drinkt | לַּ֥עַג (laag) = spot | כַּמָּֽיִם (kamayim) = als water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:16; Deut 29:18; Spr 1:22; Spr 4:17 **34:8** die in gezelschap optrekt met wie onrecht doen en wandelt met mannen van goddeloosheid? Brontekst: וְאָרַ֣ח (vearach) = en hij gaat | לְ֭חֶבְרָה (lechevra) = in gezelschap | עִם (im) = met | פֹּ֣עֲלֵי (poalei) = werkers van | אָ֑וֶן (aven) = onrecht | וְ֝לָלֶ֗כֶת (velalekhet) = en wandelt | עִם (im) = met | אַנְשֵׁי (anshei) = mannen van | רֶֽשַׁע (resha) = goddeloosheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 1:1; Ps 26:4; Ps 50:18; Spr 13:20; 1 Kor 15:33 **34:9** Want hij heeft gezegd: ‘Het baat een man niet als hij welgevallen heeft aan Elohim.’ Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אָ֭מַר (amar) = hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | יִסְכָּן (yiskan) = baat | גָּ֑בֶר (gaver) = een man | בִּ֝רְצֹת֗וֹ (birtsoto) = in zijn welgevallen te hebben | עִם (im) = met | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:22–23; Job 21:14–16; Job 27:10; Job 35:3; Mal 3:14 ### Verre zij het van El goddeloos te handelen **34:10** Daarom, mannen van inzicht, hoor mij: verre zij het dat El goddeloos handelt en dat Shaddai onrecht doet. Brontekst: לָכֵ֤ן (lakhen) = daarom | אַ֥נֲשֵׁ֥י (anashei) = mannen van | לֵבָ֗ב (levav) = verstand | שִׁמְע֫וּ (shimu) = hoort | לִ֥י (li) = mij | חָלִ֖לָה (chalila) = verre zij het | לָאֵ֥ל (lael) = van El | מֵרֶ֗שַׁע (meresha) = van goddeloosheid | וְשַׁדַּ֥י (veshaday) = en Shaddai | מֵעָֽוֶל (meavel) = van onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu gebruikt de goddelijke namen El en Shaddai bij zijn kern: Elohim kan geen onrecht doen. Vergelijk Gen. 18:25 en Deut. 32:4. Zie ook: Gen 18:25; Job 8:3; Deut 32:4; 2 Kron 19:7; Jak 1:13; Rom 9:14 **34:11** Want het werk van een mens vergeldt Hij hem, en naar de weg van een man laat Hij het hem vinden. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | פֹ֣עַל (poal) = het werk van | אָ֭דָם (adam) = een mens | יְשַׁלֶּם (yeshalem) = vergeldt Hij | ל֑וֹ (lo) = hem | וּֽכְאֹ֥רַח (ukheorach) = en naar de weg van | אִ֝֗ישׁ (ish) = een man | יַמְצִאֶֽנּוּ (yamtsienu) = doet Hij hem vinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 62:13; Mat 16:27; 2 Kor 5:10; Rom 2:6; Openb 22:12 **34:12** Ja, voorwaar, El handelt niet goddeloos, en Shaddai verdraait het recht niet. Brontekst: אַף (af) = ja | אָמְנָ֗ם (amenam) = voorwaar | אֵ֥ל (el) = El | לֹֽא (lo) = niet | יַרְשִׁ֑יעַ (yarshia) = handelt goddeloos | וְ֝שַׁדַּ֗י (veshaday) = en Shaddai | לֹֽא (lo) = niet | יְעַוֵּ֥ת (yeavet) = verdraait | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:3; Ps 11:7; Ps 145:17; Hab 1:12–13 **34:13** Wie heeft Hem de aarde toevertrouwd, en wie heeft de hele wereld gesteld? Brontekst: מִֽי (mi) = wie | פָקַ֣ד (paqad) = gaf opdracht | עָלָ֣יו (alav) = over Hem | אָ֑רְצָה (aretsa) = de aarde | וּמִ֥י (umi) = en wie | שָׂ֝֗ם (sam) = stelde | תֵּבֵ֥ל (tevel) = de wereld | כֻּלָּֽהּ (kulah) = geheel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu zegt: aan niemand is de aarde door Eloah toevertrouwd, want Hij heeft haar zelf gemaakt. Daarom is Hij aan niemand rekenschap schuldig. Hij houdt alles in stand door Zijn adem (vers 14–15). Vergelijk Ps. 104:29–30 en Pred. 12:7. Zie ook: Job 38:4–41; 1 Kron 29:11; Ps 104:29–30; Spr 8:23–30; Pred 12:7; Jes 40:13–14; Rom 11:34–36 **34:14** Als Hij Zijn hart op Zich richtte en Zijn geest en adem tot Zich terugnam, Brontekst: אִם (im) = indien | יָשִׂ֣ים (yasim) = Hij richtte | אֵלָ֣יו (elav) = op Zich | לִבּ֑וֹ (libo) = Zijn hart | רוּח֥וֹ (rucho) = Zijn geest | וְ֝נִשְׁמָת֗וֹ (venishmato) = en Zijn adem | אֵלָ֥יו (elav) = tot Zich | יֶאֱסֹֽף (yeesof) = terugnam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:17; Job 9:4; Ps 104:29; Jes 24:22 **34:15** dan zou alle vlees tegelijk omkomen en de mens tot stof terugkeren. Brontekst: יִגְוַ֣ע (yigva) = zou omkomen | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֣ר (basar) = vlees | יָ֑חַד (yachad) = tezamen | וְ֝אָדָ֗ם (veadam) = en de mens | עַל (al) = tot | עָפָ֥ר (afar) = stof | יָשֽׁוּב (yashuv) = keerde terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 3:19; Job 9:22; Job 30:23; Pred 12:7; Jes 57:16 ### Veroordeelt u de Rechtvaardige? **34:16** Als u inzicht hebt, hoor dit; luister naar de stem van mijn woorden. Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | בִּ֥ינָה (bina) = inzicht | שִׁמְעָה (shima) = hoor | זֹּ֑את (zot) = dit | הַ֝אֲזִ֗ינָה (haazina) = luister | לְק֣וֹל (leqol) = naar de stem van | מִלָּֽי (milay) = mijn woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:3; Job 13:2–6 **34:17** Zou iemand die het recht haat, kunnen regeren? En de Rechtvaardige, de Machtige, wilt u die veroordelen? Brontekst: הַאַ֬ף (haaf) = zou zelfs | שׂוֹנֵ֣א (sone) = een hater van | מִשְׁפָּ֣ט (mishpat) = recht | יַחֲב֑וֹשׁ (yachavosh) = regeren | וְאִם (veim) = en indien | צַדִּ֖יק (tsadiq) = de Rechtvaardige | כַּבִּ֣יר (kabir) = de Machtige | תַּרְשִֽׁיעַ (tarshia) = wilt u veroordelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Als Elohim zelf het recht zou haten, zou Hij de wereld niet kunnen besturen. Job klaagt in 9:22–24 dat Eloah de onschuldige en de goddeloze samen doet omkomen. Elihu legt hem de vraag omgekeerd voor: ‘Wilt u de Rechtvaardige, de Machtige, veroordelen?’ Zie ook: Gen 18:25; Job 40:8; 2 Sam 23:3; Rom 3:5–7; Rom 9:14 **34:18** Zegt men tot een koning: ‘Nietswaardige!’, tot edelen: ‘Goddeloze!’? Brontekst: הַאֲמֹ֣ר (haamor) = zegt men | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = tot een koning | בְּלִיָּ֑עַל (beliyaal) = nietswaardige | רָ֝שָׁ֗ע (rasha) = goddeloze | אֶל (el) = tot | נְדִיבִֽים (nedivim) = edelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: בְּלִיַּעַל (beliya‘al) betekent ‘waardeloosheid’, ‘nietswaardige’. In latere teksten is het een bijnaam geworden voor de boze (2 Kor. 6:15). Hier is het een scheldwoord voor een nietsnut. Zie ook: Ex 22:27; Spr 17:26; Hand 23:3; 2 Kor 6:15; Rom 13:7; Jud 1:8 **34:19** Hij bevoordeelt vorsten niet en acht de rijke niet hoger dan de arme, want zij allen zijn het werk van Zijn handen. Brontekst: אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | נָשָׂ֨א (nasa) = aanzag | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | שָׂרִ֗ים (sarim) = vorsten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נִכַּר (nikar) = kende | שׁ֭וֹעַ (shoa) = de rijke | לִפְנֵי (lifnei) = boven | דָ֑ל (dal) = de arme | כִּֽי (ki) = want | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = het werk van | יָדָ֣יו (yadav) = Zijn handen | כֻּלָּֽם (kulam) = zij allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 10:17; Hand 10:34; Jak 2:5; Rom 2:11; Kol 3:25 **34:20** In een ogenblik sterven zij, en midden in de nacht beeft een volk en gaat voorbij, en de machtige wordt zonder hand weggenomen. Brontekst: רֶ֤גַע (rega) = in een ogenblik | יָמֻתוּ֮ (yamutu) = sterven zij | וַחֲצ֪וֹת (vachatsot) = en het midden van | לָ֥יְלָה (layela) = de nacht | יְגֹעֲשׁ֣וּ (yegoashu) = beven zij | עָ֣ם (am) = een volk | וְיַעֲבֹ֑רוּ (veyaavoru) = en vergaan | וְיָסִ֥ירוּ (veyasiru) = en men verwijdert | אַ֝בִּ֗יר (abir) = de machtige | לֹ֣א (lo) = niet | בְיָֽד (beyad) = door een hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zonder hand’: Elohim hoeft geen menselijke hand te gebruiken; de machtige gaat ten onder zonder dat een mens hem aanraakt. Vergelijk Dan. 2:34 en 8:25. Zie ook: Job 36:20; Ps 73:19; Dan 2:34; Dan 5:30; Dan 8:25; Hand 12:23 ### Zijn ogen zien alle wegen **34:21** Want Zijn ogen zijn op de wegen van een mens, en al zijn stappen ziet Hij. Brontekst: כִּי (ki) = want | עֵ֭ינָיו (einav) = Zijn ogen | עַל (al) = op | דַּרְכֵי (darkhei) = de wegen van | אִ֑ישׁ (ish) = een man | וְֽכָל (vekhal) = en al | צְעָדָ֥יו (tseadav) = zijn stappen | יִרְאֶֽה (yire) = ziet Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:4; Spr 5:21; Spr 15:3; Jer 16:17; Jer 32:19 **34:22** Er is geen duisternis en geen diepe schaduw waar wie onrecht doen zich kunnen verbergen. Brontekst: אֵֽין (ein) = er is niet | חֹ֭שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וְאֵ֣ין (veein) = en er is niet | צַלְמָ֑וֶת (tsalmavet) = diepe schaduw | לְהִסָּ֥תֶר (lehisater) = om zich te verbergen | שָׁ֝֗ם (sham) = daar | פֹּ֣עֲלֵי (poalei) = werkers van | אָֽוֶן (aven) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 139:11–12; Spr 10:29; Amos 9:2–3; Jer 23:24; Heb 4:13 **34:23** Want Hij hoeft niet nog lang naar een mens te kijken om hem voor El in het gericht te brengen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | עַל (al) = over | אִ֭ישׁ (ish) = een man | יָשִׂ֣ים (yasim) = stelt Hij | ע֑וֹד (od) = nog | לַהֲלֹ֥ךְ (lahalokh) = om te gaan | אֶל (el) = naar | אֵ֝֗ל (el) = El | בַּמִּשְׁפָּֽט (bamishpat) = in het gericht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elohim heeft geen tijd of onderzoek nodig: Hij ziet alles. Vergelijk Gen. 18:21, waar Hij toch afdaalt om te zien. Zie ook: Gen 18:21; Job 34:10–12; Ps 119:137; Dan 9:7–9; Ezra 9:13; Rom 9:20 **34:24** Hij verplettert machtigen zonder onderzoek en stelt anderen in hun plaats. Brontekst: יָרֹ֣עַ (yaroa) = Hij verplettert | כַּבִּירִ֣ים (kabirim) = machtigen | לֹא (lo) = zonder | חֵ֑קֶר (cheqer) = onderzoek | וַיַּעֲמֵ֖ד (vayaamed) = en stelt | אֲחֵרִ֣ים (acherim) = anderen | תַּחְתָּֽם (tachtam) = in hun plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 2:9; Ps 72:4; Ps 94:5; Ps 113:7–8; Dan 2:21 **34:25** Daarom kent Hij hun daden, keert de nacht om en zij worden verpletterd. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | יַ֭כִּיר (yakir) = kent Hij | מַעְבָּֽדֵיהֶ֑ם (mabadeihem) = hun daden | וְהָ֥פַךְ (vehafakh) = en Hij keert om | לַ֝֗יְלָה (layla) = de nacht | וְיִדַּכָּֽאוּ (veyidakau) = en zij worden verpletterd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:20; Ps 33:15; Hoogl 3:8; Hos 7:2; Openb 20:12 **34:26** Als goddelozen slaat Hij hen, op de plaats waar men het ziet, Brontekst: תַּֽחַת (tachat) = als | רְשָׁעִ֥ים (reshaim) = goddelozen | סְפָקָ֗ם (sefaqam) = slaat Hij hen | בִּמְק֥וֹם (bimqom) = op de plaats van | רֹאִֽים (roim) = de zienden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 21:21; Ps 58:11–12; Jes 66:24; 1 Tim 5:24; Openb 18:20 **34:27** omdat zij van Hem zijn afgeweken en geen van Zijn wegen hebben begrepen, Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = omdat | עַל (al) = op | כֵּ֭ן (ken) = zo | סָ֣רוּ (saru) = zij weken | מֵֽאַחֲרָ֑יו (meacharav) = van achter Hem | וְכָל (vekhal) = en alle | דְּ֝רָכָ֗יו (derakhav) = Zijn wegen | לֹ֣א (lo) = niet | הִשְׂכִּֽילוּ (hiskilu) = begrepen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 15:11; Ps 28:5; Jes 1:3; Jes 5:12; Heb 10:39 **34:28** zodat zij het geschrei van de arme tot Hem brachten en Hij het geschrei van de armen hoorde. Brontekst: לְהָבִ֣יא (lehavi) = om te brengen | עָ֭לָיו (alav) = tot Hem | צַֽעֲקַת (tsaaqat) = het geschrei van | דָּ֑ל (dal) = de arme | וְצַעֲקַ֖ת (vetsaaqat) = en het geschrei van | עֲנִיִּ֣ים (aniyim) = de armen | יִשְׁמָֽע (yishma) = hoorde Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 35:9; Ex 3:7; Ex 3:9; Ps 12:6; Jak 5:4 **34:29** Als Hij rust geeft, wie kan dan veroordelen? Als Hij Zijn gezicht verbergt, wie kan Hem dan zien, of het nu een volk is of een mens? Brontekst: וְה֤וּא (vehu) = en Hij | יַשְׁקִ֨ט (yashqit) = geeft rust | וּמִ֥י (umi) = en wie | יַרְשִׁ֗עַ (yarshia) = kan veroordelen | וְיַסְתֵּ֣ר (veyaster) = en verbergt | פָּ֭נִים (panim) = het aangezicht | וּמִ֣י (umi) = en wie | יְשׁוּרֶ֑נּוּ (yeshurenu) = kan Hem zien | וְעַל (veal) = en over | גּ֖וֹי (goy) = een volk | וְעַל (veal) = en over | אָדָ֣ם (adam) = een mens | יָֽחַד (yachad) = tezamen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Dit vers is moeilijk. Wij nemen het zo op dat Elohim de vrijheid heeft rust te geven of Zijn gezicht te verbergen, zonder dat iemand Hem daarover kan veroordelen. Zie ook: Job 23:13; Ps 27:9; Jes 26:3; Joh 14:27; Rom 8:31–34 **34:30** Zodat een goddeloos mens niet regeert en het volk niet in strikken valt. Brontekst: מִ֭מְּלֹךְ (mimelokh) = opdat niet regeert | אָדָ֥ם (adam) = een mens | חָנֵ֗ף (chanef) = goddeloos | מִמֹּ֥קְשֵׁי (mimoqeshei) = uit de strikken van | עָֽם (am) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:21; Ps 12:9; Spr 29:2–12; 1 Kon 12:28–30; Openb 13:11–14 ### Job spreekt zonder inzicht **34:31** Want heeft iemand tot El gezegd: ‘Ik heb gedragen, ik zal niet meer verderf brengen; Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אֶל (el) = tot | אֵ֭ל (el) = El | הֶאָמַ֥ר (heamar) = heeft iemand gezegd | נָשָׂ֗אתִי (nasati) = ik droeg | לֹ֣א (lo) = niet | אֶחְבֹּֽל (echbol) = zal ik verderf brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 33:27; Lev 26:41; Mi 7:9; Jer 31:18–19; Ezra 9:13–14 **34:32** wat ik niet zie, leer U mij; als ik onrecht heb gedaan, zal ik het niet meer doen’? Brontekst: בִּלְעֲדֵ֣י (biladei) = buiten mij | אֶ֭חֱזֶה (echeze) = zie ik | אַתָּ֣ה (ata) = U | הֹרֵ֑נִי (horeni) = leer mij | אִֽם (im) = indien | עָ֥וֶל (avel) = onrecht | פָּ֝עַ֗לְתִּי (paalti) = ik deed | לֹ֣א (lo) = niet | אֹסִֽיף (osif) = zal ik herhalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 19:13; Ps 25:4–5; Ps 32:8; Ps 139:23–24; Ps 143:8–10 **34:33** Zou Hij het naar uw mening vergelden, omdat u verwerpt? Want u kiest, niet ik; zeg dan wat u weet! Brontekst: הַֽמֵעִמְּךָ֬ (hameimekha) = zou van u (naar uw mening) | יְשַׁלְמֶ֨נָּה (yeshalmena) = Hij het vergelden | כִּֽי (ki) = omdat | מָאַ֗סְתָּ (maasta) = u verwerpt | כִּי (ki) = omdat | אַתָּ֣ה (ata) = u | תִבְחַ֣ר (tivchar) = kiest | וְלֹא (velo) = en niet | אָ֑נִי (ani) = ik | וּֽמַה (uma) = en wat | יָדַ֥עְתָּ (yadata) = u weet | דַבֵּֽר (daber) = spreek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van dit vers is zeer moeilijk. De betekenis is ongeveer: Zou Elohim, volgens uw eigen maatstaf, vergelden omdat u Zijn werk verwerpt? Want de keuze ligt bij u, niet bij mij; zeg dan wat u weet. Zie ook: Job 33:32; Job 34:11; Ps 135:6; Spr 11:31; Jes 45:9 **34:34** Mannen van inzicht zullen tot mij zeggen, en een wijs man die naar mij luistert: Brontekst: אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | לֵ֭בָב (levav) = verstand | יֹ֣אמְרוּ (yomru) = zeggen | לִ֑י (li) = tot mij | וְגֶ֥בֶר (vegever) = en een man | חָ֝כָ֗ם (chakham) = wijs | שֹׁמֵ֥עַֽ (shomea) = die hoort | לִֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:2; Job 34:4; Job 34:10; Job 34:16; 1 Kor 10:15 **34:35** ‘Job spreekt zonder kennis, en zijn woorden zijn zonder inzicht.’ Brontekst: אִ֭יּוֹב (iyov) = Job | לֹא (lo) = niet | בְדַ֣עַת (bedaat) = met kennis | יְדַבֵּ֑ר (yedaber) = spreekt | וּ֝דְבָרָ֗יו (udevarav) = en zijn woorden | לֹ֣א (lo) = niet | בְהַשְׂכֵּֽיל (behaskeil) = met inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:2; Job 15:2; Job 35:16; Job 38:2; Job 42:3 **34:36** Och, mocht Job tot het einde beproefd worden vanwege zijn antwoorden die bij mannen van onrecht passen! Brontekst: אָבִ֗י (avi) = och dat | יִבָּחֵ֣ן (yibachen) = worde beproefd | אִיּ֣וֹב (iyov) = Job | עַד (ad) = tot | נֶ֑צַח (netsach) = het einde | עַל (al) = vanwege | תְּ֝שֻׁבֹ֗ת (teshuvot) = antwoorden | בְּאַנְשֵׁי (beanshei) = onder mannen van | אָֽוֶן (aven) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: אָבִי (avi) is hier de uitroep ‘och, dat’ (verwant aan het werkwoord ‘willen’). Sommigen lezen ‘mijn vader’. Wij kiezen ‘och, dat’. Zie ook: Job 22:15; Job 24:1; Ps 17:3; Ps 26:2; Jak 5:11 **34:37** Want hij voegt overtreding toe aan zijn zonde; onder ons klapt hij in de handen en vermenigvuldigt hij zijn woorden tegen El.” Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | יֹ֘סִ֤יף (yosif) = hij voegt toe | עַֽל (al) = aan | חַטָּאת֣וֹ (chatato) = zijn zonde | פֶ֭שַׁע (pesha) = overtreding | בֵּינֵ֣ינוּ (beineinu) = onder ons | יִסְפּ֑וֹק (yispoq) = klapt hij in de handen | וְיֶ֖רֶב (veyerev) = en vermenigvuldigt | אֲמָרָ֣יו (amarav) = zijn woorden | לָאֵֽל (lael) = tegen El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘In de handen klappen’ is een gebaar van spot of verwerping (Job 27:23). Elihu verwijt Job opstandigheid tegen El. Zie ook: Job 23:2; Job 27:23; Job 42:7; 1 Sam 15:23; Jes 1:19–20 ## Job 35 _Elihu: Wat baat gerechtigheid?_ ### Is mijn gerechtigheid groter dan die van El? **35:1** Elihu antwoordde en zei: Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en antwoordde | אֱלִיה֗וּ (elihu) = Elihu | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu geeft twee argumenten: Elohim is te hoog om door menselijke zonde of gerechtigheid geraakt te worden (vers 5–8), en de onderdrukten schreeuwen zonder waarlijk Elohim te zoeken (vers 9–13). **35:2** „Houdt u dit voor recht, dat u zegt: ‘Mijn gerechtigheid is groter dan die van El’, Brontekst: הֲ֭זֹאת (hazot) = is dit | חָשַׁ֣בְתָּ (chashavta) = rekent u | לְמִשְׁפָּ֑ט (lemishpat) = als recht | אָ֝מַ֗רְתָּ (amarta) = zegt u | צִדְקִ֥י (tsidqi) = mijn gerechtigheid | מֵאֵֽל (meel) = meer dan van El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:6–7; Job 27:2–6; Job 34:5; Mat 12:36–37; Luc 19:22 **35:3** dat u zegt: ‘Wat baat het u, wat win ik meer dan door mijn zonde?’ Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תֹ֭אמַר (tomar) = u zegt | מַה (ma) = wat | יִּסְכָּן (yiskan) = baat het | לָ֑ךְ (lakh) = u | מָֽה (ma) = wat | אֹ֝עִ֗יל (oil) = win ik | מֵֽחַטָּאתִֽי (mechatati) = meer dan mijn zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:21–22; Job 9:30–31; Job 21:15; Job 34:9; Mal 3:14 **35:4** Ik zal u antwoorden, en uw vrienden met u. Brontekst: אֲ֭נִי (ani) = ik | אֲשִֽׁיבְךָ֣ (ashivekha) = zal u antwoorden | מִלִּ֑ין (milin) = woorden | וְֽאֶת (veet) = en | רֵעֶ֥יךָ (reeikha) = uw vrienden | עִמָּֽךְ (imakh) = met u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:8; Spr 13:20 **35:5** Kijk naar de hemel en zie, aanschouw de wolken: zij zijn hoger dan u. Brontekst: הַבֵּ֣ט (habet) = kijk naar | שָׁמַ֣יִם (shamayim) = de hemel | וּרְאֵ֑ה (uree) = en zie | וְשׁ֥וּר (veshur) = en aanschouw | שְׁ֝חָקִ֗ים (shechaqim) = de wolken | גָּבְה֥וּ (gavehu) = zij zijn hoger | מִמֶּֽךָּ (mimeka) = dan u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Kijk naar de hemel’: het hogere is een beeld van de verhevenheid van Elohim. Vergelijk Job 22:12 en Jes. 55:9. Zie ook: Job 22:12; Job 36:26–37:5; Jes 40:22–23; Jes 55:9; Nah 1:3 **35:6** Als u zondigt, wat doet u Hem aan? En als uw overtredingen talrijk worden, wat doet u Hem? Brontekst: אִם (im) = indien | חָ֭טָאתָ (chatata) = u zondigt | מַה (ma) = wat | תִּפְעָל (tifal) = doet u | בּ֑וֹ (bo) = Hem | וְרַבּ֥וּ (verabu) = en worden talrijk | פְ֝שָׁעֶ֗יךָ (peshaeikha) = uw overtredingen | מַה (ma) = wat | תַּעֲשֶׂה (taase) = doet u | לּֽוֹ (lo) = Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 8:36; Spr 9:12; Jer 7:19 **35:7** Als u rechtvaardig bent, wat geeft u Hem? Of wat neemt Hij van uw hand? Brontekst: אִם (im) = indien | צָ֭דַקְתָּ (tsadaqta) = u rechtvaardig bent | מַה (ma) = wat | תִּתֶּן (titen) = geeft u | ל֑וֹ (lo) = Hem | א֥וֹ (o) = of | מַה (ma) = wat | מִיָּדְךָ֥ (miyadekha) = van uw hand | יִקָּֽח (yiqach) = neemt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:2–3; Ps 16:2; Spr 9:12; Luc 17:10; Rom 11:35 **35:8** Voor een man zoals u is uw goddeloosheid, en voor een mensenzoon uw gerechtigheid. Brontekst: לְאִישׁ (leish) = voor een man | כָּמ֥וֹךָ (kamokha) = zoals u | רִשְׁעֶ֑ךָ (rishekha) = uw goddeloosheid | וּלְבֶן (uleven) = en voor een zoon van | אָ֝דָ֗ם (adam) = mens | צִדְקָתֶֽךָ (tsidqatekha) = uw gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:24–33; Ps 106:23; Ps 106:30; Jona 1:12; Ezech 22:30 ### Waarom Eloah niet antwoordt **35:9** Vanwege de vele onderdrukkingen schreeuwen zij, zij roepen om hulp vanwege de arm van de groten. Brontekst: מֵ֭רֹב (merov) = vanwege veel | עֲשׁוּקִ֣ים (ashuqim) = onderdrukkingen | יַזְעִ֑יקוּ (yaziqu) = schreeuwen zij | יְשַׁוְּע֖וּ (yeshaveu) = roepen zij om hulp | מִזְּר֣וֹעַ (mizeroa) = vanwege de arm van | רַבִּֽים (rabim) = de groten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 34:28; Job 40:9; Ex 2:23; Ps 56:2–3; Luc 18:3–7 **35:10** Maar niemand zegt: ‘Waar is Eloah, mijn Maker, die lofzangen geeft in de nacht, Brontekst: וְֽלֹא (velo) = en niet | אָמַ֗ר (amar) = zegt men | אַ֭יֵּה (aye) = waar is | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | עֹשָׂ֑י (osay) = mijn Makers | נֹתֵ֖ן (noten) = die geeft | זְמִר֣וֹת (zemirot) = lofzangen | בַּלָּֽיְלָה (balayela) = in de nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Lofzangen in de nacht’ (zemirot balaylah): Eloah geeft ook in de nacht van het lijden reden tot lofzang. Vergelijk Ps. 42:9 en Hand. 16:25. De vraag ‘Waar is Eloah, mijn Maker?’ is tegelijk de vraag van Job (23:3). Zie ook: Ps 42:9; Ps 42:10; Ps 77:7; Ps 149:5; Jes 51:13; Hand 16:25 **35:11** die ons meer onderwijst dan de dieren van de aarde en ons wijzer maakt dan het gevogelte van de hemel?’ Brontekst: מַ֭לְּפֵנוּ (malefenu) = die ons onderwijst | מִבַּהֲמ֣וֹת (mibahamot) = meer dan de dieren van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | וּמֵע֖וֹף (umeof) = en meer dan het gevogelte van | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | יְחַכְּמֵֽנוּ (yechakemenu) = maakt ons wijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:26; Gen 2:7; Job 32:8; Job 36:22; Ps 94:12 **35:12** Daar schreeuwen zij, maar Hij antwoordt niet, vanwege de hoogmoed van de boosdoeners. Brontekst: שָׁ֣ם (sham) = daar | יִ֭צְעֲקוּ (yitsaqu) = schreeuwen zij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲנֶ֑ה (yaane) = antwoordt Hij | מִ֝פְּנֵ֗י (mipenei) = vanwege | גְּא֣וֹן (geon) = de hoogmoed van | רָעִֽים (raim) = boosdoeners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 73:6–8; Ps 123:3–4; Spr 1:28; Jes 14:14–17; Joh 9:31 **35:13** Zeker, El hoort ijdelheid niet, en Shaddai ziet ze niet aan. Brontekst: אַךְ (akh) = maar | שָׁ֭וְא (shave) = ijdelheid | לֹא (lo) = niet | יִשְׁמַ֥ע (yishma) = hoort | אֵ֑ל (el) = El | וְ֝שַׁדַּ֗י (veshaday) = en Shaddai | לֹ֣א (lo) = niet | יְשׁוּרֶֽנָּה (yeshurena) = ziet het aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 15:8; Spr 15:29; Jes 1:15; Jer 11:11; Jak 4:3 **35:14** Hoeveel te minder als u zegt dat u Hem niet ziet! De zaak ligt voor Hem, wacht dan op Hem. Brontekst: אַ֣ף (af) = hoeveel te minder | כִּֽי (ki) = als | תֹ֭אמַר (tomar) = u zegt | לֹ֣א (lo) = niet | תְשׁוּרֶ֑נּוּ (teshurenu) = u ziet Hem | דִּ֥ין (din) = de zaak | לְ֝פָנָ֗יו (lefanav) = voor Hem | וּתְח֥וֹלֵֽל (utecholel) = en wacht | לֽוֹ (lo) = op Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:11; Job 19:7; Ps 27:12–14; Ps 97:2; Mi 7:7–9 **35:15** Maar nu, omdat Zijn toorn niet straft en Hij overmoed nauwelijks opmerkt, Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | כִּי (ki) = omdat | אַ֭יִן (ayin) = niet | פָּקַ֣ד (paqad) = Hij straft | אַפּ֑וֹ (apo) = in Zijn toorn | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָדַ֖ע (yada) = weet Hij | בַּפַּ֣שׁ (bapash) = van overmoed | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het laatste woord van vers 15 is בַּפַּשׁ (bapasj), een zeldzaam woord dat ‘overmoed’ of ‘overtreding’ kan betekenen; de Griekse en Syrische vertaling lezen anders. Wij kiezen ‘overmoed’. Zie ook: Num 20:12; Ps 89:33; Hos 11:8–9; Luc 1:20; Heb 12:11–12 **35:16** opent Job zijn mond met ijdelheid en vermenigvuldigt hij woorden zonder kennis.” Brontekst: וְ֭אִיּוֹב (veiyov) = en Job | הֶ֣בֶל (hevel) = ijdel | יִפְצֶה (yiftse) = opent | פִּ֑יהוּ (pihu) = zijn mond | בִּבְלִי (bivli) = zonder | דַ֝֗עַת (daat) = kennis | מִלִּ֥ין (milin) = woorden | יַכְבִּֽר (yakhbir) = vermenigvuldigt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:1; Job 33:2; Job 33:8–12; Job 34:35–37; Job 38:2 ## Job 36 _Elihu: de leiding en grootheid van El_ ### Nog een weinig woorden voor Eloah **36:1** Elihu ging verder en zei: Brontekst: וַיֹּ֥סֶף (vayosef) = en ging voort | אֱלִיה֗וּא (elihu) = Elihu | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu zet zijn betoog voort (de laatste en langste rede). Hij zegt de woorden niet van zichzelf te hebben, maar ‘voor Eloah’ te spreken (vers 2). **36:2** „Wacht een weinig voor mij, dan zal ik u onderrichten, want er zijn nog woorden voor Eloah. Brontekst: כַּתַּר (katar) = wacht | לִ֣י (li) = voor mij | זְ֭עֵיר (zeeir) = een weinig | וַאֲחַוֶּ֑ךָּ (vaachaveka) = en ik zal u onderrichten | כִּ֤י (ki) = want | ע֖וֹד (od) = nog | לֶאֱל֣וֹהַּ (leeloha) = voor Eloah | מִלִּֽים (milim) = woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:7–8; Job 21:3; Ezech 2:7; 2 Kor 5:20; Heb 13:22 **36:3** Ik zal mijn kennis van ver halen, en aan mijn Maker zal ik gerechtigheid geven. Brontekst: אֶשָּׂ֣א (esa) = ik zal dragen | דֵ֭עִי (dei) = mijn kennis | לְמֵרָח֑וֹק (lemerachoq) = van ver | וּ֝לְפֹעֲלִ֗י (ulefoali) = en aan mijn Maker | אֶֽתֵּֽן (eten) = zal ik geven | צֶֽדֶק (tsedeq) = gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:3; Job 32:8; Ps 145:17; Jak 1:17; Jak 3:17 **36:4** Want voorwaar, mijn woorden zijn geen leugen; een die volmaakt is in kennis staat bij u. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אָ֭מְנָם (amenam) = voorwaar | לֹא (lo) = niet | שֶׁ֣קֶר (sheqer) = leugen | מִלָּ֑י (milay) = mijn woorden | תְּמִ֖ים (temim) = volmaakte van | דֵּע֣וֹת (deot) = kennis | עִמָּֽךְ (imakh) = bij u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:16; Ps 49:4; Spr 8:7–8; 1 Kor 14:20; 2 Tim 3:16–17 ### Hij veracht niemand **36:5** Zie, El is machtig en veracht niemand; machtig in kracht van verstand. Brontekst: הֶן (hen) = zie | אֵ֣ל (el) = El | כַּ֭בִּיר (kabir) = machtig | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִמְאָ֑ס (yimas) = veracht Hij | כַּ֝בִּ֗יר (kabir) = machtig | כֹּ֣חַֽ (koach) = kracht van | לֵֽב (lev) = verstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:23; Ps 22:25; Ps 138:6; Ps 147:5; Jer 10:12 **36:6** Hij laat de goddeloze niet leven, maar het recht van de armen geeft Hij. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יְחַיֶּ֥ה (yechaye) = laat Hij leven | רָשָׁ֑ע (rasha) = een goddeloze | וּמִשְׁפַּ֖ט (umishpat) = en recht | עֲנִיִּ֣ים (aniyim) = voor de armen | יִתֵּֽן (yiten) = geeft Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:15; Job 21:7–9; Ps 72:12–14; Ps 140:13; 2 Petr 2:9 **36:7** Van de rechtvaardige onttrekt Hij Zijn ogen niet, en met koningen op de troon doet Hij hen voor altijd zetelen, zodat zij verheven worden. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יִגְרַ֥ע (yigra) = onttrekt Hij | מִצַּדִּ֗יק (mitsadiq) = aan de rechtvaardige | עֵ֫ינָ֥יו (einav) = Zijn ogen | וְאֶת (veet) = en met | מְלָכִ֥ים (melakhim) = koningen | לַכִּסֵּ֑א (lakise) = op de troon | וַיֹּשִׁיבֵ֥ם (vayoshivem) = en Hij doet hen zetelen | לָ֝נֶ֗צַח (lanetsach) = voor altijd | וַיִּגְבָּֽהוּ (vayigbahu) = en zij worden verheven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van vers 7b is beknopt: ‘en met koningen op de troon, en Hij doet hen zetelen voor altijd, en zij worden verheven’. Wij volgen de Masoretische lezing en verstaan de rechtvaardige als de koning die door Elohim wordt verhoogd. Zie ook: 1 Sam 2:8; Ps 33:18; Ps 34:16; Ps 113:7–8; 2 Tess 3:3 **36:8** Maar als zij gebonden zijn met boeien en gevangen worden in koorden van ellende, Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | אֲסוּרִ֥ים (asurim) = gebondenen | בַּזִּקִּ֑ים (baziqim) = met boeien | יִ֝לָּכְד֗וּן (yilakhedun) = zij gevangen worden | בְּחַבְלֵי (bechavlei) = in koorden van | עֹֽנִי (oni) = ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 19:6; Ps 107:10; Ps 116:3; Spr 5:22; Klaagl 3:9 **36:9** dan maakt Hij hun daad bekend, en hun overtredingen, dat zij zich hebben verheven. Brontekst: וַיַּגֵּ֣ד (vayaged) = en Hij maakt bekend | לָהֶ֣ם (lahem) = hun | פָּעֳלָ֑ם (paolam) = hun daad | וּ֝פִשְׁעֵיהֶ֗ם (ufisheihem) = en hun overtredingen | כִּ֣י (ki) = dat | יִתְגַּבָּֽרוּ (yitgabaru) = zij zich verheffen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:25; Deut 4:21–22; Ps 5:11; Ps 119:71; 1 Kor 11:32 **36:10** Hij opent hun oor voor tucht en zegt dat zij zich van onrecht moeten bekeren. Brontekst: וַיִּ֣גֶל (vayigel) = en Hij opent | אָ֭זְנָם (azenam) = hun oor | לַמּוּסָ֑ר (lamusar) = voor tucht | וַ֝יֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zegt | כִּֽי (ki) = dat | יְשֻׁב֥וּן (yeshuvun) = zij terugkeren | מֵאָֽוֶן (meaven) = van onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 33:16–23; Job 36:15; 2 Kon 17:13; Jes 55:6–7; Mat 3:8 **36:11** Als zij horen en dienen, voltooien zij hun dagen in het goede en hun jaren in lieflijkheid. Brontekst: אִֽם (im) = indien | יִשְׁמְע֗וּ (yishmeu) = zij horen | וְֽיַ֫עֲבֹ֥דוּ (veyaavodu) = en dienen | יְכַלּ֣וּ (yekhalu) = voltooien zij | יְמֵיהֶ֣ם (yemeihem) = hun dagen | בַּטּ֑וֹב (batov) = in het goede | וּ֝שְׁנֵיהֶ֗ם (usheneihem) = en hun jaren | בַּנְּעִימִֽים (baneimim) = in lieflijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:30; Jes 1:19; Jer 7:23; Jer 26:13; Heb 11:8 **36:12** Maar als zij niet horen, gaan zij door het wapen heen en sterven zij zonder kennis. Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | לֹ֣א (lo) = niet | יִ֭שְׁמְעוּ (yishmeu) = zij horen | בְּשֶׁ֣לַח (beshelach) = door het wapen | יַעֲבֹ֑רוּ (yaavoru) = gaan zij over | וְ֝יִגְוְע֗וּ (veyigveu) = en sterven zij | כִּבְלִי (kivli) = zonder | דָֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:21; Deut 18:15–22; Jes 1:20; Jes 3:11; Rom 2:8–9 **36:13** De goddelozen van hart leggen toorn op zich; zij roepen niet om hulp wanneer Hij hen bindt. Brontekst: וְֽחַנְפֵי (vechanfei) = en goddelozen van | לֵ֭ב (lev) = hart | יָשִׂ֣ימוּ (yasimu) = leggen | אָ֑ף (af) = toorn | לֹ֥א (lo) = niet | יְ֝שַׁוְּע֗וּ (yeshaveu) = roepen zij om hulp | כִּ֣י (ki) = wanneer | אֲסָרָֽם (asaram) = Hij hen bindt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 27:8–10; Job 36:8; Ps 107:10; 2 Kron 28:13; Rom 2:5 **36:14** Hun ziel sterft in de jeugd en hun leven onder de tempelhoeren. Brontekst: תָּמֹ֣ת (tamot) = sterft | בַּנֹּ֣עַר (banoar) = in de jeugd | נַפְשָׁ֑ם (nafsham) = hun ziel | וְ֝חַיָּתָ֗ם (vechayatam) = en hun leven | בַּקְּדֵשִֽׁים (baqedeshim) = onder de tempelhoeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְדֵשִׁים (kedesjim) zijn tempelhoeren of -prostituees (Deut. 23:18; 1 Kon. 14:24). De jonge dood van wie in zonde leeft, wordt gelijkgesteld met die van een afgodendienaar. Zie ook: Gen 19:24–25; Job 15:32; Job 22:16; Deut 23:18; Deut 23:19; Ps 55:24; 1 Kon 14:24 **36:15** Hij redt de arme door zijn ellende en opent hun oor in de druk. Brontekst: יְחַלֵּ֣ץ (yechalets) = Hij redt | עָנִ֣י (ani) = de arme | בְעָנְי֑וֹ (beaneyo) = door zijn ellende | וְיִ֖גֶל (veyigel) = en opent | בַּלַּ֣חַץ (balachats) = in de druk | אָזְנָֽם (azenam) = hun oor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:10; 2 Kron 12:8 ### Hij lokt u uit de nood **36:16** Ook u lokt Hij uit de muil van benauwdheid naar de ruimte, waar geen beperking onder is, en wat op uw tafel komt te rusten, is vol vet. Brontekst: וְאַ֤ף (veaf) = en ook | הֲסִיתְךָ֨ (hasitekha) = Hij lokt u | מִפִּי (mipi) = uit de muil van | צָ֗ר (tsar) = benauwdheid | רַ֭חַב (rachav) = ruimte | לֹא (lo) = niet | מוּצָ֣ק (mutsaq) = beperking | תַּחְתֶּ֑יהָ (tachteiha) = daaronder | וְנַ֥חַת (venachat) = en de rust van | שֻׁ֝לְחָנְךָ֗ (shulchanekha) = uw tafel | מָ֣לֵא (male) = vol | דָֽשֶׁן (dashen) = vet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De lezing van vers 16 is onzeker. Wij vertalen: Hij lokt u uit de benauwdheid naar de ruimte waar geen beperking is, en uw tafel is vol van vet. Er is dus hoop voor Job als hij zich laat onderrichten. Zie ook: Ps 18:20; Ps 23:5; Ps 31:9; Ps 63:6; Ps 118:5 **36:17** Maar u bent vol van het oordeel over de goddeloze; oordeel en recht houden u vast. Brontekst: וְדִין (vedin) = en het oordeel van | רָשָׁ֥ע (rasha) = een goddeloze | מָלֵ֑אתָ (maleta) = hebt u vervuld | דִּ֖ין (din) = oordeel | וּמִשְׁפָּ֣ט (umishpat) = en recht | יִתְמֹֽכוּ (yitmokhu) = houden vast Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 16:5; Job 22:11; Job 34:8; Rom 1:32; Openb 18:4 **36:18** Want pas op dat de woede u niet verleidt tot spot, en dat de grootte van het losgeld u niet doet afwijken. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | חֵ֭מָה (chema) = woede | פֶּן (pen) = opdat niet | יְסִֽיתְךָ֣ (yesitekha) = zij u verleidt | בְסָ֑פֶק (besafeq) = tot spot | וְרָב (verav) = en de grootte van | כֹּ֝֗פֶר (kofer) = losgeld | אַל (al) = niet | יַטֶּֽךָּ (yateka) = laat u afwijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van vers 18 is moeilijk. ‘Woede’ (chemah) wordt door sommigen als ‘rijkdom’ of ‘overvloed’ gelezen, en ‘spot’ (sefek) kan ook ‘klap’ betekenen. Wij houden de gangbare weergave aan: laat de woede u niet verleiden tot spot en laat de omvang van het losgeld u niet doen afwijken. Zie ook: Job 33:24; Ps 110:5; Rom 1:18; Rom 2:5; Ef 5:6 **36:19** Zal uw rijkdom u toerusten zodat u niet in nood bent, of al uw krachtsinspanningen? Brontekst: הֲיַעֲרֹ֣ךְ (hayaarokh) = zal toerusten | שׁ֭וּעֲךָ (shuakha) = uw rijkdom | לֹ֣א (lo) = niet | בְצָ֑ר (betsar) = in nood | וְ֝כֹ֗ל (vekhol) = en alle | מַאֲמַצֵּי (maamatsei) = inspanningen van | כֹֽחַ (koach) = kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: שׁוּעֲךָ (sjoeacha) kan ‘uw rijkdom’ of ‘uw geschreeuw om hulp’ betekenen. Wij kiezen ‘uw rijkdom’, naar de rijkdom die in 36:16 wordt genoemd en waartegen Elihu waarschuwt. Zie ook: Ps 33:16–17; Spr 10:2; Spr 11:4; Spr 11:21; Jes 37:36 **36:20** Verlang niet naar de nacht, waarin volken uit hun plaats opgaan. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּשְׁאַ֥ף (tishaf) = verlang | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = naar de nacht | לַעֲל֖וֹת (laalot) = om op te doen gaan | עַמִּ֣ים (amim) = volken | תַּחְתָּֽם (tachtam) = uit hun plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Vers 20 is moeilijk. Letterlijk: ‘Verlang niet naar de nacht, waarin volken uit hun plaats worden weggenomen.’ Elihu waarschuwt Job niet te verlangen naar de nacht van het oordeel, waarin volken plotseling verdwijnen. Vergelijk Job 34:20. Zie ook: Job 34:20; Job 34:25; Ex 12:29; 2 Kon 19:35; 1 Tess 5:2–3 **36:21** Wacht u ervoor u tot onrecht te wenden, want dat hebt u verkozen boven ellende. Brontekst: הִ֭שָּׁמֶר (hishamer) = wacht u | אַל (al) = niet | תֵּ֣פֶן (tefen) = wend u | אֶל (el) = tot | אָ֑וֶן (aven) = onrecht | כִּֽי (ki) = want | עַל (al) = hierop | זֶ֝֗ה (ze) = koos u | בָּחַ֥רְתָּ (bacharta) = boven | מֵעֹֽנִי (meoni) = ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 66:18; Mat 13:21; Mat 16:24; 1 Petr 3:17; Heb 11:25 ### El is verheven; wie is een leraar zoals Hij? **36:22** Zie, El is verheven in Zijn kracht; wie is een leraar zoals Hij? Brontekst: הֶן (hen) = zie | אֵ֭ל (el) = El | יַשְׂגִּ֣יב (yasgiv) = is verheven | בְּכֹח֑וֹ (bekhocho) = in Zijn kracht | מִ֖י (mi) = wie | כָמֹ֣הוּ (kamohu) = is zoals Hij | מוֹרֶֽה (more) = een leraar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 2:7–8; Jes 48:17; Jer 27:5–8; Luc 1:52; Rom 13:1 **36:23** Wie heeft Hem Zijn weg opgedragen, en wie heeft gezegd: ‘U hebt onrecht gedaan’? Brontekst: מִֽי (mi) = wie | פָקַ֣ד (paqad) = droeg op | עָלָ֣יו (alav) = aan Hem | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = Zijn weg | וּמִֽי (umi) = en wie | אָ֝מַ֗ר (amar) = zei | פָּעַ֥לְתָּ (paalta) = u hebt gedaan | עַוְלָֽה (avla) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:3; Jes 40:13–14; 1 Kor 2:16; Rom 2:5; Ef 1:11 **36:24** Denk eraan Zijn werk te verheffen, dat mensen hebben bezongen. Brontekst: זְ֭כֹר (zekhor) = denk eraan | כִּֽי (ki) = dat | תַשְׂגִּ֣יא (tasgi) = u verheft | פָעֳל֑וֹ (paolo) = Zijn werk | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | שֹׁרְר֣וּ (shoreru) = zij bezongen | אֲנָשִֽׁים (anashim) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 72:18; Ps 111:2–4; Ps 145:10–12; Luc 1:46; Openb 15:3 **36:25** Alle mensen hebben het aanschouwd, de sterveling ziet het van verre. Brontekst: כָּל (kal) = alle | אָדָ֥ם (adam) = mensen | חָֽזוּ (chazu) = hebben het aanschouwd | ב֑וֹ (bo) = erin | אֱ֝נ֗וֹשׁ (enosh) = de sterveling | יַבִּ֥יט (yabit) = ziet | מֵרָחֽוֹק (merachoq) = van verre Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:26** Zie, El is verheven, en wij kennen Hem niet; het aantal van Zijn jaren is niet te onderzoeken. Brontekst: הֶן (hen) = zie | אֵ֣ל (el) = El | שַׂ֭גִּיא (sagi) = is verheven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נֵדָ֑ע (neda) = wij kennen | מִסְפַּ֖ר (mispar) = het aantal van | שָׁנָ֣יו (shanav) = Zijn jaren | וְלֹא (velo) = en niet | חֵֽקֶר (cheqer) = is er onderzoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Wij kennen Hem niet’: Elihu verklaart dat Elohim onbereikbaar is. Dit loopt vooruit op de rede van Yahweh zelf (hoofdstukken 38–41). Vergelijk Job 11:7 en Jes. 40:28. Zie ook: Job 11:7–9; Job 37:23; Ps 90:2; Ps 145:3; 1 Kon 8:27; Jes 40:28 ### De waterdruppels en het licht **36:27** Want Hij trekt de druppels water omhoog, zij zuiveren de regen uit zijn damp, Brontekst: כִּ֭י (ki) = want | יְגָרַ֣ע (yegara) = Hij trekt omhoog | נִטְפֵי (nitfei) = druppels van | מָ֑יִם (mayim) = water | יָזֹ֖קּוּ (yazoqu) = zij zuiveren | מָטָ֣ר (matar) = regen | לְאֵדֽוֹ (leedo) = uit zijn damp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu beschrijft de kringloop van het water: druppels worden omhooggetrokken, vormen wolken en vallen als regen. Vergelijk Job 38:25–38; Pred. 1:7 en Amos 5:8. Zie ook: Job 5:9; Job 38:25–28; Ps 65:10–14; Ps 147:8; Ps 148:8; Pred 1:7; Amos 5:8 **36:28** die de wolken laten stromen; zij druipen overvloedig op mensen. Brontekst: אֲשֶֽׁר (asher) = die | יִזְּל֥וּ (yizelu) = laten stromen | שְׁחָקִ֑ים (shechaqim) = wolken | יִ֝רְעֲפ֗וּ (yirafu) = zij druipen | עֲלֵ֤י (alei) = op | אָדָ֬ם (adam) = mensen | רָֽב (rav) = overvloedig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:11–12; Job 37:11–13; Spr 3:20 **36:29** Ja, wie begrijpt de uitspreidingen van de wolken, het gedonder van Zijn hut? Brontekst: אַ֣ף (af) = ja | אִם (im) = indien | יָ֭בִין (yavin) = begrijpt | מִפְרְשֵׂי (mifresei) = de uitspreidingen van | עָ֑ב (av) = wolken | תְּ֝שֻׁא֗וֹת (teshuot) = het gedonder van | סֻכָּתֽוֹ (sukato) = Zijn hut Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:2–5; Job 37:16; Job 38:37; Ps 77:17–20; Hab 3:10 **36:30** Zie, Hij spreidt Zijn licht over Zich uit en bedekt de wortels van de zee. Brontekst: הֵן (hen) = zie | פָּרַ֣שׂ (paras) = Hij spreidt | עָלָ֣יו (alav) = over Zich | אוֹר֑וֹ (oro) = Zijn licht | וְשָׁרְשֵׁ֖י (veshareshei) = en de wortels van | הַיָּ֣ם (hayam) = de zee | כִּסָּֽה (kisa) = bedekt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De wortels van de zee’ zijn de diepten van de oceaan; vergelijk Job 38:16. Het licht van de bliksem werpt licht op de zee. Zie ook: Job 38:16; Job 38:25; Job 38:34–35; Ex 14:22; Ex 14:28; Ex 15:4–5 **36:31** Want hierdoor richt Hij volken, Hij geeft voedsel in overvloed. Brontekst: כִּי (ki) = want | בָ֭ם (bam) = hierdoor | יָדִ֣ין (yadin) = richt Hij | עַמִּ֑ים (amim) = volken | יִֽתֶּן (yiten) = Hij geeft | אֹ֥כֶל (okhel) = voedsel | לְמַכְבִּֽיר (lemakhbir) = in overvloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:13; Job 38:26–27; Ps 104:13–15; Ps 136:25; Hand 14:17 **36:32** Met beide handen bedekt Hij het licht en gebiedt het te treffen. Brontekst: עַל (al) = op | כַּפַּ֥יִם (kapayim) = handen | כִּסָּה (kisa) = bedekt Hij | א֑וֹר (or) = licht | וַיְצַ֖ו (vaytsav) = en gebiedt | עָלֶ֣יהָ (aleiha) = het | בְמַפְגִּֽיעַ (bemafgia) = te treffen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:15; Ps 18:12; Ps 135:7; Ps 147:8–9; Ps 148:8 **36:33** Zijn donder kondigt het aan; ook het vee voelt de opkomende storm.” Brontekst: יַגִּ֣יד (yagid) = kondigt aan | עָלָ֣יו (alav) = erover | רֵע֑וֹ (reo) = Zijn donder | מִ֝קְנֶ֗ה (miqne) = vee | אַ֣ף (af) = ook | עַל (al) = over | עוֹלֶֽה (ole) = wat opkomt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:29; Job 37:2; 2 Sam 22:14; 1 Kon 18:41–45; Joël 2:22 ## Job 37 _Elihu: de stem van El in de storm_ ### De donder van Zijn stem **37:1** „Ook hierbij beeft mijn hart en springt het op van zijn plaats. Brontekst: אַף (af) = ook | לְ֭זֹאת (lezot) = bij dit | יֶחֱרַ֣ד (yecherad) = beeft | לִבִּ֑י (libi) = mijn hart | וְ֝יִתַּ֗ר (veyitar) = en springt op | מִמְּקוֹמֽוֹ (mimeqomo) = van zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elihu beschrijft een onweer. Misschien trekt er werkelijk een storm op, de voorbode van het antwoord van Yahweh uit de wervelstorm in 38:1. Vergelijk Ps. 29, de ‘stem van Yahweh’ in de donder. Zie ook: Job 4:14; Job 21:6; Ps 89:8; Hab 3:16; Mat 28:2–4 **37:2** Hoor, luister naar het razen van Zijn stem en het gerommel dat uit Zijn mond uitgaat. Brontekst: שִׁמְע֤וּ (shimu) = hoort | שָׁמ֣וֹעַ (shamoa) = luister | בְּרֹ֣גֶז (berogez) = naar het razen van | קֹל֑וֹ (qolo) = Zijn stem | וְ֝הֶ֗גֶה (vehege) = en het gerommel | מִפִּ֥יו (mipiv) = uit Zijn mond | יֵצֵֽא (yetse) = gaat uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:33; Job 37:5; Job 38:1; Ex 19:16–19; Ps 104:7 **37:3** Onder heel de hemel laat Hij het los, en Zijn licht over de uiteinden van de aarde. Brontekst: תַּֽחַת (tachat) = onder | כָּל (kal) = heel | הַשָּׁמַ֥יִם (hashamayim) = de hemel | יִשְׁרֵ֑הוּ (yishrehu) = laat Hij het los | וְ֝אוֹר֗וֹ (veoro) = en Zijn licht | עַל (al) = over | כַּנְפ֥וֹת (kanfot) = de uiteinden van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 38:13; Ps 97:4; Jes 11:12; Mat 24:27; Openb 11:19 **37:4** Daarna brult een stem; Hij dondert met de stem van Zijn majesteit, en Hij houdt de bliksems niet terug wanneer Zijn stem gehoord wordt. Brontekst: אַחֲרָ֤יו (acharav) = daarna | יִשְׁאַג (yishag) = brult | ק֗וֹל (qol) = een stem | יַ֭רְעֵם (yarem) = Hij dondert | בְּק֣וֹל (beqol) = met de stem van | גְּאוֹנ֑וֹ (geono) = Zijn majesteit | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְ֝עַקְּבֵ֗ם (yeaqevem) = houdt Hij ze terug | כִּֽי (ki) = wanneer | יִשָּׁמַ֥ע (yishama) = gehoord wordt | קוֹלֽוֹ (qolo) = Zijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:27–33; Ex 15:7–8; Deut 33:26; Ps 29:3–9; Ps 68:34 ### Sneeuw, regen en ijs **37:5** Wonderbaarlijk dondert El met Zijn stem; Hij doet grote dingen die wij niet begrijpen. Brontekst: יַרְעֵ֤ם (yarem) = dondert | אֵ֣ל (el) = El | בְּ֭קוֹלוֹ (beqolo) = met Zijn stem | נִפְלָא֑וֹת (niflaot) = wonderen | עֹשֶׂ֥ה (ose) = doet Hij | גְ֝דֹל֗וֹת (gedolot) = grote dingen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נֵדָֽע (neda) = wij begrijpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:9; Job 9:10; Pred 3:11; Jes 40:28; Rom 11:33 **37:6** Want tot de sneeuw zegt Hij: ‘Val op de aarde’, en tot de regenbui en de stortregen: ‘Wees krachtig.’ Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | לַשֶּׁ֨לַג (lashelag) = tot de sneeuw | יֹאמַ֗ר (yomar) = zegt Hij | הֱוֵ֫א (heve) = val | אָ֥רֶץ (arets) = op de aarde | וְגֶ֥שֶׁם (vegeshem) = en de regenbui | מָטָ֑ר (matar) = regen | וְ֝גֶ֗שֶׁם (vegeshem) = en de regenbui | מִטְר֥וֹת (mitrot) = regens van | עֻזּֽוֹ (uzo) = Zijn kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:10–12; Job 36:27; Job 38:22; Ps 147:16–18; Ezech 13:13 **37:7** In de hand van elk mens verzegelt Hij, opdat alle mensen Zijn werk kennen. Brontekst: בְּיַד (beyad) = in de hand van | כָּל (kal) = elk | אָדָ֥ם (adam) = mens | יַחְתּ֑וֹם (yachtom) = verzegelt Hij | לָ֝דַ֗עַת (ladaat) = opdat weten | כָּל (kal) = alle | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mensen van | מַעֲשֵֽׂהוּ (maasehu) = Zijn werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: ‘In de hand van ieder mens verzegelt Hij’ betekent dat Hij door het winterweer het werk van mensen stillegt, zodat zij het werk van Elohim erkennen. Vergelijk Job 9:7. Zie ook: Job 9:7; Job 12:14; Job 36:24; Ps 109:27; Ps 111:2; Jes 5:12 **37:8** Het wild komt in zijn schuilplaats en blijft in zijn holen. Brontekst: וַתָּבֹ֣א (vatavo) = en komt | חַיָּ֣ה (chaya) = het wild | בְמוֹ (bemo) = in | אָ֑רֶב (arev) = schuilplaats | וּבִמְע֖וֹנֹתֶ֣יהָ (uvimonoteiha) = en in haar holen | תִשְׁכֹּֽן (tishkon) = blijft het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 38:40; Ps 104:22 **37:9** Uit de kamer komt de storm en uit de noordenwinden de kou. Brontekst: מִן (min) = uit | הַ֭חֶדֶר (hacheder) = de kamer | תָּב֣וֹא (tavo) = komt | סוּפָ֑ה (sufa) = storm | וּֽמִמְּזָרִ֥ים (umimezarim) = en uit de noordenwinden | קָרָֽה (qara) = koude Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De kamer’ (hacheder) is de verborgen kamer van het zuiden (Job 9:9, ‘de kamers van het zuiden’). Daarom komt de storm uit het zuiden en de kou uit het noorden. Zie ook: Job 9:9; Job 38:1; Ps 104:3; Jes 21:1; Zach 9:14 **37:10** Door de adem van El wordt ijs gegeven, en de breedte van het water wordt vast. Brontekst: מִנִּשְׁמַת (minishmat) = door de adem van | אֵ֥ל (el) = El | יִתֶּן (yiten) = wordt gegeven | קָ֑רַח (qarach) = ijs | וְרֹ֖חַב (verochav) = en de breedte van | מַ֣יִם (mayim) = water | בְּמוּצָֽק (bemutsaq) = vast Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 38:29–30; Ps 78:47; Ps 147:16–18 **37:11** Ook belast Hij de wolk met vocht, Hij verspreidt de wolken van Zijn licht. Brontekst: אַף (af) = ook | בְּ֭רִי (beri) = met vocht | יַטְרִ֣יחַ (yatriach) = belast Hij | עָ֑ב (av) = de wolk | יָ֝פִ֗יץ (yafits) = verspreidt Hij | עֲנַ֣ן (anan) = de wolken van | אוֹרֽוֹ (oro) = Zijn licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:27–30; Job 36:32; Jes 18:4; Mat 17:5 **37:12** En zij draaien rond, volgens Zijn leiding, om te doen wat Hij hun gebiedt over het oppervlak van de wereld op aarde, Brontekst: וְה֤וּא (vehu) = en zij | מְסִבּ֨וֹת (mesibot) = rondgaand | מִתְהַפֵּ֣ךְ (mithapekh) = draaien | בְּתַחְבּוּלֹתָ֣יו (betachbulotav) = volgens Zijn leiding | לְפָעֳלָ֑ם (lefaolam) = om te doen | כֹּ֖ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | יְצַוֵּ֓ם (yetsavem) = Hij hun gebiedt | עַל (al) = over | פְּנֵ֖י (penei) = het oppervlak van | תֵבֵ֣ל (tevel) = de wereld | אָֽרְצָה (aretsa) = op aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 104:24; Ps 148:8; Joël 2:23; Jer 14:22; Jak 5:17–18 **37:13** of tot straf, of voor Zijn land, of tot genade laat Hij het treffen. Brontekst: אִם (im) = of | לְשֵׁ֥בֶט (leshevet) = tot de roede | אִם (im) = of | לְאַרְצ֑וֹ (leartso) = voor Zijn land | אִם (im) = of | לְ֝חֶ֗סֶד (lechesed) = tot genade | יַמְצִאֵֽהוּ (yamtsiehu) = laat Hij het treffen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘tot de roede (sjevet), of tot Zijn land, of tot genade’. Regen en weer kunnen dus tuchtiging zijn, zegen voor het land of genade. Vergelijk Gen. 7:11–12 (de zondvloed) en Deut. 11:14. Zie ook: Gen 7:11–12; Job 36:31; Job 38:26–27; Ex 9:18–25; Deut 11:14; 1 Sam 12:18–19; 1 Kon 18:45 ### Sta stil, Job, en overweeg **37:14** Luister hiernaar, Job, sta stil en overweeg de wonderen van El. Brontekst: הַאֲזִ֣ינָה (haazina) = luister | זֹּ֣את (zot) = hiernaar | אִיּ֑וֹב (iyov) = Job | עֲ֝מֹ֗ד (amod) = sta stil | וְהִתְבּוֹנֵ֤ן (vehitbonen) = en overweeg | נִפְלְא֬וֹת (nifleot) = wonderen van | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:24; Ex 14:13; Ps 111:2; Ps 145:10–12; Hab 2:20 **37:15** Weet u hoe Eloah hen opdraagt en het licht van Zijn wolk laat schijnen? Brontekst: הֲ֭תֵדַע (hateda) = weet u | בְּשׂוּם (besum) = hoe stelt | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = hen | וְ֝הוֹפִ֗יעַ (vehofia) = en laat schijnen | א֣וֹר (or) = het licht van | עֲנָנֽוֹ (anano) = Zijn wolk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:30–32; Job 37:11; Job 38:4–41; Ps 119:90–91; Jes 40:26 **37:16** Weet u van het zweven van de wolken, de wonderen van Hem die volmaakt is in kennis? Brontekst: הֲ֭תֵדַע (hateda) = weet u | עַל (al) = van | מִפְלְשֵׂי (miflesei) = het zweven van | עָ֑ב (av) = wolken | מִ֝פְלְא֗וֹת (mifleot) = de wonderen van | תְּמִ֣ים (temim) = de Volmaakte in | דֵּעִֽים (deim) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:4; Job 36:29; Spr 3:19–20; Jes 40:22; Jer 10:12–13 **37:17** U, wiens kleren warm zijn wanneer de aarde stil is door de zuidenwind, Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = u wiens | בְּגָדֶ֥יךָ (begadeikha) = kleren | חַמִּ֑ים (chamim) = warm zijn | בְּהַשְׁקִ֥ט (behashqit) = wanneer stil is | אֶ֝֗רֶץ (erets) = de aarde | מִדָּרֽוֹם (midarom) = door de zuidenwind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De zuidenwind’ is in Palestina de hete woestijnwind (sirocco); dan is de aarde stil en drukkend. Vergelijk Luc. 12:55. Zie ook: Job 6:17; Job 38:31; Ps 147:18; Luc 12:55 **37:18** kunt u met Hem de wolken uitspannen, sterk als een gegoten spiegel? Brontekst: תַּרְקִ֣יעַ (tarqia) = kunt u uitspannen | עִ֭מּוֹ (imo) = met Hem | לִשְׁחָקִ֑ים (lishchaqim) = de wolken | חֲ֝זָקִ֗ים (chazaqim) = sterk | כִּרְאִ֥י (kiri) = als een spiegel | מוּצָֽק (mutsaq) = gegoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De hemel wordt voorgesteld als een gegoten spiegel van metaal; vergelijk Gen. 1:6–8 en Ex. 24:10. Zie ook: Gen 1:6–8; Ex 24:10; Ex 38:8; Ps 104:2; Ps 148:4–6; Jes 40:22; Jes 44:24 ### Wij weten niets te zeggen vanwege de duisternis **37:19** Maak ons bekend wat wij Hem moeten zeggen; wij kunnen niets schikken vanwege de duisternis. Brontekst: ה֭וֹדִיעֵנוּ (hodienu) = maak ons bekend | מַה (ma) = wat | נֹּ֣אמַר (nomar) = wij zeggen | ל֑וֹ (lo) = tot Hem | לֹ֥א (lo) = niet | נַ֝עֲרֹ֗ךְ (naarokh) = wij kunnen schikken | מִפְּנֵי (mipenei) = vanwege | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:3; Job 13:3; Job 38:2; Ps 73:16–17; Spr 30:2–4 **37:20** Zou men Hem vertellen dat ik spreek? Of zegt iemand dat hij zou willen worden verzwolgen? Brontekst: הַֽיְסֻפַּר (haysupar) = wordt verteld | ל֭וֹ (lo) = aan Hem | כִּ֣י (ki) = dat | אֲדַבֵּ֑ר (adaber) = ik spreek | אִֽם (im) = of | אָ֥מַר (amar) = zegt | אִ֝֗ישׁ (ish) = iemand | כִּ֣י (ki) = dat | יְבֻלָּֽע (yevula) = hij zou worden verzwolgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:3; Job 11:7–8; Ps 139:4; Mat 12:36–37 ### Uit het noorden komt gouden glans **37:21** En nu: men ziet het heldere licht niet dat in de wolken is; de wind gaat voorbij en reinigt ze. Brontekst: וְעַתָּ֤ה (veata) = en nu | לֹ֘א (lo) = niet | רָ֤אוּ (rau) = zien zij | א֗וֹר (or) = licht | בָּהִ֣יר (bahir) = helder | ה֭וּא (hu) = het is | בַּשְּׁחָקִ֑ים (bashechaqim) = in de wolken | וְר֥וּחַ (veruach) = en wind | עָ֝בְרָ֗ה (avera) = gaat voorbij | וַֽתְּטַהֲרֵֽם (vatetaharem) = en reinigt hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 26:9; Job 36:32; Job 38:25 **37:22** Uit het noorden komt gouden glans; rondom Eloah is ontzagwekkende majesteit. Brontekst: מִ֭צָּפוֹן (mitsafon) = uit het noorden | זָהָ֣ב (zahav) = goud | יֶֽאֱתֶ֑ה (yeete) = komt | עַל (al) = over | אֱ֝ל֗וֹהַּ (eloha) = Eloah | נ֣וֹרָא (nora) = ontzagwekkend | הֽוֹד (hod) = majesteit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מִצָּפוֹן זָהָב (mitsafon zahav): letterlijk ‘uit het noorden komt goud’. Dat kan ‘gouden glans’ betekenen (licht dat uit de wolken doorbreekt), of letterlijk goud dat uit het noorden komt. Vergelijk Ezech. 1:4, waar de gloed van de Heerlijkheid uit het noorden komt. Zie ook: Job 40:10; Ps 104:1; Spr 25:23; Ezech 1:4; Heb 12:29; Jud 1:25 **37:23** Shaddai kunnen wij niet vinden: Hij is verheven in kracht, in recht en in overvloed van gerechtigheid. Hij onderdrukt niet. Brontekst: שַׁדַּ֣י (shaday) = Shaddai | לֹֽא (lo) = niet | מְ֭צָאנֻהוּ (metsanuhu) = vinden wij Hem | שַׂגִּיא (sagi) = verheven | כֹ֑חַ (koach) = in kracht | וּמִשְׁפָּ֥ט (umishpat) = en recht | וְרֹב (verov) = en overvloed van | צְ֝דָקָ֗ה (tsedaqa) = gerechtigheid | לֹ֣א (lo) = niet | יְעַנֶּֽה (yeane) = onderdrukt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Wij kunnen Hem niet vinden’: dit is de slotsom van Elihu, en ook de vraag van Job in 23:3. Daarna antwoordt Yahweh zelf. Zie ook: Job 36:5; Ps 99:4; Klaagl 3:32–33; Rom 11:33; 1 Tim 6:16 **37:24** Daarom vrezen mensen Hem; Hij ziet niemand aan die wijs is in eigen hart.” Brontekst: לָ֭כֵן (lakhen) = daarom | יְרֵא֣וּהוּ (yereuhu) = vrezen Hem | אֲנָשִׁ֑ים (anashim) = mensen | לֹֽא (lo) = niet | יִ֝רְאֶ֗ה (yire) = Hij ziet aan | כָּל (kal) = alle | חַכְמֵי (chakhmei) = wijzen van | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met ‘wijs in eigen hart’ bedoelt Elihu mensen die zichzelf wijs achten. Vergelijk Spr. 3:7 en Jes. 5:21. Zie ook: Job 5:13; Spr 3:7; Jes 5:21; Mat 10:28; Mat 11:25–26; 1 Kor 1:26; Rom 2:4 ## Job 38 _Yahweh antwoordt uit de storm: de schepping_ ### Yahweh antwoordt Job uit de storm **38:1** Yahweh antwoordde Job uit de storm en zei: Brontekst: וַיַּֽעַן (vayaan) = en antwoordde | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | אִ֭יּוֹב (iyov) = Job | מִ֥ן (min) = uit | הַסְּעָרָ֗ה (haseara) = de storm | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het grote keerpunt van het boek: na al het geklaag en alle discussie antwoordt Yahweh zelf, ‘uit de storm’. Hij gebruikt de Naam Yahweh (die in de dialogen niet voorkwam, behalve in 12:9), dat is: de Elohim van het verbond, Die zich bekendmaakt. Hij beantwoordt Jobs vraag niet over de reden van zijn lijden, maar stelt hem Zelf vragen over de schepping. Zie ook: Job 37:1–2; Job 40:6; Ex 19:16–19; 1 Kon 19:11; 2 Kon 2:11 **38:2** **„Wie is dit die de raad verduistert met woorden zonder kennis?** Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | זֶ֨ה (ze) = is dit | מַחְשִׁ֖יךְ (machshikh) = die verduistert | עֵצָ֥ה (etsa) = raad | בְמִלִּ֗ין (bemilin) = met woorden | בְּֽלִי (beli) = zonder | דָֽעַת (daat) = kennis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘raad’ (etsah) is het plan van Elohim. Wie spreekt dus zonder kennis? Het gaat om Job zelf (vers 3: ‘je lendenen’). Vergelijk 42:3, waar Job deze woorden herhaalt en toegeeft. Zie ook: Job 27:11; Job 34:35; Job 35:16; Job 42:3; 1 Tim 1:7 **38:3** **Omgord toch je lendenen als een man; Ik zal je vragen, en maak het Mij bekend.** Brontekst: אֱזָר (ezar) = omgord | נָ֣א (na) = toch | כְגֶ֣בֶר (kegever) = als een man | חֲלָצֶ֑יךָ (chalatseikha) = je lendenen | וְ֝אֶשְׁאָלְךָ֗ (veeshalekha) = ik zal je vragen | וְהוֹדִיעֵֽנִי (vehodieni) = en maak Mij bekend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:7; Ex 12:11; 1 Kon 18:46; Jer 1:17; 1 Petr 1:13 ### Waar was je toen Ik de aarde grondvestte? **38:4** **Waar was je toen Ik de aarde grondvestte? Zeg het, als je inzicht hebt.** Brontekst: אֵיפֹ֣ה (eifo) = waar | הָ֭יִיתָ (hayita) = was je | בְּיָסְדִי (beyasedi) = bij de fundamenten van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | הַ֝גֵּ֗ד (haged) = zeg het | אִם (im) = indien | יָדַ֥עְתָּ (yadata) = je kent | בִינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh beschrijft de aarde als een bouwwerk met fundamenten, maten, meetsnoer, voetstukken en hoeksteen. Zie Ps. 104:5; Spr. 8:29 en Jes. 48:13. Het is een dichterlijk beeld, geen beschrijving van de natuurkunde. Zie ook: Gen 1:1; Ps 104:5; Spr 8:29; Spr 30:4; Jes 48:13; Heb 1:2; Heb 1:10 **38:5** **Wie heeft haar maten gesteld, als je het weet? Of wie heeft het meetsnoer over haar gespannen?** Brontekst: מִי (mi) = wie | שָׂ֣ם (sam) = stelde | מְ֭מַדֶּיהָ (memadeiha) = haar maten | כִּ֣י (ki) = immers | תֵדָ֑ע (teda) = je weet | א֤וֹ (o) = of | מִֽי (mi) = wie | נָטָ֖ה (nata) = spande | עָלֶ֣יהָ (aleiha) = over haar | קָּֽו (qav) = het meetsnoer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:9; Job 28:25; Ps 19:5; Jes 40:12; Zach 2:5–6 **38:6** **Waarop zijn haar voetstukken verzonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd,** Brontekst: עַל (al) = op | מָ֭ה (ma) = wat | אֲדָנֶ֣יהָ (adaneiha) = haar voetstukken | הָטְבָּ֑עוּ (hatbau) = zijn verzonken | א֥וֹ (o) = of | מִֽי (mi) = wie | יָ֝רָ֗ה (yara) = wierp | אֶ֣בֶן (even) = de steen van | פִּנָּתָֽהּ (pinatah) = haar hoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een hoeksteen werd bij de grondlegging van een gebouw gelegd (Jes. 28:16; Ps. 118:22). De schepping gebeurde onder het gejuich van de hemelse wezens (vers 7). Zie ook: Job 26:7; Ps 93:1; Ps 104:5; Ps 118:22; Jes 28:16; 2 Petr 3:5 **38:7** **toen de morgensterren tezamen jubelden en alle zonen van Elohim juichten?** Brontekst: בְּרָן (beran) = toen jubelden | יַ֭חַד (yachad) = tezamen | כּ֣וֹכְבֵי (kokhevei) = de sterren van | בֹ֑קֶר (boqer) = de morgen | וַ֝יָּרִ֗יעוּ (vayariu) = en juichten | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De morgensterren’ en ‘alle zonen van Elohim’ vormen een parallel: de sterren zijn hier de hemelse wezens, de engelen (vergelijk Job 1:6; 2:1). Zie ook Ps. 148:2–3. Zie ook: Job 1:6; Job 2:1; Ps 104:4; Ps 148:2–3; Ezra 3:11–12; Openb 5:11; Openb 22:16 ### De zee wordt begrensd **38:8** **Wie sloot de zee af met deuren toen zij losbrak, uit de schoot voortkwam,** Brontekst: וַיָּ֣סֶךְ (vayasekh) = en sloot af | בִּדְלָתַ֣יִם (bidlatayim) = met deuren | יָ֑ם (yam) = de zee | בְּ֝גִיח֗וֹ (begicho) = toen zij losbrak | מֵרֶ֥חֶם (merechem) = uit de schoot | יֵצֵֽא (yetse) = kwam zij voort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zee wordt voorgesteld als een kind dat uit de schoot komt, in wolken en nevel gewikkeld, en als een woeste macht die Yahweh met grenzen omringt (Ps. 104:6–9; Spr. 8:29; Jer. 5:22). Zie ook: Gen 1:9; Ps 33:7; Ps 104:6–9; Ps 104:8–9; Spr 8:29; Jer 5:22 **38:9** **toen Ik de wolk tot haar kleed maakte en nevel tot haar windsel,** Brontekst: בְּשׂוּמִ֣י (besumi) = toen Ik maakte | עָנָ֣ן (anan) = wolk | לְבֻשׁ֑וֹ (levusho) = haar kleed | וַ֝עֲרָפֶ֗ל (vaarafel) = en nevel | חֲתֻלָּתֽוֹ (chatulato) = haar windsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:2 **38:10** **en Ik Mijn grens over haar brak en grendel en deuren plaatste,** Brontekst: וָאֶשְׁבֹּ֣ר (vaeshbor) = en Ik brak | עָלָ֣יו (alav) = over haar | חֻקִּ֑י (chuqi) = Mijn grens | וָֽ֝אָשִׂ֗ים (vaasim) = en Ik zette | בְּרִ֣יחַ (beriach) = grendel | וּדְלָתָֽיִם (udelatayim) = en deuren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:15; Job 26:10; Ps 33:7; Ps 104:9; Jer 5:22 **38:11** **en zei: ‘Tot hier mag je komen en niet verder, en hier wordt de hoogmoed van je golven gestuit’?** Brontekst: וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en Ik zei | עַד (ad) = tot | פֹּ֣ה (po) = hier | תָ֭בוֹא (tavo) = zul je komen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תֹסִ֑יף (tosif) = verder | וּפֹ֥א (ufo) = en hier | יָ֝שִׁ֗ית (yashit) = wordt gezet | בִּגְא֥וֹן (bigon) = aan de hoogmoed van | גַּלֶּֽיךָ (galeikha) = je golven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 65:7–8; Ps 89:10; Spr 8:29; Mar 4:39–41; Luc 8:32–33 ### De morgen en de onderwereld **38:12** **Heb je ooit in je dagen de morgen geboden, de dageraad zijn plaats doen kennen,** Brontekst: הְֽ֭מִיָּמֶיךָ (hemiyameikha) = heb je in je dagen | צִוִּ֣יתָ (tsivita) = geboden | בֹּ֑קֶר (boqer) = de morgen | יִדַּ֖עְתָּה (yidata) = laten kennen | הַשַּׁ֣חַר (hashachar) = de dageraad | מְקֹמֽוֹ (meqomo) = zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 12–15 beschrijven de dageraad als een kracht die de aarde afschudt zodat de nachtelijke boosdoeners moeten vluchten (Job 24:13–17). De aarde krijgt kleur, zoals zegelklei door een zegel vorm krijgt. Zie ook: Gen 1:5; Job 8:9; Job 24:13–17; Ps 74:16; Ps 148:3–5; 2 Petr 1:19 **38:13** **om de uiteinden van de aarde te grijpen en de goddelozen eruit te schudden?** Brontekst: לֶ֭אֱחֹז (leechoz) = om te grijpen | בְּכַנְפ֣וֹת (bekhanfot) = de uiteinden van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְיִנָּעֲר֖וּ (veyinaaru) = en afgeschud worden | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | מִמֶּֽנָּה (mimena) = uit haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:3; Ex 14:27; Ps 104:21–22; Ps 104:35; Ps 139:9–12 **38:14** **Zij wordt veranderd als zegelklei, en alles staat daar als een kleed.** Brontekst: תִּ֭תְהַפֵּךְ (tithapekh) = zij wordt veranderd | כְּחֹ֣מֶר (kechomer) = als klei | חוֹתָ֑ם (chotam) = van een zegel | וְ֝יִֽתְיַצְּב֗וּ (veyityatsevu) = en zij staan | כְּמ֣וֹ (kemo) = als | לְבֽוּשׁ (levush) = een kleed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het vers kan ook zo worden gelezen: ‘Zij (de aarde) wordt veranderd als klei onder het zegel, en alles tekent zich af als een kleed.’ Vergelijk Job 38:12–13. Zie ook: Job 38:12–13; Ps 104:2; Ps 104:6 **38:15** **De goddelozen wordt hun licht onthouden, en de verheven arm wordt gebroken.** Brontekst: וְיִמָּנַ֣ע (veyimana) = en onthouden wordt | מֵרְשָׁעִ֣ים (mereshaim) = aan goddelozen | אוֹרָ֑ם (oram) = hun licht | וּזְר֥וֹעַ (uzeroa) = en de arm | רָ֝מָ֗ה (rama) = verheven | תִּשָּׁבֵֽר (tishaver) = wordt gebroken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:14; Job 18:5; Ps 10:15; Ps 37:17; Spr 4:19 **38:16** **Ben je gekomen tot de bronnen van de zee, of heb je in het diepste van de oerdiepte gewandeld?** Brontekst: הֲ֭בָאתָ (havata) = ben je gekomen | עַד (ad) = tot | נִבְכֵי (nivkhei) = de bronnen van | יָ֑ם (yam) = de zee | וּבְחֵ֥קֶר (uvecheqer) = en in het diepste van | תְּ֝ה֗וֹם (tehom) = de oerdiepte | הִתְהַלָּֽכְתָּ (hithalakhta) = heb je gewandeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De bronnen van de zee’ en ‘het diepste van de oerdiepte’ (tehom) zijn de onderaardse wateren; vergelijk Gen. 1:2 en 7:11. Zie ook: Gen 1:2; Gen 7:11; Job 26:5–6; Ps 77:20; Spr 8:24; Jer 51:36 **38:17** **Zijn de poorten van de dood voor je onthuld, of heb je de poorten van de diepe schaduw gezien?** Brontekst: הֲנִגְל֣וּ (haniglu) = zijn onthuld | לְ֭ךָ (lekha) = aan je | שַׁעֲרֵי (shaarei) = de poorten van | מָ֑וֶת (mavet) = dood | וְשַׁעֲרֵ֖י (veshaarei) = en de poorten van | צַלְמָ֣וֶת (tsalmavet) = diepe schaduw | תִּרְאֶֽה (tire) = heb je gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De poorten van de dood’: de ingang van het dodenrijk (Sjeol), vergelijk Job 10:21–22 en Ps. 9:14; 107:18. ‘Diepe schaduw’ is tsalmawet (zie Job 3:5). Zie ook: Job 3:5; Job 10:21–22; Ps 9:14; Ps 9:15; Ps 23:4; Ps 107:10; Ps 107:18 **38:18** **Heb je de breedte van de aarde overzien? Zeg het, als je dit alles weet.** Brontekst: הִ֭תְבֹּנַנְתָּ (hitbonanta) = heb je overzien | עַד (ad) = tot | רַחֲבֵי (rachavei) = de breedte van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | הַ֝גֵּ֗ד (haged) = zeg het | אִם (im) = indien | יָדַ֥עְתָּ (yadata) = je weet | כֻלָּֽהּ (kulah) = het geheel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 74:17; Ps 89:12–13; Jes 40:28; Jer 31:37; Openb 20:9 ### Licht en duisternis, sneeuw en hagel **38:19** **Waar is de weg naar de woonplaats van het licht, en de duisternis, waar is haar plaats,** Brontekst: אֵי (ei) = waar | זֶ֣ה (ze) = is dit | הַ֭דֶּרֶךְ (haderekh) = de weg | יִשְׁכָּן (yishkan) = woont | א֑וֹר (or) = licht | וְ֝חֹ֗שֶׁךְ (vechoshekh) = en duisternis | אֵי (ei) = waar | זֶ֥ה (ze) = is dit | מְקֹמֽוֹ (meqomo) = haar plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:3–4; Gen 1:14–18; Job 38:12–13; Ps 105:28; Ezech 32:8 **38:20** **dat je het naar zijn grens kunt brengen en de paden naar zijn huis kent?** Brontekst: כִּ֣י (ki) = dat | תִ֭קָּחֶנּוּ (tiqachenu) = je het neemt | אֶל (el) = naar | גְּבוּל֑וֹ (gevulo) = zijn grens | וְכִֽי (vekhi) = en dat | תָ֝בִ֗ין (tavin) = je begrijpt | נְתִיב֥וֹת (netivot) = paden naar | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 10:19; Gen 23:17; Job 26:10 **38:21** **Je weet het, want toen werd je geboren, en het aantal van je dagen is groot!** Brontekst: יָ֭דַעְתָּ (yadata) = je weet het | כִּי (ki) = want | אָ֣ז (az) = toen | תִּוָּלֵ֑ד (tivaled) = werd je geboren | וּמִסְפַּ֖ר (umispar) = en het aantal van | יָמֶ֣יךָ (yameikha) = je dagen | רַבִּֽים (rabim) = is groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:7; Job 38:4; Job 38:12 **38:22** **Ben je gekomen tot de voorraadkamers van de sneeuw, of heb je de voorraadkamers van de hagel gezien,** Brontekst: הֲ֭בָאתָ (havata) = ben je gekomen | אֶל (el) = tot | אֹצְר֣וֹת (otserot) = de voorraadkamers van | שָׁ֑לֶג (shaleg) = sneeuw | וְאֹצְר֖וֹת (veotserot) = en de voorraadkamers van | בָּרָ֣ד (barad) = hagel | תִּרְאֶֽה (tire) = heb je gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De voorraadkamers van sneeuw en hagel zijn de wapenkamers van Elohim: in Jozua 10:11 doodden hagelstenen de vijanden van Israël, in Ex. 9:23–25 was hagel een plaag. Zie ook: Job 6:16; Job 37:6; Ex 9:23–25; Joz 10:11; Ps 33:7; Ps 135:7 **38:23** **die Ik bewaard heb voor de tijd van nood, voor de dag van strijd en oorlog?** Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = die | חָשַׂ֥כְתִּי (chasakhti) = Ik bewaard heb | לְעֶת (leet) = voor de tijd van | צָ֑ר (tsar) = nood | לְי֥וֹם (leyom) = voor de dag van | קְ֝רָ֗ב (qerav) = strijd | וּמִלְחָמָֽה (umilchama) = en oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:13; Ex 9:18; Joz 10:11; Jes 30:30; Openb 16:21 **38:24** **Waar is de weg waar het licht zich verdeelt, en de oostenwind zich over de aarde verspreidt?** Brontekst: אֵי (ei) = waar | זֶ֣ה (ze) = is dit | הַ֭דֶּרֶךְ (haderekh) = de weg | יֵחָ֣לֶק (yechaleq) = wordt verdeeld | א֑וֹר (or) = licht | יָפֵ֖ץ (yafets) = verspreidt zich | קָדִ֣ים (qadim) = de oostenwind | עֲלֵי (alei) = over | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De oostenwind (qadim) is de hete woestijnwind uit het oosten (Job 15:2; Ex. 10:13). Het licht en de wind verspreiden zich op bevel van Elohim. Zie ook: Job 15:2; Job 38:12–13; Ex 10:13; Jona 4:8; Mat 24:27 ### Regen, ijs en de sterren **38:25** **Wie spleet een kanaal voor de vloed, en een weg voor de bliksem van de donderslagen,** Brontekst: מִֽי (mi) = wie | פִלַּ֣ג (pilag) = spleet open | לַשֶּׁ֣טֶף (lashetef) = voor de vloed | תְּעָלָ֑ה (teala) = een kanaal | וְ֝דֶ֗רֶךְ (vederekh) = en een weg | לַחֲזִ֥יז (lachaziz) = voor de bliksem van | קֹלֽוֹת (qolot) = donderslagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 28:26; Job 36:27–28; Job 37:3–6; Ps 29:3–10 **38:26** **om te laten regenen op een land zonder mens, een woestijn waarin geen mens is,** Brontekst: לְ֭הַמְטִיר (lehamtir) = om te laten regenen | עַל (al) = over | אֶ֣רֶץ (erets) = land | לֹא (lo) = zonder | אִ֑ישׁ (ish) = mens | מִ֝דְבָּ֗ר (midbar) = woestijn | לֹא (lo) = zonder | אָדָ֥ם (adam) = mens | בּֽוֹ (bo) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 107:35; Ps 147:8–9; Jes 43:19–20; Jer 14:22; Heb 6:7–8 **38:27** **om de woestenij en verwoesting te verzadigen en het gras te laten ontspruiten?** Brontekst: לְהַשְׂבִּ֣יעַ (lehasbia) = om te verzadigen | שֹׁ֭אָה (shoa) = woestenij | וּמְשֹׁאָ֑ה (umeshoa) = en verwoesting | וּ֝לְהַצְמִ֗יחַ (ulehatsmiach) = en om te doen groeien | מֹ֣צָא (motsa) = het uitspruitsel van | דֶֽשֶׁא (deshe) = gras Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 104:14; Ps 107:35 **38:28** **Heeft de regen een vader, of wie heeft de druppels van de dauw verwekt?** Brontekst: הֲיֵשׁ (hayesh) = is er | לַמָּטָ֥ר (lamatar) = voor de regen | אָ֑ב (av) = een vader | א֥וֹ (o) = of | מִי (mi) = wie | ה֝וֹלִ֗יד (holid) = verwekte | אֶגְלֵי (eglei) = druppels van | טָֽל (tal) = dauw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De regen en dauw hebben, anders dan kinderen, geen menselijke vader. Zij zijn het werk van Elohim zelf. Vergelijk Jer. 14:22 en Hos. 6:3. Zie ook: Deut 33:28; Ps 147:8; Spr 3:20; Hos 6:3; Jer 10:13; Jer 14:22 **38:29** **Uit wiens schoot kwam het ijs voort, en de rijp van de hemel, wie baarde haar?** Brontekst: מִבֶּ֣טֶן (mibeten) = uit de buik van | מִ֭י (mi) = wie | יָצָ֣א (yatsa) = kwam | הַקָּ֑רַח (haqarach) = het ijs | וּכְפֹ֥ר (ukhefor) = en de rijp van | שָׁ֝מַיִם (shamayim) = de hemel | מִ֣י (mi) = wie | יְלָדֽוֹ (yelado) = baarde haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 6:16; Job 37:10; Job 38:8; Ps 147:16–17 **38:30** **Het water verbergt zich als steen, en het oppervlak van de oerdiepte wordt vastgeklonken.** Brontekst: כָּ֭אֶבֶן (kaeven) = als steen | מַ֣יִם (mayim) = water | יִתְחַבָּ֑אוּ (yitchabau) = verbergen zich | וּפְנֵ֥י (ufenei) = en het oppervlak van | תְ֝ה֗וֹם (tehom) = de oerdiepte | יִתְלַכָּֽדוּ (yitlakadu) = wordt vastgeklonken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 37:10 **38:31** **Kun je de banden van de Plejaden binden, of de ketenen van Orion losmaken?** Brontekst: הַֽ֭תְקַשֵּׁר (hatqasher) = kun je binden | מַעֲדַנּ֣וֹת (maadanot) = de banden van | כִּימָ֑ה (kima) = de Plejaden | אֽוֹ (o) = of | מֹשְׁכ֖וֹת (moshekhot) = de ketenen van | כְּסִ֣יל (kesil) = Orion | תְּפַתֵּֽחַ (tefateach) = losmaken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: כִּימָה (kimah) en כְּסִיל (kesil) zijn sterrenbeelden; de oudste vertalingen zien in kimah de Plejaden en in kesil Orion. Zie ook Job 9:9 en Amos 5:8. Wij volgen die gangbare weergave. Zie ook: Job 9:9; Amos 5:8 **38:32** **Kun je de Mazzarot op hun tijd laten uitgaan, en de Beer met haar jongen leiden?** Brontekst: הֲתֹצִ֣יא (hatotsi) = kun je laten uitgaan | מַזָּר֣וֹת (mazarot) = de Mazzarot | בְּעִתּ֑וֹ (beito) = op zijn tijd | וְ֝עַ֗יִשׁ (veayish) = en de Beer | עַל (al) = met | בָּנֶ֥יהָ (baneiha) = haar jongen | תַנְחֵֽם (tanchem) = leiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: מַזָּרוֹת (mazzarot) is een zeldzaam woord, misschien de ‘dierenriem’ of een ster of sterrenbeeld; עַיִשׁ (ajisj) is het sterrenbeeld dat gewoonlijk met de Beer wordt vereenzelvigd. Zie ook Job 9:9. De ‘kinderen’ zijn waarschijnlijk de drie sterren in de staart. Wij volgen de oude weergaven. Zie ook: Job 9:9; Job 38:31; 2 Kon 23:5 **38:33** **Ken je de wetten van de hemel, of stel je het gezag ervan op aarde?** Brontekst: הֲ֭יָדַעְתָּ (hayadata) = ken je | חֻקּ֣וֹת (chuqot) = de wetten van | שָׁמָ֑יִם (shamayim) = de hemel | אִם (im) = of | תָּשִׂ֖ים (tasim) = stel je | מִשְׁטָר֣וֹ (mishtaro) = zijn gezag | בָאָֽרֶץ (baarets) = op aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:16; Gen 8:22; Job 38:12–13; Ps 148:6; Jer 31:35–36 ### De wolken, bliksem en het wild **38:34** **Kun je je stem verheffen tot de wolk, zodat een overvloed van water je bedekt?** Brontekst: הֲתָרִ֣ים (hatarim) = kun je verheffen | לָעָ֣ב (laav) = tot de wolk | קוֹלֶ֑ךָ (qolekha) = je stem | וְֽשִׁפְעַת (veshifat) = en een overvloed van | מַ֥יִם (mayim) = water | תְּכַסֶּֽךָּ (tekhaseka) = bedekt je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:11; Job 36:27–28; Amos 5:8; Zach 10:1; Jak 5:18 **38:35** **Kun je bliksems zenden, zodat zij gaan en tot je zeggen: ‘Hier zijn wij’?** Brontekst: הַֽתְשַׁלַּ֣ח (hatshalach) = kun je zenden | בְּרָקִ֣ים (beraqim) = bliksems | וְיֵלֵ֑כוּ (veyelekhu) = zodat zij gaan | וְיֹאמְר֖וּ (veyomru) = en zeggen | לְךָ֣ (lekha) = tot je | הִנֵּֽנוּ (hinenu) = hier zijn wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:32; Job 37:3; Lev 10:2; Num 11:1; 2 Kon 1:10 **38:36** **Wie heeft wijsheid in het verborgene gezet, of wie gaf de haan inzicht?** Brontekst: מִי (mi) = wie | שָׁ֭ת (shat) = zette | בַּטֻּח֣וֹת (batuchot) = in het verborgene | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | א֤וֹ (o) = of | מִֽי (mi) = wie | נָתַ֖ן (natan) = gaf | לַשֶּׂ֣כְוִי (lasekhvi) = aan de haan | בִינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: טֻחוֹת (tuchot) en שֶׂכְוִי (sechwi) zijn zeldzame woorden. טֻחוֹת betekent ‘het verborgene’ (letterlijk ‘het binnenste’, vergelijk Ps. 51:8); שֶׂכְוִי is in het latere Hebreeuws ‘haan’, een dier dat de dageraad aankondigt. Anderen vertalen: ‘Wie legde wijsheid in de nieren (het hart) en gaf de geest (het verstand) inzicht?’ Wij volgen de eerste weergave. Zie ook: Job 32:8; Ps 51:8; Ps 51:10; Spr 2:6; Pred 2:26; Jak 1:5 **38:37** **Wie kan met wijsheid de wolken tellen, en wie doet de kruiken van de hemel neigen,** Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יְסַפֵּ֣ר (yesaper) = telt | שְׁחָקִ֣ים (shechaqim) = wolken | בְּחָכְמָ֑ה (bechakhema) = met wijsheid | וְנִבְלֵ֥י (venivlei) = en de kruiken van | שָׁ֝מַ֗יִם (shamayim) = de hemel | מִ֣י (mi) = wie | יַשְׁכִּֽיב (yashkiv) = doet neigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:1; Gen 9:15; Gen 15:5; Ps 147:4 **38:38** **wanneer het stof tot een massa vloeit en de kluiten aan elkaar kleven?** Brontekst: בְּצֶ֣קֶת (betseqet) = wanneer vloeit | עָ֭פָר (afar) = stof | לַמּוּצָ֑ק (lamutsaq) = tot een massa | וּרְגָבִ֥ים (uregavim) = en kluiten | יְדֻבָּֽקוּ (yedubaqu) = kleven samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De leeuwin en de raaf **38:39** **Jaag je voor de leeuwin de prooi, of stil je de honger van de jonge leeuwen,** Brontekst: הֲתָצ֣וּד (hatatsud) = jaag je | לְלָבִ֣יא (lelavi) = voor de leeuwin | טָ֑רֶף (taref) = prooi | וְחַיַּ֖ת (vechayat) = en de honger van | כְּפִירִ֣ים (kefirim) = jonge leeuwen | תְּמַלֵּֽא (temale) = stil je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf vers 39 gaat Yahweh van de kosmos over op de dieren in het wild: eerst de leeuwin en de raaf, in hoofdstuk 39 steenbokken, wilde ezels, struisvogels, paarden en roofvogels. Zij leven voor Hem, niet voor de mens. Zie ook: Job 4:10–11; Ps 34:11; Ps 104:21; Ps 145:15–16 **38:40** **wanneer zij zich bukken in hun holen, in het kreupelhout op de loer zitten?** Brontekst: כִּי (ki) = wanneer | יָשֹׁ֥חוּ (yashochu) = zij bukken | בַמְּעוֹנ֑וֹת (bameonot) = in holen | יֵשְׁב֖וּ (yeshevu) = zij zitten | בַסֻּכָּ֣ה (basuka) = in het kreupelhout | לְמוֹ (lemo) = op | אָֽרֶב (arev) = de loer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:9; Job 37:8; Num 23:24; Num 24:9 **38:41** **Wie bereidt voor de raaf zijn voedsel, wanneer zijn jongen tot El schreeuwen, zwervend zonder voedsel?”** Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | יָכִ֥ין (yakhin) = bereidt | לָעֹרֵ֗ב (laorev) = voor de raaf | צֵ֫יד֥וֹ (tseido) = zijn voedsel | כִּֽי (ki) = wanneer | יְ֭לָדָיו (yeladav) = zijn jongen | אֶל (el) = tot | אֵ֣ל (el) = El | יְשַׁוֵּ֑עוּ (yeshaveu) = schreeuwen | יִ֝תְע֗וּ (yitu) = zwerven | לִבְלִי (livli) = zonder | אֹֽכֶל (okhel) = voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De raaf is een beeld van de zorg van Elohim (Ps. 147:9; Luc. 12:24). Zie ook: Ps 104:27–28; Ps 147:9; Mat 6:26; Luc 12:24 ## Job 39 _Yahweh: de dieren in het wild_ ### Steenbokken en hinden **39:1** **„Weet je wanneer de steenbokken van de rots baren? Let je op de barensnood van de hinden?** Brontekst: הֲיָדַ֗עְתָּ (hayadata) = weet je | עֵ֭ת (et) = de tijd | לֶ֣דֶת (ledet) = van het baren van | יַעֲלֵי (yaalei) = steenbokken van | סָ֑לַע (sala) = de rots | חֹלֵ֖ל (cholel) = het kreunen van | אַיָּל֣וֹת (ayalot) = hinden | תִּשְׁמֹֽר (tishmor) = let je op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Na de schepping van aarde, zee, licht, regen en sterren (hoofdstuk 38) gaat Yahweh over naar het dierenrijk: acht dieren (steenbok en hinde, wilde ezel, wilde stier, struisvogel, paard, havik, arend), allemaal wild en niet te temmen. Zij leven voor Hem, niet voor de mens. Vergelijk Ps. 104:10–30. Zie ook: Deut 14:5; 1 Sam 24:3; Ps 29:9; Ps 104:10–30; Ps 104:18; Jer 14:5 **39:2** **Kun je de maanden tellen die zij vervullen, en weet je de tijd waarop zij baren?** Brontekst: תִּסְפֹּ֣ר (tispor) = tel je | יְרָחִ֣ים (yerachim) = maanden | תְּמַלֶּ֑אנָה (temalena) = zij vervullen | וְ֝יָדַ֗עְתָּ (veyadata) = en weet je | עֵ֣ת (et) = de tijd van | לִדְתָּֽנָה (lidtana) = haar baren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De dracht van de steenbok en hinde, en de tijd van baren, zijn aan de mens verborgen. Alleen Elohim kent die tijden. Vergelijk Ps. 29:9 (‘de stem van Yahweh doet de hinden baren’). Zie ook: Ps 29:9; Jer 2:24 **39:3** **Zij buigen zich neer, brengen hun jongen voort en werpen hun weeën af.** Brontekst: תִּ֭כְרַעְנָה (tikhrana) = zij buigen zich neer | יַלְדֵיהֶ֣ן (yaldeihen) = hun jongen | תְּפַלַּ֑חְנָה (tefalachna) = zij brengen voort | חֶבְלֵיהֶ֥ם (chevleihem) = hun weeën | תְּשַׁלַּֽחְנָה (teshalachna) = zij laten gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:4** **Hun jongen worden sterk, groeien op in het veld; zij gaan uit en keren niet naar hen terug.** Brontekst: יַחְלְמ֣וּ (yachlemu) = worden sterk | בְ֭נֵיהֶם (beneihem) = hun jongen | יִרְבּ֣וּ (yirbu) = groeien op | בַבָּ֑ר (babar) = in het veld | יָ֝צְא֗וּ (yatseu) = zij gaan uit | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁ֥בוּ (shavu) = keren terug | לָֽמוֹ (lamo) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De wilde ezel **39:5** **Wie liet de wilde ezel vrij, en wie maakte de banden van de woudezel los,** Brontekst: מִֽי (mi) = wie | שִׁלַּ֣ח (shilach) = zond | פֶּ֣רֶא (pere) = wilde ezel | חָפְשִׁ֑י (chafeshi) = vrij | וּמֹסְר֥וֹת (umoserot) = en de banden van | עָ֝ר֗וֹד (arod) = de woudezel | מִ֣י (mi) = wie | פִתֵּֽחַ (piteach) = maakte los Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wilde ezel (pere’) en de woudezel (‘arod) zijn dieren van de woestijn (Gen. 16:12; Job 24:5; 11:12). Zij gaan vrij, tegenover de tamme ezel. Zie ook: Gen 16:12; Job 6:5; Job 11:12; Job 24:5; Ps 104:11; Jer 14:6 **39:6** **aan wie Ik de steppe tot huis gaf en het zoutland tot woonplaats?** Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = aan wie | שַׂ֣מְתִּי (samti) = Ik gaf | עֲרָבָ֣ה (arava) = de steppe | בֵית֑וֹ (beito) = zijn huis | וּֽמִשְׁכְּנוֹתָ֥יו (umishkenotav) = en zijn woonplaatsen | מְלֵֽחָה (melecha) = het zoutland Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het zoutland (מְלֵחָה, melechah) is het onvruchtbare zoutgebied, de woestenij bij de Dode Zee. Vergelijk Ps. 107:34 (‘vruchtbaar land tot zoutland’) en Jer. 17:6. Zie ook: Job 24:5; Deut 29:22; Ps 107:34; Jer 2:24; Jer 17:6 **39:7** **Om het gewoel van de stad lacht hij; het geschreeuw van de drijver hoort hij niet.** Brontekst: יִ֭שְׂחַק (yischaq) = hij lacht | לַהֲמ֣וֹן (lahamon) = om het gewoel van | קִרְיָ֑ה (qirya) = de stad | תְּשֻׁא֥וֹת (teshuot) = het geschreeuw van | נ֝וֹגֵ֗שׂ (noges) = de drijver | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁמָֽע (yishma) = hoort hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:18; Job 39:18; Ex 5:13–16; Ex 5:18; Jes 58:3 **39:8** **De bergen speurt hij af voor zijn weide, en hij zoekt achter al wat groen is aan.** Brontekst: יְת֣וּר (yetur) = hij speurt | הָרִ֣ים (harim) = bergen | מִרְעֵ֑הוּ (mirehu) = zijn weide | וְאַחַ֖ר (veachar) = en achter | כָּל (kal) = alle | יָר֣וֹק (yaroq) = groen | יִדְרֽוֹשׁ (yidrosh) = zoekt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:29–30; Job 40:15; Job 40:20–22; Ps 104:27–28; Ps 145:15–16 ### De wilde stier **39:9** **Is de wilde stier bereid je te dienen, of overnacht hij bij je kribbe?** Brontekst: הֲיֹ֣אבֶה (hayove) = is bereid | רֵּ֣ים (reim) = de wilde stier | עָבְדֶ֑ךָ (avedekha) = je te dienen | אִם (im) = of | יָ֝לִ֗ין (yalin) = overnacht hij | עַל (al) = bij | אֲבוּסֶֽךָ (avusekha) = je kribbe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wilde stier (re’em) is waarschijnlijk de oeros, het uitgestorven wilde rund (Num. 23:22; Deut. 33:17; Ps. 22:22). De oude vertalers vertaalden het met ‘eenhoorn’ (Septuaginta monokeros), maar de oeros past beter bij de tekst. Zie ook: Num 23:22; Deut 33:17; Ps 22:22; Ps 22:23; Ps 92:11; Jes 1:3 **39:10** **Kun je de wilde stier met zijn touw in de voor binden, of eggen dalen achter je aan?** Brontekst: הֲֽתִקְשָׁר (hatiqshar) = kun je binden | רֵ֭ים (reim) = de wilde stier | בְּתֶ֣לֶם (betelem) = in de voor | עֲבֹת֑וֹ (avoto) = zijn touw | אִם (im) = of | יְשַׂדֵּ֖ד (yesaded) = egt hij | עֲמָקִ֣ים (amaqim) = dalen | אַחֲרֶֽיךָ (achareikha) = achter je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 39:5; Job 40:29; Ps 129:3; Hos 10:10–11; Mi 1:13 **39:11** **Vertrouw je op hem omdat zijn kracht groot is, en laat je je arbeid aan hem over?** Brontekst: הֲֽתִבְטַח (hativtach) = vertrouw je | בּ֭וֹ (bo) = op hem | כִּי (ki) = omdat | רַ֣ב (rav) = groot is | כֹּח֑וֹ (kocho) = zijn kracht | וְתַעֲזֹ֖ב (vetaazov) = en laat je over | אֵלָ֣יו (elav) = aan hem | יְגִיעֶֽךָ (yegiekha) = je arbeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:26; Ps 20:8; Ps 33:16–17; Jes 30:6; Jes 31:1–3 **39:12** **Geloof je in hem, dat hij je zaad terugbrengt en je dorsvloer binnenhaalt?** Brontekst: הֲתַאֲמִ֣ין (hataamin) = geloof je | בּ֭וֹ (bo) = in hem | כִּי (ki) = dat | יָשִׁ֣יב (yashiv) = hij terugbrengt | זַרְעֶ֑ךָ (zarekha) = je zaad | וְֽגָרְנְךָ֥ (vegarenekha) = en je dorsvloer | יֶאֱסֹֽף (yeesof) = binnenhaalt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:16; Amos 2:13; Hag 2:19; Neh 13:15; Mat 13:30 ### De struisvogel **39:13** **De vleugel van de struisvogelhen klapwiekt vrolijk, maar is het de vleugel en het verenkleed van de ooievaar?** Brontekst: כְּנַף (kenaf) = de vleugel van | רְנָנִ֥ים (renanim) = struisvogels | נֶעֱלָ֑סָה (neelasa) = klapwiekt vrolijk | אִם (im) = of | אֶ֝בְרָ֗ה (evra) = de vleugel | חֲסִידָ֥ה (chasida) = van de ooievaar | וְנֹצָֽה (venotsa) = en verenkleed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Vers 13 is moeilijk. Wij lezen: ‘De vleugel van de struisvogelhen klapwiekt vrolijk; maar is het de vleugel en het verenkleed van de ooievaar (chasidah, ‘de liefdevolle’)?’ De ooievaar staat bekend om zijn zorg voor zijn jongen; de struisvogel niet (Klaagl. 4:3). Zie ook: Job 30:29; Lev 11:19; Ps 104:17; Jer 8:7; Klaagl 4:3; Zach 5:9 **39:14** **Want zij laat haar eieren op de aarde en verwarmt ze in het stof,** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תַעֲזֹ֣ב (taazov) = zij laat | לָאָ֣רֶץ (laarets) = op de aarde | בֵּצֶ֑יהָ (betseiha) = haar eieren | וְֽעַל (veal) = en op | עָפָ֥ר (afar) = stof | תְּחַמֵּֽם (techamem) = verwarmt zij ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:15** **en vergeet dat een voet ze kan verbrijzelen of het wild van het veld ze kan vertrappen.** Brontekst: וַ֭תִּשְׁכַּח (vatishkach) = en vergeet | כִּי (ki) = dat | רֶ֣גֶל (regel) = een voet | תְּזוּרֶ֑הָ (tezureha) = kan verbrijzelen | וְחַיַּ֖ת (vechayat) = en het wild van | הַשָּׂדֶ֣ה (hasade) = het veld | תְּדוּשֶֽׁהָ (tedusheha) = kan vertrappen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:16** **Zij behandelt haar jongen hard, alsof ze niet van haar waren; haar arbeid mag tevergeefs zijn, zij kent geen angst.** Brontekst: הִקְשִׁ֣יחַ (hiqshiach) = zij behandelt hard | בָּנֶ֣יהָ (baneiha) = haar jongen | לְּלֹא (lelo) = alsof niet | לָ֑הּ (lah) = van haar | לְרִ֖יק (leriq) = tevergeefs | יְגִיעָ֣הּ (yegiah) = haar arbeid | בְּלִי (beli) = zonder | פָֽחַד (pachad) = angst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De struisvogel was in de oudheid bekend om zijn gebrek aan zorg voor de eieren (Klaagl. 4:3). Yahweh zegt dat Hij haar dit inzicht heeft onthouden: ook dat is Zijn bestel. Zie ook: Pred 10:15; 2 Kon 6:28–29; Hab 2:13; Klaagl 2:20; Klaagl 4:3 **39:17** **Want Eloah heeft haar de wijsheid doen vergeten en haar geen deel aan inzicht gegeven.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִשָּׁ֣הּ (hishah) = liet vergeten | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | חָכְמָ֑ה (chakhema) = wijsheid | וְלֹא (velo) = en niet | חָ֥לַק (chalaq) = gaf deel | לָ֝֗הּ (lah) = haar | בַּבִּינָֽה (babina) = in inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:4; Job 35:11; Deut 2:30; 2 Kron 32:31; Jak 1:17 **39:18** **Maar zodra zij zich in de hoogte verheft, lacht zij om het paard en zijn ruiter.** Brontekst: כָּ֭עֵת (kaet) = wanneer | בַּמָּר֣וֹם (bamarom) = in de hoogte | תַּמְרִ֑יא (tamri) = zij zich verheft | תִּֽשְׂחַ֥ק (tischaq) = lacht zij | לַ֝סּ֗וּס (lasus) = om het paard | וּלְרֹֽכְבֽוֹ (ulerokhevo) = en zijn ruiter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:22; Job 39:7; Job 39:22; Job 41:21; 2 Kon 19:21 ### Het paard **39:19** **Geef je het paard zijn kracht, bekleed je zijn hals met manen?** Brontekst: הֲתִתֵּ֣ן (hatiten) = geef je | לַסּ֣וּס (lasus) = aan het paard | גְּבוּרָ֑ה (gevura) = kracht | הֲתַלְבִּ֖ישׁ (hatalbish) = bekleed je | צַוָּאר֣וֹ (tsavaro) = zijn hals | רַעְמָֽה (rama) = met manen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het strijdros wordt beschreven als een krachtig, onbevreesd dier. De Hebreeuwse tekst vergelijkt zijn gesnuif met de ‘schrik’ (eimah); vergelijk Jer. 8:16. Zie ook: Ex 15:1; Ps 93:1; Ps 104:1; Ps 147:10; Jer 8:16; Mar 3:17 **39:20** **Laat je het springen als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is schrik.** Brontekst: הְֽ֭תַרְעִישֶׁנּוּ (hetarishenu) = laat je het springen | כָּאַרְבֶּ֑ה (kaarbe) = als een sprinkhaan | ה֖וֹד (hod) = de pracht van | נַחְר֣וֹ (nachro) = zijn gesnuif | אֵימָֽה (eima) = is schrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 41:12–13; Joël 2:5; Jer 8:16 **39:21** **Het graaft in het dal en verheugt zich in kracht; het trekt de wapens tegemoet.** Brontekst: יַחְפְּר֣וּ (yachperu) = het graaft | בָ֭עֵמֶק (baemeq) = in het dal | וְיָשִׂ֣ישׂ (veyasis) = en verheugt zich | בְּכֹ֑חַ (bekhoach) = in kracht | יֵ֝צֵ֗א (yetse) = het trekt uit | לִקְרַאת (liqrat) = tegemoet | נָֽשֶׁק (nasheq) = wapens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 5:22; 1 Sam 17:4–10; 1 Sam 17:42; Ps 19:6; Jer 8:6 **39:22** **Het lacht om vrees en wordt niet ontsteld, en keert niet terug voor het zwaard.** Brontekst: יִשְׂחַ֣ק (yischaq) = het lacht | לְ֭פַחַד (lefachad) = om vrees | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֵחָ֑ת (yechat) = wordt ontsteld | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָ֝שׁ֗וּב (yashuv) = keert het terug | מִפְּנֵי (mipenei) = voor | חָֽרֶב (charev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 39:16; Job 39:18; Job 41:25 **39:23** **Boven hem rammelt de pijlkoker, de flits van speer en lans.** Brontekst: עָ֭לָיו (alav) = boven hem | תִּרְנֶ֣ה (tirne) = rammelt | אַשְׁפָּ֑ה (ashpa) = de pijlkoker | לַ֖הַב (lahav) = de flits van | חֲנִ֣ית (chanit) = speer | וְכִידֽוֹן (vekhidon) = en lans Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 41:18–21 **39:24** **Met gedruis en gestamp slokt het de aarde op, en het gelooft niet dat het de klank van de sjofar is.** Brontekst: בְּרַ֣עַשׁ (beraash) = met gedruis | וְ֭רֹגֶז (verogez) = en gestamp | יְגַמֶּא (yegame) = slokt het op | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַ֝אֲמִ֗ין (yaamin) = gelooft het | כִּי (ki) = dat | ק֥וֹל (qol) = de klank van | שׁוֹפָֽר (shofar) = sjofar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:16; Job 29:24; Job 37:20; Amos 3:6; Luc 24:41 **39:25** **Bij elke stoot van de sjofar zegt het: ‘Ha!’, en van ver ruikt het de strijd, het donderen van de oversten en het gejuich.** Brontekst: בְּדֵ֤י (bedei) = bij elke stoot van | שֹׁפָ֨ר (shofar) = sjofar | יֹ֘אמַ֤ר (yomar) = zegt het | הֶאָ֗ח (heach) = ha | וּֽ֭מֵרָחוֹק (umerachoq) = en van ver | יָרִ֣יחַ (yariach) = ruikt het | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = strijd | רַ֥עַם (raam) = het donderen van | שָׂ֝רִים (sarim) = oversten | וּתְרוּעָֽה (uterua) = en gejuich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het woord שׁוֹפָר (sjofar) is de ramshoorn waarmee in oorlog en tijdens feesten werd geblazen. De strijdhengst herkent het signaal en reageert met ‘Ha!’ (hè’ach), een kreet van verlangen. Vergelijk Jer. 4:19. Zie ook: Ps 70:4; Jer 4:19; Ezech 26:2; Ezech 36:2 ### De havik en de arend **39:26** **Is het door je inzicht dat de havik vliegt en zijn vleugels naar het zuiden spreidt?** Brontekst: הֲֽ֭מִבִּינָ֣תְךָ (hamibinatekha) = is het door je inzicht | יַֽאֲבֶר (yaaver) = dat vliegt | נֵ֑ץ (nets) = de havik | יִפְרֹ֖שׂ (yifros) = spreidt | כְּנָפָ֣יו (kenafav) = zijn vleugels | לְתֵימָֽן (leteiman) = naar het zuiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 16:11; Deut 14:15; Hoogl 2:12; Jer 8:7 **39:27** **Is het op je bevel dat de arend omhoogvliegt en zijn nest hoog maakt?** Brontekst: אִם (im) = is het | עַל (al) = op | פִּ֭יךָ (pikha) = je bevel | יַגְבִּ֣יהַּ (yagbiha) = dat omhoogvliegt | נָ֑שֶׁר (nasher) = de arend | וְ֝כִ֗י (vekhi) = en dat | יָרִ֥ים (yarim) = hij hoog maakt | קִנּֽוֹ (qino) = zijn nest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 19:4; Lev 11:13; Jes 40:31; Jer 49:16; Ob 1:4 **39:28** **Op de rots woont hij en overnacht hij, op de tand van de rots en de burcht.** Brontekst: סֶ֣לַע (sela) = de rots | יִ֭שְׁכֹּן (yishkon) = woont hij | וְיִתְלֹנָ֑ן (veyitlonan) = en overnacht | עַֽל (al) = op | שֶׁן (shen) = de tand van | סֶ֝֗לַע (sela) = de rots | וּמְצוּדָֽה (umetsuda) = en de burcht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 14:4 **39:29** **Vandaar speurt hij naar voedsel; zijn ogen kijken van verre.** Brontekst: מִשָּׁ֥ם (misham) = vandaar | חָֽפַר (chafar) = speurt hij | אֹ֑כֶל (okhel) = voedsel | לְ֝מֵרָח֗וֹק (lemerachoq) = van verre | עֵינָ֥יו (einav) = zijn ogen | יַבִּֽיטוּ (yabitu) = kijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:26 **39:30** **En zijn jongen slurpen bloed, en waar gedoden zijn, daar is hij.”** Brontekst: וְאֶפְרֹחָ֥יו (veefrochav) = en zijn jongen | יְעַלְעוּ (yealu) = slurpen | דָ֑ם (dam) = bloed | וּבַאֲשֶׁ֥ר (uvaasher) = en waar | חֲ֝לָלִ֗ים (chalalim) = gedoden | שָׁ֣ם (sham) = daar | הֽוּא (hu) = is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Waar gedoden zijn, daar is hij’: dit beeld wordt in Matt. 24:28 en Luc. 17:37 gebruikt (‘waar het lijk is, daar verzamelen zich de gieren’). Zie ook: Ezech 39:17–19; Mat 24:28; Luc 17:37 ## Job 40 _Job zwijgt; Yahweh over Behemoth en Leviatan_ ### Yahweh vraagt: wie berispt Eloah? **40:1** Yahweh antwoordde Job en zei: Brontekst: וַיַּ֖עַן (vayaan) = en antwoordde | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 40:1–5 is het begin van Jobs terugtreden. Yahweh heeft in hoofdstuk 38–39 naar de schepping gevraagd; nu volgt de eerste reactie van Job. Hij legt de hand op zijn mond (vers 4), zoals hij het eerder van de anderen had gevraagd (21:5). Dan volgt het tweede antwoord van Yahweh (40:6–41:26). Zie ook: Job 38:1; Job 40:6 **40:2** **„Zal wie Shaddai berispt, met Hem twisten? Laat hij die Eloah terechtwijst, daarop antwoorden.”** Brontekst: הֲ֭רֹב (harov) = zal twisten | עִם (im) = met | שַׁדַּ֣י (shaday) = Shaddai | יִסּ֑וֹר (yisor) = de onderrichter | מוֹכִ֖יחַ (mokhiach) = de berisper van | אֱל֣וֹהַּ (eloha) = Eloah | יַעֲנֶֽנָּה (yaanena) = laat hem antwoorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 33:13; Jes 40:14; Jes 50:8; 1 Kor 2:16; Rom 11:34–36 ### Job: Ik leg mijn hand op mijn mond **40:3** Job antwoordde Yahweh en zei: Brontekst: וַיַּ֖עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֥וֹב (iyov) = Job | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **40:4** „Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Mijn hand leg ik op mijn mond. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | קַ֭לֹּתִי (qaloti) = ik ben gering | מָ֣ה (ma) = wat | אֲשִׁיבֶ֑ךָּ (ashiveka) = zal ik U antwoorden | יָ֝דִ֗י (yadi) = mijn hand | שַׂ֣מְתִּי (samti) = leg ik | לְמוֹ (lemo) = op | פִֽי (pi) = mijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:5; Job 29:9; Job 42:6; Re 18:19; Spr 30:32 **40:5** Eenmaal heb ik gesproken, en ik zal niet meer antwoorden; tweemaal, maar ik ga niet verder.” Brontekst: אַחַ֣ת (achat) = eenmaal | דִּ֭בַּרְתִּי (dibarti) = heb ik gesproken | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶֽעֱנֶ֑ה (eene) = zal ik antwoorden | וּ֝שְׁתַּ֗יִם (ushtayim) = en tweemaal | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | אוֹסִֽיף (osif) = zal ik voortgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:3; Job 9:15; Job 33:14; Ps 62:12; Jer 31:18–19 ### Yahweh spreekt opnieuw uit de storm **40:6** Yahweh antwoordde Job uit de storm en zei: Brontekst: וַיַּֽעַן (vayaan) = en antwoordde | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | אִ֭יּוֹב (iyov) = Job | מִ֥ן (min) = uit | סְעָרָ֗ה (seara) = storm | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 40:6–41:26 vormt Yahweh's tweede rede. Hij gaat van de schepping naar het gericht: Job moet laten zien dat hij zelf het kwaad kan beteugelen, zo niet, dan moet hij zwijgen. Daarna volgen twee wonderdieren, Behemoth en Leviatan, die Job niet kan temmen. Zie ook: Job 38:1; Ps 50:3–4; 2 Petr 3:10–12; Heb 12:18–20 **40:7** **„Omgord toch je lendenen als een man; Ik zal je vragen, en maak het Mij bekend.** Brontekst: אֱזָר (ezar) = omgord | נָ֣א (na) = toch | כְגֶ֣בֶר (kegever) = als een man | חֲלָצֶ֑יךָ (chalatseikha) = je lendenen | אֶ֝שְׁאָלְךָ֗ (eshalekha) = Ik zal je vragen | וְהוֹדִיעֵֽנִי (vehodieni) = en maak Mij bekend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:22; Job 23:3–4; Job 38:3; Job 42:4 **40:8** **Wil je zelfs Mijn recht tenietdoen, Mij veroordelen om zelf rechtvaardig te zijn?** Brontekst: הַ֭אַף (haaf) = wil je zelfs | תָּפֵ֣ר (tafer) = tenietdoen | מִשְׁפָּטִ֑י (mishpati) = Mijn recht | תַּ֝רְשִׁיעֵ֗נִי (tarshieni) = Mij veroordelen | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תִּצְדָּֽק (titsdaq) = je rechtvaardig bent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Wil je Mijn recht tenietdoen?’ Dit is de kern van Yahweh's verwijt: Job heeft Hem in feite aangeklaagd (9:22–24; 27:2; 31:35–37). Daarom vraagt Yahweh nu of Job zelf in staat is het kwaad te overwinnen (vers 10–14). Zie ook: Job 10:3; Job 32:2; Job 34:5–6; Jes 28:18; Rom 3:4 **40:9** **Heb je een arm zoals El, en dondert je stem zoals de Zijne?** Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | זְר֖וֹעַ (zeroa) = een arm | כָּאֵ֥ל (kael) = zoals van El | לָ֑ךְ (lakh) = heb je | וּ֝בְק֗וֹל (uveqol) = en met een stem | כָּמֹ֥הוּ (kamohu) = zoals de Zijne | תַרְעֵֽם (tarem) = donder je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 33:12–13; Job 37:4–5; Ps 29:3; Ps 89:14; Jes 45:9 **40:10** **Tooi je toch met majesteit en hoogheid, kleed je in luister en pracht.** Brontekst: עֲדֵ֥ה (ade) = tooi je | נָ֣א (na) = toch | גָֽא֣וֹן (gaon) = met majesteit | וָגֹ֑בַהּ (vagovah) = en hoogheid | וְה֖וֹד (vehod) = en luister | וְהָדָ֣ר (vehadar) = en pracht | תִּלְבָּֽשׁ (tilbash) = kleed je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 93:1; Ps 149:4; Jes 4:2; Jes 59:17; 2 Petr 1:16–17 **40:11** **Stort de uitbarstingen van je toorn uit, kijk naar iedere hoogmoedige en vernedder hem.** Brontekst: הָ֭פֵץ (hafets) = stort uit | עֶבְר֣וֹת (evrot) = de uitbarstingen van | אַפֶּ֑ךָ (apekha) = je toorn | וּרְאֵ֥ה (uree) = en zie | כָל (kal) = iedere | גֵּ֝אֶ֗ה (gee) = hoogmoedige | וְהַשְׁפִּילֵֽהוּ (vehashpilehu) = en vernedder hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 18:11; Jes 2:11–12; Jes 2:17; Nah 1:6; Dan 4:34 **40:12** **Kijk naar iedere hoogmoedige en onderwerp hem, vertrap de goddelozen op hun plaats.** Brontekst: רְאֵ֣ה (ree) = zie | כָל (kal) = iedere | גֵּ֭אֶה (gee) = hoogmoedige | הַכְנִיעֵ֑הוּ (hakhniehu) = onderwerp hem | וַהֲדֹ֖ךְ (vahadokh) = en vertrap | רְשָׁעִ֣ים (reshaim) = goddelozen | תַּחְתָּֽם (tachtam) = op hun plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 2:7; Ps 60:14; Jes 13:11; Jes 63:3; Mal 3:21 **40:13** **Verberg hen tezamen in het stof, bind hun gezichten in het verborgene.** Brontekst: טָמְנֵ֣ם (tamenem) = verberg hen | בֶּעָפָ֣ר (beafar) = in het stof | יָ֑חַד (yachad) = tezamen | פְּ֝נֵיהֶ֗ם (peneihem) = hun gezichten | חֲבֹ֣שׁ (chavosh) = bind | בַּטָּמֽוּן (batamun) = in het verborgene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 14:13; Job 36:13; Ps 49:15; Jes 2:10; Est 7:8 **40:14** **Dan zal ook Ik jou loven, omdat je eigen rechterhand je helpt.** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֥י (ani) = Ik | אוֹדֶ֑ךָּ (odeka) = zal je loven | כִּֽי (ki) = omdat | תוֹשִׁ֖עַ (toshia) = helpt | לְךָ֣ (lekha) = je | יְמִינֶֽךָ (yeminekha) = je rechterhand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 44:4; Ps 44:7; Jes 40:29; Rom 5:6; Ef 2:4–9 ### Behemoth **40:15** **Zie toch Behemoth, die Ik gemaakt heb zoals jou; hij eet gras als een rund.** Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | נָ֣א (na) = toch | בְ֭הֵמוֹת (behemot) = Behemoth | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשִׂ֣יתִי (asiti) = Ik maakte | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met je | חָ֝צִ֗יר (chatsir) = gras | כַּבָּקָ֥ר (kabaqar) = als een rund | יֹאכֵֽל (yokhel) = eet hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּהֵמוֹת (behemot) is meervoud van behemah, ‘dier’ (het meervoud van majesteit): het ‘Reuzendier’. Een groot en krachtig plantenetend dier dat in rivier en moeras leeft, vaak vereenzelvigd met de nijlpaard. Voetnoot Aanvullend: Henoch 60:7–9 bevestigt dit: daar staan Behemoth en Leviatan als twee grote wezens naast elkaar. Zie ook: Gen 1:24–26; Hen 60:7–9; Job 39:8; Job 40:20; Ps 104:14 **40:16** **Zie toch, zijn kracht zit in zijn lendenen en zijn macht in de spieren van zijn buik.** Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | נָ֣א (na) = toch | כֹח֣וֹ (kocho) = zijn kracht | בְמָתְנָ֑יו (bematenav) = in zijn lendenen | וְ֝אֹנ֗וֹ (veono) = en zijn macht | בִּשְׁרִירֵ֥י (bishrirei) = in de spieren van | בִטְנֽוֹ (bitno) = zijn buik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **40:17** **Als een ceder buigt hij zijn staart; de pezen van zijn dijen zijn verstrengeld.** Brontekst: יַחְפֹּ֣ץ (yachpots) = hij buigt | זְנָב֣וֹ (zenavo) = zijn staart | כְמוֹ (kemo) = als | אָ֑רֶז (arez) = een ceder | גִּידֵ֖י (gidei) = de pezen van | פַחֲדָ֣יו (pachadav) = zijn dijen | יְשֹׂרָֽגוּ (yesoragu) = zijn verstrengeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 41:15 **40:18** **Zijn beenderen zijn buizen van koper, zijn knoken als staven ijzer.** Brontekst: עֲ֭צָמָיו (atsamav) = zijn beenderen | אֲפִיקֵ֣י (afiqei) = buizen van | נְחוּשָׁ֑ה (nechusha) = koper | גְּ֝רָמָ֗יו (geramav) = zijn knoken | כִּמְטִ֥יל (kimtil) = als een staaf | בַּרְזֶֽל (barzel) = ijzer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 7:12; Jes 48:4 **40:19** **Het begin van de wegen van El is hij; zijn Maker kan hem het zwaard laten naderen.** Brontekst: ה֭וּא (hu) = hij | רֵאשִׁ֣ית (reshit) = is het begin van | דַּרְכֵי (darkhei) = wegen van | אֵ֑ל (el) = El | הָ֝עֹשׂוֹ (haoso) = zijn Maker | יַגֵּ֥שׁ (yagesh) = kan laten naderen | חַרְבּֽוֹ (charbo) = zijn zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het laatste deel van dit vers is moeilijk: ‘zijn Maker kan hem het zwaard laten naderen’. Anderen lezen: ‘zijn Maker heeft hem zijn zwaard (zijn tanden) gegeven’. Wij houden de eerste weergave aan. Zie ook: Job 26:13; Job 41:25; Ps 7:13; Ps 104:24; Jes 27:1 **40:20** **Want de bergen brengen hem hun opbrengst, en alle wilde dieren van het veld spelen daar.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | ב֭וּל (bul) = de opbrengst van | הָרִ֣ים (harim) = bergen | יִשְׂאוּ (yisu) = dragen | ל֑וֹ (lo) = hem | וְֽכָל (vekhal) = en alle | חַיַּ֥ת (chayat) = wilde dieren van | הַ֝שָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | יְשַֽׂחֲקוּ (yesachaqu) = spelen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:15; Ps 104:14; Ps 104:26; Ps 147:8–9 **40:21** **Onder de lotusstruiken ligt hij, in het verborgene van riet en moeras.** Brontekst: תַּֽחַת (tachat) = onder | צֶאֱלִ֥ים (tseelim) = lotusstruiken | יִשְׁכָּ֑ב (yishkav) = ligt hij | בְּסֵ֖תֶר (beseter) = in het verborgene van | קָנֶ֣ה (qane) = riet | וּבִצָּֽה (uvitsa) = en moeras Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: צֶאֱלִים (tse’elim) zijn waarschijnlijk lotusstruiken (Zizyphus lotus); de oude vertalingen kozen verschillende woorden (‘bomen’, ‘schaduw’). Wij volgen de gangbare weergave. Zie ook: Jes 19:6–7; Jes 35:7 **40:22** **De lotusstruiken bedekken hem met hun schaduw, de wilgen van de beek omringen hem.** Brontekst: יְסֻכֻּ֣הוּ (yesukuhu) = bedekken hem | צֶאֱלִ֣ים (tseelim) = lotusstruiken | צִֽלֲל֑וֹ (tsilalo) = met hun schaduw | יְ֝סֻבּ֗וּהוּ (yesubuhu) = omringen hem | עַרְבֵי (arvei) = wilgen van | נָֽחַל (nachal) = de beek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:40; Jes 15:7; Ezech 17:5 **40:23** **Zie, als de rivier hem drukt, haast hij zich niet; hij is zeker, al stroomt de Jordaan tot in zijn muil.** Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | יַעֲשֹׁ֣ק (yaashoq) = als drukt | נָ֭הָר (nahar) = rivier | לֹ֣א (lo) = niet | יַחְפּ֑וֹז (yachpoz) = haast hij zich | יִבְטַ֓ח (yivtach) = hij is zeker | כִּֽי (ki) = al | יָגִ֖יחַ (yagiach) = stroomt | יַרְדֵּ֣ן (yarden) = Jordaan | אֶל (el) = tot in | פִּֽיהוּ (pihu) = zijn muil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Jordaan (יַרְדֵּן, Yarden) stroomt van de berg Hermon in het noorden naar de Dode Zee in het zuiden. Hier wordt hij genoemd als voorbeeld van een grote rivier. Zie Gen. 13:10–11. Zie ook: Gen 13:10; Joz 3:15; Ps 55:9; Jes 28:16; Jes 37:25 **40:24** **Kan men hem voor zijn ogen vangen, hem met strikken de neus doorboren?** Brontekst: בְּעֵינָ֥יו (beeinav) = voor zijn ogen | יִקָּחֶ֑נּוּ (yiqachenu) = kan men hem vangen | בְּ֝מֽוֹקְשִׁ֗ים (bemoqeshim) = met strikken | יִנְקָב (yinqav) = doorboort | אָֽף (af) = de neus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:25–26 ### Leviatan **40:25** **Kun je Leviatan met een haak binnentrekken, en zijn tong met een touw neerdrukken?** Brontekst: תִּמְשֹׁ֣ךְ (timshokh) = kun je binnentrekken | לִוְיָתָ֣ן (livyatan) = Leviatan | בְּחַכָּ֑ה (bechaka) = met een haak | וּ֝בְחֶ֗בֶל (uvechevel) = en met een touw | תַּשְׁקִ֥יעַ (tashqia) = neerdrukken | לְשֹׁנֽוֹ (leshono) = zijn tong Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Hebreeuwse indeling (die wij volgen) begint hier de beschrijving van Leviatan. In veel Nederlandse vertalingen is dit het eerste vers van hoofdstuk 41; wat in onze indeling hoofdstuk 41 is, vormt daar het vervolg van dat hoofdstuk (vanaf vers 9). Zie ook: Job 3:8; Ps 74:14; Ps 104:26; Jes 27:1 **40:26** **Kun je een bieslijn door zijn neus leggen en zijn kaak met een doorn doorboren?** Brontekst: הֲתָשִׂ֣ים (hatasim) = kun je leggen | אַגְמ֣וֹן (agmon) = een bieslijn | בְּאַפּ֑וֹ (beapo) = in zijn neus | וּ֝בְח֗וֹחַ (uvechoach) = en met een doorn | תִּקּ֥וֹב (tiqov) = doorboor je | לֶֽחֱיוֹ (lecheyo) = zijn kaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 19:28; Jes 27:1; Jes 37:29; Ezech 29:4–5 **40:27** **Zal hij je veel smeekbeden richten, of zachte woorden tot je spreken?** Brontekst: הֲיַרְבֶּ֣ה (hayarbe) = zal hij vermenigvuldigen | אֵ֭לֶיךָ (eleikha) = tot je | תַּחֲנוּנִ֑ים (tachanunim) = smeekbeden | אִם (im) = of | יְדַבֵּ֖ר (yedaber) = zal hij spreken | אֵלֶ֣יךָ (eleikha) = tot je | רַכּֽוֹת (rakot) = zachte woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 55:22; Spr 15:1; Spr 18:23; Spr 25:15; Jes 30:10 **40:28** **Zal hij een verbond met je sluiten, zodat je hem tot dienaar neemt voor altijd?** Brontekst: הֲיִכְרֹ֣ת (hayikhrot) = zal hij sluiten | בְּרִ֣ית (berit) = verbond | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met je | תִּ֝קָּחֶ֗נּוּ (tiqachenu) = zul je nemen hem | לְעֶ֣בֶד (leeved) = tot een dienaar | עוֹלָֽם (olam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:28; Ex 21:6; Deut 15:17; Ps 8:6–7; 1 Kon 20:31–34 **40:29** **Speel je met hem als met een vogel, bind je hem vast voor je meisjes?** Brontekst: הַֽתְשַׂחֶק (hatsacheq) = speel je | בּ֭וֹ (bo) = met hem | כַּצִּפּ֑וֹר (katsipor) = als met een vogel | וְ֝תִקְשְׁרֶ֗נּוּ (vetiqsherenu) = en bind je hem vast | לְנַעֲרוֹתֶֽיךָ (lenaaroteikha) = voor je meisjes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Leviatan is het zeemonster uit de oudste dichtkunst van Israël (Ps. 74:14; 104:26; Jes. 27:1). Hier is hij het beeld van de macht die geen mens kan temmen. Zie ook: Job 28:11; Re 16:25–30; Ps 74:14; Ps 104:26; Jes 27:1 **40:30** **Zullen partners over hem onderhandelen, hem verdelen onder kooplieden?** Brontekst: יִכְר֣וּ (yikhru) = zullen onderhandelen | עָ֭לָיו (alav) = over hem | חַבָּרִ֑ים (chabarim) = partners | יֶ֝חֱצ֗וּהוּ (yechetsuhu) = verdelen zij hem | בֵּ֣ין (bein) = onder | כְּֽנַעֲנִֽים (kenaanim) = kooplieden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Kooplieden’ is hier letterlijk kena‘anim, ‘Kanaänieten’, een term die in het Hebreeuws ook ‘handelaar’ betekende (Spr. 31:24; Zach. 14:21). Handelaarsgilden kunnen niet over zo'n dier onderhandelen. Zie ook: Re 14:11; Spr 31:24; Zach 14:21 **40:31** **Kun je zijn huid met harpoenen vullen en zijn kop met een vissersspeer?** Brontekst: הַֽתְמַלֵּ֣א (hatmale) = kun je vullen | בְשֻׂכּ֣וֹת (besukot) = met harpoenen | עוֹר֑וֹ (oro) = zijn huid | וּבְצִלְצַ֖ל (uvetsiltsal) = en met een vissersspeer | דָּגִ֣ים (dagim) = vissen | רֹאשֽׁוֹ (rosho) = zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **40:32** **Leg je hand op hem; denk aan de strijd, doe het niet nog eens.”** Brontekst: שִׂים (sim) = leg | עָלָ֥יו (alav) = op hem | כַּפֶּ֑ךָ (kapekha) = je hand | זְכֹ֥ר (zekhor) = denk aan | מִ֝לְחָמָ֗ה (milchama) = de strijd | אַל (al) = niet | תּוֹסַֽף (tosaf) = doe het nog eens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 20:11; 2 Kon 10:4; Luc 14:31–32 ## Job 41 _Yahweh over Leviatan_ ### Niemand durft Leviatan op te wekken **41:1** **„Zie, zijn hoop is bedrogen; al bij zijn aanblik wordt men neergeworpen.** Brontekst: הֵן (hen) = zie | תֹּחַלְתּ֥וֹ (tochalto) = zijn hoop | נִכְזָ֑בָה (nikhzava) = is bedrogen | הֲגַ֖ם (hagam) = zelfs | אֶל (el) = bij | מַרְאָ֣יו (marav) = zijn aanblik | יֻטָֽל (yutal) = wordt men neergeworpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 41 volgens de Hebreeuwse indeling begint bij wat in veel vertalingen vers 9 van hoofdstuk 41 is. De beschrijving van Leviatan loopt van het slot van hoofdstuk 40 tot het einde van hoofdstuk 41 (in veel vertalingen het hele hoofdstuk 41). Yahweh laat zien dat niemand dit schepsel durft te prikkelen; hoeveel te minder durft iemand zich tegen Hem te keren (vers 2–3). Zie ook: Deut 28:34; 1 Sam 3:11; Jes 28:19; Luc 21:11 **41:2** **Niemand is zo wreed dat hij hem durft op te wekken. Wie is dan hij die voor Mij kan standhouden?** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | אַ֭כְזָר (akhzar) = wreed | כִּ֣י (ki) = dat | יְעוּרֶ֑נּוּ (yeurenu) = hij hem opwekt | וּמִ֥י (umi) = en wie | ה֝֗וּא (hu) = is dan hij | לְפָנַ֥י (lefanay) = voor Mij | יִתְיַצָּֽב (yityatsav) = zal standhouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 3:8; Job 9:4; Num 24:9; Ps 2:11–12; Jer 12:5 **41:3** **Wie is Mij voorgegaan, zodat Ik zou vergelden? Onder heel de hemel is alles van Mij.** Brontekst: מִ֣י (mi) = wie | הִ֭קְדִּימַנִי (hiqdimani) = ging Mij voor | וַאֲשַׁלֵּ֑ם (vaashalem) = dat Ik zou vergelden | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כָּל (kal) = heel | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | לִי (li) = Mij | הֽוּא (hu) = behoort het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Onder heel de hemel is alles van Mij’: Yahweh verklaart dat Hij niemand iets verschuldigd is. Paulus zinspeelt hierop in Rom. 11:35 (‘wie heeft Hem eerst iets gegeven?’). Zie ook: Job 35:7; Deut 10:14; 1 Kron 29:11–14; Ps 24:1; Rom 11:35 ### Zijn gestalte en zijn pantser **41:4** **Ik zal niet zwijgen over zijn ledematen, over het woord van zijn krachten en de schoonheid van zijn bouw.** Brontekst: לֽוֹ (lo) = niet | אַחֲרִ֥ישׁ (acharish) = zal Ik zwijgen | בַּדָּ֑יו (badav) = over zijn ledematen | וּדְבַר (udevar) = en het woord van | גְּ֝בוּר֗וֹת (gevurot) = krachten | וְחִ֣ין (vechin) = en de schoonheid van | עֶרְכּֽוֹ (erko) = zijn bouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:25 **41:5** **Wie heeft het oppervlak van zijn kleed onthuld? Wie dringt door tot zijn dubbele gebit?** Brontekst: מִֽי (mi) = wie | גִ֭לָּה (gila) = onthulde | פְּנֵ֣י (penei) = het oppervlak van | לְבוּשׁ֑וֹ (levusho) = zijn kleed | בְּכֶ֥פֶל (bekhefel) = in het dubbele van | רִ֝סְנ֗וֹ (risno) = zijn gebit | מִ֣י (mi) = wie | יָבֽוֹא (yavo) = zal doordringen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 32:9; 2 Kon 19:28; Jak 3:3 **41:6** **Wie opent de deuren van zijn gezicht? Rondom zijn tanden is schrik.** Brontekst: דַּלְתֵ֣י (daltei) = de deuren van | פָ֭נָיו (panav) = zijn gezicht | מִ֣י (mi) = wie | פִתֵּ֑חַ (piteach) = opent | סְבִיב֖וֹת (sevivot) = rondom | שִׁנָּ֣יו (shinav) = zijn tanden | אֵימָֽה (eima) = schrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 38:10; Ps 57:5; Spr 30:14; Pred 12:4; Dan 7:7 **41:7** **Rijen schilden zijn zijn trots, vast gesloten met een nauw zegel.** Brontekst: גַּ֭אֲוָה (gaava) = trots | אֲפִיקֵ֣י (afiqei) = rijen van | מָֽגִנִּ֑ים (maginim) = schilden | סָ֝ג֗וּר (sagur) = gesloten | חוֹתָ֥ם (chotam) = zegel | צָֽר (tsar) = nauw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 9:22; Openb 5:2–3; Openb 5:5 **41:8** **Het ene sluit aan op het andere, en geen lucht komt ertussen.** Brontekst: אֶחָ֣ד (echad) = de een | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = aan de ander | יִגַּ֑שׁוּ (yigashu) = sluiten aan | וְ֝ר֗וּחַ (veruach) = en lucht | לֹא (lo) = niet | יָב֥וֹא (yavo) = komt | בֵֽינֵיהֶֽם (beineihem) = tussen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **41:9** **Ieder kleeft aan zijn broeder, zij grijpen vast en worden niet gescheiden.** Brontekst: אִישׁ (ish) = ieder | בְּאָחִ֥יהוּ (beachihu) = aan zijn broeder | יְדֻבָּ֑קוּ (yedubaqu) = kleven | יִ֝תְלַכְּד֗וּ (yitlakedu) = zij grijpen vast | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִתְפָּרָֽדוּ (yitparadu) = worden gescheiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Zijn adem is vuur **41:10** **Door zijn niezen flitst licht op, en zijn ogen zijn als de oogleden van de dageraad.** Brontekst: עֲֽ֭טִישֹׁתָיו (atishotav) = zijn niezen | תָּ֣הֶל (tahel) = doet flitsen | א֑וֹר (or) = licht | וְ֝עֵינָ֗יו (veeinav) = en zijn ogen | כְּעַפְעַפֵּי (keafapei) = als de oogleden van | שָֽׁחַר (shachar) = de dageraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De beschrijving van vuur uit mond en neusgaten (vers 10–13) is een dichterlijk beeld voor het geweld van Leviatan; de oude uitleggers zien hier een krokodil, maar ook een mythisch zeemonster (vergelijk Ps. 74:14; Jes. 27:1). Zie ook: Job 3:9; Ps 74:14; Jes 27:1; Openb 1:14 **41:11** **Uit zijn mond gaan fakkels, vonken van vuur schieten weg.** Brontekst: מִ֭פִּיו (mipiv) = uit zijn mond | לַפִּידִ֣ים (lapidim) = fakkels | יַהֲלֹ֑כוּ (yahalokhu) = gaan | כִּיד֥וֹדֵי (kidodei) = als vonken van | אֵ֝֗שׁ (esh) = vuur | יִתְמַלָּֽטוּ (yitmalatu) = schieten weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:9 **41:12** **Uit zijn neusgaten komt rook, als van een verhitte pot en rietvuur.** Brontekst: מִ֭נְּחִירָיו (minechirav) = uit zijn neusgaten | יֵצֵ֣א (yetse) = gaat | עָשָׁ֑ן (ashan) = rook | כְּד֖וּד (kedud) = als een pot | נָפ֣וּחַ (nafuach) = verhit | וְאַגְמֹֽן (veagmon) = en rietvuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:13–14 **41:13** **Kolen laat zijn adem ontbranden, en een vlam gaat uit zijn mond.** Brontekst: נַ֭פְשׁוֹ (nafsho) = zijn adem | גֶּחָלִ֣ים (gechalim) = kolen | תְּלַהֵ֑ט (telahet) = doet ontbranden | וְ֝לַ֗הַב (velahav) = en vlam | מִפִּ֥יו (mipiv) = uit zijn mond | יֵצֵֽא (yetse) = gaat uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:9; Ps 18:13; Jes 30:33; Hab 3:5 **41:14** **In zijn nek overnacht kracht, en voor hem danst de schrik.** Brontekst: בְּֽ֭צַוָּארוֹ (betsavaro) = in zijn nek | יָלִ֣ין (yalin) = overnacht | עֹ֑ז (oz) = kracht | וּ֝לְפָנָ֗יו (ulefanav) = en voor hem | תָּד֥וּץ (taduts) = danst | דְּאָבָֽה (deava) = schrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 39:19; Job 40:16; Hos 13:14; 1 Kor 15:55–57 **41:15** **De plooien van zijn vlees kleven vast, gegoten op hem, onwankelbaar.** Brontekst: מַפְּלֵ֣י (mapelei) = de plooien van | בְשָׂר֣וֹ (besaro) = zijn vlees | דָבֵ֑קוּ (davequ) = kleven vast | יָצ֥וּק (yatsuq) = gegoten | עָ֝לָ֗יו (alav) = op hem | בַּל (bal) = niet | יִמּֽוֹט (yimot) = wankelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **41:16** **Als steen is zijn hart gegoten, gegoten als de onderste molensteen.** Brontekst: לִ֭בּוֹ (libo) = zijn hart | יָצ֣וּק (yatsuq) = is gegoten | כְּמוֹ (kemo) = als | אָ֑בֶן (aven) = steen | וְ֝יָצ֗וּק (veyatsuq) = en gegoten | כְּפֶ֣לַח (kefelach) = als een stuk van | תַּחְתִּֽית (tachtit) = de onderste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: פֶּלַח תַּחְתִּית (pelach tachtit): ‘een stuk van de onderste (molensteen)’. De onderste molensteen is de hardste (zie Deut. 24:6). Zie ook: Deut 24:6; Jes 48:4; Jer 5:3; Zach 7:12 ### Geen wapen houdt stand **41:17** **Als hij zich verheft, vrezen de machtigen; van schrik trekken zij zich terug.** Brontekst: מִ֭שֵּׂתוֹ (miseto) = bij zijn opstaan | יָג֣וּרוּ (yaguru) = vrezen | אֵלִ֑ים (elim) = machtigen | מִ֝שְּׁבָרִ֗ים (mishevarim) = van de golfslag | יִתְחַטָּֽאוּ (yitchatau) = trekken zij zich terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: יִתְחַטָּאוּ (yitchatta’u): de stam is chata’, ‘zondigen’, maar in deze vorm kan het ook ‘zich ontdoen van (zonde)’ betekenen, en vandaar ‘zich terugtrekken, in paniek van zichzelf ontdaan zijn’. Wij vertalen ‘zij trekken zich terug’. Zie ook: Ps 107:28; Jona 1:4–6 **41:18** **Wie hem treft met het zwaard, houdt niet stand, noch speer, werpspies of pantser.** Brontekst: מַשִּׂיגֵ֣הוּ (masigehu) = wie hem treft | חֶ֭רֶב (cherev) = zwaard | בְּלִ֣י (beli) = niet | תָק֑וּם (taqum) = houdt stand | חֲנִ֖ית (chanit) = speer | מַסָּ֣ע (masa) = werpspies | וְשִׁרְיָֽה (veshirya) = en pantser Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 39:21–24 **41:19** **IJzer acht hij als stro en koper als rottend hout.** Brontekst: יַחְשֹׁ֣ב (yachshov) = hij acht | לְתֶ֣בֶן (leteven) = voor stro | בַּרְזֶ֑ל (barzel) = ijzer | לְעֵ֖ץ (leets) = voor hout | רִקָּב֣וֹן (riqavon) = rottend | נְחוּשָֽׁה (nechusha) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **41:20** **De pijl van de boog jaagt hem niet op de vlucht; slingerstenen worden voor hem stoppels.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יַבְרִיחֶ֥נּוּ (yavrichenu) = jaagt hem op de vlucht | בֶן (ben) = zoon van | קָ֑שֶׁת (qashet) = de boog | לְ֝קַ֗שׁ (leqash) = tot stoppels | נֶהְפְּכוּ (nehpekhu) = worden veranderd | ל֥וֹ (lo) = voor hem | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | קָֽלַע (qala) = de slinger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 39:7; Hab 1:10 **41:21** **Als stoppels worden knotsen geacht, en hij lacht om het suizen van de speer.** Brontekst: כְּ֭קַשׁ (keqash) = als stoppels | נֶחְשְׁב֣וּ (nechshevu) = worden geacht | תוֹתָ֑ח (totach) = knotsen | וְ֝יִשְׂחַ֗ק (veyischaq) = en hij lacht | לְרַ֣עַשׁ (leraash) = om het suizen van | כִּידֽוֹן (kidon) = de speer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 26:14 **41:22** **Onder hem liggen scherpe potscherven; hij spreidt een dorsslede over het slijk.** Brontekst: תַּ֭חְתָּיו (tachtav) = onder hem | חַדּ֣וּדֵי (chadudei) = scherpe delen van | חָ֑רֶשׂ (chares) = potscherf | יִרְפַּ֖ד (yirpad) = hij spreidt | חָר֣וּץ (charuts) = een dorsslede | עֲלֵי (alei) = over | טִֽיט (tit) = slijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 41:15 ### Koning over alle trotse dieren **41:23** **De diepte doet hij koken als een pot, de zee maakt hij als een zalfpot.** Brontekst: יַרְתִּ֣יחַ (yartiach) = hij doet koken | כַּסִּ֣יר (kasir) = als een pot | מְצוּלָ֑ה (metsula) = de diepte | יָ֝֗ם (yam) = de zee | יָשִׂ֥ים (yasim) = maakt hij | כַּמֶּרְקָחָֽה (kamerqacha) = als een zalfpot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **41:24** **Achter hem laat hij een pad schijnen; men zou denken dat de oerdiepte grijs is.** Brontekst: אַ֭חֲרָיו (acharav) = achter hem | יָאִ֣יר (yair) = doet hij schijnen | נָתִ֑יב (nativ) = een pad | יַחְשֹׁ֖ב (yachshov) = men zou denken | תְּה֣וֹם (tehom) = de oerdiepte | לְשֵׂיבָֽה (leseiva) = grijs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:2; Gen 25:8; Job 38:16; Job 38:30; Spr 16:31 **41:25** **Op het stof is niemand zijn gelijke; hij is gemaakt zonder vrees.** Brontekst: אֵֽין (ein) = niet is | עַל (al) = op | עָפָ֥ר (afar) = stof | מָשְׁל֑וֹ (mashelo) = zijn gelijke | הֶ֝עָשׂ֗וּ (heasu) = gemaakt | לִבְלִי (livli) = zonder | חָֽת (chat) = vrees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:19 **41:26** **Alles wat hoog is, ziet hij aan; hij is koning over alle trotse dieren.”** Brontekst: אֵֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | גָּבֹ֥הַּ (gavoha) = wat hoog is | יִרְאֶ֑ה (yire) = ziet hij aan | ה֝֗וּא (hu) = hij | מֶ֣לֶךְ (melekh) = is koning | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | בְּנֵי (benei) = zonen van | שָֽׁחַץ (shachats) = trots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Koning over alle zonen van trots’ (kol bene shachats): Leviatan is koning over alle trotse dieren. In het gesprek met Job is hij de tegenhanger van de hoogmoedigen die Job volgens 40:11–12 zou moeten vernederen. Zie ook: Job 26:12; Job 28:8; Ps 73:6; Ps 73:10; Ezech 29:3 ## Job 42 _Jobs antwoord en het herstel_ ### Job: Nu heeft mijn oog U gezien **42:1** Job antwoordde Yahweh en zei: Brontekst: וַיַּ֖עַן (vayaan) = en antwoordde | אִיּ֥וֹב (iyov) = Job | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּאמַֽר (vayomar) = en zei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit laatste hoofdstuk geeft Job zijn laatste antwoord (vers 1–6), spreekt Yahweh over de vrienden (7–9) en volgt de epiloog in proza (10–17), net als het proza van hoofdstuk 1–2. **42:2** „Ik weet dat U alles kunt, en dat geen plan voor U onuitvoerbaar is. Brontekst: יָ֭דַעְתִּי (yadati) = ik weet | כִּי (ki) = dat | כֹ֣ל (kol) = alles | תּוּכָ֑ל (tukhal) = U kunt | וְלֹא (velo) = en niet | יִבָּצֵ֖ר (yibatser) = is onuitvoerbaar | מִמְּךָ֣ (mimekha) = voor U | מְזִמָּֽה (mezima) = een plan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:14; Jer 32:17; Mat 19:26; Mar 10:27; Heb 4:12–13 **42:3** ‘Wie is dit die de raad verbergt zonder kennis?’ Zo heb ik gesproken zonder te begrijpen: over wonderen die te groot voor mij zijn, en die ik niet kende. Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | זֶ֨ה (ze) = is dit | מַעְלִ֥ים (malim) = die verbergt | עֵצָ֗ה (etsa) = raad | בְּֽלִ֫י (beli) = zonder | דָ֥עַת (daat) = kennis | לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | הִ֭גַּדְתִּי (higadti) = heb ik gesproken | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אָבִ֑ין (avin) = begreep ik | נִפְלָא֥וֹת (niflaot) = wonderen | מִ֝מֶּ֗נִּי (mimeni) = te groot voor mij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֵדָֽע (eda) = kende ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Job herhaalt de vraag van Yahweh uit 38:2 en erkent dat hij heeft gesproken over wat hij niet begreep. Hij geeft Yahweh gelijk, maar neemt zijn onschuld niet terug: wat hij erkent, is dat hij het plan van Elohim niet kon overzien. Zie ook: Job 38:2; Ps 40:6; Ps 131:1; Ps 139:6; Spr 30:2–4 **42:4** ‘Hoor toch, en Ik zal spreken; Ik zal je vragen, en maak het Mij bekend.’ Brontekst: שְֽׁמַֽע (shema) = hoor | נָ֭א (na) = toch | וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = en ik | אֲדַבֵּ֑ר (adaber) = zal spreken | אֶ֝שְׁאָלְךָ֗ (eshalekha) = Ik zal je vragen | וְהוֹדִיעֵֽנִי (vehodieni) = en maak Mij bekend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:27; Gen 18:30–32; Job 38:3; Job 40:7 **42:5** Van horen zeggen had ik van U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien. Brontekst: לְשֵֽׁמַע (leshema) = van horen van | אֹ֥זֶן (ozen) = het oor | שְׁמַעְתִּ֑יךָ (shematikha) = had ik van U gehoord | וְ֝עַתָּ֗ה (veata) = maar nu | עֵינִ֥י (eini) = mijn oog | רָאָֽתְךָ (raatekha) = heeft U gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Van horen zeggen … maar nu heeft mijn oog U gezien’: Job had de Naam gekend uit de traditie en uit de dialogen, nu ontmoet hij Hem Zelf. Vergelijk 19:26–27 (‘mijn ogen zullen Hem zien’). Zie ook: Jes 6:1; Jes 6:5; Joh 12:45; Rom 10:17; Ef 1:17–18 **42:6** Daarom neem ik terug wat ik zei, en ik heb berouw, in stof en as.” Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֭ן (ken) = zo | אֶמְאַ֣ס (emas) = neem ik terug | וְנִחַ֑מְתִּי (venichamti) = en ik heb berouw | עַל (al) = in | עָפָ֥ר (afar) = stof | וָאֵֽפֶר (vaefer) = en as Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Dit vers is een van de moeilijkste. אֶמְאַס (em’as) betekent ‘ik verwerp’ of ‘ik trek in’ (zonder uitdrukkelijk voorwerp: zichzelf, mijn woorden of mijn eis); וְנִחַמְתִּי (venichamti) betekent ‘en ik heb berouw’ of ‘en ik laat me troosten, ik zie ervan af’ (vergelijk Gen. 6:6–7; Ex. 32:14; Jona 3:10). Wij vertalen: ‘Daarom neem ik terug wat ik zei, en ik heb berouw, in stof en as.’ Job zit in stof en as (2:8) en verandert van houding, zonder zijn onschuld te ontkennen (vergelijk 42:7: ‘zoals Mijn dienaar Job’). Zie ook: Gen 6:6–7; Job 30:19; Job 40:3–4; Ex 32:14; Jona 3:10; Ezra 9:6; Jak 4:7–10; 1 Tim 1:13–16 ### Yahweh spreekt over de vrienden **42:7** Nadat Yahweh deze woorden tot Job had gesproken, zei Yahweh tot Elifaz de Temaniet: **„Mijn toorn is ontbrand tegen jou en tegen je twee vrienden. Want jullie hebben niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job dat deed.** Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het geschiedde | אַחַ֨ר (achar) = nadat | דִּבֶּ֧ר (diber) = sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | אֶל (el) = tot | אִיּ֑וֹב (iyov) = Job | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = dat zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | אֱלִיפַ֣ז (elifaz) = Elifaz | הַתֵּֽימָנִ֗י (hateimani) = de Temaniet | חָרָ֨ה (chara) = ontbrand is | אַפִּ֤י (api) = Mijn toorn | בְךָ֙ (bekha) = tegen jou | וּבִשְׁנֵ֣י (uvishnei) = en tegen twee van | רֵעֶ֔יךָ (reeikha) = je vrienden | כִּ֠י (ki) = omdat | לֹ֣א (lo) = niet | דִבַּרְתֶּ֥ם (dibartem) = hebben jullie gesproken | אֵלַ֛י (elay) = tot Mij | נְכוֹנָ֖ה (nekhona) = wat juist is | כְּעַבְדִּ֥י (keavdi) = zoals Mijn dienaar | אִיּֽוֹב (iyov) = Job Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Elifaz kwam uit Teman (zie 2:11). Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt Elifaz aan, de eerste van de drie vrienden die sprak, en zegt dat zij ‘niet juist’ over Hem hebben gesproken (nekonah, ‘wat vaststaat’), ‘zoals Mijn dienaar Job’. Job wordt daarmee beschreven als dienaar van Yahweh (1:8; 2:3) en als degene die de waarheid sprak, ook toen hij klaagde. Elihu wordt niet genoemd. Zie ook: Job 2:11; Job 4:1; Job 11:5–6; Job 32:2–3; Job 32:5 **42:8** **Neem nu zeven stieren en zeven rammen, ga naar Mijn dienaar Job en offer een brandoffer voor jullie zelf. Mijn dienaar Job zal voor jullie bidden, want zijn aangezicht zal Ik aannemen, zodat Ik jullie niet naar jullie dwaasheid behandel. Want jullie hebben niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job dat deed.”** Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | קְחֽוּ (qechu) = neem | לָכֶ֣ם (lakhem) = voor jullie | שִׁבְעָֽה (shiva) = zeven | פָרִים֩ (parim) = stieren | וְשִׁבְעָ֨ה (veshiva) = en zeven | אֵילִ֜ים (eilim) = rammen | וּלְכ֣וּ (ulekhu) = en ga | אֶל (el) = naar | עַבְדִּ֣י (avdi) = Mijn dienaar | אִיּ֗וֹב (iyov) = Job | וְהַעֲלִיתֶ֤ם (vehaalitem) = en offer | עוֹלָה֙ (ola) = een brandoffer | בַּֽעַדְכֶ֔ם (baadkhem) = voor jullie zelf | וְאִיּ֣וֹב (veiyov) = en Job | עַבְדִּ֔י (avdi) = Mijn dienaar | יִתְפַּלֵּ֖ל (yitpalel) = zal bidden | עֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = voor jullie | כִּ֧י (ki) = want | אִם (im) = indien niet | פָּנָ֣יו (panav) = zijn aangezicht | אֶשָּׂ֗א (esa) = Ik zal aannemen | לְבִלְתִּ֞י (levilti) = opdat niet | עֲשׂ֤וֹת (asot) = te doen | עִמָּכֶם֙ (imakhem) = met jullie | נְבָלָ֔ה (nevala) = dwaasheid | כִּ֠י (ki) = omdat | לֹ֣א (lo) = niet | דִבַּרְתֶּ֥ם (dibartem) = hebben jullie gesproken | אֵלַ֛י (elay) = tot Mij | נְכוֹנָ֖ה (nekhona) = wat juist is | כְּעַבְדִּ֥י (keavdi) = zoals Mijn dienaar | אִיּֽוֹב (iyov) = Job Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא פָּנִים (nasa panim), letterlijk ‘het gezicht opheffen’, is: iemand gunstig aanzien en zijn gebed aannemen. Wij vertalen ‘het aangezicht aannemen’ (ook in vers 9). Voetnoot : Zeven stieren en zeven rammen: een groot offer (Num. 23:1, 29). Job, de ‘dienaar’, treedt op als voorbidder voor de drie die hem veroordeeld hadden (vergelijk 1:5 waar Job zelf offers brengt voor zijn kinderen; Gen. 20:7; Jak. 5:16). Zie ook: Gen 20:7; Gen 20:17; Job 22:30; Num 23:1; Ps 103:10; Jak 5:16 **42:9** Elifaz de Temaniet, Bildad de Sjuchiet en Zofar de Naämatiet gingen en deden wat Yahweh tot hen gesproken had, en Yahweh nam Jobs aangezicht aan. Brontekst: וַיֵּלְכוּ֩ (vayelekhu) = en gingen | אֱלִיפַ֨ז (elifaz) = Elifaz | הַתֵּֽימָנִ֜י (hateimani) = de Temaniet | וּבִלְדַּ֣ד (uvildad) = en Bildad | הַשּׁוּחִ֗י (hashuchi) = de Sjuchiet | צֹפַר֙ (tsofar) = Zofar | הַנַּ֣עֲמָתִ֔י (hanaamati) = de Naämatiet | וַֽיַּעֲשׂ֔וּ (vayaasu) = en deden | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en nam aan | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | אִיּֽוֹב (iyov) = Job Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Elifaz kwam uit Teman, Bildad uit Sjuach en Zofar uit Naäma, waarvan de ligging onbekend is (zie 2:11). Zie ook: Spr 3:11–12; Pred 9:7; Mat 7:24; Hand 9:6; Heb 11:8 ### Yahweh keert Jobs lot **42:10** Yahweh keerde het lot van Job toen hij voor zijn vrienden bad, en Yahweh gaf Job alles wat hij had gehad dubbel terug. Brontekst: וַֽיהוָ֗ה (vaYahweh) = en Yahweh | שָׁ֚ב (shav) = keerde | אֶת (et) = (obj.) | שְׁב֣וּת (shevut) = het lot van | אִיּ֔וֹב (iyov) = Job | בְּהִֽתְפַּֽלְל֖וֹ (behitpallo) = toen hij bad | בְּעַ֣ד (bead) = voor | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn vrienden | וַ֧יֹּסֶף (vayosef) = en vermeerderde | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לְאִיּ֖וֹב (leiyov) = van Job | לְמִשְׁנֶֽה (lemishne) = dubbel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het lot keren (shuv shevut) is een uitdrukking voor herstel: Deut. 30:3; Ps. 14:7; Jer. 29:14. Job wordt hersteld op het moment dat hij voor zijn vrienden bidt: zijn vergevingsgezindheid gaat aan zijn herstel vooraf. Zie ook Jak. 5:11. Zie ook: Job 8:6–7; Deut 30:3; Ps 14:7; Spr 22:4; Jes 40:2; Jes 61:7; Jer 29:14; Jak 5:11 **42:11** Al zijn broers, al zijn zusters en al zijn vroegere bekenden kwamen bij hem. Ze aten brood met hem in zijn huis, toonden medeleven en troostten hem over al het onheil dat Yahweh over hem had gebracht. Ieder gaf hem een kesita en een gouden ring. Brontekst: וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en kwamen | אֵ֠לָיו (elav) = tot hem | כָּל (kal) = al | אֶחָ֨יו (echav) = zijn broers | וְכָל (vekhal) = en al | אַחְיוֹתָ֜יו (achyotav) = zijn zusters | וְכָל (vekhal) = en al | יֹדְעָ֣יו (yodeav) = zijn bekenden | לְפָנִ֗ים (lefanim) = van tevoren | וַיֹּאכְל֨וּ (vayokhlu) = en aten | עִמּ֣וֹ (imo) = met hem | לֶחֶם֮ (lechem) = brood | בְּבֵיתוֹ֒ (beveito) = in zijn huis | וַיָּנֻ֤דוּ (vayanudu) = en toonden medeleven | לוֹ֙ (lo) = hem | וַיְנַחֲמ֣וּ (vaynachamu) = en troostten | אֹת֔וֹ (oto) = hem | עַ֚ל (al) = over | כָּל (kal) = al | הָ֣רָעָ֔ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֵבִ֥יא (hevi) = had gebracht | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עָלָ֑יו (alav) = over hem | וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en gaven | ל֗וֹ (lo) = hem | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | קְשִׂיטָ֣ה (qesita) = een kesita | אֶחָ֔ת (echat) = één | וְאִ֕ישׁ (veish) = en ieder | נֶ֥זֶם (nezem) = een ring van | זָהָ֖ב (zahav) = goud | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een kesita (קְשִׂיטָה, qesitah) is een betaalstuk van onbekende waarde, ook in Gen. 33:19 en Joz. 24:32 genoemd voor de koop van grond bij Sichem. De gouden ring (nezem) is een neus- of oorring (Gen. 24:22). Zie ook: Gen 24:22; Gen 33:19; Job 2:11; Job 19:13–14; Joz 24:32; Spr 16:7; Rom 12:15 ### Het latere leven van Job **42:12** Yahweh zegende het latere leven van Job meer dan zijn begin: hij kreeg veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. Brontekst: וַֽיהוָ֗ה (vaYahweh) = en Yahweh | בֵּרַ֛ךְ (berakh) = zegende | אֶת (et) = (obj.) | אַחֲרִ֥ית (acharit) = het einde van | אִיּ֖וֹב (iyov) = Job | מֵרֵאשִׁת֑וֹ (mereshito) = meer dan zijn begin | וַֽיְהִי (vayhi) = en waren | ל֡וֹ (lo) = hem | אַרְבָּעָה֩ (arbaa) = vier | עָשָׂ֨ר (asar) = tien | אֶ֜לֶף (elef) = duizend | צֹ֗אן (tson) = schapen | וְשֵׁ֤שֶׁת (vesheshet) = en zes | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizenden | גְּמַלִּ֔ים (gemalim) = kamelen | וְאֶֽלֶף (veelef) = en duizend | צֶ֥מֶד (tsemed) = span | בָּקָ֖ר (baqar) = runderen | וְאֶ֥לֶף (veelef) = en duizend | אֲתוֹנֽוֹת (atonot) = ezelinnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De getallen zijn precies het dubbele van die in 1:3: 7000 schapen worden 14.000, 3000 kamelen worden 6000, 500 span runderen worden 1000, 500 ezelinnen worden 1000. Zie ook: Gen 24:35; Job 8:7; Ps 144:13–15; Spr 10:22; Pred 7:8 **42:13** Zeven zonen en drie dochters kreeg hij. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en waren | ל֛וֹ (lo) = hem | שִׁבְעָ֥נָה (shivana) = zeven | בָנִ֖ים (banim) = zonen | וְשָׁל֥וֹשׁ (veshalosh) = en drie | בָּנֽוֹת (banot) = dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:2; Ps 107:41; Ps 127:3; Jes 49:20 **42:14** De eerste noemde hij Jemima, de tweede Kesia en de derde Keren-Happoech. Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij noemde | שֵׁם (shem) = de naam van | הָֽאַחַת֙ (haachat) = de eerste | יְמִימָ֔ה (yemima) = Jemima | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = de tweede | קְצִיעָ֑ה (qetsia) = Kesia | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | הַשְּׁלִישִׁ֖ית (hashelishit) = de derde | קֶ֥רֶן (qeren) = Keren | הַפּֽוּךְ (hapukh) = Happoech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de dochters: Jemima (יְמִימָה, yemimah) wordt gewoonlijk verklaard als ‘dag’ of ‘duif’; Kesia (קְצִיעָה, qetsiah) is ‘kassia’, een specerij (Ps. 45:9); Keren-Happoech (קֶרֶן הַפּוּךְ, qeren happukh) is ‘hoorn van oogschaduw’ (antimoon), een cosmetisch middel. De namen verwijzen naar schoonheid. Zie ook: Ps 45:10 **42:15** In heel het land vond men geen vrouwen zo mooi als de dochters van Job, en hun vader gaf hun een erfdeel te midden van hun broers. Brontekst: וְלֹ֨א (velo) = en niet | נִמְצָ֜א (nimtsa) = werden gevonden | נָשִׁ֥ים (nashim) = vrouwen | יָפ֛וֹת (yafot) = mooie | כִּבְנ֥וֹת (kivnot) = zoals de dochters van | אִיּ֖וֹב (iyov) = Job | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en gaf | לָהֶ֧ם (lahem) = hun | אֲבִיהֶ֛ם (avihem) = hun vader | נַחֲלָ֖ה (nachala) = een erfdeel | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | אֲחֵיהֶֽם (acheihem) = hun broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jobs dochters krijgen een erfdeel ‘te midden van hun broers’, wat ongebruikelijk is in Israël (Num. 27:1–11 regelt het alleen als er geen zonen zijn). Zie ook: Num 27:1–11; Num 27:7; Joz 15:18–19; Joz 18:4; Ps 144:12; Hand 7:20 **42:16** Daarna leefde Job 140 jaar, en hij zag zijn zonen en de zonen van zijn zonen, vier generaties. Brontekst: וַיְחִ֤י (vaychi) = en leefde | אִיּוֹב֙ (iyov) = Job | אַֽחֲרֵי (acharei) = na | זֹ֔את (zot) = dit | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וְאַרְבָּעִ֖ים (vearbaim) = en veertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיִּרְאֶ֗ה (vayire) = en zag | אֶת (et) = (obj.) | בָּנָיו֙ (banav) = zijn zonen | וְאֶת (veet) = en | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בָנָ֔יו (banav) = zijn zonen | אַרְבָּעָ֖ה (arbaa) = vier | דֹּרֽוֹת (dorot) = generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 140 jaar is het dubbele van de gewone ‘zeventig jaar’ (Ps. 90:10). ‘Vier generaties’ (dorot): Job ziet zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen. Zie ook: Gen 25:7; Gen 47:28; Gen 50:23; Ps 90:10; Ps 128:6; Spr 17:6 **42:17** Toen stierf Job, oud en verzadigd van dagen. Brontekst: וַיָּ֣מָת (vayamat) = en stierf | אִיּ֔וֹב (iyov) = Job | זָקֵ֖ן (zaqen) = oud | וּשְׂבַ֥ע (useva) = en verzadigd van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Oud en verzadigd van dagen’ is dezelfde uitdrukking als bij Abraham (Gen. 25:8), Isaak (Gen. 35:29) en David (1 Kron. 29:28). De Septuaginta voegt hier een lange aanvulling toe (over Jobs herkomst en nageslacht), die in de Masoretische tekst ontbreekt. Zie ook: Gen 15:15; Gen 25:8; Gen 35:29; Job 5:26; Deut 6:2; 1 Kron 29:28; Ps 91:16